VII.

[Inhoud]VII.BANJOE BIROE.Een der verrukkelijkste plekjes van Java is zeker het meertje Blauwwater of Banjoe biroe genaamd, dat zich aan den voet van het Tengersche gebergte verschuilt; nu nog roemen alle reizigers om strijd de onvergelijkelijke frischheid, die onder de hooge boomen aan de oevers van het meer met zijn doorschijnende azuren wateren heerscht. Donkerblauw is het meer dat uit een bron ontstaat en later als een riviertje zich naar beneden spoedt om de sawahs in den omtrek te besproeien; die donkerblauwe kleur dankt zij aan de helderblauwe steenachtige bedding die tot in de diepste diepte het water bevat. Duizenden en duizenden visschen dartelen in het kristallen vocht; zij zijn den inlander even heilig als de talrijke apen die in de hooge boomen, welke het meer beschaduwen en hun lange takken in het water doen slepen, stoeien, fluiten, krijschen, als ware hun leven niets dan een eindeloos spel.Aan de oevers van het meer verhief zich het lusthuis des vorsten. Het was een eenvoudig gebouw bijna geheel verscholen onder de hooge boomen en door een stevigen muur omsloten, die ook het water van vrij nabij volgde. Hindoesche beelden versierden de oevers; een soort van galerij was boven het meer uitgebouwd, vanwaar een trapje van eenige treden tot in het water reikte en het vergemakkelijkte daarin een bad te nemen.Hoewel het midden op den dag was, heerschte een koelte vol frischheid onder de hooge boomen en op het water, dat zich letterlijk midden in het woud bevond. In de galerij vooral was het heerlijk, de zonnestralen spatten flikkerend rond door het dichte[149]netwerk van het gebladerte en deden het meer schitteren als een reusachtige vloeibare saffier; op gele matjes zaten eenige vrouwen, bezig met het dakonspel, de beenen hadden zij kruiselings onder het lichaam gevouwen en op een divan hooger dan zij troonde de Radhen GoesikKoesoema.De jaren waren niet ongemerkt over het hoofd der Mataramsche prinses heen gegaan en de jaren zijn Javaanschen vrouwen vooral niet gunstig; toch had zij uit de schipbreuk der jeugd nog veel overgehouden, haar rijken haardos en vooral een wijze om het hoofd te dragen, die de geboren vorstin kenmerkte; haar zwevende, onzekere gang had plaats gemaakt voor den zelfbewusten tred eener vorstin, die weet dat zij bevelen kan en mag.Aan de voeten van haar divan zat een verschrompeld oud, klein manneke; hij kon nauwelijks meer loopen, slechts kruipen, afzichtelijk waren de trekken van zijn groot hoofd verwrongen, toch was hij nog altijd Radhen Goesik’s liefste gezelschap.„Neemt uw spellen en zit verder op,” beval de vorstin haar vrouwen, „ik heb met mijn raadsman te spreken.”In een oogwenk waren de matjes opgerold, de dakons ter hand genomen en de vrouwen snelden weg; men wist dat na een lang zwijgen tusschen de prinses en haar dwerg zulk een gesprek onvermijdelijk volgde.„De oude Kiai schijnt nooit meer terug te keeren,” sprak Radhen Goesik gejaagd, „bijna een jaar is verloopen na zijn vertrek.”„Boeloe Kidoer had ’t hem voorspeld!” zoo klonk de gebrokene, ratelende stem van het gedrocht; „de Hollander geeft niet terug wat zich vrijwillig in zijn steeds geopenden muil werpt. Wat zegt de gemaal mijner meesteres van zijn afwezigheid?”„Ge weet dat Radhen Wiro Negoro mij niet eens deelgenoot maakte van zijn heengaan,” hernam de vorstin bitter, „en nog weet[150]ik niet wat hem opgedragen was op Batavia te onderhandelen, hoewel ik ’t raad. O, Boeloe, hoe diep heeft de liefde tot den Hollander wortel geschoten in zijn ziel. Niets kan ze uitroeien of men moest den krachtigen boom omhakken.”„De boom is omgehakt maar niets anders heeft in den nog door vezels verzaden grond willen tieren.”„Ik heb er niets in kunnen planten, niets!” en haar stem klonk bijna jammerend, „en Allah weet hoeveel moeite ik er toe deed, in mijne beste jaren toen ik jong en schoon was, nu ben ik slechts een schaduw van weleer, wat zal ik nu vermogen? Ik en mijn kinderen?”„Ik begrijp uw weeklacht niet, groote Vrouwe. Heeft Soerapati u niet alles gegeven, wat gij wenschtet? Heeft hij het vertrouwen, dat gij in hem steldet, beschaamd? Gij hebt een gevluchten slaaf, een struikroover uw hand geschonken, hij maakte u tot een vorstin machtiger dan Pakoe Boewana’s Ratoe. Uw kinderen zijn vorsten, uw schoondochters prinsessen. Wat verlangt ge nog meer?”Radhen Goesik zuchtte:„Ge hebt gelijk, Boeloe! Ik ben ondankbaar, ware ikPoerbaya’sgade gebleven, ik zou het treurig leven eener gevangene hebben geleid te midden der gehate kafirs. Soerapati heeft mij glans, macht en eer geschonken, hij heeft mij naast zich verheven.…”„En hij duldt geen andere naast zich. Met niemand hebt gij uw titel te deelen. Zusje, wat zijt ge veeleischend!”„Ik beken ’t Boeloe! Velen zouden meenen dat ik nu het toppunt mijner wenschen bereikt had en toch ben ik niet tevreden, niet gerust. Dit gebouw Boeloe, door de machtige hand van mijn gemaal opgetrokken rust op zandgrond; als hij er niet meer is om het te steunen dan zal het in elkander storten. En ook hij[151]vreest het.… doch nimmer spreken wij over onze vrees. Ik ben hem niets, niets meer dan zijn Ratoe, de moeder zijner kinderen, de poetri die hem hielp de ladder te bestijgen, welke naar roem en macht voert.”„Maar is dat niet genoeg? Wat wilt ge meer? De tijd is toch voorbij dat ge smaak vondt in de zoete kwee-kwee, welke hij u in zijnliefkoozingenboodt? Die moeten u thans walgen, want ge zijt niet jong meer, grootmoedertje!”„Dat behoeft gij mij niet te herinneren, dwerg! Daarom juist wil ik de spijs genieten, die mijn leeftijd past. Ik verlang zijn honigzoete vleierij, zijn misschien leugenachtige liefdesbetuigingen niet meer. Naar iets anders heb ik dorst; naar de kennis van zijn plannen, naar de vertrouwelijke mededeelingen van zijn zorgen en bekommernissen. Ik wilde met hem de belangen bespreken van zijn … laat me liever zeggen van ons rijk, want wat ware er van hem geworden zonder mijn liefde, zonder mijn steun?”„Hij behandelt zijn Ratoe met een eerbied, waarvan men tot nu toe op Java geen weerga zag; met niemand deelt zij zijn bezit.”„Meent ge dat ik dit voorrecht zoo hoog stel? Hoe, ik zou nog liever aan het hoofd staan van een welgevulden kapoetren dan het eenzame leven te leiden te midden mijner dienaressen, waartoe hij mij veroordeelt. Daar zou ik heerschen over mijn gelijken, nu zijn het slechts slavinnen die mij gehoorzamen en ook mijn zoons dwingt hij tot die Westersche onthouding en waarom, juist dit is ’t wat mij dag en nacht pijnigt, omdat het zijn hoogste eerzucht is, den blankenChristenhondenna te volgen omdat hij slechts van hen zijn heil afwacht, en het voortbestaan van zijn rijk, terwijl ik daarentegen voor niets insta, zoo hij niet den Islam ter hulpe roept.”[152]„Juist, door een beroep te doen op de oude liefde der Oost-Javanen voor den godsdienst van Batoro Goeroe, die ook de zijne is gebleven, gelukte het hem deze volken te onderwerpen.”„Meent ge dat, dwaze? Ja, ’t is waar de Tenger en de Zuidelijke streken hebben in hem een afgezant der goden gezien, maar Pasoeroean duldt slechts noode het gezag van een heiden en wat zijn hem de vormen van de Brahmanen? Een lastig, vervelend kleed, dat hij vol vreugde af zou werpen om den eeredienst der Westerlingen aan te nemen en met hen vereenigd een soort van monsterverbond te sluiten. Maar ik de vurige Mahomedaansche, ik huiver van hun kille aanraking, liever niets dan vorstin door hen gekroond.”„Zoo dacht Pangeran Poeger er niet over en uw grootvader keizer Tagal Wangie evenmin,” grijnsde Boeloe, „wat zou er van Mataram geworden zijn, indien de kafir zijn reddende hand niet naar hen uitgestoken had?”„Die hulp is hun ook duur te staan gekomen, maar Soerapati wenscht meer; hij verlangt door hen als gelijke te worden behandeld, niet als een onmondig kind, dat zelf niet met zijn speelgoed overweg kan en dus de hulp der ouderen en wijzeren noodig heeft.”„Maar vorstin! de hartstocht doet u dwalen, ge zijt altijd jaloersch geweest op de Hollanders, eerst om de liefde, welke uw echtgenoot een christenvrouw toedroeg, later omdat hij van hen alleen steun verwacht tot instandhouding van hun rijk. Jaloezie is ’t alleen wat uw leven beheerscht!”„Ja ’t is waar, ik ben jaloersch! Hadde hij nooit die blanke liefgehad, nooit zouden zijn gedachten weer telkens zijn teruggekeerd naar hen, tot wier volk zij behoorde. Gelijk gindsche zonnebloem de zon volgt, waar zij ook schijnt, zoo blijft zijn oog altijd op haar gericht. Zonder haar ware hij, de Balinees, geheel Javaan[153]geworden, zou hij mij liefgehad en vereerd hebben als zijn wettige eerste vrouw, maar hij had het niet beneden zich geacht ook anderen zijn gunst te bewijzen en ik had niet gemord, verheugd als ik ware dat hij mijn geloof en mijn volksgebruiken deelde, maar nu.…”„Gij vreest die doode vrouw meer dan een geheelen kapoetren.”„Dwerg, ge leest mijn gedachten! Waartoe zou het dienen ze u te verbergen? Ja, dat is zoo! Evenals het vat, waarin eenmaal doepa1gebrand werd, zijn geuren behoudt, al werpt men er ook later de sterkste kruiden in, zoo blijft in hem steeds de herinnering leven aan zijn eerste jeugd, aan zijn grootste liefde. Die herinnering doortrekt zijn dagen met haar gehaten geur, na Suzanna heeft hij nooit meer liefgehad, zelfs niet mij!”Dat laatste woord klonk als een onderdrukte snik.„En toch wat heeft zij hem geschonken en wat ik!”„Zusje, zusje! Verwijt de u bewezen gunsten niet! Schrijf ze op, daar ginds in het water, dan verzinken zij in de diepte, en wees oprecht; was toen ter tijd de liefde van den roover niet de grootste weldaad, die de prinses verlangde en waarvoor geen offer haar te groot scheen!”„Heb ik ze dan ontvangen, Boeloe? Neen, de liefde waarvan ik droomde, daarnaar honger ik nu nog. Liefde, die alles deelt met den geliefde, gedachten, hoop, vrees, zorgen, plannen en wat schonk Soerapati mij? De kostbare gouden kas, waarin echter de schitterende diamant ontbreekt!”Zij zweeg gedurende weinige oogenblikken en ook Boeloe sprak niets.„Dwerg,” ging zij voort, „ik weet niets van wat er thans omgaat[154]in het rijk. Hij heeft Soenan Mas een gastvrijheid verleend, die den armen vorst zwaar drukt, een gastvrijheid die veel op kerkerstraf gelijkt. Wat is daar zijn doel mede? Hij is bijna altijd afwezig, hij oefent zijn soldaten, hij versterkt zijn vestingen. Is er oorlog op til? En met wien?”„De machtige Radhen Adipati wijdde mij niet in zijn geheimen.”„Tegen Pakoe Boewana, tegen den onwettigen keizer zal hij strijden, maar dan zal ’t ook wezen tegen de Hollanders! O als hij hen vernietigen, als hij hen verjagen kon!”„Zal dan zijn liefde jegens hen ook uitgeroeid zijn, vorstin?”„Hij kan op den duur niet alleen staan tegen zijn volk, tegen zijn gezin, want ook zijn zonen verfoeien wat ik verfoei!”„Dus wil mijn goede moeder, de sieraden welke zij van haar gemaal ontving doen versmelten in krissen, die hem moeten dooden?”Het antwoord op Boeloe’s tartende vraag, die waarschijnlijk licht verspreidde op nog duistere plekken inKoesoema’sgemoed, werd haar echter bespaard.Mas Pengantin, door Lembono gevolgd, trad binnen; hij zag er ellendig uit, zijn kleederen waren in wanorde en gescheurd, zijn gelaat bebloed, zijn arm hing in een zijden doek. Ook Lembono, hoewel minder gehavend scheen bleek en vermoeid.„Wat deert u mijn zoons!” riep Radhen Goesik verschrikt uit.„Moeder, zie, dat hebben vaders vrienden, de trouwe, vreedzame Tengereezen gedaan!” huilde Pengantin en wierp zich luid jammerend op den divan naast haar neer.„Ge ziet er waarlijk niet feestelijk uit voor vrome bedevaartgangers,” merkte Boeloe Kidoer droogjes op.„Vloek over de vroomheid van dat huichelachtig volk,” zeide Lembono bits, „ware ik Radhen Wiro Negoro, ik zou hen allen uitroeien van den eerste tot den laatste.”[155]„Spreek geen kwaad van hen, hij deelt hun bijgeloof met hart en ziel en zoo zij u aangevallen hebben mijn zoons, ligt de schuld aan u,” sprak de vorstin gemelijk. „Waarom hebt gij aan hun bijgeloovige misbruiken deelgenomen terwijl gij in uw hart Allah, den eenigen God en zijn Profeet aanbidt? Gijzelf hebt u schuldig gemaakt aan huichelarij en afgodendienst.”„Vader veroorlooft ons niet iets anders te aanbidden dan wat hem goeddunkt.”Pengantin ging voort met kermen en met klagen. Brahma,Boeddhaof Mahomed waren hem allen even onverschillig. Hij jammerde zoo wanhopig, alleen omdat zijn weldoordachte schaking mislukt was, maar dat wist zijn moeder niet.„Vertel me alles,” ging zij met vonkelende oogen voort, terwijl haar dienaressen zich om strijd beijverden den gewonden prins te verfrisschen en te verplegen. „Vertel me alles Lembono, wat er gebeurde! Waarom hebben de Tengereezen u aangevallen?”„Weet ik het? wellicht, omdat zij meenden dat wij hun dwaze vertooningen bespotten, hoewel we ons uiterste best deden ernstig te blijven.”En hij gaf een zeer vrij verhaal van het gebeurde, waarin de arme bergbewoners werden voorgesteld als verraders en wreedaards, terwijl hij en zijn broeder onschuldige slachtoffers schenen van hun kwade trouw.De vorstin trilde van toorn; zij balde haar handen en sloeg er mede tegen het voorhoofd.„Die hoon moet uitgewischt worden; dat volk verdient de zwaarste straffen. Radhen Wiro Negoro moet toonen dat zij, die zijn zonen beleedigen, hem zelf aanvallen. Ik zal hem tot wraak aansporen tegen dat vervloekte ras!”„De Tengereezen zijn hem dierbaarder dan zijn kinderen!” spotte[156]Lembono, terwijl Pengantin overdacht of hij de wraakneming niet zoo kon inrichten dat hij toch in ’t bezit van Siwangi kwam.Daar snelde de jonge, schoone Radhen Soederma, Pengantins gade, naar binnen; zij had met haar vrouwen een kleine wandeling gemaakt in den tuin die zich verder in het woud bevond en hoorde terugkomend van het ongeval, dat haar echtgenoot was overkomen.Met alle kenteekenen van schrik en zorg trad zij onder de veranda en liet de andere vrouwen vertrekken; zij alleen wilde hem helpen, hem verbinden en verkwikken; op haar arm geleund, wankelde Pengantin naar binnen, terwijl Soederma bevel gaf den doekoen (lijfarts) haars schoonvaders te ontbieden.Radhen Goesik zag haar spottend na en haalde de schouders op. Lembono glimlachte en fluisterde zijn moeder toe:„Mijn schoone zuster moest eens weten, waardoor mijn broeder zich die wonde berokkend heeft. Meent ge waarlijk, lieve moeder dat die Tengereezen ons zonder eenige reden aangevallen en verwond hebben?”„Dat is mij tamelijk onverschillig; er kan geen reden zijn zoo gewichtig om hun vijandig optreden te verschoonen; verlangt gij iets van hen en willen zij ’t u niet goedschiks geven, dan zijt ge in uw volste recht het te nemen al gold het ook hun vrouwen en kinderen.”„Liefste moeder, waart gij slechts onze vorstelijke vader,” vleide Lembono. „Wanneer komt Radhen Wiro Negoro hier terug?”„Weet ik zelf of hij hier komt? Hij is naar de grenzen van Kediri, Nitro vergezelt hem met den prins van Balembangan. Vertel me nu, naar waarheid wat er voorviel, dan kan ik oordeelen wat aan uw vader dient verhaald te worden. Het geldt zeker weer een verliefde gril van Pengantin?”[157]1Wierook.↑

[Inhoud]VII.BANJOE BIROE.Een der verrukkelijkste plekjes van Java is zeker het meertje Blauwwater of Banjoe biroe genaamd, dat zich aan den voet van het Tengersche gebergte verschuilt; nu nog roemen alle reizigers om strijd de onvergelijkelijke frischheid, die onder de hooge boomen aan de oevers van het meer met zijn doorschijnende azuren wateren heerscht. Donkerblauw is het meer dat uit een bron ontstaat en later als een riviertje zich naar beneden spoedt om de sawahs in den omtrek te besproeien; die donkerblauwe kleur dankt zij aan de helderblauwe steenachtige bedding die tot in de diepste diepte het water bevat. Duizenden en duizenden visschen dartelen in het kristallen vocht; zij zijn den inlander even heilig als de talrijke apen die in de hooge boomen, welke het meer beschaduwen en hun lange takken in het water doen slepen, stoeien, fluiten, krijschen, als ware hun leven niets dan een eindeloos spel.Aan de oevers van het meer verhief zich het lusthuis des vorsten. Het was een eenvoudig gebouw bijna geheel verscholen onder de hooge boomen en door een stevigen muur omsloten, die ook het water van vrij nabij volgde. Hindoesche beelden versierden de oevers; een soort van galerij was boven het meer uitgebouwd, vanwaar een trapje van eenige treden tot in het water reikte en het vergemakkelijkte daarin een bad te nemen.Hoewel het midden op den dag was, heerschte een koelte vol frischheid onder de hooge boomen en op het water, dat zich letterlijk midden in het woud bevond. In de galerij vooral was het heerlijk, de zonnestralen spatten flikkerend rond door het dichte[149]netwerk van het gebladerte en deden het meer schitteren als een reusachtige vloeibare saffier; op gele matjes zaten eenige vrouwen, bezig met het dakonspel, de beenen hadden zij kruiselings onder het lichaam gevouwen en op een divan hooger dan zij troonde de Radhen GoesikKoesoema.De jaren waren niet ongemerkt over het hoofd der Mataramsche prinses heen gegaan en de jaren zijn Javaanschen vrouwen vooral niet gunstig; toch had zij uit de schipbreuk der jeugd nog veel overgehouden, haar rijken haardos en vooral een wijze om het hoofd te dragen, die de geboren vorstin kenmerkte; haar zwevende, onzekere gang had plaats gemaakt voor den zelfbewusten tred eener vorstin, die weet dat zij bevelen kan en mag.Aan de voeten van haar divan zat een verschrompeld oud, klein manneke; hij kon nauwelijks meer loopen, slechts kruipen, afzichtelijk waren de trekken van zijn groot hoofd verwrongen, toch was hij nog altijd Radhen Goesik’s liefste gezelschap.„Neemt uw spellen en zit verder op,” beval de vorstin haar vrouwen, „ik heb met mijn raadsman te spreken.”In een oogwenk waren de matjes opgerold, de dakons ter hand genomen en de vrouwen snelden weg; men wist dat na een lang zwijgen tusschen de prinses en haar dwerg zulk een gesprek onvermijdelijk volgde.„De oude Kiai schijnt nooit meer terug te keeren,” sprak Radhen Goesik gejaagd, „bijna een jaar is verloopen na zijn vertrek.”„Boeloe Kidoer had ’t hem voorspeld!” zoo klonk de gebrokene, ratelende stem van het gedrocht; „de Hollander geeft niet terug wat zich vrijwillig in zijn steeds geopenden muil werpt. Wat zegt de gemaal mijner meesteres van zijn afwezigheid?”„Ge weet dat Radhen Wiro Negoro mij niet eens deelgenoot maakte van zijn heengaan,” hernam de vorstin bitter, „en nog weet[150]ik niet wat hem opgedragen was op Batavia te onderhandelen, hoewel ik ’t raad. O, Boeloe, hoe diep heeft de liefde tot den Hollander wortel geschoten in zijn ziel. Niets kan ze uitroeien of men moest den krachtigen boom omhakken.”„De boom is omgehakt maar niets anders heeft in den nog door vezels verzaden grond willen tieren.”„Ik heb er niets in kunnen planten, niets!” en haar stem klonk bijna jammerend, „en Allah weet hoeveel moeite ik er toe deed, in mijne beste jaren toen ik jong en schoon was, nu ben ik slechts een schaduw van weleer, wat zal ik nu vermogen? Ik en mijn kinderen?”„Ik begrijp uw weeklacht niet, groote Vrouwe. Heeft Soerapati u niet alles gegeven, wat gij wenschtet? Heeft hij het vertrouwen, dat gij in hem steldet, beschaamd? Gij hebt een gevluchten slaaf, een struikroover uw hand geschonken, hij maakte u tot een vorstin machtiger dan Pakoe Boewana’s Ratoe. Uw kinderen zijn vorsten, uw schoondochters prinsessen. Wat verlangt ge nog meer?”Radhen Goesik zuchtte:„Ge hebt gelijk, Boeloe! Ik ben ondankbaar, ware ikPoerbaya’sgade gebleven, ik zou het treurig leven eener gevangene hebben geleid te midden der gehate kafirs. Soerapati heeft mij glans, macht en eer geschonken, hij heeft mij naast zich verheven.…”„En hij duldt geen andere naast zich. Met niemand hebt gij uw titel te deelen. Zusje, wat zijt ge veeleischend!”„Ik beken ’t Boeloe! Velen zouden meenen dat ik nu het toppunt mijner wenschen bereikt had en toch ben ik niet tevreden, niet gerust. Dit gebouw Boeloe, door de machtige hand van mijn gemaal opgetrokken rust op zandgrond; als hij er niet meer is om het te steunen dan zal het in elkander storten. En ook hij[151]vreest het.… doch nimmer spreken wij over onze vrees. Ik ben hem niets, niets meer dan zijn Ratoe, de moeder zijner kinderen, de poetri die hem hielp de ladder te bestijgen, welke naar roem en macht voert.”„Maar is dat niet genoeg? Wat wilt ge meer? De tijd is toch voorbij dat ge smaak vondt in de zoete kwee-kwee, welke hij u in zijnliefkoozingenboodt? Die moeten u thans walgen, want ge zijt niet jong meer, grootmoedertje!”„Dat behoeft gij mij niet te herinneren, dwerg! Daarom juist wil ik de spijs genieten, die mijn leeftijd past. Ik verlang zijn honigzoete vleierij, zijn misschien leugenachtige liefdesbetuigingen niet meer. Naar iets anders heb ik dorst; naar de kennis van zijn plannen, naar de vertrouwelijke mededeelingen van zijn zorgen en bekommernissen. Ik wilde met hem de belangen bespreken van zijn … laat me liever zeggen van ons rijk, want wat ware er van hem geworden zonder mijn liefde, zonder mijn steun?”„Hij behandelt zijn Ratoe met een eerbied, waarvan men tot nu toe op Java geen weerga zag; met niemand deelt zij zijn bezit.”„Meent ge dat ik dit voorrecht zoo hoog stel? Hoe, ik zou nog liever aan het hoofd staan van een welgevulden kapoetren dan het eenzame leven te leiden te midden mijner dienaressen, waartoe hij mij veroordeelt. Daar zou ik heerschen over mijn gelijken, nu zijn het slechts slavinnen die mij gehoorzamen en ook mijn zoons dwingt hij tot die Westersche onthouding en waarom, juist dit is ’t wat mij dag en nacht pijnigt, omdat het zijn hoogste eerzucht is, den blankenChristenhondenna te volgen omdat hij slechts van hen zijn heil afwacht, en het voortbestaan van zijn rijk, terwijl ik daarentegen voor niets insta, zoo hij niet den Islam ter hulpe roept.”[152]„Juist, door een beroep te doen op de oude liefde der Oost-Javanen voor den godsdienst van Batoro Goeroe, die ook de zijne is gebleven, gelukte het hem deze volken te onderwerpen.”„Meent ge dat, dwaze? Ja, ’t is waar de Tenger en de Zuidelijke streken hebben in hem een afgezant der goden gezien, maar Pasoeroean duldt slechts noode het gezag van een heiden en wat zijn hem de vormen van de Brahmanen? Een lastig, vervelend kleed, dat hij vol vreugde af zou werpen om den eeredienst der Westerlingen aan te nemen en met hen vereenigd een soort van monsterverbond te sluiten. Maar ik de vurige Mahomedaansche, ik huiver van hun kille aanraking, liever niets dan vorstin door hen gekroond.”„Zoo dacht Pangeran Poeger er niet over en uw grootvader keizer Tagal Wangie evenmin,” grijnsde Boeloe, „wat zou er van Mataram geworden zijn, indien de kafir zijn reddende hand niet naar hen uitgestoken had?”„Die hulp is hun ook duur te staan gekomen, maar Soerapati wenscht meer; hij verlangt door hen als gelijke te worden behandeld, niet als een onmondig kind, dat zelf niet met zijn speelgoed overweg kan en dus de hulp der ouderen en wijzeren noodig heeft.”„Maar vorstin! de hartstocht doet u dwalen, ge zijt altijd jaloersch geweest op de Hollanders, eerst om de liefde, welke uw echtgenoot een christenvrouw toedroeg, later omdat hij van hen alleen steun verwacht tot instandhouding van hun rijk. Jaloezie is ’t alleen wat uw leven beheerscht!”„Ja ’t is waar, ik ben jaloersch! Hadde hij nooit die blanke liefgehad, nooit zouden zijn gedachten weer telkens zijn teruggekeerd naar hen, tot wier volk zij behoorde. Gelijk gindsche zonnebloem de zon volgt, waar zij ook schijnt, zoo blijft zijn oog altijd op haar gericht. Zonder haar ware hij, de Balinees, geheel Javaan[153]geworden, zou hij mij liefgehad en vereerd hebben als zijn wettige eerste vrouw, maar hij had het niet beneden zich geacht ook anderen zijn gunst te bewijzen en ik had niet gemord, verheugd als ik ware dat hij mijn geloof en mijn volksgebruiken deelde, maar nu.…”„Gij vreest die doode vrouw meer dan een geheelen kapoetren.”„Dwerg, ge leest mijn gedachten! Waartoe zou het dienen ze u te verbergen? Ja, dat is zoo! Evenals het vat, waarin eenmaal doepa1gebrand werd, zijn geuren behoudt, al werpt men er ook later de sterkste kruiden in, zoo blijft in hem steeds de herinnering leven aan zijn eerste jeugd, aan zijn grootste liefde. Die herinnering doortrekt zijn dagen met haar gehaten geur, na Suzanna heeft hij nooit meer liefgehad, zelfs niet mij!”Dat laatste woord klonk als een onderdrukte snik.„En toch wat heeft zij hem geschonken en wat ik!”„Zusje, zusje! Verwijt de u bewezen gunsten niet! Schrijf ze op, daar ginds in het water, dan verzinken zij in de diepte, en wees oprecht; was toen ter tijd de liefde van den roover niet de grootste weldaad, die de prinses verlangde en waarvoor geen offer haar te groot scheen!”„Heb ik ze dan ontvangen, Boeloe? Neen, de liefde waarvan ik droomde, daarnaar honger ik nu nog. Liefde, die alles deelt met den geliefde, gedachten, hoop, vrees, zorgen, plannen en wat schonk Soerapati mij? De kostbare gouden kas, waarin echter de schitterende diamant ontbreekt!”Zij zweeg gedurende weinige oogenblikken en ook Boeloe sprak niets.„Dwerg,” ging zij voort, „ik weet niets van wat er thans omgaat[154]in het rijk. Hij heeft Soenan Mas een gastvrijheid verleend, die den armen vorst zwaar drukt, een gastvrijheid die veel op kerkerstraf gelijkt. Wat is daar zijn doel mede? Hij is bijna altijd afwezig, hij oefent zijn soldaten, hij versterkt zijn vestingen. Is er oorlog op til? En met wien?”„De machtige Radhen Adipati wijdde mij niet in zijn geheimen.”„Tegen Pakoe Boewana, tegen den onwettigen keizer zal hij strijden, maar dan zal ’t ook wezen tegen de Hollanders! O als hij hen vernietigen, als hij hen verjagen kon!”„Zal dan zijn liefde jegens hen ook uitgeroeid zijn, vorstin?”„Hij kan op den duur niet alleen staan tegen zijn volk, tegen zijn gezin, want ook zijn zonen verfoeien wat ik verfoei!”„Dus wil mijn goede moeder, de sieraden welke zij van haar gemaal ontving doen versmelten in krissen, die hem moeten dooden?”Het antwoord op Boeloe’s tartende vraag, die waarschijnlijk licht verspreidde op nog duistere plekken inKoesoema’sgemoed, werd haar echter bespaard.Mas Pengantin, door Lembono gevolgd, trad binnen; hij zag er ellendig uit, zijn kleederen waren in wanorde en gescheurd, zijn gelaat bebloed, zijn arm hing in een zijden doek. Ook Lembono, hoewel minder gehavend scheen bleek en vermoeid.„Wat deert u mijn zoons!” riep Radhen Goesik verschrikt uit.„Moeder, zie, dat hebben vaders vrienden, de trouwe, vreedzame Tengereezen gedaan!” huilde Pengantin en wierp zich luid jammerend op den divan naast haar neer.„Ge ziet er waarlijk niet feestelijk uit voor vrome bedevaartgangers,” merkte Boeloe Kidoer droogjes op.„Vloek over de vroomheid van dat huichelachtig volk,” zeide Lembono bits, „ware ik Radhen Wiro Negoro, ik zou hen allen uitroeien van den eerste tot den laatste.”[155]„Spreek geen kwaad van hen, hij deelt hun bijgeloof met hart en ziel en zoo zij u aangevallen hebben mijn zoons, ligt de schuld aan u,” sprak de vorstin gemelijk. „Waarom hebt gij aan hun bijgeloovige misbruiken deelgenomen terwijl gij in uw hart Allah, den eenigen God en zijn Profeet aanbidt? Gijzelf hebt u schuldig gemaakt aan huichelarij en afgodendienst.”„Vader veroorlooft ons niet iets anders te aanbidden dan wat hem goeddunkt.”Pengantin ging voort met kermen en met klagen. Brahma,Boeddhaof Mahomed waren hem allen even onverschillig. Hij jammerde zoo wanhopig, alleen omdat zijn weldoordachte schaking mislukt was, maar dat wist zijn moeder niet.„Vertel me alles,” ging zij met vonkelende oogen voort, terwijl haar dienaressen zich om strijd beijverden den gewonden prins te verfrisschen en te verplegen. „Vertel me alles Lembono, wat er gebeurde! Waarom hebben de Tengereezen u aangevallen?”„Weet ik het? wellicht, omdat zij meenden dat wij hun dwaze vertooningen bespotten, hoewel we ons uiterste best deden ernstig te blijven.”En hij gaf een zeer vrij verhaal van het gebeurde, waarin de arme bergbewoners werden voorgesteld als verraders en wreedaards, terwijl hij en zijn broeder onschuldige slachtoffers schenen van hun kwade trouw.De vorstin trilde van toorn; zij balde haar handen en sloeg er mede tegen het voorhoofd.„Die hoon moet uitgewischt worden; dat volk verdient de zwaarste straffen. Radhen Wiro Negoro moet toonen dat zij, die zijn zonen beleedigen, hem zelf aanvallen. Ik zal hem tot wraak aansporen tegen dat vervloekte ras!”„De Tengereezen zijn hem dierbaarder dan zijn kinderen!” spotte[156]Lembono, terwijl Pengantin overdacht of hij de wraakneming niet zoo kon inrichten dat hij toch in ’t bezit van Siwangi kwam.Daar snelde de jonge, schoone Radhen Soederma, Pengantins gade, naar binnen; zij had met haar vrouwen een kleine wandeling gemaakt in den tuin die zich verder in het woud bevond en hoorde terugkomend van het ongeval, dat haar echtgenoot was overkomen.Met alle kenteekenen van schrik en zorg trad zij onder de veranda en liet de andere vrouwen vertrekken; zij alleen wilde hem helpen, hem verbinden en verkwikken; op haar arm geleund, wankelde Pengantin naar binnen, terwijl Soederma bevel gaf den doekoen (lijfarts) haars schoonvaders te ontbieden.Radhen Goesik zag haar spottend na en haalde de schouders op. Lembono glimlachte en fluisterde zijn moeder toe:„Mijn schoone zuster moest eens weten, waardoor mijn broeder zich die wonde berokkend heeft. Meent ge waarlijk, lieve moeder dat die Tengereezen ons zonder eenige reden aangevallen en verwond hebben?”„Dat is mij tamelijk onverschillig; er kan geen reden zijn zoo gewichtig om hun vijandig optreden te verschoonen; verlangt gij iets van hen en willen zij ’t u niet goedschiks geven, dan zijt ge in uw volste recht het te nemen al gold het ook hun vrouwen en kinderen.”„Liefste moeder, waart gij slechts onze vorstelijke vader,” vleide Lembono. „Wanneer komt Radhen Wiro Negoro hier terug?”„Weet ik zelf of hij hier komt? Hij is naar de grenzen van Kediri, Nitro vergezelt hem met den prins van Balembangan. Vertel me nu, naar waarheid wat er voorviel, dan kan ik oordeelen wat aan uw vader dient verhaald te worden. Het geldt zeker weer een verliefde gril van Pengantin?”[157]1Wierook.↑

[Inhoud]VII.BANJOE BIROE.Een der verrukkelijkste plekjes van Java is zeker het meertje Blauwwater of Banjoe biroe genaamd, dat zich aan den voet van het Tengersche gebergte verschuilt; nu nog roemen alle reizigers om strijd de onvergelijkelijke frischheid, die onder de hooge boomen aan de oevers van het meer met zijn doorschijnende azuren wateren heerscht. Donkerblauw is het meer dat uit een bron ontstaat en later als een riviertje zich naar beneden spoedt om de sawahs in den omtrek te besproeien; die donkerblauwe kleur dankt zij aan de helderblauwe steenachtige bedding die tot in de diepste diepte het water bevat. Duizenden en duizenden visschen dartelen in het kristallen vocht; zij zijn den inlander even heilig als de talrijke apen die in de hooge boomen, welke het meer beschaduwen en hun lange takken in het water doen slepen, stoeien, fluiten, krijschen, als ware hun leven niets dan een eindeloos spel.Aan de oevers van het meer verhief zich het lusthuis des vorsten. Het was een eenvoudig gebouw bijna geheel verscholen onder de hooge boomen en door een stevigen muur omsloten, die ook het water van vrij nabij volgde. Hindoesche beelden versierden de oevers; een soort van galerij was boven het meer uitgebouwd, vanwaar een trapje van eenige treden tot in het water reikte en het vergemakkelijkte daarin een bad te nemen.Hoewel het midden op den dag was, heerschte een koelte vol frischheid onder de hooge boomen en op het water, dat zich letterlijk midden in het woud bevond. In de galerij vooral was het heerlijk, de zonnestralen spatten flikkerend rond door het dichte[149]netwerk van het gebladerte en deden het meer schitteren als een reusachtige vloeibare saffier; op gele matjes zaten eenige vrouwen, bezig met het dakonspel, de beenen hadden zij kruiselings onder het lichaam gevouwen en op een divan hooger dan zij troonde de Radhen GoesikKoesoema.De jaren waren niet ongemerkt over het hoofd der Mataramsche prinses heen gegaan en de jaren zijn Javaanschen vrouwen vooral niet gunstig; toch had zij uit de schipbreuk der jeugd nog veel overgehouden, haar rijken haardos en vooral een wijze om het hoofd te dragen, die de geboren vorstin kenmerkte; haar zwevende, onzekere gang had plaats gemaakt voor den zelfbewusten tred eener vorstin, die weet dat zij bevelen kan en mag.Aan de voeten van haar divan zat een verschrompeld oud, klein manneke; hij kon nauwelijks meer loopen, slechts kruipen, afzichtelijk waren de trekken van zijn groot hoofd verwrongen, toch was hij nog altijd Radhen Goesik’s liefste gezelschap.„Neemt uw spellen en zit verder op,” beval de vorstin haar vrouwen, „ik heb met mijn raadsman te spreken.”In een oogwenk waren de matjes opgerold, de dakons ter hand genomen en de vrouwen snelden weg; men wist dat na een lang zwijgen tusschen de prinses en haar dwerg zulk een gesprek onvermijdelijk volgde.„De oude Kiai schijnt nooit meer terug te keeren,” sprak Radhen Goesik gejaagd, „bijna een jaar is verloopen na zijn vertrek.”„Boeloe Kidoer had ’t hem voorspeld!” zoo klonk de gebrokene, ratelende stem van het gedrocht; „de Hollander geeft niet terug wat zich vrijwillig in zijn steeds geopenden muil werpt. Wat zegt de gemaal mijner meesteres van zijn afwezigheid?”„Ge weet dat Radhen Wiro Negoro mij niet eens deelgenoot maakte van zijn heengaan,” hernam de vorstin bitter, „en nog weet[150]ik niet wat hem opgedragen was op Batavia te onderhandelen, hoewel ik ’t raad. O, Boeloe, hoe diep heeft de liefde tot den Hollander wortel geschoten in zijn ziel. Niets kan ze uitroeien of men moest den krachtigen boom omhakken.”„De boom is omgehakt maar niets anders heeft in den nog door vezels verzaden grond willen tieren.”„Ik heb er niets in kunnen planten, niets!” en haar stem klonk bijna jammerend, „en Allah weet hoeveel moeite ik er toe deed, in mijne beste jaren toen ik jong en schoon was, nu ben ik slechts een schaduw van weleer, wat zal ik nu vermogen? Ik en mijn kinderen?”„Ik begrijp uw weeklacht niet, groote Vrouwe. Heeft Soerapati u niet alles gegeven, wat gij wenschtet? Heeft hij het vertrouwen, dat gij in hem steldet, beschaamd? Gij hebt een gevluchten slaaf, een struikroover uw hand geschonken, hij maakte u tot een vorstin machtiger dan Pakoe Boewana’s Ratoe. Uw kinderen zijn vorsten, uw schoondochters prinsessen. Wat verlangt ge nog meer?”Radhen Goesik zuchtte:„Ge hebt gelijk, Boeloe! Ik ben ondankbaar, ware ikPoerbaya’sgade gebleven, ik zou het treurig leven eener gevangene hebben geleid te midden der gehate kafirs. Soerapati heeft mij glans, macht en eer geschonken, hij heeft mij naast zich verheven.…”„En hij duldt geen andere naast zich. Met niemand hebt gij uw titel te deelen. Zusje, wat zijt ge veeleischend!”„Ik beken ’t Boeloe! Velen zouden meenen dat ik nu het toppunt mijner wenschen bereikt had en toch ben ik niet tevreden, niet gerust. Dit gebouw Boeloe, door de machtige hand van mijn gemaal opgetrokken rust op zandgrond; als hij er niet meer is om het te steunen dan zal het in elkander storten. En ook hij[151]vreest het.… doch nimmer spreken wij over onze vrees. Ik ben hem niets, niets meer dan zijn Ratoe, de moeder zijner kinderen, de poetri die hem hielp de ladder te bestijgen, welke naar roem en macht voert.”„Maar is dat niet genoeg? Wat wilt ge meer? De tijd is toch voorbij dat ge smaak vondt in de zoete kwee-kwee, welke hij u in zijnliefkoozingenboodt? Die moeten u thans walgen, want ge zijt niet jong meer, grootmoedertje!”„Dat behoeft gij mij niet te herinneren, dwerg! Daarom juist wil ik de spijs genieten, die mijn leeftijd past. Ik verlang zijn honigzoete vleierij, zijn misschien leugenachtige liefdesbetuigingen niet meer. Naar iets anders heb ik dorst; naar de kennis van zijn plannen, naar de vertrouwelijke mededeelingen van zijn zorgen en bekommernissen. Ik wilde met hem de belangen bespreken van zijn … laat me liever zeggen van ons rijk, want wat ware er van hem geworden zonder mijn liefde, zonder mijn steun?”„Hij behandelt zijn Ratoe met een eerbied, waarvan men tot nu toe op Java geen weerga zag; met niemand deelt zij zijn bezit.”„Meent ge dat ik dit voorrecht zoo hoog stel? Hoe, ik zou nog liever aan het hoofd staan van een welgevulden kapoetren dan het eenzame leven te leiden te midden mijner dienaressen, waartoe hij mij veroordeelt. Daar zou ik heerschen over mijn gelijken, nu zijn het slechts slavinnen die mij gehoorzamen en ook mijn zoons dwingt hij tot die Westersche onthouding en waarom, juist dit is ’t wat mij dag en nacht pijnigt, omdat het zijn hoogste eerzucht is, den blankenChristenhondenna te volgen omdat hij slechts van hen zijn heil afwacht, en het voortbestaan van zijn rijk, terwijl ik daarentegen voor niets insta, zoo hij niet den Islam ter hulpe roept.”[152]„Juist, door een beroep te doen op de oude liefde der Oost-Javanen voor den godsdienst van Batoro Goeroe, die ook de zijne is gebleven, gelukte het hem deze volken te onderwerpen.”„Meent ge dat, dwaze? Ja, ’t is waar de Tenger en de Zuidelijke streken hebben in hem een afgezant der goden gezien, maar Pasoeroean duldt slechts noode het gezag van een heiden en wat zijn hem de vormen van de Brahmanen? Een lastig, vervelend kleed, dat hij vol vreugde af zou werpen om den eeredienst der Westerlingen aan te nemen en met hen vereenigd een soort van monsterverbond te sluiten. Maar ik de vurige Mahomedaansche, ik huiver van hun kille aanraking, liever niets dan vorstin door hen gekroond.”„Zoo dacht Pangeran Poeger er niet over en uw grootvader keizer Tagal Wangie evenmin,” grijnsde Boeloe, „wat zou er van Mataram geworden zijn, indien de kafir zijn reddende hand niet naar hen uitgestoken had?”„Die hulp is hun ook duur te staan gekomen, maar Soerapati wenscht meer; hij verlangt door hen als gelijke te worden behandeld, niet als een onmondig kind, dat zelf niet met zijn speelgoed overweg kan en dus de hulp der ouderen en wijzeren noodig heeft.”„Maar vorstin! de hartstocht doet u dwalen, ge zijt altijd jaloersch geweest op de Hollanders, eerst om de liefde, welke uw echtgenoot een christenvrouw toedroeg, later omdat hij van hen alleen steun verwacht tot instandhouding van hun rijk. Jaloezie is ’t alleen wat uw leven beheerscht!”„Ja ’t is waar, ik ben jaloersch! Hadde hij nooit die blanke liefgehad, nooit zouden zijn gedachten weer telkens zijn teruggekeerd naar hen, tot wier volk zij behoorde. Gelijk gindsche zonnebloem de zon volgt, waar zij ook schijnt, zoo blijft zijn oog altijd op haar gericht. Zonder haar ware hij, de Balinees, geheel Javaan[153]geworden, zou hij mij liefgehad en vereerd hebben als zijn wettige eerste vrouw, maar hij had het niet beneden zich geacht ook anderen zijn gunst te bewijzen en ik had niet gemord, verheugd als ik ware dat hij mijn geloof en mijn volksgebruiken deelde, maar nu.…”„Gij vreest die doode vrouw meer dan een geheelen kapoetren.”„Dwerg, ge leest mijn gedachten! Waartoe zou het dienen ze u te verbergen? Ja, dat is zoo! Evenals het vat, waarin eenmaal doepa1gebrand werd, zijn geuren behoudt, al werpt men er ook later de sterkste kruiden in, zoo blijft in hem steeds de herinnering leven aan zijn eerste jeugd, aan zijn grootste liefde. Die herinnering doortrekt zijn dagen met haar gehaten geur, na Suzanna heeft hij nooit meer liefgehad, zelfs niet mij!”Dat laatste woord klonk als een onderdrukte snik.„En toch wat heeft zij hem geschonken en wat ik!”„Zusje, zusje! Verwijt de u bewezen gunsten niet! Schrijf ze op, daar ginds in het water, dan verzinken zij in de diepte, en wees oprecht; was toen ter tijd de liefde van den roover niet de grootste weldaad, die de prinses verlangde en waarvoor geen offer haar te groot scheen!”„Heb ik ze dan ontvangen, Boeloe? Neen, de liefde waarvan ik droomde, daarnaar honger ik nu nog. Liefde, die alles deelt met den geliefde, gedachten, hoop, vrees, zorgen, plannen en wat schonk Soerapati mij? De kostbare gouden kas, waarin echter de schitterende diamant ontbreekt!”Zij zweeg gedurende weinige oogenblikken en ook Boeloe sprak niets.„Dwerg,” ging zij voort, „ik weet niets van wat er thans omgaat[154]in het rijk. Hij heeft Soenan Mas een gastvrijheid verleend, die den armen vorst zwaar drukt, een gastvrijheid die veel op kerkerstraf gelijkt. Wat is daar zijn doel mede? Hij is bijna altijd afwezig, hij oefent zijn soldaten, hij versterkt zijn vestingen. Is er oorlog op til? En met wien?”„De machtige Radhen Adipati wijdde mij niet in zijn geheimen.”„Tegen Pakoe Boewana, tegen den onwettigen keizer zal hij strijden, maar dan zal ’t ook wezen tegen de Hollanders! O als hij hen vernietigen, als hij hen verjagen kon!”„Zal dan zijn liefde jegens hen ook uitgeroeid zijn, vorstin?”„Hij kan op den duur niet alleen staan tegen zijn volk, tegen zijn gezin, want ook zijn zonen verfoeien wat ik verfoei!”„Dus wil mijn goede moeder, de sieraden welke zij van haar gemaal ontving doen versmelten in krissen, die hem moeten dooden?”Het antwoord op Boeloe’s tartende vraag, die waarschijnlijk licht verspreidde op nog duistere plekken inKoesoema’sgemoed, werd haar echter bespaard.Mas Pengantin, door Lembono gevolgd, trad binnen; hij zag er ellendig uit, zijn kleederen waren in wanorde en gescheurd, zijn gelaat bebloed, zijn arm hing in een zijden doek. Ook Lembono, hoewel minder gehavend scheen bleek en vermoeid.„Wat deert u mijn zoons!” riep Radhen Goesik verschrikt uit.„Moeder, zie, dat hebben vaders vrienden, de trouwe, vreedzame Tengereezen gedaan!” huilde Pengantin en wierp zich luid jammerend op den divan naast haar neer.„Ge ziet er waarlijk niet feestelijk uit voor vrome bedevaartgangers,” merkte Boeloe Kidoer droogjes op.„Vloek over de vroomheid van dat huichelachtig volk,” zeide Lembono bits, „ware ik Radhen Wiro Negoro, ik zou hen allen uitroeien van den eerste tot den laatste.”[155]„Spreek geen kwaad van hen, hij deelt hun bijgeloof met hart en ziel en zoo zij u aangevallen hebben mijn zoons, ligt de schuld aan u,” sprak de vorstin gemelijk. „Waarom hebt gij aan hun bijgeloovige misbruiken deelgenomen terwijl gij in uw hart Allah, den eenigen God en zijn Profeet aanbidt? Gijzelf hebt u schuldig gemaakt aan huichelarij en afgodendienst.”„Vader veroorlooft ons niet iets anders te aanbidden dan wat hem goeddunkt.”Pengantin ging voort met kermen en met klagen. Brahma,Boeddhaof Mahomed waren hem allen even onverschillig. Hij jammerde zoo wanhopig, alleen omdat zijn weldoordachte schaking mislukt was, maar dat wist zijn moeder niet.„Vertel me alles,” ging zij met vonkelende oogen voort, terwijl haar dienaressen zich om strijd beijverden den gewonden prins te verfrisschen en te verplegen. „Vertel me alles Lembono, wat er gebeurde! Waarom hebben de Tengereezen u aangevallen?”„Weet ik het? wellicht, omdat zij meenden dat wij hun dwaze vertooningen bespotten, hoewel we ons uiterste best deden ernstig te blijven.”En hij gaf een zeer vrij verhaal van het gebeurde, waarin de arme bergbewoners werden voorgesteld als verraders en wreedaards, terwijl hij en zijn broeder onschuldige slachtoffers schenen van hun kwade trouw.De vorstin trilde van toorn; zij balde haar handen en sloeg er mede tegen het voorhoofd.„Die hoon moet uitgewischt worden; dat volk verdient de zwaarste straffen. Radhen Wiro Negoro moet toonen dat zij, die zijn zonen beleedigen, hem zelf aanvallen. Ik zal hem tot wraak aansporen tegen dat vervloekte ras!”„De Tengereezen zijn hem dierbaarder dan zijn kinderen!” spotte[156]Lembono, terwijl Pengantin overdacht of hij de wraakneming niet zoo kon inrichten dat hij toch in ’t bezit van Siwangi kwam.Daar snelde de jonge, schoone Radhen Soederma, Pengantins gade, naar binnen; zij had met haar vrouwen een kleine wandeling gemaakt in den tuin die zich verder in het woud bevond en hoorde terugkomend van het ongeval, dat haar echtgenoot was overkomen.Met alle kenteekenen van schrik en zorg trad zij onder de veranda en liet de andere vrouwen vertrekken; zij alleen wilde hem helpen, hem verbinden en verkwikken; op haar arm geleund, wankelde Pengantin naar binnen, terwijl Soederma bevel gaf den doekoen (lijfarts) haars schoonvaders te ontbieden.Radhen Goesik zag haar spottend na en haalde de schouders op. Lembono glimlachte en fluisterde zijn moeder toe:„Mijn schoone zuster moest eens weten, waardoor mijn broeder zich die wonde berokkend heeft. Meent ge waarlijk, lieve moeder dat die Tengereezen ons zonder eenige reden aangevallen en verwond hebben?”„Dat is mij tamelijk onverschillig; er kan geen reden zijn zoo gewichtig om hun vijandig optreden te verschoonen; verlangt gij iets van hen en willen zij ’t u niet goedschiks geven, dan zijt ge in uw volste recht het te nemen al gold het ook hun vrouwen en kinderen.”„Liefste moeder, waart gij slechts onze vorstelijke vader,” vleide Lembono. „Wanneer komt Radhen Wiro Negoro hier terug?”„Weet ik zelf of hij hier komt? Hij is naar de grenzen van Kediri, Nitro vergezelt hem met den prins van Balembangan. Vertel me nu, naar waarheid wat er voorviel, dan kan ik oordeelen wat aan uw vader dient verhaald te worden. Het geldt zeker weer een verliefde gril van Pengantin?”[157]1Wierook.↑

VII.BANJOE BIROE.

Een der verrukkelijkste plekjes van Java is zeker het meertje Blauwwater of Banjoe biroe genaamd, dat zich aan den voet van het Tengersche gebergte verschuilt; nu nog roemen alle reizigers om strijd de onvergelijkelijke frischheid, die onder de hooge boomen aan de oevers van het meer met zijn doorschijnende azuren wateren heerscht. Donkerblauw is het meer dat uit een bron ontstaat en later als een riviertje zich naar beneden spoedt om de sawahs in den omtrek te besproeien; die donkerblauwe kleur dankt zij aan de helderblauwe steenachtige bedding die tot in de diepste diepte het water bevat. Duizenden en duizenden visschen dartelen in het kristallen vocht; zij zijn den inlander even heilig als de talrijke apen die in de hooge boomen, welke het meer beschaduwen en hun lange takken in het water doen slepen, stoeien, fluiten, krijschen, als ware hun leven niets dan een eindeloos spel.Aan de oevers van het meer verhief zich het lusthuis des vorsten. Het was een eenvoudig gebouw bijna geheel verscholen onder de hooge boomen en door een stevigen muur omsloten, die ook het water van vrij nabij volgde. Hindoesche beelden versierden de oevers; een soort van galerij was boven het meer uitgebouwd, vanwaar een trapje van eenige treden tot in het water reikte en het vergemakkelijkte daarin een bad te nemen.Hoewel het midden op den dag was, heerschte een koelte vol frischheid onder de hooge boomen en op het water, dat zich letterlijk midden in het woud bevond. In de galerij vooral was het heerlijk, de zonnestralen spatten flikkerend rond door het dichte[149]netwerk van het gebladerte en deden het meer schitteren als een reusachtige vloeibare saffier; op gele matjes zaten eenige vrouwen, bezig met het dakonspel, de beenen hadden zij kruiselings onder het lichaam gevouwen en op een divan hooger dan zij troonde de Radhen GoesikKoesoema.De jaren waren niet ongemerkt over het hoofd der Mataramsche prinses heen gegaan en de jaren zijn Javaanschen vrouwen vooral niet gunstig; toch had zij uit de schipbreuk der jeugd nog veel overgehouden, haar rijken haardos en vooral een wijze om het hoofd te dragen, die de geboren vorstin kenmerkte; haar zwevende, onzekere gang had plaats gemaakt voor den zelfbewusten tred eener vorstin, die weet dat zij bevelen kan en mag.Aan de voeten van haar divan zat een verschrompeld oud, klein manneke; hij kon nauwelijks meer loopen, slechts kruipen, afzichtelijk waren de trekken van zijn groot hoofd verwrongen, toch was hij nog altijd Radhen Goesik’s liefste gezelschap.„Neemt uw spellen en zit verder op,” beval de vorstin haar vrouwen, „ik heb met mijn raadsman te spreken.”In een oogwenk waren de matjes opgerold, de dakons ter hand genomen en de vrouwen snelden weg; men wist dat na een lang zwijgen tusschen de prinses en haar dwerg zulk een gesprek onvermijdelijk volgde.„De oude Kiai schijnt nooit meer terug te keeren,” sprak Radhen Goesik gejaagd, „bijna een jaar is verloopen na zijn vertrek.”„Boeloe Kidoer had ’t hem voorspeld!” zoo klonk de gebrokene, ratelende stem van het gedrocht; „de Hollander geeft niet terug wat zich vrijwillig in zijn steeds geopenden muil werpt. Wat zegt de gemaal mijner meesteres van zijn afwezigheid?”„Ge weet dat Radhen Wiro Negoro mij niet eens deelgenoot maakte van zijn heengaan,” hernam de vorstin bitter, „en nog weet[150]ik niet wat hem opgedragen was op Batavia te onderhandelen, hoewel ik ’t raad. O, Boeloe, hoe diep heeft de liefde tot den Hollander wortel geschoten in zijn ziel. Niets kan ze uitroeien of men moest den krachtigen boom omhakken.”„De boom is omgehakt maar niets anders heeft in den nog door vezels verzaden grond willen tieren.”„Ik heb er niets in kunnen planten, niets!” en haar stem klonk bijna jammerend, „en Allah weet hoeveel moeite ik er toe deed, in mijne beste jaren toen ik jong en schoon was, nu ben ik slechts een schaduw van weleer, wat zal ik nu vermogen? Ik en mijn kinderen?”„Ik begrijp uw weeklacht niet, groote Vrouwe. Heeft Soerapati u niet alles gegeven, wat gij wenschtet? Heeft hij het vertrouwen, dat gij in hem steldet, beschaamd? Gij hebt een gevluchten slaaf, een struikroover uw hand geschonken, hij maakte u tot een vorstin machtiger dan Pakoe Boewana’s Ratoe. Uw kinderen zijn vorsten, uw schoondochters prinsessen. Wat verlangt ge nog meer?”Radhen Goesik zuchtte:„Ge hebt gelijk, Boeloe! Ik ben ondankbaar, ware ikPoerbaya’sgade gebleven, ik zou het treurig leven eener gevangene hebben geleid te midden der gehate kafirs. Soerapati heeft mij glans, macht en eer geschonken, hij heeft mij naast zich verheven.…”„En hij duldt geen andere naast zich. Met niemand hebt gij uw titel te deelen. Zusje, wat zijt ge veeleischend!”„Ik beken ’t Boeloe! Velen zouden meenen dat ik nu het toppunt mijner wenschen bereikt had en toch ben ik niet tevreden, niet gerust. Dit gebouw Boeloe, door de machtige hand van mijn gemaal opgetrokken rust op zandgrond; als hij er niet meer is om het te steunen dan zal het in elkander storten. En ook hij[151]vreest het.… doch nimmer spreken wij over onze vrees. Ik ben hem niets, niets meer dan zijn Ratoe, de moeder zijner kinderen, de poetri die hem hielp de ladder te bestijgen, welke naar roem en macht voert.”„Maar is dat niet genoeg? Wat wilt ge meer? De tijd is toch voorbij dat ge smaak vondt in de zoete kwee-kwee, welke hij u in zijnliefkoozingenboodt? Die moeten u thans walgen, want ge zijt niet jong meer, grootmoedertje!”„Dat behoeft gij mij niet te herinneren, dwerg! Daarom juist wil ik de spijs genieten, die mijn leeftijd past. Ik verlang zijn honigzoete vleierij, zijn misschien leugenachtige liefdesbetuigingen niet meer. Naar iets anders heb ik dorst; naar de kennis van zijn plannen, naar de vertrouwelijke mededeelingen van zijn zorgen en bekommernissen. Ik wilde met hem de belangen bespreken van zijn … laat me liever zeggen van ons rijk, want wat ware er van hem geworden zonder mijn liefde, zonder mijn steun?”„Hij behandelt zijn Ratoe met een eerbied, waarvan men tot nu toe op Java geen weerga zag; met niemand deelt zij zijn bezit.”„Meent ge dat ik dit voorrecht zoo hoog stel? Hoe, ik zou nog liever aan het hoofd staan van een welgevulden kapoetren dan het eenzame leven te leiden te midden mijner dienaressen, waartoe hij mij veroordeelt. Daar zou ik heerschen over mijn gelijken, nu zijn het slechts slavinnen die mij gehoorzamen en ook mijn zoons dwingt hij tot die Westersche onthouding en waarom, juist dit is ’t wat mij dag en nacht pijnigt, omdat het zijn hoogste eerzucht is, den blankenChristenhondenna te volgen omdat hij slechts van hen zijn heil afwacht, en het voortbestaan van zijn rijk, terwijl ik daarentegen voor niets insta, zoo hij niet den Islam ter hulpe roept.”[152]„Juist, door een beroep te doen op de oude liefde der Oost-Javanen voor den godsdienst van Batoro Goeroe, die ook de zijne is gebleven, gelukte het hem deze volken te onderwerpen.”„Meent ge dat, dwaze? Ja, ’t is waar de Tenger en de Zuidelijke streken hebben in hem een afgezant der goden gezien, maar Pasoeroean duldt slechts noode het gezag van een heiden en wat zijn hem de vormen van de Brahmanen? Een lastig, vervelend kleed, dat hij vol vreugde af zou werpen om den eeredienst der Westerlingen aan te nemen en met hen vereenigd een soort van monsterverbond te sluiten. Maar ik de vurige Mahomedaansche, ik huiver van hun kille aanraking, liever niets dan vorstin door hen gekroond.”„Zoo dacht Pangeran Poeger er niet over en uw grootvader keizer Tagal Wangie evenmin,” grijnsde Boeloe, „wat zou er van Mataram geworden zijn, indien de kafir zijn reddende hand niet naar hen uitgestoken had?”„Die hulp is hun ook duur te staan gekomen, maar Soerapati wenscht meer; hij verlangt door hen als gelijke te worden behandeld, niet als een onmondig kind, dat zelf niet met zijn speelgoed overweg kan en dus de hulp der ouderen en wijzeren noodig heeft.”„Maar vorstin! de hartstocht doet u dwalen, ge zijt altijd jaloersch geweest op de Hollanders, eerst om de liefde, welke uw echtgenoot een christenvrouw toedroeg, later omdat hij van hen alleen steun verwacht tot instandhouding van hun rijk. Jaloezie is ’t alleen wat uw leven beheerscht!”„Ja ’t is waar, ik ben jaloersch! Hadde hij nooit die blanke liefgehad, nooit zouden zijn gedachten weer telkens zijn teruggekeerd naar hen, tot wier volk zij behoorde. Gelijk gindsche zonnebloem de zon volgt, waar zij ook schijnt, zoo blijft zijn oog altijd op haar gericht. Zonder haar ware hij, de Balinees, geheel Javaan[153]geworden, zou hij mij liefgehad en vereerd hebben als zijn wettige eerste vrouw, maar hij had het niet beneden zich geacht ook anderen zijn gunst te bewijzen en ik had niet gemord, verheugd als ik ware dat hij mijn geloof en mijn volksgebruiken deelde, maar nu.…”„Gij vreest die doode vrouw meer dan een geheelen kapoetren.”„Dwerg, ge leest mijn gedachten! Waartoe zou het dienen ze u te verbergen? Ja, dat is zoo! Evenals het vat, waarin eenmaal doepa1gebrand werd, zijn geuren behoudt, al werpt men er ook later de sterkste kruiden in, zoo blijft in hem steeds de herinnering leven aan zijn eerste jeugd, aan zijn grootste liefde. Die herinnering doortrekt zijn dagen met haar gehaten geur, na Suzanna heeft hij nooit meer liefgehad, zelfs niet mij!”Dat laatste woord klonk als een onderdrukte snik.„En toch wat heeft zij hem geschonken en wat ik!”„Zusje, zusje! Verwijt de u bewezen gunsten niet! Schrijf ze op, daar ginds in het water, dan verzinken zij in de diepte, en wees oprecht; was toen ter tijd de liefde van den roover niet de grootste weldaad, die de prinses verlangde en waarvoor geen offer haar te groot scheen!”„Heb ik ze dan ontvangen, Boeloe? Neen, de liefde waarvan ik droomde, daarnaar honger ik nu nog. Liefde, die alles deelt met den geliefde, gedachten, hoop, vrees, zorgen, plannen en wat schonk Soerapati mij? De kostbare gouden kas, waarin echter de schitterende diamant ontbreekt!”Zij zweeg gedurende weinige oogenblikken en ook Boeloe sprak niets.„Dwerg,” ging zij voort, „ik weet niets van wat er thans omgaat[154]in het rijk. Hij heeft Soenan Mas een gastvrijheid verleend, die den armen vorst zwaar drukt, een gastvrijheid die veel op kerkerstraf gelijkt. Wat is daar zijn doel mede? Hij is bijna altijd afwezig, hij oefent zijn soldaten, hij versterkt zijn vestingen. Is er oorlog op til? En met wien?”„De machtige Radhen Adipati wijdde mij niet in zijn geheimen.”„Tegen Pakoe Boewana, tegen den onwettigen keizer zal hij strijden, maar dan zal ’t ook wezen tegen de Hollanders! O als hij hen vernietigen, als hij hen verjagen kon!”„Zal dan zijn liefde jegens hen ook uitgeroeid zijn, vorstin?”„Hij kan op den duur niet alleen staan tegen zijn volk, tegen zijn gezin, want ook zijn zonen verfoeien wat ik verfoei!”„Dus wil mijn goede moeder, de sieraden welke zij van haar gemaal ontving doen versmelten in krissen, die hem moeten dooden?”Het antwoord op Boeloe’s tartende vraag, die waarschijnlijk licht verspreidde op nog duistere plekken inKoesoema’sgemoed, werd haar echter bespaard.Mas Pengantin, door Lembono gevolgd, trad binnen; hij zag er ellendig uit, zijn kleederen waren in wanorde en gescheurd, zijn gelaat bebloed, zijn arm hing in een zijden doek. Ook Lembono, hoewel minder gehavend scheen bleek en vermoeid.„Wat deert u mijn zoons!” riep Radhen Goesik verschrikt uit.„Moeder, zie, dat hebben vaders vrienden, de trouwe, vreedzame Tengereezen gedaan!” huilde Pengantin en wierp zich luid jammerend op den divan naast haar neer.„Ge ziet er waarlijk niet feestelijk uit voor vrome bedevaartgangers,” merkte Boeloe Kidoer droogjes op.„Vloek over de vroomheid van dat huichelachtig volk,” zeide Lembono bits, „ware ik Radhen Wiro Negoro, ik zou hen allen uitroeien van den eerste tot den laatste.”[155]„Spreek geen kwaad van hen, hij deelt hun bijgeloof met hart en ziel en zoo zij u aangevallen hebben mijn zoons, ligt de schuld aan u,” sprak de vorstin gemelijk. „Waarom hebt gij aan hun bijgeloovige misbruiken deelgenomen terwijl gij in uw hart Allah, den eenigen God en zijn Profeet aanbidt? Gijzelf hebt u schuldig gemaakt aan huichelarij en afgodendienst.”„Vader veroorlooft ons niet iets anders te aanbidden dan wat hem goeddunkt.”Pengantin ging voort met kermen en met klagen. Brahma,Boeddhaof Mahomed waren hem allen even onverschillig. Hij jammerde zoo wanhopig, alleen omdat zijn weldoordachte schaking mislukt was, maar dat wist zijn moeder niet.„Vertel me alles,” ging zij met vonkelende oogen voort, terwijl haar dienaressen zich om strijd beijverden den gewonden prins te verfrisschen en te verplegen. „Vertel me alles Lembono, wat er gebeurde! Waarom hebben de Tengereezen u aangevallen?”„Weet ik het? wellicht, omdat zij meenden dat wij hun dwaze vertooningen bespotten, hoewel we ons uiterste best deden ernstig te blijven.”En hij gaf een zeer vrij verhaal van het gebeurde, waarin de arme bergbewoners werden voorgesteld als verraders en wreedaards, terwijl hij en zijn broeder onschuldige slachtoffers schenen van hun kwade trouw.De vorstin trilde van toorn; zij balde haar handen en sloeg er mede tegen het voorhoofd.„Die hoon moet uitgewischt worden; dat volk verdient de zwaarste straffen. Radhen Wiro Negoro moet toonen dat zij, die zijn zonen beleedigen, hem zelf aanvallen. Ik zal hem tot wraak aansporen tegen dat vervloekte ras!”„De Tengereezen zijn hem dierbaarder dan zijn kinderen!” spotte[156]Lembono, terwijl Pengantin overdacht of hij de wraakneming niet zoo kon inrichten dat hij toch in ’t bezit van Siwangi kwam.Daar snelde de jonge, schoone Radhen Soederma, Pengantins gade, naar binnen; zij had met haar vrouwen een kleine wandeling gemaakt in den tuin die zich verder in het woud bevond en hoorde terugkomend van het ongeval, dat haar echtgenoot was overkomen.Met alle kenteekenen van schrik en zorg trad zij onder de veranda en liet de andere vrouwen vertrekken; zij alleen wilde hem helpen, hem verbinden en verkwikken; op haar arm geleund, wankelde Pengantin naar binnen, terwijl Soederma bevel gaf den doekoen (lijfarts) haars schoonvaders te ontbieden.Radhen Goesik zag haar spottend na en haalde de schouders op. Lembono glimlachte en fluisterde zijn moeder toe:„Mijn schoone zuster moest eens weten, waardoor mijn broeder zich die wonde berokkend heeft. Meent ge waarlijk, lieve moeder dat die Tengereezen ons zonder eenige reden aangevallen en verwond hebben?”„Dat is mij tamelijk onverschillig; er kan geen reden zijn zoo gewichtig om hun vijandig optreden te verschoonen; verlangt gij iets van hen en willen zij ’t u niet goedschiks geven, dan zijt ge in uw volste recht het te nemen al gold het ook hun vrouwen en kinderen.”„Liefste moeder, waart gij slechts onze vorstelijke vader,” vleide Lembono. „Wanneer komt Radhen Wiro Negoro hier terug?”„Weet ik zelf of hij hier komt? Hij is naar de grenzen van Kediri, Nitro vergezelt hem met den prins van Balembangan. Vertel me nu, naar waarheid wat er voorviel, dan kan ik oordeelen wat aan uw vader dient verhaald te worden. Het geldt zeker weer een verliefde gril van Pengantin?”[157]

Een der verrukkelijkste plekjes van Java is zeker het meertje Blauwwater of Banjoe biroe genaamd, dat zich aan den voet van het Tengersche gebergte verschuilt; nu nog roemen alle reizigers om strijd de onvergelijkelijke frischheid, die onder de hooge boomen aan de oevers van het meer met zijn doorschijnende azuren wateren heerscht. Donkerblauw is het meer dat uit een bron ontstaat en later als een riviertje zich naar beneden spoedt om de sawahs in den omtrek te besproeien; die donkerblauwe kleur dankt zij aan de helderblauwe steenachtige bedding die tot in de diepste diepte het water bevat. Duizenden en duizenden visschen dartelen in het kristallen vocht; zij zijn den inlander even heilig als de talrijke apen die in de hooge boomen, welke het meer beschaduwen en hun lange takken in het water doen slepen, stoeien, fluiten, krijschen, als ware hun leven niets dan een eindeloos spel.

Aan de oevers van het meer verhief zich het lusthuis des vorsten. Het was een eenvoudig gebouw bijna geheel verscholen onder de hooge boomen en door een stevigen muur omsloten, die ook het water van vrij nabij volgde. Hindoesche beelden versierden de oevers; een soort van galerij was boven het meer uitgebouwd, vanwaar een trapje van eenige treden tot in het water reikte en het vergemakkelijkte daarin een bad te nemen.

Hoewel het midden op den dag was, heerschte een koelte vol frischheid onder de hooge boomen en op het water, dat zich letterlijk midden in het woud bevond. In de galerij vooral was het heerlijk, de zonnestralen spatten flikkerend rond door het dichte[149]netwerk van het gebladerte en deden het meer schitteren als een reusachtige vloeibare saffier; op gele matjes zaten eenige vrouwen, bezig met het dakonspel, de beenen hadden zij kruiselings onder het lichaam gevouwen en op een divan hooger dan zij troonde de Radhen GoesikKoesoema.

De jaren waren niet ongemerkt over het hoofd der Mataramsche prinses heen gegaan en de jaren zijn Javaanschen vrouwen vooral niet gunstig; toch had zij uit de schipbreuk der jeugd nog veel overgehouden, haar rijken haardos en vooral een wijze om het hoofd te dragen, die de geboren vorstin kenmerkte; haar zwevende, onzekere gang had plaats gemaakt voor den zelfbewusten tred eener vorstin, die weet dat zij bevelen kan en mag.

Aan de voeten van haar divan zat een verschrompeld oud, klein manneke; hij kon nauwelijks meer loopen, slechts kruipen, afzichtelijk waren de trekken van zijn groot hoofd verwrongen, toch was hij nog altijd Radhen Goesik’s liefste gezelschap.

„Neemt uw spellen en zit verder op,” beval de vorstin haar vrouwen, „ik heb met mijn raadsman te spreken.”

In een oogwenk waren de matjes opgerold, de dakons ter hand genomen en de vrouwen snelden weg; men wist dat na een lang zwijgen tusschen de prinses en haar dwerg zulk een gesprek onvermijdelijk volgde.

„De oude Kiai schijnt nooit meer terug te keeren,” sprak Radhen Goesik gejaagd, „bijna een jaar is verloopen na zijn vertrek.”

„Boeloe Kidoer had ’t hem voorspeld!” zoo klonk de gebrokene, ratelende stem van het gedrocht; „de Hollander geeft niet terug wat zich vrijwillig in zijn steeds geopenden muil werpt. Wat zegt de gemaal mijner meesteres van zijn afwezigheid?”

„Ge weet dat Radhen Wiro Negoro mij niet eens deelgenoot maakte van zijn heengaan,” hernam de vorstin bitter, „en nog weet[150]ik niet wat hem opgedragen was op Batavia te onderhandelen, hoewel ik ’t raad. O, Boeloe, hoe diep heeft de liefde tot den Hollander wortel geschoten in zijn ziel. Niets kan ze uitroeien of men moest den krachtigen boom omhakken.”

„De boom is omgehakt maar niets anders heeft in den nog door vezels verzaden grond willen tieren.”

„Ik heb er niets in kunnen planten, niets!” en haar stem klonk bijna jammerend, „en Allah weet hoeveel moeite ik er toe deed, in mijne beste jaren toen ik jong en schoon was, nu ben ik slechts een schaduw van weleer, wat zal ik nu vermogen? Ik en mijn kinderen?”

„Ik begrijp uw weeklacht niet, groote Vrouwe. Heeft Soerapati u niet alles gegeven, wat gij wenschtet? Heeft hij het vertrouwen, dat gij in hem steldet, beschaamd? Gij hebt een gevluchten slaaf, een struikroover uw hand geschonken, hij maakte u tot een vorstin machtiger dan Pakoe Boewana’s Ratoe. Uw kinderen zijn vorsten, uw schoondochters prinsessen. Wat verlangt ge nog meer?”

Radhen Goesik zuchtte:

„Ge hebt gelijk, Boeloe! Ik ben ondankbaar, ware ikPoerbaya’sgade gebleven, ik zou het treurig leven eener gevangene hebben geleid te midden der gehate kafirs. Soerapati heeft mij glans, macht en eer geschonken, hij heeft mij naast zich verheven.…”

„En hij duldt geen andere naast zich. Met niemand hebt gij uw titel te deelen. Zusje, wat zijt ge veeleischend!”

„Ik beken ’t Boeloe! Velen zouden meenen dat ik nu het toppunt mijner wenschen bereikt had en toch ben ik niet tevreden, niet gerust. Dit gebouw Boeloe, door de machtige hand van mijn gemaal opgetrokken rust op zandgrond; als hij er niet meer is om het te steunen dan zal het in elkander storten. En ook hij[151]vreest het.… doch nimmer spreken wij over onze vrees. Ik ben hem niets, niets meer dan zijn Ratoe, de moeder zijner kinderen, de poetri die hem hielp de ladder te bestijgen, welke naar roem en macht voert.”

„Maar is dat niet genoeg? Wat wilt ge meer? De tijd is toch voorbij dat ge smaak vondt in de zoete kwee-kwee, welke hij u in zijnliefkoozingenboodt? Die moeten u thans walgen, want ge zijt niet jong meer, grootmoedertje!”

„Dat behoeft gij mij niet te herinneren, dwerg! Daarom juist wil ik de spijs genieten, die mijn leeftijd past. Ik verlang zijn honigzoete vleierij, zijn misschien leugenachtige liefdesbetuigingen niet meer. Naar iets anders heb ik dorst; naar de kennis van zijn plannen, naar de vertrouwelijke mededeelingen van zijn zorgen en bekommernissen. Ik wilde met hem de belangen bespreken van zijn … laat me liever zeggen van ons rijk, want wat ware er van hem geworden zonder mijn liefde, zonder mijn steun?”

„Hij behandelt zijn Ratoe met een eerbied, waarvan men tot nu toe op Java geen weerga zag; met niemand deelt zij zijn bezit.”

„Meent ge dat ik dit voorrecht zoo hoog stel? Hoe, ik zou nog liever aan het hoofd staan van een welgevulden kapoetren dan het eenzame leven te leiden te midden mijner dienaressen, waartoe hij mij veroordeelt. Daar zou ik heerschen over mijn gelijken, nu zijn het slechts slavinnen die mij gehoorzamen en ook mijn zoons dwingt hij tot die Westersche onthouding en waarom, juist dit is ’t wat mij dag en nacht pijnigt, omdat het zijn hoogste eerzucht is, den blankenChristenhondenna te volgen omdat hij slechts van hen zijn heil afwacht, en het voortbestaan van zijn rijk, terwijl ik daarentegen voor niets insta, zoo hij niet den Islam ter hulpe roept.”[152]

„Juist, door een beroep te doen op de oude liefde der Oost-Javanen voor den godsdienst van Batoro Goeroe, die ook de zijne is gebleven, gelukte het hem deze volken te onderwerpen.”

„Meent ge dat, dwaze? Ja, ’t is waar de Tenger en de Zuidelijke streken hebben in hem een afgezant der goden gezien, maar Pasoeroean duldt slechts noode het gezag van een heiden en wat zijn hem de vormen van de Brahmanen? Een lastig, vervelend kleed, dat hij vol vreugde af zou werpen om den eeredienst der Westerlingen aan te nemen en met hen vereenigd een soort van monsterverbond te sluiten. Maar ik de vurige Mahomedaansche, ik huiver van hun kille aanraking, liever niets dan vorstin door hen gekroond.”

„Zoo dacht Pangeran Poeger er niet over en uw grootvader keizer Tagal Wangie evenmin,” grijnsde Boeloe, „wat zou er van Mataram geworden zijn, indien de kafir zijn reddende hand niet naar hen uitgestoken had?”

„Die hulp is hun ook duur te staan gekomen, maar Soerapati wenscht meer; hij verlangt door hen als gelijke te worden behandeld, niet als een onmondig kind, dat zelf niet met zijn speelgoed overweg kan en dus de hulp der ouderen en wijzeren noodig heeft.”

„Maar vorstin! de hartstocht doet u dwalen, ge zijt altijd jaloersch geweest op de Hollanders, eerst om de liefde, welke uw echtgenoot een christenvrouw toedroeg, later omdat hij van hen alleen steun verwacht tot instandhouding van hun rijk. Jaloezie is ’t alleen wat uw leven beheerscht!”

„Ja ’t is waar, ik ben jaloersch! Hadde hij nooit die blanke liefgehad, nooit zouden zijn gedachten weer telkens zijn teruggekeerd naar hen, tot wier volk zij behoorde. Gelijk gindsche zonnebloem de zon volgt, waar zij ook schijnt, zoo blijft zijn oog altijd op haar gericht. Zonder haar ware hij, de Balinees, geheel Javaan[153]geworden, zou hij mij liefgehad en vereerd hebben als zijn wettige eerste vrouw, maar hij had het niet beneden zich geacht ook anderen zijn gunst te bewijzen en ik had niet gemord, verheugd als ik ware dat hij mijn geloof en mijn volksgebruiken deelde, maar nu.…”

„Gij vreest die doode vrouw meer dan een geheelen kapoetren.”

„Dwerg, ge leest mijn gedachten! Waartoe zou het dienen ze u te verbergen? Ja, dat is zoo! Evenals het vat, waarin eenmaal doepa1gebrand werd, zijn geuren behoudt, al werpt men er ook later de sterkste kruiden in, zoo blijft in hem steeds de herinnering leven aan zijn eerste jeugd, aan zijn grootste liefde. Die herinnering doortrekt zijn dagen met haar gehaten geur, na Suzanna heeft hij nooit meer liefgehad, zelfs niet mij!”

Dat laatste woord klonk als een onderdrukte snik.

„En toch wat heeft zij hem geschonken en wat ik!”

„Zusje, zusje! Verwijt de u bewezen gunsten niet! Schrijf ze op, daar ginds in het water, dan verzinken zij in de diepte, en wees oprecht; was toen ter tijd de liefde van den roover niet de grootste weldaad, die de prinses verlangde en waarvoor geen offer haar te groot scheen!”

„Heb ik ze dan ontvangen, Boeloe? Neen, de liefde waarvan ik droomde, daarnaar honger ik nu nog. Liefde, die alles deelt met den geliefde, gedachten, hoop, vrees, zorgen, plannen en wat schonk Soerapati mij? De kostbare gouden kas, waarin echter de schitterende diamant ontbreekt!”

Zij zweeg gedurende weinige oogenblikken en ook Boeloe sprak niets.

„Dwerg,” ging zij voort, „ik weet niets van wat er thans omgaat[154]in het rijk. Hij heeft Soenan Mas een gastvrijheid verleend, die den armen vorst zwaar drukt, een gastvrijheid die veel op kerkerstraf gelijkt. Wat is daar zijn doel mede? Hij is bijna altijd afwezig, hij oefent zijn soldaten, hij versterkt zijn vestingen. Is er oorlog op til? En met wien?”

„De machtige Radhen Adipati wijdde mij niet in zijn geheimen.”

„Tegen Pakoe Boewana, tegen den onwettigen keizer zal hij strijden, maar dan zal ’t ook wezen tegen de Hollanders! O als hij hen vernietigen, als hij hen verjagen kon!”

„Zal dan zijn liefde jegens hen ook uitgeroeid zijn, vorstin?”

„Hij kan op den duur niet alleen staan tegen zijn volk, tegen zijn gezin, want ook zijn zonen verfoeien wat ik verfoei!”

„Dus wil mijn goede moeder, de sieraden welke zij van haar gemaal ontving doen versmelten in krissen, die hem moeten dooden?”

Het antwoord op Boeloe’s tartende vraag, die waarschijnlijk licht verspreidde op nog duistere plekken inKoesoema’sgemoed, werd haar echter bespaard.

Mas Pengantin, door Lembono gevolgd, trad binnen; hij zag er ellendig uit, zijn kleederen waren in wanorde en gescheurd, zijn gelaat bebloed, zijn arm hing in een zijden doek. Ook Lembono, hoewel minder gehavend scheen bleek en vermoeid.

„Wat deert u mijn zoons!” riep Radhen Goesik verschrikt uit.

„Moeder, zie, dat hebben vaders vrienden, de trouwe, vreedzame Tengereezen gedaan!” huilde Pengantin en wierp zich luid jammerend op den divan naast haar neer.

„Ge ziet er waarlijk niet feestelijk uit voor vrome bedevaartgangers,” merkte Boeloe Kidoer droogjes op.

„Vloek over de vroomheid van dat huichelachtig volk,” zeide Lembono bits, „ware ik Radhen Wiro Negoro, ik zou hen allen uitroeien van den eerste tot den laatste.”[155]

„Spreek geen kwaad van hen, hij deelt hun bijgeloof met hart en ziel en zoo zij u aangevallen hebben mijn zoons, ligt de schuld aan u,” sprak de vorstin gemelijk. „Waarom hebt gij aan hun bijgeloovige misbruiken deelgenomen terwijl gij in uw hart Allah, den eenigen God en zijn Profeet aanbidt? Gijzelf hebt u schuldig gemaakt aan huichelarij en afgodendienst.”

„Vader veroorlooft ons niet iets anders te aanbidden dan wat hem goeddunkt.”

Pengantin ging voort met kermen en met klagen. Brahma,Boeddhaof Mahomed waren hem allen even onverschillig. Hij jammerde zoo wanhopig, alleen omdat zijn weldoordachte schaking mislukt was, maar dat wist zijn moeder niet.

„Vertel me alles,” ging zij met vonkelende oogen voort, terwijl haar dienaressen zich om strijd beijverden den gewonden prins te verfrisschen en te verplegen. „Vertel me alles Lembono, wat er gebeurde! Waarom hebben de Tengereezen u aangevallen?”

„Weet ik het? wellicht, omdat zij meenden dat wij hun dwaze vertooningen bespotten, hoewel we ons uiterste best deden ernstig te blijven.”

En hij gaf een zeer vrij verhaal van het gebeurde, waarin de arme bergbewoners werden voorgesteld als verraders en wreedaards, terwijl hij en zijn broeder onschuldige slachtoffers schenen van hun kwade trouw.

De vorstin trilde van toorn; zij balde haar handen en sloeg er mede tegen het voorhoofd.

„Die hoon moet uitgewischt worden; dat volk verdient de zwaarste straffen. Radhen Wiro Negoro moet toonen dat zij, die zijn zonen beleedigen, hem zelf aanvallen. Ik zal hem tot wraak aansporen tegen dat vervloekte ras!”

„De Tengereezen zijn hem dierbaarder dan zijn kinderen!” spotte[156]Lembono, terwijl Pengantin overdacht of hij de wraakneming niet zoo kon inrichten dat hij toch in ’t bezit van Siwangi kwam.

Daar snelde de jonge, schoone Radhen Soederma, Pengantins gade, naar binnen; zij had met haar vrouwen een kleine wandeling gemaakt in den tuin die zich verder in het woud bevond en hoorde terugkomend van het ongeval, dat haar echtgenoot was overkomen.

Met alle kenteekenen van schrik en zorg trad zij onder de veranda en liet de andere vrouwen vertrekken; zij alleen wilde hem helpen, hem verbinden en verkwikken; op haar arm geleund, wankelde Pengantin naar binnen, terwijl Soederma bevel gaf den doekoen (lijfarts) haars schoonvaders te ontbieden.

Radhen Goesik zag haar spottend na en haalde de schouders op. Lembono glimlachte en fluisterde zijn moeder toe:

„Mijn schoone zuster moest eens weten, waardoor mijn broeder zich die wonde berokkend heeft. Meent ge waarlijk, lieve moeder dat die Tengereezen ons zonder eenige reden aangevallen en verwond hebben?”

„Dat is mij tamelijk onverschillig; er kan geen reden zijn zoo gewichtig om hun vijandig optreden te verschoonen; verlangt gij iets van hen en willen zij ’t u niet goedschiks geven, dan zijt ge in uw volste recht het te nemen al gold het ook hun vrouwen en kinderen.”

„Liefste moeder, waart gij slechts onze vorstelijke vader,” vleide Lembono. „Wanneer komt Radhen Wiro Negoro hier terug?”

„Weet ik zelf of hij hier komt? Hij is naar de grenzen van Kediri, Nitro vergezelt hem met den prins van Balembangan. Vertel me nu, naar waarheid wat er voorviel, dan kan ik oordeelen wat aan uw vader dient verhaald te worden. Het geldt zeker weer een verliefde gril van Pengantin?”[157]

1Wierook.↑

1Wierook.↑

1Wierook.↑

1Wierook.↑


Back to IndexNext