Stadspoort van Seoel.Stadspoort van Seoel.Na korten tijd van wachten stoomde een kleine sloep op ons toe, om ons, passagiers, aan wal te brengen; maar eerst na een uur waren we zoo dicht bij de grijze, nevelige kust gekomen, dat we de lage, lange Takoeforten konden zien. Toen we daarna echter in de gele Peiho voeren, werd het tooneel dadelijk levendig. De forten aan beide zijden van den stroom met hun vele litteekens van kogels en de groote kanonnen waren met de vlaggen der verschillende volken bezet; met soldaten dicht gevulde booten werkten zich langzaam tegen de rivier op, en onder strenge contrôle passeerden wij een aantal mooie kanonneerbooten, waaronder vooral de japansche en amerikaansche door hun groote schepraderen in ’t oog vielen.Langs de kale oevers zagen wij kleine troepen indische ruiters en eindelijk hadden wij de schoorsteenen en groote loodsen van Togkoe vóór ons. De geheele rivier lag hier vol met kleine stoombooten en groote jonken en andere booten, waarop in reuzengroote letters de mooiste duitsche en fransche namen prijkten.Aan den oever was een druk gewoel van allerlei menschen in allerlei kleeding. Het tooneel won niet weinig in levendigheid, doordat niet alleen elk huisje maar ook elke hout- en steenkolenhoop vlagjes en wimpeltjes droeg met de kleuren van een europeesche natie.Bemanning van mijn chineesche boot.Bemanning van mijn chineesche boot.Met moeite drongen wij door de straten, waarin we ook europeesche dames, vooral Russinnen, zagen, en kwamen zoo aan het station, waar het gewoel bijna nog grooter was, maar toch een voornamer stempel droeg, daar de imposante, indische politieagenten streng de Chineezen en de gemeene soldaten weerden. Toen ik uit het venster van mijn coupé kalm het plein vóór het stationsgebouw overzag, aanschouwde ik een wijde zee van alle mogelijke hoofddeksels; de breede vilten hoeden van de Amerikanen; de bepluimde hoeden van de bersaglieri; de tulbanden der Indiërs en helmen en mutsen van allerlei soort, van de kleine der Engelschen tot de groote der Russen. Welk een verschil tusschen de elegante, krijgshaftige figuren van de russische officieren en de koreaansche troepen, die ik het laatst had gezien.De spoorwegwaggons geleken op onze derde klasse, en de dienst werd waargenomen door engelsche soldaten, die de ambtenaren en officieren met vrije reisgelegenheid, en dat hadden ze bijna allen, hun namen ineen boek lieten opschrijven. De Chineezen werden in open veewagens opeengehoopt getransporteerd.Na twee uur rijdens door een eenzame, zandige streek, langs veel ruïnen van dorpen, kwamen statige europeesche huizen en torens in het zicht, en wij bereikten het station van de millioenenstad Tientsin.In vluggen draf trokken mij riksjakoelies over de pontonbrug der Peiho naar de europeesche wijk, die veel grooter is, dan ik had verwacht. Zij alleen is zoo groot als een flinke europeesche stad en de scheiding der verschillende naties is er veel strenger doorgevoerd dan te Sjanghaï.Door een statige allee langs de rivier en door nette straten vol soldaten, ruiters, voorname équipages en militaire wagens van allerlei soort kwam ik eindelijk in het zeer deftige Astorhouse Hôtel. Hier kwam ’s avonds de voorname wereld voor het dîner bijeen, en men zat er ’s namiddags als in een groote europeesche stad bij een concert op het open hôtelterras en liet het bonte verkeer der promenade voorbijgaan.Gezicht op de hoofdstad van Korea.Gezicht op de hoofdstad van Korea.Hoe kort het nog geleden was, dat deze geheele vergenoegde kolonie zich in groot gevaar bevond, kwam mij te binnen, toen ik de europeesche wijk aan den franschen kant verliet. Daar, aan het begin der chineesche stad zag ik niets dan een uitgestrekt nog niet geruimd veld van ruïnen, overblijfselen van verbrande en stukgeschoten huizen. Moeilijk viel het, zich er een weg doorheen te banen.Op de hoeken der straten in de verdere chineesche stad stonden chineesche en indische politieagenten, die den Europeaan beleefd salueerden. Aan het beroemde Keizerskanaal gekomen, zag ik het dicht bezet met schepen en huisbooten. Het is ook inderdaad een veel gemakkelijker weg dan de ellendige, chineesche wegen, waarop bij uitstapjes in den omtrek mijn paard vaak tot de knieën wegzonk in ’t moeras. Proviand- en waterwagens van de vreemde soldaten zaten dikwijls vast in de modder en hadden dan het recht, voorbijkomende Chineezen aan te roepen, om hulp te bieden.Op een morgen zag ik de geheele wereld door een dofgelen sluier, en op straat kon men geen vijf pas van zich af zien, terwijl oogen, neus en ooren dadelijk vol fijn zand zaten. Er was een van die beruchte zandstormen uitgebroken, die vaak dagen lang duren, en ik besloot een poging te wagen, eraan te ontkomen door naar Peking te vertrekken. Dat hielp echter niet veel, want het zand drong door de spleten der ellendige waggons en maakte ons met de gloeiende hitte de reis zeer lastig. Bovendien was een andere trein door de zandbergen, die op de rails lagen, ontspoord en van een brug gestort, zoodat wij op deongeluksplaatseen eind te voet door het zand moesten afleggen en zelf de bagage moesten meesleepen.Eerst tegen den avond kwamen we met verscheiden uren vertraging te Peking aan.Weldra reed ik, door vlugge koelies getrokken, door de massieve, diepe poort van den tweeden muur, nog hooger en breeder dan de eerste, waar de spoorweg ons doorheen had gebracht. Toen eerst was men in de eigenlijke stad. De straat was zeer breed in tegenstelling met de steden van Zuid-China, maar zoo vol kuilen en gaten, dat ik dikwijls ellenhoog opgewipt werd. Een menigte kleine, zware, met paarden bespannen karren ging ons voorbij, een lange trein kameelen dwong ons tot uitwijken, en menigmaal had er een botsing plaats met het vuile straatpubliek, dat druk zich bewoog tusschen de veelal open huizen.Europeesche soldaten zag ik in de menigte in ’t geheel niet; aan hun tegenwoordigheid herinnerden echter eenige cantines, die er zonderling uitzagentusschen de met papieren vlaggen versierde huizen, waarin men de gestaarte handwerkslieden, kooplui en koks bezig zag.Toen verhief zich weer vóór ons een reusachtige muur en door de donkere poort gaande, kwamen wij in de Tartarenstad, waar wij dadelijk rechts de straat van de gezantschappen insloegen.Alles lag hier nog in puin, evenals in de chineesche stad in Tientsin; maar de verwoesting was hier nog veel vollediger. Vroeger echter kan deze smalle straat ook niet imposant geweest zijn; van de weer opgebouwde gezantschappen ziet men alleen de muren; de hoofdgebouwen liggen in de tuinen, verder van de straat af.Voor toeristen was de Keizerstad natuurlijk het belangrijkste. Door een groote poort komt men op een ruim voorplein, zoo uitgestrekt, dat wij eerst na vijf minuten lustig dravens de tegenoverliggende poort bereikten, die de laatste afsluiting is van de Keizerstad. De vele goed onderhouden muren, die meer binnenwaarts al kolossaler worden, geven een goed denkbeeld van de afgeslotenheid der chineesche regeering en van den aard van het geheele volk.Rechtuit heeft men dan in de Keizerstad de weer door muren omsloten Verboden stad, waarin evenwijdig achter elkander, door op zij gesloten pleinen van elkander gescheiden, de zes hallen liggen, aan de voorvaderen des keizers gewijd. Het gewoonlijk door het hof bewoonde deel der stad, het winterpaleis, ligt ten westen daarvan aan den oever van eenige groote vijvers, over een waarvan een lange marmeren brug geleidt, en bestaat uit talrijke hallen en paviljoens, die tusschen de groene lanen van een uitgestrekt park liggen.Hier had generaal Waldersee zich met zijn staf en de troepen ingekwartierd, en bij het oneerbiedig huishouden van onze soldaten in de heilige zalen van den Zoon des Hemels zullen zich de voorvaderen wel in hun graven hebben omgekeerd. Een rit naar het keizerlijke zomerpaleis leidde mij door de lange Kettelerstraat, de hoofdstraat van Peking, met mooie, van snijwerk voorziene gevels. Er waren bijna niet anders dan arme Chineezen op straat te zien; de voor Sjanghaï en Canton zoo karakteristieke optochten van voorname Chineezen met dozijnen volgers, die lantaarns en vaandels en titellijsten enz. dragen, en leelijke tamtammuziek doen hooren, ontbraken hier geheel.De aristocratie bleef tijdens de bezetting van Peking meestal in haar huizen, voor zoo ver zij niet met den keizer gevlucht was. In ’t beeld der stratendrukte werd zij vervangen door in Zuid-China onbekende kameelenkaravanen, die uit de woestijnen van Midden-Azië en Mongolië komen, en welker vreemde drijvers trots de hitte in dikke pelzen gehuld waren.Na een uur bereikten wij den in ’t Noorden van de Keizerstad gelegen Kolenheuvel, ’t centrum der Tartarenstad, van welks top, bedekt met ruïnen, ik een prachtig overzicht van Peking nemen kon.Dicht vóór mij lag de Verboden stad met haar gele daken, en buiten aan den horizon der wijde huizenzee verrezen aan alle kanten de donkere kolossale buitenpoorten. Naar het Noorden en het Westen werd het land bergachtig. Die richting sloegen wij in en bereikten door het noordelijkste, armoedigste deel der tartarenstad, waar men niets bespeurt van de vlaggen en lantarens der Chineezenstad, den buitensten muur. Daarachter begon de Keizerstraat, de mooiste weg uit China, die uren aaneen met zware, marmeren platen is geplaveid, langs statige tempels voert en merkwaardig zindelijk wordt gehouden.Het land werd groen; er vertoonden zich al meer loofboomen, en na eenige uren dook in de verte een met bosch bedekte heuvelketen op, waarin wij tallooze opgewipte daken onderscheidden en eenige pagoden van veel verdiepingen; een uiterst weldadige aanblik na het vuile, lawaaiige Peking.Deze wijk van paleizen was door Italianen bezet, bij wie ik vriendelijk werd ontvangen. Bij den ingang stonden twee geweldige bronzen leeuwen, die waarschijnlijk te zwaar waren geweest, om te worden meegenomen, want alles was zoowat leeggeplunderd. Aan den voet der heuvels lag een groot meer, omgeven door een marmeren balustrade en door mooie wandelgalerijen. Enkele paviljoens waren in den vorm van schepen in het meer uitgebouwd, en in een haventje lagen nog de galabooten, die het hof voor pleiziertochtjes had gebruikt. De tegenoverliggende oever was afgesloten met een rij hooge boomen.Tegen de heuvels op was een prachtig park aangelegd, en honderden sierlijke huisjes met geelroode, schitterende pannen stonden er verspreid om het terrasvormig aangelegde hoofdgebouw. Het groote meer werkte aangenaam verkoelend op de temperatuur, en de in China schaarsche donkere schaduw van het woud verhoogde het behagelijke van de plaats.Van een der torentjes op de hoogte van de heuvels overzag ik den geheelen parkaanleg met de paleizen, alles een sterke tegenstelling vormend met de donkere, neerdrukkende hoofdstad, welker reuzenmuur men in de verte kon zien. Beneden lag het meer in zijn marmeren omlijsting, rondom mij heen suisde het in de kruinen van de boomen, die zich welfden over de mooie gebogen lijnen van de bonte daken, met draken als waterspuwers. Daartusschen klonken de tonen van de door den wind bewogen klokjes der pagoden, juist als wij het als kinderen in de sprookjesboeken lazen.Toen ik naar beneden daalde, vond ik in het binnenste van een toren eenige Japanners bezig een laatste, tot nu tot vergeten bronzen kandelaber los te schroeven.Den dag, waarop wij in Australië zouden landen, had een beambte veel te bespreken met de zich aan boord bevindende zonen van het Hemelsche Rijk, en wij overige passagiers stelden er veel belang in. De invoer van Chineezen is namelijk in Australië enkel mogelijk tegen betaling van vrij hooge sommen, terwijl Chineezen, die reeds eenmaal in Australië zijn geweest, er zonder nadere betaling kunnen terugkeeren. Alleen moeten zij hunne identiteit bewijzen, opdat niet dezelfde pas van toelating van hand tot hand zal gaan, nadat er een Chinees in Australië genoeg heeft verdiend en naar China teruggekeerd is.Daarom is er van staatswege een portret van den bezitter bij den pas gevoegd, en onze beambte moest nu nagaan, of de photografieën met de eigenaars overeenkwamen, want het is dikwijls genoeg gebeurd, dat geheele familiën, het eene lid na het andere op denzelfden pas in Australië zijn toegelaten.Zooals de herder de afzonderlijke gezichten van zijn schapen, zoo leert ook de vreemdeling in China de gezichten van de gele heeren onderscheiden, die in ’t begin allen precies op elkaâr schijnen te gelijken; maar naar slechte, oude portretten zoo mogelijk bloedverwanten van het gele ras uit elkaâr te houden, was ons allen te zamen vaak niet mogelijk, en wij stelden vast, dat het voor de australische regeering geraden zou zijn, liever het Bertillonsche meetsysteem of iets dergelijks toe te passen.Met die belangrijke bespiegelingen waren wij nog bezig, toen het schip onverwachts in een smalle baai tusschen de hooge rotsen aan de kust binnendrong en wij ons al spoedig in Port Jackson bevonden, de beroemde haven van Sydney, die de vloten der geheele wereld zou kunnen bevatten en zoo begunstigd is door de natuur, dat er slechts zeer geringe havenwerken noodig waren, om het den grootsten schepen mogelijk te maken, direct aan den wal aan te leggen.De geheele baai gelijkt op een fjord; maar de oevers rijzen niet steil omhoog, maar zwellen zachtjes aan tot lage bergen en zijn tot aan den waterspiegel met bosch bedekt. Maar juist als daar vertakt de baai zich in vele zijarmen, en overal kijken uit het groen de witte huizen en torentjes. Langzamerhand volgen op de voorsteden, waar die huizen bij behooren, de gebouwen van de eigenlijke stad, die ook rondom deelen van de baai is gelegen en voor een deel de hoogten bedekt. Overal voeren stoombooten en zeilschepen; veel oorlogschepen lagen er voor anker naast allerlei groote en kleine vaartuigen.Spoedig was ik aan wal gegaan en rolde in een engelsche cab met gummibanden om de wielen, over de geasphalteerde straten met volkomen europeesche drukte naar een mooi hôtel, met ’t aangename bewustzijn, na een jaar uit Europa afwezig te zijn geweest, hier voor de eerste maal een beschavingsoase in de buiten-europeesche landen te hebben bereikt en over alle genietingen van een europeesche hoofdstad weer te kunnen beschikken.Met een zekere ontroering zag ik de witkielen aan, de krantenjongens en de droschkenkoetsiers, want die groepen ontmoet men nooit in de steden van Oost- en Zuid-Azië; zij zijn de ware vertegenwoordigers der beschaving van te huis!Door kennismaking met personen op de stoomboot had ik ook eenige voeling met gezelschapskringen in Sydney, waar men voor den vreemdeling zeer innemend is. De omgang is ongedwongen en prettig. Een groote rol speelt in ’t leven van de menschen de haven met haar verschillende bochten. Dikwijls worden pics-nics gegeven en in zeilbooten gaat men naar geliefde hoekjes van de baai en amuseert er zich in de vrije natuur of probeert eens, een haai te vangen, ’t geen een verdienstelijk werk is, daar er nog altijd vele in de haven leven.’s Namiddags ontmoet men elkaâr bij het concert in den Botanischen Tuin, die een der mooiste inrichtingen van dien aard is en zich midden in de stad een eind langs de zee uitstrekt. De Zondagen zijn gruwelijk vervelend; geen comedie is er; de electrische tram rijdt niet en in ’t hôtel kan men zelfs geen warm eten krijgen! De arbeiders werken hier elken dag slechts acht uren en ’s Woensdags is ook nog van twaalf uur af een vrije dag.De schouwburgen kwamen mij nietfirst ratevoor, ofschoon ik het gunstigste jaargetijde daarvoor trof, want ik kwam in Juni, dus midden in den winter van het zuidelijk halfrond aan. De dames uit deftige kringen bezochten de schouwburgen zelden; haar ontmoette men eerder ’s avonds in een der prachtige banketbakkerswinkels of in sommige restauraties bij afternoon-tea.Het amuseerde mij altijd, den onderlingen naijver te bemerken tusschen de menschen van Sydney en van Melbourne. Reeds op de stoomboot van Manilla naar Sydney had ik toevallig aan tafel mijn plaats tusschen een heer uit Melbourne en een uit Sydney, en ik scheen beider vertrouwen te hebben gewonnen, want zij vertelden mij bij beurten kwaads over hun wederzijdsche staten en personen.Victoria scheidde zich namelijk van Nieuw Zuid Wales af uit vrees, dat het als rijkste provincie te veel in de schatkist zou moeten storten, en Sydney heeft dat nooit vergeten, vooral omdat het de oude moederstad is, terwijl Melbourne, eerst vijftig jaren oud, moderner en beter gebouwd is en zich daarom ver verheven acht boven het ouderwetsche, reeds meer dan honderd jaren oude Sydney. Thans was de verhouding bijzonder gespannen, omdat beide steden hoofdstad wenschten te worden van de australische federatie. De vijandschap ging vroeger zoo ver, dat reizigers, die de slaapwaggons van de lijn Sydney-Melbourne gebruikten, midden in den nacht werden gewekt en uitstappen moesten, daar de elkaâr vijandige staten geen vreemde wagens over de grens lieten komen.Elken morgen bijna reed ik uit mijn aardig hôtel op de hoogten van Darlinghorst aan de Wooloomooloobaai per fiets naar het tien mijlen zuidelijk gelegen dorp La Pérouse, waar ik afstammelingen aantrof van de oude oerbewoners der landstreek, door de regeering hier geplaatst, bij wie ik ijverig les nam in het werpen met den boemerang.Dit eigenaardig wapen hebben de inboorlingen van Nieuw-Holland uitgevonden, en nergens anders op de wereld is het in gebruik. Het vormt met den kangoeroe en het merkwaardig vogelbekdier een der typische eigenaardigheden van Australië. Het smalle, vlakke, hoekig gebogen stuk hout is in alle drie afmetingen gekromd, en men vervaardigt het, door het vochtige hout met geweld te draaien en bij het vuur te harden. Vooruit geworpen, slingert het om zichzelf, wordt ten gevolge der krommingen bij elke draaiing door den tegenstand der lucht een weinig uit zijn koers gebracht en keert eindelijk in een wijden boog tot den slingeraar terug. De inboorlingen kunnen het meestal behendig in de lucht grijpen. Zeer ver en juist kan men werpen tegen een lichten wind in, daar dan de boemerang als een vlieger door den luchtstroom wordt gedragen. Ondanks de lichtheid ontwikkelt het hout door de snelle draaiende beweging bij het treffen tegen een of ander voorwerp een kracht van beteekenis; zoo zag ik vrij dikke takken af knikken door het scherpkantige werphout, en ik geloof wel, dat men met den zwaren oorlogsboemerang, die echter alleen rechtuit kan worden geslingerd, een mensch den schedel kan verpletteren.Met hun breede neuzen en grove trekken maken de inboorlingen geen aangenamen indruk.De meest gewilde verdere uitstapjes hebben plaats naar de Blauwe Bergen van Nieuw Zuid Wales, die men bereikt door een spoorwegrit van eenige uren naar het Westen. Er is daar dicht bosch en men wordt er aan het Thüringerwoud herinnerd, doch zonder de vele bewoners. Ik had eerst plan, de streek per fiets te bereizen, maar bleef na korten tijd reeds steken in de sneeuw en verdwaalde buiten dien, daar de weg niet te herkennen was, omdat er niemand langs was gegaan, sedert de sneeuw gevallen was. Den geheelen namiddag en een deel van den avond marscheerde ik in ééne richting verder, steeds met mijn wiel aan de hand, zonder een mensch of een huis aan te treffen. Des te meer wild zag ik, toen de maan was opgekomen, en ik was verbaasd over de groote menigte kangoeroe’s, die ik opjaagde. Reeds ’s namiddags kruisten velen mijn weg, en het maakte een allergrappigsten indruk te zien, hoe de groote dieren met de kleine kopjes het eene achter het andere aan in lichte en toch verre sprongen voortijlden, daarbij de lange staarten op en neer bewegend.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Toen ik reeds had besloten om maar vuur te maken en mij voor een kampeering in te richten, bereikte ik ten slotte nog een gehucht, waar ik door vriendelijke menschen gastvrij werd opgenomen.Lang zat ik met den heer des huizes, een schapenfokker, onder een glas grog aan den vlammenden haard, en hij haalde zijn herinneringen op aan den goeden ouden tijd in Australië, toen men nog eens kon vechten met ontvluchte galeiboeven en wilde inboorlingen. Het is opmerkelijk, hoe snel zich in dit werelddeel de dieren en planten vermenigvuldigen, die er ingevoerd zijn. De schapen bijvoorbeeld, die nu den grootsten rijkdom van Australië uitmaken; dan de musschen, die een liefhebber onnoodigerwijze heeft ingevoerd; de distel en vooral de konijnen, die nu zooveel schade aanrichten, dat de regeering een hoogen prijs gesteld heeft op het vinden van een afdoend verdelgingsmiddel. Zooals mijn gastheer vertelde, kan men zich voorloopig niet anders redden dan door heele terreinen met een stevig draadvlechtwerk te omheinen, dat zoo diep in den grond is aangebracht, als de konijnen hun holen graven.Op een drijfjacht den volgenden dag schoten wij, behalve eenige kangoeroe’s, ook twee buideldieren.Men houdt er echter in Australië meer van, de kangoeroe’s te paard met speciaal daarop afgerichte honden te jagen, waarbij dan vele honden bezwijken onder de scherpe klauwen der vervolgde dieren. De soep van kangoeroestaart was uitstekend; maar over ’t algemeen houdt men niet veel van het vleesch, en alleen voor het vel is een goede prijs te bedingen.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Door de ervaring wijzer geworden, zette ik mijn reis te paard voort, om de beroemde Jenolangrotten te bezoeken, groote, mijlenlange druipsteenholen met prachtige kalkvormingen, het mooiste wellicht, dat men van dien aard te zien kan krijgen.Er was daarbij een idyllisch mooi gelegen, geriefelijk hôtel, maar ondanks de drukke passage zag men hier eveneens op elke wandeling kangoeroe’s langs de rotsen klauteren.Weldra verlangde ik intusschen weder naar de groote stad, vooral omdat ik Australië spoedig dacht te verlaten.Op de laatste dagen van mijn verblijf te Sydney deed ik veel pogingen, om een zeilschip te vinden, dat bij zooveel mogelijk Zuidzee-eilanden moest aanleggen, want de ware poëzie der Stille Zuidzee en haar eilanden meende ik alleen per zeilschip te zullen genieten. Maar al mijn zoeken liep op niets uit.De weinige zeilschepen, die er waren, gingen òf rechtstreeks naar Zuid-Amerika òf naar de eene of andere afgelegen eilandengroep en terug, zoodat ik daar dan een halfjaar of mogelijk wel een jaar zou hebben moeten wachten, tot er eens toevallig een ander schip langs kwam. En zoo besloot ik dan, voorloopig tot Nieuw-Zeeland de gewone poststoomboot te nemen, die den volgenden dag in zee zou gaan.De vaart naar Auckland op het Noordeiland van Nieuw-Zeeland, die op vier dagen beslag zou leggen, eischte zeven dagen voor zich en was zoo stormachtig, als ik nog nooit iets had meegemaakt. Warme spijzen konden eenige dagen lang in ’t geheel niet klaargemaakt worden, alles wat niet zeer zorgvuldig was vastgesjord, rolde door elkaâr en bracht den niet uitkijkenden passagier builen en schrammen toe. In ’t bed moest men zich laten vastbinden, als men niet telkens weer eruit geslingerd wilde worden, en in den salon stond het water bijna een voet hoog, als een bijzonder hooge stortzee een der deuren naar het dek had opengerukt.De Wakiteterrassen bij Rotorua.De Wakiteterrassen bij Rotorua.De meeste passagiers waren verheugd, toen ze in de haven van Auckland weer in de frissche lucht op dek konden komen. Boven hadden de golven ook niet zonder resultaat gewerkt; twee booten waren weggeslagen, en alle mogelijke andere dingen, die buiten den rand van het dek uitstaken, waren weggevaagd.De eerste blik op Auckland imponeert niet. De stad lijkt een engelsche havenstad van middelbare grootte, en ofschoon de reiziger van te voren weet, dat hij in een stad komt, waar bijna alleen Europeanen wonen en die modern is gebouwd, toch zal hij altijd weer een teleurstelling gevoelen, omdat het eerste Zuidzee-eiland, dat hij betreedt, zoo weinig heeft van die eigenaardigheden, die hij met het begrip Zuidzee-eiland verbindt.Het deel der kust, waar de stad is gelegen, verheft zich nog al hoog, en van de hoogte, heeft men een ruim uitzicht over de zee, alsook naar de andere zijde, naar het vriendelijke, boschrijke binnenland, waar zich talrijke uitgebrande vulkanen verheffen.Hoog in de hoogte staat het Museum, waar men, behalve de beenderen van den uitgestorven reuzenvogel Moa, de vele gereedschappen en werkstukken van de oude bewoners, de Maori, vinden kan. Interessant zijn de lange booten voor oorlogsgebruik, waarin vijftig en meer roeiers achter elkaâr kunnen zitten. De Maori’s zijn het eenige volk der Stille Zuidzee, dat bij het binnendringen van de europeesche beschaving reeds op zoo hoogen trap stond, dat het in staat was, zich daarnaar te schikken en er niet door te gronde ging. Er zijn nog meer dan 40 000 Maori’s, die ’t meest op het Noordeiland leven, en hun aantal neemt zelfs in de laatste jaren toe. Hun vermindering was een gevolg van de bloedige oorlogen, die enkele tientallen jaren geleden op het eiland woedden, want de Maori’s hadden zich snel aan het gebruik van vuurwapenen gewend en weerden zich dapper en behendig tegen het voortdringen van de Europeanen.Vooral in het aanleggen van versterkingen wisten zij zich meesters te toonen, en de Engelschen leden in menig geregeld gevecht de nederlaag. Tegenwoordig zijn ze in ’t bezit van dezelfde burgerrechten als de blanke kolonisten en vervullen allerlei betrekkingen. Ze zijn ook kiezers, zij, zoowel als hunne vrouwen, want in Nieuw-Zeeland is de vrouw, ook in politiek opzicht, met den man gelijkberechtigd, en ’t gebeurt wel, dat er meer vrouwen dan mannen bij de stembus verschijnen.De Maori’s, die ik in de straten zag, waren volkomen europeesch gekleed; alleen toonden de vrouwen eenzekere voorliefde voor groote, bonte omslagdoeken en waren somtijds aan de kin getatoeëerd. De gezichten waren intelligent en niet leelijk.Om het inwendige van het eiland te leeren kennen en vooral het zonderlinge, belangwekkende gebied der warme bronnen, maakte ik gebruik van den spoorweg Auckland-Rotorua. De tocht ging door bergachtig land; in de dalen weidden groote kudden, maar dat waren de eenige dieren, die ik te zien kreeg. Wilde viervoeters zijn ernietop Nieuw-Zeeland, evenmin als op de meeste andere Zuidzee-eilanden. Het geheele landschap krijgt iets karakteristieks door de veelvuldigheid der kleine hulstboompjes.Het stadje Rotorua is beroemd als badplaats, en zieken uit heel Australië, Oost-Azië en zelfs uit Europa gaan er heen. ’t Is het middelpunt van een groot district, onder welks dunnen bodem aanhoudend sterke vulkanische krachten werkzaam zijn en op vele plaatsen zich aan de oppervlakte merkbaar maken. Na van het station uit een half uur te hebben geloopen, liet ik de verspreid liggende huizen achter mij en kwam over een kleine rivier te Whakarewarewa, een grootere, alleen door Maori’s bewoonde plaats, zooals over ’t algemeen in deze voor hen heilige, vulkanische districten de Maori’s het meest voorkomen en nog het dichtst bij hun oorspronkelijken cultuurtoestand zijn gebleven.Mooie, lichtbruine meisjes boden zich als geleide aan, en vol vertrouwen liet ik mij door een kind met vriendelijke oogen brengen naar het machtsgebied der onderaardsche krachten. Dichtbij den ingang aan de brug lag reeds een plas, waarin het water vurig kookte en bruiste. Toen kwamen nog een aantal andere, grootere en kleinere vijvers, alle van meer of minder hooge temperatuur. Hier en daar speelde de jeugd, en oude Maori’s zag ik er hun pijpje rooken. Rondom de plassen lagen de huizen, kleine houten woningen met groot, laagafhangend dak, en fraai met snijwerk versierd. Vóór de ingangen stonden totems, hooge palen met de beeltenissen der voorvaderen van den huisheer erin gesneden.De ligging van het dorp is in zoover zeer gunstig, dat de bewoners het gemak vinden van een steeds gereed warm bad, en zorg voor brandstof is geheel bij hen uitgesloten, want als het koud wordt, schuift men het verplaatsbare houten huis eenvoudig naar een warmer plekje van den grond, en in den vollen zomer gaat men meer ter zijde.Om heet water te krijgen, behoeft men den grond slechts een klein eindje uit te graven, en ik heb zelf eieren gegeten, die in een eigengemaakte kuil gekookt waren.Iets verder dan Whakarewarewa lag een grooter meer, dat ten deele kookte en bruiste; maar het vreemdste waren de borrelende moerassen. Deze in een donker bosch gelegen, met riet bedekte moerassen, waaruit aanhoudend groote luchtbellen opstegen en met knappend geluid braken, leken wel helsche machines. Alleen de aanwezigheid der wondermooie Maorimeisjes hield mij van griezelen terug, en het werd mij daardoor eerst duidelijk, waarom men op dezen niet moeilijk te vinden weg geleide noodig heeft en wel jong, vrouwelijk geleide. Nadat ik ten gevolge van deze voortreffelijke inrichting weer Rotorua in goede gezondheid had bereikt, liet ik mij per rijtuig naar het Geyserhôtel brengen, dat op een half uur afstands, eenzaam, onmiddellijk bij de groote geysers is gelegen. Het was reeds donker, toen ik er aankwam; maar toch moest ik na een sober avondmaal weer naar buiten in de koude, om een der grootste geysers te zien, die slechts elke twintig uren éénmaal springt.In het maanlicht zag ik eerst niets anders vóór mij dan eenige rotsblokken om een gat in den grond. Plotseling echter begon het te bruisen; de aarde scheen te sidderen, één-, twee-, driemaal spoot iets wits, eerst een voet, dan een meter hoog uit de opening, en toen op eens ging met donderend geweld een breede waterzuil dicht vóór mij 150 voet hoog naar boven, door den wind uiteenspattend en aan de andere zijde neervallend. Eerst na eenige minuten zakte de straal weer langzaam en zonk weg in de diepte, en van het prachtig schouwspel bleef niets over dan een dof gerommel onder onze voeten.Hetzelfde schouwspel herhaalde zich den anderen morgen onder velerlei vormen, toen ik onder het nu al gewoon geworden geleide van een Maorimeisje ’t gebied der geysers doorwandelde. Daar zag ik ook de beroemde Waikiteterrassen, waarvan het grootste gedeelte door een aardbeving kort geleden werd verwoest, maar die nog altijd een merkwaardigen aanblik bieden. Het is een groot, in terrassen dalend veld, gevormd door afzettingen van kiezelzuur en dat naar den vorm op een sterk verdeelden, bevroren waterval, naar de substantie op blauw glanzend albast gelijkt.Rondom waren talrijke geysers. Eenige spoten elk kwartier en dan slechts kort; andere met tusschenpoozen van uren, en nog weer andere stoorden zich niet aan bepaalde termijnen. Voorzichtig naderde mijn geleidster de openingen altijd van den windkant; maar toch dook ik soms plotseling van schrik ineen, als onverwachts naast mij een kokende bron luid opspoot. Nooit echter zal ik den imposanten totaalindruk vergeten, toen ik van een hoogte de geheele streek overzag. De stoutste fantazie kan zich geen voorstelling maken van iets, dat meer gelijkt op middeleeuwsche afbeeldingen van de hel.Tusschen de met donker bosch bedekte bergen was ik aan alle kanten door zware wolken stoom omringd, vlak bij lag een kaal rotsgebied, links beneden vreemde, nooit te voren aanschouwde steenvormingen, die op schitterende watervallen geleken en vóór mij schuimden hoog de waterkolommen op, nu eens in dunne stralen met kleine tusschenpoozen spuitend, dan met gelijke en lang aangehouden kracht groote massa’s water omhoog slingerend, vele tegelijk soms aan alle kanten. Daarbij was de lucht vervuld van een dof gedreun, en onder de voeten was de grond niet vast en stevig.Ver achter mij zag ik in den vroegen morgen de verdwijnende kusten van het eiland Toetoeïla, waarop een amerikaansche stoomboot mij had afgezet en dat ik te middernacht met de kleine verbindingsbootKawanhad verlaten. Dicht vóór ons verrezen reeds de bergen van Oepoloe, het hoofdeiland van Samoa; en heel in de verte vertoonden zich de omtrekken van nog andere eilanden. De lucht was onbeschrijfelijk zacht en droeg in verkoelende vleugjesheerlijke geuren van het land tot ons over. Ik voelde voor het eerst, dat ik mij werkelijk in de Zuidzee bevond, waarover ik zoo dikwijls had gedroomd. De kleineKawanstampte en slingerde geweldig, trots de kalme zee, en de meeste van de ongeveer twintig passagiers waren zeeziek. Er waren veel zendelingen aan boord en eenige samoaansche vrouwen met haar kinderen, volkomen ingepakt in bonte doeken en voorloopig onzichtbaar.Dicht naast mij op de houten bank lag het hoofdje van een aankomend meisje, en ik kon de verzoeking niet weerstaan, voorzichtig een tip van den doek van haar gezichtje op te lichten. Daar trof mij uit de mooie oogen een zoo diep wanhopige blik, die van zoo innig lijden door de zeeziekte getuigde, dat ik den doek gauw weer liet vallen en wat met haar moeder bleef praten, een dikke, vriendelijke dame in een europeesche babyjurk, die uitstekend Engelsch sprak en geen last had van de algemeene kwaal.Intusschen waren wij het eiland genaderd, en ik zag het strand geheel bezet met hooge kokospalmen, dien echten boom der Stille Zuidzee. Lang voeren wij langs dichte palmenwouden, die ver landwaarts in gingen, en zelfs op de hoogten der bergen op den voorgrond teekenden de mooie kronen zich duidelijk af tegen den donkerblauwen hemel.Tegen den middag weken de bergen iets meer van de zee terug en wij bereikten de open reede van Apia. Achter een rif, met schuim bedekt, lagen eenige kleine zeilschepen voor anker en in de ondiepe zee dichtbij het strand zag ik een grooten scheepsromp op zij liggen, ’t wrak van deAdler, die vóór eenige jaren hier met een paar andere schepen in een taifoen is gestrand.Langs de kust lagen, vaak door palmen vanelkaârgescheiden, veel kleine europeesche huizen en op den achtergrond verrezen boschrijke heuvels. Al spoedig verschenen de duitsche dokter en de douane-inspecteur in witte uniformen bij ons aan boord en daarna was er niets meer, dat onze landing belette.De boot, waaraan ik mijzelven en mijn bagage toevertrouwde, werd door een gespierden reus geroeid, die alleen de gebruikelijke lawa-lawa, den heupdoek, droeg en mij in gebroken Duitsch vertelde, dat hij vroeger op de berlijnsche tentoonstelling tentoongesteld was geweest. Daarbij sprak hij met ingenomenheid over de Duitschers in het algemeen en over de vrouwelijke bevolking van Berlijn in het bijzonder en bood mij ten slotte zijn diensten aan voor het vervolg.Niet erg verrukt over dit door de cultuur gefatsoeneerde exemplaar van het samoaansche ras, zocht ik een onderkomen in het beste der drie hôtels van Apia, dat wel niet veel comfort aanbood, maar toch een kleine inrichting had voor het nemen van een bad in de zee. IJs was op heel Samoa niet te krijgen. Buiten mij was er nog één gast, eveneens plezierreiziger; het andere hôtel was geheel leêg. Veel menschen, die hier zaken doen, denken nog met weemoed aan de tijden, waarin Samoa nog den strijd der mogendheden om zijn bezit bijwoonde, toen er altijd veel oorlogschepen in de haven lagen, die drukte en geld in het land brachten. Nu is er alles stil geworden.In het centrum van de stad Apia ligt het regeeringsgebouw, en toen ik er den gouverneur opzocht, excerceerden juist de inlandsche troepen daar onder commando van een duitschen onderofficier. De bruine jongens zagen er lang niet slecht uit met hun witte jas en korte broek, met zijgeweer en karabijn; de beenen waren in den natuurstaat gelaten.Dorpsjonkvrouw op Faleoeloe.Dorpsjonkvrouw op Faleoeloe.De inboorlingen, die ik in de lange straat, waaruit Apia gevormd wordt, ontmoette, waren lang en flink gebouwd en hadden dikwijls een zeer aantrekkelijk uiterlijk. Van alle buiteneuropeesche volken komt, afgezien van dien der Hindoes, de gelaatsvormvan de Polynesiërs het meest met onzen smaak overeen. De mannen waren enkel met de lawa-lawa bekleed, droegen het haar steil omhoog en hadden het meestal roodachtig geverfd; zooals ik later hoorde, bleeken zij het met ongebluschte kalk.Alleen ’s avonds, als zij naar de kerk gingen, moesten ze volgens voorschrift een jasje dragen. De inboorlingen, die dwaas genoeg zijn, zich geregeld geheel in europeesche kleeding te steken, worden dikwijls ziek en teringachtig, vermoedelijk doordien zij er zich door verwennen en de kleêren aanhouden, als die doornat zijn geworden of ze onvoorzichtig en op ongelegen tijd uittrekken. De vrouwen droegen bijna alle een lang, ruim kleed met bloote armen. Zij waren evenals de mannen bijna altijd met bloemen getooid, hadden kransen in het donkere haar en lange, sterk geurende kransen om den hals en het middel. Veel Europeanen in Apia hebben samoaansche vrouwen, met wie zij zeer gelukkig schijnen te zijn. De kinderen uit zulke verbintenissen zijn vaak bijzonder mooi, worden vaak voor eenige jaren naar Europa gezonden om hun opvoeding te voltooien en brengen dan den vreemdeling in verrukking door haar lieftalligheid en de pikante tegenstellingen in haar wezen.Dorpsjonkvrouw van Sanapoe.Dorpsjonkvrouw van Sanapoe.De gezelschapskring van den gouverneur was maar klein, en eerst bij een picnic, dat eenige duitsche kooplieden ons, vreemdelingen, aanboden, werd een breeder kring samoaansche dames en kleurlingen uitgenoodigd. In talrijke rijtuigen reed men naar buiten, naar een in de schaduw van het woud gelegen waterval. Er kwamen daar ongeveer vijftig personen samen en het ging er vroolijk en ongedwongen toe. Vóór den maaltijd, die in de open lucht gebruikt werd, kregen we iets aardigs te zien. ’t Riviertje vormde onder aan den waterval een grooter bekken met kristalhelder water, waarnaast zich een steile rots verhief, wel 25 M. hoog. Van deze rots sprongen de dames, de eene na de andere, in licht badcostuum in het water, zich verfrisschend in het koele nat.De hitte was in het middaguur zeer groot; alle huizen waren tot vier uur gesloten en niemand was dan op straat te zien. Alleen de vroege morgenuren waren geschikt, de omliggende groote cacao- en palmenaanplantingen te bezoeken. Daarbij kon men echter met paard en rijtuig altijd slechts een paar mijlen ver de kust volgen; dan werden de wegen alleen bruikbaar voor voetgangers. Daarom kon ik ook mijn plan, om de andere deelen van het eiland te leeren kennen, enkel te voet volvoeren en ging in het meer landwaarts in gelegen dorp der inboorlingen geschikte menschen zoeken, die als gidsen en als dragers konden dienst doen.Mijn dragers met een knaap van de Salomonseilanden.Mijn dragers met een knaap van de Salomonseilanden.De samoaansche hutten gelijken op strooien bijenkorven, waarvan de rand op palen van een meter hoogte rust. De ruimte tusschen de palen laat den zeewind ongehinderd toe, en alleen bij regen wordt een sluiting aangebracht met gordijnen van boombast en palmbladeren. De vloer is gestampt en wordt belegd met vlakke, gladde steentjes, waarover gevlochten matten in verscheiden lagen een prettige vloerbedekking vormen.Spoedig vond ik daar wat ik zocht en besloot nu, eerst dwars door het oerwoud, dat het midden van het eiland inneemt, naar de tegenoverliggende kust te marscheeren en dan steeds langs de zee te gaan, waar bijna alle samoaansche dorpen aan grenzen.Vooraf bracht ik nog een bezoek bij den ouden “koning” Mataafa, om van hem een aanbevelend schrijven te vragen voor de andere hoofden, door wier provincies ik zou trekken. Daar ik hoorde,dat een rok of andere attributen van een feestkleedij door den ouden heer niet verlangd werden, stapte ik er in mijn gewoon wit linnen pak op uit naar Moelinoe, een smal schiereiland, dat de haven van Apia in ’t Westen afsluit en waar Mataafa met zijn trouwste aanhangers gevestigd is.De huizen van Moelinoe geleken in bouwtrant op alle andere samoaansche huizen; ze waren alleen wat sierlijker en grooter. Ik liet mijn kaartje naar den koning brengen, en in hoogsteigen persoon sloeg hij een der matgordijnen op zij, reikte mij de hand en wees mij als zitplaats een hoop fraaie matten.Hij droeg, als de andere Samoanen, niets dan de lawa-lawa om de heupen en leek precies op de portretten, die ik van hem had gezien. Door middel van een tolk, want Engelsch noch Duitsch spreekt Mataafa, liet ik hem een paar stevige vleierijen over zijn land en volk zeggen, waarmee hij blijkbaar in zijn schik was. Toen vroeg hij naar het doel en het verloop van mijn reis en sprak ervan ook eens in Duitschland te willen komen, als alles hier goed geregeld was.Hoofd van Amaile met zijn gemalin.Hoofd van Amaile met zijn gemalin.Zonder dat ik behoefde te vragen, riep hij zijn secretaris of minister en droeg hem op, een rondschrijven aan de onderhoofden voor mij op te stellen. Denzelfden dag nog werd het mij door een lid der inlandsche politie gebracht en, zooals ik bij de vertaling hoorde, liet het te mijner aanbeveling niets te wenschen over.Op den terugweg zag ik het hoofd Tamasese vóór zijn huis staan, en daar hij mij te gemoet kwam en de hand uitstrekte, kon ik het niet laten, ook bij hem binnen te gaan, om geen der historische grooten van Samoa aanstoot te geven.Den volgenden morgen toog ik met de zon op weg, om nog op denzelfden dag dwars door het oerwoud de zuidkust van Oepoloe te bereiken. Ik nam twee dragers mee, ieder met een bamboes over den schouder, aan welker uiteinden in matten korfjes mijn geringe bagage geborgen was, alleen bestaande uit linnengoed en kleêren, wat goedkoope sieraden en speelgoed, bestemd voor geschenken aan de inboorlingen.Eén van de dragers was een forsche, zeer braaf er uitziende man, die geen europeesche taal kon spreken, de andere een handig, snugger jongetje, die in een zendelingeninrichting was opgevoed en het voor doelmatig hield, dit door een veelvuldig gebruik van bijbelteksten en andere blijken zijner vrome gezindheid te laten zien. Alle Samoanen laten zich hun werk zeer goed betalen, als zij het een of ander op zich nemen; maar de Samoaan heeft heel weinig behoeften; kleeding, woning en verwarming kosten bijna niets, vruchten en visch ook niets, en als er werkelijk eens aan iets behoefte is, dan logeert hij, zoolang hij wil, bij den een of anderen bloedverwant, die hem te allen tijde moet herbergen en onderhouden. Wil hij ten slotte europeesche dingen koopen, dan ruilt hij ze tegen copra, die hij met heel weinig moeite zich kan verschaffen van de geërfde kokospalmen. Werkt hij dus bij geval, dan verlangt hij evenveel loon als een europeesch arbeider, dat is tienmaal meer dan een Hindoe of Chinees, en men heeft daarom sedert eenigen tijd inboorlingen van de Salomonseilanden en de Nieuwe Hebriden op Samoa als goedkoope arbeidskrachten ingevoerd, tot groote ergernis natuurlijk van de Samoanen, die mij een massa griezelige menschenetersgeschiedenissen uit het jongst verleden van deze onschuldige luidjes opdischten.
Stadspoort van Seoel.Stadspoort van Seoel.Na korten tijd van wachten stoomde een kleine sloep op ons toe, om ons, passagiers, aan wal te brengen; maar eerst na een uur waren we zoo dicht bij de grijze, nevelige kust gekomen, dat we de lage, lange Takoeforten konden zien. Toen we daarna echter in de gele Peiho voeren, werd het tooneel dadelijk levendig. De forten aan beide zijden van den stroom met hun vele litteekens van kogels en de groote kanonnen waren met de vlaggen der verschillende volken bezet; met soldaten dicht gevulde booten werkten zich langzaam tegen de rivier op, en onder strenge contrôle passeerden wij een aantal mooie kanonneerbooten, waaronder vooral de japansche en amerikaansche door hun groote schepraderen in ’t oog vielen.Langs de kale oevers zagen wij kleine troepen indische ruiters en eindelijk hadden wij de schoorsteenen en groote loodsen van Togkoe vóór ons. De geheele rivier lag hier vol met kleine stoombooten en groote jonken en andere booten, waarop in reuzengroote letters de mooiste duitsche en fransche namen prijkten.Aan den oever was een druk gewoel van allerlei menschen in allerlei kleeding. Het tooneel won niet weinig in levendigheid, doordat niet alleen elk huisje maar ook elke hout- en steenkolenhoop vlagjes en wimpeltjes droeg met de kleuren van een europeesche natie.Bemanning van mijn chineesche boot.Bemanning van mijn chineesche boot.Met moeite drongen wij door de straten, waarin we ook europeesche dames, vooral Russinnen, zagen, en kwamen zoo aan het station, waar het gewoel bijna nog grooter was, maar toch een voornamer stempel droeg, daar de imposante, indische politieagenten streng de Chineezen en de gemeene soldaten weerden. Toen ik uit het venster van mijn coupé kalm het plein vóór het stationsgebouw overzag, aanschouwde ik een wijde zee van alle mogelijke hoofddeksels; de breede vilten hoeden van de Amerikanen; de bepluimde hoeden van de bersaglieri; de tulbanden der Indiërs en helmen en mutsen van allerlei soort, van de kleine der Engelschen tot de groote der Russen. Welk een verschil tusschen de elegante, krijgshaftige figuren van de russische officieren en de koreaansche troepen, die ik het laatst had gezien.De spoorwegwaggons geleken op onze derde klasse, en de dienst werd waargenomen door engelsche soldaten, die de ambtenaren en officieren met vrije reisgelegenheid, en dat hadden ze bijna allen, hun namen ineen boek lieten opschrijven. De Chineezen werden in open veewagens opeengehoopt getransporteerd.Na twee uur rijdens door een eenzame, zandige streek, langs veel ruïnen van dorpen, kwamen statige europeesche huizen en torens in het zicht, en wij bereikten het station van de millioenenstad Tientsin.In vluggen draf trokken mij riksjakoelies over de pontonbrug der Peiho naar de europeesche wijk, die veel grooter is, dan ik had verwacht. Zij alleen is zoo groot als een flinke europeesche stad en de scheiding der verschillende naties is er veel strenger doorgevoerd dan te Sjanghaï.Door een statige allee langs de rivier en door nette straten vol soldaten, ruiters, voorname équipages en militaire wagens van allerlei soort kwam ik eindelijk in het zeer deftige Astorhouse Hôtel. Hier kwam ’s avonds de voorname wereld voor het dîner bijeen, en men zat er ’s namiddags als in een groote europeesche stad bij een concert op het open hôtelterras en liet het bonte verkeer der promenade voorbijgaan.Gezicht op de hoofdstad van Korea.Gezicht op de hoofdstad van Korea.Hoe kort het nog geleden was, dat deze geheele vergenoegde kolonie zich in groot gevaar bevond, kwam mij te binnen, toen ik de europeesche wijk aan den franschen kant verliet. Daar, aan het begin der chineesche stad zag ik niets dan een uitgestrekt nog niet geruimd veld van ruïnen, overblijfselen van verbrande en stukgeschoten huizen. Moeilijk viel het, zich er een weg doorheen te banen.Op de hoeken der straten in de verdere chineesche stad stonden chineesche en indische politieagenten, die den Europeaan beleefd salueerden. Aan het beroemde Keizerskanaal gekomen, zag ik het dicht bezet met schepen en huisbooten. Het is ook inderdaad een veel gemakkelijker weg dan de ellendige, chineesche wegen, waarop bij uitstapjes in den omtrek mijn paard vaak tot de knieën wegzonk in ’t moeras. Proviand- en waterwagens van de vreemde soldaten zaten dikwijls vast in de modder en hadden dan het recht, voorbijkomende Chineezen aan te roepen, om hulp te bieden.Op een morgen zag ik de geheele wereld door een dofgelen sluier, en op straat kon men geen vijf pas van zich af zien, terwijl oogen, neus en ooren dadelijk vol fijn zand zaten. Er was een van die beruchte zandstormen uitgebroken, die vaak dagen lang duren, en ik besloot een poging te wagen, eraan te ontkomen door naar Peking te vertrekken. Dat hielp echter niet veel, want het zand drong door de spleten der ellendige waggons en maakte ons met de gloeiende hitte de reis zeer lastig. Bovendien was een andere trein door de zandbergen, die op de rails lagen, ontspoord en van een brug gestort, zoodat wij op deongeluksplaatseen eind te voet door het zand moesten afleggen en zelf de bagage moesten meesleepen.Eerst tegen den avond kwamen we met verscheiden uren vertraging te Peking aan.Weldra reed ik, door vlugge koelies getrokken, door de massieve, diepe poort van den tweeden muur, nog hooger en breeder dan de eerste, waar de spoorweg ons doorheen had gebracht. Toen eerst was men in de eigenlijke stad. De straat was zeer breed in tegenstelling met de steden van Zuid-China, maar zoo vol kuilen en gaten, dat ik dikwijls ellenhoog opgewipt werd. Een menigte kleine, zware, met paarden bespannen karren ging ons voorbij, een lange trein kameelen dwong ons tot uitwijken, en menigmaal had er een botsing plaats met het vuile straatpubliek, dat druk zich bewoog tusschen de veelal open huizen.Europeesche soldaten zag ik in de menigte in ’t geheel niet; aan hun tegenwoordigheid herinnerden echter eenige cantines, die er zonderling uitzagentusschen de met papieren vlaggen versierde huizen, waarin men de gestaarte handwerkslieden, kooplui en koks bezig zag.Toen verhief zich weer vóór ons een reusachtige muur en door de donkere poort gaande, kwamen wij in de Tartarenstad, waar wij dadelijk rechts de straat van de gezantschappen insloegen.Alles lag hier nog in puin, evenals in de chineesche stad in Tientsin; maar de verwoesting was hier nog veel vollediger. Vroeger echter kan deze smalle straat ook niet imposant geweest zijn; van de weer opgebouwde gezantschappen ziet men alleen de muren; de hoofdgebouwen liggen in de tuinen, verder van de straat af.Voor toeristen was de Keizerstad natuurlijk het belangrijkste. Door een groote poort komt men op een ruim voorplein, zoo uitgestrekt, dat wij eerst na vijf minuten lustig dravens de tegenoverliggende poort bereikten, die de laatste afsluiting is van de Keizerstad. De vele goed onderhouden muren, die meer binnenwaarts al kolossaler worden, geven een goed denkbeeld van de afgeslotenheid der chineesche regeering en van den aard van het geheele volk.Rechtuit heeft men dan in de Keizerstad de weer door muren omsloten Verboden stad, waarin evenwijdig achter elkander, door op zij gesloten pleinen van elkander gescheiden, de zes hallen liggen, aan de voorvaderen des keizers gewijd. Het gewoonlijk door het hof bewoonde deel der stad, het winterpaleis, ligt ten westen daarvan aan den oever van eenige groote vijvers, over een waarvan een lange marmeren brug geleidt, en bestaat uit talrijke hallen en paviljoens, die tusschen de groene lanen van een uitgestrekt park liggen.Hier had generaal Waldersee zich met zijn staf en de troepen ingekwartierd, en bij het oneerbiedig huishouden van onze soldaten in de heilige zalen van den Zoon des Hemels zullen zich de voorvaderen wel in hun graven hebben omgekeerd. Een rit naar het keizerlijke zomerpaleis leidde mij door de lange Kettelerstraat, de hoofdstraat van Peking, met mooie, van snijwerk voorziene gevels. Er waren bijna niet anders dan arme Chineezen op straat te zien; de voor Sjanghaï en Canton zoo karakteristieke optochten van voorname Chineezen met dozijnen volgers, die lantaarns en vaandels en titellijsten enz. dragen, en leelijke tamtammuziek doen hooren, ontbraken hier geheel.De aristocratie bleef tijdens de bezetting van Peking meestal in haar huizen, voor zoo ver zij niet met den keizer gevlucht was. In ’t beeld der stratendrukte werd zij vervangen door in Zuid-China onbekende kameelenkaravanen, die uit de woestijnen van Midden-Azië en Mongolië komen, en welker vreemde drijvers trots de hitte in dikke pelzen gehuld waren.Na een uur bereikten wij den in ’t Noorden van de Keizerstad gelegen Kolenheuvel, ’t centrum der Tartarenstad, van welks top, bedekt met ruïnen, ik een prachtig overzicht van Peking nemen kon.Dicht vóór mij lag de Verboden stad met haar gele daken, en buiten aan den horizon der wijde huizenzee verrezen aan alle kanten de donkere kolossale buitenpoorten. Naar het Noorden en het Westen werd het land bergachtig. Die richting sloegen wij in en bereikten door het noordelijkste, armoedigste deel der tartarenstad, waar men niets bespeurt van de vlaggen en lantarens der Chineezenstad, den buitensten muur. Daarachter begon de Keizerstraat, de mooiste weg uit China, die uren aaneen met zware, marmeren platen is geplaveid, langs statige tempels voert en merkwaardig zindelijk wordt gehouden.Het land werd groen; er vertoonden zich al meer loofboomen, en na eenige uren dook in de verte een met bosch bedekte heuvelketen op, waarin wij tallooze opgewipte daken onderscheidden en eenige pagoden van veel verdiepingen; een uiterst weldadige aanblik na het vuile, lawaaiige Peking.Deze wijk van paleizen was door Italianen bezet, bij wie ik vriendelijk werd ontvangen. Bij den ingang stonden twee geweldige bronzen leeuwen, die waarschijnlijk te zwaar waren geweest, om te worden meegenomen, want alles was zoowat leeggeplunderd. Aan den voet der heuvels lag een groot meer, omgeven door een marmeren balustrade en door mooie wandelgalerijen. Enkele paviljoens waren in den vorm van schepen in het meer uitgebouwd, en in een haventje lagen nog de galabooten, die het hof voor pleiziertochtjes had gebruikt. De tegenoverliggende oever was afgesloten met een rij hooge boomen.Tegen de heuvels op was een prachtig park aangelegd, en honderden sierlijke huisjes met geelroode, schitterende pannen stonden er verspreid om het terrasvormig aangelegde hoofdgebouw. Het groote meer werkte aangenaam verkoelend op de temperatuur, en de in China schaarsche donkere schaduw van het woud verhoogde het behagelijke van de plaats.Van een der torentjes op de hoogte van de heuvels overzag ik den geheelen parkaanleg met de paleizen, alles een sterke tegenstelling vormend met de donkere, neerdrukkende hoofdstad, welker reuzenmuur men in de verte kon zien. Beneden lag het meer in zijn marmeren omlijsting, rondom mij heen suisde het in de kruinen van de boomen, die zich welfden over de mooie gebogen lijnen van de bonte daken, met draken als waterspuwers. Daartusschen klonken de tonen van de door den wind bewogen klokjes der pagoden, juist als wij het als kinderen in de sprookjesboeken lazen.Toen ik naar beneden daalde, vond ik in het binnenste van een toren eenige Japanners bezig een laatste, tot nu tot vergeten bronzen kandelaber los te schroeven.Den dag, waarop wij in Australië zouden landen, had een beambte veel te bespreken met de zich aan boord bevindende zonen van het Hemelsche Rijk, en wij overige passagiers stelden er veel belang in. De invoer van Chineezen is namelijk in Australië enkel mogelijk tegen betaling van vrij hooge sommen, terwijl Chineezen, die reeds eenmaal in Australië zijn geweest, er zonder nadere betaling kunnen terugkeeren. Alleen moeten zij hunne identiteit bewijzen, opdat niet dezelfde pas van toelating van hand tot hand zal gaan, nadat er een Chinees in Australië genoeg heeft verdiend en naar China teruggekeerd is.Daarom is er van staatswege een portret van den bezitter bij den pas gevoegd, en onze beambte moest nu nagaan, of de photografieën met de eigenaars overeenkwamen, want het is dikwijls genoeg gebeurd, dat geheele familiën, het eene lid na het andere op denzelfden pas in Australië zijn toegelaten.Zooals de herder de afzonderlijke gezichten van zijn schapen, zoo leert ook de vreemdeling in China de gezichten van de gele heeren onderscheiden, die in ’t begin allen precies op elkaâr schijnen te gelijken; maar naar slechte, oude portretten zoo mogelijk bloedverwanten van het gele ras uit elkaâr te houden, was ons allen te zamen vaak niet mogelijk, en wij stelden vast, dat het voor de australische regeering geraden zou zijn, liever het Bertillonsche meetsysteem of iets dergelijks toe te passen.Met die belangrijke bespiegelingen waren wij nog bezig, toen het schip onverwachts in een smalle baai tusschen de hooge rotsen aan de kust binnendrong en wij ons al spoedig in Port Jackson bevonden, de beroemde haven van Sydney, die de vloten der geheele wereld zou kunnen bevatten en zoo begunstigd is door de natuur, dat er slechts zeer geringe havenwerken noodig waren, om het den grootsten schepen mogelijk te maken, direct aan den wal aan te leggen.De geheele baai gelijkt op een fjord; maar de oevers rijzen niet steil omhoog, maar zwellen zachtjes aan tot lage bergen en zijn tot aan den waterspiegel met bosch bedekt. Maar juist als daar vertakt de baai zich in vele zijarmen, en overal kijken uit het groen de witte huizen en torentjes. Langzamerhand volgen op de voorsteden, waar die huizen bij behooren, de gebouwen van de eigenlijke stad, die ook rondom deelen van de baai is gelegen en voor een deel de hoogten bedekt. Overal voeren stoombooten en zeilschepen; veel oorlogschepen lagen er voor anker naast allerlei groote en kleine vaartuigen.Spoedig was ik aan wal gegaan en rolde in een engelsche cab met gummibanden om de wielen, over de geasphalteerde straten met volkomen europeesche drukte naar een mooi hôtel, met ’t aangename bewustzijn, na een jaar uit Europa afwezig te zijn geweest, hier voor de eerste maal een beschavingsoase in de buiten-europeesche landen te hebben bereikt en over alle genietingen van een europeesche hoofdstad weer te kunnen beschikken.Met een zekere ontroering zag ik de witkielen aan, de krantenjongens en de droschkenkoetsiers, want die groepen ontmoet men nooit in de steden van Oost- en Zuid-Azië; zij zijn de ware vertegenwoordigers der beschaving van te huis!Door kennismaking met personen op de stoomboot had ik ook eenige voeling met gezelschapskringen in Sydney, waar men voor den vreemdeling zeer innemend is. De omgang is ongedwongen en prettig. Een groote rol speelt in ’t leven van de menschen de haven met haar verschillende bochten. Dikwijls worden pics-nics gegeven en in zeilbooten gaat men naar geliefde hoekjes van de baai en amuseert er zich in de vrije natuur of probeert eens, een haai te vangen, ’t geen een verdienstelijk werk is, daar er nog altijd vele in de haven leven.’s Namiddags ontmoet men elkaâr bij het concert in den Botanischen Tuin, die een der mooiste inrichtingen van dien aard is en zich midden in de stad een eind langs de zee uitstrekt. De Zondagen zijn gruwelijk vervelend; geen comedie is er; de electrische tram rijdt niet en in ’t hôtel kan men zelfs geen warm eten krijgen! De arbeiders werken hier elken dag slechts acht uren en ’s Woensdags is ook nog van twaalf uur af een vrije dag.De schouwburgen kwamen mij nietfirst ratevoor, ofschoon ik het gunstigste jaargetijde daarvoor trof, want ik kwam in Juni, dus midden in den winter van het zuidelijk halfrond aan. De dames uit deftige kringen bezochten de schouwburgen zelden; haar ontmoette men eerder ’s avonds in een der prachtige banketbakkerswinkels of in sommige restauraties bij afternoon-tea.Het amuseerde mij altijd, den onderlingen naijver te bemerken tusschen de menschen van Sydney en van Melbourne. Reeds op de stoomboot van Manilla naar Sydney had ik toevallig aan tafel mijn plaats tusschen een heer uit Melbourne en een uit Sydney, en ik scheen beider vertrouwen te hebben gewonnen, want zij vertelden mij bij beurten kwaads over hun wederzijdsche staten en personen.Victoria scheidde zich namelijk van Nieuw Zuid Wales af uit vrees, dat het als rijkste provincie te veel in de schatkist zou moeten storten, en Sydney heeft dat nooit vergeten, vooral omdat het de oude moederstad is, terwijl Melbourne, eerst vijftig jaren oud, moderner en beter gebouwd is en zich daarom ver verheven acht boven het ouderwetsche, reeds meer dan honderd jaren oude Sydney. Thans was de verhouding bijzonder gespannen, omdat beide steden hoofdstad wenschten te worden van de australische federatie. De vijandschap ging vroeger zoo ver, dat reizigers, die de slaapwaggons van de lijn Sydney-Melbourne gebruikten, midden in den nacht werden gewekt en uitstappen moesten, daar de elkaâr vijandige staten geen vreemde wagens over de grens lieten komen.Elken morgen bijna reed ik uit mijn aardig hôtel op de hoogten van Darlinghorst aan de Wooloomooloobaai per fiets naar het tien mijlen zuidelijk gelegen dorp La Pérouse, waar ik afstammelingen aantrof van de oude oerbewoners der landstreek, door de regeering hier geplaatst, bij wie ik ijverig les nam in het werpen met den boemerang.Dit eigenaardig wapen hebben de inboorlingen van Nieuw-Holland uitgevonden, en nergens anders op de wereld is het in gebruik. Het vormt met den kangoeroe en het merkwaardig vogelbekdier een der typische eigenaardigheden van Australië. Het smalle, vlakke, hoekig gebogen stuk hout is in alle drie afmetingen gekromd, en men vervaardigt het, door het vochtige hout met geweld te draaien en bij het vuur te harden. Vooruit geworpen, slingert het om zichzelf, wordt ten gevolge der krommingen bij elke draaiing door den tegenstand der lucht een weinig uit zijn koers gebracht en keert eindelijk in een wijden boog tot den slingeraar terug. De inboorlingen kunnen het meestal behendig in de lucht grijpen. Zeer ver en juist kan men werpen tegen een lichten wind in, daar dan de boemerang als een vlieger door den luchtstroom wordt gedragen. Ondanks de lichtheid ontwikkelt het hout door de snelle draaiende beweging bij het treffen tegen een of ander voorwerp een kracht van beteekenis; zoo zag ik vrij dikke takken af knikken door het scherpkantige werphout, en ik geloof wel, dat men met den zwaren oorlogsboemerang, die echter alleen rechtuit kan worden geslingerd, een mensch den schedel kan verpletteren.Met hun breede neuzen en grove trekken maken de inboorlingen geen aangenamen indruk.De meest gewilde verdere uitstapjes hebben plaats naar de Blauwe Bergen van Nieuw Zuid Wales, die men bereikt door een spoorwegrit van eenige uren naar het Westen. Er is daar dicht bosch en men wordt er aan het Thüringerwoud herinnerd, doch zonder de vele bewoners. Ik had eerst plan, de streek per fiets te bereizen, maar bleef na korten tijd reeds steken in de sneeuw en verdwaalde buiten dien, daar de weg niet te herkennen was, omdat er niemand langs was gegaan, sedert de sneeuw gevallen was. Den geheelen namiddag en een deel van den avond marscheerde ik in ééne richting verder, steeds met mijn wiel aan de hand, zonder een mensch of een huis aan te treffen. Des te meer wild zag ik, toen de maan was opgekomen, en ik was verbaasd over de groote menigte kangoeroe’s, die ik opjaagde. Reeds ’s namiddags kruisten velen mijn weg, en het maakte een allergrappigsten indruk te zien, hoe de groote dieren met de kleine kopjes het eene achter het andere aan in lichte en toch verre sprongen voortijlden, daarbij de lange staarten op en neer bewegend.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Toen ik reeds had besloten om maar vuur te maken en mij voor een kampeering in te richten, bereikte ik ten slotte nog een gehucht, waar ik door vriendelijke menschen gastvrij werd opgenomen.Lang zat ik met den heer des huizes, een schapenfokker, onder een glas grog aan den vlammenden haard, en hij haalde zijn herinneringen op aan den goeden ouden tijd in Australië, toen men nog eens kon vechten met ontvluchte galeiboeven en wilde inboorlingen. Het is opmerkelijk, hoe snel zich in dit werelddeel de dieren en planten vermenigvuldigen, die er ingevoerd zijn. De schapen bijvoorbeeld, die nu den grootsten rijkdom van Australië uitmaken; dan de musschen, die een liefhebber onnoodigerwijze heeft ingevoerd; de distel en vooral de konijnen, die nu zooveel schade aanrichten, dat de regeering een hoogen prijs gesteld heeft op het vinden van een afdoend verdelgingsmiddel. Zooals mijn gastheer vertelde, kan men zich voorloopig niet anders redden dan door heele terreinen met een stevig draadvlechtwerk te omheinen, dat zoo diep in den grond is aangebracht, als de konijnen hun holen graven.Op een drijfjacht den volgenden dag schoten wij, behalve eenige kangoeroe’s, ook twee buideldieren.Men houdt er echter in Australië meer van, de kangoeroe’s te paard met speciaal daarop afgerichte honden te jagen, waarbij dan vele honden bezwijken onder de scherpe klauwen der vervolgde dieren. De soep van kangoeroestaart was uitstekend; maar over ’t algemeen houdt men niet veel van het vleesch, en alleen voor het vel is een goede prijs te bedingen.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Door de ervaring wijzer geworden, zette ik mijn reis te paard voort, om de beroemde Jenolangrotten te bezoeken, groote, mijlenlange druipsteenholen met prachtige kalkvormingen, het mooiste wellicht, dat men van dien aard te zien kan krijgen.Er was daarbij een idyllisch mooi gelegen, geriefelijk hôtel, maar ondanks de drukke passage zag men hier eveneens op elke wandeling kangoeroe’s langs de rotsen klauteren.Weldra verlangde ik intusschen weder naar de groote stad, vooral omdat ik Australië spoedig dacht te verlaten.Op de laatste dagen van mijn verblijf te Sydney deed ik veel pogingen, om een zeilschip te vinden, dat bij zooveel mogelijk Zuidzee-eilanden moest aanleggen, want de ware poëzie der Stille Zuidzee en haar eilanden meende ik alleen per zeilschip te zullen genieten. Maar al mijn zoeken liep op niets uit.De weinige zeilschepen, die er waren, gingen òf rechtstreeks naar Zuid-Amerika òf naar de eene of andere afgelegen eilandengroep en terug, zoodat ik daar dan een halfjaar of mogelijk wel een jaar zou hebben moeten wachten, tot er eens toevallig een ander schip langs kwam. En zoo besloot ik dan, voorloopig tot Nieuw-Zeeland de gewone poststoomboot te nemen, die den volgenden dag in zee zou gaan.De vaart naar Auckland op het Noordeiland van Nieuw-Zeeland, die op vier dagen beslag zou leggen, eischte zeven dagen voor zich en was zoo stormachtig, als ik nog nooit iets had meegemaakt. Warme spijzen konden eenige dagen lang in ’t geheel niet klaargemaakt worden, alles wat niet zeer zorgvuldig was vastgesjord, rolde door elkaâr en bracht den niet uitkijkenden passagier builen en schrammen toe. In ’t bed moest men zich laten vastbinden, als men niet telkens weer eruit geslingerd wilde worden, en in den salon stond het water bijna een voet hoog, als een bijzonder hooge stortzee een der deuren naar het dek had opengerukt.De Wakiteterrassen bij Rotorua.De Wakiteterrassen bij Rotorua.De meeste passagiers waren verheugd, toen ze in de haven van Auckland weer in de frissche lucht op dek konden komen. Boven hadden de golven ook niet zonder resultaat gewerkt; twee booten waren weggeslagen, en alle mogelijke andere dingen, die buiten den rand van het dek uitstaken, waren weggevaagd.De eerste blik op Auckland imponeert niet. De stad lijkt een engelsche havenstad van middelbare grootte, en ofschoon de reiziger van te voren weet, dat hij in een stad komt, waar bijna alleen Europeanen wonen en die modern is gebouwd, toch zal hij altijd weer een teleurstelling gevoelen, omdat het eerste Zuidzee-eiland, dat hij betreedt, zoo weinig heeft van die eigenaardigheden, die hij met het begrip Zuidzee-eiland verbindt.Het deel der kust, waar de stad is gelegen, verheft zich nog al hoog, en van de hoogte, heeft men een ruim uitzicht over de zee, alsook naar de andere zijde, naar het vriendelijke, boschrijke binnenland, waar zich talrijke uitgebrande vulkanen verheffen.Hoog in de hoogte staat het Museum, waar men, behalve de beenderen van den uitgestorven reuzenvogel Moa, de vele gereedschappen en werkstukken van de oude bewoners, de Maori, vinden kan. Interessant zijn de lange booten voor oorlogsgebruik, waarin vijftig en meer roeiers achter elkaâr kunnen zitten. De Maori’s zijn het eenige volk der Stille Zuidzee, dat bij het binnendringen van de europeesche beschaving reeds op zoo hoogen trap stond, dat het in staat was, zich daarnaar te schikken en er niet door te gronde ging. Er zijn nog meer dan 40 000 Maori’s, die ’t meest op het Noordeiland leven, en hun aantal neemt zelfs in de laatste jaren toe. Hun vermindering was een gevolg van de bloedige oorlogen, die enkele tientallen jaren geleden op het eiland woedden, want de Maori’s hadden zich snel aan het gebruik van vuurwapenen gewend en weerden zich dapper en behendig tegen het voortdringen van de Europeanen.Vooral in het aanleggen van versterkingen wisten zij zich meesters te toonen, en de Engelschen leden in menig geregeld gevecht de nederlaag. Tegenwoordig zijn ze in ’t bezit van dezelfde burgerrechten als de blanke kolonisten en vervullen allerlei betrekkingen. Ze zijn ook kiezers, zij, zoowel als hunne vrouwen, want in Nieuw-Zeeland is de vrouw, ook in politiek opzicht, met den man gelijkberechtigd, en ’t gebeurt wel, dat er meer vrouwen dan mannen bij de stembus verschijnen.De Maori’s, die ik in de straten zag, waren volkomen europeesch gekleed; alleen toonden de vrouwen eenzekere voorliefde voor groote, bonte omslagdoeken en waren somtijds aan de kin getatoeëerd. De gezichten waren intelligent en niet leelijk.Om het inwendige van het eiland te leeren kennen en vooral het zonderlinge, belangwekkende gebied der warme bronnen, maakte ik gebruik van den spoorweg Auckland-Rotorua. De tocht ging door bergachtig land; in de dalen weidden groote kudden, maar dat waren de eenige dieren, die ik te zien kreeg. Wilde viervoeters zijn ernietop Nieuw-Zeeland, evenmin als op de meeste andere Zuidzee-eilanden. Het geheele landschap krijgt iets karakteristieks door de veelvuldigheid der kleine hulstboompjes.Het stadje Rotorua is beroemd als badplaats, en zieken uit heel Australië, Oost-Azië en zelfs uit Europa gaan er heen. ’t Is het middelpunt van een groot district, onder welks dunnen bodem aanhoudend sterke vulkanische krachten werkzaam zijn en op vele plaatsen zich aan de oppervlakte merkbaar maken. Na van het station uit een half uur te hebben geloopen, liet ik de verspreid liggende huizen achter mij en kwam over een kleine rivier te Whakarewarewa, een grootere, alleen door Maori’s bewoonde plaats, zooals over ’t algemeen in deze voor hen heilige, vulkanische districten de Maori’s het meest voorkomen en nog het dichtst bij hun oorspronkelijken cultuurtoestand zijn gebleven.Mooie, lichtbruine meisjes boden zich als geleide aan, en vol vertrouwen liet ik mij door een kind met vriendelijke oogen brengen naar het machtsgebied der onderaardsche krachten. Dichtbij den ingang aan de brug lag reeds een plas, waarin het water vurig kookte en bruiste. Toen kwamen nog een aantal andere, grootere en kleinere vijvers, alle van meer of minder hooge temperatuur. Hier en daar speelde de jeugd, en oude Maori’s zag ik er hun pijpje rooken. Rondom de plassen lagen de huizen, kleine houten woningen met groot, laagafhangend dak, en fraai met snijwerk versierd. Vóór de ingangen stonden totems, hooge palen met de beeltenissen der voorvaderen van den huisheer erin gesneden.De ligging van het dorp is in zoover zeer gunstig, dat de bewoners het gemak vinden van een steeds gereed warm bad, en zorg voor brandstof is geheel bij hen uitgesloten, want als het koud wordt, schuift men het verplaatsbare houten huis eenvoudig naar een warmer plekje van den grond, en in den vollen zomer gaat men meer ter zijde.Om heet water te krijgen, behoeft men den grond slechts een klein eindje uit te graven, en ik heb zelf eieren gegeten, die in een eigengemaakte kuil gekookt waren.Iets verder dan Whakarewarewa lag een grooter meer, dat ten deele kookte en bruiste; maar het vreemdste waren de borrelende moerassen. Deze in een donker bosch gelegen, met riet bedekte moerassen, waaruit aanhoudend groote luchtbellen opstegen en met knappend geluid braken, leken wel helsche machines. Alleen de aanwezigheid der wondermooie Maorimeisjes hield mij van griezelen terug, en het werd mij daardoor eerst duidelijk, waarom men op dezen niet moeilijk te vinden weg geleide noodig heeft en wel jong, vrouwelijk geleide. Nadat ik ten gevolge van deze voortreffelijke inrichting weer Rotorua in goede gezondheid had bereikt, liet ik mij per rijtuig naar het Geyserhôtel brengen, dat op een half uur afstands, eenzaam, onmiddellijk bij de groote geysers is gelegen. Het was reeds donker, toen ik er aankwam; maar toch moest ik na een sober avondmaal weer naar buiten in de koude, om een der grootste geysers te zien, die slechts elke twintig uren éénmaal springt.In het maanlicht zag ik eerst niets anders vóór mij dan eenige rotsblokken om een gat in den grond. Plotseling echter begon het te bruisen; de aarde scheen te sidderen, één-, twee-, driemaal spoot iets wits, eerst een voet, dan een meter hoog uit de opening, en toen op eens ging met donderend geweld een breede waterzuil dicht vóór mij 150 voet hoog naar boven, door den wind uiteenspattend en aan de andere zijde neervallend. Eerst na eenige minuten zakte de straal weer langzaam en zonk weg in de diepte, en van het prachtig schouwspel bleef niets over dan een dof gerommel onder onze voeten.Hetzelfde schouwspel herhaalde zich den anderen morgen onder velerlei vormen, toen ik onder het nu al gewoon geworden geleide van een Maorimeisje ’t gebied der geysers doorwandelde. Daar zag ik ook de beroemde Waikiteterrassen, waarvan het grootste gedeelte door een aardbeving kort geleden werd verwoest, maar die nog altijd een merkwaardigen aanblik bieden. Het is een groot, in terrassen dalend veld, gevormd door afzettingen van kiezelzuur en dat naar den vorm op een sterk verdeelden, bevroren waterval, naar de substantie op blauw glanzend albast gelijkt.Rondom waren talrijke geysers. Eenige spoten elk kwartier en dan slechts kort; andere met tusschenpoozen van uren, en nog weer andere stoorden zich niet aan bepaalde termijnen. Voorzichtig naderde mijn geleidster de openingen altijd van den windkant; maar toch dook ik soms plotseling van schrik ineen, als onverwachts naast mij een kokende bron luid opspoot. Nooit echter zal ik den imposanten totaalindruk vergeten, toen ik van een hoogte de geheele streek overzag. De stoutste fantazie kan zich geen voorstelling maken van iets, dat meer gelijkt op middeleeuwsche afbeeldingen van de hel.Tusschen de met donker bosch bedekte bergen was ik aan alle kanten door zware wolken stoom omringd, vlak bij lag een kaal rotsgebied, links beneden vreemde, nooit te voren aanschouwde steenvormingen, die op schitterende watervallen geleken en vóór mij schuimden hoog de waterkolommen op, nu eens in dunne stralen met kleine tusschenpoozen spuitend, dan met gelijke en lang aangehouden kracht groote massa’s water omhoog slingerend, vele tegelijk soms aan alle kanten. Daarbij was de lucht vervuld van een dof gedreun, en onder de voeten was de grond niet vast en stevig.Ver achter mij zag ik in den vroegen morgen de verdwijnende kusten van het eiland Toetoeïla, waarop een amerikaansche stoomboot mij had afgezet en dat ik te middernacht met de kleine verbindingsbootKawanhad verlaten. Dicht vóór ons verrezen reeds de bergen van Oepoloe, het hoofdeiland van Samoa; en heel in de verte vertoonden zich de omtrekken van nog andere eilanden. De lucht was onbeschrijfelijk zacht en droeg in verkoelende vleugjesheerlijke geuren van het land tot ons over. Ik voelde voor het eerst, dat ik mij werkelijk in de Zuidzee bevond, waarover ik zoo dikwijls had gedroomd. De kleineKawanstampte en slingerde geweldig, trots de kalme zee, en de meeste van de ongeveer twintig passagiers waren zeeziek. Er waren veel zendelingen aan boord en eenige samoaansche vrouwen met haar kinderen, volkomen ingepakt in bonte doeken en voorloopig onzichtbaar.Dicht naast mij op de houten bank lag het hoofdje van een aankomend meisje, en ik kon de verzoeking niet weerstaan, voorzichtig een tip van den doek van haar gezichtje op te lichten. Daar trof mij uit de mooie oogen een zoo diep wanhopige blik, die van zoo innig lijden door de zeeziekte getuigde, dat ik den doek gauw weer liet vallen en wat met haar moeder bleef praten, een dikke, vriendelijke dame in een europeesche babyjurk, die uitstekend Engelsch sprak en geen last had van de algemeene kwaal.Intusschen waren wij het eiland genaderd, en ik zag het strand geheel bezet met hooge kokospalmen, dien echten boom der Stille Zuidzee. Lang voeren wij langs dichte palmenwouden, die ver landwaarts in gingen, en zelfs op de hoogten der bergen op den voorgrond teekenden de mooie kronen zich duidelijk af tegen den donkerblauwen hemel.Tegen den middag weken de bergen iets meer van de zee terug en wij bereikten de open reede van Apia. Achter een rif, met schuim bedekt, lagen eenige kleine zeilschepen voor anker en in de ondiepe zee dichtbij het strand zag ik een grooten scheepsromp op zij liggen, ’t wrak van deAdler, die vóór eenige jaren hier met een paar andere schepen in een taifoen is gestrand.Langs de kust lagen, vaak door palmen vanelkaârgescheiden, veel kleine europeesche huizen en op den achtergrond verrezen boschrijke heuvels. Al spoedig verschenen de duitsche dokter en de douane-inspecteur in witte uniformen bij ons aan boord en daarna was er niets meer, dat onze landing belette.De boot, waaraan ik mijzelven en mijn bagage toevertrouwde, werd door een gespierden reus geroeid, die alleen de gebruikelijke lawa-lawa, den heupdoek, droeg en mij in gebroken Duitsch vertelde, dat hij vroeger op de berlijnsche tentoonstelling tentoongesteld was geweest. Daarbij sprak hij met ingenomenheid over de Duitschers in het algemeen en over de vrouwelijke bevolking van Berlijn in het bijzonder en bood mij ten slotte zijn diensten aan voor het vervolg.Niet erg verrukt over dit door de cultuur gefatsoeneerde exemplaar van het samoaansche ras, zocht ik een onderkomen in het beste der drie hôtels van Apia, dat wel niet veel comfort aanbood, maar toch een kleine inrichting had voor het nemen van een bad in de zee. IJs was op heel Samoa niet te krijgen. Buiten mij was er nog één gast, eveneens plezierreiziger; het andere hôtel was geheel leêg. Veel menschen, die hier zaken doen, denken nog met weemoed aan de tijden, waarin Samoa nog den strijd der mogendheden om zijn bezit bijwoonde, toen er altijd veel oorlogschepen in de haven lagen, die drukte en geld in het land brachten. Nu is er alles stil geworden.In het centrum van de stad Apia ligt het regeeringsgebouw, en toen ik er den gouverneur opzocht, excerceerden juist de inlandsche troepen daar onder commando van een duitschen onderofficier. De bruine jongens zagen er lang niet slecht uit met hun witte jas en korte broek, met zijgeweer en karabijn; de beenen waren in den natuurstaat gelaten.Dorpsjonkvrouw op Faleoeloe.Dorpsjonkvrouw op Faleoeloe.De inboorlingen, die ik in de lange straat, waaruit Apia gevormd wordt, ontmoette, waren lang en flink gebouwd en hadden dikwijls een zeer aantrekkelijk uiterlijk. Van alle buiteneuropeesche volken komt, afgezien van dien der Hindoes, de gelaatsvormvan de Polynesiërs het meest met onzen smaak overeen. De mannen waren enkel met de lawa-lawa bekleed, droegen het haar steil omhoog en hadden het meestal roodachtig geverfd; zooals ik later hoorde, bleeken zij het met ongebluschte kalk.Alleen ’s avonds, als zij naar de kerk gingen, moesten ze volgens voorschrift een jasje dragen. De inboorlingen, die dwaas genoeg zijn, zich geregeld geheel in europeesche kleeding te steken, worden dikwijls ziek en teringachtig, vermoedelijk doordien zij er zich door verwennen en de kleêren aanhouden, als die doornat zijn geworden of ze onvoorzichtig en op ongelegen tijd uittrekken. De vrouwen droegen bijna alle een lang, ruim kleed met bloote armen. Zij waren evenals de mannen bijna altijd met bloemen getooid, hadden kransen in het donkere haar en lange, sterk geurende kransen om den hals en het middel. Veel Europeanen in Apia hebben samoaansche vrouwen, met wie zij zeer gelukkig schijnen te zijn. De kinderen uit zulke verbintenissen zijn vaak bijzonder mooi, worden vaak voor eenige jaren naar Europa gezonden om hun opvoeding te voltooien en brengen dan den vreemdeling in verrukking door haar lieftalligheid en de pikante tegenstellingen in haar wezen.Dorpsjonkvrouw van Sanapoe.Dorpsjonkvrouw van Sanapoe.De gezelschapskring van den gouverneur was maar klein, en eerst bij een picnic, dat eenige duitsche kooplieden ons, vreemdelingen, aanboden, werd een breeder kring samoaansche dames en kleurlingen uitgenoodigd. In talrijke rijtuigen reed men naar buiten, naar een in de schaduw van het woud gelegen waterval. Er kwamen daar ongeveer vijftig personen samen en het ging er vroolijk en ongedwongen toe. Vóór den maaltijd, die in de open lucht gebruikt werd, kregen we iets aardigs te zien. ’t Riviertje vormde onder aan den waterval een grooter bekken met kristalhelder water, waarnaast zich een steile rots verhief, wel 25 M. hoog. Van deze rots sprongen de dames, de eene na de andere, in licht badcostuum in het water, zich verfrisschend in het koele nat.De hitte was in het middaguur zeer groot; alle huizen waren tot vier uur gesloten en niemand was dan op straat te zien. Alleen de vroege morgenuren waren geschikt, de omliggende groote cacao- en palmenaanplantingen te bezoeken. Daarbij kon men echter met paard en rijtuig altijd slechts een paar mijlen ver de kust volgen; dan werden de wegen alleen bruikbaar voor voetgangers. Daarom kon ik ook mijn plan, om de andere deelen van het eiland te leeren kennen, enkel te voet volvoeren en ging in het meer landwaarts in gelegen dorp der inboorlingen geschikte menschen zoeken, die als gidsen en als dragers konden dienst doen.Mijn dragers met een knaap van de Salomonseilanden.Mijn dragers met een knaap van de Salomonseilanden.De samoaansche hutten gelijken op strooien bijenkorven, waarvan de rand op palen van een meter hoogte rust. De ruimte tusschen de palen laat den zeewind ongehinderd toe, en alleen bij regen wordt een sluiting aangebracht met gordijnen van boombast en palmbladeren. De vloer is gestampt en wordt belegd met vlakke, gladde steentjes, waarover gevlochten matten in verscheiden lagen een prettige vloerbedekking vormen.Spoedig vond ik daar wat ik zocht en besloot nu, eerst dwars door het oerwoud, dat het midden van het eiland inneemt, naar de tegenoverliggende kust te marscheeren en dan steeds langs de zee te gaan, waar bijna alle samoaansche dorpen aan grenzen.Vooraf bracht ik nog een bezoek bij den ouden “koning” Mataafa, om van hem een aanbevelend schrijven te vragen voor de andere hoofden, door wier provincies ik zou trekken. Daar ik hoorde,dat een rok of andere attributen van een feestkleedij door den ouden heer niet verlangd werden, stapte ik er in mijn gewoon wit linnen pak op uit naar Moelinoe, een smal schiereiland, dat de haven van Apia in ’t Westen afsluit en waar Mataafa met zijn trouwste aanhangers gevestigd is.De huizen van Moelinoe geleken in bouwtrant op alle andere samoaansche huizen; ze waren alleen wat sierlijker en grooter. Ik liet mijn kaartje naar den koning brengen, en in hoogsteigen persoon sloeg hij een der matgordijnen op zij, reikte mij de hand en wees mij als zitplaats een hoop fraaie matten.Hij droeg, als de andere Samoanen, niets dan de lawa-lawa om de heupen en leek precies op de portretten, die ik van hem had gezien. Door middel van een tolk, want Engelsch noch Duitsch spreekt Mataafa, liet ik hem een paar stevige vleierijen over zijn land en volk zeggen, waarmee hij blijkbaar in zijn schik was. Toen vroeg hij naar het doel en het verloop van mijn reis en sprak ervan ook eens in Duitschland te willen komen, als alles hier goed geregeld was.Hoofd van Amaile met zijn gemalin.Hoofd van Amaile met zijn gemalin.Zonder dat ik behoefde te vragen, riep hij zijn secretaris of minister en droeg hem op, een rondschrijven aan de onderhoofden voor mij op te stellen. Denzelfden dag nog werd het mij door een lid der inlandsche politie gebracht en, zooals ik bij de vertaling hoorde, liet het te mijner aanbeveling niets te wenschen over.Op den terugweg zag ik het hoofd Tamasese vóór zijn huis staan, en daar hij mij te gemoet kwam en de hand uitstrekte, kon ik het niet laten, ook bij hem binnen te gaan, om geen der historische grooten van Samoa aanstoot te geven.Den volgenden morgen toog ik met de zon op weg, om nog op denzelfden dag dwars door het oerwoud de zuidkust van Oepoloe te bereiken. Ik nam twee dragers mee, ieder met een bamboes over den schouder, aan welker uiteinden in matten korfjes mijn geringe bagage geborgen was, alleen bestaande uit linnengoed en kleêren, wat goedkoope sieraden en speelgoed, bestemd voor geschenken aan de inboorlingen.Eén van de dragers was een forsche, zeer braaf er uitziende man, die geen europeesche taal kon spreken, de andere een handig, snugger jongetje, die in een zendelingeninrichting was opgevoed en het voor doelmatig hield, dit door een veelvuldig gebruik van bijbelteksten en andere blijken zijner vrome gezindheid te laten zien. Alle Samoanen laten zich hun werk zeer goed betalen, als zij het een of ander op zich nemen; maar de Samoaan heeft heel weinig behoeften; kleeding, woning en verwarming kosten bijna niets, vruchten en visch ook niets, en als er werkelijk eens aan iets behoefte is, dan logeert hij, zoolang hij wil, bij den een of anderen bloedverwant, die hem te allen tijde moet herbergen en onderhouden. Wil hij ten slotte europeesche dingen koopen, dan ruilt hij ze tegen copra, die hij met heel weinig moeite zich kan verschaffen van de geërfde kokospalmen. Werkt hij dus bij geval, dan verlangt hij evenveel loon als een europeesch arbeider, dat is tienmaal meer dan een Hindoe of Chinees, en men heeft daarom sedert eenigen tijd inboorlingen van de Salomonseilanden en de Nieuwe Hebriden op Samoa als goedkoope arbeidskrachten ingevoerd, tot groote ergernis natuurlijk van de Samoanen, die mij een massa griezelige menschenetersgeschiedenissen uit het jongst verleden van deze onschuldige luidjes opdischten.
Stadspoort van Seoel.Stadspoort van Seoel.
Stadspoort van Seoel.
Na korten tijd van wachten stoomde een kleine sloep op ons toe, om ons, passagiers, aan wal te brengen; maar eerst na een uur waren we zoo dicht bij de grijze, nevelige kust gekomen, dat we de lage, lange Takoeforten konden zien. Toen we daarna echter in de gele Peiho voeren, werd het tooneel dadelijk levendig. De forten aan beide zijden van den stroom met hun vele litteekens van kogels en de groote kanonnen waren met de vlaggen der verschillende volken bezet; met soldaten dicht gevulde booten werkten zich langzaam tegen de rivier op, en onder strenge contrôle passeerden wij een aantal mooie kanonneerbooten, waaronder vooral de japansche en amerikaansche door hun groote schepraderen in ’t oog vielen.
Langs de kale oevers zagen wij kleine troepen indische ruiters en eindelijk hadden wij de schoorsteenen en groote loodsen van Togkoe vóór ons. De geheele rivier lag hier vol met kleine stoombooten en groote jonken en andere booten, waarop in reuzengroote letters de mooiste duitsche en fransche namen prijkten.
Aan den oever was een druk gewoel van allerlei menschen in allerlei kleeding. Het tooneel won niet weinig in levendigheid, doordat niet alleen elk huisje maar ook elke hout- en steenkolenhoop vlagjes en wimpeltjes droeg met de kleuren van een europeesche natie.
Bemanning van mijn chineesche boot.Bemanning van mijn chineesche boot.
Bemanning van mijn chineesche boot.
Met moeite drongen wij door de straten, waarin we ook europeesche dames, vooral Russinnen, zagen, en kwamen zoo aan het station, waar het gewoel bijna nog grooter was, maar toch een voornamer stempel droeg, daar de imposante, indische politieagenten streng de Chineezen en de gemeene soldaten weerden. Toen ik uit het venster van mijn coupé kalm het plein vóór het stationsgebouw overzag, aanschouwde ik een wijde zee van alle mogelijke hoofddeksels; de breede vilten hoeden van de Amerikanen; de bepluimde hoeden van de bersaglieri; de tulbanden der Indiërs en helmen en mutsen van allerlei soort, van de kleine der Engelschen tot de groote der Russen. Welk een verschil tusschen de elegante, krijgshaftige figuren van de russische officieren en de koreaansche troepen, die ik het laatst had gezien.
De spoorwegwaggons geleken op onze derde klasse, en de dienst werd waargenomen door engelsche soldaten, die de ambtenaren en officieren met vrije reisgelegenheid, en dat hadden ze bijna allen, hun namen ineen boek lieten opschrijven. De Chineezen werden in open veewagens opeengehoopt getransporteerd.
Na twee uur rijdens door een eenzame, zandige streek, langs veel ruïnen van dorpen, kwamen statige europeesche huizen en torens in het zicht, en wij bereikten het station van de millioenenstad Tientsin.
In vluggen draf trokken mij riksjakoelies over de pontonbrug der Peiho naar de europeesche wijk, die veel grooter is, dan ik had verwacht. Zij alleen is zoo groot als een flinke europeesche stad en de scheiding der verschillende naties is er veel strenger doorgevoerd dan te Sjanghaï.
Door een statige allee langs de rivier en door nette straten vol soldaten, ruiters, voorname équipages en militaire wagens van allerlei soort kwam ik eindelijk in het zeer deftige Astorhouse Hôtel. Hier kwam ’s avonds de voorname wereld voor het dîner bijeen, en men zat er ’s namiddags als in een groote europeesche stad bij een concert op het open hôtelterras en liet het bonte verkeer der promenade voorbijgaan.
Gezicht op de hoofdstad van Korea.Gezicht op de hoofdstad van Korea.
Gezicht op de hoofdstad van Korea.
Hoe kort het nog geleden was, dat deze geheele vergenoegde kolonie zich in groot gevaar bevond, kwam mij te binnen, toen ik de europeesche wijk aan den franschen kant verliet. Daar, aan het begin der chineesche stad zag ik niets dan een uitgestrekt nog niet geruimd veld van ruïnen, overblijfselen van verbrande en stukgeschoten huizen. Moeilijk viel het, zich er een weg doorheen te banen.
Op de hoeken der straten in de verdere chineesche stad stonden chineesche en indische politieagenten, die den Europeaan beleefd salueerden. Aan het beroemde Keizerskanaal gekomen, zag ik het dicht bezet met schepen en huisbooten. Het is ook inderdaad een veel gemakkelijker weg dan de ellendige, chineesche wegen, waarop bij uitstapjes in den omtrek mijn paard vaak tot de knieën wegzonk in ’t moeras. Proviand- en waterwagens van de vreemde soldaten zaten dikwijls vast in de modder en hadden dan het recht, voorbijkomende Chineezen aan te roepen, om hulp te bieden.
Op een morgen zag ik de geheele wereld door een dofgelen sluier, en op straat kon men geen vijf pas van zich af zien, terwijl oogen, neus en ooren dadelijk vol fijn zand zaten. Er was een van die beruchte zandstormen uitgebroken, die vaak dagen lang duren, en ik besloot een poging te wagen, eraan te ontkomen door naar Peking te vertrekken. Dat hielp echter niet veel, want het zand drong door de spleten der ellendige waggons en maakte ons met de gloeiende hitte de reis zeer lastig. Bovendien was een andere trein door de zandbergen, die op de rails lagen, ontspoord en van een brug gestort, zoodat wij op deongeluksplaatseen eind te voet door het zand moesten afleggen en zelf de bagage moesten meesleepen.
Eerst tegen den avond kwamen we met verscheiden uren vertraging te Peking aan.
Weldra reed ik, door vlugge koelies getrokken, door de massieve, diepe poort van den tweeden muur, nog hooger en breeder dan de eerste, waar de spoorweg ons doorheen had gebracht. Toen eerst was men in de eigenlijke stad. De straat was zeer breed in tegenstelling met de steden van Zuid-China, maar zoo vol kuilen en gaten, dat ik dikwijls ellenhoog opgewipt werd. Een menigte kleine, zware, met paarden bespannen karren ging ons voorbij, een lange trein kameelen dwong ons tot uitwijken, en menigmaal had er een botsing plaats met het vuile straatpubliek, dat druk zich bewoog tusschen de veelal open huizen.
Europeesche soldaten zag ik in de menigte in ’t geheel niet; aan hun tegenwoordigheid herinnerden echter eenige cantines, die er zonderling uitzagentusschen de met papieren vlaggen versierde huizen, waarin men de gestaarte handwerkslieden, kooplui en koks bezig zag.
Toen verhief zich weer vóór ons een reusachtige muur en door de donkere poort gaande, kwamen wij in de Tartarenstad, waar wij dadelijk rechts de straat van de gezantschappen insloegen.
Alles lag hier nog in puin, evenals in de chineesche stad in Tientsin; maar de verwoesting was hier nog veel vollediger. Vroeger echter kan deze smalle straat ook niet imposant geweest zijn; van de weer opgebouwde gezantschappen ziet men alleen de muren; de hoofdgebouwen liggen in de tuinen, verder van de straat af.
Voor toeristen was de Keizerstad natuurlijk het belangrijkste. Door een groote poort komt men op een ruim voorplein, zoo uitgestrekt, dat wij eerst na vijf minuten lustig dravens de tegenoverliggende poort bereikten, die de laatste afsluiting is van de Keizerstad. De vele goed onderhouden muren, die meer binnenwaarts al kolossaler worden, geven een goed denkbeeld van de afgeslotenheid der chineesche regeering en van den aard van het geheele volk.
Rechtuit heeft men dan in de Keizerstad de weer door muren omsloten Verboden stad, waarin evenwijdig achter elkander, door op zij gesloten pleinen van elkander gescheiden, de zes hallen liggen, aan de voorvaderen des keizers gewijd. Het gewoonlijk door het hof bewoonde deel der stad, het winterpaleis, ligt ten westen daarvan aan den oever van eenige groote vijvers, over een waarvan een lange marmeren brug geleidt, en bestaat uit talrijke hallen en paviljoens, die tusschen de groene lanen van een uitgestrekt park liggen.
Hier had generaal Waldersee zich met zijn staf en de troepen ingekwartierd, en bij het oneerbiedig huishouden van onze soldaten in de heilige zalen van den Zoon des Hemels zullen zich de voorvaderen wel in hun graven hebben omgekeerd. Een rit naar het keizerlijke zomerpaleis leidde mij door de lange Kettelerstraat, de hoofdstraat van Peking, met mooie, van snijwerk voorziene gevels. Er waren bijna niet anders dan arme Chineezen op straat te zien; de voor Sjanghaï en Canton zoo karakteristieke optochten van voorname Chineezen met dozijnen volgers, die lantaarns en vaandels en titellijsten enz. dragen, en leelijke tamtammuziek doen hooren, ontbraken hier geheel.
De aristocratie bleef tijdens de bezetting van Peking meestal in haar huizen, voor zoo ver zij niet met den keizer gevlucht was. In ’t beeld der stratendrukte werd zij vervangen door in Zuid-China onbekende kameelenkaravanen, die uit de woestijnen van Midden-Azië en Mongolië komen, en welker vreemde drijvers trots de hitte in dikke pelzen gehuld waren.
Na een uur bereikten wij den in ’t Noorden van de Keizerstad gelegen Kolenheuvel, ’t centrum der Tartarenstad, van welks top, bedekt met ruïnen, ik een prachtig overzicht van Peking nemen kon.
Dicht vóór mij lag de Verboden stad met haar gele daken, en buiten aan den horizon der wijde huizenzee verrezen aan alle kanten de donkere kolossale buitenpoorten. Naar het Noorden en het Westen werd het land bergachtig. Die richting sloegen wij in en bereikten door het noordelijkste, armoedigste deel der tartarenstad, waar men niets bespeurt van de vlaggen en lantarens der Chineezenstad, den buitensten muur. Daarachter begon de Keizerstraat, de mooiste weg uit China, die uren aaneen met zware, marmeren platen is geplaveid, langs statige tempels voert en merkwaardig zindelijk wordt gehouden.
Het land werd groen; er vertoonden zich al meer loofboomen, en na eenige uren dook in de verte een met bosch bedekte heuvelketen op, waarin wij tallooze opgewipte daken onderscheidden en eenige pagoden van veel verdiepingen; een uiterst weldadige aanblik na het vuile, lawaaiige Peking.
Deze wijk van paleizen was door Italianen bezet, bij wie ik vriendelijk werd ontvangen. Bij den ingang stonden twee geweldige bronzen leeuwen, die waarschijnlijk te zwaar waren geweest, om te worden meegenomen, want alles was zoowat leeggeplunderd. Aan den voet der heuvels lag een groot meer, omgeven door een marmeren balustrade en door mooie wandelgalerijen. Enkele paviljoens waren in den vorm van schepen in het meer uitgebouwd, en in een haventje lagen nog de galabooten, die het hof voor pleiziertochtjes had gebruikt. De tegenoverliggende oever was afgesloten met een rij hooge boomen.
Tegen de heuvels op was een prachtig park aangelegd, en honderden sierlijke huisjes met geelroode, schitterende pannen stonden er verspreid om het terrasvormig aangelegde hoofdgebouw. Het groote meer werkte aangenaam verkoelend op de temperatuur, en de in China schaarsche donkere schaduw van het woud verhoogde het behagelijke van de plaats.
Van een der torentjes op de hoogte van de heuvels overzag ik den geheelen parkaanleg met de paleizen, alles een sterke tegenstelling vormend met de donkere, neerdrukkende hoofdstad, welker reuzenmuur men in de verte kon zien. Beneden lag het meer in zijn marmeren omlijsting, rondom mij heen suisde het in de kruinen van de boomen, die zich welfden over de mooie gebogen lijnen van de bonte daken, met draken als waterspuwers. Daartusschen klonken de tonen van de door den wind bewogen klokjes der pagoden, juist als wij het als kinderen in de sprookjesboeken lazen.
Toen ik naar beneden daalde, vond ik in het binnenste van een toren eenige Japanners bezig een laatste, tot nu tot vergeten bronzen kandelaber los te schroeven.
Den dag, waarop wij in Australië zouden landen, had een beambte veel te bespreken met de zich aan boord bevindende zonen van het Hemelsche Rijk, en wij overige passagiers stelden er veel belang in. De invoer van Chineezen is namelijk in Australië enkel mogelijk tegen betaling van vrij hooge sommen, terwijl Chineezen, die reeds eenmaal in Australië zijn geweest, er zonder nadere betaling kunnen terugkeeren. Alleen moeten zij hunne identiteit bewijzen, opdat niet dezelfde pas van toelating van hand tot hand zal gaan, nadat er een Chinees in Australië genoeg heeft verdiend en naar China teruggekeerd is.
Daarom is er van staatswege een portret van den bezitter bij den pas gevoegd, en onze beambte moest nu nagaan, of de photografieën met de eigenaars overeenkwamen, want het is dikwijls genoeg gebeurd, dat geheele familiën, het eene lid na het andere op denzelfden pas in Australië zijn toegelaten.
Zooals de herder de afzonderlijke gezichten van zijn schapen, zoo leert ook de vreemdeling in China de gezichten van de gele heeren onderscheiden, die in ’t begin allen precies op elkaâr schijnen te gelijken; maar naar slechte, oude portretten zoo mogelijk bloedverwanten van het gele ras uit elkaâr te houden, was ons allen te zamen vaak niet mogelijk, en wij stelden vast, dat het voor de australische regeering geraden zou zijn, liever het Bertillonsche meetsysteem of iets dergelijks toe te passen.
Met die belangrijke bespiegelingen waren wij nog bezig, toen het schip onverwachts in een smalle baai tusschen de hooge rotsen aan de kust binnendrong en wij ons al spoedig in Port Jackson bevonden, de beroemde haven van Sydney, die de vloten der geheele wereld zou kunnen bevatten en zoo begunstigd is door de natuur, dat er slechts zeer geringe havenwerken noodig waren, om het den grootsten schepen mogelijk te maken, direct aan den wal aan te leggen.
De geheele baai gelijkt op een fjord; maar de oevers rijzen niet steil omhoog, maar zwellen zachtjes aan tot lage bergen en zijn tot aan den waterspiegel met bosch bedekt. Maar juist als daar vertakt de baai zich in vele zijarmen, en overal kijken uit het groen de witte huizen en torentjes. Langzamerhand volgen op de voorsteden, waar die huizen bij behooren, de gebouwen van de eigenlijke stad, die ook rondom deelen van de baai is gelegen en voor een deel de hoogten bedekt. Overal voeren stoombooten en zeilschepen; veel oorlogschepen lagen er voor anker naast allerlei groote en kleine vaartuigen.
Spoedig was ik aan wal gegaan en rolde in een engelsche cab met gummibanden om de wielen, over de geasphalteerde straten met volkomen europeesche drukte naar een mooi hôtel, met ’t aangename bewustzijn, na een jaar uit Europa afwezig te zijn geweest, hier voor de eerste maal een beschavingsoase in de buiten-europeesche landen te hebben bereikt en over alle genietingen van een europeesche hoofdstad weer te kunnen beschikken.
Met een zekere ontroering zag ik de witkielen aan, de krantenjongens en de droschkenkoetsiers, want die groepen ontmoet men nooit in de steden van Oost- en Zuid-Azië; zij zijn de ware vertegenwoordigers der beschaving van te huis!
Door kennismaking met personen op de stoomboot had ik ook eenige voeling met gezelschapskringen in Sydney, waar men voor den vreemdeling zeer innemend is. De omgang is ongedwongen en prettig. Een groote rol speelt in ’t leven van de menschen de haven met haar verschillende bochten. Dikwijls worden pics-nics gegeven en in zeilbooten gaat men naar geliefde hoekjes van de baai en amuseert er zich in de vrije natuur of probeert eens, een haai te vangen, ’t geen een verdienstelijk werk is, daar er nog altijd vele in de haven leven.
’s Namiddags ontmoet men elkaâr bij het concert in den Botanischen Tuin, die een der mooiste inrichtingen van dien aard is en zich midden in de stad een eind langs de zee uitstrekt. De Zondagen zijn gruwelijk vervelend; geen comedie is er; de electrische tram rijdt niet en in ’t hôtel kan men zelfs geen warm eten krijgen! De arbeiders werken hier elken dag slechts acht uren en ’s Woensdags is ook nog van twaalf uur af een vrije dag.
De schouwburgen kwamen mij nietfirst ratevoor, ofschoon ik het gunstigste jaargetijde daarvoor trof, want ik kwam in Juni, dus midden in den winter van het zuidelijk halfrond aan. De dames uit deftige kringen bezochten de schouwburgen zelden; haar ontmoette men eerder ’s avonds in een der prachtige banketbakkerswinkels of in sommige restauraties bij afternoon-tea.
Het amuseerde mij altijd, den onderlingen naijver te bemerken tusschen de menschen van Sydney en van Melbourne. Reeds op de stoomboot van Manilla naar Sydney had ik toevallig aan tafel mijn plaats tusschen een heer uit Melbourne en een uit Sydney, en ik scheen beider vertrouwen te hebben gewonnen, want zij vertelden mij bij beurten kwaads over hun wederzijdsche staten en personen.
Victoria scheidde zich namelijk van Nieuw Zuid Wales af uit vrees, dat het als rijkste provincie te veel in de schatkist zou moeten storten, en Sydney heeft dat nooit vergeten, vooral omdat het de oude moederstad is, terwijl Melbourne, eerst vijftig jaren oud, moderner en beter gebouwd is en zich daarom ver verheven acht boven het ouderwetsche, reeds meer dan honderd jaren oude Sydney. Thans was de verhouding bijzonder gespannen, omdat beide steden hoofdstad wenschten te worden van de australische federatie. De vijandschap ging vroeger zoo ver, dat reizigers, die de slaapwaggons van de lijn Sydney-Melbourne gebruikten, midden in den nacht werden gewekt en uitstappen moesten, daar de elkaâr vijandige staten geen vreemde wagens over de grens lieten komen.
Elken morgen bijna reed ik uit mijn aardig hôtel op de hoogten van Darlinghorst aan de Wooloomooloobaai per fiets naar het tien mijlen zuidelijk gelegen dorp La Pérouse, waar ik afstammelingen aantrof van de oude oerbewoners der landstreek, door de regeering hier geplaatst, bij wie ik ijverig les nam in het werpen met den boemerang.
Dit eigenaardig wapen hebben de inboorlingen van Nieuw-Holland uitgevonden, en nergens anders op de wereld is het in gebruik. Het vormt met den kangoeroe en het merkwaardig vogelbekdier een der typische eigenaardigheden van Australië. Het smalle, vlakke, hoekig gebogen stuk hout is in alle drie afmetingen gekromd, en men vervaardigt het, door het vochtige hout met geweld te draaien en bij het vuur te harden. Vooruit geworpen, slingert het om zichzelf, wordt ten gevolge der krommingen bij elke draaiing door den tegenstand der lucht een weinig uit zijn koers gebracht en keert eindelijk in een wijden boog tot den slingeraar terug. De inboorlingen kunnen het meestal behendig in de lucht grijpen. Zeer ver en juist kan men werpen tegen een lichten wind in, daar dan de boemerang als een vlieger door den luchtstroom wordt gedragen. Ondanks de lichtheid ontwikkelt het hout door de snelle draaiende beweging bij het treffen tegen een of ander voorwerp een kracht van beteekenis; zoo zag ik vrij dikke takken af knikken door het scherpkantige werphout, en ik geloof wel, dat men met den zwaren oorlogsboemerang, die echter alleen rechtuit kan worden geslingerd, een mensch den schedel kan verpletteren.Met hun breede neuzen en grove trekken maken de inboorlingen geen aangenamen indruk.
De meest gewilde verdere uitstapjes hebben plaats naar de Blauwe Bergen van Nieuw Zuid Wales, die men bereikt door een spoorwegrit van eenige uren naar het Westen. Er is daar dicht bosch en men wordt er aan het Thüringerwoud herinnerd, doch zonder de vele bewoners. Ik had eerst plan, de streek per fiets te bereizen, maar bleef na korten tijd reeds steken in de sneeuw en verdwaalde buiten dien, daar de weg niet te herkennen was, omdat er niemand langs was gegaan, sedert de sneeuw gevallen was. Den geheelen namiddag en een deel van den avond marscheerde ik in ééne richting verder, steeds met mijn wiel aan de hand, zonder een mensch of een huis aan te treffen. Des te meer wild zag ik, toen de maan was opgekomen, en ik was verbaasd over de groote menigte kangoeroe’s, die ik opjaagde. Reeds ’s namiddags kruisten velen mijn weg, en het maakte een allergrappigsten indruk te zien, hoe de groote dieren met de kleine kopjes het eene achter het andere aan in lichte en toch verre sprongen voortijlden, daarbij de lange staarten op en neer bewegend.
Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.
Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.
Toen ik reeds had besloten om maar vuur te maken en mij voor een kampeering in te richten, bereikte ik ten slotte nog een gehucht, waar ik door vriendelijke menschen gastvrij werd opgenomen.
Lang zat ik met den heer des huizes, een schapenfokker, onder een glas grog aan den vlammenden haard, en hij haalde zijn herinneringen op aan den goeden ouden tijd in Australië, toen men nog eens kon vechten met ontvluchte galeiboeven en wilde inboorlingen. Het is opmerkelijk, hoe snel zich in dit werelddeel de dieren en planten vermenigvuldigen, die er ingevoerd zijn. De schapen bijvoorbeeld, die nu den grootsten rijkdom van Australië uitmaken; dan de musschen, die een liefhebber onnoodigerwijze heeft ingevoerd; de distel en vooral de konijnen, die nu zooveel schade aanrichten, dat de regeering een hoogen prijs gesteld heeft op het vinden van een afdoend verdelgingsmiddel. Zooals mijn gastheer vertelde, kan men zich voorloopig niet anders redden dan door heele terreinen met een stevig draadvlechtwerk te omheinen, dat zoo diep in den grond is aangebracht, als de konijnen hun holen graven.
Op een drijfjacht den volgenden dag schoten wij, behalve eenige kangoeroe’s, ook twee buideldieren.
Men houdt er echter in Australië meer van, de kangoeroe’s te paard met speciaal daarop afgerichte honden te jagen, waarbij dan vele honden bezwijken onder de scherpe klauwen der vervolgde dieren. De soep van kangoeroestaart was uitstekend; maar over ’t algemeen houdt men niet veel van het vleesch, en alleen voor het vel is een goede prijs te bedingen.
Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.
Kijkje in den Botanischen Tuin in Sydney.
Door de ervaring wijzer geworden, zette ik mijn reis te paard voort, om de beroemde Jenolangrotten te bezoeken, groote, mijlenlange druipsteenholen met prachtige kalkvormingen, het mooiste wellicht, dat men van dien aard te zien kan krijgen.
Er was daarbij een idyllisch mooi gelegen, geriefelijk hôtel, maar ondanks de drukke passage zag men hier eveneens op elke wandeling kangoeroe’s langs de rotsen klauteren.
Weldra verlangde ik intusschen weder naar de groote stad, vooral omdat ik Australië spoedig dacht te verlaten.
Op de laatste dagen van mijn verblijf te Sydney deed ik veel pogingen, om een zeilschip te vinden, dat bij zooveel mogelijk Zuidzee-eilanden moest aanleggen, want de ware poëzie der Stille Zuidzee en haar eilanden meende ik alleen per zeilschip te zullen genieten. Maar al mijn zoeken liep op niets uit.
De weinige zeilschepen, die er waren, gingen òf rechtstreeks naar Zuid-Amerika òf naar de eene of andere afgelegen eilandengroep en terug, zoodat ik daar dan een halfjaar of mogelijk wel een jaar zou hebben moeten wachten, tot er eens toevallig een ander schip langs kwam. En zoo besloot ik dan, voorloopig tot Nieuw-Zeeland de gewone poststoomboot te nemen, die den volgenden dag in zee zou gaan.
De vaart naar Auckland op het Noordeiland van Nieuw-Zeeland, die op vier dagen beslag zou leggen, eischte zeven dagen voor zich en was zoo stormachtig, als ik nog nooit iets had meegemaakt. Warme spijzen konden eenige dagen lang in ’t geheel niet klaargemaakt worden, alles wat niet zeer zorgvuldig was vastgesjord, rolde door elkaâr en bracht den niet uitkijkenden passagier builen en schrammen toe. In ’t bed moest men zich laten vastbinden, als men niet telkens weer eruit geslingerd wilde worden, en in den salon stond het water bijna een voet hoog, als een bijzonder hooge stortzee een der deuren naar het dek had opengerukt.
De Wakiteterrassen bij Rotorua.De Wakiteterrassen bij Rotorua.
De Wakiteterrassen bij Rotorua.
De meeste passagiers waren verheugd, toen ze in de haven van Auckland weer in de frissche lucht op dek konden komen. Boven hadden de golven ook niet zonder resultaat gewerkt; twee booten waren weggeslagen, en alle mogelijke andere dingen, die buiten den rand van het dek uitstaken, waren weggevaagd.
De eerste blik op Auckland imponeert niet. De stad lijkt een engelsche havenstad van middelbare grootte, en ofschoon de reiziger van te voren weet, dat hij in een stad komt, waar bijna alleen Europeanen wonen en die modern is gebouwd, toch zal hij altijd weer een teleurstelling gevoelen, omdat het eerste Zuidzee-eiland, dat hij betreedt, zoo weinig heeft van die eigenaardigheden, die hij met het begrip Zuidzee-eiland verbindt.
Het deel der kust, waar de stad is gelegen, verheft zich nog al hoog, en van de hoogte, heeft men een ruim uitzicht over de zee, alsook naar de andere zijde, naar het vriendelijke, boschrijke binnenland, waar zich talrijke uitgebrande vulkanen verheffen.
Hoog in de hoogte staat het Museum, waar men, behalve de beenderen van den uitgestorven reuzenvogel Moa, de vele gereedschappen en werkstukken van de oude bewoners, de Maori, vinden kan. Interessant zijn de lange booten voor oorlogsgebruik, waarin vijftig en meer roeiers achter elkaâr kunnen zitten. De Maori’s zijn het eenige volk der Stille Zuidzee, dat bij het binnendringen van de europeesche beschaving reeds op zoo hoogen trap stond, dat het in staat was, zich daarnaar te schikken en er niet door te gronde ging. Er zijn nog meer dan 40 000 Maori’s, die ’t meest op het Noordeiland leven, en hun aantal neemt zelfs in de laatste jaren toe. Hun vermindering was een gevolg van de bloedige oorlogen, die enkele tientallen jaren geleden op het eiland woedden, want de Maori’s hadden zich snel aan het gebruik van vuurwapenen gewend en weerden zich dapper en behendig tegen het voortdringen van de Europeanen.
Vooral in het aanleggen van versterkingen wisten zij zich meesters te toonen, en de Engelschen leden in menig geregeld gevecht de nederlaag. Tegenwoordig zijn ze in ’t bezit van dezelfde burgerrechten als de blanke kolonisten en vervullen allerlei betrekkingen. Ze zijn ook kiezers, zij, zoowel als hunne vrouwen, want in Nieuw-Zeeland is de vrouw, ook in politiek opzicht, met den man gelijkberechtigd, en ’t gebeurt wel, dat er meer vrouwen dan mannen bij de stembus verschijnen.
De Maori’s, die ik in de straten zag, waren volkomen europeesch gekleed; alleen toonden de vrouwen eenzekere voorliefde voor groote, bonte omslagdoeken en waren somtijds aan de kin getatoeëerd. De gezichten waren intelligent en niet leelijk.
Om het inwendige van het eiland te leeren kennen en vooral het zonderlinge, belangwekkende gebied der warme bronnen, maakte ik gebruik van den spoorweg Auckland-Rotorua. De tocht ging door bergachtig land; in de dalen weidden groote kudden, maar dat waren de eenige dieren, die ik te zien kreeg. Wilde viervoeters zijn ernietop Nieuw-Zeeland, evenmin als op de meeste andere Zuidzee-eilanden. Het geheele landschap krijgt iets karakteristieks door de veelvuldigheid der kleine hulstboompjes.
Het stadje Rotorua is beroemd als badplaats, en zieken uit heel Australië, Oost-Azië en zelfs uit Europa gaan er heen. ’t Is het middelpunt van een groot district, onder welks dunnen bodem aanhoudend sterke vulkanische krachten werkzaam zijn en op vele plaatsen zich aan de oppervlakte merkbaar maken. Na van het station uit een half uur te hebben geloopen, liet ik de verspreid liggende huizen achter mij en kwam over een kleine rivier te Whakarewarewa, een grootere, alleen door Maori’s bewoonde plaats, zooals over ’t algemeen in deze voor hen heilige, vulkanische districten de Maori’s het meest voorkomen en nog het dichtst bij hun oorspronkelijken cultuurtoestand zijn gebleven.
Mooie, lichtbruine meisjes boden zich als geleide aan, en vol vertrouwen liet ik mij door een kind met vriendelijke oogen brengen naar het machtsgebied der onderaardsche krachten. Dichtbij den ingang aan de brug lag reeds een plas, waarin het water vurig kookte en bruiste. Toen kwamen nog een aantal andere, grootere en kleinere vijvers, alle van meer of minder hooge temperatuur. Hier en daar speelde de jeugd, en oude Maori’s zag ik er hun pijpje rooken. Rondom de plassen lagen de huizen, kleine houten woningen met groot, laagafhangend dak, en fraai met snijwerk versierd. Vóór de ingangen stonden totems, hooge palen met de beeltenissen der voorvaderen van den huisheer erin gesneden.
De ligging van het dorp is in zoover zeer gunstig, dat de bewoners het gemak vinden van een steeds gereed warm bad, en zorg voor brandstof is geheel bij hen uitgesloten, want als het koud wordt, schuift men het verplaatsbare houten huis eenvoudig naar een warmer plekje van den grond, en in den vollen zomer gaat men meer ter zijde.
Om heet water te krijgen, behoeft men den grond slechts een klein eindje uit te graven, en ik heb zelf eieren gegeten, die in een eigengemaakte kuil gekookt waren.
Iets verder dan Whakarewarewa lag een grooter meer, dat ten deele kookte en bruiste; maar het vreemdste waren de borrelende moerassen. Deze in een donker bosch gelegen, met riet bedekte moerassen, waaruit aanhoudend groote luchtbellen opstegen en met knappend geluid braken, leken wel helsche machines. Alleen de aanwezigheid der wondermooie Maorimeisjes hield mij van griezelen terug, en het werd mij daardoor eerst duidelijk, waarom men op dezen niet moeilijk te vinden weg geleide noodig heeft en wel jong, vrouwelijk geleide. Nadat ik ten gevolge van deze voortreffelijke inrichting weer Rotorua in goede gezondheid had bereikt, liet ik mij per rijtuig naar het Geyserhôtel brengen, dat op een half uur afstands, eenzaam, onmiddellijk bij de groote geysers is gelegen. Het was reeds donker, toen ik er aankwam; maar toch moest ik na een sober avondmaal weer naar buiten in de koude, om een der grootste geysers te zien, die slechts elke twintig uren éénmaal springt.
In het maanlicht zag ik eerst niets anders vóór mij dan eenige rotsblokken om een gat in den grond. Plotseling echter begon het te bruisen; de aarde scheen te sidderen, één-, twee-, driemaal spoot iets wits, eerst een voet, dan een meter hoog uit de opening, en toen op eens ging met donderend geweld een breede waterzuil dicht vóór mij 150 voet hoog naar boven, door den wind uiteenspattend en aan de andere zijde neervallend. Eerst na eenige minuten zakte de straal weer langzaam en zonk weg in de diepte, en van het prachtig schouwspel bleef niets over dan een dof gerommel onder onze voeten.
Hetzelfde schouwspel herhaalde zich den anderen morgen onder velerlei vormen, toen ik onder het nu al gewoon geworden geleide van een Maorimeisje ’t gebied der geysers doorwandelde. Daar zag ik ook de beroemde Waikiteterrassen, waarvan het grootste gedeelte door een aardbeving kort geleden werd verwoest, maar die nog altijd een merkwaardigen aanblik bieden. Het is een groot, in terrassen dalend veld, gevormd door afzettingen van kiezelzuur en dat naar den vorm op een sterk verdeelden, bevroren waterval, naar de substantie op blauw glanzend albast gelijkt.
Rondom waren talrijke geysers. Eenige spoten elk kwartier en dan slechts kort; andere met tusschenpoozen van uren, en nog weer andere stoorden zich niet aan bepaalde termijnen. Voorzichtig naderde mijn geleidster de openingen altijd van den windkant; maar toch dook ik soms plotseling van schrik ineen, als onverwachts naast mij een kokende bron luid opspoot. Nooit echter zal ik den imposanten totaalindruk vergeten, toen ik van een hoogte de geheele streek overzag. De stoutste fantazie kan zich geen voorstelling maken van iets, dat meer gelijkt op middeleeuwsche afbeeldingen van de hel.
Tusschen de met donker bosch bedekte bergen was ik aan alle kanten door zware wolken stoom omringd, vlak bij lag een kaal rotsgebied, links beneden vreemde, nooit te voren aanschouwde steenvormingen, die op schitterende watervallen geleken en vóór mij schuimden hoog de waterkolommen op, nu eens in dunne stralen met kleine tusschenpoozen spuitend, dan met gelijke en lang aangehouden kracht groote massa’s water omhoog slingerend, vele tegelijk soms aan alle kanten. Daarbij was de lucht vervuld van een dof gedreun, en onder de voeten was de grond niet vast en stevig.
Ver achter mij zag ik in den vroegen morgen de verdwijnende kusten van het eiland Toetoeïla, waarop een amerikaansche stoomboot mij had afgezet en dat ik te middernacht met de kleine verbindingsbootKawanhad verlaten. Dicht vóór ons verrezen reeds de bergen van Oepoloe, het hoofdeiland van Samoa; en heel in de verte vertoonden zich de omtrekken van nog andere eilanden. De lucht was onbeschrijfelijk zacht en droeg in verkoelende vleugjesheerlijke geuren van het land tot ons over. Ik voelde voor het eerst, dat ik mij werkelijk in de Zuidzee bevond, waarover ik zoo dikwijls had gedroomd. De kleineKawanstampte en slingerde geweldig, trots de kalme zee, en de meeste van de ongeveer twintig passagiers waren zeeziek. Er waren veel zendelingen aan boord en eenige samoaansche vrouwen met haar kinderen, volkomen ingepakt in bonte doeken en voorloopig onzichtbaar.
Dicht naast mij op de houten bank lag het hoofdje van een aankomend meisje, en ik kon de verzoeking niet weerstaan, voorzichtig een tip van den doek van haar gezichtje op te lichten. Daar trof mij uit de mooie oogen een zoo diep wanhopige blik, die van zoo innig lijden door de zeeziekte getuigde, dat ik den doek gauw weer liet vallen en wat met haar moeder bleef praten, een dikke, vriendelijke dame in een europeesche babyjurk, die uitstekend Engelsch sprak en geen last had van de algemeene kwaal.
Intusschen waren wij het eiland genaderd, en ik zag het strand geheel bezet met hooge kokospalmen, dien echten boom der Stille Zuidzee. Lang voeren wij langs dichte palmenwouden, die ver landwaarts in gingen, en zelfs op de hoogten der bergen op den voorgrond teekenden de mooie kronen zich duidelijk af tegen den donkerblauwen hemel.
Tegen den middag weken de bergen iets meer van de zee terug en wij bereikten de open reede van Apia. Achter een rif, met schuim bedekt, lagen eenige kleine zeilschepen voor anker en in de ondiepe zee dichtbij het strand zag ik een grooten scheepsromp op zij liggen, ’t wrak van deAdler, die vóór eenige jaren hier met een paar andere schepen in een taifoen is gestrand.
Langs de kust lagen, vaak door palmen vanelkaârgescheiden, veel kleine europeesche huizen en op den achtergrond verrezen boschrijke heuvels. Al spoedig verschenen de duitsche dokter en de douane-inspecteur in witte uniformen bij ons aan boord en daarna was er niets meer, dat onze landing belette.
De boot, waaraan ik mijzelven en mijn bagage toevertrouwde, werd door een gespierden reus geroeid, die alleen de gebruikelijke lawa-lawa, den heupdoek, droeg en mij in gebroken Duitsch vertelde, dat hij vroeger op de berlijnsche tentoonstelling tentoongesteld was geweest. Daarbij sprak hij met ingenomenheid over de Duitschers in het algemeen en over de vrouwelijke bevolking van Berlijn in het bijzonder en bood mij ten slotte zijn diensten aan voor het vervolg.
Niet erg verrukt over dit door de cultuur gefatsoeneerde exemplaar van het samoaansche ras, zocht ik een onderkomen in het beste der drie hôtels van Apia, dat wel niet veel comfort aanbood, maar toch een kleine inrichting had voor het nemen van een bad in de zee. IJs was op heel Samoa niet te krijgen. Buiten mij was er nog één gast, eveneens plezierreiziger; het andere hôtel was geheel leêg. Veel menschen, die hier zaken doen, denken nog met weemoed aan de tijden, waarin Samoa nog den strijd der mogendheden om zijn bezit bijwoonde, toen er altijd veel oorlogschepen in de haven lagen, die drukte en geld in het land brachten. Nu is er alles stil geworden.
In het centrum van de stad Apia ligt het regeeringsgebouw, en toen ik er den gouverneur opzocht, excerceerden juist de inlandsche troepen daar onder commando van een duitschen onderofficier. De bruine jongens zagen er lang niet slecht uit met hun witte jas en korte broek, met zijgeweer en karabijn; de beenen waren in den natuurstaat gelaten.
Dorpsjonkvrouw op Faleoeloe.Dorpsjonkvrouw op Faleoeloe.
Dorpsjonkvrouw op Faleoeloe.
De inboorlingen, die ik in de lange straat, waaruit Apia gevormd wordt, ontmoette, waren lang en flink gebouwd en hadden dikwijls een zeer aantrekkelijk uiterlijk. Van alle buiteneuropeesche volken komt, afgezien van dien der Hindoes, de gelaatsvormvan de Polynesiërs het meest met onzen smaak overeen. De mannen waren enkel met de lawa-lawa bekleed, droegen het haar steil omhoog en hadden het meestal roodachtig geverfd; zooals ik later hoorde, bleeken zij het met ongebluschte kalk.
Alleen ’s avonds, als zij naar de kerk gingen, moesten ze volgens voorschrift een jasje dragen. De inboorlingen, die dwaas genoeg zijn, zich geregeld geheel in europeesche kleeding te steken, worden dikwijls ziek en teringachtig, vermoedelijk doordien zij er zich door verwennen en de kleêren aanhouden, als die doornat zijn geworden of ze onvoorzichtig en op ongelegen tijd uittrekken. De vrouwen droegen bijna alle een lang, ruim kleed met bloote armen. Zij waren evenals de mannen bijna altijd met bloemen getooid, hadden kransen in het donkere haar en lange, sterk geurende kransen om den hals en het middel. Veel Europeanen in Apia hebben samoaansche vrouwen, met wie zij zeer gelukkig schijnen te zijn. De kinderen uit zulke verbintenissen zijn vaak bijzonder mooi, worden vaak voor eenige jaren naar Europa gezonden om hun opvoeding te voltooien en brengen dan den vreemdeling in verrukking door haar lieftalligheid en de pikante tegenstellingen in haar wezen.
Dorpsjonkvrouw van Sanapoe.Dorpsjonkvrouw van Sanapoe.
Dorpsjonkvrouw van Sanapoe.
De gezelschapskring van den gouverneur was maar klein, en eerst bij een picnic, dat eenige duitsche kooplieden ons, vreemdelingen, aanboden, werd een breeder kring samoaansche dames en kleurlingen uitgenoodigd. In talrijke rijtuigen reed men naar buiten, naar een in de schaduw van het woud gelegen waterval. Er kwamen daar ongeveer vijftig personen samen en het ging er vroolijk en ongedwongen toe. Vóór den maaltijd, die in de open lucht gebruikt werd, kregen we iets aardigs te zien. ’t Riviertje vormde onder aan den waterval een grooter bekken met kristalhelder water, waarnaast zich een steile rots verhief, wel 25 M. hoog. Van deze rots sprongen de dames, de eene na de andere, in licht badcostuum in het water, zich verfrisschend in het koele nat.
De hitte was in het middaguur zeer groot; alle huizen waren tot vier uur gesloten en niemand was dan op straat te zien. Alleen de vroege morgenuren waren geschikt, de omliggende groote cacao- en palmenaanplantingen te bezoeken. Daarbij kon men echter met paard en rijtuig altijd slechts een paar mijlen ver de kust volgen; dan werden de wegen alleen bruikbaar voor voetgangers. Daarom kon ik ook mijn plan, om de andere deelen van het eiland te leeren kennen, enkel te voet volvoeren en ging in het meer landwaarts in gelegen dorp der inboorlingen geschikte menschen zoeken, die als gidsen en als dragers konden dienst doen.
Mijn dragers met een knaap van de Salomonseilanden.Mijn dragers met een knaap van de Salomonseilanden.
Mijn dragers met een knaap van de Salomonseilanden.
De samoaansche hutten gelijken op strooien bijenkorven, waarvan de rand op palen van een meter hoogte rust. De ruimte tusschen de palen laat den zeewind ongehinderd toe, en alleen bij regen wordt een sluiting aangebracht met gordijnen van boombast en palmbladeren. De vloer is gestampt en wordt belegd met vlakke, gladde steentjes, waarover gevlochten matten in verscheiden lagen een prettige vloerbedekking vormen.
Spoedig vond ik daar wat ik zocht en besloot nu, eerst dwars door het oerwoud, dat het midden van het eiland inneemt, naar de tegenoverliggende kust te marscheeren en dan steeds langs de zee te gaan, waar bijna alle samoaansche dorpen aan grenzen.
Vooraf bracht ik nog een bezoek bij den ouden “koning” Mataafa, om van hem een aanbevelend schrijven te vragen voor de andere hoofden, door wier provincies ik zou trekken. Daar ik hoorde,dat een rok of andere attributen van een feestkleedij door den ouden heer niet verlangd werden, stapte ik er in mijn gewoon wit linnen pak op uit naar Moelinoe, een smal schiereiland, dat de haven van Apia in ’t Westen afsluit en waar Mataafa met zijn trouwste aanhangers gevestigd is.
De huizen van Moelinoe geleken in bouwtrant op alle andere samoaansche huizen; ze waren alleen wat sierlijker en grooter. Ik liet mijn kaartje naar den koning brengen, en in hoogsteigen persoon sloeg hij een der matgordijnen op zij, reikte mij de hand en wees mij als zitplaats een hoop fraaie matten.
Hij droeg, als de andere Samoanen, niets dan de lawa-lawa om de heupen en leek precies op de portretten, die ik van hem had gezien. Door middel van een tolk, want Engelsch noch Duitsch spreekt Mataafa, liet ik hem een paar stevige vleierijen over zijn land en volk zeggen, waarmee hij blijkbaar in zijn schik was. Toen vroeg hij naar het doel en het verloop van mijn reis en sprak ervan ook eens in Duitschland te willen komen, als alles hier goed geregeld was.
Hoofd van Amaile met zijn gemalin.Hoofd van Amaile met zijn gemalin.
Hoofd van Amaile met zijn gemalin.
Zonder dat ik behoefde te vragen, riep hij zijn secretaris of minister en droeg hem op, een rondschrijven aan de onderhoofden voor mij op te stellen. Denzelfden dag nog werd het mij door een lid der inlandsche politie gebracht en, zooals ik bij de vertaling hoorde, liet het te mijner aanbeveling niets te wenschen over.
Op den terugweg zag ik het hoofd Tamasese vóór zijn huis staan, en daar hij mij te gemoet kwam en de hand uitstrekte, kon ik het niet laten, ook bij hem binnen te gaan, om geen der historische grooten van Samoa aanstoot te geven.
Den volgenden morgen toog ik met de zon op weg, om nog op denzelfden dag dwars door het oerwoud de zuidkust van Oepoloe te bereiken. Ik nam twee dragers mee, ieder met een bamboes over den schouder, aan welker uiteinden in matten korfjes mijn geringe bagage geborgen was, alleen bestaande uit linnengoed en kleêren, wat goedkoope sieraden en speelgoed, bestemd voor geschenken aan de inboorlingen.
Eén van de dragers was een forsche, zeer braaf er uitziende man, die geen europeesche taal kon spreken, de andere een handig, snugger jongetje, die in een zendelingeninrichting was opgevoed en het voor doelmatig hield, dit door een veelvuldig gebruik van bijbelteksten en andere blijken zijner vrome gezindheid te laten zien. Alle Samoanen laten zich hun werk zeer goed betalen, als zij het een of ander op zich nemen; maar de Samoaan heeft heel weinig behoeften; kleeding, woning en verwarming kosten bijna niets, vruchten en visch ook niets, en als er werkelijk eens aan iets behoefte is, dan logeert hij, zoolang hij wil, bij den een of anderen bloedverwant, die hem te allen tijde moet herbergen en onderhouden. Wil hij ten slotte europeesche dingen koopen, dan ruilt hij ze tegen copra, die hij met heel weinig moeite zich kan verschaffen van de geërfde kokospalmen. Werkt hij dus bij geval, dan verlangt hij evenveel loon als een europeesch arbeider, dat is tienmaal meer dan een Hindoe of Chinees, en men heeft daarom sedert eenigen tijd inboorlingen van de Salomonseilanden en de Nieuwe Hebriden op Samoa als goedkoope arbeidskrachten ingevoerd, tot groote ergernis natuurlijk van de Samoanen, die mij een massa griezelige menschenetersgeschiedenissen uit het jongst verleden van deze onschuldige luidjes opdischten.