VI.

[Inhoud]VI.WEDERZIEN.Op den avond van dien dag zat Digna in de galerij op de rivier, met een boek in de hand, waarin zij echter niet las. Hoeveel moeite zij ook deed, het was haar niet mogelijk hare gedachten te dwingen zich met het gelezene bezig te houden en niet hun[57]eigen weg te volgen; met tergende hardnekkigheid keerden zij telkens naar een punt terug, naar het verledene dat zij voor goed dood en begraven achtte en dat zich nu plotseling weer levend en krachtig aan haar geest opdrong.Vergeefs hield zij zich met andere dingen bezig, trachtte zich te verstrooien door gedachten aan haar huishouding, aan haar man, aan den kleinen Albert, aan den naderenden oorlog; hoe zij ook moeite deed, altijd en altijd wendden zij zich weer tot Robert. Het was Robert, die nu eens als een ondoorgrondelijk raadsel voor haar stond, dan weer haar dreigde met zijne gloeiende oogen of zich oploste in een nevelbeeld.Zou het gezicht van dien avond bij het dansende licht der fakkels, en het zilveren schijnsel der maan dan slechts een vizioen geweest zijn! O, mocht het zoo wezen! maar dan drukte zij de hand op het hart en huiverde; kon het zijn dat dit hart blijde en vroolijk klopte alleen bij de gedachte dat de vriend harer jeugd in haar nabijheid vertoefde? Zij dacht zich terug in Amsterdam en doorleefde weder die uren vol onuitsprekelijk geluk, als zij met hem door den tuin van Amstelvreugd wandelde, en hij haar nu eens om vergeving bad, als hij iets misdreven had of haar verzekerde dat zij zijn goede engel, de vreugde en het geluk, de hoop en steun van zijn leven was. Hoe konden zijn oogen dan vol gloed op haar rusten, die herinnering alleen deed haar beven van een gevoel vol zaligheid en geluk!En zij was getrouwd en zij kon nog aan zulke herinneringen met genot denken; o schande! Wat was zij diep gevallen en weer nam zij het boek op, de Zee- en landreizen van Nieuwhoff, die twintig jaar geleden Java bezocht had; zij vond er kort te voren genoegen in, zijn opmerkingen met de werkelijkheid te vergelijken, waarom vond zij ze thans zoo onbeduidend en onbelangrijk?[58]Zij was alleen t’huis; haar man moest een feest bijwonen, Albert was nog niet terug, zij had er spijt van Petronella van Hoorn niet te hebben meegenomen; haar niet veelbeteekenend gepraat zou misschien afleiding tegen dien folterenden gedachtenstrijd kunnen schenken, en tegelijkertijd betrapte zij zich op een gewaarwording van blijdschap omdat zij alleen was, omdat zij de pijniging niet behoefde te doorstaan van een gedwongen luisteren naar nietige gesprekken, omdat zij nu zwijgen kon en denken. Denken, neen juist dat mocht zij niet en het was ’t eenige wat haar verlichtte, en tevens kwelde, want er waren twee personen in Digna’s ziel, de eene die slechts aan het verledene dacht en de dagen van voorheen opnieuw doorleefde, de andere die een strijd op leven en dood aan deze herinneringen gezworen had.Afgemat leunde zij achterover met gesloten oogen, de fijne handen hielden het boek, dat op haar schoot rustte, nog slechts eventjes vast; haar lippen bewogen zich zachtkens, schier onmerkbaar.„Mijn God! sta me bij! Help mij mijn gedachten te overwinnen, de strijd is zoo zwaar, ik wil Markus’ trouwe gemalin zijn in woord en daad niet alleen maar ook in gedachten. Geef mij de kracht om den band te verbreken, die mij nog hecht aan het verledene.”„Digna,” zeide een gedempte, half fluisterende stem.Met een hevigen schok rees de jonge vrouw overeind, haar oogen zagen ontzet voor zich uit, waar zij een welbekende gedaante ontwaarden; Robert had de soldatenkleeding der Compagnie aan, doch netter en ordelijker dan die welke hij den laatsten keer droeg.„Herkent gij mij nog?” vroeg hij en sloeg zijn oogen neer.„Ge hebt niet goed gedaan hier te komen, Robert,” antwoordde zij, „ge weet dat ik getrouwd ben en dat het verledene voor mij niet meer bestaat.”[59]„Dat hadt ge niet noodig mij te herinneren, mevrouw! Ik weet welke breede klove de vrouw van den hoofdambtenaar der Justitie scheidt van den gemeen soldaat, wiens naam zij zich echter nog verwaardigt te gedenken.”„Wat komt ge hier doen?” vroeg zij bevend en een steun zoekend bij de tafel.„Vraagt ge dat nog? U zien, uw stem hooren, mij verlustigen in den aanblik van uw schoonheid, uw hoogen rang om mij zelf daarna nog meer te beklagen, of te verachten, ik weet niet, wat ik meer verdien.”„Verachting dankt ge aan uw eigen werk; beklag hebt gij vrijwillig van u gestooten, als gij bekent verachting te verdienen.”„Weet gij alles, dat ge zoo durft spreken?”„Ik weet veel, en ’t was niet door u, dat ik het te weten kwam, zooals het mijn recht was.”„Uw recht?”„Ja, uw verloofde had recht te weten, waarom zij door u verlaten werd.”„Verlaten?”„Ja, gij hebt mij verlaten, mij, die nog deel nam in uw smart, nadat ik van vreemden moest hooren welke slag u getroffen had; gij hebt mij geen gelegenheid gegeven u te troosten en te.…”„Doen hopen, wilt ge dat zeggen, Digna?”„Laat ons zwijgen over ’t geen had kunnen zijn, Robert. Nu is alles voorbij; we hebben beiden onzen weg gekozen, niets anders blijft ons over dan dien te volgen, waar God hem ook voeren mag. Wij zijn dood voor elkander, gij hebt het gewild, niet ik.”„O Digna, maak mij niet nog rampzaliger!”Hij greep haar hand, zij trok die terug met een beweging vol schrik en zeide:[60]„Nader mij niet, vergeet geen oogenblik welke afgrond ons scheidt; op die voorwaarde zal ik u aanhooren, anders roep ik mijn slaven om u te doen verwijderen.”„O God, is ’t dan zoover met mij gekomen!” en hij wierp zich op een der stoelen neer en liet het hoofd vol wanhoop op de tafel vallen, „weggejaagd als een dief, een landlooper, een hond! Wie had het mij voorspeld, toen we elkander ’t laatst zagen en we reeds bijna onzen trouwdag hadden bepaald.”Digna vouwde haar handen op de borst; zij voelde zich beschaamd over haar schoonheid, haar welvaart, haar stand in de maatschappij, misschien zelfs over haar vlekkelooze deugd tegenover het arme schepsel dat op zijn nog zoo jeugdig gelaat reeds het merkteeken droeg van hevige hartstochten, van zonde en schuld. Toch bleef zij zwijgen, geen woord van medelijden ontsnapte haar mond en hij hernam:„Gij weet niet in welke hel ik leef, Digna, en nog minder kunt gij vermoeden, welke hel ik in mij zelf omdraag! Ja, ik heb u verlaten zonder een woord, zonder een groet, maar was dat mijn plicht niet, toen ik wist dat ik niet meer de wettige zoon en erfgenaam mijns vaders was maar een verstooteling zonder naam en zonder geld, moest ik toen niet de breedte der aarde stellen tusschen mij en het meisje, dat mij trouw had beloofd? Zij zou spoedig genoeg weten, wat mij van haar scheidde en voor de onuitsprekelijke laagheid bleef ik gespaard dat ik er nog aan durfde denken eenige rechten meer te ontleenen aan het mij eenmaal geschonken woord. Robert van Reijn was niet meer, de andere Robert mocht den voetzool van Digna Tak niet meer aanraken, dat alleen bleef me helder na dien ontzettenden nacht, welken ik misschien nog besloot door een moord.”„Dat ten minste is u bespaard,” zeide Digna en een schaduw[61]van een glimlach teekende zich op haar lippen. „Niets heeft geleden door den slag, dien gij neef Hendrik toebracht, dan alleen zijn neusbeen, dat gebroken is en hem niet verfraait. Maar denkt ge dan niet, Robert, aan hetgeen ik lijden moest toen uw schijnheilige oom …”„Hij is het niet meer of liever hij was het nooit.”„Toen Heer Gerard van Reijn en zijn gezin de laagste beschuldigingen tegen u opstapelden en mijn stiefvader raadden God te danken dat ik bijtijds gered was van een huwelijk met u?”„En gij zelf, Digna, hebt gij ook den Heere gedankt, dat Hij dien slag heeft afgewend?”„Ik heb Hem gebeden voor den armen zwerver.”Zij voegde er niet bij hoeveel bittere tranen zij gestort had om het te betreuren dat zij niet reeds zijne gade was, die het recht had haar rijkdom met hem te deelen en hem te vergezellen, waarheen hij gaan wilde, als zijn trouwe gezellin.„Ge hebt dus niet met toorn en afkeer aan mij gedacht, ge hebt u dus niet geschaamd, dat gij zonder het te weten een armen bastaard hadt bemind?”„Ik schaam mij voor niets, waarin geen kwaad schuilt.”„En weet uw man alles?…”„Ik heb hem alles gezegd!”„Zijt ge gelukkig?”„Ik vervul mijn plicht.”„Ik vraag of gij gelukkig zijt.”„Kan er geluk bestaan anders dan in plichtsvervulling?”„Plichtsvervulling, ik haat niets meer dan plicht!”„Daarom zijt ge zoo ongelukkig, Robert! Gij doet alles om u van het verledene los te rukken, maar eerst moet ge daarmee afrekenen; meent ge dat ik niet bitter en bitter geleden heb,[62]vóór dat ik er toe komen kon een ander lot te kiezen, dan dat waarin ik jaren lang mijn eenig geluk zag?”„Weet ge dat nog en gij schaamt er u niet voor?”„Mij schamen voor mijn eerste, mijn reine liefde. Hoe kunt ge dat vragen, Robert! Gij immers hebt mij verlaten!”„Zeg dat woord niet meer, Digna, ik u verlaten, hoe zou ik durven?”„Gij hebt getwijfeld aan mijne liefde, aan mijn trouw, gij hebt gemeend dat ik den rijken koopmanszoon van Reijn liefhad en ik beminde slechts Robert. Toen de slag u trof, was ’t bij mij dat gij ’t eerst komen moest om mij te laten beslissen over onze toekomst.”„O God, uw liefde had mij kunnen redden en ik gaf ze prijs, daarom viel ik in den afgrond.”„Die liefde kan, mag ik u thans niet meer geven, Robert. Zonde is het bijna haar te noemen, maar ik mag u vrij iets anders schenken zoo ge er prijs op stelt.”„En wat is dat dan, Digna, alles wat van u komt is mij zooveel, zoo oneindig veel waard.”„Mijn achting, Robert.”Hij wendde het gelaat af en lachte bitter.„Achting, wat is achting, als ge wist hoe men leeft, daar waar ik thans ben, als ge wist hoe ik gezworven heb, vóór dat ellendige zielverkoopers en ronselaars mij hierheen sleepten, als ge wist …”„Ik wil niets weten, Robert! Niets. Ik weet alleen dat er geen misdaad is zoo groot en afschuwelijk of God zal ons die vergeven zoo wij ons berouwvol aan zijn voeten werpen. Wilt ge dat doen, Robert!”„God heeft mij verstooten zooals mijn vader …”„Dat is een booze lastering. Ik wil die niet meer hooren!” haar stem klonk weer zoo vast en beslist gelijk voorheen, toen[63]zij den wilden, ontembaren knaap door een gebaar, een woord bedwingen kon, „beloof mij, dat ge uw hart voor God zult vernederen en van Hem dagelijks de kracht afbidden om uw booze hartstochten te overwinnen.”„Het zal niet baten,” zuchtte hij.„Hebt ge het dan reeds gedaan? Verder moet ge uw plicht doen; geen zonde, geen overtreding van Gods wet moogt ge meer bedrijven. Ik verbied het u! Weldra breekt de oorlog aan, ge zult moeten strijden voor de eer der Hollandsche vlag, gij zult de macht van ons vaderland doen kennen aan de bewoners van Java, gij zult hen leeren hoe wij streng kunnen zijn maar ook rechtvaardig. Een heerlijke taak wacht u, Robert! Veel kunt gij goed maken door dapperheid en trouw; verwerp die gelegenheid niet, richt u op uit uw ellendigen staat, wie weet hoeveel roem en geluk u nog wachten, terwijl anders niets meer u dreigt dan een vroege dood vol oneer en schande!”„O Digna, kon ik dagelijks uw stem hooren!”„Vertrek thans! Robert, vertrek! De avond valt, ’t is misschien voor het laatst dat we elkander gezien hebben. Laat ons nu terugkeeren naar onzen plicht, het eenige dat ons overblijft uit de schipbreuk van ons geluk. Wij hebben zelf dien plicht gekozen.”„Ik niet, ik werd bedrogen, verkocht zonder dat ik het wist.”„Dan is het een lot dat u zeker rechtvaardig trof, een straf die gij geduldig te dragen hebt. Ik moet mij toewijden aan mijn echtgenoot en zijn kind. Gij hebt het vaderland!”„Wat deert mij het vaderland? Zijn deze bruine mannen, de landgenooten mijns vaders, niet veel meer mijn broeders dan de blanke Hollanders? Wat belet mij gemeene zaak met hen te maken?”[64]„Uw plicht en uw eed, Robert; laat mij u thans de taak opgeven, die gij uitvoeren moet om mijn achting te herwinnen? Daar in het Oosten van Java regeert een overweldiger, een tiran, hij is het die mijn edelen vader den dood gaf, hij is het die onze macht over Java tegenwerkt; hij was eenmaal een slaaf, door een samenloop van raadselachtige omstandigheden heeft hij het tot vorst kunnen brengen. De Compagnie zal hem een oorlog op leven en dood aandoen, zijn gezag uitroeien. Nooit was er een krijg rechtvaardiger. Onderscheid u in dien strijd, kom terug als een heldhaftig krijger, met het bewustzijn, den dood mijns vaders te hebben gewroken op zijn moordenaar, op den verdrukker van het Javaansche volk, op den slaaf-koning.”De zachte, teedere Digna scheen in een heldin herschapen zoo fonkelden haar oogen, zoo trilde haar stem van vervoering; zij voelde zich thans weer meesteres van zich zelf, zij had vrede gevonden met haar eigen gemoed.„Ik zal u gehoorzamen, Digna,” antwoordde hij ootmoedig, „mag ik uw hand kussen?”„Nog niet, als gij teruggekeerd uit den oorlog een ander mensch geworden zijt.”„Zoo ik val, Digna, zult ge dan in vriendschap en vrede aan mij denken?”„Ik zal overtuigd zijn, dat gij gevallen zijt als een held, die mijn achting en bewondering verdient.”„En zult ge voor mij bidden, dat moogt gij toch!”„Ik beloof het u, en thans vaarwel! Moed en vertrouwen moge God u schenken, Robert!”Een slavin kwam hard uit het huis aangeloopen.„Mevrouw, de Edele Heer is ziek in een draagstoel t’huis gekomen.”Zonder nog meer naar den soldaat om te zien, vloog Digna heen[65]naar huis toe, en zoo bemerkte zij niet, hoe Robert zich langs den weg dien hij gekomen was, door de bedding van de rivier, verwijderde.Hij kroop tusschen de struiken voort, totdat hij aan een brug kwam die over het water lag en toegang verleende tot een ander landgoed. Nergens was een spoor van leven te zien en hij wist waar het poortje lag, dat naar buiten voerde; in den donker meende hij het te kunnen vinden, maar tot zijn schrik vond hij het gesloten; hij rammelde er aan en waarschijnlijk waren zijn krachtige vingers er in geslaagd het slot open te rukken, toen plotseling twee mannen van achter het struikgewas op hem toeschoten en hem ter aarde wierpen.„Nu hebben wij den dief!” zeide één hunner, wiens eigenaardige uitspraak van het Maleisch den Chinees verried, „ik dacht wel dat het zoo’n ellendige soldaat zou wezen. Pak hem beet, koelie, wij zullen hem van avond nog naar het wachthuis overbrengen. Reeds lang genoeg bleef hij straffeloos, die schurk!”Robert verdedigde zich als een wanhopige; met zijn mannenkracht wierp hij de tengere gestalte van den Chinees van zich af, en worstelde nu met den Javaan, dien hij ook weldra onder den voet kreeg, doch de Chinees liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk stormden een tiental mannen op den enkele aan die zich zoo woedend verdedigde.Zij wierpen hem ter aarde, knevelden hem vast en ondanks zijn vurige verzekeringen van onschuld voerden zij hem weg, van het erf naar de stad.Intusschen was Digna hevig verschrikt naar huis gesneld, en vond haar man bleek en met gesloten oogen op een rustbank liggen; toen zij binnenkwam sloeg hij den blik naar haar op en strekte haar glimlachend de hand toe.[66]„’t Is niets, een aanval van mijn kwaal, meer niet,” sprak hij, „’t is nu al veel beter, maar ik vond het voorzichtiger mij naar huis te laten dragen dan te rijden; met een weinig rust zal ik wel spoedig weer mij zelf zijn. Maak u niet ongerust, beste Digna, ’t heeft niets te beduiden.”Inderdaad was de aanval niet ernstig. Digna trachtte zooveel zij kon om hem eenige verlichting te schenken, wat hij echter boven alles behoefde was rust.„Ik was van plan hem mijn ontmoeting te verhalen met Robert,” dacht Digna, „maar het zoude hem thans te veel schokken. Ik zal wachten tot hij beter is, maar dan beken ik hem ook alles.”Zij voelde zich dezen avond wonder licht te moede; de strijd in haar geest was geëindigd; zij wist thans dat zij zelf ook de kracht bezat haar plicht te doen nu zij den vriend harer jeugd in zijn eigen oogen had kunnen opheffen en hem den weg wijzen tot zijn zedelijke genezing.Zij was er zoo van overtuigd haar plicht gedaan te hebben dat zij niet vreesde Markus alles te bekennen; slechts de gedachte aan zijn ziekelijken toestand hield haar terug.„’t Spijt me, de bekentenis zou mij nu zoo licht gevallen zijn,” zeide zij in zich zelf. Drukke bezigheden lieten haar weinig tijd tot nadenken op dezen avond. Niet alleen dat zij haar man te verzorgen had, ook Albert kwam t’huis; zij moest het opgewonden verhaal hooren van zijn genoten pret, het knaapje ontkleeden en te bed brengen.Toen zij eindelijk zich ter ruste legde na zich overtuigd te hebben dat Markus nu ook kalm en zonder pijn was ingeslapen, stelde zij zich met blijdschap voor hoe ook Robert nu meer verzoend met zich zelf zou rusten en de beste voornemens voor de toekomst maken. Zij vermoedde niet hoe haar vriend, in een[67]der ellendige hokken onder het Bataviasche Raadhuis opgesloten, zijn treurig noodlot vervloekte en slechts met een verwensching op de lippen en woede in het hart aan het voorgevallene van den middag terug kon denken, waarvan de herinnering haar met zooveel zoete kalmte en zelfvoldoening vervulde.

[Inhoud]VI.WEDERZIEN.Op den avond van dien dag zat Digna in de galerij op de rivier, met een boek in de hand, waarin zij echter niet las. Hoeveel moeite zij ook deed, het was haar niet mogelijk hare gedachten te dwingen zich met het gelezene bezig te houden en niet hun[57]eigen weg te volgen; met tergende hardnekkigheid keerden zij telkens naar een punt terug, naar het verledene dat zij voor goed dood en begraven achtte en dat zich nu plotseling weer levend en krachtig aan haar geest opdrong.Vergeefs hield zij zich met andere dingen bezig, trachtte zich te verstrooien door gedachten aan haar huishouding, aan haar man, aan den kleinen Albert, aan den naderenden oorlog; hoe zij ook moeite deed, altijd en altijd wendden zij zich weer tot Robert. Het was Robert, die nu eens als een ondoorgrondelijk raadsel voor haar stond, dan weer haar dreigde met zijne gloeiende oogen of zich oploste in een nevelbeeld.Zou het gezicht van dien avond bij het dansende licht der fakkels, en het zilveren schijnsel der maan dan slechts een vizioen geweest zijn! O, mocht het zoo wezen! maar dan drukte zij de hand op het hart en huiverde; kon het zijn dat dit hart blijde en vroolijk klopte alleen bij de gedachte dat de vriend harer jeugd in haar nabijheid vertoefde? Zij dacht zich terug in Amsterdam en doorleefde weder die uren vol onuitsprekelijk geluk, als zij met hem door den tuin van Amstelvreugd wandelde, en hij haar nu eens om vergeving bad, als hij iets misdreven had of haar verzekerde dat zij zijn goede engel, de vreugde en het geluk, de hoop en steun van zijn leven was. Hoe konden zijn oogen dan vol gloed op haar rusten, die herinnering alleen deed haar beven van een gevoel vol zaligheid en geluk!En zij was getrouwd en zij kon nog aan zulke herinneringen met genot denken; o schande! Wat was zij diep gevallen en weer nam zij het boek op, de Zee- en landreizen van Nieuwhoff, die twintig jaar geleden Java bezocht had; zij vond er kort te voren genoegen in, zijn opmerkingen met de werkelijkheid te vergelijken, waarom vond zij ze thans zoo onbeduidend en onbelangrijk?[58]Zij was alleen t’huis; haar man moest een feest bijwonen, Albert was nog niet terug, zij had er spijt van Petronella van Hoorn niet te hebben meegenomen; haar niet veelbeteekenend gepraat zou misschien afleiding tegen dien folterenden gedachtenstrijd kunnen schenken, en tegelijkertijd betrapte zij zich op een gewaarwording van blijdschap omdat zij alleen was, omdat zij de pijniging niet behoefde te doorstaan van een gedwongen luisteren naar nietige gesprekken, omdat zij nu zwijgen kon en denken. Denken, neen juist dat mocht zij niet en het was ’t eenige wat haar verlichtte, en tevens kwelde, want er waren twee personen in Digna’s ziel, de eene die slechts aan het verledene dacht en de dagen van voorheen opnieuw doorleefde, de andere die een strijd op leven en dood aan deze herinneringen gezworen had.Afgemat leunde zij achterover met gesloten oogen, de fijne handen hielden het boek, dat op haar schoot rustte, nog slechts eventjes vast; haar lippen bewogen zich zachtkens, schier onmerkbaar.„Mijn God! sta me bij! Help mij mijn gedachten te overwinnen, de strijd is zoo zwaar, ik wil Markus’ trouwe gemalin zijn in woord en daad niet alleen maar ook in gedachten. Geef mij de kracht om den band te verbreken, die mij nog hecht aan het verledene.”„Digna,” zeide een gedempte, half fluisterende stem.Met een hevigen schok rees de jonge vrouw overeind, haar oogen zagen ontzet voor zich uit, waar zij een welbekende gedaante ontwaarden; Robert had de soldatenkleeding der Compagnie aan, doch netter en ordelijker dan die welke hij den laatsten keer droeg.„Herkent gij mij nog?” vroeg hij en sloeg zijn oogen neer.„Ge hebt niet goed gedaan hier te komen, Robert,” antwoordde zij, „ge weet dat ik getrouwd ben en dat het verledene voor mij niet meer bestaat.”[59]„Dat hadt ge niet noodig mij te herinneren, mevrouw! Ik weet welke breede klove de vrouw van den hoofdambtenaar der Justitie scheidt van den gemeen soldaat, wiens naam zij zich echter nog verwaardigt te gedenken.”„Wat komt ge hier doen?” vroeg zij bevend en een steun zoekend bij de tafel.„Vraagt ge dat nog? U zien, uw stem hooren, mij verlustigen in den aanblik van uw schoonheid, uw hoogen rang om mij zelf daarna nog meer te beklagen, of te verachten, ik weet niet, wat ik meer verdien.”„Verachting dankt ge aan uw eigen werk; beklag hebt gij vrijwillig van u gestooten, als gij bekent verachting te verdienen.”„Weet gij alles, dat ge zoo durft spreken?”„Ik weet veel, en ’t was niet door u, dat ik het te weten kwam, zooals het mijn recht was.”„Uw recht?”„Ja, uw verloofde had recht te weten, waarom zij door u verlaten werd.”„Verlaten?”„Ja, gij hebt mij verlaten, mij, die nog deel nam in uw smart, nadat ik van vreemden moest hooren welke slag u getroffen had; gij hebt mij geen gelegenheid gegeven u te troosten en te.…”„Doen hopen, wilt ge dat zeggen, Digna?”„Laat ons zwijgen over ’t geen had kunnen zijn, Robert. Nu is alles voorbij; we hebben beiden onzen weg gekozen, niets anders blijft ons over dan dien te volgen, waar God hem ook voeren mag. Wij zijn dood voor elkander, gij hebt het gewild, niet ik.”„O Digna, maak mij niet nog rampzaliger!”Hij greep haar hand, zij trok die terug met een beweging vol schrik en zeide:[60]„Nader mij niet, vergeet geen oogenblik welke afgrond ons scheidt; op die voorwaarde zal ik u aanhooren, anders roep ik mijn slaven om u te doen verwijderen.”„O God, is ’t dan zoover met mij gekomen!” en hij wierp zich op een der stoelen neer en liet het hoofd vol wanhoop op de tafel vallen, „weggejaagd als een dief, een landlooper, een hond! Wie had het mij voorspeld, toen we elkander ’t laatst zagen en we reeds bijna onzen trouwdag hadden bepaald.”Digna vouwde haar handen op de borst; zij voelde zich beschaamd over haar schoonheid, haar welvaart, haar stand in de maatschappij, misschien zelfs over haar vlekkelooze deugd tegenover het arme schepsel dat op zijn nog zoo jeugdig gelaat reeds het merkteeken droeg van hevige hartstochten, van zonde en schuld. Toch bleef zij zwijgen, geen woord van medelijden ontsnapte haar mond en hij hernam:„Gij weet niet in welke hel ik leef, Digna, en nog minder kunt gij vermoeden, welke hel ik in mij zelf omdraag! Ja, ik heb u verlaten zonder een woord, zonder een groet, maar was dat mijn plicht niet, toen ik wist dat ik niet meer de wettige zoon en erfgenaam mijns vaders was maar een verstooteling zonder naam en zonder geld, moest ik toen niet de breedte der aarde stellen tusschen mij en het meisje, dat mij trouw had beloofd? Zij zou spoedig genoeg weten, wat mij van haar scheidde en voor de onuitsprekelijke laagheid bleef ik gespaard dat ik er nog aan durfde denken eenige rechten meer te ontleenen aan het mij eenmaal geschonken woord. Robert van Reijn was niet meer, de andere Robert mocht den voetzool van Digna Tak niet meer aanraken, dat alleen bleef me helder na dien ontzettenden nacht, welken ik misschien nog besloot door een moord.”„Dat ten minste is u bespaard,” zeide Digna en een schaduw[61]van een glimlach teekende zich op haar lippen. „Niets heeft geleden door den slag, dien gij neef Hendrik toebracht, dan alleen zijn neusbeen, dat gebroken is en hem niet verfraait. Maar denkt ge dan niet, Robert, aan hetgeen ik lijden moest toen uw schijnheilige oom …”„Hij is het niet meer of liever hij was het nooit.”„Toen Heer Gerard van Reijn en zijn gezin de laagste beschuldigingen tegen u opstapelden en mijn stiefvader raadden God te danken dat ik bijtijds gered was van een huwelijk met u?”„En gij zelf, Digna, hebt gij ook den Heere gedankt, dat Hij dien slag heeft afgewend?”„Ik heb Hem gebeden voor den armen zwerver.”Zij voegde er niet bij hoeveel bittere tranen zij gestort had om het te betreuren dat zij niet reeds zijne gade was, die het recht had haar rijkdom met hem te deelen en hem te vergezellen, waarheen hij gaan wilde, als zijn trouwe gezellin.„Ge hebt dus niet met toorn en afkeer aan mij gedacht, ge hebt u dus niet geschaamd, dat gij zonder het te weten een armen bastaard hadt bemind?”„Ik schaam mij voor niets, waarin geen kwaad schuilt.”„En weet uw man alles?…”„Ik heb hem alles gezegd!”„Zijt ge gelukkig?”„Ik vervul mijn plicht.”„Ik vraag of gij gelukkig zijt.”„Kan er geluk bestaan anders dan in plichtsvervulling?”„Plichtsvervulling, ik haat niets meer dan plicht!”„Daarom zijt ge zoo ongelukkig, Robert! Gij doet alles om u van het verledene los te rukken, maar eerst moet ge daarmee afrekenen; meent ge dat ik niet bitter en bitter geleden heb,[62]vóór dat ik er toe komen kon een ander lot te kiezen, dan dat waarin ik jaren lang mijn eenig geluk zag?”„Weet ge dat nog en gij schaamt er u niet voor?”„Mij schamen voor mijn eerste, mijn reine liefde. Hoe kunt ge dat vragen, Robert! Gij immers hebt mij verlaten!”„Zeg dat woord niet meer, Digna, ik u verlaten, hoe zou ik durven?”„Gij hebt getwijfeld aan mijne liefde, aan mijn trouw, gij hebt gemeend dat ik den rijken koopmanszoon van Reijn liefhad en ik beminde slechts Robert. Toen de slag u trof, was ’t bij mij dat gij ’t eerst komen moest om mij te laten beslissen over onze toekomst.”„O God, uw liefde had mij kunnen redden en ik gaf ze prijs, daarom viel ik in den afgrond.”„Die liefde kan, mag ik u thans niet meer geven, Robert. Zonde is het bijna haar te noemen, maar ik mag u vrij iets anders schenken zoo ge er prijs op stelt.”„En wat is dat dan, Digna, alles wat van u komt is mij zooveel, zoo oneindig veel waard.”„Mijn achting, Robert.”Hij wendde het gelaat af en lachte bitter.„Achting, wat is achting, als ge wist hoe men leeft, daar waar ik thans ben, als ge wist hoe ik gezworven heb, vóór dat ellendige zielverkoopers en ronselaars mij hierheen sleepten, als ge wist …”„Ik wil niets weten, Robert! Niets. Ik weet alleen dat er geen misdaad is zoo groot en afschuwelijk of God zal ons die vergeven zoo wij ons berouwvol aan zijn voeten werpen. Wilt ge dat doen, Robert!”„God heeft mij verstooten zooals mijn vader …”„Dat is een booze lastering. Ik wil die niet meer hooren!” haar stem klonk weer zoo vast en beslist gelijk voorheen, toen[63]zij den wilden, ontembaren knaap door een gebaar, een woord bedwingen kon, „beloof mij, dat ge uw hart voor God zult vernederen en van Hem dagelijks de kracht afbidden om uw booze hartstochten te overwinnen.”„Het zal niet baten,” zuchtte hij.„Hebt ge het dan reeds gedaan? Verder moet ge uw plicht doen; geen zonde, geen overtreding van Gods wet moogt ge meer bedrijven. Ik verbied het u! Weldra breekt de oorlog aan, ge zult moeten strijden voor de eer der Hollandsche vlag, gij zult de macht van ons vaderland doen kennen aan de bewoners van Java, gij zult hen leeren hoe wij streng kunnen zijn maar ook rechtvaardig. Een heerlijke taak wacht u, Robert! Veel kunt gij goed maken door dapperheid en trouw; verwerp die gelegenheid niet, richt u op uit uw ellendigen staat, wie weet hoeveel roem en geluk u nog wachten, terwijl anders niets meer u dreigt dan een vroege dood vol oneer en schande!”„O Digna, kon ik dagelijks uw stem hooren!”„Vertrek thans! Robert, vertrek! De avond valt, ’t is misschien voor het laatst dat we elkander gezien hebben. Laat ons nu terugkeeren naar onzen plicht, het eenige dat ons overblijft uit de schipbreuk van ons geluk. Wij hebben zelf dien plicht gekozen.”„Ik niet, ik werd bedrogen, verkocht zonder dat ik het wist.”„Dan is het een lot dat u zeker rechtvaardig trof, een straf die gij geduldig te dragen hebt. Ik moet mij toewijden aan mijn echtgenoot en zijn kind. Gij hebt het vaderland!”„Wat deert mij het vaderland? Zijn deze bruine mannen, de landgenooten mijns vaders, niet veel meer mijn broeders dan de blanke Hollanders? Wat belet mij gemeene zaak met hen te maken?”[64]„Uw plicht en uw eed, Robert; laat mij u thans de taak opgeven, die gij uitvoeren moet om mijn achting te herwinnen? Daar in het Oosten van Java regeert een overweldiger, een tiran, hij is het die mijn edelen vader den dood gaf, hij is het die onze macht over Java tegenwerkt; hij was eenmaal een slaaf, door een samenloop van raadselachtige omstandigheden heeft hij het tot vorst kunnen brengen. De Compagnie zal hem een oorlog op leven en dood aandoen, zijn gezag uitroeien. Nooit was er een krijg rechtvaardiger. Onderscheid u in dien strijd, kom terug als een heldhaftig krijger, met het bewustzijn, den dood mijns vaders te hebben gewroken op zijn moordenaar, op den verdrukker van het Javaansche volk, op den slaaf-koning.”De zachte, teedere Digna scheen in een heldin herschapen zoo fonkelden haar oogen, zoo trilde haar stem van vervoering; zij voelde zich thans weer meesteres van zich zelf, zij had vrede gevonden met haar eigen gemoed.„Ik zal u gehoorzamen, Digna,” antwoordde hij ootmoedig, „mag ik uw hand kussen?”„Nog niet, als gij teruggekeerd uit den oorlog een ander mensch geworden zijt.”„Zoo ik val, Digna, zult ge dan in vriendschap en vrede aan mij denken?”„Ik zal overtuigd zijn, dat gij gevallen zijt als een held, die mijn achting en bewondering verdient.”„En zult ge voor mij bidden, dat moogt gij toch!”„Ik beloof het u, en thans vaarwel! Moed en vertrouwen moge God u schenken, Robert!”Een slavin kwam hard uit het huis aangeloopen.„Mevrouw, de Edele Heer is ziek in een draagstoel t’huis gekomen.”Zonder nog meer naar den soldaat om te zien, vloog Digna heen[65]naar huis toe, en zoo bemerkte zij niet, hoe Robert zich langs den weg dien hij gekomen was, door de bedding van de rivier, verwijderde.Hij kroop tusschen de struiken voort, totdat hij aan een brug kwam die over het water lag en toegang verleende tot een ander landgoed. Nergens was een spoor van leven te zien en hij wist waar het poortje lag, dat naar buiten voerde; in den donker meende hij het te kunnen vinden, maar tot zijn schrik vond hij het gesloten; hij rammelde er aan en waarschijnlijk waren zijn krachtige vingers er in geslaagd het slot open te rukken, toen plotseling twee mannen van achter het struikgewas op hem toeschoten en hem ter aarde wierpen.„Nu hebben wij den dief!” zeide één hunner, wiens eigenaardige uitspraak van het Maleisch den Chinees verried, „ik dacht wel dat het zoo’n ellendige soldaat zou wezen. Pak hem beet, koelie, wij zullen hem van avond nog naar het wachthuis overbrengen. Reeds lang genoeg bleef hij straffeloos, die schurk!”Robert verdedigde zich als een wanhopige; met zijn mannenkracht wierp hij de tengere gestalte van den Chinees van zich af, en worstelde nu met den Javaan, dien hij ook weldra onder den voet kreeg, doch de Chinees liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk stormden een tiental mannen op den enkele aan die zich zoo woedend verdedigde.Zij wierpen hem ter aarde, knevelden hem vast en ondanks zijn vurige verzekeringen van onschuld voerden zij hem weg, van het erf naar de stad.Intusschen was Digna hevig verschrikt naar huis gesneld, en vond haar man bleek en met gesloten oogen op een rustbank liggen; toen zij binnenkwam sloeg hij den blik naar haar op en strekte haar glimlachend de hand toe.[66]„’t Is niets, een aanval van mijn kwaal, meer niet,” sprak hij, „’t is nu al veel beter, maar ik vond het voorzichtiger mij naar huis te laten dragen dan te rijden; met een weinig rust zal ik wel spoedig weer mij zelf zijn. Maak u niet ongerust, beste Digna, ’t heeft niets te beduiden.”Inderdaad was de aanval niet ernstig. Digna trachtte zooveel zij kon om hem eenige verlichting te schenken, wat hij echter boven alles behoefde was rust.„Ik was van plan hem mijn ontmoeting te verhalen met Robert,” dacht Digna, „maar het zoude hem thans te veel schokken. Ik zal wachten tot hij beter is, maar dan beken ik hem ook alles.”Zij voelde zich dezen avond wonder licht te moede; de strijd in haar geest was geëindigd; zij wist thans dat zij zelf ook de kracht bezat haar plicht te doen nu zij den vriend harer jeugd in zijn eigen oogen had kunnen opheffen en hem den weg wijzen tot zijn zedelijke genezing.Zij was er zoo van overtuigd haar plicht gedaan te hebben dat zij niet vreesde Markus alles te bekennen; slechts de gedachte aan zijn ziekelijken toestand hield haar terug.„’t Spijt me, de bekentenis zou mij nu zoo licht gevallen zijn,” zeide zij in zich zelf. Drukke bezigheden lieten haar weinig tijd tot nadenken op dezen avond. Niet alleen dat zij haar man te verzorgen had, ook Albert kwam t’huis; zij moest het opgewonden verhaal hooren van zijn genoten pret, het knaapje ontkleeden en te bed brengen.Toen zij eindelijk zich ter ruste legde na zich overtuigd te hebben dat Markus nu ook kalm en zonder pijn was ingeslapen, stelde zij zich met blijdschap voor hoe ook Robert nu meer verzoend met zich zelf zou rusten en de beste voornemens voor de toekomst maken. Zij vermoedde niet hoe haar vriend, in een[67]der ellendige hokken onder het Bataviasche Raadhuis opgesloten, zijn treurig noodlot vervloekte en slechts met een verwensching op de lippen en woede in het hart aan het voorgevallene van den middag terug kon denken, waarvan de herinnering haar met zooveel zoete kalmte en zelfvoldoening vervulde.

[Inhoud]VI.WEDERZIEN.Op den avond van dien dag zat Digna in de galerij op de rivier, met een boek in de hand, waarin zij echter niet las. Hoeveel moeite zij ook deed, het was haar niet mogelijk hare gedachten te dwingen zich met het gelezene bezig te houden en niet hun[57]eigen weg te volgen; met tergende hardnekkigheid keerden zij telkens naar een punt terug, naar het verledene dat zij voor goed dood en begraven achtte en dat zich nu plotseling weer levend en krachtig aan haar geest opdrong.Vergeefs hield zij zich met andere dingen bezig, trachtte zich te verstrooien door gedachten aan haar huishouding, aan haar man, aan den kleinen Albert, aan den naderenden oorlog; hoe zij ook moeite deed, altijd en altijd wendden zij zich weer tot Robert. Het was Robert, die nu eens als een ondoorgrondelijk raadsel voor haar stond, dan weer haar dreigde met zijne gloeiende oogen of zich oploste in een nevelbeeld.Zou het gezicht van dien avond bij het dansende licht der fakkels, en het zilveren schijnsel der maan dan slechts een vizioen geweest zijn! O, mocht het zoo wezen! maar dan drukte zij de hand op het hart en huiverde; kon het zijn dat dit hart blijde en vroolijk klopte alleen bij de gedachte dat de vriend harer jeugd in haar nabijheid vertoefde? Zij dacht zich terug in Amsterdam en doorleefde weder die uren vol onuitsprekelijk geluk, als zij met hem door den tuin van Amstelvreugd wandelde, en hij haar nu eens om vergeving bad, als hij iets misdreven had of haar verzekerde dat zij zijn goede engel, de vreugde en het geluk, de hoop en steun van zijn leven was. Hoe konden zijn oogen dan vol gloed op haar rusten, die herinnering alleen deed haar beven van een gevoel vol zaligheid en geluk!En zij was getrouwd en zij kon nog aan zulke herinneringen met genot denken; o schande! Wat was zij diep gevallen en weer nam zij het boek op, de Zee- en landreizen van Nieuwhoff, die twintig jaar geleden Java bezocht had; zij vond er kort te voren genoegen in, zijn opmerkingen met de werkelijkheid te vergelijken, waarom vond zij ze thans zoo onbeduidend en onbelangrijk?[58]Zij was alleen t’huis; haar man moest een feest bijwonen, Albert was nog niet terug, zij had er spijt van Petronella van Hoorn niet te hebben meegenomen; haar niet veelbeteekenend gepraat zou misschien afleiding tegen dien folterenden gedachtenstrijd kunnen schenken, en tegelijkertijd betrapte zij zich op een gewaarwording van blijdschap omdat zij alleen was, omdat zij de pijniging niet behoefde te doorstaan van een gedwongen luisteren naar nietige gesprekken, omdat zij nu zwijgen kon en denken. Denken, neen juist dat mocht zij niet en het was ’t eenige wat haar verlichtte, en tevens kwelde, want er waren twee personen in Digna’s ziel, de eene die slechts aan het verledene dacht en de dagen van voorheen opnieuw doorleefde, de andere die een strijd op leven en dood aan deze herinneringen gezworen had.Afgemat leunde zij achterover met gesloten oogen, de fijne handen hielden het boek, dat op haar schoot rustte, nog slechts eventjes vast; haar lippen bewogen zich zachtkens, schier onmerkbaar.„Mijn God! sta me bij! Help mij mijn gedachten te overwinnen, de strijd is zoo zwaar, ik wil Markus’ trouwe gemalin zijn in woord en daad niet alleen maar ook in gedachten. Geef mij de kracht om den band te verbreken, die mij nog hecht aan het verledene.”„Digna,” zeide een gedempte, half fluisterende stem.Met een hevigen schok rees de jonge vrouw overeind, haar oogen zagen ontzet voor zich uit, waar zij een welbekende gedaante ontwaarden; Robert had de soldatenkleeding der Compagnie aan, doch netter en ordelijker dan die welke hij den laatsten keer droeg.„Herkent gij mij nog?” vroeg hij en sloeg zijn oogen neer.„Ge hebt niet goed gedaan hier te komen, Robert,” antwoordde zij, „ge weet dat ik getrouwd ben en dat het verledene voor mij niet meer bestaat.”[59]„Dat hadt ge niet noodig mij te herinneren, mevrouw! Ik weet welke breede klove de vrouw van den hoofdambtenaar der Justitie scheidt van den gemeen soldaat, wiens naam zij zich echter nog verwaardigt te gedenken.”„Wat komt ge hier doen?” vroeg zij bevend en een steun zoekend bij de tafel.„Vraagt ge dat nog? U zien, uw stem hooren, mij verlustigen in den aanblik van uw schoonheid, uw hoogen rang om mij zelf daarna nog meer te beklagen, of te verachten, ik weet niet, wat ik meer verdien.”„Verachting dankt ge aan uw eigen werk; beklag hebt gij vrijwillig van u gestooten, als gij bekent verachting te verdienen.”„Weet gij alles, dat ge zoo durft spreken?”„Ik weet veel, en ’t was niet door u, dat ik het te weten kwam, zooals het mijn recht was.”„Uw recht?”„Ja, uw verloofde had recht te weten, waarom zij door u verlaten werd.”„Verlaten?”„Ja, gij hebt mij verlaten, mij, die nog deel nam in uw smart, nadat ik van vreemden moest hooren welke slag u getroffen had; gij hebt mij geen gelegenheid gegeven u te troosten en te.…”„Doen hopen, wilt ge dat zeggen, Digna?”„Laat ons zwijgen over ’t geen had kunnen zijn, Robert. Nu is alles voorbij; we hebben beiden onzen weg gekozen, niets anders blijft ons over dan dien te volgen, waar God hem ook voeren mag. Wij zijn dood voor elkander, gij hebt het gewild, niet ik.”„O Digna, maak mij niet nog rampzaliger!”Hij greep haar hand, zij trok die terug met een beweging vol schrik en zeide:[60]„Nader mij niet, vergeet geen oogenblik welke afgrond ons scheidt; op die voorwaarde zal ik u aanhooren, anders roep ik mijn slaven om u te doen verwijderen.”„O God, is ’t dan zoover met mij gekomen!” en hij wierp zich op een der stoelen neer en liet het hoofd vol wanhoop op de tafel vallen, „weggejaagd als een dief, een landlooper, een hond! Wie had het mij voorspeld, toen we elkander ’t laatst zagen en we reeds bijna onzen trouwdag hadden bepaald.”Digna vouwde haar handen op de borst; zij voelde zich beschaamd over haar schoonheid, haar welvaart, haar stand in de maatschappij, misschien zelfs over haar vlekkelooze deugd tegenover het arme schepsel dat op zijn nog zoo jeugdig gelaat reeds het merkteeken droeg van hevige hartstochten, van zonde en schuld. Toch bleef zij zwijgen, geen woord van medelijden ontsnapte haar mond en hij hernam:„Gij weet niet in welke hel ik leef, Digna, en nog minder kunt gij vermoeden, welke hel ik in mij zelf omdraag! Ja, ik heb u verlaten zonder een woord, zonder een groet, maar was dat mijn plicht niet, toen ik wist dat ik niet meer de wettige zoon en erfgenaam mijns vaders was maar een verstooteling zonder naam en zonder geld, moest ik toen niet de breedte der aarde stellen tusschen mij en het meisje, dat mij trouw had beloofd? Zij zou spoedig genoeg weten, wat mij van haar scheidde en voor de onuitsprekelijke laagheid bleef ik gespaard dat ik er nog aan durfde denken eenige rechten meer te ontleenen aan het mij eenmaal geschonken woord. Robert van Reijn was niet meer, de andere Robert mocht den voetzool van Digna Tak niet meer aanraken, dat alleen bleef me helder na dien ontzettenden nacht, welken ik misschien nog besloot door een moord.”„Dat ten minste is u bespaard,” zeide Digna en een schaduw[61]van een glimlach teekende zich op haar lippen. „Niets heeft geleden door den slag, dien gij neef Hendrik toebracht, dan alleen zijn neusbeen, dat gebroken is en hem niet verfraait. Maar denkt ge dan niet, Robert, aan hetgeen ik lijden moest toen uw schijnheilige oom …”„Hij is het niet meer of liever hij was het nooit.”„Toen Heer Gerard van Reijn en zijn gezin de laagste beschuldigingen tegen u opstapelden en mijn stiefvader raadden God te danken dat ik bijtijds gered was van een huwelijk met u?”„En gij zelf, Digna, hebt gij ook den Heere gedankt, dat Hij dien slag heeft afgewend?”„Ik heb Hem gebeden voor den armen zwerver.”Zij voegde er niet bij hoeveel bittere tranen zij gestort had om het te betreuren dat zij niet reeds zijne gade was, die het recht had haar rijkdom met hem te deelen en hem te vergezellen, waarheen hij gaan wilde, als zijn trouwe gezellin.„Ge hebt dus niet met toorn en afkeer aan mij gedacht, ge hebt u dus niet geschaamd, dat gij zonder het te weten een armen bastaard hadt bemind?”„Ik schaam mij voor niets, waarin geen kwaad schuilt.”„En weet uw man alles?…”„Ik heb hem alles gezegd!”„Zijt ge gelukkig?”„Ik vervul mijn plicht.”„Ik vraag of gij gelukkig zijt.”„Kan er geluk bestaan anders dan in plichtsvervulling?”„Plichtsvervulling, ik haat niets meer dan plicht!”„Daarom zijt ge zoo ongelukkig, Robert! Gij doet alles om u van het verledene los te rukken, maar eerst moet ge daarmee afrekenen; meent ge dat ik niet bitter en bitter geleden heb,[62]vóór dat ik er toe komen kon een ander lot te kiezen, dan dat waarin ik jaren lang mijn eenig geluk zag?”„Weet ge dat nog en gij schaamt er u niet voor?”„Mij schamen voor mijn eerste, mijn reine liefde. Hoe kunt ge dat vragen, Robert! Gij immers hebt mij verlaten!”„Zeg dat woord niet meer, Digna, ik u verlaten, hoe zou ik durven?”„Gij hebt getwijfeld aan mijne liefde, aan mijn trouw, gij hebt gemeend dat ik den rijken koopmanszoon van Reijn liefhad en ik beminde slechts Robert. Toen de slag u trof, was ’t bij mij dat gij ’t eerst komen moest om mij te laten beslissen over onze toekomst.”„O God, uw liefde had mij kunnen redden en ik gaf ze prijs, daarom viel ik in den afgrond.”„Die liefde kan, mag ik u thans niet meer geven, Robert. Zonde is het bijna haar te noemen, maar ik mag u vrij iets anders schenken zoo ge er prijs op stelt.”„En wat is dat dan, Digna, alles wat van u komt is mij zooveel, zoo oneindig veel waard.”„Mijn achting, Robert.”Hij wendde het gelaat af en lachte bitter.„Achting, wat is achting, als ge wist hoe men leeft, daar waar ik thans ben, als ge wist hoe ik gezworven heb, vóór dat ellendige zielverkoopers en ronselaars mij hierheen sleepten, als ge wist …”„Ik wil niets weten, Robert! Niets. Ik weet alleen dat er geen misdaad is zoo groot en afschuwelijk of God zal ons die vergeven zoo wij ons berouwvol aan zijn voeten werpen. Wilt ge dat doen, Robert!”„God heeft mij verstooten zooals mijn vader …”„Dat is een booze lastering. Ik wil die niet meer hooren!” haar stem klonk weer zoo vast en beslist gelijk voorheen, toen[63]zij den wilden, ontembaren knaap door een gebaar, een woord bedwingen kon, „beloof mij, dat ge uw hart voor God zult vernederen en van Hem dagelijks de kracht afbidden om uw booze hartstochten te overwinnen.”„Het zal niet baten,” zuchtte hij.„Hebt ge het dan reeds gedaan? Verder moet ge uw plicht doen; geen zonde, geen overtreding van Gods wet moogt ge meer bedrijven. Ik verbied het u! Weldra breekt de oorlog aan, ge zult moeten strijden voor de eer der Hollandsche vlag, gij zult de macht van ons vaderland doen kennen aan de bewoners van Java, gij zult hen leeren hoe wij streng kunnen zijn maar ook rechtvaardig. Een heerlijke taak wacht u, Robert! Veel kunt gij goed maken door dapperheid en trouw; verwerp die gelegenheid niet, richt u op uit uw ellendigen staat, wie weet hoeveel roem en geluk u nog wachten, terwijl anders niets meer u dreigt dan een vroege dood vol oneer en schande!”„O Digna, kon ik dagelijks uw stem hooren!”„Vertrek thans! Robert, vertrek! De avond valt, ’t is misschien voor het laatst dat we elkander gezien hebben. Laat ons nu terugkeeren naar onzen plicht, het eenige dat ons overblijft uit de schipbreuk van ons geluk. Wij hebben zelf dien plicht gekozen.”„Ik niet, ik werd bedrogen, verkocht zonder dat ik het wist.”„Dan is het een lot dat u zeker rechtvaardig trof, een straf die gij geduldig te dragen hebt. Ik moet mij toewijden aan mijn echtgenoot en zijn kind. Gij hebt het vaderland!”„Wat deert mij het vaderland? Zijn deze bruine mannen, de landgenooten mijns vaders, niet veel meer mijn broeders dan de blanke Hollanders? Wat belet mij gemeene zaak met hen te maken?”[64]„Uw plicht en uw eed, Robert; laat mij u thans de taak opgeven, die gij uitvoeren moet om mijn achting te herwinnen? Daar in het Oosten van Java regeert een overweldiger, een tiran, hij is het die mijn edelen vader den dood gaf, hij is het die onze macht over Java tegenwerkt; hij was eenmaal een slaaf, door een samenloop van raadselachtige omstandigheden heeft hij het tot vorst kunnen brengen. De Compagnie zal hem een oorlog op leven en dood aandoen, zijn gezag uitroeien. Nooit was er een krijg rechtvaardiger. Onderscheid u in dien strijd, kom terug als een heldhaftig krijger, met het bewustzijn, den dood mijns vaders te hebben gewroken op zijn moordenaar, op den verdrukker van het Javaansche volk, op den slaaf-koning.”De zachte, teedere Digna scheen in een heldin herschapen zoo fonkelden haar oogen, zoo trilde haar stem van vervoering; zij voelde zich thans weer meesteres van zich zelf, zij had vrede gevonden met haar eigen gemoed.„Ik zal u gehoorzamen, Digna,” antwoordde hij ootmoedig, „mag ik uw hand kussen?”„Nog niet, als gij teruggekeerd uit den oorlog een ander mensch geworden zijt.”„Zoo ik val, Digna, zult ge dan in vriendschap en vrede aan mij denken?”„Ik zal overtuigd zijn, dat gij gevallen zijt als een held, die mijn achting en bewondering verdient.”„En zult ge voor mij bidden, dat moogt gij toch!”„Ik beloof het u, en thans vaarwel! Moed en vertrouwen moge God u schenken, Robert!”Een slavin kwam hard uit het huis aangeloopen.„Mevrouw, de Edele Heer is ziek in een draagstoel t’huis gekomen.”Zonder nog meer naar den soldaat om te zien, vloog Digna heen[65]naar huis toe, en zoo bemerkte zij niet, hoe Robert zich langs den weg dien hij gekomen was, door de bedding van de rivier, verwijderde.Hij kroop tusschen de struiken voort, totdat hij aan een brug kwam die over het water lag en toegang verleende tot een ander landgoed. Nergens was een spoor van leven te zien en hij wist waar het poortje lag, dat naar buiten voerde; in den donker meende hij het te kunnen vinden, maar tot zijn schrik vond hij het gesloten; hij rammelde er aan en waarschijnlijk waren zijn krachtige vingers er in geslaagd het slot open te rukken, toen plotseling twee mannen van achter het struikgewas op hem toeschoten en hem ter aarde wierpen.„Nu hebben wij den dief!” zeide één hunner, wiens eigenaardige uitspraak van het Maleisch den Chinees verried, „ik dacht wel dat het zoo’n ellendige soldaat zou wezen. Pak hem beet, koelie, wij zullen hem van avond nog naar het wachthuis overbrengen. Reeds lang genoeg bleef hij straffeloos, die schurk!”Robert verdedigde zich als een wanhopige; met zijn mannenkracht wierp hij de tengere gestalte van den Chinees van zich af, en worstelde nu met den Javaan, dien hij ook weldra onder den voet kreeg, doch de Chinees liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk stormden een tiental mannen op den enkele aan die zich zoo woedend verdedigde.Zij wierpen hem ter aarde, knevelden hem vast en ondanks zijn vurige verzekeringen van onschuld voerden zij hem weg, van het erf naar de stad.Intusschen was Digna hevig verschrikt naar huis gesneld, en vond haar man bleek en met gesloten oogen op een rustbank liggen; toen zij binnenkwam sloeg hij den blik naar haar op en strekte haar glimlachend de hand toe.[66]„’t Is niets, een aanval van mijn kwaal, meer niet,” sprak hij, „’t is nu al veel beter, maar ik vond het voorzichtiger mij naar huis te laten dragen dan te rijden; met een weinig rust zal ik wel spoedig weer mij zelf zijn. Maak u niet ongerust, beste Digna, ’t heeft niets te beduiden.”Inderdaad was de aanval niet ernstig. Digna trachtte zooveel zij kon om hem eenige verlichting te schenken, wat hij echter boven alles behoefde was rust.„Ik was van plan hem mijn ontmoeting te verhalen met Robert,” dacht Digna, „maar het zoude hem thans te veel schokken. Ik zal wachten tot hij beter is, maar dan beken ik hem ook alles.”Zij voelde zich dezen avond wonder licht te moede; de strijd in haar geest was geëindigd; zij wist thans dat zij zelf ook de kracht bezat haar plicht te doen nu zij den vriend harer jeugd in zijn eigen oogen had kunnen opheffen en hem den weg wijzen tot zijn zedelijke genezing.Zij was er zoo van overtuigd haar plicht gedaan te hebben dat zij niet vreesde Markus alles te bekennen; slechts de gedachte aan zijn ziekelijken toestand hield haar terug.„’t Spijt me, de bekentenis zou mij nu zoo licht gevallen zijn,” zeide zij in zich zelf. Drukke bezigheden lieten haar weinig tijd tot nadenken op dezen avond. Niet alleen dat zij haar man te verzorgen had, ook Albert kwam t’huis; zij moest het opgewonden verhaal hooren van zijn genoten pret, het knaapje ontkleeden en te bed brengen.Toen zij eindelijk zich ter ruste legde na zich overtuigd te hebben dat Markus nu ook kalm en zonder pijn was ingeslapen, stelde zij zich met blijdschap voor hoe ook Robert nu meer verzoend met zich zelf zou rusten en de beste voornemens voor de toekomst maken. Zij vermoedde niet hoe haar vriend, in een[67]der ellendige hokken onder het Bataviasche Raadhuis opgesloten, zijn treurig noodlot vervloekte en slechts met een verwensching op de lippen en woede in het hart aan het voorgevallene van den middag terug kon denken, waarvan de herinnering haar met zooveel zoete kalmte en zelfvoldoening vervulde.

VI.WEDERZIEN.

Op den avond van dien dag zat Digna in de galerij op de rivier, met een boek in de hand, waarin zij echter niet las. Hoeveel moeite zij ook deed, het was haar niet mogelijk hare gedachten te dwingen zich met het gelezene bezig te houden en niet hun[57]eigen weg te volgen; met tergende hardnekkigheid keerden zij telkens naar een punt terug, naar het verledene dat zij voor goed dood en begraven achtte en dat zich nu plotseling weer levend en krachtig aan haar geest opdrong.Vergeefs hield zij zich met andere dingen bezig, trachtte zich te verstrooien door gedachten aan haar huishouding, aan haar man, aan den kleinen Albert, aan den naderenden oorlog; hoe zij ook moeite deed, altijd en altijd wendden zij zich weer tot Robert. Het was Robert, die nu eens als een ondoorgrondelijk raadsel voor haar stond, dan weer haar dreigde met zijne gloeiende oogen of zich oploste in een nevelbeeld.Zou het gezicht van dien avond bij het dansende licht der fakkels, en het zilveren schijnsel der maan dan slechts een vizioen geweest zijn! O, mocht het zoo wezen! maar dan drukte zij de hand op het hart en huiverde; kon het zijn dat dit hart blijde en vroolijk klopte alleen bij de gedachte dat de vriend harer jeugd in haar nabijheid vertoefde? Zij dacht zich terug in Amsterdam en doorleefde weder die uren vol onuitsprekelijk geluk, als zij met hem door den tuin van Amstelvreugd wandelde, en hij haar nu eens om vergeving bad, als hij iets misdreven had of haar verzekerde dat zij zijn goede engel, de vreugde en het geluk, de hoop en steun van zijn leven was. Hoe konden zijn oogen dan vol gloed op haar rusten, die herinnering alleen deed haar beven van een gevoel vol zaligheid en geluk!En zij was getrouwd en zij kon nog aan zulke herinneringen met genot denken; o schande! Wat was zij diep gevallen en weer nam zij het boek op, de Zee- en landreizen van Nieuwhoff, die twintig jaar geleden Java bezocht had; zij vond er kort te voren genoegen in, zijn opmerkingen met de werkelijkheid te vergelijken, waarom vond zij ze thans zoo onbeduidend en onbelangrijk?[58]Zij was alleen t’huis; haar man moest een feest bijwonen, Albert was nog niet terug, zij had er spijt van Petronella van Hoorn niet te hebben meegenomen; haar niet veelbeteekenend gepraat zou misschien afleiding tegen dien folterenden gedachtenstrijd kunnen schenken, en tegelijkertijd betrapte zij zich op een gewaarwording van blijdschap omdat zij alleen was, omdat zij de pijniging niet behoefde te doorstaan van een gedwongen luisteren naar nietige gesprekken, omdat zij nu zwijgen kon en denken. Denken, neen juist dat mocht zij niet en het was ’t eenige wat haar verlichtte, en tevens kwelde, want er waren twee personen in Digna’s ziel, de eene die slechts aan het verledene dacht en de dagen van voorheen opnieuw doorleefde, de andere die een strijd op leven en dood aan deze herinneringen gezworen had.Afgemat leunde zij achterover met gesloten oogen, de fijne handen hielden het boek, dat op haar schoot rustte, nog slechts eventjes vast; haar lippen bewogen zich zachtkens, schier onmerkbaar.„Mijn God! sta me bij! Help mij mijn gedachten te overwinnen, de strijd is zoo zwaar, ik wil Markus’ trouwe gemalin zijn in woord en daad niet alleen maar ook in gedachten. Geef mij de kracht om den band te verbreken, die mij nog hecht aan het verledene.”„Digna,” zeide een gedempte, half fluisterende stem.Met een hevigen schok rees de jonge vrouw overeind, haar oogen zagen ontzet voor zich uit, waar zij een welbekende gedaante ontwaarden; Robert had de soldatenkleeding der Compagnie aan, doch netter en ordelijker dan die welke hij den laatsten keer droeg.„Herkent gij mij nog?” vroeg hij en sloeg zijn oogen neer.„Ge hebt niet goed gedaan hier te komen, Robert,” antwoordde zij, „ge weet dat ik getrouwd ben en dat het verledene voor mij niet meer bestaat.”[59]„Dat hadt ge niet noodig mij te herinneren, mevrouw! Ik weet welke breede klove de vrouw van den hoofdambtenaar der Justitie scheidt van den gemeen soldaat, wiens naam zij zich echter nog verwaardigt te gedenken.”„Wat komt ge hier doen?” vroeg zij bevend en een steun zoekend bij de tafel.„Vraagt ge dat nog? U zien, uw stem hooren, mij verlustigen in den aanblik van uw schoonheid, uw hoogen rang om mij zelf daarna nog meer te beklagen, of te verachten, ik weet niet, wat ik meer verdien.”„Verachting dankt ge aan uw eigen werk; beklag hebt gij vrijwillig van u gestooten, als gij bekent verachting te verdienen.”„Weet gij alles, dat ge zoo durft spreken?”„Ik weet veel, en ’t was niet door u, dat ik het te weten kwam, zooals het mijn recht was.”„Uw recht?”„Ja, uw verloofde had recht te weten, waarom zij door u verlaten werd.”„Verlaten?”„Ja, gij hebt mij verlaten, mij, die nog deel nam in uw smart, nadat ik van vreemden moest hooren welke slag u getroffen had; gij hebt mij geen gelegenheid gegeven u te troosten en te.…”„Doen hopen, wilt ge dat zeggen, Digna?”„Laat ons zwijgen over ’t geen had kunnen zijn, Robert. Nu is alles voorbij; we hebben beiden onzen weg gekozen, niets anders blijft ons over dan dien te volgen, waar God hem ook voeren mag. Wij zijn dood voor elkander, gij hebt het gewild, niet ik.”„O Digna, maak mij niet nog rampzaliger!”Hij greep haar hand, zij trok die terug met een beweging vol schrik en zeide:[60]„Nader mij niet, vergeet geen oogenblik welke afgrond ons scheidt; op die voorwaarde zal ik u aanhooren, anders roep ik mijn slaven om u te doen verwijderen.”„O God, is ’t dan zoover met mij gekomen!” en hij wierp zich op een der stoelen neer en liet het hoofd vol wanhoop op de tafel vallen, „weggejaagd als een dief, een landlooper, een hond! Wie had het mij voorspeld, toen we elkander ’t laatst zagen en we reeds bijna onzen trouwdag hadden bepaald.”Digna vouwde haar handen op de borst; zij voelde zich beschaamd over haar schoonheid, haar welvaart, haar stand in de maatschappij, misschien zelfs over haar vlekkelooze deugd tegenover het arme schepsel dat op zijn nog zoo jeugdig gelaat reeds het merkteeken droeg van hevige hartstochten, van zonde en schuld. Toch bleef zij zwijgen, geen woord van medelijden ontsnapte haar mond en hij hernam:„Gij weet niet in welke hel ik leef, Digna, en nog minder kunt gij vermoeden, welke hel ik in mij zelf omdraag! Ja, ik heb u verlaten zonder een woord, zonder een groet, maar was dat mijn plicht niet, toen ik wist dat ik niet meer de wettige zoon en erfgenaam mijns vaders was maar een verstooteling zonder naam en zonder geld, moest ik toen niet de breedte der aarde stellen tusschen mij en het meisje, dat mij trouw had beloofd? Zij zou spoedig genoeg weten, wat mij van haar scheidde en voor de onuitsprekelijke laagheid bleef ik gespaard dat ik er nog aan durfde denken eenige rechten meer te ontleenen aan het mij eenmaal geschonken woord. Robert van Reijn was niet meer, de andere Robert mocht den voetzool van Digna Tak niet meer aanraken, dat alleen bleef me helder na dien ontzettenden nacht, welken ik misschien nog besloot door een moord.”„Dat ten minste is u bespaard,” zeide Digna en een schaduw[61]van een glimlach teekende zich op haar lippen. „Niets heeft geleden door den slag, dien gij neef Hendrik toebracht, dan alleen zijn neusbeen, dat gebroken is en hem niet verfraait. Maar denkt ge dan niet, Robert, aan hetgeen ik lijden moest toen uw schijnheilige oom …”„Hij is het niet meer of liever hij was het nooit.”„Toen Heer Gerard van Reijn en zijn gezin de laagste beschuldigingen tegen u opstapelden en mijn stiefvader raadden God te danken dat ik bijtijds gered was van een huwelijk met u?”„En gij zelf, Digna, hebt gij ook den Heere gedankt, dat Hij dien slag heeft afgewend?”„Ik heb Hem gebeden voor den armen zwerver.”Zij voegde er niet bij hoeveel bittere tranen zij gestort had om het te betreuren dat zij niet reeds zijne gade was, die het recht had haar rijkdom met hem te deelen en hem te vergezellen, waarheen hij gaan wilde, als zijn trouwe gezellin.„Ge hebt dus niet met toorn en afkeer aan mij gedacht, ge hebt u dus niet geschaamd, dat gij zonder het te weten een armen bastaard hadt bemind?”„Ik schaam mij voor niets, waarin geen kwaad schuilt.”„En weet uw man alles?…”„Ik heb hem alles gezegd!”„Zijt ge gelukkig?”„Ik vervul mijn plicht.”„Ik vraag of gij gelukkig zijt.”„Kan er geluk bestaan anders dan in plichtsvervulling?”„Plichtsvervulling, ik haat niets meer dan plicht!”„Daarom zijt ge zoo ongelukkig, Robert! Gij doet alles om u van het verledene los te rukken, maar eerst moet ge daarmee afrekenen; meent ge dat ik niet bitter en bitter geleden heb,[62]vóór dat ik er toe komen kon een ander lot te kiezen, dan dat waarin ik jaren lang mijn eenig geluk zag?”„Weet ge dat nog en gij schaamt er u niet voor?”„Mij schamen voor mijn eerste, mijn reine liefde. Hoe kunt ge dat vragen, Robert! Gij immers hebt mij verlaten!”„Zeg dat woord niet meer, Digna, ik u verlaten, hoe zou ik durven?”„Gij hebt getwijfeld aan mijne liefde, aan mijn trouw, gij hebt gemeend dat ik den rijken koopmanszoon van Reijn liefhad en ik beminde slechts Robert. Toen de slag u trof, was ’t bij mij dat gij ’t eerst komen moest om mij te laten beslissen over onze toekomst.”„O God, uw liefde had mij kunnen redden en ik gaf ze prijs, daarom viel ik in den afgrond.”„Die liefde kan, mag ik u thans niet meer geven, Robert. Zonde is het bijna haar te noemen, maar ik mag u vrij iets anders schenken zoo ge er prijs op stelt.”„En wat is dat dan, Digna, alles wat van u komt is mij zooveel, zoo oneindig veel waard.”„Mijn achting, Robert.”Hij wendde het gelaat af en lachte bitter.„Achting, wat is achting, als ge wist hoe men leeft, daar waar ik thans ben, als ge wist hoe ik gezworven heb, vóór dat ellendige zielverkoopers en ronselaars mij hierheen sleepten, als ge wist …”„Ik wil niets weten, Robert! Niets. Ik weet alleen dat er geen misdaad is zoo groot en afschuwelijk of God zal ons die vergeven zoo wij ons berouwvol aan zijn voeten werpen. Wilt ge dat doen, Robert!”„God heeft mij verstooten zooals mijn vader …”„Dat is een booze lastering. Ik wil die niet meer hooren!” haar stem klonk weer zoo vast en beslist gelijk voorheen, toen[63]zij den wilden, ontembaren knaap door een gebaar, een woord bedwingen kon, „beloof mij, dat ge uw hart voor God zult vernederen en van Hem dagelijks de kracht afbidden om uw booze hartstochten te overwinnen.”„Het zal niet baten,” zuchtte hij.„Hebt ge het dan reeds gedaan? Verder moet ge uw plicht doen; geen zonde, geen overtreding van Gods wet moogt ge meer bedrijven. Ik verbied het u! Weldra breekt de oorlog aan, ge zult moeten strijden voor de eer der Hollandsche vlag, gij zult de macht van ons vaderland doen kennen aan de bewoners van Java, gij zult hen leeren hoe wij streng kunnen zijn maar ook rechtvaardig. Een heerlijke taak wacht u, Robert! Veel kunt gij goed maken door dapperheid en trouw; verwerp die gelegenheid niet, richt u op uit uw ellendigen staat, wie weet hoeveel roem en geluk u nog wachten, terwijl anders niets meer u dreigt dan een vroege dood vol oneer en schande!”„O Digna, kon ik dagelijks uw stem hooren!”„Vertrek thans! Robert, vertrek! De avond valt, ’t is misschien voor het laatst dat we elkander gezien hebben. Laat ons nu terugkeeren naar onzen plicht, het eenige dat ons overblijft uit de schipbreuk van ons geluk. Wij hebben zelf dien plicht gekozen.”„Ik niet, ik werd bedrogen, verkocht zonder dat ik het wist.”„Dan is het een lot dat u zeker rechtvaardig trof, een straf die gij geduldig te dragen hebt. Ik moet mij toewijden aan mijn echtgenoot en zijn kind. Gij hebt het vaderland!”„Wat deert mij het vaderland? Zijn deze bruine mannen, de landgenooten mijns vaders, niet veel meer mijn broeders dan de blanke Hollanders? Wat belet mij gemeene zaak met hen te maken?”[64]„Uw plicht en uw eed, Robert; laat mij u thans de taak opgeven, die gij uitvoeren moet om mijn achting te herwinnen? Daar in het Oosten van Java regeert een overweldiger, een tiran, hij is het die mijn edelen vader den dood gaf, hij is het die onze macht over Java tegenwerkt; hij was eenmaal een slaaf, door een samenloop van raadselachtige omstandigheden heeft hij het tot vorst kunnen brengen. De Compagnie zal hem een oorlog op leven en dood aandoen, zijn gezag uitroeien. Nooit was er een krijg rechtvaardiger. Onderscheid u in dien strijd, kom terug als een heldhaftig krijger, met het bewustzijn, den dood mijns vaders te hebben gewroken op zijn moordenaar, op den verdrukker van het Javaansche volk, op den slaaf-koning.”De zachte, teedere Digna scheen in een heldin herschapen zoo fonkelden haar oogen, zoo trilde haar stem van vervoering; zij voelde zich thans weer meesteres van zich zelf, zij had vrede gevonden met haar eigen gemoed.„Ik zal u gehoorzamen, Digna,” antwoordde hij ootmoedig, „mag ik uw hand kussen?”„Nog niet, als gij teruggekeerd uit den oorlog een ander mensch geworden zijt.”„Zoo ik val, Digna, zult ge dan in vriendschap en vrede aan mij denken?”„Ik zal overtuigd zijn, dat gij gevallen zijt als een held, die mijn achting en bewondering verdient.”„En zult ge voor mij bidden, dat moogt gij toch!”„Ik beloof het u, en thans vaarwel! Moed en vertrouwen moge God u schenken, Robert!”Een slavin kwam hard uit het huis aangeloopen.„Mevrouw, de Edele Heer is ziek in een draagstoel t’huis gekomen.”Zonder nog meer naar den soldaat om te zien, vloog Digna heen[65]naar huis toe, en zoo bemerkte zij niet, hoe Robert zich langs den weg dien hij gekomen was, door de bedding van de rivier, verwijderde.Hij kroop tusschen de struiken voort, totdat hij aan een brug kwam die over het water lag en toegang verleende tot een ander landgoed. Nergens was een spoor van leven te zien en hij wist waar het poortje lag, dat naar buiten voerde; in den donker meende hij het te kunnen vinden, maar tot zijn schrik vond hij het gesloten; hij rammelde er aan en waarschijnlijk waren zijn krachtige vingers er in geslaagd het slot open te rukken, toen plotseling twee mannen van achter het struikgewas op hem toeschoten en hem ter aarde wierpen.„Nu hebben wij den dief!” zeide één hunner, wiens eigenaardige uitspraak van het Maleisch den Chinees verried, „ik dacht wel dat het zoo’n ellendige soldaat zou wezen. Pak hem beet, koelie, wij zullen hem van avond nog naar het wachthuis overbrengen. Reeds lang genoeg bleef hij straffeloos, die schurk!”Robert verdedigde zich als een wanhopige; met zijn mannenkracht wierp hij de tengere gestalte van den Chinees van zich af, en worstelde nu met den Javaan, dien hij ook weldra onder den voet kreeg, doch de Chinees liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk stormden een tiental mannen op den enkele aan die zich zoo woedend verdedigde.Zij wierpen hem ter aarde, knevelden hem vast en ondanks zijn vurige verzekeringen van onschuld voerden zij hem weg, van het erf naar de stad.Intusschen was Digna hevig verschrikt naar huis gesneld, en vond haar man bleek en met gesloten oogen op een rustbank liggen; toen zij binnenkwam sloeg hij den blik naar haar op en strekte haar glimlachend de hand toe.[66]„’t Is niets, een aanval van mijn kwaal, meer niet,” sprak hij, „’t is nu al veel beter, maar ik vond het voorzichtiger mij naar huis te laten dragen dan te rijden; met een weinig rust zal ik wel spoedig weer mij zelf zijn. Maak u niet ongerust, beste Digna, ’t heeft niets te beduiden.”Inderdaad was de aanval niet ernstig. Digna trachtte zooveel zij kon om hem eenige verlichting te schenken, wat hij echter boven alles behoefde was rust.„Ik was van plan hem mijn ontmoeting te verhalen met Robert,” dacht Digna, „maar het zoude hem thans te veel schokken. Ik zal wachten tot hij beter is, maar dan beken ik hem ook alles.”Zij voelde zich dezen avond wonder licht te moede; de strijd in haar geest was geëindigd; zij wist thans dat zij zelf ook de kracht bezat haar plicht te doen nu zij den vriend harer jeugd in zijn eigen oogen had kunnen opheffen en hem den weg wijzen tot zijn zedelijke genezing.Zij was er zoo van overtuigd haar plicht gedaan te hebben dat zij niet vreesde Markus alles te bekennen; slechts de gedachte aan zijn ziekelijken toestand hield haar terug.„’t Spijt me, de bekentenis zou mij nu zoo licht gevallen zijn,” zeide zij in zich zelf. Drukke bezigheden lieten haar weinig tijd tot nadenken op dezen avond. Niet alleen dat zij haar man te verzorgen had, ook Albert kwam t’huis; zij moest het opgewonden verhaal hooren van zijn genoten pret, het knaapje ontkleeden en te bed brengen.Toen zij eindelijk zich ter ruste legde na zich overtuigd te hebben dat Markus nu ook kalm en zonder pijn was ingeslapen, stelde zij zich met blijdschap voor hoe ook Robert nu meer verzoend met zich zelf zou rusten en de beste voornemens voor de toekomst maken. Zij vermoedde niet hoe haar vriend, in een[67]der ellendige hokken onder het Bataviasche Raadhuis opgesloten, zijn treurig noodlot vervloekte en slechts met een verwensching op de lippen en woede in het hart aan het voorgevallene van den middag terug kon denken, waarvan de herinnering haar met zooveel zoete kalmte en zelfvoldoening vervulde.

Op den avond van dien dag zat Digna in de galerij op de rivier, met een boek in de hand, waarin zij echter niet las. Hoeveel moeite zij ook deed, het was haar niet mogelijk hare gedachten te dwingen zich met het gelezene bezig te houden en niet hun[57]eigen weg te volgen; met tergende hardnekkigheid keerden zij telkens naar een punt terug, naar het verledene dat zij voor goed dood en begraven achtte en dat zich nu plotseling weer levend en krachtig aan haar geest opdrong.

Vergeefs hield zij zich met andere dingen bezig, trachtte zich te verstrooien door gedachten aan haar huishouding, aan haar man, aan den kleinen Albert, aan den naderenden oorlog; hoe zij ook moeite deed, altijd en altijd wendden zij zich weer tot Robert. Het was Robert, die nu eens als een ondoorgrondelijk raadsel voor haar stond, dan weer haar dreigde met zijne gloeiende oogen of zich oploste in een nevelbeeld.

Zou het gezicht van dien avond bij het dansende licht der fakkels, en het zilveren schijnsel der maan dan slechts een vizioen geweest zijn! O, mocht het zoo wezen! maar dan drukte zij de hand op het hart en huiverde; kon het zijn dat dit hart blijde en vroolijk klopte alleen bij de gedachte dat de vriend harer jeugd in haar nabijheid vertoefde? Zij dacht zich terug in Amsterdam en doorleefde weder die uren vol onuitsprekelijk geluk, als zij met hem door den tuin van Amstelvreugd wandelde, en hij haar nu eens om vergeving bad, als hij iets misdreven had of haar verzekerde dat zij zijn goede engel, de vreugde en het geluk, de hoop en steun van zijn leven was. Hoe konden zijn oogen dan vol gloed op haar rusten, die herinnering alleen deed haar beven van een gevoel vol zaligheid en geluk!

En zij was getrouwd en zij kon nog aan zulke herinneringen met genot denken; o schande! Wat was zij diep gevallen en weer nam zij het boek op, de Zee- en landreizen van Nieuwhoff, die twintig jaar geleden Java bezocht had; zij vond er kort te voren genoegen in, zijn opmerkingen met de werkelijkheid te vergelijken, waarom vond zij ze thans zoo onbeduidend en onbelangrijk?[58]

Zij was alleen t’huis; haar man moest een feest bijwonen, Albert was nog niet terug, zij had er spijt van Petronella van Hoorn niet te hebben meegenomen; haar niet veelbeteekenend gepraat zou misschien afleiding tegen dien folterenden gedachtenstrijd kunnen schenken, en tegelijkertijd betrapte zij zich op een gewaarwording van blijdschap omdat zij alleen was, omdat zij de pijniging niet behoefde te doorstaan van een gedwongen luisteren naar nietige gesprekken, omdat zij nu zwijgen kon en denken. Denken, neen juist dat mocht zij niet en het was ’t eenige wat haar verlichtte, en tevens kwelde, want er waren twee personen in Digna’s ziel, de eene die slechts aan het verledene dacht en de dagen van voorheen opnieuw doorleefde, de andere die een strijd op leven en dood aan deze herinneringen gezworen had.

Afgemat leunde zij achterover met gesloten oogen, de fijne handen hielden het boek, dat op haar schoot rustte, nog slechts eventjes vast; haar lippen bewogen zich zachtkens, schier onmerkbaar.

„Mijn God! sta me bij! Help mij mijn gedachten te overwinnen, de strijd is zoo zwaar, ik wil Markus’ trouwe gemalin zijn in woord en daad niet alleen maar ook in gedachten. Geef mij de kracht om den band te verbreken, die mij nog hecht aan het verledene.”

„Digna,” zeide een gedempte, half fluisterende stem.

Met een hevigen schok rees de jonge vrouw overeind, haar oogen zagen ontzet voor zich uit, waar zij een welbekende gedaante ontwaarden; Robert had de soldatenkleeding der Compagnie aan, doch netter en ordelijker dan die welke hij den laatsten keer droeg.

„Herkent gij mij nog?” vroeg hij en sloeg zijn oogen neer.

„Ge hebt niet goed gedaan hier te komen, Robert,” antwoordde zij, „ge weet dat ik getrouwd ben en dat het verledene voor mij niet meer bestaat.”[59]

„Dat hadt ge niet noodig mij te herinneren, mevrouw! Ik weet welke breede klove de vrouw van den hoofdambtenaar der Justitie scheidt van den gemeen soldaat, wiens naam zij zich echter nog verwaardigt te gedenken.”

„Wat komt ge hier doen?” vroeg zij bevend en een steun zoekend bij de tafel.

„Vraagt ge dat nog? U zien, uw stem hooren, mij verlustigen in den aanblik van uw schoonheid, uw hoogen rang om mij zelf daarna nog meer te beklagen, of te verachten, ik weet niet, wat ik meer verdien.”

„Verachting dankt ge aan uw eigen werk; beklag hebt gij vrijwillig van u gestooten, als gij bekent verachting te verdienen.”

„Weet gij alles, dat ge zoo durft spreken?”

„Ik weet veel, en ’t was niet door u, dat ik het te weten kwam, zooals het mijn recht was.”

„Uw recht?”

„Ja, uw verloofde had recht te weten, waarom zij door u verlaten werd.”

„Verlaten?”

„Ja, gij hebt mij verlaten, mij, die nog deel nam in uw smart, nadat ik van vreemden moest hooren welke slag u getroffen had; gij hebt mij geen gelegenheid gegeven u te troosten en te.…”

„Doen hopen, wilt ge dat zeggen, Digna?”

„Laat ons zwijgen over ’t geen had kunnen zijn, Robert. Nu is alles voorbij; we hebben beiden onzen weg gekozen, niets anders blijft ons over dan dien te volgen, waar God hem ook voeren mag. Wij zijn dood voor elkander, gij hebt het gewild, niet ik.”

„O Digna, maak mij niet nog rampzaliger!”

Hij greep haar hand, zij trok die terug met een beweging vol schrik en zeide:[60]

„Nader mij niet, vergeet geen oogenblik welke afgrond ons scheidt; op die voorwaarde zal ik u aanhooren, anders roep ik mijn slaven om u te doen verwijderen.”

„O God, is ’t dan zoover met mij gekomen!” en hij wierp zich op een der stoelen neer en liet het hoofd vol wanhoop op de tafel vallen, „weggejaagd als een dief, een landlooper, een hond! Wie had het mij voorspeld, toen we elkander ’t laatst zagen en we reeds bijna onzen trouwdag hadden bepaald.”

Digna vouwde haar handen op de borst; zij voelde zich beschaamd over haar schoonheid, haar welvaart, haar stand in de maatschappij, misschien zelfs over haar vlekkelooze deugd tegenover het arme schepsel dat op zijn nog zoo jeugdig gelaat reeds het merkteeken droeg van hevige hartstochten, van zonde en schuld. Toch bleef zij zwijgen, geen woord van medelijden ontsnapte haar mond en hij hernam:

„Gij weet niet in welke hel ik leef, Digna, en nog minder kunt gij vermoeden, welke hel ik in mij zelf omdraag! Ja, ik heb u verlaten zonder een woord, zonder een groet, maar was dat mijn plicht niet, toen ik wist dat ik niet meer de wettige zoon en erfgenaam mijns vaders was maar een verstooteling zonder naam en zonder geld, moest ik toen niet de breedte der aarde stellen tusschen mij en het meisje, dat mij trouw had beloofd? Zij zou spoedig genoeg weten, wat mij van haar scheidde en voor de onuitsprekelijke laagheid bleef ik gespaard dat ik er nog aan durfde denken eenige rechten meer te ontleenen aan het mij eenmaal geschonken woord. Robert van Reijn was niet meer, de andere Robert mocht den voetzool van Digna Tak niet meer aanraken, dat alleen bleef me helder na dien ontzettenden nacht, welken ik misschien nog besloot door een moord.”

„Dat ten minste is u bespaard,” zeide Digna en een schaduw[61]van een glimlach teekende zich op haar lippen. „Niets heeft geleden door den slag, dien gij neef Hendrik toebracht, dan alleen zijn neusbeen, dat gebroken is en hem niet verfraait. Maar denkt ge dan niet, Robert, aan hetgeen ik lijden moest toen uw schijnheilige oom …”

„Hij is het niet meer of liever hij was het nooit.”

„Toen Heer Gerard van Reijn en zijn gezin de laagste beschuldigingen tegen u opstapelden en mijn stiefvader raadden God te danken dat ik bijtijds gered was van een huwelijk met u?”

„En gij zelf, Digna, hebt gij ook den Heere gedankt, dat Hij dien slag heeft afgewend?”

„Ik heb Hem gebeden voor den armen zwerver.”

Zij voegde er niet bij hoeveel bittere tranen zij gestort had om het te betreuren dat zij niet reeds zijne gade was, die het recht had haar rijkdom met hem te deelen en hem te vergezellen, waarheen hij gaan wilde, als zijn trouwe gezellin.

„Ge hebt dus niet met toorn en afkeer aan mij gedacht, ge hebt u dus niet geschaamd, dat gij zonder het te weten een armen bastaard hadt bemind?”

„Ik schaam mij voor niets, waarin geen kwaad schuilt.”

„En weet uw man alles?…”

„Ik heb hem alles gezegd!”

„Zijt ge gelukkig?”

„Ik vervul mijn plicht.”

„Ik vraag of gij gelukkig zijt.”

„Kan er geluk bestaan anders dan in plichtsvervulling?”

„Plichtsvervulling, ik haat niets meer dan plicht!”

„Daarom zijt ge zoo ongelukkig, Robert! Gij doet alles om u van het verledene los te rukken, maar eerst moet ge daarmee afrekenen; meent ge dat ik niet bitter en bitter geleden heb,[62]vóór dat ik er toe komen kon een ander lot te kiezen, dan dat waarin ik jaren lang mijn eenig geluk zag?”

„Weet ge dat nog en gij schaamt er u niet voor?”

„Mij schamen voor mijn eerste, mijn reine liefde. Hoe kunt ge dat vragen, Robert! Gij immers hebt mij verlaten!”

„Zeg dat woord niet meer, Digna, ik u verlaten, hoe zou ik durven?”

„Gij hebt getwijfeld aan mijne liefde, aan mijn trouw, gij hebt gemeend dat ik den rijken koopmanszoon van Reijn liefhad en ik beminde slechts Robert. Toen de slag u trof, was ’t bij mij dat gij ’t eerst komen moest om mij te laten beslissen over onze toekomst.”

„O God, uw liefde had mij kunnen redden en ik gaf ze prijs, daarom viel ik in den afgrond.”

„Die liefde kan, mag ik u thans niet meer geven, Robert. Zonde is het bijna haar te noemen, maar ik mag u vrij iets anders schenken zoo ge er prijs op stelt.”

„En wat is dat dan, Digna, alles wat van u komt is mij zooveel, zoo oneindig veel waard.”

„Mijn achting, Robert.”

Hij wendde het gelaat af en lachte bitter.

„Achting, wat is achting, als ge wist hoe men leeft, daar waar ik thans ben, als ge wist hoe ik gezworven heb, vóór dat ellendige zielverkoopers en ronselaars mij hierheen sleepten, als ge wist …”

„Ik wil niets weten, Robert! Niets. Ik weet alleen dat er geen misdaad is zoo groot en afschuwelijk of God zal ons die vergeven zoo wij ons berouwvol aan zijn voeten werpen. Wilt ge dat doen, Robert!”

„God heeft mij verstooten zooals mijn vader …”

„Dat is een booze lastering. Ik wil die niet meer hooren!” haar stem klonk weer zoo vast en beslist gelijk voorheen, toen[63]zij den wilden, ontembaren knaap door een gebaar, een woord bedwingen kon, „beloof mij, dat ge uw hart voor God zult vernederen en van Hem dagelijks de kracht afbidden om uw booze hartstochten te overwinnen.”

„Het zal niet baten,” zuchtte hij.

„Hebt ge het dan reeds gedaan? Verder moet ge uw plicht doen; geen zonde, geen overtreding van Gods wet moogt ge meer bedrijven. Ik verbied het u! Weldra breekt de oorlog aan, ge zult moeten strijden voor de eer der Hollandsche vlag, gij zult de macht van ons vaderland doen kennen aan de bewoners van Java, gij zult hen leeren hoe wij streng kunnen zijn maar ook rechtvaardig. Een heerlijke taak wacht u, Robert! Veel kunt gij goed maken door dapperheid en trouw; verwerp die gelegenheid niet, richt u op uit uw ellendigen staat, wie weet hoeveel roem en geluk u nog wachten, terwijl anders niets meer u dreigt dan een vroege dood vol oneer en schande!”

„O Digna, kon ik dagelijks uw stem hooren!”

„Vertrek thans! Robert, vertrek! De avond valt, ’t is misschien voor het laatst dat we elkander gezien hebben. Laat ons nu terugkeeren naar onzen plicht, het eenige dat ons overblijft uit de schipbreuk van ons geluk. Wij hebben zelf dien plicht gekozen.”

„Ik niet, ik werd bedrogen, verkocht zonder dat ik het wist.”

„Dan is het een lot dat u zeker rechtvaardig trof, een straf die gij geduldig te dragen hebt. Ik moet mij toewijden aan mijn echtgenoot en zijn kind. Gij hebt het vaderland!”

„Wat deert mij het vaderland? Zijn deze bruine mannen, de landgenooten mijns vaders, niet veel meer mijn broeders dan de blanke Hollanders? Wat belet mij gemeene zaak met hen te maken?”[64]

„Uw plicht en uw eed, Robert; laat mij u thans de taak opgeven, die gij uitvoeren moet om mijn achting te herwinnen? Daar in het Oosten van Java regeert een overweldiger, een tiran, hij is het die mijn edelen vader den dood gaf, hij is het die onze macht over Java tegenwerkt; hij was eenmaal een slaaf, door een samenloop van raadselachtige omstandigheden heeft hij het tot vorst kunnen brengen. De Compagnie zal hem een oorlog op leven en dood aandoen, zijn gezag uitroeien. Nooit was er een krijg rechtvaardiger. Onderscheid u in dien strijd, kom terug als een heldhaftig krijger, met het bewustzijn, den dood mijns vaders te hebben gewroken op zijn moordenaar, op den verdrukker van het Javaansche volk, op den slaaf-koning.”

De zachte, teedere Digna scheen in een heldin herschapen zoo fonkelden haar oogen, zoo trilde haar stem van vervoering; zij voelde zich thans weer meesteres van zich zelf, zij had vrede gevonden met haar eigen gemoed.

„Ik zal u gehoorzamen, Digna,” antwoordde hij ootmoedig, „mag ik uw hand kussen?”

„Nog niet, als gij teruggekeerd uit den oorlog een ander mensch geworden zijt.”

„Zoo ik val, Digna, zult ge dan in vriendschap en vrede aan mij denken?”

„Ik zal overtuigd zijn, dat gij gevallen zijt als een held, die mijn achting en bewondering verdient.”

„En zult ge voor mij bidden, dat moogt gij toch!”

„Ik beloof het u, en thans vaarwel! Moed en vertrouwen moge God u schenken, Robert!”

Een slavin kwam hard uit het huis aangeloopen.

„Mevrouw, de Edele Heer is ziek in een draagstoel t’huis gekomen.”

Zonder nog meer naar den soldaat om te zien, vloog Digna heen[65]naar huis toe, en zoo bemerkte zij niet, hoe Robert zich langs den weg dien hij gekomen was, door de bedding van de rivier, verwijderde.

Hij kroop tusschen de struiken voort, totdat hij aan een brug kwam die over het water lag en toegang verleende tot een ander landgoed. Nergens was een spoor van leven te zien en hij wist waar het poortje lag, dat naar buiten voerde; in den donker meende hij het te kunnen vinden, maar tot zijn schrik vond hij het gesloten; hij rammelde er aan en waarschijnlijk waren zijn krachtige vingers er in geslaagd het slot open te rukken, toen plotseling twee mannen van achter het struikgewas op hem toeschoten en hem ter aarde wierpen.

„Nu hebben wij den dief!” zeide één hunner, wiens eigenaardige uitspraak van het Maleisch den Chinees verried, „ik dacht wel dat het zoo’n ellendige soldaat zou wezen. Pak hem beet, koelie, wij zullen hem van avond nog naar het wachthuis overbrengen. Reeds lang genoeg bleef hij straffeloos, die schurk!”

Robert verdedigde zich als een wanhopige; met zijn mannenkracht wierp hij de tengere gestalte van den Chinees van zich af, en worstelde nu met den Javaan, dien hij ook weldra onder den voet kreeg, doch de Chinees liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk stormden een tiental mannen op den enkele aan die zich zoo woedend verdedigde.

Zij wierpen hem ter aarde, knevelden hem vast en ondanks zijn vurige verzekeringen van onschuld voerden zij hem weg, van het erf naar de stad.

Intusschen was Digna hevig verschrikt naar huis gesneld, en vond haar man bleek en met gesloten oogen op een rustbank liggen; toen zij binnenkwam sloeg hij den blik naar haar op en strekte haar glimlachend de hand toe.[66]

„’t Is niets, een aanval van mijn kwaal, meer niet,” sprak hij, „’t is nu al veel beter, maar ik vond het voorzichtiger mij naar huis te laten dragen dan te rijden; met een weinig rust zal ik wel spoedig weer mij zelf zijn. Maak u niet ongerust, beste Digna, ’t heeft niets te beduiden.”

Inderdaad was de aanval niet ernstig. Digna trachtte zooveel zij kon om hem eenige verlichting te schenken, wat hij echter boven alles behoefde was rust.

„Ik was van plan hem mijn ontmoeting te verhalen met Robert,” dacht Digna, „maar het zoude hem thans te veel schokken. Ik zal wachten tot hij beter is, maar dan beken ik hem ook alles.”

Zij voelde zich dezen avond wonder licht te moede; de strijd in haar geest was geëindigd; zij wist thans dat zij zelf ook de kracht bezat haar plicht te doen nu zij den vriend harer jeugd in zijn eigen oogen had kunnen opheffen en hem den weg wijzen tot zijn zedelijke genezing.

Zij was er zoo van overtuigd haar plicht gedaan te hebben dat zij niet vreesde Markus alles te bekennen; slechts de gedachte aan zijn ziekelijken toestand hield haar terug.

„’t Spijt me, de bekentenis zou mij nu zoo licht gevallen zijn,” zeide zij in zich zelf. Drukke bezigheden lieten haar weinig tijd tot nadenken op dezen avond. Niet alleen dat zij haar man te verzorgen had, ook Albert kwam t’huis; zij moest het opgewonden verhaal hooren van zijn genoten pret, het knaapje ontkleeden en te bed brengen.

Toen zij eindelijk zich ter ruste legde na zich overtuigd te hebben dat Markus nu ook kalm en zonder pijn was ingeslapen, stelde zij zich met blijdschap voor hoe ook Robert nu meer verzoend met zich zelf zou rusten en de beste voornemens voor de toekomst maken. Zij vermoedde niet hoe haar vriend, in een[67]der ellendige hokken onder het Bataviasche Raadhuis opgesloten, zijn treurig noodlot vervloekte en slechts met een verwensching op de lippen en woede in het hart aan het voorgevallene van den middag terug kon denken, waarvan de herinnering haar met zooveel zoete kalmte en zelfvoldoening vervulde.


Back to IndexNext