[Inhoud]V.HET VERHAAL VAN DEN DWERG.Ten Zuiden van den kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven door een vruchtbare streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen van tamarindeboom en met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen; de huizen zelf zijn omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige openingen de poorten vormen, die toegang geven tot het dorp zelf.Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten[110]van palmen wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer; andere vruchten gloeien tusschen het donkere groen. De ramboetan en djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier ondoordringbaar loof.De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de huizen, die eenvoudig van bamboe gevlochten zijn, en in de kleine tuinen welke door loentashagen van die der buren afgescheiden zijn; de bewoners zitten in kleine groepjes onder hunne afdaken, de kinderen spelen op den zandigen grond. Hun gejoel is schier het eenige dat de stilte verbreekt; als ze straks naar binnen kruipen om zich op de baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der familie, uit te strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke kirren der perkoetoets, de lievelingsvogels van den Javaan, die hij in kooitjes ophangt aan zijn afdak of wel omhoog hijscht aan een bamboestaak.Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard eenvoudig aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter de huizen in den modder zijn de buffels gestald, waar ze uitrusten van hun zwaar dagwerk. Alles rust nu uit, de stemmen der pratenden klinken zacht en eentonig, om niet te zeggen toonloos; ’t is het zoete nietsdoen, waarvan de bewoner van het Noorden zoo weinig het zoete begrijpt en dat den Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den dag te tarten.Midden in het dorp stond een aanzienlijke woning, versierd met geschilderde en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder bloemdragende boomen; de tandjoeng strooide haar witte[111]stervormige bloemen over den grond, de vuurroode bloemen der soka schitterden in het donkere groen, de oleander prijkte met zijn witte en roode rozen; de zoete geur der groen en geelachtige kenangan mengt zich met de meer scherpe van de gouden tjampaka’s en wordt nog overtroffen door de op oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte melatis en de soedepmalem; de tuin die deze woning omringt is geheel en al een bloemenhof, over dag komen de witte, roode, gele, blauwe, paarsche bloemen helder uit tegen het sappige groen der heesters; dan bloeit en wasemt alles onder de schaduw der hooge boomen, nu zijn het alleen de bedwelmende geuren die de weelde der oostersche bloemenpracht verraden.Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn Balineezen tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden waren hun ter bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht strekken, zoo dikwijls als zijn keizerlijke wil het verlangde.Het was Radhen Goesik’s pleegvader, die alles zoo geregeld had; het was nietmoeilijkzijn geheim doel te raden; Radhen Adipati haatte de Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn Keizer te verlossen van de zware schuld der dankbaarheid, die sedertTroeno-Djojo’sval op hem drukte, en de lijfwacht, welke de Hollanders aan de Noordelijke punten van Karta-Soera gelaten hadden, overbodig te maken.De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den Keizer te beschermen, en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan. Hamangkoe-Rat keurde alles goed wat zijn Rijksbestuurder deed, hij vertrouwde hem in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij meende het te kunnen vinden.Toen kort na het huwelijk der Mataramsche prinses met den[112]Balineeschen avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat, aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk aansloeg:„Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvangen wien hij verkoos en dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar hij hun reeds te sterke beloften had gedaan.”Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot daar alle pogingen in het werk te stellen om het Hollandsche gezag door den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen.Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in Karta-Soera van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer in zijn traagheid en onverschilligheid in, maar de Rijksbestuurder waakte. Soerapati ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den wapenhandel te oefenen; overigens leefden de Balineezen met hun gezinnen rustig in hun kampong, bebouwden hun landen in afwachting dat men hun hulp zoude noodig hebben.Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan de rebab of Javaansche viool haar weemoedige klanken; Kiai Hemboong hurkte bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar in diep gepeins verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens bedekten divan zat Radhen GoesikKoesoema; haar welriekende lokken hingen los en als een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders. Soerapati lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën, met gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van den rebab, hij was moede teruggekomen van een tocht met zijn Balineezen[113]in het gebergte gedaan om eenige opstandelingen te vervolgen.De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed; de avond noodigde ook slechts tot een kalm genieten uit, de bloemen vervulden de lucht met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren de geuren, die uitKoesoema’slokken en kleeren opstegen. Een teeder koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken der Javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen versierde handen op het hoofd van haar gemaal als wilden zij alle onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen tot rust brengen.Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding grenzende liefde; een liefde, die echter niet gerust kon zijn, want overtuigd was zij nog niet of zij de Hollandsche vrouw voor goed overwonnen had. Soerapati sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich met hart en ziel verknocht te hebben aan den Soesoehoenan maar toch, soms verried een woord, een blik hoe in ’t diepst van zijn hart nog vezelen waren, die zich vast en schier onafscheidelijk aan de blanken gehecht hadden in wier midden hij wellicht de gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn leven had doorgebracht.Zij was nog steeds Soerapati’s eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook op was dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op aangedrongen dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou hij de wijdste kloof graven tusschen hem en de Christenen, want de Hollandsche vrouw was de eenige mededingster op wieKoesoemazich verwaardigde jaloersch te zijn.Tegen anderen was zij volkomen bestand door haar schoonheid en scherpen geest; de herinnering aan die andere alleen maakte haar machteloos. Soerapati’s verbittering tegen de Hollanders was nooit diep geweest, dat voelde zij genoeg; Kuffelers mishandeling[114]en Kiai Hemboong’s onbeschaamde leugen hadden hem overrompeld; zij begreep dat er oogenblikken waren, zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende blijken van vertrouwen gaf wanneer zelfsKoesoemahem liefkoosde, dat het hem berouwde met hen gebroken te hebben.Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij op haar knieën scheen in te sluimeren, of was zij het alleen die zijn ziel vervulde?Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan onbeweeglijk als opgerold in een kluwen zat.„Laat die rebab ophouden, dwerg!” sprak zij, „het maakt mijn hart ziek, met zijn droevige tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins verzonken te blijven, laten wij ons vermaken opdat onze droefgeestigheid verdwijne!”„Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?” vroeg de dwerg.„Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,” zei Soerapati bezorgd, „laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft evenveel behoefte aan rust als het mijne.”„Zal ik u dan eens iets vertellen?” hernam de dwerg, „ik weet ook mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken het zieke hart gezond!”„Ja vertel op! niet waarKoesoema, gij wilt immers ook wel luisteren naar Boeloe Kidoer’s sprookjes!”„Het zijn geen sproken, edele Heer! Het is ’t verhaal van alles wat werkelijk en waarlijk gebeurd is in het land der Javanen, sinds de blanke Hollander er voor ’t eerst verscheen!”„Ja vertel maar toe, Boeloe!” zuchtte de prinses, „hoe de vreemdelingen het geluk verwoest hebben in ons land; want sedert zij er kwamen is het gedaan met den vrede en de macht der dienaars van den Grooten Profeet!”[115]„De goden volgen elkander in Java op,” sprak Kiai Hemboong ernstig. „Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met hun tjandis, en ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn vrouw, de onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders vanBoeddha, den goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu zijn het de volgelingen van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard bedreigen!”„Maar dezen hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,” zeide grijnslachend de dwerg, „zij zullen ons Shiwa of Mahomed gaarne laten, wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen en onze lijnwaden brengen.”„Zij vinden ons te laag en te min voor hun God,” sprak Soerapati bitter, „de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden; Hij bekommert zich niet om het vervloekte geslacht.”„Wij hebben hem ook niet noodig!” zeideKoesoemafier, „wij aanbidden Allah en versmaden hun eeredienst zonder priesters, zonder offers.”„Dan deden de Portugeezen anders,” hernam Kiai Hemboong, „hun eerste werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het van zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is de rijksdaalder!”„Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest is. Wilt ge mij hooren?”Allen die onder het afdak waren, kwamen nabij; Boeloe Kidoer zette zich op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw op pisangbladeren allerhande ververschingen uit gebak en vruchten bestaande, ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal.„Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, den beroemden[116]stichter van Batavia, den overwinnaar der Djakartanen. Dit is de ware geschiedenis, die ik u ga mededeelen, zooals zij door de vaders verhaald is aan de kinderen en door dezen weder aan hun kinderen. Er was in de zee een eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf, Tanoeraga was haar naam en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran, wier rijk verwoest werd door de belijders van den Islam.„De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en gebeden, zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet; het eene jaar verving het andere, maar haar toestand veranderde niet.”RadhenKoesoemavoelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan; een zucht ontsnapte zijn lippen die weerklank vond in haar ziel; zij begreep dat Soerapati dacht aan een andere gevangene ook op een eiland in Batavia’s haven. De dwerg ging voort.„Op zekeren dag gebeurde het dat de dappere Baron Soekmoel de zoon van den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had, met zijn dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien schepen bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van Djakarta alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den vreemdeling in hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich want rechts en links werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij zeer voordeelig gekocht te hebben, en de groote Soekmoel bezocht den Pangeran van Djakarta, en deze verwelkomde hem met[117]groote vreugde; hij richtte feestmalen aan en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den buffel vechten en allen juichten omdat men zooveel en zoo goede winst had gemaakt; het eiland Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend realen.„En toen hij er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en bemerkte dat zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht en haar ooren waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle maan, zij was welriekend als de sokabloem.„En Baron Soekmoel dacht bij zichzelf: Mijn oogen kunnen zich niet verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: „Zeg mij schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?”„En de prinses antwoordde:„Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten van Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van den Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar breng ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door.”„Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran:„Waarom houdt ge prinses Tanoeraga gevangen?”„Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en ik bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk.”„Ik heb de prinses gezien,” zei Baron Soekmoel, „en mijn hart is bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan zal ik niet van hier gaan. Wilt ge mij haar schenken dan zal ik u drie stukken sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan word ik uw vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden weigert.”„De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri’s en[118]dezen rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen en ik heb twee van de drie kanonnen gezien en dat is een bewijs voor de waarheid mijner woorden; een wordt bij den sultan van Bantam bewaard en een door den vorst van Tjeribon, terwijl het derde hier de aloen-aloen van den machtigen keizer van Mataram versiert.„Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het eiland en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het feest en van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest geven want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met kostbare koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron Soekmoel met zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner schepen en vertrok weer naar zijn land.„En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van den langsep maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik, met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij opgroeide werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen waren sterk als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de zon; hij was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders hadden hem Moer Djang Koeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle landen aan gene zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden.„Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat hij een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom vroeg hij eens: „Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als het vleesch van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger dan allen die ik ooit zag?”[119]„En de moeder antwoordde:„Omdat mijn land niet dat uws vaders is;” en zij verhaalde hem hoe de Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak:„Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen.” En tot zijn vader zeide hij:„Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen.” En nu werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper beslagen schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en kanonnen en vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat men eindelijk Djakarta bereikte.„De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem ook betaalde, altijd was ’t hem goed.„En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop een vesting; de Javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en velen traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng vergat zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde ze diep in zijn hart. En eens gebeurde het dat hij twist kreeg met den Pangeran en deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari, waar hij zich verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet).„De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra begon een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran de Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter zijn verschansingen voortdreven. Alle[120]hoop voor de vreemdelingen scheen verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn zoon ter zijde; met drie goed uitgeruste schepen verschijnt hij op de reede van Batavia en overziet den toestand.„Mijn zoon,” zegt hij, „hier baten geen kogels, maar waar sterkte faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran van Djakarta uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting Goenong Sari, maar ik zal hem kogels zenden, die zij niet zullen weerstaan.”„En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en zilveren rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten. Nauwelijks hadden de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de bamboestengels vielen, of zij vergaten geheel en al te strijden, rukten de halmen uit den grond om het geld op te rapen. Het duurde niet lang of de geheele bamboeshaag was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels geladen en weldra werd de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar het gebergte, de Compagnie daarentegen …”Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en allen wendden het hoofd om; het zand kraakte licht onder de stappen van twee mannen, die behoedzaam het huis naderden en weldra ook in de galerij verschenen.Hij ging hen te gemoet; bij het flikkerend lampje, dat tegen een der stijlen geplaatst was, herkende hij den Rijksbestuurder en den Kroonprins.„Ik moet u spreken,” zeide AmirangKoesoemohaastig, „het is een zaak van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den avond.”„Laat ons naar binnen gaan,” sprak Soerapati en boog zich diep voor den pleegvader zijner vrouw en voor den prins.[121]Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was.„Vader,” zeide zij, „er dreigt mijn man een gevaar! Ik heb het dezen avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven, die waarschuwend klaagden; mijn hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen tot aan mijn oogen. Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deelen en hoe zal ik het kunnen deelen, als ik het niet ken?”„Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen uw gemaal maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet scherp en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe Soerapati, onze beraadslagingen bij te wonen.”„Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van de vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders mij opeischen?”„Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt het ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te betalen en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich verbond geen vreemdelingen in zijne landen toe te laten.”„Is dit alles?”„Ge begrijpt wat deze laatste bepaling meent, uw uitlevering.”„Wat zal de keizer antwoorden?”„De keizer wil vier mantri’s naar Samarang zenden om den gezant te begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven[122]over de komst van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde dat de Compagnie hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand van het rijk te spreken.”„Als de gezant hier komt kan ik niet blijven,” zeide Soerapati beslist, „wat wil de keizer dat ik doe?”„Datgene, waartoe gij moed hebt,” antwoordde de Kroonprins.„Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?”„Onderwerping,” riep Radhen Goesik onstuimig, „wat bedoelt gij daar mee?Wilt gij weer slaaf worden?”„Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid mij op voorwaarden over te geven.”„Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze zoo goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien gij in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal ik dan met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat hij een lafaard was, met u zal ik ellende en armoede deelen, maar geen slavernij!”„Ge spreekt zooals het mijn dochter past,Koesoema,” hernam de Rijksbestuurder goedkeurend, „het hangt van uw gemaal af, wat hij wil doen. Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den Kroonprins blindelings gehoorzamen en zoo niet dan moet hijonmiddellijk vluchten, een middenweg staat niet open. De Hollanders zullen hem een vreeselijk lot toedenken als hij in hun handen valt. Kies dus Soerapati, wat wilt ge,vlucht of strijd?”„Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in.”„Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan dat gij hem tot lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post.”„En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen[123]vrede wil sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?”„Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen maar ongelijk zijn de wapens, als men zich bedient van veinzerij.”„’t Is het wapen van den hoveling maar niet van den soldaat.”„Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!”„Vertrouw mijn vader, Soerapati!” riepKoesoemauit.„Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt,” verklaarde de Kroonprins.„Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn keizer èn prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat alles voor uw bestwil is en voor het heil van het keizerrijk.”„Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd eerlijke lansen; men weet niet hoe ’t treffen kan, daar het doel steeds verborgen blijft.”„Zeg ons dan oprecht vader wat ge wilt,” drongKoesoemaaan.„Wat ik wil,” en onder des Rijksbestuurders dikke wenkbrauwen schoten zijn kleine oogen vonken vuur, „wat ik wil, den Hollander verdrijven uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet naTroeno-Djojo’sheilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich toegeëigend heeft, dank onze onderlinge twisten, hem toonen dat wij zijn hulp kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens hem. Verstaat ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken zal ik mij van alle wapens bedienen van geweld zoo goed als van veinzerij!En als Soerapati mij bijstaat dán zal ik slagen, dan zullen wij weer eenige meesters zijn in ons land.”„Ik begrijp niet hoe gij tot dit doel zult geraken.”„Laat het mij over!” sprak de Rijksbestuurder geheimzinnig, „ik weet dat gij en uw Balineezen onverschrokken en dapper zijt; laat mij rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg![124]„Gij zijt gewaarschuwd! Verzamel al uwe Balineezen en blijf de Zuiderpoort van den kraton bewaken.”Weinige oogenblikken later waren de Prins en de Rijksbestuurder vertrokken en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw.
[Inhoud]V.HET VERHAAL VAN DEN DWERG.Ten Zuiden van den kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven door een vruchtbare streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen van tamarindeboom en met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen; de huizen zelf zijn omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige openingen de poorten vormen, die toegang geven tot het dorp zelf.Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten[110]van palmen wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer; andere vruchten gloeien tusschen het donkere groen. De ramboetan en djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier ondoordringbaar loof.De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de huizen, die eenvoudig van bamboe gevlochten zijn, en in de kleine tuinen welke door loentashagen van die der buren afgescheiden zijn; de bewoners zitten in kleine groepjes onder hunne afdaken, de kinderen spelen op den zandigen grond. Hun gejoel is schier het eenige dat de stilte verbreekt; als ze straks naar binnen kruipen om zich op de baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der familie, uit te strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke kirren der perkoetoets, de lievelingsvogels van den Javaan, die hij in kooitjes ophangt aan zijn afdak of wel omhoog hijscht aan een bamboestaak.Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard eenvoudig aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter de huizen in den modder zijn de buffels gestald, waar ze uitrusten van hun zwaar dagwerk. Alles rust nu uit, de stemmen der pratenden klinken zacht en eentonig, om niet te zeggen toonloos; ’t is het zoete nietsdoen, waarvan de bewoner van het Noorden zoo weinig het zoete begrijpt en dat den Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den dag te tarten.Midden in het dorp stond een aanzienlijke woning, versierd met geschilderde en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder bloemdragende boomen; de tandjoeng strooide haar witte[111]stervormige bloemen over den grond, de vuurroode bloemen der soka schitterden in het donkere groen, de oleander prijkte met zijn witte en roode rozen; de zoete geur der groen en geelachtige kenangan mengt zich met de meer scherpe van de gouden tjampaka’s en wordt nog overtroffen door de op oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte melatis en de soedepmalem; de tuin die deze woning omringt is geheel en al een bloemenhof, over dag komen de witte, roode, gele, blauwe, paarsche bloemen helder uit tegen het sappige groen der heesters; dan bloeit en wasemt alles onder de schaduw der hooge boomen, nu zijn het alleen de bedwelmende geuren die de weelde der oostersche bloemenpracht verraden.Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn Balineezen tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden waren hun ter bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht strekken, zoo dikwijls als zijn keizerlijke wil het verlangde.Het was Radhen Goesik’s pleegvader, die alles zoo geregeld had; het was nietmoeilijkzijn geheim doel te raden; Radhen Adipati haatte de Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn Keizer te verlossen van de zware schuld der dankbaarheid, die sedertTroeno-Djojo’sval op hem drukte, en de lijfwacht, welke de Hollanders aan de Noordelijke punten van Karta-Soera gelaten hadden, overbodig te maken.De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den Keizer te beschermen, en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan. Hamangkoe-Rat keurde alles goed wat zijn Rijksbestuurder deed, hij vertrouwde hem in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij meende het te kunnen vinden.Toen kort na het huwelijk der Mataramsche prinses met den[112]Balineeschen avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat, aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk aansloeg:„Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvangen wien hij verkoos en dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar hij hun reeds te sterke beloften had gedaan.”Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot daar alle pogingen in het werk te stellen om het Hollandsche gezag door den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen.Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in Karta-Soera van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer in zijn traagheid en onverschilligheid in, maar de Rijksbestuurder waakte. Soerapati ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den wapenhandel te oefenen; overigens leefden de Balineezen met hun gezinnen rustig in hun kampong, bebouwden hun landen in afwachting dat men hun hulp zoude noodig hebben.Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan de rebab of Javaansche viool haar weemoedige klanken; Kiai Hemboong hurkte bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar in diep gepeins verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens bedekten divan zat Radhen GoesikKoesoema; haar welriekende lokken hingen los en als een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders. Soerapati lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën, met gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van den rebab, hij was moede teruggekomen van een tocht met zijn Balineezen[113]in het gebergte gedaan om eenige opstandelingen te vervolgen.De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed; de avond noodigde ook slechts tot een kalm genieten uit, de bloemen vervulden de lucht met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren de geuren, die uitKoesoema’slokken en kleeren opstegen. Een teeder koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken der Javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen versierde handen op het hoofd van haar gemaal als wilden zij alle onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen tot rust brengen.Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding grenzende liefde; een liefde, die echter niet gerust kon zijn, want overtuigd was zij nog niet of zij de Hollandsche vrouw voor goed overwonnen had. Soerapati sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich met hart en ziel verknocht te hebben aan den Soesoehoenan maar toch, soms verried een woord, een blik hoe in ’t diepst van zijn hart nog vezelen waren, die zich vast en schier onafscheidelijk aan de blanken gehecht hadden in wier midden hij wellicht de gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn leven had doorgebracht.Zij was nog steeds Soerapati’s eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook op was dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op aangedrongen dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou hij de wijdste kloof graven tusschen hem en de Christenen, want de Hollandsche vrouw was de eenige mededingster op wieKoesoemazich verwaardigde jaloersch te zijn.Tegen anderen was zij volkomen bestand door haar schoonheid en scherpen geest; de herinnering aan die andere alleen maakte haar machteloos. Soerapati’s verbittering tegen de Hollanders was nooit diep geweest, dat voelde zij genoeg; Kuffelers mishandeling[114]en Kiai Hemboong’s onbeschaamde leugen hadden hem overrompeld; zij begreep dat er oogenblikken waren, zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende blijken van vertrouwen gaf wanneer zelfsKoesoemahem liefkoosde, dat het hem berouwde met hen gebroken te hebben.Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij op haar knieën scheen in te sluimeren, of was zij het alleen die zijn ziel vervulde?Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan onbeweeglijk als opgerold in een kluwen zat.„Laat die rebab ophouden, dwerg!” sprak zij, „het maakt mijn hart ziek, met zijn droevige tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins verzonken te blijven, laten wij ons vermaken opdat onze droefgeestigheid verdwijne!”„Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?” vroeg de dwerg.„Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,” zei Soerapati bezorgd, „laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft evenveel behoefte aan rust als het mijne.”„Zal ik u dan eens iets vertellen?” hernam de dwerg, „ik weet ook mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken het zieke hart gezond!”„Ja vertel op! niet waarKoesoema, gij wilt immers ook wel luisteren naar Boeloe Kidoer’s sprookjes!”„Het zijn geen sproken, edele Heer! Het is ’t verhaal van alles wat werkelijk en waarlijk gebeurd is in het land der Javanen, sinds de blanke Hollander er voor ’t eerst verscheen!”„Ja vertel maar toe, Boeloe!” zuchtte de prinses, „hoe de vreemdelingen het geluk verwoest hebben in ons land; want sedert zij er kwamen is het gedaan met den vrede en de macht der dienaars van den Grooten Profeet!”[115]„De goden volgen elkander in Java op,” sprak Kiai Hemboong ernstig. „Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met hun tjandis, en ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn vrouw, de onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders vanBoeddha, den goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu zijn het de volgelingen van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard bedreigen!”„Maar dezen hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,” zeide grijnslachend de dwerg, „zij zullen ons Shiwa of Mahomed gaarne laten, wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen en onze lijnwaden brengen.”„Zij vinden ons te laag en te min voor hun God,” sprak Soerapati bitter, „de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden; Hij bekommert zich niet om het vervloekte geslacht.”„Wij hebben hem ook niet noodig!” zeideKoesoemafier, „wij aanbidden Allah en versmaden hun eeredienst zonder priesters, zonder offers.”„Dan deden de Portugeezen anders,” hernam Kiai Hemboong, „hun eerste werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het van zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is de rijksdaalder!”„Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest is. Wilt ge mij hooren?”Allen die onder het afdak waren, kwamen nabij; Boeloe Kidoer zette zich op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw op pisangbladeren allerhande ververschingen uit gebak en vruchten bestaande, ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal.„Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, den beroemden[116]stichter van Batavia, den overwinnaar der Djakartanen. Dit is de ware geschiedenis, die ik u ga mededeelen, zooals zij door de vaders verhaald is aan de kinderen en door dezen weder aan hun kinderen. Er was in de zee een eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf, Tanoeraga was haar naam en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran, wier rijk verwoest werd door de belijders van den Islam.„De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en gebeden, zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet; het eene jaar verving het andere, maar haar toestand veranderde niet.”RadhenKoesoemavoelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan; een zucht ontsnapte zijn lippen die weerklank vond in haar ziel; zij begreep dat Soerapati dacht aan een andere gevangene ook op een eiland in Batavia’s haven. De dwerg ging voort.„Op zekeren dag gebeurde het dat de dappere Baron Soekmoel de zoon van den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had, met zijn dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien schepen bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van Djakarta alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den vreemdeling in hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich want rechts en links werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij zeer voordeelig gekocht te hebben, en de groote Soekmoel bezocht den Pangeran van Djakarta, en deze verwelkomde hem met[117]groote vreugde; hij richtte feestmalen aan en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den buffel vechten en allen juichten omdat men zooveel en zoo goede winst had gemaakt; het eiland Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend realen.„En toen hij er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en bemerkte dat zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht en haar ooren waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle maan, zij was welriekend als de sokabloem.„En Baron Soekmoel dacht bij zichzelf: Mijn oogen kunnen zich niet verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: „Zeg mij schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?”„En de prinses antwoordde:„Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten van Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van den Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar breng ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door.”„Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran:„Waarom houdt ge prinses Tanoeraga gevangen?”„Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en ik bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk.”„Ik heb de prinses gezien,” zei Baron Soekmoel, „en mijn hart is bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan zal ik niet van hier gaan. Wilt ge mij haar schenken dan zal ik u drie stukken sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan word ik uw vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden weigert.”„De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri’s en[118]dezen rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen en ik heb twee van de drie kanonnen gezien en dat is een bewijs voor de waarheid mijner woorden; een wordt bij den sultan van Bantam bewaard en een door den vorst van Tjeribon, terwijl het derde hier de aloen-aloen van den machtigen keizer van Mataram versiert.„Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het eiland en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het feest en van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest geven want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met kostbare koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron Soekmoel met zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner schepen en vertrok weer naar zijn land.„En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van den langsep maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik, met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij opgroeide werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen waren sterk als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de zon; hij was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders hadden hem Moer Djang Koeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle landen aan gene zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden.„Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat hij een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom vroeg hij eens: „Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als het vleesch van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger dan allen die ik ooit zag?”[119]„En de moeder antwoordde:„Omdat mijn land niet dat uws vaders is;” en zij verhaalde hem hoe de Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak:„Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen.” En tot zijn vader zeide hij:„Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen.” En nu werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper beslagen schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en kanonnen en vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat men eindelijk Djakarta bereikte.„De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem ook betaalde, altijd was ’t hem goed.„En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop een vesting; de Javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en velen traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng vergat zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde ze diep in zijn hart. En eens gebeurde het dat hij twist kreeg met den Pangeran en deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari, waar hij zich verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet).„De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra begon een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran de Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter zijn verschansingen voortdreven. Alle[120]hoop voor de vreemdelingen scheen verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn zoon ter zijde; met drie goed uitgeruste schepen verschijnt hij op de reede van Batavia en overziet den toestand.„Mijn zoon,” zegt hij, „hier baten geen kogels, maar waar sterkte faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran van Djakarta uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting Goenong Sari, maar ik zal hem kogels zenden, die zij niet zullen weerstaan.”„En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en zilveren rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten. Nauwelijks hadden de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de bamboestengels vielen, of zij vergaten geheel en al te strijden, rukten de halmen uit den grond om het geld op te rapen. Het duurde niet lang of de geheele bamboeshaag was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels geladen en weldra werd de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar het gebergte, de Compagnie daarentegen …”Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en allen wendden het hoofd om; het zand kraakte licht onder de stappen van twee mannen, die behoedzaam het huis naderden en weldra ook in de galerij verschenen.Hij ging hen te gemoet; bij het flikkerend lampje, dat tegen een der stijlen geplaatst was, herkende hij den Rijksbestuurder en den Kroonprins.„Ik moet u spreken,” zeide AmirangKoesoemohaastig, „het is een zaak van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den avond.”„Laat ons naar binnen gaan,” sprak Soerapati en boog zich diep voor den pleegvader zijner vrouw en voor den prins.[121]Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was.„Vader,” zeide zij, „er dreigt mijn man een gevaar! Ik heb het dezen avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven, die waarschuwend klaagden; mijn hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen tot aan mijn oogen. Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deelen en hoe zal ik het kunnen deelen, als ik het niet ken?”„Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen uw gemaal maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet scherp en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe Soerapati, onze beraadslagingen bij te wonen.”„Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van de vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders mij opeischen?”„Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt het ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te betalen en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich verbond geen vreemdelingen in zijne landen toe te laten.”„Is dit alles?”„Ge begrijpt wat deze laatste bepaling meent, uw uitlevering.”„Wat zal de keizer antwoorden?”„De keizer wil vier mantri’s naar Samarang zenden om den gezant te begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven[122]over de komst van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde dat de Compagnie hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand van het rijk te spreken.”„Als de gezant hier komt kan ik niet blijven,” zeide Soerapati beslist, „wat wil de keizer dat ik doe?”„Datgene, waartoe gij moed hebt,” antwoordde de Kroonprins.„Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?”„Onderwerping,” riep Radhen Goesik onstuimig, „wat bedoelt gij daar mee?Wilt gij weer slaaf worden?”„Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid mij op voorwaarden over te geven.”„Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze zoo goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien gij in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal ik dan met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat hij een lafaard was, met u zal ik ellende en armoede deelen, maar geen slavernij!”„Ge spreekt zooals het mijn dochter past,Koesoema,” hernam de Rijksbestuurder goedkeurend, „het hangt van uw gemaal af, wat hij wil doen. Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den Kroonprins blindelings gehoorzamen en zoo niet dan moet hijonmiddellijk vluchten, een middenweg staat niet open. De Hollanders zullen hem een vreeselijk lot toedenken als hij in hun handen valt. Kies dus Soerapati, wat wilt ge,vlucht of strijd?”„Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in.”„Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan dat gij hem tot lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post.”„En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen[123]vrede wil sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?”„Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen maar ongelijk zijn de wapens, als men zich bedient van veinzerij.”„’t Is het wapen van den hoveling maar niet van den soldaat.”„Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!”„Vertrouw mijn vader, Soerapati!” riepKoesoemauit.„Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt,” verklaarde de Kroonprins.„Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn keizer èn prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat alles voor uw bestwil is en voor het heil van het keizerrijk.”„Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd eerlijke lansen; men weet niet hoe ’t treffen kan, daar het doel steeds verborgen blijft.”„Zeg ons dan oprecht vader wat ge wilt,” drongKoesoemaaan.„Wat ik wil,” en onder des Rijksbestuurders dikke wenkbrauwen schoten zijn kleine oogen vonken vuur, „wat ik wil, den Hollander verdrijven uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet naTroeno-Djojo’sheilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich toegeëigend heeft, dank onze onderlinge twisten, hem toonen dat wij zijn hulp kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens hem. Verstaat ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken zal ik mij van alle wapens bedienen van geweld zoo goed als van veinzerij!En als Soerapati mij bijstaat dán zal ik slagen, dan zullen wij weer eenige meesters zijn in ons land.”„Ik begrijp niet hoe gij tot dit doel zult geraken.”„Laat het mij over!” sprak de Rijksbestuurder geheimzinnig, „ik weet dat gij en uw Balineezen onverschrokken en dapper zijt; laat mij rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg![124]„Gij zijt gewaarschuwd! Verzamel al uwe Balineezen en blijf de Zuiderpoort van den kraton bewaken.”Weinige oogenblikken later waren de Prins en de Rijksbestuurder vertrokken en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw.
[Inhoud]V.HET VERHAAL VAN DEN DWERG.Ten Zuiden van den kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven door een vruchtbare streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen van tamarindeboom en met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen; de huizen zelf zijn omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige openingen de poorten vormen, die toegang geven tot het dorp zelf.Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten[110]van palmen wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer; andere vruchten gloeien tusschen het donkere groen. De ramboetan en djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier ondoordringbaar loof.De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de huizen, die eenvoudig van bamboe gevlochten zijn, en in de kleine tuinen welke door loentashagen van die der buren afgescheiden zijn; de bewoners zitten in kleine groepjes onder hunne afdaken, de kinderen spelen op den zandigen grond. Hun gejoel is schier het eenige dat de stilte verbreekt; als ze straks naar binnen kruipen om zich op de baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der familie, uit te strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke kirren der perkoetoets, de lievelingsvogels van den Javaan, die hij in kooitjes ophangt aan zijn afdak of wel omhoog hijscht aan een bamboestaak.Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard eenvoudig aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter de huizen in den modder zijn de buffels gestald, waar ze uitrusten van hun zwaar dagwerk. Alles rust nu uit, de stemmen der pratenden klinken zacht en eentonig, om niet te zeggen toonloos; ’t is het zoete nietsdoen, waarvan de bewoner van het Noorden zoo weinig het zoete begrijpt en dat den Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den dag te tarten.Midden in het dorp stond een aanzienlijke woning, versierd met geschilderde en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder bloemdragende boomen; de tandjoeng strooide haar witte[111]stervormige bloemen over den grond, de vuurroode bloemen der soka schitterden in het donkere groen, de oleander prijkte met zijn witte en roode rozen; de zoete geur der groen en geelachtige kenangan mengt zich met de meer scherpe van de gouden tjampaka’s en wordt nog overtroffen door de op oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte melatis en de soedepmalem; de tuin die deze woning omringt is geheel en al een bloemenhof, over dag komen de witte, roode, gele, blauwe, paarsche bloemen helder uit tegen het sappige groen der heesters; dan bloeit en wasemt alles onder de schaduw der hooge boomen, nu zijn het alleen de bedwelmende geuren die de weelde der oostersche bloemenpracht verraden.Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn Balineezen tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden waren hun ter bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht strekken, zoo dikwijls als zijn keizerlijke wil het verlangde.Het was Radhen Goesik’s pleegvader, die alles zoo geregeld had; het was nietmoeilijkzijn geheim doel te raden; Radhen Adipati haatte de Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn Keizer te verlossen van de zware schuld der dankbaarheid, die sedertTroeno-Djojo’sval op hem drukte, en de lijfwacht, welke de Hollanders aan de Noordelijke punten van Karta-Soera gelaten hadden, overbodig te maken.De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den Keizer te beschermen, en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan. Hamangkoe-Rat keurde alles goed wat zijn Rijksbestuurder deed, hij vertrouwde hem in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij meende het te kunnen vinden.Toen kort na het huwelijk der Mataramsche prinses met den[112]Balineeschen avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat, aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk aansloeg:„Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvangen wien hij verkoos en dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar hij hun reeds te sterke beloften had gedaan.”Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot daar alle pogingen in het werk te stellen om het Hollandsche gezag door den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen.Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in Karta-Soera van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer in zijn traagheid en onverschilligheid in, maar de Rijksbestuurder waakte. Soerapati ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den wapenhandel te oefenen; overigens leefden de Balineezen met hun gezinnen rustig in hun kampong, bebouwden hun landen in afwachting dat men hun hulp zoude noodig hebben.Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan de rebab of Javaansche viool haar weemoedige klanken; Kiai Hemboong hurkte bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar in diep gepeins verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens bedekten divan zat Radhen GoesikKoesoema; haar welriekende lokken hingen los en als een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders. Soerapati lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën, met gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van den rebab, hij was moede teruggekomen van een tocht met zijn Balineezen[113]in het gebergte gedaan om eenige opstandelingen te vervolgen.De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed; de avond noodigde ook slechts tot een kalm genieten uit, de bloemen vervulden de lucht met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren de geuren, die uitKoesoema’slokken en kleeren opstegen. Een teeder koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken der Javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen versierde handen op het hoofd van haar gemaal als wilden zij alle onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen tot rust brengen.Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding grenzende liefde; een liefde, die echter niet gerust kon zijn, want overtuigd was zij nog niet of zij de Hollandsche vrouw voor goed overwonnen had. Soerapati sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich met hart en ziel verknocht te hebben aan den Soesoehoenan maar toch, soms verried een woord, een blik hoe in ’t diepst van zijn hart nog vezelen waren, die zich vast en schier onafscheidelijk aan de blanken gehecht hadden in wier midden hij wellicht de gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn leven had doorgebracht.Zij was nog steeds Soerapati’s eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook op was dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op aangedrongen dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou hij de wijdste kloof graven tusschen hem en de Christenen, want de Hollandsche vrouw was de eenige mededingster op wieKoesoemazich verwaardigde jaloersch te zijn.Tegen anderen was zij volkomen bestand door haar schoonheid en scherpen geest; de herinnering aan die andere alleen maakte haar machteloos. Soerapati’s verbittering tegen de Hollanders was nooit diep geweest, dat voelde zij genoeg; Kuffelers mishandeling[114]en Kiai Hemboong’s onbeschaamde leugen hadden hem overrompeld; zij begreep dat er oogenblikken waren, zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende blijken van vertrouwen gaf wanneer zelfsKoesoemahem liefkoosde, dat het hem berouwde met hen gebroken te hebben.Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij op haar knieën scheen in te sluimeren, of was zij het alleen die zijn ziel vervulde?Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan onbeweeglijk als opgerold in een kluwen zat.„Laat die rebab ophouden, dwerg!” sprak zij, „het maakt mijn hart ziek, met zijn droevige tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins verzonken te blijven, laten wij ons vermaken opdat onze droefgeestigheid verdwijne!”„Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?” vroeg de dwerg.„Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,” zei Soerapati bezorgd, „laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft evenveel behoefte aan rust als het mijne.”„Zal ik u dan eens iets vertellen?” hernam de dwerg, „ik weet ook mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken het zieke hart gezond!”„Ja vertel op! niet waarKoesoema, gij wilt immers ook wel luisteren naar Boeloe Kidoer’s sprookjes!”„Het zijn geen sproken, edele Heer! Het is ’t verhaal van alles wat werkelijk en waarlijk gebeurd is in het land der Javanen, sinds de blanke Hollander er voor ’t eerst verscheen!”„Ja vertel maar toe, Boeloe!” zuchtte de prinses, „hoe de vreemdelingen het geluk verwoest hebben in ons land; want sedert zij er kwamen is het gedaan met den vrede en de macht der dienaars van den Grooten Profeet!”[115]„De goden volgen elkander in Java op,” sprak Kiai Hemboong ernstig. „Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met hun tjandis, en ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn vrouw, de onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders vanBoeddha, den goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu zijn het de volgelingen van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard bedreigen!”„Maar dezen hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,” zeide grijnslachend de dwerg, „zij zullen ons Shiwa of Mahomed gaarne laten, wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen en onze lijnwaden brengen.”„Zij vinden ons te laag en te min voor hun God,” sprak Soerapati bitter, „de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden; Hij bekommert zich niet om het vervloekte geslacht.”„Wij hebben hem ook niet noodig!” zeideKoesoemafier, „wij aanbidden Allah en versmaden hun eeredienst zonder priesters, zonder offers.”„Dan deden de Portugeezen anders,” hernam Kiai Hemboong, „hun eerste werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het van zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is de rijksdaalder!”„Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest is. Wilt ge mij hooren?”Allen die onder het afdak waren, kwamen nabij; Boeloe Kidoer zette zich op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw op pisangbladeren allerhande ververschingen uit gebak en vruchten bestaande, ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal.„Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, den beroemden[116]stichter van Batavia, den overwinnaar der Djakartanen. Dit is de ware geschiedenis, die ik u ga mededeelen, zooals zij door de vaders verhaald is aan de kinderen en door dezen weder aan hun kinderen. Er was in de zee een eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf, Tanoeraga was haar naam en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran, wier rijk verwoest werd door de belijders van den Islam.„De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en gebeden, zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet; het eene jaar verving het andere, maar haar toestand veranderde niet.”RadhenKoesoemavoelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan; een zucht ontsnapte zijn lippen die weerklank vond in haar ziel; zij begreep dat Soerapati dacht aan een andere gevangene ook op een eiland in Batavia’s haven. De dwerg ging voort.„Op zekeren dag gebeurde het dat de dappere Baron Soekmoel de zoon van den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had, met zijn dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien schepen bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van Djakarta alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den vreemdeling in hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich want rechts en links werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij zeer voordeelig gekocht te hebben, en de groote Soekmoel bezocht den Pangeran van Djakarta, en deze verwelkomde hem met[117]groote vreugde; hij richtte feestmalen aan en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den buffel vechten en allen juichten omdat men zooveel en zoo goede winst had gemaakt; het eiland Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend realen.„En toen hij er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en bemerkte dat zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht en haar ooren waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle maan, zij was welriekend als de sokabloem.„En Baron Soekmoel dacht bij zichzelf: Mijn oogen kunnen zich niet verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: „Zeg mij schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?”„En de prinses antwoordde:„Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten van Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van den Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar breng ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door.”„Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran:„Waarom houdt ge prinses Tanoeraga gevangen?”„Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en ik bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk.”„Ik heb de prinses gezien,” zei Baron Soekmoel, „en mijn hart is bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan zal ik niet van hier gaan. Wilt ge mij haar schenken dan zal ik u drie stukken sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan word ik uw vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden weigert.”„De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri’s en[118]dezen rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen en ik heb twee van de drie kanonnen gezien en dat is een bewijs voor de waarheid mijner woorden; een wordt bij den sultan van Bantam bewaard en een door den vorst van Tjeribon, terwijl het derde hier de aloen-aloen van den machtigen keizer van Mataram versiert.„Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het eiland en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het feest en van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest geven want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met kostbare koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron Soekmoel met zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner schepen en vertrok weer naar zijn land.„En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van den langsep maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik, met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij opgroeide werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen waren sterk als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de zon; hij was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders hadden hem Moer Djang Koeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle landen aan gene zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden.„Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat hij een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom vroeg hij eens: „Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als het vleesch van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger dan allen die ik ooit zag?”[119]„En de moeder antwoordde:„Omdat mijn land niet dat uws vaders is;” en zij verhaalde hem hoe de Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak:„Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen.” En tot zijn vader zeide hij:„Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen.” En nu werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper beslagen schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en kanonnen en vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat men eindelijk Djakarta bereikte.„De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem ook betaalde, altijd was ’t hem goed.„En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop een vesting; de Javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en velen traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng vergat zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde ze diep in zijn hart. En eens gebeurde het dat hij twist kreeg met den Pangeran en deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari, waar hij zich verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet).„De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra begon een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran de Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter zijn verschansingen voortdreven. Alle[120]hoop voor de vreemdelingen scheen verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn zoon ter zijde; met drie goed uitgeruste schepen verschijnt hij op de reede van Batavia en overziet den toestand.„Mijn zoon,” zegt hij, „hier baten geen kogels, maar waar sterkte faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran van Djakarta uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting Goenong Sari, maar ik zal hem kogels zenden, die zij niet zullen weerstaan.”„En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en zilveren rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten. Nauwelijks hadden de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de bamboestengels vielen, of zij vergaten geheel en al te strijden, rukten de halmen uit den grond om het geld op te rapen. Het duurde niet lang of de geheele bamboeshaag was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels geladen en weldra werd de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar het gebergte, de Compagnie daarentegen …”Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en allen wendden het hoofd om; het zand kraakte licht onder de stappen van twee mannen, die behoedzaam het huis naderden en weldra ook in de galerij verschenen.Hij ging hen te gemoet; bij het flikkerend lampje, dat tegen een der stijlen geplaatst was, herkende hij den Rijksbestuurder en den Kroonprins.„Ik moet u spreken,” zeide AmirangKoesoemohaastig, „het is een zaak van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den avond.”„Laat ons naar binnen gaan,” sprak Soerapati en boog zich diep voor den pleegvader zijner vrouw en voor den prins.[121]Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was.„Vader,” zeide zij, „er dreigt mijn man een gevaar! Ik heb het dezen avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven, die waarschuwend klaagden; mijn hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen tot aan mijn oogen. Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deelen en hoe zal ik het kunnen deelen, als ik het niet ken?”„Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen uw gemaal maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet scherp en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe Soerapati, onze beraadslagingen bij te wonen.”„Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van de vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders mij opeischen?”„Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt het ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te betalen en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich verbond geen vreemdelingen in zijne landen toe te laten.”„Is dit alles?”„Ge begrijpt wat deze laatste bepaling meent, uw uitlevering.”„Wat zal de keizer antwoorden?”„De keizer wil vier mantri’s naar Samarang zenden om den gezant te begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven[122]over de komst van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde dat de Compagnie hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand van het rijk te spreken.”„Als de gezant hier komt kan ik niet blijven,” zeide Soerapati beslist, „wat wil de keizer dat ik doe?”„Datgene, waartoe gij moed hebt,” antwoordde de Kroonprins.„Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?”„Onderwerping,” riep Radhen Goesik onstuimig, „wat bedoelt gij daar mee?Wilt gij weer slaaf worden?”„Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid mij op voorwaarden over te geven.”„Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze zoo goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien gij in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal ik dan met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat hij een lafaard was, met u zal ik ellende en armoede deelen, maar geen slavernij!”„Ge spreekt zooals het mijn dochter past,Koesoema,” hernam de Rijksbestuurder goedkeurend, „het hangt van uw gemaal af, wat hij wil doen. Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den Kroonprins blindelings gehoorzamen en zoo niet dan moet hijonmiddellijk vluchten, een middenweg staat niet open. De Hollanders zullen hem een vreeselijk lot toedenken als hij in hun handen valt. Kies dus Soerapati, wat wilt ge,vlucht of strijd?”„Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in.”„Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan dat gij hem tot lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post.”„En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen[123]vrede wil sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?”„Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen maar ongelijk zijn de wapens, als men zich bedient van veinzerij.”„’t Is het wapen van den hoveling maar niet van den soldaat.”„Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!”„Vertrouw mijn vader, Soerapati!” riepKoesoemauit.„Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt,” verklaarde de Kroonprins.„Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn keizer èn prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat alles voor uw bestwil is en voor het heil van het keizerrijk.”„Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd eerlijke lansen; men weet niet hoe ’t treffen kan, daar het doel steeds verborgen blijft.”„Zeg ons dan oprecht vader wat ge wilt,” drongKoesoemaaan.„Wat ik wil,” en onder des Rijksbestuurders dikke wenkbrauwen schoten zijn kleine oogen vonken vuur, „wat ik wil, den Hollander verdrijven uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet naTroeno-Djojo’sheilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich toegeëigend heeft, dank onze onderlinge twisten, hem toonen dat wij zijn hulp kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens hem. Verstaat ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken zal ik mij van alle wapens bedienen van geweld zoo goed als van veinzerij!En als Soerapati mij bijstaat dán zal ik slagen, dan zullen wij weer eenige meesters zijn in ons land.”„Ik begrijp niet hoe gij tot dit doel zult geraken.”„Laat het mij over!” sprak de Rijksbestuurder geheimzinnig, „ik weet dat gij en uw Balineezen onverschrokken en dapper zijt; laat mij rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg![124]„Gij zijt gewaarschuwd! Verzamel al uwe Balineezen en blijf de Zuiderpoort van den kraton bewaken.”Weinige oogenblikken later waren de Prins en de Rijksbestuurder vertrokken en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw.
V.HET VERHAAL VAN DEN DWERG.
Ten Zuiden van den kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven door een vruchtbare streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen van tamarindeboom en met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen; de huizen zelf zijn omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige openingen de poorten vormen, die toegang geven tot het dorp zelf.Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten[110]van palmen wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer; andere vruchten gloeien tusschen het donkere groen. De ramboetan en djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier ondoordringbaar loof.De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de huizen, die eenvoudig van bamboe gevlochten zijn, en in de kleine tuinen welke door loentashagen van die der buren afgescheiden zijn; de bewoners zitten in kleine groepjes onder hunne afdaken, de kinderen spelen op den zandigen grond. Hun gejoel is schier het eenige dat de stilte verbreekt; als ze straks naar binnen kruipen om zich op de baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der familie, uit te strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke kirren der perkoetoets, de lievelingsvogels van den Javaan, die hij in kooitjes ophangt aan zijn afdak of wel omhoog hijscht aan een bamboestaak.Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard eenvoudig aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter de huizen in den modder zijn de buffels gestald, waar ze uitrusten van hun zwaar dagwerk. Alles rust nu uit, de stemmen der pratenden klinken zacht en eentonig, om niet te zeggen toonloos; ’t is het zoete nietsdoen, waarvan de bewoner van het Noorden zoo weinig het zoete begrijpt en dat den Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den dag te tarten.Midden in het dorp stond een aanzienlijke woning, versierd met geschilderde en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder bloemdragende boomen; de tandjoeng strooide haar witte[111]stervormige bloemen over den grond, de vuurroode bloemen der soka schitterden in het donkere groen, de oleander prijkte met zijn witte en roode rozen; de zoete geur der groen en geelachtige kenangan mengt zich met de meer scherpe van de gouden tjampaka’s en wordt nog overtroffen door de op oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte melatis en de soedepmalem; de tuin die deze woning omringt is geheel en al een bloemenhof, over dag komen de witte, roode, gele, blauwe, paarsche bloemen helder uit tegen het sappige groen der heesters; dan bloeit en wasemt alles onder de schaduw der hooge boomen, nu zijn het alleen de bedwelmende geuren die de weelde der oostersche bloemenpracht verraden.Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn Balineezen tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden waren hun ter bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht strekken, zoo dikwijls als zijn keizerlijke wil het verlangde.Het was Radhen Goesik’s pleegvader, die alles zoo geregeld had; het was nietmoeilijkzijn geheim doel te raden; Radhen Adipati haatte de Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn Keizer te verlossen van de zware schuld der dankbaarheid, die sedertTroeno-Djojo’sval op hem drukte, en de lijfwacht, welke de Hollanders aan de Noordelijke punten van Karta-Soera gelaten hadden, overbodig te maken.De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den Keizer te beschermen, en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan. Hamangkoe-Rat keurde alles goed wat zijn Rijksbestuurder deed, hij vertrouwde hem in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij meende het te kunnen vinden.Toen kort na het huwelijk der Mataramsche prinses met den[112]Balineeschen avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat, aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk aansloeg:„Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvangen wien hij verkoos en dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar hij hun reeds te sterke beloften had gedaan.”Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot daar alle pogingen in het werk te stellen om het Hollandsche gezag door den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen.Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in Karta-Soera van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer in zijn traagheid en onverschilligheid in, maar de Rijksbestuurder waakte. Soerapati ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den wapenhandel te oefenen; overigens leefden de Balineezen met hun gezinnen rustig in hun kampong, bebouwden hun landen in afwachting dat men hun hulp zoude noodig hebben.Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan de rebab of Javaansche viool haar weemoedige klanken; Kiai Hemboong hurkte bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar in diep gepeins verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens bedekten divan zat Radhen GoesikKoesoema; haar welriekende lokken hingen los en als een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders. Soerapati lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën, met gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van den rebab, hij was moede teruggekomen van een tocht met zijn Balineezen[113]in het gebergte gedaan om eenige opstandelingen te vervolgen.De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed; de avond noodigde ook slechts tot een kalm genieten uit, de bloemen vervulden de lucht met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren de geuren, die uitKoesoema’slokken en kleeren opstegen. Een teeder koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken der Javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen versierde handen op het hoofd van haar gemaal als wilden zij alle onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen tot rust brengen.Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding grenzende liefde; een liefde, die echter niet gerust kon zijn, want overtuigd was zij nog niet of zij de Hollandsche vrouw voor goed overwonnen had. Soerapati sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich met hart en ziel verknocht te hebben aan den Soesoehoenan maar toch, soms verried een woord, een blik hoe in ’t diepst van zijn hart nog vezelen waren, die zich vast en schier onafscheidelijk aan de blanken gehecht hadden in wier midden hij wellicht de gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn leven had doorgebracht.Zij was nog steeds Soerapati’s eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook op was dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op aangedrongen dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou hij de wijdste kloof graven tusschen hem en de Christenen, want de Hollandsche vrouw was de eenige mededingster op wieKoesoemazich verwaardigde jaloersch te zijn.Tegen anderen was zij volkomen bestand door haar schoonheid en scherpen geest; de herinnering aan die andere alleen maakte haar machteloos. Soerapati’s verbittering tegen de Hollanders was nooit diep geweest, dat voelde zij genoeg; Kuffelers mishandeling[114]en Kiai Hemboong’s onbeschaamde leugen hadden hem overrompeld; zij begreep dat er oogenblikken waren, zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende blijken van vertrouwen gaf wanneer zelfsKoesoemahem liefkoosde, dat het hem berouwde met hen gebroken te hebben.Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij op haar knieën scheen in te sluimeren, of was zij het alleen die zijn ziel vervulde?Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan onbeweeglijk als opgerold in een kluwen zat.„Laat die rebab ophouden, dwerg!” sprak zij, „het maakt mijn hart ziek, met zijn droevige tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins verzonken te blijven, laten wij ons vermaken opdat onze droefgeestigheid verdwijne!”„Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?” vroeg de dwerg.„Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,” zei Soerapati bezorgd, „laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft evenveel behoefte aan rust als het mijne.”„Zal ik u dan eens iets vertellen?” hernam de dwerg, „ik weet ook mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken het zieke hart gezond!”„Ja vertel op! niet waarKoesoema, gij wilt immers ook wel luisteren naar Boeloe Kidoer’s sprookjes!”„Het zijn geen sproken, edele Heer! Het is ’t verhaal van alles wat werkelijk en waarlijk gebeurd is in het land der Javanen, sinds de blanke Hollander er voor ’t eerst verscheen!”„Ja vertel maar toe, Boeloe!” zuchtte de prinses, „hoe de vreemdelingen het geluk verwoest hebben in ons land; want sedert zij er kwamen is het gedaan met den vrede en de macht der dienaars van den Grooten Profeet!”[115]„De goden volgen elkander in Java op,” sprak Kiai Hemboong ernstig. „Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met hun tjandis, en ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn vrouw, de onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders vanBoeddha, den goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu zijn het de volgelingen van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard bedreigen!”„Maar dezen hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,” zeide grijnslachend de dwerg, „zij zullen ons Shiwa of Mahomed gaarne laten, wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen en onze lijnwaden brengen.”„Zij vinden ons te laag en te min voor hun God,” sprak Soerapati bitter, „de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden; Hij bekommert zich niet om het vervloekte geslacht.”„Wij hebben hem ook niet noodig!” zeideKoesoemafier, „wij aanbidden Allah en versmaden hun eeredienst zonder priesters, zonder offers.”„Dan deden de Portugeezen anders,” hernam Kiai Hemboong, „hun eerste werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het van zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is de rijksdaalder!”„Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest is. Wilt ge mij hooren?”Allen die onder het afdak waren, kwamen nabij; Boeloe Kidoer zette zich op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw op pisangbladeren allerhande ververschingen uit gebak en vruchten bestaande, ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal.„Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, den beroemden[116]stichter van Batavia, den overwinnaar der Djakartanen. Dit is de ware geschiedenis, die ik u ga mededeelen, zooals zij door de vaders verhaald is aan de kinderen en door dezen weder aan hun kinderen. Er was in de zee een eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf, Tanoeraga was haar naam en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran, wier rijk verwoest werd door de belijders van den Islam.„De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en gebeden, zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet; het eene jaar verving het andere, maar haar toestand veranderde niet.”RadhenKoesoemavoelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan; een zucht ontsnapte zijn lippen die weerklank vond in haar ziel; zij begreep dat Soerapati dacht aan een andere gevangene ook op een eiland in Batavia’s haven. De dwerg ging voort.„Op zekeren dag gebeurde het dat de dappere Baron Soekmoel de zoon van den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had, met zijn dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien schepen bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van Djakarta alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den vreemdeling in hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich want rechts en links werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij zeer voordeelig gekocht te hebben, en de groote Soekmoel bezocht den Pangeran van Djakarta, en deze verwelkomde hem met[117]groote vreugde; hij richtte feestmalen aan en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den buffel vechten en allen juichten omdat men zooveel en zoo goede winst had gemaakt; het eiland Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend realen.„En toen hij er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en bemerkte dat zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht en haar ooren waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle maan, zij was welriekend als de sokabloem.„En Baron Soekmoel dacht bij zichzelf: Mijn oogen kunnen zich niet verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: „Zeg mij schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?”„En de prinses antwoordde:„Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten van Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van den Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar breng ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door.”„Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran:„Waarom houdt ge prinses Tanoeraga gevangen?”„Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en ik bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk.”„Ik heb de prinses gezien,” zei Baron Soekmoel, „en mijn hart is bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan zal ik niet van hier gaan. Wilt ge mij haar schenken dan zal ik u drie stukken sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan word ik uw vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden weigert.”„De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri’s en[118]dezen rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen en ik heb twee van de drie kanonnen gezien en dat is een bewijs voor de waarheid mijner woorden; een wordt bij den sultan van Bantam bewaard en een door den vorst van Tjeribon, terwijl het derde hier de aloen-aloen van den machtigen keizer van Mataram versiert.„Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het eiland en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het feest en van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest geven want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met kostbare koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron Soekmoel met zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner schepen en vertrok weer naar zijn land.„En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van den langsep maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik, met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij opgroeide werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen waren sterk als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de zon; hij was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders hadden hem Moer Djang Koeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle landen aan gene zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden.„Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat hij een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom vroeg hij eens: „Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als het vleesch van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger dan allen die ik ooit zag?”[119]„En de moeder antwoordde:„Omdat mijn land niet dat uws vaders is;” en zij verhaalde hem hoe de Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak:„Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen.” En tot zijn vader zeide hij:„Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen.” En nu werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper beslagen schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en kanonnen en vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat men eindelijk Djakarta bereikte.„De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem ook betaalde, altijd was ’t hem goed.„En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop een vesting; de Javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en velen traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng vergat zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde ze diep in zijn hart. En eens gebeurde het dat hij twist kreeg met den Pangeran en deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari, waar hij zich verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet).„De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra begon een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran de Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter zijn verschansingen voortdreven. Alle[120]hoop voor de vreemdelingen scheen verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn zoon ter zijde; met drie goed uitgeruste schepen verschijnt hij op de reede van Batavia en overziet den toestand.„Mijn zoon,” zegt hij, „hier baten geen kogels, maar waar sterkte faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran van Djakarta uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting Goenong Sari, maar ik zal hem kogels zenden, die zij niet zullen weerstaan.”„En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en zilveren rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten. Nauwelijks hadden de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de bamboestengels vielen, of zij vergaten geheel en al te strijden, rukten de halmen uit den grond om het geld op te rapen. Het duurde niet lang of de geheele bamboeshaag was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels geladen en weldra werd de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar het gebergte, de Compagnie daarentegen …”Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en allen wendden het hoofd om; het zand kraakte licht onder de stappen van twee mannen, die behoedzaam het huis naderden en weldra ook in de galerij verschenen.Hij ging hen te gemoet; bij het flikkerend lampje, dat tegen een der stijlen geplaatst was, herkende hij den Rijksbestuurder en den Kroonprins.„Ik moet u spreken,” zeide AmirangKoesoemohaastig, „het is een zaak van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den avond.”„Laat ons naar binnen gaan,” sprak Soerapati en boog zich diep voor den pleegvader zijner vrouw en voor den prins.[121]Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was.„Vader,” zeide zij, „er dreigt mijn man een gevaar! Ik heb het dezen avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven, die waarschuwend klaagden; mijn hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen tot aan mijn oogen. Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deelen en hoe zal ik het kunnen deelen, als ik het niet ken?”„Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen uw gemaal maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet scherp en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe Soerapati, onze beraadslagingen bij te wonen.”„Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van de vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders mij opeischen?”„Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt het ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te betalen en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich verbond geen vreemdelingen in zijne landen toe te laten.”„Is dit alles?”„Ge begrijpt wat deze laatste bepaling meent, uw uitlevering.”„Wat zal de keizer antwoorden?”„De keizer wil vier mantri’s naar Samarang zenden om den gezant te begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven[122]over de komst van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde dat de Compagnie hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand van het rijk te spreken.”„Als de gezant hier komt kan ik niet blijven,” zeide Soerapati beslist, „wat wil de keizer dat ik doe?”„Datgene, waartoe gij moed hebt,” antwoordde de Kroonprins.„Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?”„Onderwerping,” riep Radhen Goesik onstuimig, „wat bedoelt gij daar mee?Wilt gij weer slaaf worden?”„Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid mij op voorwaarden over te geven.”„Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze zoo goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien gij in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal ik dan met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat hij een lafaard was, met u zal ik ellende en armoede deelen, maar geen slavernij!”„Ge spreekt zooals het mijn dochter past,Koesoema,” hernam de Rijksbestuurder goedkeurend, „het hangt van uw gemaal af, wat hij wil doen. Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den Kroonprins blindelings gehoorzamen en zoo niet dan moet hijonmiddellijk vluchten, een middenweg staat niet open. De Hollanders zullen hem een vreeselijk lot toedenken als hij in hun handen valt. Kies dus Soerapati, wat wilt ge,vlucht of strijd?”„Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in.”„Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan dat gij hem tot lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post.”„En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen[123]vrede wil sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?”„Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen maar ongelijk zijn de wapens, als men zich bedient van veinzerij.”„’t Is het wapen van den hoveling maar niet van den soldaat.”„Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!”„Vertrouw mijn vader, Soerapati!” riepKoesoemauit.„Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt,” verklaarde de Kroonprins.„Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn keizer èn prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat alles voor uw bestwil is en voor het heil van het keizerrijk.”„Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd eerlijke lansen; men weet niet hoe ’t treffen kan, daar het doel steeds verborgen blijft.”„Zeg ons dan oprecht vader wat ge wilt,” drongKoesoemaaan.„Wat ik wil,” en onder des Rijksbestuurders dikke wenkbrauwen schoten zijn kleine oogen vonken vuur, „wat ik wil, den Hollander verdrijven uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet naTroeno-Djojo’sheilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich toegeëigend heeft, dank onze onderlinge twisten, hem toonen dat wij zijn hulp kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens hem. Verstaat ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken zal ik mij van alle wapens bedienen van geweld zoo goed als van veinzerij!En als Soerapati mij bijstaat dán zal ik slagen, dan zullen wij weer eenige meesters zijn in ons land.”„Ik begrijp niet hoe gij tot dit doel zult geraken.”„Laat het mij over!” sprak de Rijksbestuurder geheimzinnig, „ik weet dat gij en uw Balineezen onverschrokken en dapper zijt; laat mij rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg![124]„Gij zijt gewaarschuwd! Verzamel al uwe Balineezen en blijf de Zuiderpoort van den kraton bewaken.”Weinige oogenblikken later waren de Prins en de Rijksbestuurder vertrokken en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw.
Ten Zuiden van den kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven door een vruchtbare streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen van tamarindeboom en met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen; de huizen zelf zijn omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige openingen de poorten vormen, die toegang geven tot het dorp zelf.
Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten[110]van palmen wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer; andere vruchten gloeien tusschen het donkere groen. De ramboetan en djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier ondoordringbaar loof.
De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de huizen, die eenvoudig van bamboe gevlochten zijn, en in de kleine tuinen welke door loentashagen van die der buren afgescheiden zijn; de bewoners zitten in kleine groepjes onder hunne afdaken, de kinderen spelen op den zandigen grond. Hun gejoel is schier het eenige dat de stilte verbreekt; als ze straks naar binnen kruipen om zich op de baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der familie, uit te strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke kirren der perkoetoets, de lievelingsvogels van den Javaan, die hij in kooitjes ophangt aan zijn afdak of wel omhoog hijscht aan een bamboestaak.
Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard eenvoudig aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter de huizen in den modder zijn de buffels gestald, waar ze uitrusten van hun zwaar dagwerk. Alles rust nu uit, de stemmen der pratenden klinken zacht en eentonig, om niet te zeggen toonloos; ’t is het zoete nietsdoen, waarvan de bewoner van het Noorden zoo weinig het zoete begrijpt en dat den Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den dag te tarten.
Midden in het dorp stond een aanzienlijke woning, versierd met geschilderde en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder bloemdragende boomen; de tandjoeng strooide haar witte[111]stervormige bloemen over den grond, de vuurroode bloemen der soka schitterden in het donkere groen, de oleander prijkte met zijn witte en roode rozen; de zoete geur der groen en geelachtige kenangan mengt zich met de meer scherpe van de gouden tjampaka’s en wordt nog overtroffen door de op oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte melatis en de soedepmalem; de tuin die deze woning omringt is geheel en al een bloemenhof, over dag komen de witte, roode, gele, blauwe, paarsche bloemen helder uit tegen het sappige groen der heesters; dan bloeit en wasemt alles onder de schaduw der hooge boomen, nu zijn het alleen de bedwelmende geuren die de weelde der oostersche bloemenpracht verraden.
Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn Balineezen tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden waren hun ter bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht strekken, zoo dikwijls als zijn keizerlijke wil het verlangde.
Het was Radhen Goesik’s pleegvader, die alles zoo geregeld had; het was nietmoeilijkzijn geheim doel te raden; Radhen Adipati haatte de Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn Keizer te verlossen van de zware schuld der dankbaarheid, die sedertTroeno-Djojo’sval op hem drukte, en de lijfwacht, welke de Hollanders aan de Noordelijke punten van Karta-Soera gelaten hadden, overbodig te maken.
De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den Keizer te beschermen, en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan. Hamangkoe-Rat keurde alles goed wat zijn Rijksbestuurder deed, hij vertrouwde hem in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij meende het te kunnen vinden.
Toen kort na het huwelijk der Mataramsche prinses met den[112]Balineeschen avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat, aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk aansloeg:
„Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvangen wien hij verkoos en dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar hij hun reeds te sterke beloften had gedaan.”
Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot daar alle pogingen in het werk te stellen om het Hollandsche gezag door den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen.
Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in Karta-Soera van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer in zijn traagheid en onverschilligheid in, maar de Rijksbestuurder waakte. Soerapati ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den wapenhandel te oefenen; overigens leefden de Balineezen met hun gezinnen rustig in hun kampong, bebouwden hun landen in afwachting dat men hun hulp zoude noodig hebben.
Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan de rebab of Javaansche viool haar weemoedige klanken; Kiai Hemboong hurkte bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar in diep gepeins verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens bedekten divan zat Radhen GoesikKoesoema; haar welriekende lokken hingen los en als een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders. Soerapati lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën, met gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van den rebab, hij was moede teruggekomen van een tocht met zijn Balineezen[113]in het gebergte gedaan om eenige opstandelingen te vervolgen.
De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed; de avond noodigde ook slechts tot een kalm genieten uit, de bloemen vervulden de lucht met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren de geuren, die uitKoesoema’slokken en kleeren opstegen. Een teeder koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken der Javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen versierde handen op het hoofd van haar gemaal als wilden zij alle onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen tot rust brengen.
Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding grenzende liefde; een liefde, die echter niet gerust kon zijn, want overtuigd was zij nog niet of zij de Hollandsche vrouw voor goed overwonnen had. Soerapati sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich met hart en ziel verknocht te hebben aan den Soesoehoenan maar toch, soms verried een woord, een blik hoe in ’t diepst van zijn hart nog vezelen waren, die zich vast en schier onafscheidelijk aan de blanken gehecht hadden in wier midden hij wellicht de gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn leven had doorgebracht.
Zij was nog steeds Soerapati’s eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook op was dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op aangedrongen dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou hij de wijdste kloof graven tusschen hem en de Christenen, want de Hollandsche vrouw was de eenige mededingster op wieKoesoemazich verwaardigde jaloersch te zijn.
Tegen anderen was zij volkomen bestand door haar schoonheid en scherpen geest; de herinnering aan die andere alleen maakte haar machteloos. Soerapati’s verbittering tegen de Hollanders was nooit diep geweest, dat voelde zij genoeg; Kuffelers mishandeling[114]en Kiai Hemboong’s onbeschaamde leugen hadden hem overrompeld; zij begreep dat er oogenblikken waren, zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende blijken van vertrouwen gaf wanneer zelfsKoesoemahem liefkoosde, dat het hem berouwde met hen gebroken te hebben.
Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij op haar knieën scheen in te sluimeren, of was zij het alleen die zijn ziel vervulde?
Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan onbeweeglijk als opgerold in een kluwen zat.
„Laat die rebab ophouden, dwerg!” sprak zij, „het maakt mijn hart ziek, met zijn droevige tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins verzonken te blijven, laten wij ons vermaken opdat onze droefgeestigheid verdwijne!”
„Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?” vroeg de dwerg.
„Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,” zei Soerapati bezorgd, „laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft evenveel behoefte aan rust als het mijne.”
„Zal ik u dan eens iets vertellen?” hernam de dwerg, „ik weet ook mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken het zieke hart gezond!”
„Ja vertel op! niet waarKoesoema, gij wilt immers ook wel luisteren naar Boeloe Kidoer’s sprookjes!”
„Het zijn geen sproken, edele Heer! Het is ’t verhaal van alles wat werkelijk en waarlijk gebeurd is in het land der Javanen, sinds de blanke Hollander er voor ’t eerst verscheen!”
„Ja vertel maar toe, Boeloe!” zuchtte de prinses, „hoe de vreemdelingen het geluk verwoest hebben in ons land; want sedert zij er kwamen is het gedaan met den vrede en de macht der dienaars van den Grooten Profeet!”[115]
„De goden volgen elkander in Java op,” sprak Kiai Hemboong ernstig. „Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met hun tjandis, en ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn vrouw, de onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders vanBoeddha, den goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu zijn het de volgelingen van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard bedreigen!”
„Maar dezen hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,” zeide grijnslachend de dwerg, „zij zullen ons Shiwa of Mahomed gaarne laten, wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen en onze lijnwaden brengen.”
„Zij vinden ons te laag en te min voor hun God,” sprak Soerapati bitter, „de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden; Hij bekommert zich niet om het vervloekte geslacht.”
„Wij hebben hem ook niet noodig!” zeideKoesoemafier, „wij aanbidden Allah en versmaden hun eeredienst zonder priesters, zonder offers.”
„Dan deden de Portugeezen anders,” hernam Kiai Hemboong, „hun eerste werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het van zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is de rijksdaalder!”
„Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest is. Wilt ge mij hooren?”
Allen die onder het afdak waren, kwamen nabij; Boeloe Kidoer zette zich op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw op pisangbladeren allerhande ververschingen uit gebak en vruchten bestaande, ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal.
„Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, den beroemden[116]stichter van Batavia, den overwinnaar der Djakartanen. Dit is de ware geschiedenis, die ik u ga mededeelen, zooals zij door de vaders verhaald is aan de kinderen en door dezen weder aan hun kinderen. Er was in de zee een eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf, Tanoeraga was haar naam en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran, wier rijk verwoest werd door de belijders van den Islam.
„De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en gebeden, zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet; het eene jaar verving het andere, maar haar toestand veranderde niet.”
RadhenKoesoemavoelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan; een zucht ontsnapte zijn lippen die weerklank vond in haar ziel; zij begreep dat Soerapati dacht aan een andere gevangene ook op een eiland in Batavia’s haven. De dwerg ging voort.
„Op zekeren dag gebeurde het dat de dappere Baron Soekmoel de zoon van den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had, met zijn dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien schepen bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van Djakarta alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den vreemdeling in hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich want rechts en links werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij zeer voordeelig gekocht te hebben, en de groote Soekmoel bezocht den Pangeran van Djakarta, en deze verwelkomde hem met[117]groote vreugde; hij richtte feestmalen aan en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den buffel vechten en allen juichten omdat men zooveel en zoo goede winst had gemaakt; het eiland Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend realen.
„En toen hij er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en bemerkte dat zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht en haar ooren waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle maan, zij was welriekend als de sokabloem.
„En Baron Soekmoel dacht bij zichzelf: Mijn oogen kunnen zich niet verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: „Zeg mij schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?”
„En de prinses antwoordde:
„Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten van Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van den Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar breng ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door.”
„Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran:
„Waarom houdt ge prinses Tanoeraga gevangen?”
„Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en ik bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk.”
„Ik heb de prinses gezien,” zei Baron Soekmoel, „en mijn hart is bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan zal ik niet van hier gaan. Wilt ge mij haar schenken dan zal ik u drie stukken sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan word ik uw vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden weigert.”
„De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri’s en[118]dezen rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen en ik heb twee van de drie kanonnen gezien en dat is een bewijs voor de waarheid mijner woorden; een wordt bij den sultan van Bantam bewaard en een door den vorst van Tjeribon, terwijl het derde hier de aloen-aloen van den machtigen keizer van Mataram versiert.
„Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het eiland en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het feest en van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest geven want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met kostbare koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron Soekmoel met zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner schepen en vertrok weer naar zijn land.
„En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van den langsep maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik, met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij opgroeide werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen waren sterk als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de zon; hij was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders hadden hem Moer Djang Koeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle landen aan gene zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden.
„Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat hij een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom vroeg hij eens: „Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als het vleesch van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger dan allen die ik ooit zag?”[119]
„En de moeder antwoordde:
„Omdat mijn land niet dat uws vaders is;” en zij verhaalde hem hoe de Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak:
„Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen.” En tot zijn vader zeide hij:
„Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen.” En nu werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper beslagen schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en kanonnen en vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat men eindelijk Djakarta bereikte.
„De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem ook betaalde, altijd was ’t hem goed.
„En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop een vesting; de Javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en velen traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng vergat zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde ze diep in zijn hart. En eens gebeurde het dat hij twist kreeg met den Pangeran en deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari, waar hij zich verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet).
„De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra begon een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran de Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter zijn verschansingen voortdreven. Alle[120]hoop voor de vreemdelingen scheen verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn zoon ter zijde; met drie goed uitgeruste schepen verschijnt hij op de reede van Batavia en overziet den toestand.
„Mijn zoon,” zegt hij, „hier baten geen kogels, maar waar sterkte faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran van Djakarta uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting Goenong Sari, maar ik zal hem kogels zenden, die zij niet zullen weerstaan.”
„En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en zilveren rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten. Nauwelijks hadden de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de bamboestengels vielen, of zij vergaten geheel en al te strijden, rukten de halmen uit den grond om het geld op te rapen. Het duurde niet lang of de geheele bamboeshaag was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels geladen en weldra werd de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar het gebergte, de Compagnie daarentegen …”
Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en allen wendden het hoofd om; het zand kraakte licht onder de stappen van twee mannen, die behoedzaam het huis naderden en weldra ook in de galerij verschenen.
Hij ging hen te gemoet; bij het flikkerend lampje, dat tegen een der stijlen geplaatst was, herkende hij den Rijksbestuurder en den Kroonprins.
„Ik moet u spreken,” zeide AmirangKoesoemohaastig, „het is een zaak van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den avond.”
„Laat ons naar binnen gaan,” sprak Soerapati en boog zich diep voor den pleegvader zijner vrouw en voor den prins.[121]
Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was.
„Vader,” zeide zij, „er dreigt mijn man een gevaar! Ik heb het dezen avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven, die waarschuwend klaagden; mijn hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen tot aan mijn oogen. Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deelen en hoe zal ik het kunnen deelen, als ik het niet ken?”
„Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen uw gemaal maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet scherp en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe Soerapati, onze beraadslagingen bij te wonen.”
„Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van de vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders mij opeischen?”
„Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt het ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te betalen en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich verbond geen vreemdelingen in zijne landen toe te laten.”
„Is dit alles?”
„Ge begrijpt wat deze laatste bepaling meent, uw uitlevering.”
„Wat zal de keizer antwoorden?”
„De keizer wil vier mantri’s naar Samarang zenden om den gezant te begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven[122]over de komst van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde dat de Compagnie hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand van het rijk te spreken.”
„Als de gezant hier komt kan ik niet blijven,” zeide Soerapati beslist, „wat wil de keizer dat ik doe?”
„Datgene, waartoe gij moed hebt,” antwoordde de Kroonprins.
„Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?”
„Onderwerping,” riep Radhen Goesik onstuimig, „wat bedoelt gij daar mee?Wilt gij weer slaaf worden?”
„Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid mij op voorwaarden over te geven.”
„Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze zoo goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien gij in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal ik dan met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat hij een lafaard was, met u zal ik ellende en armoede deelen, maar geen slavernij!”
„Ge spreekt zooals het mijn dochter past,Koesoema,” hernam de Rijksbestuurder goedkeurend, „het hangt van uw gemaal af, wat hij wil doen. Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den Kroonprins blindelings gehoorzamen en zoo niet dan moet hijonmiddellijk vluchten, een middenweg staat niet open. De Hollanders zullen hem een vreeselijk lot toedenken als hij in hun handen valt. Kies dus Soerapati, wat wilt ge,vlucht of strijd?”
„Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in.”
„Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan dat gij hem tot lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post.”
„En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen[123]vrede wil sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?”
„Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen maar ongelijk zijn de wapens, als men zich bedient van veinzerij.”
„’t Is het wapen van den hoveling maar niet van den soldaat.”
„Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!”
„Vertrouw mijn vader, Soerapati!” riepKoesoemauit.
„Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt,” verklaarde de Kroonprins.
„Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn keizer èn prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat alles voor uw bestwil is en voor het heil van het keizerrijk.”
„Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd eerlijke lansen; men weet niet hoe ’t treffen kan, daar het doel steeds verborgen blijft.”
„Zeg ons dan oprecht vader wat ge wilt,” drongKoesoemaaan.
„Wat ik wil,” en onder des Rijksbestuurders dikke wenkbrauwen schoten zijn kleine oogen vonken vuur, „wat ik wil, den Hollander verdrijven uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet naTroeno-Djojo’sheilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich toegeëigend heeft, dank onze onderlinge twisten, hem toonen dat wij zijn hulp kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens hem. Verstaat ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken zal ik mij van alle wapens bedienen van geweld zoo goed als van veinzerij!En als Soerapati mij bijstaat dán zal ik slagen, dan zullen wij weer eenige meesters zijn in ons land.”
„Ik begrijp niet hoe gij tot dit doel zult geraken.”
„Laat het mij over!” sprak de Rijksbestuurder geheimzinnig, „ik weet dat gij en uw Balineezen onverschrokken en dapper zijt; laat mij rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg![124]
„Gij zijt gewaarschuwd! Verzamel al uwe Balineezen en blijf de Zuiderpoort van den kraton bewaken.”
Weinige oogenblikken later waren de Prins en de Rijksbestuurder vertrokken en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw.