IX.

[Inhoud]IX.DE APEN.ScheikKemal el Din Demirieen geleerd Arabier, die omstreeks het jaar 1405 te Damaskus stierf, verhaalt, hierbij steunende op eene uitspraak van den profeet, in een door hem vervaardigd boek, „Heiat el Heiwan” of „Leven der dieren” de volgende wonderlijke geschiedenis:„Langen tijd voordat Mohammed, de profeet en afgezant des albarmhartigen Gods, het licht des geloofs had ontstoken, zelfs vroeger nog dan Issa of Jezus van Nazareth heeft geleefd en geleerd, bewoonde eene talrijke joodsche bevolking de stad Aila aan de Roode Zee. Zij bestond echter uit zondaren en onrechtvaardigen voor het aangezicht des Heeren; want zij ontheiligden voortdurend den dag des Heeren, den heiligen sabbath. Tevergeefs waarschuwden vrome en wijze mannen de zondige bewoners der goddelooze stad; deze bleven spotten met de geboden des Allerhoogsten. Toen verlieten de boetpredikers de stad des onheils, schudden het stof van hunne voeten en besloten elders Ellohim te dienen. Het heimwee en ’t verlangen naar hunne verwanten dreef hen echter na drie dagen reeds weder naar Aila terug. De stad bood hun nu evenwel een vreemden aanblik. De poorten waren gesloten, de tinnen der muren nochtans onbezet, zoodat de mannen ongehinderd de muren konden beklimmen. Maar ook de straten en pleinen der ongelukzalige stad waren ledig. Daar, waar anders een levendige menschenmassa zich bewoog, waar koopers en verkoopers, priesters en beambten, handwerkslieden en visschers in een bont gewemel elkander gewoonlijk verdrongen, daar zaten, liepen en klommen reusachtige bavianen, en uit de balkons en vensters, van de zolders en daken, waar anders zwartoogige vrouwen toefden, keken bavianenwijfjes op de straten neder. En al die reusachtige apen, alsmede de schoone apinnen hadden een somber en ontsteld voorkomen; zij zagen droefgeestig op de teruggekeerde pelgrims neêr, drukten zich smeekend tegen hen aan en kermden jammerlijk.[227]Ontzet en huiverend aanschouwden de vrome pelgrims het akelig wonder, totdat een hunner op de pijnlijke gedachte kwam, dat deze bavianen wellicht hunne voormalige, nu tot dieren vernederde verwanten waren.Ten einde hieromtrent zekerheid te erlangen, ging de vrome man naar zijn eigen huis. Hier zat in de deur almede een baviaan; deze sloeg echter, toen hij den rechtvaardige zag naderen, treurig en vol schaamte de oogen neder. „Zeg mij, bij Allah den Albarmhartige, o baviaan,” zoo vroeg de wijze aan den aap, „zijt gij mijns broeders zoon Ibrahim?” En treurig antwoordde de baviaan: „Ewa, ewa”—„ja, ik ben het.”Toen viel elke twijfel bij den vromen man weg, en hij erkende nu met een beklemd hart, dat hier een zwaar Godsgericht was voltrokken, en dat de goddelooze sabbathschenders in apen waren veranderd geworden.”ScheikKemal el Dintwijfelt, wel is waar, geen oogenblik aan dit wonder, maar kan toch, als denkend mensch, niet nalaten de meening uit te spreken, dat er wellicht bavianen hebben geleefd voordat er joden bestonden.Wat ons betreft, hoe aardig bedacht en verteld deze geschiedenis ook zijn moge, wij sluiten ons te gereeder aan deze opvatting aan, daar de apen, met welke de vrome ijveraars van Aila te doen hadden, oude en goede bekenden van ons zijn. Want in Arabië huizen eenig en alleen de hamadryas- of mantelbavianen. Wij vinden deze soort echter op de oudste Egyptische gedenkteekens reeds nauwkeurig afgebeeld, terwijl het de haartooi dezer dieren was, welke den ouden Egyptenaren zoo opvallend voorkwam, dat zij dien als voorbeeld kozen en er hun sphinxen mede sierden, even gelijk hij nog heden ten dage als voorbeeld dient voor den haartooi der donkere schoonen van Oost-Soedan. De mantelbaviaan namelijk speelt in de oud-Egyptische godenleer eene voorname rol, zooals wij o.a. leeren uit het werk van den hieroglyphenverklaarderHorapollon. Volgens dezen werden die apen in de tempels gehuisvest en na hun dood gebalsemd. De mantelbaviaan gold voor den uitvinder der schrijfkunst en dus voor een, niet alleen den vader der wetenschappen, Thot of Merkurius geheiligd, maar ook den Egyptischen priester aanverwant wezen; hij werd dan ook bij zijn plechtigen intocht in het heiligdom aan eene proef onderworpen, doordien de opperpriester hem een schrijftafel, inkt en pen in de hand drukte en hem beval te schrijven, opdat men erkennen mocht of hij waardig was te worden opgenomen; men beweerde, dat hij in eene[228]geheimzinnige betrekking stond tot de maan, dat deze alzoo een ongewonen invloed op hem uitoefende; men schreef hem eindelijk het talent toe, den tijd op zulk eene zichtbare wijze in te deelen, datTrismegistusnaar zijn voorbeeld en aanwijzing wateruurwerken vervaardigde, die, evenals hij, dag en nacht elk in twaalf gelijke deelen verdeelden. Wij zijn dus aan dezen aap niet alleen het letterschrift verschuldigd, maar tevens ook de tijdsverdeeling.Het verdient opmerking, dat de oude Egyptenaren wel geloof sloegen aan hunne familieverwantschap met de apen, maar geenszins gedacht hebben aan eene afstamming van deze wezens.Zulk een opvattingswijze omtrent de familierelatie tusschen menschen en apen ontmoeten wij het eerst bij de Indiërs. Onder dezen heerscht sedert onheugelijke tijden het geloof, dat althans enkele koninklijke familiën van een, in Indië voor heilig gehouden in zekeren zin als een goddelijk wezen beschouwden slankaap, den hulman, afstammen, terwijl de zielen der afgestorven koningen in het lichaam van dezen aap terugkeeren. Een der regeerende dynastieën beroemt zich zelfs op deze afkomst, door zich den titel te geven van „gestaarte Rana.”Gelijke denkbeelden als bij de Indiërs in zwang zijn, hebben zich in onzen tijd ook weder opgedaan, en de apenvraag, om mij zoo eens uittedrukken, heeft veel stof doen opwaaien. Wetenschappelijke, voor ’t gewone publiek onverstaanbare uiteenzettingen, hebbenhiereen heiligen toorn opgewekt om dien in lichte laaie vlammen te doen ontvonken,gindsde denkers in twee vijandige kampen voor en tegen verdeeld, die ieder vurig hunne eigen meening bepleiten. Het wetenschappelijk onderzoek van geheel vreemde elementen hebben den strijd opgenomen, zonder te weten, of zelfs te vermoeden voor welk doel deze eigenlijk gevoerd wordt, en dien op een terrein overgebracht, alwaar hij slechts onheil kan stichten, en waardoor eene verwarring is uitgelokt, die niet gemakkelijk weder zal worden weggenomen. Over apen te spreken is alzoo een gevaarlijke zaak geworden; men loopt daarbij gedurig gevaar òf den geduchten stamvader, òf door hem den vermeenden nakomeling te vernederen—afgezien nog van de smaadredenen der afschuwelijkste soort, waarmede onbeschaafde, in blinde woede tegen het tijdsbewustzijn vechtende ijveraars, onverwijld een ieder overladen, die zich maar verstout het woord „aap” uit te spreken.Toch zal de apenvraag nog niet zoo spoedig van de agenda van den dag verdwijnen; want deze wezens, die ongetwijfeld onze naaste verwanten[229]in het dierenrijk zijn, verdienen in te hooge mate onze belangstelling, dan dat wij ons door bovengenoemde overwegingen zouden laten weêrhouden iets dieper in hun leven in te dringen en daarmede ons eigen doen en laten te vergelijken, ten einde op deze wijze ons niet alleen een juister voorstelling van de apen, maar ook van de menschen te vormen.Het volgende zij daartoe een bijdrage. Het valt moeilijk in weinige woorden een algemeen levensbeeld—want daartoe wil ik mij bepalen—van deze zoo zeer van elkander onderscheiden dieren te schetsen. Zij bewonen in ongeveer vier-, in elk geval in veel meer dan driehonderd soorten, alle deelen der aarde, Australië alleen uitgezonderd, en wel voornamelijk de tropische gewesten. In Amerika strekt zich het verbreidingsgebied dezer dieren uit van den 28stenZuiderbreedtegraad tot aan de zee der Antillen; in Afrika van 35°Z.Br.tot aan de straat van Gibraltar; in Azië van de Soenda-eilanden tot Japan; in Europa vindt men ze enkel op de rotsen van Gibraltar, alwaar sedert onheugelijke tijden een troep van ruim twintig magots of kortstaartige macaco’s, onder de bescherming der bezetting, in wezen blijft. Bosschen en rotsachtige gebergten, die tot twee en een half duizend meter hoogte beklommen worden, zijn hunne woonplaatsen. Hier zoowel als ginds verblijven zij, enkele soorten uitzonderd, jaar in, jaar uit, ofschoon in zooverre rekening wordt gehouden met de jaargetijden, dat zij, met het oog op de rijpe vruchten, meer of minder uitgestrekte tochten door de bosschen ondernemen, of tegen den aanvang van het warme jaargetijde zich hooger op het gebergte begeven om tegen het koele seizoen weder omlaag te dalen. Want ofschoon men ze zelfs nog op met sneeuw bedekte velden aantreft, zijn zij zoowel beminnaars van de warmte als liefhebbers van een overvloedige en lekkere tafel. Waar zij voor langen of onbeperkten tijd hun woonsteden zullen opslaan, daar moet iets te knabbelen en te eten vallen; zoo niet, dan gaan zij verhuizen. Bosschen in de nabijheid van menschelijke volkplantingen zijn in hun oogen een waar paradijs; de verboden boom hindert hen niet. Maïsvelden, suikerrietplantages, tuinen met ooftboomen, bananen, pisangs en meloenen beschouwen zij als hun wettig erfdeel; streken, alwaar het godsdienstig geloof der inwoners hun bescherming verleent, zijn hun natuurlijk eveneens een welaangename verblijfplaats.Alle apen, de anthropomorphen wellicht alleen uitgezonderd, leven in troepen van soms aanzienlijke sterkte, die door een oud mannetje[230]worden aangevoerd. Tot deze waardigheid wordt alleen hij verheven, die de sterkste armen en de langste tanden bezit. Terwijl bij die zoogdieren, welke een vrouwelijk individu met de leiding belasten, alle andere individuen der kudde gewillig volgen, eischt de aanvoerende aap, als onbeperkt alleenheerscher der ergste soort, onbepaalde gehoorzaamheid. Wie niet goedschiks zich onderwerpt wordt door beten, knijpen en stooten tot zijn plicht gebracht. De aanvoerder wil slaafsche onderwerping, zelfs van den kant der apinnen. Ridderlijke galanterie tegenover het zwakkere geslacht kent hij niet: „door geweld verovert hij het loon der min;” zijn tucht is gestreng, zijn wil onbuigzaam. Geen apenjongeling verstout zich met een apenmeisje te minnekoozen, geen apin zou het bestaan een anderen aap dan den aanvoerder liefde te bewijzen. Hij zelf heerscht onbeperkt over zijn harem, en zijn geslacht vermenigvuldigt zich als dat van Abraham, Izaäk en Jakob, gelijk het zand aan den oever der zee. Wordt de kudde te talrijk, dan scheidt zich een gedeelte onder aanvoering van een inmiddels opgegroeiden jongeling af om een eigen staat te gronden. Tot zoolang werd de eerste algemeen geacht, geëerd en gevreesd. Oude, ervaringrijke apenmoeders zoowel als jonge bakvischjes zijn er op uit hem te vleien, en beijveren zich om het zeerst hem den allergrootsten dienst te bewijzen, dien men in ’t algemeen een aap kan bewijzen, n.l. zijn haarkleed te zuiveren van alle daar niet thuis behoorende zaken. Van zijnen kant laat hij zich deze hulde welgevallen met het air van een pacha, wiens voeten worden gereinigd door de meest geliefde slavin. De achting, die hij zich wist te verwerven, verleent hem zekerheid en waarde in zijn optreden, de strijd, waarin hij niettemin voortdurend is gewikkeld, waakzaamheid, moed en zelfvertrouwen, de noodzakelijkheid zijn heerschappij te handhaven omzichtigheid, list en geslepenheid. Terwijl deze eigenschappen hemzelf in de eerste plaats ten goede komen, zijn ze tevens der gemeenschap van nut en zijne onbeperkte heerschappij erlangt daardoor kracht van wet en duurzaamheid. Door hem geregeerd en geleid, voert de troep, ofschoon inwendig beroerd door geweldige stormen, naar buiten veilig, daardoor een behagelijk leven.Alle apen, de weinige soorten van nachtapen uitgezonderd, werken des daags en rusten gedurende den nacht. Eerst geruimen tijd, nadat de zon is opgegaan, staan zij uit den slaap op. Hun eerste bezigheid bestaat daarin, dat zij zich in de zon koesteren om zich daarna te[231]wasschen. Is de nacht koud en guur, dan dringen zij zoo dicht mogelijk opeen, ten einde den invloed dier weinig verkwikkelijke omstandigheid zoo goed mogelijk te ontgaan.Maar niettemin rillen zij bij ’t opstaan nog dikwijls zoo van de koû, dat zij genoodzaakt zijn zich geruimen tijd in ’t zonnetje te koesteren. Zoodra de nachtdauw is opgedroogd verlaten zij de slaapplaats, klauteren langzaam naar de hoogste toppen der boomen of rotsen, zoeken een zonnig plaatsje uit, en keeren nu beurtelings alle lichaamsdeelen achtereenvolgens naar de zon. Is de pels gedroogd en behoorlijk verwarmd, dan ontwaakt de begeerte het haarkleed te reinigen; vol ijver begeeft zich een ieder aan dezen arbeid, of bewijst dien dienst aan een ander om op zijne beurt gelijke weldaad terug te ontvangen.Is ook deze plechtigheid afgeloopen, en het haarkleed, zoo noodig, gekamd, dan laat zich de behoefte aan het ontbijt gevoelen. Die behoefte is doorgaans gemakkelijk te bevredigen, daar de apen alles lusten, en het planten- en dierenrijk beide, bijdragen moeten leveren. Bosschen zoowel als bergruggen schenken vruchten, blad- en bloemknoppen, vogelnesten met eieren of jonge vogels, slakken en insekten, de tuinen ooft en groenten, de akkers graan en peulvruchten. Hier wordt een rijpe aar afgebroken, ginds een sappige vrucht geplukt, in de hoogte een nest geplunderd, op den grond een steen omgekeerd, in de bewoonde streek een tuin gebrandschat of een akker geplunderd; overal wordt iets weggenomen. Elke aap verwoest daarenboven, als hij tijd heeft, nog tienmaal meer dan hij nuttigt, en is daarom een plaag voor landbouwer en tuinman. Bij den aanvang van zulk een rooftocht tracht ieder allereerst den eersten honger te stillen; men is niet kieschkeurig, eet alles wat voorkomt, en stopt de wangzakken, indien zij deze bezitten, nog daarenboven propvol; is aan de eerste behoefte voldaan dan begint de aap alles op de onbeschaamdste wijze te keuren en te kritiseeren; elke gebroken aar, elke afgeplukte vrucht wordt beroken, betast, bekeken, alvorens die op te eten, en in de meeste gevallen wordt het een zoowel als het andere weggeworpen, naar iets nieuws gezocht en hiermede eveneens gehandeld. „Wij zaaien en de apen oogsten” zoo klaagden mij eens de bewoners van Oost-Soedan, en zij hadden gelijk. Tegen zulke dieven verleenen heg noch muur beschutting, slot noch grendel; zij klimmen over de heiningen en openen de laatste. En wat zij niet verslinden wordt mee naar huis[232]gedragen. Het is een prachtig maar tevens een droevig gezicht, dat zulk een troep plunderende apen oplevert; ook in dit bedrijf spreiden zij, evenals in hun geheele wezen, driestheid, sluwheid, overmoedigheid, genotzucht en voorzichtigheid ten toon, en niet minder komt daarin hun onbeschaamdheid, list en boosaardigheid uit. Hoe gevaarlijker de onderneming is, hoe meer al deze eigenschappen aan ’t licht treden. Men loopt, klautert, springt,—in tijd van nood wordt er zelfs gezwommen,—om elken hinderpaal uit den weg te ruimen, terwijl men onder dit alles geen enkel oogenblik de veiligheid uit het oog verliest. De aanvoerder gaat steeds vooruit, lokt, roept, vermaant, waarschuwt, bromt, scheldt en bestraft, al naar bevind van zaken; de troep volgt en gehoorzaamt, zonder echter geheel en al zich op hem te verlaten. Bij gevaar denkt ieder individu ’t allereerst om eigen lijfsbehoud en schaart zich eerst later weder om zijn aanvoerder; alleen de moeders, die kinderen aan de borst hebben of deze op den rug dragen, vormen eene uitzondering, daar zij om ’t lot van haar kroost meer bezorgd zijn, of althans schijnen te zijn, dan om zichzelf.Op tochten, waaraan geen gevaar verbonden is, wordt nu en dan halt gehouden; dan hebben ook de kinderen gelegenheid om met elkander te spelen. Onder gevaaraanbrengende omstandigheden volgt eerst na het einde van den tocht een korter of langer tijd van rust en ontspanning; ter bevordering der spijsvertering houdt men dan ook wel eens een middagslaapje. In den namiddag wordt een nieuwe strooptocht ondernomen, en tegen zonsondergang begeeft zich de bende naar de gewone slaapplaatsen, die zoo goed mogelijk tegen de aanvallen van gevaarlijke roofdieren beveiligd zijn, om hier, ofschoon eerst na langdurig krakeel en getwist, schelden en kijven de welverdiende rust te zoeken en te vinden.Enkele tochten uitgezonderd, die of uit nood worden ondernomen, of kans bieden op een meer dan gewonen oogst, gaat het op deze wijze vrij geregeld dag aan dag voort. De voortplanting, die bij het meerendeel der andere dieren gewoonlijk groote veranderingen in de levenswijze te voorschijn roept, oefent op de apen geen merkbaren invloed uit; deze toch is aan geen bepaald tijdstip gebonden en de apenmoeder sleept overal haar jong mede. Meestentijds wordt er maar één kind tegelijk geboren; het komt goed ontwikkeld en dus met open oogen ter wereld. De apenjongen zijn evenwel naar onze begrippen afschuwelijke wezens en in weêrwil der reeds vergevorderde ontwikkeling[233]zeer hulpbehoevende schepseltjes. Afschuwelijk zijn zij in onze oogen, omdat de geplooide gezichtjes en de levendige oogjes hun een oudachtig voorkomen geven, en het nog dunne haarkleed de buitendien reeds lange voorste ledematen nog langer doet schijnen; hulpbehoevend zijn ze, omdat zij van de ledematen nog geen ander gebruik weten te maken dan er zich mede aan de borst der moeder vast te klampen. Hier hangen zij, met armen en handen den hals, met beenen en voeten den buik der moeder omklemmende, weken lang zonder eenig ander lichaamsdeel dan het hoofd te bewegen; dientengevolge is de moeder in staat alle gewone bezigheden te verrichten, zelfs evenals vroeger op de gevaarlijkste wegen te loopen of halsbrekende sprongen te doen, zonder dat zij daarbij van haar kind eenigen last ondervindt. Eerst na geruimen tijd, zelden vroeger dan na verloop van eene maand, beginnen de kleinen enkele bewegingen uit te voeren, doch handelen daarbij zoo plomp, dat het eer ons medelijden dan onzen lachlust opwekt. Deze gedrochtjes worden echter, misschien wel juist om die hulpeloosheid, door de moeders met zulk eene teederheid behandeld, dat de uitdrukking „apenliefde” zeer gepast mag heeten. Altijd is de apenmoeder met haar kleintje bezig. Dan likt zij het, dan zuivert zij het, dan legt zij het aan de borst, dan neemt zij het in de handen, en beschouwt het met innig welbehagen, dan schommelt zij het, als wilde zij haar kind in slaap wiegen.Wordt zij bespied, zij keert zich om als misgunde zij aan andere wezens het gezicht van haar lieveling. Is de laatste wat ouder en bewegelijker geworden, dan verkrijgt hij een enkele maal verlof de moederborst te verlaten om met andere kindertjes van gelijken leeftijd te spelen, maar steeds staat hij onder streng toezicht, en ontvangt hij bij de geringste ongehoorzaamheid stompen en knepen. Tot het voedsel zelfs strekt zich de zorg der moeder uit. Hoe gulzig deze anders ook zijn moge, met haar kind deelt zij elke bete, maar duldt echter niet, dat het door haastig of te veel eten zich ziek zou maken; in zoodanige gevallen laat zij haar moederlijk gezag gelden. Zelden evenwel is een ernstige bestraffing noodig, want het apenkindje is gewoonlijk voorbeeldig gehoorzaam, zoodat het in dit opzicht menig menschenkind tot voorbeeld kan strekken. Roerend is het gedrag der moeder, wanneer haar lieveling pijn heeft; wanhopig stelt zij zich aan, wanneer het sterft. Uren, ja dagen lang sleept zij het kleine lijkje overal mede, weigert alle voedsel, blijft wezenloos op dezelfde plek zitten en kniest[234]zich dikwijls letterlijk dood. Het apenkindje is echter voor zulk een gevoel niet vatbaar, en is er ook beter aan toe dan menig menschenkind, indien het zijn moeder verliest. Want het eerste het beste medelid der troep, ’t zij mannetje of wijfje, trekt zich het lot van den armen wees aan, en vindt op deze wijze bevrediging voor de allen apen aangeboren zucht, voor moedertje te spelen, liefkoost het op het innigste—maar komt helaas! ook niet zelden ter wille van het lieve eten, in tweestrijd met zijn beter ik, zoodat het pleegkind, zoo ’t zich niet reeds alleen weet te helpen, erbarmelijk honger lijdt, en wel eens van gebrek sterft.Het valt moeilijk, zoo niet onmogelijk, eene juiste beschrijving te geven van de verstandelijke vermogens en talenten der apen, daar deze even verschillend zijn als zij zelf. Enkele trekken zijn aan allen gemeen; verreweg de meeste eigenaardigheden van hun wezen wijken zeer van elkander af. De aanleg, die bij den eenen aap nauwelijks merkbaar is, springt bij een ander duidelijk in ’t oog; dezelfde karaktertrek, die hier sterk voorkomt, wordt elders te vergeefs gezocht. Wanneer men evenwel, de familiën, geslachten en soorten vergelijkend in deze beschouwingen opneemt, dan neemt men eene inderdaad verrassende en ongedachte opklimming waar van alle talenten en vermogens. Het is zeer leerrijk op deze wijze te werk te gaan.Als de minst ontwikkelde leden der orde moeten wij deklauwapenofeekhoornapenvan Zuid- en Middel-Amerika beschouwen; dit zijn levendige, kleine, fraaie en onderling veel gelijkenis met elkander vertoonende dieren. Zij hebben wel is waar hetzelfde gebit als de hoogere soorten, maar dragen echter alleen aan de duimen platte nagels, aan de overige teenen en vingers daarentegen smalle, lange klauwachtige nagels, waardoor dus de handen en voeten, althans de handen tot pooten gedegradeerd worden. En met deze uitwendige kenmerken komen de intellektueele eigenschappen overeen. Het apendom is als het ware bij deze soort nog niet tot volle ontwikkeling gekomen. In vorm en kleur zoowel als in houding, gedrag en hun geheele zijn, zelfs in hun stem herinneren zij aan de knaagdieren. Zij zitten bijna nooit, zooals andere apen, rechtop, hoogstens evenals de eekhoorntjes, maar meestal steunen zij op alle vier ledematen; ook klauteren zij niet zooals de andere leden der orde, los en gemakkelijk, met handen en voeten de takken omklemmende, maar meer op de wijze der knaagdieren, met ingetrokken klauwen, zich tegen de voorwerpen[235]aandrukkende, in sprongen—toch evenwel niet langzaam en plomp.Zeer verschillende van die der hoogere apen is hunne stem; het geluid, dat zij geven, is een in de hooge tonen zich bewegend gefluit, dat nu eens herinnert aan het gekweel van vogels, dan eens aan het gepiep van ratten en muizen, ja wellicht nog de meeste overeenkomst bezit met het stemgeluid der Guineesche biggetjes. Volkomen knaagdierachtig is hun gedrag; zij laten dezelfde onrust en bewegelijkheid, dezelfde nieuwsgierigheid, schuwheid en angst, dezelfde ongedurigheid als de eekhoorntjes blijken. Het kopje is geen enkel oogenblik in rust en de donkere oogen richten zich nu op het eene, dan op het andere voorwerp, maar altijd vol drift en schijnbaar zonder veel bewustheid, hoe verstandig zij overigens ook mogen kijken. Alle handelingen getuigen van weinig overleg. Onwillekeurig volgen zij de ingeving van het oogenblik en vergeten het daarop volgende waar zij meê bezig waren, zoodra een nieuw voorwerp hun opmerkzaamheid trekt. Zij zijn luimig in den hoogsten graad; zoo even goed gehumeurd en schijnbaar tevreden met hun lot, gelukkig door eene vriendschappelijke bejegening, grijnzen zij eene seconde later hun weldoeners aan, houden zich alsof zij ten uiterst bevreesd zijn en hun leven op het spel staat, laten de tanden zien en pogen te bijten. Even prikkelbaar als apen en knaagdieren, ontbreekt hun toch het persoonlijke, dat vooral de hoogere apen teekent; de een toch handelt precies zoo als de ander, als het ware zonder zelfbewustzijn, en altijd kleingeestig. Zij bezitten alle eigenschappen van bloodaards; de jammerlijke stem, den onwil om zich in ’t onvermijdelijke te voegen, de beklagenswaardige wijze, waarop zij alle gebeurtenissen opnemen, een ziekelijke neiging om elke handeling van een ander schepsel wantrouwend en als henzelf geldend te beschouwen, de zucht om te pralen, wanneer zij een denkbeeldig of wezenlijk gevaar uit den weg trachten te gaan, machteloosheid in willen en doen. Juist omdat zij zoo weinig apen zijn worden zij door de vrouwen in bescherming genomen, maar door de mannen geminacht.Op hoogeren trap van ontwikkeling staan de eveneens in Amerika thuis behoorendebreedneusapen, ofschoon ook in dezen de werkelijke aap nog niet recht zichtbaar is. Hun gebit telt in elke kaak eene kies meer dan dat der overige apen; zij bezitten dus geen 32 maar 36 tanden; aan de vingers en teenen zitten enkel platte nagels; het lichaam heeft door de meerdere lengte der ledematen een min of meer slanken vorm en de staart is bij velen een uitstekend grijpwerktuig.[236]Evenals de klauwapen zijn ook zij uitstekende boomdieren en uit dien hoofde zeer onbeholpen en linksch zoodra zij zich op den vlakken grond bevinden. Hun gang is alsdan hoogst onzeker en waggelend, en in dit opzicht onderscheiden die soorten, welke van een grijpstaart voorzien zijn, zich nog het onvoordeeligst; toch is hun klimmen zelfs niet in de verte te vergelijken met dat van de apen der oude wereld. Vermenigvuldiging toch der bewegingswerktuigen behoeft nog geenszins met eene verbetering in, en nog minder met eene vermenigvuldiging van de bewegingen zelf gepaard te gaan, maar kan soms de oorzaak worden van eenzijdigheid. En dit laatste is bij deze apen het geval. Hun grijpstaart is niet hun vijfde, maar hun eerste hand; hij dient hen voor het ophangen of de bevestiging van ’t geheele lichaam, tot het aanhalen van allerlei voorwerpen, als trappen, hangmatten, enz.; maar hij verhaast de bewegingen evenmin als hij die gemakkelijker maakt; hij verlangzaamt ze integendeel door ze meer zekerheid te geven. Daar dit lichaamsdeel onophoudelijk in gebruik wordt gesteld, loopt deszelfs bezitter nimmer gevaar het evenwicht te verliezen en van de veilige hoogte naar beneden in de gevaarlijke diepte te storten, maar het belet hem dan ook elke vrije en stoute beweging. Langzaam zendt hij den grijpstaart als het ware bij elke schrede vooruit; altijd wordt deze het eerst en soms zelfs van voren bevestigd, en eerst nu maakt hij hand voor hand en voet voor voet van de takken, die hij omklemd hield, los. Zoo bindt hij zich meer aan de takken vast, dan dat hij er op en langs klautert, en uit dien hoofde denkt hij er nooit aan een eenigszins koenen sprong te wagen. Deze zich nooit verloochenende zorg voor de beveiliging van het eigen kostbaar ik drukt op deze apen den stempel van verveling en niet dien van bedachtzaamheid. Het is merkwaardig hoe volkomen alle andere begaafdheden der apen van de Nieuwe Wereld daarmede in harmonie zijn. Hunne stem is niet zoo eentonig als die der klauwapen, altijd echter nog onaangenaam. Van jammeren tot brullen doorloopt dat geluid alle daar tusschen gelegen modulaties; het jammerende, het smartelijke heeft echter altijd de bovenhand, en de gedragingen dezer dieren zijn daarmede in volkomen overeenstemming. Warm beschijnt de zon na een koelen, aan dauw rijken nacht de boomen van het oerwoud en strooit hierover haar goud; duizendvoudige begroetingen en jubelkreten stijgen op uit millioenen kelen; ook de brulapen maken zich gereed tot hun danklied. Maar op welke wijze? Op de dorre kruintakken van een[237]reuzenboom geklauterd, die boven alle boomen des wouds uitsteekt, hebben zij zich door middel hunner grijpstaarten op veilige wijze vastgehecht en koesteren zich in het zonnetje. De behagelijkheid, die hun deel is, wekt ook in de brulapen den lust hunne stem te laten hooren. Een individu, dat, naar men zegt, uitmunt door eene hooge, gillende stem, de voorzanger, ziet zijn makkers strak aan en begint; de anderen kijken even strak op den eersten en vallen mede in; een vreeselijk concert weêrklinkt door het woud, nu eens huilend, dan brommend, straks knorrend, gronzend, rochelend, steunend, als waren alle dieren des wouds in moorddadigen strijd gewikkeld. Met afzonderlijke brulgeluiden begint deze vreemde symphonie; zij worden woester en volgen sneller op elkaar, naarmate de aanvankelijk nog niet zichtbare opwinding des voorzangers toeneemt en op de anderen overgaat; het geluid wordt een huilend gebrul, dat eindigt gelijk het is aangevangen. Werpt men een blik op die langgebaarde, ernstige zangers, dan kan men zich moeilijk van lachen onthouden; de alle maat te boven gaande wangeluiden, waaraan zij zich schuldig maken verwekken echter al spoedig een gevoel van verveling, evenzeer als hunne eenzijdige, eer kruipende dan klimmende bewegingen. Wat de een doet aapt de ander gedachtenloos na; maar wat hij ook doen moge, steeds verwekt zijn doen en laten verveling. Alle met een grijpstaart voorziene apen komen vrij wel met de genoemde brulapen overeen; iets vrijer en zelfstandiger gedragen zich de capucijnerapen en enkele andere, meer ontwikkelde leden der familie. In ’t algemeen zijn zij in verstandelijk opzicht even log als zij zulks lichamelijk zijn; evenwel zacht van aard, vertrouwelijk, maar tevens dom, gemelijk, klagend, sommigen ook eigenzinnig, boosaardig en vol streken. Zij staan dus wel is waar boven de klauwapen, maar verre beneden de apen der OudeWereld. Misschien doet men hun geen onrecht met de bewering, dat zij wel de slechte, maar niet de goede eigenschappen van hunne Afrikaansche en Aziatische bloedverwanten bezitten. Hun zachtmoedigheid en goedmoedigheid—die evenwel volstrekt nog niet het kenmerk is van alle soorten—weegt in de verste verte niet op tegen het op allen drukkend gemis aan ondernemingsgeest, moed, opgewektheid, levendigheid, beradenheid, vindingrijkheid en bedachtzaamheid, door welke eigenschappen de apen der Oude Wereld zich voordeelig onderscheiden. Hun eeuwig gejammer en gehuil wischt ook die eigenschappen uit, welke hun nog enkele vrienden onder ons zouden kunnen verwerven.[238]Evenals de apen der Nieuwe Wereld kan men ook die der Oude Wereld in twee groepen verdeelen, die men wellicht tot den rang van familiën zou kunnen verheffen, ofschoon het gebit van allen gelijkvormig is. Wij noemen de eene groephondskopapen, de anderemenschapen; de eerste groep leert ons het ware apendom kennen, de tweede is bereids daarboven verheven. Voor genen geldt hoofdzakelijk wat ik zoo even opmerkte; men vindt er onder zoowel schoone als leelijke, zoowel lieve als terugstootende, zoowel vroolijke als ernstige, zoowel goedaardige als boosaardige apen. Werkelijk misvormde apen komen er niet onder voor, daar ook de leelijke, of althans in onze oogen leelijk schijnende soorten evenredige vormen bezitten; toch treft men er vreemdsoortige kameraads onder aan. Hun voornaamste kenmerk bestaat in den vooruitstekenden snuit, die aan een hond doet denken, in de betrekkelijk korte armen, den tot een stompje verkorten staart, de vrij sterk ontwikkelde eeltplekken en de maar zelden ontbrekende wangzakken. Het gebit bevat 32 aaneengesloten tanden. Deze apen bewonen Europa, Azië en Afrika, maar zijn in laatstgenoemd werelddeel het talrijkst.In eigenschappen en begaafdheden staan zij ver boven de klauwapen en de breedneuzen. Zij kunnen meerendeels goed loopen, alhoewel er onder zijn, die onzen lachlust opwekken door hun hinkenden gang. Het valt hun gemakkelijk op de achterste ledematen te gaan staan; zij richten zich dan in hunne volle lengte op en kunnen dan zelfs in deze houding een eind weg voortkomen. Het zijn daarbij goede klimmers; sommigen oefenen zich hierin op de rotsen, anderen in de boomen. De meesten zijn ook nog uitstekende zwemmers. Die, welke op de boomen leven, klauteren als het ware vliegend, want de acrobatische toeren, die zij in de takken uitvoeren, zijn inderdaad verbazingwekkend. Sprongen van 8 en 10 meter zijn niets ongewoons; uit den hoogsten boomtak springen zij naar den laagsten, doen dezen doorbuigen, en, geholpen door het terugspringen van dien tak, zetten zij den tocht voort naar een anderen. Den staart en de achterste ledematen uitstrekkende, en zich hiermede in evenwicht houdende, doorklieven zij de lucht als een pijl uit den boog. Elke boomtak, al is hij ook met de gevaarlijkste dorens bezet, is hun een gebaand pad, elke slingerplant een weg. Zij klauteren vooruit en achteruit, langs den onderkant der takken zoowel als langs den bovenkant, grijpen onder het springen een dunne twijg, hechten er zich aan vast en blijven onbepaald lang in deze[239]houding zweven, klimmen daarna op den tak en verder, even gemakkelijk als bevonden zij zich op den vlakken grond. Mist de hand, de voet herstelt de fout; breekt de tak onder den plotselingen druk, een tweede of derde wordt gegrepen; breken alle takken, zij springen, uit welke hoogte zij ook mogen vallen, ongedeerd op den grond, om nu langs den eersten den besten stam of de meest nabijzijnde slingerplant, weder omhoog te klauteren. Bij het klevende of kruipende klimmen hunner Amerikaansche verwanten vergeleken, is dat der hondskopapen eene waarlijk vrije, bandelooze, elken hinderpaal wegruimende beweging. Gene zijn stumpers, deze zijn volleerde kunstenaars, gene slaven der boomen, deze beheerschers der takken.Even als hunne bewegingen zulks zijn is ook de stem dezer apen meer volkomen. Men verneemt van hen geen kweelend of piepend, geen klagend of huilend, maar een met den indruk des oogenbliks en de omstandigheden overeenkomend geluid, dat ook voor ons verstaanbaar is. Voor behagen en mishagen, verlangen en tevredenheid, lust en onlust, liefde en haat, goedhartigheid en toorn, vreugde en smart, vertrouwen en wantrouwen, sympathie en antipathie, teederheid en hardvochtigheid, inschikkelijkheid en trots, vooral plotselinge opwellende aandoeningen, zooals vrees, schrik en ontzetting, voor al deze gesteldheden der ziel vinden zij een uitdrukking, hoe beperkt ook overigens hun spraakmiddelen mogen zijn.Hand aan hand gaan met deze de zoogenoemde geestelijke fakulteiten gepaard. Terecht kan men hier opmerken, dat de hand, die bij hen eerst tot zekere ontwikkeling is gekomen, hen boven alle andere dieren grootelijks bevoorrecht, en hen dingen doet doen, die soms grooter schijnen dan zij werkelijk zijn; zoo ziet men hen kunststukken verrichten, die een hond of ander dier onmogelijk zou ten uitvoer kunnen brengen. Toch moet men de apen onder de verstandigste zoogdieren rekenen, die een mate van overleg ten toon spreiden, welke verbaast. Zij hebben een sterk geheugen; de verschillendste indrukken blijven bewaard en hun wikkend verstand verwerkt die indrukken tot ervaringen, die in voorkomende omstandigheden groote diensten bewijzen. Zij handelen met volle bewustzijn en niet als slaven, die zonder eigen wil gehoorzamen aan eene van buiten komende kracht, maar zelfstandig, vrij en met afwisseling; zij weten slim van alles partij te trekken en waar het te pas komt bedienen zij zich van allerlei hulpmiddelen om hun doel te bereiken. Zij onderscheiden oorzaak en gevolg, weten het[240]laatste òf te verijdelen òf te bewerken; zij onderscheiden niet enkel wat goed of wat kwaad voor hen is, maar zij weten zelfs of zij goed of slecht handelen, onverschillig of zij daarbij het standpunt van hun eigen lief ik, of dat van een boven hen staand wezen innemen. Niet het blinde toeval, maar het zich bewust zijn van de gevolgen regelt hun doen en laten, maakt hen afhankelijk van ’t overwegen van ’t betere, noopt hen om gemeenschappelijk te werken en te handelen, leerthenom gezamenlijk zich aansprakelijk te stellen voor het wel en wee van ieder afzonderlijk lid, vreugde en leed, geluk en ongeluk, veiligheid en gevaar, welvaart en gebrek met hem te deelen, m.a.w. een op wederkeerige afhankelijkheid berustend verband te vormen; het onderwijst hen in het gepast aanwenden der hun niet van nature aangeboren krachten en middelen, en drukt hun eindelijk wapens in de hand, die deze laatsten hun niet konden schenken. Wel is waar delft de bezonnenheid dikwijls tegenover hunne driften en neigingen het onderspit, maar juist deze driften getuigen van de levendigheid der gewaarwordingen, of, wat op hetzelfde uitkomt, van de werkzaamheid van hunnen geest. Zij zijn gevoelig als kinderen, prikkelbaar als geestelijk zwakke menschen, en uit dien hoofde ontvankelijk voor elke soort van behandeling, hun aangedaan; voor tegemoetkomende liefde, voor terugstootenden haat, voor aansporenden lof, voor krenkenden smaad, voor streelende vleierij en bitteren hoon, voor liefkoozingen en tuchtiging. En toch laten zij zich niet zoo gemakkelijk behandelen, nog minder africhten als een hond of ander verstandig huisdier, want zij zijn eigenzinnig in den hoogsten graad en bezitten haast evenveel zelfbewustzijn als de mensch. Onvermoeid leeren zij, maar slechts wanneer en voor zooveel zij willen en geenszins dan, wanneer zij er toe gedwongen worden; hun zelfbewustzijn doet hun elk bevel weêrstreven, waarin zij geen voordeel voor zich zelf zien. Wel weten zij zeer goed welke straf hen wacht, en zij geven zulks dikwijls vooraf reeds door passende geluiden te kennen, maar toch weigeren zij te doen wat hun geboden werd; daarentegen volbrengen zij gewillig en onder luide bijvalsteekenen wat hun genoegen verschaft. Hij, die hun zelfbewustzijn in twijfel trekt, moet hen maar eens gadeslaan, wanneer zij zich bezig houden met een ander dier. Zij beschouwen dit, zoo althans geen vrees voor diens sterkte en gevaarlijkheid hen terughoudt, als een speelgoed voor hunne luimen, onverschillig of zij het plagen, foppen of kwellen, of nu en dan met liefkoozingen overladen.[241]Enkele voorbeelden, voor welker waarheid ik in sta, mogen tot bewijs mijner beweringen strekken.Toen ik in het land der Bogo’s reisde, ontmoette ik op mijn eersten rit door het gebergte een talrijke troep dierzelfde mantelbavianen, waarvan Scheik Kemal el Din Demiri gewaagt. Het was een schilderachtig gezicht, deze dieren op de bovenste kammen eener rots te zien zitten, terwijl zij het golvend haarkleed in de zon droogden; ik begroette hen met geweerkogels, zoodat zij in allerijl de vlucht namen. Terwijl ik mijn weg door het nauwe en zeer gewonden rotsdal van Mensa vervolgde, ontmoette ik geruimen tijd later weder denzelfden troep en wel in het dal zelf, dat zij zich gereed maakten over te steken ten einde bescherming te zoeken op de rotsen der overzijde. Een aantal was bereids aan den anderen kant gearriveerd, het grootste deel echter was nog op het punt den overtocht te bewerkstelligen. Onze honden, prachtige, slanke hazewinden, die gewoon waren zegevierend den strijd met hyaena’s en andere roofdieren te bestaan, wierpen zich op de bavianen, die uit de verte gezien meer op carnivoren dan op apen geleken, en dreven deze dieren snel rechts en links naar de rotswanden omhoog. De wijfjes echter alleen vluchtten, de mannetjes vlogen fluks op de honden in, vormden er een kring omheen, brulden, sloegen grimmig met de handen tegen den grond, sperden den muil wijd open, lieten de tanden zien, en zagen hun vijanden zoo woedend en boosaardig aan, dat de anders zoo moedige honden ontzet terugdeinsden en angstig bij ons bescherming zochten. Nog voor het ons gelukte de honden weder tegen de apen op te hitsen, was de toestand der laatsten geheel veranderd, want toen de honden weêr opnieuw op hen aanvlogen, hadden de meesten zich reeds in veiligheid gesteld.Een jonge aap, niet ouder dan een halfjaar, was achtergebleven; toen deze de honden op zich aan zag komen, begon hij verschrikkelijk te schreeuwen, doch wist nog bij tijds een rotsblok te bereiken, alwaar het veilig dacht te zijn. Onze honden handelden met overleg en sneden den aap den terugtocht af, zoodat wij de hoop begonnen te koesteren het diertje op te vangen. Maar het zou niet geschieden. Fier en vol waardigheid, zonder zich in ’t minst te haasten en op ons acht te slaan, stapte een zeer oud mannetje, van de veilige rots afdalende, op het in nood verkeerende jong af, ging, zonder de minste vrees te verraden, de honden tegemoet, hield deze door blikken, gebaren en voor ieder verstaanbare geluiden in bedwang, beklom langzaam het rotsblok, legde het bedreigde[242]apenkind aan zijn borst, en voor wij op de plaats waren gekomen, had hij den terugtocht weêr aanvaard, terwijl de honden geen poot verroerden en hem stil lieten wegtrekken. En onder dit moedig bedrijf van zelfopoffering hoorde men in het dichte kreupelhout der rotshelling, werwaarts de apen zich hadden begeven, tonenweêrklinken, zooals ik nog nooit van bavianen had gehoord. Ouden en jongen, mannetjes en wijfjes brulden, gilden, knorden, bromden, blaften door elkander en verwekten een geschreeuw alsof zij met panters en dergelijke gevaarlijke roofdieren in gevecht waren geraakt. Het was, gelijk ik later ontdekte, het veld- of krijgsgeschreeuw der apen, dat ik hoorde; zij hadden daarmede ten oogmerk om de honden schrik aan te jagen, misschien ook wilden zij daarmede moed inblazen aan den onversaagden ouden ridder, die zich onder hunne oogen in het dreigendste gevaar begaf.Eenige dagen later zou ik ervaren, dat deze zelfbewuste dieren het ook tegen den mensch durven opnemen. Bij mijn terugkomst uit het land der Bogo’s stieten wij nogmaals op een, misschien denzelfden troep; van uit het dal openden wij uit zeven dubbelloopsgeweren een moorddadig vuur op hen. De uitwerking was onbeschrijfelijk. Dezelfde oorlogskreten, die ik vroeger had gehoord, klonken ook nu weder, en als op het bevel van een generaal rustten zich allen ten strijde. Terwijl de gillende wijfjes met de jongen ijlings wegvluchtten, en, over den kam der rotsen spoedende, zich buiten bereik onzer wapenen stelden, betraden de oude mannetjes, met van woede fonkelende blikken, terwijl zij de handen tegen den grond sloegen, eer blaffend dan brullend, de vooruitstekende steenen en rotspunten, overzagen eenige oogenblikken onder voortdurend luid gebrom, geknor en gegil, de diepte, en begonnen daarop met zooveel drift en behendigheid ons met steenen te bombardeeren, dat wij het gevaarlijke onzer positie terstond inzagen en op de vlucht sloegen. Indien wij niet in staat waren geweest tegen de overstaande hellingen van het nauwe dal naar boven te klimmen, om ons op deze wijze in zekerheid te stellen tegen het geschut der apen, wij zouden het onderspit hebben gedolven. De verstandige dieren handelden bij hunne verdediging niet alleen stelselmatig, maar daarenboven, gemeenschappelijk naar één doel strevend, in onderling overleg en samenwerking. Een onzer zag zelfs hoe een der strijders zijn steen op een boom droeg, om dien van hier uit met meer effekt naar ons toe te slingeren; ik zelf nam waar dat twee apen gezamenlijk een zwaren steen aan ’t rollen brachten.[243]Tot zulke middelen van tegenweer grijpt geen enkel ander dier dan de boven allen verheven aap, evenmin als het mannetje eener andere diersoort zich aan gevaren blootstelt om een hulpeloos jong te redden. Zulke trekken mogen niet geloochend of verkeerd beoordeeld worden; want zij getuigen luider en beter voor zichzelf dan alle spitsvondige uiteenzettingen, die ten doel hebben aan het dier verstand en zelfbewuste handelingen te ontzeggen.Hoe juist de hondskopapen oorzaak en gevolg weten te onderscheiden, kan ieder bij eigen ervaring waarnemen, die deze dieren onbevooroordeeld nagaat. Zij openen deuren en vensters, schuifladen, kasten en doozen, maken knoopen los; zij weten hinderpalen uit den weg te ruimen, niet alleen wanneer zij eenmaal hebben opgemerkt hoe men daarbij te werk gaat, maar zij vinden zelf middelen uit om daartoe te geraken. Zekere baviaan, dien ik verzorgde en in mijn gezin had opgenomen, pakte eens eene jonge kat met het voornemen, dit beestje tot pleegkind aan te nemen en er moedertje over te spelen. De aap werd eens door het dier gekrabd; hij stelde terstond een onderzoek in naar de vermoedelijke oorzaak, en toen hij bevond dat de nagels als zoodanig moesten beschouwd worden, beet hij deze organen onmiddellijk af, overtuigd dat hij nu voortaan gevrijwaard zou zijn tegen eene herhaling van deze onaangename bejegening. Denzelfden baviaan werd nu eens door mijn broeder dan door mijzelf herhaaldelijk schrik aangejaagd, doordien wij buskruit op den grond strooiden en dit aanstaken. Het plotseling ontvlammende kruit veroorzaakte den aap zulk een hevigen angst, dat hij elken keer luidkeels begon te schreeuwen en zoo ver weg sprong als het touw, waaraan hij vastgebonden was, toeliet. Nadat dit tooneel eenige malen was herhaald, kwam de baviaan op den inval het ontvlammen te voorkomen door eerst het stuk zwam met de hand uit te dooven, en daarna het buskruit eenvoudig op te eten. Een ander maal werd hij zelf de oorzaak van zijn angst. Even als alle apen, geen uitgezonderd, was hij uitermate bevreesd voor reptielen, inzonderheid voor slangen; wij hadden hierin grooten schik en plaagden hem daarom dikwijls door eene levende, doode of opgezette slang in eene groote blikken doos te doen, dien wij hem gesloten toereikten. Hij kende ten laatste doos en inhoud volkomen, maar niet in staat zijne nieuwsgierigheid te bedwingen, opende hij telkens weder de doos om onmiddellijk daarna met een luiden schreeuw weg te loopen.[244]Niet tevreden met de kennis van werkelijk aanwezige oorzaken, zocht deze aap, indien hem eene onaangenaamheid bejegende, naar ingebeelde oorzaken.Iets of iemand moest van zijn leed de schuld zijn, dit stond bij hem vast. En zoo keerde zich soms zijn volle woede tegen den eersten den besten, dien hij in ’t gezicht kreeg. Werd hij b.v. bestraft, dan richtte zijn toorn zich niet op zijn heer en meester, maar op dengene, die toevallig bij die bestraffing tegenwoordig was; deze was in zijne oogen de oorzaak der snoode behandeling, die hij van de zijde zijns anders zoo goedaardigen gebieders ondervond. Even als onverstandige menschen in dergelijke gevallen ook gewoon zijn te doen, verdacht hij dus onschuldigen.Ofschoon zelf buitengemeen gevoelig voor eene hem aangedane of toegedachte onrechtvaardige behandeling, zoo ook indien men hem plaagde of kwelde, kon onze baviaan het toch nimmer nalaten andere dieren te sarren, ja te mishandelen. Onze oude, knorrige dashond hield eens, genoegelijk in de zon uitgestrekt, zijn middagslaapje. De baviaan zag zulks, sloop voorzichtig naar de plaats, waar de hond lag, beschouwde het dier aandachtig met zijn duivelsche, boosaardige oogjes, om zich te overtuigen, dat de hond werkelijk sliep, pakte vlug diens staart en bracht het beest door krachtig aan dat orgaan te trekken uit de wereld der droomen in die der werkelijkheid terug.Grimmig trachtte de hond dezen hoon te wreken en sprong op den twistzoeker los.Deze echter ontkwam de dreigende straf door vlug over den hond heen te springen; hij had in ’t volgende oogenblik wederom den staart van dit dier gegrepen, daar weêr aan getrokken, zich vermakende met de machteloosheid van zijn vijand, totdat deze met beveiligden, d.i. met opgetrokken staart, razend van toorn en woede, tot blaffen niet meer in staat, schuimbekkend het hazepad koos om zijn tegenstander het veld te laten. Zoo de baviaan had kunnen lachen, zou er niets meer ontbroken hebben aan de overeenstemming tusschen zijne handelwijze en die van een boosaardig mensch. Niettemin werd de overwonnen hond op zeer verstaanbare wijze met spot en schimp overladen. Elke plagerij, hem zelven daarentegen aangedaan, nam de aap zeer euvel op en reeds het lachen van den een of anderen guit kon hem in woede doen ontsteken, terwijl hij niet naliet zich op zoo iemand te wreken zoodra hij de kans schoon zag, al mochten er ook[245]weken verloopen zijn sedert het feit was bedreven. Hij was een „aap”, hij gevoelde zijn waarde als zoodanig, en beschouwde alzoo den hond als een zoo verre beneden hem staand wezen, dat zijne aanmatiging ons even verschoonbaar voorkomt, als die van zeker ander wezen, dat tegenover hem op gelijke wijs dorst te handelen, in de oogen des aaps verkeerden strafbaar schijnt.HOEDAPEN.HOEDAPEN.Van zulk een sterk gevoel van eigenwaarde, juister gezegd van overschatting van eigenwaarde, geven de hondskopapen ons dagelijks een aantal bewijzen; men moet hen slechts nauwlettend gadeslaan. Dezelfde baviaan, van wien zoo even sprake was, hield, gelijk alle apen, veel van pleegkinderen; eens trok hem een meerkat, die met hem dezelfde kooi deelde, bijzonder aan. Men kon hem dit dier zelfs buiten de kooi[246]gerust toevertrouwen; altijd had hij de meerkat aan zijn zijde en deze sliep in zijn armen en gehoorzaamde hem slaafs. De baviaan beschouwde deze onderworpenheid als iets, wat van zelf sprak; onbepaalde gehoorzaamheid vooral eischte hij evenwel tijdens den maaltijd. Terwijl de goedaardige, gehoorzame meerkat zonder eenigen schijn van verzet gedwee toestond, dat haar pleegmoeder—onze baviaan was een wijfje—de beste stukken voor zich zelf behield, gunde de laatste haar lieveling niet meer dan het allernoodigste; was de meerkat zoo gelukkig geweest, iets ter zijde te leggen, b.v. iets in haar wangzakken te steken, onbarmhartig brak hij deze open om den inhoud zichzelf toe te eigenen.Hoe groot de aanmatiging en overschatting van eigen persoonlijkheid bij de hondskopapen ook mogen zijn, zij zijn zich niettemin zeer goed bewust van iets strafbaars gepleegd te hebben.Schomburgkhaalt ten bewijze daarvan een zeer leerzaam voorbeeld aan. In de zoölogische afdeeling van den plantentuin te Adelaïde deelde een oude hoedaap met twee soortgenooten, waarover hij erg de baas speelde, hetzelfde hok. Door de eene of andere toevallige omstandigheid geërgerd, overvalt deze aap op zekeren dag onverhoeds zijn oppasser, en brengt dezen, door hem een slagader van het handgewricht door te bijten, eene gevaarlijke wonde toe.Schomburgkveroordeelde den booswicht ter dood en gelast aan een anderen oppasser dit vonnis door middel van kruit en lood ten uitvoer te brengen. Apen nu zijn zeer gewend aan vuurwapenen, daar deze veel worden gebruikt om in den tuin schadelijke dieren te dooden; zij kennen de uitwerking, doch maken zich volstrekt niet ongerust wanneer men hen in de nabijheid van zulke voorwerpen brengt. Ook nu, op den volgenden dag na het misdrijf van den tyran, blijven de beide jonge apen rustig aan den etensbak zitten als de oppasser aan wien de executie van hun kameraad was opgedragen, zich laat zien; maar de veroordeelde misdadiger daarentegen vliegt snel naar zijn slaaphok en is door geen enkel lokmiddel te bewegen dit te verlaten. Men poogt hem te paaien door hem voedsel aan te bieden; hij laat, wat vroeger nooit geschiedde, zijn beide slaafjes de lekkere kost verteren, en waagt het niet aan hun maaltijd deel te nemen. Eerst wanneer de onheilspellende oppasser zich verwijderd heeft sluipt hij steelsgewijs nader, neemt snel eenige brokken om angstig naar zijn veilige schuilplaats terug te vlieden. Men slaagt er eindelijk in hem voor de tweede maal naar buiten te lokken en den toegang tot zijn sluiphoek van buiten te sluiten. En als hij nu weder den oppasser[247]met het moordtuig ziet naderen, weet hij, dat hij reddeloos verloren is. Als waanzinnig werpt hij zich op de deur van zijn slaapvertrek om deze zoo mogelijk te openen; als hem dit niet gelukt, vliegt hij als een waanzinnige door de kooi, alle hoeken en gaten doorzoekende of deze hem nog gelegenheid bieden tot ontkoming, en eindelijk, geene uitkomst ziende, over zijn geheele lichaam sidderende, werpt hij zich vertwijfelend op den grond en onderwerpt zich wilsverlamd aan zijn noodlot, dat hem een oogenblik later heeft achterhaald.Men zal moeten toestemmen, dat geen enkel zoogdier uit een der andere orden zoo zou handelen, zelfs niet zou de sedert duizenden van jaren door den mensch gedresseerde en onderwezen, ik zou haast zeggen, door den mensch geschapen hond; zelfs deze heeft het niet eens tot zulk eene hooge verstandelijkheid gebracht. En toch ligt er nog eene breede klove tusschen genoemde hondsapen en de menschapen, van welke laatste ik zooeven heb opgemerkt, dat zij zich reeds boven het gemiddelde peil van het apendom hebben verheven.Onder menschapen begrijpen wij al die apen, welke in gedaante het meest op den mensch gelijken, doch zich van dezen nog zeer onderscheiden door hun grootere hoektanden, de betrekkelijk lange armen en korte beenen, den bouw der hand, de bij sommige soorten voorkomende eeltplekken en het haarkleed. Zij bewonen de tropische gewesten van Afrika en Azië, in laatstgenoemd werelddeel in meer soorten dan in het eerste, en vervallen in drie familiën, een van welke tot Afrika beperkt blijft. Elk dezer familiën bevat slechts weinig soorten, maar waarschijnlijk zijn ons alle soorten nog niet bekend.Ook de menschapen worden door hun bouw gedwongen hoofdzakelijk op de boomen verblijf te houden; zij zijn echter evenmin als slankapen, meerkatten en makako’s boomslaven, veeleer uitnemende klimmers. Zij bewegen zich echter, zoowel op de takken als op den grond, anders dan alle andere apen. Wanneer zij een boom, inzonderheid een gladden stam zonder takken beklimmen, nemen zij dezelfde houding aan als een mensch, wanneer deze in een boom klimt; geholpen door hun lange armen en korte beenen vorderen zij evenwel veel sneller dan de meest geoefende en vaardigste menschelijke klimmer; in de vertakking aangeland beschamen zij den besten turner door de veelsoortigheid en zekerheid hunner bewegingen. Met hunne ver reikende armen vatten zij den eenen tak, met de voeten omklemmen zij een ander, die met den eersten parallel loopt en iets lager zit, ongeveer[248]voor de helft, om er nu over heen te loopen, terwijl zij den bovensten tak als leuning gebruiken, en dat zoo snel, dat een man beneden al loopende zijn best zou moeten doen om hem bij te houden; en toch, de apen spannen zich daarbij in ’t geringste niet in. Aan het uiteinde van den tak gekomen, grijpen zij een nabijzijnden tak, b.v. van den naasten boom, en zetten hierop hunne wandeling met gelijke snelheid voort, zonder zich daarbij wezenlijk te haasten. Willen zij naar boven dan grijpen zij den eersten den besten tak, zoo deze hen slechts kan dragen, en slingeren zich vaardig omhoog, onverschillig of één of beide armen gebruikt worden; willen zij naar beneden, dan hangen zij zich aan beide armen op en zoeken met hun voeten naar een nieuw steunpunt. Soms ziet men hen enkel voor hun genoegen minuten lang in deze houding schommelen; dikwijls loopen zij, met handen en voeten den tak omvattende, voor de afwisseling langs deszelfs benedenkant; kortom, elke denkbare houding nemen zij aan, elke denkbare beweging wordt door hen in de hoogte uitgevoerd. Onovertroffen meesters in het klimmen zijn de langarmapen of gibbons, menschapen met zulke onevenredig lange armen, dat deze eene lengte kunnen overspannen tweemaal zoo groot als die van hun geheele lichaam, dit in rechtopgaande houding gedacht. Met ongeëvenaarde snelheid en zekerheid beklimmen zij de boomkruinen of bamboestengels, brengen dezen of den een of anderen hun dienenden tak in schommeling, en slingeren dan bij het terugbuigen met zulk eene gemakkelijkheid over tusschenruimten van 8 à 12 meter, dat men waant een afgeschoten pijl of een naar beneden stootenden vogel te zien. Ook deze apen kunnen onder het springen de eerst ingeslagen richting nog veranderen en den sprong plotseling afbreken, door den eersten den besten tak te grijpen, zich daaraan vast te klemmen, er aan te schommelen, te wiegelen en er eindelijk bij op te klimmen, ’t zij om eerst even te rusten, ’t zij om terstond weder van voren aan te beginnen.Niet zelden springen zij op deze wijze achtereenvolgens drie-, vier-,vijfmalen door de lucht, zoodat het den schijn heeft alsof de zwaartekracht voor hen niet bestond. Even gemakkelijk als zij klimmen, even moeilijk valt hun het gaan. Sommige andere menschapen kunnen zonder groote inspanning in opgerichten stand, dus alleen op de voeten een vrij grooten afstand afleggen; echter, indien zij wat haastig willen loopen, vallen ze weêr voorover, en waggelen nu op handen en voeten verder, hierbij steunende op de omgebogen vingerknokkels en den[249]buitenkant der voetzolen, terwijl zij het lichaam, dat als een logge en zware massa tusschen de omhoogstaande armen schommelt, als het ware vooruitwerpen.De gibbons echter bewegen zich alleen in geval van nood op deze wijze en dan nog meer springend dan loopend; daarentegen leggen zij veel korter afstanden af als zij zich in hun volle lengte oprichten, om, met uitgeslagen armen zich in evenwicht houdende, de duimen zoover mogelijk uitspreidende, met kleine, snel opeenvolgende schreden allerdroevigst voort te strompelen. Hunne bewegingen moeten dus eenzijdig genoemd worden; want, wat zij in vaardigheid in ’t klimmen boven de andere menschapen vooruit hebben, verliezen zij weder ten aanzien van hunne hulpeloosheid op den vlakken grond.De stem der menschapen is onze aandacht ten volle waard. Wij vinden n.l. dat de levendigste en vlugste soorten der groep ook de luidste stem bezitten, terwijl daarentegen de menschapen, welke meer veelzijdig ontwikkeld zijn, alhoewel hunne levendigheid bij die der anderen achterstaat, met een meer rijk geluid begiftigd zijn. Ik zeg niet te veel, wanneer ik beweer, dat ik nooit van eenig zoogdier, natuurlijk den mensch uitgezonderd, eene stem heb gehoord, die voller van toon en welluidender in mijn oor heeft geklonken dan die van de door mij in gevangen staat waargenomen langarmapen. Aanvankelijk was ik verbaasd, later verrukt over deze uit diepe borst, met volle kracht uitgestooten, eer aangenaam dan onaangenaam klinkende, zuivere, ronde tonen. Bij zekere soort begint het verklinkend geroep, dat ik liever een gezang dan een geschreeuw wil noemen, met den grondtoon E en klimt door alle toonen van de chromatische ladder een octaaf omhoog, om met een gillend geluid te eindigen, in hetwelk het dier al zijn kracht schijnt te vereenigen. De grondtoon blijft steeds hoorbaar en dient als voorslag voor elke volgende noot, die bij het klimmen altijd langzamer, bij het dalen altijd sneller en eindelijk zeer snel op de voorgaande volgt. Zij worden evenwel met evenveel regelmaat als schielijk voorgedragen. Enkele soorten moeten minder zuivere tonen voortbrengen, maar toch roepen allen zoo luid, dat men ze in de open lucht wel een engelsche mijl ver, duidelijk kan hooren. Dezelfde afhankelijkheid tusschen bewegingsvermogen en stem merken wij op bij andere menschapen. Van de zich zoo langzaam bewegende en droefgeestige orang-oetans heeft men, voor zoover mij bekend is, nog nimmer een ander geluid vernomen dan een krachtig, laag keelgeluid;[250]de vroolijke, bewegelijke en wakkere chimpanzee daarentegen weet in de weinige geluiden, over welke hij te beschikken heeft, zulk een afwisselenden klank te leggen, en er zulk eene verstandelijke uitdrukking aan te geven, dat men geneigd wordt dezen aap een taal toe te kennen. Met woorden spreekt hij weliswaar niet, maar hij doet zulks met geluiden, zelfs met sylben, over welker zich steeds gelijk blijvende beteekenis elke waarnemer, die geruimen tijd met hem verkeerde, niet in twijfel kan staan. Geen andere menschaap komt den chimpanzee hierin nabij.Wie uit eigen ervaring de hoogte wil leeren kennen, tot welke het intellekt van een aap zich kan verheffen, kan niet beter doen dan den chimpanzee of een van diens allernaaste verwanten tot het voorwerp zijner waarneming te maken, en geruimen tijd op intiemen voet met hem te verkeeren, even gelijk ik heb gedaan. Men zal dan met verwondering en verbazing, misschien wel niet zonder zekere huivering ervaren, hoe klein de klove kan worden, die den mensch van de apen scheidt. Ook de andere menschapen zijn zeer verstandige dieren; ook zij overtreffen in alle opzichten alle andere apen, doch deze talenten komen echter noch bij de gibbons, noch bij de orang-oetans tot zulk een algemeen verstaanbare uitdrukking, of springen zoo sterk in ’t oog als bij eerstgenoemden.Dezepongo’s—de gorilla, tschego en chimpanzee—kan, mag men niet meer als dieren behandelen; men moet veeleer met hen verkeeren als waren het menschen, wil men hunne geestesgaven naar eisch leeren kennen en waardeeren. Hun verstand staat weinig lager dan dat van een ruw, onwetend, onbeschaafd mensch. Zij zijn en blijven dieren, maar zij handelen zoo menschelijk, dat men het dier in hen vergeet.Ik heb jaren lang chimpanzee’s verzorgd, hen nauwkeurig en onbevooroordeeld gadegeslagen, en veel en intiem met hen verkeerd; ik heb hen in mijne familie opgenomen, ze gemaakt tot speelkameraads mijner kinderen, aan mijn tafel laten eten, hen onderwezen, ja letterlijk opgevoed; ik heb ze in ziekten opgepast en in hun stervensuur niet verlaten; ik mag dus aannemen, dat ik deze dieren althans zoo goed ken als iemand anders en dus in staat ben een juist oordeel te vellen. Om al deze redenen kies ik den chimpanzee tot voorbeeld, teneinde u duidelijk te maken tot welk een hoogte een dier geestelijk kan klimmen.DE CHIMPANZEE.DE CHIMPANZEE.De chimpanzee is niet alleen een der verstandigste schepselen, maar ook een nadenkend, overleggend wezen. Al zijn handelingen getuigen van bewustzijn en overleg. Hij bootst na, maar met verstand en oordeel;[251]hij laat zich onderwijzen en leert. Hij is zichzelf bewust en draagt kennis van zijn omgeving, alsmede van de plaats, die hij inneemt. In den omgang met den mensch onderwerpt hij zich aan dezen als aan eene boven hem staande geestelijke meerderheid; in het verkeer met dieren geeft hij blijk van hetzelfde bewustzijn van eigen persoonlijkheid als de mensch. Wat in dit opzicht bij andere apen slechts flauw te voorschijn treedt, is bij den chimpanzee duidelijk uitgedrukt. Hij houdt zich voor beter en meerder dan andere dieren, zelfs dan andere apen; hij maakt onderscheid tusschen menschen en menschen; hij behandelt b.v. kinderen geheel anders dan volwassenen; voor de laatsten heeft hij ontzag, de eersten behandelt hij ongeveer als zijns gelijken. Hij geeft zijn medelijden te kennen ten aanzien van dieren, met welke hij geen vriendschap sluiten of andere betrekkingen aanknoopen kan, en eveneens met voorwerpen, die zijn natuurlijke behoeften niet kunnen bevredigen, want hij is niet enkel nieuwsgierig, maar tevens weetgierig. Elk voorwerp, dat zijne opmerkzaamheid trok, wint bij hem in waarde, wanneer het[252]hem eenig voordeel kan schenken. Hij kan besluiten trekken, het een uit het ander afleiden, en weet vroegere ervaringen doelmatig over te dragen op nieuwe verhoudingen; hij is listig, ja doortrapt slim, heeft geestige invallen en veroorlooft zich grappen, laat van luim en humeur blijken, vindt het eene gezelschap onderhoudend, het andere vervelend, leent het oor aan passende scherts, maakt zich boos over minder gepaste, is eigenzinnig, ofschoon niet koppig, goedaardig, maar gooit zichzelf niet weg. Zijn gevoel drukt hij uit als een mensch. Is hij welgemoed, hij glimlacht, is hij bedrukt, zijn gezicht trekt zich in plooien, die op zichzelf reeds genoeg te kennen geven, maar waaraan hij door een klagend geluid nog nadere verklaring toevoegt; in ziekten stelt hij zich aan als een wanhopige, vertrekt het gezicht, schreeuwt, werpt zich op den rug, slaat met handen en voeten om zich heen en rukt zich de haren uit. Een vriendelijken groet beantwoordt hij met geluiden, die tevredenheid uitdrukken, barsche woorden door zulke, die leedgevoel te kennen geven. Van den morgen tot den avond is hij in de weer, hij zoekt steeds bezigheid en bedenkt iets nieuws, wanneer de gewone handelingen en oefeningen zijn afgeloopen, al zou hij ook niets anders doen dan met de handen tegen de voeten slaan, of, door op holle klankgevende lichamen te kloppen allerlei geluiden te voorschijn roepen, die hem zichtbaar genot verschaffen. In de kamer houdt hij zich onledig met het onderzoeken van alle mogelijke voorwerpen; hij opent schuifladen en keert den inhoud om, ziet naar het vuur, nadat hij het kacheldeurtje eerst heeft open gemaakt, om het daarna ook weder te sluiten; hij hanteert een sleutel gelijk het behoort, gaat voor den spiegel staan en aanschouwt met blijkbaar welbehagen zijn eigen beeltenis, en meteen de gebaren en grimassen, die hij daarbij maakt; hij gebruikt bezems en dweilen, zooals men hem geleerd heeft, hult zich in dekens en kleedingstukken, enz.Hoe juist hij waarneemt blijkt uit zijn bijna altijd rechtvaardig oordeel ten aanzien van menschen. Hij kent en onderscheidt niet alleen zijn vrienden van andere lieden, maar zelfs goedgezinde van kwaadgezinde menschen, en zulks zoo scherp, dat de oppasser van zekeren chimpanzee overtuigd was iederen mensch, dien deze aap van zich stiet als een deugniet of booswicht te mogen beschouwen. Zeker doortrapt en geslepen huichelaar, die mijzelf en anderen wist te misleiden, was mijn chimpanzee van den beginne af een gruwel, even alsof hij den roodharigen schurk van het eerste oogenblik af had doorgrond.[253]Een chimpanzee, met wien men zich veel bezighoudt, verkeert het liefst in den huiselijken kring. Hier doet hij, alsof hij zich onder zijns gelijken bevindt. Hij let nauwkeurig op alle huiselijke gewoonten, merkt terstond op of men hem gadeslaat of niet, doet in het eerste geval wat men verlangt, en in het tweede wat hemzelf behaagt. Spelende leert hij, en daarbij betoont hij den grootsten ijver, dus geheel anders dan andere apen. Men kan hem leeren rechtop aan tafel te zitten, bij ’t eten mes, lepel en vork te gebruiken, uit een glas of een kopje te drinken, de suiker in het kopje om te roeren, met zijn buurman te klinken, het servet te gebruiken, enz. Even gemakkelijk gewent hij zich aan kleedingstukken, dek en bed; zonder veel moeite eigent hij zich een deel der menschelijke taal toe, beter nog dan de best opgevoede hond, daar hij zich niet enkel naar den klank der woorden richt, maar tevens naar hunne beteekenis, en bepaalde lastgevingen en bevelen juist uitvoert. Uiterst gevoelig voor liefkoozingen en vleierij, zelfs voor loftuitingen, evenzeer voor een onvriendelijke behandeling of berisping,—is hij tevens vatbaar voor de levendigste dankbaarheid en ook al heeft men hem daartoe niet afgericht, geeft hij zulks te kennen met handdruk of kus. Van kinderen houdt hij ongemeen veel. Uit zijn aard niet humeurig, evenmin boosaardig, behandelt hij kinderen, zoo lang deze hem niet plagen, altijd zeer vriendelijk, kleine, nog hulpelooze wichtjes zelfs met eene waarlijk roerende teederheid; in het verkeer met anderen zijner eigen soort, met andere apen of andere dieren daarentegen kan hij niet zelden ruw en onvriendelijk worden. Ik breng dezen karaktertrek, dien ik bij alle door mij verzorgde chimpanzees heb opgemerkt, daarom onder de aandacht, dewijl men hieruit kan zien, hoe deze aap zelfs in het kleinste kind een mensch herkent en waardeert.Roerend is het gedrag van een zieken, zwaar lijdenden menschaap. Smeekend, klagend, waarlijk menschelijk, ziet hij zijn oppasser aan, ontvangt elk hulpbetoon, iederen dienst met innige dankbaarheid en ziet alras in den geneesheer zijn weldoener, reikt dezen den arm of steekt op diens verlangen de tong uit, ja doet zulks bij een herhaald bezoek van den geneesheer reeds uit zichzelf; hij neemt gewillig de geneesmiddelen in en staat zelfs toe dat de chirurg hem opereert; in één woord, hij handelt als een ziek en geduldig mensch. Naarmate zijn einde nadert wordt hij zachter gestemd, treedt het dierlijke meer op den achtergrond en komen de meer edele trekken van zijn wezen meer te voorschijn.[254]De chimpanzee, dien ik het langst verpleegde en met behulp van een verstandigen en dierenlievenden geneesheer op het zorgvuldigst verzorgde, kreeg eene longontsteking, gepaard met eene verettering der lymphklieren van den hals. Chirurgische behandeling bleek noodzakelijk. Twee artsen, die met mij en mijn chimpanzee bevriend waren, namen op zich het halsgezwel te openen; dit bleek te meer noodzakelijk daar de aap zelf hierin de oorzaak zijner kwaal zocht en al aanstonds de hand des onderzoekers op die plaats bracht. Maar hoe de snede aan de gevaarlijke plek uit te voeren, zonder het dier in gevaar te brengen? Verdoovende middelen konden niet toegepast worden wegens de zieke longen, en elke poging, om den chimpanzee door eenige sterke mannen vast te houden moest opgegeven worden, daar het in hoogen graad opgewonden dier hevigen tegenstand bood. Wat geweld niet vermocht, bewerkte overreding. Door minzame toespraken en liefkoozingen van de zijde zijns oppassers weder tot rust gebracht, liet de aap nogmaals gewillig toe, dat het halsgezwel werd onderzocht, en zonder een ooglid te vertrekken, veroorloofde hij den geneesheer nu het mes te gebruiken; zonder eenige klacht te uiten doorstond hij alle verdere kunstbewerkingen, zelfs de zoo pijnlijke ontlasting van het geopend gezwel. De belemmerde ademhaling werd weêr vrij; een niet te miskennen uitdrukking van verlichting kwam op het gelaat des lijders, dankbaar reikte hij dan beide geneesheeren de hand, en omhelsde blijde zijn oppasser—niemand echter had hem tot het een zoo min als het andere aangespoord!Helaas, het leven des diers bleef niet gespaard. De halswond genas, maar de longontsteking nam toe en werd eene oorzaak des doods. Met volle bewustzijn gaf hij den geest, zacht en kalm, niet gelijk een dier, maar zooals een mensch sterft.Dit zijn karaktertrekken uit het leven en gedrag van een menschaap, wier beteekenis noch verkleind, noch misduid kan worden. Bedenkt men daarbij, dat deze karaktertrekken aan alle nog niet volwassen, maar op kinderlijken leeftijd staande apen konden afgeluisterd worden, dan wordt men wel genoodzaakt aan deze dieren een zeer hooge plaats in te ruimen. Want de door den een of anderen onbevoegden waarnemer uitgesproken, en door honderden gedachtenloos nagesproken bewering, dat de aap met toenemenden leeftijd geestelijk achteruitgaat is niets anders dan een grove leugen, die onmiddellijk weerlegd wordt door iederen van zijn jeugd af tot zijn rijperen leeftijd toe goed en[255]onbevooroordeeld gade geslagen aap. Al wisten wij van volwassen menschapen ook verder niets anders dan deze twee feiten, 1o. dat zij eer huizen dan nesten bouwen, en 2o. dat zij holle boomen als trom gebruiken, om daarop voor hun vermaak te trommelen, dan reeds zou zulks genoeg zijn om ons tot hetzelfde besluit te leiden, als waartoe de jonge, door ons verzorgde apen dezer groep ons hebben gebracht.M.a.w.om in dezen de meest hoogbegaafde dieren en onze eigene allernaaste bloedverwanten te zien.En nu de apenvraag? Ik zou mogen aannemen, dat ik deze vraag in bovenstaande regelen reeds voldoende heb beantwoord; toch wil ik gaarne mijne opvatting nog iets breeder ontwikkelen.Een iegelijk moet toestemmen, dat de mensch geen vertegenwoordiger is van een bijzonder natuurrijk; hij is slechts een lid van het dierenrijk en nu is het voor iederen onbevooroordeelde duidelijk, dat de apen onze naaste verwanten zijn. Vergelijkt men de apen onderling en met de menschen, dan komt men onvermijdelijk tot de overtuiging, dat het verschil tusschen de klauwapen en de menschapen grooter is dan tusschen deze laatsten en den mensch. In dierkundigen zin kan men dus zelfs niet eens aan de menschen en de apen eene plaats in verschillende orden van de klasse der zoogdieren aanwijzen. Men heeft zulks toch gedaan en doet zulks nog, en noemt de menschen tweehandig, de apen vierhandig, maar hierbij zag men het gewichtigste kenmerk der zoogdieren, het gebit, over het hoofd. Het gebit van apen en menschen is werkelijk zoo zeer aan elkander gelijk, dat dit kenmerk ons dwingt beiden in eene en dezelfde afdeeling te plaatsen. Bovendien zijn ook de bepalingen twee- en vierhandig niet juist; wel bieden de menschen en apen groote verschillen aan, wat den bouw hunner handen en voeten betreft, maar zij vormen daarom nog geen tegenstellingen; de apen zijn even goed tweehandig als wij. Wil men ter plaatsbepaling van menschen en apen dezelfde wetten toepassen, die men zonder uitzondering elders in het dierenrijk aanwendt, dan wordt men gedwongen beide in dezelfde orde te vereenigen. Ik heb ze den naam van „primaten,” of eersten, gegeven.De overeenstemming evenwel, wat de kenteekenen der orde aangaat, moge nu bij alle primaten aan geen bedenking onderhevig zijn, toch blijken er bij eene nauwkeurige beschouwing van menschen en apen verschillen te bestaan, die eene innige versmelting wederom beletten. De evenredigheden in vormen, de betrekkelijke mindere lengte der[256]armen, de breedte en groote bewegelijkheid der handen, de lengte en kracht der beenen, de platte voetzolen, de naakte huid en vooral de mindere ontwikkeling der hoektanden, zijn lichamelijke kenmerken der menschen, wier waarde men niet te gering moet schatten, ja, die belangrijk genoeg zijn om beiden althans tot verschillende familiën te brengen, zoo niet tot twee verschillende onderorden. Trekt men verder nog den meerderen aanleg van den mensch in den kring der beschouwingen, vergelijkt men zijn bewegingen, zijn gearticuleerde spraak, zijn geestelijke vermogens met de overeenkomende fakulteiten der apen, dan voorzeker gevoelt men zich nog meer gedrongen tot bovengenoemde onderscheiding.MANTELBAVIANEN.MANTELBAVIANEN.Blinde aanhangers der evolutieleer, door Darwin gegrondvest en door anderen verder uitgewerkt, overschrijden gedachtenloos die grenzen; wie nadenkt kan zich niet aan hunne zijde scharen. Hoe bevredigend, om zoo te zeggen hoe waarschijnlijk de Darwinistische leer ook zijn moge, meer dan eene zinrijke hypothese is zij tot dusverre niet, en onomstootbare bewijzen voor hare waarheid kon zij tot heden niet bijbrengen. Veranderlijkheid der rassen en variëteiten kan men bewijzen en zelfs in ’t leven roepen, de omvorming van de eene soort in eene andere werd tot nog toe voor geen enkel geval bewezen. En zoolang laatstgenoemd bewijs nog niet is geleverd, zoo lang behouden wij ook het recht menschen en apen als van elkander verschillende wezens te beschouwen en de afstamming van den een uit den ander te ontkennen. Elke poging om een gemeenschappelijken voorvader te ontdekken, elke poging om een stamboom van den mensch te ontwerpen, kan hierin niets veranderen, want de ware natuurwetenschap vergenoegt zich niet met verklaringen, maar verlangt bewijzen; zij wil niet gelooven, maar weten.En zoo mogen wij dan onbekommerd aan de apen die plaats inruimen, die het onbevooroordeeld onderzoek hun in de rij der dierlijke wezens aanwijst. Als de op ons het meest gelijkende dieren, of als onze naaste verwanten in dierkundigen zin mogen wij hen beschouwen, maar meerdere rechten ontzeggen wij hun te eenenmale. Veel, wat den mensch geschonken werd, viel ook hun ten deel; van het werkelijke menschdom scheidt hen nog eene breede klove. Veel van den mensch, maar niet de geheele mensch werd in hen belichamelijkt en vergeestelijkt.[257]

[Inhoud]IX.DE APEN.ScheikKemal el Din Demirieen geleerd Arabier, die omstreeks het jaar 1405 te Damaskus stierf, verhaalt, hierbij steunende op eene uitspraak van den profeet, in een door hem vervaardigd boek, „Heiat el Heiwan” of „Leven der dieren” de volgende wonderlijke geschiedenis:„Langen tijd voordat Mohammed, de profeet en afgezant des albarmhartigen Gods, het licht des geloofs had ontstoken, zelfs vroeger nog dan Issa of Jezus van Nazareth heeft geleefd en geleerd, bewoonde eene talrijke joodsche bevolking de stad Aila aan de Roode Zee. Zij bestond echter uit zondaren en onrechtvaardigen voor het aangezicht des Heeren; want zij ontheiligden voortdurend den dag des Heeren, den heiligen sabbath. Tevergeefs waarschuwden vrome en wijze mannen de zondige bewoners der goddelooze stad; deze bleven spotten met de geboden des Allerhoogsten. Toen verlieten de boetpredikers de stad des onheils, schudden het stof van hunne voeten en besloten elders Ellohim te dienen. Het heimwee en ’t verlangen naar hunne verwanten dreef hen echter na drie dagen reeds weder naar Aila terug. De stad bood hun nu evenwel een vreemden aanblik. De poorten waren gesloten, de tinnen der muren nochtans onbezet, zoodat de mannen ongehinderd de muren konden beklimmen. Maar ook de straten en pleinen der ongelukzalige stad waren ledig. Daar, waar anders een levendige menschenmassa zich bewoog, waar koopers en verkoopers, priesters en beambten, handwerkslieden en visschers in een bont gewemel elkander gewoonlijk verdrongen, daar zaten, liepen en klommen reusachtige bavianen, en uit de balkons en vensters, van de zolders en daken, waar anders zwartoogige vrouwen toefden, keken bavianenwijfjes op de straten neder. En al die reusachtige apen, alsmede de schoone apinnen hadden een somber en ontsteld voorkomen; zij zagen droefgeestig op de teruggekeerde pelgrims neêr, drukten zich smeekend tegen hen aan en kermden jammerlijk.[227]Ontzet en huiverend aanschouwden de vrome pelgrims het akelig wonder, totdat een hunner op de pijnlijke gedachte kwam, dat deze bavianen wellicht hunne voormalige, nu tot dieren vernederde verwanten waren.Ten einde hieromtrent zekerheid te erlangen, ging de vrome man naar zijn eigen huis. Hier zat in de deur almede een baviaan; deze sloeg echter, toen hij den rechtvaardige zag naderen, treurig en vol schaamte de oogen neder. „Zeg mij, bij Allah den Albarmhartige, o baviaan,” zoo vroeg de wijze aan den aap, „zijt gij mijns broeders zoon Ibrahim?” En treurig antwoordde de baviaan: „Ewa, ewa”—„ja, ik ben het.”Toen viel elke twijfel bij den vromen man weg, en hij erkende nu met een beklemd hart, dat hier een zwaar Godsgericht was voltrokken, en dat de goddelooze sabbathschenders in apen waren veranderd geworden.”ScheikKemal el Dintwijfelt, wel is waar, geen oogenblik aan dit wonder, maar kan toch, als denkend mensch, niet nalaten de meening uit te spreken, dat er wellicht bavianen hebben geleefd voordat er joden bestonden.Wat ons betreft, hoe aardig bedacht en verteld deze geschiedenis ook zijn moge, wij sluiten ons te gereeder aan deze opvatting aan, daar de apen, met welke de vrome ijveraars van Aila te doen hadden, oude en goede bekenden van ons zijn. Want in Arabië huizen eenig en alleen de hamadryas- of mantelbavianen. Wij vinden deze soort echter op de oudste Egyptische gedenkteekens reeds nauwkeurig afgebeeld, terwijl het de haartooi dezer dieren was, welke den ouden Egyptenaren zoo opvallend voorkwam, dat zij dien als voorbeeld kozen en er hun sphinxen mede sierden, even gelijk hij nog heden ten dage als voorbeeld dient voor den haartooi der donkere schoonen van Oost-Soedan. De mantelbaviaan namelijk speelt in de oud-Egyptische godenleer eene voorname rol, zooals wij o.a. leeren uit het werk van den hieroglyphenverklaarderHorapollon. Volgens dezen werden die apen in de tempels gehuisvest en na hun dood gebalsemd. De mantelbaviaan gold voor den uitvinder der schrijfkunst en dus voor een, niet alleen den vader der wetenschappen, Thot of Merkurius geheiligd, maar ook den Egyptischen priester aanverwant wezen; hij werd dan ook bij zijn plechtigen intocht in het heiligdom aan eene proef onderworpen, doordien de opperpriester hem een schrijftafel, inkt en pen in de hand drukte en hem beval te schrijven, opdat men erkennen mocht of hij waardig was te worden opgenomen; men beweerde, dat hij in eene[228]geheimzinnige betrekking stond tot de maan, dat deze alzoo een ongewonen invloed op hem uitoefende; men schreef hem eindelijk het talent toe, den tijd op zulk eene zichtbare wijze in te deelen, datTrismegistusnaar zijn voorbeeld en aanwijzing wateruurwerken vervaardigde, die, evenals hij, dag en nacht elk in twaalf gelijke deelen verdeelden. Wij zijn dus aan dezen aap niet alleen het letterschrift verschuldigd, maar tevens ook de tijdsverdeeling.Het verdient opmerking, dat de oude Egyptenaren wel geloof sloegen aan hunne familieverwantschap met de apen, maar geenszins gedacht hebben aan eene afstamming van deze wezens.Zulk een opvattingswijze omtrent de familierelatie tusschen menschen en apen ontmoeten wij het eerst bij de Indiërs. Onder dezen heerscht sedert onheugelijke tijden het geloof, dat althans enkele koninklijke familiën van een, in Indië voor heilig gehouden in zekeren zin als een goddelijk wezen beschouwden slankaap, den hulman, afstammen, terwijl de zielen der afgestorven koningen in het lichaam van dezen aap terugkeeren. Een der regeerende dynastieën beroemt zich zelfs op deze afkomst, door zich den titel te geven van „gestaarte Rana.”Gelijke denkbeelden als bij de Indiërs in zwang zijn, hebben zich in onzen tijd ook weder opgedaan, en de apenvraag, om mij zoo eens uittedrukken, heeft veel stof doen opwaaien. Wetenschappelijke, voor ’t gewone publiek onverstaanbare uiteenzettingen, hebbenhiereen heiligen toorn opgewekt om dien in lichte laaie vlammen te doen ontvonken,gindsde denkers in twee vijandige kampen voor en tegen verdeeld, die ieder vurig hunne eigen meening bepleiten. Het wetenschappelijk onderzoek van geheel vreemde elementen hebben den strijd opgenomen, zonder te weten, of zelfs te vermoeden voor welk doel deze eigenlijk gevoerd wordt, en dien op een terrein overgebracht, alwaar hij slechts onheil kan stichten, en waardoor eene verwarring is uitgelokt, die niet gemakkelijk weder zal worden weggenomen. Over apen te spreken is alzoo een gevaarlijke zaak geworden; men loopt daarbij gedurig gevaar òf den geduchten stamvader, òf door hem den vermeenden nakomeling te vernederen—afgezien nog van de smaadredenen der afschuwelijkste soort, waarmede onbeschaafde, in blinde woede tegen het tijdsbewustzijn vechtende ijveraars, onverwijld een ieder overladen, die zich maar verstout het woord „aap” uit te spreken.Toch zal de apenvraag nog niet zoo spoedig van de agenda van den dag verdwijnen; want deze wezens, die ongetwijfeld onze naaste verwanten[229]in het dierenrijk zijn, verdienen in te hooge mate onze belangstelling, dan dat wij ons door bovengenoemde overwegingen zouden laten weêrhouden iets dieper in hun leven in te dringen en daarmede ons eigen doen en laten te vergelijken, ten einde op deze wijze ons niet alleen een juister voorstelling van de apen, maar ook van de menschen te vormen.Het volgende zij daartoe een bijdrage. Het valt moeilijk in weinige woorden een algemeen levensbeeld—want daartoe wil ik mij bepalen—van deze zoo zeer van elkander onderscheiden dieren te schetsen. Zij bewonen in ongeveer vier-, in elk geval in veel meer dan driehonderd soorten, alle deelen der aarde, Australië alleen uitgezonderd, en wel voornamelijk de tropische gewesten. In Amerika strekt zich het verbreidingsgebied dezer dieren uit van den 28stenZuiderbreedtegraad tot aan de zee der Antillen; in Afrika van 35°Z.Br.tot aan de straat van Gibraltar; in Azië van de Soenda-eilanden tot Japan; in Europa vindt men ze enkel op de rotsen van Gibraltar, alwaar sedert onheugelijke tijden een troep van ruim twintig magots of kortstaartige macaco’s, onder de bescherming der bezetting, in wezen blijft. Bosschen en rotsachtige gebergten, die tot twee en een half duizend meter hoogte beklommen worden, zijn hunne woonplaatsen. Hier zoowel als ginds verblijven zij, enkele soorten uitzonderd, jaar in, jaar uit, ofschoon in zooverre rekening wordt gehouden met de jaargetijden, dat zij, met het oog op de rijpe vruchten, meer of minder uitgestrekte tochten door de bosschen ondernemen, of tegen den aanvang van het warme jaargetijde zich hooger op het gebergte begeven om tegen het koele seizoen weder omlaag te dalen. Want ofschoon men ze zelfs nog op met sneeuw bedekte velden aantreft, zijn zij zoowel beminnaars van de warmte als liefhebbers van een overvloedige en lekkere tafel. Waar zij voor langen of onbeperkten tijd hun woonsteden zullen opslaan, daar moet iets te knabbelen en te eten vallen; zoo niet, dan gaan zij verhuizen. Bosschen in de nabijheid van menschelijke volkplantingen zijn in hun oogen een waar paradijs; de verboden boom hindert hen niet. Maïsvelden, suikerrietplantages, tuinen met ooftboomen, bananen, pisangs en meloenen beschouwen zij als hun wettig erfdeel; streken, alwaar het godsdienstig geloof der inwoners hun bescherming verleent, zijn hun natuurlijk eveneens een welaangename verblijfplaats.Alle apen, de anthropomorphen wellicht alleen uitgezonderd, leven in troepen van soms aanzienlijke sterkte, die door een oud mannetje[230]worden aangevoerd. Tot deze waardigheid wordt alleen hij verheven, die de sterkste armen en de langste tanden bezit. Terwijl bij die zoogdieren, welke een vrouwelijk individu met de leiding belasten, alle andere individuen der kudde gewillig volgen, eischt de aanvoerende aap, als onbeperkt alleenheerscher der ergste soort, onbepaalde gehoorzaamheid. Wie niet goedschiks zich onderwerpt wordt door beten, knijpen en stooten tot zijn plicht gebracht. De aanvoerder wil slaafsche onderwerping, zelfs van den kant der apinnen. Ridderlijke galanterie tegenover het zwakkere geslacht kent hij niet: „door geweld verovert hij het loon der min;” zijn tucht is gestreng, zijn wil onbuigzaam. Geen apenjongeling verstout zich met een apenmeisje te minnekoozen, geen apin zou het bestaan een anderen aap dan den aanvoerder liefde te bewijzen. Hij zelf heerscht onbeperkt over zijn harem, en zijn geslacht vermenigvuldigt zich als dat van Abraham, Izaäk en Jakob, gelijk het zand aan den oever der zee. Wordt de kudde te talrijk, dan scheidt zich een gedeelte onder aanvoering van een inmiddels opgegroeiden jongeling af om een eigen staat te gronden. Tot zoolang werd de eerste algemeen geacht, geëerd en gevreesd. Oude, ervaringrijke apenmoeders zoowel als jonge bakvischjes zijn er op uit hem te vleien, en beijveren zich om het zeerst hem den allergrootsten dienst te bewijzen, dien men in ’t algemeen een aap kan bewijzen, n.l. zijn haarkleed te zuiveren van alle daar niet thuis behoorende zaken. Van zijnen kant laat hij zich deze hulde welgevallen met het air van een pacha, wiens voeten worden gereinigd door de meest geliefde slavin. De achting, die hij zich wist te verwerven, verleent hem zekerheid en waarde in zijn optreden, de strijd, waarin hij niettemin voortdurend is gewikkeld, waakzaamheid, moed en zelfvertrouwen, de noodzakelijkheid zijn heerschappij te handhaven omzichtigheid, list en geslepenheid. Terwijl deze eigenschappen hemzelf in de eerste plaats ten goede komen, zijn ze tevens der gemeenschap van nut en zijne onbeperkte heerschappij erlangt daardoor kracht van wet en duurzaamheid. Door hem geregeerd en geleid, voert de troep, ofschoon inwendig beroerd door geweldige stormen, naar buiten veilig, daardoor een behagelijk leven.Alle apen, de weinige soorten van nachtapen uitgezonderd, werken des daags en rusten gedurende den nacht. Eerst geruimen tijd, nadat de zon is opgegaan, staan zij uit den slaap op. Hun eerste bezigheid bestaat daarin, dat zij zich in de zon koesteren om zich daarna te[231]wasschen. Is de nacht koud en guur, dan dringen zij zoo dicht mogelijk opeen, ten einde den invloed dier weinig verkwikkelijke omstandigheid zoo goed mogelijk te ontgaan.Maar niettemin rillen zij bij ’t opstaan nog dikwijls zoo van de koû, dat zij genoodzaakt zijn zich geruimen tijd in ’t zonnetje te koesteren. Zoodra de nachtdauw is opgedroogd verlaten zij de slaapplaats, klauteren langzaam naar de hoogste toppen der boomen of rotsen, zoeken een zonnig plaatsje uit, en keeren nu beurtelings alle lichaamsdeelen achtereenvolgens naar de zon. Is de pels gedroogd en behoorlijk verwarmd, dan ontwaakt de begeerte het haarkleed te reinigen; vol ijver begeeft zich een ieder aan dezen arbeid, of bewijst dien dienst aan een ander om op zijne beurt gelijke weldaad terug te ontvangen.Is ook deze plechtigheid afgeloopen, en het haarkleed, zoo noodig, gekamd, dan laat zich de behoefte aan het ontbijt gevoelen. Die behoefte is doorgaans gemakkelijk te bevredigen, daar de apen alles lusten, en het planten- en dierenrijk beide, bijdragen moeten leveren. Bosschen zoowel als bergruggen schenken vruchten, blad- en bloemknoppen, vogelnesten met eieren of jonge vogels, slakken en insekten, de tuinen ooft en groenten, de akkers graan en peulvruchten. Hier wordt een rijpe aar afgebroken, ginds een sappige vrucht geplukt, in de hoogte een nest geplunderd, op den grond een steen omgekeerd, in de bewoonde streek een tuin gebrandschat of een akker geplunderd; overal wordt iets weggenomen. Elke aap verwoest daarenboven, als hij tijd heeft, nog tienmaal meer dan hij nuttigt, en is daarom een plaag voor landbouwer en tuinman. Bij den aanvang van zulk een rooftocht tracht ieder allereerst den eersten honger te stillen; men is niet kieschkeurig, eet alles wat voorkomt, en stopt de wangzakken, indien zij deze bezitten, nog daarenboven propvol; is aan de eerste behoefte voldaan dan begint de aap alles op de onbeschaamdste wijze te keuren en te kritiseeren; elke gebroken aar, elke afgeplukte vrucht wordt beroken, betast, bekeken, alvorens die op te eten, en in de meeste gevallen wordt het een zoowel als het andere weggeworpen, naar iets nieuws gezocht en hiermede eveneens gehandeld. „Wij zaaien en de apen oogsten” zoo klaagden mij eens de bewoners van Oost-Soedan, en zij hadden gelijk. Tegen zulke dieven verleenen heg noch muur beschutting, slot noch grendel; zij klimmen over de heiningen en openen de laatste. En wat zij niet verslinden wordt mee naar huis[232]gedragen. Het is een prachtig maar tevens een droevig gezicht, dat zulk een troep plunderende apen oplevert; ook in dit bedrijf spreiden zij, evenals in hun geheele wezen, driestheid, sluwheid, overmoedigheid, genotzucht en voorzichtigheid ten toon, en niet minder komt daarin hun onbeschaamdheid, list en boosaardigheid uit. Hoe gevaarlijker de onderneming is, hoe meer al deze eigenschappen aan ’t licht treden. Men loopt, klautert, springt,—in tijd van nood wordt er zelfs gezwommen,—om elken hinderpaal uit den weg te ruimen, terwijl men onder dit alles geen enkel oogenblik de veiligheid uit het oog verliest. De aanvoerder gaat steeds vooruit, lokt, roept, vermaant, waarschuwt, bromt, scheldt en bestraft, al naar bevind van zaken; de troep volgt en gehoorzaamt, zonder echter geheel en al zich op hem te verlaten. Bij gevaar denkt ieder individu ’t allereerst om eigen lijfsbehoud en schaart zich eerst later weder om zijn aanvoerder; alleen de moeders, die kinderen aan de borst hebben of deze op den rug dragen, vormen eene uitzondering, daar zij om ’t lot van haar kroost meer bezorgd zijn, of althans schijnen te zijn, dan om zichzelf.Op tochten, waaraan geen gevaar verbonden is, wordt nu en dan halt gehouden; dan hebben ook de kinderen gelegenheid om met elkander te spelen. Onder gevaaraanbrengende omstandigheden volgt eerst na het einde van den tocht een korter of langer tijd van rust en ontspanning; ter bevordering der spijsvertering houdt men dan ook wel eens een middagslaapje. In den namiddag wordt een nieuwe strooptocht ondernomen, en tegen zonsondergang begeeft zich de bende naar de gewone slaapplaatsen, die zoo goed mogelijk tegen de aanvallen van gevaarlijke roofdieren beveiligd zijn, om hier, ofschoon eerst na langdurig krakeel en getwist, schelden en kijven de welverdiende rust te zoeken en te vinden.Enkele tochten uitgezonderd, die of uit nood worden ondernomen, of kans bieden op een meer dan gewonen oogst, gaat het op deze wijze vrij geregeld dag aan dag voort. De voortplanting, die bij het meerendeel der andere dieren gewoonlijk groote veranderingen in de levenswijze te voorschijn roept, oefent op de apen geen merkbaren invloed uit; deze toch is aan geen bepaald tijdstip gebonden en de apenmoeder sleept overal haar jong mede. Meestentijds wordt er maar één kind tegelijk geboren; het komt goed ontwikkeld en dus met open oogen ter wereld. De apenjongen zijn evenwel naar onze begrippen afschuwelijke wezens en in weêrwil der reeds vergevorderde ontwikkeling[233]zeer hulpbehoevende schepseltjes. Afschuwelijk zijn zij in onze oogen, omdat de geplooide gezichtjes en de levendige oogjes hun een oudachtig voorkomen geven, en het nog dunne haarkleed de buitendien reeds lange voorste ledematen nog langer doet schijnen; hulpbehoevend zijn ze, omdat zij van de ledematen nog geen ander gebruik weten te maken dan er zich mede aan de borst der moeder vast te klampen. Hier hangen zij, met armen en handen den hals, met beenen en voeten den buik der moeder omklemmende, weken lang zonder eenig ander lichaamsdeel dan het hoofd te bewegen; dientengevolge is de moeder in staat alle gewone bezigheden te verrichten, zelfs evenals vroeger op de gevaarlijkste wegen te loopen of halsbrekende sprongen te doen, zonder dat zij daarbij van haar kind eenigen last ondervindt. Eerst na geruimen tijd, zelden vroeger dan na verloop van eene maand, beginnen de kleinen enkele bewegingen uit te voeren, doch handelen daarbij zoo plomp, dat het eer ons medelijden dan onzen lachlust opwekt. Deze gedrochtjes worden echter, misschien wel juist om die hulpeloosheid, door de moeders met zulk eene teederheid behandeld, dat de uitdrukking „apenliefde” zeer gepast mag heeten. Altijd is de apenmoeder met haar kleintje bezig. Dan likt zij het, dan zuivert zij het, dan legt zij het aan de borst, dan neemt zij het in de handen, en beschouwt het met innig welbehagen, dan schommelt zij het, als wilde zij haar kind in slaap wiegen.Wordt zij bespied, zij keert zich om als misgunde zij aan andere wezens het gezicht van haar lieveling. Is de laatste wat ouder en bewegelijker geworden, dan verkrijgt hij een enkele maal verlof de moederborst te verlaten om met andere kindertjes van gelijken leeftijd te spelen, maar steeds staat hij onder streng toezicht, en ontvangt hij bij de geringste ongehoorzaamheid stompen en knepen. Tot het voedsel zelfs strekt zich de zorg der moeder uit. Hoe gulzig deze anders ook zijn moge, met haar kind deelt zij elke bete, maar duldt echter niet, dat het door haastig of te veel eten zich ziek zou maken; in zoodanige gevallen laat zij haar moederlijk gezag gelden. Zelden evenwel is een ernstige bestraffing noodig, want het apenkindje is gewoonlijk voorbeeldig gehoorzaam, zoodat het in dit opzicht menig menschenkind tot voorbeeld kan strekken. Roerend is het gedrag der moeder, wanneer haar lieveling pijn heeft; wanhopig stelt zij zich aan, wanneer het sterft. Uren, ja dagen lang sleept zij het kleine lijkje overal mede, weigert alle voedsel, blijft wezenloos op dezelfde plek zitten en kniest[234]zich dikwijls letterlijk dood. Het apenkindje is echter voor zulk een gevoel niet vatbaar, en is er ook beter aan toe dan menig menschenkind, indien het zijn moeder verliest. Want het eerste het beste medelid der troep, ’t zij mannetje of wijfje, trekt zich het lot van den armen wees aan, en vindt op deze wijze bevrediging voor de allen apen aangeboren zucht, voor moedertje te spelen, liefkoost het op het innigste—maar komt helaas! ook niet zelden ter wille van het lieve eten, in tweestrijd met zijn beter ik, zoodat het pleegkind, zoo ’t zich niet reeds alleen weet te helpen, erbarmelijk honger lijdt, en wel eens van gebrek sterft.Het valt moeilijk, zoo niet onmogelijk, eene juiste beschrijving te geven van de verstandelijke vermogens en talenten der apen, daar deze even verschillend zijn als zij zelf. Enkele trekken zijn aan allen gemeen; verreweg de meeste eigenaardigheden van hun wezen wijken zeer van elkander af. De aanleg, die bij den eenen aap nauwelijks merkbaar is, springt bij een ander duidelijk in ’t oog; dezelfde karaktertrek, die hier sterk voorkomt, wordt elders te vergeefs gezocht. Wanneer men evenwel, de familiën, geslachten en soorten vergelijkend in deze beschouwingen opneemt, dan neemt men eene inderdaad verrassende en ongedachte opklimming waar van alle talenten en vermogens. Het is zeer leerrijk op deze wijze te werk te gaan.Als de minst ontwikkelde leden der orde moeten wij deklauwapenofeekhoornapenvan Zuid- en Middel-Amerika beschouwen; dit zijn levendige, kleine, fraaie en onderling veel gelijkenis met elkander vertoonende dieren. Zij hebben wel is waar hetzelfde gebit als de hoogere soorten, maar dragen echter alleen aan de duimen platte nagels, aan de overige teenen en vingers daarentegen smalle, lange klauwachtige nagels, waardoor dus de handen en voeten, althans de handen tot pooten gedegradeerd worden. En met deze uitwendige kenmerken komen de intellektueele eigenschappen overeen. Het apendom is als het ware bij deze soort nog niet tot volle ontwikkeling gekomen. In vorm en kleur zoowel als in houding, gedrag en hun geheele zijn, zelfs in hun stem herinneren zij aan de knaagdieren. Zij zitten bijna nooit, zooals andere apen, rechtop, hoogstens evenals de eekhoorntjes, maar meestal steunen zij op alle vier ledematen; ook klauteren zij niet zooals de andere leden der orde, los en gemakkelijk, met handen en voeten de takken omklemmende, maar meer op de wijze der knaagdieren, met ingetrokken klauwen, zich tegen de voorwerpen[235]aandrukkende, in sprongen—toch evenwel niet langzaam en plomp.Zeer verschillende van die der hoogere apen is hunne stem; het geluid, dat zij geven, is een in de hooge tonen zich bewegend gefluit, dat nu eens herinnert aan het gekweel van vogels, dan eens aan het gepiep van ratten en muizen, ja wellicht nog de meeste overeenkomst bezit met het stemgeluid der Guineesche biggetjes. Volkomen knaagdierachtig is hun gedrag; zij laten dezelfde onrust en bewegelijkheid, dezelfde nieuwsgierigheid, schuwheid en angst, dezelfde ongedurigheid als de eekhoorntjes blijken. Het kopje is geen enkel oogenblik in rust en de donkere oogen richten zich nu op het eene, dan op het andere voorwerp, maar altijd vol drift en schijnbaar zonder veel bewustheid, hoe verstandig zij overigens ook mogen kijken. Alle handelingen getuigen van weinig overleg. Onwillekeurig volgen zij de ingeving van het oogenblik en vergeten het daarop volgende waar zij meê bezig waren, zoodra een nieuw voorwerp hun opmerkzaamheid trekt. Zij zijn luimig in den hoogsten graad; zoo even goed gehumeurd en schijnbaar tevreden met hun lot, gelukkig door eene vriendschappelijke bejegening, grijnzen zij eene seconde later hun weldoeners aan, houden zich alsof zij ten uiterst bevreesd zijn en hun leven op het spel staat, laten de tanden zien en pogen te bijten. Even prikkelbaar als apen en knaagdieren, ontbreekt hun toch het persoonlijke, dat vooral de hoogere apen teekent; de een toch handelt precies zoo als de ander, als het ware zonder zelfbewustzijn, en altijd kleingeestig. Zij bezitten alle eigenschappen van bloodaards; de jammerlijke stem, den onwil om zich in ’t onvermijdelijke te voegen, de beklagenswaardige wijze, waarop zij alle gebeurtenissen opnemen, een ziekelijke neiging om elke handeling van een ander schepsel wantrouwend en als henzelf geldend te beschouwen, de zucht om te pralen, wanneer zij een denkbeeldig of wezenlijk gevaar uit den weg trachten te gaan, machteloosheid in willen en doen. Juist omdat zij zoo weinig apen zijn worden zij door de vrouwen in bescherming genomen, maar door de mannen geminacht.Op hoogeren trap van ontwikkeling staan de eveneens in Amerika thuis behoorendebreedneusapen, ofschoon ook in dezen de werkelijke aap nog niet recht zichtbaar is. Hun gebit telt in elke kaak eene kies meer dan dat der overige apen; zij bezitten dus geen 32 maar 36 tanden; aan de vingers en teenen zitten enkel platte nagels; het lichaam heeft door de meerdere lengte der ledematen een min of meer slanken vorm en de staart is bij velen een uitstekend grijpwerktuig.[236]Evenals de klauwapen zijn ook zij uitstekende boomdieren en uit dien hoofde zeer onbeholpen en linksch zoodra zij zich op den vlakken grond bevinden. Hun gang is alsdan hoogst onzeker en waggelend, en in dit opzicht onderscheiden die soorten, welke van een grijpstaart voorzien zijn, zich nog het onvoordeeligst; toch is hun klimmen zelfs niet in de verte te vergelijken met dat van de apen der oude wereld. Vermenigvuldiging toch der bewegingswerktuigen behoeft nog geenszins met eene verbetering in, en nog minder met eene vermenigvuldiging van de bewegingen zelf gepaard te gaan, maar kan soms de oorzaak worden van eenzijdigheid. En dit laatste is bij deze apen het geval. Hun grijpstaart is niet hun vijfde, maar hun eerste hand; hij dient hen voor het ophangen of de bevestiging van ’t geheele lichaam, tot het aanhalen van allerlei voorwerpen, als trappen, hangmatten, enz.; maar hij verhaast de bewegingen evenmin als hij die gemakkelijker maakt; hij verlangzaamt ze integendeel door ze meer zekerheid te geven. Daar dit lichaamsdeel onophoudelijk in gebruik wordt gesteld, loopt deszelfs bezitter nimmer gevaar het evenwicht te verliezen en van de veilige hoogte naar beneden in de gevaarlijke diepte te storten, maar het belet hem dan ook elke vrije en stoute beweging. Langzaam zendt hij den grijpstaart als het ware bij elke schrede vooruit; altijd wordt deze het eerst en soms zelfs van voren bevestigd, en eerst nu maakt hij hand voor hand en voet voor voet van de takken, die hij omklemd hield, los. Zoo bindt hij zich meer aan de takken vast, dan dat hij er op en langs klautert, en uit dien hoofde denkt hij er nooit aan een eenigszins koenen sprong te wagen. Deze zich nooit verloochenende zorg voor de beveiliging van het eigen kostbaar ik drukt op deze apen den stempel van verveling en niet dien van bedachtzaamheid. Het is merkwaardig hoe volkomen alle andere begaafdheden der apen van de Nieuwe Wereld daarmede in harmonie zijn. Hunne stem is niet zoo eentonig als die der klauwapen, altijd echter nog onaangenaam. Van jammeren tot brullen doorloopt dat geluid alle daar tusschen gelegen modulaties; het jammerende, het smartelijke heeft echter altijd de bovenhand, en de gedragingen dezer dieren zijn daarmede in volkomen overeenstemming. Warm beschijnt de zon na een koelen, aan dauw rijken nacht de boomen van het oerwoud en strooit hierover haar goud; duizendvoudige begroetingen en jubelkreten stijgen op uit millioenen kelen; ook de brulapen maken zich gereed tot hun danklied. Maar op welke wijze? Op de dorre kruintakken van een[237]reuzenboom geklauterd, die boven alle boomen des wouds uitsteekt, hebben zij zich door middel hunner grijpstaarten op veilige wijze vastgehecht en koesteren zich in het zonnetje. De behagelijkheid, die hun deel is, wekt ook in de brulapen den lust hunne stem te laten hooren. Een individu, dat, naar men zegt, uitmunt door eene hooge, gillende stem, de voorzanger, ziet zijn makkers strak aan en begint; de anderen kijken even strak op den eersten en vallen mede in; een vreeselijk concert weêrklinkt door het woud, nu eens huilend, dan brommend, straks knorrend, gronzend, rochelend, steunend, als waren alle dieren des wouds in moorddadigen strijd gewikkeld. Met afzonderlijke brulgeluiden begint deze vreemde symphonie; zij worden woester en volgen sneller op elkaar, naarmate de aanvankelijk nog niet zichtbare opwinding des voorzangers toeneemt en op de anderen overgaat; het geluid wordt een huilend gebrul, dat eindigt gelijk het is aangevangen. Werpt men een blik op die langgebaarde, ernstige zangers, dan kan men zich moeilijk van lachen onthouden; de alle maat te boven gaande wangeluiden, waaraan zij zich schuldig maken verwekken echter al spoedig een gevoel van verveling, evenzeer als hunne eenzijdige, eer kruipende dan klimmende bewegingen. Wat de een doet aapt de ander gedachtenloos na; maar wat hij ook doen moge, steeds verwekt zijn doen en laten verveling. Alle met een grijpstaart voorziene apen komen vrij wel met de genoemde brulapen overeen; iets vrijer en zelfstandiger gedragen zich de capucijnerapen en enkele andere, meer ontwikkelde leden der familie. In ’t algemeen zijn zij in verstandelijk opzicht even log als zij zulks lichamelijk zijn; evenwel zacht van aard, vertrouwelijk, maar tevens dom, gemelijk, klagend, sommigen ook eigenzinnig, boosaardig en vol streken. Zij staan dus wel is waar boven de klauwapen, maar verre beneden de apen der OudeWereld. Misschien doet men hun geen onrecht met de bewering, dat zij wel de slechte, maar niet de goede eigenschappen van hunne Afrikaansche en Aziatische bloedverwanten bezitten. Hun zachtmoedigheid en goedmoedigheid—die evenwel volstrekt nog niet het kenmerk is van alle soorten—weegt in de verste verte niet op tegen het op allen drukkend gemis aan ondernemingsgeest, moed, opgewektheid, levendigheid, beradenheid, vindingrijkheid en bedachtzaamheid, door welke eigenschappen de apen der Oude Wereld zich voordeelig onderscheiden. Hun eeuwig gejammer en gehuil wischt ook die eigenschappen uit, welke hun nog enkele vrienden onder ons zouden kunnen verwerven.[238]Evenals de apen der Nieuwe Wereld kan men ook die der Oude Wereld in twee groepen verdeelen, die men wellicht tot den rang van familiën zou kunnen verheffen, ofschoon het gebit van allen gelijkvormig is. Wij noemen de eene groephondskopapen, de anderemenschapen; de eerste groep leert ons het ware apendom kennen, de tweede is bereids daarboven verheven. Voor genen geldt hoofdzakelijk wat ik zoo even opmerkte; men vindt er onder zoowel schoone als leelijke, zoowel lieve als terugstootende, zoowel vroolijke als ernstige, zoowel goedaardige als boosaardige apen. Werkelijk misvormde apen komen er niet onder voor, daar ook de leelijke, of althans in onze oogen leelijk schijnende soorten evenredige vormen bezitten; toch treft men er vreemdsoortige kameraads onder aan. Hun voornaamste kenmerk bestaat in den vooruitstekenden snuit, die aan een hond doet denken, in de betrekkelijk korte armen, den tot een stompje verkorten staart, de vrij sterk ontwikkelde eeltplekken en de maar zelden ontbrekende wangzakken. Het gebit bevat 32 aaneengesloten tanden. Deze apen bewonen Europa, Azië en Afrika, maar zijn in laatstgenoemd werelddeel het talrijkst.In eigenschappen en begaafdheden staan zij ver boven de klauwapen en de breedneuzen. Zij kunnen meerendeels goed loopen, alhoewel er onder zijn, die onzen lachlust opwekken door hun hinkenden gang. Het valt hun gemakkelijk op de achterste ledematen te gaan staan; zij richten zich dan in hunne volle lengte op en kunnen dan zelfs in deze houding een eind weg voortkomen. Het zijn daarbij goede klimmers; sommigen oefenen zich hierin op de rotsen, anderen in de boomen. De meesten zijn ook nog uitstekende zwemmers. Die, welke op de boomen leven, klauteren als het ware vliegend, want de acrobatische toeren, die zij in de takken uitvoeren, zijn inderdaad verbazingwekkend. Sprongen van 8 en 10 meter zijn niets ongewoons; uit den hoogsten boomtak springen zij naar den laagsten, doen dezen doorbuigen, en, geholpen door het terugspringen van dien tak, zetten zij den tocht voort naar een anderen. Den staart en de achterste ledematen uitstrekkende, en zich hiermede in evenwicht houdende, doorklieven zij de lucht als een pijl uit den boog. Elke boomtak, al is hij ook met de gevaarlijkste dorens bezet, is hun een gebaand pad, elke slingerplant een weg. Zij klauteren vooruit en achteruit, langs den onderkant der takken zoowel als langs den bovenkant, grijpen onder het springen een dunne twijg, hechten er zich aan vast en blijven onbepaald lang in deze[239]houding zweven, klimmen daarna op den tak en verder, even gemakkelijk als bevonden zij zich op den vlakken grond. Mist de hand, de voet herstelt de fout; breekt de tak onder den plotselingen druk, een tweede of derde wordt gegrepen; breken alle takken, zij springen, uit welke hoogte zij ook mogen vallen, ongedeerd op den grond, om nu langs den eersten den besten stam of de meest nabijzijnde slingerplant, weder omhoog te klauteren. Bij het klevende of kruipende klimmen hunner Amerikaansche verwanten vergeleken, is dat der hondskopapen eene waarlijk vrije, bandelooze, elken hinderpaal wegruimende beweging. Gene zijn stumpers, deze zijn volleerde kunstenaars, gene slaven der boomen, deze beheerschers der takken.Even als hunne bewegingen zulks zijn is ook de stem dezer apen meer volkomen. Men verneemt van hen geen kweelend of piepend, geen klagend of huilend, maar een met den indruk des oogenbliks en de omstandigheden overeenkomend geluid, dat ook voor ons verstaanbaar is. Voor behagen en mishagen, verlangen en tevredenheid, lust en onlust, liefde en haat, goedhartigheid en toorn, vreugde en smart, vertrouwen en wantrouwen, sympathie en antipathie, teederheid en hardvochtigheid, inschikkelijkheid en trots, vooral plotselinge opwellende aandoeningen, zooals vrees, schrik en ontzetting, voor al deze gesteldheden der ziel vinden zij een uitdrukking, hoe beperkt ook overigens hun spraakmiddelen mogen zijn.Hand aan hand gaan met deze de zoogenoemde geestelijke fakulteiten gepaard. Terecht kan men hier opmerken, dat de hand, die bij hen eerst tot zekere ontwikkeling is gekomen, hen boven alle andere dieren grootelijks bevoorrecht, en hen dingen doet doen, die soms grooter schijnen dan zij werkelijk zijn; zoo ziet men hen kunststukken verrichten, die een hond of ander dier onmogelijk zou ten uitvoer kunnen brengen. Toch moet men de apen onder de verstandigste zoogdieren rekenen, die een mate van overleg ten toon spreiden, welke verbaast. Zij hebben een sterk geheugen; de verschillendste indrukken blijven bewaard en hun wikkend verstand verwerkt die indrukken tot ervaringen, die in voorkomende omstandigheden groote diensten bewijzen. Zij handelen met volle bewustzijn en niet als slaven, die zonder eigen wil gehoorzamen aan eene van buiten komende kracht, maar zelfstandig, vrij en met afwisseling; zij weten slim van alles partij te trekken en waar het te pas komt bedienen zij zich van allerlei hulpmiddelen om hun doel te bereiken. Zij onderscheiden oorzaak en gevolg, weten het[240]laatste òf te verijdelen òf te bewerken; zij onderscheiden niet enkel wat goed of wat kwaad voor hen is, maar zij weten zelfs of zij goed of slecht handelen, onverschillig of zij daarbij het standpunt van hun eigen lief ik, of dat van een boven hen staand wezen innemen. Niet het blinde toeval, maar het zich bewust zijn van de gevolgen regelt hun doen en laten, maakt hen afhankelijk van ’t overwegen van ’t betere, noopt hen om gemeenschappelijk te werken en te handelen, leerthenom gezamenlijk zich aansprakelijk te stellen voor het wel en wee van ieder afzonderlijk lid, vreugde en leed, geluk en ongeluk, veiligheid en gevaar, welvaart en gebrek met hem te deelen, m.a.w. een op wederkeerige afhankelijkheid berustend verband te vormen; het onderwijst hen in het gepast aanwenden der hun niet van nature aangeboren krachten en middelen, en drukt hun eindelijk wapens in de hand, die deze laatsten hun niet konden schenken. Wel is waar delft de bezonnenheid dikwijls tegenover hunne driften en neigingen het onderspit, maar juist deze driften getuigen van de levendigheid der gewaarwordingen, of, wat op hetzelfde uitkomt, van de werkzaamheid van hunnen geest. Zij zijn gevoelig als kinderen, prikkelbaar als geestelijk zwakke menschen, en uit dien hoofde ontvankelijk voor elke soort van behandeling, hun aangedaan; voor tegemoetkomende liefde, voor terugstootenden haat, voor aansporenden lof, voor krenkenden smaad, voor streelende vleierij en bitteren hoon, voor liefkoozingen en tuchtiging. En toch laten zij zich niet zoo gemakkelijk behandelen, nog minder africhten als een hond of ander verstandig huisdier, want zij zijn eigenzinnig in den hoogsten graad en bezitten haast evenveel zelfbewustzijn als de mensch. Onvermoeid leeren zij, maar slechts wanneer en voor zooveel zij willen en geenszins dan, wanneer zij er toe gedwongen worden; hun zelfbewustzijn doet hun elk bevel weêrstreven, waarin zij geen voordeel voor zich zelf zien. Wel weten zij zeer goed welke straf hen wacht, en zij geven zulks dikwijls vooraf reeds door passende geluiden te kennen, maar toch weigeren zij te doen wat hun geboden werd; daarentegen volbrengen zij gewillig en onder luide bijvalsteekenen wat hun genoegen verschaft. Hij, die hun zelfbewustzijn in twijfel trekt, moet hen maar eens gadeslaan, wanneer zij zich bezig houden met een ander dier. Zij beschouwen dit, zoo althans geen vrees voor diens sterkte en gevaarlijkheid hen terughoudt, als een speelgoed voor hunne luimen, onverschillig of zij het plagen, foppen of kwellen, of nu en dan met liefkoozingen overladen.[241]Enkele voorbeelden, voor welker waarheid ik in sta, mogen tot bewijs mijner beweringen strekken.Toen ik in het land der Bogo’s reisde, ontmoette ik op mijn eersten rit door het gebergte een talrijke troep dierzelfde mantelbavianen, waarvan Scheik Kemal el Din Demiri gewaagt. Het was een schilderachtig gezicht, deze dieren op de bovenste kammen eener rots te zien zitten, terwijl zij het golvend haarkleed in de zon droogden; ik begroette hen met geweerkogels, zoodat zij in allerijl de vlucht namen. Terwijl ik mijn weg door het nauwe en zeer gewonden rotsdal van Mensa vervolgde, ontmoette ik geruimen tijd later weder denzelfden troep en wel in het dal zelf, dat zij zich gereed maakten over te steken ten einde bescherming te zoeken op de rotsen der overzijde. Een aantal was bereids aan den anderen kant gearriveerd, het grootste deel echter was nog op het punt den overtocht te bewerkstelligen. Onze honden, prachtige, slanke hazewinden, die gewoon waren zegevierend den strijd met hyaena’s en andere roofdieren te bestaan, wierpen zich op de bavianen, die uit de verte gezien meer op carnivoren dan op apen geleken, en dreven deze dieren snel rechts en links naar de rotswanden omhoog. De wijfjes echter alleen vluchtten, de mannetjes vlogen fluks op de honden in, vormden er een kring omheen, brulden, sloegen grimmig met de handen tegen den grond, sperden den muil wijd open, lieten de tanden zien, en zagen hun vijanden zoo woedend en boosaardig aan, dat de anders zoo moedige honden ontzet terugdeinsden en angstig bij ons bescherming zochten. Nog voor het ons gelukte de honden weder tegen de apen op te hitsen, was de toestand der laatsten geheel veranderd, want toen de honden weêr opnieuw op hen aanvlogen, hadden de meesten zich reeds in veiligheid gesteld.Een jonge aap, niet ouder dan een halfjaar, was achtergebleven; toen deze de honden op zich aan zag komen, begon hij verschrikkelijk te schreeuwen, doch wist nog bij tijds een rotsblok te bereiken, alwaar het veilig dacht te zijn. Onze honden handelden met overleg en sneden den aap den terugtocht af, zoodat wij de hoop begonnen te koesteren het diertje op te vangen. Maar het zou niet geschieden. Fier en vol waardigheid, zonder zich in ’t minst te haasten en op ons acht te slaan, stapte een zeer oud mannetje, van de veilige rots afdalende, op het in nood verkeerende jong af, ging, zonder de minste vrees te verraden, de honden tegemoet, hield deze door blikken, gebaren en voor ieder verstaanbare geluiden in bedwang, beklom langzaam het rotsblok, legde het bedreigde[242]apenkind aan zijn borst, en voor wij op de plaats waren gekomen, had hij den terugtocht weêr aanvaard, terwijl de honden geen poot verroerden en hem stil lieten wegtrekken. En onder dit moedig bedrijf van zelfopoffering hoorde men in het dichte kreupelhout der rotshelling, werwaarts de apen zich hadden begeven, tonenweêrklinken, zooals ik nog nooit van bavianen had gehoord. Ouden en jongen, mannetjes en wijfjes brulden, gilden, knorden, bromden, blaften door elkander en verwekten een geschreeuw alsof zij met panters en dergelijke gevaarlijke roofdieren in gevecht waren geraakt. Het was, gelijk ik later ontdekte, het veld- of krijgsgeschreeuw der apen, dat ik hoorde; zij hadden daarmede ten oogmerk om de honden schrik aan te jagen, misschien ook wilden zij daarmede moed inblazen aan den onversaagden ouden ridder, die zich onder hunne oogen in het dreigendste gevaar begaf.Eenige dagen later zou ik ervaren, dat deze zelfbewuste dieren het ook tegen den mensch durven opnemen. Bij mijn terugkomst uit het land der Bogo’s stieten wij nogmaals op een, misschien denzelfden troep; van uit het dal openden wij uit zeven dubbelloopsgeweren een moorddadig vuur op hen. De uitwerking was onbeschrijfelijk. Dezelfde oorlogskreten, die ik vroeger had gehoord, klonken ook nu weder, en als op het bevel van een generaal rustten zich allen ten strijde. Terwijl de gillende wijfjes met de jongen ijlings wegvluchtten, en, over den kam der rotsen spoedende, zich buiten bereik onzer wapenen stelden, betraden de oude mannetjes, met van woede fonkelende blikken, terwijl zij de handen tegen den grond sloegen, eer blaffend dan brullend, de vooruitstekende steenen en rotspunten, overzagen eenige oogenblikken onder voortdurend luid gebrom, geknor en gegil, de diepte, en begonnen daarop met zooveel drift en behendigheid ons met steenen te bombardeeren, dat wij het gevaarlijke onzer positie terstond inzagen en op de vlucht sloegen. Indien wij niet in staat waren geweest tegen de overstaande hellingen van het nauwe dal naar boven te klimmen, om ons op deze wijze in zekerheid te stellen tegen het geschut der apen, wij zouden het onderspit hebben gedolven. De verstandige dieren handelden bij hunne verdediging niet alleen stelselmatig, maar daarenboven, gemeenschappelijk naar één doel strevend, in onderling overleg en samenwerking. Een onzer zag zelfs hoe een der strijders zijn steen op een boom droeg, om dien van hier uit met meer effekt naar ons toe te slingeren; ik zelf nam waar dat twee apen gezamenlijk een zwaren steen aan ’t rollen brachten.[243]Tot zulke middelen van tegenweer grijpt geen enkel ander dier dan de boven allen verheven aap, evenmin als het mannetje eener andere diersoort zich aan gevaren blootstelt om een hulpeloos jong te redden. Zulke trekken mogen niet geloochend of verkeerd beoordeeld worden; want zij getuigen luider en beter voor zichzelf dan alle spitsvondige uiteenzettingen, die ten doel hebben aan het dier verstand en zelfbewuste handelingen te ontzeggen.Hoe juist de hondskopapen oorzaak en gevolg weten te onderscheiden, kan ieder bij eigen ervaring waarnemen, die deze dieren onbevooroordeeld nagaat. Zij openen deuren en vensters, schuifladen, kasten en doozen, maken knoopen los; zij weten hinderpalen uit den weg te ruimen, niet alleen wanneer zij eenmaal hebben opgemerkt hoe men daarbij te werk gaat, maar zij vinden zelf middelen uit om daartoe te geraken. Zekere baviaan, dien ik verzorgde en in mijn gezin had opgenomen, pakte eens eene jonge kat met het voornemen, dit beestje tot pleegkind aan te nemen en er moedertje over te spelen. De aap werd eens door het dier gekrabd; hij stelde terstond een onderzoek in naar de vermoedelijke oorzaak, en toen hij bevond dat de nagels als zoodanig moesten beschouwd worden, beet hij deze organen onmiddellijk af, overtuigd dat hij nu voortaan gevrijwaard zou zijn tegen eene herhaling van deze onaangename bejegening. Denzelfden baviaan werd nu eens door mijn broeder dan door mijzelf herhaaldelijk schrik aangejaagd, doordien wij buskruit op den grond strooiden en dit aanstaken. Het plotseling ontvlammende kruit veroorzaakte den aap zulk een hevigen angst, dat hij elken keer luidkeels begon te schreeuwen en zoo ver weg sprong als het touw, waaraan hij vastgebonden was, toeliet. Nadat dit tooneel eenige malen was herhaald, kwam de baviaan op den inval het ontvlammen te voorkomen door eerst het stuk zwam met de hand uit te dooven, en daarna het buskruit eenvoudig op te eten. Een ander maal werd hij zelf de oorzaak van zijn angst. Even als alle apen, geen uitgezonderd, was hij uitermate bevreesd voor reptielen, inzonderheid voor slangen; wij hadden hierin grooten schik en plaagden hem daarom dikwijls door eene levende, doode of opgezette slang in eene groote blikken doos te doen, dien wij hem gesloten toereikten. Hij kende ten laatste doos en inhoud volkomen, maar niet in staat zijne nieuwsgierigheid te bedwingen, opende hij telkens weder de doos om onmiddellijk daarna met een luiden schreeuw weg te loopen.[244]Niet tevreden met de kennis van werkelijk aanwezige oorzaken, zocht deze aap, indien hem eene onaangenaamheid bejegende, naar ingebeelde oorzaken.Iets of iemand moest van zijn leed de schuld zijn, dit stond bij hem vast. En zoo keerde zich soms zijn volle woede tegen den eersten den besten, dien hij in ’t gezicht kreeg. Werd hij b.v. bestraft, dan richtte zijn toorn zich niet op zijn heer en meester, maar op dengene, die toevallig bij die bestraffing tegenwoordig was; deze was in zijne oogen de oorzaak der snoode behandeling, die hij van de zijde zijns anders zoo goedaardigen gebieders ondervond. Even als onverstandige menschen in dergelijke gevallen ook gewoon zijn te doen, verdacht hij dus onschuldigen.Ofschoon zelf buitengemeen gevoelig voor eene hem aangedane of toegedachte onrechtvaardige behandeling, zoo ook indien men hem plaagde of kwelde, kon onze baviaan het toch nimmer nalaten andere dieren te sarren, ja te mishandelen. Onze oude, knorrige dashond hield eens, genoegelijk in de zon uitgestrekt, zijn middagslaapje. De baviaan zag zulks, sloop voorzichtig naar de plaats, waar de hond lag, beschouwde het dier aandachtig met zijn duivelsche, boosaardige oogjes, om zich te overtuigen, dat de hond werkelijk sliep, pakte vlug diens staart en bracht het beest door krachtig aan dat orgaan te trekken uit de wereld der droomen in die der werkelijkheid terug.Grimmig trachtte de hond dezen hoon te wreken en sprong op den twistzoeker los.Deze echter ontkwam de dreigende straf door vlug over den hond heen te springen; hij had in ’t volgende oogenblik wederom den staart van dit dier gegrepen, daar weêr aan getrokken, zich vermakende met de machteloosheid van zijn vijand, totdat deze met beveiligden, d.i. met opgetrokken staart, razend van toorn en woede, tot blaffen niet meer in staat, schuimbekkend het hazepad koos om zijn tegenstander het veld te laten. Zoo de baviaan had kunnen lachen, zou er niets meer ontbroken hebben aan de overeenstemming tusschen zijne handelwijze en die van een boosaardig mensch. Niettemin werd de overwonnen hond op zeer verstaanbare wijze met spot en schimp overladen. Elke plagerij, hem zelven daarentegen aangedaan, nam de aap zeer euvel op en reeds het lachen van den een of anderen guit kon hem in woede doen ontsteken, terwijl hij niet naliet zich op zoo iemand te wreken zoodra hij de kans schoon zag, al mochten er ook[245]weken verloopen zijn sedert het feit was bedreven. Hij was een „aap”, hij gevoelde zijn waarde als zoodanig, en beschouwde alzoo den hond als een zoo verre beneden hem staand wezen, dat zijne aanmatiging ons even verschoonbaar voorkomt, als die van zeker ander wezen, dat tegenover hem op gelijke wijs dorst te handelen, in de oogen des aaps verkeerden strafbaar schijnt.HOEDAPEN.HOEDAPEN.Van zulk een sterk gevoel van eigenwaarde, juister gezegd van overschatting van eigenwaarde, geven de hondskopapen ons dagelijks een aantal bewijzen; men moet hen slechts nauwlettend gadeslaan. Dezelfde baviaan, van wien zoo even sprake was, hield, gelijk alle apen, veel van pleegkinderen; eens trok hem een meerkat, die met hem dezelfde kooi deelde, bijzonder aan. Men kon hem dit dier zelfs buiten de kooi[246]gerust toevertrouwen; altijd had hij de meerkat aan zijn zijde en deze sliep in zijn armen en gehoorzaamde hem slaafs. De baviaan beschouwde deze onderworpenheid als iets, wat van zelf sprak; onbepaalde gehoorzaamheid vooral eischte hij evenwel tijdens den maaltijd. Terwijl de goedaardige, gehoorzame meerkat zonder eenigen schijn van verzet gedwee toestond, dat haar pleegmoeder—onze baviaan was een wijfje—de beste stukken voor zich zelf behield, gunde de laatste haar lieveling niet meer dan het allernoodigste; was de meerkat zoo gelukkig geweest, iets ter zijde te leggen, b.v. iets in haar wangzakken te steken, onbarmhartig brak hij deze open om den inhoud zichzelf toe te eigenen.Hoe groot de aanmatiging en overschatting van eigen persoonlijkheid bij de hondskopapen ook mogen zijn, zij zijn zich niettemin zeer goed bewust van iets strafbaars gepleegd te hebben.Schomburgkhaalt ten bewijze daarvan een zeer leerzaam voorbeeld aan. In de zoölogische afdeeling van den plantentuin te Adelaïde deelde een oude hoedaap met twee soortgenooten, waarover hij erg de baas speelde, hetzelfde hok. Door de eene of andere toevallige omstandigheid geërgerd, overvalt deze aap op zekeren dag onverhoeds zijn oppasser, en brengt dezen, door hem een slagader van het handgewricht door te bijten, eene gevaarlijke wonde toe.Schomburgkveroordeelde den booswicht ter dood en gelast aan een anderen oppasser dit vonnis door middel van kruit en lood ten uitvoer te brengen. Apen nu zijn zeer gewend aan vuurwapenen, daar deze veel worden gebruikt om in den tuin schadelijke dieren te dooden; zij kennen de uitwerking, doch maken zich volstrekt niet ongerust wanneer men hen in de nabijheid van zulke voorwerpen brengt. Ook nu, op den volgenden dag na het misdrijf van den tyran, blijven de beide jonge apen rustig aan den etensbak zitten als de oppasser aan wien de executie van hun kameraad was opgedragen, zich laat zien; maar de veroordeelde misdadiger daarentegen vliegt snel naar zijn slaaphok en is door geen enkel lokmiddel te bewegen dit te verlaten. Men poogt hem te paaien door hem voedsel aan te bieden; hij laat, wat vroeger nooit geschiedde, zijn beide slaafjes de lekkere kost verteren, en waagt het niet aan hun maaltijd deel te nemen. Eerst wanneer de onheilspellende oppasser zich verwijderd heeft sluipt hij steelsgewijs nader, neemt snel eenige brokken om angstig naar zijn veilige schuilplaats terug te vlieden. Men slaagt er eindelijk in hem voor de tweede maal naar buiten te lokken en den toegang tot zijn sluiphoek van buiten te sluiten. En als hij nu weder den oppasser[247]met het moordtuig ziet naderen, weet hij, dat hij reddeloos verloren is. Als waanzinnig werpt hij zich op de deur van zijn slaapvertrek om deze zoo mogelijk te openen; als hem dit niet gelukt, vliegt hij als een waanzinnige door de kooi, alle hoeken en gaten doorzoekende of deze hem nog gelegenheid bieden tot ontkoming, en eindelijk, geene uitkomst ziende, over zijn geheele lichaam sidderende, werpt hij zich vertwijfelend op den grond en onderwerpt zich wilsverlamd aan zijn noodlot, dat hem een oogenblik later heeft achterhaald.Men zal moeten toestemmen, dat geen enkel zoogdier uit een der andere orden zoo zou handelen, zelfs niet zou de sedert duizenden van jaren door den mensch gedresseerde en onderwezen, ik zou haast zeggen, door den mensch geschapen hond; zelfs deze heeft het niet eens tot zulk eene hooge verstandelijkheid gebracht. En toch ligt er nog eene breede klove tusschen genoemde hondsapen en de menschapen, van welke laatste ik zooeven heb opgemerkt, dat zij zich reeds boven het gemiddelde peil van het apendom hebben verheven.Onder menschapen begrijpen wij al die apen, welke in gedaante het meest op den mensch gelijken, doch zich van dezen nog zeer onderscheiden door hun grootere hoektanden, de betrekkelijk lange armen en korte beenen, den bouw der hand, de bij sommige soorten voorkomende eeltplekken en het haarkleed. Zij bewonen de tropische gewesten van Afrika en Azië, in laatstgenoemd werelddeel in meer soorten dan in het eerste, en vervallen in drie familiën, een van welke tot Afrika beperkt blijft. Elk dezer familiën bevat slechts weinig soorten, maar waarschijnlijk zijn ons alle soorten nog niet bekend.Ook de menschapen worden door hun bouw gedwongen hoofdzakelijk op de boomen verblijf te houden; zij zijn echter evenmin als slankapen, meerkatten en makako’s boomslaven, veeleer uitnemende klimmers. Zij bewegen zich echter, zoowel op de takken als op den grond, anders dan alle andere apen. Wanneer zij een boom, inzonderheid een gladden stam zonder takken beklimmen, nemen zij dezelfde houding aan als een mensch, wanneer deze in een boom klimt; geholpen door hun lange armen en korte beenen vorderen zij evenwel veel sneller dan de meest geoefende en vaardigste menschelijke klimmer; in de vertakking aangeland beschamen zij den besten turner door de veelsoortigheid en zekerheid hunner bewegingen. Met hunne ver reikende armen vatten zij den eenen tak, met de voeten omklemmen zij een ander, die met den eersten parallel loopt en iets lager zit, ongeveer[248]voor de helft, om er nu over heen te loopen, terwijl zij den bovensten tak als leuning gebruiken, en dat zoo snel, dat een man beneden al loopende zijn best zou moeten doen om hem bij te houden; en toch, de apen spannen zich daarbij in ’t geringste niet in. Aan het uiteinde van den tak gekomen, grijpen zij een nabijzijnden tak, b.v. van den naasten boom, en zetten hierop hunne wandeling met gelijke snelheid voort, zonder zich daarbij wezenlijk te haasten. Willen zij naar boven dan grijpen zij den eersten den besten tak, zoo deze hen slechts kan dragen, en slingeren zich vaardig omhoog, onverschillig of één of beide armen gebruikt worden; willen zij naar beneden, dan hangen zij zich aan beide armen op en zoeken met hun voeten naar een nieuw steunpunt. Soms ziet men hen enkel voor hun genoegen minuten lang in deze houding schommelen; dikwijls loopen zij, met handen en voeten den tak omvattende, voor de afwisseling langs deszelfs benedenkant; kortom, elke denkbare houding nemen zij aan, elke denkbare beweging wordt door hen in de hoogte uitgevoerd. Onovertroffen meesters in het klimmen zijn de langarmapen of gibbons, menschapen met zulke onevenredig lange armen, dat deze eene lengte kunnen overspannen tweemaal zoo groot als die van hun geheele lichaam, dit in rechtopgaande houding gedacht. Met ongeëvenaarde snelheid en zekerheid beklimmen zij de boomkruinen of bamboestengels, brengen dezen of den een of anderen hun dienenden tak in schommeling, en slingeren dan bij het terugbuigen met zulk eene gemakkelijkheid over tusschenruimten van 8 à 12 meter, dat men waant een afgeschoten pijl of een naar beneden stootenden vogel te zien. Ook deze apen kunnen onder het springen de eerst ingeslagen richting nog veranderen en den sprong plotseling afbreken, door den eersten den besten tak te grijpen, zich daaraan vast te klemmen, er aan te schommelen, te wiegelen en er eindelijk bij op te klimmen, ’t zij om eerst even te rusten, ’t zij om terstond weder van voren aan te beginnen.Niet zelden springen zij op deze wijze achtereenvolgens drie-, vier-,vijfmalen door de lucht, zoodat het den schijn heeft alsof de zwaartekracht voor hen niet bestond. Even gemakkelijk als zij klimmen, even moeilijk valt hun het gaan. Sommige andere menschapen kunnen zonder groote inspanning in opgerichten stand, dus alleen op de voeten een vrij grooten afstand afleggen; echter, indien zij wat haastig willen loopen, vallen ze weêr voorover, en waggelen nu op handen en voeten verder, hierbij steunende op de omgebogen vingerknokkels en den[249]buitenkant der voetzolen, terwijl zij het lichaam, dat als een logge en zware massa tusschen de omhoogstaande armen schommelt, als het ware vooruitwerpen.De gibbons echter bewegen zich alleen in geval van nood op deze wijze en dan nog meer springend dan loopend; daarentegen leggen zij veel korter afstanden af als zij zich in hun volle lengte oprichten, om, met uitgeslagen armen zich in evenwicht houdende, de duimen zoover mogelijk uitspreidende, met kleine, snel opeenvolgende schreden allerdroevigst voort te strompelen. Hunne bewegingen moeten dus eenzijdig genoemd worden; want, wat zij in vaardigheid in ’t klimmen boven de andere menschapen vooruit hebben, verliezen zij weder ten aanzien van hunne hulpeloosheid op den vlakken grond.De stem der menschapen is onze aandacht ten volle waard. Wij vinden n.l. dat de levendigste en vlugste soorten der groep ook de luidste stem bezitten, terwijl daarentegen de menschapen, welke meer veelzijdig ontwikkeld zijn, alhoewel hunne levendigheid bij die der anderen achterstaat, met een meer rijk geluid begiftigd zijn. Ik zeg niet te veel, wanneer ik beweer, dat ik nooit van eenig zoogdier, natuurlijk den mensch uitgezonderd, eene stem heb gehoord, die voller van toon en welluidender in mijn oor heeft geklonken dan die van de door mij in gevangen staat waargenomen langarmapen. Aanvankelijk was ik verbaasd, later verrukt over deze uit diepe borst, met volle kracht uitgestooten, eer aangenaam dan onaangenaam klinkende, zuivere, ronde tonen. Bij zekere soort begint het verklinkend geroep, dat ik liever een gezang dan een geschreeuw wil noemen, met den grondtoon E en klimt door alle toonen van de chromatische ladder een octaaf omhoog, om met een gillend geluid te eindigen, in hetwelk het dier al zijn kracht schijnt te vereenigen. De grondtoon blijft steeds hoorbaar en dient als voorslag voor elke volgende noot, die bij het klimmen altijd langzamer, bij het dalen altijd sneller en eindelijk zeer snel op de voorgaande volgt. Zij worden evenwel met evenveel regelmaat als schielijk voorgedragen. Enkele soorten moeten minder zuivere tonen voortbrengen, maar toch roepen allen zoo luid, dat men ze in de open lucht wel een engelsche mijl ver, duidelijk kan hooren. Dezelfde afhankelijkheid tusschen bewegingsvermogen en stem merken wij op bij andere menschapen. Van de zich zoo langzaam bewegende en droefgeestige orang-oetans heeft men, voor zoover mij bekend is, nog nimmer een ander geluid vernomen dan een krachtig, laag keelgeluid;[250]de vroolijke, bewegelijke en wakkere chimpanzee daarentegen weet in de weinige geluiden, over welke hij te beschikken heeft, zulk een afwisselenden klank te leggen, en er zulk eene verstandelijke uitdrukking aan te geven, dat men geneigd wordt dezen aap een taal toe te kennen. Met woorden spreekt hij weliswaar niet, maar hij doet zulks met geluiden, zelfs met sylben, over welker zich steeds gelijk blijvende beteekenis elke waarnemer, die geruimen tijd met hem verkeerde, niet in twijfel kan staan. Geen andere menschaap komt den chimpanzee hierin nabij.Wie uit eigen ervaring de hoogte wil leeren kennen, tot welke het intellekt van een aap zich kan verheffen, kan niet beter doen dan den chimpanzee of een van diens allernaaste verwanten tot het voorwerp zijner waarneming te maken, en geruimen tijd op intiemen voet met hem te verkeeren, even gelijk ik heb gedaan. Men zal dan met verwondering en verbazing, misschien wel niet zonder zekere huivering ervaren, hoe klein de klove kan worden, die den mensch van de apen scheidt. Ook de andere menschapen zijn zeer verstandige dieren; ook zij overtreffen in alle opzichten alle andere apen, doch deze talenten komen echter noch bij de gibbons, noch bij de orang-oetans tot zulk een algemeen verstaanbare uitdrukking, of springen zoo sterk in ’t oog als bij eerstgenoemden.Dezepongo’s—de gorilla, tschego en chimpanzee—kan, mag men niet meer als dieren behandelen; men moet veeleer met hen verkeeren als waren het menschen, wil men hunne geestesgaven naar eisch leeren kennen en waardeeren. Hun verstand staat weinig lager dan dat van een ruw, onwetend, onbeschaafd mensch. Zij zijn en blijven dieren, maar zij handelen zoo menschelijk, dat men het dier in hen vergeet.Ik heb jaren lang chimpanzee’s verzorgd, hen nauwkeurig en onbevooroordeeld gadegeslagen, en veel en intiem met hen verkeerd; ik heb hen in mijne familie opgenomen, ze gemaakt tot speelkameraads mijner kinderen, aan mijn tafel laten eten, hen onderwezen, ja letterlijk opgevoed; ik heb ze in ziekten opgepast en in hun stervensuur niet verlaten; ik mag dus aannemen, dat ik deze dieren althans zoo goed ken als iemand anders en dus in staat ben een juist oordeel te vellen. Om al deze redenen kies ik den chimpanzee tot voorbeeld, teneinde u duidelijk te maken tot welk een hoogte een dier geestelijk kan klimmen.DE CHIMPANZEE.DE CHIMPANZEE.De chimpanzee is niet alleen een der verstandigste schepselen, maar ook een nadenkend, overleggend wezen. Al zijn handelingen getuigen van bewustzijn en overleg. Hij bootst na, maar met verstand en oordeel;[251]hij laat zich onderwijzen en leert. Hij is zichzelf bewust en draagt kennis van zijn omgeving, alsmede van de plaats, die hij inneemt. In den omgang met den mensch onderwerpt hij zich aan dezen als aan eene boven hem staande geestelijke meerderheid; in het verkeer met dieren geeft hij blijk van hetzelfde bewustzijn van eigen persoonlijkheid als de mensch. Wat in dit opzicht bij andere apen slechts flauw te voorschijn treedt, is bij den chimpanzee duidelijk uitgedrukt. Hij houdt zich voor beter en meerder dan andere dieren, zelfs dan andere apen; hij maakt onderscheid tusschen menschen en menschen; hij behandelt b.v. kinderen geheel anders dan volwassenen; voor de laatsten heeft hij ontzag, de eersten behandelt hij ongeveer als zijns gelijken. Hij geeft zijn medelijden te kennen ten aanzien van dieren, met welke hij geen vriendschap sluiten of andere betrekkingen aanknoopen kan, en eveneens met voorwerpen, die zijn natuurlijke behoeften niet kunnen bevredigen, want hij is niet enkel nieuwsgierig, maar tevens weetgierig. Elk voorwerp, dat zijne opmerkzaamheid trok, wint bij hem in waarde, wanneer het[252]hem eenig voordeel kan schenken. Hij kan besluiten trekken, het een uit het ander afleiden, en weet vroegere ervaringen doelmatig over te dragen op nieuwe verhoudingen; hij is listig, ja doortrapt slim, heeft geestige invallen en veroorlooft zich grappen, laat van luim en humeur blijken, vindt het eene gezelschap onderhoudend, het andere vervelend, leent het oor aan passende scherts, maakt zich boos over minder gepaste, is eigenzinnig, ofschoon niet koppig, goedaardig, maar gooit zichzelf niet weg. Zijn gevoel drukt hij uit als een mensch. Is hij welgemoed, hij glimlacht, is hij bedrukt, zijn gezicht trekt zich in plooien, die op zichzelf reeds genoeg te kennen geven, maar waaraan hij door een klagend geluid nog nadere verklaring toevoegt; in ziekten stelt hij zich aan als een wanhopige, vertrekt het gezicht, schreeuwt, werpt zich op den rug, slaat met handen en voeten om zich heen en rukt zich de haren uit. Een vriendelijken groet beantwoordt hij met geluiden, die tevredenheid uitdrukken, barsche woorden door zulke, die leedgevoel te kennen geven. Van den morgen tot den avond is hij in de weer, hij zoekt steeds bezigheid en bedenkt iets nieuws, wanneer de gewone handelingen en oefeningen zijn afgeloopen, al zou hij ook niets anders doen dan met de handen tegen de voeten slaan, of, door op holle klankgevende lichamen te kloppen allerlei geluiden te voorschijn roepen, die hem zichtbaar genot verschaffen. In de kamer houdt hij zich onledig met het onderzoeken van alle mogelijke voorwerpen; hij opent schuifladen en keert den inhoud om, ziet naar het vuur, nadat hij het kacheldeurtje eerst heeft open gemaakt, om het daarna ook weder te sluiten; hij hanteert een sleutel gelijk het behoort, gaat voor den spiegel staan en aanschouwt met blijkbaar welbehagen zijn eigen beeltenis, en meteen de gebaren en grimassen, die hij daarbij maakt; hij gebruikt bezems en dweilen, zooals men hem geleerd heeft, hult zich in dekens en kleedingstukken, enz.Hoe juist hij waarneemt blijkt uit zijn bijna altijd rechtvaardig oordeel ten aanzien van menschen. Hij kent en onderscheidt niet alleen zijn vrienden van andere lieden, maar zelfs goedgezinde van kwaadgezinde menschen, en zulks zoo scherp, dat de oppasser van zekeren chimpanzee overtuigd was iederen mensch, dien deze aap van zich stiet als een deugniet of booswicht te mogen beschouwen. Zeker doortrapt en geslepen huichelaar, die mijzelf en anderen wist te misleiden, was mijn chimpanzee van den beginne af een gruwel, even alsof hij den roodharigen schurk van het eerste oogenblik af had doorgrond.[253]Een chimpanzee, met wien men zich veel bezighoudt, verkeert het liefst in den huiselijken kring. Hier doet hij, alsof hij zich onder zijns gelijken bevindt. Hij let nauwkeurig op alle huiselijke gewoonten, merkt terstond op of men hem gadeslaat of niet, doet in het eerste geval wat men verlangt, en in het tweede wat hemzelf behaagt. Spelende leert hij, en daarbij betoont hij den grootsten ijver, dus geheel anders dan andere apen. Men kan hem leeren rechtop aan tafel te zitten, bij ’t eten mes, lepel en vork te gebruiken, uit een glas of een kopje te drinken, de suiker in het kopje om te roeren, met zijn buurman te klinken, het servet te gebruiken, enz. Even gemakkelijk gewent hij zich aan kleedingstukken, dek en bed; zonder veel moeite eigent hij zich een deel der menschelijke taal toe, beter nog dan de best opgevoede hond, daar hij zich niet enkel naar den klank der woorden richt, maar tevens naar hunne beteekenis, en bepaalde lastgevingen en bevelen juist uitvoert. Uiterst gevoelig voor liefkoozingen en vleierij, zelfs voor loftuitingen, evenzeer voor een onvriendelijke behandeling of berisping,—is hij tevens vatbaar voor de levendigste dankbaarheid en ook al heeft men hem daartoe niet afgericht, geeft hij zulks te kennen met handdruk of kus. Van kinderen houdt hij ongemeen veel. Uit zijn aard niet humeurig, evenmin boosaardig, behandelt hij kinderen, zoo lang deze hem niet plagen, altijd zeer vriendelijk, kleine, nog hulpelooze wichtjes zelfs met eene waarlijk roerende teederheid; in het verkeer met anderen zijner eigen soort, met andere apen of andere dieren daarentegen kan hij niet zelden ruw en onvriendelijk worden. Ik breng dezen karaktertrek, dien ik bij alle door mij verzorgde chimpanzees heb opgemerkt, daarom onder de aandacht, dewijl men hieruit kan zien, hoe deze aap zelfs in het kleinste kind een mensch herkent en waardeert.Roerend is het gedrag van een zieken, zwaar lijdenden menschaap. Smeekend, klagend, waarlijk menschelijk, ziet hij zijn oppasser aan, ontvangt elk hulpbetoon, iederen dienst met innige dankbaarheid en ziet alras in den geneesheer zijn weldoener, reikt dezen den arm of steekt op diens verlangen de tong uit, ja doet zulks bij een herhaald bezoek van den geneesheer reeds uit zichzelf; hij neemt gewillig de geneesmiddelen in en staat zelfs toe dat de chirurg hem opereert; in één woord, hij handelt als een ziek en geduldig mensch. Naarmate zijn einde nadert wordt hij zachter gestemd, treedt het dierlijke meer op den achtergrond en komen de meer edele trekken van zijn wezen meer te voorschijn.[254]De chimpanzee, dien ik het langst verpleegde en met behulp van een verstandigen en dierenlievenden geneesheer op het zorgvuldigst verzorgde, kreeg eene longontsteking, gepaard met eene verettering der lymphklieren van den hals. Chirurgische behandeling bleek noodzakelijk. Twee artsen, die met mij en mijn chimpanzee bevriend waren, namen op zich het halsgezwel te openen; dit bleek te meer noodzakelijk daar de aap zelf hierin de oorzaak zijner kwaal zocht en al aanstonds de hand des onderzoekers op die plaats bracht. Maar hoe de snede aan de gevaarlijke plek uit te voeren, zonder het dier in gevaar te brengen? Verdoovende middelen konden niet toegepast worden wegens de zieke longen, en elke poging, om den chimpanzee door eenige sterke mannen vast te houden moest opgegeven worden, daar het in hoogen graad opgewonden dier hevigen tegenstand bood. Wat geweld niet vermocht, bewerkte overreding. Door minzame toespraken en liefkoozingen van de zijde zijns oppassers weder tot rust gebracht, liet de aap nogmaals gewillig toe, dat het halsgezwel werd onderzocht, en zonder een ooglid te vertrekken, veroorloofde hij den geneesheer nu het mes te gebruiken; zonder eenige klacht te uiten doorstond hij alle verdere kunstbewerkingen, zelfs de zoo pijnlijke ontlasting van het geopend gezwel. De belemmerde ademhaling werd weêr vrij; een niet te miskennen uitdrukking van verlichting kwam op het gelaat des lijders, dankbaar reikte hij dan beide geneesheeren de hand, en omhelsde blijde zijn oppasser—niemand echter had hem tot het een zoo min als het andere aangespoord!Helaas, het leven des diers bleef niet gespaard. De halswond genas, maar de longontsteking nam toe en werd eene oorzaak des doods. Met volle bewustzijn gaf hij den geest, zacht en kalm, niet gelijk een dier, maar zooals een mensch sterft.Dit zijn karaktertrekken uit het leven en gedrag van een menschaap, wier beteekenis noch verkleind, noch misduid kan worden. Bedenkt men daarbij, dat deze karaktertrekken aan alle nog niet volwassen, maar op kinderlijken leeftijd staande apen konden afgeluisterd worden, dan wordt men wel genoodzaakt aan deze dieren een zeer hooge plaats in te ruimen. Want de door den een of anderen onbevoegden waarnemer uitgesproken, en door honderden gedachtenloos nagesproken bewering, dat de aap met toenemenden leeftijd geestelijk achteruitgaat is niets anders dan een grove leugen, die onmiddellijk weerlegd wordt door iederen van zijn jeugd af tot zijn rijperen leeftijd toe goed en[255]onbevooroordeeld gade geslagen aap. Al wisten wij van volwassen menschapen ook verder niets anders dan deze twee feiten, 1o. dat zij eer huizen dan nesten bouwen, en 2o. dat zij holle boomen als trom gebruiken, om daarop voor hun vermaak te trommelen, dan reeds zou zulks genoeg zijn om ons tot hetzelfde besluit te leiden, als waartoe de jonge, door ons verzorgde apen dezer groep ons hebben gebracht.M.a.w.om in dezen de meest hoogbegaafde dieren en onze eigene allernaaste bloedverwanten te zien.En nu de apenvraag? Ik zou mogen aannemen, dat ik deze vraag in bovenstaande regelen reeds voldoende heb beantwoord; toch wil ik gaarne mijne opvatting nog iets breeder ontwikkelen.Een iegelijk moet toestemmen, dat de mensch geen vertegenwoordiger is van een bijzonder natuurrijk; hij is slechts een lid van het dierenrijk en nu is het voor iederen onbevooroordeelde duidelijk, dat de apen onze naaste verwanten zijn. Vergelijkt men de apen onderling en met de menschen, dan komt men onvermijdelijk tot de overtuiging, dat het verschil tusschen de klauwapen en de menschapen grooter is dan tusschen deze laatsten en den mensch. In dierkundigen zin kan men dus zelfs niet eens aan de menschen en de apen eene plaats in verschillende orden van de klasse der zoogdieren aanwijzen. Men heeft zulks toch gedaan en doet zulks nog, en noemt de menschen tweehandig, de apen vierhandig, maar hierbij zag men het gewichtigste kenmerk der zoogdieren, het gebit, over het hoofd. Het gebit van apen en menschen is werkelijk zoo zeer aan elkander gelijk, dat dit kenmerk ons dwingt beiden in eene en dezelfde afdeeling te plaatsen. Bovendien zijn ook de bepalingen twee- en vierhandig niet juist; wel bieden de menschen en apen groote verschillen aan, wat den bouw hunner handen en voeten betreft, maar zij vormen daarom nog geen tegenstellingen; de apen zijn even goed tweehandig als wij. Wil men ter plaatsbepaling van menschen en apen dezelfde wetten toepassen, die men zonder uitzondering elders in het dierenrijk aanwendt, dan wordt men gedwongen beide in dezelfde orde te vereenigen. Ik heb ze den naam van „primaten,” of eersten, gegeven.De overeenstemming evenwel, wat de kenteekenen der orde aangaat, moge nu bij alle primaten aan geen bedenking onderhevig zijn, toch blijken er bij eene nauwkeurige beschouwing van menschen en apen verschillen te bestaan, die eene innige versmelting wederom beletten. De evenredigheden in vormen, de betrekkelijke mindere lengte der[256]armen, de breedte en groote bewegelijkheid der handen, de lengte en kracht der beenen, de platte voetzolen, de naakte huid en vooral de mindere ontwikkeling der hoektanden, zijn lichamelijke kenmerken der menschen, wier waarde men niet te gering moet schatten, ja, die belangrijk genoeg zijn om beiden althans tot verschillende familiën te brengen, zoo niet tot twee verschillende onderorden. Trekt men verder nog den meerderen aanleg van den mensch in den kring der beschouwingen, vergelijkt men zijn bewegingen, zijn gearticuleerde spraak, zijn geestelijke vermogens met de overeenkomende fakulteiten der apen, dan voorzeker gevoelt men zich nog meer gedrongen tot bovengenoemde onderscheiding.MANTELBAVIANEN.MANTELBAVIANEN.Blinde aanhangers der evolutieleer, door Darwin gegrondvest en door anderen verder uitgewerkt, overschrijden gedachtenloos die grenzen; wie nadenkt kan zich niet aan hunne zijde scharen. Hoe bevredigend, om zoo te zeggen hoe waarschijnlijk de Darwinistische leer ook zijn moge, meer dan eene zinrijke hypothese is zij tot dusverre niet, en onomstootbare bewijzen voor hare waarheid kon zij tot heden niet bijbrengen. Veranderlijkheid der rassen en variëteiten kan men bewijzen en zelfs in ’t leven roepen, de omvorming van de eene soort in eene andere werd tot nog toe voor geen enkel geval bewezen. En zoolang laatstgenoemd bewijs nog niet is geleverd, zoo lang behouden wij ook het recht menschen en apen als van elkander verschillende wezens te beschouwen en de afstamming van den een uit den ander te ontkennen. Elke poging om een gemeenschappelijken voorvader te ontdekken, elke poging om een stamboom van den mensch te ontwerpen, kan hierin niets veranderen, want de ware natuurwetenschap vergenoegt zich niet met verklaringen, maar verlangt bewijzen; zij wil niet gelooven, maar weten.En zoo mogen wij dan onbekommerd aan de apen die plaats inruimen, die het onbevooroordeeld onderzoek hun in de rij der dierlijke wezens aanwijst. Als de op ons het meest gelijkende dieren, of als onze naaste verwanten in dierkundigen zin mogen wij hen beschouwen, maar meerdere rechten ontzeggen wij hun te eenenmale. Veel, wat den mensch geschonken werd, viel ook hun ten deel; van het werkelijke menschdom scheidt hen nog eene breede klove. Veel van den mensch, maar niet de geheele mensch werd in hen belichamelijkt en vergeestelijkt.[257]

IX.DE APEN.

ScheikKemal el Din Demirieen geleerd Arabier, die omstreeks het jaar 1405 te Damaskus stierf, verhaalt, hierbij steunende op eene uitspraak van den profeet, in een door hem vervaardigd boek, „Heiat el Heiwan” of „Leven der dieren” de volgende wonderlijke geschiedenis:„Langen tijd voordat Mohammed, de profeet en afgezant des albarmhartigen Gods, het licht des geloofs had ontstoken, zelfs vroeger nog dan Issa of Jezus van Nazareth heeft geleefd en geleerd, bewoonde eene talrijke joodsche bevolking de stad Aila aan de Roode Zee. Zij bestond echter uit zondaren en onrechtvaardigen voor het aangezicht des Heeren; want zij ontheiligden voortdurend den dag des Heeren, den heiligen sabbath. Tevergeefs waarschuwden vrome en wijze mannen de zondige bewoners der goddelooze stad; deze bleven spotten met de geboden des Allerhoogsten. Toen verlieten de boetpredikers de stad des onheils, schudden het stof van hunne voeten en besloten elders Ellohim te dienen. Het heimwee en ’t verlangen naar hunne verwanten dreef hen echter na drie dagen reeds weder naar Aila terug. De stad bood hun nu evenwel een vreemden aanblik. De poorten waren gesloten, de tinnen der muren nochtans onbezet, zoodat de mannen ongehinderd de muren konden beklimmen. Maar ook de straten en pleinen der ongelukzalige stad waren ledig. Daar, waar anders een levendige menschenmassa zich bewoog, waar koopers en verkoopers, priesters en beambten, handwerkslieden en visschers in een bont gewemel elkander gewoonlijk verdrongen, daar zaten, liepen en klommen reusachtige bavianen, en uit de balkons en vensters, van de zolders en daken, waar anders zwartoogige vrouwen toefden, keken bavianenwijfjes op de straten neder. En al die reusachtige apen, alsmede de schoone apinnen hadden een somber en ontsteld voorkomen; zij zagen droefgeestig op de teruggekeerde pelgrims neêr, drukten zich smeekend tegen hen aan en kermden jammerlijk.[227]Ontzet en huiverend aanschouwden de vrome pelgrims het akelig wonder, totdat een hunner op de pijnlijke gedachte kwam, dat deze bavianen wellicht hunne voormalige, nu tot dieren vernederde verwanten waren.Ten einde hieromtrent zekerheid te erlangen, ging de vrome man naar zijn eigen huis. Hier zat in de deur almede een baviaan; deze sloeg echter, toen hij den rechtvaardige zag naderen, treurig en vol schaamte de oogen neder. „Zeg mij, bij Allah den Albarmhartige, o baviaan,” zoo vroeg de wijze aan den aap, „zijt gij mijns broeders zoon Ibrahim?” En treurig antwoordde de baviaan: „Ewa, ewa”—„ja, ik ben het.”Toen viel elke twijfel bij den vromen man weg, en hij erkende nu met een beklemd hart, dat hier een zwaar Godsgericht was voltrokken, en dat de goddelooze sabbathschenders in apen waren veranderd geworden.”ScheikKemal el Dintwijfelt, wel is waar, geen oogenblik aan dit wonder, maar kan toch, als denkend mensch, niet nalaten de meening uit te spreken, dat er wellicht bavianen hebben geleefd voordat er joden bestonden.Wat ons betreft, hoe aardig bedacht en verteld deze geschiedenis ook zijn moge, wij sluiten ons te gereeder aan deze opvatting aan, daar de apen, met welke de vrome ijveraars van Aila te doen hadden, oude en goede bekenden van ons zijn. Want in Arabië huizen eenig en alleen de hamadryas- of mantelbavianen. Wij vinden deze soort echter op de oudste Egyptische gedenkteekens reeds nauwkeurig afgebeeld, terwijl het de haartooi dezer dieren was, welke den ouden Egyptenaren zoo opvallend voorkwam, dat zij dien als voorbeeld kozen en er hun sphinxen mede sierden, even gelijk hij nog heden ten dage als voorbeeld dient voor den haartooi der donkere schoonen van Oost-Soedan. De mantelbaviaan namelijk speelt in de oud-Egyptische godenleer eene voorname rol, zooals wij o.a. leeren uit het werk van den hieroglyphenverklaarderHorapollon. Volgens dezen werden die apen in de tempels gehuisvest en na hun dood gebalsemd. De mantelbaviaan gold voor den uitvinder der schrijfkunst en dus voor een, niet alleen den vader der wetenschappen, Thot of Merkurius geheiligd, maar ook den Egyptischen priester aanverwant wezen; hij werd dan ook bij zijn plechtigen intocht in het heiligdom aan eene proef onderworpen, doordien de opperpriester hem een schrijftafel, inkt en pen in de hand drukte en hem beval te schrijven, opdat men erkennen mocht of hij waardig was te worden opgenomen; men beweerde, dat hij in eene[228]geheimzinnige betrekking stond tot de maan, dat deze alzoo een ongewonen invloed op hem uitoefende; men schreef hem eindelijk het talent toe, den tijd op zulk eene zichtbare wijze in te deelen, datTrismegistusnaar zijn voorbeeld en aanwijzing wateruurwerken vervaardigde, die, evenals hij, dag en nacht elk in twaalf gelijke deelen verdeelden. Wij zijn dus aan dezen aap niet alleen het letterschrift verschuldigd, maar tevens ook de tijdsverdeeling.Het verdient opmerking, dat de oude Egyptenaren wel geloof sloegen aan hunne familieverwantschap met de apen, maar geenszins gedacht hebben aan eene afstamming van deze wezens.Zulk een opvattingswijze omtrent de familierelatie tusschen menschen en apen ontmoeten wij het eerst bij de Indiërs. Onder dezen heerscht sedert onheugelijke tijden het geloof, dat althans enkele koninklijke familiën van een, in Indië voor heilig gehouden in zekeren zin als een goddelijk wezen beschouwden slankaap, den hulman, afstammen, terwijl de zielen der afgestorven koningen in het lichaam van dezen aap terugkeeren. Een der regeerende dynastieën beroemt zich zelfs op deze afkomst, door zich den titel te geven van „gestaarte Rana.”Gelijke denkbeelden als bij de Indiërs in zwang zijn, hebben zich in onzen tijd ook weder opgedaan, en de apenvraag, om mij zoo eens uittedrukken, heeft veel stof doen opwaaien. Wetenschappelijke, voor ’t gewone publiek onverstaanbare uiteenzettingen, hebbenhiereen heiligen toorn opgewekt om dien in lichte laaie vlammen te doen ontvonken,gindsde denkers in twee vijandige kampen voor en tegen verdeeld, die ieder vurig hunne eigen meening bepleiten. Het wetenschappelijk onderzoek van geheel vreemde elementen hebben den strijd opgenomen, zonder te weten, of zelfs te vermoeden voor welk doel deze eigenlijk gevoerd wordt, en dien op een terrein overgebracht, alwaar hij slechts onheil kan stichten, en waardoor eene verwarring is uitgelokt, die niet gemakkelijk weder zal worden weggenomen. Over apen te spreken is alzoo een gevaarlijke zaak geworden; men loopt daarbij gedurig gevaar òf den geduchten stamvader, òf door hem den vermeenden nakomeling te vernederen—afgezien nog van de smaadredenen der afschuwelijkste soort, waarmede onbeschaafde, in blinde woede tegen het tijdsbewustzijn vechtende ijveraars, onverwijld een ieder overladen, die zich maar verstout het woord „aap” uit te spreken.Toch zal de apenvraag nog niet zoo spoedig van de agenda van den dag verdwijnen; want deze wezens, die ongetwijfeld onze naaste verwanten[229]in het dierenrijk zijn, verdienen in te hooge mate onze belangstelling, dan dat wij ons door bovengenoemde overwegingen zouden laten weêrhouden iets dieper in hun leven in te dringen en daarmede ons eigen doen en laten te vergelijken, ten einde op deze wijze ons niet alleen een juister voorstelling van de apen, maar ook van de menschen te vormen.Het volgende zij daartoe een bijdrage. Het valt moeilijk in weinige woorden een algemeen levensbeeld—want daartoe wil ik mij bepalen—van deze zoo zeer van elkander onderscheiden dieren te schetsen. Zij bewonen in ongeveer vier-, in elk geval in veel meer dan driehonderd soorten, alle deelen der aarde, Australië alleen uitgezonderd, en wel voornamelijk de tropische gewesten. In Amerika strekt zich het verbreidingsgebied dezer dieren uit van den 28stenZuiderbreedtegraad tot aan de zee der Antillen; in Afrika van 35°Z.Br.tot aan de straat van Gibraltar; in Azië van de Soenda-eilanden tot Japan; in Europa vindt men ze enkel op de rotsen van Gibraltar, alwaar sedert onheugelijke tijden een troep van ruim twintig magots of kortstaartige macaco’s, onder de bescherming der bezetting, in wezen blijft. Bosschen en rotsachtige gebergten, die tot twee en een half duizend meter hoogte beklommen worden, zijn hunne woonplaatsen. Hier zoowel als ginds verblijven zij, enkele soorten uitzonderd, jaar in, jaar uit, ofschoon in zooverre rekening wordt gehouden met de jaargetijden, dat zij, met het oog op de rijpe vruchten, meer of minder uitgestrekte tochten door de bosschen ondernemen, of tegen den aanvang van het warme jaargetijde zich hooger op het gebergte begeven om tegen het koele seizoen weder omlaag te dalen. Want ofschoon men ze zelfs nog op met sneeuw bedekte velden aantreft, zijn zij zoowel beminnaars van de warmte als liefhebbers van een overvloedige en lekkere tafel. Waar zij voor langen of onbeperkten tijd hun woonsteden zullen opslaan, daar moet iets te knabbelen en te eten vallen; zoo niet, dan gaan zij verhuizen. Bosschen in de nabijheid van menschelijke volkplantingen zijn in hun oogen een waar paradijs; de verboden boom hindert hen niet. Maïsvelden, suikerrietplantages, tuinen met ooftboomen, bananen, pisangs en meloenen beschouwen zij als hun wettig erfdeel; streken, alwaar het godsdienstig geloof der inwoners hun bescherming verleent, zijn hun natuurlijk eveneens een welaangename verblijfplaats.Alle apen, de anthropomorphen wellicht alleen uitgezonderd, leven in troepen van soms aanzienlijke sterkte, die door een oud mannetje[230]worden aangevoerd. Tot deze waardigheid wordt alleen hij verheven, die de sterkste armen en de langste tanden bezit. Terwijl bij die zoogdieren, welke een vrouwelijk individu met de leiding belasten, alle andere individuen der kudde gewillig volgen, eischt de aanvoerende aap, als onbeperkt alleenheerscher der ergste soort, onbepaalde gehoorzaamheid. Wie niet goedschiks zich onderwerpt wordt door beten, knijpen en stooten tot zijn plicht gebracht. De aanvoerder wil slaafsche onderwerping, zelfs van den kant der apinnen. Ridderlijke galanterie tegenover het zwakkere geslacht kent hij niet: „door geweld verovert hij het loon der min;” zijn tucht is gestreng, zijn wil onbuigzaam. Geen apenjongeling verstout zich met een apenmeisje te minnekoozen, geen apin zou het bestaan een anderen aap dan den aanvoerder liefde te bewijzen. Hij zelf heerscht onbeperkt over zijn harem, en zijn geslacht vermenigvuldigt zich als dat van Abraham, Izaäk en Jakob, gelijk het zand aan den oever der zee. Wordt de kudde te talrijk, dan scheidt zich een gedeelte onder aanvoering van een inmiddels opgegroeiden jongeling af om een eigen staat te gronden. Tot zoolang werd de eerste algemeen geacht, geëerd en gevreesd. Oude, ervaringrijke apenmoeders zoowel als jonge bakvischjes zijn er op uit hem te vleien, en beijveren zich om het zeerst hem den allergrootsten dienst te bewijzen, dien men in ’t algemeen een aap kan bewijzen, n.l. zijn haarkleed te zuiveren van alle daar niet thuis behoorende zaken. Van zijnen kant laat hij zich deze hulde welgevallen met het air van een pacha, wiens voeten worden gereinigd door de meest geliefde slavin. De achting, die hij zich wist te verwerven, verleent hem zekerheid en waarde in zijn optreden, de strijd, waarin hij niettemin voortdurend is gewikkeld, waakzaamheid, moed en zelfvertrouwen, de noodzakelijkheid zijn heerschappij te handhaven omzichtigheid, list en geslepenheid. Terwijl deze eigenschappen hemzelf in de eerste plaats ten goede komen, zijn ze tevens der gemeenschap van nut en zijne onbeperkte heerschappij erlangt daardoor kracht van wet en duurzaamheid. Door hem geregeerd en geleid, voert de troep, ofschoon inwendig beroerd door geweldige stormen, naar buiten veilig, daardoor een behagelijk leven.Alle apen, de weinige soorten van nachtapen uitgezonderd, werken des daags en rusten gedurende den nacht. Eerst geruimen tijd, nadat de zon is opgegaan, staan zij uit den slaap op. Hun eerste bezigheid bestaat daarin, dat zij zich in de zon koesteren om zich daarna te[231]wasschen. Is de nacht koud en guur, dan dringen zij zoo dicht mogelijk opeen, ten einde den invloed dier weinig verkwikkelijke omstandigheid zoo goed mogelijk te ontgaan.Maar niettemin rillen zij bij ’t opstaan nog dikwijls zoo van de koû, dat zij genoodzaakt zijn zich geruimen tijd in ’t zonnetje te koesteren. Zoodra de nachtdauw is opgedroogd verlaten zij de slaapplaats, klauteren langzaam naar de hoogste toppen der boomen of rotsen, zoeken een zonnig plaatsje uit, en keeren nu beurtelings alle lichaamsdeelen achtereenvolgens naar de zon. Is de pels gedroogd en behoorlijk verwarmd, dan ontwaakt de begeerte het haarkleed te reinigen; vol ijver begeeft zich een ieder aan dezen arbeid, of bewijst dien dienst aan een ander om op zijne beurt gelijke weldaad terug te ontvangen.Is ook deze plechtigheid afgeloopen, en het haarkleed, zoo noodig, gekamd, dan laat zich de behoefte aan het ontbijt gevoelen. Die behoefte is doorgaans gemakkelijk te bevredigen, daar de apen alles lusten, en het planten- en dierenrijk beide, bijdragen moeten leveren. Bosschen zoowel als bergruggen schenken vruchten, blad- en bloemknoppen, vogelnesten met eieren of jonge vogels, slakken en insekten, de tuinen ooft en groenten, de akkers graan en peulvruchten. Hier wordt een rijpe aar afgebroken, ginds een sappige vrucht geplukt, in de hoogte een nest geplunderd, op den grond een steen omgekeerd, in de bewoonde streek een tuin gebrandschat of een akker geplunderd; overal wordt iets weggenomen. Elke aap verwoest daarenboven, als hij tijd heeft, nog tienmaal meer dan hij nuttigt, en is daarom een plaag voor landbouwer en tuinman. Bij den aanvang van zulk een rooftocht tracht ieder allereerst den eersten honger te stillen; men is niet kieschkeurig, eet alles wat voorkomt, en stopt de wangzakken, indien zij deze bezitten, nog daarenboven propvol; is aan de eerste behoefte voldaan dan begint de aap alles op de onbeschaamdste wijze te keuren en te kritiseeren; elke gebroken aar, elke afgeplukte vrucht wordt beroken, betast, bekeken, alvorens die op te eten, en in de meeste gevallen wordt het een zoowel als het andere weggeworpen, naar iets nieuws gezocht en hiermede eveneens gehandeld. „Wij zaaien en de apen oogsten” zoo klaagden mij eens de bewoners van Oost-Soedan, en zij hadden gelijk. Tegen zulke dieven verleenen heg noch muur beschutting, slot noch grendel; zij klimmen over de heiningen en openen de laatste. En wat zij niet verslinden wordt mee naar huis[232]gedragen. Het is een prachtig maar tevens een droevig gezicht, dat zulk een troep plunderende apen oplevert; ook in dit bedrijf spreiden zij, evenals in hun geheele wezen, driestheid, sluwheid, overmoedigheid, genotzucht en voorzichtigheid ten toon, en niet minder komt daarin hun onbeschaamdheid, list en boosaardigheid uit. Hoe gevaarlijker de onderneming is, hoe meer al deze eigenschappen aan ’t licht treden. Men loopt, klautert, springt,—in tijd van nood wordt er zelfs gezwommen,—om elken hinderpaal uit den weg te ruimen, terwijl men onder dit alles geen enkel oogenblik de veiligheid uit het oog verliest. De aanvoerder gaat steeds vooruit, lokt, roept, vermaant, waarschuwt, bromt, scheldt en bestraft, al naar bevind van zaken; de troep volgt en gehoorzaamt, zonder echter geheel en al zich op hem te verlaten. Bij gevaar denkt ieder individu ’t allereerst om eigen lijfsbehoud en schaart zich eerst later weder om zijn aanvoerder; alleen de moeders, die kinderen aan de borst hebben of deze op den rug dragen, vormen eene uitzondering, daar zij om ’t lot van haar kroost meer bezorgd zijn, of althans schijnen te zijn, dan om zichzelf.Op tochten, waaraan geen gevaar verbonden is, wordt nu en dan halt gehouden; dan hebben ook de kinderen gelegenheid om met elkander te spelen. Onder gevaaraanbrengende omstandigheden volgt eerst na het einde van den tocht een korter of langer tijd van rust en ontspanning; ter bevordering der spijsvertering houdt men dan ook wel eens een middagslaapje. In den namiddag wordt een nieuwe strooptocht ondernomen, en tegen zonsondergang begeeft zich de bende naar de gewone slaapplaatsen, die zoo goed mogelijk tegen de aanvallen van gevaarlijke roofdieren beveiligd zijn, om hier, ofschoon eerst na langdurig krakeel en getwist, schelden en kijven de welverdiende rust te zoeken en te vinden.Enkele tochten uitgezonderd, die of uit nood worden ondernomen, of kans bieden op een meer dan gewonen oogst, gaat het op deze wijze vrij geregeld dag aan dag voort. De voortplanting, die bij het meerendeel der andere dieren gewoonlijk groote veranderingen in de levenswijze te voorschijn roept, oefent op de apen geen merkbaren invloed uit; deze toch is aan geen bepaald tijdstip gebonden en de apenmoeder sleept overal haar jong mede. Meestentijds wordt er maar één kind tegelijk geboren; het komt goed ontwikkeld en dus met open oogen ter wereld. De apenjongen zijn evenwel naar onze begrippen afschuwelijke wezens en in weêrwil der reeds vergevorderde ontwikkeling[233]zeer hulpbehoevende schepseltjes. Afschuwelijk zijn zij in onze oogen, omdat de geplooide gezichtjes en de levendige oogjes hun een oudachtig voorkomen geven, en het nog dunne haarkleed de buitendien reeds lange voorste ledematen nog langer doet schijnen; hulpbehoevend zijn ze, omdat zij van de ledematen nog geen ander gebruik weten te maken dan er zich mede aan de borst der moeder vast te klampen. Hier hangen zij, met armen en handen den hals, met beenen en voeten den buik der moeder omklemmende, weken lang zonder eenig ander lichaamsdeel dan het hoofd te bewegen; dientengevolge is de moeder in staat alle gewone bezigheden te verrichten, zelfs evenals vroeger op de gevaarlijkste wegen te loopen of halsbrekende sprongen te doen, zonder dat zij daarbij van haar kind eenigen last ondervindt. Eerst na geruimen tijd, zelden vroeger dan na verloop van eene maand, beginnen de kleinen enkele bewegingen uit te voeren, doch handelen daarbij zoo plomp, dat het eer ons medelijden dan onzen lachlust opwekt. Deze gedrochtjes worden echter, misschien wel juist om die hulpeloosheid, door de moeders met zulk eene teederheid behandeld, dat de uitdrukking „apenliefde” zeer gepast mag heeten. Altijd is de apenmoeder met haar kleintje bezig. Dan likt zij het, dan zuivert zij het, dan legt zij het aan de borst, dan neemt zij het in de handen, en beschouwt het met innig welbehagen, dan schommelt zij het, als wilde zij haar kind in slaap wiegen.Wordt zij bespied, zij keert zich om als misgunde zij aan andere wezens het gezicht van haar lieveling. Is de laatste wat ouder en bewegelijker geworden, dan verkrijgt hij een enkele maal verlof de moederborst te verlaten om met andere kindertjes van gelijken leeftijd te spelen, maar steeds staat hij onder streng toezicht, en ontvangt hij bij de geringste ongehoorzaamheid stompen en knepen. Tot het voedsel zelfs strekt zich de zorg der moeder uit. Hoe gulzig deze anders ook zijn moge, met haar kind deelt zij elke bete, maar duldt echter niet, dat het door haastig of te veel eten zich ziek zou maken; in zoodanige gevallen laat zij haar moederlijk gezag gelden. Zelden evenwel is een ernstige bestraffing noodig, want het apenkindje is gewoonlijk voorbeeldig gehoorzaam, zoodat het in dit opzicht menig menschenkind tot voorbeeld kan strekken. Roerend is het gedrag der moeder, wanneer haar lieveling pijn heeft; wanhopig stelt zij zich aan, wanneer het sterft. Uren, ja dagen lang sleept zij het kleine lijkje overal mede, weigert alle voedsel, blijft wezenloos op dezelfde plek zitten en kniest[234]zich dikwijls letterlijk dood. Het apenkindje is echter voor zulk een gevoel niet vatbaar, en is er ook beter aan toe dan menig menschenkind, indien het zijn moeder verliest. Want het eerste het beste medelid der troep, ’t zij mannetje of wijfje, trekt zich het lot van den armen wees aan, en vindt op deze wijze bevrediging voor de allen apen aangeboren zucht, voor moedertje te spelen, liefkoost het op het innigste—maar komt helaas! ook niet zelden ter wille van het lieve eten, in tweestrijd met zijn beter ik, zoodat het pleegkind, zoo ’t zich niet reeds alleen weet te helpen, erbarmelijk honger lijdt, en wel eens van gebrek sterft.Het valt moeilijk, zoo niet onmogelijk, eene juiste beschrijving te geven van de verstandelijke vermogens en talenten der apen, daar deze even verschillend zijn als zij zelf. Enkele trekken zijn aan allen gemeen; verreweg de meeste eigenaardigheden van hun wezen wijken zeer van elkander af. De aanleg, die bij den eenen aap nauwelijks merkbaar is, springt bij een ander duidelijk in ’t oog; dezelfde karaktertrek, die hier sterk voorkomt, wordt elders te vergeefs gezocht. Wanneer men evenwel, de familiën, geslachten en soorten vergelijkend in deze beschouwingen opneemt, dan neemt men eene inderdaad verrassende en ongedachte opklimming waar van alle talenten en vermogens. Het is zeer leerrijk op deze wijze te werk te gaan.Als de minst ontwikkelde leden der orde moeten wij deklauwapenofeekhoornapenvan Zuid- en Middel-Amerika beschouwen; dit zijn levendige, kleine, fraaie en onderling veel gelijkenis met elkander vertoonende dieren. Zij hebben wel is waar hetzelfde gebit als de hoogere soorten, maar dragen echter alleen aan de duimen platte nagels, aan de overige teenen en vingers daarentegen smalle, lange klauwachtige nagels, waardoor dus de handen en voeten, althans de handen tot pooten gedegradeerd worden. En met deze uitwendige kenmerken komen de intellektueele eigenschappen overeen. Het apendom is als het ware bij deze soort nog niet tot volle ontwikkeling gekomen. In vorm en kleur zoowel als in houding, gedrag en hun geheele zijn, zelfs in hun stem herinneren zij aan de knaagdieren. Zij zitten bijna nooit, zooals andere apen, rechtop, hoogstens evenals de eekhoorntjes, maar meestal steunen zij op alle vier ledematen; ook klauteren zij niet zooals de andere leden der orde, los en gemakkelijk, met handen en voeten de takken omklemmende, maar meer op de wijze der knaagdieren, met ingetrokken klauwen, zich tegen de voorwerpen[235]aandrukkende, in sprongen—toch evenwel niet langzaam en plomp.Zeer verschillende van die der hoogere apen is hunne stem; het geluid, dat zij geven, is een in de hooge tonen zich bewegend gefluit, dat nu eens herinnert aan het gekweel van vogels, dan eens aan het gepiep van ratten en muizen, ja wellicht nog de meeste overeenkomst bezit met het stemgeluid der Guineesche biggetjes. Volkomen knaagdierachtig is hun gedrag; zij laten dezelfde onrust en bewegelijkheid, dezelfde nieuwsgierigheid, schuwheid en angst, dezelfde ongedurigheid als de eekhoorntjes blijken. Het kopje is geen enkel oogenblik in rust en de donkere oogen richten zich nu op het eene, dan op het andere voorwerp, maar altijd vol drift en schijnbaar zonder veel bewustheid, hoe verstandig zij overigens ook mogen kijken. Alle handelingen getuigen van weinig overleg. Onwillekeurig volgen zij de ingeving van het oogenblik en vergeten het daarop volgende waar zij meê bezig waren, zoodra een nieuw voorwerp hun opmerkzaamheid trekt. Zij zijn luimig in den hoogsten graad; zoo even goed gehumeurd en schijnbaar tevreden met hun lot, gelukkig door eene vriendschappelijke bejegening, grijnzen zij eene seconde later hun weldoeners aan, houden zich alsof zij ten uiterst bevreesd zijn en hun leven op het spel staat, laten de tanden zien en pogen te bijten. Even prikkelbaar als apen en knaagdieren, ontbreekt hun toch het persoonlijke, dat vooral de hoogere apen teekent; de een toch handelt precies zoo als de ander, als het ware zonder zelfbewustzijn, en altijd kleingeestig. Zij bezitten alle eigenschappen van bloodaards; de jammerlijke stem, den onwil om zich in ’t onvermijdelijke te voegen, de beklagenswaardige wijze, waarop zij alle gebeurtenissen opnemen, een ziekelijke neiging om elke handeling van een ander schepsel wantrouwend en als henzelf geldend te beschouwen, de zucht om te pralen, wanneer zij een denkbeeldig of wezenlijk gevaar uit den weg trachten te gaan, machteloosheid in willen en doen. Juist omdat zij zoo weinig apen zijn worden zij door de vrouwen in bescherming genomen, maar door de mannen geminacht.Op hoogeren trap van ontwikkeling staan de eveneens in Amerika thuis behoorendebreedneusapen, ofschoon ook in dezen de werkelijke aap nog niet recht zichtbaar is. Hun gebit telt in elke kaak eene kies meer dan dat der overige apen; zij bezitten dus geen 32 maar 36 tanden; aan de vingers en teenen zitten enkel platte nagels; het lichaam heeft door de meerdere lengte der ledematen een min of meer slanken vorm en de staart is bij velen een uitstekend grijpwerktuig.[236]Evenals de klauwapen zijn ook zij uitstekende boomdieren en uit dien hoofde zeer onbeholpen en linksch zoodra zij zich op den vlakken grond bevinden. Hun gang is alsdan hoogst onzeker en waggelend, en in dit opzicht onderscheiden die soorten, welke van een grijpstaart voorzien zijn, zich nog het onvoordeeligst; toch is hun klimmen zelfs niet in de verte te vergelijken met dat van de apen der oude wereld. Vermenigvuldiging toch der bewegingswerktuigen behoeft nog geenszins met eene verbetering in, en nog minder met eene vermenigvuldiging van de bewegingen zelf gepaard te gaan, maar kan soms de oorzaak worden van eenzijdigheid. En dit laatste is bij deze apen het geval. Hun grijpstaart is niet hun vijfde, maar hun eerste hand; hij dient hen voor het ophangen of de bevestiging van ’t geheele lichaam, tot het aanhalen van allerlei voorwerpen, als trappen, hangmatten, enz.; maar hij verhaast de bewegingen evenmin als hij die gemakkelijker maakt; hij verlangzaamt ze integendeel door ze meer zekerheid te geven. Daar dit lichaamsdeel onophoudelijk in gebruik wordt gesteld, loopt deszelfs bezitter nimmer gevaar het evenwicht te verliezen en van de veilige hoogte naar beneden in de gevaarlijke diepte te storten, maar het belet hem dan ook elke vrije en stoute beweging. Langzaam zendt hij den grijpstaart als het ware bij elke schrede vooruit; altijd wordt deze het eerst en soms zelfs van voren bevestigd, en eerst nu maakt hij hand voor hand en voet voor voet van de takken, die hij omklemd hield, los. Zoo bindt hij zich meer aan de takken vast, dan dat hij er op en langs klautert, en uit dien hoofde denkt hij er nooit aan een eenigszins koenen sprong te wagen. Deze zich nooit verloochenende zorg voor de beveiliging van het eigen kostbaar ik drukt op deze apen den stempel van verveling en niet dien van bedachtzaamheid. Het is merkwaardig hoe volkomen alle andere begaafdheden der apen van de Nieuwe Wereld daarmede in harmonie zijn. Hunne stem is niet zoo eentonig als die der klauwapen, altijd echter nog onaangenaam. Van jammeren tot brullen doorloopt dat geluid alle daar tusschen gelegen modulaties; het jammerende, het smartelijke heeft echter altijd de bovenhand, en de gedragingen dezer dieren zijn daarmede in volkomen overeenstemming. Warm beschijnt de zon na een koelen, aan dauw rijken nacht de boomen van het oerwoud en strooit hierover haar goud; duizendvoudige begroetingen en jubelkreten stijgen op uit millioenen kelen; ook de brulapen maken zich gereed tot hun danklied. Maar op welke wijze? Op de dorre kruintakken van een[237]reuzenboom geklauterd, die boven alle boomen des wouds uitsteekt, hebben zij zich door middel hunner grijpstaarten op veilige wijze vastgehecht en koesteren zich in het zonnetje. De behagelijkheid, die hun deel is, wekt ook in de brulapen den lust hunne stem te laten hooren. Een individu, dat, naar men zegt, uitmunt door eene hooge, gillende stem, de voorzanger, ziet zijn makkers strak aan en begint; de anderen kijken even strak op den eersten en vallen mede in; een vreeselijk concert weêrklinkt door het woud, nu eens huilend, dan brommend, straks knorrend, gronzend, rochelend, steunend, als waren alle dieren des wouds in moorddadigen strijd gewikkeld. Met afzonderlijke brulgeluiden begint deze vreemde symphonie; zij worden woester en volgen sneller op elkaar, naarmate de aanvankelijk nog niet zichtbare opwinding des voorzangers toeneemt en op de anderen overgaat; het geluid wordt een huilend gebrul, dat eindigt gelijk het is aangevangen. Werpt men een blik op die langgebaarde, ernstige zangers, dan kan men zich moeilijk van lachen onthouden; de alle maat te boven gaande wangeluiden, waaraan zij zich schuldig maken verwekken echter al spoedig een gevoel van verveling, evenzeer als hunne eenzijdige, eer kruipende dan klimmende bewegingen. Wat de een doet aapt de ander gedachtenloos na; maar wat hij ook doen moge, steeds verwekt zijn doen en laten verveling. Alle met een grijpstaart voorziene apen komen vrij wel met de genoemde brulapen overeen; iets vrijer en zelfstandiger gedragen zich de capucijnerapen en enkele andere, meer ontwikkelde leden der familie. In ’t algemeen zijn zij in verstandelijk opzicht even log als zij zulks lichamelijk zijn; evenwel zacht van aard, vertrouwelijk, maar tevens dom, gemelijk, klagend, sommigen ook eigenzinnig, boosaardig en vol streken. Zij staan dus wel is waar boven de klauwapen, maar verre beneden de apen der OudeWereld. Misschien doet men hun geen onrecht met de bewering, dat zij wel de slechte, maar niet de goede eigenschappen van hunne Afrikaansche en Aziatische bloedverwanten bezitten. Hun zachtmoedigheid en goedmoedigheid—die evenwel volstrekt nog niet het kenmerk is van alle soorten—weegt in de verste verte niet op tegen het op allen drukkend gemis aan ondernemingsgeest, moed, opgewektheid, levendigheid, beradenheid, vindingrijkheid en bedachtzaamheid, door welke eigenschappen de apen der Oude Wereld zich voordeelig onderscheiden. Hun eeuwig gejammer en gehuil wischt ook die eigenschappen uit, welke hun nog enkele vrienden onder ons zouden kunnen verwerven.[238]Evenals de apen der Nieuwe Wereld kan men ook die der Oude Wereld in twee groepen verdeelen, die men wellicht tot den rang van familiën zou kunnen verheffen, ofschoon het gebit van allen gelijkvormig is. Wij noemen de eene groephondskopapen, de anderemenschapen; de eerste groep leert ons het ware apendom kennen, de tweede is bereids daarboven verheven. Voor genen geldt hoofdzakelijk wat ik zoo even opmerkte; men vindt er onder zoowel schoone als leelijke, zoowel lieve als terugstootende, zoowel vroolijke als ernstige, zoowel goedaardige als boosaardige apen. Werkelijk misvormde apen komen er niet onder voor, daar ook de leelijke, of althans in onze oogen leelijk schijnende soorten evenredige vormen bezitten; toch treft men er vreemdsoortige kameraads onder aan. Hun voornaamste kenmerk bestaat in den vooruitstekenden snuit, die aan een hond doet denken, in de betrekkelijk korte armen, den tot een stompje verkorten staart, de vrij sterk ontwikkelde eeltplekken en de maar zelden ontbrekende wangzakken. Het gebit bevat 32 aaneengesloten tanden. Deze apen bewonen Europa, Azië en Afrika, maar zijn in laatstgenoemd werelddeel het talrijkst.In eigenschappen en begaafdheden staan zij ver boven de klauwapen en de breedneuzen. Zij kunnen meerendeels goed loopen, alhoewel er onder zijn, die onzen lachlust opwekken door hun hinkenden gang. Het valt hun gemakkelijk op de achterste ledematen te gaan staan; zij richten zich dan in hunne volle lengte op en kunnen dan zelfs in deze houding een eind weg voortkomen. Het zijn daarbij goede klimmers; sommigen oefenen zich hierin op de rotsen, anderen in de boomen. De meesten zijn ook nog uitstekende zwemmers. Die, welke op de boomen leven, klauteren als het ware vliegend, want de acrobatische toeren, die zij in de takken uitvoeren, zijn inderdaad verbazingwekkend. Sprongen van 8 en 10 meter zijn niets ongewoons; uit den hoogsten boomtak springen zij naar den laagsten, doen dezen doorbuigen, en, geholpen door het terugspringen van dien tak, zetten zij den tocht voort naar een anderen. Den staart en de achterste ledematen uitstrekkende, en zich hiermede in evenwicht houdende, doorklieven zij de lucht als een pijl uit den boog. Elke boomtak, al is hij ook met de gevaarlijkste dorens bezet, is hun een gebaand pad, elke slingerplant een weg. Zij klauteren vooruit en achteruit, langs den onderkant der takken zoowel als langs den bovenkant, grijpen onder het springen een dunne twijg, hechten er zich aan vast en blijven onbepaald lang in deze[239]houding zweven, klimmen daarna op den tak en verder, even gemakkelijk als bevonden zij zich op den vlakken grond. Mist de hand, de voet herstelt de fout; breekt de tak onder den plotselingen druk, een tweede of derde wordt gegrepen; breken alle takken, zij springen, uit welke hoogte zij ook mogen vallen, ongedeerd op den grond, om nu langs den eersten den besten stam of de meest nabijzijnde slingerplant, weder omhoog te klauteren. Bij het klevende of kruipende klimmen hunner Amerikaansche verwanten vergeleken, is dat der hondskopapen eene waarlijk vrije, bandelooze, elken hinderpaal wegruimende beweging. Gene zijn stumpers, deze zijn volleerde kunstenaars, gene slaven der boomen, deze beheerschers der takken.Even als hunne bewegingen zulks zijn is ook de stem dezer apen meer volkomen. Men verneemt van hen geen kweelend of piepend, geen klagend of huilend, maar een met den indruk des oogenbliks en de omstandigheden overeenkomend geluid, dat ook voor ons verstaanbaar is. Voor behagen en mishagen, verlangen en tevredenheid, lust en onlust, liefde en haat, goedhartigheid en toorn, vreugde en smart, vertrouwen en wantrouwen, sympathie en antipathie, teederheid en hardvochtigheid, inschikkelijkheid en trots, vooral plotselinge opwellende aandoeningen, zooals vrees, schrik en ontzetting, voor al deze gesteldheden der ziel vinden zij een uitdrukking, hoe beperkt ook overigens hun spraakmiddelen mogen zijn.Hand aan hand gaan met deze de zoogenoemde geestelijke fakulteiten gepaard. Terecht kan men hier opmerken, dat de hand, die bij hen eerst tot zekere ontwikkeling is gekomen, hen boven alle andere dieren grootelijks bevoorrecht, en hen dingen doet doen, die soms grooter schijnen dan zij werkelijk zijn; zoo ziet men hen kunststukken verrichten, die een hond of ander dier onmogelijk zou ten uitvoer kunnen brengen. Toch moet men de apen onder de verstandigste zoogdieren rekenen, die een mate van overleg ten toon spreiden, welke verbaast. Zij hebben een sterk geheugen; de verschillendste indrukken blijven bewaard en hun wikkend verstand verwerkt die indrukken tot ervaringen, die in voorkomende omstandigheden groote diensten bewijzen. Zij handelen met volle bewustzijn en niet als slaven, die zonder eigen wil gehoorzamen aan eene van buiten komende kracht, maar zelfstandig, vrij en met afwisseling; zij weten slim van alles partij te trekken en waar het te pas komt bedienen zij zich van allerlei hulpmiddelen om hun doel te bereiken. Zij onderscheiden oorzaak en gevolg, weten het[240]laatste òf te verijdelen òf te bewerken; zij onderscheiden niet enkel wat goed of wat kwaad voor hen is, maar zij weten zelfs of zij goed of slecht handelen, onverschillig of zij daarbij het standpunt van hun eigen lief ik, of dat van een boven hen staand wezen innemen. Niet het blinde toeval, maar het zich bewust zijn van de gevolgen regelt hun doen en laten, maakt hen afhankelijk van ’t overwegen van ’t betere, noopt hen om gemeenschappelijk te werken en te handelen, leerthenom gezamenlijk zich aansprakelijk te stellen voor het wel en wee van ieder afzonderlijk lid, vreugde en leed, geluk en ongeluk, veiligheid en gevaar, welvaart en gebrek met hem te deelen, m.a.w. een op wederkeerige afhankelijkheid berustend verband te vormen; het onderwijst hen in het gepast aanwenden der hun niet van nature aangeboren krachten en middelen, en drukt hun eindelijk wapens in de hand, die deze laatsten hun niet konden schenken. Wel is waar delft de bezonnenheid dikwijls tegenover hunne driften en neigingen het onderspit, maar juist deze driften getuigen van de levendigheid der gewaarwordingen, of, wat op hetzelfde uitkomt, van de werkzaamheid van hunnen geest. Zij zijn gevoelig als kinderen, prikkelbaar als geestelijk zwakke menschen, en uit dien hoofde ontvankelijk voor elke soort van behandeling, hun aangedaan; voor tegemoetkomende liefde, voor terugstootenden haat, voor aansporenden lof, voor krenkenden smaad, voor streelende vleierij en bitteren hoon, voor liefkoozingen en tuchtiging. En toch laten zij zich niet zoo gemakkelijk behandelen, nog minder africhten als een hond of ander verstandig huisdier, want zij zijn eigenzinnig in den hoogsten graad en bezitten haast evenveel zelfbewustzijn als de mensch. Onvermoeid leeren zij, maar slechts wanneer en voor zooveel zij willen en geenszins dan, wanneer zij er toe gedwongen worden; hun zelfbewustzijn doet hun elk bevel weêrstreven, waarin zij geen voordeel voor zich zelf zien. Wel weten zij zeer goed welke straf hen wacht, en zij geven zulks dikwijls vooraf reeds door passende geluiden te kennen, maar toch weigeren zij te doen wat hun geboden werd; daarentegen volbrengen zij gewillig en onder luide bijvalsteekenen wat hun genoegen verschaft. Hij, die hun zelfbewustzijn in twijfel trekt, moet hen maar eens gadeslaan, wanneer zij zich bezig houden met een ander dier. Zij beschouwen dit, zoo althans geen vrees voor diens sterkte en gevaarlijkheid hen terughoudt, als een speelgoed voor hunne luimen, onverschillig of zij het plagen, foppen of kwellen, of nu en dan met liefkoozingen overladen.[241]Enkele voorbeelden, voor welker waarheid ik in sta, mogen tot bewijs mijner beweringen strekken.Toen ik in het land der Bogo’s reisde, ontmoette ik op mijn eersten rit door het gebergte een talrijke troep dierzelfde mantelbavianen, waarvan Scheik Kemal el Din Demiri gewaagt. Het was een schilderachtig gezicht, deze dieren op de bovenste kammen eener rots te zien zitten, terwijl zij het golvend haarkleed in de zon droogden; ik begroette hen met geweerkogels, zoodat zij in allerijl de vlucht namen. Terwijl ik mijn weg door het nauwe en zeer gewonden rotsdal van Mensa vervolgde, ontmoette ik geruimen tijd later weder denzelfden troep en wel in het dal zelf, dat zij zich gereed maakten over te steken ten einde bescherming te zoeken op de rotsen der overzijde. Een aantal was bereids aan den anderen kant gearriveerd, het grootste deel echter was nog op het punt den overtocht te bewerkstelligen. Onze honden, prachtige, slanke hazewinden, die gewoon waren zegevierend den strijd met hyaena’s en andere roofdieren te bestaan, wierpen zich op de bavianen, die uit de verte gezien meer op carnivoren dan op apen geleken, en dreven deze dieren snel rechts en links naar de rotswanden omhoog. De wijfjes echter alleen vluchtten, de mannetjes vlogen fluks op de honden in, vormden er een kring omheen, brulden, sloegen grimmig met de handen tegen den grond, sperden den muil wijd open, lieten de tanden zien, en zagen hun vijanden zoo woedend en boosaardig aan, dat de anders zoo moedige honden ontzet terugdeinsden en angstig bij ons bescherming zochten. Nog voor het ons gelukte de honden weder tegen de apen op te hitsen, was de toestand der laatsten geheel veranderd, want toen de honden weêr opnieuw op hen aanvlogen, hadden de meesten zich reeds in veiligheid gesteld.Een jonge aap, niet ouder dan een halfjaar, was achtergebleven; toen deze de honden op zich aan zag komen, begon hij verschrikkelijk te schreeuwen, doch wist nog bij tijds een rotsblok te bereiken, alwaar het veilig dacht te zijn. Onze honden handelden met overleg en sneden den aap den terugtocht af, zoodat wij de hoop begonnen te koesteren het diertje op te vangen. Maar het zou niet geschieden. Fier en vol waardigheid, zonder zich in ’t minst te haasten en op ons acht te slaan, stapte een zeer oud mannetje, van de veilige rots afdalende, op het in nood verkeerende jong af, ging, zonder de minste vrees te verraden, de honden tegemoet, hield deze door blikken, gebaren en voor ieder verstaanbare geluiden in bedwang, beklom langzaam het rotsblok, legde het bedreigde[242]apenkind aan zijn borst, en voor wij op de plaats waren gekomen, had hij den terugtocht weêr aanvaard, terwijl de honden geen poot verroerden en hem stil lieten wegtrekken. En onder dit moedig bedrijf van zelfopoffering hoorde men in het dichte kreupelhout der rotshelling, werwaarts de apen zich hadden begeven, tonenweêrklinken, zooals ik nog nooit van bavianen had gehoord. Ouden en jongen, mannetjes en wijfjes brulden, gilden, knorden, bromden, blaften door elkander en verwekten een geschreeuw alsof zij met panters en dergelijke gevaarlijke roofdieren in gevecht waren geraakt. Het was, gelijk ik later ontdekte, het veld- of krijgsgeschreeuw der apen, dat ik hoorde; zij hadden daarmede ten oogmerk om de honden schrik aan te jagen, misschien ook wilden zij daarmede moed inblazen aan den onversaagden ouden ridder, die zich onder hunne oogen in het dreigendste gevaar begaf.Eenige dagen later zou ik ervaren, dat deze zelfbewuste dieren het ook tegen den mensch durven opnemen. Bij mijn terugkomst uit het land der Bogo’s stieten wij nogmaals op een, misschien denzelfden troep; van uit het dal openden wij uit zeven dubbelloopsgeweren een moorddadig vuur op hen. De uitwerking was onbeschrijfelijk. Dezelfde oorlogskreten, die ik vroeger had gehoord, klonken ook nu weder, en als op het bevel van een generaal rustten zich allen ten strijde. Terwijl de gillende wijfjes met de jongen ijlings wegvluchtten, en, over den kam der rotsen spoedende, zich buiten bereik onzer wapenen stelden, betraden de oude mannetjes, met van woede fonkelende blikken, terwijl zij de handen tegen den grond sloegen, eer blaffend dan brullend, de vooruitstekende steenen en rotspunten, overzagen eenige oogenblikken onder voortdurend luid gebrom, geknor en gegil, de diepte, en begonnen daarop met zooveel drift en behendigheid ons met steenen te bombardeeren, dat wij het gevaarlijke onzer positie terstond inzagen en op de vlucht sloegen. Indien wij niet in staat waren geweest tegen de overstaande hellingen van het nauwe dal naar boven te klimmen, om ons op deze wijze in zekerheid te stellen tegen het geschut der apen, wij zouden het onderspit hebben gedolven. De verstandige dieren handelden bij hunne verdediging niet alleen stelselmatig, maar daarenboven, gemeenschappelijk naar één doel strevend, in onderling overleg en samenwerking. Een onzer zag zelfs hoe een der strijders zijn steen op een boom droeg, om dien van hier uit met meer effekt naar ons toe te slingeren; ik zelf nam waar dat twee apen gezamenlijk een zwaren steen aan ’t rollen brachten.[243]Tot zulke middelen van tegenweer grijpt geen enkel ander dier dan de boven allen verheven aap, evenmin als het mannetje eener andere diersoort zich aan gevaren blootstelt om een hulpeloos jong te redden. Zulke trekken mogen niet geloochend of verkeerd beoordeeld worden; want zij getuigen luider en beter voor zichzelf dan alle spitsvondige uiteenzettingen, die ten doel hebben aan het dier verstand en zelfbewuste handelingen te ontzeggen.Hoe juist de hondskopapen oorzaak en gevolg weten te onderscheiden, kan ieder bij eigen ervaring waarnemen, die deze dieren onbevooroordeeld nagaat. Zij openen deuren en vensters, schuifladen, kasten en doozen, maken knoopen los; zij weten hinderpalen uit den weg te ruimen, niet alleen wanneer zij eenmaal hebben opgemerkt hoe men daarbij te werk gaat, maar zij vinden zelf middelen uit om daartoe te geraken. Zekere baviaan, dien ik verzorgde en in mijn gezin had opgenomen, pakte eens eene jonge kat met het voornemen, dit beestje tot pleegkind aan te nemen en er moedertje over te spelen. De aap werd eens door het dier gekrabd; hij stelde terstond een onderzoek in naar de vermoedelijke oorzaak, en toen hij bevond dat de nagels als zoodanig moesten beschouwd worden, beet hij deze organen onmiddellijk af, overtuigd dat hij nu voortaan gevrijwaard zou zijn tegen eene herhaling van deze onaangename bejegening. Denzelfden baviaan werd nu eens door mijn broeder dan door mijzelf herhaaldelijk schrik aangejaagd, doordien wij buskruit op den grond strooiden en dit aanstaken. Het plotseling ontvlammende kruit veroorzaakte den aap zulk een hevigen angst, dat hij elken keer luidkeels begon te schreeuwen en zoo ver weg sprong als het touw, waaraan hij vastgebonden was, toeliet. Nadat dit tooneel eenige malen was herhaald, kwam de baviaan op den inval het ontvlammen te voorkomen door eerst het stuk zwam met de hand uit te dooven, en daarna het buskruit eenvoudig op te eten. Een ander maal werd hij zelf de oorzaak van zijn angst. Even als alle apen, geen uitgezonderd, was hij uitermate bevreesd voor reptielen, inzonderheid voor slangen; wij hadden hierin grooten schik en plaagden hem daarom dikwijls door eene levende, doode of opgezette slang in eene groote blikken doos te doen, dien wij hem gesloten toereikten. Hij kende ten laatste doos en inhoud volkomen, maar niet in staat zijne nieuwsgierigheid te bedwingen, opende hij telkens weder de doos om onmiddellijk daarna met een luiden schreeuw weg te loopen.[244]Niet tevreden met de kennis van werkelijk aanwezige oorzaken, zocht deze aap, indien hem eene onaangenaamheid bejegende, naar ingebeelde oorzaken.Iets of iemand moest van zijn leed de schuld zijn, dit stond bij hem vast. En zoo keerde zich soms zijn volle woede tegen den eersten den besten, dien hij in ’t gezicht kreeg. Werd hij b.v. bestraft, dan richtte zijn toorn zich niet op zijn heer en meester, maar op dengene, die toevallig bij die bestraffing tegenwoordig was; deze was in zijne oogen de oorzaak der snoode behandeling, die hij van de zijde zijns anders zoo goedaardigen gebieders ondervond. Even als onverstandige menschen in dergelijke gevallen ook gewoon zijn te doen, verdacht hij dus onschuldigen.Ofschoon zelf buitengemeen gevoelig voor eene hem aangedane of toegedachte onrechtvaardige behandeling, zoo ook indien men hem plaagde of kwelde, kon onze baviaan het toch nimmer nalaten andere dieren te sarren, ja te mishandelen. Onze oude, knorrige dashond hield eens, genoegelijk in de zon uitgestrekt, zijn middagslaapje. De baviaan zag zulks, sloop voorzichtig naar de plaats, waar de hond lag, beschouwde het dier aandachtig met zijn duivelsche, boosaardige oogjes, om zich te overtuigen, dat de hond werkelijk sliep, pakte vlug diens staart en bracht het beest door krachtig aan dat orgaan te trekken uit de wereld der droomen in die der werkelijkheid terug.Grimmig trachtte de hond dezen hoon te wreken en sprong op den twistzoeker los.Deze echter ontkwam de dreigende straf door vlug over den hond heen te springen; hij had in ’t volgende oogenblik wederom den staart van dit dier gegrepen, daar weêr aan getrokken, zich vermakende met de machteloosheid van zijn vijand, totdat deze met beveiligden, d.i. met opgetrokken staart, razend van toorn en woede, tot blaffen niet meer in staat, schuimbekkend het hazepad koos om zijn tegenstander het veld te laten. Zoo de baviaan had kunnen lachen, zou er niets meer ontbroken hebben aan de overeenstemming tusschen zijne handelwijze en die van een boosaardig mensch. Niettemin werd de overwonnen hond op zeer verstaanbare wijze met spot en schimp overladen. Elke plagerij, hem zelven daarentegen aangedaan, nam de aap zeer euvel op en reeds het lachen van den een of anderen guit kon hem in woede doen ontsteken, terwijl hij niet naliet zich op zoo iemand te wreken zoodra hij de kans schoon zag, al mochten er ook[245]weken verloopen zijn sedert het feit was bedreven. Hij was een „aap”, hij gevoelde zijn waarde als zoodanig, en beschouwde alzoo den hond als een zoo verre beneden hem staand wezen, dat zijne aanmatiging ons even verschoonbaar voorkomt, als die van zeker ander wezen, dat tegenover hem op gelijke wijs dorst te handelen, in de oogen des aaps verkeerden strafbaar schijnt.HOEDAPEN.HOEDAPEN.Van zulk een sterk gevoel van eigenwaarde, juister gezegd van overschatting van eigenwaarde, geven de hondskopapen ons dagelijks een aantal bewijzen; men moet hen slechts nauwlettend gadeslaan. Dezelfde baviaan, van wien zoo even sprake was, hield, gelijk alle apen, veel van pleegkinderen; eens trok hem een meerkat, die met hem dezelfde kooi deelde, bijzonder aan. Men kon hem dit dier zelfs buiten de kooi[246]gerust toevertrouwen; altijd had hij de meerkat aan zijn zijde en deze sliep in zijn armen en gehoorzaamde hem slaafs. De baviaan beschouwde deze onderworpenheid als iets, wat van zelf sprak; onbepaalde gehoorzaamheid vooral eischte hij evenwel tijdens den maaltijd. Terwijl de goedaardige, gehoorzame meerkat zonder eenigen schijn van verzet gedwee toestond, dat haar pleegmoeder—onze baviaan was een wijfje—de beste stukken voor zich zelf behield, gunde de laatste haar lieveling niet meer dan het allernoodigste; was de meerkat zoo gelukkig geweest, iets ter zijde te leggen, b.v. iets in haar wangzakken te steken, onbarmhartig brak hij deze open om den inhoud zichzelf toe te eigenen.Hoe groot de aanmatiging en overschatting van eigen persoonlijkheid bij de hondskopapen ook mogen zijn, zij zijn zich niettemin zeer goed bewust van iets strafbaars gepleegd te hebben.Schomburgkhaalt ten bewijze daarvan een zeer leerzaam voorbeeld aan. In de zoölogische afdeeling van den plantentuin te Adelaïde deelde een oude hoedaap met twee soortgenooten, waarover hij erg de baas speelde, hetzelfde hok. Door de eene of andere toevallige omstandigheid geërgerd, overvalt deze aap op zekeren dag onverhoeds zijn oppasser, en brengt dezen, door hem een slagader van het handgewricht door te bijten, eene gevaarlijke wonde toe.Schomburgkveroordeelde den booswicht ter dood en gelast aan een anderen oppasser dit vonnis door middel van kruit en lood ten uitvoer te brengen. Apen nu zijn zeer gewend aan vuurwapenen, daar deze veel worden gebruikt om in den tuin schadelijke dieren te dooden; zij kennen de uitwerking, doch maken zich volstrekt niet ongerust wanneer men hen in de nabijheid van zulke voorwerpen brengt. Ook nu, op den volgenden dag na het misdrijf van den tyran, blijven de beide jonge apen rustig aan den etensbak zitten als de oppasser aan wien de executie van hun kameraad was opgedragen, zich laat zien; maar de veroordeelde misdadiger daarentegen vliegt snel naar zijn slaaphok en is door geen enkel lokmiddel te bewegen dit te verlaten. Men poogt hem te paaien door hem voedsel aan te bieden; hij laat, wat vroeger nooit geschiedde, zijn beide slaafjes de lekkere kost verteren, en waagt het niet aan hun maaltijd deel te nemen. Eerst wanneer de onheilspellende oppasser zich verwijderd heeft sluipt hij steelsgewijs nader, neemt snel eenige brokken om angstig naar zijn veilige schuilplaats terug te vlieden. Men slaagt er eindelijk in hem voor de tweede maal naar buiten te lokken en den toegang tot zijn sluiphoek van buiten te sluiten. En als hij nu weder den oppasser[247]met het moordtuig ziet naderen, weet hij, dat hij reddeloos verloren is. Als waanzinnig werpt hij zich op de deur van zijn slaapvertrek om deze zoo mogelijk te openen; als hem dit niet gelukt, vliegt hij als een waanzinnige door de kooi, alle hoeken en gaten doorzoekende of deze hem nog gelegenheid bieden tot ontkoming, en eindelijk, geene uitkomst ziende, over zijn geheele lichaam sidderende, werpt hij zich vertwijfelend op den grond en onderwerpt zich wilsverlamd aan zijn noodlot, dat hem een oogenblik later heeft achterhaald.Men zal moeten toestemmen, dat geen enkel zoogdier uit een der andere orden zoo zou handelen, zelfs niet zou de sedert duizenden van jaren door den mensch gedresseerde en onderwezen, ik zou haast zeggen, door den mensch geschapen hond; zelfs deze heeft het niet eens tot zulk eene hooge verstandelijkheid gebracht. En toch ligt er nog eene breede klove tusschen genoemde hondsapen en de menschapen, van welke laatste ik zooeven heb opgemerkt, dat zij zich reeds boven het gemiddelde peil van het apendom hebben verheven.Onder menschapen begrijpen wij al die apen, welke in gedaante het meest op den mensch gelijken, doch zich van dezen nog zeer onderscheiden door hun grootere hoektanden, de betrekkelijk lange armen en korte beenen, den bouw der hand, de bij sommige soorten voorkomende eeltplekken en het haarkleed. Zij bewonen de tropische gewesten van Afrika en Azië, in laatstgenoemd werelddeel in meer soorten dan in het eerste, en vervallen in drie familiën, een van welke tot Afrika beperkt blijft. Elk dezer familiën bevat slechts weinig soorten, maar waarschijnlijk zijn ons alle soorten nog niet bekend.Ook de menschapen worden door hun bouw gedwongen hoofdzakelijk op de boomen verblijf te houden; zij zijn echter evenmin als slankapen, meerkatten en makako’s boomslaven, veeleer uitnemende klimmers. Zij bewegen zich echter, zoowel op de takken als op den grond, anders dan alle andere apen. Wanneer zij een boom, inzonderheid een gladden stam zonder takken beklimmen, nemen zij dezelfde houding aan als een mensch, wanneer deze in een boom klimt; geholpen door hun lange armen en korte beenen vorderen zij evenwel veel sneller dan de meest geoefende en vaardigste menschelijke klimmer; in de vertakking aangeland beschamen zij den besten turner door de veelsoortigheid en zekerheid hunner bewegingen. Met hunne ver reikende armen vatten zij den eenen tak, met de voeten omklemmen zij een ander, die met den eersten parallel loopt en iets lager zit, ongeveer[248]voor de helft, om er nu over heen te loopen, terwijl zij den bovensten tak als leuning gebruiken, en dat zoo snel, dat een man beneden al loopende zijn best zou moeten doen om hem bij te houden; en toch, de apen spannen zich daarbij in ’t geringste niet in. Aan het uiteinde van den tak gekomen, grijpen zij een nabijzijnden tak, b.v. van den naasten boom, en zetten hierop hunne wandeling met gelijke snelheid voort, zonder zich daarbij wezenlijk te haasten. Willen zij naar boven dan grijpen zij den eersten den besten tak, zoo deze hen slechts kan dragen, en slingeren zich vaardig omhoog, onverschillig of één of beide armen gebruikt worden; willen zij naar beneden, dan hangen zij zich aan beide armen op en zoeken met hun voeten naar een nieuw steunpunt. Soms ziet men hen enkel voor hun genoegen minuten lang in deze houding schommelen; dikwijls loopen zij, met handen en voeten den tak omvattende, voor de afwisseling langs deszelfs benedenkant; kortom, elke denkbare houding nemen zij aan, elke denkbare beweging wordt door hen in de hoogte uitgevoerd. Onovertroffen meesters in het klimmen zijn de langarmapen of gibbons, menschapen met zulke onevenredig lange armen, dat deze eene lengte kunnen overspannen tweemaal zoo groot als die van hun geheele lichaam, dit in rechtopgaande houding gedacht. Met ongeëvenaarde snelheid en zekerheid beklimmen zij de boomkruinen of bamboestengels, brengen dezen of den een of anderen hun dienenden tak in schommeling, en slingeren dan bij het terugbuigen met zulk eene gemakkelijkheid over tusschenruimten van 8 à 12 meter, dat men waant een afgeschoten pijl of een naar beneden stootenden vogel te zien. Ook deze apen kunnen onder het springen de eerst ingeslagen richting nog veranderen en den sprong plotseling afbreken, door den eersten den besten tak te grijpen, zich daaraan vast te klemmen, er aan te schommelen, te wiegelen en er eindelijk bij op te klimmen, ’t zij om eerst even te rusten, ’t zij om terstond weder van voren aan te beginnen.Niet zelden springen zij op deze wijze achtereenvolgens drie-, vier-,vijfmalen door de lucht, zoodat het den schijn heeft alsof de zwaartekracht voor hen niet bestond. Even gemakkelijk als zij klimmen, even moeilijk valt hun het gaan. Sommige andere menschapen kunnen zonder groote inspanning in opgerichten stand, dus alleen op de voeten een vrij grooten afstand afleggen; echter, indien zij wat haastig willen loopen, vallen ze weêr voorover, en waggelen nu op handen en voeten verder, hierbij steunende op de omgebogen vingerknokkels en den[249]buitenkant der voetzolen, terwijl zij het lichaam, dat als een logge en zware massa tusschen de omhoogstaande armen schommelt, als het ware vooruitwerpen.De gibbons echter bewegen zich alleen in geval van nood op deze wijze en dan nog meer springend dan loopend; daarentegen leggen zij veel korter afstanden af als zij zich in hun volle lengte oprichten, om, met uitgeslagen armen zich in evenwicht houdende, de duimen zoover mogelijk uitspreidende, met kleine, snel opeenvolgende schreden allerdroevigst voort te strompelen. Hunne bewegingen moeten dus eenzijdig genoemd worden; want, wat zij in vaardigheid in ’t klimmen boven de andere menschapen vooruit hebben, verliezen zij weder ten aanzien van hunne hulpeloosheid op den vlakken grond.De stem der menschapen is onze aandacht ten volle waard. Wij vinden n.l. dat de levendigste en vlugste soorten der groep ook de luidste stem bezitten, terwijl daarentegen de menschapen, welke meer veelzijdig ontwikkeld zijn, alhoewel hunne levendigheid bij die der anderen achterstaat, met een meer rijk geluid begiftigd zijn. Ik zeg niet te veel, wanneer ik beweer, dat ik nooit van eenig zoogdier, natuurlijk den mensch uitgezonderd, eene stem heb gehoord, die voller van toon en welluidender in mijn oor heeft geklonken dan die van de door mij in gevangen staat waargenomen langarmapen. Aanvankelijk was ik verbaasd, later verrukt over deze uit diepe borst, met volle kracht uitgestooten, eer aangenaam dan onaangenaam klinkende, zuivere, ronde tonen. Bij zekere soort begint het verklinkend geroep, dat ik liever een gezang dan een geschreeuw wil noemen, met den grondtoon E en klimt door alle toonen van de chromatische ladder een octaaf omhoog, om met een gillend geluid te eindigen, in hetwelk het dier al zijn kracht schijnt te vereenigen. De grondtoon blijft steeds hoorbaar en dient als voorslag voor elke volgende noot, die bij het klimmen altijd langzamer, bij het dalen altijd sneller en eindelijk zeer snel op de voorgaande volgt. Zij worden evenwel met evenveel regelmaat als schielijk voorgedragen. Enkele soorten moeten minder zuivere tonen voortbrengen, maar toch roepen allen zoo luid, dat men ze in de open lucht wel een engelsche mijl ver, duidelijk kan hooren. Dezelfde afhankelijkheid tusschen bewegingsvermogen en stem merken wij op bij andere menschapen. Van de zich zoo langzaam bewegende en droefgeestige orang-oetans heeft men, voor zoover mij bekend is, nog nimmer een ander geluid vernomen dan een krachtig, laag keelgeluid;[250]de vroolijke, bewegelijke en wakkere chimpanzee daarentegen weet in de weinige geluiden, over welke hij te beschikken heeft, zulk een afwisselenden klank te leggen, en er zulk eene verstandelijke uitdrukking aan te geven, dat men geneigd wordt dezen aap een taal toe te kennen. Met woorden spreekt hij weliswaar niet, maar hij doet zulks met geluiden, zelfs met sylben, over welker zich steeds gelijk blijvende beteekenis elke waarnemer, die geruimen tijd met hem verkeerde, niet in twijfel kan staan. Geen andere menschaap komt den chimpanzee hierin nabij.Wie uit eigen ervaring de hoogte wil leeren kennen, tot welke het intellekt van een aap zich kan verheffen, kan niet beter doen dan den chimpanzee of een van diens allernaaste verwanten tot het voorwerp zijner waarneming te maken, en geruimen tijd op intiemen voet met hem te verkeeren, even gelijk ik heb gedaan. Men zal dan met verwondering en verbazing, misschien wel niet zonder zekere huivering ervaren, hoe klein de klove kan worden, die den mensch van de apen scheidt. Ook de andere menschapen zijn zeer verstandige dieren; ook zij overtreffen in alle opzichten alle andere apen, doch deze talenten komen echter noch bij de gibbons, noch bij de orang-oetans tot zulk een algemeen verstaanbare uitdrukking, of springen zoo sterk in ’t oog als bij eerstgenoemden.Dezepongo’s—de gorilla, tschego en chimpanzee—kan, mag men niet meer als dieren behandelen; men moet veeleer met hen verkeeren als waren het menschen, wil men hunne geestesgaven naar eisch leeren kennen en waardeeren. Hun verstand staat weinig lager dan dat van een ruw, onwetend, onbeschaafd mensch. Zij zijn en blijven dieren, maar zij handelen zoo menschelijk, dat men het dier in hen vergeet.Ik heb jaren lang chimpanzee’s verzorgd, hen nauwkeurig en onbevooroordeeld gadegeslagen, en veel en intiem met hen verkeerd; ik heb hen in mijne familie opgenomen, ze gemaakt tot speelkameraads mijner kinderen, aan mijn tafel laten eten, hen onderwezen, ja letterlijk opgevoed; ik heb ze in ziekten opgepast en in hun stervensuur niet verlaten; ik mag dus aannemen, dat ik deze dieren althans zoo goed ken als iemand anders en dus in staat ben een juist oordeel te vellen. Om al deze redenen kies ik den chimpanzee tot voorbeeld, teneinde u duidelijk te maken tot welk een hoogte een dier geestelijk kan klimmen.DE CHIMPANZEE.DE CHIMPANZEE.De chimpanzee is niet alleen een der verstandigste schepselen, maar ook een nadenkend, overleggend wezen. Al zijn handelingen getuigen van bewustzijn en overleg. Hij bootst na, maar met verstand en oordeel;[251]hij laat zich onderwijzen en leert. Hij is zichzelf bewust en draagt kennis van zijn omgeving, alsmede van de plaats, die hij inneemt. In den omgang met den mensch onderwerpt hij zich aan dezen als aan eene boven hem staande geestelijke meerderheid; in het verkeer met dieren geeft hij blijk van hetzelfde bewustzijn van eigen persoonlijkheid als de mensch. Wat in dit opzicht bij andere apen slechts flauw te voorschijn treedt, is bij den chimpanzee duidelijk uitgedrukt. Hij houdt zich voor beter en meerder dan andere dieren, zelfs dan andere apen; hij maakt onderscheid tusschen menschen en menschen; hij behandelt b.v. kinderen geheel anders dan volwassenen; voor de laatsten heeft hij ontzag, de eersten behandelt hij ongeveer als zijns gelijken. Hij geeft zijn medelijden te kennen ten aanzien van dieren, met welke hij geen vriendschap sluiten of andere betrekkingen aanknoopen kan, en eveneens met voorwerpen, die zijn natuurlijke behoeften niet kunnen bevredigen, want hij is niet enkel nieuwsgierig, maar tevens weetgierig. Elk voorwerp, dat zijne opmerkzaamheid trok, wint bij hem in waarde, wanneer het[252]hem eenig voordeel kan schenken. Hij kan besluiten trekken, het een uit het ander afleiden, en weet vroegere ervaringen doelmatig over te dragen op nieuwe verhoudingen; hij is listig, ja doortrapt slim, heeft geestige invallen en veroorlooft zich grappen, laat van luim en humeur blijken, vindt het eene gezelschap onderhoudend, het andere vervelend, leent het oor aan passende scherts, maakt zich boos over minder gepaste, is eigenzinnig, ofschoon niet koppig, goedaardig, maar gooit zichzelf niet weg. Zijn gevoel drukt hij uit als een mensch. Is hij welgemoed, hij glimlacht, is hij bedrukt, zijn gezicht trekt zich in plooien, die op zichzelf reeds genoeg te kennen geven, maar waaraan hij door een klagend geluid nog nadere verklaring toevoegt; in ziekten stelt hij zich aan als een wanhopige, vertrekt het gezicht, schreeuwt, werpt zich op den rug, slaat met handen en voeten om zich heen en rukt zich de haren uit. Een vriendelijken groet beantwoordt hij met geluiden, die tevredenheid uitdrukken, barsche woorden door zulke, die leedgevoel te kennen geven. Van den morgen tot den avond is hij in de weer, hij zoekt steeds bezigheid en bedenkt iets nieuws, wanneer de gewone handelingen en oefeningen zijn afgeloopen, al zou hij ook niets anders doen dan met de handen tegen de voeten slaan, of, door op holle klankgevende lichamen te kloppen allerlei geluiden te voorschijn roepen, die hem zichtbaar genot verschaffen. In de kamer houdt hij zich onledig met het onderzoeken van alle mogelijke voorwerpen; hij opent schuifladen en keert den inhoud om, ziet naar het vuur, nadat hij het kacheldeurtje eerst heeft open gemaakt, om het daarna ook weder te sluiten; hij hanteert een sleutel gelijk het behoort, gaat voor den spiegel staan en aanschouwt met blijkbaar welbehagen zijn eigen beeltenis, en meteen de gebaren en grimassen, die hij daarbij maakt; hij gebruikt bezems en dweilen, zooals men hem geleerd heeft, hult zich in dekens en kleedingstukken, enz.Hoe juist hij waarneemt blijkt uit zijn bijna altijd rechtvaardig oordeel ten aanzien van menschen. Hij kent en onderscheidt niet alleen zijn vrienden van andere lieden, maar zelfs goedgezinde van kwaadgezinde menschen, en zulks zoo scherp, dat de oppasser van zekeren chimpanzee overtuigd was iederen mensch, dien deze aap van zich stiet als een deugniet of booswicht te mogen beschouwen. Zeker doortrapt en geslepen huichelaar, die mijzelf en anderen wist te misleiden, was mijn chimpanzee van den beginne af een gruwel, even alsof hij den roodharigen schurk van het eerste oogenblik af had doorgrond.[253]Een chimpanzee, met wien men zich veel bezighoudt, verkeert het liefst in den huiselijken kring. Hier doet hij, alsof hij zich onder zijns gelijken bevindt. Hij let nauwkeurig op alle huiselijke gewoonten, merkt terstond op of men hem gadeslaat of niet, doet in het eerste geval wat men verlangt, en in het tweede wat hemzelf behaagt. Spelende leert hij, en daarbij betoont hij den grootsten ijver, dus geheel anders dan andere apen. Men kan hem leeren rechtop aan tafel te zitten, bij ’t eten mes, lepel en vork te gebruiken, uit een glas of een kopje te drinken, de suiker in het kopje om te roeren, met zijn buurman te klinken, het servet te gebruiken, enz. Even gemakkelijk gewent hij zich aan kleedingstukken, dek en bed; zonder veel moeite eigent hij zich een deel der menschelijke taal toe, beter nog dan de best opgevoede hond, daar hij zich niet enkel naar den klank der woorden richt, maar tevens naar hunne beteekenis, en bepaalde lastgevingen en bevelen juist uitvoert. Uiterst gevoelig voor liefkoozingen en vleierij, zelfs voor loftuitingen, evenzeer voor een onvriendelijke behandeling of berisping,—is hij tevens vatbaar voor de levendigste dankbaarheid en ook al heeft men hem daartoe niet afgericht, geeft hij zulks te kennen met handdruk of kus. Van kinderen houdt hij ongemeen veel. Uit zijn aard niet humeurig, evenmin boosaardig, behandelt hij kinderen, zoo lang deze hem niet plagen, altijd zeer vriendelijk, kleine, nog hulpelooze wichtjes zelfs met eene waarlijk roerende teederheid; in het verkeer met anderen zijner eigen soort, met andere apen of andere dieren daarentegen kan hij niet zelden ruw en onvriendelijk worden. Ik breng dezen karaktertrek, dien ik bij alle door mij verzorgde chimpanzees heb opgemerkt, daarom onder de aandacht, dewijl men hieruit kan zien, hoe deze aap zelfs in het kleinste kind een mensch herkent en waardeert.Roerend is het gedrag van een zieken, zwaar lijdenden menschaap. Smeekend, klagend, waarlijk menschelijk, ziet hij zijn oppasser aan, ontvangt elk hulpbetoon, iederen dienst met innige dankbaarheid en ziet alras in den geneesheer zijn weldoener, reikt dezen den arm of steekt op diens verlangen de tong uit, ja doet zulks bij een herhaald bezoek van den geneesheer reeds uit zichzelf; hij neemt gewillig de geneesmiddelen in en staat zelfs toe dat de chirurg hem opereert; in één woord, hij handelt als een ziek en geduldig mensch. Naarmate zijn einde nadert wordt hij zachter gestemd, treedt het dierlijke meer op den achtergrond en komen de meer edele trekken van zijn wezen meer te voorschijn.[254]De chimpanzee, dien ik het langst verpleegde en met behulp van een verstandigen en dierenlievenden geneesheer op het zorgvuldigst verzorgde, kreeg eene longontsteking, gepaard met eene verettering der lymphklieren van den hals. Chirurgische behandeling bleek noodzakelijk. Twee artsen, die met mij en mijn chimpanzee bevriend waren, namen op zich het halsgezwel te openen; dit bleek te meer noodzakelijk daar de aap zelf hierin de oorzaak zijner kwaal zocht en al aanstonds de hand des onderzoekers op die plaats bracht. Maar hoe de snede aan de gevaarlijke plek uit te voeren, zonder het dier in gevaar te brengen? Verdoovende middelen konden niet toegepast worden wegens de zieke longen, en elke poging, om den chimpanzee door eenige sterke mannen vast te houden moest opgegeven worden, daar het in hoogen graad opgewonden dier hevigen tegenstand bood. Wat geweld niet vermocht, bewerkte overreding. Door minzame toespraken en liefkoozingen van de zijde zijns oppassers weder tot rust gebracht, liet de aap nogmaals gewillig toe, dat het halsgezwel werd onderzocht, en zonder een ooglid te vertrekken, veroorloofde hij den geneesheer nu het mes te gebruiken; zonder eenige klacht te uiten doorstond hij alle verdere kunstbewerkingen, zelfs de zoo pijnlijke ontlasting van het geopend gezwel. De belemmerde ademhaling werd weêr vrij; een niet te miskennen uitdrukking van verlichting kwam op het gelaat des lijders, dankbaar reikte hij dan beide geneesheeren de hand, en omhelsde blijde zijn oppasser—niemand echter had hem tot het een zoo min als het andere aangespoord!Helaas, het leven des diers bleef niet gespaard. De halswond genas, maar de longontsteking nam toe en werd eene oorzaak des doods. Met volle bewustzijn gaf hij den geest, zacht en kalm, niet gelijk een dier, maar zooals een mensch sterft.Dit zijn karaktertrekken uit het leven en gedrag van een menschaap, wier beteekenis noch verkleind, noch misduid kan worden. Bedenkt men daarbij, dat deze karaktertrekken aan alle nog niet volwassen, maar op kinderlijken leeftijd staande apen konden afgeluisterd worden, dan wordt men wel genoodzaakt aan deze dieren een zeer hooge plaats in te ruimen. Want de door den een of anderen onbevoegden waarnemer uitgesproken, en door honderden gedachtenloos nagesproken bewering, dat de aap met toenemenden leeftijd geestelijk achteruitgaat is niets anders dan een grove leugen, die onmiddellijk weerlegd wordt door iederen van zijn jeugd af tot zijn rijperen leeftijd toe goed en[255]onbevooroordeeld gade geslagen aap. Al wisten wij van volwassen menschapen ook verder niets anders dan deze twee feiten, 1o. dat zij eer huizen dan nesten bouwen, en 2o. dat zij holle boomen als trom gebruiken, om daarop voor hun vermaak te trommelen, dan reeds zou zulks genoeg zijn om ons tot hetzelfde besluit te leiden, als waartoe de jonge, door ons verzorgde apen dezer groep ons hebben gebracht.M.a.w.om in dezen de meest hoogbegaafde dieren en onze eigene allernaaste bloedverwanten te zien.En nu de apenvraag? Ik zou mogen aannemen, dat ik deze vraag in bovenstaande regelen reeds voldoende heb beantwoord; toch wil ik gaarne mijne opvatting nog iets breeder ontwikkelen.Een iegelijk moet toestemmen, dat de mensch geen vertegenwoordiger is van een bijzonder natuurrijk; hij is slechts een lid van het dierenrijk en nu is het voor iederen onbevooroordeelde duidelijk, dat de apen onze naaste verwanten zijn. Vergelijkt men de apen onderling en met de menschen, dan komt men onvermijdelijk tot de overtuiging, dat het verschil tusschen de klauwapen en de menschapen grooter is dan tusschen deze laatsten en den mensch. In dierkundigen zin kan men dus zelfs niet eens aan de menschen en de apen eene plaats in verschillende orden van de klasse der zoogdieren aanwijzen. Men heeft zulks toch gedaan en doet zulks nog, en noemt de menschen tweehandig, de apen vierhandig, maar hierbij zag men het gewichtigste kenmerk der zoogdieren, het gebit, over het hoofd. Het gebit van apen en menschen is werkelijk zoo zeer aan elkander gelijk, dat dit kenmerk ons dwingt beiden in eene en dezelfde afdeeling te plaatsen. Bovendien zijn ook de bepalingen twee- en vierhandig niet juist; wel bieden de menschen en apen groote verschillen aan, wat den bouw hunner handen en voeten betreft, maar zij vormen daarom nog geen tegenstellingen; de apen zijn even goed tweehandig als wij. Wil men ter plaatsbepaling van menschen en apen dezelfde wetten toepassen, die men zonder uitzondering elders in het dierenrijk aanwendt, dan wordt men gedwongen beide in dezelfde orde te vereenigen. Ik heb ze den naam van „primaten,” of eersten, gegeven.De overeenstemming evenwel, wat de kenteekenen der orde aangaat, moge nu bij alle primaten aan geen bedenking onderhevig zijn, toch blijken er bij eene nauwkeurige beschouwing van menschen en apen verschillen te bestaan, die eene innige versmelting wederom beletten. De evenredigheden in vormen, de betrekkelijke mindere lengte der[256]armen, de breedte en groote bewegelijkheid der handen, de lengte en kracht der beenen, de platte voetzolen, de naakte huid en vooral de mindere ontwikkeling der hoektanden, zijn lichamelijke kenmerken der menschen, wier waarde men niet te gering moet schatten, ja, die belangrijk genoeg zijn om beiden althans tot verschillende familiën te brengen, zoo niet tot twee verschillende onderorden. Trekt men verder nog den meerderen aanleg van den mensch in den kring der beschouwingen, vergelijkt men zijn bewegingen, zijn gearticuleerde spraak, zijn geestelijke vermogens met de overeenkomende fakulteiten der apen, dan voorzeker gevoelt men zich nog meer gedrongen tot bovengenoemde onderscheiding.MANTELBAVIANEN.MANTELBAVIANEN.Blinde aanhangers der evolutieleer, door Darwin gegrondvest en door anderen verder uitgewerkt, overschrijden gedachtenloos die grenzen; wie nadenkt kan zich niet aan hunne zijde scharen. Hoe bevredigend, om zoo te zeggen hoe waarschijnlijk de Darwinistische leer ook zijn moge, meer dan eene zinrijke hypothese is zij tot dusverre niet, en onomstootbare bewijzen voor hare waarheid kon zij tot heden niet bijbrengen. Veranderlijkheid der rassen en variëteiten kan men bewijzen en zelfs in ’t leven roepen, de omvorming van de eene soort in eene andere werd tot nog toe voor geen enkel geval bewezen. En zoolang laatstgenoemd bewijs nog niet is geleverd, zoo lang behouden wij ook het recht menschen en apen als van elkander verschillende wezens te beschouwen en de afstamming van den een uit den ander te ontkennen. Elke poging om een gemeenschappelijken voorvader te ontdekken, elke poging om een stamboom van den mensch te ontwerpen, kan hierin niets veranderen, want de ware natuurwetenschap vergenoegt zich niet met verklaringen, maar verlangt bewijzen; zij wil niet gelooven, maar weten.En zoo mogen wij dan onbekommerd aan de apen die plaats inruimen, die het onbevooroordeeld onderzoek hun in de rij der dierlijke wezens aanwijst. Als de op ons het meest gelijkende dieren, of als onze naaste verwanten in dierkundigen zin mogen wij hen beschouwen, maar meerdere rechten ontzeggen wij hun te eenenmale. Veel, wat den mensch geschonken werd, viel ook hun ten deel; van het werkelijke menschdom scheidt hen nog eene breede klove. Veel van den mensch, maar niet de geheele mensch werd in hen belichamelijkt en vergeestelijkt.[257]

ScheikKemal el Din Demirieen geleerd Arabier, die omstreeks het jaar 1405 te Damaskus stierf, verhaalt, hierbij steunende op eene uitspraak van den profeet, in een door hem vervaardigd boek, „Heiat el Heiwan” of „Leven der dieren” de volgende wonderlijke geschiedenis:

„Langen tijd voordat Mohammed, de profeet en afgezant des albarmhartigen Gods, het licht des geloofs had ontstoken, zelfs vroeger nog dan Issa of Jezus van Nazareth heeft geleefd en geleerd, bewoonde eene talrijke joodsche bevolking de stad Aila aan de Roode Zee. Zij bestond echter uit zondaren en onrechtvaardigen voor het aangezicht des Heeren; want zij ontheiligden voortdurend den dag des Heeren, den heiligen sabbath. Tevergeefs waarschuwden vrome en wijze mannen de zondige bewoners der goddelooze stad; deze bleven spotten met de geboden des Allerhoogsten. Toen verlieten de boetpredikers de stad des onheils, schudden het stof van hunne voeten en besloten elders Ellohim te dienen. Het heimwee en ’t verlangen naar hunne verwanten dreef hen echter na drie dagen reeds weder naar Aila terug. De stad bood hun nu evenwel een vreemden aanblik. De poorten waren gesloten, de tinnen der muren nochtans onbezet, zoodat de mannen ongehinderd de muren konden beklimmen. Maar ook de straten en pleinen der ongelukzalige stad waren ledig. Daar, waar anders een levendige menschenmassa zich bewoog, waar koopers en verkoopers, priesters en beambten, handwerkslieden en visschers in een bont gewemel elkander gewoonlijk verdrongen, daar zaten, liepen en klommen reusachtige bavianen, en uit de balkons en vensters, van de zolders en daken, waar anders zwartoogige vrouwen toefden, keken bavianenwijfjes op de straten neder. En al die reusachtige apen, alsmede de schoone apinnen hadden een somber en ontsteld voorkomen; zij zagen droefgeestig op de teruggekeerde pelgrims neêr, drukten zich smeekend tegen hen aan en kermden jammerlijk.[227]

Ontzet en huiverend aanschouwden de vrome pelgrims het akelig wonder, totdat een hunner op de pijnlijke gedachte kwam, dat deze bavianen wellicht hunne voormalige, nu tot dieren vernederde verwanten waren.

Ten einde hieromtrent zekerheid te erlangen, ging de vrome man naar zijn eigen huis. Hier zat in de deur almede een baviaan; deze sloeg echter, toen hij den rechtvaardige zag naderen, treurig en vol schaamte de oogen neder. „Zeg mij, bij Allah den Albarmhartige, o baviaan,” zoo vroeg de wijze aan den aap, „zijt gij mijns broeders zoon Ibrahim?” En treurig antwoordde de baviaan: „Ewa, ewa”—„ja, ik ben het.”Toen viel elke twijfel bij den vromen man weg, en hij erkende nu met een beklemd hart, dat hier een zwaar Godsgericht was voltrokken, en dat de goddelooze sabbathschenders in apen waren veranderd geworden.”

ScheikKemal el Dintwijfelt, wel is waar, geen oogenblik aan dit wonder, maar kan toch, als denkend mensch, niet nalaten de meening uit te spreken, dat er wellicht bavianen hebben geleefd voordat er joden bestonden.

Wat ons betreft, hoe aardig bedacht en verteld deze geschiedenis ook zijn moge, wij sluiten ons te gereeder aan deze opvatting aan, daar de apen, met welke de vrome ijveraars van Aila te doen hadden, oude en goede bekenden van ons zijn. Want in Arabië huizen eenig en alleen de hamadryas- of mantelbavianen. Wij vinden deze soort echter op de oudste Egyptische gedenkteekens reeds nauwkeurig afgebeeld, terwijl het de haartooi dezer dieren was, welke den ouden Egyptenaren zoo opvallend voorkwam, dat zij dien als voorbeeld kozen en er hun sphinxen mede sierden, even gelijk hij nog heden ten dage als voorbeeld dient voor den haartooi der donkere schoonen van Oost-Soedan. De mantelbaviaan namelijk speelt in de oud-Egyptische godenleer eene voorname rol, zooals wij o.a. leeren uit het werk van den hieroglyphenverklaarderHorapollon. Volgens dezen werden die apen in de tempels gehuisvest en na hun dood gebalsemd. De mantelbaviaan gold voor den uitvinder der schrijfkunst en dus voor een, niet alleen den vader der wetenschappen, Thot of Merkurius geheiligd, maar ook den Egyptischen priester aanverwant wezen; hij werd dan ook bij zijn plechtigen intocht in het heiligdom aan eene proef onderworpen, doordien de opperpriester hem een schrijftafel, inkt en pen in de hand drukte en hem beval te schrijven, opdat men erkennen mocht of hij waardig was te worden opgenomen; men beweerde, dat hij in eene[228]geheimzinnige betrekking stond tot de maan, dat deze alzoo een ongewonen invloed op hem uitoefende; men schreef hem eindelijk het talent toe, den tijd op zulk eene zichtbare wijze in te deelen, datTrismegistusnaar zijn voorbeeld en aanwijzing wateruurwerken vervaardigde, die, evenals hij, dag en nacht elk in twaalf gelijke deelen verdeelden. Wij zijn dus aan dezen aap niet alleen het letterschrift verschuldigd, maar tevens ook de tijdsverdeeling.

Het verdient opmerking, dat de oude Egyptenaren wel geloof sloegen aan hunne familieverwantschap met de apen, maar geenszins gedacht hebben aan eene afstamming van deze wezens.

Zulk een opvattingswijze omtrent de familierelatie tusschen menschen en apen ontmoeten wij het eerst bij de Indiërs. Onder dezen heerscht sedert onheugelijke tijden het geloof, dat althans enkele koninklijke familiën van een, in Indië voor heilig gehouden in zekeren zin als een goddelijk wezen beschouwden slankaap, den hulman, afstammen, terwijl de zielen der afgestorven koningen in het lichaam van dezen aap terugkeeren. Een der regeerende dynastieën beroemt zich zelfs op deze afkomst, door zich den titel te geven van „gestaarte Rana.”

Gelijke denkbeelden als bij de Indiërs in zwang zijn, hebben zich in onzen tijd ook weder opgedaan, en de apenvraag, om mij zoo eens uittedrukken, heeft veel stof doen opwaaien. Wetenschappelijke, voor ’t gewone publiek onverstaanbare uiteenzettingen, hebbenhiereen heiligen toorn opgewekt om dien in lichte laaie vlammen te doen ontvonken,gindsde denkers in twee vijandige kampen voor en tegen verdeeld, die ieder vurig hunne eigen meening bepleiten. Het wetenschappelijk onderzoek van geheel vreemde elementen hebben den strijd opgenomen, zonder te weten, of zelfs te vermoeden voor welk doel deze eigenlijk gevoerd wordt, en dien op een terrein overgebracht, alwaar hij slechts onheil kan stichten, en waardoor eene verwarring is uitgelokt, die niet gemakkelijk weder zal worden weggenomen. Over apen te spreken is alzoo een gevaarlijke zaak geworden; men loopt daarbij gedurig gevaar òf den geduchten stamvader, òf door hem den vermeenden nakomeling te vernederen—afgezien nog van de smaadredenen der afschuwelijkste soort, waarmede onbeschaafde, in blinde woede tegen het tijdsbewustzijn vechtende ijveraars, onverwijld een ieder overladen, die zich maar verstout het woord „aap” uit te spreken.

Toch zal de apenvraag nog niet zoo spoedig van de agenda van den dag verdwijnen; want deze wezens, die ongetwijfeld onze naaste verwanten[229]in het dierenrijk zijn, verdienen in te hooge mate onze belangstelling, dan dat wij ons door bovengenoemde overwegingen zouden laten weêrhouden iets dieper in hun leven in te dringen en daarmede ons eigen doen en laten te vergelijken, ten einde op deze wijze ons niet alleen een juister voorstelling van de apen, maar ook van de menschen te vormen.

Het volgende zij daartoe een bijdrage. Het valt moeilijk in weinige woorden een algemeen levensbeeld—want daartoe wil ik mij bepalen—van deze zoo zeer van elkander onderscheiden dieren te schetsen. Zij bewonen in ongeveer vier-, in elk geval in veel meer dan driehonderd soorten, alle deelen der aarde, Australië alleen uitgezonderd, en wel voornamelijk de tropische gewesten. In Amerika strekt zich het verbreidingsgebied dezer dieren uit van den 28stenZuiderbreedtegraad tot aan de zee der Antillen; in Afrika van 35°Z.Br.tot aan de straat van Gibraltar; in Azië van de Soenda-eilanden tot Japan; in Europa vindt men ze enkel op de rotsen van Gibraltar, alwaar sedert onheugelijke tijden een troep van ruim twintig magots of kortstaartige macaco’s, onder de bescherming der bezetting, in wezen blijft. Bosschen en rotsachtige gebergten, die tot twee en een half duizend meter hoogte beklommen worden, zijn hunne woonplaatsen. Hier zoowel als ginds verblijven zij, enkele soorten uitzonderd, jaar in, jaar uit, ofschoon in zooverre rekening wordt gehouden met de jaargetijden, dat zij, met het oog op de rijpe vruchten, meer of minder uitgestrekte tochten door de bosschen ondernemen, of tegen den aanvang van het warme jaargetijde zich hooger op het gebergte begeven om tegen het koele seizoen weder omlaag te dalen. Want ofschoon men ze zelfs nog op met sneeuw bedekte velden aantreft, zijn zij zoowel beminnaars van de warmte als liefhebbers van een overvloedige en lekkere tafel. Waar zij voor langen of onbeperkten tijd hun woonsteden zullen opslaan, daar moet iets te knabbelen en te eten vallen; zoo niet, dan gaan zij verhuizen. Bosschen in de nabijheid van menschelijke volkplantingen zijn in hun oogen een waar paradijs; de verboden boom hindert hen niet. Maïsvelden, suikerrietplantages, tuinen met ooftboomen, bananen, pisangs en meloenen beschouwen zij als hun wettig erfdeel; streken, alwaar het godsdienstig geloof der inwoners hun bescherming verleent, zijn hun natuurlijk eveneens een welaangename verblijfplaats.

Alle apen, de anthropomorphen wellicht alleen uitgezonderd, leven in troepen van soms aanzienlijke sterkte, die door een oud mannetje[230]worden aangevoerd. Tot deze waardigheid wordt alleen hij verheven, die de sterkste armen en de langste tanden bezit. Terwijl bij die zoogdieren, welke een vrouwelijk individu met de leiding belasten, alle andere individuen der kudde gewillig volgen, eischt de aanvoerende aap, als onbeperkt alleenheerscher der ergste soort, onbepaalde gehoorzaamheid. Wie niet goedschiks zich onderwerpt wordt door beten, knijpen en stooten tot zijn plicht gebracht. De aanvoerder wil slaafsche onderwerping, zelfs van den kant der apinnen. Ridderlijke galanterie tegenover het zwakkere geslacht kent hij niet: „door geweld verovert hij het loon der min;” zijn tucht is gestreng, zijn wil onbuigzaam. Geen apenjongeling verstout zich met een apenmeisje te minnekoozen, geen apin zou het bestaan een anderen aap dan den aanvoerder liefde te bewijzen. Hij zelf heerscht onbeperkt over zijn harem, en zijn geslacht vermenigvuldigt zich als dat van Abraham, Izaäk en Jakob, gelijk het zand aan den oever der zee. Wordt de kudde te talrijk, dan scheidt zich een gedeelte onder aanvoering van een inmiddels opgegroeiden jongeling af om een eigen staat te gronden. Tot zoolang werd de eerste algemeen geacht, geëerd en gevreesd. Oude, ervaringrijke apenmoeders zoowel als jonge bakvischjes zijn er op uit hem te vleien, en beijveren zich om het zeerst hem den allergrootsten dienst te bewijzen, dien men in ’t algemeen een aap kan bewijzen, n.l. zijn haarkleed te zuiveren van alle daar niet thuis behoorende zaken. Van zijnen kant laat hij zich deze hulde welgevallen met het air van een pacha, wiens voeten worden gereinigd door de meest geliefde slavin. De achting, die hij zich wist te verwerven, verleent hem zekerheid en waarde in zijn optreden, de strijd, waarin hij niettemin voortdurend is gewikkeld, waakzaamheid, moed en zelfvertrouwen, de noodzakelijkheid zijn heerschappij te handhaven omzichtigheid, list en geslepenheid. Terwijl deze eigenschappen hemzelf in de eerste plaats ten goede komen, zijn ze tevens der gemeenschap van nut en zijne onbeperkte heerschappij erlangt daardoor kracht van wet en duurzaamheid. Door hem geregeerd en geleid, voert de troep, ofschoon inwendig beroerd door geweldige stormen, naar buiten veilig, daardoor een behagelijk leven.

Alle apen, de weinige soorten van nachtapen uitgezonderd, werken des daags en rusten gedurende den nacht. Eerst geruimen tijd, nadat de zon is opgegaan, staan zij uit den slaap op. Hun eerste bezigheid bestaat daarin, dat zij zich in de zon koesteren om zich daarna te[231]wasschen. Is de nacht koud en guur, dan dringen zij zoo dicht mogelijk opeen, ten einde den invloed dier weinig verkwikkelijke omstandigheid zoo goed mogelijk te ontgaan.

Maar niettemin rillen zij bij ’t opstaan nog dikwijls zoo van de koû, dat zij genoodzaakt zijn zich geruimen tijd in ’t zonnetje te koesteren. Zoodra de nachtdauw is opgedroogd verlaten zij de slaapplaats, klauteren langzaam naar de hoogste toppen der boomen of rotsen, zoeken een zonnig plaatsje uit, en keeren nu beurtelings alle lichaamsdeelen achtereenvolgens naar de zon. Is de pels gedroogd en behoorlijk verwarmd, dan ontwaakt de begeerte het haarkleed te reinigen; vol ijver begeeft zich een ieder aan dezen arbeid, of bewijst dien dienst aan een ander om op zijne beurt gelijke weldaad terug te ontvangen.

Is ook deze plechtigheid afgeloopen, en het haarkleed, zoo noodig, gekamd, dan laat zich de behoefte aan het ontbijt gevoelen. Die behoefte is doorgaans gemakkelijk te bevredigen, daar de apen alles lusten, en het planten- en dierenrijk beide, bijdragen moeten leveren. Bosschen zoowel als bergruggen schenken vruchten, blad- en bloemknoppen, vogelnesten met eieren of jonge vogels, slakken en insekten, de tuinen ooft en groenten, de akkers graan en peulvruchten. Hier wordt een rijpe aar afgebroken, ginds een sappige vrucht geplukt, in de hoogte een nest geplunderd, op den grond een steen omgekeerd, in de bewoonde streek een tuin gebrandschat of een akker geplunderd; overal wordt iets weggenomen. Elke aap verwoest daarenboven, als hij tijd heeft, nog tienmaal meer dan hij nuttigt, en is daarom een plaag voor landbouwer en tuinman. Bij den aanvang van zulk een rooftocht tracht ieder allereerst den eersten honger te stillen; men is niet kieschkeurig, eet alles wat voorkomt, en stopt de wangzakken, indien zij deze bezitten, nog daarenboven propvol; is aan de eerste behoefte voldaan dan begint de aap alles op de onbeschaamdste wijze te keuren en te kritiseeren; elke gebroken aar, elke afgeplukte vrucht wordt beroken, betast, bekeken, alvorens die op te eten, en in de meeste gevallen wordt het een zoowel als het andere weggeworpen, naar iets nieuws gezocht en hiermede eveneens gehandeld. „Wij zaaien en de apen oogsten” zoo klaagden mij eens de bewoners van Oost-Soedan, en zij hadden gelijk. Tegen zulke dieven verleenen heg noch muur beschutting, slot noch grendel; zij klimmen over de heiningen en openen de laatste. En wat zij niet verslinden wordt mee naar huis[232]gedragen. Het is een prachtig maar tevens een droevig gezicht, dat zulk een troep plunderende apen oplevert; ook in dit bedrijf spreiden zij, evenals in hun geheele wezen, driestheid, sluwheid, overmoedigheid, genotzucht en voorzichtigheid ten toon, en niet minder komt daarin hun onbeschaamdheid, list en boosaardigheid uit. Hoe gevaarlijker de onderneming is, hoe meer al deze eigenschappen aan ’t licht treden. Men loopt, klautert, springt,—in tijd van nood wordt er zelfs gezwommen,—om elken hinderpaal uit den weg te ruimen, terwijl men onder dit alles geen enkel oogenblik de veiligheid uit het oog verliest. De aanvoerder gaat steeds vooruit, lokt, roept, vermaant, waarschuwt, bromt, scheldt en bestraft, al naar bevind van zaken; de troep volgt en gehoorzaamt, zonder echter geheel en al zich op hem te verlaten. Bij gevaar denkt ieder individu ’t allereerst om eigen lijfsbehoud en schaart zich eerst later weder om zijn aanvoerder; alleen de moeders, die kinderen aan de borst hebben of deze op den rug dragen, vormen eene uitzondering, daar zij om ’t lot van haar kroost meer bezorgd zijn, of althans schijnen te zijn, dan om zichzelf.

Op tochten, waaraan geen gevaar verbonden is, wordt nu en dan halt gehouden; dan hebben ook de kinderen gelegenheid om met elkander te spelen. Onder gevaaraanbrengende omstandigheden volgt eerst na het einde van den tocht een korter of langer tijd van rust en ontspanning; ter bevordering der spijsvertering houdt men dan ook wel eens een middagslaapje. In den namiddag wordt een nieuwe strooptocht ondernomen, en tegen zonsondergang begeeft zich de bende naar de gewone slaapplaatsen, die zoo goed mogelijk tegen de aanvallen van gevaarlijke roofdieren beveiligd zijn, om hier, ofschoon eerst na langdurig krakeel en getwist, schelden en kijven de welverdiende rust te zoeken en te vinden.

Enkele tochten uitgezonderd, die of uit nood worden ondernomen, of kans bieden op een meer dan gewonen oogst, gaat het op deze wijze vrij geregeld dag aan dag voort. De voortplanting, die bij het meerendeel der andere dieren gewoonlijk groote veranderingen in de levenswijze te voorschijn roept, oefent op de apen geen merkbaren invloed uit; deze toch is aan geen bepaald tijdstip gebonden en de apenmoeder sleept overal haar jong mede. Meestentijds wordt er maar één kind tegelijk geboren; het komt goed ontwikkeld en dus met open oogen ter wereld. De apenjongen zijn evenwel naar onze begrippen afschuwelijke wezens en in weêrwil der reeds vergevorderde ontwikkeling[233]zeer hulpbehoevende schepseltjes. Afschuwelijk zijn zij in onze oogen, omdat de geplooide gezichtjes en de levendige oogjes hun een oudachtig voorkomen geven, en het nog dunne haarkleed de buitendien reeds lange voorste ledematen nog langer doet schijnen; hulpbehoevend zijn ze, omdat zij van de ledematen nog geen ander gebruik weten te maken dan er zich mede aan de borst der moeder vast te klampen. Hier hangen zij, met armen en handen den hals, met beenen en voeten den buik der moeder omklemmende, weken lang zonder eenig ander lichaamsdeel dan het hoofd te bewegen; dientengevolge is de moeder in staat alle gewone bezigheden te verrichten, zelfs evenals vroeger op de gevaarlijkste wegen te loopen of halsbrekende sprongen te doen, zonder dat zij daarbij van haar kind eenigen last ondervindt. Eerst na geruimen tijd, zelden vroeger dan na verloop van eene maand, beginnen de kleinen enkele bewegingen uit te voeren, doch handelen daarbij zoo plomp, dat het eer ons medelijden dan onzen lachlust opwekt. Deze gedrochtjes worden echter, misschien wel juist om die hulpeloosheid, door de moeders met zulk eene teederheid behandeld, dat de uitdrukking „apenliefde” zeer gepast mag heeten. Altijd is de apenmoeder met haar kleintje bezig. Dan likt zij het, dan zuivert zij het, dan legt zij het aan de borst, dan neemt zij het in de handen, en beschouwt het met innig welbehagen, dan schommelt zij het, als wilde zij haar kind in slaap wiegen.

Wordt zij bespied, zij keert zich om als misgunde zij aan andere wezens het gezicht van haar lieveling. Is de laatste wat ouder en bewegelijker geworden, dan verkrijgt hij een enkele maal verlof de moederborst te verlaten om met andere kindertjes van gelijken leeftijd te spelen, maar steeds staat hij onder streng toezicht, en ontvangt hij bij de geringste ongehoorzaamheid stompen en knepen. Tot het voedsel zelfs strekt zich de zorg der moeder uit. Hoe gulzig deze anders ook zijn moge, met haar kind deelt zij elke bete, maar duldt echter niet, dat het door haastig of te veel eten zich ziek zou maken; in zoodanige gevallen laat zij haar moederlijk gezag gelden. Zelden evenwel is een ernstige bestraffing noodig, want het apenkindje is gewoonlijk voorbeeldig gehoorzaam, zoodat het in dit opzicht menig menschenkind tot voorbeeld kan strekken. Roerend is het gedrag der moeder, wanneer haar lieveling pijn heeft; wanhopig stelt zij zich aan, wanneer het sterft. Uren, ja dagen lang sleept zij het kleine lijkje overal mede, weigert alle voedsel, blijft wezenloos op dezelfde plek zitten en kniest[234]zich dikwijls letterlijk dood. Het apenkindje is echter voor zulk een gevoel niet vatbaar, en is er ook beter aan toe dan menig menschenkind, indien het zijn moeder verliest. Want het eerste het beste medelid der troep, ’t zij mannetje of wijfje, trekt zich het lot van den armen wees aan, en vindt op deze wijze bevrediging voor de allen apen aangeboren zucht, voor moedertje te spelen, liefkoost het op het innigste—maar komt helaas! ook niet zelden ter wille van het lieve eten, in tweestrijd met zijn beter ik, zoodat het pleegkind, zoo ’t zich niet reeds alleen weet te helpen, erbarmelijk honger lijdt, en wel eens van gebrek sterft.

Het valt moeilijk, zoo niet onmogelijk, eene juiste beschrijving te geven van de verstandelijke vermogens en talenten der apen, daar deze even verschillend zijn als zij zelf. Enkele trekken zijn aan allen gemeen; verreweg de meeste eigenaardigheden van hun wezen wijken zeer van elkander af. De aanleg, die bij den eenen aap nauwelijks merkbaar is, springt bij een ander duidelijk in ’t oog; dezelfde karaktertrek, die hier sterk voorkomt, wordt elders te vergeefs gezocht. Wanneer men evenwel, de familiën, geslachten en soorten vergelijkend in deze beschouwingen opneemt, dan neemt men eene inderdaad verrassende en ongedachte opklimming waar van alle talenten en vermogens. Het is zeer leerrijk op deze wijze te werk te gaan.

Als de minst ontwikkelde leden der orde moeten wij deklauwapenofeekhoornapenvan Zuid- en Middel-Amerika beschouwen; dit zijn levendige, kleine, fraaie en onderling veel gelijkenis met elkander vertoonende dieren. Zij hebben wel is waar hetzelfde gebit als de hoogere soorten, maar dragen echter alleen aan de duimen platte nagels, aan de overige teenen en vingers daarentegen smalle, lange klauwachtige nagels, waardoor dus de handen en voeten, althans de handen tot pooten gedegradeerd worden. En met deze uitwendige kenmerken komen de intellektueele eigenschappen overeen. Het apendom is als het ware bij deze soort nog niet tot volle ontwikkeling gekomen. In vorm en kleur zoowel als in houding, gedrag en hun geheele zijn, zelfs in hun stem herinneren zij aan de knaagdieren. Zij zitten bijna nooit, zooals andere apen, rechtop, hoogstens evenals de eekhoorntjes, maar meestal steunen zij op alle vier ledematen; ook klauteren zij niet zooals de andere leden der orde, los en gemakkelijk, met handen en voeten de takken omklemmende, maar meer op de wijze der knaagdieren, met ingetrokken klauwen, zich tegen de voorwerpen[235]aandrukkende, in sprongen—toch evenwel niet langzaam en plomp.

Zeer verschillende van die der hoogere apen is hunne stem; het geluid, dat zij geven, is een in de hooge tonen zich bewegend gefluit, dat nu eens herinnert aan het gekweel van vogels, dan eens aan het gepiep van ratten en muizen, ja wellicht nog de meeste overeenkomst bezit met het stemgeluid der Guineesche biggetjes. Volkomen knaagdierachtig is hun gedrag; zij laten dezelfde onrust en bewegelijkheid, dezelfde nieuwsgierigheid, schuwheid en angst, dezelfde ongedurigheid als de eekhoorntjes blijken. Het kopje is geen enkel oogenblik in rust en de donkere oogen richten zich nu op het eene, dan op het andere voorwerp, maar altijd vol drift en schijnbaar zonder veel bewustheid, hoe verstandig zij overigens ook mogen kijken. Alle handelingen getuigen van weinig overleg. Onwillekeurig volgen zij de ingeving van het oogenblik en vergeten het daarop volgende waar zij meê bezig waren, zoodra een nieuw voorwerp hun opmerkzaamheid trekt. Zij zijn luimig in den hoogsten graad; zoo even goed gehumeurd en schijnbaar tevreden met hun lot, gelukkig door eene vriendschappelijke bejegening, grijnzen zij eene seconde later hun weldoeners aan, houden zich alsof zij ten uiterst bevreesd zijn en hun leven op het spel staat, laten de tanden zien en pogen te bijten. Even prikkelbaar als apen en knaagdieren, ontbreekt hun toch het persoonlijke, dat vooral de hoogere apen teekent; de een toch handelt precies zoo als de ander, als het ware zonder zelfbewustzijn, en altijd kleingeestig. Zij bezitten alle eigenschappen van bloodaards; de jammerlijke stem, den onwil om zich in ’t onvermijdelijke te voegen, de beklagenswaardige wijze, waarop zij alle gebeurtenissen opnemen, een ziekelijke neiging om elke handeling van een ander schepsel wantrouwend en als henzelf geldend te beschouwen, de zucht om te pralen, wanneer zij een denkbeeldig of wezenlijk gevaar uit den weg trachten te gaan, machteloosheid in willen en doen. Juist omdat zij zoo weinig apen zijn worden zij door de vrouwen in bescherming genomen, maar door de mannen geminacht.

Op hoogeren trap van ontwikkeling staan de eveneens in Amerika thuis behoorendebreedneusapen, ofschoon ook in dezen de werkelijke aap nog niet recht zichtbaar is. Hun gebit telt in elke kaak eene kies meer dan dat der overige apen; zij bezitten dus geen 32 maar 36 tanden; aan de vingers en teenen zitten enkel platte nagels; het lichaam heeft door de meerdere lengte der ledematen een min of meer slanken vorm en de staart is bij velen een uitstekend grijpwerktuig.[236]Evenals de klauwapen zijn ook zij uitstekende boomdieren en uit dien hoofde zeer onbeholpen en linksch zoodra zij zich op den vlakken grond bevinden. Hun gang is alsdan hoogst onzeker en waggelend, en in dit opzicht onderscheiden die soorten, welke van een grijpstaart voorzien zijn, zich nog het onvoordeeligst; toch is hun klimmen zelfs niet in de verte te vergelijken met dat van de apen der oude wereld. Vermenigvuldiging toch der bewegingswerktuigen behoeft nog geenszins met eene verbetering in, en nog minder met eene vermenigvuldiging van de bewegingen zelf gepaard te gaan, maar kan soms de oorzaak worden van eenzijdigheid. En dit laatste is bij deze apen het geval. Hun grijpstaart is niet hun vijfde, maar hun eerste hand; hij dient hen voor het ophangen of de bevestiging van ’t geheele lichaam, tot het aanhalen van allerlei voorwerpen, als trappen, hangmatten, enz.; maar hij verhaast de bewegingen evenmin als hij die gemakkelijker maakt; hij verlangzaamt ze integendeel door ze meer zekerheid te geven. Daar dit lichaamsdeel onophoudelijk in gebruik wordt gesteld, loopt deszelfs bezitter nimmer gevaar het evenwicht te verliezen en van de veilige hoogte naar beneden in de gevaarlijke diepte te storten, maar het belet hem dan ook elke vrije en stoute beweging. Langzaam zendt hij den grijpstaart als het ware bij elke schrede vooruit; altijd wordt deze het eerst en soms zelfs van voren bevestigd, en eerst nu maakt hij hand voor hand en voet voor voet van de takken, die hij omklemd hield, los. Zoo bindt hij zich meer aan de takken vast, dan dat hij er op en langs klautert, en uit dien hoofde denkt hij er nooit aan een eenigszins koenen sprong te wagen. Deze zich nooit verloochenende zorg voor de beveiliging van het eigen kostbaar ik drukt op deze apen den stempel van verveling en niet dien van bedachtzaamheid. Het is merkwaardig hoe volkomen alle andere begaafdheden der apen van de Nieuwe Wereld daarmede in harmonie zijn. Hunne stem is niet zoo eentonig als die der klauwapen, altijd echter nog onaangenaam. Van jammeren tot brullen doorloopt dat geluid alle daar tusschen gelegen modulaties; het jammerende, het smartelijke heeft echter altijd de bovenhand, en de gedragingen dezer dieren zijn daarmede in volkomen overeenstemming. Warm beschijnt de zon na een koelen, aan dauw rijken nacht de boomen van het oerwoud en strooit hierover haar goud; duizendvoudige begroetingen en jubelkreten stijgen op uit millioenen kelen; ook de brulapen maken zich gereed tot hun danklied. Maar op welke wijze? Op de dorre kruintakken van een[237]reuzenboom geklauterd, die boven alle boomen des wouds uitsteekt, hebben zij zich door middel hunner grijpstaarten op veilige wijze vastgehecht en koesteren zich in het zonnetje. De behagelijkheid, die hun deel is, wekt ook in de brulapen den lust hunne stem te laten hooren. Een individu, dat, naar men zegt, uitmunt door eene hooge, gillende stem, de voorzanger, ziet zijn makkers strak aan en begint; de anderen kijken even strak op den eersten en vallen mede in; een vreeselijk concert weêrklinkt door het woud, nu eens huilend, dan brommend, straks knorrend, gronzend, rochelend, steunend, als waren alle dieren des wouds in moorddadigen strijd gewikkeld. Met afzonderlijke brulgeluiden begint deze vreemde symphonie; zij worden woester en volgen sneller op elkaar, naarmate de aanvankelijk nog niet zichtbare opwinding des voorzangers toeneemt en op de anderen overgaat; het geluid wordt een huilend gebrul, dat eindigt gelijk het is aangevangen. Werpt men een blik op die langgebaarde, ernstige zangers, dan kan men zich moeilijk van lachen onthouden; de alle maat te boven gaande wangeluiden, waaraan zij zich schuldig maken verwekken echter al spoedig een gevoel van verveling, evenzeer als hunne eenzijdige, eer kruipende dan klimmende bewegingen. Wat de een doet aapt de ander gedachtenloos na; maar wat hij ook doen moge, steeds verwekt zijn doen en laten verveling. Alle met een grijpstaart voorziene apen komen vrij wel met de genoemde brulapen overeen; iets vrijer en zelfstandiger gedragen zich de capucijnerapen en enkele andere, meer ontwikkelde leden der familie. In ’t algemeen zijn zij in verstandelijk opzicht even log als zij zulks lichamelijk zijn; evenwel zacht van aard, vertrouwelijk, maar tevens dom, gemelijk, klagend, sommigen ook eigenzinnig, boosaardig en vol streken. Zij staan dus wel is waar boven de klauwapen, maar verre beneden de apen der OudeWereld. Misschien doet men hun geen onrecht met de bewering, dat zij wel de slechte, maar niet de goede eigenschappen van hunne Afrikaansche en Aziatische bloedverwanten bezitten. Hun zachtmoedigheid en goedmoedigheid—die evenwel volstrekt nog niet het kenmerk is van alle soorten—weegt in de verste verte niet op tegen het op allen drukkend gemis aan ondernemingsgeest, moed, opgewektheid, levendigheid, beradenheid, vindingrijkheid en bedachtzaamheid, door welke eigenschappen de apen der Oude Wereld zich voordeelig onderscheiden. Hun eeuwig gejammer en gehuil wischt ook die eigenschappen uit, welke hun nog enkele vrienden onder ons zouden kunnen verwerven.[238]

Evenals de apen der Nieuwe Wereld kan men ook die der Oude Wereld in twee groepen verdeelen, die men wellicht tot den rang van familiën zou kunnen verheffen, ofschoon het gebit van allen gelijkvormig is. Wij noemen de eene groephondskopapen, de anderemenschapen; de eerste groep leert ons het ware apendom kennen, de tweede is bereids daarboven verheven. Voor genen geldt hoofdzakelijk wat ik zoo even opmerkte; men vindt er onder zoowel schoone als leelijke, zoowel lieve als terugstootende, zoowel vroolijke als ernstige, zoowel goedaardige als boosaardige apen. Werkelijk misvormde apen komen er niet onder voor, daar ook de leelijke, of althans in onze oogen leelijk schijnende soorten evenredige vormen bezitten; toch treft men er vreemdsoortige kameraads onder aan. Hun voornaamste kenmerk bestaat in den vooruitstekenden snuit, die aan een hond doet denken, in de betrekkelijk korte armen, den tot een stompje verkorten staart, de vrij sterk ontwikkelde eeltplekken en de maar zelden ontbrekende wangzakken. Het gebit bevat 32 aaneengesloten tanden. Deze apen bewonen Europa, Azië en Afrika, maar zijn in laatstgenoemd werelddeel het talrijkst.

In eigenschappen en begaafdheden staan zij ver boven de klauwapen en de breedneuzen. Zij kunnen meerendeels goed loopen, alhoewel er onder zijn, die onzen lachlust opwekken door hun hinkenden gang. Het valt hun gemakkelijk op de achterste ledematen te gaan staan; zij richten zich dan in hunne volle lengte op en kunnen dan zelfs in deze houding een eind weg voortkomen. Het zijn daarbij goede klimmers; sommigen oefenen zich hierin op de rotsen, anderen in de boomen. De meesten zijn ook nog uitstekende zwemmers. Die, welke op de boomen leven, klauteren als het ware vliegend, want de acrobatische toeren, die zij in de takken uitvoeren, zijn inderdaad verbazingwekkend. Sprongen van 8 en 10 meter zijn niets ongewoons; uit den hoogsten boomtak springen zij naar den laagsten, doen dezen doorbuigen, en, geholpen door het terugspringen van dien tak, zetten zij den tocht voort naar een anderen. Den staart en de achterste ledematen uitstrekkende, en zich hiermede in evenwicht houdende, doorklieven zij de lucht als een pijl uit den boog. Elke boomtak, al is hij ook met de gevaarlijkste dorens bezet, is hun een gebaand pad, elke slingerplant een weg. Zij klauteren vooruit en achteruit, langs den onderkant der takken zoowel als langs den bovenkant, grijpen onder het springen een dunne twijg, hechten er zich aan vast en blijven onbepaald lang in deze[239]houding zweven, klimmen daarna op den tak en verder, even gemakkelijk als bevonden zij zich op den vlakken grond. Mist de hand, de voet herstelt de fout; breekt de tak onder den plotselingen druk, een tweede of derde wordt gegrepen; breken alle takken, zij springen, uit welke hoogte zij ook mogen vallen, ongedeerd op den grond, om nu langs den eersten den besten stam of de meest nabijzijnde slingerplant, weder omhoog te klauteren. Bij het klevende of kruipende klimmen hunner Amerikaansche verwanten vergeleken, is dat der hondskopapen eene waarlijk vrije, bandelooze, elken hinderpaal wegruimende beweging. Gene zijn stumpers, deze zijn volleerde kunstenaars, gene slaven der boomen, deze beheerschers der takken.

Even als hunne bewegingen zulks zijn is ook de stem dezer apen meer volkomen. Men verneemt van hen geen kweelend of piepend, geen klagend of huilend, maar een met den indruk des oogenbliks en de omstandigheden overeenkomend geluid, dat ook voor ons verstaanbaar is. Voor behagen en mishagen, verlangen en tevredenheid, lust en onlust, liefde en haat, goedhartigheid en toorn, vreugde en smart, vertrouwen en wantrouwen, sympathie en antipathie, teederheid en hardvochtigheid, inschikkelijkheid en trots, vooral plotselinge opwellende aandoeningen, zooals vrees, schrik en ontzetting, voor al deze gesteldheden der ziel vinden zij een uitdrukking, hoe beperkt ook overigens hun spraakmiddelen mogen zijn.

Hand aan hand gaan met deze de zoogenoemde geestelijke fakulteiten gepaard. Terecht kan men hier opmerken, dat de hand, die bij hen eerst tot zekere ontwikkeling is gekomen, hen boven alle andere dieren grootelijks bevoorrecht, en hen dingen doet doen, die soms grooter schijnen dan zij werkelijk zijn; zoo ziet men hen kunststukken verrichten, die een hond of ander dier onmogelijk zou ten uitvoer kunnen brengen. Toch moet men de apen onder de verstandigste zoogdieren rekenen, die een mate van overleg ten toon spreiden, welke verbaast. Zij hebben een sterk geheugen; de verschillendste indrukken blijven bewaard en hun wikkend verstand verwerkt die indrukken tot ervaringen, die in voorkomende omstandigheden groote diensten bewijzen. Zij handelen met volle bewustzijn en niet als slaven, die zonder eigen wil gehoorzamen aan eene van buiten komende kracht, maar zelfstandig, vrij en met afwisseling; zij weten slim van alles partij te trekken en waar het te pas komt bedienen zij zich van allerlei hulpmiddelen om hun doel te bereiken. Zij onderscheiden oorzaak en gevolg, weten het[240]laatste òf te verijdelen òf te bewerken; zij onderscheiden niet enkel wat goed of wat kwaad voor hen is, maar zij weten zelfs of zij goed of slecht handelen, onverschillig of zij daarbij het standpunt van hun eigen lief ik, of dat van een boven hen staand wezen innemen. Niet het blinde toeval, maar het zich bewust zijn van de gevolgen regelt hun doen en laten, maakt hen afhankelijk van ’t overwegen van ’t betere, noopt hen om gemeenschappelijk te werken en te handelen, leerthenom gezamenlijk zich aansprakelijk te stellen voor het wel en wee van ieder afzonderlijk lid, vreugde en leed, geluk en ongeluk, veiligheid en gevaar, welvaart en gebrek met hem te deelen, m.a.w. een op wederkeerige afhankelijkheid berustend verband te vormen; het onderwijst hen in het gepast aanwenden der hun niet van nature aangeboren krachten en middelen, en drukt hun eindelijk wapens in de hand, die deze laatsten hun niet konden schenken. Wel is waar delft de bezonnenheid dikwijls tegenover hunne driften en neigingen het onderspit, maar juist deze driften getuigen van de levendigheid der gewaarwordingen, of, wat op hetzelfde uitkomt, van de werkzaamheid van hunnen geest. Zij zijn gevoelig als kinderen, prikkelbaar als geestelijk zwakke menschen, en uit dien hoofde ontvankelijk voor elke soort van behandeling, hun aangedaan; voor tegemoetkomende liefde, voor terugstootenden haat, voor aansporenden lof, voor krenkenden smaad, voor streelende vleierij en bitteren hoon, voor liefkoozingen en tuchtiging. En toch laten zij zich niet zoo gemakkelijk behandelen, nog minder africhten als een hond of ander verstandig huisdier, want zij zijn eigenzinnig in den hoogsten graad en bezitten haast evenveel zelfbewustzijn als de mensch. Onvermoeid leeren zij, maar slechts wanneer en voor zooveel zij willen en geenszins dan, wanneer zij er toe gedwongen worden; hun zelfbewustzijn doet hun elk bevel weêrstreven, waarin zij geen voordeel voor zich zelf zien. Wel weten zij zeer goed welke straf hen wacht, en zij geven zulks dikwijls vooraf reeds door passende geluiden te kennen, maar toch weigeren zij te doen wat hun geboden werd; daarentegen volbrengen zij gewillig en onder luide bijvalsteekenen wat hun genoegen verschaft. Hij, die hun zelfbewustzijn in twijfel trekt, moet hen maar eens gadeslaan, wanneer zij zich bezig houden met een ander dier. Zij beschouwen dit, zoo althans geen vrees voor diens sterkte en gevaarlijkheid hen terughoudt, als een speelgoed voor hunne luimen, onverschillig of zij het plagen, foppen of kwellen, of nu en dan met liefkoozingen overladen.[241]

Enkele voorbeelden, voor welker waarheid ik in sta, mogen tot bewijs mijner beweringen strekken.

Toen ik in het land der Bogo’s reisde, ontmoette ik op mijn eersten rit door het gebergte een talrijke troep dierzelfde mantelbavianen, waarvan Scheik Kemal el Din Demiri gewaagt. Het was een schilderachtig gezicht, deze dieren op de bovenste kammen eener rots te zien zitten, terwijl zij het golvend haarkleed in de zon droogden; ik begroette hen met geweerkogels, zoodat zij in allerijl de vlucht namen. Terwijl ik mijn weg door het nauwe en zeer gewonden rotsdal van Mensa vervolgde, ontmoette ik geruimen tijd later weder denzelfden troep en wel in het dal zelf, dat zij zich gereed maakten over te steken ten einde bescherming te zoeken op de rotsen der overzijde. Een aantal was bereids aan den anderen kant gearriveerd, het grootste deel echter was nog op het punt den overtocht te bewerkstelligen. Onze honden, prachtige, slanke hazewinden, die gewoon waren zegevierend den strijd met hyaena’s en andere roofdieren te bestaan, wierpen zich op de bavianen, die uit de verte gezien meer op carnivoren dan op apen geleken, en dreven deze dieren snel rechts en links naar de rotswanden omhoog. De wijfjes echter alleen vluchtten, de mannetjes vlogen fluks op de honden in, vormden er een kring omheen, brulden, sloegen grimmig met de handen tegen den grond, sperden den muil wijd open, lieten de tanden zien, en zagen hun vijanden zoo woedend en boosaardig aan, dat de anders zoo moedige honden ontzet terugdeinsden en angstig bij ons bescherming zochten. Nog voor het ons gelukte de honden weder tegen de apen op te hitsen, was de toestand der laatsten geheel veranderd, want toen de honden weêr opnieuw op hen aanvlogen, hadden de meesten zich reeds in veiligheid gesteld.

Een jonge aap, niet ouder dan een halfjaar, was achtergebleven; toen deze de honden op zich aan zag komen, begon hij verschrikkelijk te schreeuwen, doch wist nog bij tijds een rotsblok te bereiken, alwaar het veilig dacht te zijn. Onze honden handelden met overleg en sneden den aap den terugtocht af, zoodat wij de hoop begonnen te koesteren het diertje op te vangen. Maar het zou niet geschieden. Fier en vol waardigheid, zonder zich in ’t minst te haasten en op ons acht te slaan, stapte een zeer oud mannetje, van de veilige rots afdalende, op het in nood verkeerende jong af, ging, zonder de minste vrees te verraden, de honden tegemoet, hield deze door blikken, gebaren en voor ieder verstaanbare geluiden in bedwang, beklom langzaam het rotsblok, legde het bedreigde[242]apenkind aan zijn borst, en voor wij op de plaats waren gekomen, had hij den terugtocht weêr aanvaard, terwijl de honden geen poot verroerden en hem stil lieten wegtrekken. En onder dit moedig bedrijf van zelfopoffering hoorde men in het dichte kreupelhout der rotshelling, werwaarts de apen zich hadden begeven, tonenweêrklinken, zooals ik nog nooit van bavianen had gehoord. Ouden en jongen, mannetjes en wijfjes brulden, gilden, knorden, bromden, blaften door elkander en verwekten een geschreeuw alsof zij met panters en dergelijke gevaarlijke roofdieren in gevecht waren geraakt. Het was, gelijk ik later ontdekte, het veld- of krijgsgeschreeuw der apen, dat ik hoorde; zij hadden daarmede ten oogmerk om de honden schrik aan te jagen, misschien ook wilden zij daarmede moed inblazen aan den onversaagden ouden ridder, die zich onder hunne oogen in het dreigendste gevaar begaf.

Eenige dagen later zou ik ervaren, dat deze zelfbewuste dieren het ook tegen den mensch durven opnemen. Bij mijn terugkomst uit het land der Bogo’s stieten wij nogmaals op een, misschien denzelfden troep; van uit het dal openden wij uit zeven dubbelloopsgeweren een moorddadig vuur op hen. De uitwerking was onbeschrijfelijk. Dezelfde oorlogskreten, die ik vroeger had gehoord, klonken ook nu weder, en als op het bevel van een generaal rustten zich allen ten strijde. Terwijl de gillende wijfjes met de jongen ijlings wegvluchtten, en, over den kam der rotsen spoedende, zich buiten bereik onzer wapenen stelden, betraden de oude mannetjes, met van woede fonkelende blikken, terwijl zij de handen tegen den grond sloegen, eer blaffend dan brullend, de vooruitstekende steenen en rotspunten, overzagen eenige oogenblikken onder voortdurend luid gebrom, geknor en gegil, de diepte, en begonnen daarop met zooveel drift en behendigheid ons met steenen te bombardeeren, dat wij het gevaarlijke onzer positie terstond inzagen en op de vlucht sloegen. Indien wij niet in staat waren geweest tegen de overstaande hellingen van het nauwe dal naar boven te klimmen, om ons op deze wijze in zekerheid te stellen tegen het geschut der apen, wij zouden het onderspit hebben gedolven. De verstandige dieren handelden bij hunne verdediging niet alleen stelselmatig, maar daarenboven, gemeenschappelijk naar één doel strevend, in onderling overleg en samenwerking. Een onzer zag zelfs hoe een der strijders zijn steen op een boom droeg, om dien van hier uit met meer effekt naar ons toe te slingeren; ik zelf nam waar dat twee apen gezamenlijk een zwaren steen aan ’t rollen brachten.[243]

Tot zulke middelen van tegenweer grijpt geen enkel ander dier dan de boven allen verheven aap, evenmin als het mannetje eener andere diersoort zich aan gevaren blootstelt om een hulpeloos jong te redden. Zulke trekken mogen niet geloochend of verkeerd beoordeeld worden; want zij getuigen luider en beter voor zichzelf dan alle spitsvondige uiteenzettingen, die ten doel hebben aan het dier verstand en zelfbewuste handelingen te ontzeggen.

Hoe juist de hondskopapen oorzaak en gevolg weten te onderscheiden, kan ieder bij eigen ervaring waarnemen, die deze dieren onbevooroordeeld nagaat. Zij openen deuren en vensters, schuifladen, kasten en doozen, maken knoopen los; zij weten hinderpalen uit den weg te ruimen, niet alleen wanneer zij eenmaal hebben opgemerkt hoe men daarbij te werk gaat, maar zij vinden zelf middelen uit om daartoe te geraken. Zekere baviaan, dien ik verzorgde en in mijn gezin had opgenomen, pakte eens eene jonge kat met het voornemen, dit beestje tot pleegkind aan te nemen en er moedertje over te spelen. De aap werd eens door het dier gekrabd; hij stelde terstond een onderzoek in naar de vermoedelijke oorzaak, en toen hij bevond dat de nagels als zoodanig moesten beschouwd worden, beet hij deze organen onmiddellijk af, overtuigd dat hij nu voortaan gevrijwaard zou zijn tegen eene herhaling van deze onaangename bejegening. Denzelfden baviaan werd nu eens door mijn broeder dan door mijzelf herhaaldelijk schrik aangejaagd, doordien wij buskruit op den grond strooiden en dit aanstaken. Het plotseling ontvlammende kruit veroorzaakte den aap zulk een hevigen angst, dat hij elken keer luidkeels begon te schreeuwen en zoo ver weg sprong als het touw, waaraan hij vastgebonden was, toeliet. Nadat dit tooneel eenige malen was herhaald, kwam de baviaan op den inval het ontvlammen te voorkomen door eerst het stuk zwam met de hand uit te dooven, en daarna het buskruit eenvoudig op te eten. Een ander maal werd hij zelf de oorzaak van zijn angst. Even als alle apen, geen uitgezonderd, was hij uitermate bevreesd voor reptielen, inzonderheid voor slangen; wij hadden hierin grooten schik en plaagden hem daarom dikwijls door eene levende, doode of opgezette slang in eene groote blikken doos te doen, dien wij hem gesloten toereikten. Hij kende ten laatste doos en inhoud volkomen, maar niet in staat zijne nieuwsgierigheid te bedwingen, opende hij telkens weder de doos om onmiddellijk daarna met een luiden schreeuw weg te loopen.[244]

Niet tevreden met de kennis van werkelijk aanwezige oorzaken, zocht deze aap, indien hem eene onaangenaamheid bejegende, naar ingebeelde oorzaken.

Iets of iemand moest van zijn leed de schuld zijn, dit stond bij hem vast. En zoo keerde zich soms zijn volle woede tegen den eersten den besten, dien hij in ’t gezicht kreeg. Werd hij b.v. bestraft, dan richtte zijn toorn zich niet op zijn heer en meester, maar op dengene, die toevallig bij die bestraffing tegenwoordig was; deze was in zijne oogen de oorzaak der snoode behandeling, die hij van de zijde zijns anders zoo goedaardigen gebieders ondervond. Even als onverstandige menschen in dergelijke gevallen ook gewoon zijn te doen, verdacht hij dus onschuldigen.

Ofschoon zelf buitengemeen gevoelig voor eene hem aangedane of toegedachte onrechtvaardige behandeling, zoo ook indien men hem plaagde of kwelde, kon onze baviaan het toch nimmer nalaten andere dieren te sarren, ja te mishandelen. Onze oude, knorrige dashond hield eens, genoegelijk in de zon uitgestrekt, zijn middagslaapje. De baviaan zag zulks, sloop voorzichtig naar de plaats, waar de hond lag, beschouwde het dier aandachtig met zijn duivelsche, boosaardige oogjes, om zich te overtuigen, dat de hond werkelijk sliep, pakte vlug diens staart en bracht het beest door krachtig aan dat orgaan te trekken uit de wereld der droomen in die der werkelijkheid terug.

Grimmig trachtte de hond dezen hoon te wreken en sprong op den twistzoeker los.

Deze echter ontkwam de dreigende straf door vlug over den hond heen te springen; hij had in ’t volgende oogenblik wederom den staart van dit dier gegrepen, daar weêr aan getrokken, zich vermakende met de machteloosheid van zijn vijand, totdat deze met beveiligden, d.i. met opgetrokken staart, razend van toorn en woede, tot blaffen niet meer in staat, schuimbekkend het hazepad koos om zijn tegenstander het veld te laten. Zoo de baviaan had kunnen lachen, zou er niets meer ontbroken hebben aan de overeenstemming tusschen zijne handelwijze en die van een boosaardig mensch. Niettemin werd de overwonnen hond op zeer verstaanbare wijze met spot en schimp overladen. Elke plagerij, hem zelven daarentegen aangedaan, nam de aap zeer euvel op en reeds het lachen van den een of anderen guit kon hem in woede doen ontsteken, terwijl hij niet naliet zich op zoo iemand te wreken zoodra hij de kans schoon zag, al mochten er ook[245]weken verloopen zijn sedert het feit was bedreven. Hij was een „aap”, hij gevoelde zijn waarde als zoodanig, en beschouwde alzoo den hond als een zoo verre beneden hem staand wezen, dat zijne aanmatiging ons even verschoonbaar voorkomt, als die van zeker ander wezen, dat tegenover hem op gelijke wijs dorst te handelen, in de oogen des aaps verkeerden strafbaar schijnt.

HOEDAPEN.HOEDAPEN.

HOEDAPEN.

Van zulk een sterk gevoel van eigenwaarde, juister gezegd van overschatting van eigenwaarde, geven de hondskopapen ons dagelijks een aantal bewijzen; men moet hen slechts nauwlettend gadeslaan. Dezelfde baviaan, van wien zoo even sprake was, hield, gelijk alle apen, veel van pleegkinderen; eens trok hem een meerkat, die met hem dezelfde kooi deelde, bijzonder aan. Men kon hem dit dier zelfs buiten de kooi[246]gerust toevertrouwen; altijd had hij de meerkat aan zijn zijde en deze sliep in zijn armen en gehoorzaamde hem slaafs. De baviaan beschouwde deze onderworpenheid als iets, wat van zelf sprak; onbepaalde gehoorzaamheid vooral eischte hij evenwel tijdens den maaltijd. Terwijl de goedaardige, gehoorzame meerkat zonder eenigen schijn van verzet gedwee toestond, dat haar pleegmoeder—onze baviaan was een wijfje—de beste stukken voor zich zelf behield, gunde de laatste haar lieveling niet meer dan het allernoodigste; was de meerkat zoo gelukkig geweest, iets ter zijde te leggen, b.v. iets in haar wangzakken te steken, onbarmhartig brak hij deze open om den inhoud zichzelf toe te eigenen.

Hoe groot de aanmatiging en overschatting van eigen persoonlijkheid bij de hondskopapen ook mogen zijn, zij zijn zich niettemin zeer goed bewust van iets strafbaars gepleegd te hebben.Schomburgkhaalt ten bewijze daarvan een zeer leerzaam voorbeeld aan. In de zoölogische afdeeling van den plantentuin te Adelaïde deelde een oude hoedaap met twee soortgenooten, waarover hij erg de baas speelde, hetzelfde hok. Door de eene of andere toevallige omstandigheid geërgerd, overvalt deze aap op zekeren dag onverhoeds zijn oppasser, en brengt dezen, door hem een slagader van het handgewricht door te bijten, eene gevaarlijke wonde toe.Schomburgkveroordeelde den booswicht ter dood en gelast aan een anderen oppasser dit vonnis door middel van kruit en lood ten uitvoer te brengen. Apen nu zijn zeer gewend aan vuurwapenen, daar deze veel worden gebruikt om in den tuin schadelijke dieren te dooden; zij kennen de uitwerking, doch maken zich volstrekt niet ongerust wanneer men hen in de nabijheid van zulke voorwerpen brengt. Ook nu, op den volgenden dag na het misdrijf van den tyran, blijven de beide jonge apen rustig aan den etensbak zitten als de oppasser aan wien de executie van hun kameraad was opgedragen, zich laat zien; maar de veroordeelde misdadiger daarentegen vliegt snel naar zijn slaaphok en is door geen enkel lokmiddel te bewegen dit te verlaten. Men poogt hem te paaien door hem voedsel aan te bieden; hij laat, wat vroeger nooit geschiedde, zijn beide slaafjes de lekkere kost verteren, en waagt het niet aan hun maaltijd deel te nemen. Eerst wanneer de onheilspellende oppasser zich verwijderd heeft sluipt hij steelsgewijs nader, neemt snel eenige brokken om angstig naar zijn veilige schuilplaats terug te vlieden. Men slaagt er eindelijk in hem voor de tweede maal naar buiten te lokken en den toegang tot zijn sluiphoek van buiten te sluiten. En als hij nu weder den oppasser[247]met het moordtuig ziet naderen, weet hij, dat hij reddeloos verloren is. Als waanzinnig werpt hij zich op de deur van zijn slaapvertrek om deze zoo mogelijk te openen; als hem dit niet gelukt, vliegt hij als een waanzinnige door de kooi, alle hoeken en gaten doorzoekende of deze hem nog gelegenheid bieden tot ontkoming, en eindelijk, geene uitkomst ziende, over zijn geheele lichaam sidderende, werpt hij zich vertwijfelend op den grond en onderwerpt zich wilsverlamd aan zijn noodlot, dat hem een oogenblik later heeft achterhaald.

Men zal moeten toestemmen, dat geen enkel zoogdier uit een der andere orden zoo zou handelen, zelfs niet zou de sedert duizenden van jaren door den mensch gedresseerde en onderwezen, ik zou haast zeggen, door den mensch geschapen hond; zelfs deze heeft het niet eens tot zulk eene hooge verstandelijkheid gebracht. En toch ligt er nog eene breede klove tusschen genoemde hondsapen en de menschapen, van welke laatste ik zooeven heb opgemerkt, dat zij zich reeds boven het gemiddelde peil van het apendom hebben verheven.

Onder menschapen begrijpen wij al die apen, welke in gedaante het meest op den mensch gelijken, doch zich van dezen nog zeer onderscheiden door hun grootere hoektanden, de betrekkelijk lange armen en korte beenen, den bouw der hand, de bij sommige soorten voorkomende eeltplekken en het haarkleed. Zij bewonen de tropische gewesten van Afrika en Azië, in laatstgenoemd werelddeel in meer soorten dan in het eerste, en vervallen in drie familiën, een van welke tot Afrika beperkt blijft. Elk dezer familiën bevat slechts weinig soorten, maar waarschijnlijk zijn ons alle soorten nog niet bekend.

Ook de menschapen worden door hun bouw gedwongen hoofdzakelijk op de boomen verblijf te houden; zij zijn echter evenmin als slankapen, meerkatten en makako’s boomslaven, veeleer uitnemende klimmers. Zij bewegen zich echter, zoowel op de takken als op den grond, anders dan alle andere apen. Wanneer zij een boom, inzonderheid een gladden stam zonder takken beklimmen, nemen zij dezelfde houding aan als een mensch, wanneer deze in een boom klimt; geholpen door hun lange armen en korte beenen vorderen zij evenwel veel sneller dan de meest geoefende en vaardigste menschelijke klimmer; in de vertakking aangeland beschamen zij den besten turner door de veelsoortigheid en zekerheid hunner bewegingen. Met hunne ver reikende armen vatten zij den eenen tak, met de voeten omklemmen zij een ander, die met den eersten parallel loopt en iets lager zit, ongeveer[248]voor de helft, om er nu over heen te loopen, terwijl zij den bovensten tak als leuning gebruiken, en dat zoo snel, dat een man beneden al loopende zijn best zou moeten doen om hem bij te houden; en toch, de apen spannen zich daarbij in ’t geringste niet in. Aan het uiteinde van den tak gekomen, grijpen zij een nabijzijnden tak, b.v. van den naasten boom, en zetten hierop hunne wandeling met gelijke snelheid voort, zonder zich daarbij wezenlijk te haasten. Willen zij naar boven dan grijpen zij den eersten den besten tak, zoo deze hen slechts kan dragen, en slingeren zich vaardig omhoog, onverschillig of één of beide armen gebruikt worden; willen zij naar beneden, dan hangen zij zich aan beide armen op en zoeken met hun voeten naar een nieuw steunpunt. Soms ziet men hen enkel voor hun genoegen minuten lang in deze houding schommelen; dikwijls loopen zij, met handen en voeten den tak omvattende, voor de afwisseling langs deszelfs benedenkant; kortom, elke denkbare houding nemen zij aan, elke denkbare beweging wordt door hen in de hoogte uitgevoerd. Onovertroffen meesters in het klimmen zijn de langarmapen of gibbons, menschapen met zulke onevenredig lange armen, dat deze eene lengte kunnen overspannen tweemaal zoo groot als die van hun geheele lichaam, dit in rechtopgaande houding gedacht. Met ongeëvenaarde snelheid en zekerheid beklimmen zij de boomkruinen of bamboestengels, brengen dezen of den een of anderen hun dienenden tak in schommeling, en slingeren dan bij het terugbuigen met zulk eene gemakkelijkheid over tusschenruimten van 8 à 12 meter, dat men waant een afgeschoten pijl of een naar beneden stootenden vogel te zien. Ook deze apen kunnen onder het springen de eerst ingeslagen richting nog veranderen en den sprong plotseling afbreken, door den eersten den besten tak te grijpen, zich daaraan vast te klemmen, er aan te schommelen, te wiegelen en er eindelijk bij op te klimmen, ’t zij om eerst even te rusten, ’t zij om terstond weder van voren aan te beginnen.

Niet zelden springen zij op deze wijze achtereenvolgens drie-, vier-,vijfmalen door de lucht, zoodat het den schijn heeft alsof de zwaartekracht voor hen niet bestond. Even gemakkelijk als zij klimmen, even moeilijk valt hun het gaan. Sommige andere menschapen kunnen zonder groote inspanning in opgerichten stand, dus alleen op de voeten een vrij grooten afstand afleggen; echter, indien zij wat haastig willen loopen, vallen ze weêr voorover, en waggelen nu op handen en voeten verder, hierbij steunende op de omgebogen vingerknokkels en den[249]buitenkant der voetzolen, terwijl zij het lichaam, dat als een logge en zware massa tusschen de omhoogstaande armen schommelt, als het ware vooruitwerpen.

De gibbons echter bewegen zich alleen in geval van nood op deze wijze en dan nog meer springend dan loopend; daarentegen leggen zij veel korter afstanden af als zij zich in hun volle lengte oprichten, om, met uitgeslagen armen zich in evenwicht houdende, de duimen zoover mogelijk uitspreidende, met kleine, snel opeenvolgende schreden allerdroevigst voort te strompelen. Hunne bewegingen moeten dus eenzijdig genoemd worden; want, wat zij in vaardigheid in ’t klimmen boven de andere menschapen vooruit hebben, verliezen zij weder ten aanzien van hunne hulpeloosheid op den vlakken grond.

De stem der menschapen is onze aandacht ten volle waard. Wij vinden n.l. dat de levendigste en vlugste soorten der groep ook de luidste stem bezitten, terwijl daarentegen de menschapen, welke meer veelzijdig ontwikkeld zijn, alhoewel hunne levendigheid bij die der anderen achterstaat, met een meer rijk geluid begiftigd zijn. Ik zeg niet te veel, wanneer ik beweer, dat ik nooit van eenig zoogdier, natuurlijk den mensch uitgezonderd, eene stem heb gehoord, die voller van toon en welluidender in mijn oor heeft geklonken dan die van de door mij in gevangen staat waargenomen langarmapen. Aanvankelijk was ik verbaasd, later verrukt over deze uit diepe borst, met volle kracht uitgestooten, eer aangenaam dan onaangenaam klinkende, zuivere, ronde tonen. Bij zekere soort begint het verklinkend geroep, dat ik liever een gezang dan een geschreeuw wil noemen, met den grondtoon E en klimt door alle toonen van de chromatische ladder een octaaf omhoog, om met een gillend geluid te eindigen, in hetwelk het dier al zijn kracht schijnt te vereenigen. De grondtoon blijft steeds hoorbaar en dient als voorslag voor elke volgende noot, die bij het klimmen altijd langzamer, bij het dalen altijd sneller en eindelijk zeer snel op de voorgaande volgt. Zij worden evenwel met evenveel regelmaat als schielijk voorgedragen. Enkele soorten moeten minder zuivere tonen voortbrengen, maar toch roepen allen zoo luid, dat men ze in de open lucht wel een engelsche mijl ver, duidelijk kan hooren. Dezelfde afhankelijkheid tusschen bewegingsvermogen en stem merken wij op bij andere menschapen. Van de zich zoo langzaam bewegende en droefgeestige orang-oetans heeft men, voor zoover mij bekend is, nog nimmer een ander geluid vernomen dan een krachtig, laag keelgeluid;[250]de vroolijke, bewegelijke en wakkere chimpanzee daarentegen weet in de weinige geluiden, over welke hij te beschikken heeft, zulk een afwisselenden klank te leggen, en er zulk eene verstandelijke uitdrukking aan te geven, dat men geneigd wordt dezen aap een taal toe te kennen. Met woorden spreekt hij weliswaar niet, maar hij doet zulks met geluiden, zelfs met sylben, over welker zich steeds gelijk blijvende beteekenis elke waarnemer, die geruimen tijd met hem verkeerde, niet in twijfel kan staan. Geen andere menschaap komt den chimpanzee hierin nabij.

Wie uit eigen ervaring de hoogte wil leeren kennen, tot welke het intellekt van een aap zich kan verheffen, kan niet beter doen dan den chimpanzee of een van diens allernaaste verwanten tot het voorwerp zijner waarneming te maken, en geruimen tijd op intiemen voet met hem te verkeeren, even gelijk ik heb gedaan. Men zal dan met verwondering en verbazing, misschien wel niet zonder zekere huivering ervaren, hoe klein de klove kan worden, die den mensch van de apen scheidt. Ook de andere menschapen zijn zeer verstandige dieren; ook zij overtreffen in alle opzichten alle andere apen, doch deze talenten komen echter noch bij de gibbons, noch bij de orang-oetans tot zulk een algemeen verstaanbare uitdrukking, of springen zoo sterk in ’t oog als bij eerstgenoemden.

Dezepongo’s—de gorilla, tschego en chimpanzee—kan, mag men niet meer als dieren behandelen; men moet veeleer met hen verkeeren als waren het menschen, wil men hunne geestesgaven naar eisch leeren kennen en waardeeren. Hun verstand staat weinig lager dan dat van een ruw, onwetend, onbeschaafd mensch. Zij zijn en blijven dieren, maar zij handelen zoo menschelijk, dat men het dier in hen vergeet.

Ik heb jaren lang chimpanzee’s verzorgd, hen nauwkeurig en onbevooroordeeld gadegeslagen, en veel en intiem met hen verkeerd; ik heb hen in mijne familie opgenomen, ze gemaakt tot speelkameraads mijner kinderen, aan mijn tafel laten eten, hen onderwezen, ja letterlijk opgevoed; ik heb ze in ziekten opgepast en in hun stervensuur niet verlaten; ik mag dus aannemen, dat ik deze dieren althans zoo goed ken als iemand anders en dus in staat ben een juist oordeel te vellen. Om al deze redenen kies ik den chimpanzee tot voorbeeld, teneinde u duidelijk te maken tot welk een hoogte een dier geestelijk kan klimmen.

DE CHIMPANZEE.DE CHIMPANZEE.

DE CHIMPANZEE.

De chimpanzee is niet alleen een der verstandigste schepselen, maar ook een nadenkend, overleggend wezen. Al zijn handelingen getuigen van bewustzijn en overleg. Hij bootst na, maar met verstand en oordeel;[251]hij laat zich onderwijzen en leert. Hij is zichzelf bewust en draagt kennis van zijn omgeving, alsmede van de plaats, die hij inneemt. In den omgang met den mensch onderwerpt hij zich aan dezen als aan eene boven hem staande geestelijke meerderheid; in het verkeer met dieren geeft hij blijk van hetzelfde bewustzijn van eigen persoonlijkheid als de mensch. Wat in dit opzicht bij andere apen slechts flauw te voorschijn treedt, is bij den chimpanzee duidelijk uitgedrukt. Hij houdt zich voor beter en meerder dan andere dieren, zelfs dan andere apen; hij maakt onderscheid tusschen menschen en menschen; hij behandelt b.v. kinderen geheel anders dan volwassenen; voor de laatsten heeft hij ontzag, de eersten behandelt hij ongeveer als zijns gelijken. Hij geeft zijn medelijden te kennen ten aanzien van dieren, met welke hij geen vriendschap sluiten of andere betrekkingen aanknoopen kan, en eveneens met voorwerpen, die zijn natuurlijke behoeften niet kunnen bevredigen, want hij is niet enkel nieuwsgierig, maar tevens weetgierig. Elk voorwerp, dat zijne opmerkzaamheid trok, wint bij hem in waarde, wanneer het[252]hem eenig voordeel kan schenken. Hij kan besluiten trekken, het een uit het ander afleiden, en weet vroegere ervaringen doelmatig over te dragen op nieuwe verhoudingen; hij is listig, ja doortrapt slim, heeft geestige invallen en veroorlooft zich grappen, laat van luim en humeur blijken, vindt het eene gezelschap onderhoudend, het andere vervelend, leent het oor aan passende scherts, maakt zich boos over minder gepaste, is eigenzinnig, ofschoon niet koppig, goedaardig, maar gooit zichzelf niet weg. Zijn gevoel drukt hij uit als een mensch. Is hij welgemoed, hij glimlacht, is hij bedrukt, zijn gezicht trekt zich in plooien, die op zichzelf reeds genoeg te kennen geven, maar waaraan hij door een klagend geluid nog nadere verklaring toevoegt; in ziekten stelt hij zich aan als een wanhopige, vertrekt het gezicht, schreeuwt, werpt zich op den rug, slaat met handen en voeten om zich heen en rukt zich de haren uit. Een vriendelijken groet beantwoordt hij met geluiden, die tevredenheid uitdrukken, barsche woorden door zulke, die leedgevoel te kennen geven. Van den morgen tot den avond is hij in de weer, hij zoekt steeds bezigheid en bedenkt iets nieuws, wanneer de gewone handelingen en oefeningen zijn afgeloopen, al zou hij ook niets anders doen dan met de handen tegen de voeten slaan, of, door op holle klankgevende lichamen te kloppen allerlei geluiden te voorschijn roepen, die hem zichtbaar genot verschaffen. In de kamer houdt hij zich onledig met het onderzoeken van alle mogelijke voorwerpen; hij opent schuifladen en keert den inhoud om, ziet naar het vuur, nadat hij het kacheldeurtje eerst heeft open gemaakt, om het daarna ook weder te sluiten; hij hanteert een sleutel gelijk het behoort, gaat voor den spiegel staan en aanschouwt met blijkbaar welbehagen zijn eigen beeltenis, en meteen de gebaren en grimassen, die hij daarbij maakt; hij gebruikt bezems en dweilen, zooals men hem geleerd heeft, hult zich in dekens en kleedingstukken, enz.

Hoe juist hij waarneemt blijkt uit zijn bijna altijd rechtvaardig oordeel ten aanzien van menschen. Hij kent en onderscheidt niet alleen zijn vrienden van andere lieden, maar zelfs goedgezinde van kwaadgezinde menschen, en zulks zoo scherp, dat de oppasser van zekeren chimpanzee overtuigd was iederen mensch, dien deze aap van zich stiet als een deugniet of booswicht te mogen beschouwen. Zeker doortrapt en geslepen huichelaar, die mijzelf en anderen wist te misleiden, was mijn chimpanzee van den beginne af een gruwel, even alsof hij den roodharigen schurk van het eerste oogenblik af had doorgrond.[253]

Een chimpanzee, met wien men zich veel bezighoudt, verkeert het liefst in den huiselijken kring. Hier doet hij, alsof hij zich onder zijns gelijken bevindt. Hij let nauwkeurig op alle huiselijke gewoonten, merkt terstond op of men hem gadeslaat of niet, doet in het eerste geval wat men verlangt, en in het tweede wat hemzelf behaagt. Spelende leert hij, en daarbij betoont hij den grootsten ijver, dus geheel anders dan andere apen. Men kan hem leeren rechtop aan tafel te zitten, bij ’t eten mes, lepel en vork te gebruiken, uit een glas of een kopje te drinken, de suiker in het kopje om te roeren, met zijn buurman te klinken, het servet te gebruiken, enz. Even gemakkelijk gewent hij zich aan kleedingstukken, dek en bed; zonder veel moeite eigent hij zich een deel der menschelijke taal toe, beter nog dan de best opgevoede hond, daar hij zich niet enkel naar den klank der woorden richt, maar tevens naar hunne beteekenis, en bepaalde lastgevingen en bevelen juist uitvoert. Uiterst gevoelig voor liefkoozingen en vleierij, zelfs voor loftuitingen, evenzeer voor een onvriendelijke behandeling of berisping,—is hij tevens vatbaar voor de levendigste dankbaarheid en ook al heeft men hem daartoe niet afgericht, geeft hij zulks te kennen met handdruk of kus. Van kinderen houdt hij ongemeen veel. Uit zijn aard niet humeurig, evenmin boosaardig, behandelt hij kinderen, zoo lang deze hem niet plagen, altijd zeer vriendelijk, kleine, nog hulpelooze wichtjes zelfs met eene waarlijk roerende teederheid; in het verkeer met anderen zijner eigen soort, met andere apen of andere dieren daarentegen kan hij niet zelden ruw en onvriendelijk worden. Ik breng dezen karaktertrek, dien ik bij alle door mij verzorgde chimpanzees heb opgemerkt, daarom onder de aandacht, dewijl men hieruit kan zien, hoe deze aap zelfs in het kleinste kind een mensch herkent en waardeert.

Roerend is het gedrag van een zieken, zwaar lijdenden menschaap. Smeekend, klagend, waarlijk menschelijk, ziet hij zijn oppasser aan, ontvangt elk hulpbetoon, iederen dienst met innige dankbaarheid en ziet alras in den geneesheer zijn weldoener, reikt dezen den arm of steekt op diens verlangen de tong uit, ja doet zulks bij een herhaald bezoek van den geneesheer reeds uit zichzelf; hij neemt gewillig de geneesmiddelen in en staat zelfs toe dat de chirurg hem opereert; in één woord, hij handelt als een ziek en geduldig mensch. Naarmate zijn einde nadert wordt hij zachter gestemd, treedt het dierlijke meer op den achtergrond en komen de meer edele trekken van zijn wezen meer te voorschijn.[254]

De chimpanzee, dien ik het langst verpleegde en met behulp van een verstandigen en dierenlievenden geneesheer op het zorgvuldigst verzorgde, kreeg eene longontsteking, gepaard met eene verettering der lymphklieren van den hals. Chirurgische behandeling bleek noodzakelijk. Twee artsen, die met mij en mijn chimpanzee bevriend waren, namen op zich het halsgezwel te openen; dit bleek te meer noodzakelijk daar de aap zelf hierin de oorzaak zijner kwaal zocht en al aanstonds de hand des onderzoekers op die plaats bracht. Maar hoe de snede aan de gevaarlijke plek uit te voeren, zonder het dier in gevaar te brengen? Verdoovende middelen konden niet toegepast worden wegens de zieke longen, en elke poging, om den chimpanzee door eenige sterke mannen vast te houden moest opgegeven worden, daar het in hoogen graad opgewonden dier hevigen tegenstand bood. Wat geweld niet vermocht, bewerkte overreding. Door minzame toespraken en liefkoozingen van de zijde zijns oppassers weder tot rust gebracht, liet de aap nogmaals gewillig toe, dat het halsgezwel werd onderzocht, en zonder een ooglid te vertrekken, veroorloofde hij den geneesheer nu het mes te gebruiken; zonder eenige klacht te uiten doorstond hij alle verdere kunstbewerkingen, zelfs de zoo pijnlijke ontlasting van het geopend gezwel. De belemmerde ademhaling werd weêr vrij; een niet te miskennen uitdrukking van verlichting kwam op het gelaat des lijders, dankbaar reikte hij dan beide geneesheeren de hand, en omhelsde blijde zijn oppasser—niemand echter had hem tot het een zoo min als het andere aangespoord!

Helaas, het leven des diers bleef niet gespaard. De halswond genas, maar de longontsteking nam toe en werd eene oorzaak des doods. Met volle bewustzijn gaf hij den geest, zacht en kalm, niet gelijk een dier, maar zooals een mensch sterft.

Dit zijn karaktertrekken uit het leven en gedrag van een menschaap, wier beteekenis noch verkleind, noch misduid kan worden. Bedenkt men daarbij, dat deze karaktertrekken aan alle nog niet volwassen, maar op kinderlijken leeftijd staande apen konden afgeluisterd worden, dan wordt men wel genoodzaakt aan deze dieren een zeer hooge plaats in te ruimen. Want de door den een of anderen onbevoegden waarnemer uitgesproken, en door honderden gedachtenloos nagesproken bewering, dat de aap met toenemenden leeftijd geestelijk achteruitgaat is niets anders dan een grove leugen, die onmiddellijk weerlegd wordt door iederen van zijn jeugd af tot zijn rijperen leeftijd toe goed en[255]onbevooroordeeld gade geslagen aap. Al wisten wij van volwassen menschapen ook verder niets anders dan deze twee feiten, 1o. dat zij eer huizen dan nesten bouwen, en 2o. dat zij holle boomen als trom gebruiken, om daarop voor hun vermaak te trommelen, dan reeds zou zulks genoeg zijn om ons tot hetzelfde besluit te leiden, als waartoe de jonge, door ons verzorgde apen dezer groep ons hebben gebracht.M.a.w.om in dezen de meest hoogbegaafde dieren en onze eigene allernaaste bloedverwanten te zien.

En nu de apenvraag? Ik zou mogen aannemen, dat ik deze vraag in bovenstaande regelen reeds voldoende heb beantwoord; toch wil ik gaarne mijne opvatting nog iets breeder ontwikkelen.

Een iegelijk moet toestemmen, dat de mensch geen vertegenwoordiger is van een bijzonder natuurrijk; hij is slechts een lid van het dierenrijk en nu is het voor iederen onbevooroordeelde duidelijk, dat de apen onze naaste verwanten zijn. Vergelijkt men de apen onderling en met de menschen, dan komt men onvermijdelijk tot de overtuiging, dat het verschil tusschen de klauwapen en de menschapen grooter is dan tusschen deze laatsten en den mensch. In dierkundigen zin kan men dus zelfs niet eens aan de menschen en de apen eene plaats in verschillende orden van de klasse der zoogdieren aanwijzen. Men heeft zulks toch gedaan en doet zulks nog, en noemt de menschen tweehandig, de apen vierhandig, maar hierbij zag men het gewichtigste kenmerk der zoogdieren, het gebit, over het hoofd. Het gebit van apen en menschen is werkelijk zoo zeer aan elkander gelijk, dat dit kenmerk ons dwingt beiden in eene en dezelfde afdeeling te plaatsen. Bovendien zijn ook de bepalingen twee- en vierhandig niet juist; wel bieden de menschen en apen groote verschillen aan, wat den bouw hunner handen en voeten betreft, maar zij vormen daarom nog geen tegenstellingen; de apen zijn even goed tweehandig als wij. Wil men ter plaatsbepaling van menschen en apen dezelfde wetten toepassen, die men zonder uitzondering elders in het dierenrijk aanwendt, dan wordt men gedwongen beide in dezelfde orde te vereenigen. Ik heb ze den naam van „primaten,” of eersten, gegeven.

De overeenstemming evenwel, wat de kenteekenen der orde aangaat, moge nu bij alle primaten aan geen bedenking onderhevig zijn, toch blijken er bij eene nauwkeurige beschouwing van menschen en apen verschillen te bestaan, die eene innige versmelting wederom beletten. De evenredigheden in vormen, de betrekkelijke mindere lengte der[256]armen, de breedte en groote bewegelijkheid der handen, de lengte en kracht der beenen, de platte voetzolen, de naakte huid en vooral de mindere ontwikkeling der hoektanden, zijn lichamelijke kenmerken der menschen, wier waarde men niet te gering moet schatten, ja, die belangrijk genoeg zijn om beiden althans tot verschillende familiën te brengen, zoo niet tot twee verschillende onderorden. Trekt men verder nog den meerderen aanleg van den mensch in den kring der beschouwingen, vergelijkt men zijn bewegingen, zijn gearticuleerde spraak, zijn geestelijke vermogens met de overeenkomende fakulteiten der apen, dan voorzeker gevoelt men zich nog meer gedrongen tot bovengenoemde onderscheiding.

MANTELBAVIANEN.MANTELBAVIANEN.

MANTELBAVIANEN.

Blinde aanhangers der evolutieleer, door Darwin gegrondvest en door anderen verder uitgewerkt, overschrijden gedachtenloos die grenzen; wie nadenkt kan zich niet aan hunne zijde scharen. Hoe bevredigend, om zoo te zeggen hoe waarschijnlijk de Darwinistische leer ook zijn moge, meer dan eene zinrijke hypothese is zij tot dusverre niet, en onomstootbare bewijzen voor hare waarheid kon zij tot heden niet bijbrengen. Veranderlijkheid der rassen en variëteiten kan men bewijzen en zelfs in ’t leven roepen, de omvorming van de eene soort in eene andere werd tot nog toe voor geen enkel geval bewezen. En zoolang laatstgenoemd bewijs nog niet is geleverd, zoo lang behouden wij ook het recht menschen en apen als van elkander verschillende wezens te beschouwen en de afstamming van den een uit den ander te ontkennen. Elke poging om een gemeenschappelijken voorvader te ontdekken, elke poging om een stamboom van den mensch te ontwerpen, kan hierin niets veranderen, want de ware natuurwetenschap vergenoegt zich niet met verklaringen, maar verlangt bewijzen; zij wil niet gelooven, maar weten.

En zoo mogen wij dan onbekommerd aan de apen die plaats inruimen, die het onbevooroordeeld onderzoek hun in de rij der dierlijke wezens aanwijst. Als de op ons het meest gelijkende dieren, of als onze naaste verwanten in dierkundigen zin mogen wij hen beschouwen, maar meerdere rechten ontzeggen wij hun te eenenmale. Veel, wat den mensch geschonken werd, viel ook hun ten deel; van het werkelijke menschdom scheidt hen nog eene breede klove. Veel van den mensch, maar niet de geheele mensch werd in hen belichamelijkt en vergeestelijkt.[257]


Back to IndexNext