VII.

[Inhoud]VII.MARKUS EN DIGNA.Eenige dagen later had de Heer Voorneman zijn kamer voor het eerst weer verlaten en zat nu onder de zonnetent, terzijde van zijn woning met vrouw en kind.Digna had een guitaar op haar schoot en zong met haar jonge frissche stem een liedje van Bredero:’t Zonnetje steekt zijn hoofdjen opEn beslaat der bergen topMet zijn lichtjes.Wat gezichtjes,Wat verschietjes, ver en flauw,’t Dommelt er tusschen ’t groen en blauw.Albert zat aan haar voeten en luisterde toe met schitterende oogjes en neuriede nu en dan met haar mee. Zij hielp hem weer in de maat als hij ze soms verloor en keek glimlachend haar man aan, die op zijn gemakkelijken stoel uitgestrekt den blik niet van haar kon afwenden.Op een klein tafeltje tusschen hen stonden frissche dranken en gebakjes, benevens de artsenij voor den zieke.„Vader, wilt ge niet eens proeven,” vroeg Albert met een begeerigen[68]blik naar de smakelijke schotels. „Moeder heeft zelf dat gebak van middag gemaakt.”„Is ’t waar, Digna?” vroeg haar man. „Zijt ge niet wat gaan rusten, kunnen de slavinnen het dan niet doen?”„’t Is een gebak, dat mijn moeder in Holland maakte; het was onze grootste lekkernij; hoe zouden de slavinnen het kunnen bereiden? Ik doe het zoo gaarne en aan dat rusten ’s middags kan ik mij niet gewennen. Me dunkt dat het genoeg is, wanneer ik den geheelen nacht slaap. Hier hebt ge nog een koekje, Albert! Voorzichtig, met die omhelzing, ge drukt me dood, mannetje, uit louter dankbaarheid. Zal ik nog meer zingen, Markus, of hebt ge liever dat ik u wat voorlees?”„Neen, zing voort, lieve! ’t Doet me zoo goed uw stem te hooren en uw spel!”Digna begon het tweede couplet.„Daar is bezoek, foei, hoe vervelend!” riep Albert uit.Het was de fiscaal, een van Voorneman’s ondergeschikten, die hem tijdens zijn ongesteldheid kwam bezoeken.„Zal ik heengaan?” vroeg Digna.„Stellig niet! Al kan ik u niet meer hooren, ik kan u zien en dat is reeds veel.”Zulke woorden deden Digna pijn; zij verrieden maar al te wel hoe vurig haar echtgenoot haar liefhad en hoezeer de gevoelens verschilden, die hij voor haar koesterde met de kalme, hoewel warme vriendschap, waarover zij alleen jegens hem te beschikken had; zij had het, nu er een paar dagen over verloopen waren, beter gevonden het geval met Robert maar geheel te verzwijgen. ’t Zou immers slechts dienen om hem noodeloos te ontroeren.De fiscaal zette zich bij het gezelschap neer en Digna fluisterde haar zoontje toe voor haar eenige melati’s te plukken. Zij nam[69]een handwerk ter hand, want nooit waren haar bezige banden ledig, en leende slechts een half oor aan de gesprekken der beide mannen, totdat zij plotseling het hoofd oprichtte en toeluisterde.„Ja,” zeide de fiscaal, „het is een wonderlijk geval. Het moet hier vlak bij uw woning gebeurd zijn. Daar kwam de oppasser van den Heer Donker met zeer veel drukte aan, een Europeesch soldaat met zich voerend, want Europeaan is hij zeker, ondanks zijn donkere gelaatskleur, daar hij het Maleisch zeer onvolkomen spreekt en verstaat. Er moet reeds sinds langen tijd bij hem op het erf gestolen zijn, nu eens kippen dan weer fruit, of waschgoed dat te drogen hing. Op den bewusten avond hadden zij eerst de tuindeur opengelaten en duidelijk zag toen een der bedienden dat de soldaat over het erf naar de rivier, die er zich dicht bij bevindt, sloop; hij bleef in de vrij diepe bedding, men hield de wacht en omstreeks een uur later zag men hem terugkomen. De oppasser en zijn medeslaven grepen hem aan; hij verweerde zich als een wanhopige en zwaar geboeid moest men hem naar het cachot voeren. Den volgenden morgen kwam de heer Donker verzoeken dat hij dadelijk ondervraagd zou worden, maar hij weigert elk antwoord te geven, alleen zweert hij met de duurste eeden op zijn onschuld.”„Als hij onschuldig is, waarom sloop hij dan als een dief dat erf op?”„Juist dat heb ik hem telkens gevraagd. Ik wilde weten, waarheen hij dan ging en wat hij daar in de bedding der rivier gedaan heeft, maar hij verklaarde hierop geen antwoord te kunnen geven.”„Wanneer is het gebeurd?”„Woensdag avond.”„En hoe heet hij?”[70]„Walter! Andere namen beweert hij niet te hebben.”„Walter, zoo heette ook de knaap, immers, dien wij op den avond toen we met Zijn Edelheid spelevaarden, uit het water deden halen! Is de majoor van de zaak onderricht?”„Zijn getuigenis aangaande den knaap luidde niet gunstig. Hij is een wilde borst, twistziek, overgegeven aan spel en drank, door ronzelaars voor het leger der Compagnie aangenomen.”„Gij zegt, dat hij zeer geporteerd is voor het spel?”„Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water te vallen had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten na er tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar te hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de worsteling viel de vriend, die reeds ver weg was in het water. Hij sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde hem een lichte straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter aan te nemen, dan dat hij zich om weer geld voor het spel te verkrijgen, door diefstal geneert?”„Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de dagen voor Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben.”„Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde opgeven, waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij machte is zijn lippen te openen dan onze vragen.”„Scheelt u iets, lieve?” vroeg Voorneman zijn vrouw, want hij zag hoe haar wangen en lippen doodsbleek werden, „deze gesprekken zijn niet voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl wij onze zaken verder bespreken.”[71]„’t Is niets, Markus, ’t Doet mij enkel zoo leed als ik hoor hoe men arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten. Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen is?”„Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw, maar deze vragen behoeft gij niet te beantwoorden; zij liggen buiten uw bereik.”De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij anders tot zijne vrouw placht te richten.De fiscaal stond intusschen op.„Ik heb hier niets verder bij te voegen en wenschUEdeleeen spoedige beterschap.”„O wat dat betreft, ik ben reeds genezen, en hoop morgen weer ten Raadhuize te verschijnen.”„Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan ik haar verliet.”Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover elkaar.„Markus,” zeide Digna op den rug van zijn stoel geleund. „Ik heb een ernstig woord met u te spreken.”„Ik hoor u aan!” antwoordde hij, sloot zijn oogen en klemde de lippen vast op elkander.„Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste legt: hij kwam niet om te stelen.”„Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een verliederlijkten, gemeenen soldaat?”„Ik bid u, Markus, blijf kalm!” smeekte Digna, en plaatste zich nu vlak tegenover hem, „ik had u reeds eer alles gezegd wat ik u mee te deelen had, maar uw toestand deed het mij uitstellen; die man is hier geweest, in gindsche galerij, waar hij mij gesproken heeft!”[72]Heer Voorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos overliet en vroeg met heesche stem:„Zeg me nu alles, was dat hij?”„Ja, de man met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond had ik hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig u met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling voor mij, een half uur vóórdat gij ziek t’huis kwaamt.”„En gij hebt hem aangehoord? O schande!”„Dat heb ik en schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf ik niet vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij dat ik ’t zou doen, indien mij een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?”Hij zag haar aan, de reinheid die uit haar oogen straalde, hield het booze woord terug dat hem dreigde te ontsnappen.„Maar wat hebt ge met hem gesproken?”„Ik heb hem herhaald, dat het verledene dood was en dat het eenige, wat ik hem nog schenken mocht mijn achting was, die hij door het leven, thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting te herwinnen door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den oorlog die aanstaande is. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam in niets te kort aan den eerbied, dien hij uwe echtgenoote verschuldigd is, daarvoor sta ik u borg met mijn eerewoord!”Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten.„Hebt ge hem nog lief, Digna?” vroeg hij met doffe stem.„Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets geven, wat mij niet meer toebehoort?”„Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam,[73]te rein dan dat gij zoudt mogen blozen bij iets wat er in deze samenkomst voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer Digna, ik heb er ook recht op. Wat voelt ge voor hem?”„Diep, diep medelijden.”„En anders niets, zweert ge mij dat?”„Martel mij niet, Markus!” riep Digna uit, plotseling opstaande en haar hand uit de zijne losrukkend, „waaraan heb ik zulk een wantrouwen verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn gevoelens, als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag hem niet meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen.”„Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen! Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch vóór, noch na dien tijd van u ontving; dat was geen plicht. En nu wordt gij weer in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en spreekt opnieuw van plicht.”„Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?”„Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks toen er sprake van was dien man te geeselen?”„Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens hem zijn, zult ge hem doen vrijspreken?”„En zoo ik het niet doe?”„Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld.”„Zoudt gij dat doen, gij, mijn vrouw?”„Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!”„En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt[74]doen? Weet ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?”„Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?”„Een losbol, een soldaat!”„Aan u is het mij dien stap te besparen, door naar recht en waarheid te beslissen.”„Verwacht gij dat van mij?”„Ja, dat en niets anders.”„Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken, geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?”„Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb het steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf.”„Ik geloof u Digna,” antwoordde hij mat, „ik geloof en vertrouw u. Geef mij uw hand! Hoeveel ’t mij ook kost, ik zal mijn plicht doen, zooals gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens een tijd komen, dat op het woord plicht tusschen ons geen beroep meer behoeft gedaan te worden.”Den volgenden morgen reed de Heer Voorneman naar het Raadhuis en toen hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets, begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort.„Hij is in vrijheid gesteld,” zeide de Raad van Justitie en bespiedde nauwlettend elke trek van haar gelaat, elke verandering van haar kleur, maar Digna ontroerde niet.„Zoo,” was haar kalme opmerking, „ik reken er op.”„En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?”„Moet ik ’t hebben voor Markus mijn man, of voor den Edelen Heer Raad van Justitie?” vroeg Digna glimlachend. „De eene mag toch op de uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen.”[75]„Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeide hij in mij een mededinger. Helaas!… Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te antwoorden. Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: „Ge zijt op Voornelust geweest?” zag hij mij bedremmeld aan. „Wie heeft u dat gezegd?” „Degene, die met u gesproken heeft!” Toen boog hij ’t hoofd en sprak:„Ik mocht het niet openbaren maar nu zij zelf de goedheid heeft gehad het te zeggen, heb ik geen reden meer het te ontkennen.Het toeval wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees, op heeterdaad betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets aan de zegepraal der onschuld. Ik hoop echter dat de toekomstige bezoeken door dien gezel op Voornelust gebracht, minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van mejuffrouw Tak en den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman.”Digna voelde zich diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden; een blik echter op zijn verwrongen en bleek gelaat stemde haar weer tot medelijden.„Wees gerust Markus,” sprak zij. „Robert zal geen voet meer plaatsen op uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht dat toch zijn, en hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer wisselen. Wat ik hem te zeggen had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en ik: Onze wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!”Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over het geheimzinnige feit.„Weet ge wie de dief was op het erf van den Heer Donker?” vroeg mevrouw Dammers aan wie ’t maar hooren wilde, „’t is een[76]vreemde geschiedenis. De Heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd en dadelijk zijne invrijheidstelling bevolen.”„Maar de ware dief is toch gegrepen.”„Dwaasheid! De Heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden. Wie zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat is zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij dan geweest kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis; ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den beschuldigde in het geheim en zie, plotseling was de dief gevat en de onschuld van den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband tusschen die feiten, maar ik zeg altijd: Vertrouw die vrome zusjes met hun uitgestreken gezichtjes en gladde tong voor den drommel niet!”En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij, wuifde mevrouw Dammers met onstuimige kracht haar waaier op- en neder en zag triomfantelijk rond.„Maar hoe is ’t mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!”„Gelukkig, dat hij soldaat en een krijgstocht op handen is. Let op mijn woorden! Hij zal daarmede vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet, haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar ooren valt iets te zeggen.”De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam letterlijk uit; den 4denJuli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië Herman de Wilde van Batavia.Hij was als veldoverste benoemd over het leger dat uitgezonden werd in de eerste plaats om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan Mas uit zijn rijk te verdrijven en in zijn plaats[77]desnoods met geweld den Soesoehoenan Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en broeder te Karta-Soera te bevestigen; in zijn lastbrief was hem opgedragen den Adipati Anoem—zoo werd de niet erkende keizer nog genoemd—te doen verdagen tot onderwerping binnen een termijn van veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte hem onmiddellijk aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester te maken.Zoodra Pakoe Boewana den troon hem toebedeeld door den steun der Hollandsche wapens, zou hebben beklommen, moest het de Wilde’s eerste werk zijn het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten. Was dit alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie een geduchte versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon men er aan denken den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst Soerapati te bestrijden. De Raad van Indië achtte het nog niet noodig, hier aangaande iets stelligs te beslissen, maar de Wilde’s plan stond vast; wat hij nu ging ondernemen was slechts een voorbereiding om het doel zijns levens te volbrengen en op Soerapati zijn verloren levensgeluk te wreken.De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend besloten, de hulp hem in het geheim door Soerapati aangeboden te weigeren, en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun land te doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati blijken van hetgeen tusschen de Hooge Regeering en hen besproken was.De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand behoefde meer iets van hen te hooren; wilde Soerapati de onderhandelingen opnieuw aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven dat de vorige gezanten op den langen en gevaarvollen weg omgekomen waren; aandringen dat de verkleede Chineezen[78]hem uitgeleverd werden, zou hem moeilijk vallen, daar er geen bewijs voorhanden was van hun zending.Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was de Wilde, die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong er zelfs op aan dat men zich op nog meer afdoende wijze van het drietal zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu er gingen zoovele schepen onder zeil naar Ceylon, of naar de ver afgelegene Molukken; wie zou het vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd?De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet de Wilde aan het hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier schepen, 1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige artillerie.Op den morgen na ’t vertrek der troepen kwam de Heer Voorneman naar zijn vrouw en zeide haar:„De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken.”„Ik weet het,” antwoordde zij rustig. „Moge God hun wapenen zegenen en het recht laten zegevieren.”„Hoopt ge dat hij terugkomt?”„Mag men iemand dood wenschen, Markus? En toch ik geloof dat een eervolle dood op het slagveld het beste is wat ik voor menigeen hopen kan.”„Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?”Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed dat de kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus’ zwakke gezondheidstoestand en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe langer hoe lastiger voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en blikken; haar zachtzinnigheid wond hem nog[79]meer op, haar geduld tergde hem; nooit was haar iets te veel of te moeilijk, hij erkende het, en toch was hij niet tevreden over haar. Met kracht en moed trachtte zij haar nieuwe taak op zich te nemen en daarin de beste afleiding te vinden voor haar eigen gedachten.[80]

[Inhoud]VII.MARKUS EN DIGNA.Eenige dagen later had de Heer Voorneman zijn kamer voor het eerst weer verlaten en zat nu onder de zonnetent, terzijde van zijn woning met vrouw en kind.Digna had een guitaar op haar schoot en zong met haar jonge frissche stem een liedje van Bredero:’t Zonnetje steekt zijn hoofdjen opEn beslaat der bergen topMet zijn lichtjes.Wat gezichtjes,Wat verschietjes, ver en flauw,’t Dommelt er tusschen ’t groen en blauw.Albert zat aan haar voeten en luisterde toe met schitterende oogjes en neuriede nu en dan met haar mee. Zij hielp hem weer in de maat als hij ze soms verloor en keek glimlachend haar man aan, die op zijn gemakkelijken stoel uitgestrekt den blik niet van haar kon afwenden.Op een klein tafeltje tusschen hen stonden frissche dranken en gebakjes, benevens de artsenij voor den zieke.„Vader, wilt ge niet eens proeven,” vroeg Albert met een begeerigen[68]blik naar de smakelijke schotels. „Moeder heeft zelf dat gebak van middag gemaakt.”„Is ’t waar, Digna?” vroeg haar man. „Zijt ge niet wat gaan rusten, kunnen de slavinnen het dan niet doen?”„’t Is een gebak, dat mijn moeder in Holland maakte; het was onze grootste lekkernij; hoe zouden de slavinnen het kunnen bereiden? Ik doe het zoo gaarne en aan dat rusten ’s middags kan ik mij niet gewennen. Me dunkt dat het genoeg is, wanneer ik den geheelen nacht slaap. Hier hebt ge nog een koekje, Albert! Voorzichtig, met die omhelzing, ge drukt me dood, mannetje, uit louter dankbaarheid. Zal ik nog meer zingen, Markus, of hebt ge liever dat ik u wat voorlees?”„Neen, zing voort, lieve! ’t Doet me zoo goed uw stem te hooren en uw spel!”Digna begon het tweede couplet.„Daar is bezoek, foei, hoe vervelend!” riep Albert uit.Het was de fiscaal, een van Voorneman’s ondergeschikten, die hem tijdens zijn ongesteldheid kwam bezoeken.„Zal ik heengaan?” vroeg Digna.„Stellig niet! Al kan ik u niet meer hooren, ik kan u zien en dat is reeds veel.”Zulke woorden deden Digna pijn; zij verrieden maar al te wel hoe vurig haar echtgenoot haar liefhad en hoezeer de gevoelens verschilden, die hij voor haar koesterde met de kalme, hoewel warme vriendschap, waarover zij alleen jegens hem te beschikken had; zij had het, nu er een paar dagen over verloopen waren, beter gevonden het geval met Robert maar geheel te verzwijgen. ’t Zou immers slechts dienen om hem noodeloos te ontroeren.De fiscaal zette zich bij het gezelschap neer en Digna fluisterde haar zoontje toe voor haar eenige melati’s te plukken. Zij nam[69]een handwerk ter hand, want nooit waren haar bezige banden ledig, en leende slechts een half oor aan de gesprekken der beide mannen, totdat zij plotseling het hoofd oprichtte en toeluisterde.„Ja,” zeide de fiscaal, „het is een wonderlijk geval. Het moet hier vlak bij uw woning gebeurd zijn. Daar kwam de oppasser van den Heer Donker met zeer veel drukte aan, een Europeesch soldaat met zich voerend, want Europeaan is hij zeker, ondanks zijn donkere gelaatskleur, daar hij het Maleisch zeer onvolkomen spreekt en verstaat. Er moet reeds sinds langen tijd bij hem op het erf gestolen zijn, nu eens kippen dan weer fruit, of waschgoed dat te drogen hing. Op den bewusten avond hadden zij eerst de tuindeur opengelaten en duidelijk zag toen een der bedienden dat de soldaat over het erf naar de rivier, die er zich dicht bij bevindt, sloop; hij bleef in de vrij diepe bedding, men hield de wacht en omstreeks een uur later zag men hem terugkomen. De oppasser en zijn medeslaven grepen hem aan; hij verweerde zich als een wanhopige en zwaar geboeid moest men hem naar het cachot voeren. Den volgenden morgen kwam de heer Donker verzoeken dat hij dadelijk ondervraagd zou worden, maar hij weigert elk antwoord te geven, alleen zweert hij met de duurste eeden op zijn onschuld.”„Als hij onschuldig is, waarom sloop hij dan als een dief dat erf op?”„Juist dat heb ik hem telkens gevraagd. Ik wilde weten, waarheen hij dan ging en wat hij daar in de bedding der rivier gedaan heeft, maar hij verklaarde hierop geen antwoord te kunnen geven.”„Wanneer is het gebeurd?”„Woensdag avond.”„En hoe heet hij?”[70]„Walter! Andere namen beweert hij niet te hebben.”„Walter, zoo heette ook de knaap, immers, dien wij op den avond toen we met Zijn Edelheid spelevaarden, uit het water deden halen! Is de majoor van de zaak onderricht?”„Zijn getuigenis aangaande den knaap luidde niet gunstig. Hij is een wilde borst, twistziek, overgegeven aan spel en drank, door ronzelaars voor het leger der Compagnie aangenomen.”„Gij zegt, dat hij zeer geporteerd is voor het spel?”„Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water te vallen had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten na er tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar te hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de worsteling viel de vriend, die reeds ver weg was in het water. Hij sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde hem een lichte straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter aan te nemen, dan dat hij zich om weer geld voor het spel te verkrijgen, door diefstal geneert?”„Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de dagen voor Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben.”„Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde opgeven, waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij machte is zijn lippen te openen dan onze vragen.”„Scheelt u iets, lieve?” vroeg Voorneman zijn vrouw, want hij zag hoe haar wangen en lippen doodsbleek werden, „deze gesprekken zijn niet voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl wij onze zaken verder bespreken.”[71]„’t Is niets, Markus, ’t Doet mij enkel zoo leed als ik hoor hoe men arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten. Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen is?”„Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw, maar deze vragen behoeft gij niet te beantwoorden; zij liggen buiten uw bereik.”De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij anders tot zijne vrouw placht te richten.De fiscaal stond intusschen op.„Ik heb hier niets verder bij te voegen en wenschUEdeleeen spoedige beterschap.”„O wat dat betreft, ik ben reeds genezen, en hoop morgen weer ten Raadhuize te verschijnen.”„Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan ik haar verliet.”Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover elkaar.„Markus,” zeide Digna op den rug van zijn stoel geleund. „Ik heb een ernstig woord met u te spreken.”„Ik hoor u aan!” antwoordde hij, sloot zijn oogen en klemde de lippen vast op elkander.„Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste legt: hij kwam niet om te stelen.”„Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een verliederlijkten, gemeenen soldaat?”„Ik bid u, Markus, blijf kalm!” smeekte Digna, en plaatste zich nu vlak tegenover hem, „ik had u reeds eer alles gezegd wat ik u mee te deelen had, maar uw toestand deed het mij uitstellen; die man is hier geweest, in gindsche galerij, waar hij mij gesproken heeft!”[72]Heer Voorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos overliet en vroeg met heesche stem:„Zeg me nu alles, was dat hij?”„Ja, de man met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond had ik hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig u met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling voor mij, een half uur vóórdat gij ziek t’huis kwaamt.”„En gij hebt hem aangehoord? O schande!”„Dat heb ik en schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf ik niet vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij dat ik ’t zou doen, indien mij een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?”Hij zag haar aan, de reinheid die uit haar oogen straalde, hield het booze woord terug dat hem dreigde te ontsnappen.„Maar wat hebt ge met hem gesproken?”„Ik heb hem herhaald, dat het verledene dood was en dat het eenige, wat ik hem nog schenken mocht mijn achting was, die hij door het leven, thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting te herwinnen door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den oorlog die aanstaande is. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam in niets te kort aan den eerbied, dien hij uwe echtgenoote verschuldigd is, daarvoor sta ik u borg met mijn eerewoord!”Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten.„Hebt ge hem nog lief, Digna?” vroeg hij met doffe stem.„Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets geven, wat mij niet meer toebehoort?”„Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam,[73]te rein dan dat gij zoudt mogen blozen bij iets wat er in deze samenkomst voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer Digna, ik heb er ook recht op. Wat voelt ge voor hem?”„Diep, diep medelijden.”„En anders niets, zweert ge mij dat?”„Martel mij niet, Markus!” riep Digna uit, plotseling opstaande en haar hand uit de zijne losrukkend, „waaraan heb ik zulk een wantrouwen verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn gevoelens, als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag hem niet meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen.”„Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen! Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch vóór, noch na dien tijd van u ontving; dat was geen plicht. En nu wordt gij weer in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en spreekt opnieuw van plicht.”„Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?”„Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks toen er sprake van was dien man te geeselen?”„Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens hem zijn, zult ge hem doen vrijspreken?”„En zoo ik het niet doe?”„Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld.”„Zoudt gij dat doen, gij, mijn vrouw?”„Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!”„En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt[74]doen? Weet ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?”„Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?”„Een losbol, een soldaat!”„Aan u is het mij dien stap te besparen, door naar recht en waarheid te beslissen.”„Verwacht gij dat van mij?”„Ja, dat en niets anders.”„Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken, geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?”„Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb het steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf.”„Ik geloof u Digna,” antwoordde hij mat, „ik geloof en vertrouw u. Geef mij uw hand! Hoeveel ’t mij ook kost, ik zal mijn plicht doen, zooals gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens een tijd komen, dat op het woord plicht tusschen ons geen beroep meer behoeft gedaan te worden.”Den volgenden morgen reed de Heer Voorneman naar het Raadhuis en toen hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets, begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort.„Hij is in vrijheid gesteld,” zeide de Raad van Justitie en bespiedde nauwlettend elke trek van haar gelaat, elke verandering van haar kleur, maar Digna ontroerde niet.„Zoo,” was haar kalme opmerking, „ik reken er op.”„En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?”„Moet ik ’t hebben voor Markus mijn man, of voor den Edelen Heer Raad van Justitie?” vroeg Digna glimlachend. „De eene mag toch op de uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen.”[75]„Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeide hij in mij een mededinger. Helaas!… Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te antwoorden. Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: „Ge zijt op Voornelust geweest?” zag hij mij bedremmeld aan. „Wie heeft u dat gezegd?” „Degene, die met u gesproken heeft!” Toen boog hij ’t hoofd en sprak:„Ik mocht het niet openbaren maar nu zij zelf de goedheid heeft gehad het te zeggen, heb ik geen reden meer het te ontkennen.Het toeval wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees, op heeterdaad betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets aan de zegepraal der onschuld. Ik hoop echter dat de toekomstige bezoeken door dien gezel op Voornelust gebracht, minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van mejuffrouw Tak en den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman.”Digna voelde zich diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden; een blik echter op zijn verwrongen en bleek gelaat stemde haar weer tot medelijden.„Wees gerust Markus,” sprak zij. „Robert zal geen voet meer plaatsen op uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht dat toch zijn, en hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer wisselen. Wat ik hem te zeggen had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en ik: Onze wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!”Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over het geheimzinnige feit.„Weet ge wie de dief was op het erf van den Heer Donker?” vroeg mevrouw Dammers aan wie ’t maar hooren wilde, „’t is een[76]vreemde geschiedenis. De Heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd en dadelijk zijne invrijheidstelling bevolen.”„Maar de ware dief is toch gegrepen.”„Dwaasheid! De Heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden. Wie zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat is zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij dan geweest kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis; ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den beschuldigde in het geheim en zie, plotseling was de dief gevat en de onschuld van den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband tusschen die feiten, maar ik zeg altijd: Vertrouw die vrome zusjes met hun uitgestreken gezichtjes en gladde tong voor den drommel niet!”En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij, wuifde mevrouw Dammers met onstuimige kracht haar waaier op- en neder en zag triomfantelijk rond.„Maar hoe is ’t mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!”„Gelukkig, dat hij soldaat en een krijgstocht op handen is. Let op mijn woorden! Hij zal daarmede vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet, haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar ooren valt iets te zeggen.”De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam letterlijk uit; den 4denJuli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië Herman de Wilde van Batavia.Hij was als veldoverste benoemd over het leger dat uitgezonden werd in de eerste plaats om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan Mas uit zijn rijk te verdrijven en in zijn plaats[77]desnoods met geweld den Soesoehoenan Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en broeder te Karta-Soera te bevestigen; in zijn lastbrief was hem opgedragen den Adipati Anoem—zoo werd de niet erkende keizer nog genoemd—te doen verdagen tot onderwerping binnen een termijn van veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte hem onmiddellijk aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester te maken.Zoodra Pakoe Boewana den troon hem toebedeeld door den steun der Hollandsche wapens, zou hebben beklommen, moest het de Wilde’s eerste werk zijn het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten. Was dit alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie een geduchte versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon men er aan denken den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst Soerapati te bestrijden. De Raad van Indië achtte het nog niet noodig, hier aangaande iets stelligs te beslissen, maar de Wilde’s plan stond vast; wat hij nu ging ondernemen was slechts een voorbereiding om het doel zijns levens te volbrengen en op Soerapati zijn verloren levensgeluk te wreken.De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend besloten, de hulp hem in het geheim door Soerapati aangeboden te weigeren, en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun land te doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati blijken van hetgeen tusschen de Hooge Regeering en hen besproken was.De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand behoefde meer iets van hen te hooren; wilde Soerapati de onderhandelingen opnieuw aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven dat de vorige gezanten op den langen en gevaarvollen weg omgekomen waren; aandringen dat de verkleede Chineezen[78]hem uitgeleverd werden, zou hem moeilijk vallen, daar er geen bewijs voorhanden was van hun zending.Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was de Wilde, die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong er zelfs op aan dat men zich op nog meer afdoende wijze van het drietal zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu er gingen zoovele schepen onder zeil naar Ceylon, of naar de ver afgelegene Molukken; wie zou het vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd?De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet de Wilde aan het hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier schepen, 1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige artillerie.Op den morgen na ’t vertrek der troepen kwam de Heer Voorneman naar zijn vrouw en zeide haar:„De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken.”„Ik weet het,” antwoordde zij rustig. „Moge God hun wapenen zegenen en het recht laten zegevieren.”„Hoopt ge dat hij terugkomt?”„Mag men iemand dood wenschen, Markus? En toch ik geloof dat een eervolle dood op het slagveld het beste is wat ik voor menigeen hopen kan.”„Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?”Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed dat de kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus’ zwakke gezondheidstoestand en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe langer hoe lastiger voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en blikken; haar zachtzinnigheid wond hem nog[79]meer op, haar geduld tergde hem; nooit was haar iets te veel of te moeilijk, hij erkende het, en toch was hij niet tevreden over haar. Met kracht en moed trachtte zij haar nieuwe taak op zich te nemen en daarin de beste afleiding te vinden voor haar eigen gedachten.[80]

[Inhoud]VII.MARKUS EN DIGNA.Eenige dagen later had de Heer Voorneman zijn kamer voor het eerst weer verlaten en zat nu onder de zonnetent, terzijde van zijn woning met vrouw en kind.Digna had een guitaar op haar schoot en zong met haar jonge frissche stem een liedje van Bredero:’t Zonnetje steekt zijn hoofdjen opEn beslaat der bergen topMet zijn lichtjes.Wat gezichtjes,Wat verschietjes, ver en flauw,’t Dommelt er tusschen ’t groen en blauw.Albert zat aan haar voeten en luisterde toe met schitterende oogjes en neuriede nu en dan met haar mee. Zij hielp hem weer in de maat als hij ze soms verloor en keek glimlachend haar man aan, die op zijn gemakkelijken stoel uitgestrekt den blik niet van haar kon afwenden.Op een klein tafeltje tusschen hen stonden frissche dranken en gebakjes, benevens de artsenij voor den zieke.„Vader, wilt ge niet eens proeven,” vroeg Albert met een begeerigen[68]blik naar de smakelijke schotels. „Moeder heeft zelf dat gebak van middag gemaakt.”„Is ’t waar, Digna?” vroeg haar man. „Zijt ge niet wat gaan rusten, kunnen de slavinnen het dan niet doen?”„’t Is een gebak, dat mijn moeder in Holland maakte; het was onze grootste lekkernij; hoe zouden de slavinnen het kunnen bereiden? Ik doe het zoo gaarne en aan dat rusten ’s middags kan ik mij niet gewennen. Me dunkt dat het genoeg is, wanneer ik den geheelen nacht slaap. Hier hebt ge nog een koekje, Albert! Voorzichtig, met die omhelzing, ge drukt me dood, mannetje, uit louter dankbaarheid. Zal ik nog meer zingen, Markus, of hebt ge liever dat ik u wat voorlees?”„Neen, zing voort, lieve! ’t Doet me zoo goed uw stem te hooren en uw spel!”Digna begon het tweede couplet.„Daar is bezoek, foei, hoe vervelend!” riep Albert uit.Het was de fiscaal, een van Voorneman’s ondergeschikten, die hem tijdens zijn ongesteldheid kwam bezoeken.„Zal ik heengaan?” vroeg Digna.„Stellig niet! Al kan ik u niet meer hooren, ik kan u zien en dat is reeds veel.”Zulke woorden deden Digna pijn; zij verrieden maar al te wel hoe vurig haar echtgenoot haar liefhad en hoezeer de gevoelens verschilden, die hij voor haar koesterde met de kalme, hoewel warme vriendschap, waarover zij alleen jegens hem te beschikken had; zij had het, nu er een paar dagen over verloopen waren, beter gevonden het geval met Robert maar geheel te verzwijgen. ’t Zou immers slechts dienen om hem noodeloos te ontroeren.De fiscaal zette zich bij het gezelschap neer en Digna fluisterde haar zoontje toe voor haar eenige melati’s te plukken. Zij nam[69]een handwerk ter hand, want nooit waren haar bezige banden ledig, en leende slechts een half oor aan de gesprekken der beide mannen, totdat zij plotseling het hoofd oprichtte en toeluisterde.„Ja,” zeide de fiscaal, „het is een wonderlijk geval. Het moet hier vlak bij uw woning gebeurd zijn. Daar kwam de oppasser van den Heer Donker met zeer veel drukte aan, een Europeesch soldaat met zich voerend, want Europeaan is hij zeker, ondanks zijn donkere gelaatskleur, daar hij het Maleisch zeer onvolkomen spreekt en verstaat. Er moet reeds sinds langen tijd bij hem op het erf gestolen zijn, nu eens kippen dan weer fruit, of waschgoed dat te drogen hing. Op den bewusten avond hadden zij eerst de tuindeur opengelaten en duidelijk zag toen een der bedienden dat de soldaat over het erf naar de rivier, die er zich dicht bij bevindt, sloop; hij bleef in de vrij diepe bedding, men hield de wacht en omstreeks een uur later zag men hem terugkomen. De oppasser en zijn medeslaven grepen hem aan; hij verweerde zich als een wanhopige en zwaar geboeid moest men hem naar het cachot voeren. Den volgenden morgen kwam de heer Donker verzoeken dat hij dadelijk ondervraagd zou worden, maar hij weigert elk antwoord te geven, alleen zweert hij met de duurste eeden op zijn onschuld.”„Als hij onschuldig is, waarom sloop hij dan als een dief dat erf op?”„Juist dat heb ik hem telkens gevraagd. Ik wilde weten, waarheen hij dan ging en wat hij daar in de bedding der rivier gedaan heeft, maar hij verklaarde hierop geen antwoord te kunnen geven.”„Wanneer is het gebeurd?”„Woensdag avond.”„En hoe heet hij?”[70]„Walter! Andere namen beweert hij niet te hebben.”„Walter, zoo heette ook de knaap, immers, dien wij op den avond toen we met Zijn Edelheid spelevaarden, uit het water deden halen! Is de majoor van de zaak onderricht?”„Zijn getuigenis aangaande den knaap luidde niet gunstig. Hij is een wilde borst, twistziek, overgegeven aan spel en drank, door ronzelaars voor het leger der Compagnie aangenomen.”„Gij zegt, dat hij zeer geporteerd is voor het spel?”„Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water te vallen had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten na er tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar te hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de worsteling viel de vriend, die reeds ver weg was in het water. Hij sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde hem een lichte straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter aan te nemen, dan dat hij zich om weer geld voor het spel te verkrijgen, door diefstal geneert?”„Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de dagen voor Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben.”„Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde opgeven, waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij machte is zijn lippen te openen dan onze vragen.”„Scheelt u iets, lieve?” vroeg Voorneman zijn vrouw, want hij zag hoe haar wangen en lippen doodsbleek werden, „deze gesprekken zijn niet voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl wij onze zaken verder bespreken.”[71]„’t Is niets, Markus, ’t Doet mij enkel zoo leed als ik hoor hoe men arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten. Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen is?”„Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw, maar deze vragen behoeft gij niet te beantwoorden; zij liggen buiten uw bereik.”De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij anders tot zijne vrouw placht te richten.De fiscaal stond intusschen op.„Ik heb hier niets verder bij te voegen en wenschUEdeleeen spoedige beterschap.”„O wat dat betreft, ik ben reeds genezen, en hoop morgen weer ten Raadhuize te verschijnen.”„Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan ik haar verliet.”Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover elkaar.„Markus,” zeide Digna op den rug van zijn stoel geleund. „Ik heb een ernstig woord met u te spreken.”„Ik hoor u aan!” antwoordde hij, sloot zijn oogen en klemde de lippen vast op elkander.„Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste legt: hij kwam niet om te stelen.”„Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een verliederlijkten, gemeenen soldaat?”„Ik bid u, Markus, blijf kalm!” smeekte Digna, en plaatste zich nu vlak tegenover hem, „ik had u reeds eer alles gezegd wat ik u mee te deelen had, maar uw toestand deed het mij uitstellen; die man is hier geweest, in gindsche galerij, waar hij mij gesproken heeft!”[72]Heer Voorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos overliet en vroeg met heesche stem:„Zeg me nu alles, was dat hij?”„Ja, de man met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond had ik hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig u met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling voor mij, een half uur vóórdat gij ziek t’huis kwaamt.”„En gij hebt hem aangehoord? O schande!”„Dat heb ik en schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf ik niet vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij dat ik ’t zou doen, indien mij een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?”Hij zag haar aan, de reinheid die uit haar oogen straalde, hield het booze woord terug dat hem dreigde te ontsnappen.„Maar wat hebt ge met hem gesproken?”„Ik heb hem herhaald, dat het verledene dood was en dat het eenige, wat ik hem nog schenken mocht mijn achting was, die hij door het leven, thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting te herwinnen door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den oorlog die aanstaande is. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam in niets te kort aan den eerbied, dien hij uwe echtgenoote verschuldigd is, daarvoor sta ik u borg met mijn eerewoord!”Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten.„Hebt ge hem nog lief, Digna?” vroeg hij met doffe stem.„Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets geven, wat mij niet meer toebehoort?”„Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam,[73]te rein dan dat gij zoudt mogen blozen bij iets wat er in deze samenkomst voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer Digna, ik heb er ook recht op. Wat voelt ge voor hem?”„Diep, diep medelijden.”„En anders niets, zweert ge mij dat?”„Martel mij niet, Markus!” riep Digna uit, plotseling opstaande en haar hand uit de zijne losrukkend, „waaraan heb ik zulk een wantrouwen verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn gevoelens, als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag hem niet meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen.”„Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen! Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch vóór, noch na dien tijd van u ontving; dat was geen plicht. En nu wordt gij weer in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en spreekt opnieuw van plicht.”„Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?”„Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks toen er sprake van was dien man te geeselen?”„Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens hem zijn, zult ge hem doen vrijspreken?”„En zoo ik het niet doe?”„Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld.”„Zoudt gij dat doen, gij, mijn vrouw?”„Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!”„En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt[74]doen? Weet ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?”„Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?”„Een losbol, een soldaat!”„Aan u is het mij dien stap te besparen, door naar recht en waarheid te beslissen.”„Verwacht gij dat van mij?”„Ja, dat en niets anders.”„Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken, geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?”„Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb het steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf.”„Ik geloof u Digna,” antwoordde hij mat, „ik geloof en vertrouw u. Geef mij uw hand! Hoeveel ’t mij ook kost, ik zal mijn plicht doen, zooals gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens een tijd komen, dat op het woord plicht tusschen ons geen beroep meer behoeft gedaan te worden.”Den volgenden morgen reed de Heer Voorneman naar het Raadhuis en toen hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets, begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort.„Hij is in vrijheid gesteld,” zeide de Raad van Justitie en bespiedde nauwlettend elke trek van haar gelaat, elke verandering van haar kleur, maar Digna ontroerde niet.„Zoo,” was haar kalme opmerking, „ik reken er op.”„En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?”„Moet ik ’t hebben voor Markus mijn man, of voor den Edelen Heer Raad van Justitie?” vroeg Digna glimlachend. „De eene mag toch op de uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen.”[75]„Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeide hij in mij een mededinger. Helaas!… Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te antwoorden. Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: „Ge zijt op Voornelust geweest?” zag hij mij bedremmeld aan. „Wie heeft u dat gezegd?” „Degene, die met u gesproken heeft!” Toen boog hij ’t hoofd en sprak:„Ik mocht het niet openbaren maar nu zij zelf de goedheid heeft gehad het te zeggen, heb ik geen reden meer het te ontkennen.Het toeval wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees, op heeterdaad betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets aan de zegepraal der onschuld. Ik hoop echter dat de toekomstige bezoeken door dien gezel op Voornelust gebracht, minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van mejuffrouw Tak en den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman.”Digna voelde zich diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden; een blik echter op zijn verwrongen en bleek gelaat stemde haar weer tot medelijden.„Wees gerust Markus,” sprak zij. „Robert zal geen voet meer plaatsen op uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht dat toch zijn, en hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer wisselen. Wat ik hem te zeggen had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en ik: Onze wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!”Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over het geheimzinnige feit.„Weet ge wie de dief was op het erf van den Heer Donker?” vroeg mevrouw Dammers aan wie ’t maar hooren wilde, „’t is een[76]vreemde geschiedenis. De Heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd en dadelijk zijne invrijheidstelling bevolen.”„Maar de ware dief is toch gegrepen.”„Dwaasheid! De Heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden. Wie zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat is zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij dan geweest kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis; ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den beschuldigde in het geheim en zie, plotseling was de dief gevat en de onschuld van den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband tusschen die feiten, maar ik zeg altijd: Vertrouw die vrome zusjes met hun uitgestreken gezichtjes en gladde tong voor den drommel niet!”En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij, wuifde mevrouw Dammers met onstuimige kracht haar waaier op- en neder en zag triomfantelijk rond.„Maar hoe is ’t mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!”„Gelukkig, dat hij soldaat en een krijgstocht op handen is. Let op mijn woorden! Hij zal daarmede vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet, haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar ooren valt iets te zeggen.”De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam letterlijk uit; den 4denJuli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië Herman de Wilde van Batavia.Hij was als veldoverste benoemd over het leger dat uitgezonden werd in de eerste plaats om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan Mas uit zijn rijk te verdrijven en in zijn plaats[77]desnoods met geweld den Soesoehoenan Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en broeder te Karta-Soera te bevestigen; in zijn lastbrief was hem opgedragen den Adipati Anoem—zoo werd de niet erkende keizer nog genoemd—te doen verdagen tot onderwerping binnen een termijn van veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte hem onmiddellijk aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester te maken.Zoodra Pakoe Boewana den troon hem toebedeeld door den steun der Hollandsche wapens, zou hebben beklommen, moest het de Wilde’s eerste werk zijn het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten. Was dit alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie een geduchte versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon men er aan denken den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst Soerapati te bestrijden. De Raad van Indië achtte het nog niet noodig, hier aangaande iets stelligs te beslissen, maar de Wilde’s plan stond vast; wat hij nu ging ondernemen was slechts een voorbereiding om het doel zijns levens te volbrengen en op Soerapati zijn verloren levensgeluk te wreken.De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend besloten, de hulp hem in het geheim door Soerapati aangeboden te weigeren, en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun land te doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati blijken van hetgeen tusschen de Hooge Regeering en hen besproken was.De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand behoefde meer iets van hen te hooren; wilde Soerapati de onderhandelingen opnieuw aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven dat de vorige gezanten op den langen en gevaarvollen weg omgekomen waren; aandringen dat de verkleede Chineezen[78]hem uitgeleverd werden, zou hem moeilijk vallen, daar er geen bewijs voorhanden was van hun zending.Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was de Wilde, die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong er zelfs op aan dat men zich op nog meer afdoende wijze van het drietal zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu er gingen zoovele schepen onder zeil naar Ceylon, of naar de ver afgelegene Molukken; wie zou het vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd?De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet de Wilde aan het hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier schepen, 1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige artillerie.Op den morgen na ’t vertrek der troepen kwam de Heer Voorneman naar zijn vrouw en zeide haar:„De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken.”„Ik weet het,” antwoordde zij rustig. „Moge God hun wapenen zegenen en het recht laten zegevieren.”„Hoopt ge dat hij terugkomt?”„Mag men iemand dood wenschen, Markus? En toch ik geloof dat een eervolle dood op het slagveld het beste is wat ik voor menigeen hopen kan.”„Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?”Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed dat de kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus’ zwakke gezondheidstoestand en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe langer hoe lastiger voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en blikken; haar zachtzinnigheid wond hem nog[79]meer op, haar geduld tergde hem; nooit was haar iets te veel of te moeilijk, hij erkende het, en toch was hij niet tevreden over haar. Met kracht en moed trachtte zij haar nieuwe taak op zich te nemen en daarin de beste afleiding te vinden voor haar eigen gedachten.[80]

VII.MARKUS EN DIGNA.

Eenige dagen later had de Heer Voorneman zijn kamer voor het eerst weer verlaten en zat nu onder de zonnetent, terzijde van zijn woning met vrouw en kind.Digna had een guitaar op haar schoot en zong met haar jonge frissche stem een liedje van Bredero:’t Zonnetje steekt zijn hoofdjen opEn beslaat der bergen topMet zijn lichtjes.Wat gezichtjes,Wat verschietjes, ver en flauw,’t Dommelt er tusschen ’t groen en blauw.Albert zat aan haar voeten en luisterde toe met schitterende oogjes en neuriede nu en dan met haar mee. Zij hielp hem weer in de maat als hij ze soms verloor en keek glimlachend haar man aan, die op zijn gemakkelijken stoel uitgestrekt den blik niet van haar kon afwenden.Op een klein tafeltje tusschen hen stonden frissche dranken en gebakjes, benevens de artsenij voor den zieke.„Vader, wilt ge niet eens proeven,” vroeg Albert met een begeerigen[68]blik naar de smakelijke schotels. „Moeder heeft zelf dat gebak van middag gemaakt.”„Is ’t waar, Digna?” vroeg haar man. „Zijt ge niet wat gaan rusten, kunnen de slavinnen het dan niet doen?”„’t Is een gebak, dat mijn moeder in Holland maakte; het was onze grootste lekkernij; hoe zouden de slavinnen het kunnen bereiden? Ik doe het zoo gaarne en aan dat rusten ’s middags kan ik mij niet gewennen. Me dunkt dat het genoeg is, wanneer ik den geheelen nacht slaap. Hier hebt ge nog een koekje, Albert! Voorzichtig, met die omhelzing, ge drukt me dood, mannetje, uit louter dankbaarheid. Zal ik nog meer zingen, Markus, of hebt ge liever dat ik u wat voorlees?”„Neen, zing voort, lieve! ’t Doet me zoo goed uw stem te hooren en uw spel!”Digna begon het tweede couplet.„Daar is bezoek, foei, hoe vervelend!” riep Albert uit.Het was de fiscaal, een van Voorneman’s ondergeschikten, die hem tijdens zijn ongesteldheid kwam bezoeken.„Zal ik heengaan?” vroeg Digna.„Stellig niet! Al kan ik u niet meer hooren, ik kan u zien en dat is reeds veel.”Zulke woorden deden Digna pijn; zij verrieden maar al te wel hoe vurig haar echtgenoot haar liefhad en hoezeer de gevoelens verschilden, die hij voor haar koesterde met de kalme, hoewel warme vriendschap, waarover zij alleen jegens hem te beschikken had; zij had het, nu er een paar dagen over verloopen waren, beter gevonden het geval met Robert maar geheel te verzwijgen. ’t Zou immers slechts dienen om hem noodeloos te ontroeren.De fiscaal zette zich bij het gezelschap neer en Digna fluisterde haar zoontje toe voor haar eenige melati’s te plukken. Zij nam[69]een handwerk ter hand, want nooit waren haar bezige banden ledig, en leende slechts een half oor aan de gesprekken der beide mannen, totdat zij plotseling het hoofd oprichtte en toeluisterde.„Ja,” zeide de fiscaal, „het is een wonderlijk geval. Het moet hier vlak bij uw woning gebeurd zijn. Daar kwam de oppasser van den Heer Donker met zeer veel drukte aan, een Europeesch soldaat met zich voerend, want Europeaan is hij zeker, ondanks zijn donkere gelaatskleur, daar hij het Maleisch zeer onvolkomen spreekt en verstaat. Er moet reeds sinds langen tijd bij hem op het erf gestolen zijn, nu eens kippen dan weer fruit, of waschgoed dat te drogen hing. Op den bewusten avond hadden zij eerst de tuindeur opengelaten en duidelijk zag toen een der bedienden dat de soldaat over het erf naar de rivier, die er zich dicht bij bevindt, sloop; hij bleef in de vrij diepe bedding, men hield de wacht en omstreeks een uur later zag men hem terugkomen. De oppasser en zijn medeslaven grepen hem aan; hij verweerde zich als een wanhopige en zwaar geboeid moest men hem naar het cachot voeren. Den volgenden morgen kwam de heer Donker verzoeken dat hij dadelijk ondervraagd zou worden, maar hij weigert elk antwoord te geven, alleen zweert hij met de duurste eeden op zijn onschuld.”„Als hij onschuldig is, waarom sloop hij dan als een dief dat erf op?”„Juist dat heb ik hem telkens gevraagd. Ik wilde weten, waarheen hij dan ging en wat hij daar in de bedding der rivier gedaan heeft, maar hij verklaarde hierop geen antwoord te kunnen geven.”„Wanneer is het gebeurd?”„Woensdag avond.”„En hoe heet hij?”[70]„Walter! Andere namen beweert hij niet te hebben.”„Walter, zoo heette ook de knaap, immers, dien wij op den avond toen we met Zijn Edelheid spelevaarden, uit het water deden halen! Is de majoor van de zaak onderricht?”„Zijn getuigenis aangaande den knaap luidde niet gunstig. Hij is een wilde borst, twistziek, overgegeven aan spel en drank, door ronzelaars voor het leger der Compagnie aangenomen.”„Gij zegt, dat hij zeer geporteerd is voor het spel?”„Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water te vallen had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten na er tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar te hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de worsteling viel de vriend, die reeds ver weg was in het water. Hij sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde hem een lichte straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter aan te nemen, dan dat hij zich om weer geld voor het spel te verkrijgen, door diefstal geneert?”„Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de dagen voor Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben.”„Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde opgeven, waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij machte is zijn lippen te openen dan onze vragen.”„Scheelt u iets, lieve?” vroeg Voorneman zijn vrouw, want hij zag hoe haar wangen en lippen doodsbleek werden, „deze gesprekken zijn niet voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl wij onze zaken verder bespreken.”[71]„’t Is niets, Markus, ’t Doet mij enkel zoo leed als ik hoor hoe men arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten. Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen is?”„Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw, maar deze vragen behoeft gij niet te beantwoorden; zij liggen buiten uw bereik.”De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij anders tot zijne vrouw placht te richten.De fiscaal stond intusschen op.„Ik heb hier niets verder bij te voegen en wenschUEdeleeen spoedige beterschap.”„O wat dat betreft, ik ben reeds genezen, en hoop morgen weer ten Raadhuize te verschijnen.”„Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan ik haar verliet.”Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover elkaar.„Markus,” zeide Digna op den rug van zijn stoel geleund. „Ik heb een ernstig woord met u te spreken.”„Ik hoor u aan!” antwoordde hij, sloot zijn oogen en klemde de lippen vast op elkander.„Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste legt: hij kwam niet om te stelen.”„Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een verliederlijkten, gemeenen soldaat?”„Ik bid u, Markus, blijf kalm!” smeekte Digna, en plaatste zich nu vlak tegenover hem, „ik had u reeds eer alles gezegd wat ik u mee te deelen had, maar uw toestand deed het mij uitstellen; die man is hier geweest, in gindsche galerij, waar hij mij gesproken heeft!”[72]Heer Voorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos overliet en vroeg met heesche stem:„Zeg me nu alles, was dat hij?”„Ja, de man met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond had ik hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig u met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling voor mij, een half uur vóórdat gij ziek t’huis kwaamt.”„En gij hebt hem aangehoord? O schande!”„Dat heb ik en schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf ik niet vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij dat ik ’t zou doen, indien mij een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?”Hij zag haar aan, de reinheid die uit haar oogen straalde, hield het booze woord terug dat hem dreigde te ontsnappen.„Maar wat hebt ge met hem gesproken?”„Ik heb hem herhaald, dat het verledene dood was en dat het eenige, wat ik hem nog schenken mocht mijn achting was, die hij door het leven, thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting te herwinnen door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den oorlog die aanstaande is. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam in niets te kort aan den eerbied, dien hij uwe echtgenoote verschuldigd is, daarvoor sta ik u borg met mijn eerewoord!”Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten.„Hebt ge hem nog lief, Digna?” vroeg hij met doffe stem.„Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets geven, wat mij niet meer toebehoort?”„Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam,[73]te rein dan dat gij zoudt mogen blozen bij iets wat er in deze samenkomst voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer Digna, ik heb er ook recht op. Wat voelt ge voor hem?”„Diep, diep medelijden.”„En anders niets, zweert ge mij dat?”„Martel mij niet, Markus!” riep Digna uit, plotseling opstaande en haar hand uit de zijne losrukkend, „waaraan heb ik zulk een wantrouwen verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn gevoelens, als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag hem niet meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen.”„Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen! Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch vóór, noch na dien tijd van u ontving; dat was geen plicht. En nu wordt gij weer in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en spreekt opnieuw van plicht.”„Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?”„Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks toen er sprake van was dien man te geeselen?”„Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens hem zijn, zult ge hem doen vrijspreken?”„En zoo ik het niet doe?”„Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld.”„Zoudt gij dat doen, gij, mijn vrouw?”„Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!”„En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt[74]doen? Weet ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?”„Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?”„Een losbol, een soldaat!”„Aan u is het mij dien stap te besparen, door naar recht en waarheid te beslissen.”„Verwacht gij dat van mij?”„Ja, dat en niets anders.”„Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken, geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?”„Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb het steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf.”„Ik geloof u Digna,” antwoordde hij mat, „ik geloof en vertrouw u. Geef mij uw hand! Hoeveel ’t mij ook kost, ik zal mijn plicht doen, zooals gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens een tijd komen, dat op het woord plicht tusschen ons geen beroep meer behoeft gedaan te worden.”Den volgenden morgen reed de Heer Voorneman naar het Raadhuis en toen hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets, begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort.„Hij is in vrijheid gesteld,” zeide de Raad van Justitie en bespiedde nauwlettend elke trek van haar gelaat, elke verandering van haar kleur, maar Digna ontroerde niet.„Zoo,” was haar kalme opmerking, „ik reken er op.”„En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?”„Moet ik ’t hebben voor Markus mijn man, of voor den Edelen Heer Raad van Justitie?” vroeg Digna glimlachend. „De eene mag toch op de uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen.”[75]„Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeide hij in mij een mededinger. Helaas!… Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te antwoorden. Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: „Ge zijt op Voornelust geweest?” zag hij mij bedremmeld aan. „Wie heeft u dat gezegd?” „Degene, die met u gesproken heeft!” Toen boog hij ’t hoofd en sprak:„Ik mocht het niet openbaren maar nu zij zelf de goedheid heeft gehad het te zeggen, heb ik geen reden meer het te ontkennen.Het toeval wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees, op heeterdaad betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets aan de zegepraal der onschuld. Ik hoop echter dat de toekomstige bezoeken door dien gezel op Voornelust gebracht, minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van mejuffrouw Tak en den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman.”Digna voelde zich diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden; een blik echter op zijn verwrongen en bleek gelaat stemde haar weer tot medelijden.„Wees gerust Markus,” sprak zij. „Robert zal geen voet meer plaatsen op uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht dat toch zijn, en hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer wisselen. Wat ik hem te zeggen had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en ik: Onze wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!”Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over het geheimzinnige feit.„Weet ge wie de dief was op het erf van den Heer Donker?” vroeg mevrouw Dammers aan wie ’t maar hooren wilde, „’t is een[76]vreemde geschiedenis. De Heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd en dadelijk zijne invrijheidstelling bevolen.”„Maar de ware dief is toch gegrepen.”„Dwaasheid! De Heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden. Wie zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat is zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij dan geweest kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis; ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den beschuldigde in het geheim en zie, plotseling was de dief gevat en de onschuld van den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband tusschen die feiten, maar ik zeg altijd: Vertrouw die vrome zusjes met hun uitgestreken gezichtjes en gladde tong voor den drommel niet!”En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij, wuifde mevrouw Dammers met onstuimige kracht haar waaier op- en neder en zag triomfantelijk rond.„Maar hoe is ’t mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!”„Gelukkig, dat hij soldaat en een krijgstocht op handen is. Let op mijn woorden! Hij zal daarmede vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet, haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar ooren valt iets te zeggen.”De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam letterlijk uit; den 4denJuli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië Herman de Wilde van Batavia.Hij was als veldoverste benoemd over het leger dat uitgezonden werd in de eerste plaats om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan Mas uit zijn rijk te verdrijven en in zijn plaats[77]desnoods met geweld den Soesoehoenan Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en broeder te Karta-Soera te bevestigen; in zijn lastbrief was hem opgedragen den Adipati Anoem—zoo werd de niet erkende keizer nog genoemd—te doen verdagen tot onderwerping binnen een termijn van veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte hem onmiddellijk aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester te maken.Zoodra Pakoe Boewana den troon hem toebedeeld door den steun der Hollandsche wapens, zou hebben beklommen, moest het de Wilde’s eerste werk zijn het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten. Was dit alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie een geduchte versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon men er aan denken den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst Soerapati te bestrijden. De Raad van Indië achtte het nog niet noodig, hier aangaande iets stelligs te beslissen, maar de Wilde’s plan stond vast; wat hij nu ging ondernemen was slechts een voorbereiding om het doel zijns levens te volbrengen en op Soerapati zijn verloren levensgeluk te wreken.De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend besloten, de hulp hem in het geheim door Soerapati aangeboden te weigeren, en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun land te doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati blijken van hetgeen tusschen de Hooge Regeering en hen besproken was.De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand behoefde meer iets van hen te hooren; wilde Soerapati de onderhandelingen opnieuw aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven dat de vorige gezanten op den langen en gevaarvollen weg omgekomen waren; aandringen dat de verkleede Chineezen[78]hem uitgeleverd werden, zou hem moeilijk vallen, daar er geen bewijs voorhanden was van hun zending.Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was de Wilde, die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong er zelfs op aan dat men zich op nog meer afdoende wijze van het drietal zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu er gingen zoovele schepen onder zeil naar Ceylon, of naar de ver afgelegene Molukken; wie zou het vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd?De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet de Wilde aan het hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier schepen, 1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige artillerie.Op den morgen na ’t vertrek der troepen kwam de Heer Voorneman naar zijn vrouw en zeide haar:„De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken.”„Ik weet het,” antwoordde zij rustig. „Moge God hun wapenen zegenen en het recht laten zegevieren.”„Hoopt ge dat hij terugkomt?”„Mag men iemand dood wenschen, Markus? En toch ik geloof dat een eervolle dood op het slagveld het beste is wat ik voor menigeen hopen kan.”„Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?”Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed dat de kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus’ zwakke gezondheidstoestand en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe langer hoe lastiger voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en blikken; haar zachtzinnigheid wond hem nog[79]meer op, haar geduld tergde hem; nooit was haar iets te veel of te moeilijk, hij erkende het, en toch was hij niet tevreden over haar. Met kracht en moed trachtte zij haar nieuwe taak op zich te nemen en daarin de beste afleiding te vinden voor haar eigen gedachten.[80]

Eenige dagen later had de Heer Voorneman zijn kamer voor het eerst weer verlaten en zat nu onder de zonnetent, terzijde van zijn woning met vrouw en kind.

Digna had een guitaar op haar schoot en zong met haar jonge frissche stem een liedje van Bredero:

’t Zonnetje steekt zijn hoofdjen opEn beslaat der bergen topMet zijn lichtjes.Wat gezichtjes,Wat verschietjes, ver en flauw,’t Dommelt er tusschen ’t groen en blauw.

’t Zonnetje steekt zijn hoofdjen op

En beslaat der bergen top

Met zijn lichtjes.

Wat gezichtjes,

Wat verschietjes, ver en flauw,

’t Dommelt er tusschen ’t groen en blauw.

Albert zat aan haar voeten en luisterde toe met schitterende oogjes en neuriede nu en dan met haar mee. Zij hielp hem weer in de maat als hij ze soms verloor en keek glimlachend haar man aan, die op zijn gemakkelijken stoel uitgestrekt den blik niet van haar kon afwenden.

Op een klein tafeltje tusschen hen stonden frissche dranken en gebakjes, benevens de artsenij voor den zieke.

„Vader, wilt ge niet eens proeven,” vroeg Albert met een begeerigen[68]blik naar de smakelijke schotels. „Moeder heeft zelf dat gebak van middag gemaakt.”

„Is ’t waar, Digna?” vroeg haar man. „Zijt ge niet wat gaan rusten, kunnen de slavinnen het dan niet doen?”

„’t Is een gebak, dat mijn moeder in Holland maakte; het was onze grootste lekkernij; hoe zouden de slavinnen het kunnen bereiden? Ik doe het zoo gaarne en aan dat rusten ’s middags kan ik mij niet gewennen. Me dunkt dat het genoeg is, wanneer ik den geheelen nacht slaap. Hier hebt ge nog een koekje, Albert! Voorzichtig, met die omhelzing, ge drukt me dood, mannetje, uit louter dankbaarheid. Zal ik nog meer zingen, Markus, of hebt ge liever dat ik u wat voorlees?”

„Neen, zing voort, lieve! ’t Doet me zoo goed uw stem te hooren en uw spel!”

Digna begon het tweede couplet.

„Daar is bezoek, foei, hoe vervelend!” riep Albert uit.

Het was de fiscaal, een van Voorneman’s ondergeschikten, die hem tijdens zijn ongesteldheid kwam bezoeken.

„Zal ik heengaan?” vroeg Digna.

„Stellig niet! Al kan ik u niet meer hooren, ik kan u zien en dat is reeds veel.”

Zulke woorden deden Digna pijn; zij verrieden maar al te wel hoe vurig haar echtgenoot haar liefhad en hoezeer de gevoelens verschilden, die hij voor haar koesterde met de kalme, hoewel warme vriendschap, waarover zij alleen jegens hem te beschikken had; zij had het, nu er een paar dagen over verloopen waren, beter gevonden het geval met Robert maar geheel te verzwijgen. ’t Zou immers slechts dienen om hem noodeloos te ontroeren.

De fiscaal zette zich bij het gezelschap neer en Digna fluisterde haar zoontje toe voor haar eenige melati’s te plukken. Zij nam[69]een handwerk ter hand, want nooit waren haar bezige banden ledig, en leende slechts een half oor aan de gesprekken der beide mannen, totdat zij plotseling het hoofd oprichtte en toeluisterde.

„Ja,” zeide de fiscaal, „het is een wonderlijk geval. Het moet hier vlak bij uw woning gebeurd zijn. Daar kwam de oppasser van den Heer Donker met zeer veel drukte aan, een Europeesch soldaat met zich voerend, want Europeaan is hij zeker, ondanks zijn donkere gelaatskleur, daar hij het Maleisch zeer onvolkomen spreekt en verstaat. Er moet reeds sinds langen tijd bij hem op het erf gestolen zijn, nu eens kippen dan weer fruit, of waschgoed dat te drogen hing. Op den bewusten avond hadden zij eerst de tuindeur opengelaten en duidelijk zag toen een der bedienden dat de soldaat over het erf naar de rivier, die er zich dicht bij bevindt, sloop; hij bleef in de vrij diepe bedding, men hield de wacht en omstreeks een uur later zag men hem terugkomen. De oppasser en zijn medeslaven grepen hem aan; hij verweerde zich als een wanhopige en zwaar geboeid moest men hem naar het cachot voeren. Den volgenden morgen kwam de heer Donker verzoeken dat hij dadelijk ondervraagd zou worden, maar hij weigert elk antwoord te geven, alleen zweert hij met de duurste eeden op zijn onschuld.”

„Als hij onschuldig is, waarom sloop hij dan als een dief dat erf op?”

„Juist dat heb ik hem telkens gevraagd. Ik wilde weten, waarheen hij dan ging en wat hij daar in de bedding der rivier gedaan heeft, maar hij verklaarde hierop geen antwoord te kunnen geven.”

„Wanneer is het gebeurd?”

„Woensdag avond.”

„En hoe heet hij?”[70]

„Walter! Andere namen beweert hij niet te hebben.”

„Walter, zoo heette ook de knaap, immers, dien wij op den avond toen we met Zijn Edelheid spelevaarden, uit het water deden halen! Is de majoor van de zaak onderricht?”

„Zijn getuigenis aangaande den knaap luidde niet gunstig. Hij is een wilde borst, twistziek, overgegeven aan spel en drank, door ronzelaars voor het leger der Compagnie aangenomen.”

„Gij zegt, dat hij zeer geporteerd is voor het spel?”

„Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water te vallen had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten na er tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar te hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de worsteling viel de vriend, die reeds ver weg was in het water. Hij sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde hem een lichte straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter aan te nemen, dan dat hij zich om weer geld voor het spel te verkrijgen, door diefstal geneert?”

„Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de dagen voor Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben.”

„Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde opgeven, waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij machte is zijn lippen te openen dan onze vragen.”

„Scheelt u iets, lieve?” vroeg Voorneman zijn vrouw, want hij zag hoe haar wangen en lippen doodsbleek werden, „deze gesprekken zijn niet voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl wij onze zaken verder bespreken.”[71]

„’t Is niets, Markus, ’t Doet mij enkel zoo leed als ik hoor hoe men arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten. Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen is?”

„Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw, maar deze vragen behoeft gij niet te beantwoorden; zij liggen buiten uw bereik.”

De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij anders tot zijne vrouw placht te richten.

De fiscaal stond intusschen op.

„Ik heb hier niets verder bij te voegen en wenschUEdeleeen spoedige beterschap.”

„O wat dat betreft, ik ben reeds genezen, en hoop morgen weer ten Raadhuize te verschijnen.”

„Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan ik haar verliet.”

Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover elkaar.

„Markus,” zeide Digna op den rug van zijn stoel geleund. „Ik heb een ernstig woord met u te spreken.”

„Ik hoor u aan!” antwoordde hij, sloot zijn oogen en klemde de lippen vast op elkander.

„Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste legt: hij kwam niet om te stelen.”

„Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een verliederlijkten, gemeenen soldaat?”

„Ik bid u, Markus, blijf kalm!” smeekte Digna, en plaatste zich nu vlak tegenover hem, „ik had u reeds eer alles gezegd wat ik u mee te deelen had, maar uw toestand deed het mij uitstellen; die man is hier geweest, in gindsche galerij, waar hij mij gesproken heeft!”[72]

Heer Voorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos overliet en vroeg met heesche stem:

„Zeg me nu alles, was dat hij?”

„Ja, de man met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond had ik hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig u met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling voor mij, een half uur vóórdat gij ziek t’huis kwaamt.”

„En gij hebt hem aangehoord? O schande!”

„Dat heb ik en schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf ik niet vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij dat ik ’t zou doen, indien mij een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?”

Hij zag haar aan, de reinheid die uit haar oogen straalde, hield het booze woord terug dat hem dreigde te ontsnappen.

„Maar wat hebt ge met hem gesproken?”

„Ik heb hem herhaald, dat het verledene dood was en dat het eenige, wat ik hem nog schenken mocht mijn achting was, die hij door het leven, thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting te herwinnen door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den oorlog die aanstaande is. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam in niets te kort aan den eerbied, dien hij uwe echtgenoote verschuldigd is, daarvoor sta ik u borg met mijn eerewoord!”

Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten.

„Hebt ge hem nog lief, Digna?” vroeg hij met doffe stem.

„Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets geven, wat mij niet meer toebehoort?”

„Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam,[73]te rein dan dat gij zoudt mogen blozen bij iets wat er in deze samenkomst voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer Digna, ik heb er ook recht op. Wat voelt ge voor hem?”

„Diep, diep medelijden.”

„En anders niets, zweert ge mij dat?”

„Martel mij niet, Markus!” riep Digna uit, plotseling opstaande en haar hand uit de zijne losrukkend, „waaraan heb ik zulk een wantrouwen verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn gevoelens, als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag hem niet meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen.”

„Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen! Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch vóór, noch na dien tijd van u ontving; dat was geen plicht. En nu wordt gij weer in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en spreekt opnieuw van plicht.”

„Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?”

„Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks toen er sprake van was dien man te geeselen?”

„Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens hem zijn, zult ge hem doen vrijspreken?”

„En zoo ik het niet doe?”

„Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld.”

„Zoudt gij dat doen, gij, mijn vrouw?”

„Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!”

„En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt[74]doen? Weet ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?”

„Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?”

„Een losbol, een soldaat!”

„Aan u is het mij dien stap te besparen, door naar recht en waarheid te beslissen.”

„Verwacht gij dat van mij?”

„Ja, dat en niets anders.”

„Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken, geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?”

„Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb het steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf.”

„Ik geloof u Digna,” antwoordde hij mat, „ik geloof en vertrouw u. Geef mij uw hand! Hoeveel ’t mij ook kost, ik zal mijn plicht doen, zooals gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens een tijd komen, dat op het woord plicht tusschen ons geen beroep meer behoeft gedaan te worden.”

Den volgenden morgen reed de Heer Voorneman naar het Raadhuis en toen hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets, begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort.

„Hij is in vrijheid gesteld,” zeide de Raad van Justitie en bespiedde nauwlettend elke trek van haar gelaat, elke verandering van haar kleur, maar Digna ontroerde niet.

„Zoo,” was haar kalme opmerking, „ik reken er op.”

„En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?”

„Moet ik ’t hebben voor Markus mijn man, of voor den Edelen Heer Raad van Justitie?” vroeg Digna glimlachend. „De eene mag toch op de uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen.”[75]

„Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeide hij in mij een mededinger. Helaas!… Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te antwoorden. Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: „Ge zijt op Voornelust geweest?” zag hij mij bedremmeld aan. „Wie heeft u dat gezegd?” „Degene, die met u gesproken heeft!” Toen boog hij ’t hoofd en sprak:

„Ik mocht het niet openbaren maar nu zij zelf de goedheid heeft gehad het te zeggen, heb ik geen reden meer het te ontkennen.Het toeval wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees, op heeterdaad betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets aan de zegepraal der onschuld. Ik hoop echter dat de toekomstige bezoeken door dien gezel op Voornelust gebracht, minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van mejuffrouw Tak en den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman.”

Digna voelde zich diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden; een blik echter op zijn verwrongen en bleek gelaat stemde haar weer tot medelijden.

„Wees gerust Markus,” sprak zij. „Robert zal geen voet meer plaatsen op uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht dat toch zijn, en hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer wisselen. Wat ik hem te zeggen had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en ik: Onze wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!”

Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over het geheimzinnige feit.

„Weet ge wie de dief was op het erf van den Heer Donker?” vroeg mevrouw Dammers aan wie ’t maar hooren wilde, „’t is een[76]vreemde geschiedenis. De Heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd en dadelijk zijne invrijheidstelling bevolen.”

„Maar de ware dief is toch gegrepen.”

„Dwaasheid! De Heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden. Wie zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat is zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij dan geweest kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis; ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den beschuldigde in het geheim en zie, plotseling was de dief gevat en de onschuld van den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband tusschen die feiten, maar ik zeg altijd: Vertrouw die vrome zusjes met hun uitgestreken gezichtjes en gladde tong voor den drommel niet!”

En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij, wuifde mevrouw Dammers met onstuimige kracht haar waaier op- en neder en zag triomfantelijk rond.

„Maar hoe is ’t mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!”

„Gelukkig, dat hij soldaat en een krijgstocht op handen is. Let op mijn woorden! Hij zal daarmede vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet, haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar ooren valt iets te zeggen.”

De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam letterlijk uit; den 4denJuli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië Herman de Wilde van Batavia.

Hij was als veldoverste benoemd over het leger dat uitgezonden werd in de eerste plaats om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan Mas uit zijn rijk te verdrijven en in zijn plaats[77]desnoods met geweld den Soesoehoenan Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en broeder te Karta-Soera te bevestigen; in zijn lastbrief was hem opgedragen den Adipati Anoem—zoo werd de niet erkende keizer nog genoemd—te doen verdagen tot onderwerping binnen een termijn van veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte hem onmiddellijk aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester te maken.

Zoodra Pakoe Boewana den troon hem toebedeeld door den steun der Hollandsche wapens, zou hebben beklommen, moest het de Wilde’s eerste werk zijn het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten. Was dit alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie een geduchte versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon men er aan denken den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst Soerapati te bestrijden. De Raad van Indië achtte het nog niet noodig, hier aangaande iets stelligs te beslissen, maar de Wilde’s plan stond vast; wat hij nu ging ondernemen was slechts een voorbereiding om het doel zijns levens te volbrengen en op Soerapati zijn verloren levensgeluk te wreken.

De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend besloten, de hulp hem in het geheim door Soerapati aangeboden te weigeren, en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun land te doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati blijken van hetgeen tusschen de Hooge Regeering en hen besproken was.

De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand behoefde meer iets van hen te hooren; wilde Soerapati de onderhandelingen opnieuw aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven dat de vorige gezanten op den langen en gevaarvollen weg omgekomen waren; aandringen dat de verkleede Chineezen[78]hem uitgeleverd werden, zou hem moeilijk vallen, daar er geen bewijs voorhanden was van hun zending.

Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was de Wilde, die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong er zelfs op aan dat men zich op nog meer afdoende wijze van het drietal zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu er gingen zoovele schepen onder zeil naar Ceylon, of naar de ver afgelegene Molukken; wie zou het vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd?

De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet de Wilde aan het hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier schepen, 1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige artillerie.

Op den morgen na ’t vertrek der troepen kwam de Heer Voorneman naar zijn vrouw en zeide haar:

„De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken.”

„Ik weet het,” antwoordde zij rustig. „Moge God hun wapenen zegenen en het recht laten zegevieren.”

„Hoopt ge dat hij terugkomt?”

„Mag men iemand dood wenschen, Markus? En toch ik geloof dat een eervolle dood op het slagveld het beste is wat ik voor menigeen hopen kan.”

„Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?”

Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed dat de kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus’ zwakke gezondheidstoestand en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe langer hoe lastiger voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en blikken; haar zachtzinnigheid wond hem nog[79]meer op, haar geduld tergde hem; nooit was haar iets te veel of te moeilijk, hij erkende het, en toch was hij niet tevreden over haar. Met kracht en moed trachtte zij haar nieuwe taak op zich te nemen en daarin de beste afleiding te vinden voor haar eigen gedachten.[80]


Back to IndexNext