X.

[Inhoud]X.KARAVANEN EN WOESTIJNREIZEN.Aan den zoom der woestijn, onder de schaduw van een palmboschje, staat eene kleine tent. Een aantal kisten en balen liggen in bonte afwisseling rondom die tent op elkander gestapeld. Iets verder naar buiten staan, zitten en liggen eenige Nubische knapen, feestelijk uitgedost, d.w.z. versch met huidzalf ingesmeerd.Binnen in de tent verwijlen ettelijke reizigers, die per Nijlbark tot hier kwamen en van plan zijn een grooten boog af te snijden van den Nijl, die van deze plaats af vol klippen en stroomversnellingen is, m.a.w. zij willen door de woestijn trekken, die gedeeltelijk door genoemden stroom wordt ingesloten.Het is middag. De zon staat bijna loodrecht boven de tent aan een wolkenloozen, donkerblauwen hemel; haar brandende stralen schieten haast ongehinderd door het losse gebladerte der dadelpalmen. Een zengende hitte drukt de vlakte tusschen den stroom en de woestijn; de luchtlagen sidderen en golven over den verhitten grond, zoodat alle voorwerpen eene verwrongen gedaante aannemen en zich hullen in een dicht nevelwaas.Aan den horizon wordt eene ruiterbende zichtbaar, die uit de woestijn te voorschijn kwam en rechtstreeks den weg inslaat naar de tent, zonder acht te geven op het meer landwaarts in gelegen dorp. Donkerbruine, armoedig gekleede mannen, bij de palmen aangeland, stijgen van hun magere, maar niettemin edele paarden. Een hunner nadert de tent en treedt met de majesteit eens konings naar binnen. Het is het opperhoofd der kameeldrijvers (Scheik el Djemali), tot wien wij—de straks bedoelde reizigers—eene boodschap hadden gezonden, ten einde hem te verzoeken ons van de benoodigde dragers, drijvers en kameelen te voorzien.„Heil zij u!” zegt hij bij het binnenkomen en brengt bij dien groet de hand naar mond, voorhoofd en hart.[258]„Heil, ook u o Scheik! met u, de genade Gods en Zijn zegen!” luidt antwoord.„Groot was mijn verlangen, u te zien, o vreemdelingen, en uwe wenschen te vernemen,” aldus verzekert hij, middelerwijl zich neêrlatende op het kussen naast ons, en wel ter rechterzijde, op de eereplaats.„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen, oScheik, en u zegenen!” geven wij tot antwoord, terwijl wij aan onze bedienden gelasten hem nog vóór ons zelf van versch aangestoken pijpen en koffie te voorzien.Met half dichtgeknepen oogen laaft hij zijn sterfelijk lichaam aan de koffie, en zijn onsterfelijke ziel aan de pijp; in dikke wolken hult hij zijn achtbaar hoofd. Een bijna ademlooze stilte heerscht in de tent, die bewierookt wordt door den geur der kostelijke Djebeli-tabak, terwijl een lichte, aangename rook de ruimte opvult; eindelijk, meenen wij, kunnen, zonder ons aan onhoffelijkheid schuldig te maken, de onderhandelingen, het doel van de komst des scheiks, een aanvang nemen.„Hoe is het met u, o Scheik?”„De Gever alles goeds zij geprezen!—zeer goed, om u te dienen. En hoe gaat het met u?”„Den Heer der wereld zij roem en eere; ik ben zeer wel. Groot was ons verlangen, u te zien, o Scheik!”„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen en u zegenen! Is uw gezondheid geruststellend?”„Allah en zijn profeet,—Gods genade over hem,—mogen geprezen zijn.”„Amen, het zij zoo, gelijk gij gezegd hebt.”Nieuwe pijpen verkwikken de onsterfelijke ziel; nieuwe, eindelooze beleefdheidsbetuigingen worden gewisseld; daarna eindelijk veroorlooft de étiquette, zaken te behandelen.„O Scheik, ik wil met de hulp des Albarmhartigen de woestijn doortrekken.”„Moge Allah u geleiden!”„Zijt gij in ’t bezit van rij- en lastkameelen?”„Ik ben het! Bevindt gij u wel, mijn broeders?”„De Verhevene zij geloofd; het is gelijk gij zegt. Hoeveel kameelen kunt gij mij verschaffen?”Inplaats van te antwoorden, blaast de Scheik dikke rookwolken uit en eerst nadat ik mijne vraag herhaald heb, legt de man voor een[259]paar oogenblikken de pijp uit den mond en zegt zoo plechtig mogelijk: „Heer, het aantal kameelen van Beni Said kent Allah alleen; een zoon Adams heeft ze nog nimmer geteld!”„Zeer goed, zend mij dan vijf en twintig dieren, waaronder zes rijkameelen. Verder heb ik nog tien groote zakken noodig.”De Scheik rookt op nieuw zonder te antwoorden.„Zult gij ze mij zenden, de verlangde dieren?” herhaalde ik dringender.„Ik zal het doen, om u te dienen; maar hun eigenaars vragen hooge prijzen.”„En welke?”„Ten minste het viervoudige van de gewone loonen en huren wordt gevraagd.”„Maar Scheik, Allah, de Verhevene moge u gunstiger stemmen; dat zijn eischen, die niemand zal inwilligen. Loof den profeet!”„God, de Behoeder van al wat leeft, zij geprezen en zijn gezant zij geprezen! Gij dwaalt, mijn vriend; de koopman, die ginds is gelegerd, heeft mij het dubbele geboden van wat ik vraag. Alleen mijne vriendschap voor u deed mij zulke geringe eischen stellen.”Te vergeefs blijkt alle loven en bieden, nutteloos blijken alle verdere onderhandelingen. Versche pijpen worden gebracht en gerookt, nieuwe hoffelijkheden gewisseld, de naam van Allah en diens profeet wordt vanweêrszijdenmisbruikt, de gezondheidstoestand wederkeerig op het nauwkeurigst vastgesteld, tot eindelijk de westerling het geduld verliest en de aangeleerde zeden wijken voor de aangeboren gewoonten.„Weet dan Scheik, dat ik in het bezit ben van een geleibrief van den Khedive alsmede van Scheik Soliman; hier zijn beide: wat eischt gij nog?”„Maar heer, wanneer gij een geleibrief hebt van Zijne Hoogheerlijkheid, waarom eischt gij niet het hoofd van uw slaaf? Dit is tot uwen dienst en evenzeer tot den Zijnen. Uwe wenschen draag ik op mijn oogen en op mijn hoofd. Gij beveelt—uw slaaf gehoorzaamt. De prijzen der regeering kent gij. Allahs zegen vergezelle u; morgen zend ik u mannen, dieren en zakken.”De vreemdeling, die in de meening verkeert dat hiermede alle toebereidselen tot de woestijnreis afgeloopen zijn, zou daarmede toonen, geen begrip te hebben van de zeden en gewoonten des volks. Niet den volgenden dag, gelijk beloofd werd, verschijnen de gehuurde drijvers en dieren, maar eerst in den namiddag komen deze van lieverlede[260]opdagen, en niet op den volgenden morgen kan aan het opbreken gedacht worden, maar ten hoogste eerst tegen den tijd van het namiddaggebed van den volgenden dag. „Bukra inschallah”—„morgen zoo God wil” is het wachtwoord en hiertegen valt niet te redeneeren. Inderdaad is er nog veel te doen, veel te regelen, veel in orde te brengen, alvorens de reis een aanvang kan nemen.Een bont en levendig tooneel ontvouwt zich in den omtrek der tent. Tusschen de bagage beweegt zich eene schare uitgedroogde zonen der woestijn. Zij schreeuwen ontzaggelijk veel—maar voeren ondertusschen bitter weinig uit. De op elkander gestapelde kisten en pakken worden uit elkander gehaald, opgebeurd, gewogen, nauwkeurig in omvang en gewicht onderzocht, onderling vergeleken, weder bijeengezet en nogmaals uit elkander gehaald. De eene kameeldrijver poogt den ander te bedotten, ten einde de lichtste waren voor zichzelf te behouden; het wordt een algemeen krakeel, een schreeuwen en schelden, een zweren en vloeken, een bidden en verwenschen. Ook de kameelen, denkende aan hetgeen hun beidt, doen vlijtig meê; en wanneer zij werkelijk, in plaats van te brullen, te steunen, te brommen en te klagen, een oogenblik het stilzwijgen bewaren, dan beteekent dit slechts: onze tijd is nog niet gekomen, maar zal toch eenmaal aanbreken! Maar de kameelen mogen meedoen of niet, dit is zeker: de ooren van den westerling worden gemarteld, ja verscheurd door de mengeling van stemmen en kreten, die alle tegelijk door de lucht weêrklinken. Uren lang duurt dat gewemel, dat geharrewar, dat geraas, en eerst wanneer men het eindelijk over de lading eens is geworden, of wellicht het getwist moe werd, is het voorspel ten eind.Na het sluiten van den vrede begint men demeêgebrachtevezels van den dadelpalm in een te draaien om er strikken en touwen van te maken; nu worden de kisten en balen op vernuftige wijze met deze koorden omwonden, en worden er lussen aan gemaakt, om twee pakstukken even snel aan het kameelzadel te kunnen vasthechten als er weder van los te maken, men herstelt nog ijlings de medegebrachte netten, wier bestemming is de kleinere pakjes in zich op te nemen, en wendt zich daarna tot de groote en kleinere lederen zakken om deze te onderzoeken, en zoo noodig, ook nog in de haast wat op te kalfateren en met eene stinkende, uit het zaad van kolokwinten bereide teer van buiten in te smeren. Het in de zon gedroogde vleesch wordt ook nog eens aan een zorgvuldig onderzoek onderworpen, men vult[261]eenige uit boombast vervaardigde zakken met kafferkoren of doerra, andere met houtskolen, nog andere met kameelenmest, spoelt de lederen zakken van buiten af, vult ze met frisch water en besluit den langdurigen arbeid met een algemeen, op lagen toon uitgestooten „El hamdu lillahi”—God zij dank!Al deze toebereidselen worden geleid door den Chabir of aanvoerder der karavane. Al naar de belangrijkheid van den tocht neemt deze eene lageren of hoogeren rang in, maar steeds moet hij zijn, wat zijn naam uitdrukt: een kundig man, iemand, met den weg en alle voorkomende omstandigheden vertrouwd. Van beproefde ervaring, rechtschapen, verstandig, moedig, dapper, deze eigenschappen zijn de noodzakelijke vereischten voor zijn moeilijk, soms gevaarlijk ambt. Hij kent de woestijn even als de schipper den Oceaan, is vertrouwd met de sterren, in elke oase, en aan elke bron tehuis, welkom in de tent van iederen Bedoeïnen- of trekherdershoofdman, onuitputtelijk in middelen om de gevaren en bezwaren van den tocht te boven te komen, weet slangenbeten en schorpioensteken onschadelijk te maken of althans de smarten der gewonden te verzachten, hanteert het oorlogswapen even vaardig als het jachtgeweer, heeft het woord van den profeet op de lippen en in het hart, spreekt de „Fatiha” telkenreize, als men weêr opbreekt, is Moeeddin en Imam op de voorschreven tijden,—met één woord, hij is het opperhoofd van het veelledig lichaam, dat de woestijn doortrekt. In die woeste gedeelten, waar niets den weg aanduidt, dien andere karavanen hebben gevolgd, waar achter de verzenen van den laatsten kameel de wind elk spoor uitwischt van al de vorigen, ontdekt hij teekens, die niemand anders ziet, en vindt hij den rechten weg. Wanneer de droge, onheilbrengende woestijndamp het licht der sterren verduistert, gaat voor hem eene geestelijke ster op; hij keurt het zand, meet deszelfs golven, merkt de richting en ondervraagt den grashalm naar de hemelstreek. Blindelings volgt hem de geheele karavaan, en vol vertrouwen stelt de reiziger zijn lot in diens handen. Overoude, gedeeltelijk zeer eigenaardige, nimmer beschreven en toch een ieder bekende wetten stellen hem verantwoordelijk voor het welgelukken der reis, voor het leven der afzonderlijke personen, wanneer althans geen beschikkingen van het noodlot, waartegen niemand iets vermag, hier hinderend in den weg treden.In het heilig uur, omstreeks het namiddaggebed, stelt zich de aanvoerder voor het aangezicht der reizigers en drijvers, om hen aan te[262]kondigen, dat alles gereed is, zoodat men op kan breken. De bruine mannen verspreiden zich ijlings in alle richtingen om de kameelen op te vangen, deze te zadelen en te beladen. Vol tegenzin gehoorzamen deze dieren, die er een voorgevoel van schijnen te hebben wat hun wacht. Een aantal moeilijke dagen teekenen zich met schrille kleuren voor hun geest af. Thans ishuntijd gekomen. Brullend, schreeuwend,knorrend, laten zij zich op de saamgebogen voorste ledematen neder, hiertoe door hun gebieders aangemaand met ettelijke onverstaanbare keelgeluiden en zachte zweepslagen; brullend onderwerpen zij zich, wanneer de last op den bultigen rug wordt gelegd; brullend staan zij op, wanneer de hun toegedachte last is ontvangen. Velen verzetten zich door te slaan en te bijten tegen het beladen, en er behoort inderdaad een onuitputtelijk geduld toe, zulke weêrbarstige schepsels tot rede en plicht te brengen. Maar geduld en takt behalen zelfs de overwinning op kameelen. Op hetzelfde oogenblik dat het dier zal gaan knielen, treedt een der drijvers op de saamgebogen voorpooten en grijpt snel het bovendeel van den getanden bek om door een druk op den neus elk oogenblik de ademhaling te kunnen beletten; twee anderen beuren den aan beide kanten gelijk verdeelden last op het draagzadel, terwijl een vierde de hechtpennen door de lissen schuift. Het dier is bevracht nog voor het recht tot bezinning is gekomen. Zijn alle kameelen beladen, dan vangt de reis aan.Maar nu worden ook de uitstekend gezadelde rijdieren voorgebracht. Iedere reiziger bevestigt de voor hem onontbeerlijkste reisbenoodigdheden en wapenen op en aan het hooge, komvormige, voor den bult aangebrachte zadel, en maakt zich gereed zijn rijdier te beklimmen. Voor den nieuweling is zulks gewoonlijk noodlottig. Men moet met een forschen sprong in het zadel springen en de kameel staat op zoodra de ruiter het zadel aanraakt. Ruksgewijze staat het dier op, eerst steunende op het handgewricht, dan op de lange achterpooten en daarna op de voorpooten. Bij den tweeden ruk wordt de leerlingkameelrijder gewoonlijk uit het zadel geworpen, om zijne moeder, de aarde te kussen, of hij valt op den hals des diers, waaraan hij zich nu tracht vast te klemmen. Maar de kameel is veel te slecht van humeur dan dat hij zoo iets als eene grap of een ongeluk zou opvatten. Een boosaardige kreet ontsnapt aan zijne leelijke lippen; hij loopt met het aan zijn hals hangend, niet zeer benijdenswaard menschenkind snel weg, en schudt dien zoolang en zoo hevig, totdat ruiter en last beide zijn[263]afgeworpen. Het duurt geruimen tijd voor de westerling heeft geleerd hoe het aan te leggen om vast in het zadel te blijven zitten terwijl het dier opspringt. Het middel evenwel is eenvoudig; men moet op het juiste oogenblik het bovenlichaam naar voren en naar achteren buigen.Wat ons betreft, wij werpen ons met de behendigheid van inboorlingen in het zadel, klappen met de zweep om het dier tot loopen aan te zetten, houden het door middel van een dunnen neustoom in bedwang, en snellen, den aanvoerder volgende, vooruit. Onze rijkameel, een slank, licht gebouwd, hoogbeenig dier, vervalt oogenblikkelijk in dien gelijkmatigen, aanhoudenden, wijdgestrekten en daardoor ongemeen vorderenden draf, waaraan men het van zijn jeugd af aan gewend heeft—waardoor het dan ook zich gunstig onderscheidt van alle andere lastdieren—en kleeft als het ware aan de voetzolen van zijn voorganger.De dieren strekken allen hun kleine koppen recht vooruit; vaardig en licht bewegen zich de pooten onder het lijf; een wolk van stof en steentjes wordt in de lucht geworpen. De boernoe’s fladderen in den wind; wapens en gereedschappen kletteren tegen elkander; een aansporend geroep weêrklinkt door de lucht—de reislust ontplooit de vleugels der ziel. Weldra is de vooruitgegane goederenkaravane ingehaald, weldra zijn de laatste sporen van menschelijke woonplaatsen uit het gezicht verdwenen, en naar alle zijden strekt zich de eindeloos schijnende woestijn uit.Van alle zijden scherp begrensd, bedekt dit uitgestrekte, eigenaardige rijk het grootste deel van Noord-Afrika, van de Roode zee tot den Atlantischen oceaan, van de Middellandsche zee tot de steppe, geheele landen in zich sluitende, vruchtbare landstreken omgevende, duizendvoudig afwisselende en in hoofdtrekken toch zichzelf gelijk blijvende. Dit wonderrijk gaat in vlakte-inhoud Duitschland negen- à tienmaal, de Middellandsche zee drie- à viermalen te boven. Geen sterveling heeft het voor goed doorvorscht, niemand heeft het nog in zijn geheel doorreisd; maar ieder inboorling, die het betrad en er een gedeelte van doortrok, werd tot het binnenste van zijn gemoed getroffen door deszelfs grootte en majesteit, door de bekoring en den schrik, die er van uitgaan; een ieder, tot den meest prozaïschen westerling, die er vertoefde, heeft zich den zengenden zonnegloed zijner dagen, den hemelschen vrede en de fantastische droombeelden zijner nachten, de[264]tooverijen zijner verhitte, sidderende lucht, de vreeselijkheid zijner bergenbewegende stormen, onuitwischbaar, onuitdelgbaar in de ziel geprent, en velen verging het wellicht als de geboren zoon der woestijn—hij verlangde met smart naar haar terug te keeren; hij wenschte nog slechts eenmaal een enkelen dag, een enkel uur in haar te ademen, nog eenmaal in werkelijkheid de beelden te aanschouwen, de „onuitgesproken akkoorden” in de ziel doen sidderen, die de woestijn in de harten van dichterlijk gestemde menschen opwekt en te voorschijn roept; een innig heimwee beving zijn ziel.Werkelijk en waarachtig, zij is „El Bahhr bela maa”—de zee zonder water, een pendant van den Oceaan. Geenszins afhankelijk van dezen, gelijk de andere deelen der aardoppervlakte, want in haar gaat de macht van het levenwekkend en onderhoudend element te niet. „Het water omsluit rustig het al”—de woestijn alleen omsluit het niet. Over de geheele wereld dragen de winden de boden der zee, de wolken—maar deze verdwijnen voor de gloeihitte der woestijn. Zelden ziet men in haar een lichten, nauw waarneembaren nevel, zelden aanschouwt men er in den vroegen morgen op de bladeren den vochtigen adem van den nacht. Morgen- en avondrood zelfs zijn hier slechts een waas, dat terstond na zijn geboorte weder wordt opgelost. Overal, waar het water de heerschappij erlangt, herschept het de woestenij in een vruchtbaar landschap, al zij het nog zoo gering, maar op dezelfde plaats, waar dit eindigt, treedt wederom de andere scherp begrensd in ’t leven. Waar de laatste, door het menschelijk vernuft boven den stroomspiegel omhoog geheven golf van den goddelijken Nijl in het zand verdwijnt, verschijnt de woestijn; de eene voet des reizigers, die de richting naar de Nijlbergen inslaat, staat in het groene korenveld, de andere in de woestijn. Want het is niet zoo zeer het zand, dat den plantengroei belemmert, maar veeleer de verzengende, schroeiende hitte, die in dat zand heerscht. Op plaatsen, waar het vochtig wordt gehouden, waar nu en dan het water er overheen vloeit, vlijt zich zelfs midden in de woestijn een vriendelijk, groen tapijt over de anders dorre aarde, en ontspruiten ook daar struiken en boomen.Arm, onbegrijpelijk arm is de woestijn, maar dood daarom niet, allerminst voor hen, die er leven zoeken en dit weten op te sporen. Hij, die met een stompzinnig oog door de woestijn trekt, ziet voorzeker niets dan zandige vlakten en rotskegels, kale laagten en naakte gebergten, ziet wellicht zelfs de spaarzaam verspreide rietachtige grassen en[265]struikachtige boomen der diepere kommen over ’t hoofd, en eveneens de weinige levende wezens, die ook hier nog verblijf houden; maar hij, die de kunst van zien verstaat, ziet oneindig meer. Voor stompzinnige menschen is de woestijn niets anders dan een gebied van verschrikking; zij laten zich door de hitte, die hier des daags heerscht, zoo zeer ter neêr drukken, dat zelfs de heerlijke nacht hun geen troost, geen vernieuwde kracht meer schenken kan; zij rijden moedeloos de woestijn in en verlaten haar huiverend; zij hebben enkel gevoel voor het ontzettende, enkel gevoel voor de bezwaren der woestijnreis—voor het oneindig verhevene der woestijn is hun hart te klein. Wie haar werkelijk leerde kennen zooals zij is, oordeelt anders.Arm is de woestijn, maar dood is zij niet. Reeds de gesteldheid des bodems, al moge deze ook in ’t algemeen zijn karakter getrouw blijven, is aan velerlei afwisseling onderhevig. Ver in het rond is hier de woestijn eene rotszee met kegels van uiteenloopenden vorm, steil afdalende wanden, diep ingesneden ravijnen, scherp gekante graten en vreemdsoortig op elkander gestapelde toppen, die nu eens door den voortdurend waaienden wind met zand worden bedekt, dan hiermede worden opgevuld, straks daarvan bevrijd. Maar onophoudelijk worden zij bewerkt, gepolijst, uitgehold, gescherpt en toegespitst. Zwarte, in de zon gloeiende zandsteen-, graniet- en syenietmassa’s, zeldzamer kalk- en leigesteenten, hier en daar ook nog vulkanische vormingen, bouwen zich op tot ketens van sterk sprekenden vorm; de wind, die altijd uit denzelfden hoek waait, berooft ze van elke bedekking, drijft het fijne zand zonder verpoozing over de kruinen, om deze wanneer de wind tot een storm is aangegroeid, als in een dichten sluier te hullen, die dan eerst verdwijnt wanneer het zand over de hoogste toppen is heengestoven, om aan de luwzijde van het gebergte goudgele uit het fijnste rolzand bestaande lagen te vormen, die ettelijke meters hoog boven elkander gelegerd, eeuwig in beweging zijn, voortdurend naar beneden schuiven, bestendig weêr van de andere zijde aangevuld worden en uit de verte er uitzien als breede, scherp tegen de donkere hellingen afstekende, bij gunstige verlichting zelfs schitterende linten. Zulke gebergten kan men gerust de kleinoodiën der woestijn noemen. Hij, die het gloeiende zuiden niet kent, is niet bij machte, zich den ongemeenen kleurenrijkdom, den glans, de oneindige bekoorlijkheid voor te stellen, die het weelderige zonnelicht op de eenzaamste, wildste en dorste gebergten in ’t leven roept. Het gebergte[266]der woestijn draagt nimmer een vriendelijk, groen woud; ten hoogste veroorloven de hoogste toppen een kwijnend bestaan aan eenig laag struikgewas, dat in het daarneêrgeslagenvocht in staat wordt gesteld een schraal voedsel te vinden; deze bergen derven het gelispel der beuken, het ruischen der dennen en pijnboomen, het zoet gemurmel, of lustig geklater en luid gebruisch van stroomende wateren, die zilveren linten slingeren om onze hooggebergten, deze omlijsten met groene planten, en elders de kleuren van den regenboog tooveren in het schuim van watervallen en stortbeken; de bergen der woestijn derven het sneeuw- en ijskleed, waarover het avond- en morgenrood een purperenweêrschijnspreidt, en dat de middagszon omkleedt met een schitterend gewaad; zij derven het sappige, frissche groen der weiden, in ’t kort alle bekoorlijkheid en liefelijkheid van de hooggebergten der noordelijke streken des aardbols, en toch zijn zij schier even rijk als deze in kleurenpracht, ja winnen het misschien in verhevenheid en grootschheid van gene. Elke afzonderlijke gordel, elke kleur komt tot gelding. En toch zijn het minder deze, dikwijls zoo levendig gekleurde, soms schril van elkander afstekende lagen, maar nog in veel hoogere mate de spitsen, tanden, rillen, reten en ravijnen der woestijnbergen, die door het voortdurend schuren van het zand de sierlijkste en wonderlijkste vormen erlangden, en waarop het hemelsche licht een heerlijk kleurenspel te voorschijn toovert. Onafgebroken wisselen licht en schaduw met elkander af; voortdurend ontstaan en verdwijnen de kleuren en tinten, en dit schouwspel is zoo aangrijpend, dat wij schier onze bezinning er bij verliezen. Ook de bergen der woestijn bedekken zich met purper in de omarming der eerste en laatste zonnestralen; ook over hen trekt de verte een blauw, aetherisch waas; ook zij leven, want zij erlangen leven door het licht.Op andere plaatsen is de woestijn mijlen in ’t rond zoo effen als een spiegel of ten hoogste eenigszins golvend van oppervlak. Een fijn, goudgeel zand ligt er over uitgestrooid, waarin menschen en dieren eenige centimeters diep inzakken. Hier ziet men dikwijls geen enkelen grashalm, geen eenig levend wezen. De blauwe, meestal effen hemel rust als een koepeldak op deze goudgele vlakte en brengt er het zijne toe bij om zulke plaatsen op eene zee te doen gelijken. De voetsporen van het schip der woestijn worden even schielijk uitgewischt als zij er in afgedrukt werden, geen pad is zichtbaar, zelfs niet de geringste aanduiding van een pad; het kompas werd ook voor zulke plaatsen uitgevonden.[267]Afwisselender, ofschoon niet aangenamer zijn andere gedeelten, welker bodem gevormd wordt door een los, aardachtig, of stoffig zand, en waarin vergiftige kolokwinten of geneeskrachtige sennah ontspruiten. Hier wisselen langgestrekte, lage heuvelrijen af met vlak-komvormige, smalle dalen, waarover een uit de verte beschouwd er frisch uitziend tapijt van de zoo even genoemde planten ligt uitgestrekt. Menschen en dieren mijden zulke streken, omdat zoowel de te voet gaande kameeldrijvers als de kameelen zelf dikwijls een voet diep in den lossen grond zinken. Weer andere gedeelten zijn met grof grint en vuursteenen, hier en daar ook wel eens met sterk ijzerhoudende en met zand gevulde holle kogels bedekt, welke laatste er uitzien, alsof zij door ’s menschen hand waren gevormd, ofschoon men hunne ontstaanswijze nog niet met juistheid heeft kunnen verklaren. Eene enkele maal vindt men op deze plaatsen, alwaar de voetstappen der kameelen blijvende sporen achterlaten, zoodat men hier van woestijnwegen kan spreken, duizenden van kwartskristallen, of afzonderlijk, of groepsgewijs,—inz.g.kristalklieren,—die doen denken aan door eene kunstenaarshand geslepen brillanten. De zon toovert met deze kristallen; die plaatsen schitteren, fonkelen en tintelen op eene wijze, dat het oog zich verblind af moet wenden. In de diepste laagten vormt een stoffige aarde den bodem en hier vindt men onfeilbaar de carexachtige, maar zeer harde, droge, scherpkantige, zwartgroenehalfa, schermvormige mimosa’s, misschien zelfs tompalmen, die getuigen van meer vriendelijk leven.Maar ook de dierenwereld heeft zijn aandeel in het overal optredende leven. Wie de woestijn een doode wildernis noemt, dwaalt evenzeer als hij, die meent, dat zij de woonplaats is van den leeuw. De woestijn is te arm om leeuwen te voeden, maar rijk genoeg om duizenden andere wezens te onderhouden. En alle in haar levende dieren zijn te merkwaardiger, omdat zij zich in alle opzichten zoo zeer kenmerken als echte kinderen der woestijn.Deze woestijnkinderen hebben een kleed, dat zich steeds op het innigste aanpast aan de kleur van den grond, zoodat het veelal zandkleurig is. Maar meer nog dan door dit kleed onderscheiden zij zich door een lichten en sierlijken lichaamsbouw, door opmerkelijk groote, ongemeen scherpziende oogen en fijnhoorende ooren, terwijl hun geheele voorkomen zelfbewustzijn en bescheidenheid uitdrukt. Alle in de woestijn geboren schepselen zijn veroordeeld tot een zwervend leven,[268]want nergens levert een enkele plek genoeg voedsel te alle tijde op om hen te voeden; maar de woestijn schonk aan haar kinderen eene door niets geëvenaarde vlugheid, grenzenlooze onvermoeidheid en eene zich nimmer verloochenende volharding; zij scherpte de zintuigen, zoodat zelfs het weinige, dat zij aanbiedt, kan opgespeurd worden, en verleende eindelijk een kleed, dat zoowel beschermt als verbergt, dat voor den aanval en bij de vlucht meer dan doeltreffend moet genoemd worden; zij maakte alzoo haar kinderen geschikt om een, weliswaar sober, maar daarom geenszins vreugdeloos bestaan te voeren.GAZELLEN IN DE SCHADUW EENER MIMOSA.GAZELLEN IN DE SCHADUW EENER MIMOSA.[269]Tengevolge van het allen woestijndieren eigen, met de omgeving ineensmeltend kleed, ontwaart de reiziger, zoo hij niet een geoefend waarnemer is, althans aanvankelijk weinig van de hem omringende dierenwereld. Dientengevolge schijnt de woestijn veel armer dan zij werkelijk is, en zulks nog te meer, dewijl de meeste harer bewoners eerst tegen de schemering of nog later hun rust- en schuilplaatsen verlaten om het leven aan te vangen; enkele woestijndieren vallen evenwel gemakkelijk ook minder geoefende oogen in ’t gezicht. Men moge dewoestijnleeuwerikenvoorbijzien, alhoewel juist deze vogels op zeer merkwaardige wijze de overeenstemming tusschen gevederte en grond, alsmede hunne onevenredig ontwikkelde bewegingswerktuigen in ’t oog doen vallen, onmogelijk kan men de woestijnhoenders niet opmerken, en wie achteloos de onderaardsche woningen der springmuizen voorbijrijdt, diens aandacht zal toch door eene in de nabijheid grazende gazelle moeten getrokken worden.Ook deze mag men een typisch gevormd woestijndier noemen. Ofschoon over ’t algemeen evenredig gebouwd, schijnen kop en zinsorganen bijna te groot en de ledematen al te dun, schier ongelukkig. Maar die kop omsluit in zijn schedelholte hersenen, die eene bij herkauwers zeer ongewone schranderheid en geestelijke werkzaamheid in ’t leven roepen; daarenboven zijn deze ledematen als uit staal geformeerd, ongemeen krachtig en elastisch, zoodat zij eene groote bewegelijkheid en onvermoeide volharding mogelijk maken. Wie de gazelle niet anders dan in den gevangen staat, in eene enge ruimte zag, kan zich niet voorstellen hoe dit dier in de woestijn optreedt. Welk eene bewegelijkheid, vlugheid en taaiheid, sierlijkheid en lieftalligheid ontplooit het daar! Hoe passend werd juist de gazelle door den oosterling en vooral door den woestijnbewoner gekozen tot zinnebeeld van vrouwelijke schoonheid! Zich verlatende op haar zandkleurig gewaad, alsmede op hare ongemeene bewegelijkheid en snelheid, staart zij schijnbaar onbezorgd met hare heldere oogen kameel en ruiter in ’t gelaat.Zonder van vrees te laten blijken graast zij voort, niettegenstaande de karavane nadert. Van de bloeiende mimosa’s neemt zij een knop of een sappig twijgje, tusschen het scherpe halfa vindt zij een malsch halmpje. Steeds nader rukken de ruiters. De gazelle heft den kop op, luistert, ruikt, kijkt weder, springt eenige schreden vooruit en doet als vroeger. Bliksemsnel drukken de elastische pooten tegen den grond, en voort snelt zij, zoo schielijk, zoo licht, zoo bevallig, zoo sierlijk, als ware haar die[270]snelle beweging slechts spel en scherts. Met de snelheid der gedachte rent zij over de zandige vlakte, groote steenen en tamarindenboschjes in vliegende vaart overspringende. Zij schijnt de aarde niet meer aan te raken; het lied der woestijn is in haar belichaamd, zoo bekorend werkt zij door haar onvergelijkelijke bevalligheid en vlugheid. Slechts enkele minuten zijn voldoende om haar aan alle gevaar te onttrekken, want tevergeefs spant zich de beste draver in om haar na te rennen; geen windhond zelfs vermag haar in te halen. Weldra matigt zij haar loop; nog enkele oogenblikken en zij staat stil om weder te oogen en te kijken als straks. Plaagziek als zij is, laat zij den moordlustigen ruiter, die aanvangt haar in vollen ernst te vervolgen, naderbij komen, en voorzichtig onttrekt zij zich herhaalde malen aan zijn doodelijk wapen, totdat zij eindelijk verschrikt, onverwijld elk verder gevaar ontloopt. Langer vlucht zij, en steeds ranker worden lijf en leden, steeds flauwer de omtrekken, meer en meer verdwijnt zij op de zandige vlakte en eindelijk is zij in deze geheel opgenomen; het is alsof zij in een nevel werd opgelost. Het geboorteland heeft haar gedekt en geborgen, op tooverachtige wijze aan het oog ontrukt, aan elke waarneming onttrokken. Maar naarmate het oog haar verloor, herleeft zij in het hart. Want ook de westerling moet nu begrijpen, waarom de gazelle in het dichterlijk gemoed van den oosterling zulke heerlijke bloesems deed ontluiken, waarom de laatste dit dierlijk wezen zoo oneindig hoog stelt, waarom hij het oog, dat zijn hart deed ontvonken, bij dat der gazelle vergelijkt, en den hals, om welken hij in het vuur der liefde zijn armen houdt geslagen, den hals eener gazelle noemt; waarom de woestijnbewoner in de tent zijner gade, die vol zoete verwachting is, eene tamme gazelle brengt, opdat zij zich moge verkwikken aan het schoone oog en dit als eene erfenis schenken aan het verwachte pand der liefde, en waarom de vrome zanger in de sierlijke antilope het zinnebeeld aanschouwt van zijn verlangen naar het verhevene. Want ook op hem, den wereldmoede, daalde het vuur, dat ontvonken deed voor de lofliederen op dit dier, en de aderen der poëzie deed openen.Minder liefelijk, maar toch niet minder in ’t oog vallend, treden andere woestijndieren op. Tusschen spaarzaam verspreide halfastengels loopt een talrijk heer van vogelen, zoo groot als duiven, trippelend heen en weder. Scharrelend en met den snavel arbeidende, pikken zij naar voedsel. Onbevreesd laten zij de ruiters tot op minder dan honderd schreden naderen. Met behulp van een goeden kijker is men in staat[271]iedere beweging en zelfs de meest in ’t oog vallende kleuren van ’t gevederte waar te nemen. Met gedoken kop, ingetrokken hals en horizontaal uitgestrekt lichaam loopen zij heen en weêr, om allerlei zaden, de weinige korrels, die de woestijngrassen opleveren, jonge uitspruitsels en insekten op te zoeken. Enkelen speuren nu en dan met uitgestrekten hals in ’t rond, anderen daarentegen woelen argeloos in het zand, poetsen hun gevederte en strijken dit glad, of leggen zich half op den buik, half op de zijde om zich in het zonnetje te koesteren. Men kan dit alles duidelijk zien, het aantal vogels tellen en zich vergewissen dat er meer dan vijftig, ja bijna honderd zijn. Zou er een woestijnjager bestaan, die aan deze verleiding weêrstand kan bieden? Zeker van den buit, schuift de nog onervaren jager zijn kijker in, neemt het geweer ter hand en rijdt langzaam op de bonte schaar af. Maar daar verdwijnen de vogels voor zijn oog. Geen enkele liep weg of vloog heen, en toch zijn zij verdwenen. Het is alsof zij door de aarde zijn verzwolgen. In werkelijkheid hebben zij, zich verlatende op de overeenstemming van de kleur van hun gevederte met die van den grond, zich aan de aarde aanvertrouwd, d.w.z. zich plat op den grond uitgestrekt. Op hetzelfde oogenblik zijn zij tot steenen en zandhoopjes geworden. De nog ongeoefende jager rijdt op hen af zonder ze te zien, en schrikt op, wanneer zij zich bliksemsnel verheffen, onder luid geschreeuw en getier opvliegen, en suizend wegstormen. Gelukt het hem evenwel een vogel te schieten, dan staat hij niet minder verbaasd over de ongewone kleur en de zeldzame teekening der veêren dan over hun vreemd gedrag. De zandkleurige, nu eens meer in ’t grijze, dan meer in ’t helder geel spelende kleur der bovenzijde is afgezet door en sierlijk getooid met breede banden, smalle strepen, prachtige randen, moesjes, punten, vlekken, streepjes en striemen, zoodat men zou meenen, dat zulk een hoen reeds van verre zichtbaar moest zijn; maar die mengeling van kleur is slechts eene trouwe kopie van de kleur van het zand zelf, en elke donkere, elke lichtere plek, elk steentje, iedere zandkorrel wordt op dat gevederte teruggevonden. Geen wonder dus, dat de grond den vogel als het ware in zich opneemt, zelfs diens vorm uitwischt, en het dier niet minder bescherming verleent als hij die vindt in zijn krachtige, met ongemeene snelheid bedeelde vleugels.En daarom vlecht de Arabische poëzie ook om deze hoenders de bloemrijkste beelden en gedachten; hun schoonheid toch boeit het oog[272]en hunne meer dan gewone vlugheid wekt een smartelijk verlangen in het hart van den aan den grond geketenden mensch.Alle overige woestijndieren dragen hetzelfde karakter als de beide voorgaande.Er leeft in de woestijn een soort van losch,karakalgeheeten; deze is veel slanker, hooger op de pooten, langooriger en grooter van oogen dan alle andere losschen, ook niet gestreept of gevlekt, maar tot op de zwarte oorspitsen, oogstrepen en lipvlekken na zandkleurig, en naar gelang der streek, die hij bewoont, lichter of donkerder, rooder en minder rood van tint; er leeft een vossensoort, defennek, de dwerg der geheele hondenfamilie, met een isabelkleurig kleed en reusachtig groote ooren.De woestijn brengt een knaagdier voort, de z.g. springmuis, een haasje van dwergachtige, kengeroe-gedaante, met verbazend hooge achterpooten, zeer onontwikkelde voorpootjes en een aan twee zijden behaarden staart, die de lengte bezit van ’t geheele lichaam; het overtreft alle andere knaagdieren wat onschuld en goedaardigheid aangaat, maar ook in snelheid en vaardigheid. Denzelfden stempel dragen de vogels, reptielen en zelfs de insekten, en dit karakter verloochent zich nooit, hoe veel afwisseling vorm en kleur ook mogen aanbieden. Komt naast het zandgeel ook nog eene andere kleur tot uitdrukking, ziet men in het haar, vederkleed of in de schubben ook nog zwart of wit, aschgrijs of bruin, rood, blauw enz. dan komen zulke, het dier meestal enkel tot sieraad dienende kleuren toch altijd slechts op zulke plaatsen te voorschijn, die men niet kan bespeuren, wanneer men het oog van boven of van terzijde op het dier richt. Verheft zich evenwel te midden der woestijn een hoog gebergte, dan weêrkaatst zich dat uiterlijk ook terstond weder in de daar levende dierenwereld; op de grauwe rotsen van Arabiës hooggebergte klautert de woestijn-steenbok en woont de klipdas, nestelt de gierarend, bevolkt een niet onaanzienlijk soortental van andere vogels de kammen en kloven, de hellingen en de dalen, terwijl van de zwarte rotsen der lagere woestijngedeelten alleen de inktzwarte rouwtapuit zijn helder, klankrijk lied laat hooren. Zoo openbaart zich de harmonie der woestijn in al hare afzonderlijke partijen, in ieder harer schepselen, en zoo verhoogt zij juist hierdoor den indruk, dien zij op elken nadenkenden, gevoelvollen en naar lichaam en ziel krachtigen mensch, reeds op den eersten dag, dat hij de woestijn betreedt, uitoefent, en welke invloed met iederen volgenden dag slechts grooter wordt.[273]Volle kracht, ontvankelijkheid en gevoel vraagt de woestijn ongetwijfeld van iederen mensch, die haar wil leeren kennen, en die zich in zekere mate in haar wenscht thuis te gevoelen. Wie de moeilijkheden der reis, gelijk zij oplevert, niet kan verdragen, wie hare zon vreest, wie door haar zand wordt afgeschrikt, blijve ver van haar. Zelfs bij een helderen hemel, bij een rustige lucht, ja bij een koel windje uit het noorden is en blijft een dag in de woestijn een moeilijke dag. Bijna plotseling, haast zonder schemering vangt hij zijn heerschappij aan. Slechts in de nabijheid der zee of in die van groote, de woestijn doorstroomende rivieren omzoomt Aurora den oostelijken horizon met een purperen rand; te midden der uitgestrekte zandvlakten verschijnt met het eerste morgenrood ook onmiddellijk de zon. Zij verheft zich boven de zandzee als een vuurbol, die elk oogenblik dreigt te barsten, om zijn stukken in alle richtingen weg te slingeren. Zoodra is niet de zon verrezen, of ook de morgenkoelte is voorbij, en schiet zij gloeiende stralen op het aardrijk als ware reeds de middag gekomen. De uit het noorden waaiende, dikwijls werkelijk verkwikkende, frissche, maanden lang aanhoudende wind, verhindert wel is waar soms, dat de ongelijk door de warmte uitgezette luchtlagen het voorkomen aannemen van eene zee, maar zooveel afkoeling brengt deze wind toch niet te weeg, dat het eigenaardig sidderen der onderste lagen wordt weggenomen. Hemel en aarde stralen in een overvloedig licht; een onbeschrijfelijke hitte stroomt van de zon uit en kaatst van het zand naar boven terug. Licht en hitte nemen met ieder uur toe, en machteloos staan mensch en dier daar tegenover.De karavane is met den eersten zonnestraal opgebroken en trekt stilzwijgend voort. In de verte draven de lastkameelen, met elastischen tred loopen de drijvers er naast of er achter, in vollen draf rennen de rijkameelen, matig aangezet, deze voorbij en het andere gezelschap vooruit; weldra hebben de ruiters het lastdragend gedeelte uit het gezicht verloren. Voorwaarts gaat het zoo schielijk mogelijk. Al onze beenderen dreigen onder het stooten der zich haastende rijdieren te breken; zengend brandt de zon op ons, haar steken dringen door de kleederen, al verdubbelt men ook derzelver aantal. Onder die dichte bedekking dringt het zweet van het voorhoofd, van het geheele gelaat, van het geheele lichaam, en daar waar men losser gekleed is, op de armen en beenen, verdampt het vocht zoodra het ontstaat. De tong kleeft aan het gehemelte. Water, water, water! is het eenig denkbeeld, dat oprijst[274]bij hem, die nog niet heeft geleerd zulke bezwaren te verdragen. Maar het water is, naar lands gebruik, niet in ijzeren kisten en flesschen, maar in lederen zakken geborgen; dagen achtereen heeft het in den vollen zonnegloed op den rug der kameelen gelegen en is alzoo meer dan lauw, kwalijk riekend, dik, bruin van kleur, daarenboven doortrokken van den smaak van leer en kolokwintenteer en dientengevolge walgelijk van smaak, ja zelfs braakverwekkend. Zulk water laaft niet, integendeel het veroorzaakt nieuwe bezwaren, zelfs smartelijke buikpijnen, zoodat de begeerte naar een anderen drank nog sterker wordt. Er bestaat echter geen middel om het te verbeteren, evenmin als om het te vervangen. De doordringende reuk en smaak spotten met alle pogingen om het in den vorm van koffie of thee, of vermengd met wijn of brandewijn te genieten; enkel wijn en brandewijn verhoogen wederom den brandenden dorst en de drukkende hitte. De toestand der reizigers wordt onuitstaanbaar nog vóór de zon hare middaghoogte heeft bereikt, en de ellende neemt in gelijke mate toe als het water slechter wordt. Maar het leed moet verdragen worden en het wordt verdragen. Kan de westerling zich nimmer gewennen aan het water, aan de in den beginne ondragelijk schijnende hitte gewent hij zich spoedig, aan de bezwaren van het rijden te eerder, hoe meer hij met zijn rijkameel één wordt. In het vervolg zal hij voor goed, zuiver water zorgen en dan zal hij weinig meer over de hitte, in ’t geheel niet meer over de moeilijkheden, die het rijden veroorzaakt, klagen.Behagelijk rustend, alhoewel onzacht gewekt door de brullende klaagliederen der opbrekende lastkameelen, laat de bewoner des lands de goederenkaravanen vooruittrekken, laaft lijf en ziel aan koffie en tabak, beklimt dan zijndromedarisen jaagt met zijn kameraads zoo schielijk voort als de rijdieren maar loopen willen. Geen woord wordt er gewisseld, alleen het knarsen van het zand onder de elastische voetzolen, het luide ademhalen en doffe, kolderende knorren der kameelen wordt gehoord. In weinige oogenblikken is de goederenkaravane ingehaald en heeft men zelfs aanmerkelijk op deze gewonnen. Een gazelle graast niet ver van den weg en geeft hoop op een buit, die hier hoogst welkom is. Met bekoorlijke sprongen huppelt de belichaamde woestijngedachte des dichters voor de vervolgende ruiters uit, met wijdgestrekte schreden draven de sterk aangezette kuchende kameelen het dier achterna. Het wild schijnt zorgeloos en laat ons naderbij komen; de ruiters nemen den schijn aan als wilden zij het[275]voorbijrijden, houden de kameelen in en vorderen langzamer; een hunner laat zich uit het zadel glijden, doet zijn dier een oogenblik stil staan en schiet onder diens lijf de nimmer missende buks af. In een oogwenk is de aanvoerder uit het zadel gesprongen om zich van het gevelde wild meester te maken; juichend sleept hij het mede, hecht het aan zijn zadel, en verder trekt de schare.Tegen den middag wordt er rust gehouden. Bevindt zich een laagte in de nabijheid, dan staat daar allicht eene mimosa, wier ijle bladerenkroon een weinig schaduw biedt; strekt zich eeneonafzienbarezandvlakte rondom de ruiters uit, dan vormen vier in den grond gestoken lansen en het daartusschen gehangen wollen tapijt een armoedig schaduwdak. Maar gloeiend is het zand, dat tot rustplaats zal dienen, heet en drukkend is de lucht, die men inademt; matheid en slapheid overvallen zelfs den inboorling,—hoeveel te meer dus den westerling. Men snakt naar rust, maar kan ze niet vinden; naar verkwikking, en deze blijft uit. Verblind door het schitterend licht en de flikkerende lucht, sluit men de oogen; gekweld door de zengende hitte, gepijnigd door den brandenden dorst, wentelt men zich slapeloos op zijn leger om en om. Loodzwaar kruipen de uren voort.De goederen-karavane trekt langzaam voorbij en verdwijnt in een nevelige luchtzee, op welker golvende lagen de kameelen schijnen te zweven. Nog altijd verwijlt men in denzelfden toestand en lijdt men onder dezelfde bezwaren. De zon is reeds lang op het hoogst geweest, maar nog altijd schieten haar gloeiende stralen met onverminderde kracht naar beneden. Eindelijk, het is reeds laat in den namiddag geworden, breekt men opnieuw op. Wederom volgt een rit zoo snel, dat de schielijke beweging ons bijna een verkoelenden luchtstroom tegenzendt; wij moeten de lastkaravane weder inhalen. Zij is ingehaald; zingend loopen de kameeldrijvers achter de dieren. Een hunner is voorzanger, de anderen vallen bij den laatsten regel van elk vers en steeds met hetzelfde slotrijm in.Wanneer men bedenkt hoe moeilijk eene woestijnreis voor een kameeldrijver is, dan verwondert men er zich over, dat men hem hoort zingen. Voor het aanbreken van den dag belastte hij zijn dier, na alvorens eenige handvollen doerrahkorrels, beider eenig voedsel, met zijn kameel gedeeld te hebben; zoo lang de dag duurt drentelt hij achter zijn dier, zonder eene enkele bete meer te nuttigen, ten hoogste zich nu en dan lavende aan het stinkende water der lederen[276]zakken; de zon brandt op zijn schedel, het gloeiend zand zengt zijn voetzolen, de heete lucht droogt zijn van zweet druipend lichaam; voor hem was er geen tijd om te rusten, ja wellicht moest hij enkele zijner dieren nog omladen of sommige opvangen, die weggeloopen zijn—en toch zingt hij thans zijn lied. Het is de tooverkracht van de woestijnlucht, die deze stemming uitlokt.Wanneer de zon ter ruste gaat, schijnen de lichamen dezer uitgedroogde kinderen der woestijn opnieuw op te leven; want ook zij gelijken in alles op hun verhevene moeder, de woestijn. Met deze verbranden zij op den middag, met haar bloeien zij op in den nacht. Zoodra de zon ter kimme neigt, weeft hun dichterlijk talent, nog vóór de slaap is gekomen, gouden droomen. De zanger prijst de waterrijke bronnen, de palmboschjes, die deze omringen, en de donkere tenten, die er onder op zijn geslagen; hij begroet een bruin meisje in de tent, dat hem den heilsgroet brengt, roemt haar schoonheid, vergelijkt haar oogen met die der gazelle, haar mond met een roos, wier geur als woorden in zijn oorschelpen tot een parelensnoer zich aaneenrijgen, versmaadt om haar de eerstgeboren dochter des sultans en zegent het uur, dat hem in staat zal stellen zijne tent met haar te deelen. Zijn makkers vermanen hem evenwel nog hoogere verlangens te koesteren en richten deswege telkens zijn gedachten op den profeet, „die onze wenschen en zoete verlangens bevredigt.”Zoo klinkt dat lied den vreemdeling uit noorderlanden tegen, en ook bij hem komen er vaderlandsche liederen op de lippen. En wanneer dan de laatste rozengloed der ondergegane zon tegen het luchtruim weêrspiegelt, wanneer de nacht haar tooverkleed over de woestijn uitspreidt, dan is het hem alsof het zwaarste nog licht is gevallen en alsof hij gedurende de hitte des daags geen dorst, gedurende den rit geen bezwaren heeft gevoeld. Vroolijk springt hij uit het zadel, en terwijl de drijvers hun kameelen ontladen en vastbinden, effent hij het zand en hoopt het op tot een nachtleger, spreidt hij er tapijten en dekens over uit en geeft hij zich met wellust over aan de vurig verlangde rust.Slechts weinige schreden in ’t rond verlicht het kleine vuur de vlakte. Vlijtig weren zich de halfnaakte, donkere zonen der woestijn daar om heen. De vlam werpt op deze lieden, die in de schemering van den nacht tot schaduwen worden, een tooverachtig licht; balen, kisten, zadels en gereedschappen, alles neemt de vreemdste gedaanten aan; de[277]kameelen, die buiten de bagage in een wijden kring zijn gelegerd, veranderen in spookgestalten, vooral wanneer hun oogen, door het vuur beschenen, tot vurige kogels worden. Stiller en stiller wordt het in het leger. De eene woestijnzoon na den anderen verlaat de kameelen, met wie hij zijn armzalig avondeten heeft gedeeld, hult zich in zijn lang gewaad, gaat liggen en smelt in een met het zand. Het vuur flikkert nog eenmaal op, verliest zijn glans en dooft uit. Het is werkelijk nacht geworden in het leger.EENE OASE.EENE OASE.Wie zal hem beschrijven, den nacht in de woestijn? Het moet een dichter zijn bij de gratie Gods.Wie is bij machte—al had hij hem zelf doorleefd, doorwaakt, doorzwelgd, doorgedroomd—diens schoonheid naar eisch te malen? Na de hitte van den dag is hij de milde, vergoedende en verzoenende heilaanbrenger, de vrede- en vreugdeschenker, dien de man met niet minder verlangen te gemoet ziet als de geliefde, wier komst zoo lang met smart werd verbeid. „Leïla”, de sterheldere nacht der woestijn, Leïla is den Arabier de verpersoonlijking van al wat hoog is en heerlijk,[278]Leïla noemt hij zijn dochter; met de woorden: „mijn sterheldere nacht” vleit hij minnekoozend zijn geliefde; „Leïla, o Leïla” luidt steeds het slotrijm van al zijn liederen. Maar welk een nacht is het ook, die hier in de woestijn, na de vele vermoeienissen en bezwaren van den dag, de zinnen en het hart omstrikt! In ongekende klaarheid en helderheid fonkelen de sterren aan het donker gewelf des hemels; het licht der meest nabijzijnden werpt zelfs een zwakke schaduw op den licht gekleurden grond. Met volle teugen ademt de mensch de zuivere, verkoelende, verkwikkende lucht in; vol verrukking laat hij het oog dwalen van de eene zon naar de andere. Meer en meer schijnt het licht der sterren tot hem af te dalen; zijn geest verbreekt de boeien, die hem aan het stof ketenen en houdt een samenspraak met andere werelden. Geen geluid, geen gedruisch, zelfs niet het sjirpen van een sprinkhaan stoort de gedachten. Nu eerst openbaart zich aan hem de majesteit en verhevenheid der woestijn; haar onuitsprekelijke vrede maakt woning in zijn hart. Maar ook een trotsch gevoel van eigenwaarde dringt zich bij hem op; hier, te midden der oneindige eenzaamheid, zoo alleen, zoo buiten alle gemeenschap met de menschenwerelds enkel op zich zelf aangewezen te zijn, zulks wekt bij hem een gevoel van vertrouwen, moed en hoop. Droombeelden vol bekoorlijkheid treden voor zijn wakend oog en onweêrstaanbaar slepen ze hem meê; zij blijven hem omzweven, ook dan nog wanneer de sterren beginnen te beven, de gedachten hem verlaten en de oogen zich sluiten.Na de verkwikking naar ziel en lichaam, gelijk de woestijnnacht die schenkt, vallen de vermoeienissen den volgenden dag niet zoo zwaar, hoe veel strijd het ook moge kosten het vuile water, dat met elk uur slechter wordt, te drinken.Ware rust evenwel, een door niets gestoord genot wordt eerst verkregen, wanneer men eene bron heeft bereikt. Voortdurend bedreigd door gebrek aan de allereerste levensbehoefte is elke woestijnreis een rusteloos jagen en voorwaarts spoeden, zoodat er geen sprake is van de gemakken, die aan eene reis aangenaamheid bijzetten. De eene dag verloopt even als de andere; elke nacht gelijkt, althans in het gunstige seizoen, op den vorigen. In de oase, aan de bron, wordt de dag een feestdag, de avond een onvergald genot, de nacht een werkelijke, verkwikkende rust.Het ontstaan eener oase is afhankelijk van eene kom of dalvormige verdieping, daar zonder eene altijd wellende bron, ten minste zonder[279]een gegraven put, eene iets weeldigere vegetatie onmogelijk is, en de woestijn nergens anders water oplevert dan in het hooggebergte of in de diepste dalen.Evenals in vele andere opzichten de zandzee een tegenhanger is van den Oceaan, zoo vormen ook de eilanden van dezen eene tegenstelling met die der woestijn; zij liggen nl. niet boven, maar beneden de omringende vlakte. Het water komt hier òf als bron te voorschijn, òf het bevindt zich toch op geringe diepte beneden het oppervlak. De hoeveelheid en de hoedanigheid van dat water bepalen het karakter der oase. In slechts weinige laagten borrelt er een zuiver, koel water uit den grond. De meeste bronnen zijn zout-, ijzer- of zwavelhoudend, zeer dikwijls warm, en uit dien hoofde wellicht geneeskrachtig, maar daarom nog geenszins drinkbaar, of bevorderlijk voor de vruchtbaarheid van den bodem. Slechts onder bijzonder gunstige omstandigheden komt het water aan de oppervlakte te voorschijn; in de meeste gevallen sijpelt het door de spleten der rotsen of in gegraven putten droppelsgewijs bijeen en moet, althans nu en dan, opgepompt worden. En ook daar, waar het opwelt, loopt het in den regel alweder spoedig in het zand weg, indien de mensch niet tusschenbei treedt en het verzamelt en verdeelt. Toch doet het onder alle omstandigheden een jeugdig, in deze woestenijen dubbel welkom leven ontkiemen.Lang vóór de mensch de bron in bezit nam, had zich reeds eene groene plantenwereld daaromheen verzameld. Wie zal ons zeggen hoe deze ontstond? Wellicht was het de zandstorm, die de zaden uitstrooide, welke in de nabijheid der bron ontkiemden, bloeiden en groeiden, en wederom zaden voortbrachten, die zich over het geheele dal verspreidden. Menschen hebben daarin ongetwijfeld geen aandeel gehad, want mimosen, die het voornaamste bestanddeel der vegetatie vormen, ziet men ook in de dalen, waar zich geen bronnen bevinden, nu eens een enkele struik, dan tien, twintig en meer tot een klein boschje vereenigd. Deze alleen kunnen reeds leven aanbrengen; zij groeien, bloeien en geuren—en dat zoo frisch, zoo heerlijk, zoo welriekend! In de vriendelijke schaduw dezer mimosa’s rust de gazelle; uit hare toppen schalt het lied der woestijnzangers. Haar malsch gebladerte verkwikt te midden der stijve kalkmassa’s, der zwarte granietkegels en van het blinkend zand, het oog als meigroen; haar bloesems en schaduw laven de ziel. In groote, aan water meer rijke oasen heeft de mensch den palmboom overgebracht en tusschen de mimosa’s geplant; daarmede[280]verkreeg deze tuin der woestijn nog grooter bekoorlijkheid. De palmboom is hier alles in alles; de koning der boomen, die den mensch aan eene kleine plek gronds ketende en hem alles verstrekt, wat hij voor zijn voeding noodig heeft, de in liederen verheerlijkte, en door de bloesems der sage omrankte boom des levens. Wat was de oase zonder den palmboom?! Eene tent zonder dak, een huis zonder bewoners, eene bron zonder water, een lied zonder woorden, een gezang zonder tonen, eene schilderij zonder kleuren! Zijn vruchten voeden den trekherder of hem, die daar zijn vaste woonplaats heeft opgeslagen; zij veranderen in hun handen in tarwe of gerst, zij bevredigen zelfs den tolgaarder zijns gebieders en meesters; zijn stammen en bladeren leveren hem woningen, huisraad, matten, manden, zakken, touwen en banden. In het zand der woestijn leert men eerst de onschatbare waarde van dien boom kennen, zijn volle beteekenis; in het zand der woestijn erkent men den zin van het symbool, waarvan de Arabische dichtkunst zich bedient. Evenals deze ontspruit hij dikwijls uit een vruchtbaren grond, evenals deze streeft hij krachtig, altijd zichzelf gelijk blijvend, naar omhoog, om ook eerst in de hoogte zoete vruchten voort te brengen.Mimosen en palmen zijn de karakteristieke boomen der oase, en ook daar ontbreken deze planten niet, alwaar het water zoo rijkelijk vloeit, dat men er tuinen en akkers zou kunnen aanleggen. Hier vormen zij als het ware de voorposten tegen het opdringend woestijnzand, maar blijven daar dan ook beperkt tot den buitenrand der woestijneilandjes, terwijl het inwendige ingenomen wordt door planten, die behoefte hebben aan meer water. In de nabijheid der bronnen of aan den put breiden zich dikwijls tuinen uit, waarin men soms schier alle vruchten van Noord-Afrika aanbouwt. Hier rankt de druif, gloeit de oranjeappel tusschen het donkere loof, opent de granaat zijn rooskleurigen mond, spreidt de banaan zijn gevinde bladeren uit, omslingert de meloen de groentebedden, en voltooien de vijgencactus en olijfboom, misschien zelfs wel vijgen-, abrikozen- en amandelboomen het beeld der vruchtbaarheid. Op verderen afstand bevinden zich akkers, waarop althans kafferkoren, in een gunstig geval tarwe en rijst verbouwd worden.In zulke rijke oasen heeft de mensch vaste woonplaatsen opgeslagen, terwijl hij in de meer arme laagten slechts nu en dan, op meer of min geregelde tijden, gastvrijheid zoekt. Het dorp of stadje der oase verschilt weinig van de bewoonde plaatsen der naburige vruchtbare[281]landen; men vindt ook hier eene moskee, bazars en koffiehuizen; de menschen echter zijn kinderen van een anderen geest dan de boeren en stedelingen van den Nijl of van de kustlanden. Ofschoon meestal van verschillenden stam hebben zij toch gelijke zeden en gewoonten aangenomen. De woestijn heeft hen omgestempeld. Hun magere gestalte, scherpe gelaatstrekken, hunne door zware wenkbrauwen beschaduwde, fonkelende oogen doen hen terstond kennen als zonen der woestijn; nog sterker vindt men dit uitgesproken in hunne zeden en gewoonten. Zij zijn vrij van aanmatiging, ijverig, wakker en tevreden, gastvrij, open, eerlijk en trouw, maar ook fier, prikkelbaar en opvliegend, geneigd tot roof en andere gewelddadigheden, in welk opzicht zij met deBedoeïnenovereenkomen, alhoewel zij bij dezen ten achter staan in goedheid zoowel als in boosheid. Elke karavane, die zich bij hen laat invinden, is hun ten hoogste welkom, maar de reiziger is hun, meenen zij, tolplichtig.Geheel verschillend van zulke oasen zijn die laagten, in welke zich slechts bij uitzondering de zoo vurig begeerde bron bevindt. De Arabische trekherders zijn tevreden, wanneer zulk eene bron slechts enkele maanden of enkele weken het noodige drinkwater voor henzelf en hunne kudden oplevert; de hier uitrustende karavane mag blijde zijn, wanneer er voorraad is voor enkele dagen. Gewoonlijk is de bron een diepe put, wier wanden eer water uitzweeten dan in mild vloeiende aderen naar omlaag zenden. Ettelijke tompalmen verheffen zich tusschen de spaarzaam verspreide mimosa’s en salicaria’s in de omgeving der bron; eenige weinige grashalmen ontsproten aan de dorre aarde.Vreeselijk arme menschen zijn deze trekherders, die hier hun tenten hebben opgeslagen tot zoolang als hunne kleine kudden geiten er voedsel vinden; hun „strijd om het bestaan” is niets dan een onafgebroken aaneenschakeling van kommer, ontbering en gebrek. Een lang zwart doek van geitenwol wordt in ’t midden over een staketsel uitgehangen, en met de uiteinden aan in den grond geslagen pinnen bevestigd; de eene opening wordt gesloten door een doek van dezelfde stof, de ander, die den ingang zal vormen, door een mat van palmbladeren,—daarmede is de tent gereed, de bruidsgift der vrouw, aan welke deze van haar achtste tot haar zestiende jaar heeft gewerkt, verzameld, gesponnen en geweefd; het huisraad bestaat uit eenige matten om op te rusten, uit een granietplaat met daarbij behoorenden wrijfsteen om het ingeruilde koren te malen, uit eene vlakke aarden plaat voor het[282]roosten der koeken, en verder uit twee buikige potten, eenige lederen zakken, een bijl en ettelijke lansen. Eene kudde van twintig geiten geldt bij hen reeds voor een grooten rijkdom. Maar deze menschen zijn even braaf als arm, even beminnelijk als welgevormd, even goedaardig als schoon, even edelmoedig als bescheiden, even gastvrij als eerlijk, even rein van zeden als geloovig.Beelden aan de oudheid ontleend rijzen op voor den geest des westerlings, wanneer hij deze nomaden voor ’t eerst ontmoet; de Bijbelsche personen ziethijhier levend voor zich, hij hoort hen spreken in de hem uit zijn kinderjaren bekende taal. Duizenden jaren zijn over deze nomaden voorbijgesneld als een enkele dag; op dit oogenblik nog denken, spreken en handelen zij even gelijk de aartsvaders dachten, spraken en handelden. Dezelfde groet als uit Abrahams mond klinkt van hunne lippen den vreemdeling tegen; dezelfde woorden, die Rebekka richtte tot den knecht Abrahams, hoorde ik mij toespreken, toen ik, gekweld door een ontzaggelijken dorst, bij de put van Bahioeda van mijn kameel sprong, en van een jonge, schoone, bruine vrouw te drinken begeerde. Daar stond zij voor mij, de Rebekka van vóór duizenden jaren, in levenden lijve, in onverwelkte jeugd, eene andere dan zij, van wie de Schrift spreekt, en toch dezelfde.Bij de aankomst eener karavane verzamelt zich de geheele bevolking dezer tijdelijke nederzetting. De oudste treedt uit den kring naar voren en brengt den vredegroet; de overigen heeten de vreemdelingen welkom. Dan biedt men het kostbaarste aan, wat de reizigers begeeren, het frissche water, en al wat men verder bezit, en zulks met verrassende vriendelijkheid, zonder op te dringen en toch gemeend. Gretig verzwelgen de reizigers met volle teugen het verkwikkende vocht; ongeduldig dringen tevens de kameelen naar de bron, alhoewel zij bij ervaring weten, dat zij eerst afgeladen, vastgebonden en naar de weide gebracht moeten worden, alvorens het hun geoorloofd is na eene ontbering van vier tot zes dagen, weder hun dorst te lesschen. Men laat echter ook aan de bron geen enkelen droppel verloren gaan, weshalve men hun eerst het nog in de lederen zakken bevatte water geeft; daarna worden deze opnieuw gevuld, om dan eerst de kameelen te drenken, ofschoon men dan nog meer de hoeveelheid voorhanden water in ’t oog houdt dan de behoefte der dieren zelf. Slechts bij eene zeer rijkelijk vloeiende bron laat men vrijen teugel aan hun onleschbaren dorst, en dan is het een genot hen te zien drinken, altijd maar door, zonder[283]ophouden, terwijl zij daarna met koddige, onbevallige, door boeien belemmerde sprongen naar de niet minder vurig begeerde weide rennen, om hier de als een halfvolle ton dansende maag verder met voedsel te vullen.Voor de reizigers en den daar gelegerden stam breekt echter een ware feestdag aan. De eersten vinden frisch water, misschien zelfs wel melk en vleesch, die ’t genot der rust niet weinig verhoogen, de inboorlingen verheugen zich in de afwisseling, die de karavane brengt in de eentonigheid van hun leven. Een der kameeldrijvers heeft in de naastbijstaande tent het geliefkoosde muziekinstrument der woestijnbewoners, de tamboera of vijfsnarige cither gevonden, en begeleidt daarmede op meesterlijke wijze zijn eenvoudig gezang. Deze klanken lokken de dochteren der nomaden; slanke, schoone vrouwen en meisjes omringen vragende de vreemde mannen en richten op dezen en hunne goederen doordringende, blauwe oogen. Wapen u, vreemdeling! die oogen zouden uw hart in gloed kunnen zetten! Zij zijn nog veel schooner dan die der gazelle en de lippen daar beneden beschamen de koralen, de verblindend witte tanden daartusschen de paarlen, die gij deze dochteren der woestijn misschien zoudt willen vereeren!Nu schijnt alles één lied, één gedicht te zullen worden. Om den citherspeler scharen zich enkele groepjes, die zich gereed maken tot den dans; ruwe en zachte handen begeleiden met maatslag de tonen van het speeltuig, de woorden des lieds en den gelijkmatig golvenden dans. Nieuwe gedaanten komen, bekende verdwijnen; het is een bestendig afwisselend dringen en wenden om de vreemdelingen, die zoo verstandig zijn, om even onschuldig en vertrouwelijk te ontvangen als hun gasten geven. Alle bezwaren der woestijnreis zijn vergeten, heimwee en verlangen bevredigd; want het water, het water borrelt overvloedig en treedt in de plaats van alle behoeften van andere plaatsen en tijden.Deze rust sterkt lichaam en geest. Opgefrischt zet de karavane hare reis voort, en indien de dagen niets ergers brengen dan zonnegloed, dorst en afmatting, bereikt zij onverzwakt ook de tweede en derde bron en eindelijk het doel der reis, de eerste stad of het eerste dorp aan gene zijde der woestijn.Maar veranderlijk als de oceaan, die de aarde omgordt, is ook de zandzee. Ook hier woeden stormen, die haar schepen doen stranden en verderfaanbrengende golven oproepen. Ten tijde, dat de maandenlang[284]waaiende noordenwind in strijd geraakt met zuidelijke luchtstroomen, of wanneer deze reeds de alleenheerschappij hebben erlangd, ziet de reiziger plotseling het zand levend worden, in dikke en hooge zuilen opstijgen, die nu eens langzamer, dan schielijker over de vlakte heensnellen. Door de zon beschenen nemen zij het voorkomen aan van vuurzuilen; dan weder zien zij er kleurloos uit of het zijn angstwekkende, zwarte spookgestalten; de wind verdunt en verdikt ze, scheidt hier eene zuil in tweeën, vereenigt ginds twee of meer tot eene in de wolken eindigende zandhoos. De westerling wil in luidebewoordingenzijn verwondering te kennen geven, maar de angstige blikken zijner begeleiders verlammen hem de tong. Wee de karavane, die door zulk een wervelstorm wordt ingehaald; zij mag blijde zijn, wanneer het leven van menschen en dieren behouden blijft! En woeden deze boden des noodlots zonder schade over het hoofd van het reisgezelschap heen, het gevaar is daarom nog niet voorbij, want de samoem, de vergiftige stormwind, volgt den eersten op den voet.Deze in de woestijn onder alle omstandigheden het meest gevreesde wind, die als Chamasien door Egypte, als Sirocco tot in Italië, als Föhn door de Alpen, als dooiwind door Noord-Europa giert, verheft zich geenszins altijd tot een storm; dikwijls waait hij onmerkbaar zacht, en toch doet hij mannenharten beven. Over dezen wind is zeer veel gefabeld geworden; dit is evenwel waar, dat de samoem bij tijd en wijle voor de karavanen hoogst gevaarlijk worden kan, en dat hij de oorzaak is der witgebleekte geraamten van kameelen, alsmede van de door het zand halfbedolven, uitgedroogde mummiën van menschen, die men langs elk woestijnpad vindt. Want niet zoozeer zijne kracht, maar zijn aard, zijn elektrische spanning brengen lijden en verderf over de menschen en lastdieren, welke de woestijn doortrekken.Althans één dag, somtijds eenige dagen vooruit, voorspelt de inboorling en ook de met het land bekende vreemdeling den zandstorm. Onbedriegelijke teekens zijn de voorboden. De lucht wordt zwoel, zwaar, drukkend; een dunne, grijsachtig of roodachtig getinte damp benevelt den hemel; geen tochtje beweegt de lucht. Alle levende wezens lijden zichtbaar onder de zwoelte, die elk oogenblik drukkender wordt; de menschen klagen en jammeren, het wild wordt schuwer, de kameelen worden onrustig en koppig, dringen op elkaar, blijven staan of gaan liggen. Kleurloos gaat de zon onder. Geen avondrood omzoomt den hemel, het nevelkleed bluscht elk licht uit. De nacht[285]brengt geen afkoeling of verkwikking, eer vermeerdering van hitte, krachteloosheid en onbehagelijkheid; in weêrwil van alle loomheid ontvliedt de slaap het oog. Zijn menschen en dieren nog in staat zich te bewegen, dan rust men niet, maar trekt integendeel met angstige haast verder, zoolang de gids nog een enkel hemellicht waarneemt. De damp verandert in een drogen nevel en het eene gesternte na het andere wordt aan den blik onttrokken; zelfs de maan en de zon, welke laatste in het gunstigste geval slechts half zoo groot is als gewoonlijk, worden bleek en onduidelijk.Soms begint de wind om middernacht aan te wakkeren, meestal tegen den middag. Zonder uurwerk kan men het tijdstip niet bepalen, want de nevel is intusschen zoo dik geworden, dat de zon geheel omsluierd wordt en een droefgeestig schemerlicht over de vlakte ligt uitgespreid, zoodat reeds op geringen afstand geen voorwerp meer te onderscheiden is. Zacht, nauwelijks voelbaar begint nu de wind te waaien. Het is nog geen werkelijk waaien, maar meer een zacht ademen. Die luchtadem is gloeiend heet en dringt evenals een kille, ijzige wind door merg en been, veroorzaakt een doffe hoofdpijn, verslapt en beangstigt. Daarop volgt een meer waarneembaar, even gloeiend, even verderfelijk waaien. Enkele korte, huilende stooten mengen zich daaronder.Thans is het hoog tijd om te gaan liggen. Zulks geven ook de kameelen te kennen, want geen zweepslag brengt deze dieren meer vooruit. Vol angst knielen zij neêr, strekken den hals uit, drukken dien tegen den grond en sluiten de oogen. De drijvers ontladen hen ijlings, bouwen uit de bagage zoo schielijk mogelijk een ringmuur, stapelen alle zakken op elkaar om de aan den wind blootgestelde oppervlakte te verkleinen, bedekken ze met alle aanwezige matten, hullen zich, evenals alle andere reizigers deden, zoo dicht mogelijk in hunne dekens, maken het gedeelte, dat om het hoofd is gewonden nat en zoeken dan een schuilplaats achter de goederen. In groote haast werd een en ander volbracht, want de zandstorm zal nu niet lang meer op zich laten wachten.Het aantal stooten vermeerdert; zij volgen sneller op elkander en weinige minuten later woedt de storm met volle kracht. Het giert en dreunt, fluit en huilt door de lucht, het ruischt en loeit in het zand, het knettert, knalt en kraakt in het leger, waar de planken kisten verbrijzeld worden. De hitte neemt nog steeds toe en wordt eindelijk[286]onverdragelijk, onttrekt aan het van zweet druipende lichaam alle vochtigheid, doet alle slijmvliezen scheuren, zoodat het bloed er uit vloeit; de naar water dorstende tong wordt zwaar als lood, de polsslag versnelt, het hart krimpt ineen, de huid scheurt en splijt, de razende storm vult deze kloven met fijn zand, en veroorzaakt daardoor nieuwe kwellingen. De zonen der woestijn bidden en zuchten, de westerling steunt en klaagt.Gewoonlijk duurt de hevigste woede van den zandstorm niet lang, een, twee, drie uren slechts, evenals bij ons een onweder, waarmede men hem zou kunnen vergelijken. Naarmate hij bedaart, gaat ook het stof liggen en klaart de lucht op, terwijl een enkele maal een tegenstroom uit het noorden daarop volgt. De karavane herstelt zich en trekt verder. Duurt de samoem echter een halven of heelen dag, dan kan het den reizigers gaan gelijk een mijner kennissen, den FranschmanThibaut, die op zijn tocht door de noordelijke Bahioeda de laatste bron opgedroogd vond en met bijna ledige waterzakken moest opbreken, om den op vier dagreizen afstands gelegen Nijl te bereiken. De vergiftige wind brak over hem en zijne in doodsangst gebrachte karavane, die alle niet dringend noodzakelijke goederen bij de uitgedroogde bron had achtergelaten, los. Het ongelukkige reisgezelschap legerde zich, hoopte op het einde van den storm, wachtte tevergeefs, klaagde, werd moedeloos en wanhopig. Een vanThibautsbedienden sprong razend op, overstemde door zijn huilen den storm, gilde, tierde, woedde, en viel eindelijk uitgeput op zijn meester neêr, liet een gereutel hooren en gaf den geest. Een tweede lag, toen de storm eindelijk zweeg, insgelijks dood op zijn legerstede,—de hitte had hem gedood. Een derde moest, nadat men weder opgebroken had en hij koortsachtig, als om den dood te ontloopen, voortsnelde, achterblijven, en versmachtte. Van de kameelen was de helft bezweken.Thibautbereikte met de overige menschen en dieren den Nijl, maar zijn gitzwart haar was in den tijd van twee dagen sneeuwwit geworden.Van zulke stormen stammen de mummieachtige lijken af, die men langs de karavanenwegen vindt. De storm, die doodde, begroef meteen de lijken en dekte ze met zand; dit zand onttrekt snel aan de lichamen alle vocht, zoodat zij, in plaats van te verrotten, uitdrogen en tot mummies worden. De eene windvlaag werpt er een nieuwe laag zand over heen, de andere ontbloot ze. Nu eens strekt het lijk eene hand, dan een voet of zijn gezicht naar den reiziger uit; een der kameeldrijvers[287]voldoet aan het bevel van den doode, begeeft zich tot hem, werpt weder zand op hem en trekt verder onder het uiten der woorden: „Slaap, knecht des Allerhoogsten, slaap in vrede!”Zulke stormen zijn het ook, die in den geest der gespaarden de droombeelden der Fata Morgana opwekken. Zoolang de mensch in ’t volle bezit zijner krachten en met gezonde zinnen voorttrekt, beschouwt hij de luchtspiegeling wel als een de aandacht trekkend natuurverschijnsel, maar zij wordt hem niet tot Fata Morgana. In het heete jaargetijde ontstaat in de woestijn tegen het midden van den dag, van negen uur in den voormiddag tot drie uur in den namiddag, elken dag de „duivelszee”. Een grijze, op eene zee, beter nog op een overstroomd land gelijkende vlakte, rijst daar, alwaar de woestijn geheel van plantengroei ontbloot is op zekeren afstand voor of om den reiziger in ’t rond op; deze zee golft, glinstert en schittert, laat alle werkelijk bestaande voorwerpen zichtbaar blijven, maar heft ze schijnbaar tot het oppervlak der zee op en weêrkaatst hun beelden naar beneden. In de verte voorttrekkende kameelen of paarden verkrijgen het voorkomen van door wolken gedragen, geschilderde engeltjes, en wanneer men hunne bewegingen kan onderscheiden dan is het alsof zij de beenen verzetten op een uit nevelen gevormde onderlaag. De afstand, waarop de naar het oog toegekeerde grens van dit verschijnsel is gelegen, blijft steeds dezelfde, zoolang de waarnemer zijn gezichtshoek niet verandert en is dus voor den ruiter eene andere dan voor den voetganger. Het geheele wonder berust op de bekende wet, dat eenlichtstraal, die van de eene middenstofineene andere overgaat, gebroken wordt, zoodat dit verschijnsel zich steeds moet voordoen, wanneer de onderste luchtlagen door de terugkaatsing der warmtestralen van het verhitte zand ongelijkmatig worden uitgezet. Geen Arabier bedekt bij ’t zien eener luchtspiegeling zijn gezicht, gelijk fantaseerende reizigers hun goedgeloovige lezers willen wijs maken; zelfs hechten zij geen diepere beteekenis aan de benaming „zee des duivels”. Wanneer evenwel angst, ontbering, vermoeidheid en gebrek op een zandstorm volgen en de geestkracht hebben verlamd, en wanneer dan de luchtspiegeling zich vertoont, kan deze tot Fata Morgana worden. De zieke verbeeldingskracht schept zich nu zoodanige beelden, die met de vurige wenschen van het oogenblik, de begeerte naar water en rust, in harmonie zijn. Ik heb zelf honderden malen de luchtspiegeling aanschouwd en ook mij is zij eenmaal tot Fata Morgana geworden. Zulks had plaats toen ik na een onlijdelijken dorst[288]van een etmaal achtereen de „zee des duivels” voor mij zag schitteren en glinsteren. Toen verbeeldde ook ik mij den heiligen Nijl, booten met gezwollen zeilen, palmboschjes, tuinen en landhuizen voor mij te zien. Maar op dezelfde plaats, alwaar mijne zieke zinnen een palmenwoud zagengroeien, zag mijn eveneens versmachtende metgezel zeilbooten, en daar waar ik een tuin meende te aanschouwen, spiegelden zich voor zijne ziel bosschen af. Maar al deze fantasieën verdwenen, zoodra wij toevallig water ontdekten en ons daarmede hadden gelaafd; alleen de grijze nevelzee hield stand.EENE KARAVANE, DE WOESTIJN DOORTREKKENDE.EENE KARAVANE, DE WOESTIJN DOORTREKKENDE.De „zee des duivels” heeft ongetwijfeld ieder reiziger aanschouwd, die de eene of andere woestijnstreek der Nijlboorden is doorgetrokken; maar niet een ieder is het gegund een der levendigste tooneelen onder de oogen te krijgen, welke de woestijn opluisteren. Aan den uitersten zoom van den horizon, misschien wel door de luchtspiegeling omhoog geheven en in een nevelwaas gehuld, duiken eenige ruiters op, die op rankpootige paarden zijn gezeten, wier snelheid die des winds evenaart; deze ruiterbende nadert ras en stuift eindelijk, terwijl men de tot nu toe gespaarde dieren in vollen draf aandrijft, op de karavane los. Ik heb hen altijd gaarne ontmoet, die magere, typisch gekleede mannen, want ook in hen en hunne paarden zag ik de harmonie der woestijn met hare kinderen. Als een getrouwe zoon der woestijn verscheen hij mij, deBedoeïnen, als haar en zijn spiegelbeeld het ros, dat hij berijdt. Want ook hij is ernstig en vreeselijk als de dag, vriendelijk en zacht als de nacht der woestijn. Trouw aan ’t eens gegeven woord, onbepaald gehoorzaam aan de zeden en gebruiken van zijn stam, waardig in zijn optreden, verheven in zijn uitdrukkingen, onovertroffen in onthouding en ontbering, ontvankelijk meer dan iemand voor mannelijke daden, voor roem en eer, en niet het minst voor het gouden weefsel der poëzie, welk laatste bewezen wordt door zijne vertellingen en sprookjes, doorweven van de rijkste beelden, omlijst door de heerlijkste en geurigste bloemen. Aan den anderen kant is hij listig en geslepen tegenover zijn vijand, een slaaf zijner gewoonten, laag en gemeen, zonder eenige waardigheid in zijn begeerten en eischen, gulzig in het genieten, onbegrensd wreed, vreeselijk in zijn wraak; heden is hij een ridderlijke gastheer, morgen een onbeschaamde bedelaar, den eenen keer een trotsche roover, een ander maal een ellendige dief; kortom, even veranderlijk als de woestijn. Zijn ros bezit hetzelfde verstandige, vurige sprekende oog, dezelfde kracht en lenigheid der magere, schijnbaar[289]zwakke ledematen, dezelfde taaiheid, dezelfde tevredenheid, hetzelfde wezen als hij; want beide groeiden op in dezelfde tent, beide rusten onder hetzelfde dak. Het dier is niet de slaaf, maar de metgezel en vriend van denBedoeïnen, de speelgenoot zijner kinderen.In de vrije woestijn trotsch, moedig, zelfs wild, is het in de tent gedwee als een lam; en zoo is het als het ware een integreerend bestanddeel van zijn heer en gebieder.BEDOEÏNEN.BEDOEÏNEN.In alle woestijnen, die althans nog in naam onder de heerschappij van den Khedive van Egypte staan, spelen de Bedoeïnen heden ten dage geenszins nog dezelfde rol als in vroegere tijden, of als tegenwoordig nog in Arabië en de landen van Noord-Westelijk Afrika. De Egyptische regeering heeft met hen verdragen gesloten, die hun den plicht opleggen de karavanen ongehinderd door hun gebied te laten trekken. Rooverijen in de woestijn behooren dan ook tot de zeldzame uitzonderingen, en eene ontmoeting met Bedoeïnen verwekt ook daarom geen groote bezorgdheid, omdat deze zonen der woestijn doorgaans de eigenaars der gehuurde kameelen zijn; evenwel nemen de aan hun[290]oude gewoonten verkleefde, ware heeren der woestijn gaarne het voorkomen aan van eene zekere soevereiniteit; men handelt dan ook verstandig, alvorens de woestijnreis aan te vangen, vrijgeleide te vragen van den een of anderen aanzienlijken hoofdman. Heeft men dit verkregen, dan loopt eene ontmoeting gewoonlijk op de volgende wijze af.Een der door de zon verbrande mannen springt uit de ruiterschaar naar voren en wendt zich tot den aanvoerder of uitruster der karavane.„Heil zij U, o vreemdeling!”„Gods zegen, genade en barmhartigheid mogen met U zijn, o hoofdman!”„Waarheen trekt gij, o mannen?”„Naar Belled-Aali, o scheik.”„Trekt gij onder vrijgeleide?”„Wij trekken onder het vrijgeleide van Zijne Hoogheid, den Khedive.”„Onder geen ander?”„Ook Scheik Soliman, Mahammed Cheir Allah, Ibn Sidi Ibrahim Aulad Aali heeft ons vrijgeleide en vrede gegeven.”„Dan zijt gij welkom en gezegend.”„De Zegenuitdeeler begenadige U en Uwen vader, o hoofdman!”„Hebt gij iets van noode? Mijne mannen zullen het u geven. In de Wadi Ghiteri staan onze tenten, wanneer gij rust wilt zoeken, zult gij daar welkom zijn. Zoo niet, dan moge Allah U een gelukkige reis geven.”„Hij zal met ons zijn; want Hij is genadig.”„En de leidsman op alle goede wegen.”„Amen, o hoofdman!”Weg vliegt de bende; ruiters en paarden smelten wederom ineen; de lichte hoeven der dieren schijnen den grond niet te raken, de witte boernoe’s fladderen in den wind, en de woorden des dichters worden levend in de ziel:„Bedoeïnen, gij zelf op uw rosZijt een fantastisch lied.”Zulke beelden toovert ons de woestijn voor oogen. Naarmate men meer met deze vertrouwd wordt, nemen zij scherper omschreven trekken aan, en doen zij de moeiten en bezwaren verminderen. Maar het zijn vooral de laatste uren der woestijnreis, die het hoogste genot aanbrengen. Wanneer het eerste palmendorp van het bebouwde land,[291]wanneer het zilveren lint van den heiligen stroom wederom zichtbaar wordt, dan is dat uur gekomen. Menschen en dieren ijlen en haasten, alsof de vurig gewenschte werkelijkheid een droombeeld kon zijn, dat wederom in een nevel zal worden opgelost. Duidelijker en scherper omgrensd treedt het doel der reis voor oogen; het is alsof men nooit frisscher kleuren gezien heeft, men meent dat nergens zulke groene boomen groeien en nergens koeler water wordt gevonden. Hun laatste krachten bijeenverzamelende schrijden de kameelen voort, maar hun pas schijnt voor hun ongeduldige meesters nog veel te langzaam. Daar klinkt ons eene vriendelijke begroeting in de ooren. Het Nijldorp is bereikt. Uit alle hutten komen mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen te voorschijn om de reizigers te verwelkomen. Ieder beijvert zich de helpende hand te bieden en lafenis te reiken. Allereerst biedt men water aan, flink water, zoo uit de rivier geschept; dan brengt men alles aan, wat lichaam en ziel kan verkwikken. Om het nu opgeslagen leger bewegen zich nieuwsgierige menschen, vraaggrage mannen en vrouwen, danslustige meisjes en jongelingen. Tamboera en taraboeka, cither en trom noodigen ten dans; de dansende meisjes verblijden het hart van den vreemdeling en inboorling. Zelfs het knarsen der schepraderen aan den stroom, vroeger duizendmalen verwenscht, wordt heden tot eene schoone muziek.De avond brengt nieuwe genietingen. Op het veêrende, koele rustbed gemakkelijk uitgestrekt, drinkt de westerling met den inboorling om strijd den nektar des lands, den palmwijn of meriesa, terwijl cithertonen en trommelslag, onder het maatgeklap van de handen en voeten der dansende jongelingen en meisjes het heerlijk drinkgelag begeleiden. Eindelijk herneemt de vergevorderde nacht zijn rechten, tamboera en taraboeka zwijgen, de dans is geëindigd. Elk der verkwikte, verzadigde of meer dan verzadigde reizigers zoekt achtereenvolgens de rust. Slechts een enkele hunner, een zone Khahira’s, de moeder der wereld, kan den slaap niet vinden. In de nabijheid van het uitdoovende legervuur rijzen de sidderende tonen van zijn eenvoudig lied:Ach schoone nacht, gij doet mij pijn,Steeds langer wordt gij, immer langer;Ik vraag om rust, gij hoort mij niet,’t Wordt steeds om ’t hart mij banger.Ach schoone nacht, hoe lange reedsMocht niet mijn oog haar schouwen,[292]Naar wie mijn ziel zoo innig smacht,Mijn hope en vertrouwen.O schoone nacht, verhoor mijn klacht,Breng haar mij nader weder.Dek haar met liefdevleuglen zacht,Stort vrede op mij neder.Maar ook deze klanken sterven weg—alleen de golven van den stroom murmelen en fluisteren voort.[293]

[Inhoud]X.KARAVANEN EN WOESTIJNREIZEN.Aan den zoom der woestijn, onder de schaduw van een palmboschje, staat eene kleine tent. Een aantal kisten en balen liggen in bonte afwisseling rondom die tent op elkander gestapeld. Iets verder naar buiten staan, zitten en liggen eenige Nubische knapen, feestelijk uitgedost, d.w.z. versch met huidzalf ingesmeerd.Binnen in de tent verwijlen ettelijke reizigers, die per Nijlbark tot hier kwamen en van plan zijn een grooten boog af te snijden van den Nijl, die van deze plaats af vol klippen en stroomversnellingen is, m.a.w. zij willen door de woestijn trekken, die gedeeltelijk door genoemden stroom wordt ingesloten.Het is middag. De zon staat bijna loodrecht boven de tent aan een wolkenloozen, donkerblauwen hemel; haar brandende stralen schieten haast ongehinderd door het losse gebladerte der dadelpalmen. Een zengende hitte drukt de vlakte tusschen den stroom en de woestijn; de luchtlagen sidderen en golven over den verhitten grond, zoodat alle voorwerpen eene verwrongen gedaante aannemen en zich hullen in een dicht nevelwaas.Aan den horizon wordt eene ruiterbende zichtbaar, die uit de woestijn te voorschijn kwam en rechtstreeks den weg inslaat naar de tent, zonder acht te geven op het meer landwaarts in gelegen dorp. Donkerbruine, armoedig gekleede mannen, bij de palmen aangeland, stijgen van hun magere, maar niettemin edele paarden. Een hunner nadert de tent en treedt met de majesteit eens konings naar binnen. Het is het opperhoofd der kameeldrijvers (Scheik el Djemali), tot wien wij—de straks bedoelde reizigers—eene boodschap hadden gezonden, ten einde hem te verzoeken ons van de benoodigde dragers, drijvers en kameelen te voorzien.„Heil zij u!” zegt hij bij het binnenkomen en brengt bij dien groet de hand naar mond, voorhoofd en hart.[258]„Heil, ook u o Scheik! met u, de genade Gods en Zijn zegen!” luidt antwoord.„Groot was mijn verlangen, u te zien, o vreemdelingen, en uwe wenschen te vernemen,” aldus verzekert hij, middelerwijl zich neêrlatende op het kussen naast ons, en wel ter rechterzijde, op de eereplaats.„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen, oScheik, en u zegenen!” geven wij tot antwoord, terwijl wij aan onze bedienden gelasten hem nog vóór ons zelf van versch aangestoken pijpen en koffie te voorzien.Met half dichtgeknepen oogen laaft hij zijn sterfelijk lichaam aan de koffie, en zijn onsterfelijke ziel aan de pijp; in dikke wolken hult hij zijn achtbaar hoofd. Een bijna ademlooze stilte heerscht in de tent, die bewierookt wordt door den geur der kostelijke Djebeli-tabak, terwijl een lichte, aangename rook de ruimte opvult; eindelijk, meenen wij, kunnen, zonder ons aan onhoffelijkheid schuldig te maken, de onderhandelingen, het doel van de komst des scheiks, een aanvang nemen.„Hoe is het met u, o Scheik?”„De Gever alles goeds zij geprezen!—zeer goed, om u te dienen. En hoe gaat het met u?”„Den Heer der wereld zij roem en eere; ik ben zeer wel. Groot was ons verlangen, u te zien, o Scheik!”„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen en u zegenen! Is uw gezondheid geruststellend?”„Allah en zijn profeet,—Gods genade over hem,—mogen geprezen zijn.”„Amen, het zij zoo, gelijk gij gezegd hebt.”Nieuwe pijpen verkwikken de onsterfelijke ziel; nieuwe, eindelooze beleefdheidsbetuigingen worden gewisseld; daarna eindelijk veroorlooft de étiquette, zaken te behandelen.„O Scheik, ik wil met de hulp des Albarmhartigen de woestijn doortrekken.”„Moge Allah u geleiden!”„Zijt gij in ’t bezit van rij- en lastkameelen?”„Ik ben het! Bevindt gij u wel, mijn broeders?”„De Verhevene zij geloofd; het is gelijk gij zegt. Hoeveel kameelen kunt gij mij verschaffen?”Inplaats van te antwoorden, blaast de Scheik dikke rookwolken uit en eerst nadat ik mijne vraag herhaald heb, legt de man voor een[259]paar oogenblikken de pijp uit den mond en zegt zoo plechtig mogelijk: „Heer, het aantal kameelen van Beni Said kent Allah alleen; een zoon Adams heeft ze nog nimmer geteld!”„Zeer goed, zend mij dan vijf en twintig dieren, waaronder zes rijkameelen. Verder heb ik nog tien groote zakken noodig.”De Scheik rookt op nieuw zonder te antwoorden.„Zult gij ze mij zenden, de verlangde dieren?” herhaalde ik dringender.„Ik zal het doen, om u te dienen; maar hun eigenaars vragen hooge prijzen.”„En welke?”„Ten minste het viervoudige van de gewone loonen en huren wordt gevraagd.”„Maar Scheik, Allah, de Verhevene moge u gunstiger stemmen; dat zijn eischen, die niemand zal inwilligen. Loof den profeet!”„God, de Behoeder van al wat leeft, zij geprezen en zijn gezant zij geprezen! Gij dwaalt, mijn vriend; de koopman, die ginds is gelegerd, heeft mij het dubbele geboden van wat ik vraag. Alleen mijne vriendschap voor u deed mij zulke geringe eischen stellen.”Te vergeefs blijkt alle loven en bieden, nutteloos blijken alle verdere onderhandelingen. Versche pijpen worden gebracht en gerookt, nieuwe hoffelijkheden gewisseld, de naam van Allah en diens profeet wordt vanweêrszijdenmisbruikt, de gezondheidstoestand wederkeerig op het nauwkeurigst vastgesteld, tot eindelijk de westerling het geduld verliest en de aangeleerde zeden wijken voor de aangeboren gewoonten.„Weet dan Scheik, dat ik in het bezit ben van een geleibrief van den Khedive alsmede van Scheik Soliman; hier zijn beide: wat eischt gij nog?”„Maar heer, wanneer gij een geleibrief hebt van Zijne Hoogheerlijkheid, waarom eischt gij niet het hoofd van uw slaaf? Dit is tot uwen dienst en evenzeer tot den Zijnen. Uwe wenschen draag ik op mijn oogen en op mijn hoofd. Gij beveelt—uw slaaf gehoorzaamt. De prijzen der regeering kent gij. Allahs zegen vergezelle u; morgen zend ik u mannen, dieren en zakken.”De vreemdeling, die in de meening verkeert dat hiermede alle toebereidselen tot de woestijnreis afgeloopen zijn, zou daarmede toonen, geen begrip te hebben van de zeden en gewoonten des volks. Niet den volgenden dag, gelijk beloofd werd, verschijnen de gehuurde drijvers en dieren, maar eerst in den namiddag komen deze van lieverlede[260]opdagen, en niet op den volgenden morgen kan aan het opbreken gedacht worden, maar ten hoogste eerst tegen den tijd van het namiddaggebed van den volgenden dag. „Bukra inschallah”—„morgen zoo God wil” is het wachtwoord en hiertegen valt niet te redeneeren. Inderdaad is er nog veel te doen, veel te regelen, veel in orde te brengen, alvorens de reis een aanvang kan nemen.Een bont en levendig tooneel ontvouwt zich in den omtrek der tent. Tusschen de bagage beweegt zich eene schare uitgedroogde zonen der woestijn. Zij schreeuwen ontzaggelijk veel—maar voeren ondertusschen bitter weinig uit. De op elkander gestapelde kisten en pakken worden uit elkander gehaald, opgebeurd, gewogen, nauwkeurig in omvang en gewicht onderzocht, onderling vergeleken, weder bijeengezet en nogmaals uit elkander gehaald. De eene kameeldrijver poogt den ander te bedotten, ten einde de lichtste waren voor zichzelf te behouden; het wordt een algemeen krakeel, een schreeuwen en schelden, een zweren en vloeken, een bidden en verwenschen. Ook de kameelen, denkende aan hetgeen hun beidt, doen vlijtig meê; en wanneer zij werkelijk, in plaats van te brullen, te steunen, te brommen en te klagen, een oogenblik het stilzwijgen bewaren, dan beteekent dit slechts: onze tijd is nog niet gekomen, maar zal toch eenmaal aanbreken! Maar de kameelen mogen meedoen of niet, dit is zeker: de ooren van den westerling worden gemarteld, ja verscheurd door de mengeling van stemmen en kreten, die alle tegelijk door de lucht weêrklinken. Uren lang duurt dat gewemel, dat geharrewar, dat geraas, en eerst wanneer men het eindelijk over de lading eens is geworden, of wellicht het getwist moe werd, is het voorspel ten eind.Na het sluiten van den vrede begint men demeêgebrachtevezels van den dadelpalm in een te draaien om er strikken en touwen van te maken; nu worden de kisten en balen op vernuftige wijze met deze koorden omwonden, en worden er lussen aan gemaakt, om twee pakstukken even snel aan het kameelzadel te kunnen vasthechten als er weder van los te maken, men herstelt nog ijlings de medegebrachte netten, wier bestemming is de kleinere pakjes in zich op te nemen, en wendt zich daarna tot de groote en kleinere lederen zakken om deze te onderzoeken, en zoo noodig, ook nog in de haast wat op te kalfateren en met eene stinkende, uit het zaad van kolokwinten bereide teer van buiten in te smeren. Het in de zon gedroogde vleesch wordt ook nog eens aan een zorgvuldig onderzoek onderworpen, men vult[261]eenige uit boombast vervaardigde zakken met kafferkoren of doerra, andere met houtskolen, nog andere met kameelenmest, spoelt de lederen zakken van buiten af, vult ze met frisch water en besluit den langdurigen arbeid met een algemeen, op lagen toon uitgestooten „El hamdu lillahi”—God zij dank!Al deze toebereidselen worden geleid door den Chabir of aanvoerder der karavane. Al naar de belangrijkheid van den tocht neemt deze eene lageren of hoogeren rang in, maar steeds moet hij zijn, wat zijn naam uitdrukt: een kundig man, iemand, met den weg en alle voorkomende omstandigheden vertrouwd. Van beproefde ervaring, rechtschapen, verstandig, moedig, dapper, deze eigenschappen zijn de noodzakelijke vereischten voor zijn moeilijk, soms gevaarlijk ambt. Hij kent de woestijn even als de schipper den Oceaan, is vertrouwd met de sterren, in elke oase, en aan elke bron tehuis, welkom in de tent van iederen Bedoeïnen- of trekherdershoofdman, onuitputtelijk in middelen om de gevaren en bezwaren van den tocht te boven te komen, weet slangenbeten en schorpioensteken onschadelijk te maken of althans de smarten der gewonden te verzachten, hanteert het oorlogswapen even vaardig als het jachtgeweer, heeft het woord van den profeet op de lippen en in het hart, spreekt de „Fatiha” telkenreize, als men weêr opbreekt, is Moeeddin en Imam op de voorschreven tijden,—met één woord, hij is het opperhoofd van het veelledig lichaam, dat de woestijn doortrekt. In die woeste gedeelten, waar niets den weg aanduidt, dien andere karavanen hebben gevolgd, waar achter de verzenen van den laatsten kameel de wind elk spoor uitwischt van al de vorigen, ontdekt hij teekens, die niemand anders ziet, en vindt hij den rechten weg. Wanneer de droge, onheilbrengende woestijndamp het licht der sterren verduistert, gaat voor hem eene geestelijke ster op; hij keurt het zand, meet deszelfs golven, merkt de richting en ondervraagt den grashalm naar de hemelstreek. Blindelings volgt hem de geheele karavaan, en vol vertrouwen stelt de reiziger zijn lot in diens handen. Overoude, gedeeltelijk zeer eigenaardige, nimmer beschreven en toch een ieder bekende wetten stellen hem verantwoordelijk voor het welgelukken der reis, voor het leven der afzonderlijke personen, wanneer althans geen beschikkingen van het noodlot, waartegen niemand iets vermag, hier hinderend in den weg treden.In het heilig uur, omstreeks het namiddaggebed, stelt zich de aanvoerder voor het aangezicht der reizigers en drijvers, om hen aan te[262]kondigen, dat alles gereed is, zoodat men op kan breken. De bruine mannen verspreiden zich ijlings in alle richtingen om de kameelen op te vangen, deze te zadelen en te beladen. Vol tegenzin gehoorzamen deze dieren, die er een voorgevoel van schijnen te hebben wat hun wacht. Een aantal moeilijke dagen teekenen zich met schrille kleuren voor hun geest af. Thans ishuntijd gekomen. Brullend, schreeuwend,knorrend, laten zij zich op de saamgebogen voorste ledematen neder, hiertoe door hun gebieders aangemaand met ettelijke onverstaanbare keelgeluiden en zachte zweepslagen; brullend onderwerpen zij zich, wanneer de last op den bultigen rug wordt gelegd; brullend staan zij op, wanneer de hun toegedachte last is ontvangen. Velen verzetten zich door te slaan en te bijten tegen het beladen, en er behoort inderdaad een onuitputtelijk geduld toe, zulke weêrbarstige schepsels tot rede en plicht te brengen. Maar geduld en takt behalen zelfs de overwinning op kameelen. Op hetzelfde oogenblik dat het dier zal gaan knielen, treedt een der drijvers op de saamgebogen voorpooten en grijpt snel het bovendeel van den getanden bek om door een druk op den neus elk oogenblik de ademhaling te kunnen beletten; twee anderen beuren den aan beide kanten gelijk verdeelden last op het draagzadel, terwijl een vierde de hechtpennen door de lissen schuift. Het dier is bevracht nog voor het recht tot bezinning is gekomen. Zijn alle kameelen beladen, dan vangt de reis aan.Maar nu worden ook de uitstekend gezadelde rijdieren voorgebracht. Iedere reiziger bevestigt de voor hem onontbeerlijkste reisbenoodigdheden en wapenen op en aan het hooge, komvormige, voor den bult aangebrachte zadel, en maakt zich gereed zijn rijdier te beklimmen. Voor den nieuweling is zulks gewoonlijk noodlottig. Men moet met een forschen sprong in het zadel springen en de kameel staat op zoodra de ruiter het zadel aanraakt. Ruksgewijze staat het dier op, eerst steunende op het handgewricht, dan op de lange achterpooten en daarna op de voorpooten. Bij den tweeden ruk wordt de leerlingkameelrijder gewoonlijk uit het zadel geworpen, om zijne moeder, de aarde te kussen, of hij valt op den hals des diers, waaraan hij zich nu tracht vast te klemmen. Maar de kameel is veel te slecht van humeur dan dat hij zoo iets als eene grap of een ongeluk zou opvatten. Een boosaardige kreet ontsnapt aan zijne leelijke lippen; hij loopt met het aan zijn hals hangend, niet zeer benijdenswaard menschenkind snel weg, en schudt dien zoolang en zoo hevig, totdat ruiter en last beide zijn[263]afgeworpen. Het duurt geruimen tijd voor de westerling heeft geleerd hoe het aan te leggen om vast in het zadel te blijven zitten terwijl het dier opspringt. Het middel evenwel is eenvoudig; men moet op het juiste oogenblik het bovenlichaam naar voren en naar achteren buigen.Wat ons betreft, wij werpen ons met de behendigheid van inboorlingen in het zadel, klappen met de zweep om het dier tot loopen aan te zetten, houden het door middel van een dunnen neustoom in bedwang, en snellen, den aanvoerder volgende, vooruit. Onze rijkameel, een slank, licht gebouwd, hoogbeenig dier, vervalt oogenblikkelijk in dien gelijkmatigen, aanhoudenden, wijdgestrekten en daardoor ongemeen vorderenden draf, waaraan men het van zijn jeugd af aan gewend heeft—waardoor het dan ook zich gunstig onderscheidt van alle andere lastdieren—en kleeft als het ware aan de voetzolen van zijn voorganger.De dieren strekken allen hun kleine koppen recht vooruit; vaardig en licht bewegen zich de pooten onder het lijf; een wolk van stof en steentjes wordt in de lucht geworpen. De boernoe’s fladderen in den wind; wapens en gereedschappen kletteren tegen elkander; een aansporend geroep weêrklinkt door de lucht—de reislust ontplooit de vleugels der ziel. Weldra is de vooruitgegane goederenkaravane ingehaald, weldra zijn de laatste sporen van menschelijke woonplaatsen uit het gezicht verdwenen, en naar alle zijden strekt zich de eindeloos schijnende woestijn uit.Van alle zijden scherp begrensd, bedekt dit uitgestrekte, eigenaardige rijk het grootste deel van Noord-Afrika, van de Roode zee tot den Atlantischen oceaan, van de Middellandsche zee tot de steppe, geheele landen in zich sluitende, vruchtbare landstreken omgevende, duizendvoudig afwisselende en in hoofdtrekken toch zichzelf gelijk blijvende. Dit wonderrijk gaat in vlakte-inhoud Duitschland negen- à tienmaal, de Middellandsche zee drie- à viermalen te boven. Geen sterveling heeft het voor goed doorvorscht, niemand heeft het nog in zijn geheel doorreisd; maar ieder inboorling, die het betrad en er een gedeelte van doortrok, werd tot het binnenste van zijn gemoed getroffen door deszelfs grootte en majesteit, door de bekoring en den schrik, die er van uitgaan; een ieder, tot den meest prozaïschen westerling, die er vertoefde, heeft zich den zengenden zonnegloed zijner dagen, den hemelschen vrede en de fantastische droombeelden zijner nachten, de[264]tooverijen zijner verhitte, sidderende lucht, de vreeselijkheid zijner bergenbewegende stormen, onuitwischbaar, onuitdelgbaar in de ziel geprent, en velen verging het wellicht als de geboren zoon der woestijn—hij verlangde met smart naar haar terug te keeren; hij wenschte nog slechts eenmaal een enkelen dag, een enkel uur in haar te ademen, nog eenmaal in werkelijkheid de beelden te aanschouwen, de „onuitgesproken akkoorden” in de ziel doen sidderen, die de woestijn in de harten van dichterlijk gestemde menschen opwekt en te voorschijn roept; een innig heimwee beving zijn ziel.Werkelijk en waarachtig, zij is „El Bahhr bela maa”—de zee zonder water, een pendant van den Oceaan. Geenszins afhankelijk van dezen, gelijk de andere deelen der aardoppervlakte, want in haar gaat de macht van het levenwekkend en onderhoudend element te niet. „Het water omsluit rustig het al”—de woestijn alleen omsluit het niet. Over de geheele wereld dragen de winden de boden der zee, de wolken—maar deze verdwijnen voor de gloeihitte der woestijn. Zelden ziet men in haar een lichten, nauw waarneembaren nevel, zelden aanschouwt men er in den vroegen morgen op de bladeren den vochtigen adem van den nacht. Morgen- en avondrood zelfs zijn hier slechts een waas, dat terstond na zijn geboorte weder wordt opgelost. Overal, waar het water de heerschappij erlangt, herschept het de woestenij in een vruchtbaar landschap, al zij het nog zoo gering, maar op dezelfde plaats, waar dit eindigt, treedt wederom de andere scherp begrensd in ’t leven. Waar de laatste, door het menschelijk vernuft boven den stroomspiegel omhoog geheven golf van den goddelijken Nijl in het zand verdwijnt, verschijnt de woestijn; de eene voet des reizigers, die de richting naar de Nijlbergen inslaat, staat in het groene korenveld, de andere in de woestijn. Want het is niet zoo zeer het zand, dat den plantengroei belemmert, maar veeleer de verzengende, schroeiende hitte, die in dat zand heerscht. Op plaatsen, waar het vochtig wordt gehouden, waar nu en dan het water er overheen vloeit, vlijt zich zelfs midden in de woestijn een vriendelijk, groen tapijt over de anders dorre aarde, en ontspruiten ook daar struiken en boomen.Arm, onbegrijpelijk arm is de woestijn, maar dood daarom niet, allerminst voor hen, die er leven zoeken en dit weten op te sporen. Hij, die met een stompzinnig oog door de woestijn trekt, ziet voorzeker niets dan zandige vlakten en rotskegels, kale laagten en naakte gebergten, ziet wellicht zelfs de spaarzaam verspreide rietachtige grassen en[265]struikachtige boomen der diepere kommen over ’t hoofd, en eveneens de weinige levende wezens, die ook hier nog verblijf houden; maar hij, die de kunst van zien verstaat, ziet oneindig meer. Voor stompzinnige menschen is de woestijn niets anders dan een gebied van verschrikking; zij laten zich door de hitte, die hier des daags heerscht, zoo zeer ter neêr drukken, dat zelfs de heerlijke nacht hun geen troost, geen vernieuwde kracht meer schenken kan; zij rijden moedeloos de woestijn in en verlaten haar huiverend; zij hebben enkel gevoel voor het ontzettende, enkel gevoel voor de bezwaren der woestijnreis—voor het oneindig verhevene der woestijn is hun hart te klein. Wie haar werkelijk leerde kennen zooals zij is, oordeelt anders.Arm is de woestijn, maar dood is zij niet. Reeds de gesteldheid des bodems, al moge deze ook in ’t algemeen zijn karakter getrouw blijven, is aan velerlei afwisseling onderhevig. Ver in het rond is hier de woestijn eene rotszee met kegels van uiteenloopenden vorm, steil afdalende wanden, diep ingesneden ravijnen, scherp gekante graten en vreemdsoortig op elkander gestapelde toppen, die nu eens door den voortdurend waaienden wind met zand worden bedekt, dan hiermede worden opgevuld, straks daarvan bevrijd. Maar onophoudelijk worden zij bewerkt, gepolijst, uitgehold, gescherpt en toegespitst. Zwarte, in de zon gloeiende zandsteen-, graniet- en syenietmassa’s, zeldzamer kalk- en leigesteenten, hier en daar ook nog vulkanische vormingen, bouwen zich op tot ketens van sterk sprekenden vorm; de wind, die altijd uit denzelfden hoek waait, berooft ze van elke bedekking, drijft het fijne zand zonder verpoozing over de kruinen, om deze wanneer de wind tot een storm is aangegroeid, als in een dichten sluier te hullen, die dan eerst verdwijnt wanneer het zand over de hoogste toppen is heengestoven, om aan de luwzijde van het gebergte goudgele uit het fijnste rolzand bestaande lagen te vormen, die ettelijke meters hoog boven elkander gelegerd, eeuwig in beweging zijn, voortdurend naar beneden schuiven, bestendig weêr van de andere zijde aangevuld worden en uit de verte er uitzien als breede, scherp tegen de donkere hellingen afstekende, bij gunstige verlichting zelfs schitterende linten. Zulke gebergten kan men gerust de kleinoodiën der woestijn noemen. Hij, die het gloeiende zuiden niet kent, is niet bij machte, zich den ongemeenen kleurenrijkdom, den glans, de oneindige bekoorlijkheid voor te stellen, die het weelderige zonnelicht op de eenzaamste, wildste en dorste gebergten in ’t leven roept. Het gebergte[266]der woestijn draagt nimmer een vriendelijk, groen woud; ten hoogste veroorloven de hoogste toppen een kwijnend bestaan aan eenig laag struikgewas, dat in het daarneêrgeslagenvocht in staat wordt gesteld een schraal voedsel te vinden; deze bergen derven het gelispel der beuken, het ruischen der dennen en pijnboomen, het zoet gemurmel, of lustig geklater en luid gebruisch van stroomende wateren, die zilveren linten slingeren om onze hooggebergten, deze omlijsten met groene planten, en elders de kleuren van den regenboog tooveren in het schuim van watervallen en stortbeken; de bergen der woestijn derven het sneeuw- en ijskleed, waarover het avond- en morgenrood een purperenweêrschijnspreidt, en dat de middagszon omkleedt met een schitterend gewaad; zij derven het sappige, frissche groen der weiden, in ’t kort alle bekoorlijkheid en liefelijkheid van de hooggebergten der noordelijke streken des aardbols, en toch zijn zij schier even rijk als deze in kleurenpracht, ja winnen het misschien in verhevenheid en grootschheid van gene. Elke afzonderlijke gordel, elke kleur komt tot gelding. En toch zijn het minder deze, dikwijls zoo levendig gekleurde, soms schril van elkander afstekende lagen, maar nog in veel hoogere mate de spitsen, tanden, rillen, reten en ravijnen der woestijnbergen, die door het voortdurend schuren van het zand de sierlijkste en wonderlijkste vormen erlangden, en waarop het hemelsche licht een heerlijk kleurenspel te voorschijn toovert. Onafgebroken wisselen licht en schaduw met elkander af; voortdurend ontstaan en verdwijnen de kleuren en tinten, en dit schouwspel is zoo aangrijpend, dat wij schier onze bezinning er bij verliezen. Ook de bergen der woestijn bedekken zich met purper in de omarming der eerste en laatste zonnestralen; ook over hen trekt de verte een blauw, aetherisch waas; ook zij leven, want zij erlangen leven door het licht.Op andere plaatsen is de woestijn mijlen in ’t rond zoo effen als een spiegel of ten hoogste eenigszins golvend van oppervlak. Een fijn, goudgeel zand ligt er over uitgestrooid, waarin menschen en dieren eenige centimeters diep inzakken. Hier ziet men dikwijls geen enkelen grashalm, geen eenig levend wezen. De blauwe, meestal effen hemel rust als een koepeldak op deze goudgele vlakte en brengt er het zijne toe bij om zulke plaatsen op eene zee te doen gelijken. De voetsporen van het schip der woestijn worden even schielijk uitgewischt als zij er in afgedrukt werden, geen pad is zichtbaar, zelfs niet de geringste aanduiding van een pad; het kompas werd ook voor zulke plaatsen uitgevonden.[267]Afwisselender, ofschoon niet aangenamer zijn andere gedeelten, welker bodem gevormd wordt door een los, aardachtig, of stoffig zand, en waarin vergiftige kolokwinten of geneeskrachtige sennah ontspruiten. Hier wisselen langgestrekte, lage heuvelrijen af met vlak-komvormige, smalle dalen, waarover een uit de verte beschouwd er frisch uitziend tapijt van de zoo even genoemde planten ligt uitgestrekt. Menschen en dieren mijden zulke streken, omdat zoowel de te voet gaande kameeldrijvers als de kameelen zelf dikwijls een voet diep in den lossen grond zinken. Weer andere gedeelten zijn met grof grint en vuursteenen, hier en daar ook wel eens met sterk ijzerhoudende en met zand gevulde holle kogels bedekt, welke laatste er uitzien, alsof zij door ’s menschen hand waren gevormd, ofschoon men hunne ontstaanswijze nog niet met juistheid heeft kunnen verklaren. Eene enkele maal vindt men op deze plaatsen, alwaar de voetstappen der kameelen blijvende sporen achterlaten, zoodat men hier van woestijnwegen kan spreken, duizenden van kwartskristallen, of afzonderlijk, of groepsgewijs,—inz.g.kristalklieren,—die doen denken aan door eene kunstenaarshand geslepen brillanten. De zon toovert met deze kristallen; die plaatsen schitteren, fonkelen en tintelen op eene wijze, dat het oog zich verblind af moet wenden. In de diepste laagten vormt een stoffige aarde den bodem en hier vindt men onfeilbaar de carexachtige, maar zeer harde, droge, scherpkantige, zwartgroenehalfa, schermvormige mimosa’s, misschien zelfs tompalmen, die getuigen van meer vriendelijk leven.Maar ook de dierenwereld heeft zijn aandeel in het overal optredende leven. Wie de woestijn een doode wildernis noemt, dwaalt evenzeer als hij, die meent, dat zij de woonplaats is van den leeuw. De woestijn is te arm om leeuwen te voeden, maar rijk genoeg om duizenden andere wezens te onderhouden. En alle in haar levende dieren zijn te merkwaardiger, omdat zij zich in alle opzichten zoo zeer kenmerken als echte kinderen der woestijn.Deze woestijnkinderen hebben een kleed, dat zich steeds op het innigste aanpast aan de kleur van den grond, zoodat het veelal zandkleurig is. Maar meer nog dan door dit kleed onderscheiden zij zich door een lichten en sierlijken lichaamsbouw, door opmerkelijk groote, ongemeen scherpziende oogen en fijnhoorende ooren, terwijl hun geheele voorkomen zelfbewustzijn en bescheidenheid uitdrukt. Alle in de woestijn geboren schepselen zijn veroordeeld tot een zwervend leven,[268]want nergens levert een enkele plek genoeg voedsel te alle tijde op om hen te voeden; maar de woestijn schonk aan haar kinderen eene door niets geëvenaarde vlugheid, grenzenlooze onvermoeidheid en eene zich nimmer verloochenende volharding; zij scherpte de zintuigen, zoodat zelfs het weinige, dat zij aanbiedt, kan opgespeurd worden, en verleende eindelijk een kleed, dat zoowel beschermt als verbergt, dat voor den aanval en bij de vlucht meer dan doeltreffend moet genoemd worden; zij maakte alzoo haar kinderen geschikt om een, weliswaar sober, maar daarom geenszins vreugdeloos bestaan te voeren.GAZELLEN IN DE SCHADUW EENER MIMOSA.GAZELLEN IN DE SCHADUW EENER MIMOSA.[269]Tengevolge van het allen woestijndieren eigen, met de omgeving ineensmeltend kleed, ontwaart de reiziger, zoo hij niet een geoefend waarnemer is, althans aanvankelijk weinig van de hem omringende dierenwereld. Dientengevolge schijnt de woestijn veel armer dan zij werkelijk is, en zulks nog te meer, dewijl de meeste harer bewoners eerst tegen de schemering of nog later hun rust- en schuilplaatsen verlaten om het leven aan te vangen; enkele woestijndieren vallen evenwel gemakkelijk ook minder geoefende oogen in ’t gezicht. Men moge dewoestijnleeuwerikenvoorbijzien, alhoewel juist deze vogels op zeer merkwaardige wijze de overeenstemming tusschen gevederte en grond, alsmede hunne onevenredig ontwikkelde bewegingswerktuigen in ’t oog doen vallen, onmogelijk kan men de woestijnhoenders niet opmerken, en wie achteloos de onderaardsche woningen der springmuizen voorbijrijdt, diens aandacht zal toch door eene in de nabijheid grazende gazelle moeten getrokken worden.Ook deze mag men een typisch gevormd woestijndier noemen. Ofschoon over ’t algemeen evenredig gebouwd, schijnen kop en zinsorganen bijna te groot en de ledematen al te dun, schier ongelukkig. Maar die kop omsluit in zijn schedelholte hersenen, die eene bij herkauwers zeer ongewone schranderheid en geestelijke werkzaamheid in ’t leven roepen; daarenboven zijn deze ledematen als uit staal geformeerd, ongemeen krachtig en elastisch, zoodat zij eene groote bewegelijkheid en onvermoeide volharding mogelijk maken. Wie de gazelle niet anders dan in den gevangen staat, in eene enge ruimte zag, kan zich niet voorstellen hoe dit dier in de woestijn optreedt. Welk eene bewegelijkheid, vlugheid en taaiheid, sierlijkheid en lieftalligheid ontplooit het daar! Hoe passend werd juist de gazelle door den oosterling en vooral door den woestijnbewoner gekozen tot zinnebeeld van vrouwelijke schoonheid! Zich verlatende op haar zandkleurig gewaad, alsmede op hare ongemeene bewegelijkheid en snelheid, staart zij schijnbaar onbezorgd met hare heldere oogen kameel en ruiter in ’t gelaat.Zonder van vrees te laten blijken graast zij voort, niettegenstaande de karavane nadert. Van de bloeiende mimosa’s neemt zij een knop of een sappig twijgje, tusschen het scherpe halfa vindt zij een malsch halmpje. Steeds nader rukken de ruiters. De gazelle heft den kop op, luistert, ruikt, kijkt weder, springt eenige schreden vooruit en doet als vroeger. Bliksemsnel drukken de elastische pooten tegen den grond, en voort snelt zij, zoo schielijk, zoo licht, zoo bevallig, zoo sierlijk, als ware haar die[270]snelle beweging slechts spel en scherts. Met de snelheid der gedachte rent zij over de zandige vlakte, groote steenen en tamarindenboschjes in vliegende vaart overspringende. Zij schijnt de aarde niet meer aan te raken; het lied der woestijn is in haar belichaamd, zoo bekorend werkt zij door haar onvergelijkelijke bevalligheid en vlugheid. Slechts enkele minuten zijn voldoende om haar aan alle gevaar te onttrekken, want tevergeefs spant zich de beste draver in om haar na te rennen; geen windhond zelfs vermag haar in te halen. Weldra matigt zij haar loop; nog enkele oogenblikken en zij staat stil om weder te oogen en te kijken als straks. Plaagziek als zij is, laat zij den moordlustigen ruiter, die aanvangt haar in vollen ernst te vervolgen, naderbij komen, en voorzichtig onttrekt zij zich herhaalde malen aan zijn doodelijk wapen, totdat zij eindelijk verschrikt, onverwijld elk verder gevaar ontloopt. Langer vlucht zij, en steeds ranker worden lijf en leden, steeds flauwer de omtrekken, meer en meer verdwijnt zij op de zandige vlakte en eindelijk is zij in deze geheel opgenomen; het is alsof zij in een nevel werd opgelost. Het geboorteland heeft haar gedekt en geborgen, op tooverachtige wijze aan het oog ontrukt, aan elke waarneming onttrokken. Maar naarmate het oog haar verloor, herleeft zij in het hart. Want ook de westerling moet nu begrijpen, waarom de gazelle in het dichterlijk gemoed van den oosterling zulke heerlijke bloesems deed ontluiken, waarom de laatste dit dierlijk wezen zoo oneindig hoog stelt, waarom hij het oog, dat zijn hart deed ontvonken, bij dat der gazelle vergelijkt, en den hals, om welken hij in het vuur der liefde zijn armen houdt geslagen, den hals eener gazelle noemt; waarom de woestijnbewoner in de tent zijner gade, die vol zoete verwachting is, eene tamme gazelle brengt, opdat zij zich moge verkwikken aan het schoone oog en dit als eene erfenis schenken aan het verwachte pand der liefde, en waarom de vrome zanger in de sierlijke antilope het zinnebeeld aanschouwt van zijn verlangen naar het verhevene. Want ook op hem, den wereldmoede, daalde het vuur, dat ontvonken deed voor de lofliederen op dit dier, en de aderen der poëzie deed openen.Minder liefelijk, maar toch niet minder in ’t oog vallend, treden andere woestijndieren op. Tusschen spaarzaam verspreide halfastengels loopt een talrijk heer van vogelen, zoo groot als duiven, trippelend heen en weder. Scharrelend en met den snavel arbeidende, pikken zij naar voedsel. Onbevreesd laten zij de ruiters tot op minder dan honderd schreden naderen. Met behulp van een goeden kijker is men in staat[271]iedere beweging en zelfs de meest in ’t oog vallende kleuren van ’t gevederte waar te nemen. Met gedoken kop, ingetrokken hals en horizontaal uitgestrekt lichaam loopen zij heen en weêr, om allerlei zaden, de weinige korrels, die de woestijngrassen opleveren, jonge uitspruitsels en insekten op te zoeken. Enkelen speuren nu en dan met uitgestrekten hals in ’t rond, anderen daarentegen woelen argeloos in het zand, poetsen hun gevederte en strijken dit glad, of leggen zich half op den buik, half op de zijde om zich in het zonnetje te koesteren. Men kan dit alles duidelijk zien, het aantal vogels tellen en zich vergewissen dat er meer dan vijftig, ja bijna honderd zijn. Zou er een woestijnjager bestaan, die aan deze verleiding weêrstand kan bieden? Zeker van den buit, schuift de nog onervaren jager zijn kijker in, neemt het geweer ter hand en rijdt langzaam op de bonte schaar af. Maar daar verdwijnen de vogels voor zijn oog. Geen enkele liep weg of vloog heen, en toch zijn zij verdwenen. Het is alsof zij door de aarde zijn verzwolgen. In werkelijkheid hebben zij, zich verlatende op de overeenstemming van de kleur van hun gevederte met die van den grond, zich aan de aarde aanvertrouwd, d.w.z. zich plat op den grond uitgestrekt. Op hetzelfde oogenblik zijn zij tot steenen en zandhoopjes geworden. De nog ongeoefende jager rijdt op hen af zonder ze te zien, en schrikt op, wanneer zij zich bliksemsnel verheffen, onder luid geschreeuw en getier opvliegen, en suizend wegstormen. Gelukt het hem evenwel een vogel te schieten, dan staat hij niet minder verbaasd over de ongewone kleur en de zeldzame teekening der veêren dan over hun vreemd gedrag. De zandkleurige, nu eens meer in ’t grijze, dan meer in ’t helder geel spelende kleur der bovenzijde is afgezet door en sierlijk getooid met breede banden, smalle strepen, prachtige randen, moesjes, punten, vlekken, streepjes en striemen, zoodat men zou meenen, dat zulk een hoen reeds van verre zichtbaar moest zijn; maar die mengeling van kleur is slechts eene trouwe kopie van de kleur van het zand zelf, en elke donkere, elke lichtere plek, elk steentje, iedere zandkorrel wordt op dat gevederte teruggevonden. Geen wonder dus, dat de grond den vogel als het ware in zich opneemt, zelfs diens vorm uitwischt, en het dier niet minder bescherming verleent als hij die vindt in zijn krachtige, met ongemeene snelheid bedeelde vleugels.En daarom vlecht de Arabische poëzie ook om deze hoenders de bloemrijkste beelden en gedachten; hun schoonheid toch boeit het oog[272]en hunne meer dan gewone vlugheid wekt een smartelijk verlangen in het hart van den aan den grond geketenden mensch.Alle overige woestijndieren dragen hetzelfde karakter als de beide voorgaande.Er leeft in de woestijn een soort van losch,karakalgeheeten; deze is veel slanker, hooger op de pooten, langooriger en grooter van oogen dan alle andere losschen, ook niet gestreept of gevlekt, maar tot op de zwarte oorspitsen, oogstrepen en lipvlekken na zandkleurig, en naar gelang der streek, die hij bewoont, lichter of donkerder, rooder en minder rood van tint; er leeft een vossensoort, defennek, de dwerg der geheele hondenfamilie, met een isabelkleurig kleed en reusachtig groote ooren.De woestijn brengt een knaagdier voort, de z.g. springmuis, een haasje van dwergachtige, kengeroe-gedaante, met verbazend hooge achterpooten, zeer onontwikkelde voorpootjes en een aan twee zijden behaarden staart, die de lengte bezit van ’t geheele lichaam; het overtreft alle andere knaagdieren wat onschuld en goedaardigheid aangaat, maar ook in snelheid en vaardigheid. Denzelfden stempel dragen de vogels, reptielen en zelfs de insekten, en dit karakter verloochent zich nooit, hoe veel afwisseling vorm en kleur ook mogen aanbieden. Komt naast het zandgeel ook nog eene andere kleur tot uitdrukking, ziet men in het haar, vederkleed of in de schubben ook nog zwart of wit, aschgrijs of bruin, rood, blauw enz. dan komen zulke, het dier meestal enkel tot sieraad dienende kleuren toch altijd slechts op zulke plaatsen te voorschijn, die men niet kan bespeuren, wanneer men het oog van boven of van terzijde op het dier richt. Verheft zich evenwel te midden der woestijn een hoog gebergte, dan weêrkaatst zich dat uiterlijk ook terstond weder in de daar levende dierenwereld; op de grauwe rotsen van Arabiës hooggebergte klautert de woestijn-steenbok en woont de klipdas, nestelt de gierarend, bevolkt een niet onaanzienlijk soortental van andere vogels de kammen en kloven, de hellingen en de dalen, terwijl van de zwarte rotsen der lagere woestijngedeelten alleen de inktzwarte rouwtapuit zijn helder, klankrijk lied laat hooren. Zoo openbaart zich de harmonie der woestijn in al hare afzonderlijke partijen, in ieder harer schepselen, en zoo verhoogt zij juist hierdoor den indruk, dien zij op elken nadenkenden, gevoelvollen en naar lichaam en ziel krachtigen mensch, reeds op den eersten dag, dat hij de woestijn betreedt, uitoefent, en welke invloed met iederen volgenden dag slechts grooter wordt.[273]Volle kracht, ontvankelijkheid en gevoel vraagt de woestijn ongetwijfeld van iederen mensch, die haar wil leeren kennen, en die zich in zekere mate in haar wenscht thuis te gevoelen. Wie de moeilijkheden der reis, gelijk zij oplevert, niet kan verdragen, wie hare zon vreest, wie door haar zand wordt afgeschrikt, blijve ver van haar. Zelfs bij een helderen hemel, bij een rustige lucht, ja bij een koel windje uit het noorden is en blijft een dag in de woestijn een moeilijke dag. Bijna plotseling, haast zonder schemering vangt hij zijn heerschappij aan. Slechts in de nabijheid der zee of in die van groote, de woestijn doorstroomende rivieren omzoomt Aurora den oostelijken horizon met een purperen rand; te midden der uitgestrekte zandvlakten verschijnt met het eerste morgenrood ook onmiddellijk de zon. Zij verheft zich boven de zandzee als een vuurbol, die elk oogenblik dreigt te barsten, om zijn stukken in alle richtingen weg te slingeren. Zoodra is niet de zon verrezen, of ook de morgenkoelte is voorbij, en schiet zij gloeiende stralen op het aardrijk als ware reeds de middag gekomen. De uit het noorden waaiende, dikwijls werkelijk verkwikkende, frissche, maanden lang aanhoudende wind, verhindert wel is waar soms, dat de ongelijk door de warmte uitgezette luchtlagen het voorkomen aannemen van eene zee, maar zooveel afkoeling brengt deze wind toch niet te weeg, dat het eigenaardig sidderen der onderste lagen wordt weggenomen. Hemel en aarde stralen in een overvloedig licht; een onbeschrijfelijke hitte stroomt van de zon uit en kaatst van het zand naar boven terug. Licht en hitte nemen met ieder uur toe, en machteloos staan mensch en dier daar tegenover.De karavane is met den eersten zonnestraal opgebroken en trekt stilzwijgend voort. In de verte draven de lastkameelen, met elastischen tred loopen de drijvers er naast of er achter, in vollen draf rennen de rijkameelen, matig aangezet, deze voorbij en het andere gezelschap vooruit; weldra hebben de ruiters het lastdragend gedeelte uit het gezicht verloren. Voorwaarts gaat het zoo schielijk mogelijk. Al onze beenderen dreigen onder het stooten der zich haastende rijdieren te breken; zengend brandt de zon op ons, haar steken dringen door de kleederen, al verdubbelt men ook derzelver aantal. Onder die dichte bedekking dringt het zweet van het voorhoofd, van het geheele gelaat, van het geheele lichaam, en daar waar men losser gekleed is, op de armen en beenen, verdampt het vocht zoodra het ontstaat. De tong kleeft aan het gehemelte. Water, water, water! is het eenig denkbeeld, dat oprijst[274]bij hem, die nog niet heeft geleerd zulke bezwaren te verdragen. Maar het water is, naar lands gebruik, niet in ijzeren kisten en flesschen, maar in lederen zakken geborgen; dagen achtereen heeft het in den vollen zonnegloed op den rug der kameelen gelegen en is alzoo meer dan lauw, kwalijk riekend, dik, bruin van kleur, daarenboven doortrokken van den smaak van leer en kolokwintenteer en dientengevolge walgelijk van smaak, ja zelfs braakverwekkend. Zulk water laaft niet, integendeel het veroorzaakt nieuwe bezwaren, zelfs smartelijke buikpijnen, zoodat de begeerte naar een anderen drank nog sterker wordt. Er bestaat echter geen middel om het te verbeteren, evenmin als om het te vervangen. De doordringende reuk en smaak spotten met alle pogingen om het in den vorm van koffie of thee, of vermengd met wijn of brandewijn te genieten; enkel wijn en brandewijn verhoogen wederom den brandenden dorst en de drukkende hitte. De toestand der reizigers wordt onuitstaanbaar nog vóór de zon hare middaghoogte heeft bereikt, en de ellende neemt in gelijke mate toe als het water slechter wordt. Maar het leed moet verdragen worden en het wordt verdragen. Kan de westerling zich nimmer gewennen aan het water, aan de in den beginne ondragelijk schijnende hitte gewent hij zich spoedig, aan de bezwaren van het rijden te eerder, hoe meer hij met zijn rijkameel één wordt. In het vervolg zal hij voor goed, zuiver water zorgen en dan zal hij weinig meer over de hitte, in ’t geheel niet meer over de moeilijkheden, die het rijden veroorzaakt, klagen.Behagelijk rustend, alhoewel onzacht gewekt door de brullende klaagliederen der opbrekende lastkameelen, laat de bewoner des lands de goederenkaravanen vooruittrekken, laaft lijf en ziel aan koffie en tabak, beklimt dan zijndromedarisen jaagt met zijn kameraads zoo schielijk voort als de rijdieren maar loopen willen. Geen woord wordt er gewisseld, alleen het knarsen van het zand onder de elastische voetzolen, het luide ademhalen en doffe, kolderende knorren der kameelen wordt gehoord. In weinige oogenblikken is de goederenkaravane ingehaald en heeft men zelfs aanmerkelijk op deze gewonnen. Een gazelle graast niet ver van den weg en geeft hoop op een buit, die hier hoogst welkom is. Met bekoorlijke sprongen huppelt de belichaamde woestijngedachte des dichters voor de vervolgende ruiters uit, met wijdgestrekte schreden draven de sterk aangezette kuchende kameelen het dier achterna. Het wild schijnt zorgeloos en laat ons naderbij komen; de ruiters nemen den schijn aan als wilden zij het[275]voorbijrijden, houden de kameelen in en vorderen langzamer; een hunner laat zich uit het zadel glijden, doet zijn dier een oogenblik stil staan en schiet onder diens lijf de nimmer missende buks af. In een oogwenk is de aanvoerder uit het zadel gesprongen om zich van het gevelde wild meester te maken; juichend sleept hij het mede, hecht het aan zijn zadel, en verder trekt de schare.Tegen den middag wordt er rust gehouden. Bevindt zich een laagte in de nabijheid, dan staat daar allicht eene mimosa, wier ijle bladerenkroon een weinig schaduw biedt; strekt zich eeneonafzienbarezandvlakte rondom de ruiters uit, dan vormen vier in den grond gestoken lansen en het daartusschen gehangen wollen tapijt een armoedig schaduwdak. Maar gloeiend is het zand, dat tot rustplaats zal dienen, heet en drukkend is de lucht, die men inademt; matheid en slapheid overvallen zelfs den inboorling,—hoeveel te meer dus den westerling. Men snakt naar rust, maar kan ze niet vinden; naar verkwikking, en deze blijft uit. Verblind door het schitterend licht en de flikkerende lucht, sluit men de oogen; gekweld door de zengende hitte, gepijnigd door den brandenden dorst, wentelt men zich slapeloos op zijn leger om en om. Loodzwaar kruipen de uren voort.De goederen-karavane trekt langzaam voorbij en verdwijnt in een nevelige luchtzee, op welker golvende lagen de kameelen schijnen te zweven. Nog altijd verwijlt men in denzelfden toestand en lijdt men onder dezelfde bezwaren. De zon is reeds lang op het hoogst geweest, maar nog altijd schieten haar gloeiende stralen met onverminderde kracht naar beneden. Eindelijk, het is reeds laat in den namiddag geworden, breekt men opnieuw op. Wederom volgt een rit zoo snel, dat de schielijke beweging ons bijna een verkoelenden luchtstroom tegenzendt; wij moeten de lastkaravane weder inhalen. Zij is ingehaald; zingend loopen de kameeldrijvers achter de dieren. Een hunner is voorzanger, de anderen vallen bij den laatsten regel van elk vers en steeds met hetzelfde slotrijm in.Wanneer men bedenkt hoe moeilijk eene woestijnreis voor een kameeldrijver is, dan verwondert men er zich over, dat men hem hoort zingen. Voor het aanbreken van den dag belastte hij zijn dier, na alvorens eenige handvollen doerrahkorrels, beider eenig voedsel, met zijn kameel gedeeld te hebben; zoo lang de dag duurt drentelt hij achter zijn dier, zonder eene enkele bete meer te nuttigen, ten hoogste zich nu en dan lavende aan het stinkende water der lederen[276]zakken; de zon brandt op zijn schedel, het gloeiend zand zengt zijn voetzolen, de heete lucht droogt zijn van zweet druipend lichaam; voor hem was er geen tijd om te rusten, ja wellicht moest hij enkele zijner dieren nog omladen of sommige opvangen, die weggeloopen zijn—en toch zingt hij thans zijn lied. Het is de tooverkracht van de woestijnlucht, die deze stemming uitlokt.Wanneer de zon ter ruste gaat, schijnen de lichamen dezer uitgedroogde kinderen der woestijn opnieuw op te leven; want ook zij gelijken in alles op hun verhevene moeder, de woestijn. Met deze verbranden zij op den middag, met haar bloeien zij op in den nacht. Zoodra de zon ter kimme neigt, weeft hun dichterlijk talent, nog vóór de slaap is gekomen, gouden droomen. De zanger prijst de waterrijke bronnen, de palmboschjes, die deze omringen, en de donkere tenten, die er onder op zijn geslagen; hij begroet een bruin meisje in de tent, dat hem den heilsgroet brengt, roemt haar schoonheid, vergelijkt haar oogen met die der gazelle, haar mond met een roos, wier geur als woorden in zijn oorschelpen tot een parelensnoer zich aaneenrijgen, versmaadt om haar de eerstgeboren dochter des sultans en zegent het uur, dat hem in staat zal stellen zijne tent met haar te deelen. Zijn makkers vermanen hem evenwel nog hoogere verlangens te koesteren en richten deswege telkens zijn gedachten op den profeet, „die onze wenschen en zoete verlangens bevredigt.”Zoo klinkt dat lied den vreemdeling uit noorderlanden tegen, en ook bij hem komen er vaderlandsche liederen op de lippen. En wanneer dan de laatste rozengloed der ondergegane zon tegen het luchtruim weêrspiegelt, wanneer de nacht haar tooverkleed over de woestijn uitspreidt, dan is het hem alsof het zwaarste nog licht is gevallen en alsof hij gedurende de hitte des daags geen dorst, gedurende den rit geen bezwaren heeft gevoeld. Vroolijk springt hij uit het zadel, en terwijl de drijvers hun kameelen ontladen en vastbinden, effent hij het zand en hoopt het op tot een nachtleger, spreidt hij er tapijten en dekens over uit en geeft hij zich met wellust over aan de vurig verlangde rust.Slechts weinige schreden in ’t rond verlicht het kleine vuur de vlakte. Vlijtig weren zich de halfnaakte, donkere zonen der woestijn daar om heen. De vlam werpt op deze lieden, die in de schemering van den nacht tot schaduwen worden, een tooverachtig licht; balen, kisten, zadels en gereedschappen, alles neemt de vreemdste gedaanten aan; de[277]kameelen, die buiten de bagage in een wijden kring zijn gelegerd, veranderen in spookgestalten, vooral wanneer hun oogen, door het vuur beschenen, tot vurige kogels worden. Stiller en stiller wordt het in het leger. De eene woestijnzoon na den anderen verlaat de kameelen, met wie hij zijn armzalig avondeten heeft gedeeld, hult zich in zijn lang gewaad, gaat liggen en smelt in een met het zand. Het vuur flikkert nog eenmaal op, verliest zijn glans en dooft uit. Het is werkelijk nacht geworden in het leger.EENE OASE.EENE OASE.Wie zal hem beschrijven, den nacht in de woestijn? Het moet een dichter zijn bij de gratie Gods.Wie is bij machte—al had hij hem zelf doorleefd, doorwaakt, doorzwelgd, doorgedroomd—diens schoonheid naar eisch te malen? Na de hitte van den dag is hij de milde, vergoedende en verzoenende heilaanbrenger, de vrede- en vreugdeschenker, dien de man met niet minder verlangen te gemoet ziet als de geliefde, wier komst zoo lang met smart werd verbeid. „Leïla”, de sterheldere nacht der woestijn, Leïla is den Arabier de verpersoonlijking van al wat hoog is en heerlijk,[278]Leïla noemt hij zijn dochter; met de woorden: „mijn sterheldere nacht” vleit hij minnekoozend zijn geliefde; „Leïla, o Leïla” luidt steeds het slotrijm van al zijn liederen. Maar welk een nacht is het ook, die hier in de woestijn, na de vele vermoeienissen en bezwaren van den dag, de zinnen en het hart omstrikt! In ongekende klaarheid en helderheid fonkelen de sterren aan het donker gewelf des hemels; het licht der meest nabijzijnden werpt zelfs een zwakke schaduw op den licht gekleurden grond. Met volle teugen ademt de mensch de zuivere, verkoelende, verkwikkende lucht in; vol verrukking laat hij het oog dwalen van de eene zon naar de andere. Meer en meer schijnt het licht der sterren tot hem af te dalen; zijn geest verbreekt de boeien, die hem aan het stof ketenen en houdt een samenspraak met andere werelden. Geen geluid, geen gedruisch, zelfs niet het sjirpen van een sprinkhaan stoort de gedachten. Nu eerst openbaart zich aan hem de majesteit en verhevenheid der woestijn; haar onuitsprekelijke vrede maakt woning in zijn hart. Maar ook een trotsch gevoel van eigenwaarde dringt zich bij hem op; hier, te midden der oneindige eenzaamheid, zoo alleen, zoo buiten alle gemeenschap met de menschenwerelds enkel op zich zelf aangewezen te zijn, zulks wekt bij hem een gevoel van vertrouwen, moed en hoop. Droombeelden vol bekoorlijkheid treden voor zijn wakend oog en onweêrstaanbaar slepen ze hem meê; zij blijven hem omzweven, ook dan nog wanneer de sterren beginnen te beven, de gedachten hem verlaten en de oogen zich sluiten.Na de verkwikking naar ziel en lichaam, gelijk de woestijnnacht die schenkt, vallen de vermoeienissen den volgenden dag niet zoo zwaar, hoe veel strijd het ook moge kosten het vuile water, dat met elk uur slechter wordt, te drinken.Ware rust evenwel, een door niets gestoord genot wordt eerst verkregen, wanneer men eene bron heeft bereikt. Voortdurend bedreigd door gebrek aan de allereerste levensbehoefte is elke woestijnreis een rusteloos jagen en voorwaarts spoeden, zoodat er geen sprake is van de gemakken, die aan eene reis aangenaamheid bijzetten. De eene dag verloopt even als de andere; elke nacht gelijkt, althans in het gunstige seizoen, op den vorigen. In de oase, aan de bron, wordt de dag een feestdag, de avond een onvergald genot, de nacht een werkelijke, verkwikkende rust.Het ontstaan eener oase is afhankelijk van eene kom of dalvormige verdieping, daar zonder eene altijd wellende bron, ten minste zonder[279]een gegraven put, eene iets weeldigere vegetatie onmogelijk is, en de woestijn nergens anders water oplevert dan in het hooggebergte of in de diepste dalen.Evenals in vele andere opzichten de zandzee een tegenhanger is van den Oceaan, zoo vormen ook de eilanden van dezen eene tegenstelling met die der woestijn; zij liggen nl. niet boven, maar beneden de omringende vlakte. Het water komt hier òf als bron te voorschijn, òf het bevindt zich toch op geringe diepte beneden het oppervlak. De hoeveelheid en de hoedanigheid van dat water bepalen het karakter der oase. In slechts weinige laagten borrelt er een zuiver, koel water uit den grond. De meeste bronnen zijn zout-, ijzer- of zwavelhoudend, zeer dikwijls warm, en uit dien hoofde wellicht geneeskrachtig, maar daarom nog geenszins drinkbaar, of bevorderlijk voor de vruchtbaarheid van den bodem. Slechts onder bijzonder gunstige omstandigheden komt het water aan de oppervlakte te voorschijn; in de meeste gevallen sijpelt het door de spleten der rotsen of in gegraven putten droppelsgewijs bijeen en moet, althans nu en dan, opgepompt worden. En ook daar, waar het opwelt, loopt het in den regel alweder spoedig in het zand weg, indien de mensch niet tusschenbei treedt en het verzamelt en verdeelt. Toch doet het onder alle omstandigheden een jeugdig, in deze woestenijen dubbel welkom leven ontkiemen.Lang vóór de mensch de bron in bezit nam, had zich reeds eene groene plantenwereld daaromheen verzameld. Wie zal ons zeggen hoe deze ontstond? Wellicht was het de zandstorm, die de zaden uitstrooide, welke in de nabijheid der bron ontkiemden, bloeiden en groeiden, en wederom zaden voortbrachten, die zich over het geheele dal verspreidden. Menschen hebben daarin ongetwijfeld geen aandeel gehad, want mimosen, die het voornaamste bestanddeel der vegetatie vormen, ziet men ook in de dalen, waar zich geen bronnen bevinden, nu eens een enkele struik, dan tien, twintig en meer tot een klein boschje vereenigd. Deze alleen kunnen reeds leven aanbrengen; zij groeien, bloeien en geuren—en dat zoo frisch, zoo heerlijk, zoo welriekend! In de vriendelijke schaduw dezer mimosa’s rust de gazelle; uit hare toppen schalt het lied der woestijnzangers. Haar malsch gebladerte verkwikt te midden der stijve kalkmassa’s, der zwarte granietkegels en van het blinkend zand, het oog als meigroen; haar bloesems en schaduw laven de ziel. In groote, aan water meer rijke oasen heeft de mensch den palmboom overgebracht en tusschen de mimosa’s geplant; daarmede[280]verkreeg deze tuin der woestijn nog grooter bekoorlijkheid. De palmboom is hier alles in alles; de koning der boomen, die den mensch aan eene kleine plek gronds ketende en hem alles verstrekt, wat hij voor zijn voeding noodig heeft, de in liederen verheerlijkte, en door de bloesems der sage omrankte boom des levens. Wat was de oase zonder den palmboom?! Eene tent zonder dak, een huis zonder bewoners, eene bron zonder water, een lied zonder woorden, een gezang zonder tonen, eene schilderij zonder kleuren! Zijn vruchten voeden den trekherder of hem, die daar zijn vaste woonplaats heeft opgeslagen; zij veranderen in hun handen in tarwe of gerst, zij bevredigen zelfs den tolgaarder zijns gebieders en meesters; zijn stammen en bladeren leveren hem woningen, huisraad, matten, manden, zakken, touwen en banden. In het zand der woestijn leert men eerst de onschatbare waarde van dien boom kennen, zijn volle beteekenis; in het zand der woestijn erkent men den zin van het symbool, waarvan de Arabische dichtkunst zich bedient. Evenals deze ontspruit hij dikwijls uit een vruchtbaren grond, evenals deze streeft hij krachtig, altijd zichzelf gelijk blijvend, naar omhoog, om ook eerst in de hoogte zoete vruchten voort te brengen.Mimosen en palmen zijn de karakteristieke boomen der oase, en ook daar ontbreken deze planten niet, alwaar het water zoo rijkelijk vloeit, dat men er tuinen en akkers zou kunnen aanleggen. Hier vormen zij als het ware de voorposten tegen het opdringend woestijnzand, maar blijven daar dan ook beperkt tot den buitenrand der woestijneilandjes, terwijl het inwendige ingenomen wordt door planten, die behoefte hebben aan meer water. In de nabijheid der bronnen of aan den put breiden zich dikwijls tuinen uit, waarin men soms schier alle vruchten van Noord-Afrika aanbouwt. Hier rankt de druif, gloeit de oranjeappel tusschen het donkere loof, opent de granaat zijn rooskleurigen mond, spreidt de banaan zijn gevinde bladeren uit, omslingert de meloen de groentebedden, en voltooien de vijgencactus en olijfboom, misschien zelfs wel vijgen-, abrikozen- en amandelboomen het beeld der vruchtbaarheid. Op verderen afstand bevinden zich akkers, waarop althans kafferkoren, in een gunstig geval tarwe en rijst verbouwd worden.In zulke rijke oasen heeft de mensch vaste woonplaatsen opgeslagen, terwijl hij in de meer arme laagten slechts nu en dan, op meer of min geregelde tijden, gastvrijheid zoekt. Het dorp of stadje der oase verschilt weinig van de bewoonde plaatsen der naburige vruchtbare[281]landen; men vindt ook hier eene moskee, bazars en koffiehuizen; de menschen echter zijn kinderen van een anderen geest dan de boeren en stedelingen van den Nijl of van de kustlanden. Ofschoon meestal van verschillenden stam hebben zij toch gelijke zeden en gewoonten aangenomen. De woestijn heeft hen omgestempeld. Hun magere gestalte, scherpe gelaatstrekken, hunne door zware wenkbrauwen beschaduwde, fonkelende oogen doen hen terstond kennen als zonen der woestijn; nog sterker vindt men dit uitgesproken in hunne zeden en gewoonten. Zij zijn vrij van aanmatiging, ijverig, wakker en tevreden, gastvrij, open, eerlijk en trouw, maar ook fier, prikkelbaar en opvliegend, geneigd tot roof en andere gewelddadigheden, in welk opzicht zij met deBedoeïnenovereenkomen, alhoewel zij bij dezen ten achter staan in goedheid zoowel als in boosheid. Elke karavane, die zich bij hen laat invinden, is hun ten hoogste welkom, maar de reiziger is hun, meenen zij, tolplichtig.Geheel verschillend van zulke oasen zijn die laagten, in welke zich slechts bij uitzondering de zoo vurig begeerde bron bevindt. De Arabische trekherders zijn tevreden, wanneer zulk eene bron slechts enkele maanden of enkele weken het noodige drinkwater voor henzelf en hunne kudden oplevert; de hier uitrustende karavane mag blijde zijn, wanneer er voorraad is voor enkele dagen. Gewoonlijk is de bron een diepe put, wier wanden eer water uitzweeten dan in mild vloeiende aderen naar omlaag zenden. Ettelijke tompalmen verheffen zich tusschen de spaarzaam verspreide mimosa’s en salicaria’s in de omgeving der bron; eenige weinige grashalmen ontsproten aan de dorre aarde.Vreeselijk arme menschen zijn deze trekherders, die hier hun tenten hebben opgeslagen tot zoolang als hunne kleine kudden geiten er voedsel vinden; hun „strijd om het bestaan” is niets dan een onafgebroken aaneenschakeling van kommer, ontbering en gebrek. Een lang zwart doek van geitenwol wordt in ’t midden over een staketsel uitgehangen, en met de uiteinden aan in den grond geslagen pinnen bevestigd; de eene opening wordt gesloten door een doek van dezelfde stof, de ander, die den ingang zal vormen, door een mat van palmbladeren,—daarmede is de tent gereed, de bruidsgift der vrouw, aan welke deze van haar achtste tot haar zestiende jaar heeft gewerkt, verzameld, gesponnen en geweefd; het huisraad bestaat uit eenige matten om op te rusten, uit een granietplaat met daarbij behoorenden wrijfsteen om het ingeruilde koren te malen, uit eene vlakke aarden plaat voor het[282]roosten der koeken, en verder uit twee buikige potten, eenige lederen zakken, een bijl en ettelijke lansen. Eene kudde van twintig geiten geldt bij hen reeds voor een grooten rijkdom. Maar deze menschen zijn even braaf als arm, even beminnelijk als welgevormd, even goedaardig als schoon, even edelmoedig als bescheiden, even gastvrij als eerlijk, even rein van zeden als geloovig.Beelden aan de oudheid ontleend rijzen op voor den geest des westerlings, wanneer hij deze nomaden voor ’t eerst ontmoet; de Bijbelsche personen ziethijhier levend voor zich, hij hoort hen spreken in de hem uit zijn kinderjaren bekende taal. Duizenden jaren zijn over deze nomaden voorbijgesneld als een enkele dag; op dit oogenblik nog denken, spreken en handelen zij even gelijk de aartsvaders dachten, spraken en handelden. Dezelfde groet als uit Abrahams mond klinkt van hunne lippen den vreemdeling tegen; dezelfde woorden, die Rebekka richtte tot den knecht Abrahams, hoorde ik mij toespreken, toen ik, gekweld door een ontzaggelijken dorst, bij de put van Bahioeda van mijn kameel sprong, en van een jonge, schoone, bruine vrouw te drinken begeerde. Daar stond zij voor mij, de Rebekka van vóór duizenden jaren, in levenden lijve, in onverwelkte jeugd, eene andere dan zij, van wie de Schrift spreekt, en toch dezelfde.Bij de aankomst eener karavane verzamelt zich de geheele bevolking dezer tijdelijke nederzetting. De oudste treedt uit den kring naar voren en brengt den vredegroet; de overigen heeten de vreemdelingen welkom. Dan biedt men het kostbaarste aan, wat de reizigers begeeren, het frissche water, en al wat men verder bezit, en zulks met verrassende vriendelijkheid, zonder op te dringen en toch gemeend. Gretig verzwelgen de reizigers met volle teugen het verkwikkende vocht; ongeduldig dringen tevens de kameelen naar de bron, alhoewel zij bij ervaring weten, dat zij eerst afgeladen, vastgebonden en naar de weide gebracht moeten worden, alvorens het hun geoorloofd is na eene ontbering van vier tot zes dagen, weder hun dorst te lesschen. Men laat echter ook aan de bron geen enkelen droppel verloren gaan, weshalve men hun eerst het nog in de lederen zakken bevatte water geeft; daarna worden deze opnieuw gevuld, om dan eerst de kameelen te drenken, ofschoon men dan nog meer de hoeveelheid voorhanden water in ’t oog houdt dan de behoefte der dieren zelf. Slechts bij eene zeer rijkelijk vloeiende bron laat men vrijen teugel aan hun onleschbaren dorst, en dan is het een genot hen te zien drinken, altijd maar door, zonder[283]ophouden, terwijl zij daarna met koddige, onbevallige, door boeien belemmerde sprongen naar de niet minder vurig begeerde weide rennen, om hier de als een halfvolle ton dansende maag verder met voedsel te vullen.Voor de reizigers en den daar gelegerden stam breekt echter een ware feestdag aan. De eersten vinden frisch water, misschien zelfs wel melk en vleesch, die ’t genot der rust niet weinig verhoogen, de inboorlingen verheugen zich in de afwisseling, die de karavane brengt in de eentonigheid van hun leven. Een der kameeldrijvers heeft in de naastbijstaande tent het geliefkoosde muziekinstrument der woestijnbewoners, de tamboera of vijfsnarige cither gevonden, en begeleidt daarmede op meesterlijke wijze zijn eenvoudig gezang. Deze klanken lokken de dochteren der nomaden; slanke, schoone vrouwen en meisjes omringen vragende de vreemde mannen en richten op dezen en hunne goederen doordringende, blauwe oogen. Wapen u, vreemdeling! die oogen zouden uw hart in gloed kunnen zetten! Zij zijn nog veel schooner dan die der gazelle en de lippen daar beneden beschamen de koralen, de verblindend witte tanden daartusschen de paarlen, die gij deze dochteren der woestijn misschien zoudt willen vereeren!Nu schijnt alles één lied, één gedicht te zullen worden. Om den citherspeler scharen zich enkele groepjes, die zich gereed maken tot den dans; ruwe en zachte handen begeleiden met maatslag de tonen van het speeltuig, de woorden des lieds en den gelijkmatig golvenden dans. Nieuwe gedaanten komen, bekende verdwijnen; het is een bestendig afwisselend dringen en wenden om de vreemdelingen, die zoo verstandig zijn, om even onschuldig en vertrouwelijk te ontvangen als hun gasten geven. Alle bezwaren der woestijnreis zijn vergeten, heimwee en verlangen bevredigd; want het water, het water borrelt overvloedig en treedt in de plaats van alle behoeften van andere plaatsen en tijden.Deze rust sterkt lichaam en geest. Opgefrischt zet de karavane hare reis voort, en indien de dagen niets ergers brengen dan zonnegloed, dorst en afmatting, bereikt zij onverzwakt ook de tweede en derde bron en eindelijk het doel der reis, de eerste stad of het eerste dorp aan gene zijde der woestijn.Maar veranderlijk als de oceaan, die de aarde omgordt, is ook de zandzee. Ook hier woeden stormen, die haar schepen doen stranden en verderfaanbrengende golven oproepen. Ten tijde, dat de maandenlang[284]waaiende noordenwind in strijd geraakt met zuidelijke luchtstroomen, of wanneer deze reeds de alleenheerschappij hebben erlangd, ziet de reiziger plotseling het zand levend worden, in dikke en hooge zuilen opstijgen, die nu eens langzamer, dan schielijker over de vlakte heensnellen. Door de zon beschenen nemen zij het voorkomen aan van vuurzuilen; dan weder zien zij er kleurloos uit of het zijn angstwekkende, zwarte spookgestalten; de wind verdunt en verdikt ze, scheidt hier eene zuil in tweeën, vereenigt ginds twee of meer tot eene in de wolken eindigende zandhoos. De westerling wil in luidebewoordingenzijn verwondering te kennen geven, maar de angstige blikken zijner begeleiders verlammen hem de tong. Wee de karavane, die door zulk een wervelstorm wordt ingehaald; zij mag blijde zijn, wanneer het leven van menschen en dieren behouden blijft! En woeden deze boden des noodlots zonder schade over het hoofd van het reisgezelschap heen, het gevaar is daarom nog niet voorbij, want de samoem, de vergiftige stormwind, volgt den eersten op den voet.Deze in de woestijn onder alle omstandigheden het meest gevreesde wind, die als Chamasien door Egypte, als Sirocco tot in Italië, als Föhn door de Alpen, als dooiwind door Noord-Europa giert, verheft zich geenszins altijd tot een storm; dikwijls waait hij onmerkbaar zacht, en toch doet hij mannenharten beven. Over dezen wind is zeer veel gefabeld geworden; dit is evenwel waar, dat de samoem bij tijd en wijle voor de karavanen hoogst gevaarlijk worden kan, en dat hij de oorzaak is der witgebleekte geraamten van kameelen, alsmede van de door het zand halfbedolven, uitgedroogde mummiën van menschen, die men langs elk woestijnpad vindt. Want niet zoozeer zijne kracht, maar zijn aard, zijn elektrische spanning brengen lijden en verderf over de menschen en lastdieren, welke de woestijn doortrekken.Althans één dag, somtijds eenige dagen vooruit, voorspelt de inboorling en ook de met het land bekende vreemdeling den zandstorm. Onbedriegelijke teekens zijn de voorboden. De lucht wordt zwoel, zwaar, drukkend; een dunne, grijsachtig of roodachtig getinte damp benevelt den hemel; geen tochtje beweegt de lucht. Alle levende wezens lijden zichtbaar onder de zwoelte, die elk oogenblik drukkender wordt; de menschen klagen en jammeren, het wild wordt schuwer, de kameelen worden onrustig en koppig, dringen op elkaar, blijven staan of gaan liggen. Kleurloos gaat de zon onder. Geen avondrood omzoomt den hemel, het nevelkleed bluscht elk licht uit. De nacht[285]brengt geen afkoeling of verkwikking, eer vermeerdering van hitte, krachteloosheid en onbehagelijkheid; in weêrwil van alle loomheid ontvliedt de slaap het oog. Zijn menschen en dieren nog in staat zich te bewegen, dan rust men niet, maar trekt integendeel met angstige haast verder, zoolang de gids nog een enkel hemellicht waarneemt. De damp verandert in een drogen nevel en het eene gesternte na het andere wordt aan den blik onttrokken; zelfs de maan en de zon, welke laatste in het gunstigste geval slechts half zoo groot is als gewoonlijk, worden bleek en onduidelijk.Soms begint de wind om middernacht aan te wakkeren, meestal tegen den middag. Zonder uurwerk kan men het tijdstip niet bepalen, want de nevel is intusschen zoo dik geworden, dat de zon geheel omsluierd wordt en een droefgeestig schemerlicht over de vlakte ligt uitgespreid, zoodat reeds op geringen afstand geen voorwerp meer te onderscheiden is. Zacht, nauwelijks voelbaar begint nu de wind te waaien. Het is nog geen werkelijk waaien, maar meer een zacht ademen. Die luchtadem is gloeiend heet en dringt evenals een kille, ijzige wind door merg en been, veroorzaakt een doffe hoofdpijn, verslapt en beangstigt. Daarop volgt een meer waarneembaar, even gloeiend, even verderfelijk waaien. Enkele korte, huilende stooten mengen zich daaronder.Thans is het hoog tijd om te gaan liggen. Zulks geven ook de kameelen te kennen, want geen zweepslag brengt deze dieren meer vooruit. Vol angst knielen zij neêr, strekken den hals uit, drukken dien tegen den grond en sluiten de oogen. De drijvers ontladen hen ijlings, bouwen uit de bagage zoo schielijk mogelijk een ringmuur, stapelen alle zakken op elkaar om de aan den wind blootgestelde oppervlakte te verkleinen, bedekken ze met alle aanwezige matten, hullen zich, evenals alle andere reizigers deden, zoo dicht mogelijk in hunne dekens, maken het gedeelte, dat om het hoofd is gewonden nat en zoeken dan een schuilplaats achter de goederen. In groote haast werd een en ander volbracht, want de zandstorm zal nu niet lang meer op zich laten wachten.Het aantal stooten vermeerdert; zij volgen sneller op elkander en weinige minuten later woedt de storm met volle kracht. Het giert en dreunt, fluit en huilt door de lucht, het ruischt en loeit in het zand, het knettert, knalt en kraakt in het leger, waar de planken kisten verbrijzeld worden. De hitte neemt nog steeds toe en wordt eindelijk[286]onverdragelijk, onttrekt aan het van zweet druipende lichaam alle vochtigheid, doet alle slijmvliezen scheuren, zoodat het bloed er uit vloeit; de naar water dorstende tong wordt zwaar als lood, de polsslag versnelt, het hart krimpt ineen, de huid scheurt en splijt, de razende storm vult deze kloven met fijn zand, en veroorzaakt daardoor nieuwe kwellingen. De zonen der woestijn bidden en zuchten, de westerling steunt en klaagt.Gewoonlijk duurt de hevigste woede van den zandstorm niet lang, een, twee, drie uren slechts, evenals bij ons een onweder, waarmede men hem zou kunnen vergelijken. Naarmate hij bedaart, gaat ook het stof liggen en klaart de lucht op, terwijl een enkele maal een tegenstroom uit het noorden daarop volgt. De karavane herstelt zich en trekt verder. Duurt de samoem echter een halven of heelen dag, dan kan het den reizigers gaan gelijk een mijner kennissen, den FranschmanThibaut, die op zijn tocht door de noordelijke Bahioeda de laatste bron opgedroogd vond en met bijna ledige waterzakken moest opbreken, om den op vier dagreizen afstands gelegen Nijl te bereiken. De vergiftige wind brak over hem en zijne in doodsangst gebrachte karavane, die alle niet dringend noodzakelijke goederen bij de uitgedroogde bron had achtergelaten, los. Het ongelukkige reisgezelschap legerde zich, hoopte op het einde van den storm, wachtte tevergeefs, klaagde, werd moedeloos en wanhopig. Een vanThibautsbedienden sprong razend op, overstemde door zijn huilen den storm, gilde, tierde, woedde, en viel eindelijk uitgeput op zijn meester neêr, liet een gereutel hooren en gaf den geest. Een tweede lag, toen de storm eindelijk zweeg, insgelijks dood op zijn legerstede,—de hitte had hem gedood. Een derde moest, nadat men weder opgebroken had en hij koortsachtig, als om den dood te ontloopen, voortsnelde, achterblijven, en versmachtte. Van de kameelen was de helft bezweken.Thibautbereikte met de overige menschen en dieren den Nijl, maar zijn gitzwart haar was in den tijd van twee dagen sneeuwwit geworden.Van zulke stormen stammen de mummieachtige lijken af, die men langs de karavanenwegen vindt. De storm, die doodde, begroef meteen de lijken en dekte ze met zand; dit zand onttrekt snel aan de lichamen alle vocht, zoodat zij, in plaats van te verrotten, uitdrogen en tot mummies worden. De eene windvlaag werpt er een nieuwe laag zand over heen, de andere ontbloot ze. Nu eens strekt het lijk eene hand, dan een voet of zijn gezicht naar den reiziger uit; een der kameeldrijvers[287]voldoet aan het bevel van den doode, begeeft zich tot hem, werpt weder zand op hem en trekt verder onder het uiten der woorden: „Slaap, knecht des Allerhoogsten, slaap in vrede!”Zulke stormen zijn het ook, die in den geest der gespaarden de droombeelden der Fata Morgana opwekken. Zoolang de mensch in ’t volle bezit zijner krachten en met gezonde zinnen voorttrekt, beschouwt hij de luchtspiegeling wel als een de aandacht trekkend natuurverschijnsel, maar zij wordt hem niet tot Fata Morgana. In het heete jaargetijde ontstaat in de woestijn tegen het midden van den dag, van negen uur in den voormiddag tot drie uur in den namiddag, elken dag de „duivelszee”. Een grijze, op eene zee, beter nog op een overstroomd land gelijkende vlakte, rijst daar, alwaar de woestijn geheel van plantengroei ontbloot is op zekeren afstand voor of om den reiziger in ’t rond op; deze zee golft, glinstert en schittert, laat alle werkelijk bestaande voorwerpen zichtbaar blijven, maar heft ze schijnbaar tot het oppervlak der zee op en weêrkaatst hun beelden naar beneden. In de verte voorttrekkende kameelen of paarden verkrijgen het voorkomen van door wolken gedragen, geschilderde engeltjes, en wanneer men hunne bewegingen kan onderscheiden dan is het alsof zij de beenen verzetten op een uit nevelen gevormde onderlaag. De afstand, waarop de naar het oog toegekeerde grens van dit verschijnsel is gelegen, blijft steeds dezelfde, zoolang de waarnemer zijn gezichtshoek niet verandert en is dus voor den ruiter eene andere dan voor den voetganger. Het geheele wonder berust op de bekende wet, dat eenlichtstraal, die van de eene middenstofineene andere overgaat, gebroken wordt, zoodat dit verschijnsel zich steeds moet voordoen, wanneer de onderste luchtlagen door de terugkaatsing der warmtestralen van het verhitte zand ongelijkmatig worden uitgezet. Geen Arabier bedekt bij ’t zien eener luchtspiegeling zijn gezicht, gelijk fantaseerende reizigers hun goedgeloovige lezers willen wijs maken; zelfs hechten zij geen diepere beteekenis aan de benaming „zee des duivels”. Wanneer evenwel angst, ontbering, vermoeidheid en gebrek op een zandstorm volgen en de geestkracht hebben verlamd, en wanneer dan de luchtspiegeling zich vertoont, kan deze tot Fata Morgana worden. De zieke verbeeldingskracht schept zich nu zoodanige beelden, die met de vurige wenschen van het oogenblik, de begeerte naar water en rust, in harmonie zijn. Ik heb zelf honderden malen de luchtspiegeling aanschouwd en ook mij is zij eenmaal tot Fata Morgana geworden. Zulks had plaats toen ik na een onlijdelijken dorst[288]van een etmaal achtereen de „zee des duivels” voor mij zag schitteren en glinsteren. Toen verbeeldde ook ik mij den heiligen Nijl, booten met gezwollen zeilen, palmboschjes, tuinen en landhuizen voor mij te zien. Maar op dezelfde plaats, alwaar mijne zieke zinnen een palmenwoud zagengroeien, zag mijn eveneens versmachtende metgezel zeilbooten, en daar waar ik een tuin meende te aanschouwen, spiegelden zich voor zijne ziel bosschen af. Maar al deze fantasieën verdwenen, zoodra wij toevallig water ontdekten en ons daarmede hadden gelaafd; alleen de grijze nevelzee hield stand.EENE KARAVANE, DE WOESTIJN DOORTREKKENDE.EENE KARAVANE, DE WOESTIJN DOORTREKKENDE.De „zee des duivels” heeft ongetwijfeld ieder reiziger aanschouwd, die de eene of andere woestijnstreek der Nijlboorden is doorgetrokken; maar niet een ieder is het gegund een der levendigste tooneelen onder de oogen te krijgen, welke de woestijn opluisteren. Aan den uitersten zoom van den horizon, misschien wel door de luchtspiegeling omhoog geheven en in een nevelwaas gehuld, duiken eenige ruiters op, die op rankpootige paarden zijn gezeten, wier snelheid die des winds evenaart; deze ruiterbende nadert ras en stuift eindelijk, terwijl men de tot nu toe gespaarde dieren in vollen draf aandrijft, op de karavane los. Ik heb hen altijd gaarne ontmoet, die magere, typisch gekleede mannen, want ook in hen en hunne paarden zag ik de harmonie der woestijn met hare kinderen. Als een getrouwe zoon der woestijn verscheen hij mij, deBedoeïnen, als haar en zijn spiegelbeeld het ros, dat hij berijdt. Want ook hij is ernstig en vreeselijk als de dag, vriendelijk en zacht als de nacht der woestijn. Trouw aan ’t eens gegeven woord, onbepaald gehoorzaam aan de zeden en gebruiken van zijn stam, waardig in zijn optreden, verheven in zijn uitdrukkingen, onovertroffen in onthouding en ontbering, ontvankelijk meer dan iemand voor mannelijke daden, voor roem en eer, en niet het minst voor het gouden weefsel der poëzie, welk laatste bewezen wordt door zijne vertellingen en sprookjes, doorweven van de rijkste beelden, omlijst door de heerlijkste en geurigste bloemen. Aan den anderen kant is hij listig en geslepen tegenover zijn vijand, een slaaf zijner gewoonten, laag en gemeen, zonder eenige waardigheid in zijn begeerten en eischen, gulzig in het genieten, onbegrensd wreed, vreeselijk in zijn wraak; heden is hij een ridderlijke gastheer, morgen een onbeschaamde bedelaar, den eenen keer een trotsche roover, een ander maal een ellendige dief; kortom, even veranderlijk als de woestijn. Zijn ros bezit hetzelfde verstandige, vurige sprekende oog, dezelfde kracht en lenigheid der magere, schijnbaar[289]zwakke ledematen, dezelfde taaiheid, dezelfde tevredenheid, hetzelfde wezen als hij; want beide groeiden op in dezelfde tent, beide rusten onder hetzelfde dak. Het dier is niet de slaaf, maar de metgezel en vriend van denBedoeïnen, de speelgenoot zijner kinderen.In de vrije woestijn trotsch, moedig, zelfs wild, is het in de tent gedwee als een lam; en zoo is het als het ware een integreerend bestanddeel van zijn heer en gebieder.BEDOEÏNEN.BEDOEÏNEN.In alle woestijnen, die althans nog in naam onder de heerschappij van den Khedive van Egypte staan, spelen de Bedoeïnen heden ten dage geenszins nog dezelfde rol als in vroegere tijden, of als tegenwoordig nog in Arabië en de landen van Noord-Westelijk Afrika. De Egyptische regeering heeft met hen verdragen gesloten, die hun den plicht opleggen de karavanen ongehinderd door hun gebied te laten trekken. Rooverijen in de woestijn behooren dan ook tot de zeldzame uitzonderingen, en eene ontmoeting met Bedoeïnen verwekt ook daarom geen groote bezorgdheid, omdat deze zonen der woestijn doorgaans de eigenaars der gehuurde kameelen zijn; evenwel nemen de aan hun[290]oude gewoonten verkleefde, ware heeren der woestijn gaarne het voorkomen aan van eene zekere soevereiniteit; men handelt dan ook verstandig, alvorens de woestijnreis aan te vangen, vrijgeleide te vragen van den een of anderen aanzienlijken hoofdman. Heeft men dit verkregen, dan loopt eene ontmoeting gewoonlijk op de volgende wijze af.Een der door de zon verbrande mannen springt uit de ruiterschaar naar voren en wendt zich tot den aanvoerder of uitruster der karavane.„Heil zij U, o vreemdeling!”„Gods zegen, genade en barmhartigheid mogen met U zijn, o hoofdman!”„Waarheen trekt gij, o mannen?”„Naar Belled-Aali, o scheik.”„Trekt gij onder vrijgeleide?”„Wij trekken onder het vrijgeleide van Zijne Hoogheid, den Khedive.”„Onder geen ander?”„Ook Scheik Soliman, Mahammed Cheir Allah, Ibn Sidi Ibrahim Aulad Aali heeft ons vrijgeleide en vrede gegeven.”„Dan zijt gij welkom en gezegend.”„De Zegenuitdeeler begenadige U en Uwen vader, o hoofdman!”„Hebt gij iets van noode? Mijne mannen zullen het u geven. In de Wadi Ghiteri staan onze tenten, wanneer gij rust wilt zoeken, zult gij daar welkom zijn. Zoo niet, dan moge Allah U een gelukkige reis geven.”„Hij zal met ons zijn; want Hij is genadig.”„En de leidsman op alle goede wegen.”„Amen, o hoofdman!”Weg vliegt de bende; ruiters en paarden smelten wederom ineen; de lichte hoeven der dieren schijnen den grond niet te raken, de witte boernoe’s fladderen in den wind, en de woorden des dichters worden levend in de ziel:„Bedoeïnen, gij zelf op uw rosZijt een fantastisch lied.”Zulke beelden toovert ons de woestijn voor oogen. Naarmate men meer met deze vertrouwd wordt, nemen zij scherper omschreven trekken aan, en doen zij de moeiten en bezwaren verminderen. Maar het zijn vooral de laatste uren der woestijnreis, die het hoogste genot aanbrengen. Wanneer het eerste palmendorp van het bebouwde land,[291]wanneer het zilveren lint van den heiligen stroom wederom zichtbaar wordt, dan is dat uur gekomen. Menschen en dieren ijlen en haasten, alsof de vurig gewenschte werkelijkheid een droombeeld kon zijn, dat wederom in een nevel zal worden opgelost. Duidelijker en scherper omgrensd treedt het doel der reis voor oogen; het is alsof men nooit frisscher kleuren gezien heeft, men meent dat nergens zulke groene boomen groeien en nergens koeler water wordt gevonden. Hun laatste krachten bijeenverzamelende schrijden de kameelen voort, maar hun pas schijnt voor hun ongeduldige meesters nog veel te langzaam. Daar klinkt ons eene vriendelijke begroeting in de ooren. Het Nijldorp is bereikt. Uit alle hutten komen mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen te voorschijn om de reizigers te verwelkomen. Ieder beijvert zich de helpende hand te bieden en lafenis te reiken. Allereerst biedt men water aan, flink water, zoo uit de rivier geschept; dan brengt men alles aan, wat lichaam en ziel kan verkwikken. Om het nu opgeslagen leger bewegen zich nieuwsgierige menschen, vraaggrage mannen en vrouwen, danslustige meisjes en jongelingen. Tamboera en taraboeka, cither en trom noodigen ten dans; de dansende meisjes verblijden het hart van den vreemdeling en inboorling. Zelfs het knarsen der schepraderen aan den stroom, vroeger duizendmalen verwenscht, wordt heden tot eene schoone muziek.De avond brengt nieuwe genietingen. Op het veêrende, koele rustbed gemakkelijk uitgestrekt, drinkt de westerling met den inboorling om strijd den nektar des lands, den palmwijn of meriesa, terwijl cithertonen en trommelslag, onder het maatgeklap van de handen en voeten der dansende jongelingen en meisjes het heerlijk drinkgelag begeleiden. Eindelijk herneemt de vergevorderde nacht zijn rechten, tamboera en taraboeka zwijgen, de dans is geëindigd. Elk der verkwikte, verzadigde of meer dan verzadigde reizigers zoekt achtereenvolgens de rust. Slechts een enkele hunner, een zone Khahira’s, de moeder der wereld, kan den slaap niet vinden. In de nabijheid van het uitdoovende legervuur rijzen de sidderende tonen van zijn eenvoudig lied:Ach schoone nacht, gij doet mij pijn,Steeds langer wordt gij, immer langer;Ik vraag om rust, gij hoort mij niet,’t Wordt steeds om ’t hart mij banger.Ach schoone nacht, hoe lange reedsMocht niet mijn oog haar schouwen,[292]Naar wie mijn ziel zoo innig smacht,Mijn hope en vertrouwen.O schoone nacht, verhoor mijn klacht,Breng haar mij nader weder.Dek haar met liefdevleuglen zacht,Stort vrede op mij neder.Maar ook deze klanken sterven weg—alleen de golven van den stroom murmelen en fluisteren voort.[293]

X.KARAVANEN EN WOESTIJNREIZEN.

Aan den zoom der woestijn, onder de schaduw van een palmboschje, staat eene kleine tent. Een aantal kisten en balen liggen in bonte afwisseling rondom die tent op elkander gestapeld. Iets verder naar buiten staan, zitten en liggen eenige Nubische knapen, feestelijk uitgedost, d.w.z. versch met huidzalf ingesmeerd.Binnen in de tent verwijlen ettelijke reizigers, die per Nijlbark tot hier kwamen en van plan zijn een grooten boog af te snijden van den Nijl, die van deze plaats af vol klippen en stroomversnellingen is, m.a.w. zij willen door de woestijn trekken, die gedeeltelijk door genoemden stroom wordt ingesloten.Het is middag. De zon staat bijna loodrecht boven de tent aan een wolkenloozen, donkerblauwen hemel; haar brandende stralen schieten haast ongehinderd door het losse gebladerte der dadelpalmen. Een zengende hitte drukt de vlakte tusschen den stroom en de woestijn; de luchtlagen sidderen en golven over den verhitten grond, zoodat alle voorwerpen eene verwrongen gedaante aannemen en zich hullen in een dicht nevelwaas.Aan den horizon wordt eene ruiterbende zichtbaar, die uit de woestijn te voorschijn kwam en rechtstreeks den weg inslaat naar de tent, zonder acht te geven op het meer landwaarts in gelegen dorp. Donkerbruine, armoedig gekleede mannen, bij de palmen aangeland, stijgen van hun magere, maar niettemin edele paarden. Een hunner nadert de tent en treedt met de majesteit eens konings naar binnen. Het is het opperhoofd der kameeldrijvers (Scheik el Djemali), tot wien wij—de straks bedoelde reizigers—eene boodschap hadden gezonden, ten einde hem te verzoeken ons van de benoodigde dragers, drijvers en kameelen te voorzien.„Heil zij u!” zegt hij bij het binnenkomen en brengt bij dien groet de hand naar mond, voorhoofd en hart.[258]„Heil, ook u o Scheik! met u, de genade Gods en Zijn zegen!” luidt antwoord.„Groot was mijn verlangen, u te zien, o vreemdelingen, en uwe wenschen te vernemen,” aldus verzekert hij, middelerwijl zich neêrlatende op het kussen naast ons, en wel ter rechterzijde, op de eereplaats.„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen, oScheik, en u zegenen!” geven wij tot antwoord, terwijl wij aan onze bedienden gelasten hem nog vóór ons zelf van versch aangestoken pijpen en koffie te voorzien.Met half dichtgeknepen oogen laaft hij zijn sterfelijk lichaam aan de koffie, en zijn onsterfelijke ziel aan de pijp; in dikke wolken hult hij zijn achtbaar hoofd. Een bijna ademlooze stilte heerscht in de tent, die bewierookt wordt door den geur der kostelijke Djebeli-tabak, terwijl een lichte, aangename rook de ruimte opvult; eindelijk, meenen wij, kunnen, zonder ons aan onhoffelijkheid schuldig te maken, de onderhandelingen, het doel van de komst des scheiks, een aanvang nemen.„Hoe is het met u, o Scheik?”„De Gever alles goeds zij geprezen!—zeer goed, om u te dienen. En hoe gaat het met u?”„Den Heer der wereld zij roem en eere; ik ben zeer wel. Groot was ons verlangen, u te zien, o Scheik!”„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen en u zegenen! Is uw gezondheid geruststellend?”„Allah en zijn profeet,—Gods genade over hem,—mogen geprezen zijn.”„Amen, het zij zoo, gelijk gij gezegd hebt.”Nieuwe pijpen verkwikken de onsterfelijke ziel; nieuwe, eindelooze beleefdheidsbetuigingen worden gewisseld; daarna eindelijk veroorlooft de étiquette, zaken te behandelen.„O Scheik, ik wil met de hulp des Albarmhartigen de woestijn doortrekken.”„Moge Allah u geleiden!”„Zijt gij in ’t bezit van rij- en lastkameelen?”„Ik ben het! Bevindt gij u wel, mijn broeders?”„De Verhevene zij geloofd; het is gelijk gij zegt. Hoeveel kameelen kunt gij mij verschaffen?”Inplaats van te antwoorden, blaast de Scheik dikke rookwolken uit en eerst nadat ik mijne vraag herhaald heb, legt de man voor een[259]paar oogenblikken de pijp uit den mond en zegt zoo plechtig mogelijk: „Heer, het aantal kameelen van Beni Said kent Allah alleen; een zoon Adams heeft ze nog nimmer geteld!”„Zeer goed, zend mij dan vijf en twintig dieren, waaronder zes rijkameelen. Verder heb ik nog tien groote zakken noodig.”De Scheik rookt op nieuw zonder te antwoorden.„Zult gij ze mij zenden, de verlangde dieren?” herhaalde ik dringender.„Ik zal het doen, om u te dienen; maar hun eigenaars vragen hooge prijzen.”„En welke?”„Ten minste het viervoudige van de gewone loonen en huren wordt gevraagd.”„Maar Scheik, Allah, de Verhevene moge u gunstiger stemmen; dat zijn eischen, die niemand zal inwilligen. Loof den profeet!”„God, de Behoeder van al wat leeft, zij geprezen en zijn gezant zij geprezen! Gij dwaalt, mijn vriend; de koopman, die ginds is gelegerd, heeft mij het dubbele geboden van wat ik vraag. Alleen mijne vriendschap voor u deed mij zulke geringe eischen stellen.”Te vergeefs blijkt alle loven en bieden, nutteloos blijken alle verdere onderhandelingen. Versche pijpen worden gebracht en gerookt, nieuwe hoffelijkheden gewisseld, de naam van Allah en diens profeet wordt vanweêrszijdenmisbruikt, de gezondheidstoestand wederkeerig op het nauwkeurigst vastgesteld, tot eindelijk de westerling het geduld verliest en de aangeleerde zeden wijken voor de aangeboren gewoonten.„Weet dan Scheik, dat ik in het bezit ben van een geleibrief van den Khedive alsmede van Scheik Soliman; hier zijn beide: wat eischt gij nog?”„Maar heer, wanneer gij een geleibrief hebt van Zijne Hoogheerlijkheid, waarom eischt gij niet het hoofd van uw slaaf? Dit is tot uwen dienst en evenzeer tot den Zijnen. Uwe wenschen draag ik op mijn oogen en op mijn hoofd. Gij beveelt—uw slaaf gehoorzaamt. De prijzen der regeering kent gij. Allahs zegen vergezelle u; morgen zend ik u mannen, dieren en zakken.”De vreemdeling, die in de meening verkeert dat hiermede alle toebereidselen tot de woestijnreis afgeloopen zijn, zou daarmede toonen, geen begrip te hebben van de zeden en gewoonten des volks. Niet den volgenden dag, gelijk beloofd werd, verschijnen de gehuurde drijvers en dieren, maar eerst in den namiddag komen deze van lieverlede[260]opdagen, en niet op den volgenden morgen kan aan het opbreken gedacht worden, maar ten hoogste eerst tegen den tijd van het namiddaggebed van den volgenden dag. „Bukra inschallah”—„morgen zoo God wil” is het wachtwoord en hiertegen valt niet te redeneeren. Inderdaad is er nog veel te doen, veel te regelen, veel in orde te brengen, alvorens de reis een aanvang kan nemen.Een bont en levendig tooneel ontvouwt zich in den omtrek der tent. Tusschen de bagage beweegt zich eene schare uitgedroogde zonen der woestijn. Zij schreeuwen ontzaggelijk veel—maar voeren ondertusschen bitter weinig uit. De op elkander gestapelde kisten en pakken worden uit elkander gehaald, opgebeurd, gewogen, nauwkeurig in omvang en gewicht onderzocht, onderling vergeleken, weder bijeengezet en nogmaals uit elkander gehaald. De eene kameeldrijver poogt den ander te bedotten, ten einde de lichtste waren voor zichzelf te behouden; het wordt een algemeen krakeel, een schreeuwen en schelden, een zweren en vloeken, een bidden en verwenschen. Ook de kameelen, denkende aan hetgeen hun beidt, doen vlijtig meê; en wanneer zij werkelijk, in plaats van te brullen, te steunen, te brommen en te klagen, een oogenblik het stilzwijgen bewaren, dan beteekent dit slechts: onze tijd is nog niet gekomen, maar zal toch eenmaal aanbreken! Maar de kameelen mogen meedoen of niet, dit is zeker: de ooren van den westerling worden gemarteld, ja verscheurd door de mengeling van stemmen en kreten, die alle tegelijk door de lucht weêrklinken. Uren lang duurt dat gewemel, dat geharrewar, dat geraas, en eerst wanneer men het eindelijk over de lading eens is geworden, of wellicht het getwist moe werd, is het voorspel ten eind.Na het sluiten van den vrede begint men demeêgebrachtevezels van den dadelpalm in een te draaien om er strikken en touwen van te maken; nu worden de kisten en balen op vernuftige wijze met deze koorden omwonden, en worden er lussen aan gemaakt, om twee pakstukken even snel aan het kameelzadel te kunnen vasthechten als er weder van los te maken, men herstelt nog ijlings de medegebrachte netten, wier bestemming is de kleinere pakjes in zich op te nemen, en wendt zich daarna tot de groote en kleinere lederen zakken om deze te onderzoeken, en zoo noodig, ook nog in de haast wat op te kalfateren en met eene stinkende, uit het zaad van kolokwinten bereide teer van buiten in te smeren. Het in de zon gedroogde vleesch wordt ook nog eens aan een zorgvuldig onderzoek onderworpen, men vult[261]eenige uit boombast vervaardigde zakken met kafferkoren of doerra, andere met houtskolen, nog andere met kameelenmest, spoelt de lederen zakken van buiten af, vult ze met frisch water en besluit den langdurigen arbeid met een algemeen, op lagen toon uitgestooten „El hamdu lillahi”—God zij dank!Al deze toebereidselen worden geleid door den Chabir of aanvoerder der karavane. Al naar de belangrijkheid van den tocht neemt deze eene lageren of hoogeren rang in, maar steeds moet hij zijn, wat zijn naam uitdrukt: een kundig man, iemand, met den weg en alle voorkomende omstandigheden vertrouwd. Van beproefde ervaring, rechtschapen, verstandig, moedig, dapper, deze eigenschappen zijn de noodzakelijke vereischten voor zijn moeilijk, soms gevaarlijk ambt. Hij kent de woestijn even als de schipper den Oceaan, is vertrouwd met de sterren, in elke oase, en aan elke bron tehuis, welkom in de tent van iederen Bedoeïnen- of trekherdershoofdman, onuitputtelijk in middelen om de gevaren en bezwaren van den tocht te boven te komen, weet slangenbeten en schorpioensteken onschadelijk te maken of althans de smarten der gewonden te verzachten, hanteert het oorlogswapen even vaardig als het jachtgeweer, heeft het woord van den profeet op de lippen en in het hart, spreekt de „Fatiha” telkenreize, als men weêr opbreekt, is Moeeddin en Imam op de voorschreven tijden,—met één woord, hij is het opperhoofd van het veelledig lichaam, dat de woestijn doortrekt. In die woeste gedeelten, waar niets den weg aanduidt, dien andere karavanen hebben gevolgd, waar achter de verzenen van den laatsten kameel de wind elk spoor uitwischt van al de vorigen, ontdekt hij teekens, die niemand anders ziet, en vindt hij den rechten weg. Wanneer de droge, onheilbrengende woestijndamp het licht der sterren verduistert, gaat voor hem eene geestelijke ster op; hij keurt het zand, meet deszelfs golven, merkt de richting en ondervraagt den grashalm naar de hemelstreek. Blindelings volgt hem de geheele karavaan, en vol vertrouwen stelt de reiziger zijn lot in diens handen. Overoude, gedeeltelijk zeer eigenaardige, nimmer beschreven en toch een ieder bekende wetten stellen hem verantwoordelijk voor het welgelukken der reis, voor het leven der afzonderlijke personen, wanneer althans geen beschikkingen van het noodlot, waartegen niemand iets vermag, hier hinderend in den weg treden.In het heilig uur, omstreeks het namiddaggebed, stelt zich de aanvoerder voor het aangezicht der reizigers en drijvers, om hen aan te[262]kondigen, dat alles gereed is, zoodat men op kan breken. De bruine mannen verspreiden zich ijlings in alle richtingen om de kameelen op te vangen, deze te zadelen en te beladen. Vol tegenzin gehoorzamen deze dieren, die er een voorgevoel van schijnen te hebben wat hun wacht. Een aantal moeilijke dagen teekenen zich met schrille kleuren voor hun geest af. Thans ishuntijd gekomen. Brullend, schreeuwend,knorrend, laten zij zich op de saamgebogen voorste ledematen neder, hiertoe door hun gebieders aangemaand met ettelijke onverstaanbare keelgeluiden en zachte zweepslagen; brullend onderwerpen zij zich, wanneer de last op den bultigen rug wordt gelegd; brullend staan zij op, wanneer de hun toegedachte last is ontvangen. Velen verzetten zich door te slaan en te bijten tegen het beladen, en er behoort inderdaad een onuitputtelijk geduld toe, zulke weêrbarstige schepsels tot rede en plicht te brengen. Maar geduld en takt behalen zelfs de overwinning op kameelen. Op hetzelfde oogenblik dat het dier zal gaan knielen, treedt een der drijvers op de saamgebogen voorpooten en grijpt snel het bovendeel van den getanden bek om door een druk op den neus elk oogenblik de ademhaling te kunnen beletten; twee anderen beuren den aan beide kanten gelijk verdeelden last op het draagzadel, terwijl een vierde de hechtpennen door de lissen schuift. Het dier is bevracht nog voor het recht tot bezinning is gekomen. Zijn alle kameelen beladen, dan vangt de reis aan.Maar nu worden ook de uitstekend gezadelde rijdieren voorgebracht. Iedere reiziger bevestigt de voor hem onontbeerlijkste reisbenoodigdheden en wapenen op en aan het hooge, komvormige, voor den bult aangebrachte zadel, en maakt zich gereed zijn rijdier te beklimmen. Voor den nieuweling is zulks gewoonlijk noodlottig. Men moet met een forschen sprong in het zadel springen en de kameel staat op zoodra de ruiter het zadel aanraakt. Ruksgewijze staat het dier op, eerst steunende op het handgewricht, dan op de lange achterpooten en daarna op de voorpooten. Bij den tweeden ruk wordt de leerlingkameelrijder gewoonlijk uit het zadel geworpen, om zijne moeder, de aarde te kussen, of hij valt op den hals des diers, waaraan hij zich nu tracht vast te klemmen. Maar de kameel is veel te slecht van humeur dan dat hij zoo iets als eene grap of een ongeluk zou opvatten. Een boosaardige kreet ontsnapt aan zijne leelijke lippen; hij loopt met het aan zijn hals hangend, niet zeer benijdenswaard menschenkind snel weg, en schudt dien zoolang en zoo hevig, totdat ruiter en last beide zijn[263]afgeworpen. Het duurt geruimen tijd voor de westerling heeft geleerd hoe het aan te leggen om vast in het zadel te blijven zitten terwijl het dier opspringt. Het middel evenwel is eenvoudig; men moet op het juiste oogenblik het bovenlichaam naar voren en naar achteren buigen.Wat ons betreft, wij werpen ons met de behendigheid van inboorlingen in het zadel, klappen met de zweep om het dier tot loopen aan te zetten, houden het door middel van een dunnen neustoom in bedwang, en snellen, den aanvoerder volgende, vooruit. Onze rijkameel, een slank, licht gebouwd, hoogbeenig dier, vervalt oogenblikkelijk in dien gelijkmatigen, aanhoudenden, wijdgestrekten en daardoor ongemeen vorderenden draf, waaraan men het van zijn jeugd af aan gewend heeft—waardoor het dan ook zich gunstig onderscheidt van alle andere lastdieren—en kleeft als het ware aan de voetzolen van zijn voorganger.De dieren strekken allen hun kleine koppen recht vooruit; vaardig en licht bewegen zich de pooten onder het lijf; een wolk van stof en steentjes wordt in de lucht geworpen. De boernoe’s fladderen in den wind; wapens en gereedschappen kletteren tegen elkander; een aansporend geroep weêrklinkt door de lucht—de reislust ontplooit de vleugels der ziel. Weldra is de vooruitgegane goederenkaravane ingehaald, weldra zijn de laatste sporen van menschelijke woonplaatsen uit het gezicht verdwenen, en naar alle zijden strekt zich de eindeloos schijnende woestijn uit.Van alle zijden scherp begrensd, bedekt dit uitgestrekte, eigenaardige rijk het grootste deel van Noord-Afrika, van de Roode zee tot den Atlantischen oceaan, van de Middellandsche zee tot de steppe, geheele landen in zich sluitende, vruchtbare landstreken omgevende, duizendvoudig afwisselende en in hoofdtrekken toch zichzelf gelijk blijvende. Dit wonderrijk gaat in vlakte-inhoud Duitschland negen- à tienmaal, de Middellandsche zee drie- à viermalen te boven. Geen sterveling heeft het voor goed doorvorscht, niemand heeft het nog in zijn geheel doorreisd; maar ieder inboorling, die het betrad en er een gedeelte van doortrok, werd tot het binnenste van zijn gemoed getroffen door deszelfs grootte en majesteit, door de bekoring en den schrik, die er van uitgaan; een ieder, tot den meest prozaïschen westerling, die er vertoefde, heeft zich den zengenden zonnegloed zijner dagen, den hemelschen vrede en de fantastische droombeelden zijner nachten, de[264]tooverijen zijner verhitte, sidderende lucht, de vreeselijkheid zijner bergenbewegende stormen, onuitwischbaar, onuitdelgbaar in de ziel geprent, en velen verging het wellicht als de geboren zoon der woestijn—hij verlangde met smart naar haar terug te keeren; hij wenschte nog slechts eenmaal een enkelen dag, een enkel uur in haar te ademen, nog eenmaal in werkelijkheid de beelden te aanschouwen, de „onuitgesproken akkoorden” in de ziel doen sidderen, die de woestijn in de harten van dichterlijk gestemde menschen opwekt en te voorschijn roept; een innig heimwee beving zijn ziel.Werkelijk en waarachtig, zij is „El Bahhr bela maa”—de zee zonder water, een pendant van den Oceaan. Geenszins afhankelijk van dezen, gelijk de andere deelen der aardoppervlakte, want in haar gaat de macht van het levenwekkend en onderhoudend element te niet. „Het water omsluit rustig het al”—de woestijn alleen omsluit het niet. Over de geheele wereld dragen de winden de boden der zee, de wolken—maar deze verdwijnen voor de gloeihitte der woestijn. Zelden ziet men in haar een lichten, nauw waarneembaren nevel, zelden aanschouwt men er in den vroegen morgen op de bladeren den vochtigen adem van den nacht. Morgen- en avondrood zelfs zijn hier slechts een waas, dat terstond na zijn geboorte weder wordt opgelost. Overal, waar het water de heerschappij erlangt, herschept het de woestenij in een vruchtbaar landschap, al zij het nog zoo gering, maar op dezelfde plaats, waar dit eindigt, treedt wederom de andere scherp begrensd in ’t leven. Waar de laatste, door het menschelijk vernuft boven den stroomspiegel omhoog geheven golf van den goddelijken Nijl in het zand verdwijnt, verschijnt de woestijn; de eene voet des reizigers, die de richting naar de Nijlbergen inslaat, staat in het groene korenveld, de andere in de woestijn. Want het is niet zoo zeer het zand, dat den plantengroei belemmert, maar veeleer de verzengende, schroeiende hitte, die in dat zand heerscht. Op plaatsen, waar het vochtig wordt gehouden, waar nu en dan het water er overheen vloeit, vlijt zich zelfs midden in de woestijn een vriendelijk, groen tapijt over de anders dorre aarde, en ontspruiten ook daar struiken en boomen.Arm, onbegrijpelijk arm is de woestijn, maar dood daarom niet, allerminst voor hen, die er leven zoeken en dit weten op te sporen. Hij, die met een stompzinnig oog door de woestijn trekt, ziet voorzeker niets dan zandige vlakten en rotskegels, kale laagten en naakte gebergten, ziet wellicht zelfs de spaarzaam verspreide rietachtige grassen en[265]struikachtige boomen der diepere kommen over ’t hoofd, en eveneens de weinige levende wezens, die ook hier nog verblijf houden; maar hij, die de kunst van zien verstaat, ziet oneindig meer. Voor stompzinnige menschen is de woestijn niets anders dan een gebied van verschrikking; zij laten zich door de hitte, die hier des daags heerscht, zoo zeer ter neêr drukken, dat zelfs de heerlijke nacht hun geen troost, geen vernieuwde kracht meer schenken kan; zij rijden moedeloos de woestijn in en verlaten haar huiverend; zij hebben enkel gevoel voor het ontzettende, enkel gevoel voor de bezwaren der woestijnreis—voor het oneindig verhevene der woestijn is hun hart te klein. Wie haar werkelijk leerde kennen zooals zij is, oordeelt anders.Arm is de woestijn, maar dood is zij niet. Reeds de gesteldheid des bodems, al moge deze ook in ’t algemeen zijn karakter getrouw blijven, is aan velerlei afwisseling onderhevig. Ver in het rond is hier de woestijn eene rotszee met kegels van uiteenloopenden vorm, steil afdalende wanden, diep ingesneden ravijnen, scherp gekante graten en vreemdsoortig op elkander gestapelde toppen, die nu eens door den voortdurend waaienden wind met zand worden bedekt, dan hiermede worden opgevuld, straks daarvan bevrijd. Maar onophoudelijk worden zij bewerkt, gepolijst, uitgehold, gescherpt en toegespitst. Zwarte, in de zon gloeiende zandsteen-, graniet- en syenietmassa’s, zeldzamer kalk- en leigesteenten, hier en daar ook nog vulkanische vormingen, bouwen zich op tot ketens van sterk sprekenden vorm; de wind, die altijd uit denzelfden hoek waait, berooft ze van elke bedekking, drijft het fijne zand zonder verpoozing over de kruinen, om deze wanneer de wind tot een storm is aangegroeid, als in een dichten sluier te hullen, die dan eerst verdwijnt wanneer het zand over de hoogste toppen is heengestoven, om aan de luwzijde van het gebergte goudgele uit het fijnste rolzand bestaande lagen te vormen, die ettelijke meters hoog boven elkander gelegerd, eeuwig in beweging zijn, voortdurend naar beneden schuiven, bestendig weêr van de andere zijde aangevuld worden en uit de verte er uitzien als breede, scherp tegen de donkere hellingen afstekende, bij gunstige verlichting zelfs schitterende linten. Zulke gebergten kan men gerust de kleinoodiën der woestijn noemen. Hij, die het gloeiende zuiden niet kent, is niet bij machte, zich den ongemeenen kleurenrijkdom, den glans, de oneindige bekoorlijkheid voor te stellen, die het weelderige zonnelicht op de eenzaamste, wildste en dorste gebergten in ’t leven roept. Het gebergte[266]der woestijn draagt nimmer een vriendelijk, groen woud; ten hoogste veroorloven de hoogste toppen een kwijnend bestaan aan eenig laag struikgewas, dat in het daarneêrgeslagenvocht in staat wordt gesteld een schraal voedsel te vinden; deze bergen derven het gelispel der beuken, het ruischen der dennen en pijnboomen, het zoet gemurmel, of lustig geklater en luid gebruisch van stroomende wateren, die zilveren linten slingeren om onze hooggebergten, deze omlijsten met groene planten, en elders de kleuren van den regenboog tooveren in het schuim van watervallen en stortbeken; de bergen der woestijn derven het sneeuw- en ijskleed, waarover het avond- en morgenrood een purperenweêrschijnspreidt, en dat de middagszon omkleedt met een schitterend gewaad; zij derven het sappige, frissche groen der weiden, in ’t kort alle bekoorlijkheid en liefelijkheid van de hooggebergten der noordelijke streken des aardbols, en toch zijn zij schier even rijk als deze in kleurenpracht, ja winnen het misschien in verhevenheid en grootschheid van gene. Elke afzonderlijke gordel, elke kleur komt tot gelding. En toch zijn het minder deze, dikwijls zoo levendig gekleurde, soms schril van elkander afstekende lagen, maar nog in veel hoogere mate de spitsen, tanden, rillen, reten en ravijnen der woestijnbergen, die door het voortdurend schuren van het zand de sierlijkste en wonderlijkste vormen erlangden, en waarop het hemelsche licht een heerlijk kleurenspel te voorschijn toovert. Onafgebroken wisselen licht en schaduw met elkander af; voortdurend ontstaan en verdwijnen de kleuren en tinten, en dit schouwspel is zoo aangrijpend, dat wij schier onze bezinning er bij verliezen. Ook de bergen der woestijn bedekken zich met purper in de omarming der eerste en laatste zonnestralen; ook over hen trekt de verte een blauw, aetherisch waas; ook zij leven, want zij erlangen leven door het licht.Op andere plaatsen is de woestijn mijlen in ’t rond zoo effen als een spiegel of ten hoogste eenigszins golvend van oppervlak. Een fijn, goudgeel zand ligt er over uitgestrooid, waarin menschen en dieren eenige centimeters diep inzakken. Hier ziet men dikwijls geen enkelen grashalm, geen eenig levend wezen. De blauwe, meestal effen hemel rust als een koepeldak op deze goudgele vlakte en brengt er het zijne toe bij om zulke plaatsen op eene zee te doen gelijken. De voetsporen van het schip der woestijn worden even schielijk uitgewischt als zij er in afgedrukt werden, geen pad is zichtbaar, zelfs niet de geringste aanduiding van een pad; het kompas werd ook voor zulke plaatsen uitgevonden.[267]Afwisselender, ofschoon niet aangenamer zijn andere gedeelten, welker bodem gevormd wordt door een los, aardachtig, of stoffig zand, en waarin vergiftige kolokwinten of geneeskrachtige sennah ontspruiten. Hier wisselen langgestrekte, lage heuvelrijen af met vlak-komvormige, smalle dalen, waarover een uit de verte beschouwd er frisch uitziend tapijt van de zoo even genoemde planten ligt uitgestrekt. Menschen en dieren mijden zulke streken, omdat zoowel de te voet gaande kameeldrijvers als de kameelen zelf dikwijls een voet diep in den lossen grond zinken. Weer andere gedeelten zijn met grof grint en vuursteenen, hier en daar ook wel eens met sterk ijzerhoudende en met zand gevulde holle kogels bedekt, welke laatste er uitzien, alsof zij door ’s menschen hand waren gevormd, ofschoon men hunne ontstaanswijze nog niet met juistheid heeft kunnen verklaren. Eene enkele maal vindt men op deze plaatsen, alwaar de voetstappen der kameelen blijvende sporen achterlaten, zoodat men hier van woestijnwegen kan spreken, duizenden van kwartskristallen, of afzonderlijk, of groepsgewijs,—inz.g.kristalklieren,—die doen denken aan door eene kunstenaarshand geslepen brillanten. De zon toovert met deze kristallen; die plaatsen schitteren, fonkelen en tintelen op eene wijze, dat het oog zich verblind af moet wenden. In de diepste laagten vormt een stoffige aarde den bodem en hier vindt men onfeilbaar de carexachtige, maar zeer harde, droge, scherpkantige, zwartgroenehalfa, schermvormige mimosa’s, misschien zelfs tompalmen, die getuigen van meer vriendelijk leven.Maar ook de dierenwereld heeft zijn aandeel in het overal optredende leven. Wie de woestijn een doode wildernis noemt, dwaalt evenzeer als hij, die meent, dat zij de woonplaats is van den leeuw. De woestijn is te arm om leeuwen te voeden, maar rijk genoeg om duizenden andere wezens te onderhouden. En alle in haar levende dieren zijn te merkwaardiger, omdat zij zich in alle opzichten zoo zeer kenmerken als echte kinderen der woestijn.Deze woestijnkinderen hebben een kleed, dat zich steeds op het innigste aanpast aan de kleur van den grond, zoodat het veelal zandkleurig is. Maar meer nog dan door dit kleed onderscheiden zij zich door een lichten en sierlijken lichaamsbouw, door opmerkelijk groote, ongemeen scherpziende oogen en fijnhoorende ooren, terwijl hun geheele voorkomen zelfbewustzijn en bescheidenheid uitdrukt. Alle in de woestijn geboren schepselen zijn veroordeeld tot een zwervend leven,[268]want nergens levert een enkele plek genoeg voedsel te alle tijde op om hen te voeden; maar de woestijn schonk aan haar kinderen eene door niets geëvenaarde vlugheid, grenzenlooze onvermoeidheid en eene zich nimmer verloochenende volharding; zij scherpte de zintuigen, zoodat zelfs het weinige, dat zij aanbiedt, kan opgespeurd worden, en verleende eindelijk een kleed, dat zoowel beschermt als verbergt, dat voor den aanval en bij de vlucht meer dan doeltreffend moet genoemd worden; zij maakte alzoo haar kinderen geschikt om een, weliswaar sober, maar daarom geenszins vreugdeloos bestaan te voeren.GAZELLEN IN DE SCHADUW EENER MIMOSA.GAZELLEN IN DE SCHADUW EENER MIMOSA.[269]Tengevolge van het allen woestijndieren eigen, met de omgeving ineensmeltend kleed, ontwaart de reiziger, zoo hij niet een geoefend waarnemer is, althans aanvankelijk weinig van de hem omringende dierenwereld. Dientengevolge schijnt de woestijn veel armer dan zij werkelijk is, en zulks nog te meer, dewijl de meeste harer bewoners eerst tegen de schemering of nog later hun rust- en schuilplaatsen verlaten om het leven aan te vangen; enkele woestijndieren vallen evenwel gemakkelijk ook minder geoefende oogen in ’t gezicht. Men moge dewoestijnleeuwerikenvoorbijzien, alhoewel juist deze vogels op zeer merkwaardige wijze de overeenstemming tusschen gevederte en grond, alsmede hunne onevenredig ontwikkelde bewegingswerktuigen in ’t oog doen vallen, onmogelijk kan men de woestijnhoenders niet opmerken, en wie achteloos de onderaardsche woningen der springmuizen voorbijrijdt, diens aandacht zal toch door eene in de nabijheid grazende gazelle moeten getrokken worden.Ook deze mag men een typisch gevormd woestijndier noemen. Ofschoon over ’t algemeen evenredig gebouwd, schijnen kop en zinsorganen bijna te groot en de ledematen al te dun, schier ongelukkig. Maar die kop omsluit in zijn schedelholte hersenen, die eene bij herkauwers zeer ongewone schranderheid en geestelijke werkzaamheid in ’t leven roepen; daarenboven zijn deze ledematen als uit staal geformeerd, ongemeen krachtig en elastisch, zoodat zij eene groote bewegelijkheid en onvermoeide volharding mogelijk maken. Wie de gazelle niet anders dan in den gevangen staat, in eene enge ruimte zag, kan zich niet voorstellen hoe dit dier in de woestijn optreedt. Welk eene bewegelijkheid, vlugheid en taaiheid, sierlijkheid en lieftalligheid ontplooit het daar! Hoe passend werd juist de gazelle door den oosterling en vooral door den woestijnbewoner gekozen tot zinnebeeld van vrouwelijke schoonheid! Zich verlatende op haar zandkleurig gewaad, alsmede op hare ongemeene bewegelijkheid en snelheid, staart zij schijnbaar onbezorgd met hare heldere oogen kameel en ruiter in ’t gelaat.Zonder van vrees te laten blijken graast zij voort, niettegenstaande de karavane nadert. Van de bloeiende mimosa’s neemt zij een knop of een sappig twijgje, tusschen het scherpe halfa vindt zij een malsch halmpje. Steeds nader rukken de ruiters. De gazelle heft den kop op, luistert, ruikt, kijkt weder, springt eenige schreden vooruit en doet als vroeger. Bliksemsnel drukken de elastische pooten tegen den grond, en voort snelt zij, zoo schielijk, zoo licht, zoo bevallig, zoo sierlijk, als ware haar die[270]snelle beweging slechts spel en scherts. Met de snelheid der gedachte rent zij over de zandige vlakte, groote steenen en tamarindenboschjes in vliegende vaart overspringende. Zij schijnt de aarde niet meer aan te raken; het lied der woestijn is in haar belichaamd, zoo bekorend werkt zij door haar onvergelijkelijke bevalligheid en vlugheid. Slechts enkele minuten zijn voldoende om haar aan alle gevaar te onttrekken, want tevergeefs spant zich de beste draver in om haar na te rennen; geen windhond zelfs vermag haar in te halen. Weldra matigt zij haar loop; nog enkele oogenblikken en zij staat stil om weder te oogen en te kijken als straks. Plaagziek als zij is, laat zij den moordlustigen ruiter, die aanvangt haar in vollen ernst te vervolgen, naderbij komen, en voorzichtig onttrekt zij zich herhaalde malen aan zijn doodelijk wapen, totdat zij eindelijk verschrikt, onverwijld elk verder gevaar ontloopt. Langer vlucht zij, en steeds ranker worden lijf en leden, steeds flauwer de omtrekken, meer en meer verdwijnt zij op de zandige vlakte en eindelijk is zij in deze geheel opgenomen; het is alsof zij in een nevel werd opgelost. Het geboorteland heeft haar gedekt en geborgen, op tooverachtige wijze aan het oog ontrukt, aan elke waarneming onttrokken. Maar naarmate het oog haar verloor, herleeft zij in het hart. Want ook de westerling moet nu begrijpen, waarom de gazelle in het dichterlijk gemoed van den oosterling zulke heerlijke bloesems deed ontluiken, waarom de laatste dit dierlijk wezen zoo oneindig hoog stelt, waarom hij het oog, dat zijn hart deed ontvonken, bij dat der gazelle vergelijkt, en den hals, om welken hij in het vuur der liefde zijn armen houdt geslagen, den hals eener gazelle noemt; waarom de woestijnbewoner in de tent zijner gade, die vol zoete verwachting is, eene tamme gazelle brengt, opdat zij zich moge verkwikken aan het schoone oog en dit als eene erfenis schenken aan het verwachte pand der liefde, en waarom de vrome zanger in de sierlijke antilope het zinnebeeld aanschouwt van zijn verlangen naar het verhevene. Want ook op hem, den wereldmoede, daalde het vuur, dat ontvonken deed voor de lofliederen op dit dier, en de aderen der poëzie deed openen.Minder liefelijk, maar toch niet minder in ’t oog vallend, treden andere woestijndieren op. Tusschen spaarzaam verspreide halfastengels loopt een talrijk heer van vogelen, zoo groot als duiven, trippelend heen en weder. Scharrelend en met den snavel arbeidende, pikken zij naar voedsel. Onbevreesd laten zij de ruiters tot op minder dan honderd schreden naderen. Met behulp van een goeden kijker is men in staat[271]iedere beweging en zelfs de meest in ’t oog vallende kleuren van ’t gevederte waar te nemen. Met gedoken kop, ingetrokken hals en horizontaal uitgestrekt lichaam loopen zij heen en weêr, om allerlei zaden, de weinige korrels, die de woestijngrassen opleveren, jonge uitspruitsels en insekten op te zoeken. Enkelen speuren nu en dan met uitgestrekten hals in ’t rond, anderen daarentegen woelen argeloos in het zand, poetsen hun gevederte en strijken dit glad, of leggen zich half op den buik, half op de zijde om zich in het zonnetje te koesteren. Men kan dit alles duidelijk zien, het aantal vogels tellen en zich vergewissen dat er meer dan vijftig, ja bijna honderd zijn. Zou er een woestijnjager bestaan, die aan deze verleiding weêrstand kan bieden? Zeker van den buit, schuift de nog onervaren jager zijn kijker in, neemt het geweer ter hand en rijdt langzaam op de bonte schaar af. Maar daar verdwijnen de vogels voor zijn oog. Geen enkele liep weg of vloog heen, en toch zijn zij verdwenen. Het is alsof zij door de aarde zijn verzwolgen. In werkelijkheid hebben zij, zich verlatende op de overeenstemming van de kleur van hun gevederte met die van den grond, zich aan de aarde aanvertrouwd, d.w.z. zich plat op den grond uitgestrekt. Op hetzelfde oogenblik zijn zij tot steenen en zandhoopjes geworden. De nog ongeoefende jager rijdt op hen af zonder ze te zien, en schrikt op, wanneer zij zich bliksemsnel verheffen, onder luid geschreeuw en getier opvliegen, en suizend wegstormen. Gelukt het hem evenwel een vogel te schieten, dan staat hij niet minder verbaasd over de ongewone kleur en de zeldzame teekening der veêren dan over hun vreemd gedrag. De zandkleurige, nu eens meer in ’t grijze, dan meer in ’t helder geel spelende kleur der bovenzijde is afgezet door en sierlijk getooid met breede banden, smalle strepen, prachtige randen, moesjes, punten, vlekken, streepjes en striemen, zoodat men zou meenen, dat zulk een hoen reeds van verre zichtbaar moest zijn; maar die mengeling van kleur is slechts eene trouwe kopie van de kleur van het zand zelf, en elke donkere, elke lichtere plek, elk steentje, iedere zandkorrel wordt op dat gevederte teruggevonden. Geen wonder dus, dat de grond den vogel als het ware in zich opneemt, zelfs diens vorm uitwischt, en het dier niet minder bescherming verleent als hij die vindt in zijn krachtige, met ongemeene snelheid bedeelde vleugels.En daarom vlecht de Arabische poëzie ook om deze hoenders de bloemrijkste beelden en gedachten; hun schoonheid toch boeit het oog[272]en hunne meer dan gewone vlugheid wekt een smartelijk verlangen in het hart van den aan den grond geketenden mensch.Alle overige woestijndieren dragen hetzelfde karakter als de beide voorgaande.Er leeft in de woestijn een soort van losch,karakalgeheeten; deze is veel slanker, hooger op de pooten, langooriger en grooter van oogen dan alle andere losschen, ook niet gestreept of gevlekt, maar tot op de zwarte oorspitsen, oogstrepen en lipvlekken na zandkleurig, en naar gelang der streek, die hij bewoont, lichter of donkerder, rooder en minder rood van tint; er leeft een vossensoort, defennek, de dwerg der geheele hondenfamilie, met een isabelkleurig kleed en reusachtig groote ooren.De woestijn brengt een knaagdier voort, de z.g. springmuis, een haasje van dwergachtige, kengeroe-gedaante, met verbazend hooge achterpooten, zeer onontwikkelde voorpootjes en een aan twee zijden behaarden staart, die de lengte bezit van ’t geheele lichaam; het overtreft alle andere knaagdieren wat onschuld en goedaardigheid aangaat, maar ook in snelheid en vaardigheid. Denzelfden stempel dragen de vogels, reptielen en zelfs de insekten, en dit karakter verloochent zich nooit, hoe veel afwisseling vorm en kleur ook mogen aanbieden. Komt naast het zandgeel ook nog eene andere kleur tot uitdrukking, ziet men in het haar, vederkleed of in de schubben ook nog zwart of wit, aschgrijs of bruin, rood, blauw enz. dan komen zulke, het dier meestal enkel tot sieraad dienende kleuren toch altijd slechts op zulke plaatsen te voorschijn, die men niet kan bespeuren, wanneer men het oog van boven of van terzijde op het dier richt. Verheft zich evenwel te midden der woestijn een hoog gebergte, dan weêrkaatst zich dat uiterlijk ook terstond weder in de daar levende dierenwereld; op de grauwe rotsen van Arabiës hooggebergte klautert de woestijn-steenbok en woont de klipdas, nestelt de gierarend, bevolkt een niet onaanzienlijk soortental van andere vogels de kammen en kloven, de hellingen en de dalen, terwijl van de zwarte rotsen der lagere woestijngedeelten alleen de inktzwarte rouwtapuit zijn helder, klankrijk lied laat hooren. Zoo openbaart zich de harmonie der woestijn in al hare afzonderlijke partijen, in ieder harer schepselen, en zoo verhoogt zij juist hierdoor den indruk, dien zij op elken nadenkenden, gevoelvollen en naar lichaam en ziel krachtigen mensch, reeds op den eersten dag, dat hij de woestijn betreedt, uitoefent, en welke invloed met iederen volgenden dag slechts grooter wordt.[273]Volle kracht, ontvankelijkheid en gevoel vraagt de woestijn ongetwijfeld van iederen mensch, die haar wil leeren kennen, en die zich in zekere mate in haar wenscht thuis te gevoelen. Wie de moeilijkheden der reis, gelijk zij oplevert, niet kan verdragen, wie hare zon vreest, wie door haar zand wordt afgeschrikt, blijve ver van haar. Zelfs bij een helderen hemel, bij een rustige lucht, ja bij een koel windje uit het noorden is en blijft een dag in de woestijn een moeilijke dag. Bijna plotseling, haast zonder schemering vangt hij zijn heerschappij aan. Slechts in de nabijheid der zee of in die van groote, de woestijn doorstroomende rivieren omzoomt Aurora den oostelijken horizon met een purperen rand; te midden der uitgestrekte zandvlakten verschijnt met het eerste morgenrood ook onmiddellijk de zon. Zij verheft zich boven de zandzee als een vuurbol, die elk oogenblik dreigt te barsten, om zijn stukken in alle richtingen weg te slingeren. Zoodra is niet de zon verrezen, of ook de morgenkoelte is voorbij, en schiet zij gloeiende stralen op het aardrijk als ware reeds de middag gekomen. De uit het noorden waaiende, dikwijls werkelijk verkwikkende, frissche, maanden lang aanhoudende wind, verhindert wel is waar soms, dat de ongelijk door de warmte uitgezette luchtlagen het voorkomen aannemen van eene zee, maar zooveel afkoeling brengt deze wind toch niet te weeg, dat het eigenaardig sidderen der onderste lagen wordt weggenomen. Hemel en aarde stralen in een overvloedig licht; een onbeschrijfelijke hitte stroomt van de zon uit en kaatst van het zand naar boven terug. Licht en hitte nemen met ieder uur toe, en machteloos staan mensch en dier daar tegenover.De karavane is met den eersten zonnestraal opgebroken en trekt stilzwijgend voort. In de verte draven de lastkameelen, met elastischen tred loopen de drijvers er naast of er achter, in vollen draf rennen de rijkameelen, matig aangezet, deze voorbij en het andere gezelschap vooruit; weldra hebben de ruiters het lastdragend gedeelte uit het gezicht verloren. Voorwaarts gaat het zoo schielijk mogelijk. Al onze beenderen dreigen onder het stooten der zich haastende rijdieren te breken; zengend brandt de zon op ons, haar steken dringen door de kleederen, al verdubbelt men ook derzelver aantal. Onder die dichte bedekking dringt het zweet van het voorhoofd, van het geheele gelaat, van het geheele lichaam, en daar waar men losser gekleed is, op de armen en beenen, verdampt het vocht zoodra het ontstaat. De tong kleeft aan het gehemelte. Water, water, water! is het eenig denkbeeld, dat oprijst[274]bij hem, die nog niet heeft geleerd zulke bezwaren te verdragen. Maar het water is, naar lands gebruik, niet in ijzeren kisten en flesschen, maar in lederen zakken geborgen; dagen achtereen heeft het in den vollen zonnegloed op den rug der kameelen gelegen en is alzoo meer dan lauw, kwalijk riekend, dik, bruin van kleur, daarenboven doortrokken van den smaak van leer en kolokwintenteer en dientengevolge walgelijk van smaak, ja zelfs braakverwekkend. Zulk water laaft niet, integendeel het veroorzaakt nieuwe bezwaren, zelfs smartelijke buikpijnen, zoodat de begeerte naar een anderen drank nog sterker wordt. Er bestaat echter geen middel om het te verbeteren, evenmin als om het te vervangen. De doordringende reuk en smaak spotten met alle pogingen om het in den vorm van koffie of thee, of vermengd met wijn of brandewijn te genieten; enkel wijn en brandewijn verhoogen wederom den brandenden dorst en de drukkende hitte. De toestand der reizigers wordt onuitstaanbaar nog vóór de zon hare middaghoogte heeft bereikt, en de ellende neemt in gelijke mate toe als het water slechter wordt. Maar het leed moet verdragen worden en het wordt verdragen. Kan de westerling zich nimmer gewennen aan het water, aan de in den beginne ondragelijk schijnende hitte gewent hij zich spoedig, aan de bezwaren van het rijden te eerder, hoe meer hij met zijn rijkameel één wordt. In het vervolg zal hij voor goed, zuiver water zorgen en dan zal hij weinig meer over de hitte, in ’t geheel niet meer over de moeilijkheden, die het rijden veroorzaakt, klagen.Behagelijk rustend, alhoewel onzacht gewekt door de brullende klaagliederen der opbrekende lastkameelen, laat de bewoner des lands de goederenkaravanen vooruittrekken, laaft lijf en ziel aan koffie en tabak, beklimt dan zijndromedarisen jaagt met zijn kameraads zoo schielijk voort als de rijdieren maar loopen willen. Geen woord wordt er gewisseld, alleen het knarsen van het zand onder de elastische voetzolen, het luide ademhalen en doffe, kolderende knorren der kameelen wordt gehoord. In weinige oogenblikken is de goederenkaravane ingehaald en heeft men zelfs aanmerkelijk op deze gewonnen. Een gazelle graast niet ver van den weg en geeft hoop op een buit, die hier hoogst welkom is. Met bekoorlijke sprongen huppelt de belichaamde woestijngedachte des dichters voor de vervolgende ruiters uit, met wijdgestrekte schreden draven de sterk aangezette kuchende kameelen het dier achterna. Het wild schijnt zorgeloos en laat ons naderbij komen; de ruiters nemen den schijn aan als wilden zij het[275]voorbijrijden, houden de kameelen in en vorderen langzamer; een hunner laat zich uit het zadel glijden, doet zijn dier een oogenblik stil staan en schiet onder diens lijf de nimmer missende buks af. In een oogwenk is de aanvoerder uit het zadel gesprongen om zich van het gevelde wild meester te maken; juichend sleept hij het mede, hecht het aan zijn zadel, en verder trekt de schare.Tegen den middag wordt er rust gehouden. Bevindt zich een laagte in de nabijheid, dan staat daar allicht eene mimosa, wier ijle bladerenkroon een weinig schaduw biedt; strekt zich eeneonafzienbarezandvlakte rondom de ruiters uit, dan vormen vier in den grond gestoken lansen en het daartusschen gehangen wollen tapijt een armoedig schaduwdak. Maar gloeiend is het zand, dat tot rustplaats zal dienen, heet en drukkend is de lucht, die men inademt; matheid en slapheid overvallen zelfs den inboorling,—hoeveel te meer dus den westerling. Men snakt naar rust, maar kan ze niet vinden; naar verkwikking, en deze blijft uit. Verblind door het schitterend licht en de flikkerende lucht, sluit men de oogen; gekweld door de zengende hitte, gepijnigd door den brandenden dorst, wentelt men zich slapeloos op zijn leger om en om. Loodzwaar kruipen de uren voort.De goederen-karavane trekt langzaam voorbij en verdwijnt in een nevelige luchtzee, op welker golvende lagen de kameelen schijnen te zweven. Nog altijd verwijlt men in denzelfden toestand en lijdt men onder dezelfde bezwaren. De zon is reeds lang op het hoogst geweest, maar nog altijd schieten haar gloeiende stralen met onverminderde kracht naar beneden. Eindelijk, het is reeds laat in den namiddag geworden, breekt men opnieuw op. Wederom volgt een rit zoo snel, dat de schielijke beweging ons bijna een verkoelenden luchtstroom tegenzendt; wij moeten de lastkaravane weder inhalen. Zij is ingehaald; zingend loopen de kameeldrijvers achter de dieren. Een hunner is voorzanger, de anderen vallen bij den laatsten regel van elk vers en steeds met hetzelfde slotrijm in.Wanneer men bedenkt hoe moeilijk eene woestijnreis voor een kameeldrijver is, dan verwondert men er zich over, dat men hem hoort zingen. Voor het aanbreken van den dag belastte hij zijn dier, na alvorens eenige handvollen doerrahkorrels, beider eenig voedsel, met zijn kameel gedeeld te hebben; zoo lang de dag duurt drentelt hij achter zijn dier, zonder eene enkele bete meer te nuttigen, ten hoogste zich nu en dan lavende aan het stinkende water der lederen[276]zakken; de zon brandt op zijn schedel, het gloeiend zand zengt zijn voetzolen, de heete lucht droogt zijn van zweet druipend lichaam; voor hem was er geen tijd om te rusten, ja wellicht moest hij enkele zijner dieren nog omladen of sommige opvangen, die weggeloopen zijn—en toch zingt hij thans zijn lied. Het is de tooverkracht van de woestijnlucht, die deze stemming uitlokt.Wanneer de zon ter ruste gaat, schijnen de lichamen dezer uitgedroogde kinderen der woestijn opnieuw op te leven; want ook zij gelijken in alles op hun verhevene moeder, de woestijn. Met deze verbranden zij op den middag, met haar bloeien zij op in den nacht. Zoodra de zon ter kimme neigt, weeft hun dichterlijk talent, nog vóór de slaap is gekomen, gouden droomen. De zanger prijst de waterrijke bronnen, de palmboschjes, die deze omringen, en de donkere tenten, die er onder op zijn geslagen; hij begroet een bruin meisje in de tent, dat hem den heilsgroet brengt, roemt haar schoonheid, vergelijkt haar oogen met die der gazelle, haar mond met een roos, wier geur als woorden in zijn oorschelpen tot een parelensnoer zich aaneenrijgen, versmaadt om haar de eerstgeboren dochter des sultans en zegent het uur, dat hem in staat zal stellen zijne tent met haar te deelen. Zijn makkers vermanen hem evenwel nog hoogere verlangens te koesteren en richten deswege telkens zijn gedachten op den profeet, „die onze wenschen en zoete verlangens bevredigt.”Zoo klinkt dat lied den vreemdeling uit noorderlanden tegen, en ook bij hem komen er vaderlandsche liederen op de lippen. En wanneer dan de laatste rozengloed der ondergegane zon tegen het luchtruim weêrspiegelt, wanneer de nacht haar tooverkleed over de woestijn uitspreidt, dan is het hem alsof het zwaarste nog licht is gevallen en alsof hij gedurende de hitte des daags geen dorst, gedurende den rit geen bezwaren heeft gevoeld. Vroolijk springt hij uit het zadel, en terwijl de drijvers hun kameelen ontladen en vastbinden, effent hij het zand en hoopt het op tot een nachtleger, spreidt hij er tapijten en dekens over uit en geeft hij zich met wellust over aan de vurig verlangde rust.Slechts weinige schreden in ’t rond verlicht het kleine vuur de vlakte. Vlijtig weren zich de halfnaakte, donkere zonen der woestijn daar om heen. De vlam werpt op deze lieden, die in de schemering van den nacht tot schaduwen worden, een tooverachtig licht; balen, kisten, zadels en gereedschappen, alles neemt de vreemdste gedaanten aan; de[277]kameelen, die buiten de bagage in een wijden kring zijn gelegerd, veranderen in spookgestalten, vooral wanneer hun oogen, door het vuur beschenen, tot vurige kogels worden. Stiller en stiller wordt het in het leger. De eene woestijnzoon na den anderen verlaat de kameelen, met wie hij zijn armzalig avondeten heeft gedeeld, hult zich in zijn lang gewaad, gaat liggen en smelt in een met het zand. Het vuur flikkert nog eenmaal op, verliest zijn glans en dooft uit. Het is werkelijk nacht geworden in het leger.EENE OASE.EENE OASE.Wie zal hem beschrijven, den nacht in de woestijn? Het moet een dichter zijn bij de gratie Gods.Wie is bij machte—al had hij hem zelf doorleefd, doorwaakt, doorzwelgd, doorgedroomd—diens schoonheid naar eisch te malen? Na de hitte van den dag is hij de milde, vergoedende en verzoenende heilaanbrenger, de vrede- en vreugdeschenker, dien de man met niet minder verlangen te gemoet ziet als de geliefde, wier komst zoo lang met smart werd verbeid. „Leïla”, de sterheldere nacht der woestijn, Leïla is den Arabier de verpersoonlijking van al wat hoog is en heerlijk,[278]Leïla noemt hij zijn dochter; met de woorden: „mijn sterheldere nacht” vleit hij minnekoozend zijn geliefde; „Leïla, o Leïla” luidt steeds het slotrijm van al zijn liederen. Maar welk een nacht is het ook, die hier in de woestijn, na de vele vermoeienissen en bezwaren van den dag, de zinnen en het hart omstrikt! In ongekende klaarheid en helderheid fonkelen de sterren aan het donker gewelf des hemels; het licht der meest nabijzijnden werpt zelfs een zwakke schaduw op den licht gekleurden grond. Met volle teugen ademt de mensch de zuivere, verkoelende, verkwikkende lucht in; vol verrukking laat hij het oog dwalen van de eene zon naar de andere. Meer en meer schijnt het licht der sterren tot hem af te dalen; zijn geest verbreekt de boeien, die hem aan het stof ketenen en houdt een samenspraak met andere werelden. Geen geluid, geen gedruisch, zelfs niet het sjirpen van een sprinkhaan stoort de gedachten. Nu eerst openbaart zich aan hem de majesteit en verhevenheid der woestijn; haar onuitsprekelijke vrede maakt woning in zijn hart. Maar ook een trotsch gevoel van eigenwaarde dringt zich bij hem op; hier, te midden der oneindige eenzaamheid, zoo alleen, zoo buiten alle gemeenschap met de menschenwerelds enkel op zich zelf aangewezen te zijn, zulks wekt bij hem een gevoel van vertrouwen, moed en hoop. Droombeelden vol bekoorlijkheid treden voor zijn wakend oog en onweêrstaanbaar slepen ze hem meê; zij blijven hem omzweven, ook dan nog wanneer de sterren beginnen te beven, de gedachten hem verlaten en de oogen zich sluiten.Na de verkwikking naar ziel en lichaam, gelijk de woestijnnacht die schenkt, vallen de vermoeienissen den volgenden dag niet zoo zwaar, hoe veel strijd het ook moge kosten het vuile water, dat met elk uur slechter wordt, te drinken.Ware rust evenwel, een door niets gestoord genot wordt eerst verkregen, wanneer men eene bron heeft bereikt. Voortdurend bedreigd door gebrek aan de allereerste levensbehoefte is elke woestijnreis een rusteloos jagen en voorwaarts spoeden, zoodat er geen sprake is van de gemakken, die aan eene reis aangenaamheid bijzetten. De eene dag verloopt even als de andere; elke nacht gelijkt, althans in het gunstige seizoen, op den vorigen. In de oase, aan de bron, wordt de dag een feestdag, de avond een onvergald genot, de nacht een werkelijke, verkwikkende rust.Het ontstaan eener oase is afhankelijk van eene kom of dalvormige verdieping, daar zonder eene altijd wellende bron, ten minste zonder[279]een gegraven put, eene iets weeldigere vegetatie onmogelijk is, en de woestijn nergens anders water oplevert dan in het hooggebergte of in de diepste dalen.Evenals in vele andere opzichten de zandzee een tegenhanger is van den Oceaan, zoo vormen ook de eilanden van dezen eene tegenstelling met die der woestijn; zij liggen nl. niet boven, maar beneden de omringende vlakte. Het water komt hier òf als bron te voorschijn, òf het bevindt zich toch op geringe diepte beneden het oppervlak. De hoeveelheid en de hoedanigheid van dat water bepalen het karakter der oase. In slechts weinige laagten borrelt er een zuiver, koel water uit den grond. De meeste bronnen zijn zout-, ijzer- of zwavelhoudend, zeer dikwijls warm, en uit dien hoofde wellicht geneeskrachtig, maar daarom nog geenszins drinkbaar, of bevorderlijk voor de vruchtbaarheid van den bodem. Slechts onder bijzonder gunstige omstandigheden komt het water aan de oppervlakte te voorschijn; in de meeste gevallen sijpelt het door de spleten der rotsen of in gegraven putten droppelsgewijs bijeen en moet, althans nu en dan, opgepompt worden. En ook daar, waar het opwelt, loopt het in den regel alweder spoedig in het zand weg, indien de mensch niet tusschenbei treedt en het verzamelt en verdeelt. Toch doet het onder alle omstandigheden een jeugdig, in deze woestenijen dubbel welkom leven ontkiemen.Lang vóór de mensch de bron in bezit nam, had zich reeds eene groene plantenwereld daaromheen verzameld. Wie zal ons zeggen hoe deze ontstond? Wellicht was het de zandstorm, die de zaden uitstrooide, welke in de nabijheid der bron ontkiemden, bloeiden en groeiden, en wederom zaden voortbrachten, die zich over het geheele dal verspreidden. Menschen hebben daarin ongetwijfeld geen aandeel gehad, want mimosen, die het voornaamste bestanddeel der vegetatie vormen, ziet men ook in de dalen, waar zich geen bronnen bevinden, nu eens een enkele struik, dan tien, twintig en meer tot een klein boschje vereenigd. Deze alleen kunnen reeds leven aanbrengen; zij groeien, bloeien en geuren—en dat zoo frisch, zoo heerlijk, zoo welriekend! In de vriendelijke schaduw dezer mimosa’s rust de gazelle; uit hare toppen schalt het lied der woestijnzangers. Haar malsch gebladerte verkwikt te midden der stijve kalkmassa’s, der zwarte granietkegels en van het blinkend zand, het oog als meigroen; haar bloesems en schaduw laven de ziel. In groote, aan water meer rijke oasen heeft de mensch den palmboom overgebracht en tusschen de mimosa’s geplant; daarmede[280]verkreeg deze tuin der woestijn nog grooter bekoorlijkheid. De palmboom is hier alles in alles; de koning der boomen, die den mensch aan eene kleine plek gronds ketende en hem alles verstrekt, wat hij voor zijn voeding noodig heeft, de in liederen verheerlijkte, en door de bloesems der sage omrankte boom des levens. Wat was de oase zonder den palmboom?! Eene tent zonder dak, een huis zonder bewoners, eene bron zonder water, een lied zonder woorden, een gezang zonder tonen, eene schilderij zonder kleuren! Zijn vruchten voeden den trekherder of hem, die daar zijn vaste woonplaats heeft opgeslagen; zij veranderen in hun handen in tarwe of gerst, zij bevredigen zelfs den tolgaarder zijns gebieders en meesters; zijn stammen en bladeren leveren hem woningen, huisraad, matten, manden, zakken, touwen en banden. In het zand der woestijn leert men eerst de onschatbare waarde van dien boom kennen, zijn volle beteekenis; in het zand der woestijn erkent men den zin van het symbool, waarvan de Arabische dichtkunst zich bedient. Evenals deze ontspruit hij dikwijls uit een vruchtbaren grond, evenals deze streeft hij krachtig, altijd zichzelf gelijk blijvend, naar omhoog, om ook eerst in de hoogte zoete vruchten voort te brengen.Mimosen en palmen zijn de karakteristieke boomen der oase, en ook daar ontbreken deze planten niet, alwaar het water zoo rijkelijk vloeit, dat men er tuinen en akkers zou kunnen aanleggen. Hier vormen zij als het ware de voorposten tegen het opdringend woestijnzand, maar blijven daar dan ook beperkt tot den buitenrand der woestijneilandjes, terwijl het inwendige ingenomen wordt door planten, die behoefte hebben aan meer water. In de nabijheid der bronnen of aan den put breiden zich dikwijls tuinen uit, waarin men soms schier alle vruchten van Noord-Afrika aanbouwt. Hier rankt de druif, gloeit de oranjeappel tusschen het donkere loof, opent de granaat zijn rooskleurigen mond, spreidt de banaan zijn gevinde bladeren uit, omslingert de meloen de groentebedden, en voltooien de vijgencactus en olijfboom, misschien zelfs wel vijgen-, abrikozen- en amandelboomen het beeld der vruchtbaarheid. Op verderen afstand bevinden zich akkers, waarop althans kafferkoren, in een gunstig geval tarwe en rijst verbouwd worden.In zulke rijke oasen heeft de mensch vaste woonplaatsen opgeslagen, terwijl hij in de meer arme laagten slechts nu en dan, op meer of min geregelde tijden, gastvrijheid zoekt. Het dorp of stadje der oase verschilt weinig van de bewoonde plaatsen der naburige vruchtbare[281]landen; men vindt ook hier eene moskee, bazars en koffiehuizen; de menschen echter zijn kinderen van een anderen geest dan de boeren en stedelingen van den Nijl of van de kustlanden. Ofschoon meestal van verschillenden stam hebben zij toch gelijke zeden en gewoonten aangenomen. De woestijn heeft hen omgestempeld. Hun magere gestalte, scherpe gelaatstrekken, hunne door zware wenkbrauwen beschaduwde, fonkelende oogen doen hen terstond kennen als zonen der woestijn; nog sterker vindt men dit uitgesproken in hunne zeden en gewoonten. Zij zijn vrij van aanmatiging, ijverig, wakker en tevreden, gastvrij, open, eerlijk en trouw, maar ook fier, prikkelbaar en opvliegend, geneigd tot roof en andere gewelddadigheden, in welk opzicht zij met deBedoeïnenovereenkomen, alhoewel zij bij dezen ten achter staan in goedheid zoowel als in boosheid. Elke karavane, die zich bij hen laat invinden, is hun ten hoogste welkom, maar de reiziger is hun, meenen zij, tolplichtig.Geheel verschillend van zulke oasen zijn die laagten, in welke zich slechts bij uitzondering de zoo vurig begeerde bron bevindt. De Arabische trekherders zijn tevreden, wanneer zulk eene bron slechts enkele maanden of enkele weken het noodige drinkwater voor henzelf en hunne kudden oplevert; de hier uitrustende karavane mag blijde zijn, wanneer er voorraad is voor enkele dagen. Gewoonlijk is de bron een diepe put, wier wanden eer water uitzweeten dan in mild vloeiende aderen naar omlaag zenden. Ettelijke tompalmen verheffen zich tusschen de spaarzaam verspreide mimosa’s en salicaria’s in de omgeving der bron; eenige weinige grashalmen ontsproten aan de dorre aarde.Vreeselijk arme menschen zijn deze trekherders, die hier hun tenten hebben opgeslagen tot zoolang als hunne kleine kudden geiten er voedsel vinden; hun „strijd om het bestaan” is niets dan een onafgebroken aaneenschakeling van kommer, ontbering en gebrek. Een lang zwart doek van geitenwol wordt in ’t midden over een staketsel uitgehangen, en met de uiteinden aan in den grond geslagen pinnen bevestigd; de eene opening wordt gesloten door een doek van dezelfde stof, de ander, die den ingang zal vormen, door een mat van palmbladeren,—daarmede is de tent gereed, de bruidsgift der vrouw, aan welke deze van haar achtste tot haar zestiende jaar heeft gewerkt, verzameld, gesponnen en geweefd; het huisraad bestaat uit eenige matten om op te rusten, uit een granietplaat met daarbij behoorenden wrijfsteen om het ingeruilde koren te malen, uit eene vlakke aarden plaat voor het[282]roosten der koeken, en verder uit twee buikige potten, eenige lederen zakken, een bijl en ettelijke lansen. Eene kudde van twintig geiten geldt bij hen reeds voor een grooten rijkdom. Maar deze menschen zijn even braaf als arm, even beminnelijk als welgevormd, even goedaardig als schoon, even edelmoedig als bescheiden, even gastvrij als eerlijk, even rein van zeden als geloovig.Beelden aan de oudheid ontleend rijzen op voor den geest des westerlings, wanneer hij deze nomaden voor ’t eerst ontmoet; de Bijbelsche personen ziethijhier levend voor zich, hij hoort hen spreken in de hem uit zijn kinderjaren bekende taal. Duizenden jaren zijn over deze nomaden voorbijgesneld als een enkele dag; op dit oogenblik nog denken, spreken en handelen zij even gelijk de aartsvaders dachten, spraken en handelden. Dezelfde groet als uit Abrahams mond klinkt van hunne lippen den vreemdeling tegen; dezelfde woorden, die Rebekka richtte tot den knecht Abrahams, hoorde ik mij toespreken, toen ik, gekweld door een ontzaggelijken dorst, bij de put van Bahioeda van mijn kameel sprong, en van een jonge, schoone, bruine vrouw te drinken begeerde. Daar stond zij voor mij, de Rebekka van vóór duizenden jaren, in levenden lijve, in onverwelkte jeugd, eene andere dan zij, van wie de Schrift spreekt, en toch dezelfde.Bij de aankomst eener karavane verzamelt zich de geheele bevolking dezer tijdelijke nederzetting. De oudste treedt uit den kring naar voren en brengt den vredegroet; de overigen heeten de vreemdelingen welkom. Dan biedt men het kostbaarste aan, wat de reizigers begeeren, het frissche water, en al wat men verder bezit, en zulks met verrassende vriendelijkheid, zonder op te dringen en toch gemeend. Gretig verzwelgen de reizigers met volle teugen het verkwikkende vocht; ongeduldig dringen tevens de kameelen naar de bron, alhoewel zij bij ervaring weten, dat zij eerst afgeladen, vastgebonden en naar de weide gebracht moeten worden, alvorens het hun geoorloofd is na eene ontbering van vier tot zes dagen, weder hun dorst te lesschen. Men laat echter ook aan de bron geen enkelen droppel verloren gaan, weshalve men hun eerst het nog in de lederen zakken bevatte water geeft; daarna worden deze opnieuw gevuld, om dan eerst de kameelen te drenken, ofschoon men dan nog meer de hoeveelheid voorhanden water in ’t oog houdt dan de behoefte der dieren zelf. Slechts bij eene zeer rijkelijk vloeiende bron laat men vrijen teugel aan hun onleschbaren dorst, en dan is het een genot hen te zien drinken, altijd maar door, zonder[283]ophouden, terwijl zij daarna met koddige, onbevallige, door boeien belemmerde sprongen naar de niet minder vurig begeerde weide rennen, om hier de als een halfvolle ton dansende maag verder met voedsel te vullen.Voor de reizigers en den daar gelegerden stam breekt echter een ware feestdag aan. De eersten vinden frisch water, misschien zelfs wel melk en vleesch, die ’t genot der rust niet weinig verhoogen, de inboorlingen verheugen zich in de afwisseling, die de karavane brengt in de eentonigheid van hun leven. Een der kameeldrijvers heeft in de naastbijstaande tent het geliefkoosde muziekinstrument der woestijnbewoners, de tamboera of vijfsnarige cither gevonden, en begeleidt daarmede op meesterlijke wijze zijn eenvoudig gezang. Deze klanken lokken de dochteren der nomaden; slanke, schoone vrouwen en meisjes omringen vragende de vreemde mannen en richten op dezen en hunne goederen doordringende, blauwe oogen. Wapen u, vreemdeling! die oogen zouden uw hart in gloed kunnen zetten! Zij zijn nog veel schooner dan die der gazelle en de lippen daar beneden beschamen de koralen, de verblindend witte tanden daartusschen de paarlen, die gij deze dochteren der woestijn misschien zoudt willen vereeren!Nu schijnt alles één lied, één gedicht te zullen worden. Om den citherspeler scharen zich enkele groepjes, die zich gereed maken tot den dans; ruwe en zachte handen begeleiden met maatslag de tonen van het speeltuig, de woorden des lieds en den gelijkmatig golvenden dans. Nieuwe gedaanten komen, bekende verdwijnen; het is een bestendig afwisselend dringen en wenden om de vreemdelingen, die zoo verstandig zijn, om even onschuldig en vertrouwelijk te ontvangen als hun gasten geven. Alle bezwaren der woestijnreis zijn vergeten, heimwee en verlangen bevredigd; want het water, het water borrelt overvloedig en treedt in de plaats van alle behoeften van andere plaatsen en tijden.Deze rust sterkt lichaam en geest. Opgefrischt zet de karavane hare reis voort, en indien de dagen niets ergers brengen dan zonnegloed, dorst en afmatting, bereikt zij onverzwakt ook de tweede en derde bron en eindelijk het doel der reis, de eerste stad of het eerste dorp aan gene zijde der woestijn.Maar veranderlijk als de oceaan, die de aarde omgordt, is ook de zandzee. Ook hier woeden stormen, die haar schepen doen stranden en verderfaanbrengende golven oproepen. Ten tijde, dat de maandenlang[284]waaiende noordenwind in strijd geraakt met zuidelijke luchtstroomen, of wanneer deze reeds de alleenheerschappij hebben erlangd, ziet de reiziger plotseling het zand levend worden, in dikke en hooge zuilen opstijgen, die nu eens langzamer, dan schielijker over de vlakte heensnellen. Door de zon beschenen nemen zij het voorkomen aan van vuurzuilen; dan weder zien zij er kleurloos uit of het zijn angstwekkende, zwarte spookgestalten; de wind verdunt en verdikt ze, scheidt hier eene zuil in tweeën, vereenigt ginds twee of meer tot eene in de wolken eindigende zandhoos. De westerling wil in luidebewoordingenzijn verwondering te kennen geven, maar de angstige blikken zijner begeleiders verlammen hem de tong. Wee de karavane, die door zulk een wervelstorm wordt ingehaald; zij mag blijde zijn, wanneer het leven van menschen en dieren behouden blijft! En woeden deze boden des noodlots zonder schade over het hoofd van het reisgezelschap heen, het gevaar is daarom nog niet voorbij, want de samoem, de vergiftige stormwind, volgt den eersten op den voet.Deze in de woestijn onder alle omstandigheden het meest gevreesde wind, die als Chamasien door Egypte, als Sirocco tot in Italië, als Föhn door de Alpen, als dooiwind door Noord-Europa giert, verheft zich geenszins altijd tot een storm; dikwijls waait hij onmerkbaar zacht, en toch doet hij mannenharten beven. Over dezen wind is zeer veel gefabeld geworden; dit is evenwel waar, dat de samoem bij tijd en wijle voor de karavanen hoogst gevaarlijk worden kan, en dat hij de oorzaak is der witgebleekte geraamten van kameelen, alsmede van de door het zand halfbedolven, uitgedroogde mummiën van menschen, die men langs elk woestijnpad vindt. Want niet zoozeer zijne kracht, maar zijn aard, zijn elektrische spanning brengen lijden en verderf over de menschen en lastdieren, welke de woestijn doortrekken.Althans één dag, somtijds eenige dagen vooruit, voorspelt de inboorling en ook de met het land bekende vreemdeling den zandstorm. Onbedriegelijke teekens zijn de voorboden. De lucht wordt zwoel, zwaar, drukkend; een dunne, grijsachtig of roodachtig getinte damp benevelt den hemel; geen tochtje beweegt de lucht. Alle levende wezens lijden zichtbaar onder de zwoelte, die elk oogenblik drukkender wordt; de menschen klagen en jammeren, het wild wordt schuwer, de kameelen worden onrustig en koppig, dringen op elkaar, blijven staan of gaan liggen. Kleurloos gaat de zon onder. Geen avondrood omzoomt den hemel, het nevelkleed bluscht elk licht uit. De nacht[285]brengt geen afkoeling of verkwikking, eer vermeerdering van hitte, krachteloosheid en onbehagelijkheid; in weêrwil van alle loomheid ontvliedt de slaap het oog. Zijn menschen en dieren nog in staat zich te bewegen, dan rust men niet, maar trekt integendeel met angstige haast verder, zoolang de gids nog een enkel hemellicht waarneemt. De damp verandert in een drogen nevel en het eene gesternte na het andere wordt aan den blik onttrokken; zelfs de maan en de zon, welke laatste in het gunstigste geval slechts half zoo groot is als gewoonlijk, worden bleek en onduidelijk.Soms begint de wind om middernacht aan te wakkeren, meestal tegen den middag. Zonder uurwerk kan men het tijdstip niet bepalen, want de nevel is intusschen zoo dik geworden, dat de zon geheel omsluierd wordt en een droefgeestig schemerlicht over de vlakte ligt uitgespreid, zoodat reeds op geringen afstand geen voorwerp meer te onderscheiden is. Zacht, nauwelijks voelbaar begint nu de wind te waaien. Het is nog geen werkelijk waaien, maar meer een zacht ademen. Die luchtadem is gloeiend heet en dringt evenals een kille, ijzige wind door merg en been, veroorzaakt een doffe hoofdpijn, verslapt en beangstigt. Daarop volgt een meer waarneembaar, even gloeiend, even verderfelijk waaien. Enkele korte, huilende stooten mengen zich daaronder.Thans is het hoog tijd om te gaan liggen. Zulks geven ook de kameelen te kennen, want geen zweepslag brengt deze dieren meer vooruit. Vol angst knielen zij neêr, strekken den hals uit, drukken dien tegen den grond en sluiten de oogen. De drijvers ontladen hen ijlings, bouwen uit de bagage zoo schielijk mogelijk een ringmuur, stapelen alle zakken op elkaar om de aan den wind blootgestelde oppervlakte te verkleinen, bedekken ze met alle aanwezige matten, hullen zich, evenals alle andere reizigers deden, zoo dicht mogelijk in hunne dekens, maken het gedeelte, dat om het hoofd is gewonden nat en zoeken dan een schuilplaats achter de goederen. In groote haast werd een en ander volbracht, want de zandstorm zal nu niet lang meer op zich laten wachten.Het aantal stooten vermeerdert; zij volgen sneller op elkander en weinige minuten later woedt de storm met volle kracht. Het giert en dreunt, fluit en huilt door de lucht, het ruischt en loeit in het zand, het knettert, knalt en kraakt in het leger, waar de planken kisten verbrijzeld worden. De hitte neemt nog steeds toe en wordt eindelijk[286]onverdragelijk, onttrekt aan het van zweet druipende lichaam alle vochtigheid, doet alle slijmvliezen scheuren, zoodat het bloed er uit vloeit; de naar water dorstende tong wordt zwaar als lood, de polsslag versnelt, het hart krimpt ineen, de huid scheurt en splijt, de razende storm vult deze kloven met fijn zand, en veroorzaakt daardoor nieuwe kwellingen. De zonen der woestijn bidden en zuchten, de westerling steunt en klaagt.Gewoonlijk duurt de hevigste woede van den zandstorm niet lang, een, twee, drie uren slechts, evenals bij ons een onweder, waarmede men hem zou kunnen vergelijken. Naarmate hij bedaart, gaat ook het stof liggen en klaart de lucht op, terwijl een enkele maal een tegenstroom uit het noorden daarop volgt. De karavane herstelt zich en trekt verder. Duurt de samoem echter een halven of heelen dag, dan kan het den reizigers gaan gelijk een mijner kennissen, den FranschmanThibaut, die op zijn tocht door de noordelijke Bahioeda de laatste bron opgedroogd vond en met bijna ledige waterzakken moest opbreken, om den op vier dagreizen afstands gelegen Nijl te bereiken. De vergiftige wind brak over hem en zijne in doodsangst gebrachte karavane, die alle niet dringend noodzakelijke goederen bij de uitgedroogde bron had achtergelaten, los. Het ongelukkige reisgezelschap legerde zich, hoopte op het einde van den storm, wachtte tevergeefs, klaagde, werd moedeloos en wanhopig. Een vanThibautsbedienden sprong razend op, overstemde door zijn huilen den storm, gilde, tierde, woedde, en viel eindelijk uitgeput op zijn meester neêr, liet een gereutel hooren en gaf den geest. Een tweede lag, toen de storm eindelijk zweeg, insgelijks dood op zijn legerstede,—de hitte had hem gedood. Een derde moest, nadat men weder opgebroken had en hij koortsachtig, als om den dood te ontloopen, voortsnelde, achterblijven, en versmachtte. Van de kameelen was de helft bezweken.Thibautbereikte met de overige menschen en dieren den Nijl, maar zijn gitzwart haar was in den tijd van twee dagen sneeuwwit geworden.Van zulke stormen stammen de mummieachtige lijken af, die men langs de karavanenwegen vindt. De storm, die doodde, begroef meteen de lijken en dekte ze met zand; dit zand onttrekt snel aan de lichamen alle vocht, zoodat zij, in plaats van te verrotten, uitdrogen en tot mummies worden. De eene windvlaag werpt er een nieuwe laag zand over heen, de andere ontbloot ze. Nu eens strekt het lijk eene hand, dan een voet of zijn gezicht naar den reiziger uit; een der kameeldrijvers[287]voldoet aan het bevel van den doode, begeeft zich tot hem, werpt weder zand op hem en trekt verder onder het uiten der woorden: „Slaap, knecht des Allerhoogsten, slaap in vrede!”Zulke stormen zijn het ook, die in den geest der gespaarden de droombeelden der Fata Morgana opwekken. Zoolang de mensch in ’t volle bezit zijner krachten en met gezonde zinnen voorttrekt, beschouwt hij de luchtspiegeling wel als een de aandacht trekkend natuurverschijnsel, maar zij wordt hem niet tot Fata Morgana. In het heete jaargetijde ontstaat in de woestijn tegen het midden van den dag, van negen uur in den voormiddag tot drie uur in den namiddag, elken dag de „duivelszee”. Een grijze, op eene zee, beter nog op een overstroomd land gelijkende vlakte, rijst daar, alwaar de woestijn geheel van plantengroei ontbloot is op zekeren afstand voor of om den reiziger in ’t rond op; deze zee golft, glinstert en schittert, laat alle werkelijk bestaande voorwerpen zichtbaar blijven, maar heft ze schijnbaar tot het oppervlak der zee op en weêrkaatst hun beelden naar beneden. In de verte voorttrekkende kameelen of paarden verkrijgen het voorkomen van door wolken gedragen, geschilderde engeltjes, en wanneer men hunne bewegingen kan onderscheiden dan is het alsof zij de beenen verzetten op een uit nevelen gevormde onderlaag. De afstand, waarop de naar het oog toegekeerde grens van dit verschijnsel is gelegen, blijft steeds dezelfde, zoolang de waarnemer zijn gezichtshoek niet verandert en is dus voor den ruiter eene andere dan voor den voetganger. Het geheele wonder berust op de bekende wet, dat eenlichtstraal, die van de eene middenstofineene andere overgaat, gebroken wordt, zoodat dit verschijnsel zich steeds moet voordoen, wanneer de onderste luchtlagen door de terugkaatsing der warmtestralen van het verhitte zand ongelijkmatig worden uitgezet. Geen Arabier bedekt bij ’t zien eener luchtspiegeling zijn gezicht, gelijk fantaseerende reizigers hun goedgeloovige lezers willen wijs maken; zelfs hechten zij geen diepere beteekenis aan de benaming „zee des duivels”. Wanneer evenwel angst, ontbering, vermoeidheid en gebrek op een zandstorm volgen en de geestkracht hebben verlamd, en wanneer dan de luchtspiegeling zich vertoont, kan deze tot Fata Morgana worden. De zieke verbeeldingskracht schept zich nu zoodanige beelden, die met de vurige wenschen van het oogenblik, de begeerte naar water en rust, in harmonie zijn. Ik heb zelf honderden malen de luchtspiegeling aanschouwd en ook mij is zij eenmaal tot Fata Morgana geworden. Zulks had plaats toen ik na een onlijdelijken dorst[288]van een etmaal achtereen de „zee des duivels” voor mij zag schitteren en glinsteren. Toen verbeeldde ook ik mij den heiligen Nijl, booten met gezwollen zeilen, palmboschjes, tuinen en landhuizen voor mij te zien. Maar op dezelfde plaats, alwaar mijne zieke zinnen een palmenwoud zagengroeien, zag mijn eveneens versmachtende metgezel zeilbooten, en daar waar ik een tuin meende te aanschouwen, spiegelden zich voor zijne ziel bosschen af. Maar al deze fantasieën verdwenen, zoodra wij toevallig water ontdekten en ons daarmede hadden gelaafd; alleen de grijze nevelzee hield stand.EENE KARAVANE, DE WOESTIJN DOORTREKKENDE.EENE KARAVANE, DE WOESTIJN DOORTREKKENDE.De „zee des duivels” heeft ongetwijfeld ieder reiziger aanschouwd, die de eene of andere woestijnstreek der Nijlboorden is doorgetrokken; maar niet een ieder is het gegund een der levendigste tooneelen onder de oogen te krijgen, welke de woestijn opluisteren. Aan den uitersten zoom van den horizon, misschien wel door de luchtspiegeling omhoog geheven en in een nevelwaas gehuld, duiken eenige ruiters op, die op rankpootige paarden zijn gezeten, wier snelheid die des winds evenaart; deze ruiterbende nadert ras en stuift eindelijk, terwijl men de tot nu toe gespaarde dieren in vollen draf aandrijft, op de karavane los. Ik heb hen altijd gaarne ontmoet, die magere, typisch gekleede mannen, want ook in hen en hunne paarden zag ik de harmonie der woestijn met hare kinderen. Als een getrouwe zoon der woestijn verscheen hij mij, deBedoeïnen, als haar en zijn spiegelbeeld het ros, dat hij berijdt. Want ook hij is ernstig en vreeselijk als de dag, vriendelijk en zacht als de nacht der woestijn. Trouw aan ’t eens gegeven woord, onbepaald gehoorzaam aan de zeden en gebruiken van zijn stam, waardig in zijn optreden, verheven in zijn uitdrukkingen, onovertroffen in onthouding en ontbering, ontvankelijk meer dan iemand voor mannelijke daden, voor roem en eer, en niet het minst voor het gouden weefsel der poëzie, welk laatste bewezen wordt door zijne vertellingen en sprookjes, doorweven van de rijkste beelden, omlijst door de heerlijkste en geurigste bloemen. Aan den anderen kant is hij listig en geslepen tegenover zijn vijand, een slaaf zijner gewoonten, laag en gemeen, zonder eenige waardigheid in zijn begeerten en eischen, gulzig in het genieten, onbegrensd wreed, vreeselijk in zijn wraak; heden is hij een ridderlijke gastheer, morgen een onbeschaamde bedelaar, den eenen keer een trotsche roover, een ander maal een ellendige dief; kortom, even veranderlijk als de woestijn. Zijn ros bezit hetzelfde verstandige, vurige sprekende oog, dezelfde kracht en lenigheid der magere, schijnbaar[289]zwakke ledematen, dezelfde taaiheid, dezelfde tevredenheid, hetzelfde wezen als hij; want beide groeiden op in dezelfde tent, beide rusten onder hetzelfde dak. Het dier is niet de slaaf, maar de metgezel en vriend van denBedoeïnen, de speelgenoot zijner kinderen.In de vrije woestijn trotsch, moedig, zelfs wild, is het in de tent gedwee als een lam; en zoo is het als het ware een integreerend bestanddeel van zijn heer en gebieder.BEDOEÏNEN.BEDOEÏNEN.In alle woestijnen, die althans nog in naam onder de heerschappij van den Khedive van Egypte staan, spelen de Bedoeïnen heden ten dage geenszins nog dezelfde rol als in vroegere tijden, of als tegenwoordig nog in Arabië en de landen van Noord-Westelijk Afrika. De Egyptische regeering heeft met hen verdragen gesloten, die hun den plicht opleggen de karavanen ongehinderd door hun gebied te laten trekken. Rooverijen in de woestijn behooren dan ook tot de zeldzame uitzonderingen, en eene ontmoeting met Bedoeïnen verwekt ook daarom geen groote bezorgdheid, omdat deze zonen der woestijn doorgaans de eigenaars der gehuurde kameelen zijn; evenwel nemen de aan hun[290]oude gewoonten verkleefde, ware heeren der woestijn gaarne het voorkomen aan van eene zekere soevereiniteit; men handelt dan ook verstandig, alvorens de woestijnreis aan te vangen, vrijgeleide te vragen van den een of anderen aanzienlijken hoofdman. Heeft men dit verkregen, dan loopt eene ontmoeting gewoonlijk op de volgende wijze af.Een der door de zon verbrande mannen springt uit de ruiterschaar naar voren en wendt zich tot den aanvoerder of uitruster der karavane.„Heil zij U, o vreemdeling!”„Gods zegen, genade en barmhartigheid mogen met U zijn, o hoofdman!”„Waarheen trekt gij, o mannen?”„Naar Belled-Aali, o scheik.”„Trekt gij onder vrijgeleide?”„Wij trekken onder het vrijgeleide van Zijne Hoogheid, den Khedive.”„Onder geen ander?”„Ook Scheik Soliman, Mahammed Cheir Allah, Ibn Sidi Ibrahim Aulad Aali heeft ons vrijgeleide en vrede gegeven.”„Dan zijt gij welkom en gezegend.”„De Zegenuitdeeler begenadige U en Uwen vader, o hoofdman!”„Hebt gij iets van noode? Mijne mannen zullen het u geven. In de Wadi Ghiteri staan onze tenten, wanneer gij rust wilt zoeken, zult gij daar welkom zijn. Zoo niet, dan moge Allah U een gelukkige reis geven.”„Hij zal met ons zijn; want Hij is genadig.”„En de leidsman op alle goede wegen.”„Amen, o hoofdman!”Weg vliegt de bende; ruiters en paarden smelten wederom ineen; de lichte hoeven der dieren schijnen den grond niet te raken, de witte boernoe’s fladderen in den wind, en de woorden des dichters worden levend in de ziel:„Bedoeïnen, gij zelf op uw rosZijt een fantastisch lied.”Zulke beelden toovert ons de woestijn voor oogen. Naarmate men meer met deze vertrouwd wordt, nemen zij scherper omschreven trekken aan, en doen zij de moeiten en bezwaren verminderen. Maar het zijn vooral de laatste uren der woestijnreis, die het hoogste genot aanbrengen. Wanneer het eerste palmendorp van het bebouwde land,[291]wanneer het zilveren lint van den heiligen stroom wederom zichtbaar wordt, dan is dat uur gekomen. Menschen en dieren ijlen en haasten, alsof de vurig gewenschte werkelijkheid een droombeeld kon zijn, dat wederom in een nevel zal worden opgelost. Duidelijker en scherper omgrensd treedt het doel der reis voor oogen; het is alsof men nooit frisscher kleuren gezien heeft, men meent dat nergens zulke groene boomen groeien en nergens koeler water wordt gevonden. Hun laatste krachten bijeenverzamelende schrijden de kameelen voort, maar hun pas schijnt voor hun ongeduldige meesters nog veel te langzaam. Daar klinkt ons eene vriendelijke begroeting in de ooren. Het Nijldorp is bereikt. Uit alle hutten komen mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen te voorschijn om de reizigers te verwelkomen. Ieder beijvert zich de helpende hand te bieden en lafenis te reiken. Allereerst biedt men water aan, flink water, zoo uit de rivier geschept; dan brengt men alles aan, wat lichaam en ziel kan verkwikken. Om het nu opgeslagen leger bewegen zich nieuwsgierige menschen, vraaggrage mannen en vrouwen, danslustige meisjes en jongelingen. Tamboera en taraboeka, cither en trom noodigen ten dans; de dansende meisjes verblijden het hart van den vreemdeling en inboorling. Zelfs het knarsen der schepraderen aan den stroom, vroeger duizendmalen verwenscht, wordt heden tot eene schoone muziek.De avond brengt nieuwe genietingen. Op het veêrende, koele rustbed gemakkelijk uitgestrekt, drinkt de westerling met den inboorling om strijd den nektar des lands, den palmwijn of meriesa, terwijl cithertonen en trommelslag, onder het maatgeklap van de handen en voeten der dansende jongelingen en meisjes het heerlijk drinkgelag begeleiden. Eindelijk herneemt de vergevorderde nacht zijn rechten, tamboera en taraboeka zwijgen, de dans is geëindigd. Elk der verkwikte, verzadigde of meer dan verzadigde reizigers zoekt achtereenvolgens de rust. Slechts een enkele hunner, een zone Khahira’s, de moeder der wereld, kan den slaap niet vinden. In de nabijheid van het uitdoovende legervuur rijzen de sidderende tonen van zijn eenvoudig lied:Ach schoone nacht, gij doet mij pijn,Steeds langer wordt gij, immer langer;Ik vraag om rust, gij hoort mij niet,’t Wordt steeds om ’t hart mij banger.Ach schoone nacht, hoe lange reedsMocht niet mijn oog haar schouwen,[292]Naar wie mijn ziel zoo innig smacht,Mijn hope en vertrouwen.O schoone nacht, verhoor mijn klacht,Breng haar mij nader weder.Dek haar met liefdevleuglen zacht,Stort vrede op mij neder.Maar ook deze klanken sterven weg—alleen de golven van den stroom murmelen en fluisteren voort.[293]

Aan den zoom der woestijn, onder de schaduw van een palmboschje, staat eene kleine tent. Een aantal kisten en balen liggen in bonte afwisseling rondom die tent op elkander gestapeld. Iets verder naar buiten staan, zitten en liggen eenige Nubische knapen, feestelijk uitgedost, d.w.z. versch met huidzalf ingesmeerd.

Binnen in de tent verwijlen ettelijke reizigers, die per Nijlbark tot hier kwamen en van plan zijn een grooten boog af te snijden van den Nijl, die van deze plaats af vol klippen en stroomversnellingen is, m.a.w. zij willen door de woestijn trekken, die gedeeltelijk door genoemden stroom wordt ingesloten.

Het is middag. De zon staat bijna loodrecht boven de tent aan een wolkenloozen, donkerblauwen hemel; haar brandende stralen schieten haast ongehinderd door het losse gebladerte der dadelpalmen. Een zengende hitte drukt de vlakte tusschen den stroom en de woestijn; de luchtlagen sidderen en golven over den verhitten grond, zoodat alle voorwerpen eene verwrongen gedaante aannemen en zich hullen in een dicht nevelwaas.

Aan den horizon wordt eene ruiterbende zichtbaar, die uit de woestijn te voorschijn kwam en rechtstreeks den weg inslaat naar de tent, zonder acht te geven op het meer landwaarts in gelegen dorp. Donkerbruine, armoedig gekleede mannen, bij de palmen aangeland, stijgen van hun magere, maar niettemin edele paarden. Een hunner nadert de tent en treedt met de majesteit eens konings naar binnen. Het is het opperhoofd der kameeldrijvers (Scheik el Djemali), tot wien wij—de straks bedoelde reizigers—eene boodschap hadden gezonden, ten einde hem te verzoeken ons van de benoodigde dragers, drijvers en kameelen te voorzien.

„Heil zij u!” zegt hij bij het binnenkomen en brengt bij dien groet de hand naar mond, voorhoofd en hart.[258]

„Heil, ook u o Scheik! met u, de genade Gods en Zijn zegen!” luidt antwoord.

„Groot was mijn verlangen, u te zien, o vreemdelingen, en uwe wenschen te vernemen,” aldus verzekert hij, middelerwijl zich neêrlatende op het kussen naast ons, en wel ter rechterzijde, op de eereplaats.

„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen, oScheik, en u zegenen!” geven wij tot antwoord, terwijl wij aan onze bedienden gelasten hem nog vóór ons zelf van versch aangestoken pijpen en koffie te voorzien.

Met half dichtgeknepen oogen laaft hij zijn sterfelijk lichaam aan de koffie, en zijn onsterfelijke ziel aan de pijp; in dikke wolken hult hij zijn achtbaar hoofd. Een bijna ademlooze stilte heerscht in de tent, die bewierookt wordt door den geur der kostelijke Djebeli-tabak, terwijl een lichte, aangename rook de ruimte opvult; eindelijk, meenen wij, kunnen, zonder ons aan onhoffelijkheid schuldig te maken, de onderhandelingen, het doel van de komst des scheiks, een aanvang nemen.

„Hoe is het met u, o Scheik?”

„De Gever alles goeds zij geprezen!—zeer goed, om u te dienen. En hoe gaat het met u?”

„Den Heer der wereld zij roem en eere; ik ben zeer wel. Groot was ons verlangen, u te zien, o Scheik!”

„Moge God, de Verhevene, uw verlangen beloonen en u zegenen! Is uw gezondheid geruststellend?”

„Allah en zijn profeet,—Gods genade over hem,—mogen geprezen zijn.”

„Amen, het zij zoo, gelijk gij gezegd hebt.”

Nieuwe pijpen verkwikken de onsterfelijke ziel; nieuwe, eindelooze beleefdheidsbetuigingen worden gewisseld; daarna eindelijk veroorlooft de étiquette, zaken te behandelen.

„O Scheik, ik wil met de hulp des Albarmhartigen de woestijn doortrekken.”

„Moge Allah u geleiden!”

„Zijt gij in ’t bezit van rij- en lastkameelen?”

„Ik ben het! Bevindt gij u wel, mijn broeders?”

„De Verhevene zij geloofd; het is gelijk gij zegt. Hoeveel kameelen kunt gij mij verschaffen?”

Inplaats van te antwoorden, blaast de Scheik dikke rookwolken uit en eerst nadat ik mijne vraag herhaald heb, legt de man voor een[259]paar oogenblikken de pijp uit den mond en zegt zoo plechtig mogelijk: „Heer, het aantal kameelen van Beni Said kent Allah alleen; een zoon Adams heeft ze nog nimmer geteld!”

„Zeer goed, zend mij dan vijf en twintig dieren, waaronder zes rijkameelen. Verder heb ik nog tien groote zakken noodig.”

De Scheik rookt op nieuw zonder te antwoorden.

„Zult gij ze mij zenden, de verlangde dieren?” herhaalde ik dringender.

„Ik zal het doen, om u te dienen; maar hun eigenaars vragen hooge prijzen.”

„En welke?”

„Ten minste het viervoudige van de gewone loonen en huren wordt gevraagd.”

„Maar Scheik, Allah, de Verhevene moge u gunstiger stemmen; dat zijn eischen, die niemand zal inwilligen. Loof den profeet!”

„God, de Behoeder van al wat leeft, zij geprezen en zijn gezant zij geprezen! Gij dwaalt, mijn vriend; de koopman, die ginds is gelegerd, heeft mij het dubbele geboden van wat ik vraag. Alleen mijne vriendschap voor u deed mij zulke geringe eischen stellen.”

Te vergeefs blijkt alle loven en bieden, nutteloos blijken alle verdere onderhandelingen. Versche pijpen worden gebracht en gerookt, nieuwe hoffelijkheden gewisseld, de naam van Allah en diens profeet wordt vanweêrszijdenmisbruikt, de gezondheidstoestand wederkeerig op het nauwkeurigst vastgesteld, tot eindelijk de westerling het geduld verliest en de aangeleerde zeden wijken voor de aangeboren gewoonten.

„Weet dan Scheik, dat ik in het bezit ben van een geleibrief van den Khedive alsmede van Scheik Soliman; hier zijn beide: wat eischt gij nog?”

„Maar heer, wanneer gij een geleibrief hebt van Zijne Hoogheerlijkheid, waarom eischt gij niet het hoofd van uw slaaf? Dit is tot uwen dienst en evenzeer tot den Zijnen. Uwe wenschen draag ik op mijn oogen en op mijn hoofd. Gij beveelt—uw slaaf gehoorzaamt. De prijzen der regeering kent gij. Allahs zegen vergezelle u; morgen zend ik u mannen, dieren en zakken.”

De vreemdeling, die in de meening verkeert dat hiermede alle toebereidselen tot de woestijnreis afgeloopen zijn, zou daarmede toonen, geen begrip te hebben van de zeden en gewoonten des volks. Niet den volgenden dag, gelijk beloofd werd, verschijnen de gehuurde drijvers en dieren, maar eerst in den namiddag komen deze van lieverlede[260]opdagen, en niet op den volgenden morgen kan aan het opbreken gedacht worden, maar ten hoogste eerst tegen den tijd van het namiddaggebed van den volgenden dag. „Bukra inschallah”—„morgen zoo God wil” is het wachtwoord en hiertegen valt niet te redeneeren. Inderdaad is er nog veel te doen, veel te regelen, veel in orde te brengen, alvorens de reis een aanvang kan nemen.

Een bont en levendig tooneel ontvouwt zich in den omtrek der tent. Tusschen de bagage beweegt zich eene schare uitgedroogde zonen der woestijn. Zij schreeuwen ontzaggelijk veel—maar voeren ondertusschen bitter weinig uit. De op elkander gestapelde kisten en pakken worden uit elkander gehaald, opgebeurd, gewogen, nauwkeurig in omvang en gewicht onderzocht, onderling vergeleken, weder bijeengezet en nogmaals uit elkander gehaald. De eene kameeldrijver poogt den ander te bedotten, ten einde de lichtste waren voor zichzelf te behouden; het wordt een algemeen krakeel, een schreeuwen en schelden, een zweren en vloeken, een bidden en verwenschen. Ook de kameelen, denkende aan hetgeen hun beidt, doen vlijtig meê; en wanneer zij werkelijk, in plaats van te brullen, te steunen, te brommen en te klagen, een oogenblik het stilzwijgen bewaren, dan beteekent dit slechts: onze tijd is nog niet gekomen, maar zal toch eenmaal aanbreken! Maar de kameelen mogen meedoen of niet, dit is zeker: de ooren van den westerling worden gemarteld, ja verscheurd door de mengeling van stemmen en kreten, die alle tegelijk door de lucht weêrklinken. Uren lang duurt dat gewemel, dat geharrewar, dat geraas, en eerst wanneer men het eindelijk over de lading eens is geworden, of wellicht het getwist moe werd, is het voorspel ten eind.

Na het sluiten van den vrede begint men demeêgebrachtevezels van den dadelpalm in een te draaien om er strikken en touwen van te maken; nu worden de kisten en balen op vernuftige wijze met deze koorden omwonden, en worden er lussen aan gemaakt, om twee pakstukken even snel aan het kameelzadel te kunnen vasthechten als er weder van los te maken, men herstelt nog ijlings de medegebrachte netten, wier bestemming is de kleinere pakjes in zich op te nemen, en wendt zich daarna tot de groote en kleinere lederen zakken om deze te onderzoeken, en zoo noodig, ook nog in de haast wat op te kalfateren en met eene stinkende, uit het zaad van kolokwinten bereide teer van buiten in te smeren. Het in de zon gedroogde vleesch wordt ook nog eens aan een zorgvuldig onderzoek onderworpen, men vult[261]eenige uit boombast vervaardigde zakken met kafferkoren of doerra, andere met houtskolen, nog andere met kameelenmest, spoelt de lederen zakken van buiten af, vult ze met frisch water en besluit den langdurigen arbeid met een algemeen, op lagen toon uitgestooten „El hamdu lillahi”—God zij dank!

Al deze toebereidselen worden geleid door den Chabir of aanvoerder der karavane. Al naar de belangrijkheid van den tocht neemt deze eene lageren of hoogeren rang in, maar steeds moet hij zijn, wat zijn naam uitdrukt: een kundig man, iemand, met den weg en alle voorkomende omstandigheden vertrouwd. Van beproefde ervaring, rechtschapen, verstandig, moedig, dapper, deze eigenschappen zijn de noodzakelijke vereischten voor zijn moeilijk, soms gevaarlijk ambt. Hij kent de woestijn even als de schipper den Oceaan, is vertrouwd met de sterren, in elke oase, en aan elke bron tehuis, welkom in de tent van iederen Bedoeïnen- of trekherdershoofdman, onuitputtelijk in middelen om de gevaren en bezwaren van den tocht te boven te komen, weet slangenbeten en schorpioensteken onschadelijk te maken of althans de smarten der gewonden te verzachten, hanteert het oorlogswapen even vaardig als het jachtgeweer, heeft het woord van den profeet op de lippen en in het hart, spreekt de „Fatiha” telkenreize, als men weêr opbreekt, is Moeeddin en Imam op de voorschreven tijden,—met één woord, hij is het opperhoofd van het veelledig lichaam, dat de woestijn doortrekt. In die woeste gedeelten, waar niets den weg aanduidt, dien andere karavanen hebben gevolgd, waar achter de verzenen van den laatsten kameel de wind elk spoor uitwischt van al de vorigen, ontdekt hij teekens, die niemand anders ziet, en vindt hij den rechten weg. Wanneer de droge, onheilbrengende woestijndamp het licht der sterren verduistert, gaat voor hem eene geestelijke ster op; hij keurt het zand, meet deszelfs golven, merkt de richting en ondervraagt den grashalm naar de hemelstreek. Blindelings volgt hem de geheele karavaan, en vol vertrouwen stelt de reiziger zijn lot in diens handen. Overoude, gedeeltelijk zeer eigenaardige, nimmer beschreven en toch een ieder bekende wetten stellen hem verantwoordelijk voor het welgelukken der reis, voor het leven der afzonderlijke personen, wanneer althans geen beschikkingen van het noodlot, waartegen niemand iets vermag, hier hinderend in den weg treden.

In het heilig uur, omstreeks het namiddaggebed, stelt zich de aanvoerder voor het aangezicht der reizigers en drijvers, om hen aan te[262]kondigen, dat alles gereed is, zoodat men op kan breken. De bruine mannen verspreiden zich ijlings in alle richtingen om de kameelen op te vangen, deze te zadelen en te beladen. Vol tegenzin gehoorzamen deze dieren, die er een voorgevoel van schijnen te hebben wat hun wacht. Een aantal moeilijke dagen teekenen zich met schrille kleuren voor hun geest af. Thans ishuntijd gekomen. Brullend, schreeuwend,knorrend, laten zij zich op de saamgebogen voorste ledematen neder, hiertoe door hun gebieders aangemaand met ettelijke onverstaanbare keelgeluiden en zachte zweepslagen; brullend onderwerpen zij zich, wanneer de last op den bultigen rug wordt gelegd; brullend staan zij op, wanneer de hun toegedachte last is ontvangen. Velen verzetten zich door te slaan en te bijten tegen het beladen, en er behoort inderdaad een onuitputtelijk geduld toe, zulke weêrbarstige schepsels tot rede en plicht te brengen. Maar geduld en takt behalen zelfs de overwinning op kameelen. Op hetzelfde oogenblik dat het dier zal gaan knielen, treedt een der drijvers op de saamgebogen voorpooten en grijpt snel het bovendeel van den getanden bek om door een druk op den neus elk oogenblik de ademhaling te kunnen beletten; twee anderen beuren den aan beide kanten gelijk verdeelden last op het draagzadel, terwijl een vierde de hechtpennen door de lissen schuift. Het dier is bevracht nog voor het recht tot bezinning is gekomen. Zijn alle kameelen beladen, dan vangt de reis aan.

Maar nu worden ook de uitstekend gezadelde rijdieren voorgebracht. Iedere reiziger bevestigt de voor hem onontbeerlijkste reisbenoodigdheden en wapenen op en aan het hooge, komvormige, voor den bult aangebrachte zadel, en maakt zich gereed zijn rijdier te beklimmen. Voor den nieuweling is zulks gewoonlijk noodlottig. Men moet met een forschen sprong in het zadel springen en de kameel staat op zoodra de ruiter het zadel aanraakt. Ruksgewijze staat het dier op, eerst steunende op het handgewricht, dan op de lange achterpooten en daarna op de voorpooten. Bij den tweeden ruk wordt de leerlingkameelrijder gewoonlijk uit het zadel geworpen, om zijne moeder, de aarde te kussen, of hij valt op den hals des diers, waaraan hij zich nu tracht vast te klemmen. Maar de kameel is veel te slecht van humeur dan dat hij zoo iets als eene grap of een ongeluk zou opvatten. Een boosaardige kreet ontsnapt aan zijne leelijke lippen; hij loopt met het aan zijn hals hangend, niet zeer benijdenswaard menschenkind snel weg, en schudt dien zoolang en zoo hevig, totdat ruiter en last beide zijn[263]afgeworpen. Het duurt geruimen tijd voor de westerling heeft geleerd hoe het aan te leggen om vast in het zadel te blijven zitten terwijl het dier opspringt. Het middel evenwel is eenvoudig; men moet op het juiste oogenblik het bovenlichaam naar voren en naar achteren buigen.

Wat ons betreft, wij werpen ons met de behendigheid van inboorlingen in het zadel, klappen met de zweep om het dier tot loopen aan te zetten, houden het door middel van een dunnen neustoom in bedwang, en snellen, den aanvoerder volgende, vooruit. Onze rijkameel, een slank, licht gebouwd, hoogbeenig dier, vervalt oogenblikkelijk in dien gelijkmatigen, aanhoudenden, wijdgestrekten en daardoor ongemeen vorderenden draf, waaraan men het van zijn jeugd af aan gewend heeft—waardoor het dan ook zich gunstig onderscheidt van alle andere lastdieren—en kleeft als het ware aan de voetzolen van zijn voorganger.

De dieren strekken allen hun kleine koppen recht vooruit; vaardig en licht bewegen zich de pooten onder het lijf; een wolk van stof en steentjes wordt in de lucht geworpen. De boernoe’s fladderen in den wind; wapens en gereedschappen kletteren tegen elkander; een aansporend geroep weêrklinkt door de lucht—de reislust ontplooit de vleugels der ziel. Weldra is de vooruitgegane goederenkaravane ingehaald, weldra zijn de laatste sporen van menschelijke woonplaatsen uit het gezicht verdwenen, en naar alle zijden strekt zich de eindeloos schijnende woestijn uit.

Van alle zijden scherp begrensd, bedekt dit uitgestrekte, eigenaardige rijk het grootste deel van Noord-Afrika, van de Roode zee tot den Atlantischen oceaan, van de Middellandsche zee tot de steppe, geheele landen in zich sluitende, vruchtbare landstreken omgevende, duizendvoudig afwisselende en in hoofdtrekken toch zichzelf gelijk blijvende. Dit wonderrijk gaat in vlakte-inhoud Duitschland negen- à tienmaal, de Middellandsche zee drie- à viermalen te boven. Geen sterveling heeft het voor goed doorvorscht, niemand heeft het nog in zijn geheel doorreisd; maar ieder inboorling, die het betrad en er een gedeelte van doortrok, werd tot het binnenste van zijn gemoed getroffen door deszelfs grootte en majesteit, door de bekoring en den schrik, die er van uitgaan; een ieder, tot den meest prozaïschen westerling, die er vertoefde, heeft zich den zengenden zonnegloed zijner dagen, den hemelschen vrede en de fantastische droombeelden zijner nachten, de[264]tooverijen zijner verhitte, sidderende lucht, de vreeselijkheid zijner bergenbewegende stormen, onuitwischbaar, onuitdelgbaar in de ziel geprent, en velen verging het wellicht als de geboren zoon der woestijn—hij verlangde met smart naar haar terug te keeren; hij wenschte nog slechts eenmaal een enkelen dag, een enkel uur in haar te ademen, nog eenmaal in werkelijkheid de beelden te aanschouwen, de „onuitgesproken akkoorden” in de ziel doen sidderen, die de woestijn in de harten van dichterlijk gestemde menschen opwekt en te voorschijn roept; een innig heimwee beving zijn ziel.

Werkelijk en waarachtig, zij is „El Bahhr bela maa”—de zee zonder water, een pendant van den Oceaan. Geenszins afhankelijk van dezen, gelijk de andere deelen der aardoppervlakte, want in haar gaat de macht van het levenwekkend en onderhoudend element te niet. „Het water omsluit rustig het al”—de woestijn alleen omsluit het niet. Over de geheele wereld dragen de winden de boden der zee, de wolken—maar deze verdwijnen voor de gloeihitte der woestijn. Zelden ziet men in haar een lichten, nauw waarneembaren nevel, zelden aanschouwt men er in den vroegen morgen op de bladeren den vochtigen adem van den nacht. Morgen- en avondrood zelfs zijn hier slechts een waas, dat terstond na zijn geboorte weder wordt opgelost. Overal, waar het water de heerschappij erlangt, herschept het de woestenij in een vruchtbaar landschap, al zij het nog zoo gering, maar op dezelfde plaats, waar dit eindigt, treedt wederom de andere scherp begrensd in ’t leven. Waar de laatste, door het menschelijk vernuft boven den stroomspiegel omhoog geheven golf van den goddelijken Nijl in het zand verdwijnt, verschijnt de woestijn; de eene voet des reizigers, die de richting naar de Nijlbergen inslaat, staat in het groene korenveld, de andere in de woestijn. Want het is niet zoo zeer het zand, dat den plantengroei belemmert, maar veeleer de verzengende, schroeiende hitte, die in dat zand heerscht. Op plaatsen, waar het vochtig wordt gehouden, waar nu en dan het water er overheen vloeit, vlijt zich zelfs midden in de woestijn een vriendelijk, groen tapijt over de anders dorre aarde, en ontspruiten ook daar struiken en boomen.

Arm, onbegrijpelijk arm is de woestijn, maar dood daarom niet, allerminst voor hen, die er leven zoeken en dit weten op te sporen. Hij, die met een stompzinnig oog door de woestijn trekt, ziet voorzeker niets dan zandige vlakten en rotskegels, kale laagten en naakte gebergten, ziet wellicht zelfs de spaarzaam verspreide rietachtige grassen en[265]struikachtige boomen der diepere kommen over ’t hoofd, en eveneens de weinige levende wezens, die ook hier nog verblijf houden; maar hij, die de kunst van zien verstaat, ziet oneindig meer. Voor stompzinnige menschen is de woestijn niets anders dan een gebied van verschrikking; zij laten zich door de hitte, die hier des daags heerscht, zoo zeer ter neêr drukken, dat zelfs de heerlijke nacht hun geen troost, geen vernieuwde kracht meer schenken kan; zij rijden moedeloos de woestijn in en verlaten haar huiverend; zij hebben enkel gevoel voor het ontzettende, enkel gevoel voor de bezwaren der woestijnreis—voor het oneindig verhevene der woestijn is hun hart te klein. Wie haar werkelijk leerde kennen zooals zij is, oordeelt anders.

Arm is de woestijn, maar dood is zij niet. Reeds de gesteldheid des bodems, al moge deze ook in ’t algemeen zijn karakter getrouw blijven, is aan velerlei afwisseling onderhevig. Ver in het rond is hier de woestijn eene rotszee met kegels van uiteenloopenden vorm, steil afdalende wanden, diep ingesneden ravijnen, scherp gekante graten en vreemdsoortig op elkander gestapelde toppen, die nu eens door den voortdurend waaienden wind met zand worden bedekt, dan hiermede worden opgevuld, straks daarvan bevrijd. Maar onophoudelijk worden zij bewerkt, gepolijst, uitgehold, gescherpt en toegespitst. Zwarte, in de zon gloeiende zandsteen-, graniet- en syenietmassa’s, zeldzamer kalk- en leigesteenten, hier en daar ook nog vulkanische vormingen, bouwen zich op tot ketens van sterk sprekenden vorm; de wind, die altijd uit denzelfden hoek waait, berooft ze van elke bedekking, drijft het fijne zand zonder verpoozing over de kruinen, om deze wanneer de wind tot een storm is aangegroeid, als in een dichten sluier te hullen, die dan eerst verdwijnt wanneer het zand over de hoogste toppen is heengestoven, om aan de luwzijde van het gebergte goudgele uit het fijnste rolzand bestaande lagen te vormen, die ettelijke meters hoog boven elkander gelegerd, eeuwig in beweging zijn, voortdurend naar beneden schuiven, bestendig weêr van de andere zijde aangevuld worden en uit de verte er uitzien als breede, scherp tegen de donkere hellingen afstekende, bij gunstige verlichting zelfs schitterende linten. Zulke gebergten kan men gerust de kleinoodiën der woestijn noemen. Hij, die het gloeiende zuiden niet kent, is niet bij machte, zich den ongemeenen kleurenrijkdom, den glans, de oneindige bekoorlijkheid voor te stellen, die het weelderige zonnelicht op de eenzaamste, wildste en dorste gebergten in ’t leven roept. Het gebergte[266]der woestijn draagt nimmer een vriendelijk, groen woud; ten hoogste veroorloven de hoogste toppen een kwijnend bestaan aan eenig laag struikgewas, dat in het daarneêrgeslagenvocht in staat wordt gesteld een schraal voedsel te vinden; deze bergen derven het gelispel der beuken, het ruischen der dennen en pijnboomen, het zoet gemurmel, of lustig geklater en luid gebruisch van stroomende wateren, die zilveren linten slingeren om onze hooggebergten, deze omlijsten met groene planten, en elders de kleuren van den regenboog tooveren in het schuim van watervallen en stortbeken; de bergen der woestijn derven het sneeuw- en ijskleed, waarover het avond- en morgenrood een purperenweêrschijnspreidt, en dat de middagszon omkleedt met een schitterend gewaad; zij derven het sappige, frissche groen der weiden, in ’t kort alle bekoorlijkheid en liefelijkheid van de hooggebergten der noordelijke streken des aardbols, en toch zijn zij schier even rijk als deze in kleurenpracht, ja winnen het misschien in verhevenheid en grootschheid van gene. Elke afzonderlijke gordel, elke kleur komt tot gelding. En toch zijn het minder deze, dikwijls zoo levendig gekleurde, soms schril van elkander afstekende lagen, maar nog in veel hoogere mate de spitsen, tanden, rillen, reten en ravijnen der woestijnbergen, die door het voortdurend schuren van het zand de sierlijkste en wonderlijkste vormen erlangden, en waarop het hemelsche licht een heerlijk kleurenspel te voorschijn toovert. Onafgebroken wisselen licht en schaduw met elkander af; voortdurend ontstaan en verdwijnen de kleuren en tinten, en dit schouwspel is zoo aangrijpend, dat wij schier onze bezinning er bij verliezen. Ook de bergen der woestijn bedekken zich met purper in de omarming der eerste en laatste zonnestralen; ook over hen trekt de verte een blauw, aetherisch waas; ook zij leven, want zij erlangen leven door het licht.

Op andere plaatsen is de woestijn mijlen in ’t rond zoo effen als een spiegel of ten hoogste eenigszins golvend van oppervlak. Een fijn, goudgeel zand ligt er over uitgestrooid, waarin menschen en dieren eenige centimeters diep inzakken. Hier ziet men dikwijls geen enkelen grashalm, geen eenig levend wezen. De blauwe, meestal effen hemel rust als een koepeldak op deze goudgele vlakte en brengt er het zijne toe bij om zulke plaatsen op eene zee te doen gelijken. De voetsporen van het schip der woestijn worden even schielijk uitgewischt als zij er in afgedrukt werden, geen pad is zichtbaar, zelfs niet de geringste aanduiding van een pad; het kompas werd ook voor zulke plaatsen uitgevonden.[267]Afwisselender, ofschoon niet aangenamer zijn andere gedeelten, welker bodem gevormd wordt door een los, aardachtig, of stoffig zand, en waarin vergiftige kolokwinten of geneeskrachtige sennah ontspruiten. Hier wisselen langgestrekte, lage heuvelrijen af met vlak-komvormige, smalle dalen, waarover een uit de verte beschouwd er frisch uitziend tapijt van de zoo even genoemde planten ligt uitgestrekt. Menschen en dieren mijden zulke streken, omdat zoowel de te voet gaande kameeldrijvers als de kameelen zelf dikwijls een voet diep in den lossen grond zinken. Weer andere gedeelten zijn met grof grint en vuursteenen, hier en daar ook wel eens met sterk ijzerhoudende en met zand gevulde holle kogels bedekt, welke laatste er uitzien, alsof zij door ’s menschen hand waren gevormd, ofschoon men hunne ontstaanswijze nog niet met juistheid heeft kunnen verklaren. Eene enkele maal vindt men op deze plaatsen, alwaar de voetstappen der kameelen blijvende sporen achterlaten, zoodat men hier van woestijnwegen kan spreken, duizenden van kwartskristallen, of afzonderlijk, of groepsgewijs,—inz.g.kristalklieren,—die doen denken aan door eene kunstenaarshand geslepen brillanten. De zon toovert met deze kristallen; die plaatsen schitteren, fonkelen en tintelen op eene wijze, dat het oog zich verblind af moet wenden. In de diepste laagten vormt een stoffige aarde den bodem en hier vindt men onfeilbaar de carexachtige, maar zeer harde, droge, scherpkantige, zwartgroenehalfa, schermvormige mimosa’s, misschien zelfs tompalmen, die getuigen van meer vriendelijk leven.

Maar ook de dierenwereld heeft zijn aandeel in het overal optredende leven. Wie de woestijn een doode wildernis noemt, dwaalt evenzeer als hij, die meent, dat zij de woonplaats is van den leeuw. De woestijn is te arm om leeuwen te voeden, maar rijk genoeg om duizenden andere wezens te onderhouden. En alle in haar levende dieren zijn te merkwaardiger, omdat zij zich in alle opzichten zoo zeer kenmerken als echte kinderen der woestijn.

Deze woestijnkinderen hebben een kleed, dat zich steeds op het innigste aanpast aan de kleur van den grond, zoodat het veelal zandkleurig is. Maar meer nog dan door dit kleed onderscheiden zij zich door een lichten en sierlijken lichaamsbouw, door opmerkelijk groote, ongemeen scherpziende oogen en fijnhoorende ooren, terwijl hun geheele voorkomen zelfbewustzijn en bescheidenheid uitdrukt. Alle in de woestijn geboren schepselen zijn veroordeeld tot een zwervend leven,[268]want nergens levert een enkele plek genoeg voedsel te alle tijde op om hen te voeden; maar de woestijn schonk aan haar kinderen eene door niets geëvenaarde vlugheid, grenzenlooze onvermoeidheid en eene zich nimmer verloochenende volharding; zij scherpte de zintuigen, zoodat zelfs het weinige, dat zij aanbiedt, kan opgespeurd worden, en verleende eindelijk een kleed, dat zoowel beschermt als verbergt, dat voor den aanval en bij de vlucht meer dan doeltreffend moet genoemd worden; zij maakte alzoo haar kinderen geschikt om een, weliswaar sober, maar daarom geenszins vreugdeloos bestaan te voeren.

GAZELLEN IN DE SCHADUW EENER MIMOSA.GAZELLEN IN DE SCHADUW EENER MIMOSA.

GAZELLEN IN DE SCHADUW EENER MIMOSA.

[269]

Tengevolge van het allen woestijndieren eigen, met de omgeving ineensmeltend kleed, ontwaart de reiziger, zoo hij niet een geoefend waarnemer is, althans aanvankelijk weinig van de hem omringende dierenwereld. Dientengevolge schijnt de woestijn veel armer dan zij werkelijk is, en zulks nog te meer, dewijl de meeste harer bewoners eerst tegen de schemering of nog later hun rust- en schuilplaatsen verlaten om het leven aan te vangen; enkele woestijndieren vallen evenwel gemakkelijk ook minder geoefende oogen in ’t gezicht. Men moge dewoestijnleeuwerikenvoorbijzien, alhoewel juist deze vogels op zeer merkwaardige wijze de overeenstemming tusschen gevederte en grond, alsmede hunne onevenredig ontwikkelde bewegingswerktuigen in ’t oog doen vallen, onmogelijk kan men de woestijnhoenders niet opmerken, en wie achteloos de onderaardsche woningen der springmuizen voorbijrijdt, diens aandacht zal toch door eene in de nabijheid grazende gazelle moeten getrokken worden.

Ook deze mag men een typisch gevormd woestijndier noemen. Ofschoon over ’t algemeen evenredig gebouwd, schijnen kop en zinsorganen bijna te groot en de ledematen al te dun, schier ongelukkig. Maar die kop omsluit in zijn schedelholte hersenen, die eene bij herkauwers zeer ongewone schranderheid en geestelijke werkzaamheid in ’t leven roepen; daarenboven zijn deze ledematen als uit staal geformeerd, ongemeen krachtig en elastisch, zoodat zij eene groote bewegelijkheid en onvermoeide volharding mogelijk maken. Wie de gazelle niet anders dan in den gevangen staat, in eene enge ruimte zag, kan zich niet voorstellen hoe dit dier in de woestijn optreedt. Welk eene bewegelijkheid, vlugheid en taaiheid, sierlijkheid en lieftalligheid ontplooit het daar! Hoe passend werd juist de gazelle door den oosterling en vooral door den woestijnbewoner gekozen tot zinnebeeld van vrouwelijke schoonheid! Zich verlatende op haar zandkleurig gewaad, alsmede op hare ongemeene bewegelijkheid en snelheid, staart zij schijnbaar onbezorgd met hare heldere oogen kameel en ruiter in ’t gelaat.Zonder van vrees te laten blijken graast zij voort, niettegenstaande de karavane nadert. Van de bloeiende mimosa’s neemt zij een knop of een sappig twijgje, tusschen het scherpe halfa vindt zij een malsch halmpje. Steeds nader rukken de ruiters. De gazelle heft den kop op, luistert, ruikt, kijkt weder, springt eenige schreden vooruit en doet als vroeger. Bliksemsnel drukken de elastische pooten tegen den grond, en voort snelt zij, zoo schielijk, zoo licht, zoo bevallig, zoo sierlijk, als ware haar die[270]snelle beweging slechts spel en scherts. Met de snelheid der gedachte rent zij over de zandige vlakte, groote steenen en tamarindenboschjes in vliegende vaart overspringende. Zij schijnt de aarde niet meer aan te raken; het lied der woestijn is in haar belichaamd, zoo bekorend werkt zij door haar onvergelijkelijke bevalligheid en vlugheid. Slechts enkele minuten zijn voldoende om haar aan alle gevaar te onttrekken, want tevergeefs spant zich de beste draver in om haar na te rennen; geen windhond zelfs vermag haar in te halen. Weldra matigt zij haar loop; nog enkele oogenblikken en zij staat stil om weder te oogen en te kijken als straks. Plaagziek als zij is, laat zij den moordlustigen ruiter, die aanvangt haar in vollen ernst te vervolgen, naderbij komen, en voorzichtig onttrekt zij zich herhaalde malen aan zijn doodelijk wapen, totdat zij eindelijk verschrikt, onverwijld elk verder gevaar ontloopt. Langer vlucht zij, en steeds ranker worden lijf en leden, steeds flauwer de omtrekken, meer en meer verdwijnt zij op de zandige vlakte en eindelijk is zij in deze geheel opgenomen; het is alsof zij in een nevel werd opgelost. Het geboorteland heeft haar gedekt en geborgen, op tooverachtige wijze aan het oog ontrukt, aan elke waarneming onttrokken. Maar naarmate het oog haar verloor, herleeft zij in het hart. Want ook de westerling moet nu begrijpen, waarom de gazelle in het dichterlijk gemoed van den oosterling zulke heerlijke bloesems deed ontluiken, waarom de laatste dit dierlijk wezen zoo oneindig hoog stelt, waarom hij het oog, dat zijn hart deed ontvonken, bij dat der gazelle vergelijkt, en den hals, om welken hij in het vuur der liefde zijn armen houdt geslagen, den hals eener gazelle noemt; waarom de woestijnbewoner in de tent zijner gade, die vol zoete verwachting is, eene tamme gazelle brengt, opdat zij zich moge verkwikken aan het schoone oog en dit als eene erfenis schenken aan het verwachte pand der liefde, en waarom de vrome zanger in de sierlijke antilope het zinnebeeld aanschouwt van zijn verlangen naar het verhevene. Want ook op hem, den wereldmoede, daalde het vuur, dat ontvonken deed voor de lofliederen op dit dier, en de aderen der poëzie deed openen.

Minder liefelijk, maar toch niet minder in ’t oog vallend, treden andere woestijndieren op. Tusschen spaarzaam verspreide halfastengels loopt een talrijk heer van vogelen, zoo groot als duiven, trippelend heen en weder. Scharrelend en met den snavel arbeidende, pikken zij naar voedsel. Onbevreesd laten zij de ruiters tot op minder dan honderd schreden naderen. Met behulp van een goeden kijker is men in staat[271]iedere beweging en zelfs de meest in ’t oog vallende kleuren van ’t gevederte waar te nemen. Met gedoken kop, ingetrokken hals en horizontaal uitgestrekt lichaam loopen zij heen en weêr, om allerlei zaden, de weinige korrels, die de woestijngrassen opleveren, jonge uitspruitsels en insekten op te zoeken. Enkelen speuren nu en dan met uitgestrekten hals in ’t rond, anderen daarentegen woelen argeloos in het zand, poetsen hun gevederte en strijken dit glad, of leggen zich half op den buik, half op de zijde om zich in het zonnetje te koesteren. Men kan dit alles duidelijk zien, het aantal vogels tellen en zich vergewissen dat er meer dan vijftig, ja bijna honderd zijn. Zou er een woestijnjager bestaan, die aan deze verleiding weêrstand kan bieden? Zeker van den buit, schuift de nog onervaren jager zijn kijker in, neemt het geweer ter hand en rijdt langzaam op de bonte schaar af. Maar daar verdwijnen de vogels voor zijn oog. Geen enkele liep weg of vloog heen, en toch zijn zij verdwenen. Het is alsof zij door de aarde zijn verzwolgen. In werkelijkheid hebben zij, zich verlatende op de overeenstemming van de kleur van hun gevederte met die van den grond, zich aan de aarde aanvertrouwd, d.w.z. zich plat op den grond uitgestrekt. Op hetzelfde oogenblik zijn zij tot steenen en zandhoopjes geworden. De nog ongeoefende jager rijdt op hen af zonder ze te zien, en schrikt op, wanneer zij zich bliksemsnel verheffen, onder luid geschreeuw en getier opvliegen, en suizend wegstormen. Gelukt het hem evenwel een vogel te schieten, dan staat hij niet minder verbaasd over de ongewone kleur en de zeldzame teekening der veêren dan over hun vreemd gedrag. De zandkleurige, nu eens meer in ’t grijze, dan meer in ’t helder geel spelende kleur der bovenzijde is afgezet door en sierlijk getooid met breede banden, smalle strepen, prachtige randen, moesjes, punten, vlekken, streepjes en striemen, zoodat men zou meenen, dat zulk een hoen reeds van verre zichtbaar moest zijn; maar die mengeling van kleur is slechts eene trouwe kopie van de kleur van het zand zelf, en elke donkere, elke lichtere plek, elk steentje, iedere zandkorrel wordt op dat gevederte teruggevonden. Geen wonder dus, dat de grond den vogel als het ware in zich opneemt, zelfs diens vorm uitwischt, en het dier niet minder bescherming verleent als hij die vindt in zijn krachtige, met ongemeene snelheid bedeelde vleugels.

En daarom vlecht de Arabische poëzie ook om deze hoenders de bloemrijkste beelden en gedachten; hun schoonheid toch boeit het oog[272]en hunne meer dan gewone vlugheid wekt een smartelijk verlangen in het hart van den aan den grond geketenden mensch.

Alle overige woestijndieren dragen hetzelfde karakter als de beide voorgaande.

Er leeft in de woestijn een soort van losch,karakalgeheeten; deze is veel slanker, hooger op de pooten, langooriger en grooter van oogen dan alle andere losschen, ook niet gestreept of gevlekt, maar tot op de zwarte oorspitsen, oogstrepen en lipvlekken na zandkleurig, en naar gelang der streek, die hij bewoont, lichter of donkerder, rooder en minder rood van tint; er leeft een vossensoort, defennek, de dwerg der geheele hondenfamilie, met een isabelkleurig kleed en reusachtig groote ooren.

De woestijn brengt een knaagdier voort, de z.g. springmuis, een haasje van dwergachtige, kengeroe-gedaante, met verbazend hooge achterpooten, zeer onontwikkelde voorpootjes en een aan twee zijden behaarden staart, die de lengte bezit van ’t geheele lichaam; het overtreft alle andere knaagdieren wat onschuld en goedaardigheid aangaat, maar ook in snelheid en vaardigheid. Denzelfden stempel dragen de vogels, reptielen en zelfs de insekten, en dit karakter verloochent zich nooit, hoe veel afwisseling vorm en kleur ook mogen aanbieden. Komt naast het zandgeel ook nog eene andere kleur tot uitdrukking, ziet men in het haar, vederkleed of in de schubben ook nog zwart of wit, aschgrijs of bruin, rood, blauw enz. dan komen zulke, het dier meestal enkel tot sieraad dienende kleuren toch altijd slechts op zulke plaatsen te voorschijn, die men niet kan bespeuren, wanneer men het oog van boven of van terzijde op het dier richt. Verheft zich evenwel te midden der woestijn een hoog gebergte, dan weêrkaatst zich dat uiterlijk ook terstond weder in de daar levende dierenwereld; op de grauwe rotsen van Arabiës hooggebergte klautert de woestijn-steenbok en woont de klipdas, nestelt de gierarend, bevolkt een niet onaanzienlijk soortental van andere vogels de kammen en kloven, de hellingen en de dalen, terwijl van de zwarte rotsen der lagere woestijngedeelten alleen de inktzwarte rouwtapuit zijn helder, klankrijk lied laat hooren. Zoo openbaart zich de harmonie der woestijn in al hare afzonderlijke partijen, in ieder harer schepselen, en zoo verhoogt zij juist hierdoor den indruk, dien zij op elken nadenkenden, gevoelvollen en naar lichaam en ziel krachtigen mensch, reeds op den eersten dag, dat hij de woestijn betreedt, uitoefent, en welke invloed met iederen volgenden dag slechts grooter wordt.[273]

Volle kracht, ontvankelijkheid en gevoel vraagt de woestijn ongetwijfeld van iederen mensch, die haar wil leeren kennen, en die zich in zekere mate in haar wenscht thuis te gevoelen. Wie de moeilijkheden der reis, gelijk zij oplevert, niet kan verdragen, wie hare zon vreest, wie door haar zand wordt afgeschrikt, blijve ver van haar. Zelfs bij een helderen hemel, bij een rustige lucht, ja bij een koel windje uit het noorden is en blijft een dag in de woestijn een moeilijke dag. Bijna plotseling, haast zonder schemering vangt hij zijn heerschappij aan. Slechts in de nabijheid der zee of in die van groote, de woestijn doorstroomende rivieren omzoomt Aurora den oostelijken horizon met een purperen rand; te midden der uitgestrekte zandvlakten verschijnt met het eerste morgenrood ook onmiddellijk de zon. Zij verheft zich boven de zandzee als een vuurbol, die elk oogenblik dreigt te barsten, om zijn stukken in alle richtingen weg te slingeren. Zoodra is niet de zon verrezen, of ook de morgenkoelte is voorbij, en schiet zij gloeiende stralen op het aardrijk als ware reeds de middag gekomen. De uit het noorden waaiende, dikwijls werkelijk verkwikkende, frissche, maanden lang aanhoudende wind, verhindert wel is waar soms, dat de ongelijk door de warmte uitgezette luchtlagen het voorkomen aannemen van eene zee, maar zooveel afkoeling brengt deze wind toch niet te weeg, dat het eigenaardig sidderen der onderste lagen wordt weggenomen. Hemel en aarde stralen in een overvloedig licht; een onbeschrijfelijke hitte stroomt van de zon uit en kaatst van het zand naar boven terug. Licht en hitte nemen met ieder uur toe, en machteloos staan mensch en dier daar tegenover.

De karavane is met den eersten zonnestraal opgebroken en trekt stilzwijgend voort. In de verte draven de lastkameelen, met elastischen tred loopen de drijvers er naast of er achter, in vollen draf rennen de rijkameelen, matig aangezet, deze voorbij en het andere gezelschap vooruit; weldra hebben de ruiters het lastdragend gedeelte uit het gezicht verloren. Voorwaarts gaat het zoo schielijk mogelijk. Al onze beenderen dreigen onder het stooten der zich haastende rijdieren te breken; zengend brandt de zon op ons, haar steken dringen door de kleederen, al verdubbelt men ook derzelver aantal. Onder die dichte bedekking dringt het zweet van het voorhoofd, van het geheele gelaat, van het geheele lichaam, en daar waar men losser gekleed is, op de armen en beenen, verdampt het vocht zoodra het ontstaat. De tong kleeft aan het gehemelte. Water, water, water! is het eenig denkbeeld, dat oprijst[274]bij hem, die nog niet heeft geleerd zulke bezwaren te verdragen. Maar het water is, naar lands gebruik, niet in ijzeren kisten en flesschen, maar in lederen zakken geborgen; dagen achtereen heeft het in den vollen zonnegloed op den rug der kameelen gelegen en is alzoo meer dan lauw, kwalijk riekend, dik, bruin van kleur, daarenboven doortrokken van den smaak van leer en kolokwintenteer en dientengevolge walgelijk van smaak, ja zelfs braakverwekkend. Zulk water laaft niet, integendeel het veroorzaakt nieuwe bezwaren, zelfs smartelijke buikpijnen, zoodat de begeerte naar een anderen drank nog sterker wordt. Er bestaat echter geen middel om het te verbeteren, evenmin als om het te vervangen. De doordringende reuk en smaak spotten met alle pogingen om het in den vorm van koffie of thee, of vermengd met wijn of brandewijn te genieten; enkel wijn en brandewijn verhoogen wederom den brandenden dorst en de drukkende hitte. De toestand der reizigers wordt onuitstaanbaar nog vóór de zon hare middaghoogte heeft bereikt, en de ellende neemt in gelijke mate toe als het water slechter wordt. Maar het leed moet verdragen worden en het wordt verdragen. Kan de westerling zich nimmer gewennen aan het water, aan de in den beginne ondragelijk schijnende hitte gewent hij zich spoedig, aan de bezwaren van het rijden te eerder, hoe meer hij met zijn rijkameel één wordt. In het vervolg zal hij voor goed, zuiver water zorgen en dan zal hij weinig meer over de hitte, in ’t geheel niet meer over de moeilijkheden, die het rijden veroorzaakt, klagen.

Behagelijk rustend, alhoewel onzacht gewekt door de brullende klaagliederen der opbrekende lastkameelen, laat de bewoner des lands de goederenkaravanen vooruittrekken, laaft lijf en ziel aan koffie en tabak, beklimt dan zijndromedarisen jaagt met zijn kameraads zoo schielijk voort als de rijdieren maar loopen willen. Geen woord wordt er gewisseld, alleen het knarsen van het zand onder de elastische voetzolen, het luide ademhalen en doffe, kolderende knorren der kameelen wordt gehoord. In weinige oogenblikken is de goederenkaravane ingehaald en heeft men zelfs aanmerkelijk op deze gewonnen. Een gazelle graast niet ver van den weg en geeft hoop op een buit, die hier hoogst welkom is. Met bekoorlijke sprongen huppelt de belichaamde woestijngedachte des dichters voor de vervolgende ruiters uit, met wijdgestrekte schreden draven de sterk aangezette kuchende kameelen het dier achterna. Het wild schijnt zorgeloos en laat ons naderbij komen; de ruiters nemen den schijn aan als wilden zij het[275]voorbijrijden, houden de kameelen in en vorderen langzamer; een hunner laat zich uit het zadel glijden, doet zijn dier een oogenblik stil staan en schiet onder diens lijf de nimmer missende buks af. In een oogwenk is de aanvoerder uit het zadel gesprongen om zich van het gevelde wild meester te maken; juichend sleept hij het mede, hecht het aan zijn zadel, en verder trekt de schare.

Tegen den middag wordt er rust gehouden. Bevindt zich een laagte in de nabijheid, dan staat daar allicht eene mimosa, wier ijle bladerenkroon een weinig schaduw biedt; strekt zich eeneonafzienbarezandvlakte rondom de ruiters uit, dan vormen vier in den grond gestoken lansen en het daartusschen gehangen wollen tapijt een armoedig schaduwdak. Maar gloeiend is het zand, dat tot rustplaats zal dienen, heet en drukkend is de lucht, die men inademt; matheid en slapheid overvallen zelfs den inboorling,—hoeveel te meer dus den westerling. Men snakt naar rust, maar kan ze niet vinden; naar verkwikking, en deze blijft uit. Verblind door het schitterend licht en de flikkerende lucht, sluit men de oogen; gekweld door de zengende hitte, gepijnigd door den brandenden dorst, wentelt men zich slapeloos op zijn leger om en om. Loodzwaar kruipen de uren voort.

De goederen-karavane trekt langzaam voorbij en verdwijnt in een nevelige luchtzee, op welker golvende lagen de kameelen schijnen te zweven. Nog altijd verwijlt men in denzelfden toestand en lijdt men onder dezelfde bezwaren. De zon is reeds lang op het hoogst geweest, maar nog altijd schieten haar gloeiende stralen met onverminderde kracht naar beneden. Eindelijk, het is reeds laat in den namiddag geworden, breekt men opnieuw op. Wederom volgt een rit zoo snel, dat de schielijke beweging ons bijna een verkoelenden luchtstroom tegenzendt; wij moeten de lastkaravane weder inhalen. Zij is ingehaald; zingend loopen de kameeldrijvers achter de dieren. Een hunner is voorzanger, de anderen vallen bij den laatsten regel van elk vers en steeds met hetzelfde slotrijm in.

Wanneer men bedenkt hoe moeilijk eene woestijnreis voor een kameeldrijver is, dan verwondert men er zich over, dat men hem hoort zingen. Voor het aanbreken van den dag belastte hij zijn dier, na alvorens eenige handvollen doerrahkorrels, beider eenig voedsel, met zijn kameel gedeeld te hebben; zoo lang de dag duurt drentelt hij achter zijn dier, zonder eene enkele bete meer te nuttigen, ten hoogste zich nu en dan lavende aan het stinkende water der lederen[276]zakken; de zon brandt op zijn schedel, het gloeiend zand zengt zijn voetzolen, de heete lucht droogt zijn van zweet druipend lichaam; voor hem was er geen tijd om te rusten, ja wellicht moest hij enkele zijner dieren nog omladen of sommige opvangen, die weggeloopen zijn—en toch zingt hij thans zijn lied. Het is de tooverkracht van de woestijnlucht, die deze stemming uitlokt.

Wanneer de zon ter ruste gaat, schijnen de lichamen dezer uitgedroogde kinderen der woestijn opnieuw op te leven; want ook zij gelijken in alles op hun verhevene moeder, de woestijn. Met deze verbranden zij op den middag, met haar bloeien zij op in den nacht. Zoodra de zon ter kimme neigt, weeft hun dichterlijk talent, nog vóór de slaap is gekomen, gouden droomen. De zanger prijst de waterrijke bronnen, de palmboschjes, die deze omringen, en de donkere tenten, die er onder op zijn geslagen; hij begroet een bruin meisje in de tent, dat hem den heilsgroet brengt, roemt haar schoonheid, vergelijkt haar oogen met die der gazelle, haar mond met een roos, wier geur als woorden in zijn oorschelpen tot een parelensnoer zich aaneenrijgen, versmaadt om haar de eerstgeboren dochter des sultans en zegent het uur, dat hem in staat zal stellen zijne tent met haar te deelen. Zijn makkers vermanen hem evenwel nog hoogere verlangens te koesteren en richten deswege telkens zijn gedachten op den profeet, „die onze wenschen en zoete verlangens bevredigt.”

Zoo klinkt dat lied den vreemdeling uit noorderlanden tegen, en ook bij hem komen er vaderlandsche liederen op de lippen. En wanneer dan de laatste rozengloed der ondergegane zon tegen het luchtruim weêrspiegelt, wanneer de nacht haar tooverkleed over de woestijn uitspreidt, dan is het hem alsof het zwaarste nog licht is gevallen en alsof hij gedurende de hitte des daags geen dorst, gedurende den rit geen bezwaren heeft gevoeld. Vroolijk springt hij uit het zadel, en terwijl de drijvers hun kameelen ontladen en vastbinden, effent hij het zand en hoopt het op tot een nachtleger, spreidt hij er tapijten en dekens over uit en geeft hij zich met wellust over aan de vurig verlangde rust.

Slechts weinige schreden in ’t rond verlicht het kleine vuur de vlakte. Vlijtig weren zich de halfnaakte, donkere zonen der woestijn daar om heen. De vlam werpt op deze lieden, die in de schemering van den nacht tot schaduwen worden, een tooverachtig licht; balen, kisten, zadels en gereedschappen, alles neemt de vreemdste gedaanten aan; de[277]kameelen, die buiten de bagage in een wijden kring zijn gelegerd, veranderen in spookgestalten, vooral wanneer hun oogen, door het vuur beschenen, tot vurige kogels worden. Stiller en stiller wordt het in het leger. De eene woestijnzoon na den anderen verlaat de kameelen, met wie hij zijn armzalig avondeten heeft gedeeld, hult zich in zijn lang gewaad, gaat liggen en smelt in een met het zand. Het vuur flikkert nog eenmaal op, verliest zijn glans en dooft uit. Het is werkelijk nacht geworden in het leger.

EENE OASE.EENE OASE.

EENE OASE.

Wie zal hem beschrijven, den nacht in de woestijn? Het moet een dichter zijn bij de gratie Gods.

Wie is bij machte—al had hij hem zelf doorleefd, doorwaakt, doorzwelgd, doorgedroomd—diens schoonheid naar eisch te malen? Na de hitte van den dag is hij de milde, vergoedende en verzoenende heilaanbrenger, de vrede- en vreugdeschenker, dien de man met niet minder verlangen te gemoet ziet als de geliefde, wier komst zoo lang met smart werd verbeid. „Leïla”, de sterheldere nacht der woestijn, Leïla is den Arabier de verpersoonlijking van al wat hoog is en heerlijk,[278]Leïla noemt hij zijn dochter; met de woorden: „mijn sterheldere nacht” vleit hij minnekoozend zijn geliefde; „Leïla, o Leïla” luidt steeds het slotrijm van al zijn liederen. Maar welk een nacht is het ook, die hier in de woestijn, na de vele vermoeienissen en bezwaren van den dag, de zinnen en het hart omstrikt! In ongekende klaarheid en helderheid fonkelen de sterren aan het donker gewelf des hemels; het licht der meest nabijzijnden werpt zelfs een zwakke schaduw op den licht gekleurden grond. Met volle teugen ademt de mensch de zuivere, verkoelende, verkwikkende lucht in; vol verrukking laat hij het oog dwalen van de eene zon naar de andere. Meer en meer schijnt het licht der sterren tot hem af te dalen; zijn geest verbreekt de boeien, die hem aan het stof ketenen en houdt een samenspraak met andere werelden. Geen geluid, geen gedruisch, zelfs niet het sjirpen van een sprinkhaan stoort de gedachten. Nu eerst openbaart zich aan hem de majesteit en verhevenheid der woestijn; haar onuitsprekelijke vrede maakt woning in zijn hart. Maar ook een trotsch gevoel van eigenwaarde dringt zich bij hem op; hier, te midden der oneindige eenzaamheid, zoo alleen, zoo buiten alle gemeenschap met de menschenwerelds enkel op zich zelf aangewezen te zijn, zulks wekt bij hem een gevoel van vertrouwen, moed en hoop. Droombeelden vol bekoorlijkheid treden voor zijn wakend oog en onweêrstaanbaar slepen ze hem meê; zij blijven hem omzweven, ook dan nog wanneer de sterren beginnen te beven, de gedachten hem verlaten en de oogen zich sluiten.

Na de verkwikking naar ziel en lichaam, gelijk de woestijnnacht die schenkt, vallen de vermoeienissen den volgenden dag niet zoo zwaar, hoe veel strijd het ook moge kosten het vuile water, dat met elk uur slechter wordt, te drinken.

Ware rust evenwel, een door niets gestoord genot wordt eerst verkregen, wanneer men eene bron heeft bereikt. Voortdurend bedreigd door gebrek aan de allereerste levensbehoefte is elke woestijnreis een rusteloos jagen en voorwaarts spoeden, zoodat er geen sprake is van de gemakken, die aan eene reis aangenaamheid bijzetten. De eene dag verloopt even als de andere; elke nacht gelijkt, althans in het gunstige seizoen, op den vorigen. In de oase, aan de bron, wordt de dag een feestdag, de avond een onvergald genot, de nacht een werkelijke, verkwikkende rust.

Het ontstaan eener oase is afhankelijk van eene kom of dalvormige verdieping, daar zonder eene altijd wellende bron, ten minste zonder[279]een gegraven put, eene iets weeldigere vegetatie onmogelijk is, en de woestijn nergens anders water oplevert dan in het hooggebergte of in de diepste dalen.

Evenals in vele andere opzichten de zandzee een tegenhanger is van den Oceaan, zoo vormen ook de eilanden van dezen eene tegenstelling met die der woestijn; zij liggen nl. niet boven, maar beneden de omringende vlakte. Het water komt hier òf als bron te voorschijn, òf het bevindt zich toch op geringe diepte beneden het oppervlak. De hoeveelheid en de hoedanigheid van dat water bepalen het karakter der oase. In slechts weinige laagten borrelt er een zuiver, koel water uit den grond. De meeste bronnen zijn zout-, ijzer- of zwavelhoudend, zeer dikwijls warm, en uit dien hoofde wellicht geneeskrachtig, maar daarom nog geenszins drinkbaar, of bevorderlijk voor de vruchtbaarheid van den bodem. Slechts onder bijzonder gunstige omstandigheden komt het water aan de oppervlakte te voorschijn; in de meeste gevallen sijpelt het door de spleten der rotsen of in gegraven putten droppelsgewijs bijeen en moet, althans nu en dan, opgepompt worden. En ook daar, waar het opwelt, loopt het in den regel alweder spoedig in het zand weg, indien de mensch niet tusschenbei treedt en het verzamelt en verdeelt. Toch doet het onder alle omstandigheden een jeugdig, in deze woestenijen dubbel welkom leven ontkiemen.

Lang vóór de mensch de bron in bezit nam, had zich reeds eene groene plantenwereld daaromheen verzameld. Wie zal ons zeggen hoe deze ontstond? Wellicht was het de zandstorm, die de zaden uitstrooide, welke in de nabijheid der bron ontkiemden, bloeiden en groeiden, en wederom zaden voortbrachten, die zich over het geheele dal verspreidden. Menschen hebben daarin ongetwijfeld geen aandeel gehad, want mimosen, die het voornaamste bestanddeel der vegetatie vormen, ziet men ook in de dalen, waar zich geen bronnen bevinden, nu eens een enkele struik, dan tien, twintig en meer tot een klein boschje vereenigd. Deze alleen kunnen reeds leven aanbrengen; zij groeien, bloeien en geuren—en dat zoo frisch, zoo heerlijk, zoo welriekend! In de vriendelijke schaduw dezer mimosa’s rust de gazelle; uit hare toppen schalt het lied der woestijnzangers. Haar malsch gebladerte verkwikt te midden der stijve kalkmassa’s, der zwarte granietkegels en van het blinkend zand, het oog als meigroen; haar bloesems en schaduw laven de ziel. In groote, aan water meer rijke oasen heeft de mensch den palmboom overgebracht en tusschen de mimosa’s geplant; daarmede[280]verkreeg deze tuin der woestijn nog grooter bekoorlijkheid. De palmboom is hier alles in alles; de koning der boomen, die den mensch aan eene kleine plek gronds ketende en hem alles verstrekt, wat hij voor zijn voeding noodig heeft, de in liederen verheerlijkte, en door de bloesems der sage omrankte boom des levens. Wat was de oase zonder den palmboom?! Eene tent zonder dak, een huis zonder bewoners, eene bron zonder water, een lied zonder woorden, een gezang zonder tonen, eene schilderij zonder kleuren! Zijn vruchten voeden den trekherder of hem, die daar zijn vaste woonplaats heeft opgeslagen; zij veranderen in hun handen in tarwe of gerst, zij bevredigen zelfs den tolgaarder zijns gebieders en meesters; zijn stammen en bladeren leveren hem woningen, huisraad, matten, manden, zakken, touwen en banden. In het zand der woestijn leert men eerst de onschatbare waarde van dien boom kennen, zijn volle beteekenis; in het zand der woestijn erkent men den zin van het symbool, waarvan de Arabische dichtkunst zich bedient. Evenals deze ontspruit hij dikwijls uit een vruchtbaren grond, evenals deze streeft hij krachtig, altijd zichzelf gelijk blijvend, naar omhoog, om ook eerst in de hoogte zoete vruchten voort te brengen.

Mimosen en palmen zijn de karakteristieke boomen der oase, en ook daar ontbreken deze planten niet, alwaar het water zoo rijkelijk vloeit, dat men er tuinen en akkers zou kunnen aanleggen. Hier vormen zij als het ware de voorposten tegen het opdringend woestijnzand, maar blijven daar dan ook beperkt tot den buitenrand der woestijneilandjes, terwijl het inwendige ingenomen wordt door planten, die behoefte hebben aan meer water. In de nabijheid der bronnen of aan den put breiden zich dikwijls tuinen uit, waarin men soms schier alle vruchten van Noord-Afrika aanbouwt. Hier rankt de druif, gloeit de oranjeappel tusschen het donkere loof, opent de granaat zijn rooskleurigen mond, spreidt de banaan zijn gevinde bladeren uit, omslingert de meloen de groentebedden, en voltooien de vijgencactus en olijfboom, misschien zelfs wel vijgen-, abrikozen- en amandelboomen het beeld der vruchtbaarheid. Op verderen afstand bevinden zich akkers, waarop althans kafferkoren, in een gunstig geval tarwe en rijst verbouwd worden.

In zulke rijke oasen heeft de mensch vaste woonplaatsen opgeslagen, terwijl hij in de meer arme laagten slechts nu en dan, op meer of min geregelde tijden, gastvrijheid zoekt. Het dorp of stadje der oase verschilt weinig van de bewoonde plaatsen der naburige vruchtbare[281]landen; men vindt ook hier eene moskee, bazars en koffiehuizen; de menschen echter zijn kinderen van een anderen geest dan de boeren en stedelingen van den Nijl of van de kustlanden. Ofschoon meestal van verschillenden stam hebben zij toch gelijke zeden en gewoonten aangenomen. De woestijn heeft hen omgestempeld. Hun magere gestalte, scherpe gelaatstrekken, hunne door zware wenkbrauwen beschaduwde, fonkelende oogen doen hen terstond kennen als zonen der woestijn; nog sterker vindt men dit uitgesproken in hunne zeden en gewoonten. Zij zijn vrij van aanmatiging, ijverig, wakker en tevreden, gastvrij, open, eerlijk en trouw, maar ook fier, prikkelbaar en opvliegend, geneigd tot roof en andere gewelddadigheden, in welk opzicht zij met deBedoeïnenovereenkomen, alhoewel zij bij dezen ten achter staan in goedheid zoowel als in boosheid. Elke karavane, die zich bij hen laat invinden, is hun ten hoogste welkom, maar de reiziger is hun, meenen zij, tolplichtig.

Geheel verschillend van zulke oasen zijn die laagten, in welke zich slechts bij uitzondering de zoo vurig begeerde bron bevindt. De Arabische trekherders zijn tevreden, wanneer zulk eene bron slechts enkele maanden of enkele weken het noodige drinkwater voor henzelf en hunne kudden oplevert; de hier uitrustende karavane mag blijde zijn, wanneer er voorraad is voor enkele dagen. Gewoonlijk is de bron een diepe put, wier wanden eer water uitzweeten dan in mild vloeiende aderen naar omlaag zenden. Ettelijke tompalmen verheffen zich tusschen de spaarzaam verspreide mimosa’s en salicaria’s in de omgeving der bron; eenige weinige grashalmen ontsproten aan de dorre aarde.

Vreeselijk arme menschen zijn deze trekherders, die hier hun tenten hebben opgeslagen tot zoolang als hunne kleine kudden geiten er voedsel vinden; hun „strijd om het bestaan” is niets dan een onafgebroken aaneenschakeling van kommer, ontbering en gebrek. Een lang zwart doek van geitenwol wordt in ’t midden over een staketsel uitgehangen, en met de uiteinden aan in den grond geslagen pinnen bevestigd; de eene opening wordt gesloten door een doek van dezelfde stof, de ander, die den ingang zal vormen, door een mat van palmbladeren,—daarmede is de tent gereed, de bruidsgift der vrouw, aan welke deze van haar achtste tot haar zestiende jaar heeft gewerkt, verzameld, gesponnen en geweefd; het huisraad bestaat uit eenige matten om op te rusten, uit een granietplaat met daarbij behoorenden wrijfsteen om het ingeruilde koren te malen, uit eene vlakke aarden plaat voor het[282]roosten der koeken, en verder uit twee buikige potten, eenige lederen zakken, een bijl en ettelijke lansen. Eene kudde van twintig geiten geldt bij hen reeds voor een grooten rijkdom. Maar deze menschen zijn even braaf als arm, even beminnelijk als welgevormd, even goedaardig als schoon, even edelmoedig als bescheiden, even gastvrij als eerlijk, even rein van zeden als geloovig.

Beelden aan de oudheid ontleend rijzen op voor den geest des westerlings, wanneer hij deze nomaden voor ’t eerst ontmoet; de Bijbelsche personen ziethijhier levend voor zich, hij hoort hen spreken in de hem uit zijn kinderjaren bekende taal. Duizenden jaren zijn over deze nomaden voorbijgesneld als een enkele dag; op dit oogenblik nog denken, spreken en handelen zij even gelijk de aartsvaders dachten, spraken en handelden. Dezelfde groet als uit Abrahams mond klinkt van hunne lippen den vreemdeling tegen; dezelfde woorden, die Rebekka richtte tot den knecht Abrahams, hoorde ik mij toespreken, toen ik, gekweld door een ontzaggelijken dorst, bij de put van Bahioeda van mijn kameel sprong, en van een jonge, schoone, bruine vrouw te drinken begeerde. Daar stond zij voor mij, de Rebekka van vóór duizenden jaren, in levenden lijve, in onverwelkte jeugd, eene andere dan zij, van wie de Schrift spreekt, en toch dezelfde.

Bij de aankomst eener karavane verzamelt zich de geheele bevolking dezer tijdelijke nederzetting. De oudste treedt uit den kring naar voren en brengt den vredegroet; de overigen heeten de vreemdelingen welkom. Dan biedt men het kostbaarste aan, wat de reizigers begeeren, het frissche water, en al wat men verder bezit, en zulks met verrassende vriendelijkheid, zonder op te dringen en toch gemeend. Gretig verzwelgen de reizigers met volle teugen het verkwikkende vocht; ongeduldig dringen tevens de kameelen naar de bron, alhoewel zij bij ervaring weten, dat zij eerst afgeladen, vastgebonden en naar de weide gebracht moeten worden, alvorens het hun geoorloofd is na eene ontbering van vier tot zes dagen, weder hun dorst te lesschen. Men laat echter ook aan de bron geen enkelen droppel verloren gaan, weshalve men hun eerst het nog in de lederen zakken bevatte water geeft; daarna worden deze opnieuw gevuld, om dan eerst de kameelen te drenken, ofschoon men dan nog meer de hoeveelheid voorhanden water in ’t oog houdt dan de behoefte der dieren zelf. Slechts bij eene zeer rijkelijk vloeiende bron laat men vrijen teugel aan hun onleschbaren dorst, en dan is het een genot hen te zien drinken, altijd maar door, zonder[283]ophouden, terwijl zij daarna met koddige, onbevallige, door boeien belemmerde sprongen naar de niet minder vurig begeerde weide rennen, om hier de als een halfvolle ton dansende maag verder met voedsel te vullen.

Voor de reizigers en den daar gelegerden stam breekt echter een ware feestdag aan. De eersten vinden frisch water, misschien zelfs wel melk en vleesch, die ’t genot der rust niet weinig verhoogen, de inboorlingen verheugen zich in de afwisseling, die de karavane brengt in de eentonigheid van hun leven. Een der kameeldrijvers heeft in de naastbijstaande tent het geliefkoosde muziekinstrument der woestijnbewoners, de tamboera of vijfsnarige cither gevonden, en begeleidt daarmede op meesterlijke wijze zijn eenvoudig gezang. Deze klanken lokken de dochteren der nomaden; slanke, schoone vrouwen en meisjes omringen vragende de vreemde mannen en richten op dezen en hunne goederen doordringende, blauwe oogen. Wapen u, vreemdeling! die oogen zouden uw hart in gloed kunnen zetten! Zij zijn nog veel schooner dan die der gazelle en de lippen daar beneden beschamen de koralen, de verblindend witte tanden daartusschen de paarlen, die gij deze dochteren der woestijn misschien zoudt willen vereeren!

Nu schijnt alles één lied, één gedicht te zullen worden. Om den citherspeler scharen zich enkele groepjes, die zich gereed maken tot den dans; ruwe en zachte handen begeleiden met maatslag de tonen van het speeltuig, de woorden des lieds en den gelijkmatig golvenden dans. Nieuwe gedaanten komen, bekende verdwijnen; het is een bestendig afwisselend dringen en wenden om de vreemdelingen, die zoo verstandig zijn, om even onschuldig en vertrouwelijk te ontvangen als hun gasten geven. Alle bezwaren der woestijnreis zijn vergeten, heimwee en verlangen bevredigd; want het water, het water borrelt overvloedig en treedt in de plaats van alle behoeften van andere plaatsen en tijden.

Deze rust sterkt lichaam en geest. Opgefrischt zet de karavane hare reis voort, en indien de dagen niets ergers brengen dan zonnegloed, dorst en afmatting, bereikt zij onverzwakt ook de tweede en derde bron en eindelijk het doel der reis, de eerste stad of het eerste dorp aan gene zijde der woestijn.

Maar veranderlijk als de oceaan, die de aarde omgordt, is ook de zandzee. Ook hier woeden stormen, die haar schepen doen stranden en verderfaanbrengende golven oproepen. Ten tijde, dat de maandenlang[284]waaiende noordenwind in strijd geraakt met zuidelijke luchtstroomen, of wanneer deze reeds de alleenheerschappij hebben erlangd, ziet de reiziger plotseling het zand levend worden, in dikke en hooge zuilen opstijgen, die nu eens langzamer, dan schielijker over de vlakte heensnellen. Door de zon beschenen nemen zij het voorkomen aan van vuurzuilen; dan weder zien zij er kleurloos uit of het zijn angstwekkende, zwarte spookgestalten; de wind verdunt en verdikt ze, scheidt hier eene zuil in tweeën, vereenigt ginds twee of meer tot eene in de wolken eindigende zandhoos. De westerling wil in luidebewoordingenzijn verwondering te kennen geven, maar de angstige blikken zijner begeleiders verlammen hem de tong. Wee de karavane, die door zulk een wervelstorm wordt ingehaald; zij mag blijde zijn, wanneer het leven van menschen en dieren behouden blijft! En woeden deze boden des noodlots zonder schade over het hoofd van het reisgezelschap heen, het gevaar is daarom nog niet voorbij, want de samoem, de vergiftige stormwind, volgt den eersten op den voet.

Deze in de woestijn onder alle omstandigheden het meest gevreesde wind, die als Chamasien door Egypte, als Sirocco tot in Italië, als Föhn door de Alpen, als dooiwind door Noord-Europa giert, verheft zich geenszins altijd tot een storm; dikwijls waait hij onmerkbaar zacht, en toch doet hij mannenharten beven. Over dezen wind is zeer veel gefabeld geworden; dit is evenwel waar, dat de samoem bij tijd en wijle voor de karavanen hoogst gevaarlijk worden kan, en dat hij de oorzaak is der witgebleekte geraamten van kameelen, alsmede van de door het zand halfbedolven, uitgedroogde mummiën van menschen, die men langs elk woestijnpad vindt. Want niet zoozeer zijne kracht, maar zijn aard, zijn elektrische spanning brengen lijden en verderf over de menschen en lastdieren, welke de woestijn doortrekken.

Althans één dag, somtijds eenige dagen vooruit, voorspelt de inboorling en ook de met het land bekende vreemdeling den zandstorm. Onbedriegelijke teekens zijn de voorboden. De lucht wordt zwoel, zwaar, drukkend; een dunne, grijsachtig of roodachtig getinte damp benevelt den hemel; geen tochtje beweegt de lucht. Alle levende wezens lijden zichtbaar onder de zwoelte, die elk oogenblik drukkender wordt; de menschen klagen en jammeren, het wild wordt schuwer, de kameelen worden onrustig en koppig, dringen op elkaar, blijven staan of gaan liggen. Kleurloos gaat de zon onder. Geen avondrood omzoomt den hemel, het nevelkleed bluscht elk licht uit. De nacht[285]brengt geen afkoeling of verkwikking, eer vermeerdering van hitte, krachteloosheid en onbehagelijkheid; in weêrwil van alle loomheid ontvliedt de slaap het oog. Zijn menschen en dieren nog in staat zich te bewegen, dan rust men niet, maar trekt integendeel met angstige haast verder, zoolang de gids nog een enkel hemellicht waarneemt. De damp verandert in een drogen nevel en het eene gesternte na het andere wordt aan den blik onttrokken; zelfs de maan en de zon, welke laatste in het gunstigste geval slechts half zoo groot is als gewoonlijk, worden bleek en onduidelijk.

Soms begint de wind om middernacht aan te wakkeren, meestal tegen den middag. Zonder uurwerk kan men het tijdstip niet bepalen, want de nevel is intusschen zoo dik geworden, dat de zon geheel omsluierd wordt en een droefgeestig schemerlicht over de vlakte ligt uitgespreid, zoodat reeds op geringen afstand geen voorwerp meer te onderscheiden is. Zacht, nauwelijks voelbaar begint nu de wind te waaien. Het is nog geen werkelijk waaien, maar meer een zacht ademen. Die luchtadem is gloeiend heet en dringt evenals een kille, ijzige wind door merg en been, veroorzaakt een doffe hoofdpijn, verslapt en beangstigt. Daarop volgt een meer waarneembaar, even gloeiend, even verderfelijk waaien. Enkele korte, huilende stooten mengen zich daaronder.

Thans is het hoog tijd om te gaan liggen. Zulks geven ook de kameelen te kennen, want geen zweepslag brengt deze dieren meer vooruit. Vol angst knielen zij neêr, strekken den hals uit, drukken dien tegen den grond en sluiten de oogen. De drijvers ontladen hen ijlings, bouwen uit de bagage zoo schielijk mogelijk een ringmuur, stapelen alle zakken op elkaar om de aan den wind blootgestelde oppervlakte te verkleinen, bedekken ze met alle aanwezige matten, hullen zich, evenals alle andere reizigers deden, zoo dicht mogelijk in hunne dekens, maken het gedeelte, dat om het hoofd is gewonden nat en zoeken dan een schuilplaats achter de goederen. In groote haast werd een en ander volbracht, want de zandstorm zal nu niet lang meer op zich laten wachten.

Het aantal stooten vermeerdert; zij volgen sneller op elkander en weinige minuten later woedt de storm met volle kracht. Het giert en dreunt, fluit en huilt door de lucht, het ruischt en loeit in het zand, het knettert, knalt en kraakt in het leger, waar de planken kisten verbrijzeld worden. De hitte neemt nog steeds toe en wordt eindelijk[286]onverdragelijk, onttrekt aan het van zweet druipende lichaam alle vochtigheid, doet alle slijmvliezen scheuren, zoodat het bloed er uit vloeit; de naar water dorstende tong wordt zwaar als lood, de polsslag versnelt, het hart krimpt ineen, de huid scheurt en splijt, de razende storm vult deze kloven met fijn zand, en veroorzaakt daardoor nieuwe kwellingen. De zonen der woestijn bidden en zuchten, de westerling steunt en klaagt.

Gewoonlijk duurt de hevigste woede van den zandstorm niet lang, een, twee, drie uren slechts, evenals bij ons een onweder, waarmede men hem zou kunnen vergelijken. Naarmate hij bedaart, gaat ook het stof liggen en klaart de lucht op, terwijl een enkele maal een tegenstroom uit het noorden daarop volgt. De karavane herstelt zich en trekt verder. Duurt de samoem echter een halven of heelen dag, dan kan het den reizigers gaan gelijk een mijner kennissen, den FranschmanThibaut, die op zijn tocht door de noordelijke Bahioeda de laatste bron opgedroogd vond en met bijna ledige waterzakken moest opbreken, om den op vier dagreizen afstands gelegen Nijl te bereiken. De vergiftige wind brak over hem en zijne in doodsangst gebrachte karavane, die alle niet dringend noodzakelijke goederen bij de uitgedroogde bron had achtergelaten, los. Het ongelukkige reisgezelschap legerde zich, hoopte op het einde van den storm, wachtte tevergeefs, klaagde, werd moedeloos en wanhopig. Een vanThibautsbedienden sprong razend op, overstemde door zijn huilen den storm, gilde, tierde, woedde, en viel eindelijk uitgeput op zijn meester neêr, liet een gereutel hooren en gaf den geest. Een tweede lag, toen de storm eindelijk zweeg, insgelijks dood op zijn legerstede,—de hitte had hem gedood. Een derde moest, nadat men weder opgebroken had en hij koortsachtig, als om den dood te ontloopen, voortsnelde, achterblijven, en versmachtte. Van de kameelen was de helft bezweken.Thibautbereikte met de overige menschen en dieren den Nijl, maar zijn gitzwart haar was in den tijd van twee dagen sneeuwwit geworden.

Van zulke stormen stammen de mummieachtige lijken af, die men langs de karavanenwegen vindt. De storm, die doodde, begroef meteen de lijken en dekte ze met zand; dit zand onttrekt snel aan de lichamen alle vocht, zoodat zij, in plaats van te verrotten, uitdrogen en tot mummies worden. De eene windvlaag werpt er een nieuwe laag zand over heen, de andere ontbloot ze. Nu eens strekt het lijk eene hand, dan een voet of zijn gezicht naar den reiziger uit; een der kameeldrijvers[287]voldoet aan het bevel van den doode, begeeft zich tot hem, werpt weder zand op hem en trekt verder onder het uiten der woorden: „Slaap, knecht des Allerhoogsten, slaap in vrede!”

Zulke stormen zijn het ook, die in den geest der gespaarden de droombeelden der Fata Morgana opwekken. Zoolang de mensch in ’t volle bezit zijner krachten en met gezonde zinnen voorttrekt, beschouwt hij de luchtspiegeling wel als een de aandacht trekkend natuurverschijnsel, maar zij wordt hem niet tot Fata Morgana. In het heete jaargetijde ontstaat in de woestijn tegen het midden van den dag, van negen uur in den voormiddag tot drie uur in den namiddag, elken dag de „duivelszee”. Een grijze, op eene zee, beter nog op een overstroomd land gelijkende vlakte, rijst daar, alwaar de woestijn geheel van plantengroei ontbloot is op zekeren afstand voor of om den reiziger in ’t rond op; deze zee golft, glinstert en schittert, laat alle werkelijk bestaande voorwerpen zichtbaar blijven, maar heft ze schijnbaar tot het oppervlak der zee op en weêrkaatst hun beelden naar beneden. In de verte voorttrekkende kameelen of paarden verkrijgen het voorkomen van door wolken gedragen, geschilderde engeltjes, en wanneer men hunne bewegingen kan onderscheiden dan is het alsof zij de beenen verzetten op een uit nevelen gevormde onderlaag. De afstand, waarop de naar het oog toegekeerde grens van dit verschijnsel is gelegen, blijft steeds dezelfde, zoolang de waarnemer zijn gezichtshoek niet verandert en is dus voor den ruiter eene andere dan voor den voetganger. Het geheele wonder berust op de bekende wet, dat eenlichtstraal, die van de eene middenstofineene andere overgaat, gebroken wordt, zoodat dit verschijnsel zich steeds moet voordoen, wanneer de onderste luchtlagen door de terugkaatsing der warmtestralen van het verhitte zand ongelijkmatig worden uitgezet. Geen Arabier bedekt bij ’t zien eener luchtspiegeling zijn gezicht, gelijk fantaseerende reizigers hun goedgeloovige lezers willen wijs maken; zelfs hechten zij geen diepere beteekenis aan de benaming „zee des duivels”. Wanneer evenwel angst, ontbering, vermoeidheid en gebrek op een zandstorm volgen en de geestkracht hebben verlamd, en wanneer dan de luchtspiegeling zich vertoont, kan deze tot Fata Morgana worden. De zieke verbeeldingskracht schept zich nu zoodanige beelden, die met de vurige wenschen van het oogenblik, de begeerte naar water en rust, in harmonie zijn. Ik heb zelf honderden malen de luchtspiegeling aanschouwd en ook mij is zij eenmaal tot Fata Morgana geworden. Zulks had plaats toen ik na een onlijdelijken dorst[288]van een etmaal achtereen de „zee des duivels” voor mij zag schitteren en glinsteren. Toen verbeeldde ook ik mij den heiligen Nijl, booten met gezwollen zeilen, palmboschjes, tuinen en landhuizen voor mij te zien. Maar op dezelfde plaats, alwaar mijne zieke zinnen een palmenwoud zagengroeien, zag mijn eveneens versmachtende metgezel zeilbooten, en daar waar ik een tuin meende te aanschouwen, spiegelden zich voor zijne ziel bosschen af. Maar al deze fantasieën verdwenen, zoodra wij toevallig water ontdekten en ons daarmede hadden gelaafd; alleen de grijze nevelzee hield stand.

EENE KARAVANE, DE WOESTIJN DOORTREKKENDE.EENE KARAVANE, DE WOESTIJN DOORTREKKENDE.

EENE KARAVANE, DE WOESTIJN DOORTREKKENDE.

De „zee des duivels” heeft ongetwijfeld ieder reiziger aanschouwd, die de eene of andere woestijnstreek der Nijlboorden is doorgetrokken; maar niet een ieder is het gegund een der levendigste tooneelen onder de oogen te krijgen, welke de woestijn opluisteren. Aan den uitersten zoom van den horizon, misschien wel door de luchtspiegeling omhoog geheven en in een nevelwaas gehuld, duiken eenige ruiters op, die op rankpootige paarden zijn gezeten, wier snelheid die des winds evenaart; deze ruiterbende nadert ras en stuift eindelijk, terwijl men de tot nu toe gespaarde dieren in vollen draf aandrijft, op de karavane los. Ik heb hen altijd gaarne ontmoet, die magere, typisch gekleede mannen, want ook in hen en hunne paarden zag ik de harmonie der woestijn met hare kinderen. Als een getrouwe zoon der woestijn verscheen hij mij, deBedoeïnen, als haar en zijn spiegelbeeld het ros, dat hij berijdt. Want ook hij is ernstig en vreeselijk als de dag, vriendelijk en zacht als de nacht der woestijn. Trouw aan ’t eens gegeven woord, onbepaald gehoorzaam aan de zeden en gebruiken van zijn stam, waardig in zijn optreden, verheven in zijn uitdrukkingen, onovertroffen in onthouding en ontbering, ontvankelijk meer dan iemand voor mannelijke daden, voor roem en eer, en niet het minst voor het gouden weefsel der poëzie, welk laatste bewezen wordt door zijne vertellingen en sprookjes, doorweven van de rijkste beelden, omlijst door de heerlijkste en geurigste bloemen. Aan den anderen kant is hij listig en geslepen tegenover zijn vijand, een slaaf zijner gewoonten, laag en gemeen, zonder eenige waardigheid in zijn begeerten en eischen, gulzig in het genieten, onbegrensd wreed, vreeselijk in zijn wraak; heden is hij een ridderlijke gastheer, morgen een onbeschaamde bedelaar, den eenen keer een trotsche roover, een ander maal een ellendige dief; kortom, even veranderlijk als de woestijn. Zijn ros bezit hetzelfde verstandige, vurige sprekende oog, dezelfde kracht en lenigheid der magere, schijnbaar[289]zwakke ledematen, dezelfde taaiheid, dezelfde tevredenheid, hetzelfde wezen als hij; want beide groeiden op in dezelfde tent, beide rusten onder hetzelfde dak. Het dier is niet de slaaf, maar de metgezel en vriend van denBedoeïnen, de speelgenoot zijner kinderen.

In de vrije woestijn trotsch, moedig, zelfs wild, is het in de tent gedwee als een lam; en zoo is het als het ware een integreerend bestanddeel van zijn heer en gebieder.

BEDOEÏNEN.BEDOEÏNEN.

BEDOEÏNEN.

In alle woestijnen, die althans nog in naam onder de heerschappij van den Khedive van Egypte staan, spelen de Bedoeïnen heden ten dage geenszins nog dezelfde rol als in vroegere tijden, of als tegenwoordig nog in Arabië en de landen van Noord-Westelijk Afrika. De Egyptische regeering heeft met hen verdragen gesloten, die hun den plicht opleggen de karavanen ongehinderd door hun gebied te laten trekken. Rooverijen in de woestijn behooren dan ook tot de zeldzame uitzonderingen, en eene ontmoeting met Bedoeïnen verwekt ook daarom geen groote bezorgdheid, omdat deze zonen der woestijn doorgaans de eigenaars der gehuurde kameelen zijn; evenwel nemen de aan hun[290]oude gewoonten verkleefde, ware heeren der woestijn gaarne het voorkomen aan van eene zekere soevereiniteit; men handelt dan ook verstandig, alvorens de woestijnreis aan te vangen, vrijgeleide te vragen van den een of anderen aanzienlijken hoofdman. Heeft men dit verkregen, dan loopt eene ontmoeting gewoonlijk op de volgende wijze af.

Een der door de zon verbrande mannen springt uit de ruiterschaar naar voren en wendt zich tot den aanvoerder of uitruster der karavane.

„Heil zij U, o vreemdeling!”

„Gods zegen, genade en barmhartigheid mogen met U zijn, o hoofdman!”

„Waarheen trekt gij, o mannen?”

„Naar Belled-Aali, o scheik.”

„Trekt gij onder vrijgeleide?”

„Wij trekken onder het vrijgeleide van Zijne Hoogheid, den Khedive.”

„Onder geen ander?”

„Ook Scheik Soliman, Mahammed Cheir Allah, Ibn Sidi Ibrahim Aulad Aali heeft ons vrijgeleide en vrede gegeven.”

„Dan zijt gij welkom en gezegend.”

„De Zegenuitdeeler begenadige U en Uwen vader, o hoofdman!”

„Hebt gij iets van noode? Mijne mannen zullen het u geven. In de Wadi Ghiteri staan onze tenten, wanneer gij rust wilt zoeken, zult gij daar welkom zijn. Zoo niet, dan moge Allah U een gelukkige reis geven.”

„Hij zal met ons zijn; want Hij is genadig.”

„En de leidsman op alle goede wegen.”

„Amen, o hoofdman!”

Weg vliegt de bende; ruiters en paarden smelten wederom ineen; de lichte hoeven der dieren schijnen den grond niet te raken, de witte boernoe’s fladderen in den wind, en de woorden des dichters worden levend in de ziel:

„Bedoeïnen, gij zelf op uw rosZijt een fantastisch lied.”

„Bedoeïnen, gij zelf op uw ros

Zijt een fantastisch lied.”

Zulke beelden toovert ons de woestijn voor oogen. Naarmate men meer met deze vertrouwd wordt, nemen zij scherper omschreven trekken aan, en doen zij de moeiten en bezwaren verminderen. Maar het zijn vooral de laatste uren der woestijnreis, die het hoogste genot aanbrengen. Wanneer het eerste palmendorp van het bebouwde land,[291]wanneer het zilveren lint van den heiligen stroom wederom zichtbaar wordt, dan is dat uur gekomen. Menschen en dieren ijlen en haasten, alsof de vurig gewenschte werkelijkheid een droombeeld kon zijn, dat wederom in een nevel zal worden opgelost. Duidelijker en scherper omgrensd treedt het doel der reis voor oogen; het is alsof men nooit frisscher kleuren gezien heeft, men meent dat nergens zulke groene boomen groeien en nergens koeler water wordt gevonden. Hun laatste krachten bijeenverzamelende schrijden de kameelen voort, maar hun pas schijnt voor hun ongeduldige meesters nog veel te langzaam. Daar klinkt ons eene vriendelijke begroeting in de ooren. Het Nijldorp is bereikt. Uit alle hutten komen mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen te voorschijn om de reizigers te verwelkomen. Ieder beijvert zich de helpende hand te bieden en lafenis te reiken. Allereerst biedt men water aan, flink water, zoo uit de rivier geschept; dan brengt men alles aan, wat lichaam en ziel kan verkwikken. Om het nu opgeslagen leger bewegen zich nieuwsgierige menschen, vraaggrage mannen en vrouwen, danslustige meisjes en jongelingen. Tamboera en taraboeka, cither en trom noodigen ten dans; de dansende meisjes verblijden het hart van den vreemdeling en inboorling. Zelfs het knarsen der schepraderen aan den stroom, vroeger duizendmalen verwenscht, wordt heden tot eene schoone muziek.

De avond brengt nieuwe genietingen. Op het veêrende, koele rustbed gemakkelijk uitgestrekt, drinkt de westerling met den inboorling om strijd den nektar des lands, den palmwijn of meriesa, terwijl cithertonen en trommelslag, onder het maatgeklap van de handen en voeten der dansende jongelingen en meisjes het heerlijk drinkgelag begeleiden. Eindelijk herneemt de vergevorderde nacht zijn rechten, tamboera en taraboeka zwijgen, de dans is geëindigd. Elk der verkwikte, verzadigde of meer dan verzadigde reizigers zoekt achtereenvolgens de rust. Slechts een enkele hunner, een zone Khahira’s, de moeder der wereld, kan den slaap niet vinden. In de nabijheid van het uitdoovende legervuur rijzen de sidderende tonen van zijn eenvoudig lied:

Ach schoone nacht, gij doet mij pijn,Steeds langer wordt gij, immer langer;Ik vraag om rust, gij hoort mij niet,’t Wordt steeds om ’t hart mij banger.Ach schoone nacht, hoe lange reedsMocht niet mijn oog haar schouwen,[292]Naar wie mijn ziel zoo innig smacht,Mijn hope en vertrouwen.O schoone nacht, verhoor mijn klacht,Breng haar mij nader weder.Dek haar met liefdevleuglen zacht,Stort vrede op mij neder.

Ach schoone nacht, gij doet mij pijn,Steeds langer wordt gij, immer langer;Ik vraag om rust, gij hoort mij niet,’t Wordt steeds om ’t hart mij banger.

Ach schoone nacht, gij doet mij pijn,

Steeds langer wordt gij, immer langer;

Ik vraag om rust, gij hoort mij niet,

’t Wordt steeds om ’t hart mij banger.

Ach schoone nacht, hoe lange reedsMocht niet mijn oog haar schouwen,[292]Naar wie mijn ziel zoo innig smacht,Mijn hope en vertrouwen.

Ach schoone nacht, hoe lange reeds

Mocht niet mijn oog haar schouwen,[292]

Naar wie mijn ziel zoo innig smacht,

Mijn hope en vertrouwen.

O schoone nacht, verhoor mijn klacht,Breng haar mij nader weder.Dek haar met liefdevleuglen zacht,Stort vrede op mij neder.

O schoone nacht, verhoor mijn klacht,

Breng haar mij nader weder.

Dek haar met liefdevleuglen zacht,

Stort vrede op mij neder.

Maar ook deze klanken sterven weg—alleen de golven van den stroom murmelen en fluisteren voort.[293]


Back to IndexNext