VI.

[Inhoud]VI.HET OERWOUD EN DE DIERENWERELD VAN AFRIKA’S BINNENLAND.Rijk moge Afrika’s steppe zijn, vooral wanneer men haar vergelijkt met de woestijn, de weelderige vegetatie der tropen wordt evenwel niet in haar gevonden. Wel oefent de bezielende kracht des waters er haar gezegenden invloed uit, maar die invloed duurt te kort dan dat hij ongestoord zou kunnen werken. Met het ophouden van den regen sterft ook de groeikracht, terwijl de hitte en droogte weder alles vernielen, wat de regen had voortgebracht.Daarom kunnen in de steppe slechts die planten tot ontwikkeling komen, wier leven binnen weinige weken wordt afgespeeld, niet zulke gewassen, die de eeuwen verduren. Eenig en alleen in de laagten, die rijk zijn aan nooit verdrogende stroomen en die zoowel door deze als door den regen gedrenkt worden, alwaar zonnelicht en water, warmte en vochtigheid gemeenschappelijk werkzaam zijn, ontwikkelt, ontvouwt en bestendigt zich de feeënrijke volheid der keerkringslanden. Hier groeiden bosschen op, die wat pracht, majesteit, schoonheid en rijkdom betreft, in niets onderdoen voor de wouden van de gezegendste landen op lager breedten, oerwouden in den volsten zin des woords, die zonder toedoen van den mensch ontstaan en vergaan, vergrijzen en zich weêr verjongen, op den huidigen dag nog alleen zichzelf toebehooren en in staat zijn eene rijke fauna te onderhouden.Uit het zuiden brengen de voorjaarsstormen de van regen zwangere wolken naar die landen van Afrika, welke ten noorden van den evenaar zijn gelegen; deswege vallen deze wouden niet terstond den uit het noorden komenden reiziger in ’t oog, maar eerst dan, wanneer deze van lieverlede, steeds meer en meer naar het zuiden voorwaarts dringt. Hoe meer men den aequator nadert, hoe scheller het licht wordt van den bliksem, hoe luider en meer afgebroken de donder ratelt, hoe heviger de regen in stroomen naar beneden stort, maar ook, hoe[151]weelderiger alle planten groeien en hoe vormenrijker de dierenwereld wordt; naarmate de regentijd spoediger aanvangt en naarmate deze langer duurt, des te grooter en meer wonderen schept hij. In juiste overeenstemming met de toenemende vochtigheid, verbreedt, verdicht, verhoogt en dijt het woud. Van af den zoom der rivieren tot diep in het binnenland strekt zich de heerschappij der plantenwereld uit; geen plekje is meer ledig, van den dichtbegroeiden grond tot de toppen der hoogste boomen. Boomen, die elders slechts dwergen schenen, groeien hier op tot reuzen; bekende soorten worden tot een voedingsbodem voor nog onbekende woekerplanten; daar tusschen streeft eene nog nooit geziene vegetatie naar omhoog in het licht. Maar ook hier, althans in den noordelijken zoom van dezen gordel, werken de hitte en droogte van den winter nog altijd sterk genoeg om de bladerenpracht der boomen voor een tijd haar glans te doen verliezen en althans de meesten ettelijke weken tot rust te doemen. Te hoorbaarder klinkt dan ook de wekstem der lente door het sluimerend woud, en met te meer kracht ontwaakt na de winterrust het leven, dat de eerste regens van het bevruchtende jaargetijde oproepen.Om de oerwouden dezer landen zoo getrouw mogelijk te malen, neem ik de lente tot uitgangspunt. De heraut en drager der regenwolken, de zuidenwind, moet nog den strijd bestaan met den koelen luchtstroom uit het noorden, wanneer het woud alle heerlijkheid, waarin het kan optreden, zal openbaren, en op een zijner hartaders, op een zijner stroomen moet men dat woud binnendringen, wanneer men het volle, rijke leven, dat daar heerscht, wil leeren kennen.De „blauwe Nijl”, de Asrakh, wiens bronnen in Habesch liggen, zal onze heerbaan zijn; want aan dezen stroom hechten zich de schoonste beelden, die op mijn vele en lange reizen mijn eigendom werden, en op deze rivier ben ik wellicht beter gids dan op elke andere. Of ik daarbij tevens een goede tolk van het woud zal kunnen wezen, ziet, zulks betwijfel ik zeer. Want het oerwoud is een wereld vol glans en licht, vol tooverachtige schoonheid, een rijk vol wonderen, welks tresoren geen sterfelijk oog nog alle heeft aanschouwd, die veel minder reeds alle werden ontgraven; een schatkamer, oneindig meer opleverende dan men in staat is te verzamelen; een paradijs, alwaar de schepping elken dag zich verjongt; een toovercirkel, die voor een ieder, die er binnendringt, grootsche en liefelijke, ernstige en vroolijke, schitterend heldere en nachtelijk donkere beelden ontrolt; een geheel, dat uit[152]duizend gelijksoortige deelen bestaat, daarbij oneindig veel vormen vertoont, en toch een ondeelbaar geheel, dat den spot drijft met elke poging om het te ontleden en naar waarde te schetsen.Een klein, licht, opzettelijk tot reisboot ingericht vaartuig, zooals men dit in Kartoem, de hoofdstad van Oost-Soedan, aan de samenvloeiing der beide Nijlarmen gelegen, kan vinden, draagt ons naar den hooggezwollen Asrakh. Wij hebben de tuinen van de laatste huizen der hoofdstad achter den rug; de steppe nadert de rivieroevers. Hier en daar ziet men nog een dorp, of enkele, allerliefst onder mimosa’s wegschuilende, somtijds onder het groen der klimplanten, die van genoemde boomen afdalen, begraven hutten; overigens echter overal in ’t rond ziet men niets dan het golvende graswoud en de weinig talrijke, daaruit te voorschijn stekende boomen en struiken der steppe. Reeds na eene korte vaart maakt het woud zich van den oever meester en breidt hier en daar zijn doornige of met stekels bezette takken over den waterspiegel uit. Van nu aan vorderen wij langzaam. De tegenwind belet het zeilen, het woud het trekken. Met de bootshaken trekt de bemanning het vaartuig, voet voor voet, meter voor meter, stroomopwaarts. Echter, wanneer een hunner in den dichten doornenmuur van den oever eene opening ontwaart, waar men te voet verder kan gaan, stort hij zich in den stroom, het trektouw met de tanden vasthoudende, zijn sterfelijk ik onder bescherming stellende van Moehsa, den patroon der schippers, die de krokodillen van hem moge weren, zwemt tegen den stroom in naar de zooeven geziene plaats, werpt het touw om een boomstam en nu trekken zijn makkers het vaartuig naar bedoeld punt. Zoo arbeiden deze lieden van den vroegen morgen tot den laten avond, en wanneer de dag eindelijk voorbij is, hebben zij den reiziger dikwijls niet meer dan een of twee geographische mijlen verder gebracht. En toch, de dagen vliegen om zonder dat althans hij, die geleerd heeft te zien en te hooren, door verveling gekweld wordt. Den natuurkundige, ja eigenlijk iederen weetgierigen waarnemer, biedt elke dag iets anders, den verzamelaar rijk en veelsoortig materiaal.Nog een enkelen keer ontmoet men sporen van den mensch. Wie deze van den oever af vervolgt, komt langs smalle, door dicht geboomte weêrszijds nauw begrensde paden, bij de woningen van een zeer merkwaardig volkje. Het zijn de Hassanie, die hier huizen. Daar, waar de boomen des wouds minder dicht opeen staan, en geen drie- en viervoudig kroondak boven de hoofden opbouwen, maar slechts de hooggetopte,[153]schaduwrijke mimosa’s, tamarinden en baobabs groeien, daar sloegen onze luidjes hunne bevallige, tent- of kraamvormige hutten op, die in niets gelijken op de woningen der overige Soedaneezen.„Hassanie” beduidt zooveel als: nakomelingen van Hassan; „Hassan” wil zeggen: „de schoone,” en inderdaad, deze stam voert dien naam niet ten onrechte. Want de Hassanie zijn ontegenzeggelijk de schoonste menschen, die in het beneden- en middelgedeelte van dit stroomgebied wonen, terwijl inzonderheid de vrouwen alle overige Soedaneezen in welgemaaktheid van lichaam, in regelmaat van aangezicht en mindere donkerheid van huidkleur overtreffen; mannen en vrouwen beiden houden tevens streng vast aan zekere, zeer vreemde oudvaderlijke zeden—die men misschien evengoed wanzeden zou kunnen noemen. De Hassanie zijn daarom dan ook evenzeer beroemd als berucht, worden even sterk vermeden als gezocht, zoowel geprezen als bespot, verheerlijkt als gelaakt. Voor den onbevooroordeelden vreemdeling, die er prijs op stelt de zeden en gebruiken van andere volken te leeren kennen, zijn zij in elk geval een voorwerp van de grootste belangstelling, zoo niet om de schoonheid, dan toch om de behaagzucht, die de vrouwen aan den dag leggen. Die behaagzucht is van dien aard, dat men er onwillekeurig door in eene vroolijke luim wordt gebracht. Die vrouwen willen en moeten behagen. Het behoud harer schoonheid is het eenigste en hoogste doelwit, dat zij nastreven; zij stellen dit boven elk ander, zelfs geldelijk voordeel. Ten einde den invloed der brandende zonnestralen te ontgaan, die hare lichtbruine huidkleur in eene donkere zou kunnen veranderen, houden zij verblijf in de schaduw der boomen en stellen zich tevreden met een klein getal geiten, die behalve den hond haar eenige huisdieren zijn; in dat schemerlicht zouden zij er trouwens ook geen andere kunnen houden. Gaarne geven zij daarvoor den rijkdom in ruil, dien hare stamgenooten, de trekkende herders der steppe, vinden in talrijke kudden runderen en kameelen. In ’t belang harer schoonheid zijn zij er steeds op bedacht in ’t bezit te komen van een groot aantal slavinnen, die den zwaren arbeid voor haar kunnen verrichten; ter versiering van aangezicht en wangen verduren zij reeds als meisjes heldhaftig de pijn, die hare moeder haar aandoet, door met een mes drie diepe, parallelle, loodrechte kerven in de wangen aan te brengen, ten gevolge waarvan op die plaatsen even zooveel gezwollen litteekens te voorschijn komen, of ook wel door met eene naald de huid der slapen, van voorhoofd en kin te doorboren, om in[154]de wonden indigopoeder te strooien, waardoor er blauwe, spiraalvormige versiersels ontstaan; ten einde hare schitterend witte tandjes te conserveeren, gebruiken zij alle spijzen en dranken lauw; om lang verzekerd te blijven van den haartooi, die uit honderden fijne, zeer kunstig ineengedraaide bundeltjes bestaat, die zij insmeeren met arabische gom en vet, begeeren zij des nachts geen ander hoofdsteunsel dan een smal, halvemaanvormig houten kussen; om haar aesthetisch gevoel te bevredigen, misschien ook om door elken bewoner of bezoeker der kolonie opgemerkt en bewonderd te worden, verzonnen zij den eigenaardigen bouwtrant harer woningen. Men kan deze misschien het best vergelijken met de kramen op onze markten. De vloer, die uit dichtaaneengesloten, met elkaar verbonden, een duim dikke staven bestaat, ligt op een paalwerk, dat zich ongeveer een meter boven den beganen grond verheft en het binnendringen van alle kruipend ongedierte zeer bemoeilijkt, alsmede de vochtigheid afweert; de muren bestaan uit matten, het dak, dat aan de opengelaten noordzij overhangt, uit eene waterdichte, van geitenwol geweven stof. Sierlijke, uit palmbladen gevlochten matten bekleeden den vloer; kunstig bewerkte, gevlochten voorwerpen, guirlandes van schelpen, waterdichte mandjes, aardewerk en drinkschalen, die uit de helft eener pompoen bestaan, bonte, eveneens gevlochten eetnappen met deksels, en dergelijke meer versieren de wanden. Elk afzonderlijk voorwerp ziet er niet minder fijn bewerkt dan zindelijk uit; orde en reinheid in de geheele hut bekoren ons hier te meer, omdat beide in dit land zoo zeldzaam zijn.In zulk eene hut brengt de Hassanie den dag droomend door. In het beste gewaad gestoken, haar en huid met welriekende zalf ingewreven, het bovenlijf in een lang, dun, doorschijnend weefsel gehuld, terwijl om het benedenlijf een soort van rok is geslingerd, de voeten bekleed met net bewerkte sandalen, hals en borst versierd met kettingen en amuletten, de armen met snoeren, samengesteld uit stukjes barnsteen, den eenen neusvleugel zoo mogelijk met een zilveren, soms wel met een gouden ring getooid, zoo zit zij in de schaduw neder en verkreukelt zich in haar schoonheid. De kleine hand houdt zich onledig met eenig vlechtwerk, het vervaardigen van eenig kleedingstuk of het een of ander huisraad, hanteert wellicht op dit oogenblik den tandenschuier, een aan beide einden uitgerafelde, voor het doel uitnemend geschikte plantenwortel. Het werk, dat de huishouding vereischt, neemt eene slavin op zich; met de oppassing en verzorging der kleine[155]kudde, voor zooverre die arbeid eenige moeite vergt, is de dienstvaardige, meer dan gewoon vriendelijke echtgenoot belast. Weldoordachte, zeer ongewone huwelijkskontrakten, zooals deze onder haar stam gebruikelijk zijn en trots alle voorschriften en bevelen van de beheerschers des lands steeds in stand blijven, waarborgen der vrouw ongehoorde rechten. Zij is meesteres in de onbeperkste beteekenis des woords, meesteres zelfs over haar echtgenoot, althans tot zoolang haar schoonheid bloeit; maar is eenmaal de ouderdom gekomen en met dezen de schoonheid verwelkt, dan ook leert zij de vergankelijkheid van alle aardsche heerlijkheid kennen. Tot zoolang doet zij, enkel beperkt door de grenzen van vrijheid, die zij zich zelve stelt, alles wat haar goeddunkt. Zoolang de kronen der boomen om hare hut geen schaduw genoeg werpen, verlaat zij hare woning niet, maar heet daarentegen iedereen, vooral den vreemdeling, die bij haar binnentreedt, hartelijk welkom, om alleen, of met behulp van haar echtgenoot de eer van den stam op te houden, die in eene bijna grenzenlooze gastvrijheid bestaat. Maar wanneer de avond is gedaald, begint eerst haar eigenlijk leven. Nog voor de zon is ondergegaan, komt er beweging in de kolonie. De eene vriendin bezoekt de andere; andere vrouwen voegen er zich bij; trommel en cither lokken nog meerderen; slanke, bewegelijke, buigzame gedaanten reien zich ten vroolijken dans. Poezele handjes dompelen de drinkschalen in buikige, met merisa of doerrabier gevulde urnen, om ook de harten van mannen gelukkig te maken. Oud en jong stroomt samen en viert met te meer vreugde het avondfeest, wanneer de tegenwoordigheid van vreemde bezoekers dit opluistert. Ongewoon groot is de gastvrijheid van alle Soedaneezen, maar zoo groot als de gastvrijheid der Hassanie is die van geen enkelen stam.Bij de voortzetting onzer reis stooten wij nog een enkele maal op de nederzettingen dezer boschherders, ook soms op de dorpen van andere Soedaneezen; eindelijk, na eene maandenlange vaart bereiken wij het gebied, waarheen het doel was gericht. Aan beide oevers der rivier belet een onafgebroken woud het uitzicht naar binnen.In deze streken vindt men geen nederzettingen van menschen meer, geen dorpen, geen akkers, geen tijdelijke legerplaatsen; in deze wouden weêrklonk nog nimmer de bijlslag, daar de mensch er zich nog niet meester van maakte; hier huizen enkel, door niets en niemand gestoord, de dieren der wildernis. Ondoordringbare heggen sluiten den toegang van de rivierzijde af en weerstreven elke poging om tot bet binnenste[156]dezer bosschen door te dringen. Uit alle schakeeringen van groen is het betooverend beeld dezer wouden gemaald; een beeld, dat ons nu eens bekend, dan weder geheel vreemd voorkomt. Lichtgroene mimosa’s vormen den achtergrond, als zilver, glinsterende palmbladeren, de donkergroene kronen der tamarinden, heldergroene struiken van Christusdoorns steken tegen dien achtergrond af; veelsoortig gevormde bladeren sidderen en wiegelen, door den wind bewogen, glinsteren en schitteren, nu de eene, dan de andere zijde ons toekeerende, voor het oververzadigde en verblinde oog, dat zich vergeefs vermoeit om dat gewarrel der bladeren te ontsluiten en de afzonderlijke deelen vaneen te scheiden. Mijlen ver dragen de beide oevers ditzelfde karakter, zijn zij even dicht begroeid, even grootsch omzoomd, even ondoordringbaar.Daar vertoont zich eindelijk een pad, wellicht zelfs een breede weg, die naar het binnenste van het woud schijnt te leiden. Tevergeefs echter speurt het oog naar de indrukselen van menschelijke voeten. Door menschen werd dit pad niet gebaand, de dieren des wouds hebben het aangelegd. Eene kudde olifanten trok door het dicht ineengeweven woud om van de waterlooze hoogten, die den oever begrenzen, naar den stroom af te dalen. In eene lange rij achter elkaar marcheerende, braken de zware dieren ongehinderd door het duizendvoudig ineengevlochten onderhout en lieten zich slechts door de zwaarste, hooggestamde boomen van den rechten weg afleiden. Hinderlijke takken, alsmede stammen ter dikte van een mansbeen werden afgebroken, onttwijgd, ontbladerd, tot op de onbruikbare deelen verteerd en dan op zij geworpen; de struiken, die den grond bedekken, werden met de wortels uitgetrokken en op dezelfde wijze gebruikt en weggeworpen, gras en kruiden vertrapt en vertreden. Wat de voorsten lieten staan, viel den achtersten ten offer, en zoo ontstond er een betreden, meestal diep tot in het binnenste van het woud voerend pad. Andere dieren droegen er zorg voor dien weg nog meer te effenen en het weder dichtgroeien te verhinderen. Op zulk een weg waagt zich het nijlpaard, dat in het nachtelijk uur uit de wateren van den stroom opstijgt, om in het bosch te grazen; op zulk een pad wandelt het neushoorndier om van uit het bosch naar den stroom te gaan drinken; op dit pad trekt de onbesuisde wilde buffel naar beneden en stijgt hij wederom naar de hoogte terug; hierop wandelt de leeuw door zijn gebied; en op ditzelfde pad kan men hem of den panther, de hyena en andere roofdieren des wouds ontmoeten.[157]Op dit pad dringen ook wij voorwaarts.Wij hebben nog maar weinige schreden gedaan en reeds omgeeft ons het majestueuse woud aan allen kant. Maar tevergeefs blijkt het ook hier de stammen-, takken-, twijgen-, ranken- en bladerenmassa’s te willen ontwarren. Als een muur sluit het woud zich aan beide zijden van den weg af. Onafgebroken staren ons dicht in elkaar gegroeide, ineengewevene, zelfs voor het oog ontoegankelijke, den grond overal woekerend bedekkende bosschen en struiken aan; alleen door deze op zij gedrongen, ontspruiten daartusschen allerlei grassen, die een nieuw onderhout in het bestaande onderhout vormen; onmiddellijk daarboven strekken hoogere struiken en lage boomen de twijgen hunner kronen naar alle zijden uit; en boven deze laatsten eindelijk verheffen zich de reuzen des wouds.Verreweg de meeste struiken van het onderhout zijn dicht met doornen, de daarboven uitstekende mimosa’s met lange, harde en puntige stekels gewapend, en zelfs de grassen dragen klisachtige, overal met fijne stekeltjes bezette zaaddoozen, of met haken gewapende aren, zoodat elke poging om van den weg uit naar binnen te dringen, op duizend hindernissen stuit.De gedoode vogel, die bij het neêrvallen op een der naaste struiken is blijven hangen, is voor den schutter verloren; zonder bijna bovenmenschelijke inspanning zou men niet in staat zijn dat boschje te bereiken; het wild, dat zich voor het oog des jagers in zulk een struikgewas verbergt, heeft zich gered, want het is onzichtbaar geworden; een krokodil, meer dan 3 meter lang, dien wij in het bosch deden opschrikken, ontging ons, daar het dier zich wist te verschuilen in het struikgewas, dat hem zoo geheel aan onze oogen onttrok, dat wij ook zelfs geen schub meer konden ontwaren, dus ook geen schot behoefden te doen.Nog altijd doet men vergeefsche pogingen om meester te worden van de veelheid der indrukken, om het eene beeld van het andere te scheiden, om zelfs maar éénen boom van den grond af tot aan zijn top afzonderlijk te beschouwen, de bladeren van den een af te zonderen van die des anderen. Van uit de rivier was het nog mogelijk enkele frischgroene tamarinden te scheiden van de hun omgevende veelsoortige mimosa’s, de prachtige, aan onzen olm herinnerende Kigelia’s in ’t oog te vatten, zich te vermeien in den bladerenkroon eens palmbooms, die hoog boven de andere woudboomen uitstak; hier, in het binnenste[158]van het woud versmelten alle afzonderlijke deelen tot een enkel, ondeelbaar geheel. Alle zinnen worden te gelijk in beslag genomen. Uit hetzelfde loofdak, dat het oog tracht te openen, stroomen de zoete geuren ons tegen van enkele, nu bloeiende mimosa’s, klinkt een mengelmoes der vreemdsoortigste geluiden en tonen, het gegorgel der meerkatten, het gekrijsch der papegaaien, het gearticuleerde geluid der zangers, het gegons der de bloeiende boomen omzwermende insekten, ons in de ooren; het lichamelijk gevoel wordt niet minder, alhoewel op weinig aangename wijze, aangedaan door de ontelbare doorns, terwijl zelfs de smaak voldoening kan vinden in enkele bereikbare, ofschoon niet erg smakelijke vruchten.Eindelijk evenwel, als men verder doordringt, treedt een zelfstandig en bepaald beeld voor ons op. Gigantisch in zijn geheelen bouw, reusachtig zelfs nog in zijn takken, verheft zich een boom boven de ontelbare planten, die zijn voet met groen omlijsten; als een titan stijgt hij omhoog, baant hij zich ruimte voor stam en kruin. Het is de olifant onder de boomen, de Adansonia of Tabaldie der inboorlingen, de baobab of apenbroodboom. Versteld blijft men staan; het oog moet zich eerst gewennen aan dit gezicht, alvorens de afzonderlijke deelen in ’t oog te kunnen vatten.Men denke zich een boom, welks stam, ter hoogte eener manslengte boven den grond, een omvang heeft van twintig vademen, welks onderste takken de zwaarste stammen onzer boomen nog in dikte overtreffen, welks twijgen zelfs dikke takken zijn en welks jongste spruiten vele centimeters doorsnede hebben; men denke zich daarbij eene hoogte van veertig meter, terwijl de onderste takken zich tot op de helft dezer hoogte uitbreiden, en men zal zich eene flauwe voorstelling kunnen vormen van den indruk, dien deze boom op den beschouwer maakt. Van alle boomen in dit oerwoud verliest de baobab het eerst zijn bladeren, en volhardt tevens het langst in zijn winterrust; al dien tijd teekenen zich niets dan dorre takken en twijgen tegen de lucht af, beladen met aan lange, buigzame stelen hangende vruchten, die in grootte op suikermeloenen gelijken en tusschen de zaden een meelachtig, zuur smakend merg bevatten; het is een gezicht, dat men niet gemakkelijk vergeet. Wanneer evenwel na den eersten voorjaarsregen de groote, vijfspletige bladeren te voorschijn komen en zich ontwikkelen, om dan eerst de eigenlijke wonderpracht dezer boomen tot aanschouwing te brengen; wanneer zich de langgesteelde[159]knoppen der witte bloemen, die de grootte eener roos bereiken, tusschen de bladeren laten zien, dan verkeert de onvergelijkelijke reuzenboom als door tooverij in een gigantischen rozenstruik van ongemeene pracht, en zelfs de ziel der meest prozaïsche menschen wordt tot in het binnenste van haar binnenste ontroerd.Geen enkele boom van het oerwoud kan zich meten met de Adansonia; zelfs de Delebpalm, die gewoonlijk zijn kruin boven alle omgevende toppen verheft, verliest tegenover den eerste iets van zijn bekoorlijkheid en aantrekkelijkheid, en toch is deze palmboom een der heerlijkste boomen van Afrika’s binnenlanden, ja een der schoonste palmen der geheele aarde. Zijn stam is een zuil, zooals geen kunstenaar haar schooner zich kan denken, zijn kroon een kapiteel, gelijk bij zulk een zuil past. De loodrecht opstijgende, boven den grond verdikte stam verjongt zich op eene in ’t oog vallende wijze tot op ’t midden der lengte, om van dit punt af dikker, dan nogmaals dunner te worden en onmiddellijk onder de kroon nogmaals op te zwellen; de kruin zelf bestaat uit breede, bijna een vierkanten meter groote, waaiervormige bladeren, wier stelen naar alle kanten in rechte lijnen van het middelpunt afstaan, wat aan de kroon een indrukwekkend voorkomen geeft. Tusschen deze bladeren prijken de trosvormige vruchten, die de grootte van een kinderhoofd bereiken en niet weinig bijdragen om de schoonheid te verhoogen, welke deze heerlijke kroon niet enkel aan den stam, maar ook aan het geheele woud verleent.Aan het reusachtige hecht zich steeds het sprookje, dat daardoor leven, vorm en beteekenis erlangt. Deze gedachte dringt zich onwillekeurig bij ons op, wanneer wij, zooals dikwijls het geval is, eene Adansonia omslingerd en omsponnen zien door een dier klimplanten, welke in rijken overvloed ook deze oerwouden sieren en tooien. Mij doen zij steeds denken aan de Arabische tooververtellingen. Want even als de klimplant geen voedenden grondslag schijnt noodig te hebben, ofschoon zij werkelijk daaruit ontkiemde, maar haar voornaamste voedsel put uit den aether; evenals zij haar ranken van boom tot boom slingert om ze telkens vast te hechten en toch steeds hooger te klimmen, totdat zij zich eindelijk over den eenen of anderen kruin uitbreidt en er de schitterendste en geurigste bloemen over uitstrooit—eveneens schijnt ook het sprookje, hoe vast het inderdaad in het feitelijke moge wortelen, niet aan de werkelijkheid ontleend te zijn, en klimt het, om meerdere sterkte te ontvangen, tot de hemelen omhoog en zendt het[160]zijn verdichtselen door de wereld, tot het een hart vindt, vatbaar om geroerd en verwarmd te worden. Wanneer ik van de klimplant spreek, bedoel ik niet eene bepaalde soort, maar begrijp onder dit woord alle gewassen, die hier in saamgedrongen schroeflijnen een stam omgeven, ginds zich slingeren om een kale kruin, elders vele boomen aaneensnoeren, wederom op eene andere plaats een enkelen boom met groen bedekken, in dit gedeelte des wouds als naakte ranken een brug slaan van tak tot tak, in een ander gedeelte den weg versperren, en nog op velerlei andere wijzen, maar altijd klimmende, altijd rankende, zich voordoen.Hare schoonheid en de betooverende indruk, dien zij op den bewoner der noordelijke landen uitoefenen, laat zich gevoelen, maar niet in woorden teruggeven; want evenals men aan eene klimplant dikwijls begin nog einde kan aanwijzen, evenmin is er een uitdrukking te vinden, die als begin of slot eener juiste beschrijving zou kunnen dienen.De slingerplant is tastbaar aanwezig en toch voor de waarneming niet toegankelijk; men vervolge vol bewondering het pad, dat haar ranken hebben ingeslagen, maar het blijft onmogelijk uit te vorschen, waar deze vandaan zijn gekomen en werwaarts zij zich begeven; men geniet van de aanschouwing harer bloemen, zonder te vermogen deze machtig te worden; dikwijls kan men slechts vermoeden, dat die bloemen door haar werden voortgebracht. De klimplant eerst drukt een stempel op het oerwoud.En niet alleen ontplooit zij haar eigen bloemen, zij tooit zich nog daarenboven met vreemde. Op hare ranken rusten bij voorkeur zekere prachtvogels des wouds, die tot levende bloemen worden, en de natuurlijke in pracht en schoonheid zelfs overtreffen. Nu en dan wordt het oog getroffen door een flikkerend licht, evenals dat, hetwelk een door de zonnestralen getroffen spiegelvlak uitzendt. Dit licht is inderdaad niets anders dan teruggekaatst zonnelicht, opgevangen door het atlasgroene gevederte eener glansspreeuw, en dat bij elke beweging van dezen vogel eene andere richting inslaat, nu naar boven, dan naar beneden, nu naar rechts, dan naar links. Betooverd door de ongemeene schoonheid van dezen enkelen vogel, zou men hem nauwlettend willen gadeslaan, zou men elke zijner levensuitingen willen bespieden, maar men wordt voortdurend door nieuwe indrukken afgeleid.Want ook hier verdringt het eene beeld onophoudelijk het andere.[161]Ter plaatse, waar zooeven de glansspreeuw zich liet zien, verschijnt in het naast volgende oogenblik een niet minder schitterende en glinsterende goudkoekoek, een honigzuiger, die inveêrenprachtmet de kolibri’s kan wedijveren, een paar aanvallige bijeneters, een met levendige kleuren prijkende scharrelaar, een niet minder schoone liestvogel, een paradijsvliegenvanger, wiens lange, hangende middelste stuurpennen den kleinen vogel tot geen gering tooisel verstrekken; een helmvogel, die bij elken vleugelslag de donker purperroode slagpennen ontplooit, een klauwier, wiens helderroode borst genoemde slagpennen nog in de schaduw stelt, een zeer vreemd gevormde neushoornvogel, een goudwevervogel, een whidah, een boomhop met metaalglans, een sierlijke specht, een bladgroene duif, eene vlucht eveneens gekleurde papegaaien en vele andere gevederde boschbewoners meer. Het oerwoud is de meest geschikte verblijfplaats voor vogels; het biedt honderden en duizenden soorten herberg en voedsel, en daarom ziet de waarnemer ze spoediger en meer dan alle overige daarin schuilende dieren. De vogels bewonen en verlevendigen alle deelen des wouds, elke boomkruin, den grond, de hoogste toppen, de ondoordringbaarste struiken en zelfs de bladerlooze takken der Adansonia’s. Tusschen de grassen en andere planten, die den grond woekerend bedekken, banen frankolijnen en misschien ook parelhoenders dooreengeslingerde, allengs plat getreden paden. In het loof, boven de wortels van het kreupelhout hebben zich kleine duiven, in de uiteengespreide kruinen verschillende prachtvogels, vooral honigzuigers en prachtvinken genesteld; naar de dicht als vilt ineengeweven en schier ondoordringbare toppen der heesters snorren geheele familiën muisvogels als afgeschoten pijlen los, om al kruipende en schuivende, elk gaatje benuttende, door elke opening zich wringende, zich tot het inwendige een weg te banen; boomhoppen, meezen en spechten hangen en klauteren op en tegen de stammen, die boven genoemde struiken en heesters uitsteken, om elke spleet in schors en bast te onderzoeken; op de onderste twijgen der tweede kroonlaag zitten, loerende op gevleugelde insecten, de aanvallige bijenvreters of scharrelaars, de paradijsvliegenvangers en drongo’s; op de sterkere takken der derde laag huppelen de helmvogels, stappen deftig kleine reigers heen en weêr, slapen, tegen den stam gedrukt, oehoe’s en andere uilen; in het dichte loof der hoogste boomen spelen papegaaien en baardvogels; terwijl eindelijk, op de allerhoogste takken, arenden, valken en gieren zich hebben neêrgelaten. Werwaarts het oog schouwt rust het op een vogel.[162]Met deze algemeene verbreiding en alomtegenwoordigheid in overeenstemming, treffen dan ook onafgebroken de meest verschillende vogelstemmen het oor. Het is een lokken en roepen, piepen en fluiten, kweelen, trillen en snateren, kirren, kwaken, schreeuwen, kraaien, krijten, gillen, zingen en slaan, links en rechts, vóór ons en achter ons, omhoog en omlaag, en zulks zoowel te noen als in den morgen of op den laten avond.Honderdvoud verschillende stemmen weêrklinken gelijktijdig en door elkander, vereenigen zich soms tot een op zich zelf staand groot concert, dan weder tot een betooverend mengelmoes van tonen, dat men tevergeefs poogt te ontwarren en eerst na langen tijd in zijn enkele bestanddeelen vermag te ontleden. Met uitzondering van de lijsters, bulbuls en boschzangers, basterdnachtegalen en drongo’s bevinden zich hier geen echte zangers, wel bekoorlijke praters en gemoedelijke babbelaars, maar inzonderheid oneindig veel schreeuwers, krassers, schetteraars en andere meer of minder luid gillende vogels.Het oerwoud kan zich dus, wat liefelijkheid en welluidendheid van gezang aangaat, in de verste verte niet meten met onze bosschen op een lentemorgen, maar wint het aan den anderen kant door de vreemdsoortigheid en het karakteristieke der afzonderlijke stemmen.Wilde duiven koeren, kirren, huilen, lachen, en roepen uit de toppen der boomen en de dichte struiken; frankolijnen en parelhoenders schetteren luid daartusschen; papegaaien mengen er zich schreeuwend, raven krassend in; alarmvogels trachten het vreemde keelgeluid eener meerkattenfamilie na te bootsen, terwijl de helmvogels tonen voortbrengen, die aan een buikspreker doen denken; baardvogels fluiten luid op slependen toon, of dragen gemeenschappelijk een schel verward, maar toch gevoelvol lied voor, dat men kan kenmerken als een der eigenaardigste natuurgeluiden des wouds; de schitterende glansspreeuwen rijgen, verbinden en versmelten de weinige, ruwe, nu eens krassende, dan weder gillende, ratelende, of krijschende geluiden, over welke zij beschikken kunnen, in eindelooze herhaling aan en met elkander tot een zeker geheel; de prachtige schreeuwzeearend, die zijn woonplaats opslaat aan alle waterbekkens en waterstroomen des lands, doet zijn naam geen oneer aan.Hoog op den top eens booms zit de „Aboe Tok” (voortbrenger van het geluid „tok”) der inboorlingen, een kleine neushoornvogel, die luid zijn „tok” door de wildernis laatweêrklinkenen elken roep doet vergezeld[163]gaan van eene diepe buiging met zijn door een bovenmatig grooten snavel bezwaarden kop.Enkel dit ééne geluid heeft hij in zijn plompen keel en hiermede moet hij evengoed aan het wijfje zijn liefde verklaren als de nachtegaal zulks doet met zijn betooverend gezang. Het verheven gevoel, dat zijn borst doet zwellen zoekt uiting; steeds sneller volgen de tonen elkander op, steeds sneller ook de buigingen, die daarmede vergezeld gaan. Eindelijk raakt de logge kop vermoeid. Het minnelied is tevens uit, maar spoedig daarna vangt het opnieuw en op gelijke wijze aan. Uit het ongenaakbaar dikke struikgewas, klinkt de stem van den hagedasch of bosch-ibis; huivering bevangt den waarnemer als hij dit hoort. Het is een jammerend klaaglied, wat deze vogel ons aanbiedt; het klinkt alsof er een kind pijnlijk gemarteld wordt, b.v. langzaam over een zwak vuur zal geroosterd worden, terwijl het onder deze marteling luide kreten slaakt; langgerekte, klagende tonen wisselen af met een gillend geschreeuw, snelle kreten met een wegstervend gejammer. Uit de hooger gelegen deelen van het woud, van af daar, waar zich kleine open plekjes bevinden, schetteren de ver hoorbare, metaalachtige trompetgeluiden van den kroon-kraanvogel, die daarmede zijn sierlijke, vlugge, ter eere van het wijfje uitgevoerde dansen schijnt te willen aanvuren, en zoowel in het bosch als in de kelen van andere eveneens gillende vogels echo’s opwekt; een groot aantal krijschende stemmen mengen zich tot een veelvoudig koor. Dit concert is weer aanleiding, dat elke geluidgevende vogel zijn keel begint te roeren, en in een stroom van de meest verschillende geluiden gaan alle afzonderlijke stemmen nu verloren.Het zijn echter niet enkel de verschillende soorten van gewiekte bewoners des wouds, die deel nemen aan zulk een algemeen concert, maar zelfs de diverse geslachten eener soort vereenigen zich om de een of andere partij in het lied op zich te nemen. Evenals de vermelde baardvogels vangen ook de basterd-lijsters, de alarmvogels, de frankolijnen en parelhoenders steeds op hetzelfde oogenblik hun geschreeuw aan, en zoo hoort men te midden van het algemeene mengelmoes van geluiden tevens nog afzonderlijke, duidelijk waarneembare strophen. Sommige vogelsoorten, vooral de struikklauwieren, gaan op andere wijze te werk, daar mannetje en wijfje elk eene bijzondere strophe zingen. Het mannetje der eene soort, die ik leerde kennen, nl. van den scharlaken-klauwier, zingt eene korte strophe, die doet denken[164]aan het ingewikkeld gefluit van den wielewaal; het gezang van den fluitklauwier bestaat uit drie zeer zuivere fluitgeluiden, die samen terts, grondtoon en octaaf vormen. Onmiddellijk daarna volgt het antwoord van het wijfje, in beide gevallen een onaangenaam, moeilijk te beschrijven gekras, maar zoo maatrijk en zeker, als waren de vogels bij een toonkunstenaar in de leer geweest. Somtijds begint het wijfje het eerst; het laat vier of vijf malen een geschreeuw hooren alvorens antwoord te bekomen; dan valt echter het mannetje weêr in en van nu af wisselt beider gezang of gesprek met de gewone regelmatigheid af. Ik heb mij door proefneming van dit samenwerken der beide geslachten overtuigd, door nu eens een mannetje, dan weder een wijfje te schieten, en altijd bevonden, dat alsdan nog slechts het overblijvende geslacht zich hooren liet.Jammer genoeg mist men ook in deze aanvankelijk boeiende tonen dien rijkdom en die afwisseling, die harmonie en zoetheid, eigen aan het gezang der vogels in onze vaderlandsche bosschen. Toch is het eene grootsche en kernachtige melodie, welke het oerwoud te hooren geeft, wanneer in het vroege voorjaar al die honderden en duizenden veelsoortige stemmen door elkander klinken, als millioenen van insecten de bloeiende boomen omzwermen en ook haar luid gegons daarin mengen, wanneer tallooze hagedissen en slangen het dorre loof doen ratelen en het gillende, maar van uit de hoogte toch nog welluidend geroep van den adelaar, of het trompetgeschetter van den kroonkraanvogel en de parelhoenders bij tusschenpoozen alle andere geluiden overstemmen, terwijl een oogenblik later in de onmiddellijke nabijheid van het luisterend oor een boschzanger zijn bekoorlijk lied voordraagt, en daarna weder een der toongevende schreeuwers zich opnieuw laat hooren om in duizend kelen echo’s op te roepen.Wordt men meer vertrouwd met het woud, meer zelfs dan men aanvankelijk dorst hopen, dan schenkt het ons steeds ruimer gelegenheid om kennis te maken met het huishoudelijk leven der dieren, en waarlijk aantrekkelijke beelden ontvouwen zich voor ons oog. De vogels treden hierbij al weêr op den voorgrond. Nog voert de lente haar heerschappij en met haar heerscht ook nog de liefde in elke vogelborst. Men zingt en koost, bouwt en broedt. Reeds van uit de boot ontwaart men de nestkolonies van sommige soorten.Op voegzame hoogte boven het hoogste waterpeil der rivier, aan eenen steil afvallenden oeverkant, groeven de bijenvreters hunne nauwe, maar diepe, aan ’t eind bakovenvormig uitgeholde broedplaatsen.[165]Op eene oppervlakte van weinige vierkante meters is de geheele kolonie opeengehoopt, ofschoon gewoonlijk tachtig tot honderd paren zich vereenigen; de cirkelvormige, drie, vier tot vijf centimeters breede ingangen der nestholten zijn ten hoogste vijftien centimeter van elkander verwijderd. Het schijnt onbegrijpelijk hoe elke vogel zijn eigen nest weet te onderscheiden van dat der anderen, en toch vliegen deze lichtgewiekte, schrandere vogels, zelfs wanneer zij van verre komen aanijlen, zonder dralen, zonder zich te bedenken elk in zijn eigen hol; hun uitnemend gezicht, dat reeds op een afstand van honderd schreden een voorbijsnorrende vlieg ontwaart, bedriegt hen nimmer. Het is een bekoorlijk schouwspel het levendig bedrijf dezer vogels gade te slaan. Alle boomen en struikjes der omgeving zijn ten minste met een enkel paar dezer gezellige, fraaie vogels getooid; op iederen tak, waar het uitzicht eenigszins vrij is zit een paartje, en elk der echtgenooten neemt vol belangstelling deel in alles wat den ander wedervaart of wat deze doet. Voor den ingang der nestholten gaat het even levendig toe als voor een bijenkorf; hier kruipen de vogels naar binnen, daar kruipen andere naar buiten; deze komen, gene gaan; een aantal zweeft weder voor de ingangen of vliegt naar de broedruimten. Eerst met het aanbreken van den nacht, dien allen in het nest doorbrengen, wordt het rustig en stil.Op andere plaatsen van den oever, waar hooge boomen hunne takken over het water uitbreiden, of die bij hoogen rivierstand geheel in het water komen te staan, hebben de goudwevervogels zich verzameld. Ook deze broeden gezellig, bouwen echter vrij hangende, aan de uiterste twijgeinden bevestigde, zeer kunstig uit grashalmen en vezels samengestelde nesten. Geen gulzige meerkat, geen ander eierroovende vijand, zelfs geen slang, kan zonder gevaar te loopen van naar beneden te tuimelen en in het water te vallen, deze nesten nabij komen. Minstens drie, in den regel echter veertig tot zestig wevertjes broeden op een en denzelfden boom, en hunne nesten verleenen aan dezen een zeer eigenaardig voorkomen, ja zelfs het geheele landschap verkrijgt er een bijzonder uitzicht door.In tegenstelling met andere vogels zijn het niet de wijfjes, maar de mannetjes, die de nesten bouwen, en deze gaan daarbij met zulk een ijver te werk, dat zij nog nesten maken ook dan, wanneer er geen behoefte meer aan bestaat. Met een zooeven afgebeten halm of uitgerafelden vezel in den bek komen zij aanvliegen, hangen zich met de pooten aan[166]een tak of aan het nest zelf vast, houden zich door snelle vleugelslagen in evenwicht, om onder aanhoudend gezang het meêgebrachte materiaal te verbouwen. Is het nest op het inwendige na gereed, dan beginnen zij terstond met een tweede en derde; ook worden reeds gereed zijnde nesten wel eens weer vernietigd en zoo gaat het voort, totdat het inmiddels broedende wijfje de hulp van haar echtgenoot bij het opvoeden der jongen inroept. Deze bedrijvigheid zet aan de geheele kolonie eene ongewone levendigheid bij; terwijl de goudgele, bewegelijke, in de meest verschillende houdingen hangende of zittende vogels nog bovendien een ongemeenen luister verleenen aan de reeds door de nesten zoo bevallig versierde boomen.Ossenpikkers bouwen op de nu bladerlooze mimosa’s hunne nesten, die, de grootte dezer vogels in aanmerking genomen—de ossenpikkers zijn nauwelijks zoo groot als een spreeuw—waarlijk reusachtig mogen genoemd worden. In het dichtste vlechtwerk van takken der vermelde doornige boomen worden zij opgesteld; uitwendig bestaande uit doorns, die er het uiterlijk aan geven van een grooten roskam, zijn zij dikwijls meer dan een meter lang, half zoo hoog en breed, terwijl met de grootte onzer vogels overeenkomende, dikwijls gedraaide, voor alle andere dieren ontoegankelijke buizen tot in de inwendige, vrij ruime nestholte geleiden. Ook op deze boomen heerscht drukte en levendig vertier.In het binnenste des wouds stoot men, bij aandachtig toekijken overal op nesten, hoe moeilijk het ook dikwijls moge vallen deze in ’t oog te krijgen. Kleine vinken b.v. bouwen er van een vorm, die gelijkt op een door den wind bijeengewaaid hoopje dor gras; inwendig zijn deze nesten evenwel zacht en warm, gevoerd met dons; andere vogels bezigen materialen, die in kleur de omgeving nabootsen; nog anderen bouwen in ’t geheel geen nesten, maar leggen eenvoudig de evenals de grond gekleurde eieren op den bodem neêr. Alle holten in de boomen zijn thans bezet, terwijl spechten, baardvogels en papegaaien ijverig in de weer zijn om voortdurend nieuwe uit te hameren of dieper te maken en in broedplaatsen te veranderen; de neushoornvogels daarentegen metselen ze, op eene wijde spleet na, geheel dicht. Vooral de laatstgenoemde vogels trekken door hun broedwijze bijzonder de aandacht en verdienen daarom het eerst vermeld.Nadat de neushoornvogel zich met veel moeite van ’t bezit van een wijfje verzekerd heeft, spoort hij in vereeniging met zijne soortgenooten een geschikte broedholte op. Is er een gevonden, dan verwijdt het mannetje[167]die niet zijn plompen snavel,—een zeer lastig werk—zooveel zulks noodig is. Daarna kruipt het wijfje er in, en terwijl nu de eieren gelegd worden, arbeiden de beide echtgenooten samen, de een van binnen, de ander van buiten, om den ingang op eene spleet na dicht te metselen, welke opening juist wijd genoeg is om er de punt van den snavel nog doorheen te kunnen wringen. Afgesloten van de buitenwereld, brengt nu het wijfje den geheelen broedtijd in deze kraamkamer door en het mannetje is verplicht, niet alleen de ingemetselde gade, maar daarenboven ook nog later de uit het ei gekomen jongen van voedsel te voorzien; daar deze zeer snel groeien en alzoo veel voedsel behoeven, heeft hij druk werk. Zijn de jongen zoo ver gevorderd, dat zij vliegvaardig zijn geworden, dan opent de moeder den ingang van binnen en de geheele familie fladdert, vet, en goed bevederd, de wijde wereld in, om van stonden aan den echtgenoot en vader, die intusschen door het harde werken zoo mager als een geraamte is geworden, van alle verdere zorg en moeite te ontslaan.Gelijke mannen- en vaderliefde legt ook de ombervogel aan den dag; dit is een ooievaarachtige, stil levende nachtvogel des wouds, ter grootte van een raaf, wiens reusachtige nesten zeer de opmerkzaamheid trekken. Deze nesten staan gewoonlijk op geringe hoogte boven den grond in de gaffelvormige verdeeling van twee stammen, of op een der dikste takken van de onderste kroon, wanneer deze althans sterk genoeg zijn om een nest te dragen, dat in omvang en gewicht de grootste roofvogelnesten verre overtreft; de doorsnede bedraagt soms van anderhalve tot twee meter, terwijl de hoogte niet veel minder is; het bouwmateriaal bestaat uit dikke takken en twijgen, die met leem tot een stevig metselwerk verbonden zijn. Wanneer men niet toevallig heeft gezien, dat de ombervogel deze nesten in- en uitkruipt, zal men niet licht op het denkbeeld komen, dat die gevaarten hol zijn: veeleer zou men meenen dat het de nesten zijn van groote roofvogels, vooral doordien niet zelden arenden en oehoe’s er boven op gaan bouwen. Helpt evenwel de werkelijke bouwmeester ons uit deze dwaling, en onderzoekt men die nesten wat nauwkeuriger, dan bevindt men, dat zij inwendig drie volkomen van elkaar gescheiden, slechts door gaanderijen of poorten verbonden ruimten bevatten, die bij scherper toezien zich doen kennen als voorkamer, gezelschapszaal of eetzaal en kraamkamer. De laatste of achterste ruimte ligt iets hooger dan de beide andere afdeelingen, zoodat toevallig binnengedrongen water steeds hierdoor weg[168]kan vloeien; het geheele gebouw is zoo voortreffelijk samengesteld, dat zelfs de hoogste en langdurigste regens er weinig of geen schade aan kunnen toebrengen. De drie, vier of vijf witte eieren liggen in de broedruimte op een zacht bed van biezen en andere plantenstoffen; zij worden door het wijfje bebroed. Het mannetje verzamelt in de middelste ruimte allerlei voedsel, zooals: visschen, kikkers, hagedissen en dergelijke lekkerbeetjes, en zulks in zulk een overvloed, dat het wijfje te kust en te keur kan gaan in hoeveelheid en soort van spijs; in de voorste kamer zit of staat het mannetje, wanneer hij althans niet op voedsel uit is, om het wijfje gezelschap te houden en middelerwijl over haar en de later uitgekomen jongen te waken. Zijn deze iets opgegroeid, dan voorzien de beide echtgenooten samen in de behoeften des gezins.De ombervogel en arend of oehoe leveren niet het eenige voorbeeld op van vriendschappelijk samenwonen van in zeden en gewoonten overigens ongelijke vogels. Op de breede, van den stam zich horizontaal uitbreidende waaiervormige bladen van den Delebpalm staan de nesten van den vluggen en roofgierigen dwerg-slechtvalk en van de Guineaduif, dikwijls zoo dicht bij elkaar, dat de valk slechts den poot heeft uit te strekken om een buurkindje te pakken. Zulks gebeurt evenwel niet, omdat de valk niet anders dan op vliegende vogels stoot, en zoo groeien de jongen der duif ongestoord op in de buurschap van de telgen van den valk, en beide geburen zitten vredig en rustig naast elkander, ieder paar bij zijn eigen nest.Nog eene andere palmboom bood mij eene goede gelegenheid aan om vogels waar te nemen, die bij het broeden eigenaardigheden vertoonden, welke mij ten hoogste verrasten en boeiden. Onder levendig geschreeuw vloog een troep dwergachtige gierzwaluwen, verwant aan onze gierzwaluwen, om eenen Tompalm, waardoor mijne opmerkzaamheid op dien boom werd gevestigd. Nader onderzoek leerde mij, dat de vogels zich dikwijls tusschen de bladen van den palmboombegavenen ik ontdekte nu in de gleuven der bladstelen witte stippen, die ik herkende als zwaluwnesten. Ik beklom den boom, boog een der bladen naar mij toe en bevond, dat elk nest, dat hoofdzakelijk uit boomwol bestond, in den hoek tusschen den steel en de bladhelft op de bij gierzwaluwen gebruikelijke wijze met behulp van speeksel was vastgelijmd. Maar de nestkom kwam mij zoo vlak voor, dat ik het onmogelijk oordeelde, dat de beide eieren daarin konden blijven liggen,[169]wanneer de bladeren door den wind heen en weer bewogen werden. En de minste ademtocht brengt zulke bladeren in beweging; hoe moesten ze niet geslingerd worden bij stormweder! Behoedzaam naderde ik met de eene hand de eieren, om ze uit het nest te nemen; daar ontdekte ik tot mijne verbazing, dat zij door de moeder warenvastgelijmd! En toen ik de pas uitgekomen, nog gansch en al onbeholpen jongen nader onderzocht, ontdekte ik, dat ook deze op gelijke wijze waren vastgekleefd, om ook hen voor uitvallen te vrijwaren.Daar de vogels door hunne alomtegenwoordigheid, schoonheid, levendigheid en bewegelijkheid, alsmede door hun gezang—of geschreeuw—voortdurend de opmerkzaamheid van den aandachtigen waarnemer trekken, bemerkt men, de ook hier zeer talrijke hagedissen en slangen en insecten niet medegerekend, weinig van de overige bewoners van het oerwoud, althans niet van de daarin verblijfhoudende zoogdieren. Wat ons evenwel niet ontgaan is, is eene troep meerkatten; de levendigheid en ongedurigheid toch, die deze soorten even gelijk alle Afrikaansche apen eigen is, doet ze zelfs in ’t oog vallen van iemand, die niet aan zien gewend is. En schouwt het oog deze dieren niet, dan[170]hoort men ze in elk geval; het geluid, dat zij uiten, is een voortdurend gegorgel. Meest alle andere zoogdieren evenwel kan men tot op weinig meters afstand voorbijgaan zonder ze gewaar te worden. Verreweg het meerendeel wordt eerst bedrijvig na den ondergang der zon en zoekt voor het aanbreken van den dag zijn legerplaats weder op, maar ook die, welke in de morgen- en avonduren, als de zon schijnt, in de weer zijn, laten zich niet zoo gemakkelijk waarnemen als men wel zou denken; het dichte woud onttrekt hen te veel aan het oog. „Hebt gij,” zoo luidde de vraag van een Europeaan, met wien ik eens in het oerwoud was gaan jagen, „hebt gij dien panter niet gezien, die voor een paar minuten mij voorbij vloog en naar u toeliep? Ik kon niet schieten, omdat ik mijn geweer niet gereed had; gij moet hem toch gezien hebben.” Het was zoo niet; ik had wegens de dichtheid van het struikgewas het groote dier zelfs niet eens bemerkt. Waar het dichte geboomte zulks niet doet onttrekt de gelijkheid van kleur met de omgeving de dieren aan het gezicht. De grijsachtige halfaap, die op een met korstmossen bedekten hoogen boomtak ineengehurkt zit te slapen, gelijkt zoo sprekend op een uitwas des booms, dat eerst dan de dierlijke gedaante duidelijk wordt, wanneer de jager zijn kijker uit den zak haalt en dien uitwas nauwkeuriger in ’t oog vat. Devleêrmuis, die daar boven aan een kruintak hangt, gelijkt sprekend op een verdord blad en zelfs het bonte vel van den panter kan in het bosch door dorre bladeren en bloeiende Euphorbia’s zoo getrouw worden weêrgegeven, dat het mij persoonlijk eens is gebeurd, dat ik met aangelegd geweer tot vijftien schreden afstands een boschje moest naderen, waarin zich een panter had verscholen, alvorens ik dier en omgeving van elkander vermocht te onderscheiden. Geheel hetzelfde geldt voor de in het woud levende antilopen en verder voor alle zoogdieren in ’t algemeen—en zij zelf zijn zich des bewust. Niet overal in het oerwoud huizen de antilopen; slechts hier en daar en dan steeds talrijk leeft b.v. een kleine soort, nl. het struikbokje of de windhond-antilope. Dit is een der bevalligste herkauwende dieren, sierlijk gebouwd, niet grooter dan een reekalf van weinige dagen, vosachtig grijsblauw van kleur; het bewoont paarsgewijs het dichtste kreupelhout, kiest voor leger of verblijfplaats een goed bebladerden tot op den grond vertakten struik en trapt van hier uit smalle paden plat, die in de meest verschillende richtingen het dichte gewas doorkruisen. Ik heb vele dezer dieren gedood; aanvankelijk ging het mij echter evenals alle andere[171]reizigers en jagers, die dit dier leerden kennen; ik kon het maar niet in ’t gezicht krijgen, al was het ook opgejaagd en als een pijl uit den boog mij voorbijgesneld. „Zie Heer! daar in het naaste boschje staat een bokje; ginds in de opening tusschen de beide dik bebladerde takken staat het; ziet gij het niet?” zoo fluisterden mijn inlandsche gidsen mij in ’t oor. Ik deed mijn uiterste best, boorde mijn oogen in het aangeduide boschje,—ik zag niets anders dan takken en bladeren; want tot takken werden de sierlijke pooten, tot een dik bebladerden tak kop en lijf. Maar het oog eens jagers vindt ook eindelijk in het oerwoud den weg. Wanneer men eenigermate met de zeden en gebruiken der lieve antilopen vertrouwd is geworden, leert men deze dieren even zeker opsporen als de scherpst ziende inlander. Door haar fijn gehoor wordt de antilope den naderenden mensch veel vroeger gewaar dan deze haar spoor ontdekt. Door het geruisch der zware voetstappen opgeschrikt, is zij van haar leger opgesprongen, en doet eenige schreden vooruit om eene opening te bereiken, van waar zij een vrijer uitzicht heeft. Als een gegoten metalen beeld, stijf en roerloos, zonder zelfs de lang van te voren reeds opgerichte ooren te bewegen, zonder een harer loopers te draaien, staat zij daar, en luistert en kijkt; de poot, die tot vooruitgaan opgeheven werd, volhardt in de aangenomen houding, geen leven verraadt zij. Thans is het des jagers tijd; fluks heft hij de buks omhoog, trekt en schiet: een oogenblik later en het sluwe wild is met een enkelen grooten sprong in het naburig kreupelhout gesprongen en hierdoor gedekt geworden, of het dook langzaam naar beneden en kroop in deze houding weg, en zulks zoo onmerkbaar, dat geen blad zich bewoog, geen halm zich verroerde.Op deze wijze voert het oerwoud de meest afwisselende beelden voor het oog des waarnemers. Wie zien kan en weet te zoeken, ziet en vindt overal in het bosch meer dan hij kan verwerken. Maar elke plaats en elk tijdstip van den dag of van het jaar geeft wat anders. Hier, waar de lente tot weken, de zomer of de herfst tot dagen inkrimpt en de winter, evenals in de steppe, bijna onmiddellijk na het ophouden van den regen zijn heerschappij aanvaardt, is ook het volle, rijke, alzijdig overvloeiende planten- en dierenleven binnen een kort tijdsbestek bepaald. Zoodra de vogels met broeden hebben opgehouden, beginnen zij te trekken en te strijken; zoodra de zoogdieren denken een gedeelte van het woud afgeweid te hebben, zoeken zij een ander gedeelte op. En[172]daarom kan men dan ook op dezelfde plaats op verschillende tijden ook verschillende dieren ontmoeten, althans wezenlijk verschillende beelden van het dierlijk leven opvangen. Zoo neemt, om een voorbeeld te noemen, het leven in de rivieren toe, naarmate het bosch ontvolkt wordt.Bij hoogen rivierstand bespeurt men weinig van de dieren, welke in en bij het water leven. Alle eilanden liggen dan diep onder het water bedolven, de oevers zijn eveneens overstroomd en de vogels, die hier gewoonlijk huizen, zijn verdwenen. En als werkelijk eens een krokodil zijn kop en een paar rugschilden boven de oppervlakte verheft, wordt men zulks dan eerst gewaar, wanneer men met de boot tot op korten afstand genaderd is. Er blijven dus eigenlijk alleen nijlpaarden, die op sommige plaatsen zeer talrijk zijn, eenige boven het water vliegende vogels en misschien enkele duikers over om het zichtbare bewijs te leven, dat er in en bij de rivier ook hoogere gewervelde dieren leven. Wanneer nochtans na het eindigen van den regentijd de waterspiegel daalt en alle eilanden, zandplaten en oevers droog zijn geloopen, dan verandert het stroombeeld eveneens ten opzichte van de dierenwereld. De nijlpaarden trekken zich naar de diepste plaatsen van het water terug, om hier gezellig bijeen te leven en troepen te vormen van soms aanzienlijke sterkte; daar zij voor iedere ademhaling boven het water moeten komen en dan telkens met veel geraas de ingeademde lucht uitblazen, ziet en hoort men deze dieren zeer gemakkelijk. Ook komen zij ’s daags wel eens buiten het water om zich op de eilanden of zandbanken te legeren en van de warmte der zonnestralen te genieten; op een afstand van een kilometer en nog meer vallen zij daar den reiziger reeds in het oog; nu halen ook de krokodillen de schade in, die zij tijdens den hoogen waterstand hebben geleden, en koesteren zich op ’t heetste van den dag in de zon. Daartoe kruipen zij reeds in de voormiddaguren op de vlakke, zandige eilanden, vallen onder luid geplof op den grond neer, sperren den met vreeselijke tanden gewapenden muil wijd open en slapen, ten getale van tien, twintig en dertig bijeen, in de meest verschillende houdingen, naast en zelfs boven op elkander liggende, tot aan den avond door; groote zwermen vogels bedekken thans de eilanden, zandbanken en beide stroomoevers, en brengen door hun aantal een machtigen indruk te weeg. Tegen dezen tijd toch hebben de meeste inheemsche strand- en zwemvogels het broeden geëindigd en zijn zij met hun jongen het water gaan opzoeken, om hier, onder ’t genot van rijkelijk en gemakkelijk te verwerven voedsel, te ruien;[173]tezelfder tijd hebben de trekvogels uit het noorden, die hier overwinteren, zich bij hen gevoegd. Laatstgenoemde vogels bevolken nu ook alle deelen van het oerwoud, doch vallen hier niet zoo sterk in ’t oog als aan het water, waar de geheele oever en alle eilanden met groote en dus duidelijk zichtbare trekvogels bedekt zijn. Soms is hier zelfs geen plaats genoeg en het voedsel, hoe overvloedig overigens ook voorhanden, wordt dan voor de menigte schaarsch. Een gevolg hiervan is, dat elke plaats bezet wordt, ja overladen; dat ieder voedselbeloovend plekje door duizend mededingers bezocht, ja om elke eetplaats gevochten wordt.Drie achtereenvolgende dagen zeilde ik bij goeden wind en in eene voortreffelijke boot op den Witten Nijl, en gedurende deze lange en verre vaart waren beide oevers van den stroom onafgebroken met een bonte en levendige, uit de meest verschillende strand- en zwemvogels samengestelde schare getooid. In de oerwouden van den Blauwen Nijl kan men een dergelijk schouwspel genieten. De uitgestrekte zandbanken worden door gewone en jufferkraanvogels volledig in bezit genomen; zij dienen echter den hier in winterkwartier verblijvende vreemdelingen slechts tot rust-, rui- en slaapplaatsen, van waaruit zij elken morgen naar de steppe vliegen om voedsel te halen, en werwaarts zij reeds vóór het middaguur teruggekeerd zijn om er te drinken en te baden, hun gevederte te poetsen, en eindelijk, bestendig door de krokodillen bedreigd, te slapen. ’s Middags mengen zich geregeld eenige gekuifde kranen in dat gezelschap, hetgeen eene groote opschudding te weeg brengt; de gekuifde zijn n.l. zoo niet beter dan toch ijveriger dansers en beginnen dadelijk na hunne aankomst hunne kunst uit te oefenen, waardoor de gewone kraanvogels insgelijks tot dansen worden aangezet.Op dezelfde banken verschijnt ook de nimmerzat of tantalus, eene ooievaarachtige, in een wit, met rozengloed overgoten, op de vleugels helder rozerood gekleurd vederkleed prijkende vogel, die de buitenste zoomen van het eiland of de aanliggende ondiepe plaatsen in beslag neemt; valt het licht voordeelig op deze vogels, dan prijken zij met een gloeiend rood, zoodat zij heerlijk afsteken bij de grijze kraanvogels en aan het landschap een ongemeenen tooi verleenen. Op den oever stappen prachtige reuzen-ooievaars of jabiroe’s rond, wandelen de leelijke, wonderlijk gevormde maraboe’s vol statie op en neêr, staan schitterende lepelaars, waden reuzen- en zilverreigers in het water om visschen te vangen, staan en zitten, zwemmen en duiken, weiden en snateren en kweelen duizenden[174]spoor-, nijl- en lapganzen, nonnetjes, pijlstaarten, slangenhalsvogels, ibissen, wulpen, oever-, strand- en waterloopers en andere meer, die te zamen een bonten zoom van vogels vormen, wellicht nog sierlijker dan de tantalussen. Boven den waterspiegel echter zweven, behalve de opgenoemde vogels, die afwisselend aan- en afvliegen, ook nog zeezwaluwen en meeuwen, oeverzwaluwen en bijenvreters, terwijl hoog in de lucht een prachtige zeeadelaar zijn kringen beschrijft.Enkele soorten dezer in alle opzichten zoo belangrijke, gevederde rivierbevolking moeten den laagsten waterstand afwachten om te kunnen broeden, omdat het haar tijdens den hoogen waterstand aan goede nestplaatsen ontbreekt. Tot dezen behoort een even bevallige als fraai geteekende, een even verstandige als wakkere moerasvogel, nl. de reeds bij de ouden bekende krokodillenwachter, de trochilus van Herodotus, van welken vogel deze schrijver en na hem ook Plinius ons verhaalt, dat hij in vriendschap met den krokodil leeft. Deze vertelling der ouden is geen fabel, zooals men geneigd zou zijn te denken, en ik kan persoonlijk voor de waarheid er van instaan. De krokodillenwachter, wiens afbeelding men zoo dikwijls op de Egyptische gedenkteekenen terugvindt, en die in hiëroglyphenschrift deoevoorstelt, leeft ook in Egypte en Nubië, oefent echter heden ten dage eerst in Soedan zijn ambt uit als wachter en beschermer van den krokodil; aan dat ambt was hij bij de volken der oudheid zijn roem verschuldigd. Hij bewijst evenwel niet alleen diensten aan genoemd gedrocht, maar in ’t algemeen aan alle dieren, die van de waakzaamheid van dezen vogel partij weten te trekken. Opmerkzaam en nieuwsgierig, prikkelbaar en schreeuwlustig, daarbij met een opvallend geluid begaafd, is hij een voortreffelijk waarschuwer voor andere, minder voorzichtige schepselen. Evenmin het naderende roofdier als een menschelijk wezen van verdacht voorkomen ontgaat zijn opmerkzaamheid; reeds elke zeil- of roeiboot trekt zijn aandacht en nooit laat hij na door een luid geschreeuw zijn waarneming aan anderen bekend te maken. Zoo worden alle met hem tezelfder plaatse toevende dieren aangespoord om een nader onderzoek in ’t werk te stellen en zich te overtuigen of er werkelijk gevaar aanwezig is of niet. In ’t eerste geval hebben zij tijd en gelegenheid om te vluchten. Daarin bestaat zijn ambt als wachter. Zijn vriendschappelijke verhouding tot den krokodil kan men moeilijk wederkeerig noemen; want van een krokodil vriendschap te eischen is wel wat veel van zulk een dier gevergd. Niet omdat het reptiel eenig welwillend gevoel jegens[175]den vogel koestert, maar omdat hij hem nauwkeurig kent en volkomen juist beoordeelt, behandelt hij hem als een lief, onschuldig schepsel. De vogel van zijn kant, van zijn jeugd af met het monster vertrouwd, een bewoner der zandbanken, waarop het eerste zich te slapen legt, altijd in deszelfs nabijheid, gaat met het dier om, alsof hij zelf de heer en meester, het andere de knecht ware. Onbevreesd klimt hij op den rug van het slapend ondier, onbezorgd nadert hij den opengesperden muil om te onderzoeken of misschien ook een bloedzuiger zich daar vasthechtte, of tusschen de tanden een brok bleef hangen, om het een zoowel als het ander weg te nemen. De krokodil laat zich dit alles welgevallen, zeker omdat hij bij ondervinding weet, dat hij den altijd opmerkzamen, behendigen, slimmen, kleinen schelm toch niet snappen kan. Ik zag eens een krokodillenwachter gelijktijdig met een schreeuw-zeearend van denzelfden visch eten, dien de arend gevangen en naar een zandbank gebracht had. Terwijl de laatste, die met beide pooten den buit vasthield of er op stond, een en andermaal naar den schuimlooper hapte, hield deze zich op eerbiedigen afstand van de tafel des grooten heers; telkens echter als deze den kop oplichtte om de spijs door te slikken, liep de ander snel toe, kaapte schielijk een door den arend reeds losgemaakt stuk visch en ijlde zoo snel mogelijk naar de eerste plaats terug, om daar het geroofde te verteren. Even bewonderenswaardig als dit driest bestaan is ook de slimme wijze, waarop de krokodillenwachter zijn eieren voor onbescheiden oogen verbergt. Ik had reeds langen tijd tevergeefs naar het nest van dezen vogel gezocht. De ontleding van een geschoten vogel had mij den legtijd van den krokodillenwachter leeren kennen. Dat hij slechts op zandbanken kan broeden volgt onvermijdelijk uit de levenswijs. Tevergeefs echter onderzocht ik op het zorgvuldigste al zijn lievelingsplekjes—ik kon geen nest uitvindig maken. Eindelijk zag ik een paartje, van hetwelk een der echtgenooten op den grond zat, terwijl de andere om de eerste heen scharrelde. Ik nam mijn kijker en liep, den vogel steeds in het oog houdende, recht op hem af. Toen ik in zijn nabijheid was gekomen, richtte hij zich op, schraapte ijlings wat zand op een bepaalde plaats bijeen en liep nu, wel is waar onder het gewone geschreeuw, maar toch zonder eenig ander bewijs van onrust met den ander weg. Ik liet mij niet foppen, hield de plek goed in het oog en kwam er bij. Maar ook nu kon ik nog geen spoor van het nest ontdekken, en eerst, toen ik eene weinig in ’t oog vallende oneffenheid in het zand waarnam[176]en hier aan ’t graven ging, vielen mij twee, als zand gekleurde eieren in de hand. Had de moeder meer tijd gehad, dan ik haar gunde, zeker had zij deze kleine oneffenheid ook nog glad gemaakt, zoodat zij in ’t geheel niet meer in ’t oog kon vallen.VERHUIZENDE AMERIKAANSCHE BISONS.VERHUIZENDE AMERIKAANSCHE BISONS.Een zoo mogelijk nog rijker, in elk geval veelsoortiger dierlijk leven als te dezer tijd aan den stroom heerscht, kan men gadeslaan aan de oevers en op het watervlak der meren en groote plassen in ’t midden des wouds, welke bekkens gevoed worden deels door het bijeenstroomende water der voorjaarsregens, deels door den buiten zijn oevers getreden stroom. Overal door het bosch ingesloten, dikwijls zoo dicht, dat men in ’t geheel niet of althans niet dan onder veel bezwaren deze meren kan nabijkomen, binnen de oevers bijna even sterk begroeid als daar buiten, uitgestrekte riet- en biesbosschen insluitende, terwijl ook thans nog papyrus en lotus daarin groeien, vormen deze regen-meren of „foelat”, gelijk de inboorlingen ze noemen, even zooveel goede verblijfplaatsen als broedplaatsen voor de meest verschillende vogels, en zelfs ook voor andere dieren. De veiligheid, die deze afgelegen oorden aanbieden, schijnt zelfs het nijlpaard aan te trekken, dat ze tegen den tijd, dat het jongen zal werpen, opzoekt; hier dreigt geen schaarschte van voedsel, hier houden zich geen gevaarlijke vijanden op, en zoo kan het in deze oorden ongehinderd zijn kroost zoogen, verzorgen en de eerste opvoeding geven. De dicht begroeide oevers, de moerassige inhammen lokken zwijnen en buffels aan; het stille water wordt met voorliefde opgezocht door de dorstige antilopen. Op den spiegel zelf verzamelen zich duizenden pelikanen, om, alvorens op de naburige boomen hunne legersteden op te zoeken, nog eens duchtig ter vischvangst te gaan; ook de slangenhalsvogel brengt hier een goed deel van den dag duikende door; tevens zwemmen er alle mogelijke ganzen- en eendensoorten en strijken er de uit het noorden gekomen trekvogels neêr, om hier een gastvrije winterherberg te vinden; in de bochten en op de ondiepe oevers vinden de reuzenreigers en sierlijke woudaapjes zonder veel moeite het rijkelijkste voedsel; de welige, groene oevers herbergen tallooze kleinere vogels, de boomen van ’t omgevende woud verschillende, op boomen rustende en nestelende strand- en watervogels. Geen wonder, dat het bij tijden in en om deze meren wemelt van vogels, maar even verklaarbaar is het tevens, dat zulk een rijkdom ook allerlei vijanden lokt. Valken en uilen vervolgen de kleinere vogels, de adelaar en de oehoe maken[177]jacht op meer groote, de vos en jakhals, leeuw en panter vervolgen de zoogdieren. Somtijds valt een uit de steppe getogen heirleger van vraatzuchtige treksprinkhanen in den frisschen woudzoom dezer streken, om in een oogwenk alles kaal te vreten en ’t geboomte geheel te ontbladeren. Maar nu ook vermenigvuldigt zich het vogelenheir tot in het oneindige. Van verre en van nabij verschijnen valken en uilen, raven en Duitschepapegaaien, frankolijnen en parelhoenders, ooievaars en ibissen, waterhennetjes en eenden, om zich aan de sprinkhanen te goed te doen. Iedere vogel, die bij tijd en wijle insecten nuttigt, voedt zich thans uitsluitend met deze reizigers. Honderden gewone en kleine torenvalken, die zich op dit tijdstip toevallig in hun winterkwartier bevinden, verzamelen zich bij scharen boven het bezochte bosch, stooten op elken opvliegenden zwerm sprinkhanen, grijpen ze en verslinden ze al vliegende; raven, Duitsche papegaaien, neushoornvogels, ibissen en ooievaars nemen ze van de takken weg en schudden ze er bij honderden af; deze vallen de onder de boomen loerende makkers, parelhoenders en eenden als buit ten deel; wouwen en zingsperwers vliegen in vele wendingen om de boomen, op welke de ontbladerende insecten alras de plaats der bladeren zelf innemen; zelfs de deftige maraboe’s en jabiroe’s versmaden het wel is waar kleine, maar daarentegen zoo rijkelijk voorhanden voedsel niet. Een en ander schenkt nog meerder leven aan het reeds zoo drukke water, dat op zulke tijden nog meer dan gewoonlijk de verzamelplaats wordt van de meest verschillende dieren.Aan zulk een meer, een ware schatkamer voor den verzamelaar, hadden wij een aantal dagen gejaagd, waargenomen, verzameld, genoten van de weelderige planten- en dierenwereld, gevochten met nijlpaarden, onzen haat gekoeld aan de krokodillen, in één woord, wij hadden in volle mate de genoegens gesmaakt, aan ’t leven van den jager en natuuronderzoeker verbonden, en daarbij al het overige, zelfs den tijd des jaars, vergeten. Maar toen op zekeren dag de zon lager daalde en gouden draden vlocht tusschen het groen des wouds; toen het geschreeuw der papegaaien was uitgestorven en alleen het droomend gezang van een lijster nog tot onze ooren doordrong; toen de zeearend aan gindschen oever, nog vóór weinige oogenblikken bloeiende te midden van het omringende groen, slaapdronken zijn witten kop tusschen de schouderveêren verborg; toen zelfs het gegorgel van een troep meerkatten, die in de hooge kruin van eennabijstaandemimosa haar nachtleger had[178]opgezocht, was verstomd; toen de nacht aanbrak, schemerhelder en vriendelijk, koel en zacht, klankrijk en geurig, gelijk steeds omstreeks dezen tijd des jaars; toen was het alsof alle kleurenpracht, alle glans en heerlijkheid van de heden en gisteren in onze ziel opgenomen beelden eensklaps verbleekten. Onze gedachten vlogen naar het lieve vaderland en door een smartelijk heimwee voelden wij ons aangegrepen—want daar ginds vierde men op dit oogenblik het Kerstfeest. Wij hadden punch gemaakt en onze pijpen gevuld met de heerlijkste tabak der aarde; onze Albanezer reisgenoot zong een roerend lied; de nacht omgaf als met een tooverwaas hart en zinnen; maar de glazen werden niet geledigd, de rookwolken namen de wolken der droefgeestigheid niet weg, het lied vond geen weêrklank in onze ziel en de nacht tooverde tevergeefs. Wij smeekten om een Kerstgeschenk—en wij ontvingen het!De nacht in het oerwoud is altijd majestueus en verheven; dan, wanneer de hemel in vuur wordt gezet door den bliksem, terwijl rollende donderslagen daarbij weêrklinken van het eene einde naar het andere; dan, wanneer de stormwind er giert, en ook dan, wanneer aan het eindeloos gewelf ver verwijderde zonnen stralen en blad noch halm zich beweegt. Weinige minuten reeds na zonsondergang hult de nacht het woud in zijn grijzen mantel. Wat in het daglicht duidelijk zichtbaar was wordt nu omfloersd; wat in het zonnelicht nog te omvatten omtrekken aannam, wordt thans tot een reuzengestalte. Bekende boomen worden tot spookgedaanten; de heggen van struikgewas tot zwarte muren. Het duizendstemmige alarm verstomt, diepe stilte vervangt het geraas. Maar een nieuw leven vangt aan, in het woud en op het water. Honderden cikaden doen een geluid hooren, dat eenigszins te vergelijken is met het verwijderd geklingel van kleine, onzuiver gestemde klokjes; duizenden, thans uit den slaap ontwaakte kevers, waaronder zeer groote soorten, snorren om de bloeiende boomen en laten een luid gegons hooren, dat eigenaardig past bij genoemd klokgelui. Kikvorschen, die slechts een enkelen, maar, de geringe grootte dezer dieren in aanmerking genomen, vrij luiden kreet voortbrengen, mengen zich daarin, en al deze stemmen, die doen denken aan den klank van een langzaam geslagen Chineeschen gong, weêrklinken ver door het woud.Een groote uil begroet den nacht met dof gehuil; een kleinere soort antwoordt met een honend gelach; een geitenmelker herhaalt telkens opnieuw een enkele strophe van zijn snorrend, rochelend gezang. Van[179]de zijde der rivier klinkthetweeklagend geroep van den nachtvogel, van de meeuwenfamilie, of van een schaarbek, die, dicht over de oppervlakte des waters strijkende, de golven half doorploegt; van de zandige eilanden en banken weêrklinkt het luide, ietwat krijschend geschreeuw van den griel, alsmede de toonrijke, klankvolle, gevoelige trillers van een waterlooper of plevier; boven het riet van het nabijgelegen meer krast een nachtreiger. In het dichte struikgewas of rondom de kruinen der boomen flonkeren duizenden glimwormen; een reusachtige krokodil, die reeds vóór zonsondergang de tegenoverliggende zandbank verlaten en het door de zon gegloeide pantser in de lauwe golven afgekoeld heeft, zwemt, half onder, half boven den waterspiegel drijvend, door den stroom, een spoor nalatende, dat in den maneschijn als zilver, in het sterrelicht als een snoer glimmende paarlen schittert. Boven de hoogste boomkruinen zweven met onhoorbaren vleugelslag oehoe’s en andere uilen; langs den oever vliegen in bevallige kronkellijnen langstaartige geitenmelkers; tusschen de kronen der boomen beschrijven vledermuizen hunne zigzagbanen; van den eenen kant der rivier naar den anderen trekken, soms bij scharen, vliegende honden of kalongs. En nu is ook de tijd gekomen, dat de overige zoogdieren des wouds zich laten zien of hooren. De een of andere jakhals vangt aan, beurtelings, nu eens treurige, dan meer vroolijke melodieën aan te heffen, die met evenveel gevoel als volharding worden voorgedragen; een dozijn soortgenooten valt terstond in en opent een zangwedstrijd, in welken ieder dingt en kampt om den eereprijs; enkele hyena’s schijnen slechts op deze voorzangers gewacht te hebben, om nu een koor aan te heffen van huilende, lachende, klagende en juichende stemmen; de panter bromt; de leeuw brult, en zelfs het nijlpaard, dat nog den stroom niet heeft verlaten, verheft knorrend zijn armzalige stem.Zoo spreekt en openbaart zich de nacht in het oerwoud; zoo boeide hij op dien voor mij onvergetelijken dag mijn oogen en ooren. De kevers, cikaden, uilen en geitenmelkers hadden aangevangen; daar schetterden schrille, krachtige, dreunende tonen door het bosch, als trompetgeluiden uit ongeoefende monden. Oogenblikkelijk verstomden de liederen van onzen Albanees, verstomde het gesprek onzer bedienden en matrozen, en allen luisterden evenals wij. Nogmaals schetterde en dreunde het aan den overkant. „El fioel, el fioel!” riepen de inboorlingen: „olifanten, olifanten!” jubelden ook wij. Het was voor het eerst, dat wij de reusachtige dikhuiders, op wier paden wij tot nog toe[180]bijna altijd hadden gewandeld, wier sporen wij zoo dikwijls hadden achtervolgd, vernamen, beluisterden. Aan den tegenoverliggenden oever daalden op gemakkelijke en zekere wijze, reusachtige, in ’t schemerlicht van den nacht met genoegzame duidelijkheid waarneembare gedaanten naar het water af, om uit de rivier te drinken en zich daarin te baden. De een na den ander stak zijn lenigen tromp in het water, om dien te vullen en daarna den inhoud òf in den wijden bek, òf over hals en schouders en rug uit te storten; de een na den ander daalde in de rivier af om hier een verkoelend bad te nemen. En even alsof het straks gehoorde trompetgeschal een krijgsroep was geweest, zoo rumoerig werd het nu in het woud. Vroeger dan gewoonlijk verhief de koning der wildernis zijn donderende stem; een tweede en derde leeuw beantwoordde dien koninklijken groet. Verschrikt vliegen de van slaap dronken apen op en laten een luid geschreeuw hooren; van angst jammeren de antilopen mede. Daar rekt in de onmiddellijke nabijheid onzer boot een nijlpaard zijn monsterkop boven het water uit en begint te brullen, evenals meende hij een wedstrijd aan te vangen met de donderende stem van den leeuw; ook de panter waagt het zich te doen hooren; jakhalzen vangen het afwisselend lied aan, dat wij reeds kennen, de gestreepte hyena’s huilen, de gevlekte doen hun helsch, merg en been doordringend gelach hooren; alleen de kikvorschen en cikaden, onverschillig omtrent de roepstem van den koning en die van de grootwaardigheidsbekleeders van het woud, gaan voort, de eersten met hun eentonig geschreeuw, de laatsten met hun klokgelui.Dit was het „Eere zij God in den hooge” dat het oerwoud ons toezong.[181]

[Inhoud]VI.HET OERWOUD EN DE DIERENWERELD VAN AFRIKA’S BINNENLAND.Rijk moge Afrika’s steppe zijn, vooral wanneer men haar vergelijkt met de woestijn, de weelderige vegetatie der tropen wordt evenwel niet in haar gevonden. Wel oefent de bezielende kracht des waters er haar gezegenden invloed uit, maar die invloed duurt te kort dan dat hij ongestoord zou kunnen werken. Met het ophouden van den regen sterft ook de groeikracht, terwijl de hitte en droogte weder alles vernielen, wat de regen had voortgebracht.Daarom kunnen in de steppe slechts die planten tot ontwikkeling komen, wier leven binnen weinige weken wordt afgespeeld, niet zulke gewassen, die de eeuwen verduren. Eenig en alleen in de laagten, die rijk zijn aan nooit verdrogende stroomen en die zoowel door deze als door den regen gedrenkt worden, alwaar zonnelicht en water, warmte en vochtigheid gemeenschappelijk werkzaam zijn, ontwikkelt, ontvouwt en bestendigt zich de feeënrijke volheid der keerkringslanden. Hier groeiden bosschen op, die wat pracht, majesteit, schoonheid en rijkdom betreft, in niets onderdoen voor de wouden van de gezegendste landen op lager breedten, oerwouden in den volsten zin des woords, die zonder toedoen van den mensch ontstaan en vergaan, vergrijzen en zich weêr verjongen, op den huidigen dag nog alleen zichzelf toebehooren en in staat zijn eene rijke fauna te onderhouden.Uit het zuiden brengen de voorjaarsstormen de van regen zwangere wolken naar die landen van Afrika, welke ten noorden van den evenaar zijn gelegen; deswege vallen deze wouden niet terstond den uit het noorden komenden reiziger in ’t oog, maar eerst dan, wanneer deze van lieverlede, steeds meer en meer naar het zuiden voorwaarts dringt. Hoe meer men den aequator nadert, hoe scheller het licht wordt van den bliksem, hoe luider en meer afgebroken de donder ratelt, hoe heviger de regen in stroomen naar beneden stort, maar ook, hoe[151]weelderiger alle planten groeien en hoe vormenrijker de dierenwereld wordt; naarmate de regentijd spoediger aanvangt en naarmate deze langer duurt, des te grooter en meer wonderen schept hij. In juiste overeenstemming met de toenemende vochtigheid, verbreedt, verdicht, verhoogt en dijt het woud. Van af den zoom der rivieren tot diep in het binnenland strekt zich de heerschappij der plantenwereld uit; geen plekje is meer ledig, van den dichtbegroeiden grond tot de toppen der hoogste boomen. Boomen, die elders slechts dwergen schenen, groeien hier op tot reuzen; bekende soorten worden tot een voedingsbodem voor nog onbekende woekerplanten; daar tusschen streeft eene nog nooit geziene vegetatie naar omhoog in het licht. Maar ook hier, althans in den noordelijken zoom van dezen gordel, werken de hitte en droogte van den winter nog altijd sterk genoeg om de bladerenpracht der boomen voor een tijd haar glans te doen verliezen en althans de meesten ettelijke weken tot rust te doemen. Te hoorbaarder klinkt dan ook de wekstem der lente door het sluimerend woud, en met te meer kracht ontwaakt na de winterrust het leven, dat de eerste regens van het bevruchtende jaargetijde oproepen.Om de oerwouden dezer landen zoo getrouw mogelijk te malen, neem ik de lente tot uitgangspunt. De heraut en drager der regenwolken, de zuidenwind, moet nog den strijd bestaan met den koelen luchtstroom uit het noorden, wanneer het woud alle heerlijkheid, waarin het kan optreden, zal openbaren, en op een zijner hartaders, op een zijner stroomen moet men dat woud binnendringen, wanneer men het volle, rijke leven, dat daar heerscht, wil leeren kennen.De „blauwe Nijl”, de Asrakh, wiens bronnen in Habesch liggen, zal onze heerbaan zijn; want aan dezen stroom hechten zich de schoonste beelden, die op mijn vele en lange reizen mijn eigendom werden, en op deze rivier ben ik wellicht beter gids dan op elke andere. Of ik daarbij tevens een goede tolk van het woud zal kunnen wezen, ziet, zulks betwijfel ik zeer. Want het oerwoud is een wereld vol glans en licht, vol tooverachtige schoonheid, een rijk vol wonderen, welks tresoren geen sterfelijk oog nog alle heeft aanschouwd, die veel minder reeds alle werden ontgraven; een schatkamer, oneindig meer opleverende dan men in staat is te verzamelen; een paradijs, alwaar de schepping elken dag zich verjongt; een toovercirkel, die voor een ieder, die er binnendringt, grootsche en liefelijke, ernstige en vroolijke, schitterend heldere en nachtelijk donkere beelden ontrolt; een geheel, dat uit[152]duizend gelijksoortige deelen bestaat, daarbij oneindig veel vormen vertoont, en toch een ondeelbaar geheel, dat den spot drijft met elke poging om het te ontleden en naar waarde te schetsen.Een klein, licht, opzettelijk tot reisboot ingericht vaartuig, zooals men dit in Kartoem, de hoofdstad van Oost-Soedan, aan de samenvloeiing der beide Nijlarmen gelegen, kan vinden, draagt ons naar den hooggezwollen Asrakh. Wij hebben de tuinen van de laatste huizen der hoofdstad achter den rug; de steppe nadert de rivieroevers. Hier en daar ziet men nog een dorp, of enkele, allerliefst onder mimosa’s wegschuilende, somtijds onder het groen der klimplanten, die van genoemde boomen afdalen, begraven hutten; overigens echter overal in ’t rond ziet men niets dan het golvende graswoud en de weinig talrijke, daaruit te voorschijn stekende boomen en struiken der steppe. Reeds na eene korte vaart maakt het woud zich van den oever meester en breidt hier en daar zijn doornige of met stekels bezette takken over den waterspiegel uit. Van nu aan vorderen wij langzaam. De tegenwind belet het zeilen, het woud het trekken. Met de bootshaken trekt de bemanning het vaartuig, voet voor voet, meter voor meter, stroomopwaarts. Echter, wanneer een hunner in den dichten doornenmuur van den oever eene opening ontwaart, waar men te voet verder kan gaan, stort hij zich in den stroom, het trektouw met de tanden vasthoudende, zijn sterfelijk ik onder bescherming stellende van Moehsa, den patroon der schippers, die de krokodillen van hem moge weren, zwemt tegen den stroom in naar de zooeven geziene plaats, werpt het touw om een boomstam en nu trekken zijn makkers het vaartuig naar bedoeld punt. Zoo arbeiden deze lieden van den vroegen morgen tot den laten avond, en wanneer de dag eindelijk voorbij is, hebben zij den reiziger dikwijls niet meer dan een of twee geographische mijlen verder gebracht. En toch, de dagen vliegen om zonder dat althans hij, die geleerd heeft te zien en te hooren, door verveling gekweld wordt. Den natuurkundige, ja eigenlijk iederen weetgierigen waarnemer, biedt elke dag iets anders, den verzamelaar rijk en veelsoortig materiaal.Nog een enkelen keer ontmoet men sporen van den mensch. Wie deze van den oever af vervolgt, komt langs smalle, door dicht geboomte weêrszijds nauw begrensde paden, bij de woningen van een zeer merkwaardig volkje. Het zijn de Hassanie, die hier huizen. Daar, waar de boomen des wouds minder dicht opeen staan, en geen drie- en viervoudig kroondak boven de hoofden opbouwen, maar slechts de hooggetopte,[153]schaduwrijke mimosa’s, tamarinden en baobabs groeien, daar sloegen onze luidjes hunne bevallige, tent- of kraamvormige hutten op, die in niets gelijken op de woningen der overige Soedaneezen.„Hassanie” beduidt zooveel als: nakomelingen van Hassan; „Hassan” wil zeggen: „de schoone,” en inderdaad, deze stam voert dien naam niet ten onrechte. Want de Hassanie zijn ontegenzeggelijk de schoonste menschen, die in het beneden- en middelgedeelte van dit stroomgebied wonen, terwijl inzonderheid de vrouwen alle overige Soedaneezen in welgemaaktheid van lichaam, in regelmaat van aangezicht en mindere donkerheid van huidkleur overtreffen; mannen en vrouwen beiden houden tevens streng vast aan zekere, zeer vreemde oudvaderlijke zeden—die men misschien evengoed wanzeden zou kunnen noemen. De Hassanie zijn daarom dan ook evenzeer beroemd als berucht, worden even sterk vermeden als gezocht, zoowel geprezen als bespot, verheerlijkt als gelaakt. Voor den onbevooroordeelden vreemdeling, die er prijs op stelt de zeden en gebruiken van andere volken te leeren kennen, zijn zij in elk geval een voorwerp van de grootste belangstelling, zoo niet om de schoonheid, dan toch om de behaagzucht, die de vrouwen aan den dag leggen. Die behaagzucht is van dien aard, dat men er onwillekeurig door in eene vroolijke luim wordt gebracht. Die vrouwen willen en moeten behagen. Het behoud harer schoonheid is het eenigste en hoogste doelwit, dat zij nastreven; zij stellen dit boven elk ander, zelfs geldelijk voordeel. Ten einde den invloed der brandende zonnestralen te ontgaan, die hare lichtbruine huidkleur in eene donkere zou kunnen veranderen, houden zij verblijf in de schaduw der boomen en stellen zich tevreden met een klein getal geiten, die behalve den hond haar eenige huisdieren zijn; in dat schemerlicht zouden zij er trouwens ook geen andere kunnen houden. Gaarne geven zij daarvoor den rijkdom in ruil, dien hare stamgenooten, de trekkende herders der steppe, vinden in talrijke kudden runderen en kameelen. In ’t belang harer schoonheid zijn zij er steeds op bedacht in ’t bezit te komen van een groot aantal slavinnen, die den zwaren arbeid voor haar kunnen verrichten; ter versiering van aangezicht en wangen verduren zij reeds als meisjes heldhaftig de pijn, die hare moeder haar aandoet, door met een mes drie diepe, parallelle, loodrechte kerven in de wangen aan te brengen, ten gevolge waarvan op die plaatsen even zooveel gezwollen litteekens te voorschijn komen, of ook wel door met eene naald de huid der slapen, van voorhoofd en kin te doorboren, om in[154]de wonden indigopoeder te strooien, waardoor er blauwe, spiraalvormige versiersels ontstaan; ten einde hare schitterend witte tandjes te conserveeren, gebruiken zij alle spijzen en dranken lauw; om lang verzekerd te blijven van den haartooi, die uit honderden fijne, zeer kunstig ineengedraaide bundeltjes bestaat, die zij insmeeren met arabische gom en vet, begeeren zij des nachts geen ander hoofdsteunsel dan een smal, halvemaanvormig houten kussen; om haar aesthetisch gevoel te bevredigen, misschien ook om door elken bewoner of bezoeker der kolonie opgemerkt en bewonderd te worden, verzonnen zij den eigenaardigen bouwtrant harer woningen. Men kan deze misschien het best vergelijken met de kramen op onze markten. De vloer, die uit dichtaaneengesloten, met elkaar verbonden, een duim dikke staven bestaat, ligt op een paalwerk, dat zich ongeveer een meter boven den beganen grond verheft en het binnendringen van alle kruipend ongedierte zeer bemoeilijkt, alsmede de vochtigheid afweert; de muren bestaan uit matten, het dak, dat aan de opengelaten noordzij overhangt, uit eene waterdichte, van geitenwol geweven stof. Sierlijke, uit palmbladen gevlochten matten bekleeden den vloer; kunstig bewerkte, gevlochten voorwerpen, guirlandes van schelpen, waterdichte mandjes, aardewerk en drinkschalen, die uit de helft eener pompoen bestaan, bonte, eveneens gevlochten eetnappen met deksels, en dergelijke meer versieren de wanden. Elk afzonderlijk voorwerp ziet er niet minder fijn bewerkt dan zindelijk uit; orde en reinheid in de geheele hut bekoren ons hier te meer, omdat beide in dit land zoo zeldzaam zijn.In zulk eene hut brengt de Hassanie den dag droomend door. In het beste gewaad gestoken, haar en huid met welriekende zalf ingewreven, het bovenlijf in een lang, dun, doorschijnend weefsel gehuld, terwijl om het benedenlijf een soort van rok is geslingerd, de voeten bekleed met net bewerkte sandalen, hals en borst versierd met kettingen en amuletten, de armen met snoeren, samengesteld uit stukjes barnsteen, den eenen neusvleugel zoo mogelijk met een zilveren, soms wel met een gouden ring getooid, zoo zit zij in de schaduw neder en verkreukelt zich in haar schoonheid. De kleine hand houdt zich onledig met eenig vlechtwerk, het vervaardigen van eenig kleedingstuk of het een of ander huisraad, hanteert wellicht op dit oogenblik den tandenschuier, een aan beide einden uitgerafelde, voor het doel uitnemend geschikte plantenwortel. Het werk, dat de huishouding vereischt, neemt eene slavin op zich; met de oppassing en verzorging der kleine[155]kudde, voor zooverre die arbeid eenige moeite vergt, is de dienstvaardige, meer dan gewoon vriendelijke echtgenoot belast. Weldoordachte, zeer ongewone huwelijkskontrakten, zooals deze onder haar stam gebruikelijk zijn en trots alle voorschriften en bevelen van de beheerschers des lands steeds in stand blijven, waarborgen der vrouw ongehoorde rechten. Zij is meesteres in de onbeperkste beteekenis des woords, meesteres zelfs over haar echtgenoot, althans tot zoolang haar schoonheid bloeit; maar is eenmaal de ouderdom gekomen en met dezen de schoonheid verwelkt, dan ook leert zij de vergankelijkheid van alle aardsche heerlijkheid kennen. Tot zoolang doet zij, enkel beperkt door de grenzen van vrijheid, die zij zich zelve stelt, alles wat haar goeddunkt. Zoolang de kronen der boomen om hare hut geen schaduw genoeg werpen, verlaat zij hare woning niet, maar heet daarentegen iedereen, vooral den vreemdeling, die bij haar binnentreedt, hartelijk welkom, om alleen, of met behulp van haar echtgenoot de eer van den stam op te houden, die in eene bijna grenzenlooze gastvrijheid bestaat. Maar wanneer de avond is gedaald, begint eerst haar eigenlijk leven. Nog voor de zon is ondergegaan, komt er beweging in de kolonie. De eene vriendin bezoekt de andere; andere vrouwen voegen er zich bij; trommel en cither lokken nog meerderen; slanke, bewegelijke, buigzame gedaanten reien zich ten vroolijken dans. Poezele handjes dompelen de drinkschalen in buikige, met merisa of doerrabier gevulde urnen, om ook de harten van mannen gelukkig te maken. Oud en jong stroomt samen en viert met te meer vreugde het avondfeest, wanneer de tegenwoordigheid van vreemde bezoekers dit opluistert. Ongewoon groot is de gastvrijheid van alle Soedaneezen, maar zoo groot als de gastvrijheid der Hassanie is die van geen enkelen stam.Bij de voortzetting onzer reis stooten wij nog een enkele maal op de nederzettingen dezer boschherders, ook soms op de dorpen van andere Soedaneezen; eindelijk, na eene maandenlange vaart bereiken wij het gebied, waarheen het doel was gericht. Aan beide oevers der rivier belet een onafgebroken woud het uitzicht naar binnen.In deze streken vindt men geen nederzettingen van menschen meer, geen dorpen, geen akkers, geen tijdelijke legerplaatsen; in deze wouden weêrklonk nog nimmer de bijlslag, daar de mensch er zich nog niet meester van maakte; hier huizen enkel, door niets en niemand gestoord, de dieren der wildernis. Ondoordringbare heggen sluiten den toegang van de rivierzijde af en weerstreven elke poging om tot bet binnenste[156]dezer bosschen door te dringen. Uit alle schakeeringen van groen is het betooverend beeld dezer wouden gemaald; een beeld, dat ons nu eens bekend, dan weder geheel vreemd voorkomt. Lichtgroene mimosa’s vormen den achtergrond, als zilver, glinsterende palmbladeren, de donkergroene kronen der tamarinden, heldergroene struiken van Christusdoorns steken tegen dien achtergrond af; veelsoortig gevormde bladeren sidderen en wiegelen, door den wind bewogen, glinsteren en schitteren, nu de eene, dan de andere zijde ons toekeerende, voor het oververzadigde en verblinde oog, dat zich vergeefs vermoeit om dat gewarrel der bladeren te ontsluiten en de afzonderlijke deelen vaneen te scheiden. Mijlen ver dragen de beide oevers ditzelfde karakter, zijn zij even dicht begroeid, even grootsch omzoomd, even ondoordringbaar.Daar vertoont zich eindelijk een pad, wellicht zelfs een breede weg, die naar het binnenste van het woud schijnt te leiden. Tevergeefs echter speurt het oog naar de indrukselen van menschelijke voeten. Door menschen werd dit pad niet gebaand, de dieren des wouds hebben het aangelegd. Eene kudde olifanten trok door het dicht ineengeweven woud om van de waterlooze hoogten, die den oever begrenzen, naar den stroom af te dalen. In eene lange rij achter elkaar marcheerende, braken de zware dieren ongehinderd door het duizendvoudig ineengevlochten onderhout en lieten zich slechts door de zwaarste, hooggestamde boomen van den rechten weg afleiden. Hinderlijke takken, alsmede stammen ter dikte van een mansbeen werden afgebroken, onttwijgd, ontbladerd, tot op de onbruikbare deelen verteerd en dan op zij geworpen; de struiken, die den grond bedekken, werden met de wortels uitgetrokken en op dezelfde wijze gebruikt en weggeworpen, gras en kruiden vertrapt en vertreden. Wat de voorsten lieten staan, viel den achtersten ten offer, en zoo ontstond er een betreden, meestal diep tot in het binnenste van het woud voerend pad. Andere dieren droegen er zorg voor dien weg nog meer te effenen en het weder dichtgroeien te verhinderen. Op zulk een weg waagt zich het nijlpaard, dat in het nachtelijk uur uit de wateren van den stroom opstijgt, om in het bosch te grazen; op zulk een pad wandelt het neushoorndier om van uit het bosch naar den stroom te gaan drinken; op dit pad trekt de onbesuisde wilde buffel naar beneden en stijgt hij wederom naar de hoogte terug; hierop wandelt de leeuw door zijn gebied; en op ditzelfde pad kan men hem of den panther, de hyena en andere roofdieren des wouds ontmoeten.[157]Op dit pad dringen ook wij voorwaarts.Wij hebben nog maar weinige schreden gedaan en reeds omgeeft ons het majestueuse woud aan allen kant. Maar tevergeefs blijkt het ook hier de stammen-, takken-, twijgen-, ranken- en bladerenmassa’s te willen ontwarren. Als een muur sluit het woud zich aan beide zijden van den weg af. Onafgebroken staren ons dicht in elkaar gegroeide, ineengewevene, zelfs voor het oog ontoegankelijke, den grond overal woekerend bedekkende bosschen en struiken aan; alleen door deze op zij gedrongen, ontspruiten daartusschen allerlei grassen, die een nieuw onderhout in het bestaande onderhout vormen; onmiddellijk daarboven strekken hoogere struiken en lage boomen de twijgen hunner kronen naar alle zijden uit; en boven deze laatsten eindelijk verheffen zich de reuzen des wouds.Verreweg de meeste struiken van het onderhout zijn dicht met doornen, de daarboven uitstekende mimosa’s met lange, harde en puntige stekels gewapend, en zelfs de grassen dragen klisachtige, overal met fijne stekeltjes bezette zaaddoozen, of met haken gewapende aren, zoodat elke poging om van den weg uit naar binnen te dringen, op duizend hindernissen stuit.De gedoode vogel, die bij het neêrvallen op een der naaste struiken is blijven hangen, is voor den schutter verloren; zonder bijna bovenmenschelijke inspanning zou men niet in staat zijn dat boschje te bereiken; het wild, dat zich voor het oog des jagers in zulk een struikgewas verbergt, heeft zich gered, want het is onzichtbaar geworden; een krokodil, meer dan 3 meter lang, dien wij in het bosch deden opschrikken, ontging ons, daar het dier zich wist te verschuilen in het struikgewas, dat hem zoo geheel aan onze oogen onttrok, dat wij ook zelfs geen schub meer konden ontwaren, dus ook geen schot behoefden te doen.Nog altijd doet men vergeefsche pogingen om meester te worden van de veelheid der indrukken, om het eene beeld van het andere te scheiden, om zelfs maar éénen boom van den grond af tot aan zijn top afzonderlijk te beschouwen, de bladeren van den een af te zonderen van die des anderen. Van uit de rivier was het nog mogelijk enkele frischgroene tamarinden te scheiden van de hun omgevende veelsoortige mimosa’s, de prachtige, aan onzen olm herinnerende Kigelia’s in ’t oog te vatten, zich te vermeien in den bladerenkroon eens palmbooms, die hoog boven de andere woudboomen uitstak; hier, in het binnenste[158]van het woud versmelten alle afzonderlijke deelen tot een enkel, ondeelbaar geheel. Alle zinnen worden te gelijk in beslag genomen. Uit hetzelfde loofdak, dat het oog tracht te openen, stroomen de zoete geuren ons tegen van enkele, nu bloeiende mimosa’s, klinkt een mengelmoes der vreemdsoortigste geluiden en tonen, het gegorgel der meerkatten, het gekrijsch der papegaaien, het gearticuleerde geluid der zangers, het gegons der de bloeiende boomen omzwermende insekten, ons in de ooren; het lichamelijk gevoel wordt niet minder, alhoewel op weinig aangename wijze, aangedaan door de ontelbare doorns, terwijl zelfs de smaak voldoening kan vinden in enkele bereikbare, ofschoon niet erg smakelijke vruchten.Eindelijk evenwel, als men verder doordringt, treedt een zelfstandig en bepaald beeld voor ons op. Gigantisch in zijn geheelen bouw, reusachtig zelfs nog in zijn takken, verheft zich een boom boven de ontelbare planten, die zijn voet met groen omlijsten; als een titan stijgt hij omhoog, baant hij zich ruimte voor stam en kruin. Het is de olifant onder de boomen, de Adansonia of Tabaldie der inboorlingen, de baobab of apenbroodboom. Versteld blijft men staan; het oog moet zich eerst gewennen aan dit gezicht, alvorens de afzonderlijke deelen in ’t oog te kunnen vatten.Men denke zich een boom, welks stam, ter hoogte eener manslengte boven den grond, een omvang heeft van twintig vademen, welks onderste takken de zwaarste stammen onzer boomen nog in dikte overtreffen, welks twijgen zelfs dikke takken zijn en welks jongste spruiten vele centimeters doorsnede hebben; men denke zich daarbij eene hoogte van veertig meter, terwijl de onderste takken zich tot op de helft dezer hoogte uitbreiden, en men zal zich eene flauwe voorstelling kunnen vormen van den indruk, dien deze boom op den beschouwer maakt. Van alle boomen in dit oerwoud verliest de baobab het eerst zijn bladeren, en volhardt tevens het langst in zijn winterrust; al dien tijd teekenen zich niets dan dorre takken en twijgen tegen de lucht af, beladen met aan lange, buigzame stelen hangende vruchten, die in grootte op suikermeloenen gelijken en tusschen de zaden een meelachtig, zuur smakend merg bevatten; het is een gezicht, dat men niet gemakkelijk vergeet. Wanneer evenwel na den eersten voorjaarsregen de groote, vijfspletige bladeren te voorschijn komen en zich ontwikkelen, om dan eerst de eigenlijke wonderpracht dezer boomen tot aanschouwing te brengen; wanneer zich de langgesteelde[159]knoppen der witte bloemen, die de grootte eener roos bereiken, tusschen de bladeren laten zien, dan verkeert de onvergelijkelijke reuzenboom als door tooverij in een gigantischen rozenstruik van ongemeene pracht, en zelfs de ziel der meest prozaïsche menschen wordt tot in het binnenste van haar binnenste ontroerd.Geen enkele boom van het oerwoud kan zich meten met de Adansonia; zelfs de Delebpalm, die gewoonlijk zijn kruin boven alle omgevende toppen verheft, verliest tegenover den eerste iets van zijn bekoorlijkheid en aantrekkelijkheid, en toch is deze palmboom een der heerlijkste boomen van Afrika’s binnenlanden, ja een der schoonste palmen der geheele aarde. Zijn stam is een zuil, zooals geen kunstenaar haar schooner zich kan denken, zijn kroon een kapiteel, gelijk bij zulk een zuil past. De loodrecht opstijgende, boven den grond verdikte stam verjongt zich op eene in ’t oog vallende wijze tot op ’t midden der lengte, om van dit punt af dikker, dan nogmaals dunner te worden en onmiddellijk onder de kroon nogmaals op te zwellen; de kruin zelf bestaat uit breede, bijna een vierkanten meter groote, waaiervormige bladeren, wier stelen naar alle kanten in rechte lijnen van het middelpunt afstaan, wat aan de kroon een indrukwekkend voorkomen geeft. Tusschen deze bladeren prijken de trosvormige vruchten, die de grootte van een kinderhoofd bereiken en niet weinig bijdragen om de schoonheid te verhoogen, welke deze heerlijke kroon niet enkel aan den stam, maar ook aan het geheele woud verleent.Aan het reusachtige hecht zich steeds het sprookje, dat daardoor leven, vorm en beteekenis erlangt. Deze gedachte dringt zich onwillekeurig bij ons op, wanneer wij, zooals dikwijls het geval is, eene Adansonia omslingerd en omsponnen zien door een dier klimplanten, welke in rijken overvloed ook deze oerwouden sieren en tooien. Mij doen zij steeds denken aan de Arabische tooververtellingen. Want even als de klimplant geen voedenden grondslag schijnt noodig te hebben, ofschoon zij werkelijk daaruit ontkiemde, maar haar voornaamste voedsel put uit den aether; evenals zij haar ranken van boom tot boom slingert om ze telkens vast te hechten en toch steeds hooger te klimmen, totdat zij zich eindelijk over den eenen of anderen kruin uitbreidt en er de schitterendste en geurigste bloemen over uitstrooit—eveneens schijnt ook het sprookje, hoe vast het inderdaad in het feitelijke moge wortelen, niet aan de werkelijkheid ontleend te zijn, en klimt het, om meerdere sterkte te ontvangen, tot de hemelen omhoog en zendt het[160]zijn verdichtselen door de wereld, tot het een hart vindt, vatbaar om geroerd en verwarmd te worden. Wanneer ik van de klimplant spreek, bedoel ik niet eene bepaalde soort, maar begrijp onder dit woord alle gewassen, die hier in saamgedrongen schroeflijnen een stam omgeven, ginds zich slingeren om een kale kruin, elders vele boomen aaneensnoeren, wederom op eene andere plaats een enkelen boom met groen bedekken, in dit gedeelte des wouds als naakte ranken een brug slaan van tak tot tak, in een ander gedeelte den weg versperren, en nog op velerlei andere wijzen, maar altijd klimmende, altijd rankende, zich voordoen.Hare schoonheid en de betooverende indruk, dien zij op den bewoner der noordelijke landen uitoefenen, laat zich gevoelen, maar niet in woorden teruggeven; want evenals men aan eene klimplant dikwijls begin nog einde kan aanwijzen, evenmin is er een uitdrukking te vinden, die als begin of slot eener juiste beschrijving zou kunnen dienen.De slingerplant is tastbaar aanwezig en toch voor de waarneming niet toegankelijk; men vervolge vol bewondering het pad, dat haar ranken hebben ingeslagen, maar het blijft onmogelijk uit te vorschen, waar deze vandaan zijn gekomen en werwaarts zij zich begeven; men geniet van de aanschouwing harer bloemen, zonder te vermogen deze machtig te worden; dikwijls kan men slechts vermoeden, dat die bloemen door haar werden voortgebracht. De klimplant eerst drukt een stempel op het oerwoud.En niet alleen ontplooit zij haar eigen bloemen, zij tooit zich nog daarenboven met vreemde. Op hare ranken rusten bij voorkeur zekere prachtvogels des wouds, die tot levende bloemen worden, en de natuurlijke in pracht en schoonheid zelfs overtreffen. Nu en dan wordt het oog getroffen door een flikkerend licht, evenals dat, hetwelk een door de zonnestralen getroffen spiegelvlak uitzendt. Dit licht is inderdaad niets anders dan teruggekaatst zonnelicht, opgevangen door het atlasgroene gevederte eener glansspreeuw, en dat bij elke beweging van dezen vogel eene andere richting inslaat, nu naar boven, dan naar beneden, nu naar rechts, dan naar links. Betooverd door de ongemeene schoonheid van dezen enkelen vogel, zou men hem nauwlettend willen gadeslaan, zou men elke zijner levensuitingen willen bespieden, maar men wordt voortdurend door nieuwe indrukken afgeleid.Want ook hier verdringt het eene beeld onophoudelijk het andere.[161]Ter plaatse, waar zooeven de glansspreeuw zich liet zien, verschijnt in het naast volgende oogenblik een niet minder schitterende en glinsterende goudkoekoek, een honigzuiger, die inveêrenprachtmet de kolibri’s kan wedijveren, een paar aanvallige bijeneters, een met levendige kleuren prijkende scharrelaar, een niet minder schoone liestvogel, een paradijsvliegenvanger, wiens lange, hangende middelste stuurpennen den kleinen vogel tot geen gering tooisel verstrekken; een helmvogel, die bij elken vleugelslag de donker purperroode slagpennen ontplooit, een klauwier, wiens helderroode borst genoemde slagpennen nog in de schaduw stelt, een zeer vreemd gevormde neushoornvogel, een goudwevervogel, een whidah, een boomhop met metaalglans, een sierlijke specht, een bladgroene duif, eene vlucht eveneens gekleurde papegaaien en vele andere gevederde boschbewoners meer. Het oerwoud is de meest geschikte verblijfplaats voor vogels; het biedt honderden en duizenden soorten herberg en voedsel, en daarom ziet de waarnemer ze spoediger en meer dan alle overige daarin schuilende dieren. De vogels bewonen en verlevendigen alle deelen des wouds, elke boomkruin, den grond, de hoogste toppen, de ondoordringbaarste struiken en zelfs de bladerlooze takken der Adansonia’s. Tusschen de grassen en andere planten, die den grond woekerend bedekken, banen frankolijnen en misschien ook parelhoenders dooreengeslingerde, allengs plat getreden paden. In het loof, boven de wortels van het kreupelhout hebben zich kleine duiven, in de uiteengespreide kruinen verschillende prachtvogels, vooral honigzuigers en prachtvinken genesteld; naar de dicht als vilt ineengeweven en schier ondoordringbare toppen der heesters snorren geheele familiën muisvogels als afgeschoten pijlen los, om al kruipende en schuivende, elk gaatje benuttende, door elke opening zich wringende, zich tot het inwendige een weg te banen; boomhoppen, meezen en spechten hangen en klauteren op en tegen de stammen, die boven genoemde struiken en heesters uitsteken, om elke spleet in schors en bast te onderzoeken; op de onderste twijgen der tweede kroonlaag zitten, loerende op gevleugelde insecten, de aanvallige bijenvreters of scharrelaars, de paradijsvliegenvangers en drongo’s; op de sterkere takken der derde laag huppelen de helmvogels, stappen deftig kleine reigers heen en weêr, slapen, tegen den stam gedrukt, oehoe’s en andere uilen; in het dichte loof der hoogste boomen spelen papegaaien en baardvogels; terwijl eindelijk, op de allerhoogste takken, arenden, valken en gieren zich hebben neêrgelaten. Werwaarts het oog schouwt rust het op een vogel.[162]Met deze algemeene verbreiding en alomtegenwoordigheid in overeenstemming, treffen dan ook onafgebroken de meest verschillende vogelstemmen het oor. Het is een lokken en roepen, piepen en fluiten, kweelen, trillen en snateren, kirren, kwaken, schreeuwen, kraaien, krijten, gillen, zingen en slaan, links en rechts, vóór ons en achter ons, omhoog en omlaag, en zulks zoowel te noen als in den morgen of op den laten avond.Honderdvoud verschillende stemmen weêrklinken gelijktijdig en door elkander, vereenigen zich soms tot een op zich zelf staand groot concert, dan weder tot een betooverend mengelmoes van tonen, dat men tevergeefs poogt te ontwarren en eerst na langen tijd in zijn enkele bestanddeelen vermag te ontleden. Met uitzondering van de lijsters, bulbuls en boschzangers, basterdnachtegalen en drongo’s bevinden zich hier geen echte zangers, wel bekoorlijke praters en gemoedelijke babbelaars, maar inzonderheid oneindig veel schreeuwers, krassers, schetteraars en andere meer of minder luid gillende vogels.Het oerwoud kan zich dus, wat liefelijkheid en welluidendheid van gezang aangaat, in de verste verte niet meten met onze bosschen op een lentemorgen, maar wint het aan den anderen kant door de vreemdsoortigheid en het karakteristieke der afzonderlijke stemmen.Wilde duiven koeren, kirren, huilen, lachen, en roepen uit de toppen der boomen en de dichte struiken; frankolijnen en parelhoenders schetteren luid daartusschen; papegaaien mengen er zich schreeuwend, raven krassend in; alarmvogels trachten het vreemde keelgeluid eener meerkattenfamilie na te bootsen, terwijl de helmvogels tonen voortbrengen, die aan een buikspreker doen denken; baardvogels fluiten luid op slependen toon, of dragen gemeenschappelijk een schel verward, maar toch gevoelvol lied voor, dat men kan kenmerken als een der eigenaardigste natuurgeluiden des wouds; de schitterende glansspreeuwen rijgen, verbinden en versmelten de weinige, ruwe, nu eens krassende, dan weder gillende, ratelende, of krijschende geluiden, over welke zij beschikken kunnen, in eindelooze herhaling aan en met elkander tot een zeker geheel; de prachtige schreeuwzeearend, die zijn woonplaats opslaat aan alle waterbekkens en waterstroomen des lands, doet zijn naam geen oneer aan.Hoog op den top eens booms zit de „Aboe Tok” (voortbrenger van het geluid „tok”) der inboorlingen, een kleine neushoornvogel, die luid zijn „tok” door de wildernis laatweêrklinkenen elken roep doet vergezeld[163]gaan van eene diepe buiging met zijn door een bovenmatig grooten snavel bezwaarden kop.Enkel dit ééne geluid heeft hij in zijn plompen keel en hiermede moet hij evengoed aan het wijfje zijn liefde verklaren als de nachtegaal zulks doet met zijn betooverend gezang. Het verheven gevoel, dat zijn borst doet zwellen zoekt uiting; steeds sneller volgen de tonen elkander op, steeds sneller ook de buigingen, die daarmede vergezeld gaan. Eindelijk raakt de logge kop vermoeid. Het minnelied is tevens uit, maar spoedig daarna vangt het opnieuw en op gelijke wijze aan. Uit het ongenaakbaar dikke struikgewas, klinkt de stem van den hagedasch of bosch-ibis; huivering bevangt den waarnemer als hij dit hoort. Het is een jammerend klaaglied, wat deze vogel ons aanbiedt; het klinkt alsof er een kind pijnlijk gemarteld wordt, b.v. langzaam over een zwak vuur zal geroosterd worden, terwijl het onder deze marteling luide kreten slaakt; langgerekte, klagende tonen wisselen af met een gillend geschreeuw, snelle kreten met een wegstervend gejammer. Uit de hooger gelegen deelen van het woud, van af daar, waar zich kleine open plekjes bevinden, schetteren de ver hoorbare, metaalachtige trompetgeluiden van den kroon-kraanvogel, die daarmede zijn sierlijke, vlugge, ter eere van het wijfje uitgevoerde dansen schijnt te willen aanvuren, en zoowel in het bosch als in de kelen van andere eveneens gillende vogels echo’s opwekt; een groot aantal krijschende stemmen mengen zich tot een veelvoudig koor. Dit concert is weer aanleiding, dat elke geluidgevende vogel zijn keel begint te roeren, en in een stroom van de meest verschillende geluiden gaan alle afzonderlijke stemmen nu verloren.Het zijn echter niet enkel de verschillende soorten van gewiekte bewoners des wouds, die deel nemen aan zulk een algemeen concert, maar zelfs de diverse geslachten eener soort vereenigen zich om de een of andere partij in het lied op zich te nemen. Evenals de vermelde baardvogels vangen ook de basterd-lijsters, de alarmvogels, de frankolijnen en parelhoenders steeds op hetzelfde oogenblik hun geschreeuw aan, en zoo hoort men te midden van het algemeene mengelmoes van geluiden tevens nog afzonderlijke, duidelijk waarneembare strophen. Sommige vogelsoorten, vooral de struikklauwieren, gaan op andere wijze te werk, daar mannetje en wijfje elk eene bijzondere strophe zingen. Het mannetje der eene soort, die ik leerde kennen, nl. van den scharlaken-klauwier, zingt eene korte strophe, die doet denken[164]aan het ingewikkeld gefluit van den wielewaal; het gezang van den fluitklauwier bestaat uit drie zeer zuivere fluitgeluiden, die samen terts, grondtoon en octaaf vormen. Onmiddellijk daarna volgt het antwoord van het wijfje, in beide gevallen een onaangenaam, moeilijk te beschrijven gekras, maar zoo maatrijk en zeker, als waren de vogels bij een toonkunstenaar in de leer geweest. Somtijds begint het wijfje het eerst; het laat vier of vijf malen een geschreeuw hooren alvorens antwoord te bekomen; dan valt echter het mannetje weêr in en van nu af wisselt beider gezang of gesprek met de gewone regelmatigheid af. Ik heb mij door proefneming van dit samenwerken der beide geslachten overtuigd, door nu eens een mannetje, dan weder een wijfje te schieten, en altijd bevonden, dat alsdan nog slechts het overblijvende geslacht zich hooren liet.Jammer genoeg mist men ook in deze aanvankelijk boeiende tonen dien rijkdom en die afwisseling, die harmonie en zoetheid, eigen aan het gezang der vogels in onze vaderlandsche bosschen. Toch is het eene grootsche en kernachtige melodie, welke het oerwoud te hooren geeft, wanneer in het vroege voorjaar al die honderden en duizenden veelsoortige stemmen door elkander klinken, als millioenen van insecten de bloeiende boomen omzwermen en ook haar luid gegons daarin mengen, wanneer tallooze hagedissen en slangen het dorre loof doen ratelen en het gillende, maar van uit de hoogte toch nog welluidend geroep van den adelaar, of het trompetgeschetter van den kroonkraanvogel en de parelhoenders bij tusschenpoozen alle andere geluiden overstemmen, terwijl een oogenblik later in de onmiddellijke nabijheid van het luisterend oor een boschzanger zijn bekoorlijk lied voordraagt, en daarna weder een der toongevende schreeuwers zich opnieuw laat hooren om in duizend kelen echo’s op te roepen.Wordt men meer vertrouwd met het woud, meer zelfs dan men aanvankelijk dorst hopen, dan schenkt het ons steeds ruimer gelegenheid om kennis te maken met het huishoudelijk leven der dieren, en waarlijk aantrekkelijke beelden ontvouwen zich voor ons oog. De vogels treden hierbij al weêr op den voorgrond. Nog voert de lente haar heerschappij en met haar heerscht ook nog de liefde in elke vogelborst. Men zingt en koost, bouwt en broedt. Reeds van uit de boot ontwaart men de nestkolonies van sommige soorten.Op voegzame hoogte boven het hoogste waterpeil der rivier, aan eenen steil afvallenden oeverkant, groeven de bijenvreters hunne nauwe, maar diepe, aan ’t eind bakovenvormig uitgeholde broedplaatsen.[165]Op eene oppervlakte van weinige vierkante meters is de geheele kolonie opeengehoopt, ofschoon gewoonlijk tachtig tot honderd paren zich vereenigen; de cirkelvormige, drie, vier tot vijf centimeters breede ingangen der nestholten zijn ten hoogste vijftien centimeter van elkander verwijderd. Het schijnt onbegrijpelijk hoe elke vogel zijn eigen nest weet te onderscheiden van dat der anderen, en toch vliegen deze lichtgewiekte, schrandere vogels, zelfs wanneer zij van verre komen aanijlen, zonder dralen, zonder zich te bedenken elk in zijn eigen hol; hun uitnemend gezicht, dat reeds op een afstand van honderd schreden een voorbijsnorrende vlieg ontwaart, bedriegt hen nimmer. Het is een bekoorlijk schouwspel het levendig bedrijf dezer vogels gade te slaan. Alle boomen en struikjes der omgeving zijn ten minste met een enkel paar dezer gezellige, fraaie vogels getooid; op iederen tak, waar het uitzicht eenigszins vrij is zit een paartje, en elk der echtgenooten neemt vol belangstelling deel in alles wat den ander wedervaart of wat deze doet. Voor den ingang der nestholten gaat het even levendig toe als voor een bijenkorf; hier kruipen de vogels naar binnen, daar kruipen andere naar buiten; deze komen, gene gaan; een aantal zweeft weder voor de ingangen of vliegt naar de broedruimten. Eerst met het aanbreken van den nacht, dien allen in het nest doorbrengen, wordt het rustig en stil.Op andere plaatsen van den oever, waar hooge boomen hunne takken over het water uitbreiden, of die bij hoogen rivierstand geheel in het water komen te staan, hebben de goudwevervogels zich verzameld. Ook deze broeden gezellig, bouwen echter vrij hangende, aan de uiterste twijgeinden bevestigde, zeer kunstig uit grashalmen en vezels samengestelde nesten. Geen gulzige meerkat, geen ander eierroovende vijand, zelfs geen slang, kan zonder gevaar te loopen van naar beneden te tuimelen en in het water te vallen, deze nesten nabij komen. Minstens drie, in den regel echter veertig tot zestig wevertjes broeden op een en denzelfden boom, en hunne nesten verleenen aan dezen een zeer eigenaardig voorkomen, ja zelfs het geheele landschap verkrijgt er een bijzonder uitzicht door.In tegenstelling met andere vogels zijn het niet de wijfjes, maar de mannetjes, die de nesten bouwen, en deze gaan daarbij met zulk een ijver te werk, dat zij nog nesten maken ook dan, wanneer er geen behoefte meer aan bestaat. Met een zooeven afgebeten halm of uitgerafelden vezel in den bek komen zij aanvliegen, hangen zich met de pooten aan[166]een tak of aan het nest zelf vast, houden zich door snelle vleugelslagen in evenwicht, om onder aanhoudend gezang het meêgebrachte materiaal te verbouwen. Is het nest op het inwendige na gereed, dan beginnen zij terstond met een tweede en derde; ook worden reeds gereed zijnde nesten wel eens weer vernietigd en zoo gaat het voort, totdat het inmiddels broedende wijfje de hulp van haar echtgenoot bij het opvoeden der jongen inroept. Deze bedrijvigheid zet aan de geheele kolonie eene ongewone levendigheid bij; terwijl de goudgele, bewegelijke, in de meest verschillende houdingen hangende of zittende vogels nog bovendien een ongemeenen luister verleenen aan de reeds door de nesten zoo bevallig versierde boomen.Ossenpikkers bouwen op de nu bladerlooze mimosa’s hunne nesten, die, de grootte dezer vogels in aanmerking genomen—de ossenpikkers zijn nauwelijks zoo groot als een spreeuw—waarlijk reusachtig mogen genoemd worden. In het dichtste vlechtwerk van takken der vermelde doornige boomen worden zij opgesteld; uitwendig bestaande uit doorns, die er het uiterlijk aan geven van een grooten roskam, zijn zij dikwijls meer dan een meter lang, half zoo hoog en breed, terwijl met de grootte onzer vogels overeenkomende, dikwijls gedraaide, voor alle andere dieren ontoegankelijke buizen tot in de inwendige, vrij ruime nestholte geleiden. Ook op deze boomen heerscht drukte en levendig vertier.In het binnenste des wouds stoot men, bij aandachtig toekijken overal op nesten, hoe moeilijk het ook dikwijls moge vallen deze in ’t oog te krijgen. Kleine vinken b.v. bouwen er van een vorm, die gelijkt op een door den wind bijeengewaaid hoopje dor gras; inwendig zijn deze nesten evenwel zacht en warm, gevoerd met dons; andere vogels bezigen materialen, die in kleur de omgeving nabootsen; nog anderen bouwen in ’t geheel geen nesten, maar leggen eenvoudig de evenals de grond gekleurde eieren op den bodem neêr. Alle holten in de boomen zijn thans bezet, terwijl spechten, baardvogels en papegaaien ijverig in de weer zijn om voortdurend nieuwe uit te hameren of dieper te maken en in broedplaatsen te veranderen; de neushoornvogels daarentegen metselen ze, op eene wijde spleet na, geheel dicht. Vooral de laatstgenoemde vogels trekken door hun broedwijze bijzonder de aandacht en verdienen daarom het eerst vermeld.Nadat de neushoornvogel zich met veel moeite van ’t bezit van een wijfje verzekerd heeft, spoort hij in vereeniging met zijne soortgenooten een geschikte broedholte op. Is er een gevonden, dan verwijdt het mannetje[167]die niet zijn plompen snavel,—een zeer lastig werk—zooveel zulks noodig is. Daarna kruipt het wijfje er in, en terwijl nu de eieren gelegd worden, arbeiden de beide echtgenooten samen, de een van binnen, de ander van buiten, om den ingang op eene spleet na dicht te metselen, welke opening juist wijd genoeg is om er de punt van den snavel nog doorheen te kunnen wringen. Afgesloten van de buitenwereld, brengt nu het wijfje den geheelen broedtijd in deze kraamkamer door en het mannetje is verplicht, niet alleen de ingemetselde gade, maar daarenboven ook nog later de uit het ei gekomen jongen van voedsel te voorzien; daar deze zeer snel groeien en alzoo veel voedsel behoeven, heeft hij druk werk. Zijn de jongen zoo ver gevorderd, dat zij vliegvaardig zijn geworden, dan opent de moeder den ingang van binnen en de geheele familie fladdert, vet, en goed bevederd, de wijde wereld in, om van stonden aan den echtgenoot en vader, die intusschen door het harde werken zoo mager als een geraamte is geworden, van alle verdere zorg en moeite te ontslaan.Gelijke mannen- en vaderliefde legt ook de ombervogel aan den dag; dit is een ooievaarachtige, stil levende nachtvogel des wouds, ter grootte van een raaf, wiens reusachtige nesten zeer de opmerkzaamheid trekken. Deze nesten staan gewoonlijk op geringe hoogte boven den grond in de gaffelvormige verdeeling van twee stammen, of op een der dikste takken van de onderste kroon, wanneer deze althans sterk genoeg zijn om een nest te dragen, dat in omvang en gewicht de grootste roofvogelnesten verre overtreft; de doorsnede bedraagt soms van anderhalve tot twee meter, terwijl de hoogte niet veel minder is; het bouwmateriaal bestaat uit dikke takken en twijgen, die met leem tot een stevig metselwerk verbonden zijn. Wanneer men niet toevallig heeft gezien, dat de ombervogel deze nesten in- en uitkruipt, zal men niet licht op het denkbeeld komen, dat die gevaarten hol zijn: veeleer zou men meenen dat het de nesten zijn van groote roofvogels, vooral doordien niet zelden arenden en oehoe’s er boven op gaan bouwen. Helpt evenwel de werkelijke bouwmeester ons uit deze dwaling, en onderzoekt men die nesten wat nauwkeuriger, dan bevindt men, dat zij inwendig drie volkomen van elkaar gescheiden, slechts door gaanderijen of poorten verbonden ruimten bevatten, die bij scherper toezien zich doen kennen als voorkamer, gezelschapszaal of eetzaal en kraamkamer. De laatste of achterste ruimte ligt iets hooger dan de beide andere afdeelingen, zoodat toevallig binnengedrongen water steeds hierdoor weg[168]kan vloeien; het geheele gebouw is zoo voortreffelijk samengesteld, dat zelfs de hoogste en langdurigste regens er weinig of geen schade aan kunnen toebrengen. De drie, vier of vijf witte eieren liggen in de broedruimte op een zacht bed van biezen en andere plantenstoffen; zij worden door het wijfje bebroed. Het mannetje verzamelt in de middelste ruimte allerlei voedsel, zooals: visschen, kikkers, hagedissen en dergelijke lekkerbeetjes, en zulks in zulk een overvloed, dat het wijfje te kust en te keur kan gaan in hoeveelheid en soort van spijs; in de voorste kamer zit of staat het mannetje, wanneer hij althans niet op voedsel uit is, om het wijfje gezelschap te houden en middelerwijl over haar en de later uitgekomen jongen te waken. Zijn deze iets opgegroeid, dan voorzien de beide echtgenooten samen in de behoeften des gezins.De ombervogel en arend of oehoe leveren niet het eenige voorbeeld op van vriendschappelijk samenwonen van in zeden en gewoonten overigens ongelijke vogels. Op de breede, van den stam zich horizontaal uitbreidende waaiervormige bladen van den Delebpalm staan de nesten van den vluggen en roofgierigen dwerg-slechtvalk en van de Guineaduif, dikwijls zoo dicht bij elkaar, dat de valk slechts den poot heeft uit te strekken om een buurkindje te pakken. Zulks gebeurt evenwel niet, omdat de valk niet anders dan op vliegende vogels stoot, en zoo groeien de jongen der duif ongestoord op in de buurschap van de telgen van den valk, en beide geburen zitten vredig en rustig naast elkander, ieder paar bij zijn eigen nest.Nog eene andere palmboom bood mij eene goede gelegenheid aan om vogels waar te nemen, die bij het broeden eigenaardigheden vertoonden, welke mij ten hoogste verrasten en boeiden. Onder levendig geschreeuw vloog een troep dwergachtige gierzwaluwen, verwant aan onze gierzwaluwen, om eenen Tompalm, waardoor mijne opmerkzaamheid op dien boom werd gevestigd. Nader onderzoek leerde mij, dat de vogels zich dikwijls tusschen de bladen van den palmboombegavenen ik ontdekte nu in de gleuven der bladstelen witte stippen, die ik herkende als zwaluwnesten. Ik beklom den boom, boog een der bladen naar mij toe en bevond, dat elk nest, dat hoofdzakelijk uit boomwol bestond, in den hoek tusschen den steel en de bladhelft op de bij gierzwaluwen gebruikelijke wijze met behulp van speeksel was vastgelijmd. Maar de nestkom kwam mij zoo vlak voor, dat ik het onmogelijk oordeelde, dat de beide eieren daarin konden blijven liggen,[169]wanneer de bladeren door den wind heen en weer bewogen werden. En de minste ademtocht brengt zulke bladeren in beweging; hoe moesten ze niet geslingerd worden bij stormweder! Behoedzaam naderde ik met de eene hand de eieren, om ze uit het nest te nemen; daar ontdekte ik tot mijne verbazing, dat zij door de moeder warenvastgelijmd! En toen ik de pas uitgekomen, nog gansch en al onbeholpen jongen nader onderzocht, ontdekte ik, dat ook deze op gelijke wijze waren vastgekleefd, om ook hen voor uitvallen te vrijwaren.Daar de vogels door hunne alomtegenwoordigheid, schoonheid, levendigheid en bewegelijkheid, alsmede door hun gezang—of geschreeuw—voortdurend de opmerkzaamheid van den aandachtigen waarnemer trekken, bemerkt men, de ook hier zeer talrijke hagedissen en slangen en insecten niet medegerekend, weinig van de overige bewoners van het oerwoud, althans niet van de daarin verblijfhoudende zoogdieren. Wat ons evenwel niet ontgaan is, is eene troep meerkatten; de levendigheid en ongedurigheid toch, die deze soorten even gelijk alle Afrikaansche apen eigen is, doet ze zelfs in ’t oog vallen van iemand, die niet aan zien gewend is. En schouwt het oog deze dieren niet, dan[170]hoort men ze in elk geval; het geluid, dat zij uiten, is een voortdurend gegorgel. Meest alle andere zoogdieren evenwel kan men tot op weinig meters afstand voorbijgaan zonder ze gewaar te worden. Verreweg het meerendeel wordt eerst bedrijvig na den ondergang der zon en zoekt voor het aanbreken van den dag zijn legerplaats weder op, maar ook die, welke in de morgen- en avonduren, als de zon schijnt, in de weer zijn, laten zich niet zoo gemakkelijk waarnemen als men wel zou denken; het dichte woud onttrekt hen te veel aan het oog. „Hebt gij,” zoo luidde de vraag van een Europeaan, met wien ik eens in het oerwoud was gaan jagen, „hebt gij dien panter niet gezien, die voor een paar minuten mij voorbij vloog en naar u toeliep? Ik kon niet schieten, omdat ik mijn geweer niet gereed had; gij moet hem toch gezien hebben.” Het was zoo niet; ik had wegens de dichtheid van het struikgewas het groote dier zelfs niet eens bemerkt. Waar het dichte geboomte zulks niet doet onttrekt de gelijkheid van kleur met de omgeving de dieren aan het gezicht. De grijsachtige halfaap, die op een met korstmossen bedekten hoogen boomtak ineengehurkt zit te slapen, gelijkt zoo sprekend op een uitwas des booms, dat eerst dan de dierlijke gedaante duidelijk wordt, wanneer de jager zijn kijker uit den zak haalt en dien uitwas nauwkeuriger in ’t oog vat. Devleêrmuis, die daar boven aan een kruintak hangt, gelijkt sprekend op een verdord blad en zelfs het bonte vel van den panter kan in het bosch door dorre bladeren en bloeiende Euphorbia’s zoo getrouw worden weêrgegeven, dat het mij persoonlijk eens is gebeurd, dat ik met aangelegd geweer tot vijftien schreden afstands een boschje moest naderen, waarin zich een panter had verscholen, alvorens ik dier en omgeving van elkander vermocht te onderscheiden. Geheel hetzelfde geldt voor de in het woud levende antilopen en verder voor alle zoogdieren in ’t algemeen—en zij zelf zijn zich des bewust. Niet overal in het oerwoud huizen de antilopen; slechts hier en daar en dan steeds talrijk leeft b.v. een kleine soort, nl. het struikbokje of de windhond-antilope. Dit is een der bevalligste herkauwende dieren, sierlijk gebouwd, niet grooter dan een reekalf van weinige dagen, vosachtig grijsblauw van kleur; het bewoont paarsgewijs het dichtste kreupelhout, kiest voor leger of verblijfplaats een goed bebladerden tot op den grond vertakten struik en trapt van hier uit smalle paden plat, die in de meest verschillende richtingen het dichte gewas doorkruisen. Ik heb vele dezer dieren gedood; aanvankelijk ging het mij echter evenals alle andere[171]reizigers en jagers, die dit dier leerden kennen; ik kon het maar niet in ’t gezicht krijgen, al was het ook opgejaagd en als een pijl uit den boog mij voorbijgesneld. „Zie Heer! daar in het naaste boschje staat een bokje; ginds in de opening tusschen de beide dik bebladerde takken staat het; ziet gij het niet?” zoo fluisterden mijn inlandsche gidsen mij in ’t oor. Ik deed mijn uiterste best, boorde mijn oogen in het aangeduide boschje,—ik zag niets anders dan takken en bladeren; want tot takken werden de sierlijke pooten, tot een dik bebladerden tak kop en lijf. Maar het oog eens jagers vindt ook eindelijk in het oerwoud den weg. Wanneer men eenigermate met de zeden en gebruiken der lieve antilopen vertrouwd is geworden, leert men deze dieren even zeker opsporen als de scherpst ziende inlander. Door haar fijn gehoor wordt de antilope den naderenden mensch veel vroeger gewaar dan deze haar spoor ontdekt. Door het geruisch der zware voetstappen opgeschrikt, is zij van haar leger opgesprongen, en doet eenige schreden vooruit om eene opening te bereiken, van waar zij een vrijer uitzicht heeft. Als een gegoten metalen beeld, stijf en roerloos, zonder zelfs de lang van te voren reeds opgerichte ooren te bewegen, zonder een harer loopers te draaien, staat zij daar, en luistert en kijkt; de poot, die tot vooruitgaan opgeheven werd, volhardt in de aangenomen houding, geen leven verraadt zij. Thans is het des jagers tijd; fluks heft hij de buks omhoog, trekt en schiet: een oogenblik later en het sluwe wild is met een enkelen grooten sprong in het naburig kreupelhout gesprongen en hierdoor gedekt geworden, of het dook langzaam naar beneden en kroop in deze houding weg, en zulks zoo onmerkbaar, dat geen blad zich bewoog, geen halm zich verroerde.Op deze wijze voert het oerwoud de meest afwisselende beelden voor het oog des waarnemers. Wie zien kan en weet te zoeken, ziet en vindt overal in het bosch meer dan hij kan verwerken. Maar elke plaats en elk tijdstip van den dag of van het jaar geeft wat anders. Hier, waar de lente tot weken, de zomer of de herfst tot dagen inkrimpt en de winter, evenals in de steppe, bijna onmiddellijk na het ophouden van den regen zijn heerschappij aanvaardt, is ook het volle, rijke, alzijdig overvloeiende planten- en dierenleven binnen een kort tijdsbestek bepaald. Zoodra de vogels met broeden hebben opgehouden, beginnen zij te trekken en te strijken; zoodra de zoogdieren denken een gedeelte van het woud afgeweid te hebben, zoeken zij een ander gedeelte op. En[172]daarom kan men dan ook op dezelfde plaats op verschillende tijden ook verschillende dieren ontmoeten, althans wezenlijk verschillende beelden van het dierlijk leven opvangen. Zoo neemt, om een voorbeeld te noemen, het leven in de rivieren toe, naarmate het bosch ontvolkt wordt.Bij hoogen rivierstand bespeurt men weinig van de dieren, welke in en bij het water leven. Alle eilanden liggen dan diep onder het water bedolven, de oevers zijn eveneens overstroomd en de vogels, die hier gewoonlijk huizen, zijn verdwenen. En als werkelijk eens een krokodil zijn kop en een paar rugschilden boven de oppervlakte verheft, wordt men zulks dan eerst gewaar, wanneer men met de boot tot op korten afstand genaderd is. Er blijven dus eigenlijk alleen nijlpaarden, die op sommige plaatsen zeer talrijk zijn, eenige boven het water vliegende vogels en misschien enkele duikers over om het zichtbare bewijs te leven, dat er in en bij de rivier ook hoogere gewervelde dieren leven. Wanneer nochtans na het eindigen van den regentijd de waterspiegel daalt en alle eilanden, zandplaten en oevers droog zijn geloopen, dan verandert het stroombeeld eveneens ten opzichte van de dierenwereld. De nijlpaarden trekken zich naar de diepste plaatsen van het water terug, om hier gezellig bijeen te leven en troepen te vormen van soms aanzienlijke sterkte; daar zij voor iedere ademhaling boven het water moeten komen en dan telkens met veel geraas de ingeademde lucht uitblazen, ziet en hoort men deze dieren zeer gemakkelijk. Ook komen zij ’s daags wel eens buiten het water om zich op de eilanden of zandbanken te legeren en van de warmte der zonnestralen te genieten; op een afstand van een kilometer en nog meer vallen zij daar den reiziger reeds in het oog; nu halen ook de krokodillen de schade in, die zij tijdens den hoogen waterstand hebben geleden, en koesteren zich op ’t heetste van den dag in de zon. Daartoe kruipen zij reeds in de voormiddaguren op de vlakke, zandige eilanden, vallen onder luid geplof op den grond neer, sperren den met vreeselijke tanden gewapenden muil wijd open en slapen, ten getale van tien, twintig en dertig bijeen, in de meest verschillende houdingen, naast en zelfs boven op elkander liggende, tot aan den avond door; groote zwermen vogels bedekken thans de eilanden, zandbanken en beide stroomoevers, en brengen door hun aantal een machtigen indruk te weeg. Tegen dezen tijd toch hebben de meeste inheemsche strand- en zwemvogels het broeden geëindigd en zijn zij met hun jongen het water gaan opzoeken, om hier, onder ’t genot van rijkelijk en gemakkelijk te verwerven voedsel, te ruien;[173]tezelfder tijd hebben de trekvogels uit het noorden, die hier overwinteren, zich bij hen gevoegd. Laatstgenoemde vogels bevolken nu ook alle deelen van het oerwoud, doch vallen hier niet zoo sterk in ’t oog als aan het water, waar de geheele oever en alle eilanden met groote en dus duidelijk zichtbare trekvogels bedekt zijn. Soms is hier zelfs geen plaats genoeg en het voedsel, hoe overvloedig overigens ook voorhanden, wordt dan voor de menigte schaarsch. Een gevolg hiervan is, dat elke plaats bezet wordt, ja overladen; dat ieder voedselbeloovend plekje door duizend mededingers bezocht, ja om elke eetplaats gevochten wordt.Drie achtereenvolgende dagen zeilde ik bij goeden wind en in eene voortreffelijke boot op den Witten Nijl, en gedurende deze lange en verre vaart waren beide oevers van den stroom onafgebroken met een bonte en levendige, uit de meest verschillende strand- en zwemvogels samengestelde schare getooid. In de oerwouden van den Blauwen Nijl kan men een dergelijk schouwspel genieten. De uitgestrekte zandbanken worden door gewone en jufferkraanvogels volledig in bezit genomen; zij dienen echter den hier in winterkwartier verblijvende vreemdelingen slechts tot rust-, rui- en slaapplaatsen, van waaruit zij elken morgen naar de steppe vliegen om voedsel te halen, en werwaarts zij reeds vóór het middaguur teruggekeerd zijn om er te drinken en te baden, hun gevederte te poetsen, en eindelijk, bestendig door de krokodillen bedreigd, te slapen. ’s Middags mengen zich geregeld eenige gekuifde kranen in dat gezelschap, hetgeen eene groote opschudding te weeg brengt; de gekuifde zijn n.l. zoo niet beter dan toch ijveriger dansers en beginnen dadelijk na hunne aankomst hunne kunst uit te oefenen, waardoor de gewone kraanvogels insgelijks tot dansen worden aangezet.Op dezelfde banken verschijnt ook de nimmerzat of tantalus, eene ooievaarachtige, in een wit, met rozengloed overgoten, op de vleugels helder rozerood gekleurd vederkleed prijkende vogel, die de buitenste zoomen van het eiland of de aanliggende ondiepe plaatsen in beslag neemt; valt het licht voordeelig op deze vogels, dan prijken zij met een gloeiend rood, zoodat zij heerlijk afsteken bij de grijze kraanvogels en aan het landschap een ongemeenen tooi verleenen. Op den oever stappen prachtige reuzen-ooievaars of jabiroe’s rond, wandelen de leelijke, wonderlijk gevormde maraboe’s vol statie op en neêr, staan schitterende lepelaars, waden reuzen- en zilverreigers in het water om visschen te vangen, staan en zitten, zwemmen en duiken, weiden en snateren en kweelen duizenden[174]spoor-, nijl- en lapganzen, nonnetjes, pijlstaarten, slangenhalsvogels, ibissen, wulpen, oever-, strand- en waterloopers en andere meer, die te zamen een bonten zoom van vogels vormen, wellicht nog sierlijker dan de tantalussen. Boven den waterspiegel echter zweven, behalve de opgenoemde vogels, die afwisselend aan- en afvliegen, ook nog zeezwaluwen en meeuwen, oeverzwaluwen en bijenvreters, terwijl hoog in de lucht een prachtige zeeadelaar zijn kringen beschrijft.Enkele soorten dezer in alle opzichten zoo belangrijke, gevederde rivierbevolking moeten den laagsten waterstand afwachten om te kunnen broeden, omdat het haar tijdens den hoogen waterstand aan goede nestplaatsen ontbreekt. Tot dezen behoort een even bevallige als fraai geteekende, een even verstandige als wakkere moerasvogel, nl. de reeds bij de ouden bekende krokodillenwachter, de trochilus van Herodotus, van welken vogel deze schrijver en na hem ook Plinius ons verhaalt, dat hij in vriendschap met den krokodil leeft. Deze vertelling der ouden is geen fabel, zooals men geneigd zou zijn te denken, en ik kan persoonlijk voor de waarheid er van instaan. De krokodillenwachter, wiens afbeelding men zoo dikwijls op de Egyptische gedenkteekenen terugvindt, en die in hiëroglyphenschrift deoevoorstelt, leeft ook in Egypte en Nubië, oefent echter heden ten dage eerst in Soedan zijn ambt uit als wachter en beschermer van den krokodil; aan dat ambt was hij bij de volken der oudheid zijn roem verschuldigd. Hij bewijst evenwel niet alleen diensten aan genoemd gedrocht, maar in ’t algemeen aan alle dieren, die van de waakzaamheid van dezen vogel partij weten te trekken. Opmerkzaam en nieuwsgierig, prikkelbaar en schreeuwlustig, daarbij met een opvallend geluid begaafd, is hij een voortreffelijk waarschuwer voor andere, minder voorzichtige schepselen. Evenmin het naderende roofdier als een menschelijk wezen van verdacht voorkomen ontgaat zijn opmerkzaamheid; reeds elke zeil- of roeiboot trekt zijn aandacht en nooit laat hij na door een luid geschreeuw zijn waarneming aan anderen bekend te maken. Zoo worden alle met hem tezelfder plaatse toevende dieren aangespoord om een nader onderzoek in ’t werk te stellen en zich te overtuigen of er werkelijk gevaar aanwezig is of niet. In ’t eerste geval hebben zij tijd en gelegenheid om te vluchten. Daarin bestaat zijn ambt als wachter. Zijn vriendschappelijke verhouding tot den krokodil kan men moeilijk wederkeerig noemen; want van een krokodil vriendschap te eischen is wel wat veel van zulk een dier gevergd. Niet omdat het reptiel eenig welwillend gevoel jegens[175]den vogel koestert, maar omdat hij hem nauwkeurig kent en volkomen juist beoordeelt, behandelt hij hem als een lief, onschuldig schepsel. De vogel van zijn kant, van zijn jeugd af met het monster vertrouwd, een bewoner der zandbanken, waarop het eerste zich te slapen legt, altijd in deszelfs nabijheid, gaat met het dier om, alsof hij zelf de heer en meester, het andere de knecht ware. Onbevreesd klimt hij op den rug van het slapend ondier, onbezorgd nadert hij den opengesperden muil om te onderzoeken of misschien ook een bloedzuiger zich daar vasthechtte, of tusschen de tanden een brok bleef hangen, om het een zoowel als het ander weg te nemen. De krokodil laat zich dit alles welgevallen, zeker omdat hij bij ondervinding weet, dat hij den altijd opmerkzamen, behendigen, slimmen, kleinen schelm toch niet snappen kan. Ik zag eens een krokodillenwachter gelijktijdig met een schreeuw-zeearend van denzelfden visch eten, dien de arend gevangen en naar een zandbank gebracht had. Terwijl de laatste, die met beide pooten den buit vasthield of er op stond, een en andermaal naar den schuimlooper hapte, hield deze zich op eerbiedigen afstand van de tafel des grooten heers; telkens echter als deze den kop oplichtte om de spijs door te slikken, liep de ander snel toe, kaapte schielijk een door den arend reeds losgemaakt stuk visch en ijlde zoo snel mogelijk naar de eerste plaats terug, om daar het geroofde te verteren. Even bewonderenswaardig als dit driest bestaan is ook de slimme wijze, waarop de krokodillenwachter zijn eieren voor onbescheiden oogen verbergt. Ik had reeds langen tijd tevergeefs naar het nest van dezen vogel gezocht. De ontleding van een geschoten vogel had mij den legtijd van den krokodillenwachter leeren kennen. Dat hij slechts op zandbanken kan broeden volgt onvermijdelijk uit de levenswijs. Tevergeefs echter onderzocht ik op het zorgvuldigste al zijn lievelingsplekjes—ik kon geen nest uitvindig maken. Eindelijk zag ik een paartje, van hetwelk een der echtgenooten op den grond zat, terwijl de andere om de eerste heen scharrelde. Ik nam mijn kijker en liep, den vogel steeds in het oog houdende, recht op hem af. Toen ik in zijn nabijheid was gekomen, richtte hij zich op, schraapte ijlings wat zand op een bepaalde plaats bijeen en liep nu, wel is waar onder het gewone geschreeuw, maar toch zonder eenig ander bewijs van onrust met den ander weg. Ik liet mij niet foppen, hield de plek goed in het oog en kwam er bij. Maar ook nu kon ik nog geen spoor van het nest ontdekken, en eerst, toen ik eene weinig in ’t oog vallende oneffenheid in het zand waarnam[176]en hier aan ’t graven ging, vielen mij twee, als zand gekleurde eieren in de hand. Had de moeder meer tijd gehad, dan ik haar gunde, zeker had zij deze kleine oneffenheid ook nog glad gemaakt, zoodat zij in ’t geheel niet meer in ’t oog kon vallen.VERHUIZENDE AMERIKAANSCHE BISONS.VERHUIZENDE AMERIKAANSCHE BISONS.Een zoo mogelijk nog rijker, in elk geval veelsoortiger dierlijk leven als te dezer tijd aan den stroom heerscht, kan men gadeslaan aan de oevers en op het watervlak der meren en groote plassen in ’t midden des wouds, welke bekkens gevoed worden deels door het bijeenstroomende water der voorjaarsregens, deels door den buiten zijn oevers getreden stroom. Overal door het bosch ingesloten, dikwijls zoo dicht, dat men in ’t geheel niet of althans niet dan onder veel bezwaren deze meren kan nabijkomen, binnen de oevers bijna even sterk begroeid als daar buiten, uitgestrekte riet- en biesbosschen insluitende, terwijl ook thans nog papyrus en lotus daarin groeien, vormen deze regen-meren of „foelat”, gelijk de inboorlingen ze noemen, even zooveel goede verblijfplaatsen als broedplaatsen voor de meest verschillende vogels, en zelfs ook voor andere dieren. De veiligheid, die deze afgelegen oorden aanbieden, schijnt zelfs het nijlpaard aan te trekken, dat ze tegen den tijd, dat het jongen zal werpen, opzoekt; hier dreigt geen schaarschte van voedsel, hier houden zich geen gevaarlijke vijanden op, en zoo kan het in deze oorden ongehinderd zijn kroost zoogen, verzorgen en de eerste opvoeding geven. De dicht begroeide oevers, de moerassige inhammen lokken zwijnen en buffels aan; het stille water wordt met voorliefde opgezocht door de dorstige antilopen. Op den spiegel zelf verzamelen zich duizenden pelikanen, om, alvorens op de naburige boomen hunne legersteden op te zoeken, nog eens duchtig ter vischvangst te gaan; ook de slangenhalsvogel brengt hier een goed deel van den dag duikende door; tevens zwemmen er alle mogelijke ganzen- en eendensoorten en strijken er de uit het noorden gekomen trekvogels neêr, om hier een gastvrije winterherberg te vinden; in de bochten en op de ondiepe oevers vinden de reuzenreigers en sierlijke woudaapjes zonder veel moeite het rijkelijkste voedsel; de welige, groene oevers herbergen tallooze kleinere vogels, de boomen van ’t omgevende woud verschillende, op boomen rustende en nestelende strand- en watervogels. Geen wonder, dat het bij tijden in en om deze meren wemelt van vogels, maar even verklaarbaar is het tevens, dat zulk een rijkdom ook allerlei vijanden lokt. Valken en uilen vervolgen de kleinere vogels, de adelaar en de oehoe maken[177]jacht op meer groote, de vos en jakhals, leeuw en panter vervolgen de zoogdieren. Somtijds valt een uit de steppe getogen heirleger van vraatzuchtige treksprinkhanen in den frisschen woudzoom dezer streken, om in een oogwenk alles kaal te vreten en ’t geboomte geheel te ontbladeren. Maar nu ook vermenigvuldigt zich het vogelenheir tot in het oneindige. Van verre en van nabij verschijnen valken en uilen, raven en Duitschepapegaaien, frankolijnen en parelhoenders, ooievaars en ibissen, waterhennetjes en eenden, om zich aan de sprinkhanen te goed te doen. Iedere vogel, die bij tijd en wijle insecten nuttigt, voedt zich thans uitsluitend met deze reizigers. Honderden gewone en kleine torenvalken, die zich op dit tijdstip toevallig in hun winterkwartier bevinden, verzamelen zich bij scharen boven het bezochte bosch, stooten op elken opvliegenden zwerm sprinkhanen, grijpen ze en verslinden ze al vliegende; raven, Duitsche papegaaien, neushoornvogels, ibissen en ooievaars nemen ze van de takken weg en schudden ze er bij honderden af; deze vallen de onder de boomen loerende makkers, parelhoenders en eenden als buit ten deel; wouwen en zingsperwers vliegen in vele wendingen om de boomen, op welke de ontbladerende insecten alras de plaats der bladeren zelf innemen; zelfs de deftige maraboe’s en jabiroe’s versmaden het wel is waar kleine, maar daarentegen zoo rijkelijk voorhanden voedsel niet. Een en ander schenkt nog meerder leven aan het reeds zoo drukke water, dat op zulke tijden nog meer dan gewoonlijk de verzamelplaats wordt van de meest verschillende dieren.Aan zulk een meer, een ware schatkamer voor den verzamelaar, hadden wij een aantal dagen gejaagd, waargenomen, verzameld, genoten van de weelderige planten- en dierenwereld, gevochten met nijlpaarden, onzen haat gekoeld aan de krokodillen, in één woord, wij hadden in volle mate de genoegens gesmaakt, aan ’t leven van den jager en natuuronderzoeker verbonden, en daarbij al het overige, zelfs den tijd des jaars, vergeten. Maar toen op zekeren dag de zon lager daalde en gouden draden vlocht tusschen het groen des wouds; toen het geschreeuw der papegaaien was uitgestorven en alleen het droomend gezang van een lijster nog tot onze ooren doordrong; toen de zeearend aan gindschen oever, nog vóór weinige oogenblikken bloeiende te midden van het omringende groen, slaapdronken zijn witten kop tusschen de schouderveêren verborg; toen zelfs het gegorgel van een troep meerkatten, die in de hooge kruin van eennabijstaandemimosa haar nachtleger had[178]opgezocht, was verstomd; toen de nacht aanbrak, schemerhelder en vriendelijk, koel en zacht, klankrijk en geurig, gelijk steeds omstreeks dezen tijd des jaars; toen was het alsof alle kleurenpracht, alle glans en heerlijkheid van de heden en gisteren in onze ziel opgenomen beelden eensklaps verbleekten. Onze gedachten vlogen naar het lieve vaderland en door een smartelijk heimwee voelden wij ons aangegrepen—want daar ginds vierde men op dit oogenblik het Kerstfeest. Wij hadden punch gemaakt en onze pijpen gevuld met de heerlijkste tabak der aarde; onze Albanezer reisgenoot zong een roerend lied; de nacht omgaf als met een tooverwaas hart en zinnen; maar de glazen werden niet geledigd, de rookwolken namen de wolken der droefgeestigheid niet weg, het lied vond geen weêrklank in onze ziel en de nacht tooverde tevergeefs. Wij smeekten om een Kerstgeschenk—en wij ontvingen het!De nacht in het oerwoud is altijd majestueus en verheven; dan, wanneer de hemel in vuur wordt gezet door den bliksem, terwijl rollende donderslagen daarbij weêrklinken van het eene einde naar het andere; dan, wanneer de stormwind er giert, en ook dan, wanneer aan het eindeloos gewelf ver verwijderde zonnen stralen en blad noch halm zich beweegt. Weinige minuten reeds na zonsondergang hult de nacht het woud in zijn grijzen mantel. Wat in het daglicht duidelijk zichtbaar was wordt nu omfloersd; wat in het zonnelicht nog te omvatten omtrekken aannam, wordt thans tot een reuzengestalte. Bekende boomen worden tot spookgedaanten; de heggen van struikgewas tot zwarte muren. Het duizendstemmige alarm verstomt, diepe stilte vervangt het geraas. Maar een nieuw leven vangt aan, in het woud en op het water. Honderden cikaden doen een geluid hooren, dat eenigszins te vergelijken is met het verwijderd geklingel van kleine, onzuiver gestemde klokjes; duizenden, thans uit den slaap ontwaakte kevers, waaronder zeer groote soorten, snorren om de bloeiende boomen en laten een luid gegons hooren, dat eigenaardig past bij genoemd klokgelui. Kikvorschen, die slechts een enkelen, maar, de geringe grootte dezer dieren in aanmerking genomen, vrij luiden kreet voortbrengen, mengen zich daarin, en al deze stemmen, die doen denken aan den klank van een langzaam geslagen Chineeschen gong, weêrklinken ver door het woud.Een groote uil begroet den nacht met dof gehuil; een kleinere soort antwoordt met een honend gelach; een geitenmelker herhaalt telkens opnieuw een enkele strophe van zijn snorrend, rochelend gezang. Van[179]de zijde der rivier klinkthetweeklagend geroep van den nachtvogel, van de meeuwenfamilie, of van een schaarbek, die, dicht over de oppervlakte des waters strijkende, de golven half doorploegt; van de zandige eilanden en banken weêrklinkt het luide, ietwat krijschend geschreeuw van den griel, alsmede de toonrijke, klankvolle, gevoelige trillers van een waterlooper of plevier; boven het riet van het nabijgelegen meer krast een nachtreiger. In het dichte struikgewas of rondom de kruinen der boomen flonkeren duizenden glimwormen; een reusachtige krokodil, die reeds vóór zonsondergang de tegenoverliggende zandbank verlaten en het door de zon gegloeide pantser in de lauwe golven afgekoeld heeft, zwemt, half onder, half boven den waterspiegel drijvend, door den stroom, een spoor nalatende, dat in den maneschijn als zilver, in het sterrelicht als een snoer glimmende paarlen schittert. Boven de hoogste boomkruinen zweven met onhoorbaren vleugelslag oehoe’s en andere uilen; langs den oever vliegen in bevallige kronkellijnen langstaartige geitenmelkers; tusschen de kronen der boomen beschrijven vledermuizen hunne zigzagbanen; van den eenen kant der rivier naar den anderen trekken, soms bij scharen, vliegende honden of kalongs. En nu is ook de tijd gekomen, dat de overige zoogdieren des wouds zich laten zien of hooren. De een of andere jakhals vangt aan, beurtelings, nu eens treurige, dan meer vroolijke melodieën aan te heffen, die met evenveel gevoel als volharding worden voorgedragen; een dozijn soortgenooten valt terstond in en opent een zangwedstrijd, in welken ieder dingt en kampt om den eereprijs; enkele hyena’s schijnen slechts op deze voorzangers gewacht te hebben, om nu een koor aan te heffen van huilende, lachende, klagende en juichende stemmen; de panter bromt; de leeuw brult, en zelfs het nijlpaard, dat nog den stroom niet heeft verlaten, verheft knorrend zijn armzalige stem.Zoo spreekt en openbaart zich de nacht in het oerwoud; zoo boeide hij op dien voor mij onvergetelijken dag mijn oogen en ooren. De kevers, cikaden, uilen en geitenmelkers hadden aangevangen; daar schetterden schrille, krachtige, dreunende tonen door het bosch, als trompetgeluiden uit ongeoefende monden. Oogenblikkelijk verstomden de liederen van onzen Albanees, verstomde het gesprek onzer bedienden en matrozen, en allen luisterden evenals wij. Nogmaals schetterde en dreunde het aan den overkant. „El fioel, el fioel!” riepen de inboorlingen: „olifanten, olifanten!” jubelden ook wij. Het was voor het eerst, dat wij de reusachtige dikhuiders, op wier paden wij tot nog toe[180]bijna altijd hadden gewandeld, wier sporen wij zoo dikwijls hadden achtervolgd, vernamen, beluisterden. Aan den tegenoverliggenden oever daalden op gemakkelijke en zekere wijze, reusachtige, in ’t schemerlicht van den nacht met genoegzame duidelijkheid waarneembare gedaanten naar het water af, om uit de rivier te drinken en zich daarin te baden. De een na den ander stak zijn lenigen tromp in het water, om dien te vullen en daarna den inhoud òf in den wijden bek, òf over hals en schouders en rug uit te storten; de een na den ander daalde in de rivier af om hier een verkoelend bad te nemen. En even alsof het straks gehoorde trompetgeschal een krijgsroep was geweest, zoo rumoerig werd het nu in het woud. Vroeger dan gewoonlijk verhief de koning der wildernis zijn donderende stem; een tweede en derde leeuw beantwoordde dien koninklijken groet. Verschrikt vliegen de van slaap dronken apen op en laten een luid geschreeuw hooren; van angst jammeren de antilopen mede. Daar rekt in de onmiddellijke nabijheid onzer boot een nijlpaard zijn monsterkop boven het water uit en begint te brullen, evenals meende hij een wedstrijd aan te vangen met de donderende stem van den leeuw; ook de panter waagt het zich te doen hooren; jakhalzen vangen het afwisselend lied aan, dat wij reeds kennen, de gestreepte hyena’s huilen, de gevlekte doen hun helsch, merg en been doordringend gelach hooren; alleen de kikvorschen en cikaden, onverschillig omtrent de roepstem van den koning en die van de grootwaardigheidsbekleeders van het woud, gaan voort, de eersten met hun eentonig geschreeuw, de laatsten met hun klokgelui.Dit was het „Eere zij God in den hooge” dat het oerwoud ons toezong.[181]

VI.HET OERWOUD EN DE DIERENWERELD VAN AFRIKA’S BINNENLAND.

Rijk moge Afrika’s steppe zijn, vooral wanneer men haar vergelijkt met de woestijn, de weelderige vegetatie der tropen wordt evenwel niet in haar gevonden. Wel oefent de bezielende kracht des waters er haar gezegenden invloed uit, maar die invloed duurt te kort dan dat hij ongestoord zou kunnen werken. Met het ophouden van den regen sterft ook de groeikracht, terwijl de hitte en droogte weder alles vernielen, wat de regen had voortgebracht.Daarom kunnen in de steppe slechts die planten tot ontwikkeling komen, wier leven binnen weinige weken wordt afgespeeld, niet zulke gewassen, die de eeuwen verduren. Eenig en alleen in de laagten, die rijk zijn aan nooit verdrogende stroomen en die zoowel door deze als door den regen gedrenkt worden, alwaar zonnelicht en water, warmte en vochtigheid gemeenschappelijk werkzaam zijn, ontwikkelt, ontvouwt en bestendigt zich de feeënrijke volheid der keerkringslanden. Hier groeiden bosschen op, die wat pracht, majesteit, schoonheid en rijkdom betreft, in niets onderdoen voor de wouden van de gezegendste landen op lager breedten, oerwouden in den volsten zin des woords, die zonder toedoen van den mensch ontstaan en vergaan, vergrijzen en zich weêr verjongen, op den huidigen dag nog alleen zichzelf toebehooren en in staat zijn eene rijke fauna te onderhouden.Uit het zuiden brengen de voorjaarsstormen de van regen zwangere wolken naar die landen van Afrika, welke ten noorden van den evenaar zijn gelegen; deswege vallen deze wouden niet terstond den uit het noorden komenden reiziger in ’t oog, maar eerst dan, wanneer deze van lieverlede, steeds meer en meer naar het zuiden voorwaarts dringt. Hoe meer men den aequator nadert, hoe scheller het licht wordt van den bliksem, hoe luider en meer afgebroken de donder ratelt, hoe heviger de regen in stroomen naar beneden stort, maar ook, hoe[151]weelderiger alle planten groeien en hoe vormenrijker de dierenwereld wordt; naarmate de regentijd spoediger aanvangt en naarmate deze langer duurt, des te grooter en meer wonderen schept hij. In juiste overeenstemming met de toenemende vochtigheid, verbreedt, verdicht, verhoogt en dijt het woud. Van af den zoom der rivieren tot diep in het binnenland strekt zich de heerschappij der plantenwereld uit; geen plekje is meer ledig, van den dichtbegroeiden grond tot de toppen der hoogste boomen. Boomen, die elders slechts dwergen schenen, groeien hier op tot reuzen; bekende soorten worden tot een voedingsbodem voor nog onbekende woekerplanten; daar tusschen streeft eene nog nooit geziene vegetatie naar omhoog in het licht. Maar ook hier, althans in den noordelijken zoom van dezen gordel, werken de hitte en droogte van den winter nog altijd sterk genoeg om de bladerenpracht der boomen voor een tijd haar glans te doen verliezen en althans de meesten ettelijke weken tot rust te doemen. Te hoorbaarder klinkt dan ook de wekstem der lente door het sluimerend woud, en met te meer kracht ontwaakt na de winterrust het leven, dat de eerste regens van het bevruchtende jaargetijde oproepen.Om de oerwouden dezer landen zoo getrouw mogelijk te malen, neem ik de lente tot uitgangspunt. De heraut en drager der regenwolken, de zuidenwind, moet nog den strijd bestaan met den koelen luchtstroom uit het noorden, wanneer het woud alle heerlijkheid, waarin het kan optreden, zal openbaren, en op een zijner hartaders, op een zijner stroomen moet men dat woud binnendringen, wanneer men het volle, rijke leven, dat daar heerscht, wil leeren kennen.De „blauwe Nijl”, de Asrakh, wiens bronnen in Habesch liggen, zal onze heerbaan zijn; want aan dezen stroom hechten zich de schoonste beelden, die op mijn vele en lange reizen mijn eigendom werden, en op deze rivier ben ik wellicht beter gids dan op elke andere. Of ik daarbij tevens een goede tolk van het woud zal kunnen wezen, ziet, zulks betwijfel ik zeer. Want het oerwoud is een wereld vol glans en licht, vol tooverachtige schoonheid, een rijk vol wonderen, welks tresoren geen sterfelijk oog nog alle heeft aanschouwd, die veel minder reeds alle werden ontgraven; een schatkamer, oneindig meer opleverende dan men in staat is te verzamelen; een paradijs, alwaar de schepping elken dag zich verjongt; een toovercirkel, die voor een ieder, die er binnendringt, grootsche en liefelijke, ernstige en vroolijke, schitterend heldere en nachtelijk donkere beelden ontrolt; een geheel, dat uit[152]duizend gelijksoortige deelen bestaat, daarbij oneindig veel vormen vertoont, en toch een ondeelbaar geheel, dat den spot drijft met elke poging om het te ontleden en naar waarde te schetsen.Een klein, licht, opzettelijk tot reisboot ingericht vaartuig, zooals men dit in Kartoem, de hoofdstad van Oost-Soedan, aan de samenvloeiing der beide Nijlarmen gelegen, kan vinden, draagt ons naar den hooggezwollen Asrakh. Wij hebben de tuinen van de laatste huizen der hoofdstad achter den rug; de steppe nadert de rivieroevers. Hier en daar ziet men nog een dorp, of enkele, allerliefst onder mimosa’s wegschuilende, somtijds onder het groen der klimplanten, die van genoemde boomen afdalen, begraven hutten; overigens echter overal in ’t rond ziet men niets dan het golvende graswoud en de weinig talrijke, daaruit te voorschijn stekende boomen en struiken der steppe. Reeds na eene korte vaart maakt het woud zich van den oever meester en breidt hier en daar zijn doornige of met stekels bezette takken over den waterspiegel uit. Van nu aan vorderen wij langzaam. De tegenwind belet het zeilen, het woud het trekken. Met de bootshaken trekt de bemanning het vaartuig, voet voor voet, meter voor meter, stroomopwaarts. Echter, wanneer een hunner in den dichten doornenmuur van den oever eene opening ontwaart, waar men te voet verder kan gaan, stort hij zich in den stroom, het trektouw met de tanden vasthoudende, zijn sterfelijk ik onder bescherming stellende van Moehsa, den patroon der schippers, die de krokodillen van hem moge weren, zwemt tegen den stroom in naar de zooeven geziene plaats, werpt het touw om een boomstam en nu trekken zijn makkers het vaartuig naar bedoeld punt. Zoo arbeiden deze lieden van den vroegen morgen tot den laten avond, en wanneer de dag eindelijk voorbij is, hebben zij den reiziger dikwijls niet meer dan een of twee geographische mijlen verder gebracht. En toch, de dagen vliegen om zonder dat althans hij, die geleerd heeft te zien en te hooren, door verveling gekweld wordt. Den natuurkundige, ja eigenlijk iederen weetgierigen waarnemer, biedt elke dag iets anders, den verzamelaar rijk en veelsoortig materiaal.Nog een enkelen keer ontmoet men sporen van den mensch. Wie deze van den oever af vervolgt, komt langs smalle, door dicht geboomte weêrszijds nauw begrensde paden, bij de woningen van een zeer merkwaardig volkje. Het zijn de Hassanie, die hier huizen. Daar, waar de boomen des wouds minder dicht opeen staan, en geen drie- en viervoudig kroondak boven de hoofden opbouwen, maar slechts de hooggetopte,[153]schaduwrijke mimosa’s, tamarinden en baobabs groeien, daar sloegen onze luidjes hunne bevallige, tent- of kraamvormige hutten op, die in niets gelijken op de woningen der overige Soedaneezen.„Hassanie” beduidt zooveel als: nakomelingen van Hassan; „Hassan” wil zeggen: „de schoone,” en inderdaad, deze stam voert dien naam niet ten onrechte. Want de Hassanie zijn ontegenzeggelijk de schoonste menschen, die in het beneden- en middelgedeelte van dit stroomgebied wonen, terwijl inzonderheid de vrouwen alle overige Soedaneezen in welgemaaktheid van lichaam, in regelmaat van aangezicht en mindere donkerheid van huidkleur overtreffen; mannen en vrouwen beiden houden tevens streng vast aan zekere, zeer vreemde oudvaderlijke zeden—die men misschien evengoed wanzeden zou kunnen noemen. De Hassanie zijn daarom dan ook evenzeer beroemd als berucht, worden even sterk vermeden als gezocht, zoowel geprezen als bespot, verheerlijkt als gelaakt. Voor den onbevooroordeelden vreemdeling, die er prijs op stelt de zeden en gebruiken van andere volken te leeren kennen, zijn zij in elk geval een voorwerp van de grootste belangstelling, zoo niet om de schoonheid, dan toch om de behaagzucht, die de vrouwen aan den dag leggen. Die behaagzucht is van dien aard, dat men er onwillekeurig door in eene vroolijke luim wordt gebracht. Die vrouwen willen en moeten behagen. Het behoud harer schoonheid is het eenigste en hoogste doelwit, dat zij nastreven; zij stellen dit boven elk ander, zelfs geldelijk voordeel. Ten einde den invloed der brandende zonnestralen te ontgaan, die hare lichtbruine huidkleur in eene donkere zou kunnen veranderen, houden zij verblijf in de schaduw der boomen en stellen zich tevreden met een klein getal geiten, die behalve den hond haar eenige huisdieren zijn; in dat schemerlicht zouden zij er trouwens ook geen andere kunnen houden. Gaarne geven zij daarvoor den rijkdom in ruil, dien hare stamgenooten, de trekkende herders der steppe, vinden in talrijke kudden runderen en kameelen. In ’t belang harer schoonheid zijn zij er steeds op bedacht in ’t bezit te komen van een groot aantal slavinnen, die den zwaren arbeid voor haar kunnen verrichten; ter versiering van aangezicht en wangen verduren zij reeds als meisjes heldhaftig de pijn, die hare moeder haar aandoet, door met een mes drie diepe, parallelle, loodrechte kerven in de wangen aan te brengen, ten gevolge waarvan op die plaatsen even zooveel gezwollen litteekens te voorschijn komen, of ook wel door met eene naald de huid der slapen, van voorhoofd en kin te doorboren, om in[154]de wonden indigopoeder te strooien, waardoor er blauwe, spiraalvormige versiersels ontstaan; ten einde hare schitterend witte tandjes te conserveeren, gebruiken zij alle spijzen en dranken lauw; om lang verzekerd te blijven van den haartooi, die uit honderden fijne, zeer kunstig ineengedraaide bundeltjes bestaat, die zij insmeeren met arabische gom en vet, begeeren zij des nachts geen ander hoofdsteunsel dan een smal, halvemaanvormig houten kussen; om haar aesthetisch gevoel te bevredigen, misschien ook om door elken bewoner of bezoeker der kolonie opgemerkt en bewonderd te worden, verzonnen zij den eigenaardigen bouwtrant harer woningen. Men kan deze misschien het best vergelijken met de kramen op onze markten. De vloer, die uit dichtaaneengesloten, met elkaar verbonden, een duim dikke staven bestaat, ligt op een paalwerk, dat zich ongeveer een meter boven den beganen grond verheft en het binnendringen van alle kruipend ongedierte zeer bemoeilijkt, alsmede de vochtigheid afweert; de muren bestaan uit matten, het dak, dat aan de opengelaten noordzij overhangt, uit eene waterdichte, van geitenwol geweven stof. Sierlijke, uit palmbladen gevlochten matten bekleeden den vloer; kunstig bewerkte, gevlochten voorwerpen, guirlandes van schelpen, waterdichte mandjes, aardewerk en drinkschalen, die uit de helft eener pompoen bestaan, bonte, eveneens gevlochten eetnappen met deksels, en dergelijke meer versieren de wanden. Elk afzonderlijk voorwerp ziet er niet minder fijn bewerkt dan zindelijk uit; orde en reinheid in de geheele hut bekoren ons hier te meer, omdat beide in dit land zoo zeldzaam zijn.In zulk eene hut brengt de Hassanie den dag droomend door. In het beste gewaad gestoken, haar en huid met welriekende zalf ingewreven, het bovenlijf in een lang, dun, doorschijnend weefsel gehuld, terwijl om het benedenlijf een soort van rok is geslingerd, de voeten bekleed met net bewerkte sandalen, hals en borst versierd met kettingen en amuletten, de armen met snoeren, samengesteld uit stukjes barnsteen, den eenen neusvleugel zoo mogelijk met een zilveren, soms wel met een gouden ring getooid, zoo zit zij in de schaduw neder en verkreukelt zich in haar schoonheid. De kleine hand houdt zich onledig met eenig vlechtwerk, het vervaardigen van eenig kleedingstuk of het een of ander huisraad, hanteert wellicht op dit oogenblik den tandenschuier, een aan beide einden uitgerafelde, voor het doel uitnemend geschikte plantenwortel. Het werk, dat de huishouding vereischt, neemt eene slavin op zich; met de oppassing en verzorging der kleine[155]kudde, voor zooverre die arbeid eenige moeite vergt, is de dienstvaardige, meer dan gewoon vriendelijke echtgenoot belast. Weldoordachte, zeer ongewone huwelijkskontrakten, zooals deze onder haar stam gebruikelijk zijn en trots alle voorschriften en bevelen van de beheerschers des lands steeds in stand blijven, waarborgen der vrouw ongehoorde rechten. Zij is meesteres in de onbeperkste beteekenis des woords, meesteres zelfs over haar echtgenoot, althans tot zoolang haar schoonheid bloeit; maar is eenmaal de ouderdom gekomen en met dezen de schoonheid verwelkt, dan ook leert zij de vergankelijkheid van alle aardsche heerlijkheid kennen. Tot zoolang doet zij, enkel beperkt door de grenzen van vrijheid, die zij zich zelve stelt, alles wat haar goeddunkt. Zoolang de kronen der boomen om hare hut geen schaduw genoeg werpen, verlaat zij hare woning niet, maar heet daarentegen iedereen, vooral den vreemdeling, die bij haar binnentreedt, hartelijk welkom, om alleen, of met behulp van haar echtgenoot de eer van den stam op te houden, die in eene bijna grenzenlooze gastvrijheid bestaat. Maar wanneer de avond is gedaald, begint eerst haar eigenlijk leven. Nog voor de zon is ondergegaan, komt er beweging in de kolonie. De eene vriendin bezoekt de andere; andere vrouwen voegen er zich bij; trommel en cither lokken nog meerderen; slanke, bewegelijke, buigzame gedaanten reien zich ten vroolijken dans. Poezele handjes dompelen de drinkschalen in buikige, met merisa of doerrabier gevulde urnen, om ook de harten van mannen gelukkig te maken. Oud en jong stroomt samen en viert met te meer vreugde het avondfeest, wanneer de tegenwoordigheid van vreemde bezoekers dit opluistert. Ongewoon groot is de gastvrijheid van alle Soedaneezen, maar zoo groot als de gastvrijheid der Hassanie is die van geen enkelen stam.Bij de voortzetting onzer reis stooten wij nog een enkele maal op de nederzettingen dezer boschherders, ook soms op de dorpen van andere Soedaneezen; eindelijk, na eene maandenlange vaart bereiken wij het gebied, waarheen het doel was gericht. Aan beide oevers der rivier belet een onafgebroken woud het uitzicht naar binnen.In deze streken vindt men geen nederzettingen van menschen meer, geen dorpen, geen akkers, geen tijdelijke legerplaatsen; in deze wouden weêrklonk nog nimmer de bijlslag, daar de mensch er zich nog niet meester van maakte; hier huizen enkel, door niets en niemand gestoord, de dieren der wildernis. Ondoordringbare heggen sluiten den toegang van de rivierzijde af en weerstreven elke poging om tot bet binnenste[156]dezer bosschen door te dringen. Uit alle schakeeringen van groen is het betooverend beeld dezer wouden gemaald; een beeld, dat ons nu eens bekend, dan weder geheel vreemd voorkomt. Lichtgroene mimosa’s vormen den achtergrond, als zilver, glinsterende palmbladeren, de donkergroene kronen der tamarinden, heldergroene struiken van Christusdoorns steken tegen dien achtergrond af; veelsoortig gevormde bladeren sidderen en wiegelen, door den wind bewogen, glinsteren en schitteren, nu de eene, dan de andere zijde ons toekeerende, voor het oververzadigde en verblinde oog, dat zich vergeefs vermoeit om dat gewarrel der bladeren te ontsluiten en de afzonderlijke deelen vaneen te scheiden. Mijlen ver dragen de beide oevers ditzelfde karakter, zijn zij even dicht begroeid, even grootsch omzoomd, even ondoordringbaar.Daar vertoont zich eindelijk een pad, wellicht zelfs een breede weg, die naar het binnenste van het woud schijnt te leiden. Tevergeefs echter speurt het oog naar de indrukselen van menschelijke voeten. Door menschen werd dit pad niet gebaand, de dieren des wouds hebben het aangelegd. Eene kudde olifanten trok door het dicht ineengeweven woud om van de waterlooze hoogten, die den oever begrenzen, naar den stroom af te dalen. In eene lange rij achter elkaar marcheerende, braken de zware dieren ongehinderd door het duizendvoudig ineengevlochten onderhout en lieten zich slechts door de zwaarste, hooggestamde boomen van den rechten weg afleiden. Hinderlijke takken, alsmede stammen ter dikte van een mansbeen werden afgebroken, onttwijgd, ontbladerd, tot op de onbruikbare deelen verteerd en dan op zij geworpen; de struiken, die den grond bedekken, werden met de wortels uitgetrokken en op dezelfde wijze gebruikt en weggeworpen, gras en kruiden vertrapt en vertreden. Wat de voorsten lieten staan, viel den achtersten ten offer, en zoo ontstond er een betreden, meestal diep tot in het binnenste van het woud voerend pad. Andere dieren droegen er zorg voor dien weg nog meer te effenen en het weder dichtgroeien te verhinderen. Op zulk een weg waagt zich het nijlpaard, dat in het nachtelijk uur uit de wateren van den stroom opstijgt, om in het bosch te grazen; op zulk een pad wandelt het neushoorndier om van uit het bosch naar den stroom te gaan drinken; op dit pad trekt de onbesuisde wilde buffel naar beneden en stijgt hij wederom naar de hoogte terug; hierop wandelt de leeuw door zijn gebied; en op ditzelfde pad kan men hem of den panther, de hyena en andere roofdieren des wouds ontmoeten.[157]Op dit pad dringen ook wij voorwaarts.Wij hebben nog maar weinige schreden gedaan en reeds omgeeft ons het majestueuse woud aan allen kant. Maar tevergeefs blijkt het ook hier de stammen-, takken-, twijgen-, ranken- en bladerenmassa’s te willen ontwarren. Als een muur sluit het woud zich aan beide zijden van den weg af. Onafgebroken staren ons dicht in elkaar gegroeide, ineengewevene, zelfs voor het oog ontoegankelijke, den grond overal woekerend bedekkende bosschen en struiken aan; alleen door deze op zij gedrongen, ontspruiten daartusschen allerlei grassen, die een nieuw onderhout in het bestaande onderhout vormen; onmiddellijk daarboven strekken hoogere struiken en lage boomen de twijgen hunner kronen naar alle zijden uit; en boven deze laatsten eindelijk verheffen zich de reuzen des wouds.Verreweg de meeste struiken van het onderhout zijn dicht met doornen, de daarboven uitstekende mimosa’s met lange, harde en puntige stekels gewapend, en zelfs de grassen dragen klisachtige, overal met fijne stekeltjes bezette zaaddoozen, of met haken gewapende aren, zoodat elke poging om van den weg uit naar binnen te dringen, op duizend hindernissen stuit.De gedoode vogel, die bij het neêrvallen op een der naaste struiken is blijven hangen, is voor den schutter verloren; zonder bijna bovenmenschelijke inspanning zou men niet in staat zijn dat boschje te bereiken; het wild, dat zich voor het oog des jagers in zulk een struikgewas verbergt, heeft zich gered, want het is onzichtbaar geworden; een krokodil, meer dan 3 meter lang, dien wij in het bosch deden opschrikken, ontging ons, daar het dier zich wist te verschuilen in het struikgewas, dat hem zoo geheel aan onze oogen onttrok, dat wij ook zelfs geen schub meer konden ontwaren, dus ook geen schot behoefden te doen.Nog altijd doet men vergeefsche pogingen om meester te worden van de veelheid der indrukken, om het eene beeld van het andere te scheiden, om zelfs maar éénen boom van den grond af tot aan zijn top afzonderlijk te beschouwen, de bladeren van den een af te zonderen van die des anderen. Van uit de rivier was het nog mogelijk enkele frischgroene tamarinden te scheiden van de hun omgevende veelsoortige mimosa’s, de prachtige, aan onzen olm herinnerende Kigelia’s in ’t oog te vatten, zich te vermeien in den bladerenkroon eens palmbooms, die hoog boven de andere woudboomen uitstak; hier, in het binnenste[158]van het woud versmelten alle afzonderlijke deelen tot een enkel, ondeelbaar geheel. Alle zinnen worden te gelijk in beslag genomen. Uit hetzelfde loofdak, dat het oog tracht te openen, stroomen de zoete geuren ons tegen van enkele, nu bloeiende mimosa’s, klinkt een mengelmoes der vreemdsoortigste geluiden en tonen, het gegorgel der meerkatten, het gekrijsch der papegaaien, het gearticuleerde geluid der zangers, het gegons der de bloeiende boomen omzwermende insekten, ons in de ooren; het lichamelijk gevoel wordt niet minder, alhoewel op weinig aangename wijze, aangedaan door de ontelbare doorns, terwijl zelfs de smaak voldoening kan vinden in enkele bereikbare, ofschoon niet erg smakelijke vruchten.Eindelijk evenwel, als men verder doordringt, treedt een zelfstandig en bepaald beeld voor ons op. Gigantisch in zijn geheelen bouw, reusachtig zelfs nog in zijn takken, verheft zich een boom boven de ontelbare planten, die zijn voet met groen omlijsten; als een titan stijgt hij omhoog, baant hij zich ruimte voor stam en kruin. Het is de olifant onder de boomen, de Adansonia of Tabaldie der inboorlingen, de baobab of apenbroodboom. Versteld blijft men staan; het oog moet zich eerst gewennen aan dit gezicht, alvorens de afzonderlijke deelen in ’t oog te kunnen vatten.Men denke zich een boom, welks stam, ter hoogte eener manslengte boven den grond, een omvang heeft van twintig vademen, welks onderste takken de zwaarste stammen onzer boomen nog in dikte overtreffen, welks twijgen zelfs dikke takken zijn en welks jongste spruiten vele centimeters doorsnede hebben; men denke zich daarbij eene hoogte van veertig meter, terwijl de onderste takken zich tot op de helft dezer hoogte uitbreiden, en men zal zich eene flauwe voorstelling kunnen vormen van den indruk, dien deze boom op den beschouwer maakt. Van alle boomen in dit oerwoud verliest de baobab het eerst zijn bladeren, en volhardt tevens het langst in zijn winterrust; al dien tijd teekenen zich niets dan dorre takken en twijgen tegen de lucht af, beladen met aan lange, buigzame stelen hangende vruchten, die in grootte op suikermeloenen gelijken en tusschen de zaden een meelachtig, zuur smakend merg bevatten; het is een gezicht, dat men niet gemakkelijk vergeet. Wanneer evenwel na den eersten voorjaarsregen de groote, vijfspletige bladeren te voorschijn komen en zich ontwikkelen, om dan eerst de eigenlijke wonderpracht dezer boomen tot aanschouwing te brengen; wanneer zich de langgesteelde[159]knoppen der witte bloemen, die de grootte eener roos bereiken, tusschen de bladeren laten zien, dan verkeert de onvergelijkelijke reuzenboom als door tooverij in een gigantischen rozenstruik van ongemeene pracht, en zelfs de ziel der meest prozaïsche menschen wordt tot in het binnenste van haar binnenste ontroerd.Geen enkele boom van het oerwoud kan zich meten met de Adansonia; zelfs de Delebpalm, die gewoonlijk zijn kruin boven alle omgevende toppen verheft, verliest tegenover den eerste iets van zijn bekoorlijkheid en aantrekkelijkheid, en toch is deze palmboom een der heerlijkste boomen van Afrika’s binnenlanden, ja een der schoonste palmen der geheele aarde. Zijn stam is een zuil, zooals geen kunstenaar haar schooner zich kan denken, zijn kroon een kapiteel, gelijk bij zulk een zuil past. De loodrecht opstijgende, boven den grond verdikte stam verjongt zich op eene in ’t oog vallende wijze tot op ’t midden der lengte, om van dit punt af dikker, dan nogmaals dunner te worden en onmiddellijk onder de kroon nogmaals op te zwellen; de kruin zelf bestaat uit breede, bijna een vierkanten meter groote, waaiervormige bladeren, wier stelen naar alle kanten in rechte lijnen van het middelpunt afstaan, wat aan de kroon een indrukwekkend voorkomen geeft. Tusschen deze bladeren prijken de trosvormige vruchten, die de grootte van een kinderhoofd bereiken en niet weinig bijdragen om de schoonheid te verhoogen, welke deze heerlijke kroon niet enkel aan den stam, maar ook aan het geheele woud verleent.Aan het reusachtige hecht zich steeds het sprookje, dat daardoor leven, vorm en beteekenis erlangt. Deze gedachte dringt zich onwillekeurig bij ons op, wanneer wij, zooals dikwijls het geval is, eene Adansonia omslingerd en omsponnen zien door een dier klimplanten, welke in rijken overvloed ook deze oerwouden sieren en tooien. Mij doen zij steeds denken aan de Arabische tooververtellingen. Want even als de klimplant geen voedenden grondslag schijnt noodig te hebben, ofschoon zij werkelijk daaruit ontkiemde, maar haar voornaamste voedsel put uit den aether; evenals zij haar ranken van boom tot boom slingert om ze telkens vast te hechten en toch steeds hooger te klimmen, totdat zij zich eindelijk over den eenen of anderen kruin uitbreidt en er de schitterendste en geurigste bloemen over uitstrooit—eveneens schijnt ook het sprookje, hoe vast het inderdaad in het feitelijke moge wortelen, niet aan de werkelijkheid ontleend te zijn, en klimt het, om meerdere sterkte te ontvangen, tot de hemelen omhoog en zendt het[160]zijn verdichtselen door de wereld, tot het een hart vindt, vatbaar om geroerd en verwarmd te worden. Wanneer ik van de klimplant spreek, bedoel ik niet eene bepaalde soort, maar begrijp onder dit woord alle gewassen, die hier in saamgedrongen schroeflijnen een stam omgeven, ginds zich slingeren om een kale kruin, elders vele boomen aaneensnoeren, wederom op eene andere plaats een enkelen boom met groen bedekken, in dit gedeelte des wouds als naakte ranken een brug slaan van tak tot tak, in een ander gedeelte den weg versperren, en nog op velerlei andere wijzen, maar altijd klimmende, altijd rankende, zich voordoen.Hare schoonheid en de betooverende indruk, dien zij op den bewoner der noordelijke landen uitoefenen, laat zich gevoelen, maar niet in woorden teruggeven; want evenals men aan eene klimplant dikwijls begin nog einde kan aanwijzen, evenmin is er een uitdrukking te vinden, die als begin of slot eener juiste beschrijving zou kunnen dienen.De slingerplant is tastbaar aanwezig en toch voor de waarneming niet toegankelijk; men vervolge vol bewondering het pad, dat haar ranken hebben ingeslagen, maar het blijft onmogelijk uit te vorschen, waar deze vandaan zijn gekomen en werwaarts zij zich begeven; men geniet van de aanschouwing harer bloemen, zonder te vermogen deze machtig te worden; dikwijls kan men slechts vermoeden, dat die bloemen door haar werden voortgebracht. De klimplant eerst drukt een stempel op het oerwoud.En niet alleen ontplooit zij haar eigen bloemen, zij tooit zich nog daarenboven met vreemde. Op hare ranken rusten bij voorkeur zekere prachtvogels des wouds, die tot levende bloemen worden, en de natuurlijke in pracht en schoonheid zelfs overtreffen. Nu en dan wordt het oog getroffen door een flikkerend licht, evenals dat, hetwelk een door de zonnestralen getroffen spiegelvlak uitzendt. Dit licht is inderdaad niets anders dan teruggekaatst zonnelicht, opgevangen door het atlasgroene gevederte eener glansspreeuw, en dat bij elke beweging van dezen vogel eene andere richting inslaat, nu naar boven, dan naar beneden, nu naar rechts, dan naar links. Betooverd door de ongemeene schoonheid van dezen enkelen vogel, zou men hem nauwlettend willen gadeslaan, zou men elke zijner levensuitingen willen bespieden, maar men wordt voortdurend door nieuwe indrukken afgeleid.Want ook hier verdringt het eene beeld onophoudelijk het andere.[161]Ter plaatse, waar zooeven de glansspreeuw zich liet zien, verschijnt in het naast volgende oogenblik een niet minder schitterende en glinsterende goudkoekoek, een honigzuiger, die inveêrenprachtmet de kolibri’s kan wedijveren, een paar aanvallige bijeneters, een met levendige kleuren prijkende scharrelaar, een niet minder schoone liestvogel, een paradijsvliegenvanger, wiens lange, hangende middelste stuurpennen den kleinen vogel tot geen gering tooisel verstrekken; een helmvogel, die bij elken vleugelslag de donker purperroode slagpennen ontplooit, een klauwier, wiens helderroode borst genoemde slagpennen nog in de schaduw stelt, een zeer vreemd gevormde neushoornvogel, een goudwevervogel, een whidah, een boomhop met metaalglans, een sierlijke specht, een bladgroene duif, eene vlucht eveneens gekleurde papegaaien en vele andere gevederde boschbewoners meer. Het oerwoud is de meest geschikte verblijfplaats voor vogels; het biedt honderden en duizenden soorten herberg en voedsel, en daarom ziet de waarnemer ze spoediger en meer dan alle overige daarin schuilende dieren. De vogels bewonen en verlevendigen alle deelen des wouds, elke boomkruin, den grond, de hoogste toppen, de ondoordringbaarste struiken en zelfs de bladerlooze takken der Adansonia’s. Tusschen de grassen en andere planten, die den grond woekerend bedekken, banen frankolijnen en misschien ook parelhoenders dooreengeslingerde, allengs plat getreden paden. In het loof, boven de wortels van het kreupelhout hebben zich kleine duiven, in de uiteengespreide kruinen verschillende prachtvogels, vooral honigzuigers en prachtvinken genesteld; naar de dicht als vilt ineengeweven en schier ondoordringbare toppen der heesters snorren geheele familiën muisvogels als afgeschoten pijlen los, om al kruipende en schuivende, elk gaatje benuttende, door elke opening zich wringende, zich tot het inwendige een weg te banen; boomhoppen, meezen en spechten hangen en klauteren op en tegen de stammen, die boven genoemde struiken en heesters uitsteken, om elke spleet in schors en bast te onderzoeken; op de onderste twijgen der tweede kroonlaag zitten, loerende op gevleugelde insecten, de aanvallige bijenvreters of scharrelaars, de paradijsvliegenvangers en drongo’s; op de sterkere takken der derde laag huppelen de helmvogels, stappen deftig kleine reigers heen en weêr, slapen, tegen den stam gedrukt, oehoe’s en andere uilen; in het dichte loof der hoogste boomen spelen papegaaien en baardvogels; terwijl eindelijk, op de allerhoogste takken, arenden, valken en gieren zich hebben neêrgelaten. Werwaarts het oog schouwt rust het op een vogel.[162]Met deze algemeene verbreiding en alomtegenwoordigheid in overeenstemming, treffen dan ook onafgebroken de meest verschillende vogelstemmen het oor. Het is een lokken en roepen, piepen en fluiten, kweelen, trillen en snateren, kirren, kwaken, schreeuwen, kraaien, krijten, gillen, zingen en slaan, links en rechts, vóór ons en achter ons, omhoog en omlaag, en zulks zoowel te noen als in den morgen of op den laten avond.Honderdvoud verschillende stemmen weêrklinken gelijktijdig en door elkander, vereenigen zich soms tot een op zich zelf staand groot concert, dan weder tot een betooverend mengelmoes van tonen, dat men tevergeefs poogt te ontwarren en eerst na langen tijd in zijn enkele bestanddeelen vermag te ontleden. Met uitzondering van de lijsters, bulbuls en boschzangers, basterdnachtegalen en drongo’s bevinden zich hier geen echte zangers, wel bekoorlijke praters en gemoedelijke babbelaars, maar inzonderheid oneindig veel schreeuwers, krassers, schetteraars en andere meer of minder luid gillende vogels.Het oerwoud kan zich dus, wat liefelijkheid en welluidendheid van gezang aangaat, in de verste verte niet meten met onze bosschen op een lentemorgen, maar wint het aan den anderen kant door de vreemdsoortigheid en het karakteristieke der afzonderlijke stemmen.Wilde duiven koeren, kirren, huilen, lachen, en roepen uit de toppen der boomen en de dichte struiken; frankolijnen en parelhoenders schetteren luid daartusschen; papegaaien mengen er zich schreeuwend, raven krassend in; alarmvogels trachten het vreemde keelgeluid eener meerkattenfamilie na te bootsen, terwijl de helmvogels tonen voortbrengen, die aan een buikspreker doen denken; baardvogels fluiten luid op slependen toon, of dragen gemeenschappelijk een schel verward, maar toch gevoelvol lied voor, dat men kan kenmerken als een der eigenaardigste natuurgeluiden des wouds; de schitterende glansspreeuwen rijgen, verbinden en versmelten de weinige, ruwe, nu eens krassende, dan weder gillende, ratelende, of krijschende geluiden, over welke zij beschikken kunnen, in eindelooze herhaling aan en met elkander tot een zeker geheel; de prachtige schreeuwzeearend, die zijn woonplaats opslaat aan alle waterbekkens en waterstroomen des lands, doet zijn naam geen oneer aan.Hoog op den top eens booms zit de „Aboe Tok” (voortbrenger van het geluid „tok”) der inboorlingen, een kleine neushoornvogel, die luid zijn „tok” door de wildernis laatweêrklinkenen elken roep doet vergezeld[163]gaan van eene diepe buiging met zijn door een bovenmatig grooten snavel bezwaarden kop.Enkel dit ééne geluid heeft hij in zijn plompen keel en hiermede moet hij evengoed aan het wijfje zijn liefde verklaren als de nachtegaal zulks doet met zijn betooverend gezang. Het verheven gevoel, dat zijn borst doet zwellen zoekt uiting; steeds sneller volgen de tonen elkander op, steeds sneller ook de buigingen, die daarmede vergezeld gaan. Eindelijk raakt de logge kop vermoeid. Het minnelied is tevens uit, maar spoedig daarna vangt het opnieuw en op gelijke wijze aan. Uit het ongenaakbaar dikke struikgewas, klinkt de stem van den hagedasch of bosch-ibis; huivering bevangt den waarnemer als hij dit hoort. Het is een jammerend klaaglied, wat deze vogel ons aanbiedt; het klinkt alsof er een kind pijnlijk gemarteld wordt, b.v. langzaam over een zwak vuur zal geroosterd worden, terwijl het onder deze marteling luide kreten slaakt; langgerekte, klagende tonen wisselen af met een gillend geschreeuw, snelle kreten met een wegstervend gejammer. Uit de hooger gelegen deelen van het woud, van af daar, waar zich kleine open plekjes bevinden, schetteren de ver hoorbare, metaalachtige trompetgeluiden van den kroon-kraanvogel, die daarmede zijn sierlijke, vlugge, ter eere van het wijfje uitgevoerde dansen schijnt te willen aanvuren, en zoowel in het bosch als in de kelen van andere eveneens gillende vogels echo’s opwekt; een groot aantal krijschende stemmen mengen zich tot een veelvoudig koor. Dit concert is weer aanleiding, dat elke geluidgevende vogel zijn keel begint te roeren, en in een stroom van de meest verschillende geluiden gaan alle afzonderlijke stemmen nu verloren.Het zijn echter niet enkel de verschillende soorten van gewiekte bewoners des wouds, die deel nemen aan zulk een algemeen concert, maar zelfs de diverse geslachten eener soort vereenigen zich om de een of andere partij in het lied op zich te nemen. Evenals de vermelde baardvogels vangen ook de basterd-lijsters, de alarmvogels, de frankolijnen en parelhoenders steeds op hetzelfde oogenblik hun geschreeuw aan, en zoo hoort men te midden van het algemeene mengelmoes van geluiden tevens nog afzonderlijke, duidelijk waarneembare strophen. Sommige vogelsoorten, vooral de struikklauwieren, gaan op andere wijze te werk, daar mannetje en wijfje elk eene bijzondere strophe zingen. Het mannetje der eene soort, die ik leerde kennen, nl. van den scharlaken-klauwier, zingt eene korte strophe, die doet denken[164]aan het ingewikkeld gefluit van den wielewaal; het gezang van den fluitklauwier bestaat uit drie zeer zuivere fluitgeluiden, die samen terts, grondtoon en octaaf vormen. Onmiddellijk daarna volgt het antwoord van het wijfje, in beide gevallen een onaangenaam, moeilijk te beschrijven gekras, maar zoo maatrijk en zeker, als waren de vogels bij een toonkunstenaar in de leer geweest. Somtijds begint het wijfje het eerst; het laat vier of vijf malen een geschreeuw hooren alvorens antwoord te bekomen; dan valt echter het mannetje weêr in en van nu af wisselt beider gezang of gesprek met de gewone regelmatigheid af. Ik heb mij door proefneming van dit samenwerken der beide geslachten overtuigd, door nu eens een mannetje, dan weder een wijfje te schieten, en altijd bevonden, dat alsdan nog slechts het overblijvende geslacht zich hooren liet.Jammer genoeg mist men ook in deze aanvankelijk boeiende tonen dien rijkdom en die afwisseling, die harmonie en zoetheid, eigen aan het gezang der vogels in onze vaderlandsche bosschen. Toch is het eene grootsche en kernachtige melodie, welke het oerwoud te hooren geeft, wanneer in het vroege voorjaar al die honderden en duizenden veelsoortige stemmen door elkander klinken, als millioenen van insecten de bloeiende boomen omzwermen en ook haar luid gegons daarin mengen, wanneer tallooze hagedissen en slangen het dorre loof doen ratelen en het gillende, maar van uit de hoogte toch nog welluidend geroep van den adelaar, of het trompetgeschetter van den kroonkraanvogel en de parelhoenders bij tusschenpoozen alle andere geluiden overstemmen, terwijl een oogenblik later in de onmiddellijke nabijheid van het luisterend oor een boschzanger zijn bekoorlijk lied voordraagt, en daarna weder een der toongevende schreeuwers zich opnieuw laat hooren om in duizend kelen echo’s op te roepen.Wordt men meer vertrouwd met het woud, meer zelfs dan men aanvankelijk dorst hopen, dan schenkt het ons steeds ruimer gelegenheid om kennis te maken met het huishoudelijk leven der dieren, en waarlijk aantrekkelijke beelden ontvouwen zich voor ons oog. De vogels treden hierbij al weêr op den voorgrond. Nog voert de lente haar heerschappij en met haar heerscht ook nog de liefde in elke vogelborst. Men zingt en koost, bouwt en broedt. Reeds van uit de boot ontwaart men de nestkolonies van sommige soorten.Op voegzame hoogte boven het hoogste waterpeil der rivier, aan eenen steil afvallenden oeverkant, groeven de bijenvreters hunne nauwe, maar diepe, aan ’t eind bakovenvormig uitgeholde broedplaatsen.[165]Op eene oppervlakte van weinige vierkante meters is de geheele kolonie opeengehoopt, ofschoon gewoonlijk tachtig tot honderd paren zich vereenigen; de cirkelvormige, drie, vier tot vijf centimeters breede ingangen der nestholten zijn ten hoogste vijftien centimeter van elkander verwijderd. Het schijnt onbegrijpelijk hoe elke vogel zijn eigen nest weet te onderscheiden van dat der anderen, en toch vliegen deze lichtgewiekte, schrandere vogels, zelfs wanneer zij van verre komen aanijlen, zonder dralen, zonder zich te bedenken elk in zijn eigen hol; hun uitnemend gezicht, dat reeds op een afstand van honderd schreden een voorbijsnorrende vlieg ontwaart, bedriegt hen nimmer. Het is een bekoorlijk schouwspel het levendig bedrijf dezer vogels gade te slaan. Alle boomen en struikjes der omgeving zijn ten minste met een enkel paar dezer gezellige, fraaie vogels getooid; op iederen tak, waar het uitzicht eenigszins vrij is zit een paartje, en elk der echtgenooten neemt vol belangstelling deel in alles wat den ander wedervaart of wat deze doet. Voor den ingang der nestholten gaat het even levendig toe als voor een bijenkorf; hier kruipen de vogels naar binnen, daar kruipen andere naar buiten; deze komen, gene gaan; een aantal zweeft weder voor de ingangen of vliegt naar de broedruimten. Eerst met het aanbreken van den nacht, dien allen in het nest doorbrengen, wordt het rustig en stil.Op andere plaatsen van den oever, waar hooge boomen hunne takken over het water uitbreiden, of die bij hoogen rivierstand geheel in het water komen te staan, hebben de goudwevervogels zich verzameld. Ook deze broeden gezellig, bouwen echter vrij hangende, aan de uiterste twijgeinden bevestigde, zeer kunstig uit grashalmen en vezels samengestelde nesten. Geen gulzige meerkat, geen ander eierroovende vijand, zelfs geen slang, kan zonder gevaar te loopen van naar beneden te tuimelen en in het water te vallen, deze nesten nabij komen. Minstens drie, in den regel echter veertig tot zestig wevertjes broeden op een en denzelfden boom, en hunne nesten verleenen aan dezen een zeer eigenaardig voorkomen, ja zelfs het geheele landschap verkrijgt er een bijzonder uitzicht door.In tegenstelling met andere vogels zijn het niet de wijfjes, maar de mannetjes, die de nesten bouwen, en deze gaan daarbij met zulk een ijver te werk, dat zij nog nesten maken ook dan, wanneer er geen behoefte meer aan bestaat. Met een zooeven afgebeten halm of uitgerafelden vezel in den bek komen zij aanvliegen, hangen zich met de pooten aan[166]een tak of aan het nest zelf vast, houden zich door snelle vleugelslagen in evenwicht, om onder aanhoudend gezang het meêgebrachte materiaal te verbouwen. Is het nest op het inwendige na gereed, dan beginnen zij terstond met een tweede en derde; ook worden reeds gereed zijnde nesten wel eens weer vernietigd en zoo gaat het voort, totdat het inmiddels broedende wijfje de hulp van haar echtgenoot bij het opvoeden der jongen inroept. Deze bedrijvigheid zet aan de geheele kolonie eene ongewone levendigheid bij; terwijl de goudgele, bewegelijke, in de meest verschillende houdingen hangende of zittende vogels nog bovendien een ongemeenen luister verleenen aan de reeds door de nesten zoo bevallig versierde boomen.Ossenpikkers bouwen op de nu bladerlooze mimosa’s hunne nesten, die, de grootte dezer vogels in aanmerking genomen—de ossenpikkers zijn nauwelijks zoo groot als een spreeuw—waarlijk reusachtig mogen genoemd worden. In het dichtste vlechtwerk van takken der vermelde doornige boomen worden zij opgesteld; uitwendig bestaande uit doorns, die er het uiterlijk aan geven van een grooten roskam, zijn zij dikwijls meer dan een meter lang, half zoo hoog en breed, terwijl met de grootte onzer vogels overeenkomende, dikwijls gedraaide, voor alle andere dieren ontoegankelijke buizen tot in de inwendige, vrij ruime nestholte geleiden. Ook op deze boomen heerscht drukte en levendig vertier.In het binnenste des wouds stoot men, bij aandachtig toekijken overal op nesten, hoe moeilijk het ook dikwijls moge vallen deze in ’t oog te krijgen. Kleine vinken b.v. bouwen er van een vorm, die gelijkt op een door den wind bijeengewaaid hoopje dor gras; inwendig zijn deze nesten evenwel zacht en warm, gevoerd met dons; andere vogels bezigen materialen, die in kleur de omgeving nabootsen; nog anderen bouwen in ’t geheel geen nesten, maar leggen eenvoudig de evenals de grond gekleurde eieren op den bodem neêr. Alle holten in de boomen zijn thans bezet, terwijl spechten, baardvogels en papegaaien ijverig in de weer zijn om voortdurend nieuwe uit te hameren of dieper te maken en in broedplaatsen te veranderen; de neushoornvogels daarentegen metselen ze, op eene wijde spleet na, geheel dicht. Vooral de laatstgenoemde vogels trekken door hun broedwijze bijzonder de aandacht en verdienen daarom het eerst vermeld.Nadat de neushoornvogel zich met veel moeite van ’t bezit van een wijfje verzekerd heeft, spoort hij in vereeniging met zijne soortgenooten een geschikte broedholte op. Is er een gevonden, dan verwijdt het mannetje[167]die niet zijn plompen snavel,—een zeer lastig werk—zooveel zulks noodig is. Daarna kruipt het wijfje er in, en terwijl nu de eieren gelegd worden, arbeiden de beide echtgenooten samen, de een van binnen, de ander van buiten, om den ingang op eene spleet na dicht te metselen, welke opening juist wijd genoeg is om er de punt van den snavel nog doorheen te kunnen wringen. Afgesloten van de buitenwereld, brengt nu het wijfje den geheelen broedtijd in deze kraamkamer door en het mannetje is verplicht, niet alleen de ingemetselde gade, maar daarenboven ook nog later de uit het ei gekomen jongen van voedsel te voorzien; daar deze zeer snel groeien en alzoo veel voedsel behoeven, heeft hij druk werk. Zijn de jongen zoo ver gevorderd, dat zij vliegvaardig zijn geworden, dan opent de moeder den ingang van binnen en de geheele familie fladdert, vet, en goed bevederd, de wijde wereld in, om van stonden aan den echtgenoot en vader, die intusschen door het harde werken zoo mager als een geraamte is geworden, van alle verdere zorg en moeite te ontslaan.Gelijke mannen- en vaderliefde legt ook de ombervogel aan den dag; dit is een ooievaarachtige, stil levende nachtvogel des wouds, ter grootte van een raaf, wiens reusachtige nesten zeer de opmerkzaamheid trekken. Deze nesten staan gewoonlijk op geringe hoogte boven den grond in de gaffelvormige verdeeling van twee stammen, of op een der dikste takken van de onderste kroon, wanneer deze althans sterk genoeg zijn om een nest te dragen, dat in omvang en gewicht de grootste roofvogelnesten verre overtreft; de doorsnede bedraagt soms van anderhalve tot twee meter, terwijl de hoogte niet veel minder is; het bouwmateriaal bestaat uit dikke takken en twijgen, die met leem tot een stevig metselwerk verbonden zijn. Wanneer men niet toevallig heeft gezien, dat de ombervogel deze nesten in- en uitkruipt, zal men niet licht op het denkbeeld komen, dat die gevaarten hol zijn: veeleer zou men meenen dat het de nesten zijn van groote roofvogels, vooral doordien niet zelden arenden en oehoe’s er boven op gaan bouwen. Helpt evenwel de werkelijke bouwmeester ons uit deze dwaling, en onderzoekt men die nesten wat nauwkeuriger, dan bevindt men, dat zij inwendig drie volkomen van elkaar gescheiden, slechts door gaanderijen of poorten verbonden ruimten bevatten, die bij scherper toezien zich doen kennen als voorkamer, gezelschapszaal of eetzaal en kraamkamer. De laatste of achterste ruimte ligt iets hooger dan de beide andere afdeelingen, zoodat toevallig binnengedrongen water steeds hierdoor weg[168]kan vloeien; het geheele gebouw is zoo voortreffelijk samengesteld, dat zelfs de hoogste en langdurigste regens er weinig of geen schade aan kunnen toebrengen. De drie, vier of vijf witte eieren liggen in de broedruimte op een zacht bed van biezen en andere plantenstoffen; zij worden door het wijfje bebroed. Het mannetje verzamelt in de middelste ruimte allerlei voedsel, zooals: visschen, kikkers, hagedissen en dergelijke lekkerbeetjes, en zulks in zulk een overvloed, dat het wijfje te kust en te keur kan gaan in hoeveelheid en soort van spijs; in de voorste kamer zit of staat het mannetje, wanneer hij althans niet op voedsel uit is, om het wijfje gezelschap te houden en middelerwijl over haar en de later uitgekomen jongen te waken. Zijn deze iets opgegroeid, dan voorzien de beide echtgenooten samen in de behoeften des gezins.De ombervogel en arend of oehoe leveren niet het eenige voorbeeld op van vriendschappelijk samenwonen van in zeden en gewoonten overigens ongelijke vogels. Op de breede, van den stam zich horizontaal uitbreidende waaiervormige bladen van den Delebpalm staan de nesten van den vluggen en roofgierigen dwerg-slechtvalk en van de Guineaduif, dikwijls zoo dicht bij elkaar, dat de valk slechts den poot heeft uit te strekken om een buurkindje te pakken. Zulks gebeurt evenwel niet, omdat de valk niet anders dan op vliegende vogels stoot, en zoo groeien de jongen der duif ongestoord op in de buurschap van de telgen van den valk, en beide geburen zitten vredig en rustig naast elkander, ieder paar bij zijn eigen nest.Nog eene andere palmboom bood mij eene goede gelegenheid aan om vogels waar te nemen, die bij het broeden eigenaardigheden vertoonden, welke mij ten hoogste verrasten en boeiden. Onder levendig geschreeuw vloog een troep dwergachtige gierzwaluwen, verwant aan onze gierzwaluwen, om eenen Tompalm, waardoor mijne opmerkzaamheid op dien boom werd gevestigd. Nader onderzoek leerde mij, dat de vogels zich dikwijls tusschen de bladen van den palmboombegavenen ik ontdekte nu in de gleuven der bladstelen witte stippen, die ik herkende als zwaluwnesten. Ik beklom den boom, boog een der bladen naar mij toe en bevond, dat elk nest, dat hoofdzakelijk uit boomwol bestond, in den hoek tusschen den steel en de bladhelft op de bij gierzwaluwen gebruikelijke wijze met behulp van speeksel was vastgelijmd. Maar de nestkom kwam mij zoo vlak voor, dat ik het onmogelijk oordeelde, dat de beide eieren daarin konden blijven liggen,[169]wanneer de bladeren door den wind heen en weer bewogen werden. En de minste ademtocht brengt zulke bladeren in beweging; hoe moesten ze niet geslingerd worden bij stormweder! Behoedzaam naderde ik met de eene hand de eieren, om ze uit het nest te nemen; daar ontdekte ik tot mijne verbazing, dat zij door de moeder warenvastgelijmd! En toen ik de pas uitgekomen, nog gansch en al onbeholpen jongen nader onderzocht, ontdekte ik, dat ook deze op gelijke wijze waren vastgekleefd, om ook hen voor uitvallen te vrijwaren.Daar de vogels door hunne alomtegenwoordigheid, schoonheid, levendigheid en bewegelijkheid, alsmede door hun gezang—of geschreeuw—voortdurend de opmerkzaamheid van den aandachtigen waarnemer trekken, bemerkt men, de ook hier zeer talrijke hagedissen en slangen en insecten niet medegerekend, weinig van de overige bewoners van het oerwoud, althans niet van de daarin verblijfhoudende zoogdieren. Wat ons evenwel niet ontgaan is, is eene troep meerkatten; de levendigheid en ongedurigheid toch, die deze soorten even gelijk alle Afrikaansche apen eigen is, doet ze zelfs in ’t oog vallen van iemand, die niet aan zien gewend is. En schouwt het oog deze dieren niet, dan[170]hoort men ze in elk geval; het geluid, dat zij uiten, is een voortdurend gegorgel. Meest alle andere zoogdieren evenwel kan men tot op weinig meters afstand voorbijgaan zonder ze gewaar te worden. Verreweg het meerendeel wordt eerst bedrijvig na den ondergang der zon en zoekt voor het aanbreken van den dag zijn legerplaats weder op, maar ook die, welke in de morgen- en avonduren, als de zon schijnt, in de weer zijn, laten zich niet zoo gemakkelijk waarnemen als men wel zou denken; het dichte woud onttrekt hen te veel aan het oog. „Hebt gij,” zoo luidde de vraag van een Europeaan, met wien ik eens in het oerwoud was gaan jagen, „hebt gij dien panter niet gezien, die voor een paar minuten mij voorbij vloog en naar u toeliep? Ik kon niet schieten, omdat ik mijn geweer niet gereed had; gij moet hem toch gezien hebben.” Het was zoo niet; ik had wegens de dichtheid van het struikgewas het groote dier zelfs niet eens bemerkt. Waar het dichte geboomte zulks niet doet onttrekt de gelijkheid van kleur met de omgeving de dieren aan het gezicht. De grijsachtige halfaap, die op een met korstmossen bedekten hoogen boomtak ineengehurkt zit te slapen, gelijkt zoo sprekend op een uitwas des booms, dat eerst dan de dierlijke gedaante duidelijk wordt, wanneer de jager zijn kijker uit den zak haalt en dien uitwas nauwkeuriger in ’t oog vat. Devleêrmuis, die daar boven aan een kruintak hangt, gelijkt sprekend op een verdord blad en zelfs het bonte vel van den panter kan in het bosch door dorre bladeren en bloeiende Euphorbia’s zoo getrouw worden weêrgegeven, dat het mij persoonlijk eens is gebeurd, dat ik met aangelegd geweer tot vijftien schreden afstands een boschje moest naderen, waarin zich een panter had verscholen, alvorens ik dier en omgeving van elkander vermocht te onderscheiden. Geheel hetzelfde geldt voor de in het woud levende antilopen en verder voor alle zoogdieren in ’t algemeen—en zij zelf zijn zich des bewust. Niet overal in het oerwoud huizen de antilopen; slechts hier en daar en dan steeds talrijk leeft b.v. een kleine soort, nl. het struikbokje of de windhond-antilope. Dit is een der bevalligste herkauwende dieren, sierlijk gebouwd, niet grooter dan een reekalf van weinige dagen, vosachtig grijsblauw van kleur; het bewoont paarsgewijs het dichtste kreupelhout, kiest voor leger of verblijfplaats een goed bebladerden tot op den grond vertakten struik en trapt van hier uit smalle paden plat, die in de meest verschillende richtingen het dichte gewas doorkruisen. Ik heb vele dezer dieren gedood; aanvankelijk ging het mij echter evenals alle andere[171]reizigers en jagers, die dit dier leerden kennen; ik kon het maar niet in ’t gezicht krijgen, al was het ook opgejaagd en als een pijl uit den boog mij voorbijgesneld. „Zie Heer! daar in het naaste boschje staat een bokje; ginds in de opening tusschen de beide dik bebladerde takken staat het; ziet gij het niet?” zoo fluisterden mijn inlandsche gidsen mij in ’t oor. Ik deed mijn uiterste best, boorde mijn oogen in het aangeduide boschje,—ik zag niets anders dan takken en bladeren; want tot takken werden de sierlijke pooten, tot een dik bebladerden tak kop en lijf. Maar het oog eens jagers vindt ook eindelijk in het oerwoud den weg. Wanneer men eenigermate met de zeden en gebruiken der lieve antilopen vertrouwd is geworden, leert men deze dieren even zeker opsporen als de scherpst ziende inlander. Door haar fijn gehoor wordt de antilope den naderenden mensch veel vroeger gewaar dan deze haar spoor ontdekt. Door het geruisch der zware voetstappen opgeschrikt, is zij van haar leger opgesprongen, en doet eenige schreden vooruit om eene opening te bereiken, van waar zij een vrijer uitzicht heeft. Als een gegoten metalen beeld, stijf en roerloos, zonder zelfs de lang van te voren reeds opgerichte ooren te bewegen, zonder een harer loopers te draaien, staat zij daar, en luistert en kijkt; de poot, die tot vooruitgaan opgeheven werd, volhardt in de aangenomen houding, geen leven verraadt zij. Thans is het des jagers tijd; fluks heft hij de buks omhoog, trekt en schiet: een oogenblik later en het sluwe wild is met een enkelen grooten sprong in het naburig kreupelhout gesprongen en hierdoor gedekt geworden, of het dook langzaam naar beneden en kroop in deze houding weg, en zulks zoo onmerkbaar, dat geen blad zich bewoog, geen halm zich verroerde.Op deze wijze voert het oerwoud de meest afwisselende beelden voor het oog des waarnemers. Wie zien kan en weet te zoeken, ziet en vindt overal in het bosch meer dan hij kan verwerken. Maar elke plaats en elk tijdstip van den dag of van het jaar geeft wat anders. Hier, waar de lente tot weken, de zomer of de herfst tot dagen inkrimpt en de winter, evenals in de steppe, bijna onmiddellijk na het ophouden van den regen zijn heerschappij aanvaardt, is ook het volle, rijke, alzijdig overvloeiende planten- en dierenleven binnen een kort tijdsbestek bepaald. Zoodra de vogels met broeden hebben opgehouden, beginnen zij te trekken en te strijken; zoodra de zoogdieren denken een gedeelte van het woud afgeweid te hebben, zoeken zij een ander gedeelte op. En[172]daarom kan men dan ook op dezelfde plaats op verschillende tijden ook verschillende dieren ontmoeten, althans wezenlijk verschillende beelden van het dierlijk leven opvangen. Zoo neemt, om een voorbeeld te noemen, het leven in de rivieren toe, naarmate het bosch ontvolkt wordt.Bij hoogen rivierstand bespeurt men weinig van de dieren, welke in en bij het water leven. Alle eilanden liggen dan diep onder het water bedolven, de oevers zijn eveneens overstroomd en de vogels, die hier gewoonlijk huizen, zijn verdwenen. En als werkelijk eens een krokodil zijn kop en een paar rugschilden boven de oppervlakte verheft, wordt men zulks dan eerst gewaar, wanneer men met de boot tot op korten afstand genaderd is. Er blijven dus eigenlijk alleen nijlpaarden, die op sommige plaatsen zeer talrijk zijn, eenige boven het water vliegende vogels en misschien enkele duikers over om het zichtbare bewijs te leven, dat er in en bij de rivier ook hoogere gewervelde dieren leven. Wanneer nochtans na het eindigen van den regentijd de waterspiegel daalt en alle eilanden, zandplaten en oevers droog zijn geloopen, dan verandert het stroombeeld eveneens ten opzichte van de dierenwereld. De nijlpaarden trekken zich naar de diepste plaatsen van het water terug, om hier gezellig bijeen te leven en troepen te vormen van soms aanzienlijke sterkte; daar zij voor iedere ademhaling boven het water moeten komen en dan telkens met veel geraas de ingeademde lucht uitblazen, ziet en hoort men deze dieren zeer gemakkelijk. Ook komen zij ’s daags wel eens buiten het water om zich op de eilanden of zandbanken te legeren en van de warmte der zonnestralen te genieten; op een afstand van een kilometer en nog meer vallen zij daar den reiziger reeds in het oog; nu halen ook de krokodillen de schade in, die zij tijdens den hoogen waterstand hebben geleden, en koesteren zich op ’t heetste van den dag in de zon. Daartoe kruipen zij reeds in de voormiddaguren op de vlakke, zandige eilanden, vallen onder luid geplof op den grond neer, sperren den met vreeselijke tanden gewapenden muil wijd open en slapen, ten getale van tien, twintig en dertig bijeen, in de meest verschillende houdingen, naast en zelfs boven op elkander liggende, tot aan den avond door; groote zwermen vogels bedekken thans de eilanden, zandbanken en beide stroomoevers, en brengen door hun aantal een machtigen indruk te weeg. Tegen dezen tijd toch hebben de meeste inheemsche strand- en zwemvogels het broeden geëindigd en zijn zij met hun jongen het water gaan opzoeken, om hier, onder ’t genot van rijkelijk en gemakkelijk te verwerven voedsel, te ruien;[173]tezelfder tijd hebben de trekvogels uit het noorden, die hier overwinteren, zich bij hen gevoegd. Laatstgenoemde vogels bevolken nu ook alle deelen van het oerwoud, doch vallen hier niet zoo sterk in ’t oog als aan het water, waar de geheele oever en alle eilanden met groote en dus duidelijk zichtbare trekvogels bedekt zijn. Soms is hier zelfs geen plaats genoeg en het voedsel, hoe overvloedig overigens ook voorhanden, wordt dan voor de menigte schaarsch. Een gevolg hiervan is, dat elke plaats bezet wordt, ja overladen; dat ieder voedselbeloovend plekje door duizend mededingers bezocht, ja om elke eetplaats gevochten wordt.Drie achtereenvolgende dagen zeilde ik bij goeden wind en in eene voortreffelijke boot op den Witten Nijl, en gedurende deze lange en verre vaart waren beide oevers van den stroom onafgebroken met een bonte en levendige, uit de meest verschillende strand- en zwemvogels samengestelde schare getooid. In de oerwouden van den Blauwen Nijl kan men een dergelijk schouwspel genieten. De uitgestrekte zandbanken worden door gewone en jufferkraanvogels volledig in bezit genomen; zij dienen echter den hier in winterkwartier verblijvende vreemdelingen slechts tot rust-, rui- en slaapplaatsen, van waaruit zij elken morgen naar de steppe vliegen om voedsel te halen, en werwaarts zij reeds vóór het middaguur teruggekeerd zijn om er te drinken en te baden, hun gevederte te poetsen, en eindelijk, bestendig door de krokodillen bedreigd, te slapen. ’s Middags mengen zich geregeld eenige gekuifde kranen in dat gezelschap, hetgeen eene groote opschudding te weeg brengt; de gekuifde zijn n.l. zoo niet beter dan toch ijveriger dansers en beginnen dadelijk na hunne aankomst hunne kunst uit te oefenen, waardoor de gewone kraanvogels insgelijks tot dansen worden aangezet.Op dezelfde banken verschijnt ook de nimmerzat of tantalus, eene ooievaarachtige, in een wit, met rozengloed overgoten, op de vleugels helder rozerood gekleurd vederkleed prijkende vogel, die de buitenste zoomen van het eiland of de aanliggende ondiepe plaatsen in beslag neemt; valt het licht voordeelig op deze vogels, dan prijken zij met een gloeiend rood, zoodat zij heerlijk afsteken bij de grijze kraanvogels en aan het landschap een ongemeenen tooi verleenen. Op den oever stappen prachtige reuzen-ooievaars of jabiroe’s rond, wandelen de leelijke, wonderlijk gevormde maraboe’s vol statie op en neêr, staan schitterende lepelaars, waden reuzen- en zilverreigers in het water om visschen te vangen, staan en zitten, zwemmen en duiken, weiden en snateren en kweelen duizenden[174]spoor-, nijl- en lapganzen, nonnetjes, pijlstaarten, slangenhalsvogels, ibissen, wulpen, oever-, strand- en waterloopers en andere meer, die te zamen een bonten zoom van vogels vormen, wellicht nog sierlijker dan de tantalussen. Boven den waterspiegel echter zweven, behalve de opgenoemde vogels, die afwisselend aan- en afvliegen, ook nog zeezwaluwen en meeuwen, oeverzwaluwen en bijenvreters, terwijl hoog in de lucht een prachtige zeeadelaar zijn kringen beschrijft.Enkele soorten dezer in alle opzichten zoo belangrijke, gevederde rivierbevolking moeten den laagsten waterstand afwachten om te kunnen broeden, omdat het haar tijdens den hoogen waterstand aan goede nestplaatsen ontbreekt. Tot dezen behoort een even bevallige als fraai geteekende, een even verstandige als wakkere moerasvogel, nl. de reeds bij de ouden bekende krokodillenwachter, de trochilus van Herodotus, van welken vogel deze schrijver en na hem ook Plinius ons verhaalt, dat hij in vriendschap met den krokodil leeft. Deze vertelling der ouden is geen fabel, zooals men geneigd zou zijn te denken, en ik kan persoonlijk voor de waarheid er van instaan. De krokodillenwachter, wiens afbeelding men zoo dikwijls op de Egyptische gedenkteekenen terugvindt, en die in hiëroglyphenschrift deoevoorstelt, leeft ook in Egypte en Nubië, oefent echter heden ten dage eerst in Soedan zijn ambt uit als wachter en beschermer van den krokodil; aan dat ambt was hij bij de volken der oudheid zijn roem verschuldigd. Hij bewijst evenwel niet alleen diensten aan genoemd gedrocht, maar in ’t algemeen aan alle dieren, die van de waakzaamheid van dezen vogel partij weten te trekken. Opmerkzaam en nieuwsgierig, prikkelbaar en schreeuwlustig, daarbij met een opvallend geluid begaafd, is hij een voortreffelijk waarschuwer voor andere, minder voorzichtige schepselen. Evenmin het naderende roofdier als een menschelijk wezen van verdacht voorkomen ontgaat zijn opmerkzaamheid; reeds elke zeil- of roeiboot trekt zijn aandacht en nooit laat hij na door een luid geschreeuw zijn waarneming aan anderen bekend te maken. Zoo worden alle met hem tezelfder plaatse toevende dieren aangespoord om een nader onderzoek in ’t werk te stellen en zich te overtuigen of er werkelijk gevaar aanwezig is of niet. In ’t eerste geval hebben zij tijd en gelegenheid om te vluchten. Daarin bestaat zijn ambt als wachter. Zijn vriendschappelijke verhouding tot den krokodil kan men moeilijk wederkeerig noemen; want van een krokodil vriendschap te eischen is wel wat veel van zulk een dier gevergd. Niet omdat het reptiel eenig welwillend gevoel jegens[175]den vogel koestert, maar omdat hij hem nauwkeurig kent en volkomen juist beoordeelt, behandelt hij hem als een lief, onschuldig schepsel. De vogel van zijn kant, van zijn jeugd af met het monster vertrouwd, een bewoner der zandbanken, waarop het eerste zich te slapen legt, altijd in deszelfs nabijheid, gaat met het dier om, alsof hij zelf de heer en meester, het andere de knecht ware. Onbevreesd klimt hij op den rug van het slapend ondier, onbezorgd nadert hij den opengesperden muil om te onderzoeken of misschien ook een bloedzuiger zich daar vasthechtte, of tusschen de tanden een brok bleef hangen, om het een zoowel als het ander weg te nemen. De krokodil laat zich dit alles welgevallen, zeker omdat hij bij ondervinding weet, dat hij den altijd opmerkzamen, behendigen, slimmen, kleinen schelm toch niet snappen kan. Ik zag eens een krokodillenwachter gelijktijdig met een schreeuw-zeearend van denzelfden visch eten, dien de arend gevangen en naar een zandbank gebracht had. Terwijl de laatste, die met beide pooten den buit vasthield of er op stond, een en andermaal naar den schuimlooper hapte, hield deze zich op eerbiedigen afstand van de tafel des grooten heers; telkens echter als deze den kop oplichtte om de spijs door te slikken, liep de ander snel toe, kaapte schielijk een door den arend reeds losgemaakt stuk visch en ijlde zoo snel mogelijk naar de eerste plaats terug, om daar het geroofde te verteren. Even bewonderenswaardig als dit driest bestaan is ook de slimme wijze, waarop de krokodillenwachter zijn eieren voor onbescheiden oogen verbergt. Ik had reeds langen tijd tevergeefs naar het nest van dezen vogel gezocht. De ontleding van een geschoten vogel had mij den legtijd van den krokodillenwachter leeren kennen. Dat hij slechts op zandbanken kan broeden volgt onvermijdelijk uit de levenswijs. Tevergeefs echter onderzocht ik op het zorgvuldigste al zijn lievelingsplekjes—ik kon geen nest uitvindig maken. Eindelijk zag ik een paartje, van hetwelk een der echtgenooten op den grond zat, terwijl de andere om de eerste heen scharrelde. Ik nam mijn kijker en liep, den vogel steeds in het oog houdende, recht op hem af. Toen ik in zijn nabijheid was gekomen, richtte hij zich op, schraapte ijlings wat zand op een bepaalde plaats bijeen en liep nu, wel is waar onder het gewone geschreeuw, maar toch zonder eenig ander bewijs van onrust met den ander weg. Ik liet mij niet foppen, hield de plek goed in het oog en kwam er bij. Maar ook nu kon ik nog geen spoor van het nest ontdekken, en eerst, toen ik eene weinig in ’t oog vallende oneffenheid in het zand waarnam[176]en hier aan ’t graven ging, vielen mij twee, als zand gekleurde eieren in de hand. Had de moeder meer tijd gehad, dan ik haar gunde, zeker had zij deze kleine oneffenheid ook nog glad gemaakt, zoodat zij in ’t geheel niet meer in ’t oog kon vallen.VERHUIZENDE AMERIKAANSCHE BISONS.VERHUIZENDE AMERIKAANSCHE BISONS.Een zoo mogelijk nog rijker, in elk geval veelsoortiger dierlijk leven als te dezer tijd aan den stroom heerscht, kan men gadeslaan aan de oevers en op het watervlak der meren en groote plassen in ’t midden des wouds, welke bekkens gevoed worden deels door het bijeenstroomende water der voorjaarsregens, deels door den buiten zijn oevers getreden stroom. Overal door het bosch ingesloten, dikwijls zoo dicht, dat men in ’t geheel niet of althans niet dan onder veel bezwaren deze meren kan nabijkomen, binnen de oevers bijna even sterk begroeid als daar buiten, uitgestrekte riet- en biesbosschen insluitende, terwijl ook thans nog papyrus en lotus daarin groeien, vormen deze regen-meren of „foelat”, gelijk de inboorlingen ze noemen, even zooveel goede verblijfplaatsen als broedplaatsen voor de meest verschillende vogels, en zelfs ook voor andere dieren. De veiligheid, die deze afgelegen oorden aanbieden, schijnt zelfs het nijlpaard aan te trekken, dat ze tegen den tijd, dat het jongen zal werpen, opzoekt; hier dreigt geen schaarschte van voedsel, hier houden zich geen gevaarlijke vijanden op, en zoo kan het in deze oorden ongehinderd zijn kroost zoogen, verzorgen en de eerste opvoeding geven. De dicht begroeide oevers, de moerassige inhammen lokken zwijnen en buffels aan; het stille water wordt met voorliefde opgezocht door de dorstige antilopen. Op den spiegel zelf verzamelen zich duizenden pelikanen, om, alvorens op de naburige boomen hunne legersteden op te zoeken, nog eens duchtig ter vischvangst te gaan; ook de slangenhalsvogel brengt hier een goed deel van den dag duikende door; tevens zwemmen er alle mogelijke ganzen- en eendensoorten en strijken er de uit het noorden gekomen trekvogels neêr, om hier een gastvrije winterherberg te vinden; in de bochten en op de ondiepe oevers vinden de reuzenreigers en sierlijke woudaapjes zonder veel moeite het rijkelijkste voedsel; de welige, groene oevers herbergen tallooze kleinere vogels, de boomen van ’t omgevende woud verschillende, op boomen rustende en nestelende strand- en watervogels. Geen wonder, dat het bij tijden in en om deze meren wemelt van vogels, maar even verklaarbaar is het tevens, dat zulk een rijkdom ook allerlei vijanden lokt. Valken en uilen vervolgen de kleinere vogels, de adelaar en de oehoe maken[177]jacht op meer groote, de vos en jakhals, leeuw en panter vervolgen de zoogdieren. Somtijds valt een uit de steppe getogen heirleger van vraatzuchtige treksprinkhanen in den frisschen woudzoom dezer streken, om in een oogwenk alles kaal te vreten en ’t geboomte geheel te ontbladeren. Maar nu ook vermenigvuldigt zich het vogelenheir tot in het oneindige. Van verre en van nabij verschijnen valken en uilen, raven en Duitschepapegaaien, frankolijnen en parelhoenders, ooievaars en ibissen, waterhennetjes en eenden, om zich aan de sprinkhanen te goed te doen. Iedere vogel, die bij tijd en wijle insecten nuttigt, voedt zich thans uitsluitend met deze reizigers. Honderden gewone en kleine torenvalken, die zich op dit tijdstip toevallig in hun winterkwartier bevinden, verzamelen zich bij scharen boven het bezochte bosch, stooten op elken opvliegenden zwerm sprinkhanen, grijpen ze en verslinden ze al vliegende; raven, Duitsche papegaaien, neushoornvogels, ibissen en ooievaars nemen ze van de takken weg en schudden ze er bij honderden af; deze vallen de onder de boomen loerende makkers, parelhoenders en eenden als buit ten deel; wouwen en zingsperwers vliegen in vele wendingen om de boomen, op welke de ontbladerende insecten alras de plaats der bladeren zelf innemen; zelfs de deftige maraboe’s en jabiroe’s versmaden het wel is waar kleine, maar daarentegen zoo rijkelijk voorhanden voedsel niet. Een en ander schenkt nog meerder leven aan het reeds zoo drukke water, dat op zulke tijden nog meer dan gewoonlijk de verzamelplaats wordt van de meest verschillende dieren.Aan zulk een meer, een ware schatkamer voor den verzamelaar, hadden wij een aantal dagen gejaagd, waargenomen, verzameld, genoten van de weelderige planten- en dierenwereld, gevochten met nijlpaarden, onzen haat gekoeld aan de krokodillen, in één woord, wij hadden in volle mate de genoegens gesmaakt, aan ’t leven van den jager en natuuronderzoeker verbonden, en daarbij al het overige, zelfs den tijd des jaars, vergeten. Maar toen op zekeren dag de zon lager daalde en gouden draden vlocht tusschen het groen des wouds; toen het geschreeuw der papegaaien was uitgestorven en alleen het droomend gezang van een lijster nog tot onze ooren doordrong; toen de zeearend aan gindschen oever, nog vóór weinige oogenblikken bloeiende te midden van het omringende groen, slaapdronken zijn witten kop tusschen de schouderveêren verborg; toen zelfs het gegorgel van een troep meerkatten, die in de hooge kruin van eennabijstaandemimosa haar nachtleger had[178]opgezocht, was verstomd; toen de nacht aanbrak, schemerhelder en vriendelijk, koel en zacht, klankrijk en geurig, gelijk steeds omstreeks dezen tijd des jaars; toen was het alsof alle kleurenpracht, alle glans en heerlijkheid van de heden en gisteren in onze ziel opgenomen beelden eensklaps verbleekten. Onze gedachten vlogen naar het lieve vaderland en door een smartelijk heimwee voelden wij ons aangegrepen—want daar ginds vierde men op dit oogenblik het Kerstfeest. Wij hadden punch gemaakt en onze pijpen gevuld met de heerlijkste tabak der aarde; onze Albanezer reisgenoot zong een roerend lied; de nacht omgaf als met een tooverwaas hart en zinnen; maar de glazen werden niet geledigd, de rookwolken namen de wolken der droefgeestigheid niet weg, het lied vond geen weêrklank in onze ziel en de nacht tooverde tevergeefs. Wij smeekten om een Kerstgeschenk—en wij ontvingen het!De nacht in het oerwoud is altijd majestueus en verheven; dan, wanneer de hemel in vuur wordt gezet door den bliksem, terwijl rollende donderslagen daarbij weêrklinken van het eene einde naar het andere; dan, wanneer de stormwind er giert, en ook dan, wanneer aan het eindeloos gewelf ver verwijderde zonnen stralen en blad noch halm zich beweegt. Weinige minuten reeds na zonsondergang hult de nacht het woud in zijn grijzen mantel. Wat in het daglicht duidelijk zichtbaar was wordt nu omfloersd; wat in het zonnelicht nog te omvatten omtrekken aannam, wordt thans tot een reuzengestalte. Bekende boomen worden tot spookgedaanten; de heggen van struikgewas tot zwarte muren. Het duizendstemmige alarm verstomt, diepe stilte vervangt het geraas. Maar een nieuw leven vangt aan, in het woud en op het water. Honderden cikaden doen een geluid hooren, dat eenigszins te vergelijken is met het verwijderd geklingel van kleine, onzuiver gestemde klokjes; duizenden, thans uit den slaap ontwaakte kevers, waaronder zeer groote soorten, snorren om de bloeiende boomen en laten een luid gegons hooren, dat eigenaardig past bij genoemd klokgelui. Kikvorschen, die slechts een enkelen, maar, de geringe grootte dezer dieren in aanmerking genomen, vrij luiden kreet voortbrengen, mengen zich daarin, en al deze stemmen, die doen denken aan den klank van een langzaam geslagen Chineeschen gong, weêrklinken ver door het woud.Een groote uil begroet den nacht met dof gehuil; een kleinere soort antwoordt met een honend gelach; een geitenmelker herhaalt telkens opnieuw een enkele strophe van zijn snorrend, rochelend gezang. Van[179]de zijde der rivier klinkthetweeklagend geroep van den nachtvogel, van de meeuwenfamilie, of van een schaarbek, die, dicht over de oppervlakte des waters strijkende, de golven half doorploegt; van de zandige eilanden en banken weêrklinkt het luide, ietwat krijschend geschreeuw van den griel, alsmede de toonrijke, klankvolle, gevoelige trillers van een waterlooper of plevier; boven het riet van het nabijgelegen meer krast een nachtreiger. In het dichte struikgewas of rondom de kruinen der boomen flonkeren duizenden glimwormen; een reusachtige krokodil, die reeds vóór zonsondergang de tegenoverliggende zandbank verlaten en het door de zon gegloeide pantser in de lauwe golven afgekoeld heeft, zwemt, half onder, half boven den waterspiegel drijvend, door den stroom, een spoor nalatende, dat in den maneschijn als zilver, in het sterrelicht als een snoer glimmende paarlen schittert. Boven de hoogste boomkruinen zweven met onhoorbaren vleugelslag oehoe’s en andere uilen; langs den oever vliegen in bevallige kronkellijnen langstaartige geitenmelkers; tusschen de kronen der boomen beschrijven vledermuizen hunne zigzagbanen; van den eenen kant der rivier naar den anderen trekken, soms bij scharen, vliegende honden of kalongs. En nu is ook de tijd gekomen, dat de overige zoogdieren des wouds zich laten zien of hooren. De een of andere jakhals vangt aan, beurtelings, nu eens treurige, dan meer vroolijke melodieën aan te heffen, die met evenveel gevoel als volharding worden voorgedragen; een dozijn soortgenooten valt terstond in en opent een zangwedstrijd, in welken ieder dingt en kampt om den eereprijs; enkele hyena’s schijnen slechts op deze voorzangers gewacht te hebben, om nu een koor aan te heffen van huilende, lachende, klagende en juichende stemmen; de panter bromt; de leeuw brult, en zelfs het nijlpaard, dat nog den stroom niet heeft verlaten, verheft knorrend zijn armzalige stem.Zoo spreekt en openbaart zich de nacht in het oerwoud; zoo boeide hij op dien voor mij onvergetelijken dag mijn oogen en ooren. De kevers, cikaden, uilen en geitenmelkers hadden aangevangen; daar schetterden schrille, krachtige, dreunende tonen door het bosch, als trompetgeluiden uit ongeoefende monden. Oogenblikkelijk verstomden de liederen van onzen Albanees, verstomde het gesprek onzer bedienden en matrozen, en allen luisterden evenals wij. Nogmaals schetterde en dreunde het aan den overkant. „El fioel, el fioel!” riepen de inboorlingen: „olifanten, olifanten!” jubelden ook wij. Het was voor het eerst, dat wij de reusachtige dikhuiders, op wier paden wij tot nog toe[180]bijna altijd hadden gewandeld, wier sporen wij zoo dikwijls hadden achtervolgd, vernamen, beluisterden. Aan den tegenoverliggenden oever daalden op gemakkelijke en zekere wijze, reusachtige, in ’t schemerlicht van den nacht met genoegzame duidelijkheid waarneembare gedaanten naar het water af, om uit de rivier te drinken en zich daarin te baden. De een na den ander stak zijn lenigen tromp in het water, om dien te vullen en daarna den inhoud òf in den wijden bek, òf over hals en schouders en rug uit te storten; de een na den ander daalde in de rivier af om hier een verkoelend bad te nemen. En even alsof het straks gehoorde trompetgeschal een krijgsroep was geweest, zoo rumoerig werd het nu in het woud. Vroeger dan gewoonlijk verhief de koning der wildernis zijn donderende stem; een tweede en derde leeuw beantwoordde dien koninklijken groet. Verschrikt vliegen de van slaap dronken apen op en laten een luid geschreeuw hooren; van angst jammeren de antilopen mede. Daar rekt in de onmiddellijke nabijheid onzer boot een nijlpaard zijn monsterkop boven het water uit en begint te brullen, evenals meende hij een wedstrijd aan te vangen met de donderende stem van den leeuw; ook de panter waagt het zich te doen hooren; jakhalzen vangen het afwisselend lied aan, dat wij reeds kennen, de gestreepte hyena’s huilen, de gevlekte doen hun helsch, merg en been doordringend gelach hooren; alleen de kikvorschen en cikaden, onverschillig omtrent de roepstem van den koning en die van de grootwaardigheidsbekleeders van het woud, gaan voort, de eersten met hun eentonig geschreeuw, de laatsten met hun klokgelui.Dit was het „Eere zij God in den hooge” dat het oerwoud ons toezong.[181]

Rijk moge Afrika’s steppe zijn, vooral wanneer men haar vergelijkt met de woestijn, de weelderige vegetatie der tropen wordt evenwel niet in haar gevonden. Wel oefent de bezielende kracht des waters er haar gezegenden invloed uit, maar die invloed duurt te kort dan dat hij ongestoord zou kunnen werken. Met het ophouden van den regen sterft ook de groeikracht, terwijl de hitte en droogte weder alles vernielen, wat de regen had voortgebracht.

Daarom kunnen in de steppe slechts die planten tot ontwikkeling komen, wier leven binnen weinige weken wordt afgespeeld, niet zulke gewassen, die de eeuwen verduren. Eenig en alleen in de laagten, die rijk zijn aan nooit verdrogende stroomen en die zoowel door deze als door den regen gedrenkt worden, alwaar zonnelicht en water, warmte en vochtigheid gemeenschappelijk werkzaam zijn, ontwikkelt, ontvouwt en bestendigt zich de feeënrijke volheid der keerkringslanden. Hier groeiden bosschen op, die wat pracht, majesteit, schoonheid en rijkdom betreft, in niets onderdoen voor de wouden van de gezegendste landen op lager breedten, oerwouden in den volsten zin des woords, die zonder toedoen van den mensch ontstaan en vergaan, vergrijzen en zich weêr verjongen, op den huidigen dag nog alleen zichzelf toebehooren en in staat zijn eene rijke fauna te onderhouden.

Uit het zuiden brengen de voorjaarsstormen de van regen zwangere wolken naar die landen van Afrika, welke ten noorden van den evenaar zijn gelegen; deswege vallen deze wouden niet terstond den uit het noorden komenden reiziger in ’t oog, maar eerst dan, wanneer deze van lieverlede, steeds meer en meer naar het zuiden voorwaarts dringt. Hoe meer men den aequator nadert, hoe scheller het licht wordt van den bliksem, hoe luider en meer afgebroken de donder ratelt, hoe heviger de regen in stroomen naar beneden stort, maar ook, hoe[151]weelderiger alle planten groeien en hoe vormenrijker de dierenwereld wordt; naarmate de regentijd spoediger aanvangt en naarmate deze langer duurt, des te grooter en meer wonderen schept hij. In juiste overeenstemming met de toenemende vochtigheid, verbreedt, verdicht, verhoogt en dijt het woud. Van af den zoom der rivieren tot diep in het binnenland strekt zich de heerschappij der plantenwereld uit; geen plekje is meer ledig, van den dichtbegroeiden grond tot de toppen der hoogste boomen. Boomen, die elders slechts dwergen schenen, groeien hier op tot reuzen; bekende soorten worden tot een voedingsbodem voor nog onbekende woekerplanten; daar tusschen streeft eene nog nooit geziene vegetatie naar omhoog in het licht. Maar ook hier, althans in den noordelijken zoom van dezen gordel, werken de hitte en droogte van den winter nog altijd sterk genoeg om de bladerenpracht der boomen voor een tijd haar glans te doen verliezen en althans de meesten ettelijke weken tot rust te doemen. Te hoorbaarder klinkt dan ook de wekstem der lente door het sluimerend woud, en met te meer kracht ontwaakt na de winterrust het leven, dat de eerste regens van het bevruchtende jaargetijde oproepen.

Om de oerwouden dezer landen zoo getrouw mogelijk te malen, neem ik de lente tot uitgangspunt. De heraut en drager der regenwolken, de zuidenwind, moet nog den strijd bestaan met den koelen luchtstroom uit het noorden, wanneer het woud alle heerlijkheid, waarin het kan optreden, zal openbaren, en op een zijner hartaders, op een zijner stroomen moet men dat woud binnendringen, wanneer men het volle, rijke leven, dat daar heerscht, wil leeren kennen.

De „blauwe Nijl”, de Asrakh, wiens bronnen in Habesch liggen, zal onze heerbaan zijn; want aan dezen stroom hechten zich de schoonste beelden, die op mijn vele en lange reizen mijn eigendom werden, en op deze rivier ben ik wellicht beter gids dan op elke andere. Of ik daarbij tevens een goede tolk van het woud zal kunnen wezen, ziet, zulks betwijfel ik zeer. Want het oerwoud is een wereld vol glans en licht, vol tooverachtige schoonheid, een rijk vol wonderen, welks tresoren geen sterfelijk oog nog alle heeft aanschouwd, die veel minder reeds alle werden ontgraven; een schatkamer, oneindig meer opleverende dan men in staat is te verzamelen; een paradijs, alwaar de schepping elken dag zich verjongt; een toovercirkel, die voor een ieder, die er binnendringt, grootsche en liefelijke, ernstige en vroolijke, schitterend heldere en nachtelijk donkere beelden ontrolt; een geheel, dat uit[152]duizend gelijksoortige deelen bestaat, daarbij oneindig veel vormen vertoont, en toch een ondeelbaar geheel, dat den spot drijft met elke poging om het te ontleden en naar waarde te schetsen.

Een klein, licht, opzettelijk tot reisboot ingericht vaartuig, zooals men dit in Kartoem, de hoofdstad van Oost-Soedan, aan de samenvloeiing der beide Nijlarmen gelegen, kan vinden, draagt ons naar den hooggezwollen Asrakh. Wij hebben de tuinen van de laatste huizen der hoofdstad achter den rug; de steppe nadert de rivieroevers. Hier en daar ziet men nog een dorp, of enkele, allerliefst onder mimosa’s wegschuilende, somtijds onder het groen der klimplanten, die van genoemde boomen afdalen, begraven hutten; overigens echter overal in ’t rond ziet men niets dan het golvende graswoud en de weinig talrijke, daaruit te voorschijn stekende boomen en struiken der steppe. Reeds na eene korte vaart maakt het woud zich van den oever meester en breidt hier en daar zijn doornige of met stekels bezette takken over den waterspiegel uit. Van nu aan vorderen wij langzaam. De tegenwind belet het zeilen, het woud het trekken. Met de bootshaken trekt de bemanning het vaartuig, voet voor voet, meter voor meter, stroomopwaarts. Echter, wanneer een hunner in den dichten doornenmuur van den oever eene opening ontwaart, waar men te voet verder kan gaan, stort hij zich in den stroom, het trektouw met de tanden vasthoudende, zijn sterfelijk ik onder bescherming stellende van Moehsa, den patroon der schippers, die de krokodillen van hem moge weren, zwemt tegen den stroom in naar de zooeven geziene plaats, werpt het touw om een boomstam en nu trekken zijn makkers het vaartuig naar bedoeld punt. Zoo arbeiden deze lieden van den vroegen morgen tot den laten avond, en wanneer de dag eindelijk voorbij is, hebben zij den reiziger dikwijls niet meer dan een of twee geographische mijlen verder gebracht. En toch, de dagen vliegen om zonder dat althans hij, die geleerd heeft te zien en te hooren, door verveling gekweld wordt. Den natuurkundige, ja eigenlijk iederen weetgierigen waarnemer, biedt elke dag iets anders, den verzamelaar rijk en veelsoortig materiaal.

Nog een enkelen keer ontmoet men sporen van den mensch. Wie deze van den oever af vervolgt, komt langs smalle, door dicht geboomte weêrszijds nauw begrensde paden, bij de woningen van een zeer merkwaardig volkje. Het zijn de Hassanie, die hier huizen. Daar, waar de boomen des wouds minder dicht opeen staan, en geen drie- en viervoudig kroondak boven de hoofden opbouwen, maar slechts de hooggetopte,[153]schaduwrijke mimosa’s, tamarinden en baobabs groeien, daar sloegen onze luidjes hunne bevallige, tent- of kraamvormige hutten op, die in niets gelijken op de woningen der overige Soedaneezen.

„Hassanie” beduidt zooveel als: nakomelingen van Hassan; „Hassan” wil zeggen: „de schoone,” en inderdaad, deze stam voert dien naam niet ten onrechte. Want de Hassanie zijn ontegenzeggelijk de schoonste menschen, die in het beneden- en middelgedeelte van dit stroomgebied wonen, terwijl inzonderheid de vrouwen alle overige Soedaneezen in welgemaaktheid van lichaam, in regelmaat van aangezicht en mindere donkerheid van huidkleur overtreffen; mannen en vrouwen beiden houden tevens streng vast aan zekere, zeer vreemde oudvaderlijke zeden—die men misschien evengoed wanzeden zou kunnen noemen. De Hassanie zijn daarom dan ook evenzeer beroemd als berucht, worden even sterk vermeden als gezocht, zoowel geprezen als bespot, verheerlijkt als gelaakt. Voor den onbevooroordeelden vreemdeling, die er prijs op stelt de zeden en gebruiken van andere volken te leeren kennen, zijn zij in elk geval een voorwerp van de grootste belangstelling, zoo niet om de schoonheid, dan toch om de behaagzucht, die de vrouwen aan den dag leggen. Die behaagzucht is van dien aard, dat men er onwillekeurig door in eene vroolijke luim wordt gebracht. Die vrouwen willen en moeten behagen. Het behoud harer schoonheid is het eenigste en hoogste doelwit, dat zij nastreven; zij stellen dit boven elk ander, zelfs geldelijk voordeel. Ten einde den invloed der brandende zonnestralen te ontgaan, die hare lichtbruine huidkleur in eene donkere zou kunnen veranderen, houden zij verblijf in de schaduw der boomen en stellen zich tevreden met een klein getal geiten, die behalve den hond haar eenige huisdieren zijn; in dat schemerlicht zouden zij er trouwens ook geen andere kunnen houden. Gaarne geven zij daarvoor den rijkdom in ruil, dien hare stamgenooten, de trekkende herders der steppe, vinden in talrijke kudden runderen en kameelen. In ’t belang harer schoonheid zijn zij er steeds op bedacht in ’t bezit te komen van een groot aantal slavinnen, die den zwaren arbeid voor haar kunnen verrichten; ter versiering van aangezicht en wangen verduren zij reeds als meisjes heldhaftig de pijn, die hare moeder haar aandoet, door met een mes drie diepe, parallelle, loodrechte kerven in de wangen aan te brengen, ten gevolge waarvan op die plaatsen even zooveel gezwollen litteekens te voorschijn komen, of ook wel door met eene naald de huid der slapen, van voorhoofd en kin te doorboren, om in[154]de wonden indigopoeder te strooien, waardoor er blauwe, spiraalvormige versiersels ontstaan; ten einde hare schitterend witte tandjes te conserveeren, gebruiken zij alle spijzen en dranken lauw; om lang verzekerd te blijven van den haartooi, die uit honderden fijne, zeer kunstig ineengedraaide bundeltjes bestaat, die zij insmeeren met arabische gom en vet, begeeren zij des nachts geen ander hoofdsteunsel dan een smal, halvemaanvormig houten kussen; om haar aesthetisch gevoel te bevredigen, misschien ook om door elken bewoner of bezoeker der kolonie opgemerkt en bewonderd te worden, verzonnen zij den eigenaardigen bouwtrant harer woningen. Men kan deze misschien het best vergelijken met de kramen op onze markten. De vloer, die uit dichtaaneengesloten, met elkaar verbonden, een duim dikke staven bestaat, ligt op een paalwerk, dat zich ongeveer een meter boven den beganen grond verheft en het binnendringen van alle kruipend ongedierte zeer bemoeilijkt, alsmede de vochtigheid afweert; de muren bestaan uit matten, het dak, dat aan de opengelaten noordzij overhangt, uit eene waterdichte, van geitenwol geweven stof. Sierlijke, uit palmbladen gevlochten matten bekleeden den vloer; kunstig bewerkte, gevlochten voorwerpen, guirlandes van schelpen, waterdichte mandjes, aardewerk en drinkschalen, die uit de helft eener pompoen bestaan, bonte, eveneens gevlochten eetnappen met deksels, en dergelijke meer versieren de wanden. Elk afzonderlijk voorwerp ziet er niet minder fijn bewerkt dan zindelijk uit; orde en reinheid in de geheele hut bekoren ons hier te meer, omdat beide in dit land zoo zeldzaam zijn.

In zulk eene hut brengt de Hassanie den dag droomend door. In het beste gewaad gestoken, haar en huid met welriekende zalf ingewreven, het bovenlijf in een lang, dun, doorschijnend weefsel gehuld, terwijl om het benedenlijf een soort van rok is geslingerd, de voeten bekleed met net bewerkte sandalen, hals en borst versierd met kettingen en amuletten, de armen met snoeren, samengesteld uit stukjes barnsteen, den eenen neusvleugel zoo mogelijk met een zilveren, soms wel met een gouden ring getooid, zoo zit zij in de schaduw neder en verkreukelt zich in haar schoonheid. De kleine hand houdt zich onledig met eenig vlechtwerk, het vervaardigen van eenig kleedingstuk of het een of ander huisraad, hanteert wellicht op dit oogenblik den tandenschuier, een aan beide einden uitgerafelde, voor het doel uitnemend geschikte plantenwortel. Het werk, dat de huishouding vereischt, neemt eene slavin op zich; met de oppassing en verzorging der kleine[155]kudde, voor zooverre die arbeid eenige moeite vergt, is de dienstvaardige, meer dan gewoon vriendelijke echtgenoot belast. Weldoordachte, zeer ongewone huwelijkskontrakten, zooals deze onder haar stam gebruikelijk zijn en trots alle voorschriften en bevelen van de beheerschers des lands steeds in stand blijven, waarborgen der vrouw ongehoorde rechten. Zij is meesteres in de onbeperkste beteekenis des woords, meesteres zelfs over haar echtgenoot, althans tot zoolang haar schoonheid bloeit; maar is eenmaal de ouderdom gekomen en met dezen de schoonheid verwelkt, dan ook leert zij de vergankelijkheid van alle aardsche heerlijkheid kennen. Tot zoolang doet zij, enkel beperkt door de grenzen van vrijheid, die zij zich zelve stelt, alles wat haar goeddunkt. Zoolang de kronen der boomen om hare hut geen schaduw genoeg werpen, verlaat zij hare woning niet, maar heet daarentegen iedereen, vooral den vreemdeling, die bij haar binnentreedt, hartelijk welkom, om alleen, of met behulp van haar echtgenoot de eer van den stam op te houden, die in eene bijna grenzenlooze gastvrijheid bestaat. Maar wanneer de avond is gedaald, begint eerst haar eigenlijk leven. Nog voor de zon is ondergegaan, komt er beweging in de kolonie. De eene vriendin bezoekt de andere; andere vrouwen voegen er zich bij; trommel en cither lokken nog meerderen; slanke, bewegelijke, buigzame gedaanten reien zich ten vroolijken dans. Poezele handjes dompelen de drinkschalen in buikige, met merisa of doerrabier gevulde urnen, om ook de harten van mannen gelukkig te maken. Oud en jong stroomt samen en viert met te meer vreugde het avondfeest, wanneer de tegenwoordigheid van vreemde bezoekers dit opluistert. Ongewoon groot is de gastvrijheid van alle Soedaneezen, maar zoo groot als de gastvrijheid der Hassanie is die van geen enkelen stam.

Bij de voortzetting onzer reis stooten wij nog een enkele maal op de nederzettingen dezer boschherders, ook soms op de dorpen van andere Soedaneezen; eindelijk, na eene maandenlange vaart bereiken wij het gebied, waarheen het doel was gericht. Aan beide oevers der rivier belet een onafgebroken woud het uitzicht naar binnen.

In deze streken vindt men geen nederzettingen van menschen meer, geen dorpen, geen akkers, geen tijdelijke legerplaatsen; in deze wouden weêrklonk nog nimmer de bijlslag, daar de mensch er zich nog niet meester van maakte; hier huizen enkel, door niets en niemand gestoord, de dieren der wildernis. Ondoordringbare heggen sluiten den toegang van de rivierzijde af en weerstreven elke poging om tot bet binnenste[156]dezer bosschen door te dringen. Uit alle schakeeringen van groen is het betooverend beeld dezer wouden gemaald; een beeld, dat ons nu eens bekend, dan weder geheel vreemd voorkomt. Lichtgroene mimosa’s vormen den achtergrond, als zilver, glinsterende palmbladeren, de donkergroene kronen der tamarinden, heldergroene struiken van Christusdoorns steken tegen dien achtergrond af; veelsoortig gevormde bladeren sidderen en wiegelen, door den wind bewogen, glinsteren en schitteren, nu de eene, dan de andere zijde ons toekeerende, voor het oververzadigde en verblinde oog, dat zich vergeefs vermoeit om dat gewarrel der bladeren te ontsluiten en de afzonderlijke deelen vaneen te scheiden. Mijlen ver dragen de beide oevers ditzelfde karakter, zijn zij even dicht begroeid, even grootsch omzoomd, even ondoordringbaar.

Daar vertoont zich eindelijk een pad, wellicht zelfs een breede weg, die naar het binnenste van het woud schijnt te leiden. Tevergeefs echter speurt het oog naar de indrukselen van menschelijke voeten. Door menschen werd dit pad niet gebaand, de dieren des wouds hebben het aangelegd. Eene kudde olifanten trok door het dicht ineengeweven woud om van de waterlooze hoogten, die den oever begrenzen, naar den stroom af te dalen. In eene lange rij achter elkaar marcheerende, braken de zware dieren ongehinderd door het duizendvoudig ineengevlochten onderhout en lieten zich slechts door de zwaarste, hooggestamde boomen van den rechten weg afleiden. Hinderlijke takken, alsmede stammen ter dikte van een mansbeen werden afgebroken, onttwijgd, ontbladerd, tot op de onbruikbare deelen verteerd en dan op zij geworpen; de struiken, die den grond bedekken, werden met de wortels uitgetrokken en op dezelfde wijze gebruikt en weggeworpen, gras en kruiden vertrapt en vertreden. Wat de voorsten lieten staan, viel den achtersten ten offer, en zoo ontstond er een betreden, meestal diep tot in het binnenste van het woud voerend pad. Andere dieren droegen er zorg voor dien weg nog meer te effenen en het weder dichtgroeien te verhinderen. Op zulk een weg waagt zich het nijlpaard, dat in het nachtelijk uur uit de wateren van den stroom opstijgt, om in het bosch te grazen; op zulk een pad wandelt het neushoorndier om van uit het bosch naar den stroom te gaan drinken; op dit pad trekt de onbesuisde wilde buffel naar beneden en stijgt hij wederom naar de hoogte terug; hierop wandelt de leeuw door zijn gebied; en op ditzelfde pad kan men hem of den panther, de hyena en andere roofdieren des wouds ontmoeten.[157]

Op dit pad dringen ook wij voorwaarts.

Wij hebben nog maar weinige schreden gedaan en reeds omgeeft ons het majestueuse woud aan allen kant. Maar tevergeefs blijkt het ook hier de stammen-, takken-, twijgen-, ranken- en bladerenmassa’s te willen ontwarren. Als een muur sluit het woud zich aan beide zijden van den weg af. Onafgebroken staren ons dicht in elkaar gegroeide, ineengewevene, zelfs voor het oog ontoegankelijke, den grond overal woekerend bedekkende bosschen en struiken aan; alleen door deze op zij gedrongen, ontspruiten daartusschen allerlei grassen, die een nieuw onderhout in het bestaande onderhout vormen; onmiddellijk daarboven strekken hoogere struiken en lage boomen de twijgen hunner kronen naar alle zijden uit; en boven deze laatsten eindelijk verheffen zich de reuzen des wouds.

Verreweg de meeste struiken van het onderhout zijn dicht met doornen, de daarboven uitstekende mimosa’s met lange, harde en puntige stekels gewapend, en zelfs de grassen dragen klisachtige, overal met fijne stekeltjes bezette zaaddoozen, of met haken gewapende aren, zoodat elke poging om van den weg uit naar binnen te dringen, op duizend hindernissen stuit.

De gedoode vogel, die bij het neêrvallen op een der naaste struiken is blijven hangen, is voor den schutter verloren; zonder bijna bovenmenschelijke inspanning zou men niet in staat zijn dat boschje te bereiken; het wild, dat zich voor het oog des jagers in zulk een struikgewas verbergt, heeft zich gered, want het is onzichtbaar geworden; een krokodil, meer dan 3 meter lang, dien wij in het bosch deden opschrikken, ontging ons, daar het dier zich wist te verschuilen in het struikgewas, dat hem zoo geheel aan onze oogen onttrok, dat wij ook zelfs geen schub meer konden ontwaren, dus ook geen schot behoefden te doen.

Nog altijd doet men vergeefsche pogingen om meester te worden van de veelheid der indrukken, om het eene beeld van het andere te scheiden, om zelfs maar éénen boom van den grond af tot aan zijn top afzonderlijk te beschouwen, de bladeren van den een af te zonderen van die des anderen. Van uit de rivier was het nog mogelijk enkele frischgroene tamarinden te scheiden van de hun omgevende veelsoortige mimosa’s, de prachtige, aan onzen olm herinnerende Kigelia’s in ’t oog te vatten, zich te vermeien in den bladerenkroon eens palmbooms, die hoog boven de andere woudboomen uitstak; hier, in het binnenste[158]van het woud versmelten alle afzonderlijke deelen tot een enkel, ondeelbaar geheel. Alle zinnen worden te gelijk in beslag genomen. Uit hetzelfde loofdak, dat het oog tracht te openen, stroomen de zoete geuren ons tegen van enkele, nu bloeiende mimosa’s, klinkt een mengelmoes der vreemdsoortigste geluiden en tonen, het gegorgel der meerkatten, het gekrijsch der papegaaien, het gearticuleerde geluid der zangers, het gegons der de bloeiende boomen omzwermende insekten, ons in de ooren; het lichamelijk gevoel wordt niet minder, alhoewel op weinig aangename wijze, aangedaan door de ontelbare doorns, terwijl zelfs de smaak voldoening kan vinden in enkele bereikbare, ofschoon niet erg smakelijke vruchten.

Eindelijk evenwel, als men verder doordringt, treedt een zelfstandig en bepaald beeld voor ons op. Gigantisch in zijn geheelen bouw, reusachtig zelfs nog in zijn takken, verheft zich een boom boven de ontelbare planten, die zijn voet met groen omlijsten; als een titan stijgt hij omhoog, baant hij zich ruimte voor stam en kruin. Het is de olifant onder de boomen, de Adansonia of Tabaldie der inboorlingen, de baobab of apenbroodboom. Versteld blijft men staan; het oog moet zich eerst gewennen aan dit gezicht, alvorens de afzonderlijke deelen in ’t oog te kunnen vatten.

Men denke zich een boom, welks stam, ter hoogte eener manslengte boven den grond, een omvang heeft van twintig vademen, welks onderste takken de zwaarste stammen onzer boomen nog in dikte overtreffen, welks twijgen zelfs dikke takken zijn en welks jongste spruiten vele centimeters doorsnede hebben; men denke zich daarbij eene hoogte van veertig meter, terwijl de onderste takken zich tot op de helft dezer hoogte uitbreiden, en men zal zich eene flauwe voorstelling kunnen vormen van den indruk, dien deze boom op den beschouwer maakt. Van alle boomen in dit oerwoud verliest de baobab het eerst zijn bladeren, en volhardt tevens het langst in zijn winterrust; al dien tijd teekenen zich niets dan dorre takken en twijgen tegen de lucht af, beladen met aan lange, buigzame stelen hangende vruchten, die in grootte op suikermeloenen gelijken en tusschen de zaden een meelachtig, zuur smakend merg bevatten; het is een gezicht, dat men niet gemakkelijk vergeet. Wanneer evenwel na den eersten voorjaarsregen de groote, vijfspletige bladeren te voorschijn komen en zich ontwikkelen, om dan eerst de eigenlijke wonderpracht dezer boomen tot aanschouwing te brengen; wanneer zich de langgesteelde[159]knoppen der witte bloemen, die de grootte eener roos bereiken, tusschen de bladeren laten zien, dan verkeert de onvergelijkelijke reuzenboom als door tooverij in een gigantischen rozenstruik van ongemeene pracht, en zelfs de ziel der meest prozaïsche menschen wordt tot in het binnenste van haar binnenste ontroerd.

Geen enkele boom van het oerwoud kan zich meten met de Adansonia; zelfs de Delebpalm, die gewoonlijk zijn kruin boven alle omgevende toppen verheft, verliest tegenover den eerste iets van zijn bekoorlijkheid en aantrekkelijkheid, en toch is deze palmboom een der heerlijkste boomen van Afrika’s binnenlanden, ja een der schoonste palmen der geheele aarde. Zijn stam is een zuil, zooals geen kunstenaar haar schooner zich kan denken, zijn kroon een kapiteel, gelijk bij zulk een zuil past. De loodrecht opstijgende, boven den grond verdikte stam verjongt zich op eene in ’t oog vallende wijze tot op ’t midden der lengte, om van dit punt af dikker, dan nogmaals dunner te worden en onmiddellijk onder de kroon nogmaals op te zwellen; de kruin zelf bestaat uit breede, bijna een vierkanten meter groote, waaiervormige bladeren, wier stelen naar alle kanten in rechte lijnen van het middelpunt afstaan, wat aan de kroon een indrukwekkend voorkomen geeft. Tusschen deze bladeren prijken de trosvormige vruchten, die de grootte van een kinderhoofd bereiken en niet weinig bijdragen om de schoonheid te verhoogen, welke deze heerlijke kroon niet enkel aan den stam, maar ook aan het geheele woud verleent.

Aan het reusachtige hecht zich steeds het sprookje, dat daardoor leven, vorm en beteekenis erlangt. Deze gedachte dringt zich onwillekeurig bij ons op, wanneer wij, zooals dikwijls het geval is, eene Adansonia omslingerd en omsponnen zien door een dier klimplanten, welke in rijken overvloed ook deze oerwouden sieren en tooien. Mij doen zij steeds denken aan de Arabische tooververtellingen. Want even als de klimplant geen voedenden grondslag schijnt noodig te hebben, ofschoon zij werkelijk daaruit ontkiemde, maar haar voornaamste voedsel put uit den aether; evenals zij haar ranken van boom tot boom slingert om ze telkens vast te hechten en toch steeds hooger te klimmen, totdat zij zich eindelijk over den eenen of anderen kruin uitbreidt en er de schitterendste en geurigste bloemen over uitstrooit—eveneens schijnt ook het sprookje, hoe vast het inderdaad in het feitelijke moge wortelen, niet aan de werkelijkheid ontleend te zijn, en klimt het, om meerdere sterkte te ontvangen, tot de hemelen omhoog en zendt het[160]zijn verdichtselen door de wereld, tot het een hart vindt, vatbaar om geroerd en verwarmd te worden. Wanneer ik van de klimplant spreek, bedoel ik niet eene bepaalde soort, maar begrijp onder dit woord alle gewassen, die hier in saamgedrongen schroeflijnen een stam omgeven, ginds zich slingeren om een kale kruin, elders vele boomen aaneensnoeren, wederom op eene andere plaats een enkelen boom met groen bedekken, in dit gedeelte des wouds als naakte ranken een brug slaan van tak tot tak, in een ander gedeelte den weg versperren, en nog op velerlei andere wijzen, maar altijd klimmende, altijd rankende, zich voordoen.

Hare schoonheid en de betooverende indruk, dien zij op den bewoner der noordelijke landen uitoefenen, laat zich gevoelen, maar niet in woorden teruggeven; want evenals men aan eene klimplant dikwijls begin nog einde kan aanwijzen, evenmin is er een uitdrukking te vinden, die als begin of slot eener juiste beschrijving zou kunnen dienen.

De slingerplant is tastbaar aanwezig en toch voor de waarneming niet toegankelijk; men vervolge vol bewondering het pad, dat haar ranken hebben ingeslagen, maar het blijft onmogelijk uit te vorschen, waar deze vandaan zijn gekomen en werwaarts zij zich begeven; men geniet van de aanschouwing harer bloemen, zonder te vermogen deze machtig te worden; dikwijls kan men slechts vermoeden, dat die bloemen door haar werden voortgebracht. De klimplant eerst drukt een stempel op het oerwoud.

En niet alleen ontplooit zij haar eigen bloemen, zij tooit zich nog daarenboven met vreemde. Op hare ranken rusten bij voorkeur zekere prachtvogels des wouds, die tot levende bloemen worden, en de natuurlijke in pracht en schoonheid zelfs overtreffen. Nu en dan wordt het oog getroffen door een flikkerend licht, evenals dat, hetwelk een door de zonnestralen getroffen spiegelvlak uitzendt. Dit licht is inderdaad niets anders dan teruggekaatst zonnelicht, opgevangen door het atlasgroene gevederte eener glansspreeuw, en dat bij elke beweging van dezen vogel eene andere richting inslaat, nu naar boven, dan naar beneden, nu naar rechts, dan naar links. Betooverd door de ongemeene schoonheid van dezen enkelen vogel, zou men hem nauwlettend willen gadeslaan, zou men elke zijner levensuitingen willen bespieden, maar men wordt voortdurend door nieuwe indrukken afgeleid.

Want ook hier verdringt het eene beeld onophoudelijk het andere.[161]Ter plaatse, waar zooeven de glansspreeuw zich liet zien, verschijnt in het naast volgende oogenblik een niet minder schitterende en glinsterende goudkoekoek, een honigzuiger, die inveêrenprachtmet de kolibri’s kan wedijveren, een paar aanvallige bijeneters, een met levendige kleuren prijkende scharrelaar, een niet minder schoone liestvogel, een paradijsvliegenvanger, wiens lange, hangende middelste stuurpennen den kleinen vogel tot geen gering tooisel verstrekken; een helmvogel, die bij elken vleugelslag de donker purperroode slagpennen ontplooit, een klauwier, wiens helderroode borst genoemde slagpennen nog in de schaduw stelt, een zeer vreemd gevormde neushoornvogel, een goudwevervogel, een whidah, een boomhop met metaalglans, een sierlijke specht, een bladgroene duif, eene vlucht eveneens gekleurde papegaaien en vele andere gevederde boschbewoners meer. Het oerwoud is de meest geschikte verblijfplaats voor vogels; het biedt honderden en duizenden soorten herberg en voedsel, en daarom ziet de waarnemer ze spoediger en meer dan alle overige daarin schuilende dieren. De vogels bewonen en verlevendigen alle deelen des wouds, elke boomkruin, den grond, de hoogste toppen, de ondoordringbaarste struiken en zelfs de bladerlooze takken der Adansonia’s. Tusschen de grassen en andere planten, die den grond woekerend bedekken, banen frankolijnen en misschien ook parelhoenders dooreengeslingerde, allengs plat getreden paden. In het loof, boven de wortels van het kreupelhout hebben zich kleine duiven, in de uiteengespreide kruinen verschillende prachtvogels, vooral honigzuigers en prachtvinken genesteld; naar de dicht als vilt ineengeweven en schier ondoordringbare toppen der heesters snorren geheele familiën muisvogels als afgeschoten pijlen los, om al kruipende en schuivende, elk gaatje benuttende, door elke opening zich wringende, zich tot het inwendige een weg te banen; boomhoppen, meezen en spechten hangen en klauteren op en tegen de stammen, die boven genoemde struiken en heesters uitsteken, om elke spleet in schors en bast te onderzoeken; op de onderste twijgen der tweede kroonlaag zitten, loerende op gevleugelde insecten, de aanvallige bijenvreters of scharrelaars, de paradijsvliegenvangers en drongo’s; op de sterkere takken der derde laag huppelen de helmvogels, stappen deftig kleine reigers heen en weêr, slapen, tegen den stam gedrukt, oehoe’s en andere uilen; in het dichte loof der hoogste boomen spelen papegaaien en baardvogels; terwijl eindelijk, op de allerhoogste takken, arenden, valken en gieren zich hebben neêrgelaten. Werwaarts het oog schouwt rust het op een vogel.[162]

Met deze algemeene verbreiding en alomtegenwoordigheid in overeenstemming, treffen dan ook onafgebroken de meest verschillende vogelstemmen het oor. Het is een lokken en roepen, piepen en fluiten, kweelen, trillen en snateren, kirren, kwaken, schreeuwen, kraaien, krijten, gillen, zingen en slaan, links en rechts, vóór ons en achter ons, omhoog en omlaag, en zulks zoowel te noen als in den morgen of op den laten avond.

Honderdvoud verschillende stemmen weêrklinken gelijktijdig en door elkander, vereenigen zich soms tot een op zich zelf staand groot concert, dan weder tot een betooverend mengelmoes van tonen, dat men tevergeefs poogt te ontwarren en eerst na langen tijd in zijn enkele bestanddeelen vermag te ontleden. Met uitzondering van de lijsters, bulbuls en boschzangers, basterdnachtegalen en drongo’s bevinden zich hier geen echte zangers, wel bekoorlijke praters en gemoedelijke babbelaars, maar inzonderheid oneindig veel schreeuwers, krassers, schetteraars en andere meer of minder luid gillende vogels.

Het oerwoud kan zich dus, wat liefelijkheid en welluidendheid van gezang aangaat, in de verste verte niet meten met onze bosschen op een lentemorgen, maar wint het aan den anderen kant door de vreemdsoortigheid en het karakteristieke der afzonderlijke stemmen.

Wilde duiven koeren, kirren, huilen, lachen, en roepen uit de toppen der boomen en de dichte struiken; frankolijnen en parelhoenders schetteren luid daartusschen; papegaaien mengen er zich schreeuwend, raven krassend in; alarmvogels trachten het vreemde keelgeluid eener meerkattenfamilie na te bootsen, terwijl de helmvogels tonen voortbrengen, die aan een buikspreker doen denken; baardvogels fluiten luid op slependen toon, of dragen gemeenschappelijk een schel verward, maar toch gevoelvol lied voor, dat men kan kenmerken als een der eigenaardigste natuurgeluiden des wouds; de schitterende glansspreeuwen rijgen, verbinden en versmelten de weinige, ruwe, nu eens krassende, dan weder gillende, ratelende, of krijschende geluiden, over welke zij beschikken kunnen, in eindelooze herhaling aan en met elkander tot een zeker geheel; de prachtige schreeuwzeearend, die zijn woonplaats opslaat aan alle waterbekkens en waterstroomen des lands, doet zijn naam geen oneer aan.

Hoog op den top eens booms zit de „Aboe Tok” (voortbrenger van het geluid „tok”) der inboorlingen, een kleine neushoornvogel, die luid zijn „tok” door de wildernis laatweêrklinkenen elken roep doet vergezeld[163]gaan van eene diepe buiging met zijn door een bovenmatig grooten snavel bezwaarden kop.

Enkel dit ééne geluid heeft hij in zijn plompen keel en hiermede moet hij evengoed aan het wijfje zijn liefde verklaren als de nachtegaal zulks doet met zijn betooverend gezang. Het verheven gevoel, dat zijn borst doet zwellen zoekt uiting; steeds sneller volgen de tonen elkander op, steeds sneller ook de buigingen, die daarmede vergezeld gaan. Eindelijk raakt de logge kop vermoeid. Het minnelied is tevens uit, maar spoedig daarna vangt het opnieuw en op gelijke wijze aan. Uit het ongenaakbaar dikke struikgewas, klinkt de stem van den hagedasch of bosch-ibis; huivering bevangt den waarnemer als hij dit hoort. Het is een jammerend klaaglied, wat deze vogel ons aanbiedt; het klinkt alsof er een kind pijnlijk gemarteld wordt, b.v. langzaam over een zwak vuur zal geroosterd worden, terwijl het onder deze marteling luide kreten slaakt; langgerekte, klagende tonen wisselen af met een gillend geschreeuw, snelle kreten met een wegstervend gejammer. Uit de hooger gelegen deelen van het woud, van af daar, waar zich kleine open plekjes bevinden, schetteren de ver hoorbare, metaalachtige trompetgeluiden van den kroon-kraanvogel, die daarmede zijn sierlijke, vlugge, ter eere van het wijfje uitgevoerde dansen schijnt te willen aanvuren, en zoowel in het bosch als in de kelen van andere eveneens gillende vogels echo’s opwekt; een groot aantal krijschende stemmen mengen zich tot een veelvoudig koor. Dit concert is weer aanleiding, dat elke geluidgevende vogel zijn keel begint te roeren, en in een stroom van de meest verschillende geluiden gaan alle afzonderlijke stemmen nu verloren.

Het zijn echter niet enkel de verschillende soorten van gewiekte bewoners des wouds, die deel nemen aan zulk een algemeen concert, maar zelfs de diverse geslachten eener soort vereenigen zich om de een of andere partij in het lied op zich te nemen. Evenals de vermelde baardvogels vangen ook de basterd-lijsters, de alarmvogels, de frankolijnen en parelhoenders steeds op hetzelfde oogenblik hun geschreeuw aan, en zoo hoort men te midden van het algemeene mengelmoes van geluiden tevens nog afzonderlijke, duidelijk waarneembare strophen. Sommige vogelsoorten, vooral de struikklauwieren, gaan op andere wijze te werk, daar mannetje en wijfje elk eene bijzondere strophe zingen. Het mannetje der eene soort, die ik leerde kennen, nl. van den scharlaken-klauwier, zingt eene korte strophe, die doet denken[164]aan het ingewikkeld gefluit van den wielewaal; het gezang van den fluitklauwier bestaat uit drie zeer zuivere fluitgeluiden, die samen terts, grondtoon en octaaf vormen. Onmiddellijk daarna volgt het antwoord van het wijfje, in beide gevallen een onaangenaam, moeilijk te beschrijven gekras, maar zoo maatrijk en zeker, als waren de vogels bij een toonkunstenaar in de leer geweest. Somtijds begint het wijfje het eerst; het laat vier of vijf malen een geschreeuw hooren alvorens antwoord te bekomen; dan valt echter het mannetje weêr in en van nu af wisselt beider gezang of gesprek met de gewone regelmatigheid af. Ik heb mij door proefneming van dit samenwerken der beide geslachten overtuigd, door nu eens een mannetje, dan weder een wijfje te schieten, en altijd bevonden, dat alsdan nog slechts het overblijvende geslacht zich hooren liet.

Jammer genoeg mist men ook in deze aanvankelijk boeiende tonen dien rijkdom en die afwisseling, die harmonie en zoetheid, eigen aan het gezang der vogels in onze vaderlandsche bosschen. Toch is het eene grootsche en kernachtige melodie, welke het oerwoud te hooren geeft, wanneer in het vroege voorjaar al die honderden en duizenden veelsoortige stemmen door elkander klinken, als millioenen van insecten de bloeiende boomen omzwermen en ook haar luid gegons daarin mengen, wanneer tallooze hagedissen en slangen het dorre loof doen ratelen en het gillende, maar van uit de hoogte toch nog welluidend geroep van den adelaar, of het trompetgeschetter van den kroonkraanvogel en de parelhoenders bij tusschenpoozen alle andere geluiden overstemmen, terwijl een oogenblik later in de onmiddellijke nabijheid van het luisterend oor een boschzanger zijn bekoorlijk lied voordraagt, en daarna weder een der toongevende schreeuwers zich opnieuw laat hooren om in duizend kelen echo’s op te roepen.

Wordt men meer vertrouwd met het woud, meer zelfs dan men aanvankelijk dorst hopen, dan schenkt het ons steeds ruimer gelegenheid om kennis te maken met het huishoudelijk leven der dieren, en waarlijk aantrekkelijke beelden ontvouwen zich voor ons oog. De vogels treden hierbij al weêr op den voorgrond. Nog voert de lente haar heerschappij en met haar heerscht ook nog de liefde in elke vogelborst. Men zingt en koost, bouwt en broedt. Reeds van uit de boot ontwaart men de nestkolonies van sommige soorten.

Op voegzame hoogte boven het hoogste waterpeil der rivier, aan eenen steil afvallenden oeverkant, groeven de bijenvreters hunne nauwe, maar diepe, aan ’t eind bakovenvormig uitgeholde broedplaatsen.[165]

Op eene oppervlakte van weinige vierkante meters is de geheele kolonie opeengehoopt, ofschoon gewoonlijk tachtig tot honderd paren zich vereenigen; de cirkelvormige, drie, vier tot vijf centimeters breede ingangen der nestholten zijn ten hoogste vijftien centimeter van elkander verwijderd. Het schijnt onbegrijpelijk hoe elke vogel zijn eigen nest weet te onderscheiden van dat der anderen, en toch vliegen deze lichtgewiekte, schrandere vogels, zelfs wanneer zij van verre komen aanijlen, zonder dralen, zonder zich te bedenken elk in zijn eigen hol; hun uitnemend gezicht, dat reeds op een afstand van honderd schreden een voorbijsnorrende vlieg ontwaart, bedriegt hen nimmer. Het is een bekoorlijk schouwspel het levendig bedrijf dezer vogels gade te slaan. Alle boomen en struikjes der omgeving zijn ten minste met een enkel paar dezer gezellige, fraaie vogels getooid; op iederen tak, waar het uitzicht eenigszins vrij is zit een paartje, en elk der echtgenooten neemt vol belangstelling deel in alles wat den ander wedervaart of wat deze doet. Voor den ingang der nestholten gaat het even levendig toe als voor een bijenkorf; hier kruipen de vogels naar binnen, daar kruipen andere naar buiten; deze komen, gene gaan; een aantal zweeft weder voor de ingangen of vliegt naar de broedruimten. Eerst met het aanbreken van den nacht, dien allen in het nest doorbrengen, wordt het rustig en stil.

Op andere plaatsen van den oever, waar hooge boomen hunne takken over het water uitbreiden, of die bij hoogen rivierstand geheel in het water komen te staan, hebben de goudwevervogels zich verzameld. Ook deze broeden gezellig, bouwen echter vrij hangende, aan de uiterste twijgeinden bevestigde, zeer kunstig uit grashalmen en vezels samengestelde nesten. Geen gulzige meerkat, geen ander eierroovende vijand, zelfs geen slang, kan zonder gevaar te loopen van naar beneden te tuimelen en in het water te vallen, deze nesten nabij komen. Minstens drie, in den regel echter veertig tot zestig wevertjes broeden op een en denzelfden boom, en hunne nesten verleenen aan dezen een zeer eigenaardig voorkomen, ja zelfs het geheele landschap verkrijgt er een bijzonder uitzicht door.

In tegenstelling met andere vogels zijn het niet de wijfjes, maar de mannetjes, die de nesten bouwen, en deze gaan daarbij met zulk een ijver te werk, dat zij nog nesten maken ook dan, wanneer er geen behoefte meer aan bestaat. Met een zooeven afgebeten halm of uitgerafelden vezel in den bek komen zij aanvliegen, hangen zich met de pooten aan[166]een tak of aan het nest zelf vast, houden zich door snelle vleugelslagen in evenwicht, om onder aanhoudend gezang het meêgebrachte materiaal te verbouwen. Is het nest op het inwendige na gereed, dan beginnen zij terstond met een tweede en derde; ook worden reeds gereed zijnde nesten wel eens weer vernietigd en zoo gaat het voort, totdat het inmiddels broedende wijfje de hulp van haar echtgenoot bij het opvoeden der jongen inroept. Deze bedrijvigheid zet aan de geheele kolonie eene ongewone levendigheid bij; terwijl de goudgele, bewegelijke, in de meest verschillende houdingen hangende of zittende vogels nog bovendien een ongemeenen luister verleenen aan de reeds door de nesten zoo bevallig versierde boomen.

Ossenpikkers bouwen op de nu bladerlooze mimosa’s hunne nesten, die, de grootte dezer vogels in aanmerking genomen—de ossenpikkers zijn nauwelijks zoo groot als een spreeuw—waarlijk reusachtig mogen genoemd worden. In het dichtste vlechtwerk van takken der vermelde doornige boomen worden zij opgesteld; uitwendig bestaande uit doorns, die er het uiterlijk aan geven van een grooten roskam, zijn zij dikwijls meer dan een meter lang, half zoo hoog en breed, terwijl met de grootte onzer vogels overeenkomende, dikwijls gedraaide, voor alle andere dieren ontoegankelijke buizen tot in de inwendige, vrij ruime nestholte geleiden. Ook op deze boomen heerscht drukte en levendig vertier.

In het binnenste des wouds stoot men, bij aandachtig toekijken overal op nesten, hoe moeilijk het ook dikwijls moge vallen deze in ’t oog te krijgen. Kleine vinken b.v. bouwen er van een vorm, die gelijkt op een door den wind bijeengewaaid hoopje dor gras; inwendig zijn deze nesten evenwel zacht en warm, gevoerd met dons; andere vogels bezigen materialen, die in kleur de omgeving nabootsen; nog anderen bouwen in ’t geheel geen nesten, maar leggen eenvoudig de evenals de grond gekleurde eieren op den bodem neêr. Alle holten in de boomen zijn thans bezet, terwijl spechten, baardvogels en papegaaien ijverig in de weer zijn om voortdurend nieuwe uit te hameren of dieper te maken en in broedplaatsen te veranderen; de neushoornvogels daarentegen metselen ze, op eene wijde spleet na, geheel dicht. Vooral de laatstgenoemde vogels trekken door hun broedwijze bijzonder de aandacht en verdienen daarom het eerst vermeld.

Nadat de neushoornvogel zich met veel moeite van ’t bezit van een wijfje verzekerd heeft, spoort hij in vereeniging met zijne soortgenooten een geschikte broedholte op. Is er een gevonden, dan verwijdt het mannetje[167]die niet zijn plompen snavel,—een zeer lastig werk—zooveel zulks noodig is. Daarna kruipt het wijfje er in, en terwijl nu de eieren gelegd worden, arbeiden de beide echtgenooten samen, de een van binnen, de ander van buiten, om den ingang op eene spleet na dicht te metselen, welke opening juist wijd genoeg is om er de punt van den snavel nog doorheen te kunnen wringen. Afgesloten van de buitenwereld, brengt nu het wijfje den geheelen broedtijd in deze kraamkamer door en het mannetje is verplicht, niet alleen de ingemetselde gade, maar daarenboven ook nog later de uit het ei gekomen jongen van voedsel te voorzien; daar deze zeer snel groeien en alzoo veel voedsel behoeven, heeft hij druk werk. Zijn de jongen zoo ver gevorderd, dat zij vliegvaardig zijn geworden, dan opent de moeder den ingang van binnen en de geheele familie fladdert, vet, en goed bevederd, de wijde wereld in, om van stonden aan den echtgenoot en vader, die intusschen door het harde werken zoo mager als een geraamte is geworden, van alle verdere zorg en moeite te ontslaan.

Gelijke mannen- en vaderliefde legt ook de ombervogel aan den dag; dit is een ooievaarachtige, stil levende nachtvogel des wouds, ter grootte van een raaf, wiens reusachtige nesten zeer de opmerkzaamheid trekken. Deze nesten staan gewoonlijk op geringe hoogte boven den grond in de gaffelvormige verdeeling van twee stammen, of op een der dikste takken van de onderste kroon, wanneer deze althans sterk genoeg zijn om een nest te dragen, dat in omvang en gewicht de grootste roofvogelnesten verre overtreft; de doorsnede bedraagt soms van anderhalve tot twee meter, terwijl de hoogte niet veel minder is; het bouwmateriaal bestaat uit dikke takken en twijgen, die met leem tot een stevig metselwerk verbonden zijn. Wanneer men niet toevallig heeft gezien, dat de ombervogel deze nesten in- en uitkruipt, zal men niet licht op het denkbeeld komen, dat die gevaarten hol zijn: veeleer zou men meenen dat het de nesten zijn van groote roofvogels, vooral doordien niet zelden arenden en oehoe’s er boven op gaan bouwen. Helpt evenwel de werkelijke bouwmeester ons uit deze dwaling, en onderzoekt men die nesten wat nauwkeuriger, dan bevindt men, dat zij inwendig drie volkomen van elkaar gescheiden, slechts door gaanderijen of poorten verbonden ruimten bevatten, die bij scherper toezien zich doen kennen als voorkamer, gezelschapszaal of eetzaal en kraamkamer. De laatste of achterste ruimte ligt iets hooger dan de beide andere afdeelingen, zoodat toevallig binnengedrongen water steeds hierdoor weg[168]kan vloeien; het geheele gebouw is zoo voortreffelijk samengesteld, dat zelfs de hoogste en langdurigste regens er weinig of geen schade aan kunnen toebrengen. De drie, vier of vijf witte eieren liggen in de broedruimte op een zacht bed van biezen en andere plantenstoffen; zij worden door het wijfje bebroed. Het mannetje verzamelt in de middelste ruimte allerlei voedsel, zooals: visschen, kikkers, hagedissen en dergelijke lekkerbeetjes, en zulks in zulk een overvloed, dat het wijfje te kust en te keur kan gaan in hoeveelheid en soort van spijs; in de voorste kamer zit of staat het mannetje, wanneer hij althans niet op voedsel uit is, om het wijfje gezelschap te houden en middelerwijl over haar en de later uitgekomen jongen te waken. Zijn deze iets opgegroeid, dan voorzien de beide echtgenooten samen in de behoeften des gezins.

De ombervogel en arend of oehoe leveren niet het eenige voorbeeld op van vriendschappelijk samenwonen van in zeden en gewoonten overigens ongelijke vogels. Op de breede, van den stam zich horizontaal uitbreidende waaiervormige bladen van den Delebpalm staan de nesten van den vluggen en roofgierigen dwerg-slechtvalk en van de Guineaduif, dikwijls zoo dicht bij elkaar, dat de valk slechts den poot heeft uit te strekken om een buurkindje te pakken. Zulks gebeurt evenwel niet, omdat de valk niet anders dan op vliegende vogels stoot, en zoo groeien de jongen der duif ongestoord op in de buurschap van de telgen van den valk, en beide geburen zitten vredig en rustig naast elkander, ieder paar bij zijn eigen nest.

Nog eene andere palmboom bood mij eene goede gelegenheid aan om vogels waar te nemen, die bij het broeden eigenaardigheden vertoonden, welke mij ten hoogste verrasten en boeiden. Onder levendig geschreeuw vloog een troep dwergachtige gierzwaluwen, verwant aan onze gierzwaluwen, om eenen Tompalm, waardoor mijne opmerkzaamheid op dien boom werd gevestigd. Nader onderzoek leerde mij, dat de vogels zich dikwijls tusschen de bladen van den palmboombegavenen ik ontdekte nu in de gleuven der bladstelen witte stippen, die ik herkende als zwaluwnesten. Ik beklom den boom, boog een der bladen naar mij toe en bevond, dat elk nest, dat hoofdzakelijk uit boomwol bestond, in den hoek tusschen den steel en de bladhelft op de bij gierzwaluwen gebruikelijke wijze met behulp van speeksel was vastgelijmd. Maar de nestkom kwam mij zoo vlak voor, dat ik het onmogelijk oordeelde, dat de beide eieren daarin konden blijven liggen,[169]wanneer de bladeren door den wind heen en weer bewogen werden. En de minste ademtocht brengt zulke bladeren in beweging; hoe moesten ze niet geslingerd worden bij stormweder! Behoedzaam naderde ik met de eene hand de eieren, om ze uit het nest te nemen; daar ontdekte ik tot mijne verbazing, dat zij door de moeder warenvastgelijmd! En toen ik de pas uitgekomen, nog gansch en al onbeholpen jongen nader onderzocht, ontdekte ik, dat ook deze op gelijke wijze waren vastgekleefd, om ook hen voor uitvallen te vrijwaren.

Daar de vogels door hunne alomtegenwoordigheid, schoonheid, levendigheid en bewegelijkheid, alsmede door hun gezang—of geschreeuw—voortdurend de opmerkzaamheid van den aandachtigen waarnemer trekken, bemerkt men, de ook hier zeer talrijke hagedissen en slangen en insecten niet medegerekend, weinig van de overige bewoners van het oerwoud, althans niet van de daarin verblijfhoudende zoogdieren. Wat ons evenwel niet ontgaan is, is eene troep meerkatten; de levendigheid en ongedurigheid toch, die deze soorten even gelijk alle Afrikaansche apen eigen is, doet ze zelfs in ’t oog vallen van iemand, die niet aan zien gewend is. En schouwt het oog deze dieren niet, dan[170]hoort men ze in elk geval; het geluid, dat zij uiten, is een voortdurend gegorgel. Meest alle andere zoogdieren evenwel kan men tot op weinig meters afstand voorbijgaan zonder ze gewaar te worden. Verreweg het meerendeel wordt eerst bedrijvig na den ondergang der zon en zoekt voor het aanbreken van den dag zijn legerplaats weder op, maar ook die, welke in de morgen- en avonduren, als de zon schijnt, in de weer zijn, laten zich niet zoo gemakkelijk waarnemen als men wel zou denken; het dichte woud onttrekt hen te veel aan het oog. „Hebt gij,” zoo luidde de vraag van een Europeaan, met wien ik eens in het oerwoud was gaan jagen, „hebt gij dien panter niet gezien, die voor een paar minuten mij voorbij vloog en naar u toeliep? Ik kon niet schieten, omdat ik mijn geweer niet gereed had; gij moet hem toch gezien hebben.” Het was zoo niet; ik had wegens de dichtheid van het struikgewas het groote dier zelfs niet eens bemerkt. Waar het dichte geboomte zulks niet doet onttrekt de gelijkheid van kleur met de omgeving de dieren aan het gezicht. De grijsachtige halfaap, die op een met korstmossen bedekten hoogen boomtak ineengehurkt zit te slapen, gelijkt zoo sprekend op een uitwas des booms, dat eerst dan de dierlijke gedaante duidelijk wordt, wanneer de jager zijn kijker uit den zak haalt en dien uitwas nauwkeuriger in ’t oog vat. Devleêrmuis, die daar boven aan een kruintak hangt, gelijkt sprekend op een verdord blad en zelfs het bonte vel van den panter kan in het bosch door dorre bladeren en bloeiende Euphorbia’s zoo getrouw worden weêrgegeven, dat het mij persoonlijk eens is gebeurd, dat ik met aangelegd geweer tot vijftien schreden afstands een boschje moest naderen, waarin zich een panter had verscholen, alvorens ik dier en omgeving van elkander vermocht te onderscheiden. Geheel hetzelfde geldt voor de in het woud levende antilopen en verder voor alle zoogdieren in ’t algemeen—en zij zelf zijn zich des bewust. Niet overal in het oerwoud huizen de antilopen; slechts hier en daar en dan steeds talrijk leeft b.v. een kleine soort, nl. het struikbokje of de windhond-antilope. Dit is een der bevalligste herkauwende dieren, sierlijk gebouwd, niet grooter dan een reekalf van weinige dagen, vosachtig grijsblauw van kleur; het bewoont paarsgewijs het dichtste kreupelhout, kiest voor leger of verblijfplaats een goed bebladerden tot op den grond vertakten struik en trapt van hier uit smalle paden plat, die in de meest verschillende richtingen het dichte gewas doorkruisen. Ik heb vele dezer dieren gedood; aanvankelijk ging het mij echter evenals alle andere[171]reizigers en jagers, die dit dier leerden kennen; ik kon het maar niet in ’t gezicht krijgen, al was het ook opgejaagd en als een pijl uit den boog mij voorbijgesneld. „Zie Heer! daar in het naaste boschje staat een bokje; ginds in de opening tusschen de beide dik bebladerde takken staat het; ziet gij het niet?” zoo fluisterden mijn inlandsche gidsen mij in ’t oor. Ik deed mijn uiterste best, boorde mijn oogen in het aangeduide boschje,—ik zag niets anders dan takken en bladeren; want tot takken werden de sierlijke pooten, tot een dik bebladerden tak kop en lijf. Maar het oog eens jagers vindt ook eindelijk in het oerwoud den weg. Wanneer men eenigermate met de zeden en gebruiken der lieve antilopen vertrouwd is geworden, leert men deze dieren even zeker opsporen als de scherpst ziende inlander. Door haar fijn gehoor wordt de antilope den naderenden mensch veel vroeger gewaar dan deze haar spoor ontdekt. Door het geruisch der zware voetstappen opgeschrikt, is zij van haar leger opgesprongen, en doet eenige schreden vooruit om eene opening te bereiken, van waar zij een vrijer uitzicht heeft. Als een gegoten metalen beeld, stijf en roerloos, zonder zelfs de lang van te voren reeds opgerichte ooren te bewegen, zonder een harer loopers te draaien, staat zij daar, en luistert en kijkt; de poot, die tot vooruitgaan opgeheven werd, volhardt in de aangenomen houding, geen leven verraadt zij. Thans is het des jagers tijd; fluks heft hij de buks omhoog, trekt en schiet: een oogenblik later en het sluwe wild is met een enkelen grooten sprong in het naburig kreupelhout gesprongen en hierdoor gedekt geworden, of het dook langzaam naar beneden en kroop in deze houding weg, en zulks zoo onmerkbaar, dat geen blad zich bewoog, geen halm zich verroerde.

Op deze wijze voert het oerwoud de meest afwisselende beelden voor het oog des waarnemers. Wie zien kan en weet te zoeken, ziet en vindt overal in het bosch meer dan hij kan verwerken. Maar elke plaats en elk tijdstip van den dag of van het jaar geeft wat anders. Hier, waar de lente tot weken, de zomer of de herfst tot dagen inkrimpt en de winter, evenals in de steppe, bijna onmiddellijk na het ophouden van den regen zijn heerschappij aanvaardt, is ook het volle, rijke, alzijdig overvloeiende planten- en dierenleven binnen een kort tijdsbestek bepaald. Zoodra de vogels met broeden hebben opgehouden, beginnen zij te trekken en te strijken; zoodra de zoogdieren denken een gedeelte van het woud afgeweid te hebben, zoeken zij een ander gedeelte op. En[172]daarom kan men dan ook op dezelfde plaats op verschillende tijden ook verschillende dieren ontmoeten, althans wezenlijk verschillende beelden van het dierlijk leven opvangen. Zoo neemt, om een voorbeeld te noemen, het leven in de rivieren toe, naarmate het bosch ontvolkt wordt.

Bij hoogen rivierstand bespeurt men weinig van de dieren, welke in en bij het water leven. Alle eilanden liggen dan diep onder het water bedolven, de oevers zijn eveneens overstroomd en de vogels, die hier gewoonlijk huizen, zijn verdwenen. En als werkelijk eens een krokodil zijn kop en een paar rugschilden boven de oppervlakte verheft, wordt men zulks dan eerst gewaar, wanneer men met de boot tot op korten afstand genaderd is. Er blijven dus eigenlijk alleen nijlpaarden, die op sommige plaatsen zeer talrijk zijn, eenige boven het water vliegende vogels en misschien enkele duikers over om het zichtbare bewijs te leven, dat er in en bij de rivier ook hoogere gewervelde dieren leven. Wanneer nochtans na het eindigen van den regentijd de waterspiegel daalt en alle eilanden, zandplaten en oevers droog zijn geloopen, dan verandert het stroombeeld eveneens ten opzichte van de dierenwereld. De nijlpaarden trekken zich naar de diepste plaatsen van het water terug, om hier gezellig bijeen te leven en troepen te vormen van soms aanzienlijke sterkte; daar zij voor iedere ademhaling boven het water moeten komen en dan telkens met veel geraas de ingeademde lucht uitblazen, ziet en hoort men deze dieren zeer gemakkelijk. Ook komen zij ’s daags wel eens buiten het water om zich op de eilanden of zandbanken te legeren en van de warmte der zonnestralen te genieten; op een afstand van een kilometer en nog meer vallen zij daar den reiziger reeds in het oog; nu halen ook de krokodillen de schade in, die zij tijdens den hoogen waterstand hebben geleden, en koesteren zich op ’t heetste van den dag in de zon. Daartoe kruipen zij reeds in de voormiddaguren op de vlakke, zandige eilanden, vallen onder luid geplof op den grond neer, sperren den met vreeselijke tanden gewapenden muil wijd open en slapen, ten getale van tien, twintig en dertig bijeen, in de meest verschillende houdingen, naast en zelfs boven op elkander liggende, tot aan den avond door; groote zwermen vogels bedekken thans de eilanden, zandbanken en beide stroomoevers, en brengen door hun aantal een machtigen indruk te weeg. Tegen dezen tijd toch hebben de meeste inheemsche strand- en zwemvogels het broeden geëindigd en zijn zij met hun jongen het water gaan opzoeken, om hier, onder ’t genot van rijkelijk en gemakkelijk te verwerven voedsel, te ruien;[173]tezelfder tijd hebben de trekvogels uit het noorden, die hier overwinteren, zich bij hen gevoegd. Laatstgenoemde vogels bevolken nu ook alle deelen van het oerwoud, doch vallen hier niet zoo sterk in ’t oog als aan het water, waar de geheele oever en alle eilanden met groote en dus duidelijk zichtbare trekvogels bedekt zijn. Soms is hier zelfs geen plaats genoeg en het voedsel, hoe overvloedig overigens ook voorhanden, wordt dan voor de menigte schaarsch. Een gevolg hiervan is, dat elke plaats bezet wordt, ja overladen; dat ieder voedselbeloovend plekje door duizend mededingers bezocht, ja om elke eetplaats gevochten wordt.

Drie achtereenvolgende dagen zeilde ik bij goeden wind en in eene voortreffelijke boot op den Witten Nijl, en gedurende deze lange en verre vaart waren beide oevers van den stroom onafgebroken met een bonte en levendige, uit de meest verschillende strand- en zwemvogels samengestelde schare getooid. In de oerwouden van den Blauwen Nijl kan men een dergelijk schouwspel genieten. De uitgestrekte zandbanken worden door gewone en jufferkraanvogels volledig in bezit genomen; zij dienen echter den hier in winterkwartier verblijvende vreemdelingen slechts tot rust-, rui- en slaapplaatsen, van waaruit zij elken morgen naar de steppe vliegen om voedsel te halen, en werwaarts zij reeds vóór het middaguur teruggekeerd zijn om er te drinken en te baden, hun gevederte te poetsen, en eindelijk, bestendig door de krokodillen bedreigd, te slapen. ’s Middags mengen zich geregeld eenige gekuifde kranen in dat gezelschap, hetgeen eene groote opschudding te weeg brengt; de gekuifde zijn n.l. zoo niet beter dan toch ijveriger dansers en beginnen dadelijk na hunne aankomst hunne kunst uit te oefenen, waardoor de gewone kraanvogels insgelijks tot dansen worden aangezet.

Op dezelfde banken verschijnt ook de nimmerzat of tantalus, eene ooievaarachtige, in een wit, met rozengloed overgoten, op de vleugels helder rozerood gekleurd vederkleed prijkende vogel, die de buitenste zoomen van het eiland of de aanliggende ondiepe plaatsen in beslag neemt; valt het licht voordeelig op deze vogels, dan prijken zij met een gloeiend rood, zoodat zij heerlijk afsteken bij de grijze kraanvogels en aan het landschap een ongemeenen tooi verleenen. Op den oever stappen prachtige reuzen-ooievaars of jabiroe’s rond, wandelen de leelijke, wonderlijk gevormde maraboe’s vol statie op en neêr, staan schitterende lepelaars, waden reuzen- en zilverreigers in het water om visschen te vangen, staan en zitten, zwemmen en duiken, weiden en snateren en kweelen duizenden[174]spoor-, nijl- en lapganzen, nonnetjes, pijlstaarten, slangenhalsvogels, ibissen, wulpen, oever-, strand- en waterloopers en andere meer, die te zamen een bonten zoom van vogels vormen, wellicht nog sierlijker dan de tantalussen. Boven den waterspiegel echter zweven, behalve de opgenoemde vogels, die afwisselend aan- en afvliegen, ook nog zeezwaluwen en meeuwen, oeverzwaluwen en bijenvreters, terwijl hoog in de lucht een prachtige zeeadelaar zijn kringen beschrijft.

Enkele soorten dezer in alle opzichten zoo belangrijke, gevederde rivierbevolking moeten den laagsten waterstand afwachten om te kunnen broeden, omdat het haar tijdens den hoogen waterstand aan goede nestplaatsen ontbreekt. Tot dezen behoort een even bevallige als fraai geteekende, een even verstandige als wakkere moerasvogel, nl. de reeds bij de ouden bekende krokodillenwachter, de trochilus van Herodotus, van welken vogel deze schrijver en na hem ook Plinius ons verhaalt, dat hij in vriendschap met den krokodil leeft. Deze vertelling der ouden is geen fabel, zooals men geneigd zou zijn te denken, en ik kan persoonlijk voor de waarheid er van instaan. De krokodillenwachter, wiens afbeelding men zoo dikwijls op de Egyptische gedenkteekenen terugvindt, en die in hiëroglyphenschrift deoevoorstelt, leeft ook in Egypte en Nubië, oefent echter heden ten dage eerst in Soedan zijn ambt uit als wachter en beschermer van den krokodil; aan dat ambt was hij bij de volken der oudheid zijn roem verschuldigd. Hij bewijst evenwel niet alleen diensten aan genoemd gedrocht, maar in ’t algemeen aan alle dieren, die van de waakzaamheid van dezen vogel partij weten te trekken. Opmerkzaam en nieuwsgierig, prikkelbaar en schreeuwlustig, daarbij met een opvallend geluid begaafd, is hij een voortreffelijk waarschuwer voor andere, minder voorzichtige schepselen. Evenmin het naderende roofdier als een menschelijk wezen van verdacht voorkomen ontgaat zijn opmerkzaamheid; reeds elke zeil- of roeiboot trekt zijn aandacht en nooit laat hij na door een luid geschreeuw zijn waarneming aan anderen bekend te maken. Zoo worden alle met hem tezelfder plaatse toevende dieren aangespoord om een nader onderzoek in ’t werk te stellen en zich te overtuigen of er werkelijk gevaar aanwezig is of niet. In ’t eerste geval hebben zij tijd en gelegenheid om te vluchten. Daarin bestaat zijn ambt als wachter. Zijn vriendschappelijke verhouding tot den krokodil kan men moeilijk wederkeerig noemen; want van een krokodil vriendschap te eischen is wel wat veel van zulk een dier gevergd. Niet omdat het reptiel eenig welwillend gevoel jegens[175]den vogel koestert, maar omdat hij hem nauwkeurig kent en volkomen juist beoordeelt, behandelt hij hem als een lief, onschuldig schepsel. De vogel van zijn kant, van zijn jeugd af met het monster vertrouwd, een bewoner der zandbanken, waarop het eerste zich te slapen legt, altijd in deszelfs nabijheid, gaat met het dier om, alsof hij zelf de heer en meester, het andere de knecht ware. Onbevreesd klimt hij op den rug van het slapend ondier, onbezorgd nadert hij den opengesperden muil om te onderzoeken of misschien ook een bloedzuiger zich daar vasthechtte, of tusschen de tanden een brok bleef hangen, om het een zoowel als het ander weg te nemen. De krokodil laat zich dit alles welgevallen, zeker omdat hij bij ondervinding weet, dat hij den altijd opmerkzamen, behendigen, slimmen, kleinen schelm toch niet snappen kan. Ik zag eens een krokodillenwachter gelijktijdig met een schreeuw-zeearend van denzelfden visch eten, dien de arend gevangen en naar een zandbank gebracht had. Terwijl de laatste, die met beide pooten den buit vasthield of er op stond, een en andermaal naar den schuimlooper hapte, hield deze zich op eerbiedigen afstand van de tafel des grooten heers; telkens echter als deze den kop oplichtte om de spijs door te slikken, liep de ander snel toe, kaapte schielijk een door den arend reeds losgemaakt stuk visch en ijlde zoo snel mogelijk naar de eerste plaats terug, om daar het geroofde te verteren. Even bewonderenswaardig als dit driest bestaan is ook de slimme wijze, waarop de krokodillenwachter zijn eieren voor onbescheiden oogen verbergt. Ik had reeds langen tijd tevergeefs naar het nest van dezen vogel gezocht. De ontleding van een geschoten vogel had mij den legtijd van den krokodillenwachter leeren kennen. Dat hij slechts op zandbanken kan broeden volgt onvermijdelijk uit de levenswijs. Tevergeefs echter onderzocht ik op het zorgvuldigste al zijn lievelingsplekjes—ik kon geen nest uitvindig maken. Eindelijk zag ik een paartje, van hetwelk een der echtgenooten op den grond zat, terwijl de andere om de eerste heen scharrelde. Ik nam mijn kijker en liep, den vogel steeds in het oog houdende, recht op hem af. Toen ik in zijn nabijheid was gekomen, richtte hij zich op, schraapte ijlings wat zand op een bepaalde plaats bijeen en liep nu, wel is waar onder het gewone geschreeuw, maar toch zonder eenig ander bewijs van onrust met den ander weg. Ik liet mij niet foppen, hield de plek goed in het oog en kwam er bij. Maar ook nu kon ik nog geen spoor van het nest ontdekken, en eerst, toen ik eene weinig in ’t oog vallende oneffenheid in het zand waarnam[176]en hier aan ’t graven ging, vielen mij twee, als zand gekleurde eieren in de hand. Had de moeder meer tijd gehad, dan ik haar gunde, zeker had zij deze kleine oneffenheid ook nog glad gemaakt, zoodat zij in ’t geheel niet meer in ’t oog kon vallen.

VERHUIZENDE AMERIKAANSCHE BISONS.VERHUIZENDE AMERIKAANSCHE BISONS.

VERHUIZENDE AMERIKAANSCHE BISONS.

Een zoo mogelijk nog rijker, in elk geval veelsoortiger dierlijk leven als te dezer tijd aan den stroom heerscht, kan men gadeslaan aan de oevers en op het watervlak der meren en groote plassen in ’t midden des wouds, welke bekkens gevoed worden deels door het bijeenstroomende water der voorjaarsregens, deels door den buiten zijn oevers getreden stroom. Overal door het bosch ingesloten, dikwijls zoo dicht, dat men in ’t geheel niet of althans niet dan onder veel bezwaren deze meren kan nabijkomen, binnen de oevers bijna even sterk begroeid als daar buiten, uitgestrekte riet- en biesbosschen insluitende, terwijl ook thans nog papyrus en lotus daarin groeien, vormen deze regen-meren of „foelat”, gelijk de inboorlingen ze noemen, even zooveel goede verblijfplaatsen als broedplaatsen voor de meest verschillende vogels, en zelfs ook voor andere dieren. De veiligheid, die deze afgelegen oorden aanbieden, schijnt zelfs het nijlpaard aan te trekken, dat ze tegen den tijd, dat het jongen zal werpen, opzoekt; hier dreigt geen schaarschte van voedsel, hier houden zich geen gevaarlijke vijanden op, en zoo kan het in deze oorden ongehinderd zijn kroost zoogen, verzorgen en de eerste opvoeding geven. De dicht begroeide oevers, de moerassige inhammen lokken zwijnen en buffels aan; het stille water wordt met voorliefde opgezocht door de dorstige antilopen. Op den spiegel zelf verzamelen zich duizenden pelikanen, om, alvorens op de naburige boomen hunne legersteden op te zoeken, nog eens duchtig ter vischvangst te gaan; ook de slangenhalsvogel brengt hier een goed deel van den dag duikende door; tevens zwemmen er alle mogelijke ganzen- en eendensoorten en strijken er de uit het noorden gekomen trekvogels neêr, om hier een gastvrije winterherberg te vinden; in de bochten en op de ondiepe oevers vinden de reuzenreigers en sierlijke woudaapjes zonder veel moeite het rijkelijkste voedsel; de welige, groene oevers herbergen tallooze kleinere vogels, de boomen van ’t omgevende woud verschillende, op boomen rustende en nestelende strand- en watervogels. Geen wonder, dat het bij tijden in en om deze meren wemelt van vogels, maar even verklaarbaar is het tevens, dat zulk een rijkdom ook allerlei vijanden lokt. Valken en uilen vervolgen de kleinere vogels, de adelaar en de oehoe maken[177]jacht op meer groote, de vos en jakhals, leeuw en panter vervolgen de zoogdieren. Somtijds valt een uit de steppe getogen heirleger van vraatzuchtige treksprinkhanen in den frisschen woudzoom dezer streken, om in een oogwenk alles kaal te vreten en ’t geboomte geheel te ontbladeren. Maar nu ook vermenigvuldigt zich het vogelenheir tot in het oneindige. Van verre en van nabij verschijnen valken en uilen, raven en Duitschepapegaaien, frankolijnen en parelhoenders, ooievaars en ibissen, waterhennetjes en eenden, om zich aan de sprinkhanen te goed te doen. Iedere vogel, die bij tijd en wijle insecten nuttigt, voedt zich thans uitsluitend met deze reizigers. Honderden gewone en kleine torenvalken, die zich op dit tijdstip toevallig in hun winterkwartier bevinden, verzamelen zich bij scharen boven het bezochte bosch, stooten op elken opvliegenden zwerm sprinkhanen, grijpen ze en verslinden ze al vliegende; raven, Duitsche papegaaien, neushoornvogels, ibissen en ooievaars nemen ze van de takken weg en schudden ze er bij honderden af; deze vallen de onder de boomen loerende makkers, parelhoenders en eenden als buit ten deel; wouwen en zingsperwers vliegen in vele wendingen om de boomen, op welke de ontbladerende insecten alras de plaats der bladeren zelf innemen; zelfs de deftige maraboe’s en jabiroe’s versmaden het wel is waar kleine, maar daarentegen zoo rijkelijk voorhanden voedsel niet. Een en ander schenkt nog meerder leven aan het reeds zoo drukke water, dat op zulke tijden nog meer dan gewoonlijk de verzamelplaats wordt van de meest verschillende dieren.

Aan zulk een meer, een ware schatkamer voor den verzamelaar, hadden wij een aantal dagen gejaagd, waargenomen, verzameld, genoten van de weelderige planten- en dierenwereld, gevochten met nijlpaarden, onzen haat gekoeld aan de krokodillen, in één woord, wij hadden in volle mate de genoegens gesmaakt, aan ’t leven van den jager en natuuronderzoeker verbonden, en daarbij al het overige, zelfs den tijd des jaars, vergeten. Maar toen op zekeren dag de zon lager daalde en gouden draden vlocht tusschen het groen des wouds; toen het geschreeuw der papegaaien was uitgestorven en alleen het droomend gezang van een lijster nog tot onze ooren doordrong; toen de zeearend aan gindschen oever, nog vóór weinige oogenblikken bloeiende te midden van het omringende groen, slaapdronken zijn witten kop tusschen de schouderveêren verborg; toen zelfs het gegorgel van een troep meerkatten, die in de hooge kruin van eennabijstaandemimosa haar nachtleger had[178]opgezocht, was verstomd; toen de nacht aanbrak, schemerhelder en vriendelijk, koel en zacht, klankrijk en geurig, gelijk steeds omstreeks dezen tijd des jaars; toen was het alsof alle kleurenpracht, alle glans en heerlijkheid van de heden en gisteren in onze ziel opgenomen beelden eensklaps verbleekten. Onze gedachten vlogen naar het lieve vaderland en door een smartelijk heimwee voelden wij ons aangegrepen—want daar ginds vierde men op dit oogenblik het Kerstfeest. Wij hadden punch gemaakt en onze pijpen gevuld met de heerlijkste tabak der aarde; onze Albanezer reisgenoot zong een roerend lied; de nacht omgaf als met een tooverwaas hart en zinnen; maar de glazen werden niet geledigd, de rookwolken namen de wolken der droefgeestigheid niet weg, het lied vond geen weêrklank in onze ziel en de nacht tooverde tevergeefs. Wij smeekten om een Kerstgeschenk—en wij ontvingen het!

De nacht in het oerwoud is altijd majestueus en verheven; dan, wanneer de hemel in vuur wordt gezet door den bliksem, terwijl rollende donderslagen daarbij weêrklinken van het eene einde naar het andere; dan, wanneer de stormwind er giert, en ook dan, wanneer aan het eindeloos gewelf ver verwijderde zonnen stralen en blad noch halm zich beweegt. Weinige minuten reeds na zonsondergang hult de nacht het woud in zijn grijzen mantel. Wat in het daglicht duidelijk zichtbaar was wordt nu omfloersd; wat in het zonnelicht nog te omvatten omtrekken aannam, wordt thans tot een reuzengestalte. Bekende boomen worden tot spookgedaanten; de heggen van struikgewas tot zwarte muren. Het duizendstemmige alarm verstomt, diepe stilte vervangt het geraas. Maar een nieuw leven vangt aan, in het woud en op het water. Honderden cikaden doen een geluid hooren, dat eenigszins te vergelijken is met het verwijderd geklingel van kleine, onzuiver gestemde klokjes; duizenden, thans uit den slaap ontwaakte kevers, waaronder zeer groote soorten, snorren om de bloeiende boomen en laten een luid gegons hooren, dat eigenaardig past bij genoemd klokgelui. Kikvorschen, die slechts een enkelen, maar, de geringe grootte dezer dieren in aanmerking genomen, vrij luiden kreet voortbrengen, mengen zich daarin, en al deze stemmen, die doen denken aan den klank van een langzaam geslagen Chineeschen gong, weêrklinken ver door het woud.

Een groote uil begroet den nacht met dof gehuil; een kleinere soort antwoordt met een honend gelach; een geitenmelker herhaalt telkens opnieuw een enkele strophe van zijn snorrend, rochelend gezang. Van[179]de zijde der rivier klinkthetweeklagend geroep van den nachtvogel, van de meeuwenfamilie, of van een schaarbek, die, dicht over de oppervlakte des waters strijkende, de golven half doorploegt; van de zandige eilanden en banken weêrklinkt het luide, ietwat krijschend geschreeuw van den griel, alsmede de toonrijke, klankvolle, gevoelige trillers van een waterlooper of plevier; boven het riet van het nabijgelegen meer krast een nachtreiger. In het dichte struikgewas of rondom de kruinen der boomen flonkeren duizenden glimwormen; een reusachtige krokodil, die reeds vóór zonsondergang de tegenoverliggende zandbank verlaten en het door de zon gegloeide pantser in de lauwe golven afgekoeld heeft, zwemt, half onder, half boven den waterspiegel drijvend, door den stroom, een spoor nalatende, dat in den maneschijn als zilver, in het sterrelicht als een snoer glimmende paarlen schittert. Boven de hoogste boomkruinen zweven met onhoorbaren vleugelslag oehoe’s en andere uilen; langs den oever vliegen in bevallige kronkellijnen langstaartige geitenmelkers; tusschen de kronen der boomen beschrijven vledermuizen hunne zigzagbanen; van den eenen kant der rivier naar den anderen trekken, soms bij scharen, vliegende honden of kalongs. En nu is ook de tijd gekomen, dat de overige zoogdieren des wouds zich laten zien of hooren. De een of andere jakhals vangt aan, beurtelings, nu eens treurige, dan meer vroolijke melodieën aan te heffen, die met evenveel gevoel als volharding worden voorgedragen; een dozijn soortgenooten valt terstond in en opent een zangwedstrijd, in welken ieder dingt en kampt om den eereprijs; enkele hyena’s schijnen slechts op deze voorzangers gewacht te hebben, om nu een koor aan te heffen van huilende, lachende, klagende en juichende stemmen; de panter bromt; de leeuw brult, en zelfs het nijlpaard, dat nog den stroom niet heeft verlaten, verheft knorrend zijn armzalige stem.

Zoo spreekt en openbaart zich de nacht in het oerwoud; zoo boeide hij op dien voor mij onvergetelijken dag mijn oogen en ooren. De kevers, cikaden, uilen en geitenmelkers hadden aangevangen; daar schetterden schrille, krachtige, dreunende tonen door het bosch, als trompetgeluiden uit ongeoefende monden. Oogenblikkelijk verstomden de liederen van onzen Albanees, verstomde het gesprek onzer bedienden en matrozen, en allen luisterden evenals wij. Nogmaals schetterde en dreunde het aan den overkant. „El fioel, el fioel!” riepen de inboorlingen: „olifanten, olifanten!” jubelden ook wij. Het was voor het eerst, dat wij de reusachtige dikhuiders, op wier paden wij tot nog toe[180]bijna altijd hadden gewandeld, wier sporen wij zoo dikwijls hadden achtervolgd, vernamen, beluisterden. Aan den tegenoverliggenden oever daalden op gemakkelijke en zekere wijze, reusachtige, in ’t schemerlicht van den nacht met genoegzame duidelijkheid waarneembare gedaanten naar het water af, om uit de rivier te drinken en zich daarin te baden. De een na den ander stak zijn lenigen tromp in het water, om dien te vullen en daarna den inhoud òf in den wijden bek, òf over hals en schouders en rug uit te storten; de een na den ander daalde in de rivier af om hier een verkoelend bad te nemen. En even alsof het straks gehoorde trompetgeschal een krijgsroep was geweest, zoo rumoerig werd het nu in het woud. Vroeger dan gewoonlijk verhief de koning der wildernis zijn donderende stem; een tweede en derde leeuw beantwoordde dien koninklijken groet. Verschrikt vliegen de van slaap dronken apen op en laten een luid geschreeuw hooren; van angst jammeren de antilopen mede. Daar rekt in de onmiddellijke nabijheid onzer boot een nijlpaard zijn monsterkop boven het water uit en begint te brullen, evenals meende hij een wedstrijd aan te vangen met de donderende stem van den leeuw; ook de panter waagt het zich te doen hooren; jakhalzen vangen het afwisselend lied aan, dat wij reeds kennen, de gestreepte hyena’s huilen, de gevlekte doen hun helsch, merg en been doordringend gelach hooren; alleen de kikvorschen en cikaden, onverschillig omtrent de roepstem van den koning en die van de grootwaardigheidsbekleeders van het woud, gaan voort, de eersten met hun eentonig geschreeuw, de laatsten met hun klokgelui.

Dit was het „Eere zij God in den hooge” dat het oerwoud ons toezong.[181]


Back to IndexNext