IV.

[Inhoud]IV.EEN HUWELIJK IN DEN KRATON.Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera’s kraton; langs de landwegen zag men de schitterende stoeten der naburige edelen trekken, omgeven door hun tallooze volgelingen en de niet minder talrijke scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis. Twee prinsessen tot het hooge huis van Mataram[103]behoorende zouden in den echt vereenigd worden, de ééne met een zoon des keizers, de andere met een onbekend man, doch van wiens dapperheid en moed wondere verhalen door het volk gingen. Hij was ook een prins, spraken zij, van machtigen stam, maar als kind uit het paleis zijner ouders in slavernij weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan hem zijn oorspronkelijken rang teruggeven.Het plein, dat zich tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van verguld snijwerk en gloeiende kleuren, uitstrekt, is opgevuld met een eerbiedig neergehurkte menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de hofhouding des keizers, zijn uitgebreide familie en rijksgrooten. Vonkelend van goud en diamanten troont de heerscher van Mataram op zijn ivoren troon met rood fluweelzijden zitting, achter hem zitten de hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke rijkssieraden dragen; zij zijn omstreeks driehonderd in getal en in het voorgeschreven galagewaad gekleed, dat ook voor de mannen hetzelfde is; eenkaïndie tot over den boezem reikt en hals en schouders bloot laat; deze zijn echter met de goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte kleuren om den hals der draagsters geslingerd is.De rijkssieraden of poesaka’s bestaan uit twee soorten; de meest eerbiedwaardige zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van ’s keizers tegenwoordigheid, en geheiligde dieren voorstellen. Ze zijn allen in massief goud en worden aangeduid als de vogel Garoeda, het heilige symbool van den hindoeschen GodVishnoe, de Sawoeng-galing of haan, en de fabelachtige Arda-walika half mensch half slang, twee olifanten, de kidang of reebok en de gans.De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken[104]of heeten te strekken; de altijd opgerolde gouden mat; de waaier van paradijsvogel- en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok en sirihdoos, zijn met goud ingelegde zilveren kleerkist, zijn gouden kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching van zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens, pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen.De andere vrouwen zijn de amazonen, die in haar gewone houding op een knie rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen.Het is een schouwspel vol oostersche pracht en majesteit, de stralen der zon hullen den in volle heerlijkheid tronenden monarch in een oogverblindend licht en met hem die eerbiedig neergehurkte massa volks in de goudkleurige verf van het hof, die gebouwen schitterend van kleuren en verguldsel. De vorstelijke gamelan met zijn heldere klanken verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers wordt een slag gegeven op een der groote koperen bekkens, die in de pendoppoh hangen en een oogenblik later verschijnen aan den tegenovergestelden ingang van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner priesters, die de beide vorstelijke bruidegoms omringen.De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den overhangenden kaftan van gele of purperen zijde; het bruidsgewaad der beide bruidegoms is gelijk aan het galatoilet der hovelingen, een wit zijden koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals en schouders, een lange fraaie Solosche sarong is om hun lendenen vastgemaakt met een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over de knieën reiken,[105]en die een met diamanten versierde kris half verbergt; het bovenlijf glinstert van de keizerlijke goudverf.De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd onder die geuren van bloemen en verf; te midden van al die glans en pracht verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de gedachte aan zijn vorstelijke bruid was niet in staat dien wensch tot zwijgen te brengen.Allen werpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een tweeden wenk af, eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der trappen van de pendoppoh aangekomen; telkens op een nieuwen wenk van den vorst komt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten bevindt, daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf geslagen neer op een matje, terwijl rechts en links van hen de priesters op dezelfde wijze plaats nemen.„Selamat milaïkum!” zegt de keizer op luiden toon. Allen buigen zich ter aarde en herhalen als echo’s de laatste lettergrepen van het woord; dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog tot het voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer, nu neemt hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede:„O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, o liefderijke God! schenkt Uwe liefde aan degenen, die u beminnen.”Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden; het waren dezelfde waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het Hollandsche meisje, dat hem ontrouw geworden was. De[106]Hadji’s zongen nu een gedeelte van den koran op het huwelijk betrekking hebbende:„Alle aanbidding aan Allah!„Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen ons onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af; maar als Allah hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet.…„De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige.„Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne vrouw, en Hij deed uit een paar, den profeet Adam en zijn moeder Hewa, vele mannen en vrouwen voortkomen.„Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven u, en ziet uw werken.„En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen, en spreekt zacht en goed tot uw evenmensch. Dit alles zal uwen weg tot heil worden, en Allah zal uwe zonden vergeven. Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt, zal groot geluk ontvangen.”Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hen de krissen af; want niemand mag gewapend in Allah’s tegenwoordigheid verschijnen.Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide een driemaal herhaalde bede.„Wij vragen U vergiffenis, o God, die zoo groot zijt!”En nu spreekt de opperpriester de woorden uit die hen vereenigen moeten; de bruidegoms antwoorden dat zij de echtverbintenis aanvaarden, met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen bidden de priesters en getuigen:[107]„Geef ons zegen o God, geef ons zegen o God, Amin!” En de geheele vergadering herhaalt „Amin.”Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke voeten te kussen; de krissen worden hen teruggegeven en weinige oogenblikken later vertrekken zij weer door de priesters omgeven.’s Middags is het de bruidsreceptie in de kapatijan (de woning van den Rijksbestuurder) die in een rijken dos van bloemen en groen prijkt. Op een verhevenheid tronen bruid en bruidegom. Zij opgesierd in het omslachtige bruidskostuum, de gitzwarte lokken over het voorhoofd gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd getooid met een schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen, gelaat, hals en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen en enkels belast met gouden ringen, opgelegd met tallooze juweelen, de weinige kleederen die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk aan weeke plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers volgens Javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en de gedachte aan wien haar geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich zwijgend aan het lastige, vervelende ceremonieel, dat eindelooze uren voortduurt.Wirajoeda fluisterdeKiai Hemboongin:„Onze dappere hoofdman zou ook liever een verren rooftocht ondernemen dan zulk een dag nogmaals te doorleven.”Kiai Hemboong’sgelaat drukte echter groote zelfvoldoening uit.„Hij heeft al een grooten weg gemaakt; Sie Oentoeng, de slaaf, echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den Soesoehoenan!”„De weg is nog niet half afgelegd,” grinnikteBoeloe Kidoer, de dwerg.[108]Het feest was in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de lucht, hanengevechten, vliegervermaken, wedloopen werden op verschillende plaatsen in den kraton gehouden; bij den Pangeran Adipati AmirangKoesoemodansten echter de Keizerlijke bayadères, Serimpi’s genaamd, die negen in getal zijn en tot de eerste schoonheden van het hof gerekend worden; zij behooren tot de voornaamste familiën en ook velen harer zijn bijvrouwen des Keizers.Heur haar is doorvlochten met juweelen en met bloemen opgesierd; de borst bedekt met een zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie gouden halve manen vallen, een slendang is om het middel geslingerd en moet haar straks helpen de bevallige figuren van den dans uit te voeren; de wijde sarong naar een bijzonder patroon vervaardigd, die niemand anders dragen mag, golft in wijde plooien ter aarde, en is met goud of zilver doorstikt.Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een dergelijke band houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een tooverachtig licht en strooit tallooze vonken in het goud en de edelgesteenten, die de danseressen tooien; zij flikkeren en dansen bij elk der langzame afgemeten bewegingen, die zij in haar verschillende figuren maken.De Keizer, die tegenover het bruidspaar op zijn troon zit volgt met blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van den Rijksbestuurder en de andere grooten kwamen zich nu ook met de Serimpi’s meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich terugtrok met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en vermoeiende zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten.„Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!” zei kapitein Grevink den volgenden morgen tot zijn vaandrig.[109]„Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De oudeKoesoemoheeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk met den neef des Keizers.”„En wie is de andere bruidegom?”„Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn maar dien de slimmeKoesoemoonder hooge bescherming heeft genomen. Hij heeft een troep Balineezen onder zich.”„Het zal toch Soerapati niet wezen?”„Ik meen dien naam gehoord te hebben, ’t is dezelfde kranige vent dien we op de Senènan voor ’t eerst hebben gezien.”„Dat moet ik onderzoeken!” riep Grevink bleek van toorn, „’t wordt hoe langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich dat zij alles mogen doen. Soerapati is dezelfde kerel die in den Preanger Kuffeler bijna in ’t stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan hem met zoo’n statie in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten, dat is schending van het contract. Houd een oogje open, vaandrig.”„Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!”

[Inhoud]IV.EEN HUWELIJK IN DEN KRATON.Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera’s kraton; langs de landwegen zag men de schitterende stoeten der naburige edelen trekken, omgeven door hun tallooze volgelingen en de niet minder talrijke scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis. Twee prinsessen tot het hooge huis van Mataram[103]behoorende zouden in den echt vereenigd worden, de ééne met een zoon des keizers, de andere met een onbekend man, doch van wiens dapperheid en moed wondere verhalen door het volk gingen. Hij was ook een prins, spraken zij, van machtigen stam, maar als kind uit het paleis zijner ouders in slavernij weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan hem zijn oorspronkelijken rang teruggeven.Het plein, dat zich tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van verguld snijwerk en gloeiende kleuren, uitstrekt, is opgevuld met een eerbiedig neergehurkte menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de hofhouding des keizers, zijn uitgebreide familie en rijksgrooten. Vonkelend van goud en diamanten troont de heerscher van Mataram op zijn ivoren troon met rood fluweelzijden zitting, achter hem zitten de hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke rijkssieraden dragen; zij zijn omstreeks driehonderd in getal en in het voorgeschreven galagewaad gekleed, dat ook voor de mannen hetzelfde is; eenkaïndie tot over den boezem reikt en hals en schouders bloot laat; deze zijn echter met de goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte kleuren om den hals der draagsters geslingerd is.De rijkssieraden of poesaka’s bestaan uit twee soorten; de meest eerbiedwaardige zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van ’s keizers tegenwoordigheid, en geheiligde dieren voorstellen. Ze zijn allen in massief goud en worden aangeduid als de vogel Garoeda, het heilige symbool van den hindoeschen GodVishnoe, de Sawoeng-galing of haan, en de fabelachtige Arda-walika half mensch half slang, twee olifanten, de kidang of reebok en de gans.De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken[104]of heeten te strekken; de altijd opgerolde gouden mat; de waaier van paradijsvogel- en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok en sirihdoos, zijn met goud ingelegde zilveren kleerkist, zijn gouden kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching van zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens, pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen.De andere vrouwen zijn de amazonen, die in haar gewone houding op een knie rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen.Het is een schouwspel vol oostersche pracht en majesteit, de stralen der zon hullen den in volle heerlijkheid tronenden monarch in een oogverblindend licht en met hem die eerbiedig neergehurkte massa volks in de goudkleurige verf van het hof, die gebouwen schitterend van kleuren en verguldsel. De vorstelijke gamelan met zijn heldere klanken verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers wordt een slag gegeven op een der groote koperen bekkens, die in de pendoppoh hangen en een oogenblik later verschijnen aan den tegenovergestelden ingang van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner priesters, die de beide vorstelijke bruidegoms omringen.De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den overhangenden kaftan van gele of purperen zijde; het bruidsgewaad der beide bruidegoms is gelijk aan het galatoilet der hovelingen, een wit zijden koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals en schouders, een lange fraaie Solosche sarong is om hun lendenen vastgemaakt met een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over de knieën reiken,[105]en die een met diamanten versierde kris half verbergt; het bovenlijf glinstert van de keizerlijke goudverf.De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd onder die geuren van bloemen en verf; te midden van al die glans en pracht verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de gedachte aan zijn vorstelijke bruid was niet in staat dien wensch tot zwijgen te brengen.Allen werpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een tweeden wenk af, eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der trappen van de pendoppoh aangekomen; telkens op een nieuwen wenk van den vorst komt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten bevindt, daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf geslagen neer op een matje, terwijl rechts en links van hen de priesters op dezelfde wijze plaats nemen.„Selamat milaïkum!” zegt de keizer op luiden toon. Allen buigen zich ter aarde en herhalen als echo’s de laatste lettergrepen van het woord; dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog tot het voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer, nu neemt hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede:„O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, o liefderijke God! schenkt Uwe liefde aan degenen, die u beminnen.”Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden; het waren dezelfde waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het Hollandsche meisje, dat hem ontrouw geworden was. De[106]Hadji’s zongen nu een gedeelte van den koran op het huwelijk betrekking hebbende:„Alle aanbidding aan Allah!„Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen ons onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af; maar als Allah hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet.…„De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige.„Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne vrouw, en Hij deed uit een paar, den profeet Adam en zijn moeder Hewa, vele mannen en vrouwen voortkomen.„Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven u, en ziet uw werken.„En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen, en spreekt zacht en goed tot uw evenmensch. Dit alles zal uwen weg tot heil worden, en Allah zal uwe zonden vergeven. Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt, zal groot geluk ontvangen.”Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hen de krissen af; want niemand mag gewapend in Allah’s tegenwoordigheid verschijnen.Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide een driemaal herhaalde bede.„Wij vragen U vergiffenis, o God, die zoo groot zijt!”En nu spreekt de opperpriester de woorden uit die hen vereenigen moeten; de bruidegoms antwoorden dat zij de echtverbintenis aanvaarden, met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen bidden de priesters en getuigen:[107]„Geef ons zegen o God, geef ons zegen o God, Amin!” En de geheele vergadering herhaalt „Amin.”Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke voeten te kussen; de krissen worden hen teruggegeven en weinige oogenblikken later vertrekken zij weer door de priesters omgeven.’s Middags is het de bruidsreceptie in de kapatijan (de woning van den Rijksbestuurder) die in een rijken dos van bloemen en groen prijkt. Op een verhevenheid tronen bruid en bruidegom. Zij opgesierd in het omslachtige bruidskostuum, de gitzwarte lokken over het voorhoofd gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd getooid met een schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen, gelaat, hals en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen en enkels belast met gouden ringen, opgelegd met tallooze juweelen, de weinige kleederen die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk aan weeke plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers volgens Javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en de gedachte aan wien haar geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich zwijgend aan het lastige, vervelende ceremonieel, dat eindelooze uren voortduurt.Wirajoeda fluisterdeKiai Hemboongin:„Onze dappere hoofdman zou ook liever een verren rooftocht ondernemen dan zulk een dag nogmaals te doorleven.”Kiai Hemboong’sgelaat drukte echter groote zelfvoldoening uit.„Hij heeft al een grooten weg gemaakt; Sie Oentoeng, de slaaf, echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den Soesoehoenan!”„De weg is nog niet half afgelegd,” grinnikteBoeloe Kidoer, de dwerg.[108]Het feest was in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de lucht, hanengevechten, vliegervermaken, wedloopen werden op verschillende plaatsen in den kraton gehouden; bij den Pangeran Adipati AmirangKoesoemodansten echter de Keizerlijke bayadères, Serimpi’s genaamd, die negen in getal zijn en tot de eerste schoonheden van het hof gerekend worden; zij behooren tot de voornaamste familiën en ook velen harer zijn bijvrouwen des Keizers.Heur haar is doorvlochten met juweelen en met bloemen opgesierd; de borst bedekt met een zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie gouden halve manen vallen, een slendang is om het middel geslingerd en moet haar straks helpen de bevallige figuren van den dans uit te voeren; de wijde sarong naar een bijzonder patroon vervaardigd, die niemand anders dragen mag, golft in wijde plooien ter aarde, en is met goud of zilver doorstikt.Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een dergelijke band houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een tooverachtig licht en strooit tallooze vonken in het goud en de edelgesteenten, die de danseressen tooien; zij flikkeren en dansen bij elk der langzame afgemeten bewegingen, die zij in haar verschillende figuren maken.De Keizer, die tegenover het bruidspaar op zijn troon zit volgt met blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van den Rijksbestuurder en de andere grooten kwamen zich nu ook met de Serimpi’s meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich terugtrok met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en vermoeiende zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten.„Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!” zei kapitein Grevink den volgenden morgen tot zijn vaandrig.[109]„Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De oudeKoesoemoheeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk met den neef des Keizers.”„En wie is de andere bruidegom?”„Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn maar dien de slimmeKoesoemoonder hooge bescherming heeft genomen. Hij heeft een troep Balineezen onder zich.”„Het zal toch Soerapati niet wezen?”„Ik meen dien naam gehoord te hebben, ’t is dezelfde kranige vent dien we op de Senènan voor ’t eerst hebben gezien.”„Dat moet ik onderzoeken!” riep Grevink bleek van toorn, „’t wordt hoe langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich dat zij alles mogen doen. Soerapati is dezelfde kerel die in den Preanger Kuffeler bijna in ’t stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan hem met zoo’n statie in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten, dat is schending van het contract. Houd een oogje open, vaandrig.”„Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!”

[Inhoud]IV.EEN HUWELIJK IN DEN KRATON.Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera’s kraton; langs de landwegen zag men de schitterende stoeten der naburige edelen trekken, omgeven door hun tallooze volgelingen en de niet minder talrijke scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis. Twee prinsessen tot het hooge huis van Mataram[103]behoorende zouden in den echt vereenigd worden, de ééne met een zoon des keizers, de andere met een onbekend man, doch van wiens dapperheid en moed wondere verhalen door het volk gingen. Hij was ook een prins, spraken zij, van machtigen stam, maar als kind uit het paleis zijner ouders in slavernij weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan hem zijn oorspronkelijken rang teruggeven.Het plein, dat zich tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van verguld snijwerk en gloeiende kleuren, uitstrekt, is opgevuld met een eerbiedig neergehurkte menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de hofhouding des keizers, zijn uitgebreide familie en rijksgrooten. Vonkelend van goud en diamanten troont de heerscher van Mataram op zijn ivoren troon met rood fluweelzijden zitting, achter hem zitten de hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke rijkssieraden dragen; zij zijn omstreeks driehonderd in getal en in het voorgeschreven galagewaad gekleed, dat ook voor de mannen hetzelfde is; eenkaïndie tot over den boezem reikt en hals en schouders bloot laat; deze zijn echter met de goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte kleuren om den hals der draagsters geslingerd is.De rijkssieraden of poesaka’s bestaan uit twee soorten; de meest eerbiedwaardige zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van ’s keizers tegenwoordigheid, en geheiligde dieren voorstellen. Ze zijn allen in massief goud en worden aangeduid als de vogel Garoeda, het heilige symbool van den hindoeschen GodVishnoe, de Sawoeng-galing of haan, en de fabelachtige Arda-walika half mensch half slang, twee olifanten, de kidang of reebok en de gans.De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken[104]of heeten te strekken; de altijd opgerolde gouden mat; de waaier van paradijsvogel- en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok en sirihdoos, zijn met goud ingelegde zilveren kleerkist, zijn gouden kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching van zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens, pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen.De andere vrouwen zijn de amazonen, die in haar gewone houding op een knie rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen.Het is een schouwspel vol oostersche pracht en majesteit, de stralen der zon hullen den in volle heerlijkheid tronenden monarch in een oogverblindend licht en met hem die eerbiedig neergehurkte massa volks in de goudkleurige verf van het hof, die gebouwen schitterend van kleuren en verguldsel. De vorstelijke gamelan met zijn heldere klanken verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers wordt een slag gegeven op een der groote koperen bekkens, die in de pendoppoh hangen en een oogenblik later verschijnen aan den tegenovergestelden ingang van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner priesters, die de beide vorstelijke bruidegoms omringen.De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den overhangenden kaftan van gele of purperen zijde; het bruidsgewaad der beide bruidegoms is gelijk aan het galatoilet der hovelingen, een wit zijden koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals en schouders, een lange fraaie Solosche sarong is om hun lendenen vastgemaakt met een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over de knieën reiken,[105]en die een met diamanten versierde kris half verbergt; het bovenlijf glinstert van de keizerlijke goudverf.De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd onder die geuren van bloemen en verf; te midden van al die glans en pracht verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de gedachte aan zijn vorstelijke bruid was niet in staat dien wensch tot zwijgen te brengen.Allen werpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een tweeden wenk af, eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der trappen van de pendoppoh aangekomen; telkens op een nieuwen wenk van den vorst komt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten bevindt, daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf geslagen neer op een matje, terwijl rechts en links van hen de priesters op dezelfde wijze plaats nemen.„Selamat milaïkum!” zegt de keizer op luiden toon. Allen buigen zich ter aarde en herhalen als echo’s de laatste lettergrepen van het woord; dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog tot het voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer, nu neemt hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede:„O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, o liefderijke God! schenkt Uwe liefde aan degenen, die u beminnen.”Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden; het waren dezelfde waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het Hollandsche meisje, dat hem ontrouw geworden was. De[106]Hadji’s zongen nu een gedeelte van den koran op het huwelijk betrekking hebbende:„Alle aanbidding aan Allah!„Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen ons onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af; maar als Allah hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet.…„De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige.„Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne vrouw, en Hij deed uit een paar, den profeet Adam en zijn moeder Hewa, vele mannen en vrouwen voortkomen.„Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven u, en ziet uw werken.„En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen, en spreekt zacht en goed tot uw evenmensch. Dit alles zal uwen weg tot heil worden, en Allah zal uwe zonden vergeven. Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt, zal groot geluk ontvangen.”Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hen de krissen af; want niemand mag gewapend in Allah’s tegenwoordigheid verschijnen.Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide een driemaal herhaalde bede.„Wij vragen U vergiffenis, o God, die zoo groot zijt!”En nu spreekt de opperpriester de woorden uit die hen vereenigen moeten; de bruidegoms antwoorden dat zij de echtverbintenis aanvaarden, met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen bidden de priesters en getuigen:[107]„Geef ons zegen o God, geef ons zegen o God, Amin!” En de geheele vergadering herhaalt „Amin.”Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke voeten te kussen; de krissen worden hen teruggegeven en weinige oogenblikken later vertrekken zij weer door de priesters omgeven.’s Middags is het de bruidsreceptie in de kapatijan (de woning van den Rijksbestuurder) die in een rijken dos van bloemen en groen prijkt. Op een verhevenheid tronen bruid en bruidegom. Zij opgesierd in het omslachtige bruidskostuum, de gitzwarte lokken over het voorhoofd gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd getooid met een schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen, gelaat, hals en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen en enkels belast met gouden ringen, opgelegd met tallooze juweelen, de weinige kleederen die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk aan weeke plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers volgens Javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en de gedachte aan wien haar geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich zwijgend aan het lastige, vervelende ceremonieel, dat eindelooze uren voortduurt.Wirajoeda fluisterdeKiai Hemboongin:„Onze dappere hoofdman zou ook liever een verren rooftocht ondernemen dan zulk een dag nogmaals te doorleven.”Kiai Hemboong’sgelaat drukte echter groote zelfvoldoening uit.„Hij heeft al een grooten weg gemaakt; Sie Oentoeng, de slaaf, echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den Soesoehoenan!”„De weg is nog niet half afgelegd,” grinnikteBoeloe Kidoer, de dwerg.[108]Het feest was in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de lucht, hanengevechten, vliegervermaken, wedloopen werden op verschillende plaatsen in den kraton gehouden; bij den Pangeran Adipati AmirangKoesoemodansten echter de Keizerlijke bayadères, Serimpi’s genaamd, die negen in getal zijn en tot de eerste schoonheden van het hof gerekend worden; zij behooren tot de voornaamste familiën en ook velen harer zijn bijvrouwen des Keizers.Heur haar is doorvlochten met juweelen en met bloemen opgesierd; de borst bedekt met een zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie gouden halve manen vallen, een slendang is om het middel geslingerd en moet haar straks helpen de bevallige figuren van den dans uit te voeren; de wijde sarong naar een bijzonder patroon vervaardigd, die niemand anders dragen mag, golft in wijde plooien ter aarde, en is met goud of zilver doorstikt.Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een dergelijke band houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een tooverachtig licht en strooit tallooze vonken in het goud en de edelgesteenten, die de danseressen tooien; zij flikkeren en dansen bij elk der langzame afgemeten bewegingen, die zij in haar verschillende figuren maken.De Keizer, die tegenover het bruidspaar op zijn troon zit volgt met blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van den Rijksbestuurder en de andere grooten kwamen zich nu ook met de Serimpi’s meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich terugtrok met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en vermoeiende zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten.„Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!” zei kapitein Grevink den volgenden morgen tot zijn vaandrig.[109]„Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De oudeKoesoemoheeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk met den neef des Keizers.”„En wie is de andere bruidegom?”„Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn maar dien de slimmeKoesoemoonder hooge bescherming heeft genomen. Hij heeft een troep Balineezen onder zich.”„Het zal toch Soerapati niet wezen?”„Ik meen dien naam gehoord te hebben, ’t is dezelfde kranige vent dien we op de Senènan voor ’t eerst hebben gezien.”„Dat moet ik onderzoeken!” riep Grevink bleek van toorn, „’t wordt hoe langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich dat zij alles mogen doen. Soerapati is dezelfde kerel die in den Preanger Kuffeler bijna in ’t stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan hem met zoo’n statie in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten, dat is schending van het contract. Houd een oogje open, vaandrig.”„Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!”

IV.EEN HUWELIJK IN DEN KRATON.

Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera’s kraton; langs de landwegen zag men de schitterende stoeten der naburige edelen trekken, omgeven door hun tallooze volgelingen en de niet minder talrijke scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis. Twee prinsessen tot het hooge huis van Mataram[103]behoorende zouden in den echt vereenigd worden, de ééne met een zoon des keizers, de andere met een onbekend man, doch van wiens dapperheid en moed wondere verhalen door het volk gingen. Hij was ook een prins, spraken zij, van machtigen stam, maar als kind uit het paleis zijner ouders in slavernij weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan hem zijn oorspronkelijken rang teruggeven.Het plein, dat zich tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van verguld snijwerk en gloeiende kleuren, uitstrekt, is opgevuld met een eerbiedig neergehurkte menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de hofhouding des keizers, zijn uitgebreide familie en rijksgrooten. Vonkelend van goud en diamanten troont de heerscher van Mataram op zijn ivoren troon met rood fluweelzijden zitting, achter hem zitten de hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke rijkssieraden dragen; zij zijn omstreeks driehonderd in getal en in het voorgeschreven galagewaad gekleed, dat ook voor de mannen hetzelfde is; eenkaïndie tot over den boezem reikt en hals en schouders bloot laat; deze zijn echter met de goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte kleuren om den hals der draagsters geslingerd is.De rijkssieraden of poesaka’s bestaan uit twee soorten; de meest eerbiedwaardige zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van ’s keizers tegenwoordigheid, en geheiligde dieren voorstellen. Ze zijn allen in massief goud en worden aangeduid als de vogel Garoeda, het heilige symbool van den hindoeschen GodVishnoe, de Sawoeng-galing of haan, en de fabelachtige Arda-walika half mensch half slang, twee olifanten, de kidang of reebok en de gans.De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken[104]of heeten te strekken; de altijd opgerolde gouden mat; de waaier van paradijsvogel- en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok en sirihdoos, zijn met goud ingelegde zilveren kleerkist, zijn gouden kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching van zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens, pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen.De andere vrouwen zijn de amazonen, die in haar gewone houding op een knie rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen.Het is een schouwspel vol oostersche pracht en majesteit, de stralen der zon hullen den in volle heerlijkheid tronenden monarch in een oogverblindend licht en met hem die eerbiedig neergehurkte massa volks in de goudkleurige verf van het hof, die gebouwen schitterend van kleuren en verguldsel. De vorstelijke gamelan met zijn heldere klanken verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers wordt een slag gegeven op een der groote koperen bekkens, die in de pendoppoh hangen en een oogenblik later verschijnen aan den tegenovergestelden ingang van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner priesters, die de beide vorstelijke bruidegoms omringen.De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den overhangenden kaftan van gele of purperen zijde; het bruidsgewaad der beide bruidegoms is gelijk aan het galatoilet der hovelingen, een wit zijden koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals en schouders, een lange fraaie Solosche sarong is om hun lendenen vastgemaakt met een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over de knieën reiken,[105]en die een met diamanten versierde kris half verbergt; het bovenlijf glinstert van de keizerlijke goudverf.De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd onder die geuren van bloemen en verf; te midden van al die glans en pracht verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de gedachte aan zijn vorstelijke bruid was niet in staat dien wensch tot zwijgen te brengen.Allen werpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een tweeden wenk af, eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der trappen van de pendoppoh aangekomen; telkens op een nieuwen wenk van den vorst komt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten bevindt, daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf geslagen neer op een matje, terwijl rechts en links van hen de priesters op dezelfde wijze plaats nemen.„Selamat milaïkum!” zegt de keizer op luiden toon. Allen buigen zich ter aarde en herhalen als echo’s de laatste lettergrepen van het woord; dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog tot het voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer, nu neemt hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede:„O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, o liefderijke God! schenkt Uwe liefde aan degenen, die u beminnen.”Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden; het waren dezelfde waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het Hollandsche meisje, dat hem ontrouw geworden was. De[106]Hadji’s zongen nu een gedeelte van den koran op het huwelijk betrekking hebbende:„Alle aanbidding aan Allah!„Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen ons onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af; maar als Allah hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet.…„De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige.„Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne vrouw, en Hij deed uit een paar, den profeet Adam en zijn moeder Hewa, vele mannen en vrouwen voortkomen.„Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven u, en ziet uw werken.„En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen, en spreekt zacht en goed tot uw evenmensch. Dit alles zal uwen weg tot heil worden, en Allah zal uwe zonden vergeven. Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt, zal groot geluk ontvangen.”Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hen de krissen af; want niemand mag gewapend in Allah’s tegenwoordigheid verschijnen.Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide een driemaal herhaalde bede.„Wij vragen U vergiffenis, o God, die zoo groot zijt!”En nu spreekt de opperpriester de woorden uit die hen vereenigen moeten; de bruidegoms antwoorden dat zij de echtverbintenis aanvaarden, met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen bidden de priesters en getuigen:[107]„Geef ons zegen o God, geef ons zegen o God, Amin!” En de geheele vergadering herhaalt „Amin.”Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke voeten te kussen; de krissen worden hen teruggegeven en weinige oogenblikken later vertrekken zij weer door de priesters omgeven.’s Middags is het de bruidsreceptie in de kapatijan (de woning van den Rijksbestuurder) die in een rijken dos van bloemen en groen prijkt. Op een verhevenheid tronen bruid en bruidegom. Zij opgesierd in het omslachtige bruidskostuum, de gitzwarte lokken over het voorhoofd gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd getooid met een schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen, gelaat, hals en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen en enkels belast met gouden ringen, opgelegd met tallooze juweelen, de weinige kleederen die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk aan weeke plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers volgens Javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en de gedachte aan wien haar geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich zwijgend aan het lastige, vervelende ceremonieel, dat eindelooze uren voortduurt.Wirajoeda fluisterdeKiai Hemboongin:„Onze dappere hoofdman zou ook liever een verren rooftocht ondernemen dan zulk een dag nogmaals te doorleven.”Kiai Hemboong’sgelaat drukte echter groote zelfvoldoening uit.„Hij heeft al een grooten weg gemaakt; Sie Oentoeng, de slaaf, echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den Soesoehoenan!”„De weg is nog niet half afgelegd,” grinnikteBoeloe Kidoer, de dwerg.[108]Het feest was in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de lucht, hanengevechten, vliegervermaken, wedloopen werden op verschillende plaatsen in den kraton gehouden; bij den Pangeran Adipati AmirangKoesoemodansten echter de Keizerlijke bayadères, Serimpi’s genaamd, die negen in getal zijn en tot de eerste schoonheden van het hof gerekend worden; zij behooren tot de voornaamste familiën en ook velen harer zijn bijvrouwen des Keizers.Heur haar is doorvlochten met juweelen en met bloemen opgesierd; de borst bedekt met een zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie gouden halve manen vallen, een slendang is om het middel geslingerd en moet haar straks helpen de bevallige figuren van den dans uit te voeren; de wijde sarong naar een bijzonder patroon vervaardigd, die niemand anders dragen mag, golft in wijde plooien ter aarde, en is met goud of zilver doorstikt.Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een dergelijke band houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een tooverachtig licht en strooit tallooze vonken in het goud en de edelgesteenten, die de danseressen tooien; zij flikkeren en dansen bij elk der langzame afgemeten bewegingen, die zij in haar verschillende figuren maken.De Keizer, die tegenover het bruidspaar op zijn troon zit volgt met blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van den Rijksbestuurder en de andere grooten kwamen zich nu ook met de Serimpi’s meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich terugtrok met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en vermoeiende zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten.„Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!” zei kapitein Grevink den volgenden morgen tot zijn vaandrig.[109]„Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De oudeKoesoemoheeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk met den neef des Keizers.”„En wie is de andere bruidegom?”„Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn maar dien de slimmeKoesoemoonder hooge bescherming heeft genomen. Hij heeft een troep Balineezen onder zich.”„Het zal toch Soerapati niet wezen?”„Ik meen dien naam gehoord te hebben, ’t is dezelfde kranige vent dien we op de Senènan voor ’t eerst hebben gezien.”„Dat moet ik onderzoeken!” riep Grevink bleek van toorn, „’t wordt hoe langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich dat zij alles mogen doen. Soerapati is dezelfde kerel die in den Preanger Kuffeler bijna in ’t stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan hem met zoo’n statie in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten, dat is schending van het contract. Houd een oogje open, vaandrig.”„Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!”

Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera’s kraton; langs de landwegen zag men de schitterende stoeten der naburige edelen trekken, omgeven door hun tallooze volgelingen en de niet minder talrijke scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis. Twee prinsessen tot het hooge huis van Mataram[103]behoorende zouden in den echt vereenigd worden, de ééne met een zoon des keizers, de andere met een onbekend man, doch van wiens dapperheid en moed wondere verhalen door het volk gingen. Hij was ook een prins, spraken zij, van machtigen stam, maar als kind uit het paleis zijner ouders in slavernij weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan hem zijn oorspronkelijken rang teruggeven.

Het plein, dat zich tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van verguld snijwerk en gloeiende kleuren, uitstrekt, is opgevuld met een eerbiedig neergehurkte menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de hofhouding des keizers, zijn uitgebreide familie en rijksgrooten. Vonkelend van goud en diamanten troont de heerscher van Mataram op zijn ivoren troon met rood fluweelzijden zitting, achter hem zitten de hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke rijkssieraden dragen; zij zijn omstreeks driehonderd in getal en in het voorgeschreven galagewaad gekleed, dat ook voor de mannen hetzelfde is; eenkaïndie tot over den boezem reikt en hals en schouders bloot laat; deze zijn echter met de goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte kleuren om den hals der draagsters geslingerd is.

De rijkssieraden of poesaka’s bestaan uit twee soorten; de meest eerbiedwaardige zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van ’s keizers tegenwoordigheid, en geheiligde dieren voorstellen. Ze zijn allen in massief goud en worden aangeduid als de vogel Garoeda, het heilige symbool van den hindoeschen GodVishnoe, de Sawoeng-galing of haan, en de fabelachtige Arda-walika half mensch half slang, twee olifanten, de kidang of reebok en de gans.

De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken[104]of heeten te strekken; de altijd opgerolde gouden mat; de waaier van paradijsvogel- en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok en sirihdoos, zijn met goud ingelegde zilveren kleerkist, zijn gouden kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching van zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens, pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen.

De andere vrouwen zijn de amazonen, die in haar gewone houding op een knie rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen.

Het is een schouwspel vol oostersche pracht en majesteit, de stralen der zon hullen den in volle heerlijkheid tronenden monarch in een oogverblindend licht en met hem die eerbiedig neergehurkte massa volks in de goudkleurige verf van het hof, die gebouwen schitterend van kleuren en verguldsel. De vorstelijke gamelan met zijn heldere klanken verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers wordt een slag gegeven op een der groote koperen bekkens, die in de pendoppoh hangen en een oogenblik later verschijnen aan den tegenovergestelden ingang van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner priesters, die de beide vorstelijke bruidegoms omringen.

De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den overhangenden kaftan van gele of purperen zijde; het bruidsgewaad der beide bruidegoms is gelijk aan het galatoilet der hovelingen, een wit zijden koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals en schouders, een lange fraaie Solosche sarong is om hun lendenen vastgemaakt met een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over de knieën reiken,[105]en die een met diamanten versierde kris half verbergt; het bovenlijf glinstert van de keizerlijke goudverf.

De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd onder die geuren van bloemen en verf; te midden van al die glans en pracht verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de gedachte aan zijn vorstelijke bruid was niet in staat dien wensch tot zwijgen te brengen.

Allen werpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een tweeden wenk af, eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der trappen van de pendoppoh aangekomen; telkens op een nieuwen wenk van den vorst komt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten bevindt, daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf geslagen neer op een matje, terwijl rechts en links van hen de priesters op dezelfde wijze plaats nemen.

„Selamat milaïkum!” zegt de keizer op luiden toon. Allen buigen zich ter aarde en herhalen als echo’s de laatste lettergrepen van het woord; dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog tot het voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer, nu neemt hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede:

„O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, o liefderijke God! schenkt Uwe liefde aan degenen, die u beminnen.”

Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden; het waren dezelfde waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het Hollandsche meisje, dat hem ontrouw geworden was. De[106]Hadji’s zongen nu een gedeelte van den koran op het huwelijk betrekking hebbende:

„Alle aanbidding aan Allah!

„Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen ons onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af; maar als Allah hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet.…

„De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige.

„Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne vrouw, en Hij deed uit een paar, den profeet Adam en zijn moeder Hewa, vele mannen en vrouwen voortkomen.

„Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven u, en ziet uw werken.

„En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen, en spreekt zacht en goed tot uw evenmensch. Dit alles zal uwen weg tot heil worden, en Allah zal uwe zonden vergeven. Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt, zal groot geluk ontvangen.”

Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hen de krissen af; want niemand mag gewapend in Allah’s tegenwoordigheid verschijnen.

Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide een driemaal herhaalde bede.

„Wij vragen U vergiffenis, o God, die zoo groot zijt!”

En nu spreekt de opperpriester de woorden uit die hen vereenigen moeten; de bruidegoms antwoorden dat zij de echtverbintenis aanvaarden, met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen bidden de priesters en getuigen:[107]

„Geef ons zegen o God, geef ons zegen o God, Amin!” En de geheele vergadering herhaalt „Amin.”

Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke voeten te kussen; de krissen worden hen teruggegeven en weinige oogenblikken later vertrekken zij weer door de priesters omgeven.

’s Middags is het de bruidsreceptie in de kapatijan (de woning van den Rijksbestuurder) die in een rijken dos van bloemen en groen prijkt. Op een verhevenheid tronen bruid en bruidegom. Zij opgesierd in het omslachtige bruidskostuum, de gitzwarte lokken over het voorhoofd gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd getooid met een schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen, gelaat, hals en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen en enkels belast met gouden ringen, opgelegd met tallooze juweelen, de weinige kleederen die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk aan weeke plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers volgens Javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en de gedachte aan wien haar geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich zwijgend aan het lastige, vervelende ceremonieel, dat eindelooze uren voortduurt.

Wirajoeda fluisterdeKiai Hemboongin:

„Onze dappere hoofdman zou ook liever een verren rooftocht ondernemen dan zulk een dag nogmaals te doorleven.”

Kiai Hemboong’sgelaat drukte echter groote zelfvoldoening uit.

„Hij heeft al een grooten weg gemaakt; Sie Oentoeng, de slaaf, echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den Soesoehoenan!”

„De weg is nog niet half afgelegd,” grinnikteBoeloe Kidoer, de dwerg.[108]

Het feest was in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de lucht, hanengevechten, vliegervermaken, wedloopen werden op verschillende plaatsen in den kraton gehouden; bij den Pangeran Adipati AmirangKoesoemodansten echter de Keizerlijke bayadères, Serimpi’s genaamd, die negen in getal zijn en tot de eerste schoonheden van het hof gerekend worden; zij behooren tot de voornaamste familiën en ook velen harer zijn bijvrouwen des Keizers.

Heur haar is doorvlochten met juweelen en met bloemen opgesierd; de borst bedekt met een zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie gouden halve manen vallen, een slendang is om het middel geslingerd en moet haar straks helpen de bevallige figuren van den dans uit te voeren; de wijde sarong naar een bijzonder patroon vervaardigd, die niemand anders dragen mag, golft in wijde plooien ter aarde, en is met goud of zilver doorstikt.

Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een dergelijke band houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een tooverachtig licht en strooit tallooze vonken in het goud en de edelgesteenten, die de danseressen tooien; zij flikkeren en dansen bij elk der langzame afgemeten bewegingen, die zij in haar verschillende figuren maken.

De Keizer, die tegenover het bruidspaar op zijn troon zit volgt met blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van den Rijksbestuurder en de andere grooten kwamen zich nu ook met de Serimpi’s meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich terugtrok met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en vermoeiende zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten.

„Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!” zei kapitein Grevink den volgenden morgen tot zijn vaandrig.[109]

„Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De oudeKoesoemoheeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk met den neef des Keizers.”

„En wie is de andere bruidegom?”

„Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn maar dien de slimmeKoesoemoonder hooge bescherming heeft genomen. Hij heeft een troep Balineezen onder zich.”

„Het zal toch Soerapati niet wezen?”

„Ik meen dien naam gehoord te hebben, ’t is dezelfde kranige vent dien we op de Senènan voor ’t eerst hebben gezien.”

„Dat moet ik onderzoeken!” riep Grevink bleek van toorn, „’t wordt hoe langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich dat zij alles mogen doen. Soerapati is dezelfde kerel die in den Preanger Kuffeler bijna in ’t stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan hem met zoo’n statie in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten, dat is schending van het contract. Houd een oogje open, vaandrig.”

„Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!”


Back to IndexNext