[Inhoud]II.VADER EN ZOON.Robert zat of liever lag in zijn gevangenis, een duister laag hok, waarbij de gevangenis onder het stadhuis van Batavia nog een paleis scheen; een keten verbond zijn voeten aan een ring[183]in den muur, zijn handen waren ook aan elkander geboeid. Hij lag achterover op een matje, naast hem stond een halve klapperdop met rijst gevuld en een kleine gendie (kruik) met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks wist hij dat het voedsel zich daar bevond, zoo donker was ’t hier. Het eenige licht kwam van een halven cirkel, in een der hoeken van den muur, waarvan de andere helft zeker de naaste gevangenis verlichtte. Den ingang kon men slechts kruipend doorgaan, hij kwam op een onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer kon misschien nog recht opstaan in het hok; de vrij lange Robert raakte bijna den zolder als hij er in neerhurkte.Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij door de gedwongen houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het scheen nu avond te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets meer zichtbaar; in de verte hoorde hij de eentonige muziek van dengamelan, die zeker het een of ander feest moest opluisteren, soms vergezeld door het krijschend zingen der danseressen en dan werd het weer voor een poos stil.Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen om zich veel bezig te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker.Zijn geheele zonderlinge levensloop trad hem voor den geest; wanneer hij even insluimerde verbeeldde hij zich weer in het deftige huis op de Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders, of wel in den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde.Als hij door een harden slag van dengamelanof door het knabbelen van een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite zich te verbeelden dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaanschen kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet.[184]„Mijn lot is beslist,” dacht hij, „de vorst zal mij tot spreken dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij mij dood laten martelen; spreek ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval mijn zending is mislukt gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna ten minste weten dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk geval ’t is beter dat ik hier een wreeden dood sterf dan dat ik in de Bataviasche kazernen zedelijk ware ondergegaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen uitspattingen, geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen, alles, maar ik zal haar nimmer terugzien.”Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek van Soerabaya dat hij maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een te hoog in rang dan dat hij dien om nadere inlichtingen zou vragen, dat de Raad van Justitie Voorneman overleden was. Digna vrij! Dwaas hart! hij schiep zich op dat enkele woord droombeelden, zijn zending uitstekend gelukt, de Hollanders overwinnaars van Soerapati, hij bevorderd tot hoogen rang en dingend om de hand der jonge weduwe!Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al ware Digna ook weduwe, welke breede klove gaapte er nog steeds tusschen hem den naamlooze en haar de rijke, schoone vrouw. Hoe zou zij ooit gedempt kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg voor een geheel menschenleven om er van te bestaan en is het korreltje eindelijk opgeteerd dan is ook het leven vaak ten einde.Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een vijand, waardig zich met zijn landgenooten te meten. Welk een verschil met den spotkeizerPakoe Boewana, dien hij[185]naar Karta-Soera had vergezeld. Waren de Javaansche vorsten allen aan den Balineeschen hoofdman gelijk geweest, voorwaar de Hollanders hadden zwaarder werk gehad om het land aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen, maar minachten nooit!Hoe zou zijn oordeel luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun tegenweer niet misduidde, voor deze feiten zou hij niet streng zijn, maar hij wantrouwde hem nu, hij zou zijn maatregelen nemen om den dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een spoedig einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende gevangenschap.Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast, zoo hoorde hij niet eens dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker, ontsloten werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn gelaat bescheen.„Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?” vroeg een stem buiten den kerker.„Stil, laat mij begaan!” klonk het gebiedend terug en de hooge forsche gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij knielde neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet aan de armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel over den gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen, zijn eene met ketens beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op zijn borst, de ijzeren schakels van den keten vielen over zijn schouder, een kalme uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker, golvend haar bedekte zijn voorhoofd en zelfs zijn eene wenkbrauw.Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden vorm van den jongeling; zijn breede borst ging onstuimig op en neer, zijn scherpe oogen schenen aan de stomme[186]trekken een geheim te willen ontpersen, hij volgde elke lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus, lippen, voorhoofd als om daarin een gelijkenis te ontdekken.De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde en hij ontwaakte bij dat geluid; misschien ware hij weer dadelijk in slaap gevallen zoo hij niet de donkere figuur boven hem had bemerkt; hij richtte zich ontzet half op en vroeg:„Is ’t tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat het gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!”„Volg mij!” beval de vorst. „Sta op.”„Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?” vroeg Robert glimlachend, „dat is een eer die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet ge wat gij mij beloofd hebt? Geef mij mijn eigendom terug.”Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover herinnerde, de ketens los springen. Verrast zag Robert hem aan.„Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!”Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuigelijk. Buiten in de gang stond Radhen Wiro Negoro in zijn volle lengte rechtop; hij was geheel alleen. In zijn hand hield hij een zijden doek, dezen wierp hij den gevangene over het hoofd, toen nam hij hem bij de hand en beiden schreden zwijgend voort.„Mijn laatste oogenblikken zijn geteld,” dacht Robert. „Maar waarom komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje spelen en waar brengt hij me heen?”Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert dat hij op een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen; zijn verwondering verminderde niet nu hij zich in het bijna Europeesch gemeubelde vertrek des vorsten bevond en niet op een strafplaats.[187]Het verschil tusschen deze ruime, zacht verlichte kamer en zijn ellendig hok was zoo groot, dat zijn schitterende oogen het duidelijk genoeg uitspraken hoe de verandering hem trof.„Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,” begon de vorst met een stem, die van geheime ontroering beefde. „Neem een stoel en zet u naast mij voor de tafel.”Robert gehoorzaamde.„Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel is daaraan gelegen niet alleen voor u maar ook voor mij, voor dit land en voor uw volk.”Deze plechtige woorden stemden Robert zelf hoogst ernstig. Radhen Wiro Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot het met een gouden sleutel, dien hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden, door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard; hij nam het portret er uit en vroeg:„Wie is deze vrouw?”„Mijne moeder.”„Waar is zij?” bevend en hortend kwam deze vraag van zijn lippen.Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan.„Gij hebt gisteren gezegd dat zij dood was. Is dat waar?”„Ja, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend.”„En haar … haar man?”Robert bloosde en wendde zijn blik af.„Mijn vader heb ik evenmin gekend.”„Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,” drong de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op, en hij zag den jongen man recht in het gelaat.„Zij had geen anderen man dan mijn vader!” antwoordde Robert ontwijkend met steeds klimmende verbazing.[188]„Geen andere en vaandrig Kuffeler dan!” barstte Soerapati uit. Robert zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op.„Ik begrijp u niet, Radhen Adipati! Wat gaat mijn moeder u aan en de naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord.”„Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand. Heette uw moeder niet Suzanna Moor?”„Inderdaad!”„En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler genaamd?”„Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven in wien zij haar wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd.”Een ontzettende verandering had in de trekken van den vorst plaats; zijn oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden zich wijd op en hij siste:„Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen … schandelijk, laag!”Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem nog een droom.Met ijzeren hand greep Soerapati thans den jongeling aan en stiet al stamelend de vraag uit:„En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?”„Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd.”Radhen Wiro Negoro liet hem los; hij lachte schel en valsch.„Si Oentoeng, Si Oentoeng, een slaaf,” herhaalde hij telkens heftig op en neer gaande, „een slaaf. Ge vergist u, jonge man … hoe is uw naam, ik bedoel den naam, waarmede uw moeder u noemde?”„Robert.”„Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer[189]Si Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat heeft ontroofd. Wilt ge weten hoe thans uw vader heet, wilt ge weten wie hij is?”Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden door den magnetischen blik van den man vóór hem.„Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen en zijn naam is Radhen Wiro Negoro.”„Hoe gij zijt …?”„Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader.”„Gij, gij!” riep Robert uit, en week terug, schrik meer dan vreugde lag in zijn oogen, hij snelde niet toe om zich in de armen te werpen van den teruggevonden vader. In plaats van den Oosterschen vorst zag hij in den geest slechts den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten vadernaam had gegeven en in dezen man herkende hij slechts den moordenaar van Digna’s vader!„Ge schrikt er van, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman geweest ge zoudt mij verheugd in uw armen hebben gesloten, maar nu ik een bruine vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt gij u dat ge mijn zoon zijt. Beken ’t, ik lees het genoeg in uw trekken!”En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde.„Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! ’t Nieuws verrast mij, ik duizel er van. Nimmer had ik kunnen vermoeden …”„Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor hem sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich in het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer landgenooten nog weerstaat, is hij gevallen[190]dan zijt gij indringers, hier meesters in dit vreemde land, waar binnen wij u niet geroepen hebben, dat gij slechts betreedt om ons te onderdrukken, daar ge in ons een lager menschenras ziet. Waarom leeft Suzanna niet meer, zij was de eenige, die in mij haar gelijke zag, zij is mij trouw gebleven tot den dood. O had ik ’t eerder geweten, had ik het kunnen vermoeden! Des te wreeder is nu de scheiding geweest, des te zwaarder trof ons de vloek van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen, knaap! Gij gelooft mijn woord niet! Welnu kent gij dezen penning?”„Hij is de mijne?”„Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers geweest die het zilver in tweeën spleten, hier is de andere helft, zie of beide schijven aan elkander passen.”Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich gewonnen, maar in zijn hart klopte nog niets ten gunste van den vorstelijken vader, hij kon niet veinzen.„Zijt ge mijn zoon, ja of neen?” ging Radhen Wiro Negoro met toenemende verbittering voort, „mijn zoon gesproten uit mijn echt met een Hollandsche, een Christen vrouw! Ontken het langer als gij durft! Zie dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift.”„Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans zijn mijn gedachten meer bij mijne arme moeder, wier leven door uw schuld vernietigd werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap dan bij u, Radhen Adipati!”„Ge durft mij uw geboorte verwijten, dwaas die ge zijt? Ge vergeeft uw moeder alsof zij, de arme, een zondares ware, maar begrijpt ge dan niet dat het uw blanke verwanten, uw landgenooten zijn die de schuld dragen van ons beider scheiding? Heeft uw grootvader mij niet opgevoed, als ware ik zijn eigen zoon? Deed hij me niet vergeten dat ik slaaf was? Nu nog spreek ik uw taal,[191]al bleef ze jarenlang mijn tong vreemd, waarom? Daar ik ze tegelijk met de mijne op het erf van den Heer Moor aanleerde. Ik deelde haar lessen en haar spelen, ik achtte mij haar broeder totdat er een oogenblik kwam, dat ik voelde het niet te zijn; en zij, zij zag mijn kleur voorbij; dat zij er voor boeten moest, daarvan dragen haar verwanten en niet ik de schuld.”„Maar zij is u trouw gebleven, zij weigerde hardnekkig elke poging, door haar vader in ’t werk gesteld om haar daad uit te wisschen, gij echter wist u te troosten.… Zij stierf treurig en verlaten in den bloei harer jeugd, gij zijt hoog gestegen, gij hebt een prinses van uw volk tot uw vrouw gemaakt en u niet meer bekommerd om het meisje, dat droevig haar jong leven eindigde, om het kind, dat tusschen vreemden achterbleef.”Soerapati’s blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd, en het duurde eenige oogenblikken voor hij antwoorden kon.„Kind, uw woorden treffen mij diep, diep in het hart! Ja, ’t is waar, ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht; vervloekt zij ’t oogenblik dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is ’t dat ik willens en wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed ja, in mijn eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend noch voor mijn vrouw, noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden. Om harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had dat juist mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij die deze leugen verzon is buiten mijn bereik; ’t is wel voor hem, want noch zijn grijze haren, noch de vriendschapsband, die ons voor schier een[192]halve eeuw aan elkander hecht zouden hem gebaat hebben.”En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris.„Maar,” ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo week, dat Robert hem verrast en vragend aanzag, „ik zal zoo God het wil, aan haar zoon goed maken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Ge hebt mij nog niet lief, ge schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen, ik zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert, we zullen elkander langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang ik dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt gij te verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst van uw moeder!”„Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele oogenblikken waart,” antwoordde Robert, „vreemden heb ik levenslang den zoeten oudernaam gegeven.”En hij verhaalde hem in het kort zijn levensloop; zijn gelukkige kinder- en jongelingsjaren, totdat de plotselinge slag hem van alles beroofde en de wijde wereld eenzaam en verlaten injoeg; plotseling zweeg hij, het was toen hij verhalen moest, waarom bij zich in Soerapati’s handen bevond.„Het overige weet ik,” sprak de vorst; „ge zijt hier gekomen om meer te weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen; men heeft u daarmede belast, niet vermoedend, welke banden u aan mij hechten. Ik zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u alles toonen, ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen uw woord, dat gij niet vertrekken zult, voor ik u verlof daartoe geef.”„En zal ik dan vrij zijn?”„Meent ge dat ik mijn zoon langer in den kerker zou laten zuchten? Kan ik rekenen op uw eerewoord?”[193]„Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?”„Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mijn geheimen, ik zal u meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging en versterking voorleggen, gij zult overal aan mijne zijde verschijnen …”„Op voorwaarde dat ik hier niets van verrade!”„Dat vraag ik niet eens! Beloof me slechts dat gij niet vluchten zult.”Robert dacht even na en sprak toen:„Ik beloof het u.”„Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen mij dezen brief uwer moeder voor te lezen, ik heb getracht het schrift te ontcijferen maar het viel mij te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij zult rust noodig hebben na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens. Tot morgen, Robert!”Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing en dadelijk trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte; hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te volgen. Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim vertrek, rijk van divans voorzien, die bedekt waren met kostbare Oostersche kleeden; de andere meubels waren allen van het fijnste snijwerk, een zachte geur van bloemen en reukwerk doortrok de kamer, op een kleinen standaard brandde een lamp, de deur stond half open en gaf blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken zacht en eentonig murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen groet.„Is ’t een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn kerker maar in een vorstelijk vertrek?” vroeg hij zich af. „Het schijnt een tooversprookje!”Weinige minuten later lag hij op een der divans uitgestrekt een rustigen slaap te slapen.[194]
[Inhoud]II.VADER EN ZOON.Robert zat of liever lag in zijn gevangenis, een duister laag hok, waarbij de gevangenis onder het stadhuis van Batavia nog een paleis scheen; een keten verbond zijn voeten aan een ring[183]in den muur, zijn handen waren ook aan elkander geboeid. Hij lag achterover op een matje, naast hem stond een halve klapperdop met rijst gevuld en een kleine gendie (kruik) met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks wist hij dat het voedsel zich daar bevond, zoo donker was ’t hier. Het eenige licht kwam van een halven cirkel, in een der hoeken van den muur, waarvan de andere helft zeker de naaste gevangenis verlichtte. Den ingang kon men slechts kruipend doorgaan, hij kwam op een onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer kon misschien nog recht opstaan in het hok; de vrij lange Robert raakte bijna den zolder als hij er in neerhurkte.Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij door de gedwongen houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het scheen nu avond te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets meer zichtbaar; in de verte hoorde hij de eentonige muziek van dengamelan, die zeker het een of ander feest moest opluisteren, soms vergezeld door het krijschend zingen der danseressen en dan werd het weer voor een poos stil.Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen om zich veel bezig te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker.Zijn geheele zonderlinge levensloop trad hem voor den geest; wanneer hij even insluimerde verbeeldde hij zich weer in het deftige huis op de Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders, of wel in den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde.Als hij door een harden slag van dengamelanof door het knabbelen van een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite zich te verbeelden dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaanschen kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet.[184]„Mijn lot is beslist,” dacht hij, „de vorst zal mij tot spreken dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij mij dood laten martelen; spreek ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval mijn zending is mislukt gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna ten minste weten dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk geval ’t is beter dat ik hier een wreeden dood sterf dan dat ik in de Bataviasche kazernen zedelijk ware ondergegaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen uitspattingen, geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen, alles, maar ik zal haar nimmer terugzien.”Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek van Soerabaya dat hij maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een te hoog in rang dan dat hij dien om nadere inlichtingen zou vragen, dat de Raad van Justitie Voorneman overleden was. Digna vrij! Dwaas hart! hij schiep zich op dat enkele woord droombeelden, zijn zending uitstekend gelukt, de Hollanders overwinnaars van Soerapati, hij bevorderd tot hoogen rang en dingend om de hand der jonge weduwe!Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al ware Digna ook weduwe, welke breede klove gaapte er nog steeds tusschen hem den naamlooze en haar de rijke, schoone vrouw. Hoe zou zij ooit gedempt kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg voor een geheel menschenleven om er van te bestaan en is het korreltje eindelijk opgeteerd dan is ook het leven vaak ten einde.Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een vijand, waardig zich met zijn landgenooten te meten. Welk een verschil met den spotkeizerPakoe Boewana, dien hij[185]naar Karta-Soera had vergezeld. Waren de Javaansche vorsten allen aan den Balineeschen hoofdman gelijk geweest, voorwaar de Hollanders hadden zwaarder werk gehad om het land aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen, maar minachten nooit!Hoe zou zijn oordeel luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun tegenweer niet misduidde, voor deze feiten zou hij niet streng zijn, maar hij wantrouwde hem nu, hij zou zijn maatregelen nemen om den dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een spoedig einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende gevangenschap.Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast, zoo hoorde hij niet eens dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker, ontsloten werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn gelaat bescheen.„Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?” vroeg een stem buiten den kerker.„Stil, laat mij begaan!” klonk het gebiedend terug en de hooge forsche gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij knielde neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet aan de armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel over den gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen, zijn eene met ketens beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op zijn borst, de ijzeren schakels van den keten vielen over zijn schouder, een kalme uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker, golvend haar bedekte zijn voorhoofd en zelfs zijn eene wenkbrauw.Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden vorm van den jongeling; zijn breede borst ging onstuimig op en neer, zijn scherpe oogen schenen aan de stomme[186]trekken een geheim te willen ontpersen, hij volgde elke lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus, lippen, voorhoofd als om daarin een gelijkenis te ontdekken.De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde en hij ontwaakte bij dat geluid; misschien ware hij weer dadelijk in slaap gevallen zoo hij niet de donkere figuur boven hem had bemerkt; hij richtte zich ontzet half op en vroeg:„Is ’t tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat het gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!”„Volg mij!” beval de vorst. „Sta op.”„Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?” vroeg Robert glimlachend, „dat is een eer die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet ge wat gij mij beloofd hebt? Geef mij mijn eigendom terug.”Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover herinnerde, de ketens los springen. Verrast zag Robert hem aan.„Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!”Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuigelijk. Buiten in de gang stond Radhen Wiro Negoro in zijn volle lengte rechtop; hij was geheel alleen. In zijn hand hield hij een zijden doek, dezen wierp hij den gevangene over het hoofd, toen nam hij hem bij de hand en beiden schreden zwijgend voort.„Mijn laatste oogenblikken zijn geteld,” dacht Robert. „Maar waarom komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje spelen en waar brengt hij me heen?”Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert dat hij op een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen; zijn verwondering verminderde niet nu hij zich in het bijna Europeesch gemeubelde vertrek des vorsten bevond en niet op een strafplaats.[187]Het verschil tusschen deze ruime, zacht verlichte kamer en zijn ellendig hok was zoo groot, dat zijn schitterende oogen het duidelijk genoeg uitspraken hoe de verandering hem trof.„Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,” begon de vorst met een stem, die van geheime ontroering beefde. „Neem een stoel en zet u naast mij voor de tafel.”Robert gehoorzaamde.„Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel is daaraan gelegen niet alleen voor u maar ook voor mij, voor dit land en voor uw volk.”Deze plechtige woorden stemden Robert zelf hoogst ernstig. Radhen Wiro Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot het met een gouden sleutel, dien hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden, door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard; hij nam het portret er uit en vroeg:„Wie is deze vrouw?”„Mijne moeder.”„Waar is zij?” bevend en hortend kwam deze vraag van zijn lippen.Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan.„Gij hebt gisteren gezegd dat zij dood was. Is dat waar?”„Ja, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend.”„En haar … haar man?”Robert bloosde en wendde zijn blik af.„Mijn vader heb ik evenmin gekend.”„Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,” drong de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op, en hij zag den jongen man recht in het gelaat.„Zij had geen anderen man dan mijn vader!” antwoordde Robert ontwijkend met steeds klimmende verbazing.[188]„Geen andere en vaandrig Kuffeler dan!” barstte Soerapati uit. Robert zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op.„Ik begrijp u niet, Radhen Adipati! Wat gaat mijn moeder u aan en de naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord.”„Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand. Heette uw moeder niet Suzanna Moor?”„Inderdaad!”„En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler genaamd?”„Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven in wien zij haar wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd.”Een ontzettende verandering had in de trekken van den vorst plaats; zijn oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden zich wijd op en hij siste:„Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen … schandelijk, laag!”Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem nog een droom.Met ijzeren hand greep Soerapati thans den jongeling aan en stiet al stamelend de vraag uit:„En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?”„Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd.”Radhen Wiro Negoro liet hem los; hij lachte schel en valsch.„Si Oentoeng, Si Oentoeng, een slaaf,” herhaalde hij telkens heftig op en neer gaande, „een slaaf. Ge vergist u, jonge man … hoe is uw naam, ik bedoel den naam, waarmede uw moeder u noemde?”„Robert.”„Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer[189]Si Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat heeft ontroofd. Wilt ge weten hoe thans uw vader heet, wilt ge weten wie hij is?”Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden door den magnetischen blik van den man vóór hem.„Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen en zijn naam is Radhen Wiro Negoro.”„Hoe gij zijt …?”„Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader.”„Gij, gij!” riep Robert uit, en week terug, schrik meer dan vreugde lag in zijn oogen, hij snelde niet toe om zich in de armen te werpen van den teruggevonden vader. In plaats van den Oosterschen vorst zag hij in den geest slechts den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten vadernaam had gegeven en in dezen man herkende hij slechts den moordenaar van Digna’s vader!„Ge schrikt er van, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman geweest ge zoudt mij verheugd in uw armen hebben gesloten, maar nu ik een bruine vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt gij u dat ge mijn zoon zijt. Beken ’t, ik lees het genoeg in uw trekken!”En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde.„Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! ’t Nieuws verrast mij, ik duizel er van. Nimmer had ik kunnen vermoeden …”„Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor hem sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich in het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer landgenooten nog weerstaat, is hij gevallen[190]dan zijt gij indringers, hier meesters in dit vreemde land, waar binnen wij u niet geroepen hebben, dat gij slechts betreedt om ons te onderdrukken, daar ge in ons een lager menschenras ziet. Waarom leeft Suzanna niet meer, zij was de eenige, die in mij haar gelijke zag, zij is mij trouw gebleven tot den dood. O had ik ’t eerder geweten, had ik het kunnen vermoeden! Des te wreeder is nu de scheiding geweest, des te zwaarder trof ons de vloek van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen, knaap! Gij gelooft mijn woord niet! Welnu kent gij dezen penning?”„Hij is de mijne?”„Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers geweest die het zilver in tweeën spleten, hier is de andere helft, zie of beide schijven aan elkander passen.”Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich gewonnen, maar in zijn hart klopte nog niets ten gunste van den vorstelijken vader, hij kon niet veinzen.„Zijt ge mijn zoon, ja of neen?” ging Radhen Wiro Negoro met toenemende verbittering voort, „mijn zoon gesproten uit mijn echt met een Hollandsche, een Christen vrouw! Ontken het langer als gij durft! Zie dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift.”„Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans zijn mijn gedachten meer bij mijne arme moeder, wier leven door uw schuld vernietigd werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap dan bij u, Radhen Adipati!”„Ge durft mij uw geboorte verwijten, dwaas die ge zijt? Ge vergeeft uw moeder alsof zij, de arme, een zondares ware, maar begrijpt ge dan niet dat het uw blanke verwanten, uw landgenooten zijn die de schuld dragen van ons beider scheiding? Heeft uw grootvader mij niet opgevoed, als ware ik zijn eigen zoon? Deed hij me niet vergeten dat ik slaaf was? Nu nog spreek ik uw taal,[191]al bleef ze jarenlang mijn tong vreemd, waarom? Daar ik ze tegelijk met de mijne op het erf van den Heer Moor aanleerde. Ik deelde haar lessen en haar spelen, ik achtte mij haar broeder totdat er een oogenblik kwam, dat ik voelde het niet te zijn; en zij, zij zag mijn kleur voorbij; dat zij er voor boeten moest, daarvan dragen haar verwanten en niet ik de schuld.”„Maar zij is u trouw gebleven, zij weigerde hardnekkig elke poging, door haar vader in ’t werk gesteld om haar daad uit te wisschen, gij echter wist u te troosten.… Zij stierf treurig en verlaten in den bloei harer jeugd, gij zijt hoog gestegen, gij hebt een prinses van uw volk tot uw vrouw gemaakt en u niet meer bekommerd om het meisje, dat droevig haar jong leven eindigde, om het kind, dat tusschen vreemden achterbleef.”Soerapati’s blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd, en het duurde eenige oogenblikken voor hij antwoorden kon.„Kind, uw woorden treffen mij diep, diep in het hart! Ja, ’t is waar, ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht; vervloekt zij ’t oogenblik dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is ’t dat ik willens en wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed ja, in mijn eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend noch voor mijn vrouw, noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden. Om harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had dat juist mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij die deze leugen verzon is buiten mijn bereik; ’t is wel voor hem, want noch zijn grijze haren, noch de vriendschapsband, die ons voor schier een[192]halve eeuw aan elkander hecht zouden hem gebaat hebben.”En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris.„Maar,” ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo week, dat Robert hem verrast en vragend aanzag, „ik zal zoo God het wil, aan haar zoon goed maken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Ge hebt mij nog niet lief, ge schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen, ik zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert, we zullen elkander langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang ik dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt gij te verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst van uw moeder!”„Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele oogenblikken waart,” antwoordde Robert, „vreemden heb ik levenslang den zoeten oudernaam gegeven.”En hij verhaalde hem in het kort zijn levensloop; zijn gelukkige kinder- en jongelingsjaren, totdat de plotselinge slag hem van alles beroofde en de wijde wereld eenzaam en verlaten injoeg; plotseling zweeg hij, het was toen hij verhalen moest, waarom bij zich in Soerapati’s handen bevond.„Het overige weet ik,” sprak de vorst; „ge zijt hier gekomen om meer te weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen; men heeft u daarmede belast, niet vermoedend, welke banden u aan mij hechten. Ik zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u alles toonen, ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen uw woord, dat gij niet vertrekken zult, voor ik u verlof daartoe geef.”„En zal ik dan vrij zijn?”„Meent ge dat ik mijn zoon langer in den kerker zou laten zuchten? Kan ik rekenen op uw eerewoord?”[193]„Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?”„Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mijn geheimen, ik zal u meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging en versterking voorleggen, gij zult overal aan mijne zijde verschijnen …”„Op voorwaarde dat ik hier niets van verrade!”„Dat vraag ik niet eens! Beloof me slechts dat gij niet vluchten zult.”Robert dacht even na en sprak toen:„Ik beloof het u.”„Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen mij dezen brief uwer moeder voor te lezen, ik heb getracht het schrift te ontcijferen maar het viel mij te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij zult rust noodig hebben na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens. Tot morgen, Robert!”Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing en dadelijk trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte; hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te volgen. Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim vertrek, rijk van divans voorzien, die bedekt waren met kostbare Oostersche kleeden; de andere meubels waren allen van het fijnste snijwerk, een zachte geur van bloemen en reukwerk doortrok de kamer, op een kleinen standaard brandde een lamp, de deur stond half open en gaf blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken zacht en eentonig murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen groet.„Is ’t een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn kerker maar in een vorstelijk vertrek?” vroeg hij zich af. „Het schijnt een tooversprookje!”Weinige minuten later lag hij op een der divans uitgestrekt een rustigen slaap te slapen.[194]
[Inhoud]II.VADER EN ZOON.Robert zat of liever lag in zijn gevangenis, een duister laag hok, waarbij de gevangenis onder het stadhuis van Batavia nog een paleis scheen; een keten verbond zijn voeten aan een ring[183]in den muur, zijn handen waren ook aan elkander geboeid. Hij lag achterover op een matje, naast hem stond een halve klapperdop met rijst gevuld en een kleine gendie (kruik) met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks wist hij dat het voedsel zich daar bevond, zoo donker was ’t hier. Het eenige licht kwam van een halven cirkel, in een der hoeken van den muur, waarvan de andere helft zeker de naaste gevangenis verlichtte. Den ingang kon men slechts kruipend doorgaan, hij kwam op een onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer kon misschien nog recht opstaan in het hok; de vrij lange Robert raakte bijna den zolder als hij er in neerhurkte.Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij door de gedwongen houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het scheen nu avond te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets meer zichtbaar; in de verte hoorde hij de eentonige muziek van dengamelan, die zeker het een of ander feest moest opluisteren, soms vergezeld door het krijschend zingen der danseressen en dan werd het weer voor een poos stil.Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen om zich veel bezig te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker.Zijn geheele zonderlinge levensloop trad hem voor den geest; wanneer hij even insluimerde verbeeldde hij zich weer in het deftige huis op de Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders, of wel in den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde.Als hij door een harden slag van dengamelanof door het knabbelen van een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite zich te verbeelden dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaanschen kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet.[184]„Mijn lot is beslist,” dacht hij, „de vorst zal mij tot spreken dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij mij dood laten martelen; spreek ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval mijn zending is mislukt gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna ten minste weten dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk geval ’t is beter dat ik hier een wreeden dood sterf dan dat ik in de Bataviasche kazernen zedelijk ware ondergegaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen uitspattingen, geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen, alles, maar ik zal haar nimmer terugzien.”Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek van Soerabaya dat hij maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een te hoog in rang dan dat hij dien om nadere inlichtingen zou vragen, dat de Raad van Justitie Voorneman overleden was. Digna vrij! Dwaas hart! hij schiep zich op dat enkele woord droombeelden, zijn zending uitstekend gelukt, de Hollanders overwinnaars van Soerapati, hij bevorderd tot hoogen rang en dingend om de hand der jonge weduwe!Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al ware Digna ook weduwe, welke breede klove gaapte er nog steeds tusschen hem den naamlooze en haar de rijke, schoone vrouw. Hoe zou zij ooit gedempt kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg voor een geheel menschenleven om er van te bestaan en is het korreltje eindelijk opgeteerd dan is ook het leven vaak ten einde.Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een vijand, waardig zich met zijn landgenooten te meten. Welk een verschil met den spotkeizerPakoe Boewana, dien hij[185]naar Karta-Soera had vergezeld. Waren de Javaansche vorsten allen aan den Balineeschen hoofdman gelijk geweest, voorwaar de Hollanders hadden zwaarder werk gehad om het land aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen, maar minachten nooit!Hoe zou zijn oordeel luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun tegenweer niet misduidde, voor deze feiten zou hij niet streng zijn, maar hij wantrouwde hem nu, hij zou zijn maatregelen nemen om den dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een spoedig einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende gevangenschap.Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast, zoo hoorde hij niet eens dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker, ontsloten werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn gelaat bescheen.„Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?” vroeg een stem buiten den kerker.„Stil, laat mij begaan!” klonk het gebiedend terug en de hooge forsche gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij knielde neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet aan de armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel over den gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen, zijn eene met ketens beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op zijn borst, de ijzeren schakels van den keten vielen over zijn schouder, een kalme uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker, golvend haar bedekte zijn voorhoofd en zelfs zijn eene wenkbrauw.Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden vorm van den jongeling; zijn breede borst ging onstuimig op en neer, zijn scherpe oogen schenen aan de stomme[186]trekken een geheim te willen ontpersen, hij volgde elke lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus, lippen, voorhoofd als om daarin een gelijkenis te ontdekken.De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde en hij ontwaakte bij dat geluid; misschien ware hij weer dadelijk in slaap gevallen zoo hij niet de donkere figuur boven hem had bemerkt; hij richtte zich ontzet half op en vroeg:„Is ’t tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat het gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!”„Volg mij!” beval de vorst. „Sta op.”„Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?” vroeg Robert glimlachend, „dat is een eer die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet ge wat gij mij beloofd hebt? Geef mij mijn eigendom terug.”Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover herinnerde, de ketens los springen. Verrast zag Robert hem aan.„Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!”Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuigelijk. Buiten in de gang stond Radhen Wiro Negoro in zijn volle lengte rechtop; hij was geheel alleen. In zijn hand hield hij een zijden doek, dezen wierp hij den gevangene over het hoofd, toen nam hij hem bij de hand en beiden schreden zwijgend voort.„Mijn laatste oogenblikken zijn geteld,” dacht Robert. „Maar waarom komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje spelen en waar brengt hij me heen?”Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert dat hij op een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen; zijn verwondering verminderde niet nu hij zich in het bijna Europeesch gemeubelde vertrek des vorsten bevond en niet op een strafplaats.[187]Het verschil tusschen deze ruime, zacht verlichte kamer en zijn ellendig hok was zoo groot, dat zijn schitterende oogen het duidelijk genoeg uitspraken hoe de verandering hem trof.„Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,” begon de vorst met een stem, die van geheime ontroering beefde. „Neem een stoel en zet u naast mij voor de tafel.”Robert gehoorzaamde.„Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel is daaraan gelegen niet alleen voor u maar ook voor mij, voor dit land en voor uw volk.”Deze plechtige woorden stemden Robert zelf hoogst ernstig. Radhen Wiro Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot het met een gouden sleutel, dien hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden, door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard; hij nam het portret er uit en vroeg:„Wie is deze vrouw?”„Mijne moeder.”„Waar is zij?” bevend en hortend kwam deze vraag van zijn lippen.Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan.„Gij hebt gisteren gezegd dat zij dood was. Is dat waar?”„Ja, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend.”„En haar … haar man?”Robert bloosde en wendde zijn blik af.„Mijn vader heb ik evenmin gekend.”„Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,” drong de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op, en hij zag den jongen man recht in het gelaat.„Zij had geen anderen man dan mijn vader!” antwoordde Robert ontwijkend met steeds klimmende verbazing.[188]„Geen andere en vaandrig Kuffeler dan!” barstte Soerapati uit. Robert zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op.„Ik begrijp u niet, Radhen Adipati! Wat gaat mijn moeder u aan en de naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord.”„Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand. Heette uw moeder niet Suzanna Moor?”„Inderdaad!”„En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler genaamd?”„Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven in wien zij haar wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd.”Een ontzettende verandering had in de trekken van den vorst plaats; zijn oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden zich wijd op en hij siste:„Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen … schandelijk, laag!”Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem nog een droom.Met ijzeren hand greep Soerapati thans den jongeling aan en stiet al stamelend de vraag uit:„En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?”„Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd.”Radhen Wiro Negoro liet hem los; hij lachte schel en valsch.„Si Oentoeng, Si Oentoeng, een slaaf,” herhaalde hij telkens heftig op en neer gaande, „een slaaf. Ge vergist u, jonge man … hoe is uw naam, ik bedoel den naam, waarmede uw moeder u noemde?”„Robert.”„Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer[189]Si Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat heeft ontroofd. Wilt ge weten hoe thans uw vader heet, wilt ge weten wie hij is?”Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden door den magnetischen blik van den man vóór hem.„Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen en zijn naam is Radhen Wiro Negoro.”„Hoe gij zijt …?”„Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader.”„Gij, gij!” riep Robert uit, en week terug, schrik meer dan vreugde lag in zijn oogen, hij snelde niet toe om zich in de armen te werpen van den teruggevonden vader. In plaats van den Oosterschen vorst zag hij in den geest slechts den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten vadernaam had gegeven en in dezen man herkende hij slechts den moordenaar van Digna’s vader!„Ge schrikt er van, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman geweest ge zoudt mij verheugd in uw armen hebben gesloten, maar nu ik een bruine vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt gij u dat ge mijn zoon zijt. Beken ’t, ik lees het genoeg in uw trekken!”En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde.„Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! ’t Nieuws verrast mij, ik duizel er van. Nimmer had ik kunnen vermoeden …”„Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor hem sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich in het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer landgenooten nog weerstaat, is hij gevallen[190]dan zijt gij indringers, hier meesters in dit vreemde land, waar binnen wij u niet geroepen hebben, dat gij slechts betreedt om ons te onderdrukken, daar ge in ons een lager menschenras ziet. Waarom leeft Suzanna niet meer, zij was de eenige, die in mij haar gelijke zag, zij is mij trouw gebleven tot den dood. O had ik ’t eerder geweten, had ik het kunnen vermoeden! Des te wreeder is nu de scheiding geweest, des te zwaarder trof ons de vloek van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen, knaap! Gij gelooft mijn woord niet! Welnu kent gij dezen penning?”„Hij is de mijne?”„Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers geweest die het zilver in tweeën spleten, hier is de andere helft, zie of beide schijven aan elkander passen.”Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich gewonnen, maar in zijn hart klopte nog niets ten gunste van den vorstelijken vader, hij kon niet veinzen.„Zijt ge mijn zoon, ja of neen?” ging Radhen Wiro Negoro met toenemende verbittering voort, „mijn zoon gesproten uit mijn echt met een Hollandsche, een Christen vrouw! Ontken het langer als gij durft! Zie dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift.”„Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans zijn mijn gedachten meer bij mijne arme moeder, wier leven door uw schuld vernietigd werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap dan bij u, Radhen Adipati!”„Ge durft mij uw geboorte verwijten, dwaas die ge zijt? Ge vergeeft uw moeder alsof zij, de arme, een zondares ware, maar begrijpt ge dan niet dat het uw blanke verwanten, uw landgenooten zijn die de schuld dragen van ons beider scheiding? Heeft uw grootvader mij niet opgevoed, als ware ik zijn eigen zoon? Deed hij me niet vergeten dat ik slaaf was? Nu nog spreek ik uw taal,[191]al bleef ze jarenlang mijn tong vreemd, waarom? Daar ik ze tegelijk met de mijne op het erf van den Heer Moor aanleerde. Ik deelde haar lessen en haar spelen, ik achtte mij haar broeder totdat er een oogenblik kwam, dat ik voelde het niet te zijn; en zij, zij zag mijn kleur voorbij; dat zij er voor boeten moest, daarvan dragen haar verwanten en niet ik de schuld.”„Maar zij is u trouw gebleven, zij weigerde hardnekkig elke poging, door haar vader in ’t werk gesteld om haar daad uit te wisschen, gij echter wist u te troosten.… Zij stierf treurig en verlaten in den bloei harer jeugd, gij zijt hoog gestegen, gij hebt een prinses van uw volk tot uw vrouw gemaakt en u niet meer bekommerd om het meisje, dat droevig haar jong leven eindigde, om het kind, dat tusschen vreemden achterbleef.”Soerapati’s blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd, en het duurde eenige oogenblikken voor hij antwoorden kon.„Kind, uw woorden treffen mij diep, diep in het hart! Ja, ’t is waar, ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht; vervloekt zij ’t oogenblik dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is ’t dat ik willens en wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed ja, in mijn eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend noch voor mijn vrouw, noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden. Om harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had dat juist mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij die deze leugen verzon is buiten mijn bereik; ’t is wel voor hem, want noch zijn grijze haren, noch de vriendschapsband, die ons voor schier een[192]halve eeuw aan elkander hecht zouden hem gebaat hebben.”En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris.„Maar,” ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo week, dat Robert hem verrast en vragend aanzag, „ik zal zoo God het wil, aan haar zoon goed maken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Ge hebt mij nog niet lief, ge schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen, ik zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert, we zullen elkander langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang ik dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt gij te verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst van uw moeder!”„Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele oogenblikken waart,” antwoordde Robert, „vreemden heb ik levenslang den zoeten oudernaam gegeven.”En hij verhaalde hem in het kort zijn levensloop; zijn gelukkige kinder- en jongelingsjaren, totdat de plotselinge slag hem van alles beroofde en de wijde wereld eenzaam en verlaten injoeg; plotseling zweeg hij, het was toen hij verhalen moest, waarom bij zich in Soerapati’s handen bevond.„Het overige weet ik,” sprak de vorst; „ge zijt hier gekomen om meer te weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen; men heeft u daarmede belast, niet vermoedend, welke banden u aan mij hechten. Ik zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u alles toonen, ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen uw woord, dat gij niet vertrekken zult, voor ik u verlof daartoe geef.”„En zal ik dan vrij zijn?”„Meent ge dat ik mijn zoon langer in den kerker zou laten zuchten? Kan ik rekenen op uw eerewoord?”[193]„Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?”„Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mijn geheimen, ik zal u meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging en versterking voorleggen, gij zult overal aan mijne zijde verschijnen …”„Op voorwaarde dat ik hier niets van verrade!”„Dat vraag ik niet eens! Beloof me slechts dat gij niet vluchten zult.”Robert dacht even na en sprak toen:„Ik beloof het u.”„Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen mij dezen brief uwer moeder voor te lezen, ik heb getracht het schrift te ontcijferen maar het viel mij te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij zult rust noodig hebben na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens. Tot morgen, Robert!”Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing en dadelijk trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte; hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te volgen. Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim vertrek, rijk van divans voorzien, die bedekt waren met kostbare Oostersche kleeden; de andere meubels waren allen van het fijnste snijwerk, een zachte geur van bloemen en reukwerk doortrok de kamer, op een kleinen standaard brandde een lamp, de deur stond half open en gaf blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken zacht en eentonig murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen groet.„Is ’t een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn kerker maar in een vorstelijk vertrek?” vroeg hij zich af. „Het schijnt een tooversprookje!”Weinige minuten later lag hij op een der divans uitgestrekt een rustigen slaap te slapen.[194]
II.VADER EN ZOON.
Robert zat of liever lag in zijn gevangenis, een duister laag hok, waarbij de gevangenis onder het stadhuis van Batavia nog een paleis scheen; een keten verbond zijn voeten aan een ring[183]in den muur, zijn handen waren ook aan elkander geboeid. Hij lag achterover op een matje, naast hem stond een halve klapperdop met rijst gevuld en een kleine gendie (kruik) met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks wist hij dat het voedsel zich daar bevond, zoo donker was ’t hier. Het eenige licht kwam van een halven cirkel, in een der hoeken van den muur, waarvan de andere helft zeker de naaste gevangenis verlichtte. Den ingang kon men slechts kruipend doorgaan, hij kwam op een onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer kon misschien nog recht opstaan in het hok; de vrij lange Robert raakte bijna den zolder als hij er in neerhurkte.Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij door de gedwongen houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het scheen nu avond te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets meer zichtbaar; in de verte hoorde hij de eentonige muziek van dengamelan, die zeker het een of ander feest moest opluisteren, soms vergezeld door het krijschend zingen der danseressen en dan werd het weer voor een poos stil.Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen om zich veel bezig te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker.Zijn geheele zonderlinge levensloop trad hem voor den geest; wanneer hij even insluimerde verbeeldde hij zich weer in het deftige huis op de Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders, of wel in den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde.Als hij door een harden slag van dengamelanof door het knabbelen van een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite zich te verbeelden dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaanschen kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet.[184]„Mijn lot is beslist,” dacht hij, „de vorst zal mij tot spreken dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij mij dood laten martelen; spreek ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval mijn zending is mislukt gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna ten minste weten dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk geval ’t is beter dat ik hier een wreeden dood sterf dan dat ik in de Bataviasche kazernen zedelijk ware ondergegaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen uitspattingen, geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen, alles, maar ik zal haar nimmer terugzien.”Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek van Soerabaya dat hij maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een te hoog in rang dan dat hij dien om nadere inlichtingen zou vragen, dat de Raad van Justitie Voorneman overleden was. Digna vrij! Dwaas hart! hij schiep zich op dat enkele woord droombeelden, zijn zending uitstekend gelukt, de Hollanders overwinnaars van Soerapati, hij bevorderd tot hoogen rang en dingend om de hand der jonge weduwe!Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al ware Digna ook weduwe, welke breede klove gaapte er nog steeds tusschen hem den naamlooze en haar de rijke, schoone vrouw. Hoe zou zij ooit gedempt kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg voor een geheel menschenleven om er van te bestaan en is het korreltje eindelijk opgeteerd dan is ook het leven vaak ten einde.Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een vijand, waardig zich met zijn landgenooten te meten. Welk een verschil met den spotkeizerPakoe Boewana, dien hij[185]naar Karta-Soera had vergezeld. Waren de Javaansche vorsten allen aan den Balineeschen hoofdman gelijk geweest, voorwaar de Hollanders hadden zwaarder werk gehad om het land aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen, maar minachten nooit!Hoe zou zijn oordeel luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun tegenweer niet misduidde, voor deze feiten zou hij niet streng zijn, maar hij wantrouwde hem nu, hij zou zijn maatregelen nemen om den dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een spoedig einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende gevangenschap.Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast, zoo hoorde hij niet eens dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker, ontsloten werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn gelaat bescheen.„Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?” vroeg een stem buiten den kerker.„Stil, laat mij begaan!” klonk het gebiedend terug en de hooge forsche gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij knielde neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet aan de armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel over den gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen, zijn eene met ketens beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op zijn borst, de ijzeren schakels van den keten vielen over zijn schouder, een kalme uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker, golvend haar bedekte zijn voorhoofd en zelfs zijn eene wenkbrauw.Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden vorm van den jongeling; zijn breede borst ging onstuimig op en neer, zijn scherpe oogen schenen aan de stomme[186]trekken een geheim te willen ontpersen, hij volgde elke lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus, lippen, voorhoofd als om daarin een gelijkenis te ontdekken.De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde en hij ontwaakte bij dat geluid; misschien ware hij weer dadelijk in slaap gevallen zoo hij niet de donkere figuur boven hem had bemerkt; hij richtte zich ontzet half op en vroeg:„Is ’t tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat het gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!”„Volg mij!” beval de vorst. „Sta op.”„Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?” vroeg Robert glimlachend, „dat is een eer die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet ge wat gij mij beloofd hebt? Geef mij mijn eigendom terug.”Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover herinnerde, de ketens los springen. Verrast zag Robert hem aan.„Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!”Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuigelijk. Buiten in de gang stond Radhen Wiro Negoro in zijn volle lengte rechtop; hij was geheel alleen. In zijn hand hield hij een zijden doek, dezen wierp hij den gevangene over het hoofd, toen nam hij hem bij de hand en beiden schreden zwijgend voort.„Mijn laatste oogenblikken zijn geteld,” dacht Robert. „Maar waarom komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje spelen en waar brengt hij me heen?”Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert dat hij op een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen; zijn verwondering verminderde niet nu hij zich in het bijna Europeesch gemeubelde vertrek des vorsten bevond en niet op een strafplaats.[187]Het verschil tusschen deze ruime, zacht verlichte kamer en zijn ellendig hok was zoo groot, dat zijn schitterende oogen het duidelijk genoeg uitspraken hoe de verandering hem trof.„Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,” begon de vorst met een stem, die van geheime ontroering beefde. „Neem een stoel en zet u naast mij voor de tafel.”Robert gehoorzaamde.„Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel is daaraan gelegen niet alleen voor u maar ook voor mij, voor dit land en voor uw volk.”Deze plechtige woorden stemden Robert zelf hoogst ernstig. Radhen Wiro Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot het met een gouden sleutel, dien hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden, door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard; hij nam het portret er uit en vroeg:„Wie is deze vrouw?”„Mijne moeder.”„Waar is zij?” bevend en hortend kwam deze vraag van zijn lippen.Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan.„Gij hebt gisteren gezegd dat zij dood was. Is dat waar?”„Ja, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend.”„En haar … haar man?”Robert bloosde en wendde zijn blik af.„Mijn vader heb ik evenmin gekend.”„Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,” drong de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op, en hij zag den jongen man recht in het gelaat.„Zij had geen anderen man dan mijn vader!” antwoordde Robert ontwijkend met steeds klimmende verbazing.[188]„Geen andere en vaandrig Kuffeler dan!” barstte Soerapati uit. Robert zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op.„Ik begrijp u niet, Radhen Adipati! Wat gaat mijn moeder u aan en de naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord.”„Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand. Heette uw moeder niet Suzanna Moor?”„Inderdaad!”„En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler genaamd?”„Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven in wien zij haar wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd.”Een ontzettende verandering had in de trekken van den vorst plaats; zijn oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden zich wijd op en hij siste:„Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen … schandelijk, laag!”Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem nog een droom.Met ijzeren hand greep Soerapati thans den jongeling aan en stiet al stamelend de vraag uit:„En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?”„Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd.”Radhen Wiro Negoro liet hem los; hij lachte schel en valsch.„Si Oentoeng, Si Oentoeng, een slaaf,” herhaalde hij telkens heftig op en neer gaande, „een slaaf. Ge vergist u, jonge man … hoe is uw naam, ik bedoel den naam, waarmede uw moeder u noemde?”„Robert.”„Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer[189]Si Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat heeft ontroofd. Wilt ge weten hoe thans uw vader heet, wilt ge weten wie hij is?”Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden door den magnetischen blik van den man vóór hem.„Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen en zijn naam is Radhen Wiro Negoro.”„Hoe gij zijt …?”„Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader.”„Gij, gij!” riep Robert uit, en week terug, schrik meer dan vreugde lag in zijn oogen, hij snelde niet toe om zich in de armen te werpen van den teruggevonden vader. In plaats van den Oosterschen vorst zag hij in den geest slechts den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten vadernaam had gegeven en in dezen man herkende hij slechts den moordenaar van Digna’s vader!„Ge schrikt er van, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman geweest ge zoudt mij verheugd in uw armen hebben gesloten, maar nu ik een bruine vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt gij u dat ge mijn zoon zijt. Beken ’t, ik lees het genoeg in uw trekken!”En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde.„Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! ’t Nieuws verrast mij, ik duizel er van. Nimmer had ik kunnen vermoeden …”„Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor hem sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich in het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer landgenooten nog weerstaat, is hij gevallen[190]dan zijt gij indringers, hier meesters in dit vreemde land, waar binnen wij u niet geroepen hebben, dat gij slechts betreedt om ons te onderdrukken, daar ge in ons een lager menschenras ziet. Waarom leeft Suzanna niet meer, zij was de eenige, die in mij haar gelijke zag, zij is mij trouw gebleven tot den dood. O had ik ’t eerder geweten, had ik het kunnen vermoeden! Des te wreeder is nu de scheiding geweest, des te zwaarder trof ons de vloek van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen, knaap! Gij gelooft mijn woord niet! Welnu kent gij dezen penning?”„Hij is de mijne?”„Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers geweest die het zilver in tweeën spleten, hier is de andere helft, zie of beide schijven aan elkander passen.”Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich gewonnen, maar in zijn hart klopte nog niets ten gunste van den vorstelijken vader, hij kon niet veinzen.„Zijt ge mijn zoon, ja of neen?” ging Radhen Wiro Negoro met toenemende verbittering voort, „mijn zoon gesproten uit mijn echt met een Hollandsche, een Christen vrouw! Ontken het langer als gij durft! Zie dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift.”„Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans zijn mijn gedachten meer bij mijne arme moeder, wier leven door uw schuld vernietigd werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap dan bij u, Radhen Adipati!”„Ge durft mij uw geboorte verwijten, dwaas die ge zijt? Ge vergeeft uw moeder alsof zij, de arme, een zondares ware, maar begrijpt ge dan niet dat het uw blanke verwanten, uw landgenooten zijn die de schuld dragen van ons beider scheiding? Heeft uw grootvader mij niet opgevoed, als ware ik zijn eigen zoon? Deed hij me niet vergeten dat ik slaaf was? Nu nog spreek ik uw taal,[191]al bleef ze jarenlang mijn tong vreemd, waarom? Daar ik ze tegelijk met de mijne op het erf van den Heer Moor aanleerde. Ik deelde haar lessen en haar spelen, ik achtte mij haar broeder totdat er een oogenblik kwam, dat ik voelde het niet te zijn; en zij, zij zag mijn kleur voorbij; dat zij er voor boeten moest, daarvan dragen haar verwanten en niet ik de schuld.”„Maar zij is u trouw gebleven, zij weigerde hardnekkig elke poging, door haar vader in ’t werk gesteld om haar daad uit te wisschen, gij echter wist u te troosten.… Zij stierf treurig en verlaten in den bloei harer jeugd, gij zijt hoog gestegen, gij hebt een prinses van uw volk tot uw vrouw gemaakt en u niet meer bekommerd om het meisje, dat droevig haar jong leven eindigde, om het kind, dat tusschen vreemden achterbleef.”Soerapati’s blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd, en het duurde eenige oogenblikken voor hij antwoorden kon.„Kind, uw woorden treffen mij diep, diep in het hart! Ja, ’t is waar, ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht; vervloekt zij ’t oogenblik dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is ’t dat ik willens en wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed ja, in mijn eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend noch voor mijn vrouw, noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden. Om harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had dat juist mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij die deze leugen verzon is buiten mijn bereik; ’t is wel voor hem, want noch zijn grijze haren, noch de vriendschapsband, die ons voor schier een[192]halve eeuw aan elkander hecht zouden hem gebaat hebben.”En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris.„Maar,” ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo week, dat Robert hem verrast en vragend aanzag, „ik zal zoo God het wil, aan haar zoon goed maken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Ge hebt mij nog niet lief, ge schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen, ik zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert, we zullen elkander langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang ik dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt gij te verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst van uw moeder!”„Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele oogenblikken waart,” antwoordde Robert, „vreemden heb ik levenslang den zoeten oudernaam gegeven.”En hij verhaalde hem in het kort zijn levensloop; zijn gelukkige kinder- en jongelingsjaren, totdat de plotselinge slag hem van alles beroofde en de wijde wereld eenzaam en verlaten injoeg; plotseling zweeg hij, het was toen hij verhalen moest, waarom bij zich in Soerapati’s handen bevond.„Het overige weet ik,” sprak de vorst; „ge zijt hier gekomen om meer te weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen; men heeft u daarmede belast, niet vermoedend, welke banden u aan mij hechten. Ik zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u alles toonen, ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen uw woord, dat gij niet vertrekken zult, voor ik u verlof daartoe geef.”„En zal ik dan vrij zijn?”„Meent ge dat ik mijn zoon langer in den kerker zou laten zuchten? Kan ik rekenen op uw eerewoord?”[193]„Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?”„Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mijn geheimen, ik zal u meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging en versterking voorleggen, gij zult overal aan mijne zijde verschijnen …”„Op voorwaarde dat ik hier niets van verrade!”„Dat vraag ik niet eens! Beloof me slechts dat gij niet vluchten zult.”Robert dacht even na en sprak toen:„Ik beloof het u.”„Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen mij dezen brief uwer moeder voor te lezen, ik heb getracht het schrift te ontcijferen maar het viel mij te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij zult rust noodig hebben na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens. Tot morgen, Robert!”Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing en dadelijk trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte; hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te volgen. Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim vertrek, rijk van divans voorzien, die bedekt waren met kostbare Oostersche kleeden; de andere meubels waren allen van het fijnste snijwerk, een zachte geur van bloemen en reukwerk doortrok de kamer, op een kleinen standaard brandde een lamp, de deur stond half open en gaf blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken zacht en eentonig murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen groet.„Is ’t een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn kerker maar in een vorstelijk vertrek?” vroeg hij zich af. „Het schijnt een tooversprookje!”Weinige minuten later lag hij op een der divans uitgestrekt een rustigen slaap te slapen.[194]
Robert zat of liever lag in zijn gevangenis, een duister laag hok, waarbij de gevangenis onder het stadhuis van Batavia nog een paleis scheen; een keten verbond zijn voeten aan een ring[183]in den muur, zijn handen waren ook aan elkander geboeid. Hij lag achterover op een matje, naast hem stond een halve klapperdop met rijst gevuld en een kleine gendie (kruik) met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks wist hij dat het voedsel zich daar bevond, zoo donker was ’t hier. Het eenige licht kwam van een halven cirkel, in een der hoeken van den muur, waarvan de andere helft zeker de naaste gevangenis verlichtte. Den ingang kon men slechts kruipend doorgaan, hij kwam op een onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer kon misschien nog recht opstaan in het hok; de vrij lange Robert raakte bijna den zolder als hij er in neerhurkte.
Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij door de gedwongen houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het scheen nu avond te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets meer zichtbaar; in de verte hoorde hij de eentonige muziek van dengamelan, die zeker het een of ander feest moest opluisteren, soms vergezeld door het krijschend zingen der danseressen en dan werd het weer voor een poos stil.
Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen om zich veel bezig te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker.
Zijn geheele zonderlinge levensloop trad hem voor den geest; wanneer hij even insluimerde verbeeldde hij zich weer in het deftige huis op de Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders, of wel in den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde.
Als hij door een harden slag van dengamelanof door het knabbelen van een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite zich te verbeelden dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaanschen kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet.[184]
„Mijn lot is beslist,” dacht hij, „de vorst zal mij tot spreken dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij mij dood laten martelen; spreek ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval mijn zending is mislukt gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna ten minste weten dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk geval ’t is beter dat ik hier een wreeden dood sterf dan dat ik in de Bataviasche kazernen zedelijk ware ondergegaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen uitspattingen, geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen, alles, maar ik zal haar nimmer terugzien.”
Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek van Soerabaya dat hij maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een te hoog in rang dan dat hij dien om nadere inlichtingen zou vragen, dat de Raad van Justitie Voorneman overleden was. Digna vrij! Dwaas hart! hij schiep zich op dat enkele woord droombeelden, zijn zending uitstekend gelukt, de Hollanders overwinnaars van Soerapati, hij bevorderd tot hoogen rang en dingend om de hand der jonge weduwe!
Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al ware Digna ook weduwe, welke breede klove gaapte er nog steeds tusschen hem den naamlooze en haar de rijke, schoone vrouw. Hoe zou zij ooit gedempt kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg voor een geheel menschenleven om er van te bestaan en is het korreltje eindelijk opgeteerd dan is ook het leven vaak ten einde.
Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een vijand, waardig zich met zijn landgenooten te meten. Welk een verschil met den spotkeizerPakoe Boewana, dien hij[185]naar Karta-Soera had vergezeld. Waren de Javaansche vorsten allen aan den Balineeschen hoofdman gelijk geweest, voorwaar de Hollanders hadden zwaarder werk gehad om het land aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen, maar minachten nooit!
Hoe zou zijn oordeel luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun tegenweer niet misduidde, voor deze feiten zou hij niet streng zijn, maar hij wantrouwde hem nu, hij zou zijn maatregelen nemen om den dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een spoedig einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende gevangenschap.
Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast, zoo hoorde hij niet eens dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker, ontsloten werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn gelaat bescheen.
„Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?” vroeg een stem buiten den kerker.
„Stil, laat mij begaan!” klonk het gebiedend terug en de hooge forsche gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij knielde neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet aan de armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel over den gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen, zijn eene met ketens beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op zijn borst, de ijzeren schakels van den keten vielen over zijn schouder, een kalme uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker, golvend haar bedekte zijn voorhoofd en zelfs zijn eene wenkbrauw.
Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden vorm van den jongeling; zijn breede borst ging onstuimig op en neer, zijn scherpe oogen schenen aan de stomme[186]trekken een geheim te willen ontpersen, hij volgde elke lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus, lippen, voorhoofd als om daarin een gelijkenis te ontdekken.
De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde en hij ontwaakte bij dat geluid; misschien ware hij weer dadelijk in slaap gevallen zoo hij niet de donkere figuur boven hem had bemerkt; hij richtte zich ontzet half op en vroeg:
„Is ’t tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat het gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!”
„Volg mij!” beval de vorst. „Sta op.”
„Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?” vroeg Robert glimlachend, „dat is een eer die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet ge wat gij mij beloofd hebt? Geef mij mijn eigendom terug.”
Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover herinnerde, de ketens los springen. Verrast zag Robert hem aan.
„Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!”
Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuigelijk. Buiten in de gang stond Radhen Wiro Negoro in zijn volle lengte rechtop; hij was geheel alleen. In zijn hand hield hij een zijden doek, dezen wierp hij den gevangene over het hoofd, toen nam hij hem bij de hand en beiden schreden zwijgend voort.
„Mijn laatste oogenblikken zijn geteld,” dacht Robert. „Maar waarom komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje spelen en waar brengt hij me heen?”
Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert dat hij op een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen; zijn verwondering verminderde niet nu hij zich in het bijna Europeesch gemeubelde vertrek des vorsten bevond en niet op een strafplaats.[187]
Het verschil tusschen deze ruime, zacht verlichte kamer en zijn ellendig hok was zoo groot, dat zijn schitterende oogen het duidelijk genoeg uitspraken hoe de verandering hem trof.
„Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,” begon de vorst met een stem, die van geheime ontroering beefde. „Neem een stoel en zet u naast mij voor de tafel.”
Robert gehoorzaamde.
„Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel is daaraan gelegen niet alleen voor u maar ook voor mij, voor dit land en voor uw volk.”
Deze plechtige woorden stemden Robert zelf hoogst ernstig. Radhen Wiro Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot het met een gouden sleutel, dien hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden, door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard; hij nam het portret er uit en vroeg:
„Wie is deze vrouw?”
„Mijne moeder.”
„Waar is zij?” bevend en hortend kwam deze vraag van zijn lippen.
Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan.
„Gij hebt gisteren gezegd dat zij dood was. Is dat waar?”
„Ja, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend.”
„En haar … haar man?”
Robert bloosde en wendde zijn blik af.
„Mijn vader heb ik evenmin gekend.”
„Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,” drong de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op, en hij zag den jongen man recht in het gelaat.
„Zij had geen anderen man dan mijn vader!” antwoordde Robert ontwijkend met steeds klimmende verbazing.[188]
„Geen andere en vaandrig Kuffeler dan!” barstte Soerapati uit. Robert zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op.
„Ik begrijp u niet, Radhen Adipati! Wat gaat mijn moeder u aan en de naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord.”
„Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand. Heette uw moeder niet Suzanna Moor?”
„Inderdaad!”
„En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler genaamd?”
„Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven in wien zij haar wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd.”
Een ontzettende verandering had in de trekken van den vorst plaats; zijn oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden zich wijd op en hij siste:
„Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen … schandelijk, laag!”
Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem nog een droom.
Met ijzeren hand greep Soerapati thans den jongeling aan en stiet al stamelend de vraag uit:
„En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?”
„Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd.”
Radhen Wiro Negoro liet hem los; hij lachte schel en valsch.
„Si Oentoeng, Si Oentoeng, een slaaf,” herhaalde hij telkens heftig op en neer gaande, „een slaaf. Ge vergist u, jonge man … hoe is uw naam, ik bedoel den naam, waarmede uw moeder u noemde?”
„Robert.”
„Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer[189]Si Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat heeft ontroofd. Wilt ge weten hoe thans uw vader heet, wilt ge weten wie hij is?”
Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden door den magnetischen blik van den man vóór hem.
„Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen en zijn naam is Radhen Wiro Negoro.”
„Hoe gij zijt …?”
„Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader.”
„Gij, gij!” riep Robert uit, en week terug, schrik meer dan vreugde lag in zijn oogen, hij snelde niet toe om zich in de armen te werpen van den teruggevonden vader. In plaats van den Oosterschen vorst zag hij in den geest slechts den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten vadernaam had gegeven en in dezen man herkende hij slechts den moordenaar van Digna’s vader!
„Ge schrikt er van, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman geweest ge zoudt mij verheugd in uw armen hebben gesloten, maar nu ik een bruine vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt gij u dat ge mijn zoon zijt. Beken ’t, ik lees het genoeg in uw trekken!”
En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde.
„Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! ’t Nieuws verrast mij, ik duizel er van. Nimmer had ik kunnen vermoeden …”
„Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor hem sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich in het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer landgenooten nog weerstaat, is hij gevallen[190]dan zijt gij indringers, hier meesters in dit vreemde land, waar binnen wij u niet geroepen hebben, dat gij slechts betreedt om ons te onderdrukken, daar ge in ons een lager menschenras ziet. Waarom leeft Suzanna niet meer, zij was de eenige, die in mij haar gelijke zag, zij is mij trouw gebleven tot den dood. O had ik ’t eerder geweten, had ik het kunnen vermoeden! Des te wreeder is nu de scheiding geweest, des te zwaarder trof ons de vloek van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen, knaap! Gij gelooft mijn woord niet! Welnu kent gij dezen penning?”
„Hij is de mijne?”
„Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers geweest die het zilver in tweeën spleten, hier is de andere helft, zie of beide schijven aan elkander passen.”
Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich gewonnen, maar in zijn hart klopte nog niets ten gunste van den vorstelijken vader, hij kon niet veinzen.
„Zijt ge mijn zoon, ja of neen?” ging Radhen Wiro Negoro met toenemende verbittering voort, „mijn zoon gesproten uit mijn echt met een Hollandsche, een Christen vrouw! Ontken het langer als gij durft! Zie dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift.”
„Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans zijn mijn gedachten meer bij mijne arme moeder, wier leven door uw schuld vernietigd werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap dan bij u, Radhen Adipati!”
„Ge durft mij uw geboorte verwijten, dwaas die ge zijt? Ge vergeeft uw moeder alsof zij, de arme, een zondares ware, maar begrijpt ge dan niet dat het uw blanke verwanten, uw landgenooten zijn die de schuld dragen van ons beider scheiding? Heeft uw grootvader mij niet opgevoed, als ware ik zijn eigen zoon? Deed hij me niet vergeten dat ik slaaf was? Nu nog spreek ik uw taal,[191]al bleef ze jarenlang mijn tong vreemd, waarom? Daar ik ze tegelijk met de mijne op het erf van den Heer Moor aanleerde. Ik deelde haar lessen en haar spelen, ik achtte mij haar broeder totdat er een oogenblik kwam, dat ik voelde het niet te zijn; en zij, zij zag mijn kleur voorbij; dat zij er voor boeten moest, daarvan dragen haar verwanten en niet ik de schuld.”
„Maar zij is u trouw gebleven, zij weigerde hardnekkig elke poging, door haar vader in ’t werk gesteld om haar daad uit te wisschen, gij echter wist u te troosten.… Zij stierf treurig en verlaten in den bloei harer jeugd, gij zijt hoog gestegen, gij hebt een prinses van uw volk tot uw vrouw gemaakt en u niet meer bekommerd om het meisje, dat droevig haar jong leven eindigde, om het kind, dat tusschen vreemden achterbleef.”
Soerapati’s blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd, en het duurde eenige oogenblikken voor hij antwoorden kon.
„Kind, uw woorden treffen mij diep, diep in het hart! Ja, ’t is waar, ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht; vervloekt zij ’t oogenblik dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is ’t dat ik willens en wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed ja, in mijn eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend noch voor mijn vrouw, noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden. Om harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had dat juist mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij die deze leugen verzon is buiten mijn bereik; ’t is wel voor hem, want noch zijn grijze haren, noch de vriendschapsband, die ons voor schier een[192]halve eeuw aan elkander hecht zouden hem gebaat hebben.”
En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris.
„Maar,” ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo week, dat Robert hem verrast en vragend aanzag, „ik zal zoo God het wil, aan haar zoon goed maken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Ge hebt mij nog niet lief, ge schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen, ik zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert, we zullen elkander langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang ik dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt gij te verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst van uw moeder!”
„Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele oogenblikken waart,” antwoordde Robert, „vreemden heb ik levenslang den zoeten oudernaam gegeven.”
En hij verhaalde hem in het kort zijn levensloop; zijn gelukkige kinder- en jongelingsjaren, totdat de plotselinge slag hem van alles beroofde en de wijde wereld eenzaam en verlaten injoeg; plotseling zweeg hij, het was toen hij verhalen moest, waarom bij zich in Soerapati’s handen bevond.
„Het overige weet ik,” sprak de vorst; „ge zijt hier gekomen om meer te weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen; men heeft u daarmede belast, niet vermoedend, welke banden u aan mij hechten. Ik zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u alles toonen, ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen uw woord, dat gij niet vertrekken zult, voor ik u verlof daartoe geef.”
„En zal ik dan vrij zijn?”
„Meent ge dat ik mijn zoon langer in den kerker zou laten zuchten? Kan ik rekenen op uw eerewoord?”[193]
„Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?”
„Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mijn geheimen, ik zal u meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging en versterking voorleggen, gij zult overal aan mijne zijde verschijnen …”
„Op voorwaarde dat ik hier niets van verrade!”
„Dat vraag ik niet eens! Beloof me slechts dat gij niet vluchten zult.”
Robert dacht even na en sprak toen:
„Ik beloof het u.”
„Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen mij dezen brief uwer moeder voor te lezen, ik heb getracht het schrift te ontcijferen maar het viel mij te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij zult rust noodig hebben na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens. Tot morgen, Robert!”
Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing en dadelijk trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte; hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te volgen. Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim vertrek, rijk van divans voorzien, die bedekt waren met kostbare Oostersche kleeden; de andere meubels waren allen van het fijnste snijwerk, een zachte geur van bloemen en reukwerk doortrok de kamer, op een kleinen standaard brandde een lamp, de deur stond half open en gaf blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken zacht en eentonig murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen groet.
„Is ’t een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn kerker maar in een vorstelijk vertrek?” vroeg hij zich af. „Het schijnt een tooversprookje!”
Weinige minuten later lag hij op een der divans uitgestrekt een rustigen slaap te slapen.[194]