Chapter 3

Sigarettenmaaksters uit de fabriek te Sevilla.Sigarettenmaaksters uit de fabriek te Sevilla.Zeker is het, dat Isabella de Katholieke, meer dan een eeuw na Pedro’s dood, naar Sevilla kwam, met het doel de twisten te beslechten, die in Andalusië waren ontstaan tusschen twee families, Pons en Guzman genaamd, en dat zij daarin enkel kon slagen, door met groote gestrengheid op te treden. Uit stukken, in het stedelijk archief bewaard, blijkt dat gevechten werden geleverd tusschen de verschillende wijken, straten, ja zelfs huizen. Elk paleis was een vesting geworden en van de transen der torens schoot men op het volk. De stad ging op deze wijze haar ondergang tegemoet.Andalusische vrouw uit het volk.Andalusische vrouw uit het volk.De opstand was zoo ernstig, dat kardinaal Mendoza Isabella ten zeerste afried, zich naar Andalusië te begeven. Doch de Koningin kende geen vrees, waar de plicht haar riep. “Ik weet, welk gevaar mij dreigt”, zeide zij; “doch ik stel mijzelve in Gods hoede. Ik zal beslist optreden; aan mij de taak om recht te oefenen.” Terwijl zij het aan Ferdinand overliet, de oproerige edelen in het Noorden in bedwang te houden, trok zij bij korte dagreizen naar Andalusië, zonder militair geleide, slechts vergezeld van een talrijk gevolg van bisschoppen, pages en edelvrouwen. De beschrijving van haar intocht werd onlangs in het archief der stad ontdekt. Men kan den stoet volgen van de poort vanMacarena, die met goudlaken was behangen, tot aan de Kathedraal en het Alcazar, waar de vorstin verblijf zou houden. Men vindt hier zoowel den prijs vermeld van het brokaat, de zijden kwasten, en het passementwerk van den troonhemel, waaronder de vier en twintig raadsleden de Koningin tegemoet traden, als de som, die Pedro Nunez de Guzman betaalde voor het ros, waarop hij gezeten was, in de hand den Pendon van Sevilla dragend, de beroemde koninklijke banier, die als kostbare reliek in het Ayuntamiento wordt bewaard. Het was niet voor de eerste maal, dat Isabella dat prachtige vaandel mocht begroeten, het was veeleer een herinnering aan blijde zegepraal, want het ging de troepen voor bij de inneming van Granada en had den val van het moorsche rijk aanschouwd. Bij het lezen van die oude documenten met hun aanschouwelijke beschrijving, hoort men het klokgelui, het gezang der priesters, en de kreten der luidruchtige menigte; men ziet die bonte mengeling van typen, Joden, Mooren en een geheele kolonie van negers, die mede door de vorstin waren opgeroepen. De blijde ontvangst, die haar te beurt viel, versterkte Isabella in de overtuiging, dat het vorstelijk gezag nog werd geëerbiedigd in de stad, aan wier trouw zij niet getwijfeld had. Doch zij was niet enkel gekomen om zich te laten huldigen. Drie maanden lang wijdde zij zich aan de taak van het verzoenen der twistende partijen, en onderzocht persoonlijk elk rechtsgeding. Met groote strengheid ging zij hierbij te werk, en weldra had zij onder de schuldigen zulk een heilzamen schrik weten te verbreiden, dat vierduizend inwoners de stad ontvluchtten en in het gebergte of in Portugal een schuilplaats zochten. De geestelijkheid had niet verwacht, dat de jeugdige vorstin zoo krachtig zou optreden. Vreezende, dat de stad ontvolkt zou worden, smeekten zij den aartsbisschop van Cadix, Don Pedro de Solio, hun voorspraak te zijn bij de Koningin, haar de van ouds bekende trouw der stad in herinnering te brengen, en vergiffenis te verkrijgen voor de schuldigen, om zoodoende althans de onschuldigen te sparen. De Vorstin liet zich ten langen leste verbidden, en de stad, eindelijk vanden druk der burgeroorlogen bevrijd, kon weder ruimer adem halen, dank zij de krachtige wijze, waarop Isabella de rust had hersteld.De zaal der Gezanten in het Alcazar.De zaal der Gezanten in het Alcazar.Na de poort, door Don Pedro gebouwd, treden wij door een vestibule in een klein patio, waarin eenige jaren geleden een trap ontdekt werd, overwelfd door een stalactietenzoldering, waarin een lofspreuk prijkt op dienzelfden vorst. Daarop volgt het patio de las Doncellas, waar Karel V in de gepleisterde friezen de keizerlijke adelaars met uitgespreide vleugels heeft aangebracht, en de zuilen van Hercules, het wapen van zijn huis.Gelukkig heeft hij de lambrizeering gespaard, die een bepaalde periode vertegenwoordigt in de geschiedenis der Spaansch-Moorsche keramiek. Gedurende den tijd dat de Mooren inAndalusiëheerschten, waren de tegelbekleedingen der wanden nog echt mozaïekwerk, een samenvoeging van onregelmatige veelhoeken van wit, groen, blauw en zwart email, zoo kunstig aaneengevoegd, dat de grenslijn bijna onzichtbaar werd. Het werk was tijdroovend, moeilijk en kostbaar, maar niet minder volmaakt dan de perzische mozaïken uit hetzelfde tijdperk. Op deze wijze was de lambrizeering van het Patio de las Doncellas vervaardigd, evenals die van meerdere gebouwen uit de 14deeeuw. Later, in de 15deen 16deeeuw, maakten de emailwerkers gebruik van platen, waarop de lijnen van het patroon in smalle opstaande randen waren aangegeven, en de hierdoor ontstane verdiepingen werden met email van verschillende kleur gevuld. Deze wijze van behandeling werd cuerda seca genoemd.Aan dit Patio grenst de zaal der Gezanten, een der grootste wonderen van het Alcazar. De hoefijzervormige bogen, die, in groepen van drie naast elkander geplaatst, aan de vier zijden toegang tot de zaal verleenen, rusten op prachtig gebeeldhouwde kapiteelen, gedragen door kolommen van een zeldzame marmersoort. Boven die bogen is het muurvlak als met een fijn netwerk van gouddraad bedekt, tot aan de fries, die een reeks portretten vertoont van alle koningen, die over Spanje hebben geregeerd. Deze zijn echter te dikwijls overgeschilderd, dan dat men over hun artistieke waarde thans nog zou kunnen oordeelen. Ook de schoone Maria van Padilla is hier binnengeslopen. Maar zij ziet er niet bekoorlijker uit dan al de andere sombere mansportretten. Men moet het ijzeren balkon beklimmen, dat Karel V heeft laten bouwen, en dat rondom de zaal loopt, op de hoogte der portretten, om de trekken te herkennen der schoone minnares van Pedro I, die hij na haar dood tot koningin liet uitroepen, een eer, waaraan zij haar tegenwoordigheid in dit schitterend gezelschap heeft te danken.De overigens wel wat nietige balkons van Karel V stellen ons in staat om van nabij den prachtvollen koepel van cederhout te bewonderen, die de zaal overwelft, en waarin op de meest volmaakte wijze het hout in alle denkbare samenstellingen van geometrische lijnen en vlakken is aaneengevoegd. Men wist niet, uit welken tijd dit wonderwerk afkomstig was, en evenmin kende men den naam van den maker, toen in 1842 een architect, die de sterkte van het gewelf wilde onderzoeken, den sluitsteen liet losmaken. Op de plaat, die deze bevestigde, stond in gothische letters: “De meester der Koninklijke Werken, Don Diego Roiz, maakte mij. Het werk werd voleindigd in de maand Augustus van het jaar onzes Heeren 1427.”Don Pedro stierf in 1369; en dus was het onder zijn opvolger, dat die fraaie koepel werd voltooid.Uit de zaal der Gezanten treedt men binnen in dat gedeelte van het paleis, dat door Karel V en zijn voorouders is herbouwd. De ontvangzaal van den grooten Keizer is grootsch van ontwerp, en bedekt met een prachtige caissonzoldering. De omlijstingen der vakken zijn in oosterschen stijl gehouden, maar op de kruispunten zijn menschelijke koppen aangebracht, in haut-relief, die zeer forsch en krachtig zijn behandeld. De wanden zijn met een lambrizeering van beschilderde tegels bekleed. De deuren en vensters zijn betrekkelijk klein, doch de deurposten en vensterkozijnen zijn fraai bewerkt en versierd met inlegwerk, waarin spreuken tusschen de geometrische teekening zijn gevlochten. Met de tapijten, die werden opgehangen tusschen de fries en de lambrizeering, en waarmede ook de vloeren waren bedekt, tryptieken en reliquieënkastjes, eenige meubelstukken, die de vorsten medenamen op hun reizen, kisten, waarin kostbaarheden, boeken en kleedingstukken waren geborgen, was het ameublement compleet, dat voldeed aan de eischen van koningen als Karel V en Philips II. Sommige meubels bleven in de bewaarplaatsen van het paleis geborgen, anderen werden geleverd door de stad, zooals bij voorbeeld bedden en bedgordijnen. In de rekeningen der stad wordt de som vermeld, door Sevilla besteed aan den aankoop van het genueesch fluweel, dat aan Isabella de Katholieke werd aangeboden, om de gordijnen te laten vervaardigen voor het bed, waarop haar eenige zoon, prins Juan, geboren werd.Het zou jammer zijn, niet een blik te werpen in het bekoorlijke patio de las Munecas, of der Poppen, dat ondanks de herstellingen, die het heeft ondergaan, nog een kunstwerk is van den eersten rang. Men zou dan trouwens ook niet de beruchte bloedvlek zien, die de moord van den ongelukkigen Don Enrique op het marmer heeft achtergelaten, en die de tijd noch de menschenhand heeft kunnen uitwisschen. Maar wij behoeven ons daarover niet al te zeer te bekommeren, want de kroniekschrijver, die den gids in dit geval tegenspreekt, beweert, dat de prins buiten het paleis door den dolk van den moordenaar werd getroffen.Wanneer men in de gunst staat bij den paleisbewaarder, en dit was in hooge mate het geval met onzen geleerden metgezel, den archeoloog, José Gestoso, mag men ook de vertrekken der eerste verdieping bezoeken, die de leden der Koninklijke familie bewonen, als zij Sevilla met een bezoek vereeren. Behalve de plafonds, die dagteekenen uit den tijd van Philips II en Philips IV, en verschillende fraaie tapijten uit Madrid, uit de achttiende eeuw, zijn hier meest intiemere herinneringen bijeengebracht. Zoo ziet men hier fraaie portretten van Isabella II en haar zuster, later hertogin van Montpensier, als meisjes. Vier groote doeken stellen forsch gebouwde Asturische vrouwen voor met regelmatige trekken, landelijkeschoonheden. Het zijn de minnen, die de eer hebben gehad den kleinen Alonzo XII en de infanta’s, zijn zusters, als voedster te dienen.Ook bevindt zich hier een kostbare merkwaardigheid, het met email versierde altaar uit het bidvertrek van Isabella van Castilië, waarbij, volgens de overlevering, het huwelijk werd voltrokken van Karel V met Isabella van Portugal, de toekomstige moeder van den somberen Philips II, wier blonde schoonheid door het penseel van Titiaan is vereeuwigd. De emailbekleeding is een voorbeeld van het cuerda seca, de vulling tusschen opstaande randen, waarover wij reeds vroeger hebben gesproken.In de teekening der ornamenten volgden hierbij de Spanjaarden steeds oostersche voorbeelden, doch zij brachten nieuwe motieven aan, door tusschen de geometrische lijnen kleine plaatjes in te voegen, waarop, tegen een melkwitten grond, schilden, wapens en fantastische diervormen zijn afgebeeld, die aan de monsters der gothiek herinneren. Na den aanvang der 16de eeuw echter greep in de behandeling dezer versieringskunst een groote verandering plaats. Inplaats van de aaneengevoegde stukken, of de verhoogde vakken van vroeger, wordt nu de vlakke plaat uit de hand beschilderd, wat den kunstenaar een veel grootere vrijheid liet. De heer José Gestoso deelt in zijn studie over de sevillaansche keramiek belangrijke bijzonderheden mede omtrent de wijze, waarop deze omkeer heeft plaats gegrepen. Door de betrekkingen, die tusschen Spanje en Italië waren aangeknoopt, deed zich ook in het iberisch schiereiland de invloed der renaissance gevoelen. Aangelokt door de macht en den rijkdom der katholieke vorsten, trokken vele kunstenaars naar Sevilla, dat langzamerhand een der voornaamste steden van Spanje was geworden. Vasari verhaalt, dat Lucca della Robbia meerdere van zijn werken aan den koning van Spanje zond, en dat Antonio Pallando in 1480 een groot bronzen bas-relief, voorstellende een groep worstelende mannen, eveneens voor dien vorst vervaardigde. In Andalusië ontmoetten de italiaansche kunstenaars schilders en beeldhouwers, die den invloed der vlaamsche school hadden ondergaan, en uit die gelukkige vereeniging werd de sevillaansche kunst geboren. Het altaarstuk in het hierboven vermelde bidvertrek van Isabella is een treffend voorbeeld van dit samensmelten van de italiaansche en vlaamsche richtingen. Boven het altaar verrijst een plaat van vierkante tegels, beschilderd met een voorstelling van het bezoek der heilige Maagd bij haar nicht Elizabeth, dat in zijn naïeve bekoorlijkheid aan de primitieve gratie der werken van Van Eyck herinnert. Beneden, aan den rand van het tafereel, rust de patriarch Isaï, in diepen slaap verzonken, het hoofd steunend op de rechterhand. Uit zijn borst ontspruiten twijgen en lofwerk, dat met zijn bloeiende ranken de figuren omslingert van profeten en voorvaderen van Christus. Deze guirlande eindigt boven het midden der schilderij in de figuren van de heilige maagd en het Christuskind. Onder het beeld van Maria staat:Francisco Niculoso me fecit. En op den linker pilaster het jaartal 1503. Deze versieringswijze, waarbij de kunstenaar op het effen tegelvlak zijn verbeelding vrij spel kon laten, wordt pisano genoemd, naar den kunstenaar van dien naam, die kort voor den dood van koningin Isabella haar vertrouwen en haar bescherming wist te winnen. Hij versierde, met den beroemden Pedro Millan, de poort van Santa Paula, waarbij de twee kunstenaars op wonderbare wijze de vlakke tegelbeschildering wisten te vereenigen met het bas-relief.Ook Karel V koesterde, evenals zijn voorgangers, een bijzondere voorliefde voor deze versieringswijze. De groote feestzaal, die hij op het oudste gedeelte van het Alcazar liet bouwen, levert hiervan het bewijs. De lambrizeering van tegels in deze zaal is een triomf van de italiaansche kunst. Levensgroote, nobel gedrapeerde figuren worden afgewisseld door medaillons, grotesken, vogels, fantastische diervormen, die zich ontwikkelen uit sierlijke ranken en bloemguirlanden. Deze lambrizeering beslaat, met die der vestibule, die aan de zaal grenst, eene oppervlakte van 589 meter en draagt het monogram van den maker, Cristobal de Augusta. Daar de feestzaal van Karel V thans niet is bevloerd, zoodat men er rondwandelt in het stof, en enkel dienst doet als bewaarplaats voor oude badkuipen en de versieringen, die bij volksfeesten worden gebruikt, is de toegang verboden. Vreemdelingen hebben zelfs geen vermoeden van haar bestaan; wat niet teverwonderenis, daar zij bij een bezoek aan het paleis door strenge gidsen worden rondgeleid langs een weg, die eens voor al is afgebakend.Ook in de sevillaansche beeldhouwkunst van dezen tijd bespeurt men duidelijk den invloed der italiaansche kunstenaars, die zich in grooten getale naar Spanje begaven, gelokt door de voorspiegelingen van den rijkdom, dien het goud der Nieuwe Wereld had aangebracht, en die al spoedig de vlaamsche en duitsche school aldaar verdrongen. In het werk van Pedro Millan althans zijn klaarblijkelijk sporen van dien invloed te ontdekken. Al blijft de groote kunstenaar de traditie getrouw, zijn werken treffen ons steeds meer door die argelooze weergave der natuur, die juistheid van uitdrukking, en dat machtige gevoel, dat het kenmerk is van een zeker idealistisch realisme, dat de aanraking met italiaansche meesters meer en meer in hem tot ontwikkeling bracht. Vooral in de prachtige beeldenrij, die de beide deuren der kathedraal versiert, bekend onder den naam van Bautismo en Nacimiento, komt dit karakter aan het licht. De hoofden, handen en voeten verraden nauwkeurige studie, vrij van alle conventionaliteit, de plooien der gewaden voegen zich naar de lichaamsvormen, die zij bedekken, zonder ze eng te omsluiten. Het borstbeeld van een bisschop, met zijn uitdrukking van vrome zachtmoedigheid, doet ons den kunstenaar kennen, die een hartstochtelijke vereering gevoelt voor de natuur en daarbij zijn techniek tot de hoogste volmaking heeft gebracht. Omtrent de geboorteplaats en de afkomst van den grooten kunstenaar, die deze werken schiep, is niets bekend; maar hij geniet de eer, voor den grootsten beeldhouwer uit dit tijdperk der andalusische kunst te worden gehouden. Na hem bereikte de italiaansche invloed haar toppunt in den genialen kunstenaar Pietro Torrigiano, een man van een heftig en hartstochtelijk karakter. Hij was in 1470 te Florence geboren. Reeds begon de roem vanden jongen kunstenaar zich te verbreiden, toen hij bij een twist met Michel Angelo, die afgunstig op hem was, dezen den neus brak door een slag met een stok.Daar hij door deze daad den toorn had opgewekt van Lorenzo de Medici, vluchtte hij naar Rome, verwisselde den beitel met het zwaard, nam dienst bij een troep condottieri, en bracht het zelfs tot den rang van luitenant. Daar hij echter niet snel genoeg werd bevorderd, nam hij zijn ontslag uit den krijgsdienst, en keerde terug tot de kunst. Na zich opnieuw door enkele meesterwerken roem te hebben verworven, begaf hij zich naar Engeland, en van daar naar Andalusië, waar hij zich vestigde in Sevilla.De heilige Jeronimus van Torrigiano.De heilige Jeronimus van Torrigiano.Doch na vergeefsche pogingen te hebben gedaan tot het verkrijgen der opdracht, om de graftombe der katholieke koningen te ontwerpen, stierf hij in 1522, in een der kerkers van de inquisitie, als het slachtoffer van zijn opvliegend karakter. Vasari vermeldt, dat Torrigiano beschuldigd werd, een beeld van de heilige maagd te hebben stukgeslagen, omdat de hertog van Arcos weigerde, den prijs ervoor te betalen dien hij vroeg. Meer was niet noodig om in de klauwen der inquisitie te geraken.In zijn veelbewogen leven heeft Torrigiano geen groot aantal kunstwerken kunnen scheppen, maar hun schoonheid vergoedt dit gebrek in ruime mate. Behalve het bas-relief van het hospitaal de la Sangre, wordt als de schoonste zijner scheppingen het beeld geroemd van den heiligen Jeronimus in de woestijn, dat hij vervaardigde voor de monniken van Buenavista, en dat na de verwoesting van dit klooster gelukkig naar Sevilla werd overgebracht. Een blik op dit beeld is voldoende, om den naijver van Michel Angelo volkomen gerechtvaardigd te achten. Buonarotti zag in Torrigiano een geduchten mededinger, en niet zonder reden. Goya aarzelt niet, den Jeronimus te Sevilla voor een der grootste kunstwerken, niet slechts van Spanje, maar van Italië en Frankrijk te verklaren. Evenals Pedro Millan boetseerde Torrigiano zijn beelden in klei, en toonde zich een meester in de behandeling van dit zoo bij uitstek plastische materiaal, waarvan de schoonheid door de sobere beschildering met kleuren werd verhoogd. Dat de Italianen in den regel hun beeldhouwwerken niet beschilderden, kan dus niet het gevolg zijn van diep gewortelde overtuiging, als een verblijf in het buitenland reeds voldoende was, om de kunstenaars tot de oude behandelingswijze te doen terugkeeren. Pedro Millan had op zijn werk den stempel gedrukt van een uitstervende school. Torrigiano was de voorlooper der florentijnsche kunst in Spanje; doch de groote Juan Martines Montanes verhief de spaansche beeldhouwkunst tot den allerhoogsten trap, dien zij ooit heeft weten te bereiken, en was de waardige evenknie van Velasquez, Zurbaran en Murillo, zijn beroemde tijdgenooten. Het kenmerkend karakter van zijn werk is de oprechtheid en het diep geloof, dat er in doorstraalt.Hij staat boven alle aangenomen manier, en al was hij een echte zoon van het land zijner geboorte; al liet hij zich bezielen door de werken zijner groote voorgangers, hij kan niemands navolger worden genoemd, en geeft blijken van grootsche oorspronkelijkheid. Geen beeldhouwer heeft zoo getrouw de natuur tot eenig voorbeeld gekozen, ook bij de weergave der meest ideale voorstellingen. In zijn Christus aan het kruis is ware menschelijkheid vereenigd met de meest verheven opvatting van goddelijk lijden, en dezelfde wonderbare vermenging van het bovenzinnelijke en het zuiver menschelijke spreidt hij ook ten toon in zijn onvergelijkelijke Concepcions. In alle kerken en kloosters van Andalusië zijn zijn werken verspreid, en vele van zijn Christuskinderen worden met de grootste liefde bewaard in arme nonnenkloosters, ondanks het treurige gebrek aan middelen, dat de ongelukkige vrouwen dikwijls noopt haar kostbaarste bezittingen te verkoopen.De vermenigvuldiging der brooden, van Murillo.De vermenigvuldiging der brooden, van Murillo.Het kruisbeeld van de kapel de los Calices in de kathedraal vindt zijn weerga niet in de italiaansche school en kan wedijveren met den wit marmeren Christus van Benvenuto Cellini, die in het Escuriaal wordt bewaard.Slechts de Christus van den Gran Poder kan met dit beeld worden vergeleken. Dit kunstwerk, dat Jezus voorstelt op den lijdensweg, werd in 1619 door Montanes ontworpen voor de broederschap van den Gran Poder, die de graven van Medina Sidonia tegen het midden der 15deeeuw hadden gesticht, en wier eigendom het thans nog is.Het beeld maakt, hoewel eenigszins theatraal ten toon gesteld, toch nog een overweldigenden indruk. Zeer hoog geplaatst, onder een troonhemel, door een traliehek omgeven, grillig verlicht door de flikkerende vlam der brandende kaarsen, die het voortdurend omringen, en weinig afstekend van den achtergrond van rood en goud der stoffen, die de wanden bekleeden, is het beeld te ver van ons verwijderd, om over de schoonheid ervan te kunnen oordeelen, te meer daar het in een wijd gewaad is gehuld van purper en fluweel met zwaar goudborduursel, en slechts het hoofd, de handen en de voeten zichtbaar zijn. Deze vermomming verbergt, wat men helaas niet anders dan een gruwelijke verminking kan noemen. De Christus toch van het Gran Poder droeg niet het kruis op de schouders, zooals Jezus steeds op den lijdensweg wordt voorgesteld, maar omklemde, in hoog opgerichte houding, het kruishout, dat aan zijn voeten leunde. Het ongewone van deze voorstelling gaf aanstoot aan eenige der meest bekrompen leden van de broederschap, en tengevolge hiervan werd een zonderling bevel uitgevaardigd. De armen van het beeld moesten bij de schouders worden afgezaagd, en van een beweegbare spil worden voorzien. Dit geschiedde, en nadat verschillende posities waren beproefd, werden zij ten slotte bevestigd in de houding, zooals men ze thans nog ziet. Uit den zegevierenden Christus, een beeld zoo schoon als in Frankrijk slechts weinige worden aangetroffen, groeide een onder het kruis neergebogen en bezwijkende figuur, die bijna banaal zou schijnen in zijn purperen pronkgewaad, als de schoonheid en de smartelijke uitdrukking van het gelaat niet boven het alledaagsche waren verheven.In 1610, bij de heiligverklaring van Ignatius van Loyola, ontwierp Montanes het hoofd, de handen en de voeten van twee beelden, bestemd om als candeleros (kandelabers) dienst te doen, die den stichter der Jezuïten-orde en den heiligen Franciscus van Assisi voorstelden. Later kwam men op het denkbeeld, de gewaden, die de ledepoppen omhulden, op te vullen en te beschilderen. Men moet dit werkelijk van te voren hebben geweten, om te kunnen zien, dat de beide beelden, die in de kerk der Universiteit worden bewaard, op deze wijze zijn voltooid. De hoofden dezer standbeelden zijn gelijkende portretten, zooals men die weinig aantreft in de spaansche beeldhouwkunst.De groote sevillaansche kunstenaar is zeer oud geworden. In 1635 had hij reeds een hoogen leeftijd bereikt, toen hij door den groothertog van Toskane, die voornemens was Philips IV een ruiterstandbeeld aan te bieden, dat in Florence zou worden gegoten, naar Madrid werd ontboden, om de buste van den Koning te vervaardigen. Het ontwerp in klei, dat naar Italië werd gezonden, is verloren gegaan; maar het bronzen beeld, gegoten door Pietro Tocca, prijkt thans midden op het plein de l’Oriente, vlak bij het paleis en den koninklijken schouwburg. Gedurende zijn verblijf te Madrid heeft Velasquez een portret van Montanes geschilderd, dat zich in het museum te Madrid bevindt.Alle werken van dezen meester zijn polychroom. De eer der kunstvaardige beschildering komt toe aanden schilder Pacheco, die echter van Montanes’ zijde geringen dank daarvoor inoogstte. Zooals bekend is, waren de kunstenaars der 16deeeuw in de beoefening hunner kunst aan strenge wetten onderworpen, door de gilden voorgeschreven. Al was het een beeldhouwer of imaginero veroorloofd, een beeld te boetseeren in klei, het te snijden in hout, of te beitelen in marmer, hij mocht het zelf niet beschilderen of vergulden; die taak was opgedragen aan de encarnadores en de estofadores, waarvan de eersten het lichaam, de tweeden de bekleeding ervan voor hun rekening namen. Pacheco, een begaafd schilder, muntte hierin uit. Doch Montano stelde er prijs op, zelf zijn werken te beschilderen, uit vrees dat een vreemde hand de zuiverheid der lijnen of de juistheid der gelaatsuitdrukking zou bederven. Dit verschil van meening was de oorzaak van meerdere processen tusschen de beide tegenstanders, en een bron van voortdurende oneenigheid. Pacheco, die leefde van 1571–1664, was, behalve een groot kunstenaar, een schrander en ervaren beoordeelaar. Maar daar hij zich uitsluitend liet leiden door zijn voorkeur voor de meesters der italiaansche renaissance en er, bij zijn groote geleerdheid en belezenheid, een wijsgeerig stelsel op nahield, waarmede hij de kunst wilde dwingen zich naar zijn bekrompen stelregels te voegen, terwijl hij bovendien vurig katholiek was, ging hij in zijn schoolschen ijver buitensporig ver; zóó ver, dat hem zelfs in 1618 de taak werd opgedragen ervoor te waken, dat godsdienstige onderwerpen ook in streng godsdienstigen zin werden opgevat.De spaansche schilderschool zou waarschijnlijk door Pacheco’s bemoeiingen in haar hoogevlucht zijn gestuit, als hij zelf niet tot andere gedachten was gekomen. Zijn dochter was gehuwd met Velasquez, die uit Sevilla naar Madrid was getrokken. Toen Pacheco zijn schoonzoon in de hoofdstad bezocht, deden de aanblik van diens werken en zijn gesprekken met den meester hem een nieuw licht opgaan. Hij begreep dat de kunst, om waar te blijven, vóór alles vrij moet zijn, en de behandeling van zijn latere schilderstukken getuigt van zijn veranderde zienswijze.De invloed van Pacheco had zich ook in de opvatting van profane onderwerpen doen gevoelen; terwijl de schilders dier stukken zich beijverden de natuur getrouw te volgen, bleven zij steeds iets ernstigs en eenvoudigs behouden, dat de spaansche schilderschool een eigenaardig karakter verleende. Dit vertoont zich vooral in de werken van Murillo, die in Sevilla schitterend vertegenwoordigd is.Deze groote kunstenaar scheen aanvankelijk niet onder een gelukkig gesternte geboren. Zijn vader, een eenvoudig werkman, stierf toen hij nog slechts elf jaar was, en hij werd groot gebracht door zijn stiefvader, Antonio Lagardes, een heelmeester. Al spoedig aan zijn lot overgelaten, koos hij zelf een meester en een werkplaats. Zijn meester was Juan Castillo, in wiens atelier hij den geheelen dag arbeidde. Maar toen Castillo Sevilla verliet en naar Cadix trok, bleef de jonge man zonder middel van bestaan achter. De jongere leerlingen in de werkplaatsen der sevillaansche schilders moesten op grof doek, sergas genaamd, leeren schilderen, met een mengsel van verf en gom, met water vermengd. Dit was goedkooper en gaf hun spoedig een vaste hand en een zekere bedrevenheid. Op deze sergas begon Murillo nu, om zijn dagelijksch brood te verdienen, heiligen, madonnas en kinderen te schilderen, naar de modellen die hij om zich heen zag, en verkocht deze op de feria’s of jaarmarkten, waar de lieden, die handel dreven met de Nieuwe wereld, hun waren kwamen opdoen, waar de boeren uit den omtrek hun inkoopen deden, en kleine winkeliers wel gaarne een afbeeldsel kochten van hun beschermheiligen waarmede zij hun winkel konden versieren. Aan zulk werk verspilde Murillo zijn krachten, toen Pedro de Maya, een zijner kameraden, hem copieën liet zien naar werken van Rubens en van Dijck, die hij in Vlaanderen had geschilderd. Murillo was hierdoor zoo getroffen, dat hij volstrekt naar Antwerpen wilde reizen, om die groote meesters nader te leeren kennen. Door ijveriger dan ooit te werken, verschafte hij zich het noodige reisgeld, en begaf zich op weg naar het Noorden. In Madrid vertoefde hij, tot zijn geluk, ten huize van Velasquez, die veel van hem verwachtte, hem goeden raad gaf, en hem in staat stelde, de schilderijen te bezichtigen van het Alcazar, Buen Retiro en het Escuriaal. Hij copieerde dan ook weldra Titiaan, Veronèse, Rubens en van Dijck met zooveel ijver, dat hij zich nog in langen tijd niet van hun invloed kon losmaken.Toen hij, na den val van den minister Olivarès, den beschermer van Velasquez, naar Sevilla terugkeerde, was hij reeds de onsterfelijke Murillo, de “engel” der spaansche schilderkunst, zooals Velasquez, volgens de treffende vergelijking van Edmondo de Amicis, de “adelaar” ervan zou kunnen genoemd worden. Door geheel Spanje waren de talrijke werken van zijn hand verspreid, die thans nog de glorie der spaansche en buitenlandsche musea uitmaken. Tusschen 1658 en 1670 schilderde hij een drietal stukken, dat ook in later tijd niet is gescheiden en zijn roem tot in lengte van dagen zal blijven handhaven. Deze trilogie was hem opgedragen door de broederschap der heilige Hermandad de la Caritad, die zich ten doel stelden, de lijken der ter dood gebrachte misdadigers te begraven, uit den Guadalquivir aangespoelde drenkelingen een behoorlijke begrafenis te geven, zieken te verplegen, en ongelukkigen bij te staan. Aan hun hoofd stond Don Miguel de Manara, die in zijn jeugd een uiterst losbandig leven had geleid, doch door waarschuwende visioenen tot inkeer was gebracht, en thans niet rustte, eer hij door een leven van barmhartigheid zijn bedreven zonden had uitgewischt. Op zijn verzoek schilderde Murillo, die zich in de broederschap had laten opnemen, voor de kapel van het hospitaal zijn drie groote werken: Het wonder van de vermenigvuldiging der brooden; Mozes water slaande uit de rots, en den heiligen Johannes de Deo, die een zieke draagt, en door engelen wordt ondersteund.In 1660 had Murillo te Sevilla, misschien hiertoe geleid door de herinnering aan de beproevingen, welke hij in zijn jeugd had ondergaan, een openbare teekenacademie gesticht. Wat Velasquez in Madrid te vergeefs had beproefd, bracht hij tot stand, met,of liever gezegd, ondanks de medewerking van zijn tijdgenooten Herrera de Oude en Valdes Leal. De laatste was echter zoo hoogmoedig en eigenzinnig van aard, dat Murillo ten slotte de leiding der school aan hem overliet, en alleen in zijn atelier onderricht gaf. Het einde van den grooten kunstenaar was zeer treurig. Bij het beschilderen van de kapel in het capucijner klooster te Cadix viel hij van een steiger, en bezeerde zich zoo, dat hij na eenige maanden van hevig lijden overleed.Na Murillo’s dood was het met de sevillaansche school, in eigenlijken zin, gedaan.Verlangend om nog meer van de kunstschatten te bewonderen, waaraan het schoone Andalusië zoo rijk is, verliet ik op een Zondag Sevilla, om het klooster van Santiponce te bezoeken en de plek te zien, waar vroeger het oude Italica lag. Wij kwamen voorbij het thans geheel vervallen klooster van San Isidor del Campo, aan de rivier gelegen, dat in 1595 door een vreeselijkeoverstroomingvan den Guadalquivir geheel werd verwoest, maar door de monniken op een hooger gelegen plek weder opgebouwd. Het kleine klooster van Santiponce, het doel van onzen tocht, dat niet ver van de wallen van het oude Italica is gelegen, wordt thans bewoond door een ouden geestelijke, die er waarschijnlijk van honger zou moeten omkomen, als hij zijn jachthond en zijn geweer niet had. Want er komen weinig bezoekers te Santiponce, en Sevilla heeft dan ook zooveel kerken, dat de vromen der stad hun heil niet buiten haar muren behoeven te zoeken.Juist kwam de pastoor met een volle weitasch thuis, toen ik zijn woning naderde, en hij ontving zeer vaderlijk en welwillend de welkome gast, die hem in zijn eenzaamheid eenige afleiding kwam bezorgen.Hij had mij veel merkwaardigs te vertoonen. Vóór den ingang der kerk bevindt zich een put, waarvan de steenen rand is uitgesleten, daar ieder geloovige, die er voorbij gaat, den vinger in de holte wrijft, en dien daarna eerbiedig aan de lippen brengt, ’t Is de plaats, naar de oude pastoor mij verhaalde, waar eens de heilige Isidorus, die in zijn jeugd een wilde knaap was, de wanhoop zijner ouders, en de plaag zijner leermeesters, een oude vrouw water zag putten, en op zijn vraag, hoe het mogelijk was dat het touw, waaraan de emmer hing, zulk een diepe holte in den rand had geschuurd, ten antwoord kreeg: “Tegen aanhoudende wrijving is zelfs de hardste steen niet bestand.” Dat woord bracht den toekomstigen heilige tot inkeer; hij deelde zijn broeder, die later Sint Leander werd, mede, dat hij van plan was zich te beteren, en werd van toen af aan een der vlijtigste leerlingen van zijn school. Later bouwde hij, als bisschop van Sevilla, een klooster op de plek, die zijn Damaskus was geweest. In de kerk van Santiponce bevindt zich een prachtige Jeronimus in de woestijn, van Montanes, en bekoorlijke bas-reliefs van denzelfden meester, die de geboorte van Christus en de aanbidding der wijzen voorstellen.In de zijkapellen zag ik de beelden van Don Guzman de Goede en zijn vrouw Dona Maria Coronel; die de benoodigde som voor den bouw van het klooster hadden geschonken. De schenkingsacte werd met de regels der orde tweemaal in het jaar de monniken voorgelezen, een gebruik, waarvan nimmer mocht worden afgeweken. De waardige pastoor zou echter thans geen ander gehoor hebben bij deze plechtigheid, dan zijn huishoudster en zijn hond; en de nagedachtenis van Don Guzman wordt beter geëerd door de herinnering aan zijn dappere daden en zijn trouw aan den koning. Alfonso de Wijze had om zijn oudsten zoon, Don Sanchez, voor een daad van verzet te straffen, aan een zijner jongere zonen, Don Juan, de steden Sevilla en Badajoz nagelaten. Maar daar Don Sanchez na zijn vaders dood weigerde, zijn broeder in het bezit te laten van deze erfenis, en de Cortez zich verzette tegen een splitsing, ging Don Juan over tot de Mooren, en verzaakte zijn plicht als Christen, om zijn eerzuchtige plannen te verwezenlijken. De opstandelingen belegerden eerst Tarifa, met het voornemen later Sevilla in te nemen.De stad werd verdedigd door Don Alonzo Perez de Guzman. Daar het beleg dreigde langdurig te zullen worden, zond Don Juan aan den bevelhebber in ’t geheim een bode, die hem 1000 doblos bood, als hij de stad wilde overgeven. Doch Don Guzman antwoordde: “Zeg aan hem, die u gezonden heeft, dat het een groote schande zou zijn, de zege te verkoopen aan overwonnenen, en een nog grootere lafhartigheid, als soldaten de vrijheid kochten met geld.”Daarop wilde Don Juan zien, wat bedreigingen vermochten. Door het verraad van een spion gelukte het hem, zich meester te maken van Don Guzman’s oudsten zoon, een knaap van tien jaren. Hij bracht zelf het kind voor de wallen van de stad.“Don Guzman, herkent gij dit kind?”“Het is mijn eigen zoon, Don Pedro Alonzo de Guzman.”“Geef bij het aanbreken van den dag de stad over, of uw zoon moet sterven.”Don Guzman wierp een blik vol droefheid op zijn kind, en zeide: “Ik geef Tarifa niet over; want het behoort aan koning Sanchez, die het mij heeft toevertrouwd; maar in de plaats van mijn zoon zal ik u zijn gewicht in goud en in zilver geven.”“Ik eisch de overgave der stad.”“Mijn zoon is niet geboren om het werktuig te worden van opstandelingen, maar om te strijden voor de eer van zijn vaderland. Als gij mijn zoon doodt, schenkt gij hem het leven, mij de zegepraal, en overlaadt uzelf met schande.”Hij trok zijn dolk uit de scheede, wierp dien naar beneden en riep: “Als gij een wapen noodig hebt, om uw laaghartig plan te volvoeren, zie hier dan het mijne! Eer zou ik mijn vijf andere zonen voor mijn oogen laten dooden, dan Tarifa overgeven.”Daarop verliet hij de wallen en begaf zich naar zijn woning (“daar het de tijd was van het middagmaal” voegt de kroniekschrijver erbij). Zijn houding was zoo kalm en vastberaden, dat zijn vrouw niet bespeurde door welk een angst hij werd gekweld. Plotseling werden luide kreten vernomen. Don Guzman stond van de tafel op, en trad naar buiten.“Wat beteekent dit rumoer?”“O edele heer, men heeft uw zoon gedood!”“Was het noodig, dat gij mij kwaamt storen?Ik dacht dat de vijand de stad was binnengedrongen.”De belegeraars waren wreed genoeg, om het hoofd van het kind met een slinger over den wal te werpen, maar toen Don Juan begreep, dat de stad zich niet zou overgeven, hief hij het beleg op. Don Guzman liet het hoofd van zijn zoon met groote plechtigheid begraven en later vervoeren naar het klooster van Isidor del Campo.Alles spreekt van verval rondom het oude klooster Santiponce, ook het romeinsche circus, waarvan de steenen gebruikt worden voor de bestrating der naburige landwegen.De zon ging onder en wierp een rooden gloed op de oude muren, toen ik het circus verliet langs een weg, waar anjelieren, jasmijn, geraniums en rozen bloeiden, en hooge cactussen hun vleezige bladeren en stekelige stengels verhieven.Uit de verte klonk het geblaat der kudden, die afdaalden naar den Guadalquivir, en de melancholieke tonen van het gezang der herders. De schemering valt snel in Andalusië. Reeds glinsterden sterren aan den hemel, en in de verte verried een lichtgloed aan de lucht, waar het schoone Sevilla lag, dat ik thans ging verlaten om mij te begeven naar Granada.De Christus van den Gran Poder door Montanes.De Christus van den Gran Poder door Montanes.Het was nog zeer vroeg in den morgen, toen onze trein stilhield bij het station Granada, het Garnatha der andalusische koningen. Ik had de oogen wel willen sluiten om het perron niet te zien; liever had ik te voet een pelgrimstocht gedaan naar de stad, die zooveel Christenbloed heeft doen stroomen. Een breede, goed onderhouden weg, met leelijke moderne huizen, gaslantaarns en een tramway, heet n.b. Straat der Katholieke Koningen. Achter het open, zonnige plein, waarop deze straat uitkwam, zag ik gelukkig donker geboomte schemeren, en langs een fraaie, maar moderne fontein kwam ik dan ook spoedig in het Alameda, een bosch van boomen, waarnaast de hooge bogen der kathedraal van Sevilla zouden verzinken in het niet. Prachtige lanen van reusachtige platanen, waartusschen stroomende beekjes murmelen, strekken zich uit langs de oevers van den Jenil, die schuil gaat onder de rozen, mirten, jasmijn en granaatboomen der aangrenzende tuinen aan de overzijde. Plotseling opende zich een plek in het bosch, van waar men een prachtig uitzicht geniet op de Sierra Nevada en haar kroon van sneeuwtoppen. Op den voorgrond staat een fraaie groep, Koningin Isabella voorstellend, die uit Columbus’ hand de Nieuwe Wereld ten geschenke ontvangt.—Dit alles verzoende mij een weinig met Granada, en verder poogde ik dan ook maar de moderne straten en pleinen zooveel mogelijk over het hoofd te zien en, waar het kon, te vermijden. Er bleven nog altijd genoeg oude en karakteristieke straatjes en steegjes over, en het deed er voor mij weinig toe of ik al een omweg maakte, als ik maar eerst den grooten weg bereikte, die naar het Alhambra leidt. Dit is een schaduwrijke laan midden door een uitgestrekt bosch van olmen, beuken, platanen, esschen en populieren, zóó dicht geplant, dat zelfs op den vollen middag geen zonnestraal door het looverdak dringt, maar alles in een groene en gouden schemering is gehuld. Aan het aanhoudend geruisch van het gebladerte paart zich het murmelen van liefelijke beekjes, die van de hoogten komen stroomen, kleine watervalletjes vormend, en in fijne straaltjes droppelend tusschen de ineengewarde ranken van lianen, wilde wingert, winde en kamperfoelie, die den bodem bedekken en zich slingeren om de hooge stammen.Aan het einde van de laan houdt een standbeeld van Karel V de wacht voor een monumentale poort, gekroond met den tweehoofdigen adelaar; maar hoewel deze ingang op zichzelf niet leelijk is, maakt zij toch op verre na niet den indruk, dien de poort van den Toren van het Recht bij ons opwekt.Midden in den voorgevel van een zwaren, vierkanten bouw, waarvan de steenen door het mos dat ze bedekt, een prachtige verweerde tint hebben gekregen, opent zich een hoefijzervormige poort van indrukwekkende afmetingen. In den sluitsteen is een primitieve afbeelding gebeiteld van een hand, die eensleutel tusschen de vingers houdt. De oorsprong van den naam van den toren is bekend. Hachach Yusuf, die hem in 1348 liet bouwen, oefende hier de rechtspleging uit, in een soort van nis gezeten. Dit feit wordt door inschriften gestaafd, waartusschen de regels van den Koran staan gevlochten: “Er is geen ander God dan Allah”, en “Buiten Allah is geen kracht, noch macht”.De weg, die onder de poort doorloopt, stijgt verder tusschen betrekkelijk nieuwere muren, waarboven, tegen den voet der wallen, geheele hangende tuinen verrijzen, vol bloemen en vruchten, oranje- en granaatboomen en tropische gewassen in overvloed, terwijl men van deze terrassen een heerlijk uitzicht geniet op de Sierra Nevada. Eindelijk kom ik op het Plein der Waterputten, waar groote boomen staan en limonadeverkoopers de dorstigen te drinken geven. Het is een aardig gezicht, als die oude koperen watervaten in den put worden neergelaten en er beslagen weer uit worden opgehaald. In de schaduw der zware boomen staan banken, die den bezoeker tot rusten noodigen, want het uitzicht is zoo heerlijk, dat men het paleis vergeet voor de omgeving. Terwijl ik mijn blik over het schilderachtig landschap laat weiden, herinner ik mij de beschrijving van Granada, die ik juist heb gelezen in de kroniek van den geschiedschrijver der katholieke koningen, Fray Antonio Agapida.“Luistert dan”, zegt hij, “als ik u, in mijn enge kloostercel gezeten, ga verhalen van het beleg en de overgave van Granada, waar de Christenstrijders en de ongeloovige Muzelman elkander elken duim gronds van het schoone Andalusië betwistten, tot de halve maan, dat verafschuwde zinnebeeld, werd nedergeworpen in het stof en het gewijde kruis, het teeken onzer verlossing, in zijn plaats werd verheven.“Meer dan acht eeuwen waren verloopen sedert de arabische veroveraars den ondergang van het Spaansche rijk hadden bezegeld door de nederlaag van Don Roderik, den laatsten der gothische koningen. Doch sedert dien tijd was het eene koninkrijk na het andere door de Christenvorsten heroverd en slechts het machtige Granada verbleef onder de heerschappij der Mooren.“De stad Granada is gelegen in het midden van het koninkrijk, in een golving van de Sierra Nevada, een keten van besneeuwde bergtoppen. Zij is gebouwd op twee hooge heuvels, gescheiden door een breede vallei, waardoor de rivier de Darro stroomt. Op een dier heuvels verrijst het koninklijk paleis en de vesting, het Alhambra genaamd. Zeker spreidt geen paleis ter wereld zulk een barbaarsche pracht ten toon en de Moorsche koning, die het bouwde, was bekend met de geheimen der verborgen wetenschap. Zonder de machtige hulp der alchemie, waarvan hij zich bediende, kon hij zulk een kostbaar werk niet hebben volvoerd.“Aan de overzijde verheft zich de andere bergtop, waarop het rijke, dichtbevolkte stadsgedeelte is gebouwd, het Albaycin genaamd, en de vesting Alcazaba.De hellingen van dezen hoogen heuvel zijn bedekt door meer dan zeventig duizend huizen, gescheiden door nauwe straatjes en kleine pleinen, volgens moorsch gebruik. De huizen hebben binnenplaatsen en de tuinen, die besproeid worden door stroomend water, zijn beplant met oranje-, citroen- en granaatboomen, zoodat het een zeer schoonen aanblik oplevert, deze gebouwen zich te zien verheffen uit het dichte gebladerte. Het geheel is omgeven door hooge muren, waarop honderd dertig torens verrijzen en waarin twaalf versterkte poorten zijn. Door de hooge ligging en de nabijheid van de steeds met sneeuw bedekte Sierra Nevada, heeft de stad niet te lijden van de zomerwarmte en als in andere steden de hitte verschroeiend is, speelt een zachte koelte rond de zuilen van het Alhambra. Toch wordt de heerlijkheid van Granada nog overtroffen door de pracht der vruchtbare vlakte, de Vega, die zich uitstrekt in een wijden boog van zeven en dertig mijlen in omtrek, omsloten door hooge bergen. Het is een kostelijke tuin, vol wonderbare schoonheid, waardoor stroomen helder water vlieten en als een zilveren lint de Jenil kronkelt, waarin zich de Darro heeft uitgestort. Met de bedrevenheid en het geduld, dat hun aard kenmerkt, hebben de Mooren het water der rivier in kleine kanalen en stroompjes weten te verdeelen, die de oppervlakte van den bodem besproeien en geen duim gronds dor of onvruchtbaar laten. De bergen zijn bedekt met oofttuinen en wijngaarden, het dal is een bloementuin, en in de vlakte golft in den wind het graan, dat een rijken oogst belooft. Daar groeien in milden overvloed oranje, citroen, vijg en granaat en de moerbeiboom, welks bladeren de fijnste zijde leveren. De wijnranken slingeren zich van tak tot tak en de druif laat zijn zware trossen hangen over het nederige dak der boerenhut; de nachtegalen zingen ongestoord, in een woord de aarde is zoo schoon, de lucht zoo liefelijk, de hemel zoo helder in deze verrukkelijke streek, dat de Mooren hun hemelsch paradijs verplaatst mochten wanen onder den azuren koepel die haar overwelft”.

Sigarettenmaaksters uit de fabriek te Sevilla.Sigarettenmaaksters uit de fabriek te Sevilla.

Sigarettenmaaksters uit de fabriek te Sevilla.

Sigarettenmaaksters uit de fabriek te Sevilla.

Zeker is het, dat Isabella de Katholieke, meer dan een eeuw na Pedro’s dood, naar Sevilla kwam, met het doel de twisten te beslechten, die in Andalusië waren ontstaan tusschen twee families, Pons en Guzman genaamd, en dat zij daarin enkel kon slagen, door met groote gestrengheid op te treden. Uit stukken, in het stedelijk archief bewaard, blijkt dat gevechten werden geleverd tusschen de verschillende wijken, straten, ja zelfs huizen. Elk paleis was een vesting geworden en van de transen der torens schoot men op het volk. De stad ging op deze wijze haar ondergang tegemoet.

Andalusische vrouw uit het volk.Andalusische vrouw uit het volk.

Andalusische vrouw uit het volk.

Andalusische vrouw uit het volk.

De opstand was zoo ernstig, dat kardinaal Mendoza Isabella ten zeerste afried, zich naar Andalusië te begeven. Doch de Koningin kende geen vrees, waar de plicht haar riep. “Ik weet, welk gevaar mij dreigt”, zeide zij; “doch ik stel mijzelve in Gods hoede. Ik zal beslist optreden; aan mij de taak om recht te oefenen.” Terwijl zij het aan Ferdinand overliet, de oproerige edelen in het Noorden in bedwang te houden, trok zij bij korte dagreizen naar Andalusië, zonder militair geleide, slechts vergezeld van een talrijk gevolg van bisschoppen, pages en edelvrouwen. De beschrijving van haar intocht werd onlangs in het archief der stad ontdekt. Men kan den stoet volgen van de poort vanMacarena, die met goudlaken was behangen, tot aan de Kathedraal en het Alcazar, waar de vorstin verblijf zou houden. Men vindt hier zoowel den prijs vermeld van het brokaat, de zijden kwasten, en het passementwerk van den troonhemel, waaronder de vier en twintig raadsleden de Koningin tegemoet traden, als de som, die Pedro Nunez de Guzman betaalde voor het ros, waarop hij gezeten was, in de hand den Pendon van Sevilla dragend, de beroemde koninklijke banier, die als kostbare reliek in het Ayuntamiento wordt bewaard. Het was niet voor de eerste maal, dat Isabella dat prachtige vaandel mocht begroeten, het was veeleer een herinnering aan blijde zegepraal, want het ging de troepen voor bij de inneming van Granada en had den val van het moorsche rijk aanschouwd. Bij het lezen van die oude documenten met hun aanschouwelijke beschrijving, hoort men het klokgelui, het gezang der priesters, en de kreten der luidruchtige menigte; men ziet die bonte mengeling van typen, Joden, Mooren en een geheele kolonie van negers, die mede door de vorstin waren opgeroepen. De blijde ontvangst, die haar te beurt viel, versterkte Isabella in de overtuiging, dat het vorstelijk gezag nog werd geëerbiedigd in de stad, aan wier trouw zij niet getwijfeld had. Doch zij was niet enkel gekomen om zich te laten huldigen. Drie maanden lang wijdde zij zich aan de taak van het verzoenen der twistende partijen, en onderzocht persoonlijk elk rechtsgeding. Met groote strengheid ging zij hierbij te werk, en weldra had zij onder de schuldigen zulk een heilzamen schrik weten te verbreiden, dat vierduizend inwoners de stad ontvluchtten en in het gebergte of in Portugal een schuilplaats zochten. De geestelijkheid had niet verwacht, dat de jeugdige vorstin zoo krachtig zou optreden. Vreezende, dat de stad ontvolkt zou worden, smeekten zij den aartsbisschop van Cadix, Don Pedro de Solio, hun voorspraak te zijn bij de Koningin, haar de van ouds bekende trouw der stad in herinnering te brengen, en vergiffenis te verkrijgen voor de schuldigen, om zoodoende althans de onschuldigen te sparen. De Vorstin liet zich ten langen leste verbidden, en de stad, eindelijk vanden druk der burgeroorlogen bevrijd, kon weder ruimer adem halen, dank zij de krachtige wijze, waarop Isabella de rust had hersteld.

De zaal der Gezanten in het Alcazar.De zaal der Gezanten in het Alcazar.

De zaal der Gezanten in het Alcazar.

De zaal der Gezanten in het Alcazar.

Na de poort, door Don Pedro gebouwd, treden wij door een vestibule in een klein patio, waarin eenige jaren geleden een trap ontdekt werd, overwelfd door een stalactietenzoldering, waarin een lofspreuk prijkt op dienzelfden vorst. Daarop volgt het patio de las Doncellas, waar Karel V in de gepleisterde friezen de keizerlijke adelaars met uitgespreide vleugels heeft aangebracht, en de zuilen van Hercules, het wapen van zijn huis.

Gelukkig heeft hij de lambrizeering gespaard, die een bepaalde periode vertegenwoordigt in de geschiedenis der Spaansch-Moorsche keramiek. Gedurende den tijd dat de Mooren inAndalusiëheerschten, waren de tegelbekleedingen der wanden nog echt mozaïekwerk, een samenvoeging van onregelmatige veelhoeken van wit, groen, blauw en zwart email, zoo kunstig aaneengevoegd, dat de grenslijn bijna onzichtbaar werd. Het werk was tijdroovend, moeilijk en kostbaar, maar niet minder volmaakt dan de perzische mozaïken uit hetzelfde tijdperk. Op deze wijze was de lambrizeering van het Patio de las Doncellas vervaardigd, evenals die van meerdere gebouwen uit de 14deeeuw. Later, in de 15deen 16deeeuw, maakten de emailwerkers gebruik van platen, waarop de lijnen van het patroon in smalle opstaande randen waren aangegeven, en de hierdoor ontstane verdiepingen werden met email van verschillende kleur gevuld. Deze wijze van behandeling werd cuerda seca genoemd.

Aan dit Patio grenst de zaal der Gezanten, een der grootste wonderen van het Alcazar. De hoefijzervormige bogen, die, in groepen van drie naast elkander geplaatst, aan de vier zijden toegang tot de zaal verleenen, rusten op prachtig gebeeldhouwde kapiteelen, gedragen door kolommen van een zeldzame marmersoort. Boven die bogen is het muurvlak als met een fijn netwerk van gouddraad bedekt, tot aan de fries, die een reeks portretten vertoont van alle koningen, die over Spanje hebben geregeerd. Deze zijn echter te dikwijls overgeschilderd, dan dat men over hun artistieke waarde thans nog zou kunnen oordeelen. Ook de schoone Maria van Padilla is hier binnengeslopen. Maar zij ziet er niet bekoorlijker uit dan al de andere sombere mansportretten. Men moet het ijzeren balkon beklimmen, dat Karel V heeft laten bouwen, en dat rondom de zaal loopt, op de hoogte der portretten, om de trekken te herkennen der schoone minnares van Pedro I, die hij na haar dood tot koningin liet uitroepen, een eer, waaraan zij haar tegenwoordigheid in dit schitterend gezelschap heeft te danken.

De overigens wel wat nietige balkons van Karel V stellen ons in staat om van nabij den prachtvollen koepel van cederhout te bewonderen, die de zaal overwelft, en waarin op de meest volmaakte wijze het hout in alle denkbare samenstellingen van geometrische lijnen en vlakken is aaneengevoegd. Men wist niet, uit welken tijd dit wonderwerk afkomstig was, en evenmin kende men den naam van den maker, toen in 1842 een architect, die de sterkte van het gewelf wilde onderzoeken, den sluitsteen liet losmaken. Op de plaat, die deze bevestigde, stond in gothische letters: “De meester der Koninklijke Werken, Don Diego Roiz, maakte mij. Het werk werd voleindigd in de maand Augustus van het jaar onzes Heeren 1427.”

Don Pedro stierf in 1369; en dus was het onder zijn opvolger, dat die fraaie koepel werd voltooid.

Uit de zaal der Gezanten treedt men binnen in dat gedeelte van het paleis, dat door Karel V en zijn voorouders is herbouwd. De ontvangzaal van den grooten Keizer is grootsch van ontwerp, en bedekt met een prachtige caissonzoldering. De omlijstingen der vakken zijn in oosterschen stijl gehouden, maar op de kruispunten zijn menschelijke koppen aangebracht, in haut-relief, die zeer forsch en krachtig zijn behandeld. De wanden zijn met een lambrizeering van beschilderde tegels bekleed. De deuren en vensters zijn betrekkelijk klein, doch de deurposten en vensterkozijnen zijn fraai bewerkt en versierd met inlegwerk, waarin spreuken tusschen de geometrische teekening zijn gevlochten. Met de tapijten, die werden opgehangen tusschen de fries en de lambrizeering, en waarmede ook de vloeren waren bedekt, tryptieken en reliquieënkastjes, eenige meubelstukken, die de vorsten medenamen op hun reizen, kisten, waarin kostbaarheden, boeken en kleedingstukken waren geborgen, was het ameublement compleet, dat voldeed aan de eischen van koningen als Karel V en Philips II. Sommige meubels bleven in de bewaarplaatsen van het paleis geborgen, anderen werden geleverd door de stad, zooals bij voorbeeld bedden en bedgordijnen. In de rekeningen der stad wordt de som vermeld, door Sevilla besteed aan den aankoop van het genueesch fluweel, dat aan Isabella de Katholieke werd aangeboden, om de gordijnen te laten vervaardigen voor het bed, waarop haar eenige zoon, prins Juan, geboren werd.

Het zou jammer zijn, niet een blik te werpen in het bekoorlijke patio de las Munecas, of der Poppen, dat ondanks de herstellingen, die het heeft ondergaan, nog een kunstwerk is van den eersten rang. Men zou dan trouwens ook niet de beruchte bloedvlek zien, die de moord van den ongelukkigen Don Enrique op het marmer heeft achtergelaten, en die de tijd noch de menschenhand heeft kunnen uitwisschen. Maar wij behoeven ons daarover niet al te zeer te bekommeren, want de kroniekschrijver, die den gids in dit geval tegenspreekt, beweert, dat de prins buiten het paleis door den dolk van den moordenaar werd getroffen.

Wanneer men in de gunst staat bij den paleisbewaarder, en dit was in hooge mate het geval met onzen geleerden metgezel, den archeoloog, José Gestoso, mag men ook de vertrekken der eerste verdieping bezoeken, die de leden der Koninklijke familie bewonen, als zij Sevilla met een bezoek vereeren. Behalve de plafonds, die dagteekenen uit den tijd van Philips II en Philips IV, en verschillende fraaie tapijten uit Madrid, uit de achttiende eeuw, zijn hier meest intiemere herinneringen bijeengebracht. Zoo ziet men hier fraaie portretten van Isabella II en haar zuster, later hertogin van Montpensier, als meisjes. Vier groote doeken stellen forsch gebouwde Asturische vrouwen voor met regelmatige trekken, landelijkeschoonheden. Het zijn de minnen, die de eer hebben gehad den kleinen Alonzo XII en de infanta’s, zijn zusters, als voedster te dienen.

Ook bevindt zich hier een kostbare merkwaardigheid, het met email versierde altaar uit het bidvertrek van Isabella van Castilië, waarbij, volgens de overlevering, het huwelijk werd voltrokken van Karel V met Isabella van Portugal, de toekomstige moeder van den somberen Philips II, wier blonde schoonheid door het penseel van Titiaan is vereeuwigd. De emailbekleeding is een voorbeeld van het cuerda seca, de vulling tusschen opstaande randen, waarover wij reeds vroeger hebben gesproken.

In de teekening der ornamenten volgden hierbij de Spanjaarden steeds oostersche voorbeelden, doch zij brachten nieuwe motieven aan, door tusschen de geometrische lijnen kleine plaatjes in te voegen, waarop, tegen een melkwitten grond, schilden, wapens en fantastische diervormen zijn afgebeeld, die aan de monsters der gothiek herinneren. Na den aanvang der 16de eeuw echter greep in de behandeling dezer versieringskunst een groote verandering plaats. Inplaats van de aaneengevoegde stukken, of de verhoogde vakken van vroeger, wordt nu de vlakke plaat uit de hand beschilderd, wat den kunstenaar een veel grootere vrijheid liet. De heer José Gestoso deelt in zijn studie over de sevillaansche keramiek belangrijke bijzonderheden mede omtrent de wijze, waarop deze omkeer heeft plaats gegrepen. Door de betrekkingen, die tusschen Spanje en Italië waren aangeknoopt, deed zich ook in het iberisch schiereiland de invloed der renaissance gevoelen. Aangelokt door de macht en den rijkdom der katholieke vorsten, trokken vele kunstenaars naar Sevilla, dat langzamerhand een der voornaamste steden van Spanje was geworden. Vasari verhaalt, dat Lucca della Robbia meerdere van zijn werken aan den koning van Spanje zond, en dat Antonio Pallando in 1480 een groot bronzen bas-relief, voorstellende een groep worstelende mannen, eveneens voor dien vorst vervaardigde. In Andalusië ontmoetten de italiaansche kunstenaars schilders en beeldhouwers, die den invloed der vlaamsche school hadden ondergaan, en uit die gelukkige vereeniging werd de sevillaansche kunst geboren. Het altaarstuk in het hierboven vermelde bidvertrek van Isabella is een treffend voorbeeld van dit samensmelten van de italiaansche en vlaamsche richtingen. Boven het altaar verrijst een plaat van vierkante tegels, beschilderd met een voorstelling van het bezoek der heilige Maagd bij haar nicht Elizabeth, dat in zijn naïeve bekoorlijkheid aan de primitieve gratie der werken van Van Eyck herinnert. Beneden, aan den rand van het tafereel, rust de patriarch Isaï, in diepen slaap verzonken, het hoofd steunend op de rechterhand. Uit zijn borst ontspruiten twijgen en lofwerk, dat met zijn bloeiende ranken de figuren omslingert van profeten en voorvaderen van Christus. Deze guirlande eindigt boven het midden der schilderij in de figuren van de heilige maagd en het Christuskind. Onder het beeld van Maria staat:Francisco Niculoso me fecit. En op den linker pilaster het jaartal 1503. Deze versieringswijze, waarbij de kunstenaar op het effen tegelvlak zijn verbeelding vrij spel kon laten, wordt pisano genoemd, naar den kunstenaar van dien naam, die kort voor den dood van koningin Isabella haar vertrouwen en haar bescherming wist te winnen. Hij versierde, met den beroemden Pedro Millan, de poort van Santa Paula, waarbij de twee kunstenaars op wonderbare wijze de vlakke tegelbeschildering wisten te vereenigen met het bas-relief.

Ook Karel V koesterde, evenals zijn voorgangers, een bijzondere voorliefde voor deze versieringswijze. De groote feestzaal, die hij op het oudste gedeelte van het Alcazar liet bouwen, levert hiervan het bewijs. De lambrizeering van tegels in deze zaal is een triomf van de italiaansche kunst. Levensgroote, nobel gedrapeerde figuren worden afgewisseld door medaillons, grotesken, vogels, fantastische diervormen, die zich ontwikkelen uit sierlijke ranken en bloemguirlanden. Deze lambrizeering beslaat, met die der vestibule, die aan de zaal grenst, eene oppervlakte van 589 meter en draagt het monogram van den maker, Cristobal de Augusta. Daar de feestzaal van Karel V thans niet is bevloerd, zoodat men er rondwandelt in het stof, en enkel dienst doet als bewaarplaats voor oude badkuipen en de versieringen, die bij volksfeesten worden gebruikt, is de toegang verboden. Vreemdelingen hebben zelfs geen vermoeden van haar bestaan; wat niet teverwonderenis, daar zij bij een bezoek aan het paleis door strenge gidsen worden rondgeleid langs een weg, die eens voor al is afgebakend.

Ook in de sevillaansche beeldhouwkunst van dezen tijd bespeurt men duidelijk den invloed der italiaansche kunstenaars, die zich in grooten getale naar Spanje begaven, gelokt door de voorspiegelingen van den rijkdom, dien het goud der Nieuwe Wereld had aangebracht, en die al spoedig de vlaamsche en duitsche school aldaar verdrongen. In het werk van Pedro Millan althans zijn klaarblijkelijk sporen van dien invloed te ontdekken. Al blijft de groote kunstenaar de traditie getrouw, zijn werken treffen ons steeds meer door die argelooze weergave der natuur, die juistheid van uitdrukking, en dat machtige gevoel, dat het kenmerk is van een zeker idealistisch realisme, dat de aanraking met italiaansche meesters meer en meer in hem tot ontwikkeling bracht. Vooral in de prachtige beeldenrij, die de beide deuren der kathedraal versiert, bekend onder den naam van Bautismo en Nacimiento, komt dit karakter aan het licht. De hoofden, handen en voeten verraden nauwkeurige studie, vrij van alle conventionaliteit, de plooien der gewaden voegen zich naar de lichaamsvormen, die zij bedekken, zonder ze eng te omsluiten. Het borstbeeld van een bisschop, met zijn uitdrukking van vrome zachtmoedigheid, doet ons den kunstenaar kennen, die een hartstochtelijke vereering gevoelt voor de natuur en daarbij zijn techniek tot de hoogste volmaking heeft gebracht. Omtrent de geboorteplaats en de afkomst van den grooten kunstenaar, die deze werken schiep, is niets bekend; maar hij geniet de eer, voor den grootsten beeldhouwer uit dit tijdperk der andalusische kunst te worden gehouden. Na hem bereikte de italiaansche invloed haar toppunt in den genialen kunstenaar Pietro Torrigiano, een man van een heftig en hartstochtelijk karakter. Hij was in 1470 te Florence geboren. Reeds begon de roem vanden jongen kunstenaar zich te verbreiden, toen hij bij een twist met Michel Angelo, die afgunstig op hem was, dezen den neus brak door een slag met een stok.

Daar hij door deze daad den toorn had opgewekt van Lorenzo de Medici, vluchtte hij naar Rome, verwisselde den beitel met het zwaard, nam dienst bij een troep condottieri, en bracht het zelfs tot den rang van luitenant. Daar hij echter niet snel genoeg werd bevorderd, nam hij zijn ontslag uit den krijgsdienst, en keerde terug tot de kunst. Na zich opnieuw door enkele meesterwerken roem te hebben verworven, begaf hij zich naar Engeland, en van daar naar Andalusië, waar hij zich vestigde in Sevilla.

De heilige Jeronimus van Torrigiano.De heilige Jeronimus van Torrigiano.

De heilige Jeronimus van Torrigiano.

De heilige Jeronimus van Torrigiano.

Doch na vergeefsche pogingen te hebben gedaan tot het verkrijgen der opdracht, om de graftombe der katholieke koningen te ontwerpen, stierf hij in 1522, in een der kerkers van de inquisitie, als het slachtoffer van zijn opvliegend karakter. Vasari vermeldt, dat Torrigiano beschuldigd werd, een beeld van de heilige maagd te hebben stukgeslagen, omdat de hertog van Arcos weigerde, den prijs ervoor te betalen dien hij vroeg. Meer was niet noodig om in de klauwen der inquisitie te geraken.

In zijn veelbewogen leven heeft Torrigiano geen groot aantal kunstwerken kunnen scheppen, maar hun schoonheid vergoedt dit gebrek in ruime mate. Behalve het bas-relief van het hospitaal de la Sangre, wordt als de schoonste zijner scheppingen het beeld geroemd van den heiligen Jeronimus in de woestijn, dat hij vervaardigde voor de monniken van Buenavista, en dat na de verwoesting van dit klooster gelukkig naar Sevilla werd overgebracht. Een blik op dit beeld is voldoende, om den naijver van Michel Angelo volkomen gerechtvaardigd te achten. Buonarotti zag in Torrigiano een geduchten mededinger, en niet zonder reden. Goya aarzelt niet, den Jeronimus te Sevilla voor een der grootste kunstwerken, niet slechts van Spanje, maar van Italië en Frankrijk te verklaren. Evenals Pedro Millan boetseerde Torrigiano zijn beelden in klei, en toonde zich een meester in de behandeling van dit zoo bij uitstek plastische materiaal, waarvan de schoonheid door de sobere beschildering met kleuren werd verhoogd. Dat de Italianen in den regel hun beeldhouwwerken niet beschilderden, kan dus niet het gevolg zijn van diep gewortelde overtuiging, als een verblijf in het buitenland reeds voldoende was, om de kunstenaars tot de oude behandelingswijze te doen terugkeeren. Pedro Millan had op zijn werk den stempel gedrukt van een uitstervende school. Torrigiano was de voorlooper der florentijnsche kunst in Spanje; doch de groote Juan Martines Montanes verhief de spaansche beeldhouwkunst tot den allerhoogsten trap, dien zij ooit heeft weten te bereiken, en was de waardige evenknie van Velasquez, Zurbaran en Murillo, zijn beroemde tijdgenooten. Het kenmerkend karakter van zijn werk is de oprechtheid en het diep geloof, dat er in doorstraalt.

Hij staat boven alle aangenomen manier, en al was hij een echte zoon van het land zijner geboorte; al liet hij zich bezielen door de werken zijner groote voorgangers, hij kan niemands navolger worden genoemd, en geeft blijken van grootsche oorspronkelijkheid. Geen beeldhouwer heeft zoo getrouw de natuur tot eenig voorbeeld gekozen, ook bij de weergave der meest ideale voorstellingen. In zijn Christus aan het kruis is ware menschelijkheid vereenigd met de meest verheven opvatting van goddelijk lijden, en dezelfde wonderbare vermenging van het bovenzinnelijke en het zuiver menschelijke spreidt hij ook ten toon in zijn onvergelijkelijke Concepcions. In alle kerken en kloosters van Andalusië zijn zijn werken verspreid, en vele van zijn Christuskinderen worden met de grootste liefde bewaard in arme nonnenkloosters, ondanks het treurige gebrek aan middelen, dat de ongelukkige vrouwen dikwijls noopt haar kostbaarste bezittingen te verkoopen.

De vermenigvuldiging der brooden, van Murillo.De vermenigvuldiging der brooden, van Murillo.

De vermenigvuldiging der brooden, van Murillo.

De vermenigvuldiging der brooden, van Murillo.

Het kruisbeeld van de kapel de los Calices in de kathedraal vindt zijn weerga niet in de italiaansche school en kan wedijveren met den wit marmeren Christus van Benvenuto Cellini, die in het Escuriaal wordt bewaard.

Slechts de Christus van den Gran Poder kan met dit beeld worden vergeleken. Dit kunstwerk, dat Jezus voorstelt op den lijdensweg, werd in 1619 door Montanes ontworpen voor de broederschap van den Gran Poder, die de graven van Medina Sidonia tegen het midden der 15deeeuw hadden gesticht, en wier eigendom het thans nog is.

Het beeld maakt, hoewel eenigszins theatraal ten toon gesteld, toch nog een overweldigenden indruk. Zeer hoog geplaatst, onder een troonhemel, door een traliehek omgeven, grillig verlicht door de flikkerende vlam der brandende kaarsen, die het voortdurend omringen, en weinig afstekend van den achtergrond van rood en goud der stoffen, die de wanden bekleeden, is het beeld te ver van ons verwijderd, om over de schoonheid ervan te kunnen oordeelen, te meer daar het in een wijd gewaad is gehuld van purper en fluweel met zwaar goudborduursel, en slechts het hoofd, de handen en de voeten zichtbaar zijn. Deze vermomming verbergt, wat men helaas niet anders dan een gruwelijke verminking kan noemen. De Christus toch van het Gran Poder droeg niet het kruis op de schouders, zooals Jezus steeds op den lijdensweg wordt voorgesteld, maar omklemde, in hoog opgerichte houding, het kruishout, dat aan zijn voeten leunde. Het ongewone van deze voorstelling gaf aanstoot aan eenige der meest bekrompen leden van de broederschap, en tengevolge hiervan werd een zonderling bevel uitgevaardigd. De armen van het beeld moesten bij de schouders worden afgezaagd, en van een beweegbare spil worden voorzien. Dit geschiedde, en nadat verschillende posities waren beproefd, werden zij ten slotte bevestigd in de houding, zooals men ze thans nog ziet. Uit den zegevierenden Christus, een beeld zoo schoon als in Frankrijk slechts weinige worden aangetroffen, groeide een onder het kruis neergebogen en bezwijkende figuur, die bijna banaal zou schijnen in zijn purperen pronkgewaad, als de schoonheid en de smartelijke uitdrukking van het gelaat niet boven het alledaagsche waren verheven.

In 1610, bij de heiligverklaring van Ignatius van Loyola, ontwierp Montanes het hoofd, de handen en de voeten van twee beelden, bestemd om als candeleros (kandelabers) dienst te doen, die den stichter der Jezuïten-orde en den heiligen Franciscus van Assisi voorstelden. Later kwam men op het denkbeeld, de gewaden, die de ledepoppen omhulden, op te vullen en te beschilderen. Men moet dit werkelijk van te voren hebben geweten, om te kunnen zien, dat de beide beelden, die in de kerk der Universiteit worden bewaard, op deze wijze zijn voltooid. De hoofden dezer standbeelden zijn gelijkende portretten, zooals men die weinig aantreft in de spaansche beeldhouwkunst.

De groote sevillaansche kunstenaar is zeer oud geworden. In 1635 had hij reeds een hoogen leeftijd bereikt, toen hij door den groothertog van Toskane, die voornemens was Philips IV een ruiterstandbeeld aan te bieden, dat in Florence zou worden gegoten, naar Madrid werd ontboden, om de buste van den Koning te vervaardigen. Het ontwerp in klei, dat naar Italië werd gezonden, is verloren gegaan; maar het bronzen beeld, gegoten door Pietro Tocca, prijkt thans midden op het plein de l’Oriente, vlak bij het paleis en den koninklijken schouwburg. Gedurende zijn verblijf te Madrid heeft Velasquez een portret van Montanes geschilderd, dat zich in het museum te Madrid bevindt.

Alle werken van dezen meester zijn polychroom. De eer der kunstvaardige beschildering komt toe aanden schilder Pacheco, die echter van Montanes’ zijde geringen dank daarvoor inoogstte. Zooals bekend is, waren de kunstenaars der 16deeeuw in de beoefening hunner kunst aan strenge wetten onderworpen, door de gilden voorgeschreven. Al was het een beeldhouwer of imaginero veroorloofd, een beeld te boetseeren in klei, het te snijden in hout, of te beitelen in marmer, hij mocht het zelf niet beschilderen of vergulden; die taak was opgedragen aan de encarnadores en de estofadores, waarvan de eersten het lichaam, de tweeden de bekleeding ervan voor hun rekening namen. Pacheco, een begaafd schilder, muntte hierin uit. Doch Montano stelde er prijs op, zelf zijn werken te beschilderen, uit vrees dat een vreemde hand de zuiverheid der lijnen of de juistheid der gelaatsuitdrukking zou bederven. Dit verschil van meening was de oorzaak van meerdere processen tusschen de beide tegenstanders, en een bron van voortdurende oneenigheid. Pacheco, die leefde van 1571–1664, was, behalve een groot kunstenaar, een schrander en ervaren beoordeelaar. Maar daar hij zich uitsluitend liet leiden door zijn voorkeur voor de meesters der italiaansche renaissance en er, bij zijn groote geleerdheid en belezenheid, een wijsgeerig stelsel op nahield, waarmede hij de kunst wilde dwingen zich naar zijn bekrompen stelregels te voegen, terwijl hij bovendien vurig katholiek was, ging hij in zijn schoolschen ijver buitensporig ver; zóó ver, dat hem zelfs in 1618 de taak werd opgedragen ervoor te waken, dat godsdienstige onderwerpen ook in streng godsdienstigen zin werden opgevat.

De spaansche schilderschool zou waarschijnlijk door Pacheco’s bemoeiingen in haar hoogevlucht zijn gestuit, als hij zelf niet tot andere gedachten was gekomen. Zijn dochter was gehuwd met Velasquez, die uit Sevilla naar Madrid was getrokken. Toen Pacheco zijn schoonzoon in de hoofdstad bezocht, deden de aanblik van diens werken en zijn gesprekken met den meester hem een nieuw licht opgaan. Hij begreep dat de kunst, om waar te blijven, vóór alles vrij moet zijn, en de behandeling van zijn latere schilderstukken getuigt van zijn veranderde zienswijze.

De invloed van Pacheco had zich ook in de opvatting van profane onderwerpen doen gevoelen; terwijl de schilders dier stukken zich beijverden de natuur getrouw te volgen, bleven zij steeds iets ernstigs en eenvoudigs behouden, dat de spaansche schilderschool een eigenaardig karakter verleende. Dit vertoont zich vooral in de werken van Murillo, die in Sevilla schitterend vertegenwoordigd is.

Deze groote kunstenaar scheen aanvankelijk niet onder een gelukkig gesternte geboren. Zijn vader, een eenvoudig werkman, stierf toen hij nog slechts elf jaar was, en hij werd groot gebracht door zijn stiefvader, Antonio Lagardes, een heelmeester. Al spoedig aan zijn lot overgelaten, koos hij zelf een meester en een werkplaats. Zijn meester was Juan Castillo, in wiens atelier hij den geheelen dag arbeidde. Maar toen Castillo Sevilla verliet en naar Cadix trok, bleef de jonge man zonder middel van bestaan achter. De jongere leerlingen in de werkplaatsen der sevillaansche schilders moesten op grof doek, sergas genaamd, leeren schilderen, met een mengsel van verf en gom, met water vermengd. Dit was goedkooper en gaf hun spoedig een vaste hand en een zekere bedrevenheid. Op deze sergas begon Murillo nu, om zijn dagelijksch brood te verdienen, heiligen, madonnas en kinderen te schilderen, naar de modellen die hij om zich heen zag, en verkocht deze op de feria’s of jaarmarkten, waar de lieden, die handel dreven met de Nieuwe wereld, hun waren kwamen opdoen, waar de boeren uit den omtrek hun inkoopen deden, en kleine winkeliers wel gaarne een afbeeldsel kochten van hun beschermheiligen waarmede zij hun winkel konden versieren. Aan zulk werk verspilde Murillo zijn krachten, toen Pedro de Maya, een zijner kameraden, hem copieën liet zien naar werken van Rubens en van Dijck, die hij in Vlaanderen had geschilderd. Murillo was hierdoor zoo getroffen, dat hij volstrekt naar Antwerpen wilde reizen, om die groote meesters nader te leeren kennen. Door ijveriger dan ooit te werken, verschafte hij zich het noodige reisgeld, en begaf zich op weg naar het Noorden. In Madrid vertoefde hij, tot zijn geluk, ten huize van Velasquez, die veel van hem verwachtte, hem goeden raad gaf, en hem in staat stelde, de schilderijen te bezichtigen van het Alcazar, Buen Retiro en het Escuriaal. Hij copieerde dan ook weldra Titiaan, Veronèse, Rubens en van Dijck met zooveel ijver, dat hij zich nog in langen tijd niet van hun invloed kon losmaken.

Toen hij, na den val van den minister Olivarès, den beschermer van Velasquez, naar Sevilla terugkeerde, was hij reeds de onsterfelijke Murillo, de “engel” der spaansche schilderkunst, zooals Velasquez, volgens de treffende vergelijking van Edmondo de Amicis, de “adelaar” ervan zou kunnen genoemd worden. Door geheel Spanje waren de talrijke werken van zijn hand verspreid, die thans nog de glorie der spaansche en buitenlandsche musea uitmaken. Tusschen 1658 en 1670 schilderde hij een drietal stukken, dat ook in later tijd niet is gescheiden en zijn roem tot in lengte van dagen zal blijven handhaven. Deze trilogie was hem opgedragen door de broederschap der heilige Hermandad de la Caritad, die zich ten doel stelden, de lijken der ter dood gebrachte misdadigers te begraven, uit den Guadalquivir aangespoelde drenkelingen een behoorlijke begrafenis te geven, zieken te verplegen, en ongelukkigen bij te staan. Aan hun hoofd stond Don Miguel de Manara, die in zijn jeugd een uiterst losbandig leven had geleid, doch door waarschuwende visioenen tot inkeer was gebracht, en thans niet rustte, eer hij door een leven van barmhartigheid zijn bedreven zonden had uitgewischt. Op zijn verzoek schilderde Murillo, die zich in de broederschap had laten opnemen, voor de kapel van het hospitaal zijn drie groote werken: Het wonder van de vermenigvuldiging der brooden; Mozes water slaande uit de rots, en den heiligen Johannes de Deo, die een zieke draagt, en door engelen wordt ondersteund.

In 1660 had Murillo te Sevilla, misschien hiertoe geleid door de herinnering aan de beproevingen, welke hij in zijn jeugd had ondergaan, een openbare teekenacademie gesticht. Wat Velasquez in Madrid te vergeefs had beproefd, bracht hij tot stand, met,of liever gezegd, ondanks de medewerking van zijn tijdgenooten Herrera de Oude en Valdes Leal. De laatste was echter zoo hoogmoedig en eigenzinnig van aard, dat Murillo ten slotte de leiding der school aan hem overliet, en alleen in zijn atelier onderricht gaf. Het einde van den grooten kunstenaar was zeer treurig. Bij het beschilderen van de kapel in het capucijner klooster te Cadix viel hij van een steiger, en bezeerde zich zoo, dat hij na eenige maanden van hevig lijden overleed.

Na Murillo’s dood was het met de sevillaansche school, in eigenlijken zin, gedaan.

Verlangend om nog meer van de kunstschatten te bewonderen, waaraan het schoone Andalusië zoo rijk is, verliet ik op een Zondag Sevilla, om het klooster van Santiponce te bezoeken en de plek te zien, waar vroeger het oude Italica lag. Wij kwamen voorbij het thans geheel vervallen klooster van San Isidor del Campo, aan de rivier gelegen, dat in 1595 door een vreeselijkeoverstroomingvan den Guadalquivir geheel werd verwoest, maar door de monniken op een hooger gelegen plek weder opgebouwd. Het kleine klooster van Santiponce, het doel van onzen tocht, dat niet ver van de wallen van het oude Italica is gelegen, wordt thans bewoond door een ouden geestelijke, die er waarschijnlijk van honger zou moeten omkomen, als hij zijn jachthond en zijn geweer niet had. Want er komen weinig bezoekers te Santiponce, en Sevilla heeft dan ook zooveel kerken, dat de vromen der stad hun heil niet buiten haar muren behoeven te zoeken.

Juist kwam de pastoor met een volle weitasch thuis, toen ik zijn woning naderde, en hij ontving zeer vaderlijk en welwillend de welkome gast, die hem in zijn eenzaamheid eenige afleiding kwam bezorgen.

Hij had mij veel merkwaardigs te vertoonen. Vóór den ingang der kerk bevindt zich een put, waarvan de steenen rand is uitgesleten, daar ieder geloovige, die er voorbij gaat, den vinger in de holte wrijft, en dien daarna eerbiedig aan de lippen brengt, ’t Is de plaats, naar de oude pastoor mij verhaalde, waar eens de heilige Isidorus, die in zijn jeugd een wilde knaap was, de wanhoop zijner ouders, en de plaag zijner leermeesters, een oude vrouw water zag putten, en op zijn vraag, hoe het mogelijk was dat het touw, waaraan de emmer hing, zulk een diepe holte in den rand had geschuurd, ten antwoord kreeg: “Tegen aanhoudende wrijving is zelfs de hardste steen niet bestand.” Dat woord bracht den toekomstigen heilige tot inkeer; hij deelde zijn broeder, die later Sint Leander werd, mede, dat hij van plan was zich te beteren, en werd van toen af aan een der vlijtigste leerlingen van zijn school. Later bouwde hij, als bisschop van Sevilla, een klooster op de plek, die zijn Damaskus was geweest. In de kerk van Santiponce bevindt zich een prachtige Jeronimus in de woestijn, van Montanes, en bekoorlijke bas-reliefs van denzelfden meester, die de geboorte van Christus en de aanbidding der wijzen voorstellen.

In de zijkapellen zag ik de beelden van Don Guzman de Goede en zijn vrouw Dona Maria Coronel; die de benoodigde som voor den bouw van het klooster hadden geschonken. De schenkingsacte werd met de regels der orde tweemaal in het jaar de monniken voorgelezen, een gebruik, waarvan nimmer mocht worden afgeweken. De waardige pastoor zou echter thans geen ander gehoor hebben bij deze plechtigheid, dan zijn huishoudster en zijn hond; en de nagedachtenis van Don Guzman wordt beter geëerd door de herinnering aan zijn dappere daden en zijn trouw aan den koning. Alfonso de Wijze had om zijn oudsten zoon, Don Sanchez, voor een daad van verzet te straffen, aan een zijner jongere zonen, Don Juan, de steden Sevilla en Badajoz nagelaten. Maar daar Don Sanchez na zijn vaders dood weigerde, zijn broeder in het bezit te laten van deze erfenis, en de Cortez zich verzette tegen een splitsing, ging Don Juan over tot de Mooren, en verzaakte zijn plicht als Christen, om zijn eerzuchtige plannen te verwezenlijken. De opstandelingen belegerden eerst Tarifa, met het voornemen later Sevilla in te nemen.

De stad werd verdedigd door Don Alonzo Perez de Guzman. Daar het beleg dreigde langdurig te zullen worden, zond Don Juan aan den bevelhebber in ’t geheim een bode, die hem 1000 doblos bood, als hij de stad wilde overgeven. Doch Don Guzman antwoordde: “Zeg aan hem, die u gezonden heeft, dat het een groote schande zou zijn, de zege te verkoopen aan overwonnenen, en een nog grootere lafhartigheid, als soldaten de vrijheid kochten met geld.”

Daarop wilde Don Juan zien, wat bedreigingen vermochten. Door het verraad van een spion gelukte het hem, zich meester te maken van Don Guzman’s oudsten zoon, een knaap van tien jaren. Hij bracht zelf het kind voor de wallen van de stad.

“Don Guzman, herkent gij dit kind?”

“Het is mijn eigen zoon, Don Pedro Alonzo de Guzman.”

“Geef bij het aanbreken van den dag de stad over, of uw zoon moet sterven.”

Don Guzman wierp een blik vol droefheid op zijn kind, en zeide: “Ik geef Tarifa niet over; want het behoort aan koning Sanchez, die het mij heeft toevertrouwd; maar in de plaats van mijn zoon zal ik u zijn gewicht in goud en in zilver geven.”

“Ik eisch de overgave der stad.”

“Mijn zoon is niet geboren om het werktuig te worden van opstandelingen, maar om te strijden voor de eer van zijn vaderland. Als gij mijn zoon doodt, schenkt gij hem het leven, mij de zegepraal, en overlaadt uzelf met schande.”

Hij trok zijn dolk uit de scheede, wierp dien naar beneden en riep: “Als gij een wapen noodig hebt, om uw laaghartig plan te volvoeren, zie hier dan het mijne! Eer zou ik mijn vijf andere zonen voor mijn oogen laten dooden, dan Tarifa overgeven.”

Daarop verliet hij de wallen en begaf zich naar zijn woning (“daar het de tijd was van het middagmaal” voegt de kroniekschrijver erbij). Zijn houding was zoo kalm en vastberaden, dat zijn vrouw niet bespeurde door welk een angst hij werd gekweld. Plotseling werden luide kreten vernomen. Don Guzman stond van de tafel op, en trad naar buiten.

“Wat beteekent dit rumoer?”

“O edele heer, men heeft uw zoon gedood!”

“Was het noodig, dat gij mij kwaamt storen?Ik dacht dat de vijand de stad was binnengedrongen.”

De belegeraars waren wreed genoeg, om het hoofd van het kind met een slinger over den wal te werpen, maar toen Don Juan begreep, dat de stad zich niet zou overgeven, hief hij het beleg op. Don Guzman liet het hoofd van zijn zoon met groote plechtigheid begraven en later vervoeren naar het klooster van Isidor del Campo.

Alles spreekt van verval rondom het oude klooster Santiponce, ook het romeinsche circus, waarvan de steenen gebruikt worden voor de bestrating der naburige landwegen.

De zon ging onder en wierp een rooden gloed op de oude muren, toen ik het circus verliet langs een weg, waar anjelieren, jasmijn, geraniums en rozen bloeiden, en hooge cactussen hun vleezige bladeren en stekelige stengels verhieven.

Uit de verte klonk het geblaat der kudden, die afdaalden naar den Guadalquivir, en de melancholieke tonen van het gezang der herders. De schemering valt snel in Andalusië. Reeds glinsterden sterren aan den hemel, en in de verte verried een lichtgloed aan de lucht, waar het schoone Sevilla lag, dat ik thans ging verlaten om mij te begeven naar Granada.

De Christus van den Gran Poder door Montanes.De Christus van den Gran Poder door Montanes.

De Christus van den Gran Poder door Montanes.

De Christus van den Gran Poder door Montanes.

Het was nog zeer vroeg in den morgen, toen onze trein stilhield bij het station Granada, het Garnatha der andalusische koningen. Ik had de oogen wel willen sluiten om het perron niet te zien; liever had ik te voet een pelgrimstocht gedaan naar de stad, die zooveel Christenbloed heeft doen stroomen. Een breede, goed onderhouden weg, met leelijke moderne huizen, gaslantaarns en een tramway, heet n.b. Straat der Katholieke Koningen. Achter het open, zonnige plein, waarop deze straat uitkwam, zag ik gelukkig donker geboomte schemeren, en langs een fraaie, maar moderne fontein kwam ik dan ook spoedig in het Alameda, een bosch van boomen, waarnaast de hooge bogen der kathedraal van Sevilla zouden verzinken in het niet. Prachtige lanen van reusachtige platanen, waartusschen stroomende beekjes murmelen, strekken zich uit langs de oevers van den Jenil, die schuil gaat onder de rozen, mirten, jasmijn en granaatboomen der aangrenzende tuinen aan de overzijde. Plotseling opende zich een plek in het bosch, van waar men een prachtig uitzicht geniet op de Sierra Nevada en haar kroon van sneeuwtoppen. Op den voorgrond staat een fraaie groep, Koningin Isabella voorstellend, die uit Columbus’ hand de Nieuwe Wereld ten geschenke ontvangt.—Dit alles verzoende mij een weinig met Granada, en verder poogde ik dan ook maar de moderne straten en pleinen zooveel mogelijk over het hoofd te zien en, waar het kon, te vermijden. Er bleven nog altijd genoeg oude en karakteristieke straatjes en steegjes over, en het deed er voor mij weinig toe of ik al een omweg maakte, als ik maar eerst den grooten weg bereikte, die naar het Alhambra leidt. Dit is een schaduwrijke laan midden door een uitgestrekt bosch van olmen, beuken, platanen, esschen en populieren, zóó dicht geplant, dat zelfs op den vollen middag geen zonnestraal door het looverdak dringt, maar alles in een groene en gouden schemering is gehuld. Aan het aanhoudend geruisch van het gebladerte paart zich het murmelen van liefelijke beekjes, die van de hoogten komen stroomen, kleine watervalletjes vormend, en in fijne straaltjes droppelend tusschen de ineengewarde ranken van lianen, wilde wingert, winde en kamperfoelie, die den bodem bedekken en zich slingeren om de hooge stammen.

Aan het einde van de laan houdt een standbeeld van Karel V de wacht voor een monumentale poort, gekroond met den tweehoofdigen adelaar; maar hoewel deze ingang op zichzelf niet leelijk is, maakt zij toch op verre na niet den indruk, dien de poort van den Toren van het Recht bij ons opwekt.

Midden in den voorgevel van een zwaren, vierkanten bouw, waarvan de steenen door het mos dat ze bedekt, een prachtige verweerde tint hebben gekregen, opent zich een hoefijzervormige poort van indrukwekkende afmetingen. In den sluitsteen is een primitieve afbeelding gebeiteld van een hand, die eensleutel tusschen de vingers houdt. De oorsprong van den naam van den toren is bekend. Hachach Yusuf, die hem in 1348 liet bouwen, oefende hier de rechtspleging uit, in een soort van nis gezeten. Dit feit wordt door inschriften gestaafd, waartusschen de regels van den Koran staan gevlochten: “Er is geen ander God dan Allah”, en “Buiten Allah is geen kracht, noch macht”.

De weg, die onder de poort doorloopt, stijgt verder tusschen betrekkelijk nieuwere muren, waarboven, tegen den voet der wallen, geheele hangende tuinen verrijzen, vol bloemen en vruchten, oranje- en granaatboomen en tropische gewassen in overvloed, terwijl men van deze terrassen een heerlijk uitzicht geniet op de Sierra Nevada. Eindelijk kom ik op het Plein der Waterputten, waar groote boomen staan en limonadeverkoopers de dorstigen te drinken geven. Het is een aardig gezicht, als die oude koperen watervaten in den put worden neergelaten en er beslagen weer uit worden opgehaald. In de schaduw der zware boomen staan banken, die den bezoeker tot rusten noodigen, want het uitzicht is zoo heerlijk, dat men het paleis vergeet voor de omgeving. Terwijl ik mijn blik over het schilderachtig landschap laat weiden, herinner ik mij de beschrijving van Granada, die ik juist heb gelezen in de kroniek van den geschiedschrijver der katholieke koningen, Fray Antonio Agapida.

“Luistert dan”, zegt hij, “als ik u, in mijn enge kloostercel gezeten, ga verhalen van het beleg en de overgave van Granada, waar de Christenstrijders en de ongeloovige Muzelman elkander elken duim gronds van het schoone Andalusië betwistten, tot de halve maan, dat verafschuwde zinnebeeld, werd nedergeworpen in het stof en het gewijde kruis, het teeken onzer verlossing, in zijn plaats werd verheven.

“Meer dan acht eeuwen waren verloopen sedert de arabische veroveraars den ondergang van het Spaansche rijk hadden bezegeld door de nederlaag van Don Roderik, den laatsten der gothische koningen. Doch sedert dien tijd was het eene koninkrijk na het andere door de Christenvorsten heroverd en slechts het machtige Granada verbleef onder de heerschappij der Mooren.

“De stad Granada is gelegen in het midden van het koninkrijk, in een golving van de Sierra Nevada, een keten van besneeuwde bergtoppen. Zij is gebouwd op twee hooge heuvels, gescheiden door een breede vallei, waardoor de rivier de Darro stroomt. Op een dier heuvels verrijst het koninklijk paleis en de vesting, het Alhambra genaamd. Zeker spreidt geen paleis ter wereld zulk een barbaarsche pracht ten toon en de Moorsche koning, die het bouwde, was bekend met de geheimen der verborgen wetenschap. Zonder de machtige hulp der alchemie, waarvan hij zich bediende, kon hij zulk een kostbaar werk niet hebben volvoerd.

“Aan de overzijde verheft zich de andere bergtop, waarop het rijke, dichtbevolkte stadsgedeelte is gebouwd, het Albaycin genaamd, en de vesting Alcazaba.De hellingen van dezen hoogen heuvel zijn bedekt door meer dan zeventig duizend huizen, gescheiden door nauwe straatjes en kleine pleinen, volgens moorsch gebruik. De huizen hebben binnenplaatsen en de tuinen, die besproeid worden door stroomend water, zijn beplant met oranje-, citroen- en granaatboomen, zoodat het een zeer schoonen aanblik oplevert, deze gebouwen zich te zien verheffen uit het dichte gebladerte. Het geheel is omgeven door hooge muren, waarop honderd dertig torens verrijzen en waarin twaalf versterkte poorten zijn. Door de hooge ligging en de nabijheid van de steeds met sneeuw bedekte Sierra Nevada, heeft de stad niet te lijden van de zomerwarmte en als in andere steden de hitte verschroeiend is, speelt een zachte koelte rond de zuilen van het Alhambra. Toch wordt de heerlijkheid van Granada nog overtroffen door de pracht der vruchtbare vlakte, de Vega, die zich uitstrekt in een wijden boog van zeven en dertig mijlen in omtrek, omsloten door hooge bergen. Het is een kostelijke tuin, vol wonderbare schoonheid, waardoor stroomen helder water vlieten en als een zilveren lint de Jenil kronkelt, waarin zich de Darro heeft uitgestort. Met de bedrevenheid en het geduld, dat hun aard kenmerkt, hebben de Mooren het water der rivier in kleine kanalen en stroompjes weten te verdeelen, die de oppervlakte van den bodem besproeien en geen duim gronds dor of onvruchtbaar laten. De bergen zijn bedekt met oofttuinen en wijngaarden, het dal is een bloementuin, en in de vlakte golft in den wind het graan, dat een rijken oogst belooft. Daar groeien in milden overvloed oranje, citroen, vijg en granaat en de moerbeiboom, welks bladeren de fijnste zijde leveren. De wijnranken slingeren zich van tak tot tak en de druif laat zijn zware trossen hangen over het nederige dak der boerenhut; de nachtegalen zingen ongestoord, in een woord de aarde is zoo schoon, de lucht zoo liefelijk, de hemel zoo helder in deze verrukkelijke streek, dat de Mooren hun hemelsch paradijs verplaatst mochten wanen onder den azuren koepel die haar overwelft”.


Back to IndexNext