V.

[Inhoud]V.DE STEPPE EN DIERENWERELD VAN CENTRAAL-AFRIKA.Het noorden van Afrika is eene woestijn, moet zulks zijn en zal het eeuwig blijven. Vergeleken met de uitgestrekte, door de gloeiende zon verzengde landmassa’s tusschen de Roode Zee en den Atlantischen Oceaan, verliezen de wateren, die de aarde omgorden, hunne beteekenis; de Roode Zee komt in ’t geheel niet in beschouwing, de Middellandsche Zee blijkt veel te klein en zelfs de invloed van den Atlantischen Oceaan blijft enkel tot een smallen zoom langs de kust beperkt. Boven zulke groote en heete vlakten moeten alle wolken zich oplossen zonder de dorstende aarde te bevochtigen en te bevruchten. Eerst veel verder naar het zuiden, ongeveer bij den evenaar, daar, waar aan de eene zijde de Atlantische Oceaan met een diepe bocht het land binnen dringt, aan de andere zijde de Indische Zee Afrika’s kusten bespoelt, waar, om mij zoo uit te drukken, beide Oceanen elkander over dit werelddeel heen de hand reiken, worden de verhoudingen eenigszins anders. Hier stroomen, op zekere tijden des jaars, vergezeld van storm, bliksem en donder, geregeld zulke ontzaglijke regenmassa’s neder, dat voor deze de woestijn moet wijken om voor de meer levende steppe plaats te maken. Daarom wordt het voorbijsnellend jaar hier in twee, wezenlijk van elkander verschillende jaargetijden verdeeld: in het levenwekkende en in het doodende, dat van regen en een ander van droogte, terwijl daarentegen in de woestijn eenig en alleen door de nu en dan heerschende winden kondschap wordt gebracht van de elders wisselende jaargetijden.Om de steppe te verklaren dunkt mij eene vluchtige schildering harer jaargetijden noodzakelijk. Want ieder land is eene afspiegeling van het klimaat, dat daar heerscht, en elk gebied is niets anders dan het resultaat der strijdende machten zijner jaargetijden, en kan slechts begrepen worden, wanneer men deze en hun invloed heeft leeren kennen.Met het ophouden van den regen vangt in Afrika’s binnenlanden de doodende tijd des jaars aan, de lange en vreeselijke winter, die door[122]zijn verzengende gloeihitte hetzelfde uitwerkt, wat de noordsche winter door zijn koû bewerkt. Nog vóór de hemel, die tot nog toe dikwijls bewolkt is geweest, volkomen helder is geworden, werpen sommige boomen, die in het voorjaar zich met groen hebben getooid, hun bladerenpracht af, en met het vallen der bladeren verlaten ook de trekvogels, die er in de lente broedden, het herfstachtig geworden land om in andere streken van het ouderlijk werelddeel een toevluchtsoord te zoeken. De halmen der broodvruchten worden geel, nog vóór de regen heeft opgehouden; de lage grassen verwelken en verdorren. De periodiek stroomende wateren drogen op; eveneens de door den regen gevulde bekkens, zoodat niet alleen de daarin levende reptielen en kikvorschachtigen, maar zelfs de visschen genoodzaakt worden zich in de natte leem te begraven om hier den winter te verblijven. Insecten en planten vertrouwen hun zaden aan de aarde toe.Hoe meer de zon zich schijnbaar naar het noorden wendt, des te sneller komt de winter opdagen. De herfst duurt maar weinige dagen. Hij bewerkt niet, zooals bij ons, een verwelken en afsterven der bladeren, geen tintelen in geel en rood, maar oefent door gloeiende winden zulk een vernielenden invloed uit, dat zij verdrogen evenals gemaaid gras in de stralen der zon; deels nog groen vallen zij ter aarde, deels worden zij met steel en al afgerukt en weggewaaid, zoodat de boomen, op weinig uitzonderingen na, binnen een onbegrijpelijk korten tijd een winterachtig voorkomen hebben erlangd. Boven de vlakten, die nog voor weinige dagen met hoog, golvend gras begroeid waren, verheffen zich nu dwarrelende stofwolken; in de beddingen der geheel of gedeeltelijk blootgelegde stroomloopen en waterbekkens gapen diepe kloven. Al wat aangenaam was verdwijnt, al wat onaangenaam is treedt dreigend te voorschijn: bladeren en bloesems, vogels en kapellen verwelkten, vlogen weg of stierven; doornen daarentegen, stekels en klissen bleven terug, terwijl slangen, schorpioenen en tarantelspinnen haar hoogtijd vieren. Eene onuitstaanbare hitte des daags, eene onverdragelijke warmte des nachts zijn de plagen van dit seizoen, en noch tegen het een, noch tegen het andere bestaan middelen van tegenweer. Wie zulke dagen niet bij eigen ervaring kent, als wanneer de thermometer in de schaduw 50° C. stijgt, terwijl men voortdurend zweet, wat men echter niet eerder merkt, dan wanneer men op een koele plek is gekomen, omdat de hitte dadelijk al het zweet doet verdampen, wanneer de eene stofwolk na de andere omhoog stijgt en een droge nevel loodzwaar[123]drukt op al wat leeft, zoo iemand heeft geen denkbeeld van dit lijden; hij die zulke nachten, wanneer men zich slapeloos op zijn leger omkeert, daar de warmte steeds toeneemt, niet heeft doorleefd, is buiten staat zich in te denken in het naamloos leed, dat gelijkelijk menschen en dieren pijnigt. Zelfs de hemel verandert zijn kleur, die tot nog toe rein blauw is geweest in een vaal grijs, want de zoo even vermelde nevel omsluiert dikwijls halve dagen lang de zon, zonder deze nochtans van haar gloed te kunnen berooven; integendeel, juist wanneer de horizon door zulke nevels verduisterd wordt, schijnt de hitte nog toe te nemen. Zonder de geringste verkwikking voor geest of lichaam volgt de eene dag op den anderen. Geen koeltje uit het noorden streelt het voorhoofd, geen bloesemgeur, geen vogelengezang, geen in heldere kleuren en donkere schaduwen prijkend landschap, gelijk de in zonnegloed badende tropen somwijlen te voorschijn tooveren, werkt verfrisschend op de ziel; alles wat levendig, kleurig en dichterlijk is, vlood henen, zonk neêr in den doodslaap,—en deze is veel te akelig dan dat hij eenig dichterlijk gevoel kan opwekken.Menschen en dieren kwijnen, evenals gras en bladeren verwelkt zijn; en menschen en dieren zinken neder om nooit weêr op te staan. Tevergeefs worstelen fierheid en moed tegen den last dier dagen; zuchtend en klagend bezwijkt zelfs de krachtigste wil. Elke inspanning mat af, elke beweging; het lichtste dek is te zwaar en de geringste wond verkeert in eene boosaardige zweer.Maar ook deze winter moet voor de lente wijken. Maar ook deze brengt door haar winden schrik en verderf. Dezelfde wind, die in de woestijn tot samoem wordt, roert als heraut der lente zijn vleugels, woelt in de spleten van den grond, om zelfs daaruit nog stof te vegen, dat in dichte massa’s omhoog dwarrelt, bouwt er op muren gelijkende wolken van en zweept deze huilend en bruisend over het land, werpt ze door de getraliede vensters van de woningen in de steden en door de lage deuren van de hutten der inboorlingen om nieuwe kwellingen te voegen bij de bestaande.Hij alleen heeft eindelijk de volle heerschappij ontvangen en oefent deze onbeperkt uit, als wilde hij alles vernietigen, wat nog stand hield; maar hij ook is het, die in het verre zuiden van regen zwangere wolken opeenstapelt, om deze naar de verbrande streken te voeren. Reeds schijnt het alsof bij het toenemen zijner kracht de drukkende zwoelheid wordt getemperd, alsof zijn adem bij tijd en wijle niet meer zoo gloeiend is, maar frisch en verkwikkend.[124]Het is geen misleiding: de lente rust zich uit tot den intocht, en op de vleugelen van den zuidenwind rukken de wolken ruischend aan. Nog een korte tijd en zij verdonkeren in het zuiden het gewelf des hemels; nog weinige dagen en flitsende bliksemstralen verlichten allengs de donkere wolkenlaag; nog eenige weken en een verwijderde donder kondigt den leven aanbrengenden regen aan.Bedrijvigheid begint te heerschen in en aan alle stroomen, die uit het zuiden komen. Zij zijn wel is waar nog helder als kristal, maar zij zijn levendiger geworden, want zij wassen van nu aan voortdurend en zenden door alle spleten en scheuren der slijkerige oevers het levenwekkend vocht naar het binnenland. Ook de trekvogels zijn bereids weder teruggekeerd, terwijl hunne aantallen nog dagelijks aangroeien. In de streken van den boven-Nijl verscheen de ooievaar, om wederom bezit te nemen van de oude nesten op de kegelvormige stroohutten der inboorlingen; met hem verscheen de heilige ibis, om ook heden nog zijn sedert duizenden jaren bekleed ambt waar te nemen: n.l. tot bode, heraut en waarborg te zijn, dat de oude Nijlgod wederom de bron zijner genade zal laten vloeien en den hoorn des overvloeds over de hem onderworpen landen uitstorten.Eindelijk komt het eerste onweêr opzetten. Een benauwend warme lucht drukt op het doode, verbrande veld, zoo mogelijk nog erger dan te voren.Huiveringwekkende stilte beangstigt mensch en dier. Elk gezang, bijna elk geluid der vogels is verstomd; zij zelf hebben zich in het dichtste gebladerte der altijd groene boomen verborgen.Maar ook het leven in het leger der trekherders, in het dorp, in de stad, schijnt uitgestorven. Vreesachtig kruipen de anders zoo levenslustige honden naar een stil, verborgen hoekje; alle overige huisdieren hebben een angstig en schuw voorkomen; men maakt de paarden vast en drijft de runderen binnen de omheining.In de stad sluit de koopman zijn kraam, de ambachtsman zijn werkplaats, de regeeringspersoon zijn diwan, want een ieder zoekt een schuilplaats in zijn woning. En toch laat zich nog geen windje hooren, en verneemt men zelfs niet het minste geritsel aan de weinige nog bladdragende boomen. Maar toch kan men bespeuren hoe het onweder zich vormt en nadert.In het zuiden pakt zich eene donkere en als vlammende wolkenlaag samen, die doet denken aan de vuur- en rookwolken boven eene[125]brandende stad, of aan een ver afgelegen boschbrand. Vuurrood, purper, donkerrood en bruin, vaalgeel, grijs, donkerblauw en zwart schijnen in die wolkenlaag een kleurendans uit te voeren; die kleuren mengen zich dooreen, scheiden zich van elkaar af, verliezen zich in het donker en flikkeren plotseling weder met schrille tinten op. De bank rust op den horizon en klimt naar den hemel omhoog; zij schijnt nu eens stil te staan, maar ijlt straks met de snelheid van den storm verder, omsluit den gezichteinder hoe langs hoe meer en hult alles in een ondoordringbaren sluier. Een fluitend en suizend geluid schijnt uit haar voort te komen; waar de waarnemer staat is alles evenwel nog doodstil.Daar breekt plotseling een windstoot los. De sterkste boomen buigen onder den geweldigen storm als zwakke rijsjes; de slanke palmen neigen haar kronen diep ter aarde. Een tweede stoot volgt op den eersten, een derde op den tweeden; de wind groeit aan tot een storm, de storm wordt orkaan en deze woedt met ongehoorde kracht. Het loeien des orkaans is zoo vreeselijk, dat het eigen woord de ooren des sprekers niet meer bereikt, en elk geluid wordt overstemd en gesmoord. Het ruischt en beruist, loeit en suist, fluit en huilt, dreunt en ratelt in de lucht, op den grond, in de kruinen der boomen, alsof alle elementen met elkaar in strijd zijn, de hemel zou willen invallen, de grondvesten der aarde wankelen.Onweêrstaanbaar treft de geweldige storm de kronen der boomen, sleurt de helft der bladeren, die er nog aan hangen, mede, breekt stammen van eene mansdikte als glas, maakt zich zelfs van de kronen meester, om ze als een speelbal over de vlakten te rollen, te draaien en omhoog te doen dwarrelen, en ze eindelijk met de takken, als breedste basis, naar beneden, met de weemoedig omhoog starende brokstukken van den stam naar boven, diep in de aarde of het zand te begraven; de termieten zullen het werk der vernieling verder aan hen voltooien. Gulzig woelt de wind in alle spleten en barsten der aarde, veegt er het stof, zand en grind uit, voert deze omhoog naar de wolken of sleept ze met zulk een kracht voort, dat zij, tegen harde voorwerpen stootende, met een hoorbaar geratel en geknetter terugspringen; hemel en aarde worden er door aan ’t gezicht onttrokken, de dag wordt tot nacht en de sidderende mensch ontsteekt de lamp in zijne met stof gevulde woning, om bij ’t schijnsel van dat licht te herademen en tot rust te komen.Maar het geloei van den wind wordt overstemd door andere geluiden.[126]Ratelende donderslagen laten zich dreunend hooren en smooren het gehuil en gebruis van den storm. Nog altijd zijn de stofwolken zoo dicht, dat men den bliksem niet kan zien; spoedig evenwel mengt zich een tot nog toe niet vernomen geratel onder de verwarde mengeling van tonen en geluiden, en daarmede begint de onnatuurlijke nacht te wijken voor een dagend licht. Het is alsof zware hagelbuien de aarde treffen, en toch zijn het slechts regendroppels, die neêrvallen, om onder het vallen zand en stof meê te voeren. Nu ook kan men het bliksemen zien. De eene straal volgt zoo onmiddellijk op de andere, dat men de oogen voor dit verblindend licht sluit en het onweder slechts kan volgen door den onafgebroken rollenden donder. De regen verandert in een wolkbreuk, het water ruischt van de bergen neder, de beken nemen het op en zenden het naar de laagten, alwaar de meren het verzwelgen; in stroomen golft het door de dalen. Uren lang houdt de regen aan, maar de storm heeft zijn kracht verloren en eene verkwikkende koelte laaft weder mensch en dier en plant. Ook de bliksemslagen verminderen in aantal, de donder verzwakt, de wolkbreuk wordt weder regen, de regen verandert in druppelen; de hemel wordt helder, de wolken scheuren en het stralend aangezicht der zon breekt door. Jubelend verlaat de bruine jeugd, naakt gelijk zij ter wereld kwam, huizen en hutten, om zich in het lentewater te baden; niet minder gelukkig ontworstelen zich de reptielen, kikvorschachtigen en visschen aan den slijkerigen bodem, en reeds in den eersten nacht na den regen klinken uit duizend kelen de heldere stemmen der kleine vorschen, van welke dieren men vroeger niets bespeurde, omdat zij, gelijk sommigekrokodillen, vele schildpadden en alle visschen der periodiek uitdrogende meren in de diepte der aarde een winterkwartier hadden opgezocht; de eerste voorjaarsregen doet hen tot een nieuw leven ontwaken.Overal ontwikkelt zich datzelfde verjongde, krachtige leven. Gretig zwelgt de aarde het haar geboden vocht in; maar de hemel opent na weinige dagen nogmaals zijn sluizen om, wat nog bleef sluimeren, te wekken. Een tweede onweder doet de knoppen open springen van alle boomen met wisselend blad en het gras ontluiken; een derde regenbui roept bloesems en bloemen op en bekleedt het geheele landschap met malsch groen. Even tooverachtig als de lente kwam is haar werking. Wat bij ons te lande een maand tijd vereischt, wordt hier afgespeeld binnen ’t verloop eener week; wat in gematigde landen zich zoo langzaam ontwikkelt, ontplooit zich hier binnen weinige dagen en uren.[127]Slechts een gering aantal weken duurt deze lente en de weinig van haar verschillende zomer heeft thans zijn intocht gehouden; en even snel wordt deze weder opgevolgd door den korten herfst, zoodat men eigenlijk slechts van een eenig jaargetijde kan spreken, dat èn lente, èn zomer èn herfst in zich bevat. En nogmaals staat de moordende winter voor de deur en belet een ongestoord ontkiemen, groeien en gedijen, zooals in andere aequatoriale landen, die eenen grooteren watervoorraad rijk zijn, mogelijk is. Toch is de hoeveelheid regen hier nog voldoende om dit land tot geen barre woestijn te maken, en overal daar, alwaar zij zich anders zou doen gelden, een meerder of minder weelderig plantentapijt over de aarde te spreiden, of,m.a.w.in plaats van eene woestijn eene steppe te scheppen.Ik gebruik het woord steppe om daarmede aan te duiden die eigenaardige streken van Centraal-Afrika, welke de Arabier „Chala”d.w.z.„frissche, groene planten voortbrengende landen” noemt. DeChalais wel is waar niet hetzelfde als de steppe van Zuid-Rusland en Middel-Azië; evenmin komt zij geheel overeen met de prairiën van Noord-Amerika of de pampas en llanos van Zuid-Amerika, maar zij heeft toch zooveel punten van overeenkomst met de eerste, dat ik mij genoegzaam verontschuldig reken wanneer ik de voorkeur geef aan een bekend woord. De steppe strekt zich uit over geheel Centraal-Afrika, van de woestijn tot aan de Karroe1, van de oostkust tot de westkust; zij omgeeft alle hooggebergten des lands, en sluit alle oerwouden in, die zich zoowel op deze als in de komvormige, meer waterrijke laagvlakten bevinden; zij omvat alle landen in het hart van Afrika, begint weinige honderden schreden aan gene zijde van de huizen der dorpen, neemt de velden der ingezetenen in zich op, en voedt en onderhoudt de kudden der trekherders. Waar in het zuiden de woestijn eindigt, waar het woud ophoudt, waar een gebergte daalt, daar begint haar heerschappij; waar een brand het bosch vernielde, daar maakt zich de Chala van de uitgebrande plek meester; waar de mensch het dorp verlaat, daar dringt zij in diens jurisdictie binnen, om dit in weinig jaren tijds gansch en al onkenbaar te maken; waar de landman zijn akkers prijsgaf, daar drukt zij binnen het tijdsverloop van een jaar weder hare beeltenis af.Onvriendelijk, eentonig, zonder afwisseling doet zich de steppe voor aan hem, die haar voor het eerst betreedt. Eene uitgestrekte, dikwijls[128]onafzienbre vlakte ligt voor ons; slechts bij uitzondering rijzen enkele kegelvormige bergen uit haar op; noch zeldzamer scharen deze zich aaneen tot ketens. Vaker ziet men lage heuvelklingen de vlak komvormige dalen afbreken; soms vereenigen die heuvelrijen zich tot netvormig door elkaar gevlochten ruggen, die diepe keteldalen insluiten of omgeven, waarin gedurende den regentijd poelen, vijvers en meren worden gevormd, terwijl de leemachtige grond in den winter veelvuldig gebarsten en gekloven is. In de diepste en langste dalen bevindt zich in plaats van zulk een stilstaand water een „chòr” of regenstroom,d.i.een waterbed, dat eveneens slechts in het voorjaar gedeeltelijk, onder bijzonder gunstige omstandigheden ook wel eens en dan binnen weinige uren tot aan den rand gevuld wordt, en nu niet meer stroomt, maar als een bewegelijke muur bruisend en donderend naar de laagte stort, zonder evenwel in eene eigenlijke rivier uit te monden. Zulke verzamelplaatsen van water uitgezonderd, dekt overal een betrekkelijke rijke vegetatie den grond. Grassen van allerlei soort, van lage, langs den grond kruipende plantjes tot meer dan manshooge korenachtige halmen vormen het hoofdbestanddeel dezer steppen-flora; boomen en struiken, vooral vele soorten van mimosa’s, adansonia’s, dompalmen, Christusdoorns en andere, vormen hier en elders, vooral aan de oevers der genoemde wateren, dichte heggen en boschjes; overigens zijn zij zoo spaarzaam over de uitgestrekte, met een dicht graskleed overtogen vlakten verspreid, dat zij slechts op weinige plaatsen tot een werkelijk en dan nog ijl bosch worden. Nergens groeien deze boomen zoo weelderig als in de ware stroomdalen, die de zegeningen van de lente in zich sluiten; zij zijn daarentegen dikwijls dwergachtig, althans laag; hun kronen zijn ijl, en niet dan hoogst zelden ziet men eene klimplant tot aan hun top opstijgen. Zij allen lijden te veel onder den invloed van den langen, gloeienden winter, die hun ternauwernood veroorlooft, hun eigen leven te behouden en die alle woekerplanten uit hun nabijheid weert. De grassen daarentegen schieten in de wel is waar korte, maar toch aan water rijke lente welig omhoog, bloeien er doorheen, en doen hun zaden rijpen, zoodat hier alle voorwaarden voor een gunstig gedijen rijkelijk vervuld zijn. Maar ook door de grassen voornamelijk erlangt de steppe haar eentonig uitzicht; want, hoe klein zij ook zijn, zij wisschen vele tegenstellingen uit en brengen, inzonderheid door hun gelijke kleur, een afmattende uitwerking teweeg. Zelfs de mensch is niet in staat eenige afwisseling in dit eeuwig eenerlei te brengen, daar ook zijn[129]akkers, die hij midden in het graswoud aanlegt, uit de verte beschouwd er evenals deze uitzien, zoodat men koren en gras niet van elkander kan onderscheiden; de ronde, met een koepelvormig dak voorziene hutten, die hij met dunne palen stut en met steppengras bekleedt, steken althans in het droge jaargetijde zoo weinig tegen de omgeving af, dat men ze eerst in de onmiddellijke nabijheid gewaar wordt. Het is alleen de wisseling der jaargetijden, die verandering brengt in dit eentonig tooneel, en ook deze verandering is nog van weinig beteekenis.Onvriendelijk is ook de begroeting, waarmede de reiziger door de steppe wordt ontvangen. Op hooge kameelen gezeten, rijdt men door het landschap. Het een of ander wild wekt den jachtlust op en men wordt verleid tot het binnendringen van het graswoud. Daar wordt men plotseling gewaar, dat er tusschen de oogenschijnlijk zoo gladde grashalmen planten groeien, die nog meer te vreezen zijn dan de doornen der mimosa’s.Op den grond woekert de „tarba,” wier zaadhulsels zoo scherp zijn, dat zij de zolen van niet al te dikke ruiterslaarzen doorsnijden, daar boven groeit de „essek,” wier klitten zich hechten aan alle mogelijke kleedingstukken, en dat zoo vast, dat men ze er niet meer uit kan krijgen; nog iets hooger verheft zich de „askaniet,” de verfoeilijkste plant van alle drie, omdat haar stekels bij de lichtste aanraking los laten, door alle kleedingstukken heen boren, in de huid dringen en daar etterbuilen doen ontstaan, die wel is waar elk op zich zelf klein zijn, maar wegens de ontelbare menigte tot een ware plaag worden.De drie genoemde planten maken een lang oponthoud en een verder doordringen in het grasland onmogelijk; zij zijn eene kwelling voor mensch en dier, en wij kunnen nu begrijpen waarom de inboorlingen steeds een kleine nijptang als onmisbaar wapen bij zich dragen, en dat de grootste liefdedienst, welken men elkander kan bewijzen, evenals bij de apen, daarin bestaat, dat men elkander de fijne, ternauwernood zichtbare, maar naaldscherpe dorens uit de huid trekt. Dat ook meest alle andere planten der steppe, inzonderheid bijna alle boomen en struiken, met meer of minder lastige dorens bezet zijn, is begrijpelijk voor een ieder, die ooit in Afrika een bosch trachtte door te dringen, of ook maar een boom naderde.Nog onaangenamer is de steppe des nachts. Daar men dagen lang door de steppe kan trekken zonder een dorp te ontmoeten, is men dikwijls verplicht onder den blooten hemel te overnachten.[130]Men spoort dan eene plek op, die van genoemde lastige planten vrij is; het rijdier wordt van zijn last ontheven en vastgebonden; eene eenvoudige legerplaats wordt ingericht, n.l. men spreidt een tapijt op den grond en ontsteekt een groot vuur om de roofdieren verre te houden. De zon gaat onder, en weinige minuten later heeft de nacht haar donker kleed over de aarde geworpen; het vuur verlicht de legerplaats en hare omgeving. Plotseling wordt het van verre en nabij zeer levendig. Aangelokt door het stralend vuur loopt en kruipt alles daarnaar toe, een voor een, bij tweeën, bij tienen, bij honderden. Eerst laten zich reusachtige spinnen zien, die met haar acht uitgespreide pooten evenveel plaats innemen als een man met zijn hand kan beslaan; onmiddellijk daarop, soms op hetzelfde oogenblik als de spinnen, komen de schorpioenen aanloopen. Driftig rennen beide diersoorten op het vuur af, over tapijt en dek heen, tusschen de schotels van den eenvoudigen avondmaaltijd door, keeren, door het heete vuur genoodzaakt, weer terug, laten zich nogmaals door de vlam verleiden, en vermeerderen daardoor het akelig gewemel; want deze spinnen zijn wegens haar zoo niet gevaarlijken dan toch zeer pijnlijken beet weinig minder te vreezen dan de schorpioenen, en de laatsten zijn elk oogenblik gereed met hun giftangel verwondingen toe te brengen. Verstoord neemt men zijn toevlucht tot een tweede, niet minder nuttig werktuig, dat op raad van den kundigen gids werd meêgenomen, n.l. eene langpootige vuurtang, pakt daarmede zooveel dezer ongenoode gasten als men maar machtig kan worden, en werpt ze boosaardig in het knetterende vuur. Dank zij de vereenigde pogingen van alle reisgenooten, zeer spoedig heeft het meerendeel van het helsche gebroed zijn dood in de vlammen gevonden; de aankomelingen worden minder talrijk en ook deze worden even onbarmhartig als de vorigen in ’t vuur geworpen; men herleeft—maar te vroeg!Nogmaals naderen nieuwe en nog guurder gasten het vuur: vergiftige slangen, die evenals de spinnen en schorpioenen door het vuur gelokt worden. De natuuronderzoeker herkent in hen, althans in de soort, die het talrijkst is, hoogst belangrijke dieren, die ten zeerste zijn aandacht trekken; want het is de zandkleurige hoornadder, de beroemde, liever misschien, de beruchte „Cerastes” der ouden, de op vele Egyptische monumenten afgebeelde „Fi,” dezelfde giftslang, door wier beet Cleopatra zich doodde; de vermoeide reiziger wenscht dit dier evenwel in den diepsten afgrond der hel.[131]Het gansche leger staat op zoodra de naam dier slang door den een of anderen reiziger wordt uitgesproken; ieder grijpt, en nu veel spoediger en angstiger dan straks, zijne tang, sluipt, zoodra hij het ondier in ’t gezicht krijgt, voorzichtig er op af, pakt het van achter in den nek, knijpt de tang stevig dicht, zoodat de slang niet kan ontsnappen, werpt haar midden in ’t flikkerende vuur en bespiedt met boosaardige vreugde haar dood.Er zijn plaatsen in de steppe, waar de slangen iemand in stille wanhoop brengen. Daar de kleur dezer wezens volkomen gelijk is aan die van het zand, en zij tevens de gewoonte hebben zich des daags, of wanneer zij slapen, geheel onder het zand te begraven, terwijl alleen de beide kleine, boven op den kop staande voelhoorns daaruit steken, zoo valt het moeilijk deze dieren op te sporen; de nacht is evenwel ternauwernood aangebroken, of de slangen komen weêr te voorschijn; zij trekken op het schijnsel des vuurs af en kronkelen en sissen om den armen reiziger heen. Soms dagen zij in massa’s op, om hem tot middernacht uit den slaap te houden; alle individuen, die zich in de nabijheid der legerplaats ophielden, of op hunne nachtelijke excursies deze nabij kwamen, schijnen op het vuur af te gaan. En wanneer men eindelijk, afgemat en slaapdronken de tang uit de hand en zichzelf ter ruste heeft gelegd, dan is men er nog niet van verzekerd, dat er in den nanacht nog niet enkelen over ons heen zullen kruipen; en dat zulks wel eens gebeurt blijkt o.a. daaruit, dat men des morgens bij het oprollen van het tapijt dikwijls een of meer dier gedrochten in de plooien vindt gewikkeld; ijlings nemen zij dan evenwel de vlucht en begraven zich in het zand. Hier, in deze steppe, heb ik de ervaring opgedaan, dat op weinig uitzonderingen na, de vergiftige slangen nachtdieren zijn; zulks is ten minste het geval met alle adders en groefadders.De opgenoemde dieren zijn niet de eenige steppenbewoners, die den mensch overlast veroorzaken. Zoo is er b.v. een klein diertje, dat wel is waar volstrekt niet levensgevaarlijk is, maar dat toch onnoemelijk veel schade kan toebrengen aan de bezittingen der menschen, die de steppe bewonen of deze doortrekken; ik bedoel de termiet. Dit insect gelijkt zeer veel op eene mier; in weerwil van zijn geringe lichaamsgrootte richt het meer schade aan dan de sprinkhaan, ofschoon ook de verschijning van dit vraatzuchtig beest nog heden ten dage een ware plaag kan genoemd worden. Eene kudde olifanten is zelfs nog minder te duchten.[132]De termieten zijn alomtegenwoordig; zij vernielen alles. Wat het plantenrijk oplevert verdwijnt onder haar scherpe kaken, wat de kunstvlijt der menschen opbouwt, wordt onmeêdoogenloos vernield. Hoog boven het gras der steppe verheft zich de kegelvormige, uit aarde gebouwde woning; overal in het rond, op den grond en op de boomen ziet men hun gangen, loopgraven en verbindingswegen. Het is in den nacht of als het duister is, dat zij hun verwoestenden arbeid aanvangen en voltooien.Het eerste werk der termiet bestaat daarin, dat zij de voorwerpen omgeeft met een laag aarde, die elken lichtstraal afsluit en nu gaat zij aan den arbeid, welks einddoel door dit ééne woord „vernietiging” kan worden weêrgegeven. Op den grond liggende of tegen aardwallen hangende voorwerpen zijn het meest aan gevaar blootgesteld. Een onnadenkend reiziger, door de hitte gekweld, legt een of ander kleedingstuk naast zich op den grond, die hem tot rustplaats strekt; den volgenden morgen vindt hij dit terug als een met tallooze gaatjes doorboorde zeef,—onbruikbaar gemaakt, vernield; een nog niet met de omstandigheden vertrouwd natuuronderzoeker sluit zijne zoo moeilijk verkregen schatten in eene kist, maar verzuimt deze op steenen of andere voorwerpen te plaatsen, die den bodem der kist van den grond verwijderd houden; hij ziet zich binnen weinige dagen van zijn verzameling beroofd; een jager hangt zijn geweer aan een leemen muur; hij bemerkt tot zijn verdriet, dat de vernielzieke insecten in korten tijd in kolf en loop loopgraven hebben aangelegd; in den kolf zelf zijn ze reeds tot diepe groeven geworden. Elke boom, dien de termieten tot doelwit kozen, is onherroepelijk verloren; de daken der woningen zijn aan vernietiging prijsgegeven, zoodra de termieten zich daarin hebben genesteld. Van den grond tot de hoogste takken bouwen zij hare gangen; stam, twijgen, alles wordt doorboord, zoodat de eerste de beste storm den boom velt en het losse als een bijenraat er uitziende houtweefsel als kaf in den wind verstrooit; langs de leemen wanden of het paalwerk der hutten klimt de termiet omhoog, doorboort het houtwerk en alras valt het geheele gebouw ineen; onder den vastgestampten of geplaveiden vloer der meer aanzienlijke woningen graaft zij duizendvoudig vertakte gangen en kruipt nu en dan bij millioentallen hieruit te voorschijn om van stonden aan boven den grond het werk der vernieling aan te vangen. Op deze en nog veel andere wijzen wordt de termiet tot een der vreeselijkste plagen van Centraal-Afrika, inzonderheid van de steppe.[133]Ware deze niet de schouwplaats ook nog van andere tooneelen, ware zij niet een der rijkste gebieden, een der dichtst bevolkte en meest bezochte woonplaatsen van Afrika’s dierenwereld, de natuurkundige zou haar even graag mijden als de handelsreiziger, welke laatste slechts hare afstootende, niet hare aantrekkelijke zijde leert kennen.Wie langer in haar verwijlt en haar werkelijk doorzoekt, wordt met de steppe verzoend. Zij is rijk en vol leven, oneindig rijk, en niet arm gelijk de woestijn; men kan haar veeleer vergelijken bij een oerwoud, daar ook in haar eene veelsoortige en talrijke dierenwereld huist, ja zij bij voorkeurdiedieren herbergt, welke wij als meer in ’t bijzonder aan Afrika eigen plegen te beschouwen. Wij willen enkelen vluchtig de revue laten passeeren.Tot de merkwaardigste steppendieren behooren ongetwijfeld de visschen, welke zich in de periodiek uitdrogende rivier- en meerbekkens ophouden. Reeds Aristoteles verhaalt van visschen, die zich, als het water is verdampt, in het slijk begraven; Seneca drijft hiermede evenwel den spot en vraagt of men nu voortaan maar niet met houweel en spade op de vischvangst zal gaan, in plaats van met het net. Aristoteles echter vermeldt feiten, die boven elke spotternij verheven zijn.De in de steppenwateren van Centraal-Afrika levende salamandervisch is een aalvormig dier, ter lengte van ongeveer een meter, met een lange, in de staartvin overgaande rugvin, twee smalle ver naar voren ingeplante borstvinnen en twee lange, ver naar achteren staande buikvinnen; de belangrijkste bijzonderheid, die bij dezen visch valt op te merken, bestaat daarin, dat hij behalve de gewone kieuwen ook nog longzakken bezit, die voor de ademhaling zijn ingericht. Dit merkwaardige dubbelwezen tusschen amphibie en visch houdt zich ook bij hoogen waterstand meer op in het slijk dan in het vrije water en verbergt zich gaarne in holen, die hij waarschijnlijk zelf uitgraaft. Daalt de waterspiegel aanmerkelijk, dan woelt hij zich diep in het slijk, rolt zich zoo dicht mogelijk samen en vormt nu, door zich telkens om te draaien, eene van alle kanten gesloten en van binnen met slijm bekleede, luchtdichte woning, waarin hij den winter roerloos doorbrengt. Graaft men zulk een omhulsel voorzichtig uit, en pakt men dit zorgvuldig in, dan kan men den visch verzenden zonder zijn leven in gevaar te brengen, ook naar willekeur in het leven terugroepen door hem met zijn woning in lauw water te leggen. Eerst[134]houdt het dier zich eene poos rustig, evenals ware hij nog slaapdronken; maar reeds na verloop van een uur is het geheel wakker geworden en eenige dagen later geeft het blijken van eene ontembare roofzucht. Maanden lang bespeurt men nu geen verandering in het gedrag van dezen visch, maar is de tijd genaderd, dat hij in Afrika zijn winterslaap aanvangt, dan maakt hij zich hiertoe eveneens gereed in het water, waarin hij zich nu bevindt; hij wordt tenminste onrustig en scheidt opvallend veel slijm af. Geeft men hem daartoe gelegenheid, dan graaft hij zich werkelijk in, en zoo hij dit niet kan, dan herstelt hij zich allengs van zijn onrust en blijft verder vroolijk in het water leven.Evenals de salamandervisch verduren ook de meervallen den winter der steppe, en evenals deze beide dieren graven alle daar levende amphibieën, ja zelfs sommige reptielen, vooral waterschildpadden en krokodillen, zich in het slijk in, om slapend het eind van den winter af te wachten, en zoo het ongunstige jaargetijde het hoofd te bieden. Alle op het land levende reptielen daarentegen zijn gedurende den gloeienden winter het dartelst en dragen er alzoo niet weinig toe bij om de dorre steppe te verlevendigen; zij bewonen deze toch in ontzagwekkende aantallen. Behalve de adders, waarover ik reeds sprak, treedt nog eene andere vergiftige slang in de steppe op, n.l. de Aspis-, spuw- of Ureusslang, een der meest gevaarlijke kruipende dieren.Deze slang, die nog meer beroemd, liever berucht is dan de hoornadder, is dezelfde, van welke Mozes zich bediende om zijn goocheltoeren voor Farao te verrichten, dezelfde, die de hedendaagsche slangenbezweerders nog gebruiken; dezelfde, wier gouden beeld de oude Egyptische koningen, als zinnebeeld des alvermogens, als diadeem op het hoofd droegen; dezelfde, waarvan zij zich als straf en wraakmiddel bedienden voor misdadigers en vijanden; dezelfde, van welke de oude geschiedschrijvers ons gruwelijke, maar soms zeer ware geschiedenissen opdisschen. In tegenstelling met andere slangen is zij over dag zeer lustig, en als zij niet getergd wordt zeer onschuldig; bewegelijk, toornig en moedig, vereenigt de aspis alle eigenschappen in zich, die eene giftslang gevaarlijk maken. Haar kleur, die van zand en verwelkt gras, maakt haar onzichtbaar en zoo schuifelt zij dikwijls akelig schielijk door het graswoud; zich bewust van haar vreeselijk wapen, stelt zij zich in aanvallende houding, zoodra zij zich bedreigd waant.[135]Het voorste vijfde of zesde deel des lichaams richt zich op, de halsribben worden uitgebreid en zoo wordt er een schild gevormd, boven hetwelk de kleine kop met de levendige, bijna fonkelende oogen te voorschijn treedt; zij richt de laatste strak op haar vijand en maakt zich gereed tot den bliksemsnel uitgevoerden en bijna altijd doodelijken beet;—het is een schoon, maar ijzingwekkend schoon tafereel, dat mensch en dier met bewondering, maar tevens met ontzetting vervult.Men beweert algemeen, dat zij ook dan nog gevaarlijk kan worden, wanneer zij niet bijt, maar enkel haar vergif op den aanvaller uitspuwt, en inderdaad haar sterk ontwikkelde giftklieren scheiden het helsche sap in zulk eene ontzettende hoeveelheid af, dat het in groote druppels aan het eind van het kanaal harer doorboorde gifthaken te voorschijn treedt. Geen wonder, dat inboorlingen en westerlingen haar veel meer schuwen en vreezen dan de trage hoornadder, die ons des nachts in ons leger opzoekt; verklaarbaar, dat de steppenbewoners onnadenkend op iedere, zelfs de onschuldigste slang het geweer afvuren, die hun onder de oogen komt; begrijpelijk, dat eindelijk elk geritsel in het gras of in het loof een plotselingen schrik, althans vermeerderde oplettendheid, opwekt. Zulk een geritsel hoort men echter elk oogenblik in de steppe, daar andere slangen, van de hiëroglyphen-slang af, een zes meter lange reuzenslang, tot kleine onschuldige ringslangetjes toe, er niet minder talrijk zijn dan de aspis, terwijl nog bovendien een talloos heer van hagedissen van allerlei soort overal te vinden is. Wie de slangen vreest, kan door de hagedissen met de klasse der reptielen verzoend worden; want aantrekkelijker verschijningen dan deze vlugge en schitterend gekleurde schepsels weet de steppe niet aan te wijzen. Over den grond snellen zij daarheen, tegen de takken van struiken en boomen klauteren zij omhoog, van de termietenheuvels zoowel als van de woningen kijken zij omlaag, en zelfs onder het zand banen zij zich een weg. Sommige soorten wedijveren in kleurenpracht en glans met de kolibries; anderen streelen het oog door de vlugheid en sierlijkheid hunner bewegingen; weer anderen boeien door haar zonderlinge gedaante. Zelfs nadat de zon, in wier stralen zij zich zoo gaarne koesteren, is ondergegaan en het meerendeel dezer bewegelijke diertjes de rust heeft gezocht, wordt de waarnemer nog door hen beziggehouden; want met het begin van den nacht komen de gekko’s opdagen, die des daags stil en rustig tegen de boomstammen en staken zaten gekleefd; zij laten luid en welklinkend hun geroep hooren, waaraan de naam is ontleend, om, zonder[136]daarbij de minste vrees voor de menschen aan den dag te leggen, van nu af zich aan de jacht te wijden. Het volksgeloof stelde de gekko’s oudtijds voor als zeer vergiftige dieren, en ook nu nog spookt dit vooroordeel in de hersens van vele onverstandige lieden. Het zijn nachtdieren en als zoodanig zijn zij anders gevormd dan die, welke over dag bedrijvig zijn; inzonderheid zijn zij gekenmerkt door de verbreede, kussenvormige, aan den onderkant met dicht aaneengeschaarde blaadjes voorziene voetzolen, die als zuignapjes werken en bij het klimmen de uitstekendste diensten bewijzen. Hierin meende men giftklieren te zien, hoe ongerijmd deze opvatting ook al dadelijk mocht schijnen. Neen, de gekko’s zijn zoowel aantrekkelijke als geheel ongevaarlijke wezentjes, die binnen korten tijd zich de liefde verwerven van iederen onbevangen waarnemer. Huisdieren in den besten zin des woords, dewijl zij vlijtig en met goed gevolg de vervolging op zich nemen van allerlei lastig ongedierte, verlevendigen zij in den nacht elken hoek der uit leem of stroo gebouwde woning; zij klouteren met nimmer falende zekerheid, geholpen door hunne bladvormige voetplaatjes, overal zich vasthechtende, zoowel met den kop naar beneden als met den kop naar boven, langs horizontale en loodrechte muren; zij schijnen er vermaak in te vinden elkander te plagen en na te zetten, en verlustigen den mensch nog bovendien door hunne melodieuze stem. Kortom, zij doen nut en schenken genot—welk verstandig mensch zou dus niet van hen houden?Toch—ook de gekko’s zijn en blijven kruipende dieren, en deelen als zoodanig in den vloek en afkeer van den mensch, en voorzeker! met de licht zwevende vogels zijn zij niet te vergelijken. En daarom mag men zeggen, dat eigenlijk de laatstgenoemden alleen den mensch, die in de steppe toeft, vroolijk tegemoet snellen en hem met de zooeven beschouwde dieren verzoent.De vogelenwereld der steppe is even rijk aan soorten als aan individuen. Waar men zich ook moge bevinden, vogels ontbreken nergens.Uit het dichtste halmenbosch laat zich het luid geroep van enkele trapganzen hooren; uit het struikgewas aan de oevers der waterbekkens het trompetgeluid van parelhoen of frankolijn; uit de boomen klinkt het gekir en gelach der duiven, het hameren der spechten, de volle loktonen van den baardvogel, het eenvoudig gezang der wevervogels en van sommige lijstersoorten; op uitstekende boomtakken of dergelijke voor uitkijk geschikte voorwerpen, zitten, loerende op eene[137]prooi, slangen-buizerden, zingsperwers, Duitsche papegaaien, drongo’s en bijeneters; de secretarisvogel—door de inboorlingen noodlotsvogel genoemd—loopt in het halmenwoud of zweeft daarboven; in het luchtruim spelen de zwaluwen en andere vliegenjagers, nog hooger zweven arenden en gieren. Geen plaatsje is onbewoond, geen plekje onbezet, en wanneer in Europa de winter zijn intocht houdt, zendt hij nog een aantal onzer vogels, zooals torenvalken en wouwen, worgers en Duitsche papegaaien, kwartels en ooievaars en vele anderen naar de steppe, die hun gedurende het bange en arme jaargetijde een gastvrije schuilplaats verleent.SEKRETARIS EN UREUS-SLANG.SEKRETARIS EN UREUS-SLANG.Karakteristiek voor de steppe zijn weinige daar levende vogels, en[138]haar stempel is op bijna geen enkele zoo scherp en beteekenisvol afgedrukt, dat men er een als steppenvogel in den waren zin zou mogen beschouwen, gelijk zulks bij alle woestijnvogels wel het geval is. Desniettemin merkt de aandachtige waarnemer op, dat toch ook de steppenvogels tot in zekere mate het gelaat hunner woonplaats weêrspiegelen. Den secretaris, een grooten roofvogel van het voorkomen eens kraanvogels, den slangensperwer, een in een rijk, mollig, grootvederig gewaad gehulden, langzaam en traag vliegenden havik, een stroogelen geitenmelker, alsmede een wiens vleugels in pronkveêren zijn veranderd, een parel- of frankolijnhoen, een trap, of eindelijk den struisvogel is het wel aan te zien, dat zij in de steppe thuis behooren, en daarin hun waar verblijf vinden. De steppe is, wel is waar, geenszins kleurenrijker dan de woestijn, maar geeft toch oneindig meer bedekking en kan dus ook vrijer teekenen. Nochtans bevindt men, dat ook hier voornamelijk twee kleuren domineeren, een lichter of donkerder stroogeel en een moeilijk te omschrijven staalgrijs, welke beide kleuren zoowel de veêren van de roofvogels als die der hoenders versieren, zonder dat daarom alle andere, donkere, of meer levendige en zelfs heldere kleuren buitengesloten zijn. De meerdere vrijheid in kleur en teekening valt m. i. opmerkelijk genoeg ook bij zulke vogels in ’t oog, wier geslacht of familieleden uitsluitend in de steppe thuis behooren.Wil men, met het doel daardoor het gebied zelf te kenschetsen, enkele steppenvogels meer uitvoerig beschrijven, dan wordt de keuze moeilijk, omdat bijna iedere vogel eene meer bijzondere vermelding waard is. De mij toegestane ruimte legt mij beperking op, weshalve het voldoende zij, wanneer ik als voorbeelden neem een bewoner der hoogere luchtlagen, een grondbewoner en een nachtvogel; deze zullen den lezer in staat stellen het beeld, dat hij zich reeds van de steppe heeft gevormd, nog iets vollediger te maken.Wie langen tijd in de steppe heeft verwijld, moet meermalen een grooten roofvogel hebben opgemerkt, die in zijn vlucht ten zeerste afwijkt van iederen anderen gewiekten roover, vooral door den prachtig golvenden buitenrand der lange en spitse vleugels, den ongemeen korten staart en de alles overtreffende snelheid. Hoog in de lucht vliegt, zweeft, zwemt, tuimelt, goochelt, danst en buitelt deze vogel, die de grootte bereikt van een adelaar; nu eens breidt hij zijne vleugels wijd uit, om ze minuten achtereen roerloos in dezelfde houding te laten, dan weder slaat hij ze met kracht tegen elkaar, om ze straks te draaien en te wenden,[139]of ze zoo aan te trekken, dat hij naar de laagte dreigt te storten; maar hij heeft ze reeds weêr even krachtig gebogen, en weinige minuten later hebben de hoogste luchtlagen hem wederom opgenomen.Nadert hij den grond, dan vallen de scherp tegen elkander afstekende kleuren van den fluweelzwarten kop, van hals, borst en buik, de zilverwitte onderzijde der vleugels en van den licht kastanjebruinen staart duidelijk in het oog; buitelt hij, dan ziet men de heldere, met die van den staart overeenkomende kleur van den rug, alsmede een lichte streep over de vleugels; nadert hij nog meer, dan blinken ons de koraalroode snavel en de eveneens gekleurde teugels en pooten tegen. Vraagt men een trekkenden herder, die gewoon is de dierlijke bevolking der steppe opmerkzaam gade te slaan, naar dezen zoo merkwaardigen, meestal eenzaam rondzwervenden roofvogel, dan hoort men uit zijn mond het volgende zinrijke, beteekenisvolle sprookje:„De genade des Albarmhartigen verleende aan dezen vogel de rijkste gaven, bovenal hooge wijsheid. Want hij is een heelmeester onder de vogelen des hemels, der ziekten kundig, door welke de schepselen van den Alformeerder gekweld worden, en een kenner van kruiden en wortels, die genezing brengen. Uit ver afgelegen landen ziet gij hem de wortels aandragen, maar tevergeefs poogt gij te doorgronden werwaarts hij geroepen werd om met die kruiden de zieken te genezen. De uitwerking zijner middelen is onfeilbaar; hun gebruik schenkt het leven, en wie ze versmaadt is eene prooi des doods. Zij zijn als de hebjab, door de hand van Gods gezant geschreven, een gebod Mohammeds, wiens naam geprezen zij. Het is den arme voor ’t aangezicht des Heeren, den zone Adams niet verboden zich van die geneeskrachtige kruiden te bedienen. Ziet toe waar de arts-adelaar zijn huis bouwt, neem u in acht zijn eieren aan te raken, wacht totdat uit de veêren zijner kinderen geen bloed meer vloeit; ga dan heen en bezoek de woning des adelaars en wond een zijner kinderen. Dan zult gij zien, dat de vader naar het oosten vliegt, daarhenen, waar gij uw aangezicht naar toe keert in het gebed. Wacht zonder morren en geduldig tot hij terugkeert. Hij zal verschijnen met een wortel in zijn handen; verschrik hem, opdat hij dien u late en maak er u zonder vrees meester van, want hij komt van den Heer, in wiens handen het leven is, en geen tooverij rust er op. Ga dan heen en genees uwe zieken; zij zullen allen genezen, indien het de wil is van den Albarmhartigen.”De vogel, die deze dichterlijke bloesems opwekte, is de goochelaar,[140]gelijk wij, de „hemelaap” gelijk de Abessyniërs hem noemen; het is een slangenarend; de wortels, die het sprookje hem laat aandragen, zijn de slangen, die hij vangt. Zeer zelden ziet men hem rusten; gewoonlijk vliegt hij op de geschilderde wijze rond tot eene door hem gespeurde slang hem drijft bruisend omlaag te schieten en den strijd met deze aan te vangen. Evenals alle slangendoodende roofvogels door de dikke hoornbekleeding zijner pooten en zijn dicht gevederte tegen de gifttanden genoegzaam beschut, deinst hij zelfs voor de gevaarlijkste soorten niet terug en wordt zoo tot een weldoener der steppe. Evenwel, niet zijn werkzaamheid in dit opzicht, maar alleen zijn meesterlijke vlucht, vestigde zijn roem onder alle volken zijner woonplaats.De scherpste tegenstelling met den goochelaar vormt de aan den grond geketende struisvogel. Ook deze is de held geworden van een Arabisch sprookje, ofschoon niet om hem te verheerlijken, integendeel, om hem tot in het stof te verlagen. Dat sprookje bericht van den struis, dat deze eens uit hoogmoed naar de zon wilde vliegen en toen jammerlijk verbrand werd, zoodat hij in zijn tegenwoordigen toestand naar beneden viel.Voor ons biedt het leven van dezen vogel veel wat de aandacht waard is, en te meer dewijl nog steeds zooveel onjuiste voorstellingen omtrent den struis worden gekoesterd.Ofschoon hij niet geheel ontbreekt in de begroeide laagvlakten van de Afrikaansche en West-Aziatische woestijnen, komt echter de struisvogel meer bepaald en in grooter getale voor in de aan voedsel rijke steppe. Bijna elken dag kruist men hier zijn duidelijke, karakteristieke voetstappen; den vogel zelven aanschouwt men evenwel zelden. Hij is hoog genoeg om over het graswoud heen te zien; scherp van gezicht en schuw, onttrekt hij zich dientengevolge aan het oog der menschen. Gelukt het, hem uit de verte gade te slaan, dan merkt men dat hij, althans buiten den broedtijd, van een gemakkelijk leven houdt. In den vroegen morgen en in de schemering weiden de struisvogels bij troepen; tegen den middag liggen allen rustig op den grond, om zich te wijden aan het werk der spijsvertering, of zij gaan drinken, of nemen een bad, soms zelfs in de zee; later op den dag amuseeren zij zich met vreemdsoortige dansen, springen als zinneloos in een kring rond en klapwieken daarbij met de vleugelveêren, alsof zij zich in ’t vliegen wilden oefenen; tegen zonsondergang begeven zij zich ter ruste, zonder evenwel ook nu nog hunne veiligheid uit het oog te verliezen. Worden[141]zij door een gevaarlijken vijand bedreigd, dan rennen ze in woeste vaart weg en laten dezen spoedig verre achter zich; sluipt een zwakker roofdier hen na, dan vellen zij dit met hun krachtige pooten ter aarde. Zoo vliedt hun leven bijna wolkenloos daarheen—althans, indien het hun niet aan voedsel ontbreekt. Voedsel toch hebben zij in groote hoeveelheid noodig. Men staat versteld over hunne vraatzucht en niet minder over de verduwingskracht der struisenmaag, die de veelsoortigste dingen in massa’s opneemt en, òf deze verteert, òf er in elk geval geen nadeel van ondervindt. Al wat eene plant oplevert, van den wortel tot de vrucht slokt deze spreekwoordelijk geworden maag in; al wat van kleinere dieren, zoowel gewervelden als ongewervelden bemachtigd kan worden, niet minder. Nog is hem dit niet genoeg. De struis verzwelgt al, wat verzwelgbaar is, steenen van een half kilo zwaarte, in gevangenschap stukken tichelsteen, werk, lompen, messen, sleutels en sleutelringen, spijkers, glasscherven en glassplinters, looden kogels, bellen en vele zaken meer; het is wel gebeurd, dat hij zich te goed deed aan ongebluschte kalk en daardoor zijn eigen moordenaar werd. Men vond eens in de maag van een in gevangenschap gestorven struisvogel de veelsoortigste voorwerpen tot een totaal gewicht van vier en een kwart kilogram. De vratige vogel eet in den hoenderhof jonge eenden en kippen op, net of het oesters waren, krabt de kalk van de muren om met die stukken zijn maag te vullen; in één woord, hij spaart en verschoont niets, wat maar verzwelgbaar en niet nagel- en muurvast is. In overeenstemming met de door hem verbruikte hoeveelheid voedsel, die overigens in geen wanverhouding staat tot zijn lichaamsgrootte en bewegelijkheid, is ook zijn dorst, en dientengevolge zijn verblijf gebonden, niet alleen aan plaatsen alwaar voedingsplanten voor hem aanwezig zijn, maar ook aan wateren of althans bronnen. Drogen deze uit, dan is de struisvogel genoodzaakt weg te trekken en in zoodanige gevallen kan hij soms groote afstanden afleggen.Is het voorjaar gekomen, dan ontwaakt de liefde in het hart van den struisvogel, en nu ondergaat zijn levenswijze groote veranderingen. De kudden lossen zich op in kleinere troepen en de volwassen mannetjes beginnen langdurige gevechten om het bezit der wijfjes. In hoogen graad opgewekt, wat uitwendig zichtbaar is aan den levendig rood gekleurden hals en aan de eveneens roode pooten, plaatsen twee mededingers zich tegenover elkaar, klepperen met de vleugels, zoodat de volle pracht der uitgerafelde, witte slagpennen zichtbaar wordt;[142]zij bewegen daarbij den hals op een moeilijk te beschrijven wijze, daar zij dit lichaamsdeel nu eens naar voren, dan naar de zijden wenden, draaien of buigen; zij stooten diepe en schorre tonen uit, die nu eens aan het dof gerommel van den donder, dan weder aan het gebrul van den leeuw doen denken, kijken elkaar strak aan, laten zich op den voetwortel neêr en bewegen in deze houding hals en vleugels nog schielijker en aanhoudender dan straks, springen weder op, rennen nogmaals op elkander los; eindelijk, terwijl zij elkaar voorbijsnellen, tracht ieder zijn mededinger door een forschen slag met den poot te kwetsen, om als de aanval gelukte, met den scherpkantigen nagel van den eenen teen diepe en lange wonden in lijf en pooten te slaan. De overwinnaar handelt met het in den strijd verkregen wijfje of met de wijfjes niet veel beter; hij mishandelt deze gewoonlijk op het erbarmelijkst, zoowel door zijn tyrannie als door lichamelijke tuchtiging. Of het mannetje één of meer wijfjes houdt is nog niet uitgemaakt; wel mag men voor waar aannemen, dat vele wijfjes vaak haar eieren in een en hetzelfde nest leggen, en men heeft ook opgemerkt, dat niet het wijfje, maar voornamelijk het mannetje de eieren bebroedt, alsmede de verzorging en opvoeding op zich neemt van de na 8 weken uitgekomen jongen. Zoowel in ’t een als ’t ander wordt het daarbij gewis door het wijfje geholpen, maar de hoofdarbeid valt den man ten deel, en bij de verzorging der jongen legt deze dan ook de meeste vlijt en angst aan den dag. De struisvogelkuikens, die bij het uitkomen reeds zoo groot zijn als een matige kip, verschijnen in een bijzonder gewaad op deze wereld, een gewaad, dat eer doet denken aan de stijve haren van een zoogdier dan aan het donskleed van de vogels. Daar zij reeds den eersten levensdag de vraatzucht, aan hun geslacht eigen, openbaren, groeien zij zeer snel, wisselen na 2 à 3 maanden van veêren, om nu een gewaad aan te trekken, dat het meest gelijkt op dat der wijfjes; maar er moeten nog ten minste drie jaren verloopen alvorens zij volwassen zijn en geschikt geworden ter voortplanting.Dit is, zeer beknopt weêrgegeven, het voornaamste uit de levensgeschiedenis van den reuzenvogel der steppe; alle daarmede in strijd zijnde verhalen noem ik fabelen.De nachtvogel eindelijk, over wien ik enkele woorden wensch in ’t midden te brengen, is de nachtzwaluw of geitenmelker, wiens geslacht ook bij ons te lande door ééne soort wordt vertegenwoordigd, maar die juist in de steppe in verschillende en deels zeer verschillend geteekende[143]soorten optreedt. Met het verschijnen der eerste ster aan den nachtelijken hemel beginnen deze gemoedelijkste en lieftalligste aller nachtvogels hun bedrijvig leven. Over dag is het zeer toevallig als men er een ontdekt, en dan zou men moeilijk gissen, dat deze vogel in zulk een hooge mate het vermogen bezit om werkelijk leven aan de steppe bij te zetten; wanneer evenwel de nacht aanbreekt, dan is zekerlijk althans één hunner in de nabijheid. Evenals de schorpioenen en adders door het legervuur gelokt, verschijnt ook de vlugge vlieger in de nabijheid der rustenden, beschrijft een aantal kringen om vuur en legerplaats, gaat bij tijd en wijle dicht daarbij zitten en draagt dan eenige strophen voor uit zijne nocturne, welk gezang aan het spinnen der kat doet denken, verdwijnt in het schemerdonker om ettelijke minuten later opnieuw zijn opwachting te maken, en zoo gaat het voort tot de morgen is aangebroken. Vooral ééne soort dezer familie is aantrekkelijk: de vlaggennachtzwaluw, de „viervleugelvogel” der steppenbewoners. Zijn tooisel bestaat in een paar tusschen de groote en kleine slagpennen uitstekende, bijna een halven meter lange, tot dicht bij de spits naakte, maar hier met eene vlag voorzieneveêren, die alle andere pennen in lengte ver overtreffen. Wanneer deze vogel zijne kringen in de lucht beschrijft, dan waant men eene spookgestalte te zien. Het heeft er veel van alsof hij door een tweeden, kleineren vogel achtervolgd wordt, of alsof hij zich in twee of drie vogels kon verdeelen, of eindelijk, alsof hij inderdaad vier vleugels bezat. Maar ook deze nachtzwaluw verloochent de lieftalligheid van zijn geslacht niet en wordt eene vriendelijke verschijning, evengoed als de andere leden zijner familie, die menige, anders vrij ongezellige steppennacht op vertrouwelijke wijze weten te verkorten.Rijk in soorten en vormen is ook de klasse der zoogdieren, die de steppen bewonen. Haar plantenrijkdom onderhoudt niet alleen talrijke kudden antilopen, die meer in ’t bijzonder als karakterdieren der steppe mogen beschouwd worden, maar tevens bevinden zich hier wilde buffels, wilde zwijnen, zebra’s, wilde ezels, olifanten, neushoorndieren, alsmede de serafe, door ons „giraffe” genoemd; verder een talrijk heer van knaagdieren, die wij nog maar in grove omtrekken kennen.Deze talrijke plantenetende bevolking wordt in evenwicht gehouden door verschillende in de steppe levende roofdieren; laatstgenoemden strekken der steppe zelf tot voordeel, want zonder dit tegenwicht zouden de herkauwers en knaagdieren zich zoo schrikbarend vermenigvuldigen,[144]dat de geheele plantenvoorraad van dit gebied niet toereikend zou blijken om allen te voeden. De eenvormigheid der Noord-Afrikaansche steppe, en haar, ofschoon niet overvloedige, toch betrekkelijk vrij groote rijkdom aan staande en stroomende wateren is oorzaak, dat men er niet zulke scholen antilopen ziet als in de karroe van Zuid-Afrika; in vergoeding hiervoor ontmoet men den slanken herkauwer met zijn fraaie oogen overal, òf alleen, òf in kleine troepjes, òf in grootere kudden; men ziet ze des winters nagenoeg op dezelfde plaatsen als in den zomer. Wilde paarden en wilde ezels daarentegen houden zich slechts op de kale hoogten op; de serafe bewoont uitsluitend de ijle, de neushoorn wederom bijna alleen de dichtste wouden; de olifant vermijdt enkele uitgestrekte gebieden gansch en al, terwijl de kwaadaardige buffels aan de moerassige laagvlakten schijnen gebonden te zijn. De leeuw is niet minder een metgezel der laatstgenoemde dieren als van de tamme leden dier familie, terwijl daarentegen de listige panter en de vlugge en onvermoeide jachttijger meer het spoor der kleinere antilopen volgen; jakhalzen en steppenwolven jagen voornamelijk op hazen, de vossen, civetten en stinkdieren het liefst op kleine knaagdieren en zulke vogels, die op den grond verblijf houden.SABELMARTER EN HAZELHOENDERS.SABELMARTER EN HAZELHOENDERS.Wanneer ik er toe overga uit den rijken voorraad der zoogdieren, die de steppe bewonen, enkele uit te kiezen, om deze eenigszins nader te bespreken, dan moet ik aan de verleidingweêrstandbieden, die mij zou kunnen verlokken den leeuw of den jachttijger, den hyena of den honigdas, den zebra of het wilde paard, den serafe of den buffel, den olifant of het neushoorndier daarvoor te nemen, omdat er andere dieren zijn, die mij, als meer karakteristiek voor het steppengebied, belangrijker voorkomen. Tot dezen reken ik in de eerste plaats het aard- en het schubdier—de plaatsvervangers in de oude wereld van de in Amerika talrijker vertegenwoordigde orde der Tandeloozen, zoogdieren, wier eigenlijke bloeitijd reeds vele eeuwen achter ons ligt. Beide dieren zijn, althans in Noord-Afrika, aan de steppe gebonden; want slechts daar vinden zij overvloed van termieten en hun gewone voedsel. Evenals alle miereneters brengen zij den dag als een bal ineengerold, slapende door en wel in holen, die zij zelf graven en wier uitmondingen men zoowel midden op de groote boomlooze grasvlakten als elders tusschen de spaarzaam daar voorkomende boomen en struiken aantreft. Eerst nadat de nacht zijn heerschappij begint uit te oefenen, worden deze dieren levendig; met loggen tred, hompelend en springend, hoofdzakelijk met[145]behulp van de krachtige achterste ledematen vooruit komende, terwijl zij steunen op de kolossale graafnagels der voorste ledematen en den zwaren staart, gaan zij nu op voedsel uit. Dit laatste bestaat uitsluitend uit allerlei klein gedierte, voornamelijk uit mierenpoppen, termietenlarven en wormen. Met den neus op den grond, dit lichaamsdeel voortdurend heen en weêr bewegende, steeds snuffelende, draven zij voort; een toevallig ontdekte mieren- of termietengang leidt hen naar het hoofdgebouw, waarin zij zonder moeite een gat voor den langen snuit graven, dien zij daarin steken, om met behulp hunner tong de hierin uitmondende kanalen der insekten op te sporen; zij steken de lange, kleverige, wormvormige tong zoo diep mogelijk in een der hoofdgangen, tot genoemd lichaamsdeel vol termieten of mieren hangt en brengen het daarmede beladen in den nauwen bek terug, om zich aan de gevangen insekten te vergasten. Deze manier van eten maakt een jammerlijken indruk, en toch is die tong hier een uitnemend werktuig, evenals ook de groote graafnagels zulks zijn; beide organen stellen hen in staat zich een weg door het leven te banen. Oogenschijnlijk zeer hulpbehoevend, zijn zij dit in werkelijkheid toch niet. Het zwakke schubdier wordt door zijn harnas voldoende beschermd; zelfs een sabelhouw stuit daarop af. Minder goed verdragen de pooten zulke beleedigingen. Het aardvarken bezit daarentegen een uitstekend weêrmiddel in zijn nagels en bovendien kan het met zijn staart zulke harde slagen uitdeelen, dat een niet al te overmachtig vijand voor hem het veld ruimt. Komt er evenwel eene tegenpartij op hem af, wiens kracht hij te duchten heeft, en bemerkt hij zulks in tijds, dan graaft hij zich ijlings een hol; hij werpt al gravende zand en stof in zulk een groote hoeveelheid en met zooveel kracht achter zich op, dat hij geheel onzichtbaar wordt en in de veilige diepte is aangeland, alvorens de gevaarlijke vijand tot den aanval gereed was. Slechts tegenover den mensch en diens alvermogende wapenen is hij niet opgewassen; terwijl hij slaapt, boort men hem een lange lans door ’t lijf en zoo wordt hij onfeilbaar in zijn eigen hol gedood, indien slechts het uitmondingskanaal recht en niet al te lang is. Ook dit voorwereldlijke: dier is bestemd vroeger of later uit de rij der levenden gedelgd te worden.Een troep honden achtervolgt een antilope.Onder de roofdieren der steppe heeft een daarin thuis behoorende hond steeds de grootste aandacht getrokken. Een verbindingslid vormende tusschen hyena en hond, in zooverre de gedaante en ook tot op zekere hoogte de teekening betreft, is dit dier, de hyenahond, ook uiterlijk[146]eene zeer belangrijke verschijning, en wat zijn doen en wezen betreft, het meest aantrekkelijke aller roofdieren, die de steppe herbergt. Afgezien van enkele apen, ken ik geen zoogdier, dat zooveel zelfvertrouwen bezit, of althans schijnt te bezitten, dat zoo overmoedig is of schijnt, zoo stoutmoedig als deze hond. Voor geen doel schrikt hij terug, voor zijn aanvallen is geen ander zoogdier ten volle veilig. In talrijke koppels vereenigd, trekt hij, op buit belust, door de steppe. Vernielend valt hij in de schaapskudden der kolonisten en trekherders; vast kleeft hij aan de verzenen der snelvoetigste antilopen; onbeschaamd dringt hij op de menschen in; onbevreesd verdrijft hij, wellicht grootendeels door zijn onstuimig gedrag, zelfs de roofdieren uit het gebied waar hij buit zoekt. Blaffend, jankend, kermend, achtervolgt een troep dezer honden de sterkste en krachtigste antilope, terwijl nu en dan dat geluid wordt afgewisseld door heldere, bijna vroolijke tonen. De antilope vlucht, zoo snel haar krachten dit toelaten; de op moord beluste honden vervolgen evenwel haar spoor, snijden alle bochten, alle zijwegen af, die de vervolgde tracht in te slaan, naderen haar steeds meer en meer en nopen haar eindelijk zich in tegenweer te stellen. Zich bewust van haar kracht en weêrvermogen maakt de antilope een[147]uitnemend gebruik van haar spits gewei; menige hond stort doodelijk getroffen ter aarde, maar wie overblijven hangen haar aan hals en lijf en doen een luid gehuil hooren, wanneer het dier rochelend den adem uitblaast. Zonder zich aan den mensch te storen overvallen deze honden alle mogelijke huisdieren, verscheuren de kleineren met de bloedgierigheid eens marters, en verminken de grooteren, die zij niet kunnen bemachtigen; op hen afgezonden huishonden wachten zij onbevreesd af, wagen er den strijd mede op leven en dood en werpen hen ten slotte ontzield ter aarde. Getemd, den mensch geheel onderworpen, eenige generaties na elkander afgericht en opgevoed, zouden zij de uitnemendste speurhonden kunnen worden, die er bestaan, maar heel gemakkelijk zullen zij zich wel niet onder het juk laten brengen. Zij gewennen zich aan hun verzorger, leggen zekere genegenheid, soms zelfs wel liefde voor hem aan den dag, maar op hunne eigenaardige wijze. Worden zij geroepen, dan staan zij van hun leger op, springen vroolijk op en neêr, vechten lustig tegen elkander, stormen op hun meester los, springen bij hem op, trachten hunne uitbundige vreugde door de meest uitgelaten hondengebaren uit te drukken en weten eindelijk zich niet anders te uiten dan door hun beminden meester te bijten. Onstuimigheid en een onbedwingbare bijtlust zijn de in ’t oog loopende karaktertrekken dezer honden. Prikkelbaar zonder voorbeeld, bewegen zij elk lid, trekken met elken spiervezel, zoodra een of ander voorval hun opmerkzaamheid trekt; de licht ontvlambare levendigheid van geest, die hun eigen is, neemt het karakter aan van overdreven dartelheid en ontaardt een oogenblik later in woestheid en roofzucht. Dan bijten zij in alles, wat hun in den weg komt, zonder oorzaak, maar enkel uit lust tot bijten, denkelijk ook zonder kwaadaardigheid. Deze honden zijn werkelijk de vreemdsoortigste schepselen, die de steppe herbergt.In die deelen der steppe, welke ik in ’t bijzonder op ’t oog heb, n.l. Kordofan, Sennaar en Taka, is het leven der genoemde en nog andere steppendieren, afgezien van den invloed der beide jaargetijden, bij lange na niet aan zulke stoornissen onderhevig als in het zuiden van Afrika of in de Middel-Aziatische steppen. Voor zulke soorten, die niet trekken, of die maandenlang in een toestand van schijndood verkeeren, breekt met den winter ook wel een tijd van ontbering aan, soms wel van groot gebrek, maar hongersnood of watersnood kennen zij niet. Dientengevolge ontstaat er ook geen behoefte, om door vertwijfeling[148]gedreven, het armoedige geboorteland te verlaten en heil te zoeken in eene overhaaste vlucht naar gelukkiger oorden. Ook de dieren der Noord-Afrikaansche steppe trekken en reizen; maar zij vluchten niet ongeregeld gelijk die soorten, welke andere steppen bewonen en die hun gebied bij honderdduizendtallen verlaten, wanneer er gevaar dreigt. Van zulke enorme kudden antilopen, zooals men in het zuiden van Afrika ziet, weet men hier niet te verhalen. Een en ander werd reeds door mij opgemerkt. Alle gezellig levende vogels scharen zich bij het naderen van den winter bijeen, en verdeelen zich weder in troepjes, wanneer de lente haar intocht viert; alle trekvogels gaan en komen ongeveer terzelfder tijd; zulks geschiedt evenwel regelmatig en altijd op dezelfde wijze, niet ongeregeld en zonder bepaald doel.Eéne mogendheid evenwel blijft er nog over, die ook hier het leven der dieren in gevaar brengt; het is de macht van het vuur.Telken jare, wanneer de donkere wolken in het zuiden en de hieruit schietende bliksemstralen de komst der lente aankondigen, en op die dagen, wanneer de zuidenwind over de steppe giert, werpt de trekherder in die streken waar hij huist, den brand in het grasbosch. Snel en ongestuit grijpen de vlammen om zich heen. Over geheele velden breiden zij zich uit; rook en walm vormen de voorhoede. Een donkerroode wolk verkondigt des nachts haar vernielende en toch zegenrijke werking. Niet zelden bereikt de brand het oerwoud; de vlammen lekken aan de verdorde slingerplanten van den bodem tot aan de toppen der boomen; zij verschroeien de enkele nog overgebleven bladeren en verkolen den buitenbast der stammen. Soms, ofschoon minder dikwijls, omslingeren de vlammen geheele dorpen en werpen haar brandende fakkels in de stroohutten, die inéénoogwenk der vernieling zijn prijs gegeven.Alhoewel een steppenbrand, in weerwil van de menigte en gemakkelijk ontvlambare brandstof, nimmer verderfelijk kan worden voor een man tepaardevenmin voor snelloopende zoogdieren, terwijl hij zelfs met goed gevolg bestreden kan worden en zulks door het vuur zelf, toch geraakt de geheele dierenwereld door zulk eene gebeurtenis in groote opgewondenheid. Al wat ademt in het graswoud verlaat zijn schuilplaats en slaat op de vlucht. Die vlucht wordt een wilde vlucht, daar de schrik tot nog meer spoed aanzet dan de vlammen zelf. Antilopen, wilde paarden, struisvogels vliegen sneller dan de stormwind over de vlakte; jachttijger en luipaard volgen, en mengen zich in de[149]kudden der eersten zonder er aan te denken eenig dier aan te vallen; de hyenahond vergeet zijn moordlust; de leeuw wordt door gelijken schrik bevangen als alle andere zoogdieren; slechts de holbewoners verbergen zich in hun veilig verblijf en laten de vuurzee boven hun hoofd woeden, zonder er eenig letsel van te ondervinden. Alle kruipende en aan den grond gekluisterde dieren daarentegen hebben het zwaar te verantwoorden. Weinige slangen, zelfs de vlugge hagedissen niet, kunnen aan het vuur ontkomen; schorpioenen, tarantula’s en duizendpooten worden er zeker door bereikt, of zij vallen ten buit aan vijanden, die door den brand herwaarts werden gelokt en de vlammen weten te trotseeren.Zoodra er in de steppe een rookwolk ten hemel stijgt, die zich meer en meer uitbreidt, snellen van alle kanten kruipende roofdieren en roofinsekten, vooral echter slangenarenden, zangsperwers, wouwen, torenvalken, ooievaars, bijeneters en zwaluwen aan, om jacht te maken op de hagedissen, slangen, schorpioenen, spinnen, kevers en sprinkhanen, die door het vuur werden opgeschrikt en voor hetzelve vluchten. Onbevreesd loopen de secretarisvogels en ooievaars dwars voor de vuurlijn; snelwiekige valken, bijeneters en zwaluwen zweven boven de vlammen en door de rookwolken; een rijke buit valt allen ten deel. De jacht duurt zoolang als de brand woedt en de brand vindt voedsel zoolang de storm hem verder draagt; eerst met het sterven van den wind dooven ook de vlammen uit.Zoo zuivert de trekherder zijn weiland van onkruid en ongedierte; op deze wijze maakt hij het gereed voor een nieuwen plantengroei. Een vruchtbare asch blijft op den bodem achter; de levenwekkende regen vermengt die asch met de teelaarde, en een nieuw, jeugdig en krachtig groen ontspruit na het eerste onweder. Dan keeren ook alle gevluchte dieren weder terug naar de oude woonplaats, om, na den last en de kwellingen van den nu geëindigden winter en den schrik der jongste dagen, weder volop te genieten van de weelde en de genoegens des levens.[150]1Karroe, inlandsche naam voor deze steppe.↑

[Inhoud]V.DE STEPPE EN DIERENWERELD VAN CENTRAAL-AFRIKA.Het noorden van Afrika is eene woestijn, moet zulks zijn en zal het eeuwig blijven. Vergeleken met de uitgestrekte, door de gloeiende zon verzengde landmassa’s tusschen de Roode Zee en den Atlantischen Oceaan, verliezen de wateren, die de aarde omgorden, hunne beteekenis; de Roode Zee komt in ’t geheel niet in beschouwing, de Middellandsche Zee blijkt veel te klein en zelfs de invloed van den Atlantischen Oceaan blijft enkel tot een smallen zoom langs de kust beperkt. Boven zulke groote en heete vlakten moeten alle wolken zich oplossen zonder de dorstende aarde te bevochtigen en te bevruchten. Eerst veel verder naar het zuiden, ongeveer bij den evenaar, daar, waar aan de eene zijde de Atlantische Oceaan met een diepe bocht het land binnen dringt, aan de andere zijde de Indische Zee Afrika’s kusten bespoelt, waar, om mij zoo uit te drukken, beide Oceanen elkander over dit werelddeel heen de hand reiken, worden de verhoudingen eenigszins anders. Hier stroomen, op zekere tijden des jaars, vergezeld van storm, bliksem en donder, geregeld zulke ontzaglijke regenmassa’s neder, dat voor deze de woestijn moet wijken om voor de meer levende steppe plaats te maken. Daarom wordt het voorbijsnellend jaar hier in twee, wezenlijk van elkander verschillende jaargetijden verdeeld: in het levenwekkende en in het doodende, dat van regen en een ander van droogte, terwijl daarentegen in de woestijn eenig en alleen door de nu en dan heerschende winden kondschap wordt gebracht van de elders wisselende jaargetijden.Om de steppe te verklaren dunkt mij eene vluchtige schildering harer jaargetijden noodzakelijk. Want ieder land is eene afspiegeling van het klimaat, dat daar heerscht, en elk gebied is niets anders dan het resultaat der strijdende machten zijner jaargetijden, en kan slechts begrepen worden, wanneer men deze en hun invloed heeft leeren kennen.Met het ophouden van den regen vangt in Afrika’s binnenlanden de doodende tijd des jaars aan, de lange en vreeselijke winter, die door[122]zijn verzengende gloeihitte hetzelfde uitwerkt, wat de noordsche winter door zijn koû bewerkt. Nog vóór de hemel, die tot nog toe dikwijls bewolkt is geweest, volkomen helder is geworden, werpen sommige boomen, die in het voorjaar zich met groen hebben getooid, hun bladerenpracht af, en met het vallen der bladeren verlaten ook de trekvogels, die er in de lente broedden, het herfstachtig geworden land om in andere streken van het ouderlijk werelddeel een toevluchtsoord te zoeken. De halmen der broodvruchten worden geel, nog vóór de regen heeft opgehouden; de lage grassen verwelken en verdorren. De periodiek stroomende wateren drogen op; eveneens de door den regen gevulde bekkens, zoodat niet alleen de daarin levende reptielen en kikvorschachtigen, maar zelfs de visschen genoodzaakt worden zich in de natte leem te begraven om hier den winter te verblijven. Insecten en planten vertrouwen hun zaden aan de aarde toe.Hoe meer de zon zich schijnbaar naar het noorden wendt, des te sneller komt de winter opdagen. De herfst duurt maar weinige dagen. Hij bewerkt niet, zooals bij ons, een verwelken en afsterven der bladeren, geen tintelen in geel en rood, maar oefent door gloeiende winden zulk een vernielenden invloed uit, dat zij verdrogen evenals gemaaid gras in de stralen der zon; deels nog groen vallen zij ter aarde, deels worden zij met steel en al afgerukt en weggewaaid, zoodat de boomen, op weinig uitzonderingen na, binnen een onbegrijpelijk korten tijd een winterachtig voorkomen hebben erlangd. Boven de vlakten, die nog voor weinige dagen met hoog, golvend gras begroeid waren, verheffen zich nu dwarrelende stofwolken; in de beddingen der geheel of gedeeltelijk blootgelegde stroomloopen en waterbekkens gapen diepe kloven. Al wat aangenaam was verdwijnt, al wat onaangenaam is treedt dreigend te voorschijn: bladeren en bloesems, vogels en kapellen verwelkten, vlogen weg of stierven; doornen daarentegen, stekels en klissen bleven terug, terwijl slangen, schorpioenen en tarantelspinnen haar hoogtijd vieren. Eene onuitstaanbare hitte des daags, eene onverdragelijke warmte des nachts zijn de plagen van dit seizoen, en noch tegen het een, noch tegen het andere bestaan middelen van tegenweer. Wie zulke dagen niet bij eigen ervaring kent, als wanneer de thermometer in de schaduw 50° C. stijgt, terwijl men voortdurend zweet, wat men echter niet eerder merkt, dan wanneer men op een koele plek is gekomen, omdat de hitte dadelijk al het zweet doet verdampen, wanneer de eene stofwolk na de andere omhoog stijgt en een droge nevel loodzwaar[123]drukt op al wat leeft, zoo iemand heeft geen denkbeeld van dit lijden; hij die zulke nachten, wanneer men zich slapeloos op zijn leger omkeert, daar de warmte steeds toeneemt, niet heeft doorleefd, is buiten staat zich in te denken in het naamloos leed, dat gelijkelijk menschen en dieren pijnigt. Zelfs de hemel verandert zijn kleur, die tot nog toe rein blauw is geweest in een vaal grijs, want de zoo even vermelde nevel omsluiert dikwijls halve dagen lang de zon, zonder deze nochtans van haar gloed te kunnen berooven; integendeel, juist wanneer de horizon door zulke nevels verduisterd wordt, schijnt de hitte nog toe te nemen. Zonder de geringste verkwikking voor geest of lichaam volgt de eene dag op den anderen. Geen koeltje uit het noorden streelt het voorhoofd, geen bloesemgeur, geen vogelengezang, geen in heldere kleuren en donkere schaduwen prijkend landschap, gelijk de in zonnegloed badende tropen somwijlen te voorschijn tooveren, werkt verfrisschend op de ziel; alles wat levendig, kleurig en dichterlijk is, vlood henen, zonk neêr in den doodslaap,—en deze is veel te akelig dan dat hij eenig dichterlijk gevoel kan opwekken.Menschen en dieren kwijnen, evenals gras en bladeren verwelkt zijn; en menschen en dieren zinken neder om nooit weêr op te staan. Tevergeefs worstelen fierheid en moed tegen den last dier dagen; zuchtend en klagend bezwijkt zelfs de krachtigste wil. Elke inspanning mat af, elke beweging; het lichtste dek is te zwaar en de geringste wond verkeert in eene boosaardige zweer.Maar ook deze winter moet voor de lente wijken. Maar ook deze brengt door haar winden schrik en verderf. Dezelfde wind, die in de woestijn tot samoem wordt, roert als heraut der lente zijn vleugels, woelt in de spleten van den grond, om zelfs daaruit nog stof te vegen, dat in dichte massa’s omhoog dwarrelt, bouwt er op muren gelijkende wolken van en zweept deze huilend en bruisend over het land, werpt ze door de getraliede vensters van de woningen in de steden en door de lage deuren van de hutten der inboorlingen om nieuwe kwellingen te voegen bij de bestaande.Hij alleen heeft eindelijk de volle heerschappij ontvangen en oefent deze onbeperkt uit, als wilde hij alles vernietigen, wat nog stand hield; maar hij ook is het, die in het verre zuiden van regen zwangere wolken opeenstapelt, om deze naar de verbrande streken te voeren. Reeds schijnt het alsof bij het toenemen zijner kracht de drukkende zwoelheid wordt getemperd, alsof zijn adem bij tijd en wijle niet meer zoo gloeiend is, maar frisch en verkwikkend.[124]Het is geen misleiding: de lente rust zich uit tot den intocht, en op de vleugelen van den zuidenwind rukken de wolken ruischend aan. Nog een korte tijd en zij verdonkeren in het zuiden het gewelf des hemels; nog weinige dagen en flitsende bliksemstralen verlichten allengs de donkere wolkenlaag; nog eenige weken en een verwijderde donder kondigt den leven aanbrengenden regen aan.Bedrijvigheid begint te heerschen in en aan alle stroomen, die uit het zuiden komen. Zij zijn wel is waar nog helder als kristal, maar zij zijn levendiger geworden, want zij wassen van nu aan voortdurend en zenden door alle spleten en scheuren der slijkerige oevers het levenwekkend vocht naar het binnenland. Ook de trekvogels zijn bereids weder teruggekeerd, terwijl hunne aantallen nog dagelijks aangroeien. In de streken van den boven-Nijl verscheen de ooievaar, om wederom bezit te nemen van de oude nesten op de kegelvormige stroohutten der inboorlingen; met hem verscheen de heilige ibis, om ook heden nog zijn sedert duizenden jaren bekleed ambt waar te nemen: n.l. tot bode, heraut en waarborg te zijn, dat de oude Nijlgod wederom de bron zijner genade zal laten vloeien en den hoorn des overvloeds over de hem onderworpen landen uitstorten.Eindelijk komt het eerste onweêr opzetten. Een benauwend warme lucht drukt op het doode, verbrande veld, zoo mogelijk nog erger dan te voren.Huiveringwekkende stilte beangstigt mensch en dier. Elk gezang, bijna elk geluid der vogels is verstomd; zij zelf hebben zich in het dichtste gebladerte der altijd groene boomen verborgen.Maar ook het leven in het leger der trekherders, in het dorp, in de stad, schijnt uitgestorven. Vreesachtig kruipen de anders zoo levenslustige honden naar een stil, verborgen hoekje; alle overige huisdieren hebben een angstig en schuw voorkomen; men maakt de paarden vast en drijft de runderen binnen de omheining.In de stad sluit de koopman zijn kraam, de ambachtsman zijn werkplaats, de regeeringspersoon zijn diwan, want een ieder zoekt een schuilplaats in zijn woning. En toch laat zich nog geen windje hooren, en verneemt men zelfs niet het minste geritsel aan de weinige nog bladdragende boomen. Maar toch kan men bespeuren hoe het onweder zich vormt en nadert.In het zuiden pakt zich eene donkere en als vlammende wolkenlaag samen, die doet denken aan de vuur- en rookwolken boven eene[125]brandende stad, of aan een ver afgelegen boschbrand. Vuurrood, purper, donkerrood en bruin, vaalgeel, grijs, donkerblauw en zwart schijnen in die wolkenlaag een kleurendans uit te voeren; die kleuren mengen zich dooreen, scheiden zich van elkaar af, verliezen zich in het donker en flikkeren plotseling weder met schrille tinten op. De bank rust op den horizon en klimt naar den hemel omhoog; zij schijnt nu eens stil te staan, maar ijlt straks met de snelheid van den storm verder, omsluit den gezichteinder hoe langs hoe meer en hult alles in een ondoordringbaren sluier. Een fluitend en suizend geluid schijnt uit haar voort te komen; waar de waarnemer staat is alles evenwel nog doodstil.Daar breekt plotseling een windstoot los. De sterkste boomen buigen onder den geweldigen storm als zwakke rijsjes; de slanke palmen neigen haar kronen diep ter aarde. Een tweede stoot volgt op den eersten, een derde op den tweeden; de wind groeit aan tot een storm, de storm wordt orkaan en deze woedt met ongehoorde kracht. Het loeien des orkaans is zoo vreeselijk, dat het eigen woord de ooren des sprekers niet meer bereikt, en elk geluid wordt overstemd en gesmoord. Het ruischt en beruist, loeit en suist, fluit en huilt, dreunt en ratelt in de lucht, op den grond, in de kruinen der boomen, alsof alle elementen met elkaar in strijd zijn, de hemel zou willen invallen, de grondvesten der aarde wankelen.Onweêrstaanbaar treft de geweldige storm de kronen der boomen, sleurt de helft der bladeren, die er nog aan hangen, mede, breekt stammen van eene mansdikte als glas, maakt zich zelfs van de kronen meester, om ze als een speelbal over de vlakten te rollen, te draaien en omhoog te doen dwarrelen, en ze eindelijk met de takken, als breedste basis, naar beneden, met de weemoedig omhoog starende brokstukken van den stam naar boven, diep in de aarde of het zand te begraven; de termieten zullen het werk der vernieling verder aan hen voltooien. Gulzig woelt de wind in alle spleten en barsten der aarde, veegt er het stof, zand en grind uit, voert deze omhoog naar de wolken of sleept ze met zulk een kracht voort, dat zij, tegen harde voorwerpen stootende, met een hoorbaar geratel en geknetter terugspringen; hemel en aarde worden er door aan ’t gezicht onttrokken, de dag wordt tot nacht en de sidderende mensch ontsteekt de lamp in zijne met stof gevulde woning, om bij ’t schijnsel van dat licht te herademen en tot rust te komen.Maar het geloei van den wind wordt overstemd door andere geluiden.[126]Ratelende donderslagen laten zich dreunend hooren en smooren het gehuil en gebruis van den storm. Nog altijd zijn de stofwolken zoo dicht, dat men den bliksem niet kan zien; spoedig evenwel mengt zich een tot nog toe niet vernomen geratel onder de verwarde mengeling van tonen en geluiden, en daarmede begint de onnatuurlijke nacht te wijken voor een dagend licht. Het is alsof zware hagelbuien de aarde treffen, en toch zijn het slechts regendroppels, die neêrvallen, om onder het vallen zand en stof meê te voeren. Nu ook kan men het bliksemen zien. De eene straal volgt zoo onmiddellijk op de andere, dat men de oogen voor dit verblindend licht sluit en het onweder slechts kan volgen door den onafgebroken rollenden donder. De regen verandert in een wolkbreuk, het water ruischt van de bergen neder, de beken nemen het op en zenden het naar de laagten, alwaar de meren het verzwelgen; in stroomen golft het door de dalen. Uren lang houdt de regen aan, maar de storm heeft zijn kracht verloren en eene verkwikkende koelte laaft weder mensch en dier en plant. Ook de bliksemslagen verminderen in aantal, de donder verzwakt, de wolkbreuk wordt weder regen, de regen verandert in druppelen; de hemel wordt helder, de wolken scheuren en het stralend aangezicht der zon breekt door. Jubelend verlaat de bruine jeugd, naakt gelijk zij ter wereld kwam, huizen en hutten, om zich in het lentewater te baden; niet minder gelukkig ontworstelen zich de reptielen, kikvorschachtigen en visschen aan den slijkerigen bodem, en reeds in den eersten nacht na den regen klinken uit duizend kelen de heldere stemmen der kleine vorschen, van welke dieren men vroeger niets bespeurde, omdat zij, gelijk sommigekrokodillen, vele schildpadden en alle visschen der periodiek uitdrogende meren in de diepte der aarde een winterkwartier hadden opgezocht; de eerste voorjaarsregen doet hen tot een nieuw leven ontwaken.Overal ontwikkelt zich datzelfde verjongde, krachtige leven. Gretig zwelgt de aarde het haar geboden vocht in; maar de hemel opent na weinige dagen nogmaals zijn sluizen om, wat nog bleef sluimeren, te wekken. Een tweede onweder doet de knoppen open springen van alle boomen met wisselend blad en het gras ontluiken; een derde regenbui roept bloesems en bloemen op en bekleedt het geheele landschap met malsch groen. Even tooverachtig als de lente kwam is haar werking. Wat bij ons te lande een maand tijd vereischt, wordt hier afgespeeld binnen ’t verloop eener week; wat in gematigde landen zich zoo langzaam ontwikkelt, ontplooit zich hier binnen weinige dagen en uren.[127]Slechts een gering aantal weken duurt deze lente en de weinig van haar verschillende zomer heeft thans zijn intocht gehouden; en even snel wordt deze weder opgevolgd door den korten herfst, zoodat men eigenlijk slechts van een eenig jaargetijde kan spreken, dat èn lente, èn zomer èn herfst in zich bevat. En nogmaals staat de moordende winter voor de deur en belet een ongestoord ontkiemen, groeien en gedijen, zooals in andere aequatoriale landen, die eenen grooteren watervoorraad rijk zijn, mogelijk is. Toch is de hoeveelheid regen hier nog voldoende om dit land tot geen barre woestijn te maken, en overal daar, alwaar zij zich anders zou doen gelden, een meerder of minder weelderig plantentapijt over de aarde te spreiden, of,m.a.w.in plaats van eene woestijn eene steppe te scheppen.Ik gebruik het woord steppe om daarmede aan te duiden die eigenaardige streken van Centraal-Afrika, welke de Arabier „Chala”d.w.z.„frissche, groene planten voortbrengende landen” noemt. DeChalais wel is waar niet hetzelfde als de steppe van Zuid-Rusland en Middel-Azië; evenmin komt zij geheel overeen met de prairiën van Noord-Amerika of de pampas en llanos van Zuid-Amerika, maar zij heeft toch zooveel punten van overeenkomst met de eerste, dat ik mij genoegzaam verontschuldig reken wanneer ik de voorkeur geef aan een bekend woord. De steppe strekt zich uit over geheel Centraal-Afrika, van de woestijn tot aan de Karroe1, van de oostkust tot de westkust; zij omgeeft alle hooggebergten des lands, en sluit alle oerwouden in, die zich zoowel op deze als in de komvormige, meer waterrijke laagvlakten bevinden; zij omvat alle landen in het hart van Afrika, begint weinige honderden schreden aan gene zijde van de huizen der dorpen, neemt de velden der ingezetenen in zich op, en voedt en onderhoudt de kudden der trekherders. Waar in het zuiden de woestijn eindigt, waar het woud ophoudt, waar een gebergte daalt, daar begint haar heerschappij; waar een brand het bosch vernielde, daar maakt zich de Chala van de uitgebrande plek meester; waar de mensch het dorp verlaat, daar dringt zij in diens jurisdictie binnen, om dit in weinig jaren tijds gansch en al onkenbaar te maken; waar de landman zijn akkers prijsgaf, daar drukt zij binnen het tijdsverloop van een jaar weder hare beeltenis af.Onvriendelijk, eentonig, zonder afwisseling doet zich de steppe voor aan hem, die haar voor het eerst betreedt. Eene uitgestrekte, dikwijls[128]onafzienbre vlakte ligt voor ons; slechts bij uitzondering rijzen enkele kegelvormige bergen uit haar op; noch zeldzamer scharen deze zich aaneen tot ketens. Vaker ziet men lage heuvelklingen de vlak komvormige dalen afbreken; soms vereenigen die heuvelrijen zich tot netvormig door elkaar gevlochten ruggen, die diepe keteldalen insluiten of omgeven, waarin gedurende den regentijd poelen, vijvers en meren worden gevormd, terwijl de leemachtige grond in den winter veelvuldig gebarsten en gekloven is. In de diepste en langste dalen bevindt zich in plaats van zulk een stilstaand water een „chòr” of regenstroom,d.i.een waterbed, dat eveneens slechts in het voorjaar gedeeltelijk, onder bijzonder gunstige omstandigheden ook wel eens en dan binnen weinige uren tot aan den rand gevuld wordt, en nu niet meer stroomt, maar als een bewegelijke muur bruisend en donderend naar de laagte stort, zonder evenwel in eene eigenlijke rivier uit te monden. Zulke verzamelplaatsen van water uitgezonderd, dekt overal een betrekkelijke rijke vegetatie den grond. Grassen van allerlei soort, van lage, langs den grond kruipende plantjes tot meer dan manshooge korenachtige halmen vormen het hoofdbestanddeel dezer steppen-flora; boomen en struiken, vooral vele soorten van mimosa’s, adansonia’s, dompalmen, Christusdoorns en andere, vormen hier en elders, vooral aan de oevers der genoemde wateren, dichte heggen en boschjes; overigens zijn zij zoo spaarzaam over de uitgestrekte, met een dicht graskleed overtogen vlakten verspreid, dat zij slechts op weinige plaatsen tot een werkelijk en dan nog ijl bosch worden. Nergens groeien deze boomen zoo weelderig als in de ware stroomdalen, die de zegeningen van de lente in zich sluiten; zij zijn daarentegen dikwijls dwergachtig, althans laag; hun kronen zijn ijl, en niet dan hoogst zelden ziet men eene klimplant tot aan hun top opstijgen. Zij allen lijden te veel onder den invloed van den langen, gloeienden winter, die hun ternauwernood veroorlooft, hun eigen leven te behouden en die alle woekerplanten uit hun nabijheid weert. De grassen daarentegen schieten in de wel is waar korte, maar toch aan water rijke lente welig omhoog, bloeien er doorheen, en doen hun zaden rijpen, zoodat hier alle voorwaarden voor een gunstig gedijen rijkelijk vervuld zijn. Maar ook door de grassen voornamelijk erlangt de steppe haar eentonig uitzicht; want, hoe klein zij ook zijn, zij wisschen vele tegenstellingen uit en brengen, inzonderheid door hun gelijke kleur, een afmattende uitwerking teweeg. Zelfs de mensch is niet in staat eenige afwisseling in dit eeuwig eenerlei te brengen, daar ook zijn[129]akkers, die hij midden in het graswoud aanlegt, uit de verte beschouwd er evenals deze uitzien, zoodat men koren en gras niet van elkander kan onderscheiden; de ronde, met een koepelvormig dak voorziene hutten, die hij met dunne palen stut en met steppengras bekleedt, steken althans in het droge jaargetijde zoo weinig tegen de omgeving af, dat men ze eerst in de onmiddellijke nabijheid gewaar wordt. Het is alleen de wisseling der jaargetijden, die verandering brengt in dit eentonig tooneel, en ook deze verandering is nog van weinig beteekenis.Onvriendelijk is ook de begroeting, waarmede de reiziger door de steppe wordt ontvangen. Op hooge kameelen gezeten, rijdt men door het landschap. Het een of ander wild wekt den jachtlust op en men wordt verleid tot het binnendringen van het graswoud. Daar wordt men plotseling gewaar, dat er tusschen de oogenschijnlijk zoo gladde grashalmen planten groeien, die nog meer te vreezen zijn dan de doornen der mimosa’s.Op den grond woekert de „tarba,” wier zaadhulsels zoo scherp zijn, dat zij de zolen van niet al te dikke ruiterslaarzen doorsnijden, daar boven groeit de „essek,” wier klitten zich hechten aan alle mogelijke kleedingstukken, en dat zoo vast, dat men ze er niet meer uit kan krijgen; nog iets hooger verheft zich de „askaniet,” de verfoeilijkste plant van alle drie, omdat haar stekels bij de lichtste aanraking los laten, door alle kleedingstukken heen boren, in de huid dringen en daar etterbuilen doen ontstaan, die wel is waar elk op zich zelf klein zijn, maar wegens de ontelbare menigte tot een ware plaag worden.De drie genoemde planten maken een lang oponthoud en een verder doordringen in het grasland onmogelijk; zij zijn eene kwelling voor mensch en dier, en wij kunnen nu begrijpen waarom de inboorlingen steeds een kleine nijptang als onmisbaar wapen bij zich dragen, en dat de grootste liefdedienst, welken men elkander kan bewijzen, evenals bij de apen, daarin bestaat, dat men elkander de fijne, ternauwernood zichtbare, maar naaldscherpe dorens uit de huid trekt. Dat ook meest alle andere planten der steppe, inzonderheid bijna alle boomen en struiken, met meer of minder lastige dorens bezet zijn, is begrijpelijk voor een ieder, die ooit in Afrika een bosch trachtte door te dringen, of ook maar een boom naderde.Nog onaangenamer is de steppe des nachts. Daar men dagen lang door de steppe kan trekken zonder een dorp te ontmoeten, is men dikwijls verplicht onder den blooten hemel te overnachten.[130]Men spoort dan eene plek op, die van genoemde lastige planten vrij is; het rijdier wordt van zijn last ontheven en vastgebonden; eene eenvoudige legerplaats wordt ingericht, n.l. men spreidt een tapijt op den grond en ontsteekt een groot vuur om de roofdieren verre te houden. De zon gaat onder, en weinige minuten later heeft de nacht haar donker kleed over de aarde geworpen; het vuur verlicht de legerplaats en hare omgeving. Plotseling wordt het van verre en nabij zeer levendig. Aangelokt door het stralend vuur loopt en kruipt alles daarnaar toe, een voor een, bij tweeën, bij tienen, bij honderden. Eerst laten zich reusachtige spinnen zien, die met haar acht uitgespreide pooten evenveel plaats innemen als een man met zijn hand kan beslaan; onmiddellijk daarop, soms op hetzelfde oogenblik als de spinnen, komen de schorpioenen aanloopen. Driftig rennen beide diersoorten op het vuur af, over tapijt en dek heen, tusschen de schotels van den eenvoudigen avondmaaltijd door, keeren, door het heete vuur genoodzaakt, weer terug, laten zich nogmaals door de vlam verleiden, en vermeerderen daardoor het akelig gewemel; want deze spinnen zijn wegens haar zoo niet gevaarlijken dan toch zeer pijnlijken beet weinig minder te vreezen dan de schorpioenen, en de laatsten zijn elk oogenblik gereed met hun giftangel verwondingen toe te brengen. Verstoord neemt men zijn toevlucht tot een tweede, niet minder nuttig werktuig, dat op raad van den kundigen gids werd meêgenomen, n.l. eene langpootige vuurtang, pakt daarmede zooveel dezer ongenoode gasten als men maar machtig kan worden, en werpt ze boosaardig in het knetterende vuur. Dank zij de vereenigde pogingen van alle reisgenooten, zeer spoedig heeft het meerendeel van het helsche gebroed zijn dood in de vlammen gevonden; de aankomelingen worden minder talrijk en ook deze worden even onbarmhartig als de vorigen in ’t vuur geworpen; men herleeft—maar te vroeg!Nogmaals naderen nieuwe en nog guurder gasten het vuur: vergiftige slangen, die evenals de spinnen en schorpioenen door het vuur gelokt worden. De natuuronderzoeker herkent in hen, althans in de soort, die het talrijkst is, hoogst belangrijke dieren, die ten zeerste zijn aandacht trekken; want het is de zandkleurige hoornadder, de beroemde, liever misschien, de beruchte „Cerastes” der ouden, de op vele Egyptische monumenten afgebeelde „Fi,” dezelfde giftslang, door wier beet Cleopatra zich doodde; de vermoeide reiziger wenscht dit dier evenwel in den diepsten afgrond der hel.[131]Het gansche leger staat op zoodra de naam dier slang door den een of anderen reiziger wordt uitgesproken; ieder grijpt, en nu veel spoediger en angstiger dan straks, zijne tang, sluipt, zoodra hij het ondier in ’t gezicht krijgt, voorzichtig er op af, pakt het van achter in den nek, knijpt de tang stevig dicht, zoodat de slang niet kan ontsnappen, werpt haar midden in ’t flikkerende vuur en bespiedt met boosaardige vreugde haar dood.Er zijn plaatsen in de steppe, waar de slangen iemand in stille wanhoop brengen. Daar de kleur dezer wezens volkomen gelijk is aan die van het zand, en zij tevens de gewoonte hebben zich des daags, of wanneer zij slapen, geheel onder het zand te begraven, terwijl alleen de beide kleine, boven op den kop staande voelhoorns daaruit steken, zoo valt het moeilijk deze dieren op te sporen; de nacht is evenwel ternauwernood aangebroken, of de slangen komen weêr te voorschijn; zij trekken op het schijnsel des vuurs af en kronkelen en sissen om den armen reiziger heen. Soms dagen zij in massa’s op, om hem tot middernacht uit den slaap te houden; alle individuen, die zich in de nabijheid der legerplaats ophielden, of op hunne nachtelijke excursies deze nabij kwamen, schijnen op het vuur af te gaan. En wanneer men eindelijk, afgemat en slaapdronken de tang uit de hand en zichzelf ter ruste heeft gelegd, dan is men er nog niet van verzekerd, dat er in den nanacht nog niet enkelen over ons heen zullen kruipen; en dat zulks wel eens gebeurt blijkt o.a. daaruit, dat men des morgens bij het oprollen van het tapijt dikwijls een of meer dier gedrochten in de plooien vindt gewikkeld; ijlings nemen zij dan evenwel de vlucht en begraven zich in het zand. Hier, in deze steppe, heb ik de ervaring opgedaan, dat op weinig uitzonderingen na, de vergiftige slangen nachtdieren zijn; zulks is ten minste het geval met alle adders en groefadders.De opgenoemde dieren zijn niet de eenige steppenbewoners, die den mensch overlast veroorzaken. Zoo is er b.v. een klein diertje, dat wel is waar volstrekt niet levensgevaarlijk is, maar dat toch onnoemelijk veel schade kan toebrengen aan de bezittingen der menschen, die de steppe bewonen of deze doortrekken; ik bedoel de termiet. Dit insect gelijkt zeer veel op eene mier; in weerwil van zijn geringe lichaamsgrootte richt het meer schade aan dan de sprinkhaan, ofschoon ook de verschijning van dit vraatzuchtig beest nog heden ten dage een ware plaag kan genoemd worden. Eene kudde olifanten is zelfs nog minder te duchten.[132]De termieten zijn alomtegenwoordig; zij vernielen alles. Wat het plantenrijk oplevert verdwijnt onder haar scherpe kaken, wat de kunstvlijt der menschen opbouwt, wordt onmeêdoogenloos vernield. Hoog boven het gras der steppe verheft zich de kegelvormige, uit aarde gebouwde woning; overal in het rond, op den grond en op de boomen ziet men hun gangen, loopgraven en verbindingswegen. Het is in den nacht of als het duister is, dat zij hun verwoestenden arbeid aanvangen en voltooien.Het eerste werk der termiet bestaat daarin, dat zij de voorwerpen omgeeft met een laag aarde, die elken lichtstraal afsluit en nu gaat zij aan den arbeid, welks einddoel door dit ééne woord „vernietiging” kan worden weêrgegeven. Op den grond liggende of tegen aardwallen hangende voorwerpen zijn het meest aan gevaar blootgesteld. Een onnadenkend reiziger, door de hitte gekweld, legt een of ander kleedingstuk naast zich op den grond, die hem tot rustplaats strekt; den volgenden morgen vindt hij dit terug als een met tallooze gaatjes doorboorde zeef,—onbruikbaar gemaakt, vernield; een nog niet met de omstandigheden vertrouwd natuuronderzoeker sluit zijne zoo moeilijk verkregen schatten in eene kist, maar verzuimt deze op steenen of andere voorwerpen te plaatsen, die den bodem der kist van den grond verwijderd houden; hij ziet zich binnen weinige dagen van zijn verzameling beroofd; een jager hangt zijn geweer aan een leemen muur; hij bemerkt tot zijn verdriet, dat de vernielzieke insecten in korten tijd in kolf en loop loopgraven hebben aangelegd; in den kolf zelf zijn ze reeds tot diepe groeven geworden. Elke boom, dien de termieten tot doelwit kozen, is onherroepelijk verloren; de daken der woningen zijn aan vernietiging prijsgegeven, zoodra de termieten zich daarin hebben genesteld. Van den grond tot de hoogste takken bouwen zij hare gangen; stam, twijgen, alles wordt doorboord, zoodat de eerste de beste storm den boom velt en het losse als een bijenraat er uitziende houtweefsel als kaf in den wind verstrooit; langs de leemen wanden of het paalwerk der hutten klimt de termiet omhoog, doorboort het houtwerk en alras valt het geheele gebouw ineen; onder den vastgestampten of geplaveiden vloer der meer aanzienlijke woningen graaft zij duizendvoudig vertakte gangen en kruipt nu en dan bij millioentallen hieruit te voorschijn om van stonden aan boven den grond het werk der vernieling aan te vangen. Op deze en nog veel andere wijzen wordt de termiet tot een der vreeselijkste plagen van Centraal-Afrika, inzonderheid van de steppe.[133]Ware deze niet de schouwplaats ook nog van andere tooneelen, ware zij niet een der rijkste gebieden, een der dichtst bevolkte en meest bezochte woonplaatsen van Afrika’s dierenwereld, de natuurkundige zou haar even graag mijden als de handelsreiziger, welke laatste slechts hare afstootende, niet hare aantrekkelijke zijde leert kennen.Wie langer in haar verwijlt en haar werkelijk doorzoekt, wordt met de steppe verzoend. Zij is rijk en vol leven, oneindig rijk, en niet arm gelijk de woestijn; men kan haar veeleer vergelijken bij een oerwoud, daar ook in haar eene veelsoortige en talrijke dierenwereld huist, ja zij bij voorkeurdiedieren herbergt, welke wij als meer in ’t bijzonder aan Afrika eigen plegen te beschouwen. Wij willen enkelen vluchtig de revue laten passeeren.Tot de merkwaardigste steppendieren behooren ongetwijfeld de visschen, welke zich in de periodiek uitdrogende rivier- en meerbekkens ophouden. Reeds Aristoteles verhaalt van visschen, die zich, als het water is verdampt, in het slijk begraven; Seneca drijft hiermede evenwel den spot en vraagt of men nu voortaan maar niet met houweel en spade op de vischvangst zal gaan, in plaats van met het net. Aristoteles echter vermeldt feiten, die boven elke spotternij verheven zijn.De in de steppenwateren van Centraal-Afrika levende salamandervisch is een aalvormig dier, ter lengte van ongeveer een meter, met een lange, in de staartvin overgaande rugvin, twee smalle ver naar voren ingeplante borstvinnen en twee lange, ver naar achteren staande buikvinnen; de belangrijkste bijzonderheid, die bij dezen visch valt op te merken, bestaat daarin, dat hij behalve de gewone kieuwen ook nog longzakken bezit, die voor de ademhaling zijn ingericht. Dit merkwaardige dubbelwezen tusschen amphibie en visch houdt zich ook bij hoogen waterstand meer op in het slijk dan in het vrije water en verbergt zich gaarne in holen, die hij waarschijnlijk zelf uitgraaft. Daalt de waterspiegel aanmerkelijk, dan woelt hij zich diep in het slijk, rolt zich zoo dicht mogelijk samen en vormt nu, door zich telkens om te draaien, eene van alle kanten gesloten en van binnen met slijm bekleede, luchtdichte woning, waarin hij den winter roerloos doorbrengt. Graaft men zulk een omhulsel voorzichtig uit, en pakt men dit zorgvuldig in, dan kan men den visch verzenden zonder zijn leven in gevaar te brengen, ook naar willekeur in het leven terugroepen door hem met zijn woning in lauw water te leggen. Eerst[134]houdt het dier zich eene poos rustig, evenals ware hij nog slaapdronken; maar reeds na verloop van een uur is het geheel wakker geworden en eenige dagen later geeft het blijken van eene ontembare roofzucht. Maanden lang bespeurt men nu geen verandering in het gedrag van dezen visch, maar is de tijd genaderd, dat hij in Afrika zijn winterslaap aanvangt, dan maakt hij zich hiertoe eveneens gereed in het water, waarin hij zich nu bevindt; hij wordt tenminste onrustig en scheidt opvallend veel slijm af. Geeft men hem daartoe gelegenheid, dan graaft hij zich werkelijk in, en zoo hij dit niet kan, dan herstelt hij zich allengs van zijn onrust en blijft verder vroolijk in het water leven.Evenals de salamandervisch verduren ook de meervallen den winter der steppe, en evenals deze beide dieren graven alle daar levende amphibieën, ja zelfs sommige reptielen, vooral waterschildpadden en krokodillen, zich in het slijk in, om slapend het eind van den winter af te wachten, en zoo het ongunstige jaargetijde het hoofd te bieden. Alle op het land levende reptielen daarentegen zijn gedurende den gloeienden winter het dartelst en dragen er alzoo niet weinig toe bij om de dorre steppe te verlevendigen; zij bewonen deze toch in ontzagwekkende aantallen. Behalve de adders, waarover ik reeds sprak, treedt nog eene andere vergiftige slang in de steppe op, n.l. de Aspis-, spuw- of Ureusslang, een der meest gevaarlijke kruipende dieren.Deze slang, die nog meer beroemd, liever berucht is dan de hoornadder, is dezelfde, van welke Mozes zich bediende om zijn goocheltoeren voor Farao te verrichten, dezelfde, die de hedendaagsche slangenbezweerders nog gebruiken; dezelfde, wier gouden beeld de oude Egyptische koningen, als zinnebeeld des alvermogens, als diadeem op het hoofd droegen; dezelfde, waarvan zij zich als straf en wraakmiddel bedienden voor misdadigers en vijanden; dezelfde, van welke de oude geschiedschrijvers ons gruwelijke, maar soms zeer ware geschiedenissen opdisschen. In tegenstelling met andere slangen is zij over dag zeer lustig, en als zij niet getergd wordt zeer onschuldig; bewegelijk, toornig en moedig, vereenigt de aspis alle eigenschappen in zich, die eene giftslang gevaarlijk maken. Haar kleur, die van zand en verwelkt gras, maakt haar onzichtbaar en zoo schuifelt zij dikwijls akelig schielijk door het graswoud; zich bewust van haar vreeselijk wapen, stelt zij zich in aanvallende houding, zoodra zij zich bedreigd waant.[135]Het voorste vijfde of zesde deel des lichaams richt zich op, de halsribben worden uitgebreid en zoo wordt er een schild gevormd, boven hetwelk de kleine kop met de levendige, bijna fonkelende oogen te voorschijn treedt; zij richt de laatste strak op haar vijand en maakt zich gereed tot den bliksemsnel uitgevoerden en bijna altijd doodelijken beet;—het is een schoon, maar ijzingwekkend schoon tafereel, dat mensch en dier met bewondering, maar tevens met ontzetting vervult.Men beweert algemeen, dat zij ook dan nog gevaarlijk kan worden, wanneer zij niet bijt, maar enkel haar vergif op den aanvaller uitspuwt, en inderdaad haar sterk ontwikkelde giftklieren scheiden het helsche sap in zulk eene ontzettende hoeveelheid af, dat het in groote druppels aan het eind van het kanaal harer doorboorde gifthaken te voorschijn treedt. Geen wonder, dat inboorlingen en westerlingen haar veel meer schuwen en vreezen dan de trage hoornadder, die ons des nachts in ons leger opzoekt; verklaarbaar, dat de steppenbewoners onnadenkend op iedere, zelfs de onschuldigste slang het geweer afvuren, die hun onder de oogen komt; begrijpelijk, dat eindelijk elk geritsel in het gras of in het loof een plotselingen schrik, althans vermeerderde oplettendheid, opwekt. Zulk een geritsel hoort men echter elk oogenblik in de steppe, daar andere slangen, van de hiëroglyphen-slang af, een zes meter lange reuzenslang, tot kleine onschuldige ringslangetjes toe, er niet minder talrijk zijn dan de aspis, terwijl nog bovendien een talloos heer van hagedissen van allerlei soort overal te vinden is. Wie de slangen vreest, kan door de hagedissen met de klasse der reptielen verzoend worden; want aantrekkelijker verschijningen dan deze vlugge en schitterend gekleurde schepsels weet de steppe niet aan te wijzen. Over den grond snellen zij daarheen, tegen de takken van struiken en boomen klauteren zij omhoog, van de termietenheuvels zoowel als van de woningen kijken zij omlaag, en zelfs onder het zand banen zij zich een weg. Sommige soorten wedijveren in kleurenpracht en glans met de kolibries; anderen streelen het oog door de vlugheid en sierlijkheid hunner bewegingen; weer anderen boeien door haar zonderlinge gedaante. Zelfs nadat de zon, in wier stralen zij zich zoo gaarne koesteren, is ondergegaan en het meerendeel dezer bewegelijke diertjes de rust heeft gezocht, wordt de waarnemer nog door hen beziggehouden; want met het begin van den nacht komen de gekko’s opdagen, die des daags stil en rustig tegen de boomstammen en staken zaten gekleefd; zij laten luid en welklinkend hun geroep hooren, waaraan de naam is ontleend, om, zonder[136]daarbij de minste vrees voor de menschen aan den dag te leggen, van nu af zich aan de jacht te wijden. Het volksgeloof stelde de gekko’s oudtijds voor als zeer vergiftige dieren, en ook nu nog spookt dit vooroordeel in de hersens van vele onverstandige lieden. Het zijn nachtdieren en als zoodanig zijn zij anders gevormd dan die, welke over dag bedrijvig zijn; inzonderheid zijn zij gekenmerkt door de verbreede, kussenvormige, aan den onderkant met dicht aaneengeschaarde blaadjes voorziene voetzolen, die als zuignapjes werken en bij het klimmen de uitstekendste diensten bewijzen. Hierin meende men giftklieren te zien, hoe ongerijmd deze opvatting ook al dadelijk mocht schijnen. Neen, de gekko’s zijn zoowel aantrekkelijke als geheel ongevaarlijke wezentjes, die binnen korten tijd zich de liefde verwerven van iederen onbevangen waarnemer. Huisdieren in den besten zin des woords, dewijl zij vlijtig en met goed gevolg de vervolging op zich nemen van allerlei lastig ongedierte, verlevendigen zij in den nacht elken hoek der uit leem of stroo gebouwde woning; zij klouteren met nimmer falende zekerheid, geholpen door hunne bladvormige voetplaatjes, overal zich vasthechtende, zoowel met den kop naar beneden als met den kop naar boven, langs horizontale en loodrechte muren; zij schijnen er vermaak in te vinden elkander te plagen en na te zetten, en verlustigen den mensch nog bovendien door hunne melodieuze stem. Kortom, zij doen nut en schenken genot—welk verstandig mensch zou dus niet van hen houden?Toch—ook de gekko’s zijn en blijven kruipende dieren, en deelen als zoodanig in den vloek en afkeer van den mensch, en voorzeker! met de licht zwevende vogels zijn zij niet te vergelijken. En daarom mag men zeggen, dat eigenlijk de laatstgenoemden alleen den mensch, die in de steppe toeft, vroolijk tegemoet snellen en hem met de zooeven beschouwde dieren verzoent.De vogelenwereld der steppe is even rijk aan soorten als aan individuen. Waar men zich ook moge bevinden, vogels ontbreken nergens.Uit het dichtste halmenbosch laat zich het luid geroep van enkele trapganzen hooren; uit het struikgewas aan de oevers der waterbekkens het trompetgeluid van parelhoen of frankolijn; uit de boomen klinkt het gekir en gelach der duiven, het hameren der spechten, de volle loktonen van den baardvogel, het eenvoudig gezang der wevervogels en van sommige lijstersoorten; op uitstekende boomtakken of dergelijke voor uitkijk geschikte voorwerpen, zitten, loerende op eene[137]prooi, slangen-buizerden, zingsperwers, Duitsche papegaaien, drongo’s en bijeneters; de secretarisvogel—door de inboorlingen noodlotsvogel genoemd—loopt in het halmenwoud of zweeft daarboven; in het luchtruim spelen de zwaluwen en andere vliegenjagers, nog hooger zweven arenden en gieren. Geen plaatsje is onbewoond, geen plekje onbezet, en wanneer in Europa de winter zijn intocht houdt, zendt hij nog een aantal onzer vogels, zooals torenvalken en wouwen, worgers en Duitsche papegaaien, kwartels en ooievaars en vele anderen naar de steppe, die hun gedurende het bange en arme jaargetijde een gastvrije schuilplaats verleent.SEKRETARIS EN UREUS-SLANG.SEKRETARIS EN UREUS-SLANG.Karakteristiek voor de steppe zijn weinige daar levende vogels, en[138]haar stempel is op bijna geen enkele zoo scherp en beteekenisvol afgedrukt, dat men er een als steppenvogel in den waren zin zou mogen beschouwen, gelijk zulks bij alle woestijnvogels wel het geval is. Desniettemin merkt de aandachtige waarnemer op, dat toch ook de steppenvogels tot in zekere mate het gelaat hunner woonplaats weêrspiegelen. Den secretaris, een grooten roofvogel van het voorkomen eens kraanvogels, den slangensperwer, een in een rijk, mollig, grootvederig gewaad gehulden, langzaam en traag vliegenden havik, een stroogelen geitenmelker, alsmede een wiens vleugels in pronkveêren zijn veranderd, een parel- of frankolijnhoen, een trap, of eindelijk den struisvogel is het wel aan te zien, dat zij in de steppe thuis behooren, en daarin hun waar verblijf vinden. De steppe is, wel is waar, geenszins kleurenrijker dan de woestijn, maar geeft toch oneindig meer bedekking en kan dus ook vrijer teekenen. Nochtans bevindt men, dat ook hier voornamelijk twee kleuren domineeren, een lichter of donkerder stroogeel en een moeilijk te omschrijven staalgrijs, welke beide kleuren zoowel de veêren van de roofvogels als die der hoenders versieren, zonder dat daarom alle andere, donkere, of meer levendige en zelfs heldere kleuren buitengesloten zijn. De meerdere vrijheid in kleur en teekening valt m. i. opmerkelijk genoeg ook bij zulke vogels in ’t oog, wier geslacht of familieleden uitsluitend in de steppe thuis behooren.Wil men, met het doel daardoor het gebied zelf te kenschetsen, enkele steppenvogels meer uitvoerig beschrijven, dan wordt de keuze moeilijk, omdat bijna iedere vogel eene meer bijzondere vermelding waard is. De mij toegestane ruimte legt mij beperking op, weshalve het voldoende zij, wanneer ik als voorbeelden neem een bewoner der hoogere luchtlagen, een grondbewoner en een nachtvogel; deze zullen den lezer in staat stellen het beeld, dat hij zich reeds van de steppe heeft gevormd, nog iets vollediger te maken.Wie langen tijd in de steppe heeft verwijld, moet meermalen een grooten roofvogel hebben opgemerkt, die in zijn vlucht ten zeerste afwijkt van iederen anderen gewiekten roover, vooral door den prachtig golvenden buitenrand der lange en spitse vleugels, den ongemeen korten staart en de alles overtreffende snelheid. Hoog in de lucht vliegt, zweeft, zwemt, tuimelt, goochelt, danst en buitelt deze vogel, die de grootte bereikt van een adelaar; nu eens breidt hij zijne vleugels wijd uit, om ze minuten achtereen roerloos in dezelfde houding te laten, dan weder slaat hij ze met kracht tegen elkaar, om ze straks te draaien en te wenden,[139]of ze zoo aan te trekken, dat hij naar de laagte dreigt te storten; maar hij heeft ze reeds weêr even krachtig gebogen, en weinige minuten later hebben de hoogste luchtlagen hem wederom opgenomen.Nadert hij den grond, dan vallen de scherp tegen elkander afstekende kleuren van den fluweelzwarten kop, van hals, borst en buik, de zilverwitte onderzijde der vleugels en van den licht kastanjebruinen staart duidelijk in het oog; buitelt hij, dan ziet men de heldere, met die van den staart overeenkomende kleur van den rug, alsmede een lichte streep over de vleugels; nadert hij nog meer, dan blinken ons de koraalroode snavel en de eveneens gekleurde teugels en pooten tegen. Vraagt men een trekkenden herder, die gewoon is de dierlijke bevolking der steppe opmerkzaam gade te slaan, naar dezen zoo merkwaardigen, meestal eenzaam rondzwervenden roofvogel, dan hoort men uit zijn mond het volgende zinrijke, beteekenisvolle sprookje:„De genade des Albarmhartigen verleende aan dezen vogel de rijkste gaven, bovenal hooge wijsheid. Want hij is een heelmeester onder de vogelen des hemels, der ziekten kundig, door welke de schepselen van den Alformeerder gekweld worden, en een kenner van kruiden en wortels, die genezing brengen. Uit ver afgelegen landen ziet gij hem de wortels aandragen, maar tevergeefs poogt gij te doorgronden werwaarts hij geroepen werd om met die kruiden de zieken te genezen. De uitwerking zijner middelen is onfeilbaar; hun gebruik schenkt het leven, en wie ze versmaadt is eene prooi des doods. Zij zijn als de hebjab, door de hand van Gods gezant geschreven, een gebod Mohammeds, wiens naam geprezen zij. Het is den arme voor ’t aangezicht des Heeren, den zone Adams niet verboden zich van die geneeskrachtige kruiden te bedienen. Ziet toe waar de arts-adelaar zijn huis bouwt, neem u in acht zijn eieren aan te raken, wacht totdat uit de veêren zijner kinderen geen bloed meer vloeit; ga dan heen en bezoek de woning des adelaars en wond een zijner kinderen. Dan zult gij zien, dat de vader naar het oosten vliegt, daarhenen, waar gij uw aangezicht naar toe keert in het gebed. Wacht zonder morren en geduldig tot hij terugkeert. Hij zal verschijnen met een wortel in zijn handen; verschrik hem, opdat hij dien u late en maak er u zonder vrees meester van, want hij komt van den Heer, in wiens handen het leven is, en geen tooverij rust er op. Ga dan heen en genees uwe zieken; zij zullen allen genezen, indien het de wil is van den Albarmhartigen.”De vogel, die deze dichterlijke bloesems opwekte, is de goochelaar,[140]gelijk wij, de „hemelaap” gelijk de Abessyniërs hem noemen; het is een slangenarend; de wortels, die het sprookje hem laat aandragen, zijn de slangen, die hij vangt. Zeer zelden ziet men hem rusten; gewoonlijk vliegt hij op de geschilderde wijze rond tot eene door hem gespeurde slang hem drijft bruisend omlaag te schieten en den strijd met deze aan te vangen. Evenals alle slangendoodende roofvogels door de dikke hoornbekleeding zijner pooten en zijn dicht gevederte tegen de gifttanden genoegzaam beschut, deinst hij zelfs voor de gevaarlijkste soorten niet terug en wordt zoo tot een weldoener der steppe. Evenwel, niet zijn werkzaamheid in dit opzicht, maar alleen zijn meesterlijke vlucht, vestigde zijn roem onder alle volken zijner woonplaats.De scherpste tegenstelling met den goochelaar vormt de aan den grond geketende struisvogel. Ook deze is de held geworden van een Arabisch sprookje, ofschoon niet om hem te verheerlijken, integendeel, om hem tot in het stof te verlagen. Dat sprookje bericht van den struis, dat deze eens uit hoogmoed naar de zon wilde vliegen en toen jammerlijk verbrand werd, zoodat hij in zijn tegenwoordigen toestand naar beneden viel.Voor ons biedt het leven van dezen vogel veel wat de aandacht waard is, en te meer dewijl nog steeds zooveel onjuiste voorstellingen omtrent den struis worden gekoesterd.Ofschoon hij niet geheel ontbreekt in de begroeide laagvlakten van de Afrikaansche en West-Aziatische woestijnen, komt echter de struisvogel meer bepaald en in grooter getale voor in de aan voedsel rijke steppe. Bijna elken dag kruist men hier zijn duidelijke, karakteristieke voetstappen; den vogel zelven aanschouwt men evenwel zelden. Hij is hoog genoeg om over het graswoud heen te zien; scherp van gezicht en schuw, onttrekt hij zich dientengevolge aan het oog der menschen. Gelukt het, hem uit de verte gade te slaan, dan merkt men dat hij, althans buiten den broedtijd, van een gemakkelijk leven houdt. In den vroegen morgen en in de schemering weiden de struisvogels bij troepen; tegen den middag liggen allen rustig op den grond, om zich te wijden aan het werk der spijsvertering, of zij gaan drinken, of nemen een bad, soms zelfs in de zee; later op den dag amuseeren zij zich met vreemdsoortige dansen, springen als zinneloos in een kring rond en klapwieken daarbij met de vleugelveêren, alsof zij zich in ’t vliegen wilden oefenen; tegen zonsondergang begeven zij zich ter ruste, zonder evenwel ook nu nog hunne veiligheid uit het oog te verliezen. Worden[141]zij door een gevaarlijken vijand bedreigd, dan rennen ze in woeste vaart weg en laten dezen spoedig verre achter zich; sluipt een zwakker roofdier hen na, dan vellen zij dit met hun krachtige pooten ter aarde. Zoo vliedt hun leven bijna wolkenloos daarheen—althans, indien het hun niet aan voedsel ontbreekt. Voedsel toch hebben zij in groote hoeveelheid noodig. Men staat versteld over hunne vraatzucht en niet minder over de verduwingskracht der struisenmaag, die de veelsoortigste dingen in massa’s opneemt en, òf deze verteert, òf er in elk geval geen nadeel van ondervindt. Al wat eene plant oplevert, van den wortel tot de vrucht slokt deze spreekwoordelijk geworden maag in; al wat van kleinere dieren, zoowel gewervelden als ongewervelden bemachtigd kan worden, niet minder. Nog is hem dit niet genoeg. De struis verzwelgt al, wat verzwelgbaar is, steenen van een half kilo zwaarte, in gevangenschap stukken tichelsteen, werk, lompen, messen, sleutels en sleutelringen, spijkers, glasscherven en glassplinters, looden kogels, bellen en vele zaken meer; het is wel gebeurd, dat hij zich te goed deed aan ongebluschte kalk en daardoor zijn eigen moordenaar werd. Men vond eens in de maag van een in gevangenschap gestorven struisvogel de veelsoortigste voorwerpen tot een totaal gewicht van vier en een kwart kilogram. De vratige vogel eet in den hoenderhof jonge eenden en kippen op, net of het oesters waren, krabt de kalk van de muren om met die stukken zijn maag te vullen; in één woord, hij spaart en verschoont niets, wat maar verzwelgbaar en niet nagel- en muurvast is. In overeenstemming met de door hem verbruikte hoeveelheid voedsel, die overigens in geen wanverhouding staat tot zijn lichaamsgrootte en bewegelijkheid, is ook zijn dorst, en dientengevolge zijn verblijf gebonden, niet alleen aan plaatsen alwaar voedingsplanten voor hem aanwezig zijn, maar ook aan wateren of althans bronnen. Drogen deze uit, dan is de struisvogel genoodzaakt weg te trekken en in zoodanige gevallen kan hij soms groote afstanden afleggen.Is het voorjaar gekomen, dan ontwaakt de liefde in het hart van den struisvogel, en nu ondergaat zijn levenswijze groote veranderingen. De kudden lossen zich op in kleinere troepen en de volwassen mannetjes beginnen langdurige gevechten om het bezit der wijfjes. In hoogen graad opgewekt, wat uitwendig zichtbaar is aan den levendig rood gekleurden hals en aan de eveneens roode pooten, plaatsen twee mededingers zich tegenover elkaar, klepperen met de vleugels, zoodat de volle pracht der uitgerafelde, witte slagpennen zichtbaar wordt;[142]zij bewegen daarbij den hals op een moeilijk te beschrijven wijze, daar zij dit lichaamsdeel nu eens naar voren, dan naar de zijden wenden, draaien of buigen; zij stooten diepe en schorre tonen uit, die nu eens aan het dof gerommel van den donder, dan weder aan het gebrul van den leeuw doen denken, kijken elkaar strak aan, laten zich op den voetwortel neêr en bewegen in deze houding hals en vleugels nog schielijker en aanhoudender dan straks, springen weder op, rennen nogmaals op elkander los; eindelijk, terwijl zij elkaar voorbijsnellen, tracht ieder zijn mededinger door een forschen slag met den poot te kwetsen, om als de aanval gelukte, met den scherpkantigen nagel van den eenen teen diepe en lange wonden in lijf en pooten te slaan. De overwinnaar handelt met het in den strijd verkregen wijfje of met de wijfjes niet veel beter; hij mishandelt deze gewoonlijk op het erbarmelijkst, zoowel door zijn tyrannie als door lichamelijke tuchtiging. Of het mannetje één of meer wijfjes houdt is nog niet uitgemaakt; wel mag men voor waar aannemen, dat vele wijfjes vaak haar eieren in een en hetzelfde nest leggen, en men heeft ook opgemerkt, dat niet het wijfje, maar voornamelijk het mannetje de eieren bebroedt, alsmede de verzorging en opvoeding op zich neemt van de na 8 weken uitgekomen jongen. Zoowel in ’t een als ’t ander wordt het daarbij gewis door het wijfje geholpen, maar de hoofdarbeid valt den man ten deel, en bij de verzorging der jongen legt deze dan ook de meeste vlijt en angst aan den dag. De struisvogelkuikens, die bij het uitkomen reeds zoo groot zijn als een matige kip, verschijnen in een bijzonder gewaad op deze wereld, een gewaad, dat eer doet denken aan de stijve haren van een zoogdier dan aan het donskleed van de vogels. Daar zij reeds den eersten levensdag de vraatzucht, aan hun geslacht eigen, openbaren, groeien zij zeer snel, wisselen na 2 à 3 maanden van veêren, om nu een gewaad aan te trekken, dat het meest gelijkt op dat der wijfjes; maar er moeten nog ten minste drie jaren verloopen alvorens zij volwassen zijn en geschikt geworden ter voortplanting.Dit is, zeer beknopt weêrgegeven, het voornaamste uit de levensgeschiedenis van den reuzenvogel der steppe; alle daarmede in strijd zijnde verhalen noem ik fabelen.De nachtvogel eindelijk, over wien ik enkele woorden wensch in ’t midden te brengen, is de nachtzwaluw of geitenmelker, wiens geslacht ook bij ons te lande door ééne soort wordt vertegenwoordigd, maar die juist in de steppe in verschillende en deels zeer verschillend geteekende[143]soorten optreedt. Met het verschijnen der eerste ster aan den nachtelijken hemel beginnen deze gemoedelijkste en lieftalligste aller nachtvogels hun bedrijvig leven. Over dag is het zeer toevallig als men er een ontdekt, en dan zou men moeilijk gissen, dat deze vogel in zulk een hooge mate het vermogen bezit om werkelijk leven aan de steppe bij te zetten; wanneer evenwel de nacht aanbreekt, dan is zekerlijk althans één hunner in de nabijheid. Evenals de schorpioenen en adders door het legervuur gelokt, verschijnt ook de vlugge vlieger in de nabijheid der rustenden, beschrijft een aantal kringen om vuur en legerplaats, gaat bij tijd en wijle dicht daarbij zitten en draagt dan eenige strophen voor uit zijne nocturne, welk gezang aan het spinnen der kat doet denken, verdwijnt in het schemerdonker om ettelijke minuten later opnieuw zijn opwachting te maken, en zoo gaat het voort tot de morgen is aangebroken. Vooral ééne soort dezer familie is aantrekkelijk: de vlaggennachtzwaluw, de „viervleugelvogel” der steppenbewoners. Zijn tooisel bestaat in een paar tusschen de groote en kleine slagpennen uitstekende, bijna een halven meter lange, tot dicht bij de spits naakte, maar hier met eene vlag voorzieneveêren, die alle andere pennen in lengte ver overtreffen. Wanneer deze vogel zijne kringen in de lucht beschrijft, dan waant men eene spookgestalte te zien. Het heeft er veel van alsof hij door een tweeden, kleineren vogel achtervolgd wordt, of alsof hij zich in twee of drie vogels kon verdeelen, of eindelijk, alsof hij inderdaad vier vleugels bezat. Maar ook deze nachtzwaluw verloochent de lieftalligheid van zijn geslacht niet en wordt eene vriendelijke verschijning, evengoed als de andere leden zijner familie, die menige, anders vrij ongezellige steppennacht op vertrouwelijke wijze weten te verkorten.Rijk in soorten en vormen is ook de klasse der zoogdieren, die de steppen bewonen. Haar plantenrijkdom onderhoudt niet alleen talrijke kudden antilopen, die meer in ’t bijzonder als karakterdieren der steppe mogen beschouwd worden, maar tevens bevinden zich hier wilde buffels, wilde zwijnen, zebra’s, wilde ezels, olifanten, neushoorndieren, alsmede de serafe, door ons „giraffe” genoemd; verder een talrijk heer van knaagdieren, die wij nog maar in grove omtrekken kennen.Deze talrijke plantenetende bevolking wordt in evenwicht gehouden door verschillende in de steppe levende roofdieren; laatstgenoemden strekken der steppe zelf tot voordeel, want zonder dit tegenwicht zouden de herkauwers en knaagdieren zich zoo schrikbarend vermenigvuldigen,[144]dat de geheele plantenvoorraad van dit gebied niet toereikend zou blijken om allen te voeden. De eenvormigheid der Noord-Afrikaansche steppe, en haar, ofschoon niet overvloedige, toch betrekkelijk vrij groote rijkdom aan staande en stroomende wateren is oorzaak, dat men er niet zulke scholen antilopen ziet als in de karroe van Zuid-Afrika; in vergoeding hiervoor ontmoet men den slanken herkauwer met zijn fraaie oogen overal, òf alleen, òf in kleine troepjes, òf in grootere kudden; men ziet ze des winters nagenoeg op dezelfde plaatsen als in den zomer. Wilde paarden en wilde ezels daarentegen houden zich slechts op de kale hoogten op; de serafe bewoont uitsluitend de ijle, de neushoorn wederom bijna alleen de dichtste wouden; de olifant vermijdt enkele uitgestrekte gebieden gansch en al, terwijl de kwaadaardige buffels aan de moerassige laagvlakten schijnen gebonden te zijn. De leeuw is niet minder een metgezel der laatstgenoemde dieren als van de tamme leden dier familie, terwijl daarentegen de listige panter en de vlugge en onvermoeide jachttijger meer het spoor der kleinere antilopen volgen; jakhalzen en steppenwolven jagen voornamelijk op hazen, de vossen, civetten en stinkdieren het liefst op kleine knaagdieren en zulke vogels, die op den grond verblijf houden.SABELMARTER EN HAZELHOENDERS.SABELMARTER EN HAZELHOENDERS.Wanneer ik er toe overga uit den rijken voorraad der zoogdieren, die de steppe bewonen, enkele uit te kiezen, om deze eenigszins nader te bespreken, dan moet ik aan de verleidingweêrstandbieden, die mij zou kunnen verlokken den leeuw of den jachttijger, den hyena of den honigdas, den zebra of het wilde paard, den serafe of den buffel, den olifant of het neushoorndier daarvoor te nemen, omdat er andere dieren zijn, die mij, als meer karakteristiek voor het steppengebied, belangrijker voorkomen. Tot dezen reken ik in de eerste plaats het aard- en het schubdier—de plaatsvervangers in de oude wereld van de in Amerika talrijker vertegenwoordigde orde der Tandeloozen, zoogdieren, wier eigenlijke bloeitijd reeds vele eeuwen achter ons ligt. Beide dieren zijn, althans in Noord-Afrika, aan de steppe gebonden; want slechts daar vinden zij overvloed van termieten en hun gewone voedsel. Evenals alle miereneters brengen zij den dag als een bal ineengerold, slapende door en wel in holen, die zij zelf graven en wier uitmondingen men zoowel midden op de groote boomlooze grasvlakten als elders tusschen de spaarzaam daar voorkomende boomen en struiken aantreft. Eerst nadat de nacht zijn heerschappij begint uit te oefenen, worden deze dieren levendig; met loggen tred, hompelend en springend, hoofdzakelijk met[145]behulp van de krachtige achterste ledematen vooruit komende, terwijl zij steunen op de kolossale graafnagels der voorste ledematen en den zwaren staart, gaan zij nu op voedsel uit. Dit laatste bestaat uitsluitend uit allerlei klein gedierte, voornamelijk uit mierenpoppen, termietenlarven en wormen. Met den neus op den grond, dit lichaamsdeel voortdurend heen en weêr bewegende, steeds snuffelende, draven zij voort; een toevallig ontdekte mieren- of termietengang leidt hen naar het hoofdgebouw, waarin zij zonder moeite een gat voor den langen snuit graven, dien zij daarin steken, om met behulp hunner tong de hierin uitmondende kanalen der insekten op te sporen; zij steken de lange, kleverige, wormvormige tong zoo diep mogelijk in een der hoofdgangen, tot genoemd lichaamsdeel vol termieten of mieren hangt en brengen het daarmede beladen in den nauwen bek terug, om zich aan de gevangen insekten te vergasten. Deze manier van eten maakt een jammerlijken indruk, en toch is die tong hier een uitnemend werktuig, evenals ook de groote graafnagels zulks zijn; beide organen stellen hen in staat zich een weg door het leven te banen. Oogenschijnlijk zeer hulpbehoevend, zijn zij dit in werkelijkheid toch niet. Het zwakke schubdier wordt door zijn harnas voldoende beschermd; zelfs een sabelhouw stuit daarop af. Minder goed verdragen de pooten zulke beleedigingen. Het aardvarken bezit daarentegen een uitstekend weêrmiddel in zijn nagels en bovendien kan het met zijn staart zulke harde slagen uitdeelen, dat een niet al te overmachtig vijand voor hem het veld ruimt. Komt er evenwel eene tegenpartij op hem af, wiens kracht hij te duchten heeft, en bemerkt hij zulks in tijds, dan graaft hij zich ijlings een hol; hij werpt al gravende zand en stof in zulk een groote hoeveelheid en met zooveel kracht achter zich op, dat hij geheel onzichtbaar wordt en in de veilige diepte is aangeland, alvorens de gevaarlijke vijand tot den aanval gereed was. Slechts tegenover den mensch en diens alvermogende wapenen is hij niet opgewassen; terwijl hij slaapt, boort men hem een lange lans door ’t lijf en zoo wordt hij onfeilbaar in zijn eigen hol gedood, indien slechts het uitmondingskanaal recht en niet al te lang is. Ook dit voorwereldlijke: dier is bestemd vroeger of later uit de rij der levenden gedelgd te worden.Een troep honden achtervolgt een antilope.Onder de roofdieren der steppe heeft een daarin thuis behoorende hond steeds de grootste aandacht getrokken. Een verbindingslid vormende tusschen hyena en hond, in zooverre de gedaante en ook tot op zekere hoogte de teekening betreft, is dit dier, de hyenahond, ook uiterlijk[146]eene zeer belangrijke verschijning, en wat zijn doen en wezen betreft, het meest aantrekkelijke aller roofdieren, die de steppe herbergt. Afgezien van enkele apen, ken ik geen zoogdier, dat zooveel zelfvertrouwen bezit, of althans schijnt te bezitten, dat zoo overmoedig is of schijnt, zoo stoutmoedig als deze hond. Voor geen doel schrikt hij terug, voor zijn aanvallen is geen ander zoogdier ten volle veilig. In talrijke koppels vereenigd, trekt hij, op buit belust, door de steppe. Vernielend valt hij in de schaapskudden der kolonisten en trekherders; vast kleeft hij aan de verzenen der snelvoetigste antilopen; onbeschaamd dringt hij op de menschen in; onbevreesd verdrijft hij, wellicht grootendeels door zijn onstuimig gedrag, zelfs de roofdieren uit het gebied waar hij buit zoekt. Blaffend, jankend, kermend, achtervolgt een troep dezer honden de sterkste en krachtigste antilope, terwijl nu en dan dat geluid wordt afgewisseld door heldere, bijna vroolijke tonen. De antilope vlucht, zoo snel haar krachten dit toelaten; de op moord beluste honden vervolgen evenwel haar spoor, snijden alle bochten, alle zijwegen af, die de vervolgde tracht in te slaan, naderen haar steeds meer en meer en nopen haar eindelijk zich in tegenweer te stellen. Zich bewust van haar kracht en weêrvermogen maakt de antilope een[147]uitnemend gebruik van haar spits gewei; menige hond stort doodelijk getroffen ter aarde, maar wie overblijven hangen haar aan hals en lijf en doen een luid gehuil hooren, wanneer het dier rochelend den adem uitblaast. Zonder zich aan den mensch te storen overvallen deze honden alle mogelijke huisdieren, verscheuren de kleineren met de bloedgierigheid eens marters, en verminken de grooteren, die zij niet kunnen bemachtigen; op hen afgezonden huishonden wachten zij onbevreesd af, wagen er den strijd mede op leven en dood en werpen hen ten slotte ontzield ter aarde. Getemd, den mensch geheel onderworpen, eenige generaties na elkander afgericht en opgevoed, zouden zij de uitnemendste speurhonden kunnen worden, die er bestaan, maar heel gemakkelijk zullen zij zich wel niet onder het juk laten brengen. Zij gewennen zich aan hun verzorger, leggen zekere genegenheid, soms zelfs wel liefde voor hem aan den dag, maar op hunne eigenaardige wijze. Worden zij geroepen, dan staan zij van hun leger op, springen vroolijk op en neêr, vechten lustig tegen elkander, stormen op hun meester los, springen bij hem op, trachten hunne uitbundige vreugde door de meest uitgelaten hondengebaren uit te drukken en weten eindelijk zich niet anders te uiten dan door hun beminden meester te bijten. Onstuimigheid en een onbedwingbare bijtlust zijn de in ’t oog loopende karaktertrekken dezer honden. Prikkelbaar zonder voorbeeld, bewegen zij elk lid, trekken met elken spiervezel, zoodra een of ander voorval hun opmerkzaamheid trekt; de licht ontvlambare levendigheid van geest, die hun eigen is, neemt het karakter aan van overdreven dartelheid en ontaardt een oogenblik later in woestheid en roofzucht. Dan bijten zij in alles, wat hun in den weg komt, zonder oorzaak, maar enkel uit lust tot bijten, denkelijk ook zonder kwaadaardigheid. Deze honden zijn werkelijk de vreemdsoortigste schepselen, die de steppe herbergt.In die deelen der steppe, welke ik in ’t bijzonder op ’t oog heb, n.l. Kordofan, Sennaar en Taka, is het leven der genoemde en nog andere steppendieren, afgezien van den invloed der beide jaargetijden, bij lange na niet aan zulke stoornissen onderhevig als in het zuiden van Afrika of in de Middel-Aziatische steppen. Voor zulke soorten, die niet trekken, of die maandenlang in een toestand van schijndood verkeeren, breekt met den winter ook wel een tijd van ontbering aan, soms wel van groot gebrek, maar hongersnood of watersnood kennen zij niet. Dientengevolge ontstaat er ook geen behoefte, om door vertwijfeling[148]gedreven, het armoedige geboorteland te verlaten en heil te zoeken in eene overhaaste vlucht naar gelukkiger oorden. Ook de dieren der Noord-Afrikaansche steppe trekken en reizen; maar zij vluchten niet ongeregeld gelijk die soorten, welke andere steppen bewonen en die hun gebied bij honderdduizendtallen verlaten, wanneer er gevaar dreigt. Van zulke enorme kudden antilopen, zooals men in het zuiden van Afrika ziet, weet men hier niet te verhalen. Een en ander werd reeds door mij opgemerkt. Alle gezellig levende vogels scharen zich bij het naderen van den winter bijeen, en verdeelen zich weder in troepjes, wanneer de lente haar intocht viert; alle trekvogels gaan en komen ongeveer terzelfder tijd; zulks geschiedt evenwel regelmatig en altijd op dezelfde wijze, niet ongeregeld en zonder bepaald doel.Eéne mogendheid evenwel blijft er nog over, die ook hier het leven der dieren in gevaar brengt; het is de macht van het vuur.Telken jare, wanneer de donkere wolken in het zuiden en de hieruit schietende bliksemstralen de komst der lente aankondigen, en op die dagen, wanneer de zuidenwind over de steppe giert, werpt de trekherder in die streken waar hij huist, den brand in het grasbosch. Snel en ongestuit grijpen de vlammen om zich heen. Over geheele velden breiden zij zich uit; rook en walm vormen de voorhoede. Een donkerroode wolk verkondigt des nachts haar vernielende en toch zegenrijke werking. Niet zelden bereikt de brand het oerwoud; de vlammen lekken aan de verdorde slingerplanten van den bodem tot aan de toppen der boomen; zij verschroeien de enkele nog overgebleven bladeren en verkolen den buitenbast der stammen. Soms, ofschoon minder dikwijls, omslingeren de vlammen geheele dorpen en werpen haar brandende fakkels in de stroohutten, die inéénoogwenk der vernieling zijn prijs gegeven.Alhoewel een steppenbrand, in weerwil van de menigte en gemakkelijk ontvlambare brandstof, nimmer verderfelijk kan worden voor een man tepaardevenmin voor snelloopende zoogdieren, terwijl hij zelfs met goed gevolg bestreden kan worden en zulks door het vuur zelf, toch geraakt de geheele dierenwereld door zulk eene gebeurtenis in groote opgewondenheid. Al wat ademt in het graswoud verlaat zijn schuilplaats en slaat op de vlucht. Die vlucht wordt een wilde vlucht, daar de schrik tot nog meer spoed aanzet dan de vlammen zelf. Antilopen, wilde paarden, struisvogels vliegen sneller dan de stormwind over de vlakte; jachttijger en luipaard volgen, en mengen zich in de[149]kudden der eersten zonder er aan te denken eenig dier aan te vallen; de hyenahond vergeet zijn moordlust; de leeuw wordt door gelijken schrik bevangen als alle andere zoogdieren; slechts de holbewoners verbergen zich in hun veilig verblijf en laten de vuurzee boven hun hoofd woeden, zonder er eenig letsel van te ondervinden. Alle kruipende en aan den grond gekluisterde dieren daarentegen hebben het zwaar te verantwoorden. Weinige slangen, zelfs de vlugge hagedissen niet, kunnen aan het vuur ontkomen; schorpioenen, tarantula’s en duizendpooten worden er zeker door bereikt, of zij vallen ten buit aan vijanden, die door den brand herwaarts werden gelokt en de vlammen weten te trotseeren.Zoodra er in de steppe een rookwolk ten hemel stijgt, die zich meer en meer uitbreidt, snellen van alle kanten kruipende roofdieren en roofinsekten, vooral echter slangenarenden, zangsperwers, wouwen, torenvalken, ooievaars, bijeneters en zwaluwen aan, om jacht te maken op de hagedissen, slangen, schorpioenen, spinnen, kevers en sprinkhanen, die door het vuur werden opgeschrikt en voor hetzelve vluchten. Onbevreesd loopen de secretarisvogels en ooievaars dwars voor de vuurlijn; snelwiekige valken, bijeneters en zwaluwen zweven boven de vlammen en door de rookwolken; een rijke buit valt allen ten deel. De jacht duurt zoolang als de brand woedt en de brand vindt voedsel zoolang de storm hem verder draagt; eerst met het sterven van den wind dooven ook de vlammen uit.Zoo zuivert de trekherder zijn weiland van onkruid en ongedierte; op deze wijze maakt hij het gereed voor een nieuwen plantengroei. Een vruchtbare asch blijft op den bodem achter; de levenwekkende regen vermengt die asch met de teelaarde, en een nieuw, jeugdig en krachtig groen ontspruit na het eerste onweder. Dan keeren ook alle gevluchte dieren weder terug naar de oude woonplaats, om, na den last en de kwellingen van den nu geëindigden winter en den schrik der jongste dagen, weder volop te genieten van de weelde en de genoegens des levens.[150]1Karroe, inlandsche naam voor deze steppe.↑

V.DE STEPPE EN DIERENWERELD VAN CENTRAAL-AFRIKA.

Het noorden van Afrika is eene woestijn, moet zulks zijn en zal het eeuwig blijven. Vergeleken met de uitgestrekte, door de gloeiende zon verzengde landmassa’s tusschen de Roode Zee en den Atlantischen Oceaan, verliezen de wateren, die de aarde omgorden, hunne beteekenis; de Roode Zee komt in ’t geheel niet in beschouwing, de Middellandsche Zee blijkt veel te klein en zelfs de invloed van den Atlantischen Oceaan blijft enkel tot een smallen zoom langs de kust beperkt. Boven zulke groote en heete vlakten moeten alle wolken zich oplossen zonder de dorstende aarde te bevochtigen en te bevruchten. Eerst veel verder naar het zuiden, ongeveer bij den evenaar, daar, waar aan de eene zijde de Atlantische Oceaan met een diepe bocht het land binnen dringt, aan de andere zijde de Indische Zee Afrika’s kusten bespoelt, waar, om mij zoo uit te drukken, beide Oceanen elkander over dit werelddeel heen de hand reiken, worden de verhoudingen eenigszins anders. Hier stroomen, op zekere tijden des jaars, vergezeld van storm, bliksem en donder, geregeld zulke ontzaglijke regenmassa’s neder, dat voor deze de woestijn moet wijken om voor de meer levende steppe plaats te maken. Daarom wordt het voorbijsnellend jaar hier in twee, wezenlijk van elkander verschillende jaargetijden verdeeld: in het levenwekkende en in het doodende, dat van regen en een ander van droogte, terwijl daarentegen in de woestijn eenig en alleen door de nu en dan heerschende winden kondschap wordt gebracht van de elders wisselende jaargetijden.Om de steppe te verklaren dunkt mij eene vluchtige schildering harer jaargetijden noodzakelijk. Want ieder land is eene afspiegeling van het klimaat, dat daar heerscht, en elk gebied is niets anders dan het resultaat der strijdende machten zijner jaargetijden, en kan slechts begrepen worden, wanneer men deze en hun invloed heeft leeren kennen.Met het ophouden van den regen vangt in Afrika’s binnenlanden de doodende tijd des jaars aan, de lange en vreeselijke winter, die door[122]zijn verzengende gloeihitte hetzelfde uitwerkt, wat de noordsche winter door zijn koû bewerkt. Nog vóór de hemel, die tot nog toe dikwijls bewolkt is geweest, volkomen helder is geworden, werpen sommige boomen, die in het voorjaar zich met groen hebben getooid, hun bladerenpracht af, en met het vallen der bladeren verlaten ook de trekvogels, die er in de lente broedden, het herfstachtig geworden land om in andere streken van het ouderlijk werelddeel een toevluchtsoord te zoeken. De halmen der broodvruchten worden geel, nog vóór de regen heeft opgehouden; de lage grassen verwelken en verdorren. De periodiek stroomende wateren drogen op; eveneens de door den regen gevulde bekkens, zoodat niet alleen de daarin levende reptielen en kikvorschachtigen, maar zelfs de visschen genoodzaakt worden zich in de natte leem te begraven om hier den winter te verblijven. Insecten en planten vertrouwen hun zaden aan de aarde toe.Hoe meer de zon zich schijnbaar naar het noorden wendt, des te sneller komt de winter opdagen. De herfst duurt maar weinige dagen. Hij bewerkt niet, zooals bij ons, een verwelken en afsterven der bladeren, geen tintelen in geel en rood, maar oefent door gloeiende winden zulk een vernielenden invloed uit, dat zij verdrogen evenals gemaaid gras in de stralen der zon; deels nog groen vallen zij ter aarde, deels worden zij met steel en al afgerukt en weggewaaid, zoodat de boomen, op weinig uitzonderingen na, binnen een onbegrijpelijk korten tijd een winterachtig voorkomen hebben erlangd. Boven de vlakten, die nog voor weinige dagen met hoog, golvend gras begroeid waren, verheffen zich nu dwarrelende stofwolken; in de beddingen der geheel of gedeeltelijk blootgelegde stroomloopen en waterbekkens gapen diepe kloven. Al wat aangenaam was verdwijnt, al wat onaangenaam is treedt dreigend te voorschijn: bladeren en bloesems, vogels en kapellen verwelkten, vlogen weg of stierven; doornen daarentegen, stekels en klissen bleven terug, terwijl slangen, schorpioenen en tarantelspinnen haar hoogtijd vieren. Eene onuitstaanbare hitte des daags, eene onverdragelijke warmte des nachts zijn de plagen van dit seizoen, en noch tegen het een, noch tegen het andere bestaan middelen van tegenweer. Wie zulke dagen niet bij eigen ervaring kent, als wanneer de thermometer in de schaduw 50° C. stijgt, terwijl men voortdurend zweet, wat men echter niet eerder merkt, dan wanneer men op een koele plek is gekomen, omdat de hitte dadelijk al het zweet doet verdampen, wanneer de eene stofwolk na de andere omhoog stijgt en een droge nevel loodzwaar[123]drukt op al wat leeft, zoo iemand heeft geen denkbeeld van dit lijden; hij die zulke nachten, wanneer men zich slapeloos op zijn leger omkeert, daar de warmte steeds toeneemt, niet heeft doorleefd, is buiten staat zich in te denken in het naamloos leed, dat gelijkelijk menschen en dieren pijnigt. Zelfs de hemel verandert zijn kleur, die tot nog toe rein blauw is geweest in een vaal grijs, want de zoo even vermelde nevel omsluiert dikwijls halve dagen lang de zon, zonder deze nochtans van haar gloed te kunnen berooven; integendeel, juist wanneer de horizon door zulke nevels verduisterd wordt, schijnt de hitte nog toe te nemen. Zonder de geringste verkwikking voor geest of lichaam volgt de eene dag op den anderen. Geen koeltje uit het noorden streelt het voorhoofd, geen bloesemgeur, geen vogelengezang, geen in heldere kleuren en donkere schaduwen prijkend landschap, gelijk de in zonnegloed badende tropen somwijlen te voorschijn tooveren, werkt verfrisschend op de ziel; alles wat levendig, kleurig en dichterlijk is, vlood henen, zonk neêr in den doodslaap,—en deze is veel te akelig dan dat hij eenig dichterlijk gevoel kan opwekken.Menschen en dieren kwijnen, evenals gras en bladeren verwelkt zijn; en menschen en dieren zinken neder om nooit weêr op te staan. Tevergeefs worstelen fierheid en moed tegen den last dier dagen; zuchtend en klagend bezwijkt zelfs de krachtigste wil. Elke inspanning mat af, elke beweging; het lichtste dek is te zwaar en de geringste wond verkeert in eene boosaardige zweer.Maar ook deze winter moet voor de lente wijken. Maar ook deze brengt door haar winden schrik en verderf. Dezelfde wind, die in de woestijn tot samoem wordt, roert als heraut der lente zijn vleugels, woelt in de spleten van den grond, om zelfs daaruit nog stof te vegen, dat in dichte massa’s omhoog dwarrelt, bouwt er op muren gelijkende wolken van en zweept deze huilend en bruisend over het land, werpt ze door de getraliede vensters van de woningen in de steden en door de lage deuren van de hutten der inboorlingen om nieuwe kwellingen te voegen bij de bestaande.Hij alleen heeft eindelijk de volle heerschappij ontvangen en oefent deze onbeperkt uit, als wilde hij alles vernietigen, wat nog stand hield; maar hij ook is het, die in het verre zuiden van regen zwangere wolken opeenstapelt, om deze naar de verbrande streken te voeren. Reeds schijnt het alsof bij het toenemen zijner kracht de drukkende zwoelheid wordt getemperd, alsof zijn adem bij tijd en wijle niet meer zoo gloeiend is, maar frisch en verkwikkend.[124]Het is geen misleiding: de lente rust zich uit tot den intocht, en op de vleugelen van den zuidenwind rukken de wolken ruischend aan. Nog een korte tijd en zij verdonkeren in het zuiden het gewelf des hemels; nog weinige dagen en flitsende bliksemstralen verlichten allengs de donkere wolkenlaag; nog eenige weken en een verwijderde donder kondigt den leven aanbrengenden regen aan.Bedrijvigheid begint te heerschen in en aan alle stroomen, die uit het zuiden komen. Zij zijn wel is waar nog helder als kristal, maar zij zijn levendiger geworden, want zij wassen van nu aan voortdurend en zenden door alle spleten en scheuren der slijkerige oevers het levenwekkend vocht naar het binnenland. Ook de trekvogels zijn bereids weder teruggekeerd, terwijl hunne aantallen nog dagelijks aangroeien. In de streken van den boven-Nijl verscheen de ooievaar, om wederom bezit te nemen van de oude nesten op de kegelvormige stroohutten der inboorlingen; met hem verscheen de heilige ibis, om ook heden nog zijn sedert duizenden jaren bekleed ambt waar te nemen: n.l. tot bode, heraut en waarborg te zijn, dat de oude Nijlgod wederom de bron zijner genade zal laten vloeien en den hoorn des overvloeds over de hem onderworpen landen uitstorten.Eindelijk komt het eerste onweêr opzetten. Een benauwend warme lucht drukt op het doode, verbrande veld, zoo mogelijk nog erger dan te voren.Huiveringwekkende stilte beangstigt mensch en dier. Elk gezang, bijna elk geluid der vogels is verstomd; zij zelf hebben zich in het dichtste gebladerte der altijd groene boomen verborgen.Maar ook het leven in het leger der trekherders, in het dorp, in de stad, schijnt uitgestorven. Vreesachtig kruipen de anders zoo levenslustige honden naar een stil, verborgen hoekje; alle overige huisdieren hebben een angstig en schuw voorkomen; men maakt de paarden vast en drijft de runderen binnen de omheining.In de stad sluit de koopman zijn kraam, de ambachtsman zijn werkplaats, de regeeringspersoon zijn diwan, want een ieder zoekt een schuilplaats in zijn woning. En toch laat zich nog geen windje hooren, en verneemt men zelfs niet het minste geritsel aan de weinige nog bladdragende boomen. Maar toch kan men bespeuren hoe het onweder zich vormt en nadert.In het zuiden pakt zich eene donkere en als vlammende wolkenlaag samen, die doet denken aan de vuur- en rookwolken boven eene[125]brandende stad, of aan een ver afgelegen boschbrand. Vuurrood, purper, donkerrood en bruin, vaalgeel, grijs, donkerblauw en zwart schijnen in die wolkenlaag een kleurendans uit te voeren; die kleuren mengen zich dooreen, scheiden zich van elkaar af, verliezen zich in het donker en flikkeren plotseling weder met schrille tinten op. De bank rust op den horizon en klimt naar den hemel omhoog; zij schijnt nu eens stil te staan, maar ijlt straks met de snelheid van den storm verder, omsluit den gezichteinder hoe langs hoe meer en hult alles in een ondoordringbaren sluier. Een fluitend en suizend geluid schijnt uit haar voort te komen; waar de waarnemer staat is alles evenwel nog doodstil.Daar breekt plotseling een windstoot los. De sterkste boomen buigen onder den geweldigen storm als zwakke rijsjes; de slanke palmen neigen haar kronen diep ter aarde. Een tweede stoot volgt op den eersten, een derde op den tweeden; de wind groeit aan tot een storm, de storm wordt orkaan en deze woedt met ongehoorde kracht. Het loeien des orkaans is zoo vreeselijk, dat het eigen woord de ooren des sprekers niet meer bereikt, en elk geluid wordt overstemd en gesmoord. Het ruischt en beruist, loeit en suist, fluit en huilt, dreunt en ratelt in de lucht, op den grond, in de kruinen der boomen, alsof alle elementen met elkaar in strijd zijn, de hemel zou willen invallen, de grondvesten der aarde wankelen.Onweêrstaanbaar treft de geweldige storm de kronen der boomen, sleurt de helft der bladeren, die er nog aan hangen, mede, breekt stammen van eene mansdikte als glas, maakt zich zelfs van de kronen meester, om ze als een speelbal over de vlakten te rollen, te draaien en omhoog te doen dwarrelen, en ze eindelijk met de takken, als breedste basis, naar beneden, met de weemoedig omhoog starende brokstukken van den stam naar boven, diep in de aarde of het zand te begraven; de termieten zullen het werk der vernieling verder aan hen voltooien. Gulzig woelt de wind in alle spleten en barsten der aarde, veegt er het stof, zand en grind uit, voert deze omhoog naar de wolken of sleept ze met zulk een kracht voort, dat zij, tegen harde voorwerpen stootende, met een hoorbaar geratel en geknetter terugspringen; hemel en aarde worden er door aan ’t gezicht onttrokken, de dag wordt tot nacht en de sidderende mensch ontsteekt de lamp in zijne met stof gevulde woning, om bij ’t schijnsel van dat licht te herademen en tot rust te komen.Maar het geloei van den wind wordt overstemd door andere geluiden.[126]Ratelende donderslagen laten zich dreunend hooren en smooren het gehuil en gebruis van den storm. Nog altijd zijn de stofwolken zoo dicht, dat men den bliksem niet kan zien; spoedig evenwel mengt zich een tot nog toe niet vernomen geratel onder de verwarde mengeling van tonen en geluiden, en daarmede begint de onnatuurlijke nacht te wijken voor een dagend licht. Het is alsof zware hagelbuien de aarde treffen, en toch zijn het slechts regendroppels, die neêrvallen, om onder het vallen zand en stof meê te voeren. Nu ook kan men het bliksemen zien. De eene straal volgt zoo onmiddellijk op de andere, dat men de oogen voor dit verblindend licht sluit en het onweder slechts kan volgen door den onafgebroken rollenden donder. De regen verandert in een wolkbreuk, het water ruischt van de bergen neder, de beken nemen het op en zenden het naar de laagten, alwaar de meren het verzwelgen; in stroomen golft het door de dalen. Uren lang houdt de regen aan, maar de storm heeft zijn kracht verloren en eene verkwikkende koelte laaft weder mensch en dier en plant. Ook de bliksemslagen verminderen in aantal, de donder verzwakt, de wolkbreuk wordt weder regen, de regen verandert in druppelen; de hemel wordt helder, de wolken scheuren en het stralend aangezicht der zon breekt door. Jubelend verlaat de bruine jeugd, naakt gelijk zij ter wereld kwam, huizen en hutten, om zich in het lentewater te baden; niet minder gelukkig ontworstelen zich de reptielen, kikvorschachtigen en visschen aan den slijkerigen bodem, en reeds in den eersten nacht na den regen klinken uit duizend kelen de heldere stemmen der kleine vorschen, van welke dieren men vroeger niets bespeurde, omdat zij, gelijk sommigekrokodillen, vele schildpadden en alle visschen der periodiek uitdrogende meren in de diepte der aarde een winterkwartier hadden opgezocht; de eerste voorjaarsregen doet hen tot een nieuw leven ontwaken.Overal ontwikkelt zich datzelfde verjongde, krachtige leven. Gretig zwelgt de aarde het haar geboden vocht in; maar de hemel opent na weinige dagen nogmaals zijn sluizen om, wat nog bleef sluimeren, te wekken. Een tweede onweder doet de knoppen open springen van alle boomen met wisselend blad en het gras ontluiken; een derde regenbui roept bloesems en bloemen op en bekleedt het geheele landschap met malsch groen. Even tooverachtig als de lente kwam is haar werking. Wat bij ons te lande een maand tijd vereischt, wordt hier afgespeeld binnen ’t verloop eener week; wat in gematigde landen zich zoo langzaam ontwikkelt, ontplooit zich hier binnen weinige dagen en uren.[127]Slechts een gering aantal weken duurt deze lente en de weinig van haar verschillende zomer heeft thans zijn intocht gehouden; en even snel wordt deze weder opgevolgd door den korten herfst, zoodat men eigenlijk slechts van een eenig jaargetijde kan spreken, dat èn lente, èn zomer èn herfst in zich bevat. En nogmaals staat de moordende winter voor de deur en belet een ongestoord ontkiemen, groeien en gedijen, zooals in andere aequatoriale landen, die eenen grooteren watervoorraad rijk zijn, mogelijk is. Toch is de hoeveelheid regen hier nog voldoende om dit land tot geen barre woestijn te maken, en overal daar, alwaar zij zich anders zou doen gelden, een meerder of minder weelderig plantentapijt over de aarde te spreiden, of,m.a.w.in plaats van eene woestijn eene steppe te scheppen.Ik gebruik het woord steppe om daarmede aan te duiden die eigenaardige streken van Centraal-Afrika, welke de Arabier „Chala”d.w.z.„frissche, groene planten voortbrengende landen” noemt. DeChalais wel is waar niet hetzelfde als de steppe van Zuid-Rusland en Middel-Azië; evenmin komt zij geheel overeen met de prairiën van Noord-Amerika of de pampas en llanos van Zuid-Amerika, maar zij heeft toch zooveel punten van overeenkomst met de eerste, dat ik mij genoegzaam verontschuldig reken wanneer ik de voorkeur geef aan een bekend woord. De steppe strekt zich uit over geheel Centraal-Afrika, van de woestijn tot aan de Karroe1, van de oostkust tot de westkust; zij omgeeft alle hooggebergten des lands, en sluit alle oerwouden in, die zich zoowel op deze als in de komvormige, meer waterrijke laagvlakten bevinden; zij omvat alle landen in het hart van Afrika, begint weinige honderden schreden aan gene zijde van de huizen der dorpen, neemt de velden der ingezetenen in zich op, en voedt en onderhoudt de kudden der trekherders. Waar in het zuiden de woestijn eindigt, waar het woud ophoudt, waar een gebergte daalt, daar begint haar heerschappij; waar een brand het bosch vernielde, daar maakt zich de Chala van de uitgebrande plek meester; waar de mensch het dorp verlaat, daar dringt zij in diens jurisdictie binnen, om dit in weinig jaren tijds gansch en al onkenbaar te maken; waar de landman zijn akkers prijsgaf, daar drukt zij binnen het tijdsverloop van een jaar weder hare beeltenis af.Onvriendelijk, eentonig, zonder afwisseling doet zich de steppe voor aan hem, die haar voor het eerst betreedt. Eene uitgestrekte, dikwijls[128]onafzienbre vlakte ligt voor ons; slechts bij uitzondering rijzen enkele kegelvormige bergen uit haar op; noch zeldzamer scharen deze zich aaneen tot ketens. Vaker ziet men lage heuvelklingen de vlak komvormige dalen afbreken; soms vereenigen die heuvelrijen zich tot netvormig door elkaar gevlochten ruggen, die diepe keteldalen insluiten of omgeven, waarin gedurende den regentijd poelen, vijvers en meren worden gevormd, terwijl de leemachtige grond in den winter veelvuldig gebarsten en gekloven is. In de diepste en langste dalen bevindt zich in plaats van zulk een stilstaand water een „chòr” of regenstroom,d.i.een waterbed, dat eveneens slechts in het voorjaar gedeeltelijk, onder bijzonder gunstige omstandigheden ook wel eens en dan binnen weinige uren tot aan den rand gevuld wordt, en nu niet meer stroomt, maar als een bewegelijke muur bruisend en donderend naar de laagte stort, zonder evenwel in eene eigenlijke rivier uit te monden. Zulke verzamelplaatsen van water uitgezonderd, dekt overal een betrekkelijke rijke vegetatie den grond. Grassen van allerlei soort, van lage, langs den grond kruipende plantjes tot meer dan manshooge korenachtige halmen vormen het hoofdbestanddeel dezer steppen-flora; boomen en struiken, vooral vele soorten van mimosa’s, adansonia’s, dompalmen, Christusdoorns en andere, vormen hier en elders, vooral aan de oevers der genoemde wateren, dichte heggen en boschjes; overigens zijn zij zoo spaarzaam over de uitgestrekte, met een dicht graskleed overtogen vlakten verspreid, dat zij slechts op weinige plaatsen tot een werkelijk en dan nog ijl bosch worden. Nergens groeien deze boomen zoo weelderig als in de ware stroomdalen, die de zegeningen van de lente in zich sluiten; zij zijn daarentegen dikwijls dwergachtig, althans laag; hun kronen zijn ijl, en niet dan hoogst zelden ziet men eene klimplant tot aan hun top opstijgen. Zij allen lijden te veel onder den invloed van den langen, gloeienden winter, die hun ternauwernood veroorlooft, hun eigen leven te behouden en die alle woekerplanten uit hun nabijheid weert. De grassen daarentegen schieten in de wel is waar korte, maar toch aan water rijke lente welig omhoog, bloeien er doorheen, en doen hun zaden rijpen, zoodat hier alle voorwaarden voor een gunstig gedijen rijkelijk vervuld zijn. Maar ook door de grassen voornamelijk erlangt de steppe haar eentonig uitzicht; want, hoe klein zij ook zijn, zij wisschen vele tegenstellingen uit en brengen, inzonderheid door hun gelijke kleur, een afmattende uitwerking teweeg. Zelfs de mensch is niet in staat eenige afwisseling in dit eeuwig eenerlei te brengen, daar ook zijn[129]akkers, die hij midden in het graswoud aanlegt, uit de verte beschouwd er evenals deze uitzien, zoodat men koren en gras niet van elkander kan onderscheiden; de ronde, met een koepelvormig dak voorziene hutten, die hij met dunne palen stut en met steppengras bekleedt, steken althans in het droge jaargetijde zoo weinig tegen de omgeving af, dat men ze eerst in de onmiddellijke nabijheid gewaar wordt. Het is alleen de wisseling der jaargetijden, die verandering brengt in dit eentonig tooneel, en ook deze verandering is nog van weinig beteekenis.Onvriendelijk is ook de begroeting, waarmede de reiziger door de steppe wordt ontvangen. Op hooge kameelen gezeten, rijdt men door het landschap. Het een of ander wild wekt den jachtlust op en men wordt verleid tot het binnendringen van het graswoud. Daar wordt men plotseling gewaar, dat er tusschen de oogenschijnlijk zoo gladde grashalmen planten groeien, die nog meer te vreezen zijn dan de doornen der mimosa’s.Op den grond woekert de „tarba,” wier zaadhulsels zoo scherp zijn, dat zij de zolen van niet al te dikke ruiterslaarzen doorsnijden, daar boven groeit de „essek,” wier klitten zich hechten aan alle mogelijke kleedingstukken, en dat zoo vast, dat men ze er niet meer uit kan krijgen; nog iets hooger verheft zich de „askaniet,” de verfoeilijkste plant van alle drie, omdat haar stekels bij de lichtste aanraking los laten, door alle kleedingstukken heen boren, in de huid dringen en daar etterbuilen doen ontstaan, die wel is waar elk op zich zelf klein zijn, maar wegens de ontelbare menigte tot een ware plaag worden.De drie genoemde planten maken een lang oponthoud en een verder doordringen in het grasland onmogelijk; zij zijn eene kwelling voor mensch en dier, en wij kunnen nu begrijpen waarom de inboorlingen steeds een kleine nijptang als onmisbaar wapen bij zich dragen, en dat de grootste liefdedienst, welken men elkander kan bewijzen, evenals bij de apen, daarin bestaat, dat men elkander de fijne, ternauwernood zichtbare, maar naaldscherpe dorens uit de huid trekt. Dat ook meest alle andere planten der steppe, inzonderheid bijna alle boomen en struiken, met meer of minder lastige dorens bezet zijn, is begrijpelijk voor een ieder, die ooit in Afrika een bosch trachtte door te dringen, of ook maar een boom naderde.Nog onaangenamer is de steppe des nachts. Daar men dagen lang door de steppe kan trekken zonder een dorp te ontmoeten, is men dikwijls verplicht onder den blooten hemel te overnachten.[130]Men spoort dan eene plek op, die van genoemde lastige planten vrij is; het rijdier wordt van zijn last ontheven en vastgebonden; eene eenvoudige legerplaats wordt ingericht, n.l. men spreidt een tapijt op den grond en ontsteekt een groot vuur om de roofdieren verre te houden. De zon gaat onder, en weinige minuten later heeft de nacht haar donker kleed over de aarde geworpen; het vuur verlicht de legerplaats en hare omgeving. Plotseling wordt het van verre en nabij zeer levendig. Aangelokt door het stralend vuur loopt en kruipt alles daarnaar toe, een voor een, bij tweeën, bij tienen, bij honderden. Eerst laten zich reusachtige spinnen zien, die met haar acht uitgespreide pooten evenveel plaats innemen als een man met zijn hand kan beslaan; onmiddellijk daarop, soms op hetzelfde oogenblik als de spinnen, komen de schorpioenen aanloopen. Driftig rennen beide diersoorten op het vuur af, over tapijt en dek heen, tusschen de schotels van den eenvoudigen avondmaaltijd door, keeren, door het heete vuur genoodzaakt, weer terug, laten zich nogmaals door de vlam verleiden, en vermeerderen daardoor het akelig gewemel; want deze spinnen zijn wegens haar zoo niet gevaarlijken dan toch zeer pijnlijken beet weinig minder te vreezen dan de schorpioenen, en de laatsten zijn elk oogenblik gereed met hun giftangel verwondingen toe te brengen. Verstoord neemt men zijn toevlucht tot een tweede, niet minder nuttig werktuig, dat op raad van den kundigen gids werd meêgenomen, n.l. eene langpootige vuurtang, pakt daarmede zooveel dezer ongenoode gasten als men maar machtig kan worden, en werpt ze boosaardig in het knetterende vuur. Dank zij de vereenigde pogingen van alle reisgenooten, zeer spoedig heeft het meerendeel van het helsche gebroed zijn dood in de vlammen gevonden; de aankomelingen worden minder talrijk en ook deze worden even onbarmhartig als de vorigen in ’t vuur geworpen; men herleeft—maar te vroeg!Nogmaals naderen nieuwe en nog guurder gasten het vuur: vergiftige slangen, die evenals de spinnen en schorpioenen door het vuur gelokt worden. De natuuronderzoeker herkent in hen, althans in de soort, die het talrijkst is, hoogst belangrijke dieren, die ten zeerste zijn aandacht trekken; want het is de zandkleurige hoornadder, de beroemde, liever misschien, de beruchte „Cerastes” der ouden, de op vele Egyptische monumenten afgebeelde „Fi,” dezelfde giftslang, door wier beet Cleopatra zich doodde; de vermoeide reiziger wenscht dit dier evenwel in den diepsten afgrond der hel.[131]Het gansche leger staat op zoodra de naam dier slang door den een of anderen reiziger wordt uitgesproken; ieder grijpt, en nu veel spoediger en angstiger dan straks, zijne tang, sluipt, zoodra hij het ondier in ’t gezicht krijgt, voorzichtig er op af, pakt het van achter in den nek, knijpt de tang stevig dicht, zoodat de slang niet kan ontsnappen, werpt haar midden in ’t flikkerende vuur en bespiedt met boosaardige vreugde haar dood.Er zijn plaatsen in de steppe, waar de slangen iemand in stille wanhoop brengen. Daar de kleur dezer wezens volkomen gelijk is aan die van het zand, en zij tevens de gewoonte hebben zich des daags, of wanneer zij slapen, geheel onder het zand te begraven, terwijl alleen de beide kleine, boven op den kop staande voelhoorns daaruit steken, zoo valt het moeilijk deze dieren op te sporen; de nacht is evenwel ternauwernood aangebroken, of de slangen komen weêr te voorschijn; zij trekken op het schijnsel des vuurs af en kronkelen en sissen om den armen reiziger heen. Soms dagen zij in massa’s op, om hem tot middernacht uit den slaap te houden; alle individuen, die zich in de nabijheid der legerplaats ophielden, of op hunne nachtelijke excursies deze nabij kwamen, schijnen op het vuur af te gaan. En wanneer men eindelijk, afgemat en slaapdronken de tang uit de hand en zichzelf ter ruste heeft gelegd, dan is men er nog niet van verzekerd, dat er in den nanacht nog niet enkelen over ons heen zullen kruipen; en dat zulks wel eens gebeurt blijkt o.a. daaruit, dat men des morgens bij het oprollen van het tapijt dikwijls een of meer dier gedrochten in de plooien vindt gewikkeld; ijlings nemen zij dan evenwel de vlucht en begraven zich in het zand. Hier, in deze steppe, heb ik de ervaring opgedaan, dat op weinig uitzonderingen na, de vergiftige slangen nachtdieren zijn; zulks is ten minste het geval met alle adders en groefadders.De opgenoemde dieren zijn niet de eenige steppenbewoners, die den mensch overlast veroorzaken. Zoo is er b.v. een klein diertje, dat wel is waar volstrekt niet levensgevaarlijk is, maar dat toch onnoemelijk veel schade kan toebrengen aan de bezittingen der menschen, die de steppe bewonen of deze doortrekken; ik bedoel de termiet. Dit insect gelijkt zeer veel op eene mier; in weerwil van zijn geringe lichaamsgrootte richt het meer schade aan dan de sprinkhaan, ofschoon ook de verschijning van dit vraatzuchtig beest nog heden ten dage een ware plaag kan genoemd worden. Eene kudde olifanten is zelfs nog minder te duchten.[132]De termieten zijn alomtegenwoordig; zij vernielen alles. Wat het plantenrijk oplevert verdwijnt onder haar scherpe kaken, wat de kunstvlijt der menschen opbouwt, wordt onmeêdoogenloos vernield. Hoog boven het gras der steppe verheft zich de kegelvormige, uit aarde gebouwde woning; overal in het rond, op den grond en op de boomen ziet men hun gangen, loopgraven en verbindingswegen. Het is in den nacht of als het duister is, dat zij hun verwoestenden arbeid aanvangen en voltooien.Het eerste werk der termiet bestaat daarin, dat zij de voorwerpen omgeeft met een laag aarde, die elken lichtstraal afsluit en nu gaat zij aan den arbeid, welks einddoel door dit ééne woord „vernietiging” kan worden weêrgegeven. Op den grond liggende of tegen aardwallen hangende voorwerpen zijn het meest aan gevaar blootgesteld. Een onnadenkend reiziger, door de hitte gekweld, legt een of ander kleedingstuk naast zich op den grond, die hem tot rustplaats strekt; den volgenden morgen vindt hij dit terug als een met tallooze gaatjes doorboorde zeef,—onbruikbaar gemaakt, vernield; een nog niet met de omstandigheden vertrouwd natuuronderzoeker sluit zijne zoo moeilijk verkregen schatten in eene kist, maar verzuimt deze op steenen of andere voorwerpen te plaatsen, die den bodem der kist van den grond verwijderd houden; hij ziet zich binnen weinige dagen van zijn verzameling beroofd; een jager hangt zijn geweer aan een leemen muur; hij bemerkt tot zijn verdriet, dat de vernielzieke insecten in korten tijd in kolf en loop loopgraven hebben aangelegd; in den kolf zelf zijn ze reeds tot diepe groeven geworden. Elke boom, dien de termieten tot doelwit kozen, is onherroepelijk verloren; de daken der woningen zijn aan vernietiging prijsgegeven, zoodra de termieten zich daarin hebben genesteld. Van den grond tot de hoogste takken bouwen zij hare gangen; stam, twijgen, alles wordt doorboord, zoodat de eerste de beste storm den boom velt en het losse als een bijenraat er uitziende houtweefsel als kaf in den wind verstrooit; langs de leemen wanden of het paalwerk der hutten klimt de termiet omhoog, doorboort het houtwerk en alras valt het geheele gebouw ineen; onder den vastgestampten of geplaveiden vloer der meer aanzienlijke woningen graaft zij duizendvoudig vertakte gangen en kruipt nu en dan bij millioentallen hieruit te voorschijn om van stonden aan boven den grond het werk der vernieling aan te vangen. Op deze en nog veel andere wijzen wordt de termiet tot een der vreeselijkste plagen van Centraal-Afrika, inzonderheid van de steppe.[133]Ware deze niet de schouwplaats ook nog van andere tooneelen, ware zij niet een der rijkste gebieden, een der dichtst bevolkte en meest bezochte woonplaatsen van Afrika’s dierenwereld, de natuurkundige zou haar even graag mijden als de handelsreiziger, welke laatste slechts hare afstootende, niet hare aantrekkelijke zijde leert kennen.Wie langer in haar verwijlt en haar werkelijk doorzoekt, wordt met de steppe verzoend. Zij is rijk en vol leven, oneindig rijk, en niet arm gelijk de woestijn; men kan haar veeleer vergelijken bij een oerwoud, daar ook in haar eene veelsoortige en talrijke dierenwereld huist, ja zij bij voorkeurdiedieren herbergt, welke wij als meer in ’t bijzonder aan Afrika eigen plegen te beschouwen. Wij willen enkelen vluchtig de revue laten passeeren.Tot de merkwaardigste steppendieren behooren ongetwijfeld de visschen, welke zich in de periodiek uitdrogende rivier- en meerbekkens ophouden. Reeds Aristoteles verhaalt van visschen, die zich, als het water is verdampt, in het slijk begraven; Seneca drijft hiermede evenwel den spot en vraagt of men nu voortaan maar niet met houweel en spade op de vischvangst zal gaan, in plaats van met het net. Aristoteles echter vermeldt feiten, die boven elke spotternij verheven zijn.De in de steppenwateren van Centraal-Afrika levende salamandervisch is een aalvormig dier, ter lengte van ongeveer een meter, met een lange, in de staartvin overgaande rugvin, twee smalle ver naar voren ingeplante borstvinnen en twee lange, ver naar achteren staande buikvinnen; de belangrijkste bijzonderheid, die bij dezen visch valt op te merken, bestaat daarin, dat hij behalve de gewone kieuwen ook nog longzakken bezit, die voor de ademhaling zijn ingericht. Dit merkwaardige dubbelwezen tusschen amphibie en visch houdt zich ook bij hoogen waterstand meer op in het slijk dan in het vrije water en verbergt zich gaarne in holen, die hij waarschijnlijk zelf uitgraaft. Daalt de waterspiegel aanmerkelijk, dan woelt hij zich diep in het slijk, rolt zich zoo dicht mogelijk samen en vormt nu, door zich telkens om te draaien, eene van alle kanten gesloten en van binnen met slijm bekleede, luchtdichte woning, waarin hij den winter roerloos doorbrengt. Graaft men zulk een omhulsel voorzichtig uit, en pakt men dit zorgvuldig in, dan kan men den visch verzenden zonder zijn leven in gevaar te brengen, ook naar willekeur in het leven terugroepen door hem met zijn woning in lauw water te leggen. Eerst[134]houdt het dier zich eene poos rustig, evenals ware hij nog slaapdronken; maar reeds na verloop van een uur is het geheel wakker geworden en eenige dagen later geeft het blijken van eene ontembare roofzucht. Maanden lang bespeurt men nu geen verandering in het gedrag van dezen visch, maar is de tijd genaderd, dat hij in Afrika zijn winterslaap aanvangt, dan maakt hij zich hiertoe eveneens gereed in het water, waarin hij zich nu bevindt; hij wordt tenminste onrustig en scheidt opvallend veel slijm af. Geeft men hem daartoe gelegenheid, dan graaft hij zich werkelijk in, en zoo hij dit niet kan, dan herstelt hij zich allengs van zijn onrust en blijft verder vroolijk in het water leven.Evenals de salamandervisch verduren ook de meervallen den winter der steppe, en evenals deze beide dieren graven alle daar levende amphibieën, ja zelfs sommige reptielen, vooral waterschildpadden en krokodillen, zich in het slijk in, om slapend het eind van den winter af te wachten, en zoo het ongunstige jaargetijde het hoofd te bieden. Alle op het land levende reptielen daarentegen zijn gedurende den gloeienden winter het dartelst en dragen er alzoo niet weinig toe bij om de dorre steppe te verlevendigen; zij bewonen deze toch in ontzagwekkende aantallen. Behalve de adders, waarover ik reeds sprak, treedt nog eene andere vergiftige slang in de steppe op, n.l. de Aspis-, spuw- of Ureusslang, een der meest gevaarlijke kruipende dieren.Deze slang, die nog meer beroemd, liever berucht is dan de hoornadder, is dezelfde, van welke Mozes zich bediende om zijn goocheltoeren voor Farao te verrichten, dezelfde, die de hedendaagsche slangenbezweerders nog gebruiken; dezelfde, wier gouden beeld de oude Egyptische koningen, als zinnebeeld des alvermogens, als diadeem op het hoofd droegen; dezelfde, waarvan zij zich als straf en wraakmiddel bedienden voor misdadigers en vijanden; dezelfde, van welke de oude geschiedschrijvers ons gruwelijke, maar soms zeer ware geschiedenissen opdisschen. In tegenstelling met andere slangen is zij over dag zeer lustig, en als zij niet getergd wordt zeer onschuldig; bewegelijk, toornig en moedig, vereenigt de aspis alle eigenschappen in zich, die eene giftslang gevaarlijk maken. Haar kleur, die van zand en verwelkt gras, maakt haar onzichtbaar en zoo schuifelt zij dikwijls akelig schielijk door het graswoud; zich bewust van haar vreeselijk wapen, stelt zij zich in aanvallende houding, zoodra zij zich bedreigd waant.[135]Het voorste vijfde of zesde deel des lichaams richt zich op, de halsribben worden uitgebreid en zoo wordt er een schild gevormd, boven hetwelk de kleine kop met de levendige, bijna fonkelende oogen te voorschijn treedt; zij richt de laatste strak op haar vijand en maakt zich gereed tot den bliksemsnel uitgevoerden en bijna altijd doodelijken beet;—het is een schoon, maar ijzingwekkend schoon tafereel, dat mensch en dier met bewondering, maar tevens met ontzetting vervult.Men beweert algemeen, dat zij ook dan nog gevaarlijk kan worden, wanneer zij niet bijt, maar enkel haar vergif op den aanvaller uitspuwt, en inderdaad haar sterk ontwikkelde giftklieren scheiden het helsche sap in zulk eene ontzettende hoeveelheid af, dat het in groote druppels aan het eind van het kanaal harer doorboorde gifthaken te voorschijn treedt. Geen wonder, dat inboorlingen en westerlingen haar veel meer schuwen en vreezen dan de trage hoornadder, die ons des nachts in ons leger opzoekt; verklaarbaar, dat de steppenbewoners onnadenkend op iedere, zelfs de onschuldigste slang het geweer afvuren, die hun onder de oogen komt; begrijpelijk, dat eindelijk elk geritsel in het gras of in het loof een plotselingen schrik, althans vermeerderde oplettendheid, opwekt. Zulk een geritsel hoort men echter elk oogenblik in de steppe, daar andere slangen, van de hiëroglyphen-slang af, een zes meter lange reuzenslang, tot kleine onschuldige ringslangetjes toe, er niet minder talrijk zijn dan de aspis, terwijl nog bovendien een talloos heer van hagedissen van allerlei soort overal te vinden is. Wie de slangen vreest, kan door de hagedissen met de klasse der reptielen verzoend worden; want aantrekkelijker verschijningen dan deze vlugge en schitterend gekleurde schepsels weet de steppe niet aan te wijzen. Over den grond snellen zij daarheen, tegen de takken van struiken en boomen klauteren zij omhoog, van de termietenheuvels zoowel als van de woningen kijken zij omlaag, en zelfs onder het zand banen zij zich een weg. Sommige soorten wedijveren in kleurenpracht en glans met de kolibries; anderen streelen het oog door de vlugheid en sierlijkheid hunner bewegingen; weer anderen boeien door haar zonderlinge gedaante. Zelfs nadat de zon, in wier stralen zij zich zoo gaarne koesteren, is ondergegaan en het meerendeel dezer bewegelijke diertjes de rust heeft gezocht, wordt de waarnemer nog door hen beziggehouden; want met het begin van den nacht komen de gekko’s opdagen, die des daags stil en rustig tegen de boomstammen en staken zaten gekleefd; zij laten luid en welklinkend hun geroep hooren, waaraan de naam is ontleend, om, zonder[136]daarbij de minste vrees voor de menschen aan den dag te leggen, van nu af zich aan de jacht te wijden. Het volksgeloof stelde de gekko’s oudtijds voor als zeer vergiftige dieren, en ook nu nog spookt dit vooroordeel in de hersens van vele onverstandige lieden. Het zijn nachtdieren en als zoodanig zijn zij anders gevormd dan die, welke over dag bedrijvig zijn; inzonderheid zijn zij gekenmerkt door de verbreede, kussenvormige, aan den onderkant met dicht aaneengeschaarde blaadjes voorziene voetzolen, die als zuignapjes werken en bij het klimmen de uitstekendste diensten bewijzen. Hierin meende men giftklieren te zien, hoe ongerijmd deze opvatting ook al dadelijk mocht schijnen. Neen, de gekko’s zijn zoowel aantrekkelijke als geheel ongevaarlijke wezentjes, die binnen korten tijd zich de liefde verwerven van iederen onbevangen waarnemer. Huisdieren in den besten zin des woords, dewijl zij vlijtig en met goed gevolg de vervolging op zich nemen van allerlei lastig ongedierte, verlevendigen zij in den nacht elken hoek der uit leem of stroo gebouwde woning; zij klouteren met nimmer falende zekerheid, geholpen door hunne bladvormige voetplaatjes, overal zich vasthechtende, zoowel met den kop naar beneden als met den kop naar boven, langs horizontale en loodrechte muren; zij schijnen er vermaak in te vinden elkander te plagen en na te zetten, en verlustigen den mensch nog bovendien door hunne melodieuze stem. Kortom, zij doen nut en schenken genot—welk verstandig mensch zou dus niet van hen houden?Toch—ook de gekko’s zijn en blijven kruipende dieren, en deelen als zoodanig in den vloek en afkeer van den mensch, en voorzeker! met de licht zwevende vogels zijn zij niet te vergelijken. En daarom mag men zeggen, dat eigenlijk de laatstgenoemden alleen den mensch, die in de steppe toeft, vroolijk tegemoet snellen en hem met de zooeven beschouwde dieren verzoent.De vogelenwereld der steppe is even rijk aan soorten als aan individuen. Waar men zich ook moge bevinden, vogels ontbreken nergens.Uit het dichtste halmenbosch laat zich het luid geroep van enkele trapganzen hooren; uit het struikgewas aan de oevers der waterbekkens het trompetgeluid van parelhoen of frankolijn; uit de boomen klinkt het gekir en gelach der duiven, het hameren der spechten, de volle loktonen van den baardvogel, het eenvoudig gezang der wevervogels en van sommige lijstersoorten; op uitstekende boomtakken of dergelijke voor uitkijk geschikte voorwerpen, zitten, loerende op eene[137]prooi, slangen-buizerden, zingsperwers, Duitsche papegaaien, drongo’s en bijeneters; de secretarisvogel—door de inboorlingen noodlotsvogel genoemd—loopt in het halmenwoud of zweeft daarboven; in het luchtruim spelen de zwaluwen en andere vliegenjagers, nog hooger zweven arenden en gieren. Geen plaatsje is onbewoond, geen plekje onbezet, en wanneer in Europa de winter zijn intocht houdt, zendt hij nog een aantal onzer vogels, zooals torenvalken en wouwen, worgers en Duitsche papegaaien, kwartels en ooievaars en vele anderen naar de steppe, die hun gedurende het bange en arme jaargetijde een gastvrije schuilplaats verleent.SEKRETARIS EN UREUS-SLANG.SEKRETARIS EN UREUS-SLANG.Karakteristiek voor de steppe zijn weinige daar levende vogels, en[138]haar stempel is op bijna geen enkele zoo scherp en beteekenisvol afgedrukt, dat men er een als steppenvogel in den waren zin zou mogen beschouwen, gelijk zulks bij alle woestijnvogels wel het geval is. Desniettemin merkt de aandachtige waarnemer op, dat toch ook de steppenvogels tot in zekere mate het gelaat hunner woonplaats weêrspiegelen. Den secretaris, een grooten roofvogel van het voorkomen eens kraanvogels, den slangensperwer, een in een rijk, mollig, grootvederig gewaad gehulden, langzaam en traag vliegenden havik, een stroogelen geitenmelker, alsmede een wiens vleugels in pronkveêren zijn veranderd, een parel- of frankolijnhoen, een trap, of eindelijk den struisvogel is het wel aan te zien, dat zij in de steppe thuis behooren, en daarin hun waar verblijf vinden. De steppe is, wel is waar, geenszins kleurenrijker dan de woestijn, maar geeft toch oneindig meer bedekking en kan dus ook vrijer teekenen. Nochtans bevindt men, dat ook hier voornamelijk twee kleuren domineeren, een lichter of donkerder stroogeel en een moeilijk te omschrijven staalgrijs, welke beide kleuren zoowel de veêren van de roofvogels als die der hoenders versieren, zonder dat daarom alle andere, donkere, of meer levendige en zelfs heldere kleuren buitengesloten zijn. De meerdere vrijheid in kleur en teekening valt m. i. opmerkelijk genoeg ook bij zulke vogels in ’t oog, wier geslacht of familieleden uitsluitend in de steppe thuis behooren.Wil men, met het doel daardoor het gebied zelf te kenschetsen, enkele steppenvogels meer uitvoerig beschrijven, dan wordt de keuze moeilijk, omdat bijna iedere vogel eene meer bijzondere vermelding waard is. De mij toegestane ruimte legt mij beperking op, weshalve het voldoende zij, wanneer ik als voorbeelden neem een bewoner der hoogere luchtlagen, een grondbewoner en een nachtvogel; deze zullen den lezer in staat stellen het beeld, dat hij zich reeds van de steppe heeft gevormd, nog iets vollediger te maken.Wie langen tijd in de steppe heeft verwijld, moet meermalen een grooten roofvogel hebben opgemerkt, die in zijn vlucht ten zeerste afwijkt van iederen anderen gewiekten roover, vooral door den prachtig golvenden buitenrand der lange en spitse vleugels, den ongemeen korten staart en de alles overtreffende snelheid. Hoog in de lucht vliegt, zweeft, zwemt, tuimelt, goochelt, danst en buitelt deze vogel, die de grootte bereikt van een adelaar; nu eens breidt hij zijne vleugels wijd uit, om ze minuten achtereen roerloos in dezelfde houding te laten, dan weder slaat hij ze met kracht tegen elkaar, om ze straks te draaien en te wenden,[139]of ze zoo aan te trekken, dat hij naar de laagte dreigt te storten; maar hij heeft ze reeds weêr even krachtig gebogen, en weinige minuten later hebben de hoogste luchtlagen hem wederom opgenomen.Nadert hij den grond, dan vallen de scherp tegen elkander afstekende kleuren van den fluweelzwarten kop, van hals, borst en buik, de zilverwitte onderzijde der vleugels en van den licht kastanjebruinen staart duidelijk in het oog; buitelt hij, dan ziet men de heldere, met die van den staart overeenkomende kleur van den rug, alsmede een lichte streep over de vleugels; nadert hij nog meer, dan blinken ons de koraalroode snavel en de eveneens gekleurde teugels en pooten tegen. Vraagt men een trekkenden herder, die gewoon is de dierlijke bevolking der steppe opmerkzaam gade te slaan, naar dezen zoo merkwaardigen, meestal eenzaam rondzwervenden roofvogel, dan hoort men uit zijn mond het volgende zinrijke, beteekenisvolle sprookje:„De genade des Albarmhartigen verleende aan dezen vogel de rijkste gaven, bovenal hooge wijsheid. Want hij is een heelmeester onder de vogelen des hemels, der ziekten kundig, door welke de schepselen van den Alformeerder gekweld worden, en een kenner van kruiden en wortels, die genezing brengen. Uit ver afgelegen landen ziet gij hem de wortels aandragen, maar tevergeefs poogt gij te doorgronden werwaarts hij geroepen werd om met die kruiden de zieken te genezen. De uitwerking zijner middelen is onfeilbaar; hun gebruik schenkt het leven, en wie ze versmaadt is eene prooi des doods. Zij zijn als de hebjab, door de hand van Gods gezant geschreven, een gebod Mohammeds, wiens naam geprezen zij. Het is den arme voor ’t aangezicht des Heeren, den zone Adams niet verboden zich van die geneeskrachtige kruiden te bedienen. Ziet toe waar de arts-adelaar zijn huis bouwt, neem u in acht zijn eieren aan te raken, wacht totdat uit de veêren zijner kinderen geen bloed meer vloeit; ga dan heen en bezoek de woning des adelaars en wond een zijner kinderen. Dan zult gij zien, dat de vader naar het oosten vliegt, daarhenen, waar gij uw aangezicht naar toe keert in het gebed. Wacht zonder morren en geduldig tot hij terugkeert. Hij zal verschijnen met een wortel in zijn handen; verschrik hem, opdat hij dien u late en maak er u zonder vrees meester van, want hij komt van den Heer, in wiens handen het leven is, en geen tooverij rust er op. Ga dan heen en genees uwe zieken; zij zullen allen genezen, indien het de wil is van den Albarmhartigen.”De vogel, die deze dichterlijke bloesems opwekte, is de goochelaar,[140]gelijk wij, de „hemelaap” gelijk de Abessyniërs hem noemen; het is een slangenarend; de wortels, die het sprookje hem laat aandragen, zijn de slangen, die hij vangt. Zeer zelden ziet men hem rusten; gewoonlijk vliegt hij op de geschilderde wijze rond tot eene door hem gespeurde slang hem drijft bruisend omlaag te schieten en den strijd met deze aan te vangen. Evenals alle slangendoodende roofvogels door de dikke hoornbekleeding zijner pooten en zijn dicht gevederte tegen de gifttanden genoegzaam beschut, deinst hij zelfs voor de gevaarlijkste soorten niet terug en wordt zoo tot een weldoener der steppe. Evenwel, niet zijn werkzaamheid in dit opzicht, maar alleen zijn meesterlijke vlucht, vestigde zijn roem onder alle volken zijner woonplaats.De scherpste tegenstelling met den goochelaar vormt de aan den grond geketende struisvogel. Ook deze is de held geworden van een Arabisch sprookje, ofschoon niet om hem te verheerlijken, integendeel, om hem tot in het stof te verlagen. Dat sprookje bericht van den struis, dat deze eens uit hoogmoed naar de zon wilde vliegen en toen jammerlijk verbrand werd, zoodat hij in zijn tegenwoordigen toestand naar beneden viel.Voor ons biedt het leven van dezen vogel veel wat de aandacht waard is, en te meer dewijl nog steeds zooveel onjuiste voorstellingen omtrent den struis worden gekoesterd.Ofschoon hij niet geheel ontbreekt in de begroeide laagvlakten van de Afrikaansche en West-Aziatische woestijnen, komt echter de struisvogel meer bepaald en in grooter getale voor in de aan voedsel rijke steppe. Bijna elken dag kruist men hier zijn duidelijke, karakteristieke voetstappen; den vogel zelven aanschouwt men evenwel zelden. Hij is hoog genoeg om over het graswoud heen te zien; scherp van gezicht en schuw, onttrekt hij zich dientengevolge aan het oog der menschen. Gelukt het, hem uit de verte gade te slaan, dan merkt men dat hij, althans buiten den broedtijd, van een gemakkelijk leven houdt. In den vroegen morgen en in de schemering weiden de struisvogels bij troepen; tegen den middag liggen allen rustig op den grond, om zich te wijden aan het werk der spijsvertering, of zij gaan drinken, of nemen een bad, soms zelfs in de zee; later op den dag amuseeren zij zich met vreemdsoortige dansen, springen als zinneloos in een kring rond en klapwieken daarbij met de vleugelveêren, alsof zij zich in ’t vliegen wilden oefenen; tegen zonsondergang begeven zij zich ter ruste, zonder evenwel ook nu nog hunne veiligheid uit het oog te verliezen. Worden[141]zij door een gevaarlijken vijand bedreigd, dan rennen ze in woeste vaart weg en laten dezen spoedig verre achter zich; sluipt een zwakker roofdier hen na, dan vellen zij dit met hun krachtige pooten ter aarde. Zoo vliedt hun leven bijna wolkenloos daarheen—althans, indien het hun niet aan voedsel ontbreekt. Voedsel toch hebben zij in groote hoeveelheid noodig. Men staat versteld over hunne vraatzucht en niet minder over de verduwingskracht der struisenmaag, die de veelsoortigste dingen in massa’s opneemt en, òf deze verteert, òf er in elk geval geen nadeel van ondervindt. Al wat eene plant oplevert, van den wortel tot de vrucht slokt deze spreekwoordelijk geworden maag in; al wat van kleinere dieren, zoowel gewervelden als ongewervelden bemachtigd kan worden, niet minder. Nog is hem dit niet genoeg. De struis verzwelgt al, wat verzwelgbaar is, steenen van een half kilo zwaarte, in gevangenschap stukken tichelsteen, werk, lompen, messen, sleutels en sleutelringen, spijkers, glasscherven en glassplinters, looden kogels, bellen en vele zaken meer; het is wel gebeurd, dat hij zich te goed deed aan ongebluschte kalk en daardoor zijn eigen moordenaar werd. Men vond eens in de maag van een in gevangenschap gestorven struisvogel de veelsoortigste voorwerpen tot een totaal gewicht van vier en een kwart kilogram. De vratige vogel eet in den hoenderhof jonge eenden en kippen op, net of het oesters waren, krabt de kalk van de muren om met die stukken zijn maag te vullen; in één woord, hij spaart en verschoont niets, wat maar verzwelgbaar en niet nagel- en muurvast is. In overeenstemming met de door hem verbruikte hoeveelheid voedsel, die overigens in geen wanverhouding staat tot zijn lichaamsgrootte en bewegelijkheid, is ook zijn dorst, en dientengevolge zijn verblijf gebonden, niet alleen aan plaatsen alwaar voedingsplanten voor hem aanwezig zijn, maar ook aan wateren of althans bronnen. Drogen deze uit, dan is de struisvogel genoodzaakt weg te trekken en in zoodanige gevallen kan hij soms groote afstanden afleggen.Is het voorjaar gekomen, dan ontwaakt de liefde in het hart van den struisvogel, en nu ondergaat zijn levenswijze groote veranderingen. De kudden lossen zich op in kleinere troepen en de volwassen mannetjes beginnen langdurige gevechten om het bezit der wijfjes. In hoogen graad opgewekt, wat uitwendig zichtbaar is aan den levendig rood gekleurden hals en aan de eveneens roode pooten, plaatsen twee mededingers zich tegenover elkaar, klepperen met de vleugels, zoodat de volle pracht der uitgerafelde, witte slagpennen zichtbaar wordt;[142]zij bewegen daarbij den hals op een moeilijk te beschrijven wijze, daar zij dit lichaamsdeel nu eens naar voren, dan naar de zijden wenden, draaien of buigen; zij stooten diepe en schorre tonen uit, die nu eens aan het dof gerommel van den donder, dan weder aan het gebrul van den leeuw doen denken, kijken elkaar strak aan, laten zich op den voetwortel neêr en bewegen in deze houding hals en vleugels nog schielijker en aanhoudender dan straks, springen weder op, rennen nogmaals op elkander los; eindelijk, terwijl zij elkaar voorbijsnellen, tracht ieder zijn mededinger door een forschen slag met den poot te kwetsen, om als de aanval gelukte, met den scherpkantigen nagel van den eenen teen diepe en lange wonden in lijf en pooten te slaan. De overwinnaar handelt met het in den strijd verkregen wijfje of met de wijfjes niet veel beter; hij mishandelt deze gewoonlijk op het erbarmelijkst, zoowel door zijn tyrannie als door lichamelijke tuchtiging. Of het mannetje één of meer wijfjes houdt is nog niet uitgemaakt; wel mag men voor waar aannemen, dat vele wijfjes vaak haar eieren in een en hetzelfde nest leggen, en men heeft ook opgemerkt, dat niet het wijfje, maar voornamelijk het mannetje de eieren bebroedt, alsmede de verzorging en opvoeding op zich neemt van de na 8 weken uitgekomen jongen. Zoowel in ’t een als ’t ander wordt het daarbij gewis door het wijfje geholpen, maar de hoofdarbeid valt den man ten deel, en bij de verzorging der jongen legt deze dan ook de meeste vlijt en angst aan den dag. De struisvogelkuikens, die bij het uitkomen reeds zoo groot zijn als een matige kip, verschijnen in een bijzonder gewaad op deze wereld, een gewaad, dat eer doet denken aan de stijve haren van een zoogdier dan aan het donskleed van de vogels. Daar zij reeds den eersten levensdag de vraatzucht, aan hun geslacht eigen, openbaren, groeien zij zeer snel, wisselen na 2 à 3 maanden van veêren, om nu een gewaad aan te trekken, dat het meest gelijkt op dat der wijfjes; maar er moeten nog ten minste drie jaren verloopen alvorens zij volwassen zijn en geschikt geworden ter voortplanting.Dit is, zeer beknopt weêrgegeven, het voornaamste uit de levensgeschiedenis van den reuzenvogel der steppe; alle daarmede in strijd zijnde verhalen noem ik fabelen.De nachtvogel eindelijk, over wien ik enkele woorden wensch in ’t midden te brengen, is de nachtzwaluw of geitenmelker, wiens geslacht ook bij ons te lande door ééne soort wordt vertegenwoordigd, maar die juist in de steppe in verschillende en deels zeer verschillend geteekende[143]soorten optreedt. Met het verschijnen der eerste ster aan den nachtelijken hemel beginnen deze gemoedelijkste en lieftalligste aller nachtvogels hun bedrijvig leven. Over dag is het zeer toevallig als men er een ontdekt, en dan zou men moeilijk gissen, dat deze vogel in zulk een hooge mate het vermogen bezit om werkelijk leven aan de steppe bij te zetten; wanneer evenwel de nacht aanbreekt, dan is zekerlijk althans één hunner in de nabijheid. Evenals de schorpioenen en adders door het legervuur gelokt, verschijnt ook de vlugge vlieger in de nabijheid der rustenden, beschrijft een aantal kringen om vuur en legerplaats, gaat bij tijd en wijle dicht daarbij zitten en draagt dan eenige strophen voor uit zijne nocturne, welk gezang aan het spinnen der kat doet denken, verdwijnt in het schemerdonker om ettelijke minuten later opnieuw zijn opwachting te maken, en zoo gaat het voort tot de morgen is aangebroken. Vooral ééne soort dezer familie is aantrekkelijk: de vlaggennachtzwaluw, de „viervleugelvogel” der steppenbewoners. Zijn tooisel bestaat in een paar tusschen de groote en kleine slagpennen uitstekende, bijna een halven meter lange, tot dicht bij de spits naakte, maar hier met eene vlag voorzieneveêren, die alle andere pennen in lengte ver overtreffen. Wanneer deze vogel zijne kringen in de lucht beschrijft, dan waant men eene spookgestalte te zien. Het heeft er veel van alsof hij door een tweeden, kleineren vogel achtervolgd wordt, of alsof hij zich in twee of drie vogels kon verdeelen, of eindelijk, alsof hij inderdaad vier vleugels bezat. Maar ook deze nachtzwaluw verloochent de lieftalligheid van zijn geslacht niet en wordt eene vriendelijke verschijning, evengoed als de andere leden zijner familie, die menige, anders vrij ongezellige steppennacht op vertrouwelijke wijze weten te verkorten.Rijk in soorten en vormen is ook de klasse der zoogdieren, die de steppen bewonen. Haar plantenrijkdom onderhoudt niet alleen talrijke kudden antilopen, die meer in ’t bijzonder als karakterdieren der steppe mogen beschouwd worden, maar tevens bevinden zich hier wilde buffels, wilde zwijnen, zebra’s, wilde ezels, olifanten, neushoorndieren, alsmede de serafe, door ons „giraffe” genoemd; verder een talrijk heer van knaagdieren, die wij nog maar in grove omtrekken kennen.Deze talrijke plantenetende bevolking wordt in evenwicht gehouden door verschillende in de steppe levende roofdieren; laatstgenoemden strekken der steppe zelf tot voordeel, want zonder dit tegenwicht zouden de herkauwers en knaagdieren zich zoo schrikbarend vermenigvuldigen,[144]dat de geheele plantenvoorraad van dit gebied niet toereikend zou blijken om allen te voeden. De eenvormigheid der Noord-Afrikaansche steppe, en haar, ofschoon niet overvloedige, toch betrekkelijk vrij groote rijkdom aan staande en stroomende wateren is oorzaak, dat men er niet zulke scholen antilopen ziet als in de karroe van Zuid-Afrika; in vergoeding hiervoor ontmoet men den slanken herkauwer met zijn fraaie oogen overal, òf alleen, òf in kleine troepjes, òf in grootere kudden; men ziet ze des winters nagenoeg op dezelfde plaatsen als in den zomer. Wilde paarden en wilde ezels daarentegen houden zich slechts op de kale hoogten op; de serafe bewoont uitsluitend de ijle, de neushoorn wederom bijna alleen de dichtste wouden; de olifant vermijdt enkele uitgestrekte gebieden gansch en al, terwijl de kwaadaardige buffels aan de moerassige laagvlakten schijnen gebonden te zijn. De leeuw is niet minder een metgezel der laatstgenoemde dieren als van de tamme leden dier familie, terwijl daarentegen de listige panter en de vlugge en onvermoeide jachttijger meer het spoor der kleinere antilopen volgen; jakhalzen en steppenwolven jagen voornamelijk op hazen, de vossen, civetten en stinkdieren het liefst op kleine knaagdieren en zulke vogels, die op den grond verblijf houden.SABELMARTER EN HAZELHOENDERS.SABELMARTER EN HAZELHOENDERS.Wanneer ik er toe overga uit den rijken voorraad der zoogdieren, die de steppe bewonen, enkele uit te kiezen, om deze eenigszins nader te bespreken, dan moet ik aan de verleidingweêrstandbieden, die mij zou kunnen verlokken den leeuw of den jachttijger, den hyena of den honigdas, den zebra of het wilde paard, den serafe of den buffel, den olifant of het neushoorndier daarvoor te nemen, omdat er andere dieren zijn, die mij, als meer karakteristiek voor het steppengebied, belangrijker voorkomen. Tot dezen reken ik in de eerste plaats het aard- en het schubdier—de plaatsvervangers in de oude wereld van de in Amerika talrijker vertegenwoordigde orde der Tandeloozen, zoogdieren, wier eigenlijke bloeitijd reeds vele eeuwen achter ons ligt. Beide dieren zijn, althans in Noord-Afrika, aan de steppe gebonden; want slechts daar vinden zij overvloed van termieten en hun gewone voedsel. Evenals alle miereneters brengen zij den dag als een bal ineengerold, slapende door en wel in holen, die zij zelf graven en wier uitmondingen men zoowel midden op de groote boomlooze grasvlakten als elders tusschen de spaarzaam daar voorkomende boomen en struiken aantreft. Eerst nadat de nacht zijn heerschappij begint uit te oefenen, worden deze dieren levendig; met loggen tred, hompelend en springend, hoofdzakelijk met[145]behulp van de krachtige achterste ledematen vooruit komende, terwijl zij steunen op de kolossale graafnagels der voorste ledematen en den zwaren staart, gaan zij nu op voedsel uit. Dit laatste bestaat uitsluitend uit allerlei klein gedierte, voornamelijk uit mierenpoppen, termietenlarven en wormen. Met den neus op den grond, dit lichaamsdeel voortdurend heen en weêr bewegende, steeds snuffelende, draven zij voort; een toevallig ontdekte mieren- of termietengang leidt hen naar het hoofdgebouw, waarin zij zonder moeite een gat voor den langen snuit graven, dien zij daarin steken, om met behulp hunner tong de hierin uitmondende kanalen der insekten op te sporen; zij steken de lange, kleverige, wormvormige tong zoo diep mogelijk in een der hoofdgangen, tot genoemd lichaamsdeel vol termieten of mieren hangt en brengen het daarmede beladen in den nauwen bek terug, om zich aan de gevangen insekten te vergasten. Deze manier van eten maakt een jammerlijken indruk, en toch is die tong hier een uitnemend werktuig, evenals ook de groote graafnagels zulks zijn; beide organen stellen hen in staat zich een weg door het leven te banen. Oogenschijnlijk zeer hulpbehoevend, zijn zij dit in werkelijkheid toch niet. Het zwakke schubdier wordt door zijn harnas voldoende beschermd; zelfs een sabelhouw stuit daarop af. Minder goed verdragen de pooten zulke beleedigingen. Het aardvarken bezit daarentegen een uitstekend weêrmiddel in zijn nagels en bovendien kan het met zijn staart zulke harde slagen uitdeelen, dat een niet al te overmachtig vijand voor hem het veld ruimt. Komt er evenwel eene tegenpartij op hem af, wiens kracht hij te duchten heeft, en bemerkt hij zulks in tijds, dan graaft hij zich ijlings een hol; hij werpt al gravende zand en stof in zulk een groote hoeveelheid en met zooveel kracht achter zich op, dat hij geheel onzichtbaar wordt en in de veilige diepte is aangeland, alvorens de gevaarlijke vijand tot den aanval gereed was. Slechts tegenover den mensch en diens alvermogende wapenen is hij niet opgewassen; terwijl hij slaapt, boort men hem een lange lans door ’t lijf en zoo wordt hij onfeilbaar in zijn eigen hol gedood, indien slechts het uitmondingskanaal recht en niet al te lang is. Ook dit voorwereldlijke: dier is bestemd vroeger of later uit de rij der levenden gedelgd te worden.Een troep honden achtervolgt een antilope.Onder de roofdieren der steppe heeft een daarin thuis behoorende hond steeds de grootste aandacht getrokken. Een verbindingslid vormende tusschen hyena en hond, in zooverre de gedaante en ook tot op zekere hoogte de teekening betreft, is dit dier, de hyenahond, ook uiterlijk[146]eene zeer belangrijke verschijning, en wat zijn doen en wezen betreft, het meest aantrekkelijke aller roofdieren, die de steppe herbergt. Afgezien van enkele apen, ken ik geen zoogdier, dat zooveel zelfvertrouwen bezit, of althans schijnt te bezitten, dat zoo overmoedig is of schijnt, zoo stoutmoedig als deze hond. Voor geen doel schrikt hij terug, voor zijn aanvallen is geen ander zoogdier ten volle veilig. In talrijke koppels vereenigd, trekt hij, op buit belust, door de steppe. Vernielend valt hij in de schaapskudden der kolonisten en trekherders; vast kleeft hij aan de verzenen der snelvoetigste antilopen; onbeschaamd dringt hij op de menschen in; onbevreesd verdrijft hij, wellicht grootendeels door zijn onstuimig gedrag, zelfs de roofdieren uit het gebied waar hij buit zoekt. Blaffend, jankend, kermend, achtervolgt een troep dezer honden de sterkste en krachtigste antilope, terwijl nu en dan dat geluid wordt afgewisseld door heldere, bijna vroolijke tonen. De antilope vlucht, zoo snel haar krachten dit toelaten; de op moord beluste honden vervolgen evenwel haar spoor, snijden alle bochten, alle zijwegen af, die de vervolgde tracht in te slaan, naderen haar steeds meer en meer en nopen haar eindelijk zich in tegenweer te stellen. Zich bewust van haar kracht en weêrvermogen maakt de antilope een[147]uitnemend gebruik van haar spits gewei; menige hond stort doodelijk getroffen ter aarde, maar wie overblijven hangen haar aan hals en lijf en doen een luid gehuil hooren, wanneer het dier rochelend den adem uitblaast. Zonder zich aan den mensch te storen overvallen deze honden alle mogelijke huisdieren, verscheuren de kleineren met de bloedgierigheid eens marters, en verminken de grooteren, die zij niet kunnen bemachtigen; op hen afgezonden huishonden wachten zij onbevreesd af, wagen er den strijd mede op leven en dood en werpen hen ten slotte ontzield ter aarde. Getemd, den mensch geheel onderworpen, eenige generaties na elkander afgericht en opgevoed, zouden zij de uitnemendste speurhonden kunnen worden, die er bestaan, maar heel gemakkelijk zullen zij zich wel niet onder het juk laten brengen. Zij gewennen zich aan hun verzorger, leggen zekere genegenheid, soms zelfs wel liefde voor hem aan den dag, maar op hunne eigenaardige wijze. Worden zij geroepen, dan staan zij van hun leger op, springen vroolijk op en neêr, vechten lustig tegen elkander, stormen op hun meester los, springen bij hem op, trachten hunne uitbundige vreugde door de meest uitgelaten hondengebaren uit te drukken en weten eindelijk zich niet anders te uiten dan door hun beminden meester te bijten. Onstuimigheid en een onbedwingbare bijtlust zijn de in ’t oog loopende karaktertrekken dezer honden. Prikkelbaar zonder voorbeeld, bewegen zij elk lid, trekken met elken spiervezel, zoodra een of ander voorval hun opmerkzaamheid trekt; de licht ontvlambare levendigheid van geest, die hun eigen is, neemt het karakter aan van overdreven dartelheid en ontaardt een oogenblik later in woestheid en roofzucht. Dan bijten zij in alles, wat hun in den weg komt, zonder oorzaak, maar enkel uit lust tot bijten, denkelijk ook zonder kwaadaardigheid. Deze honden zijn werkelijk de vreemdsoortigste schepselen, die de steppe herbergt.In die deelen der steppe, welke ik in ’t bijzonder op ’t oog heb, n.l. Kordofan, Sennaar en Taka, is het leven der genoemde en nog andere steppendieren, afgezien van den invloed der beide jaargetijden, bij lange na niet aan zulke stoornissen onderhevig als in het zuiden van Afrika of in de Middel-Aziatische steppen. Voor zulke soorten, die niet trekken, of die maandenlang in een toestand van schijndood verkeeren, breekt met den winter ook wel een tijd van ontbering aan, soms wel van groot gebrek, maar hongersnood of watersnood kennen zij niet. Dientengevolge ontstaat er ook geen behoefte, om door vertwijfeling[148]gedreven, het armoedige geboorteland te verlaten en heil te zoeken in eene overhaaste vlucht naar gelukkiger oorden. Ook de dieren der Noord-Afrikaansche steppe trekken en reizen; maar zij vluchten niet ongeregeld gelijk die soorten, welke andere steppen bewonen en die hun gebied bij honderdduizendtallen verlaten, wanneer er gevaar dreigt. Van zulke enorme kudden antilopen, zooals men in het zuiden van Afrika ziet, weet men hier niet te verhalen. Een en ander werd reeds door mij opgemerkt. Alle gezellig levende vogels scharen zich bij het naderen van den winter bijeen, en verdeelen zich weder in troepjes, wanneer de lente haar intocht viert; alle trekvogels gaan en komen ongeveer terzelfder tijd; zulks geschiedt evenwel regelmatig en altijd op dezelfde wijze, niet ongeregeld en zonder bepaald doel.Eéne mogendheid evenwel blijft er nog over, die ook hier het leven der dieren in gevaar brengt; het is de macht van het vuur.Telken jare, wanneer de donkere wolken in het zuiden en de hieruit schietende bliksemstralen de komst der lente aankondigen, en op die dagen, wanneer de zuidenwind over de steppe giert, werpt de trekherder in die streken waar hij huist, den brand in het grasbosch. Snel en ongestuit grijpen de vlammen om zich heen. Over geheele velden breiden zij zich uit; rook en walm vormen de voorhoede. Een donkerroode wolk verkondigt des nachts haar vernielende en toch zegenrijke werking. Niet zelden bereikt de brand het oerwoud; de vlammen lekken aan de verdorde slingerplanten van den bodem tot aan de toppen der boomen; zij verschroeien de enkele nog overgebleven bladeren en verkolen den buitenbast der stammen. Soms, ofschoon minder dikwijls, omslingeren de vlammen geheele dorpen en werpen haar brandende fakkels in de stroohutten, die inéénoogwenk der vernieling zijn prijs gegeven.Alhoewel een steppenbrand, in weerwil van de menigte en gemakkelijk ontvlambare brandstof, nimmer verderfelijk kan worden voor een man tepaardevenmin voor snelloopende zoogdieren, terwijl hij zelfs met goed gevolg bestreden kan worden en zulks door het vuur zelf, toch geraakt de geheele dierenwereld door zulk eene gebeurtenis in groote opgewondenheid. Al wat ademt in het graswoud verlaat zijn schuilplaats en slaat op de vlucht. Die vlucht wordt een wilde vlucht, daar de schrik tot nog meer spoed aanzet dan de vlammen zelf. Antilopen, wilde paarden, struisvogels vliegen sneller dan de stormwind over de vlakte; jachttijger en luipaard volgen, en mengen zich in de[149]kudden der eersten zonder er aan te denken eenig dier aan te vallen; de hyenahond vergeet zijn moordlust; de leeuw wordt door gelijken schrik bevangen als alle andere zoogdieren; slechts de holbewoners verbergen zich in hun veilig verblijf en laten de vuurzee boven hun hoofd woeden, zonder er eenig letsel van te ondervinden. Alle kruipende en aan den grond gekluisterde dieren daarentegen hebben het zwaar te verantwoorden. Weinige slangen, zelfs de vlugge hagedissen niet, kunnen aan het vuur ontkomen; schorpioenen, tarantula’s en duizendpooten worden er zeker door bereikt, of zij vallen ten buit aan vijanden, die door den brand herwaarts werden gelokt en de vlammen weten te trotseeren.Zoodra er in de steppe een rookwolk ten hemel stijgt, die zich meer en meer uitbreidt, snellen van alle kanten kruipende roofdieren en roofinsekten, vooral echter slangenarenden, zangsperwers, wouwen, torenvalken, ooievaars, bijeneters en zwaluwen aan, om jacht te maken op de hagedissen, slangen, schorpioenen, spinnen, kevers en sprinkhanen, die door het vuur werden opgeschrikt en voor hetzelve vluchten. Onbevreesd loopen de secretarisvogels en ooievaars dwars voor de vuurlijn; snelwiekige valken, bijeneters en zwaluwen zweven boven de vlammen en door de rookwolken; een rijke buit valt allen ten deel. De jacht duurt zoolang als de brand woedt en de brand vindt voedsel zoolang de storm hem verder draagt; eerst met het sterven van den wind dooven ook de vlammen uit.Zoo zuivert de trekherder zijn weiland van onkruid en ongedierte; op deze wijze maakt hij het gereed voor een nieuwen plantengroei. Een vruchtbare asch blijft op den bodem achter; de levenwekkende regen vermengt die asch met de teelaarde, en een nieuw, jeugdig en krachtig groen ontspruit na het eerste onweder. Dan keeren ook alle gevluchte dieren weder terug naar de oude woonplaats, om, na den last en de kwellingen van den nu geëindigden winter en den schrik der jongste dagen, weder volop te genieten van de weelde en de genoegens des levens.[150]

Het noorden van Afrika is eene woestijn, moet zulks zijn en zal het eeuwig blijven. Vergeleken met de uitgestrekte, door de gloeiende zon verzengde landmassa’s tusschen de Roode Zee en den Atlantischen Oceaan, verliezen de wateren, die de aarde omgorden, hunne beteekenis; de Roode Zee komt in ’t geheel niet in beschouwing, de Middellandsche Zee blijkt veel te klein en zelfs de invloed van den Atlantischen Oceaan blijft enkel tot een smallen zoom langs de kust beperkt. Boven zulke groote en heete vlakten moeten alle wolken zich oplossen zonder de dorstende aarde te bevochtigen en te bevruchten. Eerst veel verder naar het zuiden, ongeveer bij den evenaar, daar, waar aan de eene zijde de Atlantische Oceaan met een diepe bocht het land binnen dringt, aan de andere zijde de Indische Zee Afrika’s kusten bespoelt, waar, om mij zoo uit te drukken, beide Oceanen elkander over dit werelddeel heen de hand reiken, worden de verhoudingen eenigszins anders. Hier stroomen, op zekere tijden des jaars, vergezeld van storm, bliksem en donder, geregeld zulke ontzaglijke regenmassa’s neder, dat voor deze de woestijn moet wijken om voor de meer levende steppe plaats te maken. Daarom wordt het voorbijsnellend jaar hier in twee, wezenlijk van elkander verschillende jaargetijden verdeeld: in het levenwekkende en in het doodende, dat van regen en een ander van droogte, terwijl daarentegen in de woestijn eenig en alleen door de nu en dan heerschende winden kondschap wordt gebracht van de elders wisselende jaargetijden.

Om de steppe te verklaren dunkt mij eene vluchtige schildering harer jaargetijden noodzakelijk. Want ieder land is eene afspiegeling van het klimaat, dat daar heerscht, en elk gebied is niets anders dan het resultaat der strijdende machten zijner jaargetijden, en kan slechts begrepen worden, wanneer men deze en hun invloed heeft leeren kennen.

Met het ophouden van den regen vangt in Afrika’s binnenlanden de doodende tijd des jaars aan, de lange en vreeselijke winter, die door[122]zijn verzengende gloeihitte hetzelfde uitwerkt, wat de noordsche winter door zijn koû bewerkt. Nog vóór de hemel, die tot nog toe dikwijls bewolkt is geweest, volkomen helder is geworden, werpen sommige boomen, die in het voorjaar zich met groen hebben getooid, hun bladerenpracht af, en met het vallen der bladeren verlaten ook de trekvogels, die er in de lente broedden, het herfstachtig geworden land om in andere streken van het ouderlijk werelddeel een toevluchtsoord te zoeken. De halmen der broodvruchten worden geel, nog vóór de regen heeft opgehouden; de lage grassen verwelken en verdorren. De periodiek stroomende wateren drogen op; eveneens de door den regen gevulde bekkens, zoodat niet alleen de daarin levende reptielen en kikvorschachtigen, maar zelfs de visschen genoodzaakt worden zich in de natte leem te begraven om hier den winter te verblijven. Insecten en planten vertrouwen hun zaden aan de aarde toe.

Hoe meer de zon zich schijnbaar naar het noorden wendt, des te sneller komt de winter opdagen. De herfst duurt maar weinige dagen. Hij bewerkt niet, zooals bij ons, een verwelken en afsterven der bladeren, geen tintelen in geel en rood, maar oefent door gloeiende winden zulk een vernielenden invloed uit, dat zij verdrogen evenals gemaaid gras in de stralen der zon; deels nog groen vallen zij ter aarde, deels worden zij met steel en al afgerukt en weggewaaid, zoodat de boomen, op weinig uitzonderingen na, binnen een onbegrijpelijk korten tijd een winterachtig voorkomen hebben erlangd. Boven de vlakten, die nog voor weinige dagen met hoog, golvend gras begroeid waren, verheffen zich nu dwarrelende stofwolken; in de beddingen der geheel of gedeeltelijk blootgelegde stroomloopen en waterbekkens gapen diepe kloven. Al wat aangenaam was verdwijnt, al wat onaangenaam is treedt dreigend te voorschijn: bladeren en bloesems, vogels en kapellen verwelkten, vlogen weg of stierven; doornen daarentegen, stekels en klissen bleven terug, terwijl slangen, schorpioenen en tarantelspinnen haar hoogtijd vieren. Eene onuitstaanbare hitte des daags, eene onverdragelijke warmte des nachts zijn de plagen van dit seizoen, en noch tegen het een, noch tegen het andere bestaan middelen van tegenweer. Wie zulke dagen niet bij eigen ervaring kent, als wanneer de thermometer in de schaduw 50° C. stijgt, terwijl men voortdurend zweet, wat men echter niet eerder merkt, dan wanneer men op een koele plek is gekomen, omdat de hitte dadelijk al het zweet doet verdampen, wanneer de eene stofwolk na de andere omhoog stijgt en een droge nevel loodzwaar[123]drukt op al wat leeft, zoo iemand heeft geen denkbeeld van dit lijden; hij die zulke nachten, wanneer men zich slapeloos op zijn leger omkeert, daar de warmte steeds toeneemt, niet heeft doorleefd, is buiten staat zich in te denken in het naamloos leed, dat gelijkelijk menschen en dieren pijnigt. Zelfs de hemel verandert zijn kleur, die tot nog toe rein blauw is geweest in een vaal grijs, want de zoo even vermelde nevel omsluiert dikwijls halve dagen lang de zon, zonder deze nochtans van haar gloed te kunnen berooven; integendeel, juist wanneer de horizon door zulke nevels verduisterd wordt, schijnt de hitte nog toe te nemen. Zonder de geringste verkwikking voor geest of lichaam volgt de eene dag op den anderen. Geen koeltje uit het noorden streelt het voorhoofd, geen bloesemgeur, geen vogelengezang, geen in heldere kleuren en donkere schaduwen prijkend landschap, gelijk de in zonnegloed badende tropen somwijlen te voorschijn tooveren, werkt verfrisschend op de ziel; alles wat levendig, kleurig en dichterlijk is, vlood henen, zonk neêr in den doodslaap,—en deze is veel te akelig dan dat hij eenig dichterlijk gevoel kan opwekken.

Menschen en dieren kwijnen, evenals gras en bladeren verwelkt zijn; en menschen en dieren zinken neder om nooit weêr op te staan. Tevergeefs worstelen fierheid en moed tegen den last dier dagen; zuchtend en klagend bezwijkt zelfs de krachtigste wil. Elke inspanning mat af, elke beweging; het lichtste dek is te zwaar en de geringste wond verkeert in eene boosaardige zweer.

Maar ook deze winter moet voor de lente wijken. Maar ook deze brengt door haar winden schrik en verderf. Dezelfde wind, die in de woestijn tot samoem wordt, roert als heraut der lente zijn vleugels, woelt in de spleten van den grond, om zelfs daaruit nog stof te vegen, dat in dichte massa’s omhoog dwarrelt, bouwt er op muren gelijkende wolken van en zweept deze huilend en bruisend over het land, werpt ze door de getraliede vensters van de woningen in de steden en door de lage deuren van de hutten der inboorlingen om nieuwe kwellingen te voegen bij de bestaande.

Hij alleen heeft eindelijk de volle heerschappij ontvangen en oefent deze onbeperkt uit, als wilde hij alles vernietigen, wat nog stand hield; maar hij ook is het, die in het verre zuiden van regen zwangere wolken opeenstapelt, om deze naar de verbrande streken te voeren. Reeds schijnt het alsof bij het toenemen zijner kracht de drukkende zwoelheid wordt getemperd, alsof zijn adem bij tijd en wijle niet meer zoo gloeiend is, maar frisch en verkwikkend.[124]

Het is geen misleiding: de lente rust zich uit tot den intocht, en op de vleugelen van den zuidenwind rukken de wolken ruischend aan. Nog een korte tijd en zij verdonkeren in het zuiden het gewelf des hemels; nog weinige dagen en flitsende bliksemstralen verlichten allengs de donkere wolkenlaag; nog eenige weken en een verwijderde donder kondigt den leven aanbrengenden regen aan.

Bedrijvigheid begint te heerschen in en aan alle stroomen, die uit het zuiden komen. Zij zijn wel is waar nog helder als kristal, maar zij zijn levendiger geworden, want zij wassen van nu aan voortdurend en zenden door alle spleten en scheuren der slijkerige oevers het levenwekkend vocht naar het binnenland. Ook de trekvogels zijn bereids weder teruggekeerd, terwijl hunne aantallen nog dagelijks aangroeien. In de streken van den boven-Nijl verscheen de ooievaar, om wederom bezit te nemen van de oude nesten op de kegelvormige stroohutten der inboorlingen; met hem verscheen de heilige ibis, om ook heden nog zijn sedert duizenden jaren bekleed ambt waar te nemen: n.l. tot bode, heraut en waarborg te zijn, dat de oude Nijlgod wederom de bron zijner genade zal laten vloeien en den hoorn des overvloeds over de hem onderworpen landen uitstorten.

Eindelijk komt het eerste onweêr opzetten. Een benauwend warme lucht drukt op het doode, verbrande veld, zoo mogelijk nog erger dan te voren.

Huiveringwekkende stilte beangstigt mensch en dier. Elk gezang, bijna elk geluid der vogels is verstomd; zij zelf hebben zich in het dichtste gebladerte der altijd groene boomen verborgen.

Maar ook het leven in het leger der trekherders, in het dorp, in de stad, schijnt uitgestorven. Vreesachtig kruipen de anders zoo levenslustige honden naar een stil, verborgen hoekje; alle overige huisdieren hebben een angstig en schuw voorkomen; men maakt de paarden vast en drijft de runderen binnen de omheining.

In de stad sluit de koopman zijn kraam, de ambachtsman zijn werkplaats, de regeeringspersoon zijn diwan, want een ieder zoekt een schuilplaats in zijn woning. En toch laat zich nog geen windje hooren, en verneemt men zelfs niet het minste geritsel aan de weinige nog bladdragende boomen. Maar toch kan men bespeuren hoe het onweder zich vormt en nadert.

In het zuiden pakt zich eene donkere en als vlammende wolkenlaag samen, die doet denken aan de vuur- en rookwolken boven eene[125]brandende stad, of aan een ver afgelegen boschbrand. Vuurrood, purper, donkerrood en bruin, vaalgeel, grijs, donkerblauw en zwart schijnen in die wolkenlaag een kleurendans uit te voeren; die kleuren mengen zich dooreen, scheiden zich van elkaar af, verliezen zich in het donker en flikkeren plotseling weder met schrille tinten op. De bank rust op den horizon en klimt naar den hemel omhoog; zij schijnt nu eens stil te staan, maar ijlt straks met de snelheid van den storm verder, omsluit den gezichteinder hoe langs hoe meer en hult alles in een ondoordringbaren sluier. Een fluitend en suizend geluid schijnt uit haar voort te komen; waar de waarnemer staat is alles evenwel nog doodstil.

Daar breekt plotseling een windstoot los. De sterkste boomen buigen onder den geweldigen storm als zwakke rijsjes; de slanke palmen neigen haar kronen diep ter aarde. Een tweede stoot volgt op den eersten, een derde op den tweeden; de wind groeit aan tot een storm, de storm wordt orkaan en deze woedt met ongehoorde kracht. Het loeien des orkaans is zoo vreeselijk, dat het eigen woord de ooren des sprekers niet meer bereikt, en elk geluid wordt overstemd en gesmoord. Het ruischt en beruist, loeit en suist, fluit en huilt, dreunt en ratelt in de lucht, op den grond, in de kruinen der boomen, alsof alle elementen met elkaar in strijd zijn, de hemel zou willen invallen, de grondvesten der aarde wankelen.

Onweêrstaanbaar treft de geweldige storm de kronen der boomen, sleurt de helft der bladeren, die er nog aan hangen, mede, breekt stammen van eene mansdikte als glas, maakt zich zelfs van de kronen meester, om ze als een speelbal over de vlakten te rollen, te draaien en omhoog te doen dwarrelen, en ze eindelijk met de takken, als breedste basis, naar beneden, met de weemoedig omhoog starende brokstukken van den stam naar boven, diep in de aarde of het zand te begraven; de termieten zullen het werk der vernieling verder aan hen voltooien. Gulzig woelt de wind in alle spleten en barsten der aarde, veegt er het stof, zand en grind uit, voert deze omhoog naar de wolken of sleept ze met zulk een kracht voort, dat zij, tegen harde voorwerpen stootende, met een hoorbaar geratel en geknetter terugspringen; hemel en aarde worden er door aan ’t gezicht onttrokken, de dag wordt tot nacht en de sidderende mensch ontsteekt de lamp in zijne met stof gevulde woning, om bij ’t schijnsel van dat licht te herademen en tot rust te komen.

Maar het geloei van den wind wordt overstemd door andere geluiden.[126]Ratelende donderslagen laten zich dreunend hooren en smooren het gehuil en gebruis van den storm. Nog altijd zijn de stofwolken zoo dicht, dat men den bliksem niet kan zien; spoedig evenwel mengt zich een tot nog toe niet vernomen geratel onder de verwarde mengeling van tonen en geluiden, en daarmede begint de onnatuurlijke nacht te wijken voor een dagend licht. Het is alsof zware hagelbuien de aarde treffen, en toch zijn het slechts regendroppels, die neêrvallen, om onder het vallen zand en stof meê te voeren. Nu ook kan men het bliksemen zien. De eene straal volgt zoo onmiddellijk op de andere, dat men de oogen voor dit verblindend licht sluit en het onweder slechts kan volgen door den onafgebroken rollenden donder. De regen verandert in een wolkbreuk, het water ruischt van de bergen neder, de beken nemen het op en zenden het naar de laagten, alwaar de meren het verzwelgen; in stroomen golft het door de dalen. Uren lang houdt de regen aan, maar de storm heeft zijn kracht verloren en eene verkwikkende koelte laaft weder mensch en dier en plant. Ook de bliksemslagen verminderen in aantal, de donder verzwakt, de wolkbreuk wordt weder regen, de regen verandert in druppelen; de hemel wordt helder, de wolken scheuren en het stralend aangezicht der zon breekt door. Jubelend verlaat de bruine jeugd, naakt gelijk zij ter wereld kwam, huizen en hutten, om zich in het lentewater te baden; niet minder gelukkig ontworstelen zich de reptielen, kikvorschachtigen en visschen aan den slijkerigen bodem, en reeds in den eersten nacht na den regen klinken uit duizend kelen de heldere stemmen der kleine vorschen, van welke dieren men vroeger niets bespeurde, omdat zij, gelijk sommigekrokodillen, vele schildpadden en alle visschen der periodiek uitdrogende meren in de diepte der aarde een winterkwartier hadden opgezocht; de eerste voorjaarsregen doet hen tot een nieuw leven ontwaken.

Overal ontwikkelt zich datzelfde verjongde, krachtige leven. Gretig zwelgt de aarde het haar geboden vocht in; maar de hemel opent na weinige dagen nogmaals zijn sluizen om, wat nog bleef sluimeren, te wekken. Een tweede onweder doet de knoppen open springen van alle boomen met wisselend blad en het gras ontluiken; een derde regenbui roept bloesems en bloemen op en bekleedt het geheele landschap met malsch groen. Even tooverachtig als de lente kwam is haar werking. Wat bij ons te lande een maand tijd vereischt, wordt hier afgespeeld binnen ’t verloop eener week; wat in gematigde landen zich zoo langzaam ontwikkelt, ontplooit zich hier binnen weinige dagen en uren.[127]

Slechts een gering aantal weken duurt deze lente en de weinig van haar verschillende zomer heeft thans zijn intocht gehouden; en even snel wordt deze weder opgevolgd door den korten herfst, zoodat men eigenlijk slechts van een eenig jaargetijde kan spreken, dat èn lente, èn zomer èn herfst in zich bevat. En nogmaals staat de moordende winter voor de deur en belet een ongestoord ontkiemen, groeien en gedijen, zooals in andere aequatoriale landen, die eenen grooteren watervoorraad rijk zijn, mogelijk is. Toch is de hoeveelheid regen hier nog voldoende om dit land tot geen barre woestijn te maken, en overal daar, alwaar zij zich anders zou doen gelden, een meerder of minder weelderig plantentapijt over de aarde te spreiden, of,m.a.w.in plaats van eene woestijn eene steppe te scheppen.

Ik gebruik het woord steppe om daarmede aan te duiden die eigenaardige streken van Centraal-Afrika, welke de Arabier „Chala”d.w.z.„frissche, groene planten voortbrengende landen” noemt. DeChalais wel is waar niet hetzelfde als de steppe van Zuid-Rusland en Middel-Azië; evenmin komt zij geheel overeen met de prairiën van Noord-Amerika of de pampas en llanos van Zuid-Amerika, maar zij heeft toch zooveel punten van overeenkomst met de eerste, dat ik mij genoegzaam verontschuldig reken wanneer ik de voorkeur geef aan een bekend woord. De steppe strekt zich uit over geheel Centraal-Afrika, van de woestijn tot aan de Karroe1, van de oostkust tot de westkust; zij omgeeft alle hooggebergten des lands, en sluit alle oerwouden in, die zich zoowel op deze als in de komvormige, meer waterrijke laagvlakten bevinden; zij omvat alle landen in het hart van Afrika, begint weinige honderden schreden aan gene zijde van de huizen der dorpen, neemt de velden der ingezetenen in zich op, en voedt en onderhoudt de kudden der trekherders. Waar in het zuiden de woestijn eindigt, waar het woud ophoudt, waar een gebergte daalt, daar begint haar heerschappij; waar een brand het bosch vernielde, daar maakt zich de Chala van de uitgebrande plek meester; waar de mensch het dorp verlaat, daar dringt zij in diens jurisdictie binnen, om dit in weinig jaren tijds gansch en al onkenbaar te maken; waar de landman zijn akkers prijsgaf, daar drukt zij binnen het tijdsverloop van een jaar weder hare beeltenis af.

Onvriendelijk, eentonig, zonder afwisseling doet zich de steppe voor aan hem, die haar voor het eerst betreedt. Eene uitgestrekte, dikwijls[128]onafzienbre vlakte ligt voor ons; slechts bij uitzondering rijzen enkele kegelvormige bergen uit haar op; noch zeldzamer scharen deze zich aaneen tot ketens. Vaker ziet men lage heuvelklingen de vlak komvormige dalen afbreken; soms vereenigen die heuvelrijen zich tot netvormig door elkaar gevlochten ruggen, die diepe keteldalen insluiten of omgeven, waarin gedurende den regentijd poelen, vijvers en meren worden gevormd, terwijl de leemachtige grond in den winter veelvuldig gebarsten en gekloven is. In de diepste en langste dalen bevindt zich in plaats van zulk een stilstaand water een „chòr” of regenstroom,d.i.een waterbed, dat eveneens slechts in het voorjaar gedeeltelijk, onder bijzonder gunstige omstandigheden ook wel eens en dan binnen weinige uren tot aan den rand gevuld wordt, en nu niet meer stroomt, maar als een bewegelijke muur bruisend en donderend naar de laagte stort, zonder evenwel in eene eigenlijke rivier uit te monden. Zulke verzamelplaatsen van water uitgezonderd, dekt overal een betrekkelijke rijke vegetatie den grond. Grassen van allerlei soort, van lage, langs den grond kruipende plantjes tot meer dan manshooge korenachtige halmen vormen het hoofdbestanddeel dezer steppen-flora; boomen en struiken, vooral vele soorten van mimosa’s, adansonia’s, dompalmen, Christusdoorns en andere, vormen hier en elders, vooral aan de oevers der genoemde wateren, dichte heggen en boschjes; overigens zijn zij zoo spaarzaam over de uitgestrekte, met een dicht graskleed overtogen vlakten verspreid, dat zij slechts op weinige plaatsen tot een werkelijk en dan nog ijl bosch worden. Nergens groeien deze boomen zoo weelderig als in de ware stroomdalen, die de zegeningen van de lente in zich sluiten; zij zijn daarentegen dikwijls dwergachtig, althans laag; hun kronen zijn ijl, en niet dan hoogst zelden ziet men eene klimplant tot aan hun top opstijgen. Zij allen lijden te veel onder den invloed van den langen, gloeienden winter, die hun ternauwernood veroorlooft, hun eigen leven te behouden en die alle woekerplanten uit hun nabijheid weert. De grassen daarentegen schieten in de wel is waar korte, maar toch aan water rijke lente welig omhoog, bloeien er doorheen, en doen hun zaden rijpen, zoodat hier alle voorwaarden voor een gunstig gedijen rijkelijk vervuld zijn. Maar ook door de grassen voornamelijk erlangt de steppe haar eentonig uitzicht; want, hoe klein zij ook zijn, zij wisschen vele tegenstellingen uit en brengen, inzonderheid door hun gelijke kleur, een afmattende uitwerking teweeg. Zelfs de mensch is niet in staat eenige afwisseling in dit eeuwig eenerlei te brengen, daar ook zijn[129]akkers, die hij midden in het graswoud aanlegt, uit de verte beschouwd er evenals deze uitzien, zoodat men koren en gras niet van elkander kan onderscheiden; de ronde, met een koepelvormig dak voorziene hutten, die hij met dunne palen stut en met steppengras bekleedt, steken althans in het droge jaargetijde zoo weinig tegen de omgeving af, dat men ze eerst in de onmiddellijke nabijheid gewaar wordt. Het is alleen de wisseling der jaargetijden, die verandering brengt in dit eentonig tooneel, en ook deze verandering is nog van weinig beteekenis.

Onvriendelijk is ook de begroeting, waarmede de reiziger door de steppe wordt ontvangen. Op hooge kameelen gezeten, rijdt men door het landschap. Het een of ander wild wekt den jachtlust op en men wordt verleid tot het binnendringen van het graswoud. Daar wordt men plotseling gewaar, dat er tusschen de oogenschijnlijk zoo gladde grashalmen planten groeien, die nog meer te vreezen zijn dan de doornen der mimosa’s.

Op den grond woekert de „tarba,” wier zaadhulsels zoo scherp zijn, dat zij de zolen van niet al te dikke ruiterslaarzen doorsnijden, daar boven groeit de „essek,” wier klitten zich hechten aan alle mogelijke kleedingstukken, en dat zoo vast, dat men ze er niet meer uit kan krijgen; nog iets hooger verheft zich de „askaniet,” de verfoeilijkste plant van alle drie, omdat haar stekels bij de lichtste aanraking los laten, door alle kleedingstukken heen boren, in de huid dringen en daar etterbuilen doen ontstaan, die wel is waar elk op zich zelf klein zijn, maar wegens de ontelbare menigte tot een ware plaag worden.

De drie genoemde planten maken een lang oponthoud en een verder doordringen in het grasland onmogelijk; zij zijn eene kwelling voor mensch en dier, en wij kunnen nu begrijpen waarom de inboorlingen steeds een kleine nijptang als onmisbaar wapen bij zich dragen, en dat de grootste liefdedienst, welken men elkander kan bewijzen, evenals bij de apen, daarin bestaat, dat men elkander de fijne, ternauwernood zichtbare, maar naaldscherpe dorens uit de huid trekt. Dat ook meest alle andere planten der steppe, inzonderheid bijna alle boomen en struiken, met meer of minder lastige dorens bezet zijn, is begrijpelijk voor een ieder, die ooit in Afrika een bosch trachtte door te dringen, of ook maar een boom naderde.

Nog onaangenamer is de steppe des nachts. Daar men dagen lang door de steppe kan trekken zonder een dorp te ontmoeten, is men dikwijls verplicht onder den blooten hemel te overnachten.[130]

Men spoort dan eene plek op, die van genoemde lastige planten vrij is; het rijdier wordt van zijn last ontheven en vastgebonden; eene eenvoudige legerplaats wordt ingericht, n.l. men spreidt een tapijt op den grond en ontsteekt een groot vuur om de roofdieren verre te houden. De zon gaat onder, en weinige minuten later heeft de nacht haar donker kleed over de aarde geworpen; het vuur verlicht de legerplaats en hare omgeving. Plotseling wordt het van verre en nabij zeer levendig. Aangelokt door het stralend vuur loopt en kruipt alles daarnaar toe, een voor een, bij tweeën, bij tienen, bij honderden. Eerst laten zich reusachtige spinnen zien, die met haar acht uitgespreide pooten evenveel plaats innemen als een man met zijn hand kan beslaan; onmiddellijk daarop, soms op hetzelfde oogenblik als de spinnen, komen de schorpioenen aanloopen. Driftig rennen beide diersoorten op het vuur af, over tapijt en dek heen, tusschen de schotels van den eenvoudigen avondmaaltijd door, keeren, door het heete vuur genoodzaakt, weer terug, laten zich nogmaals door de vlam verleiden, en vermeerderen daardoor het akelig gewemel; want deze spinnen zijn wegens haar zoo niet gevaarlijken dan toch zeer pijnlijken beet weinig minder te vreezen dan de schorpioenen, en de laatsten zijn elk oogenblik gereed met hun giftangel verwondingen toe te brengen. Verstoord neemt men zijn toevlucht tot een tweede, niet minder nuttig werktuig, dat op raad van den kundigen gids werd meêgenomen, n.l. eene langpootige vuurtang, pakt daarmede zooveel dezer ongenoode gasten als men maar machtig kan worden, en werpt ze boosaardig in het knetterende vuur. Dank zij de vereenigde pogingen van alle reisgenooten, zeer spoedig heeft het meerendeel van het helsche gebroed zijn dood in de vlammen gevonden; de aankomelingen worden minder talrijk en ook deze worden even onbarmhartig als de vorigen in ’t vuur geworpen; men herleeft—maar te vroeg!

Nogmaals naderen nieuwe en nog guurder gasten het vuur: vergiftige slangen, die evenals de spinnen en schorpioenen door het vuur gelokt worden. De natuuronderzoeker herkent in hen, althans in de soort, die het talrijkst is, hoogst belangrijke dieren, die ten zeerste zijn aandacht trekken; want het is de zandkleurige hoornadder, de beroemde, liever misschien, de beruchte „Cerastes” der ouden, de op vele Egyptische monumenten afgebeelde „Fi,” dezelfde giftslang, door wier beet Cleopatra zich doodde; de vermoeide reiziger wenscht dit dier evenwel in den diepsten afgrond der hel.[131]

Het gansche leger staat op zoodra de naam dier slang door den een of anderen reiziger wordt uitgesproken; ieder grijpt, en nu veel spoediger en angstiger dan straks, zijne tang, sluipt, zoodra hij het ondier in ’t gezicht krijgt, voorzichtig er op af, pakt het van achter in den nek, knijpt de tang stevig dicht, zoodat de slang niet kan ontsnappen, werpt haar midden in ’t flikkerende vuur en bespiedt met boosaardige vreugde haar dood.

Er zijn plaatsen in de steppe, waar de slangen iemand in stille wanhoop brengen. Daar de kleur dezer wezens volkomen gelijk is aan die van het zand, en zij tevens de gewoonte hebben zich des daags, of wanneer zij slapen, geheel onder het zand te begraven, terwijl alleen de beide kleine, boven op den kop staande voelhoorns daaruit steken, zoo valt het moeilijk deze dieren op te sporen; de nacht is evenwel ternauwernood aangebroken, of de slangen komen weêr te voorschijn; zij trekken op het schijnsel des vuurs af en kronkelen en sissen om den armen reiziger heen. Soms dagen zij in massa’s op, om hem tot middernacht uit den slaap te houden; alle individuen, die zich in de nabijheid der legerplaats ophielden, of op hunne nachtelijke excursies deze nabij kwamen, schijnen op het vuur af te gaan. En wanneer men eindelijk, afgemat en slaapdronken de tang uit de hand en zichzelf ter ruste heeft gelegd, dan is men er nog niet van verzekerd, dat er in den nanacht nog niet enkelen over ons heen zullen kruipen; en dat zulks wel eens gebeurt blijkt o.a. daaruit, dat men des morgens bij het oprollen van het tapijt dikwijls een of meer dier gedrochten in de plooien vindt gewikkeld; ijlings nemen zij dan evenwel de vlucht en begraven zich in het zand. Hier, in deze steppe, heb ik de ervaring opgedaan, dat op weinig uitzonderingen na, de vergiftige slangen nachtdieren zijn; zulks is ten minste het geval met alle adders en groefadders.

De opgenoemde dieren zijn niet de eenige steppenbewoners, die den mensch overlast veroorzaken. Zoo is er b.v. een klein diertje, dat wel is waar volstrekt niet levensgevaarlijk is, maar dat toch onnoemelijk veel schade kan toebrengen aan de bezittingen der menschen, die de steppe bewonen of deze doortrekken; ik bedoel de termiet. Dit insect gelijkt zeer veel op eene mier; in weerwil van zijn geringe lichaamsgrootte richt het meer schade aan dan de sprinkhaan, ofschoon ook de verschijning van dit vraatzuchtig beest nog heden ten dage een ware plaag kan genoemd worden. Eene kudde olifanten is zelfs nog minder te duchten.[132]

De termieten zijn alomtegenwoordig; zij vernielen alles. Wat het plantenrijk oplevert verdwijnt onder haar scherpe kaken, wat de kunstvlijt der menschen opbouwt, wordt onmeêdoogenloos vernield. Hoog boven het gras der steppe verheft zich de kegelvormige, uit aarde gebouwde woning; overal in het rond, op den grond en op de boomen ziet men hun gangen, loopgraven en verbindingswegen. Het is in den nacht of als het duister is, dat zij hun verwoestenden arbeid aanvangen en voltooien.

Het eerste werk der termiet bestaat daarin, dat zij de voorwerpen omgeeft met een laag aarde, die elken lichtstraal afsluit en nu gaat zij aan den arbeid, welks einddoel door dit ééne woord „vernietiging” kan worden weêrgegeven. Op den grond liggende of tegen aardwallen hangende voorwerpen zijn het meest aan gevaar blootgesteld. Een onnadenkend reiziger, door de hitte gekweld, legt een of ander kleedingstuk naast zich op den grond, die hem tot rustplaats strekt; den volgenden morgen vindt hij dit terug als een met tallooze gaatjes doorboorde zeef,—onbruikbaar gemaakt, vernield; een nog niet met de omstandigheden vertrouwd natuuronderzoeker sluit zijne zoo moeilijk verkregen schatten in eene kist, maar verzuimt deze op steenen of andere voorwerpen te plaatsen, die den bodem der kist van den grond verwijderd houden; hij ziet zich binnen weinige dagen van zijn verzameling beroofd; een jager hangt zijn geweer aan een leemen muur; hij bemerkt tot zijn verdriet, dat de vernielzieke insecten in korten tijd in kolf en loop loopgraven hebben aangelegd; in den kolf zelf zijn ze reeds tot diepe groeven geworden. Elke boom, dien de termieten tot doelwit kozen, is onherroepelijk verloren; de daken der woningen zijn aan vernietiging prijsgegeven, zoodra de termieten zich daarin hebben genesteld. Van den grond tot de hoogste takken bouwen zij hare gangen; stam, twijgen, alles wordt doorboord, zoodat de eerste de beste storm den boom velt en het losse als een bijenraat er uitziende houtweefsel als kaf in den wind verstrooit; langs de leemen wanden of het paalwerk der hutten klimt de termiet omhoog, doorboort het houtwerk en alras valt het geheele gebouw ineen; onder den vastgestampten of geplaveiden vloer der meer aanzienlijke woningen graaft zij duizendvoudig vertakte gangen en kruipt nu en dan bij millioentallen hieruit te voorschijn om van stonden aan boven den grond het werk der vernieling aan te vangen. Op deze en nog veel andere wijzen wordt de termiet tot een der vreeselijkste plagen van Centraal-Afrika, inzonderheid van de steppe.[133]

Ware deze niet de schouwplaats ook nog van andere tooneelen, ware zij niet een der rijkste gebieden, een der dichtst bevolkte en meest bezochte woonplaatsen van Afrika’s dierenwereld, de natuurkundige zou haar even graag mijden als de handelsreiziger, welke laatste slechts hare afstootende, niet hare aantrekkelijke zijde leert kennen.

Wie langer in haar verwijlt en haar werkelijk doorzoekt, wordt met de steppe verzoend. Zij is rijk en vol leven, oneindig rijk, en niet arm gelijk de woestijn; men kan haar veeleer vergelijken bij een oerwoud, daar ook in haar eene veelsoortige en talrijke dierenwereld huist, ja zij bij voorkeurdiedieren herbergt, welke wij als meer in ’t bijzonder aan Afrika eigen plegen te beschouwen. Wij willen enkelen vluchtig de revue laten passeeren.

Tot de merkwaardigste steppendieren behooren ongetwijfeld de visschen, welke zich in de periodiek uitdrogende rivier- en meerbekkens ophouden. Reeds Aristoteles verhaalt van visschen, die zich, als het water is verdampt, in het slijk begraven; Seneca drijft hiermede evenwel den spot en vraagt of men nu voortaan maar niet met houweel en spade op de vischvangst zal gaan, in plaats van met het net. Aristoteles echter vermeldt feiten, die boven elke spotternij verheven zijn.

De in de steppenwateren van Centraal-Afrika levende salamandervisch is een aalvormig dier, ter lengte van ongeveer een meter, met een lange, in de staartvin overgaande rugvin, twee smalle ver naar voren ingeplante borstvinnen en twee lange, ver naar achteren staande buikvinnen; de belangrijkste bijzonderheid, die bij dezen visch valt op te merken, bestaat daarin, dat hij behalve de gewone kieuwen ook nog longzakken bezit, die voor de ademhaling zijn ingericht. Dit merkwaardige dubbelwezen tusschen amphibie en visch houdt zich ook bij hoogen waterstand meer op in het slijk dan in het vrije water en verbergt zich gaarne in holen, die hij waarschijnlijk zelf uitgraaft. Daalt de waterspiegel aanmerkelijk, dan woelt hij zich diep in het slijk, rolt zich zoo dicht mogelijk samen en vormt nu, door zich telkens om te draaien, eene van alle kanten gesloten en van binnen met slijm bekleede, luchtdichte woning, waarin hij den winter roerloos doorbrengt. Graaft men zulk een omhulsel voorzichtig uit, en pakt men dit zorgvuldig in, dan kan men den visch verzenden zonder zijn leven in gevaar te brengen, ook naar willekeur in het leven terugroepen door hem met zijn woning in lauw water te leggen. Eerst[134]houdt het dier zich eene poos rustig, evenals ware hij nog slaapdronken; maar reeds na verloop van een uur is het geheel wakker geworden en eenige dagen later geeft het blijken van eene ontembare roofzucht. Maanden lang bespeurt men nu geen verandering in het gedrag van dezen visch, maar is de tijd genaderd, dat hij in Afrika zijn winterslaap aanvangt, dan maakt hij zich hiertoe eveneens gereed in het water, waarin hij zich nu bevindt; hij wordt tenminste onrustig en scheidt opvallend veel slijm af. Geeft men hem daartoe gelegenheid, dan graaft hij zich werkelijk in, en zoo hij dit niet kan, dan herstelt hij zich allengs van zijn onrust en blijft verder vroolijk in het water leven.

Evenals de salamandervisch verduren ook de meervallen den winter der steppe, en evenals deze beide dieren graven alle daar levende amphibieën, ja zelfs sommige reptielen, vooral waterschildpadden en krokodillen, zich in het slijk in, om slapend het eind van den winter af te wachten, en zoo het ongunstige jaargetijde het hoofd te bieden. Alle op het land levende reptielen daarentegen zijn gedurende den gloeienden winter het dartelst en dragen er alzoo niet weinig toe bij om de dorre steppe te verlevendigen; zij bewonen deze toch in ontzagwekkende aantallen. Behalve de adders, waarover ik reeds sprak, treedt nog eene andere vergiftige slang in de steppe op, n.l. de Aspis-, spuw- of Ureusslang, een der meest gevaarlijke kruipende dieren.

Deze slang, die nog meer beroemd, liever berucht is dan de hoornadder, is dezelfde, van welke Mozes zich bediende om zijn goocheltoeren voor Farao te verrichten, dezelfde, die de hedendaagsche slangenbezweerders nog gebruiken; dezelfde, wier gouden beeld de oude Egyptische koningen, als zinnebeeld des alvermogens, als diadeem op het hoofd droegen; dezelfde, waarvan zij zich als straf en wraakmiddel bedienden voor misdadigers en vijanden; dezelfde, van welke de oude geschiedschrijvers ons gruwelijke, maar soms zeer ware geschiedenissen opdisschen. In tegenstelling met andere slangen is zij over dag zeer lustig, en als zij niet getergd wordt zeer onschuldig; bewegelijk, toornig en moedig, vereenigt de aspis alle eigenschappen in zich, die eene giftslang gevaarlijk maken. Haar kleur, die van zand en verwelkt gras, maakt haar onzichtbaar en zoo schuifelt zij dikwijls akelig schielijk door het graswoud; zich bewust van haar vreeselijk wapen, stelt zij zich in aanvallende houding, zoodra zij zich bedreigd waant.[135]Het voorste vijfde of zesde deel des lichaams richt zich op, de halsribben worden uitgebreid en zoo wordt er een schild gevormd, boven hetwelk de kleine kop met de levendige, bijna fonkelende oogen te voorschijn treedt; zij richt de laatste strak op haar vijand en maakt zich gereed tot den bliksemsnel uitgevoerden en bijna altijd doodelijken beet;—het is een schoon, maar ijzingwekkend schoon tafereel, dat mensch en dier met bewondering, maar tevens met ontzetting vervult.

Men beweert algemeen, dat zij ook dan nog gevaarlijk kan worden, wanneer zij niet bijt, maar enkel haar vergif op den aanvaller uitspuwt, en inderdaad haar sterk ontwikkelde giftklieren scheiden het helsche sap in zulk eene ontzettende hoeveelheid af, dat het in groote druppels aan het eind van het kanaal harer doorboorde gifthaken te voorschijn treedt. Geen wonder, dat inboorlingen en westerlingen haar veel meer schuwen en vreezen dan de trage hoornadder, die ons des nachts in ons leger opzoekt; verklaarbaar, dat de steppenbewoners onnadenkend op iedere, zelfs de onschuldigste slang het geweer afvuren, die hun onder de oogen komt; begrijpelijk, dat eindelijk elk geritsel in het gras of in het loof een plotselingen schrik, althans vermeerderde oplettendheid, opwekt. Zulk een geritsel hoort men echter elk oogenblik in de steppe, daar andere slangen, van de hiëroglyphen-slang af, een zes meter lange reuzenslang, tot kleine onschuldige ringslangetjes toe, er niet minder talrijk zijn dan de aspis, terwijl nog bovendien een talloos heer van hagedissen van allerlei soort overal te vinden is. Wie de slangen vreest, kan door de hagedissen met de klasse der reptielen verzoend worden; want aantrekkelijker verschijningen dan deze vlugge en schitterend gekleurde schepsels weet de steppe niet aan te wijzen. Over den grond snellen zij daarheen, tegen de takken van struiken en boomen klauteren zij omhoog, van de termietenheuvels zoowel als van de woningen kijken zij omlaag, en zelfs onder het zand banen zij zich een weg. Sommige soorten wedijveren in kleurenpracht en glans met de kolibries; anderen streelen het oog door de vlugheid en sierlijkheid hunner bewegingen; weer anderen boeien door haar zonderlinge gedaante. Zelfs nadat de zon, in wier stralen zij zich zoo gaarne koesteren, is ondergegaan en het meerendeel dezer bewegelijke diertjes de rust heeft gezocht, wordt de waarnemer nog door hen beziggehouden; want met het begin van den nacht komen de gekko’s opdagen, die des daags stil en rustig tegen de boomstammen en staken zaten gekleefd; zij laten luid en welklinkend hun geroep hooren, waaraan de naam is ontleend, om, zonder[136]daarbij de minste vrees voor de menschen aan den dag te leggen, van nu af zich aan de jacht te wijden. Het volksgeloof stelde de gekko’s oudtijds voor als zeer vergiftige dieren, en ook nu nog spookt dit vooroordeel in de hersens van vele onverstandige lieden. Het zijn nachtdieren en als zoodanig zijn zij anders gevormd dan die, welke over dag bedrijvig zijn; inzonderheid zijn zij gekenmerkt door de verbreede, kussenvormige, aan den onderkant met dicht aaneengeschaarde blaadjes voorziene voetzolen, die als zuignapjes werken en bij het klimmen de uitstekendste diensten bewijzen. Hierin meende men giftklieren te zien, hoe ongerijmd deze opvatting ook al dadelijk mocht schijnen. Neen, de gekko’s zijn zoowel aantrekkelijke als geheel ongevaarlijke wezentjes, die binnen korten tijd zich de liefde verwerven van iederen onbevangen waarnemer. Huisdieren in den besten zin des woords, dewijl zij vlijtig en met goed gevolg de vervolging op zich nemen van allerlei lastig ongedierte, verlevendigen zij in den nacht elken hoek der uit leem of stroo gebouwde woning; zij klouteren met nimmer falende zekerheid, geholpen door hunne bladvormige voetplaatjes, overal zich vasthechtende, zoowel met den kop naar beneden als met den kop naar boven, langs horizontale en loodrechte muren; zij schijnen er vermaak in te vinden elkander te plagen en na te zetten, en verlustigen den mensch nog bovendien door hunne melodieuze stem. Kortom, zij doen nut en schenken genot—welk verstandig mensch zou dus niet van hen houden?

Toch—ook de gekko’s zijn en blijven kruipende dieren, en deelen als zoodanig in den vloek en afkeer van den mensch, en voorzeker! met de licht zwevende vogels zijn zij niet te vergelijken. En daarom mag men zeggen, dat eigenlijk de laatstgenoemden alleen den mensch, die in de steppe toeft, vroolijk tegemoet snellen en hem met de zooeven beschouwde dieren verzoent.

De vogelenwereld der steppe is even rijk aan soorten als aan individuen. Waar men zich ook moge bevinden, vogels ontbreken nergens.

Uit het dichtste halmenbosch laat zich het luid geroep van enkele trapganzen hooren; uit het struikgewas aan de oevers der waterbekkens het trompetgeluid van parelhoen of frankolijn; uit de boomen klinkt het gekir en gelach der duiven, het hameren der spechten, de volle loktonen van den baardvogel, het eenvoudig gezang der wevervogels en van sommige lijstersoorten; op uitstekende boomtakken of dergelijke voor uitkijk geschikte voorwerpen, zitten, loerende op eene[137]prooi, slangen-buizerden, zingsperwers, Duitsche papegaaien, drongo’s en bijeneters; de secretarisvogel—door de inboorlingen noodlotsvogel genoemd—loopt in het halmenwoud of zweeft daarboven; in het luchtruim spelen de zwaluwen en andere vliegenjagers, nog hooger zweven arenden en gieren. Geen plaatsje is onbewoond, geen plekje onbezet, en wanneer in Europa de winter zijn intocht houdt, zendt hij nog een aantal onzer vogels, zooals torenvalken en wouwen, worgers en Duitsche papegaaien, kwartels en ooievaars en vele anderen naar de steppe, die hun gedurende het bange en arme jaargetijde een gastvrije schuilplaats verleent.

SEKRETARIS EN UREUS-SLANG.SEKRETARIS EN UREUS-SLANG.

SEKRETARIS EN UREUS-SLANG.

Karakteristiek voor de steppe zijn weinige daar levende vogels, en[138]haar stempel is op bijna geen enkele zoo scherp en beteekenisvol afgedrukt, dat men er een als steppenvogel in den waren zin zou mogen beschouwen, gelijk zulks bij alle woestijnvogels wel het geval is. Desniettemin merkt de aandachtige waarnemer op, dat toch ook de steppenvogels tot in zekere mate het gelaat hunner woonplaats weêrspiegelen. Den secretaris, een grooten roofvogel van het voorkomen eens kraanvogels, den slangensperwer, een in een rijk, mollig, grootvederig gewaad gehulden, langzaam en traag vliegenden havik, een stroogelen geitenmelker, alsmede een wiens vleugels in pronkveêren zijn veranderd, een parel- of frankolijnhoen, een trap, of eindelijk den struisvogel is het wel aan te zien, dat zij in de steppe thuis behooren, en daarin hun waar verblijf vinden. De steppe is, wel is waar, geenszins kleurenrijker dan de woestijn, maar geeft toch oneindig meer bedekking en kan dus ook vrijer teekenen. Nochtans bevindt men, dat ook hier voornamelijk twee kleuren domineeren, een lichter of donkerder stroogeel en een moeilijk te omschrijven staalgrijs, welke beide kleuren zoowel de veêren van de roofvogels als die der hoenders versieren, zonder dat daarom alle andere, donkere, of meer levendige en zelfs heldere kleuren buitengesloten zijn. De meerdere vrijheid in kleur en teekening valt m. i. opmerkelijk genoeg ook bij zulke vogels in ’t oog, wier geslacht of familieleden uitsluitend in de steppe thuis behooren.

Wil men, met het doel daardoor het gebied zelf te kenschetsen, enkele steppenvogels meer uitvoerig beschrijven, dan wordt de keuze moeilijk, omdat bijna iedere vogel eene meer bijzondere vermelding waard is. De mij toegestane ruimte legt mij beperking op, weshalve het voldoende zij, wanneer ik als voorbeelden neem een bewoner der hoogere luchtlagen, een grondbewoner en een nachtvogel; deze zullen den lezer in staat stellen het beeld, dat hij zich reeds van de steppe heeft gevormd, nog iets vollediger te maken.

Wie langen tijd in de steppe heeft verwijld, moet meermalen een grooten roofvogel hebben opgemerkt, die in zijn vlucht ten zeerste afwijkt van iederen anderen gewiekten roover, vooral door den prachtig golvenden buitenrand der lange en spitse vleugels, den ongemeen korten staart en de alles overtreffende snelheid. Hoog in de lucht vliegt, zweeft, zwemt, tuimelt, goochelt, danst en buitelt deze vogel, die de grootte bereikt van een adelaar; nu eens breidt hij zijne vleugels wijd uit, om ze minuten achtereen roerloos in dezelfde houding te laten, dan weder slaat hij ze met kracht tegen elkaar, om ze straks te draaien en te wenden,[139]of ze zoo aan te trekken, dat hij naar de laagte dreigt te storten; maar hij heeft ze reeds weêr even krachtig gebogen, en weinige minuten later hebben de hoogste luchtlagen hem wederom opgenomen.

Nadert hij den grond, dan vallen de scherp tegen elkander afstekende kleuren van den fluweelzwarten kop, van hals, borst en buik, de zilverwitte onderzijde der vleugels en van den licht kastanjebruinen staart duidelijk in het oog; buitelt hij, dan ziet men de heldere, met die van den staart overeenkomende kleur van den rug, alsmede een lichte streep over de vleugels; nadert hij nog meer, dan blinken ons de koraalroode snavel en de eveneens gekleurde teugels en pooten tegen. Vraagt men een trekkenden herder, die gewoon is de dierlijke bevolking der steppe opmerkzaam gade te slaan, naar dezen zoo merkwaardigen, meestal eenzaam rondzwervenden roofvogel, dan hoort men uit zijn mond het volgende zinrijke, beteekenisvolle sprookje:

„De genade des Albarmhartigen verleende aan dezen vogel de rijkste gaven, bovenal hooge wijsheid. Want hij is een heelmeester onder de vogelen des hemels, der ziekten kundig, door welke de schepselen van den Alformeerder gekweld worden, en een kenner van kruiden en wortels, die genezing brengen. Uit ver afgelegen landen ziet gij hem de wortels aandragen, maar tevergeefs poogt gij te doorgronden werwaarts hij geroepen werd om met die kruiden de zieken te genezen. De uitwerking zijner middelen is onfeilbaar; hun gebruik schenkt het leven, en wie ze versmaadt is eene prooi des doods. Zij zijn als de hebjab, door de hand van Gods gezant geschreven, een gebod Mohammeds, wiens naam geprezen zij. Het is den arme voor ’t aangezicht des Heeren, den zone Adams niet verboden zich van die geneeskrachtige kruiden te bedienen. Ziet toe waar de arts-adelaar zijn huis bouwt, neem u in acht zijn eieren aan te raken, wacht totdat uit de veêren zijner kinderen geen bloed meer vloeit; ga dan heen en bezoek de woning des adelaars en wond een zijner kinderen. Dan zult gij zien, dat de vader naar het oosten vliegt, daarhenen, waar gij uw aangezicht naar toe keert in het gebed. Wacht zonder morren en geduldig tot hij terugkeert. Hij zal verschijnen met een wortel in zijn handen; verschrik hem, opdat hij dien u late en maak er u zonder vrees meester van, want hij komt van den Heer, in wiens handen het leven is, en geen tooverij rust er op. Ga dan heen en genees uwe zieken; zij zullen allen genezen, indien het de wil is van den Albarmhartigen.”

De vogel, die deze dichterlijke bloesems opwekte, is de goochelaar,[140]gelijk wij, de „hemelaap” gelijk de Abessyniërs hem noemen; het is een slangenarend; de wortels, die het sprookje hem laat aandragen, zijn de slangen, die hij vangt. Zeer zelden ziet men hem rusten; gewoonlijk vliegt hij op de geschilderde wijze rond tot eene door hem gespeurde slang hem drijft bruisend omlaag te schieten en den strijd met deze aan te vangen. Evenals alle slangendoodende roofvogels door de dikke hoornbekleeding zijner pooten en zijn dicht gevederte tegen de gifttanden genoegzaam beschut, deinst hij zelfs voor de gevaarlijkste soorten niet terug en wordt zoo tot een weldoener der steppe. Evenwel, niet zijn werkzaamheid in dit opzicht, maar alleen zijn meesterlijke vlucht, vestigde zijn roem onder alle volken zijner woonplaats.

De scherpste tegenstelling met den goochelaar vormt de aan den grond geketende struisvogel. Ook deze is de held geworden van een Arabisch sprookje, ofschoon niet om hem te verheerlijken, integendeel, om hem tot in het stof te verlagen. Dat sprookje bericht van den struis, dat deze eens uit hoogmoed naar de zon wilde vliegen en toen jammerlijk verbrand werd, zoodat hij in zijn tegenwoordigen toestand naar beneden viel.

Voor ons biedt het leven van dezen vogel veel wat de aandacht waard is, en te meer dewijl nog steeds zooveel onjuiste voorstellingen omtrent den struis worden gekoesterd.

Ofschoon hij niet geheel ontbreekt in de begroeide laagvlakten van de Afrikaansche en West-Aziatische woestijnen, komt echter de struisvogel meer bepaald en in grooter getale voor in de aan voedsel rijke steppe. Bijna elken dag kruist men hier zijn duidelijke, karakteristieke voetstappen; den vogel zelven aanschouwt men evenwel zelden. Hij is hoog genoeg om over het graswoud heen te zien; scherp van gezicht en schuw, onttrekt hij zich dientengevolge aan het oog der menschen. Gelukt het, hem uit de verte gade te slaan, dan merkt men dat hij, althans buiten den broedtijd, van een gemakkelijk leven houdt. In den vroegen morgen en in de schemering weiden de struisvogels bij troepen; tegen den middag liggen allen rustig op den grond, om zich te wijden aan het werk der spijsvertering, of zij gaan drinken, of nemen een bad, soms zelfs in de zee; later op den dag amuseeren zij zich met vreemdsoortige dansen, springen als zinneloos in een kring rond en klapwieken daarbij met de vleugelveêren, alsof zij zich in ’t vliegen wilden oefenen; tegen zonsondergang begeven zij zich ter ruste, zonder evenwel ook nu nog hunne veiligheid uit het oog te verliezen. Worden[141]zij door een gevaarlijken vijand bedreigd, dan rennen ze in woeste vaart weg en laten dezen spoedig verre achter zich; sluipt een zwakker roofdier hen na, dan vellen zij dit met hun krachtige pooten ter aarde. Zoo vliedt hun leven bijna wolkenloos daarheen—althans, indien het hun niet aan voedsel ontbreekt. Voedsel toch hebben zij in groote hoeveelheid noodig. Men staat versteld over hunne vraatzucht en niet minder over de verduwingskracht der struisenmaag, die de veelsoortigste dingen in massa’s opneemt en, òf deze verteert, òf er in elk geval geen nadeel van ondervindt. Al wat eene plant oplevert, van den wortel tot de vrucht slokt deze spreekwoordelijk geworden maag in; al wat van kleinere dieren, zoowel gewervelden als ongewervelden bemachtigd kan worden, niet minder. Nog is hem dit niet genoeg. De struis verzwelgt al, wat verzwelgbaar is, steenen van een half kilo zwaarte, in gevangenschap stukken tichelsteen, werk, lompen, messen, sleutels en sleutelringen, spijkers, glasscherven en glassplinters, looden kogels, bellen en vele zaken meer; het is wel gebeurd, dat hij zich te goed deed aan ongebluschte kalk en daardoor zijn eigen moordenaar werd. Men vond eens in de maag van een in gevangenschap gestorven struisvogel de veelsoortigste voorwerpen tot een totaal gewicht van vier en een kwart kilogram. De vratige vogel eet in den hoenderhof jonge eenden en kippen op, net of het oesters waren, krabt de kalk van de muren om met die stukken zijn maag te vullen; in één woord, hij spaart en verschoont niets, wat maar verzwelgbaar en niet nagel- en muurvast is. In overeenstemming met de door hem verbruikte hoeveelheid voedsel, die overigens in geen wanverhouding staat tot zijn lichaamsgrootte en bewegelijkheid, is ook zijn dorst, en dientengevolge zijn verblijf gebonden, niet alleen aan plaatsen alwaar voedingsplanten voor hem aanwezig zijn, maar ook aan wateren of althans bronnen. Drogen deze uit, dan is de struisvogel genoodzaakt weg te trekken en in zoodanige gevallen kan hij soms groote afstanden afleggen.

Is het voorjaar gekomen, dan ontwaakt de liefde in het hart van den struisvogel, en nu ondergaat zijn levenswijze groote veranderingen. De kudden lossen zich op in kleinere troepen en de volwassen mannetjes beginnen langdurige gevechten om het bezit der wijfjes. In hoogen graad opgewekt, wat uitwendig zichtbaar is aan den levendig rood gekleurden hals en aan de eveneens roode pooten, plaatsen twee mededingers zich tegenover elkaar, klepperen met de vleugels, zoodat de volle pracht der uitgerafelde, witte slagpennen zichtbaar wordt;[142]zij bewegen daarbij den hals op een moeilijk te beschrijven wijze, daar zij dit lichaamsdeel nu eens naar voren, dan naar de zijden wenden, draaien of buigen; zij stooten diepe en schorre tonen uit, die nu eens aan het dof gerommel van den donder, dan weder aan het gebrul van den leeuw doen denken, kijken elkaar strak aan, laten zich op den voetwortel neêr en bewegen in deze houding hals en vleugels nog schielijker en aanhoudender dan straks, springen weder op, rennen nogmaals op elkander los; eindelijk, terwijl zij elkaar voorbijsnellen, tracht ieder zijn mededinger door een forschen slag met den poot te kwetsen, om als de aanval gelukte, met den scherpkantigen nagel van den eenen teen diepe en lange wonden in lijf en pooten te slaan. De overwinnaar handelt met het in den strijd verkregen wijfje of met de wijfjes niet veel beter; hij mishandelt deze gewoonlijk op het erbarmelijkst, zoowel door zijn tyrannie als door lichamelijke tuchtiging. Of het mannetje één of meer wijfjes houdt is nog niet uitgemaakt; wel mag men voor waar aannemen, dat vele wijfjes vaak haar eieren in een en hetzelfde nest leggen, en men heeft ook opgemerkt, dat niet het wijfje, maar voornamelijk het mannetje de eieren bebroedt, alsmede de verzorging en opvoeding op zich neemt van de na 8 weken uitgekomen jongen. Zoowel in ’t een als ’t ander wordt het daarbij gewis door het wijfje geholpen, maar de hoofdarbeid valt den man ten deel, en bij de verzorging der jongen legt deze dan ook de meeste vlijt en angst aan den dag. De struisvogelkuikens, die bij het uitkomen reeds zoo groot zijn als een matige kip, verschijnen in een bijzonder gewaad op deze wereld, een gewaad, dat eer doet denken aan de stijve haren van een zoogdier dan aan het donskleed van de vogels. Daar zij reeds den eersten levensdag de vraatzucht, aan hun geslacht eigen, openbaren, groeien zij zeer snel, wisselen na 2 à 3 maanden van veêren, om nu een gewaad aan te trekken, dat het meest gelijkt op dat der wijfjes; maar er moeten nog ten minste drie jaren verloopen alvorens zij volwassen zijn en geschikt geworden ter voortplanting.

Dit is, zeer beknopt weêrgegeven, het voornaamste uit de levensgeschiedenis van den reuzenvogel der steppe; alle daarmede in strijd zijnde verhalen noem ik fabelen.

De nachtvogel eindelijk, over wien ik enkele woorden wensch in ’t midden te brengen, is de nachtzwaluw of geitenmelker, wiens geslacht ook bij ons te lande door ééne soort wordt vertegenwoordigd, maar die juist in de steppe in verschillende en deels zeer verschillend geteekende[143]soorten optreedt. Met het verschijnen der eerste ster aan den nachtelijken hemel beginnen deze gemoedelijkste en lieftalligste aller nachtvogels hun bedrijvig leven. Over dag is het zeer toevallig als men er een ontdekt, en dan zou men moeilijk gissen, dat deze vogel in zulk een hooge mate het vermogen bezit om werkelijk leven aan de steppe bij te zetten; wanneer evenwel de nacht aanbreekt, dan is zekerlijk althans één hunner in de nabijheid. Evenals de schorpioenen en adders door het legervuur gelokt, verschijnt ook de vlugge vlieger in de nabijheid der rustenden, beschrijft een aantal kringen om vuur en legerplaats, gaat bij tijd en wijle dicht daarbij zitten en draagt dan eenige strophen voor uit zijne nocturne, welk gezang aan het spinnen der kat doet denken, verdwijnt in het schemerdonker om ettelijke minuten later opnieuw zijn opwachting te maken, en zoo gaat het voort tot de morgen is aangebroken. Vooral ééne soort dezer familie is aantrekkelijk: de vlaggennachtzwaluw, de „viervleugelvogel” der steppenbewoners. Zijn tooisel bestaat in een paar tusschen de groote en kleine slagpennen uitstekende, bijna een halven meter lange, tot dicht bij de spits naakte, maar hier met eene vlag voorzieneveêren, die alle andere pennen in lengte ver overtreffen. Wanneer deze vogel zijne kringen in de lucht beschrijft, dan waant men eene spookgestalte te zien. Het heeft er veel van alsof hij door een tweeden, kleineren vogel achtervolgd wordt, of alsof hij zich in twee of drie vogels kon verdeelen, of eindelijk, alsof hij inderdaad vier vleugels bezat. Maar ook deze nachtzwaluw verloochent de lieftalligheid van zijn geslacht niet en wordt eene vriendelijke verschijning, evengoed als de andere leden zijner familie, die menige, anders vrij ongezellige steppennacht op vertrouwelijke wijze weten te verkorten.

Rijk in soorten en vormen is ook de klasse der zoogdieren, die de steppen bewonen. Haar plantenrijkdom onderhoudt niet alleen talrijke kudden antilopen, die meer in ’t bijzonder als karakterdieren der steppe mogen beschouwd worden, maar tevens bevinden zich hier wilde buffels, wilde zwijnen, zebra’s, wilde ezels, olifanten, neushoorndieren, alsmede de serafe, door ons „giraffe” genoemd; verder een talrijk heer van knaagdieren, die wij nog maar in grove omtrekken kennen.

Deze talrijke plantenetende bevolking wordt in evenwicht gehouden door verschillende in de steppe levende roofdieren; laatstgenoemden strekken der steppe zelf tot voordeel, want zonder dit tegenwicht zouden de herkauwers en knaagdieren zich zoo schrikbarend vermenigvuldigen,[144]dat de geheele plantenvoorraad van dit gebied niet toereikend zou blijken om allen te voeden. De eenvormigheid der Noord-Afrikaansche steppe, en haar, ofschoon niet overvloedige, toch betrekkelijk vrij groote rijkdom aan staande en stroomende wateren is oorzaak, dat men er niet zulke scholen antilopen ziet als in de karroe van Zuid-Afrika; in vergoeding hiervoor ontmoet men den slanken herkauwer met zijn fraaie oogen overal, òf alleen, òf in kleine troepjes, òf in grootere kudden; men ziet ze des winters nagenoeg op dezelfde plaatsen als in den zomer. Wilde paarden en wilde ezels daarentegen houden zich slechts op de kale hoogten op; de serafe bewoont uitsluitend de ijle, de neushoorn wederom bijna alleen de dichtste wouden; de olifant vermijdt enkele uitgestrekte gebieden gansch en al, terwijl de kwaadaardige buffels aan de moerassige laagvlakten schijnen gebonden te zijn. De leeuw is niet minder een metgezel der laatstgenoemde dieren als van de tamme leden dier familie, terwijl daarentegen de listige panter en de vlugge en onvermoeide jachttijger meer het spoor der kleinere antilopen volgen; jakhalzen en steppenwolven jagen voornamelijk op hazen, de vossen, civetten en stinkdieren het liefst op kleine knaagdieren en zulke vogels, die op den grond verblijf houden.

SABELMARTER EN HAZELHOENDERS.SABELMARTER EN HAZELHOENDERS.

SABELMARTER EN HAZELHOENDERS.

Wanneer ik er toe overga uit den rijken voorraad der zoogdieren, die de steppe bewonen, enkele uit te kiezen, om deze eenigszins nader te bespreken, dan moet ik aan de verleidingweêrstandbieden, die mij zou kunnen verlokken den leeuw of den jachttijger, den hyena of den honigdas, den zebra of het wilde paard, den serafe of den buffel, den olifant of het neushoorndier daarvoor te nemen, omdat er andere dieren zijn, die mij, als meer karakteristiek voor het steppengebied, belangrijker voorkomen. Tot dezen reken ik in de eerste plaats het aard- en het schubdier—de plaatsvervangers in de oude wereld van de in Amerika talrijker vertegenwoordigde orde der Tandeloozen, zoogdieren, wier eigenlijke bloeitijd reeds vele eeuwen achter ons ligt. Beide dieren zijn, althans in Noord-Afrika, aan de steppe gebonden; want slechts daar vinden zij overvloed van termieten en hun gewone voedsel. Evenals alle miereneters brengen zij den dag als een bal ineengerold, slapende door en wel in holen, die zij zelf graven en wier uitmondingen men zoowel midden op de groote boomlooze grasvlakten als elders tusschen de spaarzaam daar voorkomende boomen en struiken aantreft. Eerst nadat de nacht zijn heerschappij begint uit te oefenen, worden deze dieren levendig; met loggen tred, hompelend en springend, hoofdzakelijk met[145]behulp van de krachtige achterste ledematen vooruit komende, terwijl zij steunen op de kolossale graafnagels der voorste ledematen en den zwaren staart, gaan zij nu op voedsel uit. Dit laatste bestaat uitsluitend uit allerlei klein gedierte, voornamelijk uit mierenpoppen, termietenlarven en wormen. Met den neus op den grond, dit lichaamsdeel voortdurend heen en weêr bewegende, steeds snuffelende, draven zij voort; een toevallig ontdekte mieren- of termietengang leidt hen naar het hoofdgebouw, waarin zij zonder moeite een gat voor den langen snuit graven, dien zij daarin steken, om met behulp hunner tong de hierin uitmondende kanalen der insekten op te sporen; zij steken de lange, kleverige, wormvormige tong zoo diep mogelijk in een der hoofdgangen, tot genoemd lichaamsdeel vol termieten of mieren hangt en brengen het daarmede beladen in den nauwen bek terug, om zich aan de gevangen insekten te vergasten. Deze manier van eten maakt een jammerlijken indruk, en toch is die tong hier een uitnemend werktuig, evenals ook de groote graafnagels zulks zijn; beide organen stellen hen in staat zich een weg door het leven te banen. Oogenschijnlijk zeer hulpbehoevend, zijn zij dit in werkelijkheid toch niet. Het zwakke schubdier wordt door zijn harnas voldoende beschermd; zelfs een sabelhouw stuit daarop af. Minder goed verdragen de pooten zulke beleedigingen. Het aardvarken bezit daarentegen een uitstekend weêrmiddel in zijn nagels en bovendien kan het met zijn staart zulke harde slagen uitdeelen, dat een niet al te overmachtig vijand voor hem het veld ruimt. Komt er evenwel eene tegenpartij op hem af, wiens kracht hij te duchten heeft, en bemerkt hij zulks in tijds, dan graaft hij zich ijlings een hol; hij werpt al gravende zand en stof in zulk een groote hoeveelheid en met zooveel kracht achter zich op, dat hij geheel onzichtbaar wordt en in de veilige diepte is aangeland, alvorens de gevaarlijke vijand tot den aanval gereed was. Slechts tegenover den mensch en diens alvermogende wapenen is hij niet opgewassen; terwijl hij slaapt, boort men hem een lange lans door ’t lijf en zoo wordt hij onfeilbaar in zijn eigen hol gedood, indien slechts het uitmondingskanaal recht en niet al te lang is. Ook dit voorwereldlijke: dier is bestemd vroeger of later uit de rij der levenden gedelgd te worden.

Een troep honden achtervolgt een antilope.

Onder de roofdieren der steppe heeft een daarin thuis behoorende hond steeds de grootste aandacht getrokken. Een verbindingslid vormende tusschen hyena en hond, in zooverre de gedaante en ook tot op zekere hoogte de teekening betreft, is dit dier, de hyenahond, ook uiterlijk[146]eene zeer belangrijke verschijning, en wat zijn doen en wezen betreft, het meest aantrekkelijke aller roofdieren, die de steppe herbergt. Afgezien van enkele apen, ken ik geen zoogdier, dat zooveel zelfvertrouwen bezit, of althans schijnt te bezitten, dat zoo overmoedig is of schijnt, zoo stoutmoedig als deze hond. Voor geen doel schrikt hij terug, voor zijn aanvallen is geen ander zoogdier ten volle veilig. In talrijke koppels vereenigd, trekt hij, op buit belust, door de steppe. Vernielend valt hij in de schaapskudden der kolonisten en trekherders; vast kleeft hij aan de verzenen der snelvoetigste antilopen; onbeschaamd dringt hij op de menschen in; onbevreesd verdrijft hij, wellicht grootendeels door zijn onstuimig gedrag, zelfs de roofdieren uit het gebied waar hij buit zoekt. Blaffend, jankend, kermend, achtervolgt een troep dezer honden de sterkste en krachtigste antilope, terwijl nu en dan dat geluid wordt afgewisseld door heldere, bijna vroolijke tonen. De antilope vlucht, zoo snel haar krachten dit toelaten; de op moord beluste honden vervolgen evenwel haar spoor, snijden alle bochten, alle zijwegen af, die de vervolgde tracht in te slaan, naderen haar steeds meer en meer en nopen haar eindelijk zich in tegenweer te stellen. Zich bewust van haar kracht en weêrvermogen maakt de antilope een[147]uitnemend gebruik van haar spits gewei; menige hond stort doodelijk getroffen ter aarde, maar wie overblijven hangen haar aan hals en lijf en doen een luid gehuil hooren, wanneer het dier rochelend den adem uitblaast. Zonder zich aan den mensch te storen overvallen deze honden alle mogelijke huisdieren, verscheuren de kleineren met de bloedgierigheid eens marters, en verminken de grooteren, die zij niet kunnen bemachtigen; op hen afgezonden huishonden wachten zij onbevreesd af, wagen er den strijd mede op leven en dood en werpen hen ten slotte ontzield ter aarde. Getemd, den mensch geheel onderworpen, eenige generaties na elkander afgericht en opgevoed, zouden zij de uitnemendste speurhonden kunnen worden, die er bestaan, maar heel gemakkelijk zullen zij zich wel niet onder het juk laten brengen. Zij gewennen zich aan hun verzorger, leggen zekere genegenheid, soms zelfs wel liefde voor hem aan den dag, maar op hunne eigenaardige wijze. Worden zij geroepen, dan staan zij van hun leger op, springen vroolijk op en neêr, vechten lustig tegen elkander, stormen op hun meester los, springen bij hem op, trachten hunne uitbundige vreugde door de meest uitgelaten hondengebaren uit te drukken en weten eindelijk zich niet anders te uiten dan door hun beminden meester te bijten. Onstuimigheid en een onbedwingbare bijtlust zijn de in ’t oog loopende karaktertrekken dezer honden. Prikkelbaar zonder voorbeeld, bewegen zij elk lid, trekken met elken spiervezel, zoodra een of ander voorval hun opmerkzaamheid trekt; de licht ontvlambare levendigheid van geest, die hun eigen is, neemt het karakter aan van overdreven dartelheid en ontaardt een oogenblik later in woestheid en roofzucht. Dan bijten zij in alles, wat hun in den weg komt, zonder oorzaak, maar enkel uit lust tot bijten, denkelijk ook zonder kwaadaardigheid. Deze honden zijn werkelijk de vreemdsoortigste schepselen, die de steppe herbergt.

In die deelen der steppe, welke ik in ’t bijzonder op ’t oog heb, n.l. Kordofan, Sennaar en Taka, is het leven der genoemde en nog andere steppendieren, afgezien van den invloed der beide jaargetijden, bij lange na niet aan zulke stoornissen onderhevig als in het zuiden van Afrika of in de Middel-Aziatische steppen. Voor zulke soorten, die niet trekken, of die maandenlang in een toestand van schijndood verkeeren, breekt met den winter ook wel een tijd van ontbering aan, soms wel van groot gebrek, maar hongersnood of watersnood kennen zij niet. Dientengevolge ontstaat er ook geen behoefte, om door vertwijfeling[148]gedreven, het armoedige geboorteland te verlaten en heil te zoeken in eene overhaaste vlucht naar gelukkiger oorden. Ook de dieren der Noord-Afrikaansche steppe trekken en reizen; maar zij vluchten niet ongeregeld gelijk die soorten, welke andere steppen bewonen en die hun gebied bij honderdduizendtallen verlaten, wanneer er gevaar dreigt. Van zulke enorme kudden antilopen, zooals men in het zuiden van Afrika ziet, weet men hier niet te verhalen. Een en ander werd reeds door mij opgemerkt. Alle gezellig levende vogels scharen zich bij het naderen van den winter bijeen, en verdeelen zich weder in troepjes, wanneer de lente haar intocht viert; alle trekvogels gaan en komen ongeveer terzelfder tijd; zulks geschiedt evenwel regelmatig en altijd op dezelfde wijze, niet ongeregeld en zonder bepaald doel.

Eéne mogendheid evenwel blijft er nog over, die ook hier het leven der dieren in gevaar brengt; het is de macht van het vuur.

Telken jare, wanneer de donkere wolken in het zuiden en de hieruit schietende bliksemstralen de komst der lente aankondigen, en op die dagen, wanneer de zuidenwind over de steppe giert, werpt de trekherder in die streken waar hij huist, den brand in het grasbosch. Snel en ongestuit grijpen de vlammen om zich heen. Over geheele velden breiden zij zich uit; rook en walm vormen de voorhoede. Een donkerroode wolk verkondigt des nachts haar vernielende en toch zegenrijke werking. Niet zelden bereikt de brand het oerwoud; de vlammen lekken aan de verdorde slingerplanten van den bodem tot aan de toppen der boomen; zij verschroeien de enkele nog overgebleven bladeren en verkolen den buitenbast der stammen. Soms, ofschoon minder dikwijls, omslingeren de vlammen geheele dorpen en werpen haar brandende fakkels in de stroohutten, die inéénoogwenk der vernieling zijn prijs gegeven.

Alhoewel een steppenbrand, in weerwil van de menigte en gemakkelijk ontvlambare brandstof, nimmer verderfelijk kan worden voor een man tepaardevenmin voor snelloopende zoogdieren, terwijl hij zelfs met goed gevolg bestreden kan worden en zulks door het vuur zelf, toch geraakt de geheele dierenwereld door zulk eene gebeurtenis in groote opgewondenheid. Al wat ademt in het graswoud verlaat zijn schuilplaats en slaat op de vlucht. Die vlucht wordt een wilde vlucht, daar de schrik tot nog meer spoed aanzet dan de vlammen zelf. Antilopen, wilde paarden, struisvogels vliegen sneller dan de stormwind over de vlakte; jachttijger en luipaard volgen, en mengen zich in de[149]kudden der eersten zonder er aan te denken eenig dier aan te vallen; de hyenahond vergeet zijn moordlust; de leeuw wordt door gelijken schrik bevangen als alle andere zoogdieren; slechts de holbewoners verbergen zich in hun veilig verblijf en laten de vuurzee boven hun hoofd woeden, zonder er eenig letsel van te ondervinden. Alle kruipende en aan den grond gekluisterde dieren daarentegen hebben het zwaar te verantwoorden. Weinige slangen, zelfs de vlugge hagedissen niet, kunnen aan het vuur ontkomen; schorpioenen, tarantula’s en duizendpooten worden er zeker door bereikt, of zij vallen ten buit aan vijanden, die door den brand herwaarts werden gelokt en de vlammen weten te trotseeren.

Zoodra er in de steppe een rookwolk ten hemel stijgt, die zich meer en meer uitbreidt, snellen van alle kanten kruipende roofdieren en roofinsekten, vooral echter slangenarenden, zangsperwers, wouwen, torenvalken, ooievaars, bijeneters en zwaluwen aan, om jacht te maken op de hagedissen, slangen, schorpioenen, spinnen, kevers en sprinkhanen, die door het vuur werden opgeschrikt en voor hetzelve vluchten. Onbevreesd loopen de secretarisvogels en ooievaars dwars voor de vuurlijn; snelwiekige valken, bijeneters en zwaluwen zweven boven de vlammen en door de rookwolken; een rijke buit valt allen ten deel. De jacht duurt zoolang als de brand woedt en de brand vindt voedsel zoolang de storm hem verder draagt; eerst met het sterven van den wind dooven ook de vlammen uit.

Zoo zuivert de trekherder zijn weiland van onkruid en ongedierte; op deze wijze maakt hij het gereed voor een nieuwen plantengroei. Een vruchtbare asch blijft op den bodem achter; de levenwekkende regen vermengt die asch met de teelaarde, en een nieuw, jeugdig en krachtig groen ontspruit na het eerste onweder. Dan keeren ook alle gevluchte dieren weder terug naar de oude woonplaats, om, na den last en de kwellingen van den nu geëindigden winter en den schrik der jongste dagen, weder volop te genieten van de weelde en de genoegens des levens.[150]

1Karroe, inlandsche naam voor deze steppe.↑

1Karroe, inlandsche naam voor deze steppe.↑

1Karroe, inlandsche naam voor deze steppe.↑

1Karroe, inlandsche naam voor deze steppe.↑


Back to IndexNext