Chapter 7

De vos leeft overal met den wolf in vijandschap en wordt door dezen belaagd, gejaagd, gedood en opgegeten. Dientengevolge is de vos in Siberië niet menigvuldig; hem uit te roeien vermocht tot dusverre noch zijn vijandelijk gezinde bloedverwant, noch de mensch. In het oostelijk deel van den woudgordel onderneemt hij bij tijd en wijle uitgestrekte wandeltochten, terwijl hij of hazen of boschhoenders nazit; in het westen schijnt men tot dusverre deze opmerking nog niet gemaakt te hebben. Over schade, die hij zou aanrichten, klaagt men in Siberië niet; toch wordt er ijverig jacht op hem gemaakt, daar zijn vel zoowel bij de Russen als bij de inboorlingen hoog in aanzien staat; dit wordt zelfs zeer duur betaald, indien het bijzonder schoon van kleur is. Als jachtdier wordt de sabelmarter alleen hooger gesteld. Jagers van beroep ondernemen ’s winters enkel om den vos jachten, die bijna even diep in de bosschen leiden als de sabeljager hierin doordringt;Ostjakenen Samojeden stellen hunne automatische schietbogen voornamelijk voor den vos, en vinden geen moeite te groot om een nest uitvindig te maken, dat jongen bevat. Deze worden uitgegraven, echter niet om ze te dooden, maar om ze zorgvuldig op te kweeken en te verplegen, totdat ze groot en krachtig zijn geworden en met den eersten of tweeden winter een pels hebben erlangd, die den braven dierenverzorger meer waard is dan het leven zijner lieve pleegkinderen en deze zonder genade doet overleveren aan den worgenden strik.Onder zekere voorwaarden mag ook de poolvos tot de dieren van den woudgordel gerekend worden; in de bosschen zelf dringt dit dier evenwel niet, maar hij volgt in den winter hoogstens den loop der groote rivieren[109]om nu en dan in het zuiden der toendra, zijn eigenlijke woonplaats, op trekkende hazen en moerashoenders te jagen.Een boschbewoner daarentegen in den volsten zin des woords is de losch. Deze leeft ook in Siberië eenzaam en wordt maar zelden gevangen. Waarschijnlijk verlaat hij zijn eigenlijke verblijfplaats, de dichtste deelen van het binnenste der bosschen, alleen dan, wanneer gebrek aan voedsel of het gevoel der liefde hem drijft; alsdan nadert hij den zoom des wouds. Ervaren jagers van den oostelijken Oeral beweren, dat hij met den beer niet alleen dezelfde woonplaats deelt, maar ook in de nabijheid van diens winterkwartier blijft toeven, nadat deze reeds den winterslaap heeft aangevangen. Dezelfde jagers verzekeren, dat de voorliefde van den losch voor de winterslaapstede des beers dezen in den val brengt, daar men eenvoudig op die plaatsen, alwaar de meeste sporen van den losch elkaar kruisen, een nader onderzoek in ’t werk heeft te stellen, terwijl men te meer zeker is van een goeden uitslag, indien men een kringvormig spoor aantreft, dewijl dit steeds om het winterkwartier van den beer heenloopt. De gewoonte van den losch om met bijkans angstvallige zorgvuldigheid altijd weer in het oude spoor te treden, zou het opsporen van den beer zeer in de hand werken. Ter nadere verklaring voegt men aan deze verhalen nog toe, dat de losch in Siberië zeer belust is op versch aas, en dus waarschijnlijk de nabuurschap van een beer opzoekt om, als de gelegenheid zich voordoet, te smullen van de overblijfsels van het berenmaal. Wel is waar weet men ook van den losch te vertellen, dat hij zeer goed in staat is om ook zonder de hulp van een zoo twijfelachtigen vriend grof wild te bemachtigen, en dat hij in het bijzonder rendieren en reeën naarstig vervolgt en spoedig vermeestert, maar men verzekert er geregeld bij, dat de jacht van den losch hoofdzakelijk bepaald blijft tot klein wild; als zoodanig noemt men hazen, aard- en boomeekhoorntjes, auerhoenders, korhoenders en hazelhoenders, muizen, jonge vogels van allerlei soort en meer andere dieren.Wij hebben geen reden om deze opgaaf te wantrouwen; daardoor toch wordt ook het zeldzaam voorkomen van dit roofdier in alle voor den mensch toegankelijke grenswouden of boschzoomen verklaard. Zoolang er eekhoorntjes en zwart vogelwild in het binnenste der bosschen huizen, heeft de losch geen aanleiding om de door den mensch niet bezochte wildernis te verlaten; als die dieren beginnen te trekken moet ook hij echter wel volgen. Hoeveel vrees het zwarte vogelwild[110]voor hem koestert merkt men daaraan, dat elk balderend auer- of korhoen oogenblikkelijk zwijgt, wanneer een losch zich laat hooren.De losschenjacht geldt bij vreemdelingen en Siberiërs voor een zeer edel jachtvermaak. De zeldzaamheid, voorzichtigheid, vlugheid en weerbaarheid van den trotschen lynx bezielt iederen jager en zoowel de huid als het vleesch van het gedoode roofdier schenkt een niet onaanzienlijk gewin. De huid wordt van uit West-Siberië vooral naar China verzonden en daar goed betaald; het vleesch wordt niet enkel gegeten door de Mongoolsche bevolking, maar ook door de meeste Russische kolonisten, en allen vinden het een kostelijk gebraad. In slagvallen laat de losch zich niet dikwijls vangen; hij werpt ze vaak omver wanneer zijn weg hem langs de slagboomen voert en hij bij toeval op de stelplank trapt; ook de automatische schietboog mist bij hem meestal het doel, terwijl hij over de op zijn spoor gelegde klem meestal heenspringt; den jager rest alzoo slechts het geweer. Natuurlijk jaagt men den losch enkel in den winter, wanneer er sneeuw ligt en dus zijn spoor zichtbaar is, en men gebruik kan maken van sneeuwschoenen. Dappere honden drijven het eindelijk opgespoorde roofdier op een boom of op den grond, waarbij zij zelf niet zelden erbarmelijk worden toegetakeld, zoo niet gedood. Zelfs de jager loopt gevaar door den in het nauw gebrachten en woedend zich verdedigenden losch aangevallen te worden.Terwijl de wilde kat, die door den losch even onverbiddelijk wordt vervolgd als de vos door den wolf, niet in den boomgordel van West-Siberië voorkomt, maakt de grootste en vreeselijkste aller katten, de tijger hier somwijlen zijne verschijning. Twee in de jaren 1838 en 1848 bij Bäsk en Slangenberg gevelde tijgers prijken opgezet in het museum van Barnaul; een derde, die tusschen 1870 en 1880 werd gedood, bevindt zich in het schoolmuseum van Omsk; een vierde bracht omstreeks 1870 de bewoners van de kreits Tschelaba, dicht bij den Europeeschen Oeral gelegen, in rep en roer; dit beest greep, zonder getergd te zijn, eenige boeren aan, maar liep verschrikt weg, enkel en alleen door het zien van een roode muts, die men hem toewierp. In de steppengebergten van Turkestan en in het geheele zuiden van Oost-Siberië komt de „beheerscher” gelijk de Dauren den tijger noemen, geregeld op bepaalde plaatsen voor en van beide zijden dwaalt hij waarschijnlijk, vaker dan men constateeren kan, naar den westelijken woudgordel af; wellicht houdt hij zich hier, zonder opgemerkt te[111]worden, langen tijd op om even ongemerkt weder terug te trekken. Hij verschijnt evenwel toch zeer zelden en ongeregeld, zoodat men hem niet wel eene plaats kan aanwijzen onder het wild van ons gebied.Ongetwijfeld is dit wel het geval met de kostbaarste aller pelsdieren, de verschillende martersoorten. Men klaagt wel is waar meer over de vermindering dezer dieren dan van alle ander wild, toch vangt men er nog genoeg, althans in sommige streken. Alleen de sabel is in de laatste tientallen van jaren werkelijk zeldzaam geworden. Oude jagers uit den Midden-Oeral herinneren zich in de nabijheid der stad Tagilsk elken winter sabels gevangen te hebben; tegenwoordig ontmoet men op gemelde breedte van het gebergte slechts sporadisch, en dan nog hoogst zelden een afgedwaalden marter dezer soort. Naar men zegt heeft een groote brand in de bosschen van het middelgedeelte des oostelijken Oerals deze zoo algemeen begeerde en gejaagde pelsdieren verdreven. Hetzelfde wordt beweerd in de boschdorpen aan den benedenloop der Ob, waar de sabeljacht nu nog wordt gedreven, zoodatb.v.van daar op de markt van Jelisaroff elken winter ongeveer twintig pelzen worden gebracht. Veel talrijker is in alle wouden van West-Siberië de edelmarter.In het ontegenzeggelijk vrij uitgestrekte jachtgebied der zooeven genoemde stad Tagilsk maakt men elken winter nog altijd van dertig tot tachtig vellen dezer dieren buit. Dat de edelmarter veel meer dan de sabelmarter in gezelschap van het eekhoorntje voorkomt, met dit beestje verschijnt en verdwijnt, is het gevoelen van alle ervaren jagers. De roofzuchtige makker vergenoegt zich echter geenszins met zijn lievelingswild, maar vermoordt nog daarenboven elk dier, dat hij maar kan machtig worden en is vooral gevaarlijk voor auer- en korhoenders. Gelukt hem reeds in den zomer menige sprong op dezen of genen dier waakzame vogels, in den winter komt hem de gewoonte van dit wild om in sneeuwholten te slapen uitnemend bij zijn streken en treken te stade. Bijna onhoorbaar van tak tot taksluipend, nadert hij de ingegraven vogels tot op sprongsafstand en valt hen van boven aan, door met krachtigen stoot op den bovenwand der slaapruimte te springen, waardoor deze breekt, terwijl hij een der slapers bij den nek heeft gepakt, vóór deze de vlucht kon nemen.De steenmarter komt eveneens nog overal in hoogwouden voor, is echter veel zeldzamer dan zijn bloedverwant;bunzing, hermelijn en wezel zijn overal verbreid en hier en daar zelfs vrij talrijk; de mink[112]daarentegen wordt wel op de westelijke, maar niet op de oostelijke helling van den Oeral aangetroffen en ontbreekt reeds in de hier ontspringende nevenstroomen van Irtisch en Ob, die, evenals genoemde rivieren zelf, den vischotter in groote menigte herbergen; de das wordt in West-Siberië bijna niet genoemd, terwijl de wijd en zijd verbreide veelvraat het minst van alle marters in aanzien staat en meer een voorwerp van jacht uitmaakt wegens zijn dieverijen in de slagvallen dan om zijn huid.ELANDEN EN AUERHOENDERS.ELANDEN EN AUERHOENDERS.Ofschoon het westen van Siberië doorgaat voor een afgejaagd gebied, rusten zich toch ook hier elk jaar de woudbewoners uit voor de jacht op sabels en andere martersoorten. Sommige jagers ondernemen, ten einde de pelsdieren machtig te worden, zwerftochten en reizen, die in niets onder doen voor die der Amerikaansche pelsjagers.De jacht geldt natuurlijk niet enkel marters, maar alle mogelijk wild; marters en eekhoorns maken evenwel het hoofddoel uit. Al naar deze laatste dieren vroeger of later van kleur verwisselen, regelt men ook het vertrek uit de dorpen, waar men woont; men ziet n.l. in die verkleuring het bewijs, dat de winter nadert, terwijl almede diens meerdere of mindere strengheid met dien tijd in verband wordt gebracht.Gewapend en uitgerust, gelijk wij reeds vermeld hebben, vangen de sabeljagers, zoodra de eerste sneeuw is gevallen, in troepjes van drie tot vijf personen hun boschreizen aan. Ieder dezer mannen draagt behalve zijn geweer en verder schiettuig, een zak op den rug, sneeuwschoenen en een bijl over den schouder, een zweep in den gordel. In den zak bergt men de noodzakelijkste levensmiddelen, als brood, meel, spek, zout en tegelthee, en verder eenig gereedschap zooals een pan, een theepot, beker, lepel, enz. in sommige gevallen ook een flesch brandewijn; de zweep dient om de eekhoorns op te jagen en in ’t gezicht te krijgen. Vier à zes honden, die het oog van elken fatsoenlijken jager geweld aandoen, begeleiden de jachtgenooten.Terwijl men zich richt naar den stand der bekende sterrenbeelden en naar dien der helaas zich dagen achtereen soms verschuilende zon, zwerven de geharde jagers dagen en weken lang door de gure wildernis, overnachten er in en leven met hunne honden hoofdzakelijk van het geschoten wild, ten einde den medegenomen voorraad zoolang mogelijk te sparen. De leelijke, maar verstandige en omzichtige honden slaan niet alleen acht op elk spoor, maar bespieden ook met geoefend oog de op de boomen verscholen marters en eekhoorntjes, geven met[113]blaffen kennis van hun aanwezigheid, en houden u zoolang vast tot de jager nabij gekomen is. Deze schrijdt langzaam voort met de onverstoorbare koelbloedigheid, die allen woudjagers eigen is, legt zijn lang roer bedachtzaam op een tak, of zoo noodig, op de vork, die aan ’t uiteinde van den loop is aangebracht, mikt geruimen tijd en geeft eindelijk vuur.In het begin van den jachttijd laten de eekhoorntjes, en zelfs de edelmarters, terwijl zij zich uitsluitend met de honden bezighouden, den jager tijd om tot op weinige meters afstands te naderen; spoedig evenwel worden zij slimmer en bemoeilijken den schutter het rustig en zeker mikken. Gelukt het dezen toch om den kogel door een der oogen van het dier te jagen, dan is hij zeer tevreden, dewijl hij niet alleen een ongeschonden huid krijgt, maar ook het lood nog eenmaal kan gebruiken. Onmiddellijk nadat hij het gevallen wild in handen heeft gekregen, stroopt hij het af,—bij marters en eekhoorns perst hij de ingewanden door de mondspleet—slaat de hersenpan stuk om den kogel terug te krijgen, en bergt daarna vel en vleesch, van elkaar gescheiden, in zijn rugzak.In geval de eekhoorntjes overvloedig zijn is deze jacht even voordeelig als amusant. Ieder jager gebruikt den korten dag zooveel zijn krachten hem dit veroorlooven; het eene schot volgt ras op het andere en een nieuwe buit rust naast den eersten. Neemt het laden der geweren veel tijd in beslag, het afstroopen der buitgemaakte dieren gaat des te sneller; ieder jager doet zijn best. Zonder te rusten, zonder te eten of zelfs te rooken, trekt het jachtgezelschap voorwaarts. De speurende honden dwalen nu eens van het gezelschap af, straks zijn zij weer in de nabijheid; de scherpe knal der buksen en het vroolijke geblaf der honden schenkt afwisseling.De een telt de schoten, een ander benijdt het geluk van zijn makker of heet er hem geluk mee. Is daarentegen de winter arm aan wild, brengt zelfs het onophoudelijk klappen der zweep geen eekhoorntje te voorschijn, laat zich sabel noch edelmarter zien, bespeurt men eland noch rendier; dan trekken jagers en honden zwijgend door het woud, en schraalhans-keukenmeester brengt verder alles in eene nog slechter luim.Met het aanbreken van den nacht beginnen onze jagers er aan te denken hun nachtverblijf gereed te maken. Ieder hunner graaft onder een ouden, dikken, omgevallen boomstam een kuil in de sneeuw uit,[114]waarin juist een man kan liggen en ontsteekt daarin een groot vuur. Daarop reinigt een ander, zoo mogelijk in ’t midden van alle kuilen en onder bescherming van dichtkronige dennen of sparren, een cirkelvormige ruimte van de sneeuw; een derde sleept brandhout aan; een vierde ontsteekt op die plek een nog grooter vuur; een vijfde maakt het avondeten gereed. Genoeg eekhoorns werden toch geveld om eene krachtige vleeschsoep te maken en er de meelbrij of de snede brood mede te kruiden. Men eet, geeft de honden hun fatsoenlijk aandeel, verkwikt zich aan de thee, steekt het korte pijpje aan en onderhoudt elkander naar jagerswijs over de lotgevallen van den dag. Intusschen heeft het vuur in de kuilen de sneeuw doen smelten, daar boven den boom in brand gestoken en zoo de slaapstede door en door verwarmd. Zorgvuldig schuift iedere jager de in den kuil nog glimmende kolen naar het uiteinde, kruipt er in, terwijl hij zorg draagt zooveel mogelijk de zijdelingsche sneeuwmuren niet te doen instorten, roept zijn honden om met deze het warme leger te deelen, en legt zich te slapen. Wel is waar valt van den steeds voortglimmenden boom gedurende den nacht nu en dan een stuk kool op jager en hond, maar een Siberische jagerspels verdraagt evenveel als een Siberische hondenpels, zulk een brandend blok hout verwarmt beter dan een veel grooter, vrij brandend vuur, warmt den kuil door en door, evenals een Siberische kachel de kamer en maakt in ’t algemeen het overnachten in een bosch mogelijk.Uitgerust en versterkt staan de jagers bij ’t krieken van den dag op, ontbijten en trekken verder. Bereikt men gunstige jachtvelden, die elken winter bezocht worden, dan toeft men aldaar langer of korter tijd, al naar omstandigheden. Op sommige plaatsen kan men eene uit boomstammenvervaardigdejachthut betrekken, die aldaar in vroegere jaren werd opgericht. Tevens vindt men op zulk een terrein oude en nieuwe slagvallen, die nu weder op vang gesteld worden, en die men elken morgen onderzoekt. Een en ander vordert veel tijd, daar die vallen zeer ver uiteen liggen; ons jachtgezelschap verwijlt dan ook menigmaal eene week en nog langer op zulk eene plaats in het bosch en jaagt haar volledig af, alvorens de reis voort te zetten.Op deze wijze jagende brengen vele Siberiërs het grootste deel van den winter in het bosch door. Voor het begin dier tochten wordt gewoonlijk met den een of anderen koopman een verdrag aangegaan. De jager verbindt zich, tegen een vooraf bepaalden, gemiddelden prijs,[115]alle huiden aan den koopman af te staan, en de handelaar neemt op zich alle hem geleverde artikelen, zonder uitzondering, in ontvangst te nemen. Is de jager gelukkig, dan brengt de jacht hem nog heden ten dage genoeg op om er van te leven, althans er de behoeften des winters mede te bestrijden; in ’t algemeen echter loont ook dit jachtbedrijf de daarmede verbonden moeite en ontberingen niet, en slechts een zoo weinig eischend mensch als de Siberische jager pleegt te zijn, is in staat daarin nog een bestaan te vinden.De berenjacht is in de oogen van den West-Siberiër het roemvolste en moeilijkste bedrijf. Vriend Petz is in ons gebied volstrekt niet dat gemoedelijke wezen, gelijk hier en daar nog in Oost-Siberië; veeleer, zooals bijna overal, een lomp, ongemanierd beest, dat wel is waar in den regel voor den mensch de vlucht neemt, maar dat, als hij gewond is of in de engte gedreven wordt, moedig den strijd bestaat en alsdan zeer gevaarlijk kan worden. In weêrwil van de sterke vervolging, waaraan hij bloot staat is de beer nog nergens uitgeroeid; integendeel hij komt nog altijd veel voor. Hij bewandelt steeds zijn eigen weg en vertoont zich weinig op de door menschen bezochte plaatsen. Daarmede wil niet gezegd worden dat bruintje in ’t geheel niet bij menschelijke woningen komt, of dat hij ze zelfs vermijdt; want hij houdt zich niet zelden in de onmiddellijke nabijheid der dorpen op, en overvalt soms de huisdieren voor de oogen der bewoners; maar hij vertoont zich zoo ongeregeld, dat vele Siberiërs er nog nooit een gezien, nog nooit een in het bosch ontmoet hebben. Het schijnt dat hij den ganschen zomer door heen en weêr trekkende is. Hij zwerft door de bosschen, zonder zich hier aan bepaalde wegen te binden; klimt, al naar den vorm der bergen, hierbij meer of minder regelmatig betreden paden volgende, in den nazomer de hoogten op, en keert tegen het begin van den winter naar de laagte terug; houdt ten tijde van het rijpen van het koren zich op aan den buitenkant van het woud, om op zijn gemak in de naburige velden te plunderen, verlaat ook soms geheel en al het bosch om de aangrenzende steppe op te zoeken, ook wel die berghellingen, welke het karakter van steppen dragen, houdt zich langen tijd op bepaalde plaatsen op, of trekt, zonder op ééne plaats te toeven, naar eene andere, immer en overal van de oogenblikkelijke gelegenheid gebruik makende om eene lievelingsspijs machtig te worden.In de meeste streken is hij bepaald een planteneter; hier en daar[116]wordt hij tot een gevreesd roofdier, op weer andere plaatsen maakt hij jacht op aas. In het voorjaar vreet hij van alles wat hij maar vinden kan, beloert van uit eene hinderlaag listig het vee, dat al grazende de bosschen intrekt, om bliksemsnel op een der dieren aan te vallen, of met ongemeene vlugheid na te rennen; hij grijpt het, werpt het ter aarde, vermoordt het, vreet zich zat en begraaft, ofschoon vrij onhandig, de rest, om later nog een maal te hebben. Tijdens veeziekte spoort hij de mestvaalten op ten einde van de lijken der gestorven huisdieren te smullen; ja, men heeft hem zelfs wel eens op kerkhoven den lijkendief zien spelen. In den zomer plundert hij de korenvelden, berooft de nesten der wilde bijen en de bijenkorven, graaft de wespen- en hommelnesten uit, verwoest de mierenhoopen om de poppen te vermeesteren, wentelt oude, gevallen boomen om, ten einde de daaronder liggende kevers, maden en larven buit te maken, doet zelfs vermolmde boomen omstorten, om zich de daarin levende insectenlarven toe te eigenen. In den herfst voedt hij zich bijna uitsluitend met allerlei bessen, ook die, welke hij eerst van de boomen moet halen, zooals b.v. de vruchten van de vogelkers; wanneer de piniolen rijp zijn, spoort hij deze op; daartoe beklimt hij hooge boomen, wier takken en kruinen hij afbreekt. Uren lang snuffelt hij om de voorraadschuren, waarin de piniolen voorloopig worden bewaard, en blijft niet in gebreke zich met geweld een weg tot derzelver binnenste te banen als hij slechts eenigszins daartoe de kans schoon ziet. Nu en dan gaat hij bij afwisseling visschen, en dit somtijds met gunstigen uitslag. Voor den mensch slaat hij geregeld op de vlucht; toch besluit hij ook eene enkele maal, en dan zonder zich lang te bedenken, tot den aanval, in dit geval zelfs geen overmacht ontziende. Al naar de weêrsgesteldheid betrekt hij nu eens vroeger dan weer iets later zijn winterkwartier om te slapen. Voor leger kiest hij bij voorkeur eene geschikte plaats onder een ouden, reusachtigen, omgevallen boom, graaft hier allereerst een ondiepen kuil uit, welks bodem hij met dennennaalden en eene laag mos ter dikte van 50 centimeter bedekt, bekleedt met dit laatste ook de zijwanden, bedekt alles van buiten met boomtakken, en laat zich insneeuwen. Wordt hij in het gebergte door de eerste sneeuwbui overvallen, dan daalt hij niet altijd naar de laagte, maar bergt zich in eene rotskloof, die zoo goed mogelijk bekleed wordt, of hij verwijdt het nest van de een of andere marmottensoort zooveel als noodig is en brengt daarin dan den winter door. Eenmaal ingeslapen ligt hij zoo vast, dat men[117]hem slechts met groote moeite kan opjagen; hij bijt dan zeer boosaardig in de ijzeren staven, waarmede men hem port, knort en brult en gehoorzaamt dan eerst wanneer men tot vuurpijlen of vuur de toevlucht neemt. Eindelijk stormt hij, zoo hij niet verwond is geworden, als een opgeschrikte ever naar buiten, doet zijn behoefte, en zoekt zijn heil in eene overhaaste vlucht. De berin brengt, volgens de eenstemmige berichten van alle ervaren jagers, slechts om den anderen winter jongen ter wereld, en wel gedurende den diepsten slaap; zij ontwaakt, gelijk men veronderstelt, slechts kort voor de baring, lekt de kleinen schoon en droog, legt ze aan de tepels en slaapt dan met tusschenpoozen weêr voort. Op het einde van Mei of in de maand Juni zoekt zij hare vroeger geboren, dus twee- en zelfs de vierjarige kinderen weer op, en dwingt deze alspestoenof kindermeiden dienst te doen.Ofschoon men in West-Siberië het anders volstrekt niet onsmakelijk vleesch van den beer weinig op prijs stelt, en berenhammen meer om de aardigheid toebereidt en opdischt dan om zich werkelijk een lekker maal te verschaffen, levert de berenjacht toch goede winsten op.De pels dient voornamelijk tot het vervaardigen van dekens voor de sleden, is zeer gezocht en wordt duur betaald; de tanden en nagels zijn in de oogen van Ostjaken en Samojeden, zelfs in die van de West-Siberische boeren krachtige talismans; ook de beenderen worden soms gebruikt. De scheurtand van een in eerlijken strijd gevelden beer schenkt den Ostjak, gelijk hij meent, bovennatuurlijke gaven, in ’t bijzonder moed, kracht en sterkte, ook wel eens onkwetsbaarheid; een klauw, vooral de vierde van den rechter voorpoot, die met den ringvinger overeenkomt, dwingt—volgens het geloof van alle minnende jonge meisjes in den Oeral, iederen jongeling, die heimelijk door haar daarmede werd gekrabd, tot vurige liefde; tand en klauw staan dus hoog in prijs en vuren menigen jager nog meer dan geleden schade aan, om dit vreeselijkste aller roofdieren des avonds op te sporen en te bestrijden. Deze jacht is echter alles behalve gemakkelijk of zonder gevaar. Vallen, die een goed resultaat opleveren, kent men niet; men moet dus altijd den beer opzoeken, en met het wapen in de hand, met de hulp van goed gedresseerde honden, den strijd met hem bestaan. In den zomer wordt de jacht bemoeilijkt door de ongedurigheid van den beer; in den winter is het eerder mogelijk een leger op te sporen en daarin of daarvoor den slaper te dooden. De arme boer, die dit leger ontdekt, verkoopt zijn beer aan den een of ander welgestelden jager; deze trekt met den[118]boer en eenige metgezellen op een gunstigen dag ter jacht, omringt het winterverblijf des roofdiers met geoefende schutters, laat door drijvers den beer wekken en onder schot brengen, en schiet op denkortstmogelijken afstand het geweer af. Op deze wijze worden de meeste beren gedood; voor geoefende schutters is deze soort van jacht dan ook het minst gevaarlijk. In den zomer en in den herfst zoekt men den beer, wiens spoor men heeft ontdekt, of dien men zelf heeft gezien, met behulp van kleine honden op, laat hem door deze dieren op eene geschikte plaats voeren en vuurt dan op het juiste oogenblik den kogel af; of wel, men maakt op de wijs der moedige Ostjaken, gebruik van de berenspies en laat het dier daarin rennen; of men omwikkelt den linkerarm goed met berkenbast, houdt dit pantser den aansnellenden beer voor en stoot hem op het oogenblik dat hij in den berkenbast bijt, een breed en lang mes in het hart. Beide wijzen van jagen gaan dikwijls gepaard met ongelukken. Sommige jagers echter krijgen mettertijd zooveel onverschrokkenheid en behendigheid, dat zij boven elk ander wapen aan spies of mes de voorkeur geven. Een boerenmeisje uit het dorp Morschowa in den Oeral, wier roem zich over geheel West-Siberië heeft verbreid, zou met het mes reeds meer dan dertig beren gedood hebben.Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe, gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd.Twee Zweden,AbergenErlandjagen in den Oeral op hazelhoenders; de eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot, brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even[119]goed gevolg als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben.De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om, herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen, wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle klokken te trekken.Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen; midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier, het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken[120]schrille kreten van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste, die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon.Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd, wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië.[121]

De vos leeft overal met den wolf in vijandschap en wordt door dezen belaagd, gejaagd, gedood en opgegeten. Dientengevolge is de vos in Siberië niet menigvuldig; hem uit te roeien vermocht tot dusverre noch zijn vijandelijk gezinde bloedverwant, noch de mensch. In het oostelijk deel van den woudgordel onderneemt hij bij tijd en wijle uitgestrekte wandeltochten, terwijl hij of hazen of boschhoenders nazit; in het westen schijnt men tot dusverre deze opmerking nog niet gemaakt te hebben. Over schade, die hij zou aanrichten, klaagt men in Siberië niet; toch wordt er ijverig jacht op hem gemaakt, daar zijn vel zoowel bij de Russen als bij de inboorlingen hoog in aanzien staat; dit wordt zelfs zeer duur betaald, indien het bijzonder schoon van kleur is. Als jachtdier wordt de sabelmarter alleen hooger gesteld. Jagers van beroep ondernemen ’s winters enkel om den vos jachten, die bijna even diep in de bosschen leiden als de sabeljager hierin doordringt;Ostjakenen Samojeden stellen hunne automatische schietbogen voornamelijk voor den vos, en vinden geen moeite te groot om een nest uitvindig te maken, dat jongen bevat. Deze worden uitgegraven, echter niet om ze te dooden, maar om ze zorgvuldig op te kweeken en te verplegen, totdat ze groot en krachtig zijn geworden en met den eersten of tweeden winter een pels hebben erlangd, die den braven dierenverzorger meer waard is dan het leven zijner lieve pleegkinderen en deze zonder genade doet overleveren aan den worgenden strik.Onder zekere voorwaarden mag ook de poolvos tot de dieren van den woudgordel gerekend worden; in de bosschen zelf dringt dit dier evenwel niet, maar hij volgt in den winter hoogstens den loop der groote rivieren[109]om nu en dan in het zuiden der toendra, zijn eigenlijke woonplaats, op trekkende hazen en moerashoenders te jagen.Een boschbewoner daarentegen in den volsten zin des woords is de losch. Deze leeft ook in Siberië eenzaam en wordt maar zelden gevangen. Waarschijnlijk verlaat hij zijn eigenlijke verblijfplaats, de dichtste deelen van het binnenste der bosschen, alleen dan, wanneer gebrek aan voedsel of het gevoel der liefde hem drijft; alsdan nadert hij den zoom des wouds. Ervaren jagers van den oostelijken Oeral beweren, dat hij met den beer niet alleen dezelfde woonplaats deelt, maar ook in de nabijheid van diens winterkwartier blijft toeven, nadat deze reeds den winterslaap heeft aangevangen. Dezelfde jagers verzekeren, dat de voorliefde van den losch voor de winterslaapstede des beers dezen in den val brengt, daar men eenvoudig op die plaatsen, alwaar de meeste sporen van den losch elkaar kruisen, een nader onderzoek in ’t werk heeft te stellen, terwijl men te meer zeker is van een goeden uitslag, indien men een kringvormig spoor aantreft, dewijl dit steeds om het winterkwartier van den beer heenloopt. De gewoonte van den losch om met bijkans angstvallige zorgvuldigheid altijd weer in het oude spoor te treden, zou het opsporen van den beer zeer in de hand werken. Ter nadere verklaring voegt men aan deze verhalen nog toe, dat de losch in Siberië zeer belust is op versch aas, en dus waarschijnlijk de nabuurschap van een beer opzoekt om, als de gelegenheid zich voordoet, te smullen van de overblijfsels van het berenmaal. Wel is waar weet men ook van den losch te vertellen, dat hij zeer goed in staat is om ook zonder de hulp van een zoo twijfelachtigen vriend grof wild te bemachtigen, en dat hij in het bijzonder rendieren en reeën naarstig vervolgt en spoedig vermeestert, maar men verzekert er geregeld bij, dat de jacht van den losch hoofdzakelijk bepaald blijft tot klein wild; als zoodanig noemt men hazen, aard- en boomeekhoorntjes, auerhoenders, korhoenders en hazelhoenders, muizen, jonge vogels van allerlei soort en meer andere dieren.Wij hebben geen reden om deze opgaaf te wantrouwen; daardoor toch wordt ook het zeldzaam voorkomen van dit roofdier in alle voor den mensch toegankelijke grenswouden of boschzoomen verklaard. Zoolang er eekhoorntjes en zwart vogelwild in het binnenste der bosschen huizen, heeft de losch geen aanleiding om de door den mensch niet bezochte wildernis te verlaten; als die dieren beginnen te trekken moet ook hij echter wel volgen. Hoeveel vrees het zwarte vogelwild[110]voor hem koestert merkt men daaraan, dat elk balderend auer- of korhoen oogenblikkelijk zwijgt, wanneer een losch zich laat hooren.De losschenjacht geldt bij vreemdelingen en Siberiërs voor een zeer edel jachtvermaak. De zeldzaamheid, voorzichtigheid, vlugheid en weerbaarheid van den trotschen lynx bezielt iederen jager en zoowel de huid als het vleesch van het gedoode roofdier schenkt een niet onaanzienlijk gewin. De huid wordt van uit West-Siberië vooral naar China verzonden en daar goed betaald; het vleesch wordt niet enkel gegeten door de Mongoolsche bevolking, maar ook door de meeste Russische kolonisten, en allen vinden het een kostelijk gebraad. In slagvallen laat de losch zich niet dikwijls vangen; hij werpt ze vaak omver wanneer zijn weg hem langs de slagboomen voert en hij bij toeval op de stelplank trapt; ook de automatische schietboog mist bij hem meestal het doel, terwijl hij over de op zijn spoor gelegde klem meestal heenspringt; den jager rest alzoo slechts het geweer. Natuurlijk jaagt men den losch enkel in den winter, wanneer er sneeuw ligt en dus zijn spoor zichtbaar is, en men gebruik kan maken van sneeuwschoenen. Dappere honden drijven het eindelijk opgespoorde roofdier op een boom of op den grond, waarbij zij zelf niet zelden erbarmelijk worden toegetakeld, zoo niet gedood. Zelfs de jager loopt gevaar door den in het nauw gebrachten en woedend zich verdedigenden losch aangevallen te worden.Terwijl de wilde kat, die door den losch even onverbiddelijk wordt vervolgd als de vos door den wolf, niet in den boomgordel van West-Siberië voorkomt, maakt de grootste en vreeselijkste aller katten, de tijger hier somwijlen zijne verschijning. Twee in de jaren 1838 en 1848 bij Bäsk en Slangenberg gevelde tijgers prijken opgezet in het museum van Barnaul; een derde, die tusschen 1870 en 1880 werd gedood, bevindt zich in het schoolmuseum van Omsk; een vierde bracht omstreeks 1870 de bewoners van de kreits Tschelaba, dicht bij den Europeeschen Oeral gelegen, in rep en roer; dit beest greep, zonder getergd te zijn, eenige boeren aan, maar liep verschrikt weg, enkel en alleen door het zien van een roode muts, die men hem toewierp. In de steppengebergten van Turkestan en in het geheele zuiden van Oost-Siberië komt de „beheerscher” gelijk de Dauren den tijger noemen, geregeld op bepaalde plaatsen voor en van beide zijden dwaalt hij waarschijnlijk, vaker dan men constateeren kan, naar den westelijken woudgordel af; wellicht houdt hij zich hier, zonder opgemerkt te[111]worden, langen tijd op om even ongemerkt weder terug te trekken. Hij verschijnt evenwel toch zeer zelden en ongeregeld, zoodat men hem niet wel eene plaats kan aanwijzen onder het wild van ons gebied.Ongetwijfeld is dit wel het geval met de kostbaarste aller pelsdieren, de verschillende martersoorten. Men klaagt wel is waar meer over de vermindering dezer dieren dan van alle ander wild, toch vangt men er nog genoeg, althans in sommige streken. Alleen de sabel is in de laatste tientallen van jaren werkelijk zeldzaam geworden. Oude jagers uit den Midden-Oeral herinneren zich in de nabijheid der stad Tagilsk elken winter sabels gevangen te hebben; tegenwoordig ontmoet men op gemelde breedte van het gebergte slechts sporadisch, en dan nog hoogst zelden een afgedwaalden marter dezer soort. Naar men zegt heeft een groote brand in de bosschen van het middelgedeelte des oostelijken Oerals deze zoo algemeen begeerde en gejaagde pelsdieren verdreven. Hetzelfde wordt beweerd in de boschdorpen aan den benedenloop der Ob, waar de sabeljacht nu nog wordt gedreven, zoodatb.v.van daar op de markt van Jelisaroff elken winter ongeveer twintig pelzen worden gebracht. Veel talrijker is in alle wouden van West-Siberië de edelmarter.In het ontegenzeggelijk vrij uitgestrekte jachtgebied der zooeven genoemde stad Tagilsk maakt men elken winter nog altijd van dertig tot tachtig vellen dezer dieren buit. Dat de edelmarter veel meer dan de sabelmarter in gezelschap van het eekhoorntje voorkomt, met dit beestje verschijnt en verdwijnt, is het gevoelen van alle ervaren jagers. De roofzuchtige makker vergenoegt zich echter geenszins met zijn lievelingswild, maar vermoordt nog daarenboven elk dier, dat hij maar kan machtig worden en is vooral gevaarlijk voor auer- en korhoenders. Gelukt hem reeds in den zomer menige sprong op dezen of genen dier waakzame vogels, in den winter komt hem de gewoonte van dit wild om in sneeuwholten te slapen uitnemend bij zijn streken en treken te stade. Bijna onhoorbaar van tak tot taksluipend, nadert hij de ingegraven vogels tot op sprongsafstand en valt hen van boven aan, door met krachtigen stoot op den bovenwand der slaapruimte te springen, waardoor deze breekt, terwijl hij een der slapers bij den nek heeft gepakt, vóór deze de vlucht kon nemen.De steenmarter komt eveneens nog overal in hoogwouden voor, is echter veel zeldzamer dan zijn bloedverwant;bunzing, hermelijn en wezel zijn overal verbreid en hier en daar zelfs vrij talrijk; de mink[112]daarentegen wordt wel op de westelijke, maar niet op de oostelijke helling van den Oeral aangetroffen en ontbreekt reeds in de hier ontspringende nevenstroomen van Irtisch en Ob, die, evenals genoemde rivieren zelf, den vischotter in groote menigte herbergen; de das wordt in West-Siberië bijna niet genoemd, terwijl de wijd en zijd verbreide veelvraat het minst van alle marters in aanzien staat en meer een voorwerp van jacht uitmaakt wegens zijn dieverijen in de slagvallen dan om zijn huid.ELANDEN EN AUERHOENDERS.ELANDEN EN AUERHOENDERS.Ofschoon het westen van Siberië doorgaat voor een afgejaagd gebied, rusten zich toch ook hier elk jaar de woudbewoners uit voor de jacht op sabels en andere martersoorten. Sommige jagers ondernemen, ten einde de pelsdieren machtig te worden, zwerftochten en reizen, die in niets onder doen voor die der Amerikaansche pelsjagers.De jacht geldt natuurlijk niet enkel marters, maar alle mogelijk wild; marters en eekhoorns maken evenwel het hoofddoel uit. Al naar deze laatste dieren vroeger of later van kleur verwisselen, regelt men ook het vertrek uit de dorpen, waar men woont; men ziet n.l. in die verkleuring het bewijs, dat de winter nadert, terwijl almede diens meerdere of mindere strengheid met dien tijd in verband wordt gebracht.Gewapend en uitgerust, gelijk wij reeds vermeld hebben, vangen de sabeljagers, zoodra de eerste sneeuw is gevallen, in troepjes van drie tot vijf personen hun boschreizen aan. Ieder dezer mannen draagt behalve zijn geweer en verder schiettuig, een zak op den rug, sneeuwschoenen en een bijl over den schouder, een zweep in den gordel. In den zak bergt men de noodzakelijkste levensmiddelen, als brood, meel, spek, zout en tegelthee, en verder eenig gereedschap zooals een pan, een theepot, beker, lepel, enz. in sommige gevallen ook een flesch brandewijn; de zweep dient om de eekhoorns op te jagen en in ’t gezicht te krijgen. Vier à zes honden, die het oog van elken fatsoenlijken jager geweld aandoen, begeleiden de jachtgenooten.Terwijl men zich richt naar den stand der bekende sterrenbeelden en naar dien der helaas zich dagen achtereen soms verschuilende zon, zwerven de geharde jagers dagen en weken lang door de gure wildernis, overnachten er in en leven met hunne honden hoofdzakelijk van het geschoten wild, ten einde den medegenomen voorraad zoolang mogelijk te sparen. De leelijke, maar verstandige en omzichtige honden slaan niet alleen acht op elk spoor, maar bespieden ook met geoefend oog de op de boomen verscholen marters en eekhoorntjes, geven met[113]blaffen kennis van hun aanwezigheid, en houden u zoolang vast tot de jager nabij gekomen is. Deze schrijdt langzaam voort met de onverstoorbare koelbloedigheid, die allen woudjagers eigen is, legt zijn lang roer bedachtzaam op een tak, of zoo noodig, op de vork, die aan ’t uiteinde van den loop is aangebracht, mikt geruimen tijd en geeft eindelijk vuur.In het begin van den jachttijd laten de eekhoorntjes, en zelfs de edelmarters, terwijl zij zich uitsluitend met de honden bezighouden, den jager tijd om tot op weinige meters afstands te naderen; spoedig evenwel worden zij slimmer en bemoeilijken den schutter het rustig en zeker mikken. Gelukt het dezen toch om den kogel door een der oogen van het dier te jagen, dan is hij zeer tevreden, dewijl hij niet alleen een ongeschonden huid krijgt, maar ook het lood nog eenmaal kan gebruiken. Onmiddellijk nadat hij het gevallen wild in handen heeft gekregen, stroopt hij het af,—bij marters en eekhoorns perst hij de ingewanden door de mondspleet—slaat de hersenpan stuk om den kogel terug te krijgen, en bergt daarna vel en vleesch, van elkaar gescheiden, in zijn rugzak.In geval de eekhoorntjes overvloedig zijn is deze jacht even voordeelig als amusant. Ieder jager gebruikt den korten dag zooveel zijn krachten hem dit veroorlooven; het eene schot volgt ras op het andere en een nieuwe buit rust naast den eersten. Neemt het laden der geweren veel tijd in beslag, het afstroopen der buitgemaakte dieren gaat des te sneller; ieder jager doet zijn best. Zonder te rusten, zonder te eten of zelfs te rooken, trekt het jachtgezelschap voorwaarts. De speurende honden dwalen nu eens van het gezelschap af, straks zijn zij weer in de nabijheid; de scherpe knal der buksen en het vroolijke geblaf der honden schenkt afwisseling.De een telt de schoten, een ander benijdt het geluk van zijn makker of heet er hem geluk mee. Is daarentegen de winter arm aan wild, brengt zelfs het onophoudelijk klappen der zweep geen eekhoorntje te voorschijn, laat zich sabel noch edelmarter zien, bespeurt men eland noch rendier; dan trekken jagers en honden zwijgend door het woud, en schraalhans-keukenmeester brengt verder alles in eene nog slechter luim.Met het aanbreken van den nacht beginnen onze jagers er aan te denken hun nachtverblijf gereed te maken. Ieder hunner graaft onder een ouden, dikken, omgevallen boomstam een kuil in de sneeuw uit,[114]waarin juist een man kan liggen en ontsteekt daarin een groot vuur. Daarop reinigt een ander, zoo mogelijk in ’t midden van alle kuilen en onder bescherming van dichtkronige dennen of sparren, een cirkelvormige ruimte van de sneeuw; een derde sleept brandhout aan; een vierde ontsteekt op die plek een nog grooter vuur; een vijfde maakt het avondeten gereed. Genoeg eekhoorns werden toch geveld om eene krachtige vleeschsoep te maken en er de meelbrij of de snede brood mede te kruiden. Men eet, geeft de honden hun fatsoenlijk aandeel, verkwikt zich aan de thee, steekt het korte pijpje aan en onderhoudt elkander naar jagerswijs over de lotgevallen van den dag. Intusschen heeft het vuur in de kuilen de sneeuw doen smelten, daar boven den boom in brand gestoken en zoo de slaapstede door en door verwarmd. Zorgvuldig schuift iedere jager de in den kuil nog glimmende kolen naar het uiteinde, kruipt er in, terwijl hij zorg draagt zooveel mogelijk de zijdelingsche sneeuwmuren niet te doen instorten, roept zijn honden om met deze het warme leger te deelen, en legt zich te slapen. Wel is waar valt van den steeds voortglimmenden boom gedurende den nacht nu en dan een stuk kool op jager en hond, maar een Siberische jagerspels verdraagt evenveel als een Siberische hondenpels, zulk een brandend blok hout verwarmt beter dan een veel grooter, vrij brandend vuur, warmt den kuil door en door, evenals een Siberische kachel de kamer en maakt in ’t algemeen het overnachten in een bosch mogelijk.Uitgerust en versterkt staan de jagers bij ’t krieken van den dag op, ontbijten en trekken verder. Bereikt men gunstige jachtvelden, die elken winter bezocht worden, dan toeft men aldaar langer of korter tijd, al naar omstandigheden. Op sommige plaatsen kan men eene uit boomstammenvervaardigdejachthut betrekken, die aldaar in vroegere jaren werd opgericht. Tevens vindt men op zulk een terrein oude en nieuwe slagvallen, die nu weder op vang gesteld worden, en die men elken morgen onderzoekt. Een en ander vordert veel tijd, daar die vallen zeer ver uiteen liggen; ons jachtgezelschap verwijlt dan ook menigmaal eene week en nog langer op zulk eene plaats in het bosch en jaagt haar volledig af, alvorens de reis voort te zetten.Op deze wijze jagende brengen vele Siberiërs het grootste deel van den winter in het bosch door. Voor het begin dier tochten wordt gewoonlijk met den een of anderen koopman een verdrag aangegaan. De jager verbindt zich, tegen een vooraf bepaalden, gemiddelden prijs,[115]alle huiden aan den koopman af te staan, en de handelaar neemt op zich alle hem geleverde artikelen, zonder uitzondering, in ontvangst te nemen. Is de jager gelukkig, dan brengt de jacht hem nog heden ten dage genoeg op om er van te leven, althans er de behoeften des winters mede te bestrijden; in ’t algemeen echter loont ook dit jachtbedrijf de daarmede verbonden moeite en ontberingen niet, en slechts een zoo weinig eischend mensch als de Siberische jager pleegt te zijn, is in staat daarin nog een bestaan te vinden.De berenjacht is in de oogen van den West-Siberiër het roemvolste en moeilijkste bedrijf. Vriend Petz is in ons gebied volstrekt niet dat gemoedelijke wezen, gelijk hier en daar nog in Oost-Siberië; veeleer, zooals bijna overal, een lomp, ongemanierd beest, dat wel is waar in den regel voor den mensch de vlucht neemt, maar dat, als hij gewond is of in de engte gedreven wordt, moedig den strijd bestaat en alsdan zeer gevaarlijk kan worden. In weêrwil van de sterke vervolging, waaraan hij bloot staat is de beer nog nergens uitgeroeid; integendeel hij komt nog altijd veel voor. Hij bewandelt steeds zijn eigen weg en vertoont zich weinig op de door menschen bezochte plaatsen. Daarmede wil niet gezegd worden dat bruintje in ’t geheel niet bij menschelijke woningen komt, of dat hij ze zelfs vermijdt; want hij houdt zich niet zelden in de onmiddellijke nabijheid der dorpen op, en overvalt soms de huisdieren voor de oogen der bewoners; maar hij vertoont zich zoo ongeregeld, dat vele Siberiërs er nog nooit een gezien, nog nooit een in het bosch ontmoet hebben. Het schijnt dat hij den ganschen zomer door heen en weêr trekkende is. Hij zwerft door de bosschen, zonder zich hier aan bepaalde wegen te binden; klimt, al naar den vorm der bergen, hierbij meer of minder regelmatig betreden paden volgende, in den nazomer de hoogten op, en keert tegen het begin van den winter naar de laagte terug; houdt ten tijde van het rijpen van het koren zich op aan den buitenkant van het woud, om op zijn gemak in de naburige velden te plunderen, verlaat ook soms geheel en al het bosch om de aangrenzende steppe op te zoeken, ook wel die berghellingen, welke het karakter van steppen dragen, houdt zich langen tijd op bepaalde plaatsen op, of trekt, zonder op ééne plaats te toeven, naar eene andere, immer en overal van de oogenblikkelijke gelegenheid gebruik makende om eene lievelingsspijs machtig te worden.In de meeste streken is hij bepaald een planteneter; hier en daar[116]wordt hij tot een gevreesd roofdier, op weer andere plaatsen maakt hij jacht op aas. In het voorjaar vreet hij van alles wat hij maar vinden kan, beloert van uit eene hinderlaag listig het vee, dat al grazende de bosschen intrekt, om bliksemsnel op een der dieren aan te vallen, of met ongemeene vlugheid na te rennen; hij grijpt het, werpt het ter aarde, vermoordt het, vreet zich zat en begraaft, ofschoon vrij onhandig, de rest, om later nog een maal te hebben. Tijdens veeziekte spoort hij de mestvaalten op ten einde van de lijken der gestorven huisdieren te smullen; ja, men heeft hem zelfs wel eens op kerkhoven den lijkendief zien spelen. In den zomer plundert hij de korenvelden, berooft de nesten der wilde bijen en de bijenkorven, graaft de wespen- en hommelnesten uit, verwoest de mierenhoopen om de poppen te vermeesteren, wentelt oude, gevallen boomen om, ten einde de daaronder liggende kevers, maden en larven buit te maken, doet zelfs vermolmde boomen omstorten, om zich de daarin levende insectenlarven toe te eigenen. In den herfst voedt hij zich bijna uitsluitend met allerlei bessen, ook die, welke hij eerst van de boomen moet halen, zooals b.v. de vruchten van de vogelkers; wanneer de piniolen rijp zijn, spoort hij deze op; daartoe beklimt hij hooge boomen, wier takken en kruinen hij afbreekt. Uren lang snuffelt hij om de voorraadschuren, waarin de piniolen voorloopig worden bewaard, en blijft niet in gebreke zich met geweld een weg tot derzelver binnenste te banen als hij slechts eenigszins daartoe de kans schoon ziet. Nu en dan gaat hij bij afwisseling visschen, en dit somtijds met gunstigen uitslag. Voor den mensch slaat hij geregeld op de vlucht; toch besluit hij ook eene enkele maal, en dan zonder zich lang te bedenken, tot den aanval, in dit geval zelfs geen overmacht ontziende. Al naar de weêrsgesteldheid betrekt hij nu eens vroeger dan weer iets later zijn winterkwartier om te slapen. Voor leger kiest hij bij voorkeur eene geschikte plaats onder een ouden, reusachtigen, omgevallen boom, graaft hier allereerst een ondiepen kuil uit, welks bodem hij met dennennaalden en eene laag mos ter dikte van 50 centimeter bedekt, bekleedt met dit laatste ook de zijwanden, bedekt alles van buiten met boomtakken, en laat zich insneeuwen. Wordt hij in het gebergte door de eerste sneeuwbui overvallen, dan daalt hij niet altijd naar de laagte, maar bergt zich in eene rotskloof, die zoo goed mogelijk bekleed wordt, of hij verwijdt het nest van de een of andere marmottensoort zooveel als noodig is en brengt daarin dan den winter door. Eenmaal ingeslapen ligt hij zoo vast, dat men[117]hem slechts met groote moeite kan opjagen; hij bijt dan zeer boosaardig in de ijzeren staven, waarmede men hem port, knort en brult en gehoorzaamt dan eerst wanneer men tot vuurpijlen of vuur de toevlucht neemt. Eindelijk stormt hij, zoo hij niet verwond is geworden, als een opgeschrikte ever naar buiten, doet zijn behoefte, en zoekt zijn heil in eene overhaaste vlucht. De berin brengt, volgens de eenstemmige berichten van alle ervaren jagers, slechts om den anderen winter jongen ter wereld, en wel gedurende den diepsten slaap; zij ontwaakt, gelijk men veronderstelt, slechts kort voor de baring, lekt de kleinen schoon en droog, legt ze aan de tepels en slaapt dan met tusschenpoozen weêr voort. Op het einde van Mei of in de maand Juni zoekt zij hare vroeger geboren, dus twee- en zelfs de vierjarige kinderen weer op, en dwingt deze alspestoenof kindermeiden dienst te doen.Ofschoon men in West-Siberië het anders volstrekt niet onsmakelijk vleesch van den beer weinig op prijs stelt, en berenhammen meer om de aardigheid toebereidt en opdischt dan om zich werkelijk een lekker maal te verschaffen, levert de berenjacht toch goede winsten op.De pels dient voornamelijk tot het vervaardigen van dekens voor de sleden, is zeer gezocht en wordt duur betaald; de tanden en nagels zijn in de oogen van Ostjaken en Samojeden, zelfs in die van de West-Siberische boeren krachtige talismans; ook de beenderen worden soms gebruikt. De scheurtand van een in eerlijken strijd gevelden beer schenkt den Ostjak, gelijk hij meent, bovennatuurlijke gaven, in ’t bijzonder moed, kracht en sterkte, ook wel eens onkwetsbaarheid; een klauw, vooral de vierde van den rechter voorpoot, die met den ringvinger overeenkomt, dwingt—volgens het geloof van alle minnende jonge meisjes in den Oeral, iederen jongeling, die heimelijk door haar daarmede werd gekrabd, tot vurige liefde; tand en klauw staan dus hoog in prijs en vuren menigen jager nog meer dan geleden schade aan, om dit vreeselijkste aller roofdieren des avonds op te sporen en te bestrijden. Deze jacht is echter alles behalve gemakkelijk of zonder gevaar. Vallen, die een goed resultaat opleveren, kent men niet; men moet dus altijd den beer opzoeken, en met het wapen in de hand, met de hulp van goed gedresseerde honden, den strijd met hem bestaan. In den zomer wordt de jacht bemoeilijkt door de ongedurigheid van den beer; in den winter is het eerder mogelijk een leger op te sporen en daarin of daarvoor den slaper te dooden. De arme boer, die dit leger ontdekt, verkoopt zijn beer aan den een of ander welgestelden jager; deze trekt met den[118]boer en eenige metgezellen op een gunstigen dag ter jacht, omringt het winterverblijf des roofdiers met geoefende schutters, laat door drijvers den beer wekken en onder schot brengen, en schiet op denkortstmogelijken afstand het geweer af. Op deze wijze worden de meeste beren gedood; voor geoefende schutters is deze soort van jacht dan ook het minst gevaarlijk. In den zomer en in den herfst zoekt men den beer, wiens spoor men heeft ontdekt, of dien men zelf heeft gezien, met behulp van kleine honden op, laat hem door deze dieren op eene geschikte plaats voeren en vuurt dan op het juiste oogenblik den kogel af; of wel, men maakt op de wijs der moedige Ostjaken, gebruik van de berenspies en laat het dier daarin rennen; of men omwikkelt den linkerarm goed met berkenbast, houdt dit pantser den aansnellenden beer voor en stoot hem op het oogenblik dat hij in den berkenbast bijt, een breed en lang mes in het hart. Beide wijzen van jagen gaan dikwijls gepaard met ongelukken. Sommige jagers echter krijgen mettertijd zooveel onverschrokkenheid en behendigheid, dat zij boven elk ander wapen aan spies of mes de voorkeur geven. Een boerenmeisje uit het dorp Morschowa in den Oeral, wier roem zich over geheel West-Siberië heeft verbreid, zou met het mes reeds meer dan dertig beren gedood hebben.Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe, gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd.Twee Zweden,AbergenErlandjagen in den Oeral op hazelhoenders; de eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot, brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even[119]goed gevolg als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben.De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om, herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen, wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle klokken te trekken.Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen; midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier, het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken[120]schrille kreten van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste, die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon.Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd, wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië.[121]

De vos leeft overal met den wolf in vijandschap en wordt door dezen belaagd, gejaagd, gedood en opgegeten. Dientengevolge is de vos in Siberië niet menigvuldig; hem uit te roeien vermocht tot dusverre noch zijn vijandelijk gezinde bloedverwant, noch de mensch. In het oostelijk deel van den woudgordel onderneemt hij bij tijd en wijle uitgestrekte wandeltochten, terwijl hij of hazen of boschhoenders nazit; in het westen schijnt men tot dusverre deze opmerking nog niet gemaakt te hebben. Over schade, die hij zou aanrichten, klaagt men in Siberië niet; toch wordt er ijverig jacht op hem gemaakt, daar zijn vel zoowel bij de Russen als bij de inboorlingen hoog in aanzien staat; dit wordt zelfs zeer duur betaald, indien het bijzonder schoon van kleur is. Als jachtdier wordt de sabelmarter alleen hooger gesteld. Jagers van beroep ondernemen ’s winters enkel om den vos jachten, die bijna even diep in de bosschen leiden als de sabeljager hierin doordringt;Ostjakenen Samojeden stellen hunne automatische schietbogen voornamelijk voor den vos, en vinden geen moeite te groot om een nest uitvindig te maken, dat jongen bevat. Deze worden uitgegraven, echter niet om ze te dooden, maar om ze zorgvuldig op te kweeken en te verplegen, totdat ze groot en krachtig zijn geworden en met den eersten of tweeden winter een pels hebben erlangd, die den braven dierenverzorger meer waard is dan het leven zijner lieve pleegkinderen en deze zonder genade doet overleveren aan den worgenden strik.Onder zekere voorwaarden mag ook de poolvos tot de dieren van den woudgordel gerekend worden; in de bosschen zelf dringt dit dier evenwel niet, maar hij volgt in den winter hoogstens den loop der groote rivieren[109]om nu en dan in het zuiden der toendra, zijn eigenlijke woonplaats, op trekkende hazen en moerashoenders te jagen.Een boschbewoner daarentegen in den volsten zin des woords is de losch. Deze leeft ook in Siberië eenzaam en wordt maar zelden gevangen. Waarschijnlijk verlaat hij zijn eigenlijke verblijfplaats, de dichtste deelen van het binnenste der bosschen, alleen dan, wanneer gebrek aan voedsel of het gevoel der liefde hem drijft; alsdan nadert hij den zoom des wouds. Ervaren jagers van den oostelijken Oeral beweren, dat hij met den beer niet alleen dezelfde woonplaats deelt, maar ook in de nabijheid van diens winterkwartier blijft toeven, nadat deze reeds den winterslaap heeft aangevangen. Dezelfde jagers verzekeren, dat de voorliefde van den losch voor de winterslaapstede des beers dezen in den val brengt, daar men eenvoudig op die plaatsen, alwaar de meeste sporen van den losch elkaar kruisen, een nader onderzoek in ’t werk heeft te stellen, terwijl men te meer zeker is van een goeden uitslag, indien men een kringvormig spoor aantreft, dewijl dit steeds om het winterkwartier van den beer heenloopt. De gewoonte van den losch om met bijkans angstvallige zorgvuldigheid altijd weer in het oude spoor te treden, zou het opsporen van den beer zeer in de hand werken. Ter nadere verklaring voegt men aan deze verhalen nog toe, dat de losch in Siberië zeer belust is op versch aas, en dus waarschijnlijk de nabuurschap van een beer opzoekt om, als de gelegenheid zich voordoet, te smullen van de overblijfsels van het berenmaal. Wel is waar weet men ook van den losch te vertellen, dat hij zeer goed in staat is om ook zonder de hulp van een zoo twijfelachtigen vriend grof wild te bemachtigen, en dat hij in het bijzonder rendieren en reeën naarstig vervolgt en spoedig vermeestert, maar men verzekert er geregeld bij, dat de jacht van den losch hoofdzakelijk bepaald blijft tot klein wild; als zoodanig noemt men hazen, aard- en boomeekhoorntjes, auerhoenders, korhoenders en hazelhoenders, muizen, jonge vogels van allerlei soort en meer andere dieren.Wij hebben geen reden om deze opgaaf te wantrouwen; daardoor toch wordt ook het zeldzaam voorkomen van dit roofdier in alle voor den mensch toegankelijke grenswouden of boschzoomen verklaard. Zoolang er eekhoorntjes en zwart vogelwild in het binnenste der bosschen huizen, heeft de losch geen aanleiding om de door den mensch niet bezochte wildernis te verlaten; als die dieren beginnen te trekken moet ook hij echter wel volgen. Hoeveel vrees het zwarte vogelwild[110]voor hem koestert merkt men daaraan, dat elk balderend auer- of korhoen oogenblikkelijk zwijgt, wanneer een losch zich laat hooren.De losschenjacht geldt bij vreemdelingen en Siberiërs voor een zeer edel jachtvermaak. De zeldzaamheid, voorzichtigheid, vlugheid en weerbaarheid van den trotschen lynx bezielt iederen jager en zoowel de huid als het vleesch van het gedoode roofdier schenkt een niet onaanzienlijk gewin. De huid wordt van uit West-Siberië vooral naar China verzonden en daar goed betaald; het vleesch wordt niet enkel gegeten door de Mongoolsche bevolking, maar ook door de meeste Russische kolonisten, en allen vinden het een kostelijk gebraad. In slagvallen laat de losch zich niet dikwijls vangen; hij werpt ze vaak omver wanneer zijn weg hem langs de slagboomen voert en hij bij toeval op de stelplank trapt; ook de automatische schietboog mist bij hem meestal het doel, terwijl hij over de op zijn spoor gelegde klem meestal heenspringt; den jager rest alzoo slechts het geweer. Natuurlijk jaagt men den losch enkel in den winter, wanneer er sneeuw ligt en dus zijn spoor zichtbaar is, en men gebruik kan maken van sneeuwschoenen. Dappere honden drijven het eindelijk opgespoorde roofdier op een boom of op den grond, waarbij zij zelf niet zelden erbarmelijk worden toegetakeld, zoo niet gedood. Zelfs de jager loopt gevaar door den in het nauw gebrachten en woedend zich verdedigenden losch aangevallen te worden.Terwijl de wilde kat, die door den losch even onverbiddelijk wordt vervolgd als de vos door den wolf, niet in den boomgordel van West-Siberië voorkomt, maakt de grootste en vreeselijkste aller katten, de tijger hier somwijlen zijne verschijning. Twee in de jaren 1838 en 1848 bij Bäsk en Slangenberg gevelde tijgers prijken opgezet in het museum van Barnaul; een derde, die tusschen 1870 en 1880 werd gedood, bevindt zich in het schoolmuseum van Omsk; een vierde bracht omstreeks 1870 de bewoners van de kreits Tschelaba, dicht bij den Europeeschen Oeral gelegen, in rep en roer; dit beest greep, zonder getergd te zijn, eenige boeren aan, maar liep verschrikt weg, enkel en alleen door het zien van een roode muts, die men hem toewierp. In de steppengebergten van Turkestan en in het geheele zuiden van Oost-Siberië komt de „beheerscher” gelijk de Dauren den tijger noemen, geregeld op bepaalde plaatsen voor en van beide zijden dwaalt hij waarschijnlijk, vaker dan men constateeren kan, naar den westelijken woudgordel af; wellicht houdt hij zich hier, zonder opgemerkt te[111]worden, langen tijd op om even ongemerkt weder terug te trekken. Hij verschijnt evenwel toch zeer zelden en ongeregeld, zoodat men hem niet wel eene plaats kan aanwijzen onder het wild van ons gebied.Ongetwijfeld is dit wel het geval met de kostbaarste aller pelsdieren, de verschillende martersoorten. Men klaagt wel is waar meer over de vermindering dezer dieren dan van alle ander wild, toch vangt men er nog genoeg, althans in sommige streken. Alleen de sabel is in de laatste tientallen van jaren werkelijk zeldzaam geworden. Oude jagers uit den Midden-Oeral herinneren zich in de nabijheid der stad Tagilsk elken winter sabels gevangen te hebben; tegenwoordig ontmoet men op gemelde breedte van het gebergte slechts sporadisch, en dan nog hoogst zelden een afgedwaalden marter dezer soort. Naar men zegt heeft een groote brand in de bosschen van het middelgedeelte des oostelijken Oerals deze zoo algemeen begeerde en gejaagde pelsdieren verdreven. Hetzelfde wordt beweerd in de boschdorpen aan den benedenloop der Ob, waar de sabeljacht nu nog wordt gedreven, zoodatb.v.van daar op de markt van Jelisaroff elken winter ongeveer twintig pelzen worden gebracht. Veel talrijker is in alle wouden van West-Siberië de edelmarter.In het ontegenzeggelijk vrij uitgestrekte jachtgebied der zooeven genoemde stad Tagilsk maakt men elken winter nog altijd van dertig tot tachtig vellen dezer dieren buit. Dat de edelmarter veel meer dan de sabelmarter in gezelschap van het eekhoorntje voorkomt, met dit beestje verschijnt en verdwijnt, is het gevoelen van alle ervaren jagers. De roofzuchtige makker vergenoegt zich echter geenszins met zijn lievelingswild, maar vermoordt nog daarenboven elk dier, dat hij maar kan machtig worden en is vooral gevaarlijk voor auer- en korhoenders. Gelukt hem reeds in den zomer menige sprong op dezen of genen dier waakzame vogels, in den winter komt hem de gewoonte van dit wild om in sneeuwholten te slapen uitnemend bij zijn streken en treken te stade. Bijna onhoorbaar van tak tot taksluipend, nadert hij de ingegraven vogels tot op sprongsafstand en valt hen van boven aan, door met krachtigen stoot op den bovenwand der slaapruimte te springen, waardoor deze breekt, terwijl hij een der slapers bij den nek heeft gepakt, vóór deze de vlucht kon nemen.De steenmarter komt eveneens nog overal in hoogwouden voor, is echter veel zeldzamer dan zijn bloedverwant;bunzing, hermelijn en wezel zijn overal verbreid en hier en daar zelfs vrij talrijk; de mink[112]daarentegen wordt wel op de westelijke, maar niet op de oostelijke helling van den Oeral aangetroffen en ontbreekt reeds in de hier ontspringende nevenstroomen van Irtisch en Ob, die, evenals genoemde rivieren zelf, den vischotter in groote menigte herbergen; de das wordt in West-Siberië bijna niet genoemd, terwijl de wijd en zijd verbreide veelvraat het minst van alle marters in aanzien staat en meer een voorwerp van jacht uitmaakt wegens zijn dieverijen in de slagvallen dan om zijn huid.ELANDEN EN AUERHOENDERS.ELANDEN EN AUERHOENDERS.Ofschoon het westen van Siberië doorgaat voor een afgejaagd gebied, rusten zich toch ook hier elk jaar de woudbewoners uit voor de jacht op sabels en andere martersoorten. Sommige jagers ondernemen, ten einde de pelsdieren machtig te worden, zwerftochten en reizen, die in niets onder doen voor die der Amerikaansche pelsjagers.De jacht geldt natuurlijk niet enkel marters, maar alle mogelijk wild; marters en eekhoorns maken evenwel het hoofddoel uit. Al naar deze laatste dieren vroeger of later van kleur verwisselen, regelt men ook het vertrek uit de dorpen, waar men woont; men ziet n.l. in die verkleuring het bewijs, dat de winter nadert, terwijl almede diens meerdere of mindere strengheid met dien tijd in verband wordt gebracht.Gewapend en uitgerust, gelijk wij reeds vermeld hebben, vangen de sabeljagers, zoodra de eerste sneeuw is gevallen, in troepjes van drie tot vijf personen hun boschreizen aan. Ieder dezer mannen draagt behalve zijn geweer en verder schiettuig, een zak op den rug, sneeuwschoenen en een bijl over den schouder, een zweep in den gordel. In den zak bergt men de noodzakelijkste levensmiddelen, als brood, meel, spek, zout en tegelthee, en verder eenig gereedschap zooals een pan, een theepot, beker, lepel, enz. in sommige gevallen ook een flesch brandewijn; de zweep dient om de eekhoorns op te jagen en in ’t gezicht te krijgen. Vier à zes honden, die het oog van elken fatsoenlijken jager geweld aandoen, begeleiden de jachtgenooten.Terwijl men zich richt naar den stand der bekende sterrenbeelden en naar dien der helaas zich dagen achtereen soms verschuilende zon, zwerven de geharde jagers dagen en weken lang door de gure wildernis, overnachten er in en leven met hunne honden hoofdzakelijk van het geschoten wild, ten einde den medegenomen voorraad zoolang mogelijk te sparen. De leelijke, maar verstandige en omzichtige honden slaan niet alleen acht op elk spoor, maar bespieden ook met geoefend oog de op de boomen verscholen marters en eekhoorntjes, geven met[113]blaffen kennis van hun aanwezigheid, en houden u zoolang vast tot de jager nabij gekomen is. Deze schrijdt langzaam voort met de onverstoorbare koelbloedigheid, die allen woudjagers eigen is, legt zijn lang roer bedachtzaam op een tak, of zoo noodig, op de vork, die aan ’t uiteinde van den loop is aangebracht, mikt geruimen tijd en geeft eindelijk vuur.In het begin van den jachttijd laten de eekhoorntjes, en zelfs de edelmarters, terwijl zij zich uitsluitend met de honden bezighouden, den jager tijd om tot op weinige meters afstands te naderen; spoedig evenwel worden zij slimmer en bemoeilijken den schutter het rustig en zeker mikken. Gelukt het dezen toch om den kogel door een der oogen van het dier te jagen, dan is hij zeer tevreden, dewijl hij niet alleen een ongeschonden huid krijgt, maar ook het lood nog eenmaal kan gebruiken. Onmiddellijk nadat hij het gevallen wild in handen heeft gekregen, stroopt hij het af,—bij marters en eekhoorns perst hij de ingewanden door de mondspleet—slaat de hersenpan stuk om den kogel terug te krijgen, en bergt daarna vel en vleesch, van elkaar gescheiden, in zijn rugzak.In geval de eekhoorntjes overvloedig zijn is deze jacht even voordeelig als amusant. Ieder jager gebruikt den korten dag zooveel zijn krachten hem dit veroorlooven; het eene schot volgt ras op het andere en een nieuwe buit rust naast den eersten. Neemt het laden der geweren veel tijd in beslag, het afstroopen der buitgemaakte dieren gaat des te sneller; ieder jager doet zijn best. Zonder te rusten, zonder te eten of zelfs te rooken, trekt het jachtgezelschap voorwaarts. De speurende honden dwalen nu eens van het gezelschap af, straks zijn zij weer in de nabijheid; de scherpe knal der buksen en het vroolijke geblaf der honden schenkt afwisseling.De een telt de schoten, een ander benijdt het geluk van zijn makker of heet er hem geluk mee. Is daarentegen de winter arm aan wild, brengt zelfs het onophoudelijk klappen der zweep geen eekhoorntje te voorschijn, laat zich sabel noch edelmarter zien, bespeurt men eland noch rendier; dan trekken jagers en honden zwijgend door het woud, en schraalhans-keukenmeester brengt verder alles in eene nog slechter luim.Met het aanbreken van den nacht beginnen onze jagers er aan te denken hun nachtverblijf gereed te maken. Ieder hunner graaft onder een ouden, dikken, omgevallen boomstam een kuil in de sneeuw uit,[114]waarin juist een man kan liggen en ontsteekt daarin een groot vuur. Daarop reinigt een ander, zoo mogelijk in ’t midden van alle kuilen en onder bescherming van dichtkronige dennen of sparren, een cirkelvormige ruimte van de sneeuw; een derde sleept brandhout aan; een vierde ontsteekt op die plek een nog grooter vuur; een vijfde maakt het avondeten gereed. Genoeg eekhoorns werden toch geveld om eene krachtige vleeschsoep te maken en er de meelbrij of de snede brood mede te kruiden. Men eet, geeft de honden hun fatsoenlijk aandeel, verkwikt zich aan de thee, steekt het korte pijpje aan en onderhoudt elkander naar jagerswijs over de lotgevallen van den dag. Intusschen heeft het vuur in de kuilen de sneeuw doen smelten, daar boven den boom in brand gestoken en zoo de slaapstede door en door verwarmd. Zorgvuldig schuift iedere jager de in den kuil nog glimmende kolen naar het uiteinde, kruipt er in, terwijl hij zorg draagt zooveel mogelijk de zijdelingsche sneeuwmuren niet te doen instorten, roept zijn honden om met deze het warme leger te deelen, en legt zich te slapen. Wel is waar valt van den steeds voortglimmenden boom gedurende den nacht nu en dan een stuk kool op jager en hond, maar een Siberische jagerspels verdraagt evenveel als een Siberische hondenpels, zulk een brandend blok hout verwarmt beter dan een veel grooter, vrij brandend vuur, warmt den kuil door en door, evenals een Siberische kachel de kamer en maakt in ’t algemeen het overnachten in een bosch mogelijk.Uitgerust en versterkt staan de jagers bij ’t krieken van den dag op, ontbijten en trekken verder. Bereikt men gunstige jachtvelden, die elken winter bezocht worden, dan toeft men aldaar langer of korter tijd, al naar omstandigheden. Op sommige plaatsen kan men eene uit boomstammenvervaardigdejachthut betrekken, die aldaar in vroegere jaren werd opgericht. Tevens vindt men op zulk een terrein oude en nieuwe slagvallen, die nu weder op vang gesteld worden, en die men elken morgen onderzoekt. Een en ander vordert veel tijd, daar die vallen zeer ver uiteen liggen; ons jachtgezelschap verwijlt dan ook menigmaal eene week en nog langer op zulk eene plaats in het bosch en jaagt haar volledig af, alvorens de reis voort te zetten.Op deze wijze jagende brengen vele Siberiërs het grootste deel van den winter in het bosch door. Voor het begin dier tochten wordt gewoonlijk met den een of anderen koopman een verdrag aangegaan. De jager verbindt zich, tegen een vooraf bepaalden, gemiddelden prijs,[115]alle huiden aan den koopman af te staan, en de handelaar neemt op zich alle hem geleverde artikelen, zonder uitzondering, in ontvangst te nemen. Is de jager gelukkig, dan brengt de jacht hem nog heden ten dage genoeg op om er van te leven, althans er de behoeften des winters mede te bestrijden; in ’t algemeen echter loont ook dit jachtbedrijf de daarmede verbonden moeite en ontberingen niet, en slechts een zoo weinig eischend mensch als de Siberische jager pleegt te zijn, is in staat daarin nog een bestaan te vinden.De berenjacht is in de oogen van den West-Siberiër het roemvolste en moeilijkste bedrijf. Vriend Petz is in ons gebied volstrekt niet dat gemoedelijke wezen, gelijk hier en daar nog in Oost-Siberië; veeleer, zooals bijna overal, een lomp, ongemanierd beest, dat wel is waar in den regel voor den mensch de vlucht neemt, maar dat, als hij gewond is of in de engte gedreven wordt, moedig den strijd bestaat en alsdan zeer gevaarlijk kan worden. In weêrwil van de sterke vervolging, waaraan hij bloot staat is de beer nog nergens uitgeroeid; integendeel hij komt nog altijd veel voor. Hij bewandelt steeds zijn eigen weg en vertoont zich weinig op de door menschen bezochte plaatsen. Daarmede wil niet gezegd worden dat bruintje in ’t geheel niet bij menschelijke woningen komt, of dat hij ze zelfs vermijdt; want hij houdt zich niet zelden in de onmiddellijke nabijheid der dorpen op, en overvalt soms de huisdieren voor de oogen der bewoners; maar hij vertoont zich zoo ongeregeld, dat vele Siberiërs er nog nooit een gezien, nog nooit een in het bosch ontmoet hebben. Het schijnt dat hij den ganschen zomer door heen en weêr trekkende is. Hij zwerft door de bosschen, zonder zich hier aan bepaalde wegen te binden; klimt, al naar den vorm der bergen, hierbij meer of minder regelmatig betreden paden volgende, in den nazomer de hoogten op, en keert tegen het begin van den winter naar de laagte terug; houdt ten tijde van het rijpen van het koren zich op aan den buitenkant van het woud, om op zijn gemak in de naburige velden te plunderen, verlaat ook soms geheel en al het bosch om de aangrenzende steppe op te zoeken, ook wel die berghellingen, welke het karakter van steppen dragen, houdt zich langen tijd op bepaalde plaatsen op, of trekt, zonder op ééne plaats te toeven, naar eene andere, immer en overal van de oogenblikkelijke gelegenheid gebruik makende om eene lievelingsspijs machtig te worden.In de meeste streken is hij bepaald een planteneter; hier en daar[116]wordt hij tot een gevreesd roofdier, op weer andere plaatsen maakt hij jacht op aas. In het voorjaar vreet hij van alles wat hij maar vinden kan, beloert van uit eene hinderlaag listig het vee, dat al grazende de bosschen intrekt, om bliksemsnel op een der dieren aan te vallen, of met ongemeene vlugheid na te rennen; hij grijpt het, werpt het ter aarde, vermoordt het, vreet zich zat en begraaft, ofschoon vrij onhandig, de rest, om later nog een maal te hebben. Tijdens veeziekte spoort hij de mestvaalten op ten einde van de lijken der gestorven huisdieren te smullen; ja, men heeft hem zelfs wel eens op kerkhoven den lijkendief zien spelen. In den zomer plundert hij de korenvelden, berooft de nesten der wilde bijen en de bijenkorven, graaft de wespen- en hommelnesten uit, verwoest de mierenhoopen om de poppen te vermeesteren, wentelt oude, gevallen boomen om, ten einde de daaronder liggende kevers, maden en larven buit te maken, doet zelfs vermolmde boomen omstorten, om zich de daarin levende insectenlarven toe te eigenen. In den herfst voedt hij zich bijna uitsluitend met allerlei bessen, ook die, welke hij eerst van de boomen moet halen, zooals b.v. de vruchten van de vogelkers; wanneer de piniolen rijp zijn, spoort hij deze op; daartoe beklimt hij hooge boomen, wier takken en kruinen hij afbreekt. Uren lang snuffelt hij om de voorraadschuren, waarin de piniolen voorloopig worden bewaard, en blijft niet in gebreke zich met geweld een weg tot derzelver binnenste te banen als hij slechts eenigszins daartoe de kans schoon ziet. Nu en dan gaat hij bij afwisseling visschen, en dit somtijds met gunstigen uitslag. Voor den mensch slaat hij geregeld op de vlucht; toch besluit hij ook eene enkele maal, en dan zonder zich lang te bedenken, tot den aanval, in dit geval zelfs geen overmacht ontziende. Al naar de weêrsgesteldheid betrekt hij nu eens vroeger dan weer iets later zijn winterkwartier om te slapen. Voor leger kiest hij bij voorkeur eene geschikte plaats onder een ouden, reusachtigen, omgevallen boom, graaft hier allereerst een ondiepen kuil uit, welks bodem hij met dennennaalden en eene laag mos ter dikte van 50 centimeter bedekt, bekleedt met dit laatste ook de zijwanden, bedekt alles van buiten met boomtakken, en laat zich insneeuwen. Wordt hij in het gebergte door de eerste sneeuwbui overvallen, dan daalt hij niet altijd naar de laagte, maar bergt zich in eene rotskloof, die zoo goed mogelijk bekleed wordt, of hij verwijdt het nest van de een of andere marmottensoort zooveel als noodig is en brengt daarin dan den winter door. Eenmaal ingeslapen ligt hij zoo vast, dat men[117]hem slechts met groote moeite kan opjagen; hij bijt dan zeer boosaardig in de ijzeren staven, waarmede men hem port, knort en brult en gehoorzaamt dan eerst wanneer men tot vuurpijlen of vuur de toevlucht neemt. Eindelijk stormt hij, zoo hij niet verwond is geworden, als een opgeschrikte ever naar buiten, doet zijn behoefte, en zoekt zijn heil in eene overhaaste vlucht. De berin brengt, volgens de eenstemmige berichten van alle ervaren jagers, slechts om den anderen winter jongen ter wereld, en wel gedurende den diepsten slaap; zij ontwaakt, gelijk men veronderstelt, slechts kort voor de baring, lekt de kleinen schoon en droog, legt ze aan de tepels en slaapt dan met tusschenpoozen weêr voort. Op het einde van Mei of in de maand Juni zoekt zij hare vroeger geboren, dus twee- en zelfs de vierjarige kinderen weer op, en dwingt deze alspestoenof kindermeiden dienst te doen.Ofschoon men in West-Siberië het anders volstrekt niet onsmakelijk vleesch van den beer weinig op prijs stelt, en berenhammen meer om de aardigheid toebereidt en opdischt dan om zich werkelijk een lekker maal te verschaffen, levert de berenjacht toch goede winsten op.De pels dient voornamelijk tot het vervaardigen van dekens voor de sleden, is zeer gezocht en wordt duur betaald; de tanden en nagels zijn in de oogen van Ostjaken en Samojeden, zelfs in die van de West-Siberische boeren krachtige talismans; ook de beenderen worden soms gebruikt. De scheurtand van een in eerlijken strijd gevelden beer schenkt den Ostjak, gelijk hij meent, bovennatuurlijke gaven, in ’t bijzonder moed, kracht en sterkte, ook wel eens onkwetsbaarheid; een klauw, vooral de vierde van den rechter voorpoot, die met den ringvinger overeenkomt, dwingt—volgens het geloof van alle minnende jonge meisjes in den Oeral, iederen jongeling, die heimelijk door haar daarmede werd gekrabd, tot vurige liefde; tand en klauw staan dus hoog in prijs en vuren menigen jager nog meer dan geleden schade aan, om dit vreeselijkste aller roofdieren des avonds op te sporen en te bestrijden. Deze jacht is echter alles behalve gemakkelijk of zonder gevaar. Vallen, die een goed resultaat opleveren, kent men niet; men moet dus altijd den beer opzoeken, en met het wapen in de hand, met de hulp van goed gedresseerde honden, den strijd met hem bestaan. In den zomer wordt de jacht bemoeilijkt door de ongedurigheid van den beer; in den winter is het eerder mogelijk een leger op te sporen en daarin of daarvoor den slaper te dooden. De arme boer, die dit leger ontdekt, verkoopt zijn beer aan den een of ander welgestelden jager; deze trekt met den[118]boer en eenige metgezellen op een gunstigen dag ter jacht, omringt het winterverblijf des roofdiers met geoefende schutters, laat door drijvers den beer wekken en onder schot brengen, en schiet op denkortstmogelijken afstand het geweer af. Op deze wijze worden de meeste beren gedood; voor geoefende schutters is deze soort van jacht dan ook het minst gevaarlijk. In den zomer en in den herfst zoekt men den beer, wiens spoor men heeft ontdekt, of dien men zelf heeft gezien, met behulp van kleine honden op, laat hem door deze dieren op eene geschikte plaats voeren en vuurt dan op het juiste oogenblik den kogel af; of wel, men maakt op de wijs der moedige Ostjaken, gebruik van de berenspies en laat het dier daarin rennen; of men omwikkelt den linkerarm goed met berkenbast, houdt dit pantser den aansnellenden beer voor en stoot hem op het oogenblik dat hij in den berkenbast bijt, een breed en lang mes in het hart. Beide wijzen van jagen gaan dikwijls gepaard met ongelukken. Sommige jagers echter krijgen mettertijd zooveel onverschrokkenheid en behendigheid, dat zij boven elk ander wapen aan spies of mes de voorkeur geven. Een boerenmeisje uit het dorp Morschowa in den Oeral, wier roem zich over geheel West-Siberië heeft verbreid, zou met het mes reeds meer dan dertig beren gedood hebben.Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe, gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd.Twee Zweden,AbergenErlandjagen in den Oeral op hazelhoenders; de eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot, brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even[119]goed gevolg als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben.De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om, herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen, wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle klokken te trekken.Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen; midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier, het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken[120]schrille kreten van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste, die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon.Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd, wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië.[121]

De vos leeft overal met den wolf in vijandschap en wordt door dezen belaagd, gejaagd, gedood en opgegeten. Dientengevolge is de vos in Siberië niet menigvuldig; hem uit te roeien vermocht tot dusverre noch zijn vijandelijk gezinde bloedverwant, noch de mensch. In het oostelijk deel van den woudgordel onderneemt hij bij tijd en wijle uitgestrekte wandeltochten, terwijl hij of hazen of boschhoenders nazit; in het westen schijnt men tot dusverre deze opmerking nog niet gemaakt te hebben. Over schade, die hij zou aanrichten, klaagt men in Siberië niet; toch wordt er ijverig jacht op hem gemaakt, daar zijn vel zoowel bij de Russen als bij de inboorlingen hoog in aanzien staat; dit wordt zelfs zeer duur betaald, indien het bijzonder schoon van kleur is. Als jachtdier wordt de sabelmarter alleen hooger gesteld. Jagers van beroep ondernemen ’s winters enkel om den vos jachten, die bijna even diep in de bosschen leiden als de sabeljager hierin doordringt;Ostjakenen Samojeden stellen hunne automatische schietbogen voornamelijk voor den vos, en vinden geen moeite te groot om een nest uitvindig te maken, dat jongen bevat. Deze worden uitgegraven, echter niet om ze te dooden, maar om ze zorgvuldig op te kweeken en te verplegen, totdat ze groot en krachtig zijn geworden en met den eersten of tweeden winter een pels hebben erlangd, die den braven dierenverzorger meer waard is dan het leven zijner lieve pleegkinderen en deze zonder genade doet overleveren aan den worgenden strik.

Onder zekere voorwaarden mag ook de poolvos tot de dieren van den woudgordel gerekend worden; in de bosschen zelf dringt dit dier evenwel niet, maar hij volgt in den winter hoogstens den loop der groote rivieren[109]om nu en dan in het zuiden der toendra, zijn eigenlijke woonplaats, op trekkende hazen en moerashoenders te jagen.

Een boschbewoner daarentegen in den volsten zin des woords is de losch. Deze leeft ook in Siberië eenzaam en wordt maar zelden gevangen. Waarschijnlijk verlaat hij zijn eigenlijke verblijfplaats, de dichtste deelen van het binnenste der bosschen, alleen dan, wanneer gebrek aan voedsel of het gevoel der liefde hem drijft; alsdan nadert hij den zoom des wouds. Ervaren jagers van den oostelijken Oeral beweren, dat hij met den beer niet alleen dezelfde woonplaats deelt, maar ook in de nabijheid van diens winterkwartier blijft toeven, nadat deze reeds den winterslaap heeft aangevangen. Dezelfde jagers verzekeren, dat de voorliefde van den losch voor de winterslaapstede des beers dezen in den val brengt, daar men eenvoudig op die plaatsen, alwaar de meeste sporen van den losch elkaar kruisen, een nader onderzoek in ’t werk heeft te stellen, terwijl men te meer zeker is van een goeden uitslag, indien men een kringvormig spoor aantreft, dewijl dit steeds om het winterkwartier van den beer heenloopt. De gewoonte van den losch om met bijkans angstvallige zorgvuldigheid altijd weer in het oude spoor te treden, zou het opsporen van den beer zeer in de hand werken. Ter nadere verklaring voegt men aan deze verhalen nog toe, dat de losch in Siberië zeer belust is op versch aas, en dus waarschijnlijk de nabuurschap van een beer opzoekt om, als de gelegenheid zich voordoet, te smullen van de overblijfsels van het berenmaal. Wel is waar weet men ook van den losch te vertellen, dat hij zeer goed in staat is om ook zonder de hulp van een zoo twijfelachtigen vriend grof wild te bemachtigen, en dat hij in het bijzonder rendieren en reeën naarstig vervolgt en spoedig vermeestert, maar men verzekert er geregeld bij, dat de jacht van den losch hoofdzakelijk bepaald blijft tot klein wild; als zoodanig noemt men hazen, aard- en boomeekhoorntjes, auerhoenders, korhoenders en hazelhoenders, muizen, jonge vogels van allerlei soort en meer andere dieren.

Wij hebben geen reden om deze opgaaf te wantrouwen; daardoor toch wordt ook het zeldzaam voorkomen van dit roofdier in alle voor den mensch toegankelijke grenswouden of boschzoomen verklaard. Zoolang er eekhoorntjes en zwart vogelwild in het binnenste der bosschen huizen, heeft de losch geen aanleiding om de door den mensch niet bezochte wildernis te verlaten; als die dieren beginnen te trekken moet ook hij echter wel volgen. Hoeveel vrees het zwarte vogelwild[110]voor hem koestert merkt men daaraan, dat elk balderend auer- of korhoen oogenblikkelijk zwijgt, wanneer een losch zich laat hooren.

De losschenjacht geldt bij vreemdelingen en Siberiërs voor een zeer edel jachtvermaak. De zeldzaamheid, voorzichtigheid, vlugheid en weerbaarheid van den trotschen lynx bezielt iederen jager en zoowel de huid als het vleesch van het gedoode roofdier schenkt een niet onaanzienlijk gewin. De huid wordt van uit West-Siberië vooral naar China verzonden en daar goed betaald; het vleesch wordt niet enkel gegeten door de Mongoolsche bevolking, maar ook door de meeste Russische kolonisten, en allen vinden het een kostelijk gebraad. In slagvallen laat de losch zich niet dikwijls vangen; hij werpt ze vaak omver wanneer zijn weg hem langs de slagboomen voert en hij bij toeval op de stelplank trapt; ook de automatische schietboog mist bij hem meestal het doel, terwijl hij over de op zijn spoor gelegde klem meestal heenspringt; den jager rest alzoo slechts het geweer. Natuurlijk jaagt men den losch enkel in den winter, wanneer er sneeuw ligt en dus zijn spoor zichtbaar is, en men gebruik kan maken van sneeuwschoenen. Dappere honden drijven het eindelijk opgespoorde roofdier op een boom of op den grond, waarbij zij zelf niet zelden erbarmelijk worden toegetakeld, zoo niet gedood. Zelfs de jager loopt gevaar door den in het nauw gebrachten en woedend zich verdedigenden losch aangevallen te worden.

Terwijl de wilde kat, die door den losch even onverbiddelijk wordt vervolgd als de vos door den wolf, niet in den boomgordel van West-Siberië voorkomt, maakt de grootste en vreeselijkste aller katten, de tijger hier somwijlen zijne verschijning. Twee in de jaren 1838 en 1848 bij Bäsk en Slangenberg gevelde tijgers prijken opgezet in het museum van Barnaul; een derde, die tusschen 1870 en 1880 werd gedood, bevindt zich in het schoolmuseum van Omsk; een vierde bracht omstreeks 1870 de bewoners van de kreits Tschelaba, dicht bij den Europeeschen Oeral gelegen, in rep en roer; dit beest greep, zonder getergd te zijn, eenige boeren aan, maar liep verschrikt weg, enkel en alleen door het zien van een roode muts, die men hem toewierp. In de steppengebergten van Turkestan en in het geheele zuiden van Oost-Siberië komt de „beheerscher” gelijk de Dauren den tijger noemen, geregeld op bepaalde plaatsen voor en van beide zijden dwaalt hij waarschijnlijk, vaker dan men constateeren kan, naar den westelijken woudgordel af; wellicht houdt hij zich hier, zonder opgemerkt te[111]worden, langen tijd op om even ongemerkt weder terug te trekken. Hij verschijnt evenwel toch zeer zelden en ongeregeld, zoodat men hem niet wel eene plaats kan aanwijzen onder het wild van ons gebied.

Ongetwijfeld is dit wel het geval met de kostbaarste aller pelsdieren, de verschillende martersoorten. Men klaagt wel is waar meer over de vermindering dezer dieren dan van alle ander wild, toch vangt men er nog genoeg, althans in sommige streken. Alleen de sabel is in de laatste tientallen van jaren werkelijk zeldzaam geworden. Oude jagers uit den Midden-Oeral herinneren zich in de nabijheid der stad Tagilsk elken winter sabels gevangen te hebben; tegenwoordig ontmoet men op gemelde breedte van het gebergte slechts sporadisch, en dan nog hoogst zelden een afgedwaalden marter dezer soort. Naar men zegt heeft een groote brand in de bosschen van het middelgedeelte des oostelijken Oerals deze zoo algemeen begeerde en gejaagde pelsdieren verdreven. Hetzelfde wordt beweerd in de boschdorpen aan den benedenloop der Ob, waar de sabeljacht nu nog wordt gedreven, zoodatb.v.van daar op de markt van Jelisaroff elken winter ongeveer twintig pelzen worden gebracht. Veel talrijker is in alle wouden van West-Siberië de edelmarter.

In het ontegenzeggelijk vrij uitgestrekte jachtgebied der zooeven genoemde stad Tagilsk maakt men elken winter nog altijd van dertig tot tachtig vellen dezer dieren buit. Dat de edelmarter veel meer dan de sabelmarter in gezelschap van het eekhoorntje voorkomt, met dit beestje verschijnt en verdwijnt, is het gevoelen van alle ervaren jagers. De roofzuchtige makker vergenoegt zich echter geenszins met zijn lievelingswild, maar vermoordt nog daarenboven elk dier, dat hij maar kan machtig worden en is vooral gevaarlijk voor auer- en korhoenders. Gelukt hem reeds in den zomer menige sprong op dezen of genen dier waakzame vogels, in den winter komt hem de gewoonte van dit wild om in sneeuwholten te slapen uitnemend bij zijn streken en treken te stade. Bijna onhoorbaar van tak tot taksluipend, nadert hij de ingegraven vogels tot op sprongsafstand en valt hen van boven aan, door met krachtigen stoot op den bovenwand der slaapruimte te springen, waardoor deze breekt, terwijl hij een der slapers bij den nek heeft gepakt, vóór deze de vlucht kon nemen.

De steenmarter komt eveneens nog overal in hoogwouden voor, is echter veel zeldzamer dan zijn bloedverwant;bunzing, hermelijn en wezel zijn overal verbreid en hier en daar zelfs vrij talrijk; de mink[112]daarentegen wordt wel op de westelijke, maar niet op de oostelijke helling van den Oeral aangetroffen en ontbreekt reeds in de hier ontspringende nevenstroomen van Irtisch en Ob, die, evenals genoemde rivieren zelf, den vischotter in groote menigte herbergen; de das wordt in West-Siberië bijna niet genoemd, terwijl de wijd en zijd verbreide veelvraat het minst van alle marters in aanzien staat en meer een voorwerp van jacht uitmaakt wegens zijn dieverijen in de slagvallen dan om zijn huid.

ELANDEN EN AUERHOENDERS.ELANDEN EN AUERHOENDERS.

ELANDEN EN AUERHOENDERS.

Ofschoon het westen van Siberië doorgaat voor een afgejaagd gebied, rusten zich toch ook hier elk jaar de woudbewoners uit voor de jacht op sabels en andere martersoorten. Sommige jagers ondernemen, ten einde de pelsdieren machtig te worden, zwerftochten en reizen, die in niets onder doen voor die der Amerikaansche pelsjagers.

De jacht geldt natuurlijk niet enkel marters, maar alle mogelijk wild; marters en eekhoorns maken evenwel het hoofddoel uit. Al naar deze laatste dieren vroeger of later van kleur verwisselen, regelt men ook het vertrek uit de dorpen, waar men woont; men ziet n.l. in die verkleuring het bewijs, dat de winter nadert, terwijl almede diens meerdere of mindere strengheid met dien tijd in verband wordt gebracht.

Gewapend en uitgerust, gelijk wij reeds vermeld hebben, vangen de sabeljagers, zoodra de eerste sneeuw is gevallen, in troepjes van drie tot vijf personen hun boschreizen aan. Ieder dezer mannen draagt behalve zijn geweer en verder schiettuig, een zak op den rug, sneeuwschoenen en een bijl over den schouder, een zweep in den gordel. In den zak bergt men de noodzakelijkste levensmiddelen, als brood, meel, spek, zout en tegelthee, en verder eenig gereedschap zooals een pan, een theepot, beker, lepel, enz. in sommige gevallen ook een flesch brandewijn; de zweep dient om de eekhoorns op te jagen en in ’t gezicht te krijgen. Vier à zes honden, die het oog van elken fatsoenlijken jager geweld aandoen, begeleiden de jachtgenooten.

Terwijl men zich richt naar den stand der bekende sterrenbeelden en naar dien der helaas zich dagen achtereen soms verschuilende zon, zwerven de geharde jagers dagen en weken lang door de gure wildernis, overnachten er in en leven met hunne honden hoofdzakelijk van het geschoten wild, ten einde den medegenomen voorraad zoolang mogelijk te sparen. De leelijke, maar verstandige en omzichtige honden slaan niet alleen acht op elk spoor, maar bespieden ook met geoefend oog de op de boomen verscholen marters en eekhoorntjes, geven met[113]blaffen kennis van hun aanwezigheid, en houden u zoolang vast tot de jager nabij gekomen is. Deze schrijdt langzaam voort met de onverstoorbare koelbloedigheid, die allen woudjagers eigen is, legt zijn lang roer bedachtzaam op een tak, of zoo noodig, op de vork, die aan ’t uiteinde van den loop is aangebracht, mikt geruimen tijd en geeft eindelijk vuur.

In het begin van den jachttijd laten de eekhoorntjes, en zelfs de edelmarters, terwijl zij zich uitsluitend met de honden bezighouden, den jager tijd om tot op weinige meters afstands te naderen; spoedig evenwel worden zij slimmer en bemoeilijken den schutter het rustig en zeker mikken. Gelukt het dezen toch om den kogel door een der oogen van het dier te jagen, dan is hij zeer tevreden, dewijl hij niet alleen een ongeschonden huid krijgt, maar ook het lood nog eenmaal kan gebruiken. Onmiddellijk nadat hij het gevallen wild in handen heeft gekregen, stroopt hij het af,—bij marters en eekhoorns perst hij de ingewanden door de mondspleet—slaat de hersenpan stuk om den kogel terug te krijgen, en bergt daarna vel en vleesch, van elkaar gescheiden, in zijn rugzak.

In geval de eekhoorntjes overvloedig zijn is deze jacht even voordeelig als amusant. Ieder jager gebruikt den korten dag zooveel zijn krachten hem dit veroorlooven; het eene schot volgt ras op het andere en een nieuwe buit rust naast den eersten. Neemt het laden der geweren veel tijd in beslag, het afstroopen der buitgemaakte dieren gaat des te sneller; ieder jager doet zijn best. Zonder te rusten, zonder te eten of zelfs te rooken, trekt het jachtgezelschap voorwaarts. De speurende honden dwalen nu eens van het gezelschap af, straks zijn zij weer in de nabijheid; de scherpe knal der buksen en het vroolijke geblaf der honden schenkt afwisseling.

De een telt de schoten, een ander benijdt het geluk van zijn makker of heet er hem geluk mee. Is daarentegen de winter arm aan wild, brengt zelfs het onophoudelijk klappen der zweep geen eekhoorntje te voorschijn, laat zich sabel noch edelmarter zien, bespeurt men eland noch rendier; dan trekken jagers en honden zwijgend door het woud, en schraalhans-keukenmeester brengt verder alles in eene nog slechter luim.

Met het aanbreken van den nacht beginnen onze jagers er aan te denken hun nachtverblijf gereed te maken. Ieder hunner graaft onder een ouden, dikken, omgevallen boomstam een kuil in de sneeuw uit,[114]waarin juist een man kan liggen en ontsteekt daarin een groot vuur. Daarop reinigt een ander, zoo mogelijk in ’t midden van alle kuilen en onder bescherming van dichtkronige dennen of sparren, een cirkelvormige ruimte van de sneeuw; een derde sleept brandhout aan; een vierde ontsteekt op die plek een nog grooter vuur; een vijfde maakt het avondeten gereed. Genoeg eekhoorns werden toch geveld om eene krachtige vleeschsoep te maken en er de meelbrij of de snede brood mede te kruiden. Men eet, geeft de honden hun fatsoenlijk aandeel, verkwikt zich aan de thee, steekt het korte pijpje aan en onderhoudt elkander naar jagerswijs over de lotgevallen van den dag. Intusschen heeft het vuur in de kuilen de sneeuw doen smelten, daar boven den boom in brand gestoken en zoo de slaapstede door en door verwarmd. Zorgvuldig schuift iedere jager de in den kuil nog glimmende kolen naar het uiteinde, kruipt er in, terwijl hij zorg draagt zooveel mogelijk de zijdelingsche sneeuwmuren niet te doen instorten, roept zijn honden om met deze het warme leger te deelen, en legt zich te slapen. Wel is waar valt van den steeds voortglimmenden boom gedurende den nacht nu en dan een stuk kool op jager en hond, maar een Siberische jagerspels verdraagt evenveel als een Siberische hondenpels, zulk een brandend blok hout verwarmt beter dan een veel grooter, vrij brandend vuur, warmt den kuil door en door, evenals een Siberische kachel de kamer en maakt in ’t algemeen het overnachten in een bosch mogelijk.

Uitgerust en versterkt staan de jagers bij ’t krieken van den dag op, ontbijten en trekken verder. Bereikt men gunstige jachtvelden, die elken winter bezocht worden, dan toeft men aldaar langer of korter tijd, al naar omstandigheden. Op sommige plaatsen kan men eene uit boomstammenvervaardigdejachthut betrekken, die aldaar in vroegere jaren werd opgericht. Tevens vindt men op zulk een terrein oude en nieuwe slagvallen, die nu weder op vang gesteld worden, en die men elken morgen onderzoekt. Een en ander vordert veel tijd, daar die vallen zeer ver uiteen liggen; ons jachtgezelschap verwijlt dan ook menigmaal eene week en nog langer op zulk eene plaats in het bosch en jaagt haar volledig af, alvorens de reis voort te zetten.

Op deze wijze jagende brengen vele Siberiërs het grootste deel van den winter in het bosch door. Voor het begin dier tochten wordt gewoonlijk met den een of anderen koopman een verdrag aangegaan. De jager verbindt zich, tegen een vooraf bepaalden, gemiddelden prijs,[115]alle huiden aan den koopman af te staan, en de handelaar neemt op zich alle hem geleverde artikelen, zonder uitzondering, in ontvangst te nemen. Is de jager gelukkig, dan brengt de jacht hem nog heden ten dage genoeg op om er van te leven, althans er de behoeften des winters mede te bestrijden; in ’t algemeen echter loont ook dit jachtbedrijf de daarmede verbonden moeite en ontberingen niet, en slechts een zoo weinig eischend mensch als de Siberische jager pleegt te zijn, is in staat daarin nog een bestaan te vinden.

De berenjacht is in de oogen van den West-Siberiër het roemvolste en moeilijkste bedrijf. Vriend Petz is in ons gebied volstrekt niet dat gemoedelijke wezen, gelijk hier en daar nog in Oost-Siberië; veeleer, zooals bijna overal, een lomp, ongemanierd beest, dat wel is waar in den regel voor den mensch de vlucht neemt, maar dat, als hij gewond is of in de engte gedreven wordt, moedig den strijd bestaat en alsdan zeer gevaarlijk kan worden. In weêrwil van de sterke vervolging, waaraan hij bloot staat is de beer nog nergens uitgeroeid; integendeel hij komt nog altijd veel voor. Hij bewandelt steeds zijn eigen weg en vertoont zich weinig op de door menschen bezochte plaatsen. Daarmede wil niet gezegd worden dat bruintje in ’t geheel niet bij menschelijke woningen komt, of dat hij ze zelfs vermijdt; want hij houdt zich niet zelden in de onmiddellijke nabijheid der dorpen op, en overvalt soms de huisdieren voor de oogen der bewoners; maar hij vertoont zich zoo ongeregeld, dat vele Siberiërs er nog nooit een gezien, nog nooit een in het bosch ontmoet hebben. Het schijnt dat hij den ganschen zomer door heen en weêr trekkende is. Hij zwerft door de bosschen, zonder zich hier aan bepaalde wegen te binden; klimt, al naar den vorm der bergen, hierbij meer of minder regelmatig betreden paden volgende, in den nazomer de hoogten op, en keert tegen het begin van den winter naar de laagte terug; houdt ten tijde van het rijpen van het koren zich op aan den buitenkant van het woud, om op zijn gemak in de naburige velden te plunderen, verlaat ook soms geheel en al het bosch om de aangrenzende steppe op te zoeken, ook wel die berghellingen, welke het karakter van steppen dragen, houdt zich langen tijd op bepaalde plaatsen op, of trekt, zonder op ééne plaats te toeven, naar eene andere, immer en overal van de oogenblikkelijke gelegenheid gebruik makende om eene lievelingsspijs machtig te worden.

In de meeste streken is hij bepaald een planteneter; hier en daar[116]wordt hij tot een gevreesd roofdier, op weer andere plaatsen maakt hij jacht op aas. In het voorjaar vreet hij van alles wat hij maar vinden kan, beloert van uit eene hinderlaag listig het vee, dat al grazende de bosschen intrekt, om bliksemsnel op een der dieren aan te vallen, of met ongemeene vlugheid na te rennen; hij grijpt het, werpt het ter aarde, vermoordt het, vreet zich zat en begraaft, ofschoon vrij onhandig, de rest, om later nog een maal te hebben. Tijdens veeziekte spoort hij de mestvaalten op ten einde van de lijken der gestorven huisdieren te smullen; ja, men heeft hem zelfs wel eens op kerkhoven den lijkendief zien spelen. In den zomer plundert hij de korenvelden, berooft de nesten der wilde bijen en de bijenkorven, graaft de wespen- en hommelnesten uit, verwoest de mierenhoopen om de poppen te vermeesteren, wentelt oude, gevallen boomen om, ten einde de daaronder liggende kevers, maden en larven buit te maken, doet zelfs vermolmde boomen omstorten, om zich de daarin levende insectenlarven toe te eigenen. In den herfst voedt hij zich bijna uitsluitend met allerlei bessen, ook die, welke hij eerst van de boomen moet halen, zooals b.v. de vruchten van de vogelkers; wanneer de piniolen rijp zijn, spoort hij deze op; daartoe beklimt hij hooge boomen, wier takken en kruinen hij afbreekt. Uren lang snuffelt hij om de voorraadschuren, waarin de piniolen voorloopig worden bewaard, en blijft niet in gebreke zich met geweld een weg tot derzelver binnenste te banen als hij slechts eenigszins daartoe de kans schoon ziet. Nu en dan gaat hij bij afwisseling visschen, en dit somtijds met gunstigen uitslag. Voor den mensch slaat hij geregeld op de vlucht; toch besluit hij ook eene enkele maal, en dan zonder zich lang te bedenken, tot den aanval, in dit geval zelfs geen overmacht ontziende. Al naar de weêrsgesteldheid betrekt hij nu eens vroeger dan weer iets later zijn winterkwartier om te slapen. Voor leger kiest hij bij voorkeur eene geschikte plaats onder een ouden, reusachtigen, omgevallen boom, graaft hier allereerst een ondiepen kuil uit, welks bodem hij met dennennaalden en eene laag mos ter dikte van 50 centimeter bedekt, bekleedt met dit laatste ook de zijwanden, bedekt alles van buiten met boomtakken, en laat zich insneeuwen. Wordt hij in het gebergte door de eerste sneeuwbui overvallen, dan daalt hij niet altijd naar de laagte, maar bergt zich in eene rotskloof, die zoo goed mogelijk bekleed wordt, of hij verwijdt het nest van de een of andere marmottensoort zooveel als noodig is en brengt daarin dan den winter door. Eenmaal ingeslapen ligt hij zoo vast, dat men[117]hem slechts met groote moeite kan opjagen; hij bijt dan zeer boosaardig in de ijzeren staven, waarmede men hem port, knort en brult en gehoorzaamt dan eerst wanneer men tot vuurpijlen of vuur de toevlucht neemt. Eindelijk stormt hij, zoo hij niet verwond is geworden, als een opgeschrikte ever naar buiten, doet zijn behoefte, en zoekt zijn heil in eene overhaaste vlucht. De berin brengt, volgens de eenstemmige berichten van alle ervaren jagers, slechts om den anderen winter jongen ter wereld, en wel gedurende den diepsten slaap; zij ontwaakt, gelijk men veronderstelt, slechts kort voor de baring, lekt de kleinen schoon en droog, legt ze aan de tepels en slaapt dan met tusschenpoozen weêr voort. Op het einde van Mei of in de maand Juni zoekt zij hare vroeger geboren, dus twee- en zelfs de vierjarige kinderen weer op, en dwingt deze alspestoenof kindermeiden dienst te doen.

Ofschoon men in West-Siberië het anders volstrekt niet onsmakelijk vleesch van den beer weinig op prijs stelt, en berenhammen meer om de aardigheid toebereidt en opdischt dan om zich werkelijk een lekker maal te verschaffen, levert de berenjacht toch goede winsten op.

De pels dient voornamelijk tot het vervaardigen van dekens voor de sleden, is zeer gezocht en wordt duur betaald; de tanden en nagels zijn in de oogen van Ostjaken en Samojeden, zelfs in die van de West-Siberische boeren krachtige talismans; ook de beenderen worden soms gebruikt. De scheurtand van een in eerlijken strijd gevelden beer schenkt den Ostjak, gelijk hij meent, bovennatuurlijke gaven, in ’t bijzonder moed, kracht en sterkte, ook wel eens onkwetsbaarheid; een klauw, vooral de vierde van den rechter voorpoot, die met den ringvinger overeenkomt, dwingt—volgens het geloof van alle minnende jonge meisjes in den Oeral, iederen jongeling, die heimelijk door haar daarmede werd gekrabd, tot vurige liefde; tand en klauw staan dus hoog in prijs en vuren menigen jager nog meer dan geleden schade aan, om dit vreeselijkste aller roofdieren des avonds op te sporen en te bestrijden. Deze jacht is echter alles behalve gemakkelijk of zonder gevaar. Vallen, die een goed resultaat opleveren, kent men niet; men moet dus altijd den beer opzoeken, en met het wapen in de hand, met de hulp van goed gedresseerde honden, den strijd met hem bestaan. In den zomer wordt de jacht bemoeilijkt door de ongedurigheid van den beer; in den winter is het eerder mogelijk een leger op te sporen en daarin of daarvoor den slaper te dooden. De arme boer, die dit leger ontdekt, verkoopt zijn beer aan den een of ander welgestelden jager; deze trekt met den[118]boer en eenige metgezellen op een gunstigen dag ter jacht, omringt het winterverblijf des roofdiers met geoefende schutters, laat door drijvers den beer wekken en onder schot brengen, en schiet op denkortstmogelijken afstand het geweer af. Op deze wijze worden de meeste beren gedood; voor geoefende schutters is deze soort van jacht dan ook het minst gevaarlijk. In den zomer en in den herfst zoekt men den beer, wiens spoor men heeft ontdekt, of dien men zelf heeft gezien, met behulp van kleine honden op, laat hem door deze dieren op eene geschikte plaats voeren en vuurt dan op het juiste oogenblik den kogel af; of wel, men maakt op de wijs der moedige Ostjaken, gebruik van de berenspies en laat het dier daarin rennen; of men omwikkelt den linkerarm goed met berkenbast, houdt dit pantser den aansnellenden beer voor en stoot hem op het oogenblik dat hij in den berkenbast bijt, een breed en lang mes in het hart. Beide wijzen van jagen gaan dikwijls gepaard met ongelukken. Sommige jagers echter krijgen mettertijd zooveel onverschrokkenheid en behendigheid, dat zij boven elk ander wapen aan spies of mes de voorkeur geven. Een boerenmeisje uit het dorp Morschowa in den Oeral, wier roem zich over geheel West-Siberië heeft verbreid, zou met het mes reeds meer dan dertig beren gedood hebben.

Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe, gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd.

Twee Zweden,AbergenErlandjagen in den Oeral op hazelhoenders; de eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot, brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even[119]goed gevolg als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben.

De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om, herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen, wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle klokken te trekken.

Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen; midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier, het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken[120]schrille kreten van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste, die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon.

Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd, wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië.[121]


Back to IndexNext