VII.

[Inhoud]VII.DE VERHUIZINGEN DER ZOOGDIEREN.Reislust, in de beteekenis des woords, welke wij menschen daaraan hechten, wordt bij de dieren niet gevonden, zelfs niet bij de vogels, die benijdbare wezens, wien de goddelijke gave werd geschonken vliegende de landen door te trekken en zeeën te overbruggen. Onbezorgd en vrij, zooals de handwerksgezel uittrekt om vreemde landen, vreemde zeden en vreemde kunst te leeren kennen, trekt geen enkel dier; want meer nog dan wij is dit gebonden aan een bepaalde plek, en sterker dan het heimwee der menschen ketenen gewoonte en traagheid het aan de plaats der geboorte. Maakt het zich gereed deze te verlaten, dan gehoorzaamt het aan een wet van dringende noodzakelijkheid, en het trekt alleen uit om het gebrek te ontloopen, dat in ’t verschiet dreigt. Nood en ellende echter zijn maar al te vaak het deel en lot, hetwelk de vreugdelooze vreemdelingschap aan het dier bereidt, dat in dit geval slechts reisverdriet ondervindt.Een en ander is evenzeer van toepassing op de trekkende visschen als op de trekkende vogels, maar in ’t bijzonder geldt zulks voor de vele zoogdieren, welke nu en dan wandeltochten ondernemen. Weinigen doen zulks zoo regelmatig als de vogels en visschen, doch de aanleiding tot de verhuizingen is bij allen dezelfde. De dieren verhuizen, omdat gebrek aan voedsel in uitzicht is, of omdat de schaarschheid zich reeds eenigermate doet gevoelen; zulke reizen zijn dus meer te beschouwen als een ontvluchten van naderend gebrek, dan wel als eene begeerte om een gelukkiger land op te zoeken.Wanneer ik spreek van de verhuizingen der zoogdieren, dan bedoel ik daarmede niet de gewone stroop- en zwerftochten, die ook al ter wille van het voedsel geschieden, evenmin zulke tochten, welke ten doel hebben den verbreidingsgordel te verruimen, maar alleen die gemeenschappelijke reizen, welke sommige zoogdieren, nu eens in meer regelmatige, dan weder meer onregelmatige volgorde, ver buiten de grenzen[182]hunner woonplaats voeren, dus naar streken, alwaar zij eene hun vreemde levenswijze moeten aannemen, om deze even spoedig weder vaarwel te zeggen, zoodra hun dit mogelijk is geworden of mogelijk voorkomt. Zulke verhuizingen komen nog het meest overeen met het trekken der visschen en vogels, en hoe beter wij de eersten leeren kennen des te juister zal ook ons inzicht worden in ’t wezen van het laatstgenoemde.Kleine uitstapjes buiten de grenzen der gewone verblijfplaatsen volbrengen alle zoogdieren, en zulks om verschillende redenen. Soms zijn de mannetjes en vooral de ouden, meer geneigd tot rondzwerven dan de wijfjes en de jongen; men ziet ze daarom dikwijls zonder bepaalde redenen een zeker gebied verlaten om een ander op te zoeken; de jonge mannetjes van gezellig bijeenlevende soorten worden wel eens door de oudere hoofden van een troep stelselmatig verdreven en tot verhuizen gedwongen; de moeders zwerven gaarne met haar kroost door het gebied, alwaar dit laatste geboren werd; beide seksen trekken en reizen om elkander op te zoeken. Bij gelegenheid van zulke tochten ontdekt het dier de een of andere geschikte verblijfplaats, eene streek, waar overvloed van voedsel is, of waar beschermend struikgewas groeit, of een geschikt hol; het toeft daar dan langer of korter tijd en betrekt eindelijk voor goed het beloofde land. Oude jagers weten bij ervaring, dat een afgejaagd distrikt van buiten af weder nieuwen toevoer erlangt, en onder gunstige omstandigheden zeer spoedig even sterk bevolkt kan worden als vroeger. Niemand, die niet weet, dat vossen- en dassenholen, die zoo moeilijk te vernielen zijn, altijd bewoond blijven, hoe sterk er op deze dieren ook jacht worde gemaakt. Andere zoogdieren, op wier doen en laten minder nauwkeurig acht wordt geslagen dan op het wild, gedragen zich niet anders. Er heeft ongetwijfeld een onophoudelijk reizen en trekken plaats. En zoo wordt dan ook, zoo niet de natuur zelf zulks belet, of roofdieren of menschen hier verhinderend optreden, het verbreidingsgebied der soorten steeds grooter.EEN WILDE EEND BESCHERMT HAAR JONGEN TEGEN EEN WATERRAT.EEN WILDE EEND BESCHERMT HAAR JONGEN TEGEN EEN WATERRAT.Onze voorvaderen deelden hun woningen tot het eind der vorige eeuw met de huisrat, terwijl zij de bruine rat slechts kenden van hooren zeggen, of misschien zelfs in ’t geheel niet. De eerste was een rat met vele, ofschoon niet alle ondeugden van haar geslacht. Zij bewoonde de zolders onzer huizen, at van ons koren, van ons spek en allerlei anderen voorraad, knabbelde aan de deuren, planken vloeren en het huisraad, draafde des nachts onheilspellend door oude kasteelen en[183]dergelijke spookgebouwen, veroorzaakte veel verdriet, menigen schrik en voedde het geloof aan spoken en het bijgeloof; maar met haar was het leven nog mogelijk, en men kon haar nog meester worden. Een flinke huiskat hield haar in bedwang, een goede kamerjager bond met haar den strijd aan. Daar verscheen plotseling haar gevaarlijkste vijand, en van nu aan begon haar licht te tanen. In het jaar 1727 zag men groote scharen bruine ratten, die òf rechtstreeks, òf over Perzië uit Indië moeten gekomen zijn, over de Wolga zwemmen, en spoedig daarna ervoer men door welke plaag Europa voortaan gekweld zou worden. Rivieren en kanalen volgende, bereikte de bruine rat de dorpen en steden; zij nam, in spijt van menschen en katten, onze woningen eerst van beneden in bezit en nestelde zich in de kelders en gewelven, steeg allengs omhoog naar de zolders en daken, verdreef na een langen, verbitterden strijd haar bloedverwant, maakte zich tot meesteres in ons eigen huis en toonde duizenden malen, wat een rat vermag; want deze bezitalleondeugden der familie en legt ze daarbij onverholen[184]aan den dag; zij spotte met alle pogingen om haar te verdrijven en behield tot op dezen dag overwinnend het veld, dat wij haar met behulp van honden en katten, met klemmen en vallen, met vergif en kruit te vergeefs betwisten. Bijna tezelfder tijd dat zij over de Wolga zwom, in 1732, bereikte zij Europa nog langs een tweeden weg, doordien zij op Oostindische schepen naar Engeland werd overgebracht. Van nu af begon zij hare reize door de geheele wereld.In Oost-Pruisen verscheen zij reeds in 1750, in Parijs drie jaren later; Midden-Duitschland werd door haar veroverd ten jare 1780; eerst vestigde zij zich, evenals elders, in de steden, om van hier uit langzamerhand het platte land te bevolken; dorpen, die niet aan rivieren gelegen zijn en die zij dus minder gemakkelijk kon bereiken, betrok zij eerst in de laatste tientallen jaren dezer eeuw; toen ik nog een opgeschoten knaap was, kende men haar nog niet in mijn geboortedorp, het rijk behoorde daar nog toe aan de ook nu daar reeds door haar volledig verdreven zwarte rat.Nog later verscheen zij in de afgezonderd gelegen gehuchten en eenzame boerenwoningen, echter niet voor het midden dezer eeuw, en nog altijd zet zij haar zegetocht voort. Niet tevreden met de ontdekking en verovering van Europa, toog zij, en zulks reeds op het einde der vorige eeuw, op nieuwe avonturen uit. In de bereids door haar bewoonde zeeplaatsen zwom ze van den oever naar de schepen, klouterde langs ankerkettingen, touwen, enz, aan boord, nam haar intrek in het veilige, donkere scheepsruim, doorreisde op dat vaartuig alle zeeën, landde aan alle kusten, en bevolkte van hier uit alle landen en eilanden, waar deze slechts in bezit zijn genomen door den beschaafden, in vaste woningen levenden mensch, haar onvrijwilligen beschermer en onderhouder. Tegen wil en dank hebben wij haar geholpen, het haar althans mogelijk gemaakt zulk eene groote uitbreiding te geven aan haar gebied. Aan geen ander, den mensch niet onderworpen zoogdier, is zulks ooit gelukt.Een ander voorbeeld van soortgelijke verhuizingen biedt ons de ziesel, een in geheel Oost-Europa en West-Siberië veel voorkomend, en tot de familie der eekhoorns, meer in ’t bijzonder tot de onderfamilie der marmotten behoorend, schadelijk knaagdier, dat de grootte van een hamster bereikt. Albertus Magnus zag den ziesel in de omstreken van Regensburg, alwaar hij thans niet meer voorkomt; daarentegen is hij in den jongsten tijd Silezië weder binnengetrokken, alwaar hij voor veertig en vijftig jaren onbekend was; tegen het begin[185]van 1850 ongeveer verscheen hij daar, zonder dat men kon nagaan, vanwaar hij gekomen was, en van nu aan drong hij langzamerhand naar het westen door.Ook hier is het alweder de mensch, die deze verhuizingen in de hand werkt, omdat het dier, zoo al niet daaraan gebonden, althans in bebouwde velden, de het meeste voedsel belovende en dus voor hem gezegendste woonplaatsen vindt.Geheel hetzelfde mag gezegd worden van nog andere muizensoorten, wier verdere verspreiding gelijken tred houdt met de vermeerdering van het aantal bebouwde velden. Aan den anderen kant wederom wordt door den mensch het woongebied van vele zoogdieren door ontwouding, droogleggingen en andere veranderingen in den toestand des bodems verkleind; hierdoor bewerkt hij en ongetwijfeld veel meer nog dan door rechtstreeksche verdelging, het wegtrekken van een aantal zoogdieren, die daar vroeger vaste woonplaatsen hadden opgeslagen. Want ook op de zoogdieren is de wet van toepassing, dat slechts zulke woonplaatsen vroeger of later worden bevolkt, die voor hen geschikt zijn, en zulks niettegenstaande de mensch dit soms op willekeurige, ruwe en wreede wijze gewelddadig tracht te beletten.Verschillend van zulke tochten zijn die, welke de zoogdieren nu en dan ter wille van eene tijdelijke verbetering hunner positie volbrengen. Hieraan nemen waarschijnlijk, zoo niet alle soorten, dan toch enkele leden van alle familiën dezer klasse deel; zij duren langer of korter tijd, brengen de dieren in meer of minder afgelegen streken, kunnen daarom zelfs het karakter van werkelijke verhuizingen aannemen, maar eindigen toch na zekeren tijd en brengen het trekkende zoogdier eindelijk weder in zijn oorspronkelijke woonplaats terug. Het voornemen of de hoop zich betere weiden of jachtvelden te verzekeren, eene toevallig zich voordoende gelegenheid om een aangenamer leven te leiden, deze zijn zeer zeker de voornaamste beweegredenen voor zulke zwerftochten. Zij hebben dan ook jaar in jaar uit, op alle breedten en op alle hoogten plaats, zelfs in streken, die te allen tijde dezelfde levensvoorwaarden in zich sluiten. Het zoogdier begint en volbrengt die tochten nu eens afzonderlijk, dan weder in troepen, al naar het gewoon is eenzaam of gezellig te leven; dikwijls blijven de wegen dezelfde, en worden dezelfde plaatsen regelmatig op dezelfde tijdstippen bezocht; maar altijd zijn het toch toevallige omstandigheden, die het dier leiden en richten.[186]Wanneer de vruchten van de heilige vijgen- en andere boomen, die de tempels der Hindoes omgeven, op het punt zijn van rijp te worden, zien de Brahmanen, aan wie de zorg voor die tempels en boomen is toevertrouwd, met heilige ontroering de aankomst hunner vierbeenige goden te gemoet. En niet te vergeefs; want zij verschijnen wis en zeker, de tot goden verheven apen, de hulman en bonder, om zich te goed te doen aan de lekkere vruchten der voor hen alleen geplante en verzorgde boomen, tevens om daarbij nog te rooven en te plunderen in de naburige tuinen en plantages. En daarna verdwijnen ze weder, tot groote droefheid hunner vereerders, tot groote vreugde van alle andere bewoners, wier bezittingen zij op de brutaalste wijze beschadigden.Wanneer in Centraal-Afrika de korrels van het inheemsche graan, de doerrha of het kafferkoren, rijpen, daalt een troep bavianen onder aanvoering van een ervaren, deftig opperhoofd, die vol waardigheid en trots zich van zijn ambt kwijt, van de bergen naar omlaag, ten einde te onderzoeken of hun neef, de mensch, zoo vriendelijk is geweest ook in dit jaar weder het graan voor hen uit te zaaien. Of eene bende meerkatten, nadert, onder even uitstekend geleide, den zoom der bosschen, om te juister tijd de akkers ongestraft, zoo zwaar mogelijk te brandschatten. Wanneer de vurige oranjeappelen op de plantages der Zuid-Amerikaansche boeren tusschen het donkergroene loof schitteren, dan trekken de rolapen er op los, ten einde die vruchten met den eigenaar te deelen. Ook andere plantenetende dieren worden door de begeerte om zich het dagelijksch brood met weinig moeite te veroveren, naar streken, plaatsen en velden gedreven, die zij anders vermijden; roofinsecten volgen andere, hier of ginds tijdelijk verblijfhoudende insecten; de groote roofdieren vormen steeds de achterhoede van de plantenetende soorten hunner klasse, in ’t bijzonder die onzer huisdieren. De leeuw trekt met den rondzwervenden Afrikaanschen herder van plaats tot plaats; aan de verzenen der verslagen, huiswaarts vluchtende legers van Napoleon hechtten zich de Russische wolven; tot midden in Duitschland achtervolgden zij de ongelukkige soldaten.De vischotters ondernemen reizen te land om van de eene rivier in de andere te geraken; lynxen en wolven doorkruisen in den winter somtijds aanzienlijke oppervlakten lands. Door al deze reizen komt er eene wijziging in de woonplaatsen, het eene dier schuift het andere op; maar eene eigenlijke verhuizing kan zulks nog niet genoemd worden.[187]Ook zijn nood en gebrek slechts bij uitzondering aanleiding tot en motief voor werkelijke verhuizingen; veeleer is het hier een oogenblikkelijk opkomend verlangen, dat tot zulke tochten aanzet.Geheel anders verhouden zich die zoogdieren, welke telken jare, omstreeks denzelfden tijd, van woonplaats veranderen en onder omstandigheden tamelijk ver verwijderde oorden opzoeken, om van hier uit wederom op bepaalde tijden naar de oude woonplaats terug te keeren; dezenverhuizen, want zij grijpen niet eene toevallige gelegenheid aan, maar zij gehoorzamen bewust of onbewust aan eene dringende noodzakelijkheid.Als grond en oorzaak van alle werkelijke verhuizingen der zoogdieren moeten wij in de eerste plaats beschouwen, duidelijk uitgedrukte wisseling van jaargetijden. In landen met eene eeuwige lente hebben geen verhuizingen plaats, daar de aanleiding er toe ontbreekt. Zomer en winter moeten scherp van elkaar gescheiden zijn, zij dan de laatste door ijs en sneeuw, of door gloeihitte en droogte gekenmerkt; gebrek en overvloed moeten met elkander afwisselen, wanneer het trage zoogdier tot heengaan zal besluiten.Op kleinen maatstaf reizen reeds die dieren, welke gebergten bewonen. De gems, steenbok, alpenhaas en marmot trekken, wanneer de sneeuw begint te smelten, of iets later, zich over steilten en gletschers een weg banende, naar omhoog, alwaar de ontdooide grasvelden een even overvloedig als heerlijk voedsel aanbieden; vóór de winter is aangebroken keeren zij naar de lagere gedeelten van het gebergte terug.De beer, van nature een omnivoor, door gewoonte een roover, onderneemt, ten minste in de gebergten van Siberië dergelijke tochten, en eindigt deze eveneens vóór de komst van den winter; ook de wilde katten en honden, die de gebergten bewonen, handelen eveneens. Plaatsveranderingen van dit genre zijn zelfs gewoon in de gebergten van meer zuidelijk gelegen landen, de tropen niet uitgezonderd. In Indië evenals in Afrika klimmen en dalen zekere apensoorten op bepaalde tijden geregeld op en af, zoeken de olifanten bij de intrede des winters de laagvlakten, bij den aanvang van den zomer de hoogten op. In de Andes van Zuid-Amerika vluchten de guanaco’s voor de sneeuw naar de dalen, voor den gloed der zomerzon naar de berghellingen. Door het gebergte zelf worden aan al deze tochten enge grenzen gesteld. Wij hebben hier te doen met een hoogteverschil van één tot drieduizend meter, met afstanden die in weinige uren, ten hoogste enkele[188]dagen kunnen worden afgelegd. Kenschetsend voor deze tochten is evenwel de regelmatigheid, met welke zij geschieden, vooral in betrekking tot het tijdstip, waarop zij ondernomen worden, en niet minder in betrekking tot de wegen, langs welke zij plaats hebben.Heuvelland en vlakte, zee en lucht schenken meerdere speelruimte dan het gebergte en daarom laten zich de hier wonende of zich tijdelijk ophoudende dieren gemakkelijker dan die, welke in het gebergte verblijf houden, op hunne tochten vervolgen en nagaan. In de toendra’s van Rusland en Siberië doet het rendier, dat in Skandinavië de gebergten niet verlaat, elken herfst groote tochten, om tegen het volgende voorjaar naar zijn zomerverblijven terug te keeren; altijd ongeveer in denzelfden tijd verlaat het Groenland om van hier over het ijs naar het Amerikaanschevastelandte verhuizen; daar blijft het den geheelen winter en zoekt eerst in April de fjielden van zijn geboorteland weder op. Zoowel in Rusland en Siberië als in Groenland schijnt het niet alleen de vrees voor den naderenden winter te zijn, die tot verhuizen aanspoort, maar hierbij komt nog als tweede aanleiding eene aan het hooge noorden gebonden plaag. De korte zomer n.l. roept eene ongeloofelijke hoeveelheid kleine insecten in ’t leven, inzonderheid eene onbeschrijfelijke menigte steekmuggen en horzels, die niet alleen den mensch, maar ook het rendier het leven verbitteren. Om dezen te ontvluchten verlaat het dier de moerassige toendra, boven welke gedurende den korten zomer dichte wolken van muggen zweven, en vlucht naar de minder door deze insecten geplaagde gebergten zijner woonplaats, die op gemeld tijdstip tevens zoo rijkelijk met geurige weiden bedekt zijn, als met klimaat en land bestaanbaar is. Die gewoonte wordt erfelijk en zoo is het mogelijk, dat telkens dezelfde wegen worden betreden en tevens die verhuizingen altijd weder op hetzelfde tijdstip plaats grijpen. Er ontstaan dientengevolge gebaande wegen, die duidelijk in ’t oog vallen, mijlen ver door de toendra verloopen en op bepaalde plaatsen de stroomen en rivieren doorsnijden. Tegen den aanvang van den tocht scharen zich de wijfjes met haar kalveren in kudden van tien tot honderd stuks bijeen, de spiesherten en smaldieren volgen, en daar achter voegen zich de oude herten. De eene troep volgt onmiddellijk op de andere, zoodat de waarnemer duizendtallen dezer dieren kan zien voorbijtrekken. Allen snellen steeds vooruit, laten zich noch door water, noch door bergen terughouden, en komen niet tot rust dan nadat zij de winterkwartieren betrokken hebben. Benden wolven, beren en veelvraten[189]hechten zich aan hun voetzolen en leggen alzoo evenzeer een niet klein gedeelte van dien weg af. In het voorjaar trekken de rendieren ongeveer langs denzelfden weg terug, en weder in nagenoeg gelijke slagorde, maar in veel kleinere kudden, en ook langzamer en wat meer op hun gemak.Nog grooter afstanden leggen de Amerikaansche wisenten of bisons, de „prairiebuffels” af. Hoe ver zij reizen weet men eigenlijk nog niet recht, maar men heeft trekkende troepen ontmoet van Canada tot Mejiko, van de Missouri tot het Rotsgebergte en zoo is men gerechtigd aan te nemen, dat een en dezelfde kudde zeer groote landstreken van het aangegeven gebied door trekt. Men heeft deze bisons in den zomer, over de eindelooze vlakten derprairiënverstrooid, aangetroffen, en in den winter op dezelfde plaatsen, maar tot duizenden vereenigd; men heeft gezien hoe zij reisden, want men heeft hen vervolgd op de door hen gebaande, honderden mijlen ver in meer of minder rechte richting, over gebergten en door de vlakten verloopende „buffelpaden”; men heeft zich door eigen aanschouwing er van overtuigd, dat de grootste stroomen hun geen hinderpaal in den weg leggen, dat zij, evenals eene lawine zich in deze wateren storten en ze met hunne donkere lichamen als het ware geheel opvullen; men heeft gezien, dat de dieren zich van elkander scheiden en zich weder vereenigen, dat de kudden zich vergrooten en zich oplossen in kleinere, dat oude, knorrige, heerschzuchtige en boosaardige stieren de gemeenschap met de andere bisons vermijden, misschien worden verdreven, en op deze wijze waarschijnlijk eerst na een langen, moeilijken strijd, gedwongen worden tot den volgenden zomer eenzaam rond te dolen; men heeft opgemerkt, dat zij in den winter, wanneer er veel sneeuw is gevallen, in de bosschen of tegen de hellingen der bergen beschutting zoeken tegen de ruwheid des weders. Reeds in de maand Juli vangen zij hun tochten van het noorden naar het zuiden aan. Weinig talrijke kudden, die tot op dit tijdstip een lui en gemakkelijk zomerleven leidden, sluiten zich aan anderen aan en samen vervolgen zij hun weg; andere troepen voegen zich bij hen en naarmate men vooruitdringt, groeit de menigte en wast het aantal, zoodat er eindelijk die groote massa’s uit zijn voortgekomen, die van nu af aan, als door éénen geest bezield, samen werken en handelen, totdat het voorjaar hen weêr scheidt. Zoodra de winter voorbij is, lossen de massa’s zich weder, misschien in omgekeerde volgorde, in kleinere kudden op, die zich al weder verdeelen,[190]tot er niets dan kleine gezelschappen meer overblijven. Dit alles geschiedt op de terugreis. Zoowel op de uit- als thuisreis trekt steeds de eene kudde, op zekeren afstand van eene volgende verwijderd, na de andere; allen blijven evenwel nagenoeg op hetzelfde pad. Treffen zij eene gunstige plaats, b.v. eene met sappig gras begroeide laagte, dan grijpt hier eene tijdelijke opstuwing van den levenden stroom plaats. Onder zulke omstandigheden vereenigen zich op hetzelfde punt ontelbare scharen bisons; zij vertoeven dan eenige dagen achtereen op dezelfde plek en breken eerst dan weder op, wanneer al het gras is afgeweid en de honger tot verder trekken noodzaakt. Ook de bisons worden achtervolgd door wolven en beren, terwijl gieren en adelaars onheilspellend boven hun hoofden zweven.Niet alleen vrees voor gebrek aan voedsel, maar ook het ontbreken van drinkwater kan de aanleiding zijn, die tot reizen aanspoort. Wanneer in het zuidoosten van Siberië, inzonderheid in de hooge steppe van Gobi, de winter nadert, worden alle zoogdieren, voor zoover zij geen winterslapers zijn, door de bijzondere gesteldheid van dat hoogland gedwongen in lager gelegen oorden een onderkomen te zoeken. De winter treedt in dit Middel-Aziatisch hoogland niet strenger op dan in de noordelijk of noordoostelijk daarvan gelegen streken, maar hij is hier meestal vrij van sneeuw en bedekt alle wateren, die bovendien wegens den weinigen neêrslag niet talrijk zijn, met eene dikke ijslaag. Zoodra nu die laatste zoo dik is geworden, dat geen der in de Gobi verblijf houdende dieren het ijs verbreken kan, zien zij zich tot verhuizen verplicht, en nu trekken zij niet naar zuidelijker, maar juist naar noordelijker streken, die het voorrecht bezitten van veel sneeuw te bevatten: de trekkende dieren toch kunnen beter hun dorst lesschen met de zachte sneeuw, dan met het harde ijs, en ook loopen zij gemakkelijker op de eerste dan op het laatste. Nu kan men ook begrijpen waarom de kropantilope, die veelvuldig in de genoemde steppe voorkomt, een land verlaat, dat met uitzondering alleen van de daar ontbrekende sneeuw, m.a.w. met uitzondering alleen van water, hetzelfde aanbiedt als het winterkwartier. Niet de honger, maar de dorst drijft het dier naar den vreemde. Is de winter in aantocht, dan verzamelt zich de overigens reeds gezellig levende antilope in grootere troepen van vele duizenden individuen; alle lager gelegen landstreken rondom het hooge geboorteland zijn met deze kudden opgevuld. Gezamenlijk verwijderen zij zich tot op honderden mijlen afstands van den geboortegrond,[191]en leggen op dien tocht soms in een enkelen nacht tien à twaalf geografische mijlen af. De waarnemer, die hen volgt, ziet overal hun sporen en in zulk eene menigte, dat het schijnt alsof kort van te voren eene buitengewoon talrijke schaapskudde hier langs getogen is.Nog voor de trektijd der antilope is aangebroken, komt de koelan of dziggetai, de vermoedelijke stamvader van ons paard, en in elk geval het prachtigste en edelste wilde paard der aarde, in beweging. De veulens van den jongsten zomer zijn in den herfst reeds zoo krachtig geworden, dat zij eene lange reis kunnen meêmaken, snelle marschen uithouden en alle wederwaardigheden en gevaren van een ongeregeld leven met goed gevolg het hoofd kunnen bieden. Ook de jonge, vierjarige hengsten bevinden zich in de volle kracht des levens, verlaten reeds op het eind van September, vol moed, de ouderlijke kudde en dringen voorwaarts. De oude hengsten en merriën eindelijk worden aangegrepen door de zucht tot paring en worden onrustig en reislustig. Zoo begint het vlugge, ondernemende dier, reeds vóór de winter invalt, zijn tochten; daarom mist men in deze verhuizingen duurzaamheid en regelmaat, zoodat zij eenigszins het karakter verkrijgen van avontuurlijke zwerftochten. Ten einde het hun door den aanvoerenden hengst opgelegde juk af te schudden en vrij te zijn, om zich zelf tot gebieders op te werken, verlaten de jonge hengsten de moederkudde en zwerven nu zelfstandig door de zandsteppe. Alle jongere, geslachtsrijp geworden en zelfs sommige oudere merries schijnen door hetzelfde gevoel bezield te zijn als de op daden beluste jonge hengsten; ook zij pogen de tyrannie van hem, die haar tot nog toe gebood, te ontvlieden. Zij voegen zich bij de eersten—evenwel om nu onder het juk van dezen haar nek te krommen. Maar zonder strijd wordt de heerschappij niet verkregen, goedschiks geeft de oude gebieder zijn rechten niet op. Urenlang staat de jonge hengst op den top eens heuvels of van een bergrug en slaat van hier uit een onderzoekenden blik over het veld. Zijn oog doorloopt de woestijn, zijn naar den wind gekeerde neusvleugels zijn opengesperd, zijne ooren hebben zich gespitst. Strijdlustig, in gestrekten draf springt hij in elke kudde, die nadert, rent hij elken mededinger, dien hij ontwaart, te gemoet, en een woedend gevecht begint om de merries, die den overwinnaar alleen zullen volgen. Dit vechten en kampen brengt echter beweging in de kudden, scheidt ze van het gebied, alwaar zij den zomer hebben doorgebracht en is de voorbode van thans aanvangende, uitgestrekte en[192]onafgebroken zwerftochten. Na of nog vóór het eindigen van de zooeven besproken gevechten, verzamelen zich de troepen koelans in elk geval tot steeds talrijker wordende kudden, totdat er eindelijk legers van meer dan duizend stuks ontstaan, die gezamenlijk optrekken en wel naar zulke streken, die overvloed van voedsel opleveren. Ook in de winterkwartieren scheiden de wilde paarden zich niet van elkander en zijn deswege genoopt, ter wille van het voedsel voortdurend rond te zwerven. Dreunend klinkt de hoefslag dezer aaneengesloten, gewoonlijk snel voortdravende kudden, en meermalen is het gebeurd, dat de Kozakken in de grensdistricten van het Russische Rijk, daardoor verschrikt, te wapen vlogen. Geen wolf zal het wagen zulk eene kudde aan te vallen, want de moedige hengsten weten te hunner verdediging zulk een goed gebruik van de hoeven te maken, dat de wolf alras van zijn aanval afziet; slechts zieke en vermoeide wilde paarden vallen het roofdier, dat deze tochten volgt, nu en dan ten offer. De mensch richt evenmin onder deze legers veel schade aan; de koelans toch zijn zeer schuw en voorzichtig, zoodat het moeilijk valt hen te naderen. In weêrwil van dit alles kan een strenge winter dezen dieren noodlottig worden, vooral wanneer er veel sneeuw valt. De reeds zoo schrale weide is dan spoedig uitgeput en dit te eerder, naarmate de kudden talrijker zijn. Dan azen de dieren zonder keus of smaak op alle planten, die zij kunnen vinden. Maandenlang moeten zij zich voeden met niets dan ontbladerde twijgen. De gladheid en ronding des lichaams gaat verloren; eerlang zijn het wandelende geraamten. Zelf gebrek lijdende, kan de merrie-moeder haar veulen niet meer het noodige geven; de uiers drogen op. Menig veulen, dat op zijn nog jeugdigen leeftijd de harde kost der ouden niet kan verteren, lijdt gebrek. Ook de ouden lijden onder deze winterplagen. Sneeuwstormen, die dagen lang kunnen aanhouden, waaien de weiden onder de sneeuw, verdooven den moed, terwijl de driestheid der wolven in gelijke mate toeneemt, welke dieren de krachteloozen neêrvellen en den sterkeren boozen overlast aandoen. Zoodra evenwel de omstandigheden zich ten goede keeren, keert ook weder bij deze taaie, tegen het weêr geharde schepselen de oude levenslust terug, en zoodra de sneeuw begint te smelten vangen zij den terugtocht weder aan, om binnen ongeveer eene maand het vroegere zomerverblijf weder terug te vinden; hier lossen zij zich weder op in taboenen, of afzonderlijke kudden, herstellen zich onder ’t genot van rijkelijk en geurig voedsel spoedig weder[193]van de geleden schade, worden weer vet en glad, en zijn den kommer en de ellende van den winter geheel vergeten.ZEBRA’S, STRUISVOGELS EN QUAGGA’S.ZEBRA’S, STRUISVOGELS EN QUAGGA’S.Hoe groot de afstanden ook mogen zijn, die alle tot nog toe behandelde zoogdieren afleggen, bij die der robben en walvisschen zijn ze echter niet te vergelijken. Het water begunstigt alle bewegingen van een daarin levend dier, biedt in hoofdzaak overal dezelfde levensvoorwaarden aan en stelt om deze reden, op gemakkelijker wijze en met minder moeite en gevaren in staat tot het volbrengen van verre tochten. En toch wekt het eenigszins onze verbazing te vernemen, dat vele zeezoogdieren, inzonderheid de walvisschen, tot de meest reislustige schepselen behooren, ja dat velen hunner, en misschien wel de meesten, ongeveer hun geheele leven lang op reis zijn. Strikt genomen heeft geen enkele walvisch gedurende het geheele jaar eene vaste verblijfplaats, maar trekt dit dier, of alleen, of paarsgewijs, met zijn jongen of in scholen vereenigd, onafgebroken van de eene wereldzee naar de andere, terwijl somtijds enkele oorden bijzondere lievelingsplekjes zijn, die bij voorkeur en op geregelde tijden worden opgezocht, ’s winters andere dan in den zomer. De zeeën, in welke dezelfde walvischsoort zich des zomers en des winters ophoudt, liggen dikwijls verder uiteen dan men gewoonlijk meent; enkele wallen doorreizen jaarlijks meer dan een vierde gedeelte van den ganschen aardbol. Men ontmoet ze des zomers aan de ijsmuren van de Noordelijke IJszee en in den winter niet zelden aan gene zijde des Evenaars. Gezellig in de hoogste mate en vol opofferende liefde jegens hunne jongen, verzamelen zich met name de vrouwelijke wallen tot soms verbazingwekkende aantallen, om onder aanvoering van enkele mannetjes langs bepaalde wegen en op bepaalde plaatsen door den wijden Oceaan te trekken; sommigen vervolgen daarbij hunne reis langs de kust, anderen door de hooge zee. Stormen en het niet verschijnen van zekere dieren, die hun tot voedsel verstrekken en waarin men de naaste aanleiding tot deze verhuizingen hebbe te zoeken, wijzigen soms richting en aanvang van den tocht; in ’t algemeen echter geschieden deze reizen zoo regelmatig, dat men zoowel in het noorden als in het zuiden de komst der walvisschen van bepaalde dagen afgerekend te gemoet ziet en wachten uitzet, ten einde dadelijk voor de vangst gereed te zijn. De kustbewoners hebben dikwijls dezelfde walvisschen, die zij herkenden aan bijzondere kenteekens, zooals b.v. verminkte vinnen, en die ze tevergeefs hadden nagezet, jaren achtereen juist op denzelfden tijd en juist op[194]dezelfde plaats teruggezien, terwijl de jacht op deze winstgevende en daarom fel bestookte dieren met dezelfde regelmatigheid wordt uitgeoefend als op het vasteland de hazenjacht. Op andere tijden des jaars zou men tevergeefs naar wallen zoeken. „Na Driekoningen” zegt reeds de oude Pontoppidan, „zien de Noormannen van alle bergen naar walvisschen uit, wier komst door de haringen wordt aangekondigd.” Eerst maakt de springwal zijn opwachting, drie of vier, hoogstens veertien dagen later verschijnt de vinvisch, ofschoon de een naar het schijnt uit Straat-Davis, de ander uit Groenland opbreekt. Aan de zuidelijke kusten der Faroer, en wel hoofdzakelijk in de Qualbenfjord, ziet men jaarlijks omstreeks Sint-Michiel van drie tot zes anarnaks, heden ten dage zoowel alsvóórhonderd en negentig jaar.In zekere golf van Schotland verscheen twintig achtereenvolgende jaren, steeds op denzelfden tijd, een walvisch, die onder den naam van „Hollie Pyke” algemeen bekend was, telken jare nagejaagd en eindelijk gevangen werd. Aan de kusten van IJsland kiezen jaarlijks enkele walvisschen dezelfde inhammen en baaien uit om hier eenigen tijd te verblijven, elk jaar dezelfde maanden en dezelfde weken, zoodat de kustbewoners ze persoonlijk kennen en aan ieder hunner namen hebben gegeven. Zekere, goed bekende moeder-wallen bezoeken elk jaar dezelfde baai, om hier haar jongen ter wereld te brengen; men spaart deze dieren zelf, doch zij moeten hun eigen leven duur genoeg, nl. met dat van hun kroost koopen. Uiterst zelden geschiedt het, dat de reizende walvisschen zich aan tijd noch richting binden; in het algemeen trekken zij met zulk eene regelmatigheid door den wijden Oceaan, dat het is alsof zij zich naar den stand der sterren richten en gebaande, van ter zijden begrensde wegen betreden. Geen ander zoogdier trekt met zooveel regelmatigheid; men kan dit trekken vergelijken met dat der vogels.Evenals de walvisschen ondernemen ook de robben jaarlijks meer of minder verre, maar over ’t algemeen ook zeer regelmatige tochten. Die soorten, welke in binnenzeeën leven, kunnen deze wel is waar niet verlaten, maar zij trekken ze toch telken jare op gelijke wijze door; of zij zwemmen op bepaalde tijden de rivieren op, welke in genoemde zeeën uitmonden. Alle soorten daarentegen, die in de wereldzeeën verblijf houden, vangen elk voorjaar en elken herfst reizen aan, die in bepaalde richtingen verloopen, en naar bepaalde streken voeren. Alle robben uit het hooge noorden en die, welke om de zuidpool[195]wonen, worden steeds door het zich in den winter uitbreidende ijs tot verhuizen gedwongen; zij trekken daarom met dat ijs naar gematigde breedten af, om met het smeltende ijs weder dichter de polen te naderen. Zij, zoowel als alle andere soorten der orde, waartoe zij behooren, worden nog door eene andere, niet minder gewichtige beweegreden tot reizen gedreven; zij kunnen nl. alleen op het vasteland of althans op groote, vast liggende ijsschollen hun jongen ter wereld brengen en zoo lang verzorgen, tot deze in staat zijn de ouden in zee te volgen om daar zelf in het levensonderhoud te voorzien. Zoo verschijnen dan telken jare duizenden en honderdduizenden robben op bepaalde eilanden of ijsschollen, welke geboortegronden van hun geslacht zij zoo geheel en al met hunne lichamen bedekken, dat elke beschikbare ruimte in beslag moest genomen worden om voor allen plaats te vinden; hier brengen zij hun jongen ter wereld, verwijlen weken, ja maanden achtereen op het land en het ijs zonder intusschen te jagen, in zee te dalen en voedsel tot zich te nemen, zogen de jongen, paren alsdan, lossen het verband weder op, verdeelen zich over den uitgestrekten Oceaan, om van nu aan weder op oude wijs te leven, of zij vangen met hunne nog veel zorg eischende jongen meer of minder ver zich uitstrekkende jachttochten, alzoo nieuwe reizen aan.Van alle hier opgenoemde trekzoogdieren behoort geen enkel tot de winterslapers, die, goed beschut, in diepe, zorgvuldig toegestopte onderaardsche woningen, in schijndooden toestand den boozen winter doorbrengen. Deze dieren zijn dus niet genoodzaakt hunne woonplaatsen te verlaten. Evenwel, ook onder dezen zijn er, althans voor zooverre diegenen betreft, welke in de gematigde luchtstreek leven, enkelen, die gedurende hunne jeugd trekken, nl. de vleêrmuizen.Hoe onvolkomen de vleugels der vleêrmuizen, vergeleken met die der vogels ook mogen schijnen, toch zijn het geschikte werktuigen ter plaatsverandering en zij stellen zelfs in staat tot het volbrengen van tochten, die tot de lichaamsgrootte van het dier in geen verhouding staan. Bovendien is er nog een andere omstandigheid, die der reislustige vleêrmuis ten goede komt, daarin bestaande, dat het dier door zijn jongen aan geen bepaalde plaats gebonden wordt, want deze klemmen zich van het oogenblik der geboorte af aan de borst der moeder vast om door deze, tot zij volwassen zijn, door de lucht gedragen te worden. Om al deze redenen behoort de vleêrmuis tot die dieren, welke te allen tijde tot verhuizen en reizen gereed zijn, en zij maakt dan ook van de[196]voordeelen haar geschonken, bij tijd en wijle een uitgestrekt gebruik. In den regel zijn alle reizen, die de verschillende soorten vanvleêrmuizenondernemen, meer zwerftochten, die ten doel hebben op sommige tijden andere, meer voedsel belovende streken op te zoeken; toch kunnen deze tot werkelijke reizen worden, en althans enkele soorten worden daardoor naar ver afgelegen landen vervoerd, en zulks geschiedt met die regelmatigheid, welke ware verhuizingen kenmerkt. De grootste vleêrmuizen, de kalongs of vliegende honden, ondernemen elken avond, ten behoeve van haar hoofdvoedsel, dat uit vruchten bestaat, verre tochten; daarenboven vliegen zij soms over zeestraten van tien geogr. mijlen breedte, ja, naar men zegt, begeven zij zich wel eens van Zuid-Azië naar Oost-Afrika en omgekeerd. Waar is het dat zij in beide werelddeelen voorkomen.De eigenlijke vleêrmuizen doen voor de kalongs niet onder. Ten einde jacht te maken op insecten, die in de verschillende tijden des jaars op verschillende hoogten verschijnen, stijgen deze dieren van de laagvlakten naar de bergen omhoog, om in den herfst weder naar beneden te dalen; zij volgen de kudden der nomaden van Middel-Afrika—al weder om de hier zich verzamelende insecten—maar zij reizen ook van het zuiden naar het noorden, en keeren van hier weder naar ginds terug, en omgekeerd. Zoo verschijnt de ombervleêrmuis eerst met het begin der heldere zomernachten in het noorden van Skandinavië en Rusland, om deze breedten, die men als haar eigenlijk geboorteland kan aanmerken, reeds in den nazomer weder te verlaten; zij begeven zich alsnu naar de Duitsche Middelgebergten en de Alpen, om daar te overwinteren. Zoo ziet men de meervledermuis des zomers geregeld in de Noordduitsche vlakten, maar ontmoet haar echter om dezen tijd slechts zelden in de gebergten van Middel-Duitschland, alwaar zij den winter in de rotskloven doorbrengt. Dat ook andere in Duitschland levende vleêrmuissoorten soortgelijke reizen volbrengen, is meer dan waarschijnlijk.Bovenvermelde voorbeelden, die uit het rijkelijk voorhanden materiaal zoo maar te grijpen waren, zijn zoo vele bewijzen voor die soorten van verhuizingen, welke men op grond der regelmatigheid, waarmede zij geschieden, willekeurige zou kunnen noemen. Maar er is meer. Somtijds worden de zoogdieren door honger en dorst, armoede en tijdelijke onbewoonbaarheid van een of ander woongebied, zoo hard geteisterd, dat zij, schier tot wanhoop gebracht, besluiten moeten in de vlucht hun[197]behoud te zoeken. Rijkelijk voedsel en gunstig weder bevorderen de vermenigvuldiging van alle dieren, maar inzonderheid die der planteneters, zoodat deze daardoor wel eens gedwongen worden hun verbreidingsgordel uit te zetten. Worden evenwel een of meer vette jaren, of zelfs enkele gunstige maanden opgevolgd door schrale, dan klimt de nood plotseling tot het uiterste; de hierdoor overvallen dieren worden dan niet alleen in de onmogelijkheid gebracht van zich verder het noodige levensonderhoud te verschaffen, maar de nood doet hun zelfs alle bezinning verliezen.Onder zoodanige omstandigheden verlaten bij ons te lande de veldmuizen, in Siberië de wortelmuizen hare geboorteplaats en trekken, in ontelbare scharen vereenigd, naar andere streken; zij deinzen op zulke tochten nergens voor terug, zoomin voor het water als voor de hun vreemde bergen en bosschen; zij hebben daarbij onophoudelijk te kampen met honger en ellende, met ongesteldheden en kwaadaardige ziekten, die als de pest onder hen woeden en de millioentallen tot weinige honderden doen insmelten. Gelijke omstandigheden dwingen in Siberië de eekhoorntjes, die in gewone jaren ten hoogste kleine uitstapjes ondernemen, om zich tot groote legers te vereenigen en troepsgewijs van boom tot boom, van het eene woud naar het andere te trekken, rivieren en stroomen over te zwemmen, enz. Zij dringen alsdan de dorpen en steden binnen, verliezen bij duizenden het leven, maar laten zich zelfs dan niet terughouden of van den weg afbrengen, wanneer het doodsgevaar hen tegengrijnst. De voetzolen slijten af en worden ruw, de nagels zijn stomp geloopen, de haren van den anders zoo gladden pels worden borstelig en zitten verward dooreen; losschen en sabelmarters volgen hun spoor in de bosschen, veelvraten, vossen en wolven in het open veld, arenden, valken, uilen en raven zweven dreigend boven hunne hoofden, maar grooter verwoestingen nog dan de tanden en klauwen der roofdieren, of de buksen en stokken der menschen, richten boosaardige ziekten onder hen aan, en toch—zij trekken altijd verder, oogenschijnlijk zonder hoop op een mogelijke wederkomst. Volgens de mondelinge mededeelingen van een met mij bevriend Siberisch jager wierp zich in het jaar 1869 zulk een leger van eekhoorntjes midden in de Uralische stad Tapilsk. Deze individuën vormden echter nog maar eene enkele divisie van het hoofdleger, welks centrum op een afstand van ongeveer acht kilometer meer noordelijk door het bosch trok. De dieren volgden of individuëelsgewijs of in troepen van verschillende sterkte,[198]onafgebroken elkander op; zij trokken even dicht aaneengesloten door de stad als door het naburige bosch; zij maakten zoowel van de straten als van de tuinen gebruik, klommen zelfs over de daken der huizen, vulden alle pleinen en open plaatsen, en veroorzaakten een algemeene opschudding, niet alleen onder de menschen, maar zoo mogelijk nog meer onder de honden, die er duizenden doodbeten en ten slotte de meest teugellooze, meest onverzadelijke moordlust aan den dag legden. Maar de eekhoorns schenen geen acht te slaan op de tallooze offers, die aan hunne zijde vielen, zich om niets te bekommeren en zij waren door geen enkel middel van den eens ingeslagen weg af te brengen. Drie dagen achtereen duurde deze doortocht, van den vroegen morgen tot den laten avond, en eerst tegen het aanbreken van den nacht kwam er stilstand in den stroom. Allen wandelden juist in dezelfde richting, van het noorden naar het zuiden, en de nakomenden trokken langs denzelfden weg als de eerst voorbijgekomenen. De bruisende Tschussoweia was hun geen beletsel; alle dieren, die aan den oever dezer snelstroomende rivier aankwamen, stortten zich zonder bedenken in het schuimende en draaiende water, en zwommen, bijna geheel ondergedoken, met over den rug gelegden staart, zoo snel mogelijk naar den anderen oever. Mijn zegsman, die den tocht voortdurend met klimmende belangstelling en opmerkzaamheid volgde, begaf zich in een boot midden onder de den stroom doortrekkende schare. Vermoeide zwemmers, wien hij eene roeispaan toereikte, maakten daarvan gebruik om er bij op en in de boot te klauteren; zij bleven, oogenschijnlijk zeer vermoeid, hier een poos rustig en vertrouwelijk zitten, klauterden, wanneer de boot naast een grooter vaartuig aanlegde, op dit laatste over, bleven nu hier weder rustig een poos zitten om ook dit te verlaten, zoodra het vaartuig aan wal was gekomen; dan sprongen zij er af en zetten de reis zoo goedsmoeds voort alsof zij door niets waren gestoord geworden.Dezelfde oorzaken moeten het zijn, die de lemmingen aanzetten tot hunne, reeds eeuwen lang bekende verhuizingen. Jaren achtereen verleenen de gebergten der Skandinaafsche, Noord-Russische en Noord-Siberische toendra’s hun een geschikt verblijf en daarbij overvloedig voedsel, want de breede ruggen der fjielden evenals de hier tusschen gelegen uitgestrekte vlakten, het heuvelland en de laagten bezitten plaats en voedsel genoeg voor millioenen dezer dieren; maar niet elk jaar verheugen zij zich den geheelen zomer in overvloed. Volgt op een aan sneeuw rijken, dus op een voor hen, die onder het witte sneeuwkleed[199]een veilige schuilplaats vinden, gunstigen winter een te rechter tijd aanvangend, warm, lang aanhoudend voorjaar, dan worden er aan hun ongemeene vruchtbaarheid geenerlei perken gesteld, en weldra wemelt de toendra letterlijk van lemmingen. Een hierop volgende, schoone en warme zomer doet het aantal nog meer toenemen,—maar verhaast tevens den levensloop van alle voedingsplanten, en nog vóór het einde van den zomer daar is, zijn die planten òf verdord, òf reeds gevallen onder de vraatzuchtige tanden dezer onverzadelijke woelmuizen. Het gebrek houdt zijn intocht en het lui, lekker leventje wordt vervangen door ellende. De vroolijke, brutale aard van den lemming is verdwenen, onrust bevangt hem en deze onrust stijgt eerlang tot radeloozen angst. Het hongerspook grijnst hen tegen. Nu scholen de lemmingen bijeen en vangen de reize aan. Dezelfde trek maakt zich tegelijkertijd van velen meester en de een sleept den ander mede. De troepen worden scharen, de scharen legers. Deze stellen zich in slagorde en als een bruisende stroom storten de lemmingen zich van de hoogten naar beneden in de dalen. Allen snellen in een bepaalde, naar plaats en gelegenheid verschillende richting vooruit. Allengs vormen zich lange rijen, in welke de eene lemming zoo dicht op den ander volgt, dat hij met zijn kop schijnt te rusten op den rug van zijn voorman. Hoe licht de tred dezer kleine diertjes ook zij, hun aantal snijdt in het moskleed der toendra diepe voren, die reeds van verre in ’t oog vallen. Hoe langer de tocht duurt des te onrustiger en koortsachtiger wordt de troep. Gretig vallen zij op alle planten aan, die zij op hun weg ontmoeten, alles verslindende wat maar eenigszins genietbaar is; en hebben de voorsten werkelijk nog eenig voedsel gevonden, zij, die volgen, vinden ook dit niet meer. De honger stijgt van minuut tot minuut en doet den tocht steeds meer verhaasten; geen gevaar wordt meer geacht, geen hinderpaal ontzien, en millioenen vallen dientengevolge als een offer des doods. Menschen, die hun in den weg treden, loopen zij tusschen de beenen door; tegen raven en andere roofvogels, die hen in kracht verre overtreffen, stellen zij zich onverschrokken te weêr; zij banen zich knagend een weg door de hooischelven, zij klimmen over bergen en rotsen, zij zwemmen over rivieren en zeeëngten, zelfs over wijde meren en groote golven en fjorden. Hetzelfde gevolg, dat achter de verhuizende eekhoorntjes natrekt, loopt en vliegt ook de lemmingen na: wolven en vossen, veelvraten, marters en wezels, de honden der Lappen en Samojeden, arenden,[200]buizerden en sneeuwuilen, raven en bonte kraaien, deze allen gaan te gast aan de ontelbare offers, die zij aan het golvende leger, meeuwen en visschen aan die, welke zij aan de zwemmenden ontrooven, terwijl ziekten van allerlei aard wellicht nog de grootste slachting aanrichten, meer dan alle bovengenoemde vijanden te zamen. Duizenden lijken blijven ten prooi der verrotting langs de wegen liggen, duizenden anderen worden door de stroomen medegevoerd. Of er nog enkele individuën van deze massa’s ontkomen, en of deze vroeger of later weder naar de verlaten haardsteden terug keeren, of dat ten slotte allen, die de reize aanvingen te gronde gaan, niemand vermag zulks te zeggen. Wel kan ik persoonlijk verzekeren, dat ik uitgestrekte landen der Laplandsche toendra ben doorgetrokken, die ik overal doorkruist zag door de gangpaden der lemmingen, maar ik heb op dien tocht geen enkelen lemming zelf ontmoet. Zulke streken behouden, gelijk men mij mededeelde, dikwijls jaren achtereen hetzelfde uiterlijk en eerst na een lang tijdsverloop worden zij langzamerhand weder met deze kleine, nijvere knaagdieren bevolkt.Wat de honger in het noorden bewerkt, doet in het weelderige zuiden de dorst. Wanneer de brakke poelen, die tot op dit oogenblik tijgerpaarden, antilopen, buffels, struisvogels en andere aan den grond gekluisterde steppendieren lafenis schonken, onder den verzengenden adem van den Zuid-Afrikaanschen winter allengs uitdrogen, dan verzamelen zich om die weinigen, welke nog eenig water bevatten, alle dieren, in wier levensonderhoud de steppe tot dusverre voldoende voorzag, en een druk, levendig tooneel ontvouwt zich aan deze plaatsen. Maar zijn ook deze verdroogd, dan zien alle wezens, die zich op deze plek bijeenvonden, zich genoodzaakt weg te trekken, en nu kan het voorkomen, dat zij door een soortgelijken wanhoop worden aangegrepen als de zooeven besproken knaagdieren; evenals de wilde paarden en kropantilopen der Middel-Aziatische steppe of de bisons der Noord-Amerikaansche prairiën scharen zij zich bijeen en leggen in rechte lijn honderden van mijlen af, om de ellende van den strengen winter te ontvlieden.De eerste dieren, welke het ongastvrije oord ook hier den rug toekeeren, zijn de wilde paarden. Zorgeloos en ongedwongen zwierven de sierlijk geteekende, krachtige, vlugge, wilde en zich zelf bewuste kinderen der karroe, de zebra, quagga en dauw, tot aan het invallen van het tijdperk van gebrek door hun uitgestrekt gebied, verdeeld in kudden, die onder de hoede en leiding staan van een ouden, ervaren[201]en in den strijd geoefenden hengst. Het tijdperk van kommer, de winter is aangebroken, de eene watervijver voor, de andere na, droogt op en steeds talrijker en talrijker worden de troepen, die zich om den laatsten watervoorraad verzamelen. De gemeenschappelijke nood dooft in den kampvaardigsten hengst den lust tot gevecht en strijd. De taboenen worden tot troepen van eenige honderden stuks, die van nu aan gemeenschappelijk zullen handelen, en gezamenlijk het winterachtig verblijf verlaten nog voor het gebrek is gekomen, dat de krachten zal verzwakken en den trotschen wil breken. Vol geestdrift wordt het grootsche tooneel, dat deze verhuizende tijgerpaarden opleveren, door alle reizigers geschetst. Zoo ver het oog reikt, strekt zich het zandveld uit, welks roode hoofdkleur slechts hier en daar wordt afgebroken door enkele zwarte plekken, alwaar de zon het gras heeft verbrand; hier en daar werpen spaarzaam verspreide mimosa’s een weinig schaduw en geheel in de verte is de vlakte begrensd door de scherpe omtrekken der met een blauw waas omtogen bergen. Te midden van zulk een landschap ziet men eene stofwolk opdwarrelen; loodrecht stijgt deze, door geen windje bewogen, naar den blauwen hemel omhoog. De wolk rukt nader en nader; binnen in haar wordt een gewemel van wezens zichtbaar. Eindelijk maken deze zich los uit den donkeren nevel en schitterend gekleurde dieren treffen het oog van den waarnemer; in dichte rijen, met uitgerekten hals en uitgespreiden staart, rennen zij voorbij, terwijl struisvogels en eigenaardig gevormde gnoes, die zich in de gelederen hebben gemengd, den stoet helpen vergrooten. Deze dieren zijn op weg naar een ander, misschien ver verwijderd grasland, en vóór nog de toeschouwer van zijne verbazing is bekomen, is het wilde leger reeds uit het gezicht verdwenen om de onafzienbare steppe verder in te trekken.Niet altijd op dezelfde wegen, maar toch meest in dezelfde richting, trekken ook de door den winter verjaagde antilopen door het grenzenloos gebied. Onder dezen is de springbok het menigvuldigst; dit is ongetwijfeld een der sierlijkste gazellensoorten, die wij kennen. De ongemeene schoonheid en bekoorlijke bewegelijkheid van dit dier betoovert een ieder, die het in de natuur gadeslaat; met lichten, elastischen tred schrijdt het nu eens voort, staat dan weder een oogenblik stil om te grazen, en springt daarna tuimelend verder, zijn grootste sieraad, een sneeuwwitten, maanachtigen haarbosch ten toon spreidende, die bij langzamen tred in eene overlangs loopende plooi van den achterrug[202]wordt weggeborgen. Geen andere antilope vereenigt zich, wanneer de nood tot verhuizen dwingt, in zulke talrijke kudden.Geene pen is bij machte eene juiste voorstelling van dit schouwspel voor den geest te roepen van hem, die het met eigen oogen aanschouwde. Reeds sedert weken schaarden de antilopen zich bijeen, misschien nog altijd wachtende op de eerste regenbui alvorens zij konden besluiten tot de afreis. Honderden individuën voegen zich bij andere honderdtallen, duizenden scharen zich bij andere duizenden en naarmate het gebrek meer dreigt en de dorst meer begint te kwellen, wordt de bereids afgelegde weg verlengd, terwijl de kudden aangroeien tot troepen, de troepen tot legers. Als zwermen treksprinkhanen, die de zon verduisteren, trekken zij daar heen.SPRINGBOKKEN.SPRINGBOKKEN.In de vlakten bedekken zij kwadraat-mijlen; in de passen tusschen de gebergten dringt zich de hoop tot eene massa opeen, waarvoor alle andere schepselen terugdeinzen; door de laagvlakten stroomen zij voort als de wateren eener buiten haar oevers getreden, alles medesleurende rivier. Zelfs de meest nuchtere mensch verliest bij dit schouwspel zijne bezinning, en uren, soms dagen achtereen duurt zulks voort. Als vraatzuchtige sprinkhanen vallen de versmachtende dieren op gras en[203]bladeren, op koorn en andere veldvruchten aan, en waar zij voorbijtrokken bleef geen halm overeind. Waagt zich een mensch in den weg dezer troepen, hij wordt in een oogwenk ter aarde geworpen en door de wel lichte, maar elkaar opvolgende hoefslagen der dieren zwaar verwond, soms zoo zeer dat hij blij mag zijn, indien hij er het leven afbrengt; komen de antilopen eene kudde schapen tegen, dan wordt deze omsingeld en medegesleurd; niemand ziet ze ooit weder. De leeuw, die dacht hier eene gemakkelijke prooi te vinden, ziet zich genoodzaakt het reeds gegrepen offer los te laten en met den stroom mede te ijlen. Onophoudelijk dringen de achtersten naar voren en moeten de voorsten voor dien drang uitwijken; bestendig trachten de in het midden gedrongen scharen de vleugels te bereiken en voortdurend ondervinden zij den taaisten tegenstand. Gieren beschrijven hun kringen om de stofwolken, die de vluchtende scharen opwerpen; aan de vleugels en de achterhoede sluit zich een talrijke, uit de meest verschillende roofdieren bestaande lijkstoet aan; jagers en schutters loeren in de passen om van hier uit ontelbare kogels in het gedrang te zenden. Zoo doorvliegen de gekwelde dieren mijlen lange landstreken tot het voorjaar aanbreekt en de troepen weder ontbindt.Moet ik hier nog de tochten aan toevoegen, die de poolvossen en ijsberen soms gedwongen worden te ondernemen, wanneer zij op een ijsschol, hun tijdelijk jachtveld, door de zeestroomen worden weggevoerd, om òf nooit weder te landenòfin het gunstigste geval ergens op een eiland aan wal gezet te worden? Ik geloof van neen, want zulke reizen zijn geen verhuizingen meer, maar een drijven op de golven.[204]

[Inhoud]VII.DE VERHUIZINGEN DER ZOOGDIEREN.Reislust, in de beteekenis des woords, welke wij menschen daaraan hechten, wordt bij de dieren niet gevonden, zelfs niet bij de vogels, die benijdbare wezens, wien de goddelijke gave werd geschonken vliegende de landen door te trekken en zeeën te overbruggen. Onbezorgd en vrij, zooals de handwerksgezel uittrekt om vreemde landen, vreemde zeden en vreemde kunst te leeren kennen, trekt geen enkel dier; want meer nog dan wij is dit gebonden aan een bepaalde plek, en sterker dan het heimwee der menschen ketenen gewoonte en traagheid het aan de plaats der geboorte. Maakt het zich gereed deze te verlaten, dan gehoorzaamt het aan een wet van dringende noodzakelijkheid, en het trekt alleen uit om het gebrek te ontloopen, dat in ’t verschiet dreigt. Nood en ellende echter zijn maar al te vaak het deel en lot, hetwelk de vreugdelooze vreemdelingschap aan het dier bereidt, dat in dit geval slechts reisverdriet ondervindt.Een en ander is evenzeer van toepassing op de trekkende visschen als op de trekkende vogels, maar in ’t bijzonder geldt zulks voor de vele zoogdieren, welke nu en dan wandeltochten ondernemen. Weinigen doen zulks zoo regelmatig als de vogels en visschen, doch de aanleiding tot de verhuizingen is bij allen dezelfde. De dieren verhuizen, omdat gebrek aan voedsel in uitzicht is, of omdat de schaarschheid zich reeds eenigermate doet gevoelen; zulke reizen zijn dus meer te beschouwen als een ontvluchten van naderend gebrek, dan wel als eene begeerte om een gelukkiger land op te zoeken.Wanneer ik spreek van de verhuizingen der zoogdieren, dan bedoel ik daarmede niet de gewone stroop- en zwerftochten, die ook al ter wille van het voedsel geschieden, evenmin zulke tochten, welke ten doel hebben den verbreidingsgordel te verruimen, maar alleen die gemeenschappelijke reizen, welke sommige zoogdieren, nu eens in meer regelmatige, dan weder meer onregelmatige volgorde, ver buiten de grenzen[182]hunner woonplaats voeren, dus naar streken, alwaar zij eene hun vreemde levenswijze moeten aannemen, om deze even spoedig weder vaarwel te zeggen, zoodra hun dit mogelijk is geworden of mogelijk voorkomt. Zulke verhuizingen komen nog het meest overeen met het trekken der visschen en vogels, en hoe beter wij de eersten leeren kennen des te juister zal ook ons inzicht worden in ’t wezen van het laatstgenoemde.Kleine uitstapjes buiten de grenzen der gewone verblijfplaatsen volbrengen alle zoogdieren, en zulks om verschillende redenen. Soms zijn de mannetjes en vooral de ouden, meer geneigd tot rondzwerven dan de wijfjes en de jongen; men ziet ze daarom dikwijls zonder bepaalde redenen een zeker gebied verlaten om een ander op te zoeken; de jonge mannetjes van gezellig bijeenlevende soorten worden wel eens door de oudere hoofden van een troep stelselmatig verdreven en tot verhuizen gedwongen; de moeders zwerven gaarne met haar kroost door het gebied, alwaar dit laatste geboren werd; beide seksen trekken en reizen om elkander op te zoeken. Bij gelegenheid van zulke tochten ontdekt het dier de een of andere geschikte verblijfplaats, eene streek, waar overvloed van voedsel is, of waar beschermend struikgewas groeit, of een geschikt hol; het toeft daar dan langer of korter tijd en betrekt eindelijk voor goed het beloofde land. Oude jagers weten bij ervaring, dat een afgejaagd distrikt van buiten af weder nieuwen toevoer erlangt, en onder gunstige omstandigheden zeer spoedig even sterk bevolkt kan worden als vroeger. Niemand, die niet weet, dat vossen- en dassenholen, die zoo moeilijk te vernielen zijn, altijd bewoond blijven, hoe sterk er op deze dieren ook jacht worde gemaakt. Andere zoogdieren, op wier doen en laten minder nauwkeurig acht wordt geslagen dan op het wild, gedragen zich niet anders. Er heeft ongetwijfeld een onophoudelijk reizen en trekken plaats. En zoo wordt dan ook, zoo niet de natuur zelf zulks belet, of roofdieren of menschen hier verhinderend optreden, het verbreidingsgebied der soorten steeds grooter.EEN WILDE EEND BESCHERMT HAAR JONGEN TEGEN EEN WATERRAT.EEN WILDE EEND BESCHERMT HAAR JONGEN TEGEN EEN WATERRAT.Onze voorvaderen deelden hun woningen tot het eind der vorige eeuw met de huisrat, terwijl zij de bruine rat slechts kenden van hooren zeggen, of misschien zelfs in ’t geheel niet. De eerste was een rat met vele, ofschoon niet alle ondeugden van haar geslacht. Zij bewoonde de zolders onzer huizen, at van ons koren, van ons spek en allerlei anderen voorraad, knabbelde aan de deuren, planken vloeren en het huisraad, draafde des nachts onheilspellend door oude kasteelen en[183]dergelijke spookgebouwen, veroorzaakte veel verdriet, menigen schrik en voedde het geloof aan spoken en het bijgeloof; maar met haar was het leven nog mogelijk, en men kon haar nog meester worden. Een flinke huiskat hield haar in bedwang, een goede kamerjager bond met haar den strijd aan. Daar verscheen plotseling haar gevaarlijkste vijand, en van nu aan begon haar licht te tanen. In het jaar 1727 zag men groote scharen bruine ratten, die òf rechtstreeks, òf over Perzië uit Indië moeten gekomen zijn, over de Wolga zwemmen, en spoedig daarna ervoer men door welke plaag Europa voortaan gekweld zou worden. Rivieren en kanalen volgende, bereikte de bruine rat de dorpen en steden; zij nam, in spijt van menschen en katten, onze woningen eerst van beneden in bezit en nestelde zich in de kelders en gewelven, steeg allengs omhoog naar de zolders en daken, verdreef na een langen, verbitterden strijd haar bloedverwant, maakte zich tot meesteres in ons eigen huis en toonde duizenden malen, wat een rat vermag; want deze bezitalleondeugden der familie en legt ze daarbij onverholen[184]aan den dag; zij spotte met alle pogingen om haar te verdrijven en behield tot op dezen dag overwinnend het veld, dat wij haar met behulp van honden en katten, met klemmen en vallen, met vergif en kruit te vergeefs betwisten. Bijna tezelfder tijd dat zij over de Wolga zwom, in 1732, bereikte zij Europa nog langs een tweeden weg, doordien zij op Oostindische schepen naar Engeland werd overgebracht. Van nu af begon zij hare reize door de geheele wereld.In Oost-Pruisen verscheen zij reeds in 1750, in Parijs drie jaren later; Midden-Duitschland werd door haar veroverd ten jare 1780; eerst vestigde zij zich, evenals elders, in de steden, om van hier uit langzamerhand het platte land te bevolken; dorpen, die niet aan rivieren gelegen zijn en die zij dus minder gemakkelijk kon bereiken, betrok zij eerst in de laatste tientallen jaren dezer eeuw; toen ik nog een opgeschoten knaap was, kende men haar nog niet in mijn geboortedorp, het rijk behoorde daar nog toe aan de ook nu daar reeds door haar volledig verdreven zwarte rat.Nog later verscheen zij in de afgezonderd gelegen gehuchten en eenzame boerenwoningen, echter niet voor het midden dezer eeuw, en nog altijd zet zij haar zegetocht voort. Niet tevreden met de ontdekking en verovering van Europa, toog zij, en zulks reeds op het einde der vorige eeuw, op nieuwe avonturen uit. In de bereids door haar bewoonde zeeplaatsen zwom ze van den oever naar de schepen, klouterde langs ankerkettingen, touwen, enz, aan boord, nam haar intrek in het veilige, donkere scheepsruim, doorreisde op dat vaartuig alle zeeën, landde aan alle kusten, en bevolkte van hier uit alle landen en eilanden, waar deze slechts in bezit zijn genomen door den beschaafden, in vaste woningen levenden mensch, haar onvrijwilligen beschermer en onderhouder. Tegen wil en dank hebben wij haar geholpen, het haar althans mogelijk gemaakt zulk eene groote uitbreiding te geven aan haar gebied. Aan geen ander, den mensch niet onderworpen zoogdier, is zulks ooit gelukt.Een ander voorbeeld van soortgelijke verhuizingen biedt ons de ziesel, een in geheel Oost-Europa en West-Siberië veel voorkomend, en tot de familie der eekhoorns, meer in ’t bijzonder tot de onderfamilie der marmotten behoorend, schadelijk knaagdier, dat de grootte van een hamster bereikt. Albertus Magnus zag den ziesel in de omstreken van Regensburg, alwaar hij thans niet meer voorkomt; daarentegen is hij in den jongsten tijd Silezië weder binnengetrokken, alwaar hij voor veertig en vijftig jaren onbekend was; tegen het begin[185]van 1850 ongeveer verscheen hij daar, zonder dat men kon nagaan, vanwaar hij gekomen was, en van nu aan drong hij langzamerhand naar het westen door.Ook hier is het alweder de mensch, die deze verhuizingen in de hand werkt, omdat het dier, zoo al niet daaraan gebonden, althans in bebouwde velden, de het meeste voedsel belovende en dus voor hem gezegendste woonplaatsen vindt.Geheel hetzelfde mag gezegd worden van nog andere muizensoorten, wier verdere verspreiding gelijken tred houdt met de vermeerdering van het aantal bebouwde velden. Aan den anderen kant wederom wordt door den mensch het woongebied van vele zoogdieren door ontwouding, droogleggingen en andere veranderingen in den toestand des bodems verkleind; hierdoor bewerkt hij en ongetwijfeld veel meer nog dan door rechtstreeksche verdelging, het wegtrekken van een aantal zoogdieren, die daar vroeger vaste woonplaatsen hadden opgeslagen. Want ook op de zoogdieren is de wet van toepassing, dat slechts zulke woonplaatsen vroeger of later worden bevolkt, die voor hen geschikt zijn, en zulks niettegenstaande de mensch dit soms op willekeurige, ruwe en wreede wijze gewelddadig tracht te beletten.Verschillend van zulke tochten zijn die, welke de zoogdieren nu en dan ter wille van eene tijdelijke verbetering hunner positie volbrengen. Hieraan nemen waarschijnlijk, zoo niet alle soorten, dan toch enkele leden van alle familiën dezer klasse deel; zij duren langer of korter tijd, brengen de dieren in meer of minder afgelegen streken, kunnen daarom zelfs het karakter van werkelijke verhuizingen aannemen, maar eindigen toch na zekeren tijd en brengen het trekkende zoogdier eindelijk weder in zijn oorspronkelijke woonplaats terug. Het voornemen of de hoop zich betere weiden of jachtvelden te verzekeren, eene toevallig zich voordoende gelegenheid om een aangenamer leven te leiden, deze zijn zeer zeker de voornaamste beweegredenen voor zulke zwerftochten. Zij hebben dan ook jaar in jaar uit, op alle breedten en op alle hoogten plaats, zelfs in streken, die te allen tijde dezelfde levensvoorwaarden in zich sluiten. Het zoogdier begint en volbrengt die tochten nu eens afzonderlijk, dan weder in troepen, al naar het gewoon is eenzaam of gezellig te leven; dikwijls blijven de wegen dezelfde, en worden dezelfde plaatsen regelmatig op dezelfde tijdstippen bezocht; maar altijd zijn het toch toevallige omstandigheden, die het dier leiden en richten.[186]Wanneer de vruchten van de heilige vijgen- en andere boomen, die de tempels der Hindoes omgeven, op het punt zijn van rijp te worden, zien de Brahmanen, aan wie de zorg voor die tempels en boomen is toevertrouwd, met heilige ontroering de aankomst hunner vierbeenige goden te gemoet. En niet te vergeefs; want zij verschijnen wis en zeker, de tot goden verheven apen, de hulman en bonder, om zich te goed te doen aan de lekkere vruchten der voor hen alleen geplante en verzorgde boomen, tevens om daarbij nog te rooven en te plunderen in de naburige tuinen en plantages. En daarna verdwijnen ze weder, tot groote droefheid hunner vereerders, tot groote vreugde van alle andere bewoners, wier bezittingen zij op de brutaalste wijze beschadigden.Wanneer in Centraal-Afrika de korrels van het inheemsche graan, de doerrha of het kafferkoren, rijpen, daalt een troep bavianen onder aanvoering van een ervaren, deftig opperhoofd, die vol waardigheid en trots zich van zijn ambt kwijt, van de bergen naar omlaag, ten einde te onderzoeken of hun neef, de mensch, zoo vriendelijk is geweest ook in dit jaar weder het graan voor hen uit te zaaien. Of eene bende meerkatten, nadert, onder even uitstekend geleide, den zoom der bosschen, om te juister tijd de akkers ongestraft, zoo zwaar mogelijk te brandschatten. Wanneer de vurige oranjeappelen op de plantages der Zuid-Amerikaansche boeren tusschen het donkergroene loof schitteren, dan trekken de rolapen er op los, ten einde die vruchten met den eigenaar te deelen. Ook andere plantenetende dieren worden door de begeerte om zich het dagelijksch brood met weinig moeite te veroveren, naar streken, plaatsen en velden gedreven, die zij anders vermijden; roofinsecten volgen andere, hier of ginds tijdelijk verblijfhoudende insecten; de groote roofdieren vormen steeds de achterhoede van de plantenetende soorten hunner klasse, in ’t bijzonder die onzer huisdieren. De leeuw trekt met den rondzwervenden Afrikaanschen herder van plaats tot plaats; aan de verzenen der verslagen, huiswaarts vluchtende legers van Napoleon hechtten zich de Russische wolven; tot midden in Duitschland achtervolgden zij de ongelukkige soldaten.De vischotters ondernemen reizen te land om van de eene rivier in de andere te geraken; lynxen en wolven doorkruisen in den winter somtijds aanzienlijke oppervlakten lands. Door al deze reizen komt er eene wijziging in de woonplaatsen, het eene dier schuift het andere op; maar eene eigenlijke verhuizing kan zulks nog niet genoemd worden.[187]Ook zijn nood en gebrek slechts bij uitzondering aanleiding tot en motief voor werkelijke verhuizingen; veeleer is het hier een oogenblikkelijk opkomend verlangen, dat tot zulke tochten aanzet.Geheel anders verhouden zich die zoogdieren, welke telken jare, omstreeks denzelfden tijd, van woonplaats veranderen en onder omstandigheden tamelijk ver verwijderde oorden opzoeken, om van hier uit wederom op bepaalde tijden naar de oude woonplaats terug te keeren; dezenverhuizen, want zij grijpen niet eene toevallige gelegenheid aan, maar zij gehoorzamen bewust of onbewust aan eene dringende noodzakelijkheid.Als grond en oorzaak van alle werkelijke verhuizingen der zoogdieren moeten wij in de eerste plaats beschouwen, duidelijk uitgedrukte wisseling van jaargetijden. In landen met eene eeuwige lente hebben geen verhuizingen plaats, daar de aanleiding er toe ontbreekt. Zomer en winter moeten scherp van elkaar gescheiden zijn, zij dan de laatste door ijs en sneeuw, of door gloeihitte en droogte gekenmerkt; gebrek en overvloed moeten met elkander afwisselen, wanneer het trage zoogdier tot heengaan zal besluiten.Op kleinen maatstaf reizen reeds die dieren, welke gebergten bewonen. De gems, steenbok, alpenhaas en marmot trekken, wanneer de sneeuw begint te smelten, of iets later, zich over steilten en gletschers een weg banende, naar omhoog, alwaar de ontdooide grasvelden een even overvloedig als heerlijk voedsel aanbieden; vóór de winter is aangebroken keeren zij naar de lagere gedeelten van het gebergte terug.De beer, van nature een omnivoor, door gewoonte een roover, onderneemt, ten minste in de gebergten van Siberië dergelijke tochten, en eindigt deze eveneens vóór de komst van den winter; ook de wilde katten en honden, die de gebergten bewonen, handelen eveneens. Plaatsveranderingen van dit genre zijn zelfs gewoon in de gebergten van meer zuidelijk gelegen landen, de tropen niet uitgezonderd. In Indië evenals in Afrika klimmen en dalen zekere apensoorten op bepaalde tijden geregeld op en af, zoeken de olifanten bij de intrede des winters de laagvlakten, bij den aanvang van den zomer de hoogten op. In de Andes van Zuid-Amerika vluchten de guanaco’s voor de sneeuw naar de dalen, voor den gloed der zomerzon naar de berghellingen. Door het gebergte zelf worden aan al deze tochten enge grenzen gesteld. Wij hebben hier te doen met een hoogteverschil van één tot drieduizend meter, met afstanden die in weinige uren, ten hoogste enkele[188]dagen kunnen worden afgelegd. Kenschetsend voor deze tochten is evenwel de regelmatigheid, met welke zij geschieden, vooral in betrekking tot het tijdstip, waarop zij ondernomen worden, en niet minder in betrekking tot de wegen, langs welke zij plaats hebben.Heuvelland en vlakte, zee en lucht schenken meerdere speelruimte dan het gebergte en daarom laten zich de hier wonende of zich tijdelijk ophoudende dieren gemakkelijker dan die, welke in het gebergte verblijf houden, op hunne tochten vervolgen en nagaan. In de toendra’s van Rusland en Siberië doet het rendier, dat in Skandinavië de gebergten niet verlaat, elken herfst groote tochten, om tegen het volgende voorjaar naar zijn zomerverblijven terug te keeren; altijd ongeveer in denzelfden tijd verlaat het Groenland om van hier over het ijs naar het Amerikaanschevastelandte verhuizen; daar blijft het den geheelen winter en zoekt eerst in April de fjielden van zijn geboorteland weder op. Zoowel in Rusland en Siberië als in Groenland schijnt het niet alleen de vrees voor den naderenden winter te zijn, die tot verhuizen aanspoort, maar hierbij komt nog als tweede aanleiding eene aan het hooge noorden gebonden plaag. De korte zomer n.l. roept eene ongeloofelijke hoeveelheid kleine insecten in ’t leven, inzonderheid eene onbeschrijfelijke menigte steekmuggen en horzels, die niet alleen den mensch, maar ook het rendier het leven verbitteren. Om dezen te ontvluchten verlaat het dier de moerassige toendra, boven welke gedurende den korten zomer dichte wolken van muggen zweven, en vlucht naar de minder door deze insecten geplaagde gebergten zijner woonplaats, die op gemeld tijdstip tevens zoo rijkelijk met geurige weiden bedekt zijn, als met klimaat en land bestaanbaar is. Die gewoonte wordt erfelijk en zoo is het mogelijk, dat telkens dezelfde wegen worden betreden en tevens die verhuizingen altijd weder op hetzelfde tijdstip plaats grijpen. Er ontstaan dientengevolge gebaande wegen, die duidelijk in ’t oog vallen, mijlen ver door de toendra verloopen en op bepaalde plaatsen de stroomen en rivieren doorsnijden. Tegen den aanvang van den tocht scharen zich de wijfjes met haar kalveren in kudden van tien tot honderd stuks bijeen, de spiesherten en smaldieren volgen, en daar achter voegen zich de oude herten. De eene troep volgt onmiddellijk op de andere, zoodat de waarnemer duizendtallen dezer dieren kan zien voorbijtrekken. Allen snellen steeds vooruit, laten zich noch door water, noch door bergen terughouden, en komen niet tot rust dan nadat zij de winterkwartieren betrokken hebben. Benden wolven, beren en veelvraten[189]hechten zich aan hun voetzolen en leggen alzoo evenzeer een niet klein gedeelte van dien weg af. In het voorjaar trekken de rendieren ongeveer langs denzelfden weg terug, en weder in nagenoeg gelijke slagorde, maar in veel kleinere kudden, en ook langzamer en wat meer op hun gemak.Nog grooter afstanden leggen de Amerikaansche wisenten of bisons, de „prairiebuffels” af. Hoe ver zij reizen weet men eigenlijk nog niet recht, maar men heeft trekkende troepen ontmoet van Canada tot Mejiko, van de Missouri tot het Rotsgebergte en zoo is men gerechtigd aan te nemen, dat een en dezelfde kudde zeer groote landstreken van het aangegeven gebied door trekt. Men heeft deze bisons in den zomer, over de eindelooze vlakten derprairiënverstrooid, aangetroffen, en in den winter op dezelfde plaatsen, maar tot duizenden vereenigd; men heeft gezien hoe zij reisden, want men heeft hen vervolgd op de door hen gebaande, honderden mijlen ver in meer of minder rechte richting, over gebergten en door de vlakten verloopende „buffelpaden”; men heeft zich door eigen aanschouwing er van overtuigd, dat de grootste stroomen hun geen hinderpaal in den weg leggen, dat zij, evenals eene lawine zich in deze wateren storten en ze met hunne donkere lichamen als het ware geheel opvullen; men heeft gezien, dat de dieren zich van elkander scheiden en zich weder vereenigen, dat de kudden zich vergrooten en zich oplossen in kleinere, dat oude, knorrige, heerschzuchtige en boosaardige stieren de gemeenschap met de andere bisons vermijden, misschien worden verdreven, en op deze wijze waarschijnlijk eerst na een langen, moeilijken strijd, gedwongen worden tot den volgenden zomer eenzaam rond te dolen; men heeft opgemerkt, dat zij in den winter, wanneer er veel sneeuw is gevallen, in de bosschen of tegen de hellingen der bergen beschutting zoeken tegen de ruwheid des weders. Reeds in de maand Juli vangen zij hun tochten van het noorden naar het zuiden aan. Weinig talrijke kudden, die tot op dit tijdstip een lui en gemakkelijk zomerleven leidden, sluiten zich aan anderen aan en samen vervolgen zij hun weg; andere troepen voegen zich bij hen en naarmate men vooruitdringt, groeit de menigte en wast het aantal, zoodat er eindelijk die groote massa’s uit zijn voortgekomen, die van nu af aan, als door éénen geest bezield, samen werken en handelen, totdat het voorjaar hen weêr scheidt. Zoodra de winter voorbij is, lossen de massa’s zich weder, misschien in omgekeerde volgorde, in kleinere kudden op, die zich al weder verdeelen,[190]tot er niets dan kleine gezelschappen meer overblijven. Dit alles geschiedt op de terugreis. Zoowel op de uit- als thuisreis trekt steeds de eene kudde, op zekeren afstand van eene volgende verwijderd, na de andere; allen blijven evenwel nagenoeg op hetzelfde pad. Treffen zij eene gunstige plaats, b.v. eene met sappig gras begroeide laagte, dan grijpt hier eene tijdelijke opstuwing van den levenden stroom plaats. Onder zulke omstandigheden vereenigen zich op hetzelfde punt ontelbare scharen bisons; zij vertoeven dan eenige dagen achtereen op dezelfde plek en breken eerst dan weder op, wanneer al het gras is afgeweid en de honger tot verder trekken noodzaakt. Ook de bisons worden achtervolgd door wolven en beren, terwijl gieren en adelaars onheilspellend boven hun hoofden zweven.Niet alleen vrees voor gebrek aan voedsel, maar ook het ontbreken van drinkwater kan de aanleiding zijn, die tot reizen aanspoort. Wanneer in het zuidoosten van Siberië, inzonderheid in de hooge steppe van Gobi, de winter nadert, worden alle zoogdieren, voor zoover zij geen winterslapers zijn, door de bijzondere gesteldheid van dat hoogland gedwongen in lager gelegen oorden een onderkomen te zoeken. De winter treedt in dit Middel-Aziatisch hoogland niet strenger op dan in de noordelijk of noordoostelijk daarvan gelegen streken, maar hij is hier meestal vrij van sneeuw en bedekt alle wateren, die bovendien wegens den weinigen neêrslag niet talrijk zijn, met eene dikke ijslaag. Zoodra nu die laatste zoo dik is geworden, dat geen der in de Gobi verblijf houdende dieren het ijs verbreken kan, zien zij zich tot verhuizen verplicht, en nu trekken zij niet naar zuidelijker, maar juist naar noordelijker streken, die het voorrecht bezitten van veel sneeuw te bevatten: de trekkende dieren toch kunnen beter hun dorst lesschen met de zachte sneeuw, dan met het harde ijs, en ook loopen zij gemakkelijker op de eerste dan op het laatste. Nu kan men ook begrijpen waarom de kropantilope, die veelvuldig in de genoemde steppe voorkomt, een land verlaat, dat met uitzondering alleen van de daar ontbrekende sneeuw, m.a.w. met uitzondering alleen van water, hetzelfde aanbiedt als het winterkwartier. Niet de honger, maar de dorst drijft het dier naar den vreemde. Is de winter in aantocht, dan verzamelt zich de overigens reeds gezellig levende antilope in grootere troepen van vele duizenden individuen; alle lager gelegen landstreken rondom het hooge geboorteland zijn met deze kudden opgevuld. Gezamenlijk verwijderen zij zich tot op honderden mijlen afstands van den geboortegrond,[191]en leggen op dien tocht soms in een enkelen nacht tien à twaalf geografische mijlen af. De waarnemer, die hen volgt, ziet overal hun sporen en in zulk eene menigte, dat het schijnt alsof kort van te voren eene buitengewoon talrijke schaapskudde hier langs getogen is.Nog voor de trektijd der antilope is aangebroken, komt de koelan of dziggetai, de vermoedelijke stamvader van ons paard, en in elk geval het prachtigste en edelste wilde paard der aarde, in beweging. De veulens van den jongsten zomer zijn in den herfst reeds zoo krachtig geworden, dat zij eene lange reis kunnen meêmaken, snelle marschen uithouden en alle wederwaardigheden en gevaren van een ongeregeld leven met goed gevolg het hoofd kunnen bieden. Ook de jonge, vierjarige hengsten bevinden zich in de volle kracht des levens, verlaten reeds op het eind van September, vol moed, de ouderlijke kudde en dringen voorwaarts. De oude hengsten en merriën eindelijk worden aangegrepen door de zucht tot paring en worden onrustig en reislustig. Zoo begint het vlugge, ondernemende dier, reeds vóór de winter invalt, zijn tochten; daarom mist men in deze verhuizingen duurzaamheid en regelmaat, zoodat zij eenigszins het karakter verkrijgen van avontuurlijke zwerftochten. Ten einde het hun door den aanvoerenden hengst opgelegde juk af te schudden en vrij te zijn, om zich zelf tot gebieders op te werken, verlaten de jonge hengsten de moederkudde en zwerven nu zelfstandig door de zandsteppe. Alle jongere, geslachtsrijp geworden en zelfs sommige oudere merries schijnen door hetzelfde gevoel bezield te zijn als de op daden beluste jonge hengsten; ook zij pogen de tyrannie van hem, die haar tot nog toe gebood, te ontvlieden. Zij voegen zich bij de eersten—evenwel om nu onder het juk van dezen haar nek te krommen. Maar zonder strijd wordt de heerschappij niet verkregen, goedschiks geeft de oude gebieder zijn rechten niet op. Urenlang staat de jonge hengst op den top eens heuvels of van een bergrug en slaat van hier uit een onderzoekenden blik over het veld. Zijn oog doorloopt de woestijn, zijn naar den wind gekeerde neusvleugels zijn opengesperd, zijne ooren hebben zich gespitst. Strijdlustig, in gestrekten draf springt hij in elke kudde, die nadert, rent hij elken mededinger, dien hij ontwaart, te gemoet, en een woedend gevecht begint om de merries, die den overwinnaar alleen zullen volgen. Dit vechten en kampen brengt echter beweging in de kudden, scheidt ze van het gebied, alwaar zij den zomer hebben doorgebracht en is de voorbode van thans aanvangende, uitgestrekte en[192]onafgebroken zwerftochten. Na of nog vóór het eindigen van de zooeven besproken gevechten, verzamelen zich de troepen koelans in elk geval tot steeds talrijker wordende kudden, totdat er eindelijk legers van meer dan duizend stuks ontstaan, die gezamenlijk optrekken en wel naar zulke streken, die overvloed van voedsel opleveren. Ook in de winterkwartieren scheiden de wilde paarden zich niet van elkander en zijn deswege genoopt, ter wille van het voedsel voortdurend rond te zwerven. Dreunend klinkt de hoefslag dezer aaneengesloten, gewoonlijk snel voortdravende kudden, en meermalen is het gebeurd, dat de Kozakken in de grensdistricten van het Russische Rijk, daardoor verschrikt, te wapen vlogen. Geen wolf zal het wagen zulk eene kudde aan te vallen, want de moedige hengsten weten te hunner verdediging zulk een goed gebruik van de hoeven te maken, dat de wolf alras van zijn aanval afziet; slechts zieke en vermoeide wilde paarden vallen het roofdier, dat deze tochten volgt, nu en dan ten offer. De mensch richt evenmin onder deze legers veel schade aan; de koelans toch zijn zeer schuw en voorzichtig, zoodat het moeilijk valt hen te naderen. In weêrwil van dit alles kan een strenge winter dezen dieren noodlottig worden, vooral wanneer er veel sneeuw valt. De reeds zoo schrale weide is dan spoedig uitgeput en dit te eerder, naarmate de kudden talrijker zijn. Dan azen de dieren zonder keus of smaak op alle planten, die zij kunnen vinden. Maandenlang moeten zij zich voeden met niets dan ontbladerde twijgen. De gladheid en ronding des lichaams gaat verloren; eerlang zijn het wandelende geraamten. Zelf gebrek lijdende, kan de merrie-moeder haar veulen niet meer het noodige geven; de uiers drogen op. Menig veulen, dat op zijn nog jeugdigen leeftijd de harde kost der ouden niet kan verteren, lijdt gebrek. Ook de ouden lijden onder deze winterplagen. Sneeuwstormen, die dagen lang kunnen aanhouden, waaien de weiden onder de sneeuw, verdooven den moed, terwijl de driestheid der wolven in gelijke mate toeneemt, welke dieren de krachteloozen neêrvellen en den sterkeren boozen overlast aandoen. Zoodra evenwel de omstandigheden zich ten goede keeren, keert ook weder bij deze taaie, tegen het weêr geharde schepselen de oude levenslust terug, en zoodra de sneeuw begint te smelten vangen zij den terugtocht weder aan, om binnen ongeveer eene maand het vroegere zomerverblijf weder terug te vinden; hier lossen zij zich weder op in taboenen, of afzonderlijke kudden, herstellen zich onder ’t genot van rijkelijk en geurig voedsel spoedig weder[193]van de geleden schade, worden weer vet en glad, en zijn den kommer en de ellende van den winter geheel vergeten.ZEBRA’S, STRUISVOGELS EN QUAGGA’S.ZEBRA’S, STRUISVOGELS EN QUAGGA’S.Hoe groot de afstanden ook mogen zijn, die alle tot nog toe behandelde zoogdieren afleggen, bij die der robben en walvisschen zijn ze echter niet te vergelijken. Het water begunstigt alle bewegingen van een daarin levend dier, biedt in hoofdzaak overal dezelfde levensvoorwaarden aan en stelt om deze reden, op gemakkelijker wijze en met minder moeite en gevaren in staat tot het volbrengen van verre tochten. En toch wekt het eenigszins onze verbazing te vernemen, dat vele zeezoogdieren, inzonderheid de walvisschen, tot de meest reislustige schepselen behooren, ja dat velen hunner, en misschien wel de meesten, ongeveer hun geheele leven lang op reis zijn. Strikt genomen heeft geen enkele walvisch gedurende het geheele jaar eene vaste verblijfplaats, maar trekt dit dier, of alleen, of paarsgewijs, met zijn jongen of in scholen vereenigd, onafgebroken van de eene wereldzee naar de andere, terwijl somtijds enkele oorden bijzondere lievelingsplekjes zijn, die bij voorkeur en op geregelde tijden worden opgezocht, ’s winters andere dan in den zomer. De zeeën, in welke dezelfde walvischsoort zich des zomers en des winters ophoudt, liggen dikwijls verder uiteen dan men gewoonlijk meent; enkele wallen doorreizen jaarlijks meer dan een vierde gedeelte van den ganschen aardbol. Men ontmoet ze des zomers aan de ijsmuren van de Noordelijke IJszee en in den winter niet zelden aan gene zijde des Evenaars. Gezellig in de hoogste mate en vol opofferende liefde jegens hunne jongen, verzamelen zich met name de vrouwelijke wallen tot soms verbazingwekkende aantallen, om onder aanvoering van enkele mannetjes langs bepaalde wegen en op bepaalde plaatsen door den wijden Oceaan te trekken; sommigen vervolgen daarbij hunne reis langs de kust, anderen door de hooge zee. Stormen en het niet verschijnen van zekere dieren, die hun tot voedsel verstrekken en waarin men de naaste aanleiding tot deze verhuizingen hebbe te zoeken, wijzigen soms richting en aanvang van den tocht; in ’t algemeen echter geschieden deze reizen zoo regelmatig, dat men zoowel in het noorden als in het zuiden de komst der walvisschen van bepaalde dagen afgerekend te gemoet ziet en wachten uitzet, ten einde dadelijk voor de vangst gereed te zijn. De kustbewoners hebben dikwijls dezelfde walvisschen, die zij herkenden aan bijzondere kenteekens, zooals b.v. verminkte vinnen, en die ze tevergeefs hadden nagezet, jaren achtereen juist op denzelfden tijd en juist op[194]dezelfde plaats teruggezien, terwijl de jacht op deze winstgevende en daarom fel bestookte dieren met dezelfde regelmatigheid wordt uitgeoefend als op het vasteland de hazenjacht. Op andere tijden des jaars zou men tevergeefs naar wallen zoeken. „Na Driekoningen” zegt reeds de oude Pontoppidan, „zien de Noormannen van alle bergen naar walvisschen uit, wier komst door de haringen wordt aangekondigd.” Eerst maakt de springwal zijn opwachting, drie of vier, hoogstens veertien dagen later verschijnt de vinvisch, ofschoon de een naar het schijnt uit Straat-Davis, de ander uit Groenland opbreekt. Aan de zuidelijke kusten der Faroer, en wel hoofdzakelijk in de Qualbenfjord, ziet men jaarlijks omstreeks Sint-Michiel van drie tot zes anarnaks, heden ten dage zoowel alsvóórhonderd en negentig jaar.In zekere golf van Schotland verscheen twintig achtereenvolgende jaren, steeds op denzelfden tijd, een walvisch, die onder den naam van „Hollie Pyke” algemeen bekend was, telken jare nagejaagd en eindelijk gevangen werd. Aan de kusten van IJsland kiezen jaarlijks enkele walvisschen dezelfde inhammen en baaien uit om hier eenigen tijd te verblijven, elk jaar dezelfde maanden en dezelfde weken, zoodat de kustbewoners ze persoonlijk kennen en aan ieder hunner namen hebben gegeven. Zekere, goed bekende moeder-wallen bezoeken elk jaar dezelfde baai, om hier haar jongen ter wereld te brengen; men spaart deze dieren zelf, doch zij moeten hun eigen leven duur genoeg, nl. met dat van hun kroost koopen. Uiterst zelden geschiedt het, dat de reizende walvisschen zich aan tijd noch richting binden; in het algemeen trekken zij met zulk eene regelmatigheid door den wijden Oceaan, dat het is alsof zij zich naar den stand der sterren richten en gebaande, van ter zijden begrensde wegen betreden. Geen ander zoogdier trekt met zooveel regelmatigheid; men kan dit trekken vergelijken met dat der vogels.Evenals de walvisschen ondernemen ook de robben jaarlijks meer of minder verre, maar over ’t algemeen ook zeer regelmatige tochten. Die soorten, welke in binnenzeeën leven, kunnen deze wel is waar niet verlaten, maar zij trekken ze toch telken jare op gelijke wijze door; of zij zwemmen op bepaalde tijden de rivieren op, welke in genoemde zeeën uitmonden. Alle soorten daarentegen, die in de wereldzeeën verblijf houden, vangen elk voorjaar en elken herfst reizen aan, die in bepaalde richtingen verloopen, en naar bepaalde streken voeren. Alle robben uit het hooge noorden en die, welke om de zuidpool[195]wonen, worden steeds door het zich in den winter uitbreidende ijs tot verhuizen gedwongen; zij trekken daarom met dat ijs naar gematigde breedten af, om met het smeltende ijs weder dichter de polen te naderen. Zij, zoowel als alle andere soorten der orde, waartoe zij behooren, worden nog door eene andere, niet minder gewichtige beweegreden tot reizen gedreven; zij kunnen nl. alleen op het vasteland of althans op groote, vast liggende ijsschollen hun jongen ter wereld brengen en zoo lang verzorgen, tot deze in staat zijn de ouden in zee te volgen om daar zelf in het levensonderhoud te voorzien. Zoo verschijnen dan telken jare duizenden en honderdduizenden robben op bepaalde eilanden of ijsschollen, welke geboortegronden van hun geslacht zij zoo geheel en al met hunne lichamen bedekken, dat elke beschikbare ruimte in beslag moest genomen worden om voor allen plaats te vinden; hier brengen zij hun jongen ter wereld, verwijlen weken, ja maanden achtereen op het land en het ijs zonder intusschen te jagen, in zee te dalen en voedsel tot zich te nemen, zogen de jongen, paren alsdan, lossen het verband weder op, verdeelen zich over den uitgestrekten Oceaan, om van nu aan weder op oude wijs te leven, of zij vangen met hunne nog veel zorg eischende jongen meer of minder ver zich uitstrekkende jachttochten, alzoo nieuwe reizen aan.Van alle hier opgenoemde trekzoogdieren behoort geen enkel tot de winterslapers, die, goed beschut, in diepe, zorgvuldig toegestopte onderaardsche woningen, in schijndooden toestand den boozen winter doorbrengen. Deze dieren zijn dus niet genoodzaakt hunne woonplaatsen te verlaten. Evenwel, ook onder dezen zijn er, althans voor zooverre diegenen betreft, welke in de gematigde luchtstreek leven, enkelen, die gedurende hunne jeugd trekken, nl. de vleêrmuizen.Hoe onvolkomen de vleugels der vleêrmuizen, vergeleken met die der vogels ook mogen schijnen, toch zijn het geschikte werktuigen ter plaatsverandering en zij stellen zelfs in staat tot het volbrengen van tochten, die tot de lichaamsgrootte van het dier in geen verhouding staan. Bovendien is er nog een andere omstandigheid, die der reislustige vleêrmuis ten goede komt, daarin bestaande, dat het dier door zijn jongen aan geen bepaalde plaats gebonden wordt, want deze klemmen zich van het oogenblik der geboorte af aan de borst der moeder vast om door deze, tot zij volwassen zijn, door de lucht gedragen te worden. Om al deze redenen behoort de vleêrmuis tot die dieren, welke te allen tijde tot verhuizen en reizen gereed zijn, en zij maakt dan ook van de[196]voordeelen haar geschonken, bij tijd en wijle een uitgestrekt gebruik. In den regel zijn alle reizen, die de verschillende soorten vanvleêrmuizenondernemen, meer zwerftochten, die ten doel hebben op sommige tijden andere, meer voedsel belovende streken op te zoeken; toch kunnen deze tot werkelijke reizen worden, en althans enkele soorten worden daardoor naar ver afgelegen landen vervoerd, en zulks geschiedt met die regelmatigheid, welke ware verhuizingen kenmerkt. De grootste vleêrmuizen, de kalongs of vliegende honden, ondernemen elken avond, ten behoeve van haar hoofdvoedsel, dat uit vruchten bestaat, verre tochten; daarenboven vliegen zij soms over zeestraten van tien geogr. mijlen breedte, ja, naar men zegt, begeven zij zich wel eens van Zuid-Azië naar Oost-Afrika en omgekeerd. Waar is het dat zij in beide werelddeelen voorkomen.De eigenlijke vleêrmuizen doen voor de kalongs niet onder. Ten einde jacht te maken op insecten, die in de verschillende tijden des jaars op verschillende hoogten verschijnen, stijgen deze dieren van de laagvlakten naar de bergen omhoog, om in den herfst weder naar beneden te dalen; zij volgen de kudden der nomaden van Middel-Afrika—al weder om de hier zich verzamelende insecten—maar zij reizen ook van het zuiden naar het noorden, en keeren van hier weder naar ginds terug, en omgekeerd. Zoo verschijnt de ombervleêrmuis eerst met het begin der heldere zomernachten in het noorden van Skandinavië en Rusland, om deze breedten, die men als haar eigenlijk geboorteland kan aanmerken, reeds in den nazomer weder te verlaten; zij begeven zich alsnu naar de Duitsche Middelgebergten en de Alpen, om daar te overwinteren. Zoo ziet men de meervledermuis des zomers geregeld in de Noordduitsche vlakten, maar ontmoet haar echter om dezen tijd slechts zelden in de gebergten van Middel-Duitschland, alwaar zij den winter in de rotskloven doorbrengt. Dat ook andere in Duitschland levende vleêrmuissoorten soortgelijke reizen volbrengen, is meer dan waarschijnlijk.Bovenvermelde voorbeelden, die uit het rijkelijk voorhanden materiaal zoo maar te grijpen waren, zijn zoo vele bewijzen voor die soorten van verhuizingen, welke men op grond der regelmatigheid, waarmede zij geschieden, willekeurige zou kunnen noemen. Maar er is meer. Somtijds worden de zoogdieren door honger en dorst, armoede en tijdelijke onbewoonbaarheid van een of ander woongebied, zoo hard geteisterd, dat zij, schier tot wanhoop gebracht, besluiten moeten in de vlucht hun[197]behoud te zoeken. Rijkelijk voedsel en gunstig weder bevorderen de vermenigvuldiging van alle dieren, maar inzonderheid die der planteneters, zoodat deze daardoor wel eens gedwongen worden hun verbreidingsgordel uit te zetten. Worden evenwel een of meer vette jaren, of zelfs enkele gunstige maanden opgevolgd door schrale, dan klimt de nood plotseling tot het uiterste; de hierdoor overvallen dieren worden dan niet alleen in de onmogelijkheid gebracht van zich verder het noodige levensonderhoud te verschaffen, maar de nood doet hun zelfs alle bezinning verliezen.Onder zoodanige omstandigheden verlaten bij ons te lande de veldmuizen, in Siberië de wortelmuizen hare geboorteplaats en trekken, in ontelbare scharen vereenigd, naar andere streken; zij deinzen op zulke tochten nergens voor terug, zoomin voor het water als voor de hun vreemde bergen en bosschen; zij hebben daarbij onophoudelijk te kampen met honger en ellende, met ongesteldheden en kwaadaardige ziekten, die als de pest onder hen woeden en de millioentallen tot weinige honderden doen insmelten. Gelijke omstandigheden dwingen in Siberië de eekhoorntjes, die in gewone jaren ten hoogste kleine uitstapjes ondernemen, om zich tot groote legers te vereenigen en troepsgewijs van boom tot boom, van het eene woud naar het andere te trekken, rivieren en stroomen over te zwemmen, enz. Zij dringen alsdan de dorpen en steden binnen, verliezen bij duizenden het leven, maar laten zich zelfs dan niet terughouden of van den weg afbrengen, wanneer het doodsgevaar hen tegengrijnst. De voetzolen slijten af en worden ruw, de nagels zijn stomp geloopen, de haren van den anders zoo gladden pels worden borstelig en zitten verward dooreen; losschen en sabelmarters volgen hun spoor in de bosschen, veelvraten, vossen en wolven in het open veld, arenden, valken, uilen en raven zweven dreigend boven hunne hoofden, maar grooter verwoestingen nog dan de tanden en klauwen der roofdieren, of de buksen en stokken der menschen, richten boosaardige ziekten onder hen aan, en toch—zij trekken altijd verder, oogenschijnlijk zonder hoop op een mogelijke wederkomst. Volgens de mondelinge mededeelingen van een met mij bevriend Siberisch jager wierp zich in het jaar 1869 zulk een leger van eekhoorntjes midden in de Uralische stad Tapilsk. Deze individuën vormden echter nog maar eene enkele divisie van het hoofdleger, welks centrum op een afstand van ongeveer acht kilometer meer noordelijk door het bosch trok. De dieren volgden of individuëelsgewijs of in troepen van verschillende sterkte,[198]onafgebroken elkander op; zij trokken even dicht aaneengesloten door de stad als door het naburige bosch; zij maakten zoowel van de straten als van de tuinen gebruik, klommen zelfs over de daken der huizen, vulden alle pleinen en open plaatsen, en veroorzaakten een algemeene opschudding, niet alleen onder de menschen, maar zoo mogelijk nog meer onder de honden, die er duizenden doodbeten en ten slotte de meest teugellooze, meest onverzadelijke moordlust aan den dag legden. Maar de eekhoorns schenen geen acht te slaan op de tallooze offers, die aan hunne zijde vielen, zich om niets te bekommeren en zij waren door geen enkel middel van den eens ingeslagen weg af te brengen. Drie dagen achtereen duurde deze doortocht, van den vroegen morgen tot den laten avond, en eerst tegen het aanbreken van den nacht kwam er stilstand in den stroom. Allen wandelden juist in dezelfde richting, van het noorden naar het zuiden, en de nakomenden trokken langs denzelfden weg als de eerst voorbijgekomenen. De bruisende Tschussoweia was hun geen beletsel; alle dieren, die aan den oever dezer snelstroomende rivier aankwamen, stortten zich zonder bedenken in het schuimende en draaiende water, en zwommen, bijna geheel ondergedoken, met over den rug gelegden staart, zoo snel mogelijk naar den anderen oever. Mijn zegsman, die den tocht voortdurend met klimmende belangstelling en opmerkzaamheid volgde, begaf zich in een boot midden onder de den stroom doortrekkende schare. Vermoeide zwemmers, wien hij eene roeispaan toereikte, maakten daarvan gebruik om er bij op en in de boot te klauteren; zij bleven, oogenschijnlijk zeer vermoeid, hier een poos rustig en vertrouwelijk zitten, klauterden, wanneer de boot naast een grooter vaartuig aanlegde, op dit laatste over, bleven nu hier weder rustig een poos zitten om ook dit te verlaten, zoodra het vaartuig aan wal was gekomen; dan sprongen zij er af en zetten de reis zoo goedsmoeds voort alsof zij door niets waren gestoord geworden.Dezelfde oorzaken moeten het zijn, die de lemmingen aanzetten tot hunne, reeds eeuwen lang bekende verhuizingen. Jaren achtereen verleenen de gebergten der Skandinaafsche, Noord-Russische en Noord-Siberische toendra’s hun een geschikt verblijf en daarbij overvloedig voedsel, want de breede ruggen der fjielden evenals de hier tusschen gelegen uitgestrekte vlakten, het heuvelland en de laagten bezitten plaats en voedsel genoeg voor millioenen dezer dieren; maar niet elk jaar verheugen zij zich den geheelen zomer in overvloed. Volgt op een aan sneeuw rijken, dus op een voor hen, die onder het witte sneeuwkleed[199]een veilige schuilplaats vinden, gunstigen winter een te rechter tijd aanvangend, warm, lang aanhoudend voorjaar, dan worden er aan hun ongemeene vruchtbaarheid geenerlei perken gesteld, en weldra wemelt de toendra letterlijk van lemmingen. Een hierop volgende, schoone en warme zomer doet het aantal nog meer toenemen,—maar verhaast tevens den levensloop van alle voedingsplanten, en nog vóór het einde van den zomer daar is, zijn die planten òf verdord, òf reeds gevallen onder de vraatzuchtige tanden dezer onverzadelijke woelmuizen. Het gebrek houdt zijn intocht en het lui, lekker leventje wordt vervangen door ellende. De vroolijke, brutale aard van den lemming is verdwenen, onrust bevangt hem en deze onrust stijgt eerlang tot radeloozen angst. Het hongerspook grijnst hen tegen. Nu scholen de lemmingen bijeen en vangen de reize aan. Dezelfde trek maakt zich tegelijkertijd van velen meester en de een sleept den ander mede. De troepen worden scharen, de scharen legers. Deze stellen zich in slagorde en als een bruisende stroom storten de lemmingen zich van de hoogten naar beneden in de dalen. Allen snellen in een bepaalde, naar plaats en gelegenheid verschillende richting vooruit. Allengs vormen zich lange rijen, in welke de eene lemming zoo dicht op den ander volgt, dat hij met zijn kop schijnt te rusten op den rug van zijn voorman. Hoe licht de tred dezer kleine diertjes ook zij, hun aantal snijdt in het moskleed der toendra diepe voren, die reeds van verre in ’t oog vallen. Hoe langer de tocht duurt des te onrustiger en koortsachtiger wordt de troep. Gretig vallen zij op alle planten aan, die zij op hun weg ontmoeten, alles verslindende wat maar eenigszins genietbaar is; en hebben de voorsten werkelijk nog eenig voedsel gevonden, zij, die volgen, vinden ook dit niet meer. De honger stijgt van minuut tot minuut en doet den tocht steeds meer verhaasten; geen gevaar wordt meer geacht, geen hinderpaal ontzien, en millioenen vallen dientengevolge als een offer des doods. Menschen, die hun in den weg treden, loopen zij tusschen de beenen door; tegen raven en andere roofvogels, die hen in kracht verre overtreffen, stellen zij zich onverschrokken te weêr; zij banen zich knagend een weg door de hooischelven, zij klimmen over bergen en rotsen, zij zwemmen over rivieren en zeeëngten, zelfs over wijde meren en groote golven en fjorden. Hetzelfde gevolg, dat achter de verhuizende eekhoorntjes natrekt, loopt en vliegt ook de lemmingen na: wolven en vossen, veelvraten, marters en wezels, de honden der Lappen en Samojeden, arenden,[200]buizerden en sneeuwuilen, raven en bonte kraaien, deze allen gaan te gast aan de ontelbare offers, die zij aan het golvende leger, meeuwen en visschen aan die, welke zij aan de zwemmenden ontrooven, terwijl ziekten van allerlei aard wellicht nog de grootste slachting aanrichten, meer dan alle bovengenoemde vijanden te zamen. Duizenden lijken blijven ten prooi der verrotting langs de wegen liggen, duizenden anderen worden door de stroomen medegevoerd. Of er nog enkele individuën van deze massa’s ontkomen, en of deze vroeger of later weder naar de verlaten haardsteden terug keeren, of dat ten slotte allen, die de reize aanvingen te gronde gaan, niemand vermag zulks te zeggen. Wel kan ik persoonlijk verzekeren, dat ik uitgestrekte landen der Laplandsche toendra ben doorgetrokken, die ik overal doorkruist zag door de gangpaden der lemmingen, maar ik heb op dien tocht geen enkelen lemming zelf ontmoet. Zulke streken behouden, gelijk men mij mededeelde, dikwijls jaren achtereen hetzelfde uiterlijk en eerst na een lang tijdsverloop worden zij langzamerhand weder met deze kleine, nijvere knaagdieren bevolkt.Wat de honger in het noorden bewerkt, doet in het weelderige zuiden de dorst. Wanneer de brakke poelen, die tot op dit oogenblik tijgerpaarden, antilopen, buffels, struisvogels en andere aan den grond gekluisterde steppendieren lafenis schonken, onder den verzengenden adem van den Zuid-Afrikaanschen winter allengs uitdrogen, dan verzamelen zich om die weinigen, welke nog eenig water bevatten, alle dieren, in wier levensonderhoud de steppe tot dusverre voldoende voorzag, en een druk, levendig tooneel ontvouwt zich aan deze plaatsen. Maar zijn ook deze verdroogd, dan zien alle wezens, die zich op deze plek bijeenvonden, zich genoodzaakt weg te trekken, en nu kan het voorkomen, dat zij door een soortgelijken wanhoop worden aangegrepen als de zooeven besproken knaagdieren; evenals de wilde paarden en kropantilopen der Middel-Aziatische steppe of de bisons der Noord-Amerikaansche prairiën scharen zij zich bijeen en leggen in rechte lijn honderden van mijlen af, om de ellende van den strengen winter te ontvlieden.De eerste dieren, welke het ongastvrije oord ook hier den rug toekeeren, zijn de wilde paarden. Zorgeloos en ongedwongen zwierven de sierlijk geteekende, krachtige, vlugge, wilde en zich zelf bewuste kinderen der karroe, de zebra, quagga en dauw, tot aan het invallen van het tijdperk van gebrek door hun uitgestrekt gebied, verdeeld in kudden, die onder de hoede en leiding staan van een ouden, ervaren[201]en in den strijd geoefenden hengst. Het tijdperk van kommer, de winter is aangebroken, de eene watervijver voor, de andere na, droogt op en steeds talrijker en talrijker worden de troepen, die zich om den laatsten watervoorraad verzamelen. De gemeenschappelijke nood dooft in den kampvaardigsten hengst den lust tot gevecht en strijd. De taboenen worden tot troepen van eenige honderden stuks, die van nu aan gemeenschappelijk zullen handelen, en gezamenlijk het winterachtig verblijf verlaten nog voor het gebrek is gekomen, dat de krachten zal verzwakken en den trotschen wil breken. Vol geestdrift wordt het grootsche tooneel, dat deze verhuizende tijgerpaarden opleveren, door alle reizigers geschetst. Zoo ver het oog reikt, strekt zich het zandveld uit, welks roode hoofdkleur slechts hier en daar wordt afgebroken door enkele zwarte plekken, alwaar de zon het gras heeft verbrand; hier en daar werpen spaarzaam verspreide mimosa’s een weinig schaduw en geheel in de verte is de vlakte begrensd door de scherpe omtrekken der met een blauw waas omtogen bergen. Te midden van zulk een landschap ziet men eene stofwolk opdwarrelen; loodrecht stijgt deze, door geen windje bewogen, naar den blauwen hemel omhoog. De wolk rukt nader en nader; binnen in haar wordt een gewemel van wezens zichtbaar. Eindelijk maken deze zich los uit den donkeren nevel en schitterend gekleurde dieren treffen het oog van den waarnemer; in dichte rijen, met uitgerekten hals en uitgespreiden staart, rennen zij voorbij, terwijl struisvogels en eigenaardig gevormde gnoes, die zich in de gelederen hebben gemengd, den stoet helpen vergrooten. Deze dieren zijn op weg naar een ander, misschien ver verwijderd grasland, en vóór nog de toeschouwer van zijne verbazing is bekomen, is het wilde leger reeds uit het gezicht verdwenen om de onafzienbare steppe verder in te trekken.Niet altijd op dezelfde wegen, maar toch meest in dezelfde richting, trekken ook de door den winter verjaagde antilopen door het grenzenloos gebied. Onder dezen is de springbok het menigvuldigst; dit is ongetwijfeld een der sierlijkste gazellensoorten, die wij kennen. De ongemeene schoonheid en bekoorlijke bewegelijkheid van dit dier betoovert een ieder, die het in de natuur gadeslaat; met lichten, elastischen tred schrijdt het nu eens voort, staat dan weder een oogenblik stil om te grazen, en springt daarna tuimelend verder, zijn grootste sieraad, een sneeuwwitten, maanachtigen haarbosch ten toon spreidende, die bij langzamen tred in eene overlangs loopende plooi van den achterrug[202]wordt weggeborgen. Geen andere antilope vereenigt zich, wanneer de nood tot verhuizen dwingt, in zulke talrijke kudden.Geene pen is bij machte eene juiste voorstelling van dit schouwspel voor den geest te roepen van hem, die het met eigen oogen aanschouwde. Reeds sedert weken schaarden de antilopen zich bijeen, misschien nog altijd wachtende op de eerste regenbui alvorens zij konden besluiten tot de afreis. Honderden individuën voegen zich bij andere honderdtallen, duizenden scharen zich bij andere duizenden en naarmate het gebrek meer dreigt en de dorst meer begint te kwellen, wordt de bereids afgelegde weg verlengd, terwijl de kudden aangroeien tot troepen, de troepen tot legers. Als zwermen treksprinkhanen, die de zon verduisteren, trekken zij daar heen.SPRINGBOKKEN.SPRINGBOKKEN.In de vlakten bedekken zij kwadraat-mijlen; in de passen tusschen de gebergten dringt zich de hoop tot eene massa opeen, waarvoor alle andere schepselen terugdeinzen; door de laagvlakten stroomen zij voort als de wateren eener buiten haar oevers getreden, alles medesleurende rivier. Zelfs de meest nuchtere mensch verliest bij dit schouwspel zijne bezinning, en uren, soms dagen achtereen duurt zulks voort. Als vraatzuchtige sprinkhanen vallen de versmachtende dieren op gras en[203]bladeren, op koorn en andere veldvruchten aan, en waar zij voorbijtrokken bleef geen halm overeind. Waagt zich een mensch in den weg dezer troepen, hij wordt in een oogwenk ter aarde geworpen en door de wel lichte, maar elkaar opvolgende hoefslagen der dieren zwaar verwond, soms zoo zeer dat hij blij mag zijn, indien hij er het leven afbrengt; komen de antilopen eene kudde schapen tegen, dan wordt deze omsingeld en medegesleurd; niemand ziet ze ooit weder. De leeuw, die dacht hier eene gemakkelijke prooi te vinden, ziet zich genoodzaakt het reeds gegrepen offer los te laten en met den stroom mede te ijlen. Onophoudelijk dringen de achtersten naar voren en moeten de voorsten voor dien drang uitwijken; bestendig trachten de in het midden gedrongen scharen de vleugels te bereiken en voortdurend ondervinden zij den taaisten tegenstand. Gieren beschrijven hun kringen om de stofwolken, die de vluchtende scharen opwerpen; aan de vleugels en de achterhoede sluit zich een talrijke, uit de meest verschillende roofdieren bestaande lijkstoet aan; jagers en schutters loeren in de passen om van hier uit ontelbare kogels in het gedrang te zenden. Zoo doorvliegen de gekwelde dieren mijlen lange landstreken tot het voorjaar aanbreekt en de troepen weder ontbindt.Moet ik hier nog de tochten aan toevoegen, die de poolvossen en ijsberen soms gedwongen worden te ondernemen, wanneer zij op een ijsschol, hun tijdelijk jachtveld, door de zeestroomen worden weggevoerd, om òf nooit weder te landenòfin het gunstigste geval ergens op een eiland aan wal gezet te worden? Ik geloof van neen, want zulke reizen zijn geen verhuizingen meer, maar een drijven op de golven.[204]

VII.DE VERHUIZINGEN DER ZOOGDIEREN.

Reislust, in de beteekenis des woords, welke wij menschen daaraan hechten, wordt bij de dieren niet gevonden, zelfs niet bij de vogels, die benijdbare wezens, wien de goddelijke gave werd geschonken vliegende de landen door te trekken en zeeën te overbruggen. Onbezorgd en vrij, zooals de handwerksgezel uittrekt om vreemde landen, vreemde zeden en vreemde kunst te leeren kennen, trekt geen enkel dier; want meer nog dan wij is dit gebonden aan een bepaalde plek, en sterker dan het heimwee der menschen ketenen gewoonte en traagheid het aan de plaats der geboorte. Maakt het zich gereed deze te verlaten, dan gehoorzaamt het aan een wet van dringende noodzakelijkheid, en het trekt alleen uit om het gebrek te ontloopen, dat in ’t verschiet dreigt. Nood en ellende echter zijn maar al te vaak het deel en lot, hetwelk de vreugdelooze vreemdelingschap aan het dier bereidt, dat in dit geval slechts reisverdriet ondervindt.Een en ander is evenzeer van toepassing op de trekkende visschen als op de trekkende vogels, maar in ’t bijzonder geldt zulks voor de vele zoogdieren, welke nu en dan wandeltochten ondernemen. Weinigen doen zulks zoo regelmatig als de vogels en visschen, doch de aanleiding tot de verhuizingen is bij allen dezelfde. De dieren verhuizen, omdat gebrek aan voedsel in uitzicht is, of omdat de schaarschheid zich reeds eenigermate doet gevoelen; zulke reizen zijn dus meer te beschouwen als een ontvluchten van naderend gebrek, dan wel als eene begeerte om een gelukkiger land op te zoeken.Wanneer ik spreek van de verhuizingen der zoogdieren, dan bedoel ik daarmede niet de gewone stroop- en zwerftochten, die ook al ter wille van het voedsel geschieden, evenmin zulke tochten, welke ten doel hebben den verbreidingsgordel te verruimen, maar alleen die gemeenschappelijke reizen, welke sommige zoogdieren, nu eens in meer regelmatige, dan weder meer onregelmatige volgorde, ver buiten de grenzen[182]hunner woonplaats voeren, dus naar streken, alwaar zij eene hun vreemde levenswijze moeten aannemen, om deze even spoedig weder vaarwel te zeggen, zoodra hun dit mogelijk is geworden of mogelijk voorkomt. Zulke verhuizingen komen nog het meest overeen met het trekken der visschen en vogels, en hoe beter wij de eersten leeren kennen des te juister zal ook ons inzicht worden in ’t wezen van het laatstgenoemde.Kleine uitstapjes buiten de grenzen der gewone verblijfplaatsen volbrengen alle zoogdieren, en zulks om verschillende redenen. Soms zijn de mannetjes en vooral de ouden, meer geneigd tot rondzwerven dan de wijfjes en de jongen; men ziet ze daarom dikwijls zonder bepaalde redenen een zeker gebied verlaten om een ander op te zoeken; de jonge mannetjes van gezellig bijeenlevende soorten worden wel eens door de oudere hoofden van een troep stelselmatig verdreven en tot verhuizen gedwongen; de moeders zwerven gaarne met haar kroost door het gebied, alwaar dit laatste geboren werd; beide seksen trekken en reizen om elkander op te zoeken. Bij gelegenheid van zulke tochten ontdekt het dier de een of andere geschikte verblijfplaats, eene streek, waar overvloed van voedsel is, of waar beschermend struikgewas groeit, of een geschikt hol; het toeft daar dan langer of korter tijd en betrekt eindelijk voor goed het beloofde land. Oude jagers weten bij ervaring, dat een afgejaagd distrikt van buiten af weder nieuwen toevoer erlangt, en onder gunstige omstandigheden zeer spoedig even sterk bevolkt kan worden als vroeger. Niemand, die niet weet, dat vossen- en dassenholen, die zoo moeilijk te vernielen zijn, altijd bewoond blijven, hoe sterk er op deze dieren ook jacht worde gemaakt. Andere zoogdieren, op wier doen en laten minder nauwkeurig acht wordt geslagen dan op het wild, gedragen zich niet anders. Er heeft ongetwijfeld een onophoudelijk reizen en trekken plaats. En zoo wordt dan ook, zoo niet de natuur zelf zulks belet, of roofdieren of menschen hier verhinderend optreden, het verbreidingsgebied der soorten steeds grooter.EEN WILDE EEND BESCHERMT HAAR JONGEN TEGEN EEN WATERRAT.EEN WILDE EEND BESCHERMT HAAR JONGEN TEGEN EEN WATERRAT.Onze voorvaderen deelden hun woningen tot het eind der vorige eeuw met de huisrat, terwijl zij de bruine rat slechts kenden van hooren zeggen, of misschien zelfs in ’t geheel niet. De eerste was een rat met vele, ofschoon niet alle ondeugden van haar geslacht. Zij bewoonde de zolders onzer huizen, at van ons koren, van ons spek en allerlei anderen voorraad, knabbelde aan de deuren, planken vloeren en het huisraad, draafde des nachts onheilspellend door oude kasteelen en[183]dergelijke spookgebouwen, veroorzaakte veel verdriet, menigen schrik en voedde het geloof aan spoken en het bijgeloof; maar met haar was het leven nog mogelijk, en men kon haar nog meester worden. Een flinke huiskat hield haar in bedwang, een goede kamerjager bond met haar den strijd aan. Daar verscheen plotseling haar gevaarlijkste vijand, en van nu aan begon haar licht te tanen. In het jaar 1727 zag men groote scharen bruine ratten, die òf rechtstreeks, òf over Perzië uit Indië moeten gekomen zijn, over de Wolga zwemmen, en spoedig daarna ervoer men door welke plaag Europa voortaan gekweld zou worden. Rivieren en kanalen volgende, bereikte de bruine rat de dorpen en steden; zij nam, in spijt van menschen en katten, onze woningen eerst van beneden in bezit en nestelde zich in de kelders en gewelven, steeg allengs omhoog naar de zolders en daken, verdreef na een langen, verbitterden strijd haar bloedverwant, maakte zich tot meesteres in ons eigen huis en toonde duizenden malen, wat een rat vermag; want deze bezitalleondeugden der familie en legt ze daarbij onverholen[184]aan den dag; zij spotte met alle pogingen om haar te verdrijven en behield tot op dezen dag overwinnend het veld, dat wij haar met behulp van honden en katten, met klemmen en vallen, met vergif en kruit te vergeefs betwisten. Bijna tezelfder tijd dat zij over de Wolga zwom, in 1732, bereikte zij Europa nog langs een tweeden weg, doordien zij op Oostindische schepen naar Engeland werd overgebracht. Van nu af begon zij hare reize door de geheele wereld.In Oost-Pruisen verscheen zij reeds in 1750, in Parijs drie jaren later; Midden-Duitschland werd door haar veroverd ten jare 1780; eerst vestigde zij zich, evenals elders, in de steden, om van hier uit langzamerhand het platte land te bevolken; dorpen, die niet aan rivieren gelegen zijn en die zij dus minder gemakkelijk kon bereiken, betrok zij eerst in de laatste tientallen jaren dezer eeuw; toen ik nog een opgeschoten knaap was, kende men haar nog niet in mijn geboortedorp, het rijk behoorde daar nog toe aan de ook nu daar reeds door haar volledig verdreven zwarte rat.Nog later verscheen zij in de afgezonderd gelegen gehuchten en eenzame boerenwoningen, echter niet voor het midden dezer eeuw, en nog altijd zet zij haar zegetocht voort. Niet tevreden met de ontdekking en verovering van Europa, toog zij, en zulks reeds op het einde der vorige eeuw, op nieuwe avonturen uit. In de bereids door haar bewoonde zeeplaatsen zwom ze van den oever naar de schepen, klouterde langs ankerkettingen, touwen, enz, aan boord, nam haar intrek in het veilige, donkere scheepsruim, doorreisde op dat vaartuig alle zeeën, landde aan alle kusten, en bevolkte van hier uit alle landen en eilanden, waar deze slechts in bezit zijn genomen door den beschaafden, in vaste woningen levenden mensch, haar onvrijwilligen beschermer en onderhouder. Tegen wil en dank hebben wij haar geholpen, het haar althans mogelijk gemaakt zulk eene groote uitbreiding te geven aan haar gebied. Aan geen ander, den mensch niet onderworpen zoogdier, is zulks ooit gelukt.Een ander voorbeeld van soortgelijke verhuizingen biedt ons de ziesel, een in geheel Oost-Europa en West-Siberië veel voorkomend, en tot de familie der eekhoorns, meer in ’t bijzonder tot de onderfamilie der marmotten behoorend, schadelijk knaagdier, dat de grootte van een hamster bereikt. Albertus Magnus zag den ziesel in de omstreken van Regensburg, alwaar hij thans niet meer voorkomt; daarentegen is hij in den jongsten tijd Silezië weder binnengetrokken, alwaar hij voor veertig en vijftig jaren onbekend was; tegen het begin[185]van 1850 ongeveer verscheen hij daar, zonder dat men kon nagaan, vanwaar hij gekomen was, en van nu aan drong hij langzamerhand naar het westen door.Ook hier is het alweder de mensch, die deze verhuizingen in de hand werkt, omdat het dier, zoo al niet daaraan gebonden, althans in bebouwde velden, de het meeste voedsel belovende en dus voor hem gezegendste woonplaatsen vindt.Geheel hetzelfde mag gezegd worden van nog andere muizensoorten, wier verdere verspreiding gelijken tred houdt met de vermeerdering van het aantal bebouwde velden. Aan den anderen kant wederom wordt door den mensch het woongebied van vele zoogdieren door ontwouding, droogleggingen en andere veranderingen in den toestand des bodems verkleind; hierdoor bewerkt hij en ongetwijfeld veel meer nog dan door rechtstreeksche verdelging, het wegtrekken van een aantal zoogdieren, die daar vroeger vaste woonplaatsen hadden opgeslagen. Want ook op de zoogdieren is de wet van toepassing, dat slechts zulke woonplaatsen vroeger of later worden bevolkt, die voor hen geschikt zijn, en zulks niettegenstaande de mensch dit soms op willekeurige, ruwe en wreede wijze gewelddadig tracht te beletten.Verschillend van zulke tochten zijn die, welke de zoogdieren nu en dan ter wille van eene tijdelijke verbetering hunner positie volbrengen. Hieraan nemen waarschijnlijk, zoo niet alle soorten, dan toch enkele leden van alle familiën dezer klasse deel; zij duren langer of korter tijd, brengen de dieren in meer of minder afgelegen streken, kunnen daarom zelfs het karakter van werkelijke verhuizingen aannemen, maar eindigen toch na zekeren tijd en brengen het trekkende zoogdier eindelijk weder in zijn oorspronkelijke woonplaats terug. Het voornemen of de hoop zich betere weiden of jachtvelden te verzekeren, eene toevallig zich voordoende gelegenheid om een aangenamer leven te leiden, deze zijn zeer zeker de voornaamste beweegredenen voor zulke zwerftochten. Zij hebben dan ook jaar in jaar uit, op alle breedten en op alle hoogten plaats, zelfs in streken, die te allen tijde dezelfde levensvoorwaarden in zich sluiten. Het zoogdier begint en volbrengt die tochten nu eens afzonderlijk, dan weder in troepen, al naar het gewoon is eenzaam of gezellig te leven; dikwijls blijven de wegen dezelfde, en worden dezelfde plaatsen regelmatig op dezelfde tijdstippen bezocht; maar altijd zijn het toch toevallige omstandigheden, die het dier leiden en richten.[186]Wanneer de vruchten van de heilige vijgen- en andere boomen, die de tempels der Hindoes omgeven, op het punt zijn van rijp te worden, zien de Brahmanen, aan wie de zorg voor die tempels en boomen is toevertrouwd, met heilige ontroering de aankomst hunner vierbeenige goden te gemoet. En niet te vergeefs; want zij verschijnen wis en zeker, de tot goden verheven apen, de hulman en bonder, om zich te goed te doen aan de lekkere vruchten der voor hen alleen geplante en verzorgde boomen, tevens om daarbij nog te rooven en te plunderen in de naburige tuinen en plantages. En daarna verdwijnen ze weder, tot groote droefheid hunner vereerders, tot groote vreugde van alle andere bewoners, wier bezittingen zij op de brutaalste wijze beschadigden.Wanneer in Centraal-Afrika de korrels van het inheemsche graan, de doerrha of het kafferkoren, rijpen, daalt een troep bavianen onder aanvoering van een ervaren, deftig opperhoofd, die vol waardigheid en trots zich van zijn ambt kwijt, van de bergen naar omlaag, ten einde te onderzoeken of hun neef, de mensch, zoo vriendelijk is geweest ook in dit jaar weder het graan voor hen uit te zaaien. Of eene bende meerkatten, nadert, onder even uitstekend geleide, den zoom der bosschen, om te juister tijd de akkers ongestraft, zoo zwaar mogelijk te brandschatten. Wanneer de vurige oranjeappelen op de plantages der Zuid-Amerikaansche boeren tusschen het donkergroene loof schitteren, dan trekken de rolapen er op los, ten einde die vruchten met den eigenaar te deelen. Ook andere plantenetende dieren worden door de begeerte om zich het dagelijksch brood met weinig moeite te veroveren, naar streken, plaatsen en velden gedreven, die zij anders vermijden; roofinsecten volgen andere, hier of ginds tijdelijk verblijfhoudende insecten; de groote roofdieren vormen steeds de achterhoede van de plantenetende soorten hunner klasse, in ’t bijzonder die onzer huisdieren. De leeuw trekt met den rondzwervenden Afrikaanschen herder van plaats tot plaats; aan de verzenen der verslagen, huiswaarts vluchtende legers van Napoleon hechtten zich de Russische wolven; tot midden in Duitschland achtervolgden zij de ongelukkige soldaten.De vischotters ondernemen reizen te land om van de eene rivier in de andere te geraken; lynxen en wolven doorkruisen in den winter somtijds aanzienlijke oppervlakten lands. Door al deze reizen komt er eene wijziging in de woonplaatsen, het eene dier schuift het andere op; maar eene eigenlijke verhuizing kan zulks nog niet genoemd worden.[187]Ook zijn nood en gebrek slechts bij uitzondering aanleiding tot en motief voor werkelijke verhuizingen; veeleer is het hier een oogenblikkelijk opkomend verlangen, dat tot zulke tochten aanzet.Geheel anders verhouden zich die zoogdieren, welke telken jare, omstreeks denzelfden tijd, van woonplaats veranderen en onder omstandigheden tamelijk ver verwijderde oorden opzoeken, om van hier uit wederom op bepaalde tijden naar de oude woonplaats terug te keeren; dezenverhuizen, want zij grijpen niet eene toevallige gelegenheid aan, maar zij gehoorzamen bewust of onbewust aan eene dringende noodzakelijkheid.Als grond en oorzaak van alle werkelijke verhuizingen der zoogdieren moeten wij in de eerste plaats beschouwen, duidelijk uitgedrukte wisseling van jaargetijden. In landen met eene eeuwige lente hebben geen verhuizingen plaats, daar de aanleiding er toe ontbreekt. Zomer en winter moeten scherp van elkaar gescheiden zijn, zij dan de laatste door ijs en sneeuw, of door gloeihitte en droogte gekenmerkt; gebrek en overvloed moeten met elkander afwisselen, wanneer het trage zoogdier tot heengaan zal besluiten.Op kleinen maatstaf reizen reeds die dieren, welke gebergten bewonen. De gems, steenbok, alpenhaas en marmot trekken, wanneer de sneeuw begint te smelten, of iets later, zich over steilten en gletschers een weg banende, naar omhoog, alwaar de ontdooide grasvelden een even overvloedig als heerlijk voedsel aanbieden; vóór de winter is aangebroken keeren zij naar de lagere gedeelten van het gebergte terug.De beer, van nature een omnivoor, door gewoonte een roover, onderneemt, ten minste in de gebergten van Siberië dergelijke tochten, en eindigt deze eveneens vóór de komst van den winter; ook de wilde katten en honden, die de gebergten bewonen, handelen eveneens. Plaatsveranderingen van dit genre zijn zelfs gewoon in de gebergten van meer zuidelijk gelegen landen, de tropen niet uitgezonderd. In Indië evenals in Afrika klimmen en dalen zekere apensoorten op bepaalde tijden geregeld op en af, zoeken de olifanten bij de intrede des winters de laagvlakten, bij den aanvang van den zomer de hoogten op. In de Andes van Zuid-Amerika vluchten de guanaco’s voor de sneeuw naar de dalen, voor den gloed der zomerzon naar de berghellingen. Door het gebergte zelf worden aan al deze tochten enge grenzen gesteld. Wij hebben hier te doen met een hoogteverschil van één tot drieduizend meter, met afstanden die in weinige uren, ten hoogste enkele[188]dagen kunnen worden afgelegd. Kenschetsend voor deze tochten is evenwel de regelmatigheid, met welke zij geschieden, vooral in betrekking tot het tijdstip, waarop zij ondernomen worden, en niet minder in betrekking tot de wegen, langs welke zij plaats hebben.Heuvelland en vlakte, zee en lucht schenken meerdere speelruimte dan het gebergte en daarom laten zich de hier wonende of zich tijdelijk ophoudende dieren gemakkelijker dan die, welke in het gebergte verblijf houden, op hunne tochten vervolgen en nagaan. In de toendra’s van Rusland en Siberië doet het rendier, dat in Skandinavië de gebergten niet verlaat, elken herfst groote tochten, om tegen het volgende voorjaar naar zijn zomerverblijven terug te keeren; altijd ongeveer in denzelfden tijd verlaat het Groenland om van hier over het ijs naar het Amerikaanschevastelandte verhuizen; daar blijft het den geheelen winter en zoekt eerst in April de fjielden van zijn geboorteland weder op. Zoowel in Rusland en Siberië als in Groenland schijnt het niet alleen de vrees voor den naderenden winter te zijn, die tot verhuizen aanspoort, maar hierbij komt nog als tweede aanleiding eene aan het hooge noorden gebonden plaag. De korte zomer n.l. roept eene ongeloofelijke hoeveelheid kleine insecten in ’t leven, inzonderheid eene onbeschrijfelijke menigte steekmuggen en horzels, die niet alleen den mensch, maar ook het rendier het leven verbitteren. Om dezen te ontvluchten verlaat het dier de moerassige toendra, boven welke gedurende den korten zomer dichte wolken van muggen zweven, en vlucht naar de minder door deze insecten geplaagde gebergten zijner woonplaats, die op gemeld tijdstip tevens zoo rijkelijk met geurige weiden bedekt zijn, als met klimaat en land bestaanbaar is. Die gewoonte wordt erfelijk en zoo is het mogelijk, dat telkens dezelfde wegen worden betreden en tevens die verhuizingen altijd weder op hetzelfde tijdstip plaats grijpen. Er ontstaan dientengevolge gebaande wegen, die duidelijk in ’t oog vallen, mijlen ver door de toendra verloopen en op bepaalde plaatsen de stroomen en rivieren doorsnijden. Tegen den aanvang van den tocht scharen zich de wijfjes met haar kalveren in kudden van tien tot honderd stuks bijeen, de spiesherten en smaldieren volgen, en daar achter voegen zich de oude herten. De eene troep volgt onmiddellijk op de andere, zoodat de waarnemer duizendtallen dezer dieren kan zien voorbijtrekken. Allen snellen steeds vooruit, laten zich noch door water, noch door bergen terughouden, en komen niet tot rust dan nadat zij de winterkwartieren betrokken hebben. Benden wolven, beren en veelvraten[189]hechten zich aan hun voetzolen en leggen alzoo evenzeer een niet klein gedeelte van dien weg af. In het voorjaar trekken de rendieren ongeveer langs denzelfden weg terug, en weder in nagenoeg gelijke slagorde, maar in veel kleinere kudden, en ook langzamer en wat meer op hun gemak.Nog grooter afstanden leggen de Amerikaansche wisenten of bisons, de „prairiebuffels” af. Hoe ver zij reizen weet men eigenlijk nog niet recht, maar men heeft trekkende troepen ontmoet van Canada tot Mejiko, van de Missouri tot het Rotsgebergte en zoo is men gerechtigd aan te nemen, dat een en dezelfde kudde zeer groote landstreken van het aangegeven gebied door trekt. Men heeft deze bisons in den zomer, over de eindelooze vlakten derprairiënverstrooid, aangetroffen, en in den winter op dezelfde plaatsen, maar tot duizenden vereenigd; men heeft gezien hoe zij reisden, want men heeft hen vervolgd op de door hen gebaande, honderden mijlen ver in meer of minder rechte richting, over gebergten en door de vlakten verloopende „buffelpaden”; men heeft zich door eigen aanschouwing er van overtuigd, dat de grootste stroomen hun geen hinderpaal in den weg leggen, dat zij, evenals eene lawine zich in deze wateren storten en ze met hunne donkere lichamen als het ware geheel opvullen; men heeft gezien, dat de dieren zich van elkander scheiden en zich weder vereenigen, dat de kudden zich vergrooten en zich oplossen in kleinere, dat oude, knorrige, heerschzuchtige en boosaardige stieren de gemeenschap met de andere bisons vermijden, misschien worden verdreven, en op deze wijze waarschijnlijk eerst na een langen, moeilijken strijd, gedwongen worden tot den volgenden zomer eenzaam rond te dolen; men heeft opgemerkt, dat zij in den winter, wanneer er veel sneeuw is gevallen, in de bosschen of tegen de hellingen der bergen beschutting zoeken tegen de ruwheid des weders. Reeds in de maand Juli vangen zij hun tochten van het noorden naar het zuiden aan. Weinig talrijke kudden, die tot op dit tijdstip een lui en gemakkelijk zomerleven leidden, sluiten zich aan anderen aan en samen vervolgen zij hun weg; andere troepen voegen zich bij hen en naarmate men vooruitdringt, groeit de menigte en wast het aantal, zoodat er eindelijk die groote massa’s uit zijn voortgekomen, die van nu af aan, als door éénen geest bezield, samen werken en handelen, totdat het voorjaar hen weêr scheidt. Zoodra de winter voorbij is, lossen de massa’s zich weder, misschien in omgekeerde volgorde, in kleinere kudden op, die zich al weder verdeelen,[190]tot er niets dan kleine gezelschappen meer overblijven. Dit alles geschiedt op de terugreis. Zoowel op de uit- als thuisreis trekt steeds de eene kudde, op zekeren afstand van eene volgende verwijderd, na de andere; allen blijven evenwel nagenoeg op hetzelfde pad. Treffen zij eene gunstige plaats, b.v. eene met sappig gras begroeide laagte, dan grijpt hier eene tijdelijke opstuwing van den levenden stroom plaats. Onder zulke omstandigheden vereenigen zich op hetzelfde punt ontelbare scharen bisons; zij vertoeven dan eenige dagen achtereen op dezelfde plek en breken eerst dan weder op, wanneer al het gras is afgeweid en de honger tot verder trekken noodzaakt. Ook de bisons worden achtervolgd door wolven en beren, terwijl gieren en adelaars onheilspellend boven hun hoofden zweven.Niet alleen vrees voor gebrek aan voedsel, maar ook het ontbreken van drinkwater kan de aanleiding zijn, die tot reizen aanspoort. Wanneer in het zuidoosten van Siberië, inzonderheid in de hooge steppe van Gobi, de winter nadert, worden alle zoogdieren, voor zoover zij geen winterslapers zijn, door de bijzondere gesteldheid van dat hoogland gedwongen in lager gelegen oorden een onderkomen te zoeken. De winter treedt in dit Middel-Aziatisch hoogland niet strenger op dan in de noordelijk of noordoostelijk daarvan gelegen streken, maar hij is hier meestal vrij van sneeuw en bedekt alle wateren, die bovendien wegens den weinigen neêrslag niet talrijk zijn, met eene dikke ijslaag. Zoodra nu die laatste zoo dik is geworden, dat geen der in de Gobi verblijf houdende dieren het ijs verbreken kan, zien zij zich tot verhuizen verplicht, en nu trekken zij niet naar zuidelijker, maar juist naar noordelijker streken, die het voorrecht bezitten van veel sneeuw te bevatten: de trekkende dieren toch kunnen beter hun dorst lesschen met de zachte sneeuw, dan met het harde ijs, en ook loopen zij gemakkelijker op de eerste dan op het laatste. Nu kan men ook begrijpen waarom de kropantilope, die veelvuldig in de genoemde steppe voorkomt, een land verlaat, dat met uitzondering alleen van de daar ontbrekende sneeuw, m.a.w. met uitzondering alleen van water, hetzelfde aanbiedt als het winterkwartier. Niet de honger, maar de dorst drijft het dier naar den vreemde. Is de winter in aantocht, dan verzamelt zich de overigens reeds gezellig levende antilope in grootere troepen van vele duizenden individuen; alle lager gelegen landstreken rondom het hooge geboorteland zijn met deze kudden opgevuld. Gezamenlijk verwijderen zij zich tot op honderden mijlen afstands van den geboortegrond,[191]en leggen op dien tocht soms in een enkelen nacht tien à twaalf geografische mijlen af. De waarnemer, die hen volgt, ziet overal hun sporen en in zulk eene menigte, dat het schijnt alsof kort van te voren eene buitengewoon talrijke schaapskudde hier langs getogen is.Nog voor de trektijd der antilope is aangebroken, komt de koelan of dziggetai, de vermoedelijke stamvader van ons paard, en in elk geval het prachtigste en edelste wilde paard der aarde, in beweging. De veulens van den jongsten zomer zijn in den herfst reeds zoo krachtig geworden, dat zij eene lange reis kunnen meêmaken, snelle marschen uithouden en alle wederwaardigheden en gevaren van een ongeregeld leven met goed gevolg het hoofd kunnen bieden. Ook de jonge, vierjarige hengsten bevinden zich in de volle kracht des levens, verlaten reeds op het eind van September, vol moed, de ouderlijke kudde en dringen voorwaarts. De oude hengsten en merriën eindelijk worden aangegrepen door de zucht tot paring en worden onrustig en reislustig. Zoo begint het vlugge, ondernemende dier, reeds vóór de winter invalt, zijn tochten; daarom mist men in deze verhuizingen duurzaamheid en regelmaat, zoodat zij eenigszins het karakter verkrijgen van avontuurlijke zwerftochten. Ten einde het hun door den aanvoerenden hengst opgelegde juk af te schudden en vrij te zijn, om zich zelf tot gebieders op te werken, verlaten de jonge hengsten de moederkudde en zwerven nu zelfstandig door de zandsteppe. Alle jongere, geslachtsrijp geworden en zelfs sommige oudere merries schijnen door hetzelfde gevoel bezield te zijn als de op daden beluste jonge hengsten; ook zij pogen de tyrannie van hem, die haar tot nog toe gebood, te ontvlieden. Zij voegen zich bij de eersten—evenwel om nu onder het juk van dezen haar nek te krommen. Maar zonder strijd wordt de heerschappij niet verkregen, goedschiks geeft de oude gebieder zijn rechten niet op. Urenlang staat de jonge hengst op den top eens heuvels of van een bergrug en slaat van hier uit een onderzoekenden blik over het veld. Zijn oog doorloopt de woestijn, zijn naar den wind gekeerde neusvleugels zijn opengesperd, zijne ooren hebben zich gespitst. Strijdlustig, in gestrekten draf springt hij in elke kudde, die nadert, rent hij elken mededinger, dien hij ontwaart, te gemoet, en een woedend gevecht begint om de merries, die den overwinnaar alleen zullen volgen. Dit vechten en kampen brengt echter beweging in de kudden, scheidt ze van het gebied, alwaar zij den zomer hebben doorgebracht en is de voorbode van thans aanvangende, uitgestrekte en[192]onafgebroken zwerftochten. Na of nog vóór het eindigen van de zooeven besproken gevechten, verzamelen zich de troepen koelans in elk geval tot steeds talrijker wordende kudden, totdat er eindelijk legers van meer dan duizend stuks ontstaan, die gezamenlijk optrekken en wel naar zulke streken, die overvloed van voedsel opleveren. Ook in de winterkwartieren scheiden de wilde paarden zich niet van elkander en zijn deswege genoopt, ter wille van het voedsel voortdurend rond te zwerven. Dreunend klinkt de hoefslag dezer aaneengesloten, gewoonlijk snel voortdravende kudden, en meermalen is het gebeurd, dat de Kozakken in de grensdistricten van het Russische Rijk, daardoor verschrikt, te wapen vlogen. Geen wolf zal het wagen zulk eene kudde aan te vallen, want de moedige hengsten weten te hunner verdediging zulk een goed gebruik van de hoeven te maken, dat de wolf alras van zijn aanval afziet; slechts zieke en vermoeide wilde paarden vallen het roofdier, dat deze tochten volgt, nu en dan ten offer. De mensch richt evenmin onder deze legers veel schade aan; de koelans toch zijn zeer schuw en voorzichtig, zoodat het moeilijk valt hen te naderen. In weêrwil van dit alles kan een strenge winter dezen dieren noodlottig worden, vooral wanneer er veel sneeuw valt. De reeds zoo schrale weide is dan spoedig uitgeput en dit te eerder, naarmate de kudden talrijker zijn. Dan azen de dieren zonder keus of smaak op alle planten, die zij kunnen vinden. Maandenlang moeten zij zich voeden met niets dan ontbladerde twijgen. De gladheid en ronding des lichaams gaat verloren; eerlang zijn het wandelende geraamten. Zelf gebrek lijdende, kan de merrie-moeder haar veulen niet meer het noodige geven; de uiers drogen op. Menig veulen, dat op zijn nog jeugdigen leeftijd de harde kost der ouden niet kan verteren, lijdt gebrek. Ook de ouden lijden onder deze winterplagen. Sneeuwstormen, die dagen lang kunnen aanhouden, waaien de weiden onder de sneeuw, verdooven den moed, terwijl de driestheid der wolven in gelijke mate toeneemt, welke dieren de krachteloozen neêrvellen en den sterkeren boozen overlast aandoen. Zoodra evenwel de omstandigheden zich ten goede keeren, keert ook weder bij deze taaie, tegen het weêr geharde schepselen de oude levenslust terug, en zoodra de sneeuw begint te smelten vangen zij den terugtocht weder aan, om binnen ongeveer eene maand het vroegere zomerverblijf weder terug te vinden; hier lossen zij zich weder op in taboenen, of afzonderlijke kudden, herstellen zich onder ’t genot van rijkelijk en geurig voedsel spoedig weder[193]van de geleden schade, worden weer vet en glad, en zijn den kommer en de ellende van den winter geheel vergeten.ZEBRA’S, STRUISVOGELS EN QUAGGA’S.ZEBRA’S, STRUISVOGELS EN QUAGGA’S.Hoe groot de afstanden ook mogen zijn, die alle tot nog toe behandelde zoogdieren afleggen, bij die der robben en walvisschen zijn ze echter niet te vergelijken. Het water begunstigt alle bewegingen van een daarin levend dier, biedt in hoofdzaak overal dezelfde levensvoorwaarden aan en stelt om deze reden, op gemakkelijker wijze en met minder moeite en gevaren in staat tot het volbrengen van verre tochten. En toch wekt het eenigszins onze verbazing te vernemen, dat vele zeezoogdieren, inzonderheid de walvisschen, tot de meest reislustige schepselen behooren, ja dat velen hunner, en misschien wel de meesten, ongeveer hun geheele leven lang op reis zijn. Strikt genomen heeft geen enkele walvisch gedurende het geheele jaar eene vaste verblijfplaats, maar trekt dit dier, of alleen, of paarsgewijs, met zijn jongen of in scholen vereenigd, onafgebroken van de eene wereldzee naar de andere, terwijl somtijds enkele oorden bijzondere lievelingsplekjes zijn, die bij voorkeur en op geregelde tijden worden opgezocht, ’s winters andere dan in den zomer. De zeeën, in welke dezelfde walvischsoort zich des zomers en des winters ophoudt, liggen dikwijls verder uiteen dan men gewoonlijk meent; enkele wallen doorreizen jaarlijks meer dan een vierde gedeelte van den ganschen aardbol. Men ontmoet ze des zomers aan de ijsmuren van de Noordelijke IJszee en in den winter niet zelden aan gene zijde des Evenaars. Gezellig in de hoogste mate en vol opofferende liefde jegens hunne jongen, verzamelen zich met name de vrouwelijke wallen tot soms verbazingwekkende aantallen, om onder aanvoering van enkele mannetjes langs bepaalde wegen en op bepaalde plaatsen door den wijden Oceaan te trekken; sommigen vervolgen daarbij hunne reis langs de kust, anderen door de hooge zee. Stormen en het niet verschijnen van zekere dieren, die hun tot voedsel verstrekken en waarin men de naaste aanleiding tot deze verhuizingen hebbe te zoeken, wijzigen soms richting en aanvang van den tocht; in ’t algemeen echter geschieden deze reizen zoo regelmatig, dat men zoowel in het noorden als in het zuiden de komst der walvisschen van bepaalde dagen afgerekend te gemoet ziet en wachten uitzet, ten einde dadelijk voor de vangst gereed te zijn. De kustbewoners hebben dikwijls dezelfde walvisschen, die zij herkenden aan bijzondere kenteekens, zooals b.v. verminkte vinnen, en die ze tevergeefs hadden nagezet, jaren achtereen juist op denzelfden tijd en juist op[194]dezelfde plaats teruggezien, terwijl de jacht op deze winstgevende en daarom fel bestookte dieren met dezelfde regelmatigheid wordt uitgeoefend als op het vasteland de hazenjacht. Op andere tijden des jaars zou men tevergeefs naar wallen zoeken. „Na Driekoningen” zegt reeds de oude Pontoppidan, „zien de Noormannen van alle bergen naar walvisschen uit, wier komst door de haringen wordt aangekondigd.” Eerst maakt de springwal zijn opwachting, drie of vier, hoogstens veertien dagen later verschijnt de vinvisch, ofschoon de een naar het schijnt uit Straat-Davis, de ander uit Groenland opbreekt. Aan de zuidelijke kusten der Faroer, en wel hoofdzakelijk in de Qualbenfjord, ziet men jaarlijks omstreeks Sint-Michiel van drie tot zes anarnaks, heden ten dage zoowel alsvóórhonderd en negentig jaar.In zekere golf van Schotland verscheen twintig achtereenvolgende jaren, steeds op denzelfden tijd, een walvisch, die onder den naam van „Hollie Pyke” algemeen bekend was, telken jare nagejaagd en eindelijk gevangen werd. Aan de kusten van IJsland kiezen jaarlijks enkele walvisschen dezelfde inhammen en baaien uit om hier eenigen tijd te verblijven, elk jaar dezelfde maanden en dezelfde weken, zoodat de kustbewoners ze persoonlijk kennen en aan ieder hunner namen hebben gegeven. Zekere, goed bekende moeder-wallen bezoeken elk jaar dezelfde baai, om hier haar jongen ter wereld te brengen; men spaart deze dieren zelf, doch zij moeten hun eigen leven duur genoeg, nl. met dat van hun kroost koopen. Uiterst zelden geschiedt het, dat de reizende walvisschen zich aan tijd noch richting binden; in het algemeen trekken zij met zulk eene regelmatigheid door den wijden Oceaan, dat het is alsof zij zich naar den stand der sterren richten en gebaande, van ter zijden begrensde wegen betreden. Geen ander zoogdier trekt met zooveel regelmatigheid; men kan dit trekken vergelijken met dat der vogels.Evenals de walvisschen ondernemen ook de robben jaarlijks meer of minder verre, maar over ’t algemeen ook zeer regelmatige tochten. Die soorten, welke in binnenzeeën leven, kunnen deze wel is waar niet verlaten, maar zij trekken ze toch telken jare op gelijke wijze door; of zij zwemmen op bepaalde tijden de rivieren op, welke in genoemde zeeën uitmonden. Alle soorten daarentegen, die in de wereldzeeën verblijf houden, vangen elk voorjaar en elken herfst reizen aan, die in bepaalde richtingen verloopen, en naar bepaalde streken voeren. Alle robben uit het hooge noorden en die, welke om de zuidpool[195]wonen, worden steeds door het zich in den winter uitbreidende ijs tot verhuizen gedwongen; zij trekken daarom met dat ijs naar gematigde breedten af, om met het smeltende ijs weder dichter de polen te naderen. Zij, zoowel als alle andere soorten der orde, waartoe zij behooren, worden nog door eene andere, niet minder gewichtige beweegreden tot reizen gedreven; zij kunnen nl. alleen op het vasteland of althans op groote, vast liggende ijsschollen hun jongen ter wereld brengen en zoo lang verzorgen, tot deze in staat zijn de ouden in zee te volgen om daar zelf in het levensonderhoud te voorzien. Zoo verschijnen dan telken jare duizenden en honderdduizenden robben op bepaalde eilanden of ijsschollen, welke geboortegronden van hun geslacht zij zoo geheel en al met hunne lichamen bedekken, dat elke beschikbare ruimte in beslag moest genomen worden om voor allen plaats te vinden; hier brengen zij hun jongen ter wereld, verwijlen weken, ja maanden achtereen op het land en het ijs zonder intusschen te jagen, in zee te dalen en voedsel tot zich te nemen, zogen de jongen, paren alsdan, lossen het verband weder op, verdeelen zich over den uitgestrekten Oceaan, om van nu aan weder op oude wijs te leven, of zij vangen met hunne nog veel zorg eischende jongen meer of minder ver zich uitstrekkende jachttochten, alzoo nieuwe reizen aan.Van alle hier opgenoemde trekzoogdieren behoort geen enkel tot de winterslapers, die, goed beschut, in diepe, zorgvuldig toegestopte onderaardsche woningen, in schijndooden toestand den boozen winter doorbrengen. Deze dieren zijn dus niet genoodzaakt hunne woonplaatsen te verlaten. Evenwel, ook onder dezen zijn er, althans voor zooverre diegenen betreft, welke in de gematigde luchtstreek leven, enkelen, die gedurende hunne jeugd trekken, nl. de vleêrmuizen.Hoe onvolkomen de vleugels der vleêrmuizen, vergeleken met die der vogels ook mogen schijnen, toch zijn het geschikte werktuigen ter plaatsverandering en zij stellen zelfs in staat tot het volbrengen van tochten, die tot de lichaamsgrootte van het dier in geen verhouding staan. Bovendien is er nog een andere omstandigheid, die der reislustige vleêrmuis ten goede komt, daarin bestaande, dat het dier door zijn jongen aan geen bepaalde plaats gebonden wordt, want deze klemmen zich van het oogenblik der geboorte af aan de borst der moeder vast om door deze, tot zij volwassen zijn, door de lucht gedragen te worden. Om al deze redenen behoort de vleêrmuis tot die dieren, welke te allen tijde tot verhuizen en reizen gereed zijn, en zij maakt dan ook van de[196]voordeelen haar geschonken, bij tijd en wijle een uitgestrekt gebruik. In den regel zijn alle reizen, die de verschillende soorten vanvleêrmuizenondernemen, meer zwerftochten, die ten doel hebben op sommige tijden andere, meer voedsel belovende streken op te zoeken; toch kunnen deze tot werkelijke reizen worden, en althans enkele soorten worden daardoor naar ver afgelegen landen vervoerd, en zulks geschiedt met die regelmatigheid, welke ware verhuizingen kenmerkt. De grootste vleêrmuizen, de kalongs of vliegende honden, ondernemen elken avond, ten behoeve van haar hoofdvoedsel, dat uit vruchten bestaat, verre tochten; daarenboven vliegen zij soms over zeestraten van tien geogr. mijlen breedte, ja, naar men zegt, begeven zij zich wel eens van Zuid-Azië naar Oost-Afrika en omgekeerd. Waar is het dat zij in beide werelddeelen voorkomen.De eigenlijke vleêrmuizen doen voor de kalongs niet onder. Ten einde jacht te maken op insecten, die in de verschillende tijden des jaars op verschillende hoogten verschijnen, stijgen deze dieren van de laagvlakten naar de bergen omhoog, om in den herfst weder naar beneden te dalen; zij volgen de kudden der nomaden van Middel-Afrika—al weder om de hier zich verzamelende insecten—maar zij reizen ook van het zuiden naar het noorden, en keeren van hier weder naar ginds terug, en omgekeerd. Zoo verschijnt de ombervleêrmuis eerst met het begin der heldere zomernachten in het noorden van Skandinavië en Rusland, om deze breedten, die men als haar eigenlijk geboorteland kan aanmerken, reeds in den nazomer weder te verlaten; zij begeven zich alsnu naar de Duitsche Middelgebergten en de Alpen, om daar te overwinteren. Zoo ziet men de meervledermuis des zomers geregeld in de Noordduitsche vlakten, maar ontmoet haar echter om dezen tijd slechts zelden in de gebergten van Middel-Duitschland, alwaar zij den winter in de rotskloven doorbrengt. Dat ook andere in Duitschland levende vleêrmuissoorten soortgelijke reizen volbrengen, is meer dan waarschijnlijk.Bovenvermelde voorbeelden, die uit het rijkelijk voorhanden materiaal zoo maar te grijpen waren, zijn zoo vele bewijzen voor die soorten van verhuizingen, welke men op grond der regelmatigheid, waarmede zij geschieden, willekeurige zou kunnen noemen. Maar er is meer. Somtijds worden de zoogdieren door honger en dorst, armoede en tijdelijke onbewoonbaarheid van een of ander woongebied, zoo hard geteisterd, dat zij, schier tot wanhoop gebracht, besluiten moeten in de vlucht hun[197]behoud te zoeken. Rijkelijk voedsel en gunstig weder bevorderen de vermenigvuldiging van alle dieren, maar inzonderheid die der planteneters, zoodat deze daardoor wel eens gedwongen worden hun verbreidingsgordel uit te zetten. Worden evenwel een of meer vette jaren, of zelfs enkele gunstige maanden opgevolgd door schrale, dan klimt de nood plotseling tot het uiterste; de hierdoor overvallen dieren worden dan niet alleen in de onmogelijkheid gebracht van zich verder het noodige levensonderhoud te verschaffen, maar de nood doet hun zelfs alle bezinning verliezen.Onder zoodanige omstandigheden verlaten bij ons te lande de veldmuizen, in Siberië de wortelmuizen hare geboorteplaats en trekken, in ontelbare scharen vereenigd, naar andere streken; zij deinzen op zulke tochten nergens voor terug, zoomin voor het water als voor de hun vreemde bergen en bosschen; zij hebben daarbij onophoudelijk te kampen met honger en ellende, met ongesteldheden en kwaadaardige ziekten, die als de pest onder hen woeden en de millioentallen tot weinige honderden doen insmelten. Gelijke omstandigheden dwingen in Siberië de eekhoorntjes, die in gewone jaren ten hoogste kleine uitstapjes ondernemen, om zich tot groote legers te vereenigen en troepsgewijs van boom tot boom, van het eene woud naar het andere te trekken, rivieren en stroomen over te zwemmen, enz. Zij dringen alsdan de dorpen en steden binnen, verliezen bij duizenden het leven, maar laten zich zelfs dan niet terughouden of van den weg afbrengen, wanneer het doodsgevaar hen tegengrijnst. De voetzolen slijten af en worden ruw, de nagels zijn stomp geloopen, de haren van den anders zoo gladden pels worden borstelig en zitten verward dooreen; losschen en sabelmarters volgen hun spoor in de bosschen, veelvraten, vossen en wolven in het open veld, arenden, valken, uilen en raven zweven dreigend boven hunne hoofden, maar grooter verwoestingen nog dan de tanden en klauwen der roofdieren, of de buksen en stokken der menschen, richten boosaardige ziekten onder hen aan, en toch—zij trekken altijd verder, oogenschijnlijk zonder hoop op een mogelijke wederkomst. Volgens de mondelinge mededeelingen van een met mij bevriend Siberisch jager wierp zich in het jaar 1869 zulk een leger van eekhoorntjes midden in de Uralische stad Tapilsk. Deze individuën vormden echter nog maar eene enkele divisie van het hoofdleger, welks centrum op een afstand van ongeveer acht kilometer meer noordelijk door het bosch trok. De dieren volgden of individuëelsgewijs of in troepen van verschillende sterkte,[198]onafgebroken elkander op; zij trokken even dicht aaneengesloten door de stad als door het naburige bosch; zij maakten zoowel van de straten als van de tuinen gebruik, klommen zelfs over de daken der huizen, vulden alle pleinen en open plaatsen, en veroorzaakten een algemeene opschudding, niet alleen onder de menschen, maar zoo mogelijk nog meer onder de honden, die er duizenden doodbeten en ten slotte de meest teugellooze, meest onverzadelijke moordlust aan den dag legden. Maar de eekhoorns schenen geen acht te slaan op de tallooze offers, die aan hunne zijde vielen, zich om niets te bekommeren en zij waren door geen enkel middel van den eens ingeslagen weg af te brengen. Drie dagen achtereen duurde deze doortocht, van den vroegen morgen tot den laten avond, en eerst tegen het aanbreken van den nacht kwam er stilstand in den stroom. Allen wandelden juist in dezelfde richting, van het noorden naar het zuiden, en de nakomenden trokken langs denzelfden weg als de eerst voorbijgekomenen. De bruisende Tschussoweia was hun geen beletsel; alle dieren, die aan den oever dezer snelstroomende rivier aankwamen, stortten zich zonder bedenken in het schuimende en draaiende water, en zwommen, bijna geheel ondergedoken, met over den rug gelegden staart, zoo snel mogelijk naar den anderen oever. Mijn zegsman, die den tocht voortdurend met klimmende belangstelling en opmerkzaamheid volgde, begaf zich in een boot midden onder de den stroom doortrekkende schare. Vermoeide zwemmers, wien hij eene roeispaan toereikte, maakten daarvan gebruik om er bij op en in de boot te klauteren; zij bleven, oogenschijnlijk zeer vermoeid, hier een poos rustig en vertrouwelijk zitten, klauterden, wanneer de boot naast een grooter vaartuig aanlegde, op dit laatste over, bleven nu hier weder rustig een poos zitten om ook dit te verlaten, zoodra het vaartuig aan wal was gekomen; dan sprongen zij er af en zetten de reis zoo goedsmoeds voort alsof zij door niets waren gestoord geworden.Dezelfde oorzaken moeten het zijn, die de lemmingen aanzetten tot hunne, reeds eeuwen lang bekende verhuizingen. Jaren achtereen verleenen de gebergten der Skandinaafsche, Noord-Russische en Noord-Siberische toendra’s hun een geschikt verblijf en daarbij overvloedig voedsel, want de breede ruggen der fjielden evenals de hier tusschen gelegen uitgestrekte vlakten, het heuvelland en de laagten bezitten plaats en voedsel genoeg voor millioenen dezer dieren; maar niet elk jaar verheugen zij zich den geheelen zomer in overvloed. Volgt op een aan sneeuw rijken, dus op een voor hen, die onder het witte sneeuwkleed[199]een veilige schuilplaats vinden, gunstigen winter een te rechter tijd aanvangend, warm, lang aanhoudend voorjaar, dan worden er aan hun ongemeene vruchtbaarheid geenerlei perken gesteld, en weldra wemelt de toendra letterlijk van lemmingen. Een hierop volgende, schoone en warme zomer doet het aantal nog meer toenemen,—maar verhaast tevens den levensloop van alle voedingsplanten, en nog vóór het einde van den zomer daar is, zijn die planten òf verdord, òf reeds gevallen onder de vraatzuchtige tanden dezer onverzadelijke woelmuizen. Het gebrek houdt zijn intocht en het lui, lekker leventje wordt vervangen door ellende. De vroolijke, brutale aard van den lemming is verdwenen, onrust bevangt hem en deze onrust stijgt eerlang tot radeloozen angst. Het hongerspook grijnst hen tegen. Nu scholen de lemmingen bijeen en vangen de reize aan. Dezelfde trek maakt zich tegelijkertijd van velen meester en de een sleept den ander mede. De troepen worden scharen, de scharen legers. Deze stellen zich in slagorde en als een bruisende stroom storten de lemmingen zich van de hoogten naar beneden in de dalen. Allen snellen in een bepaalde, naar plaats en gelegenheid verschillende richting vooruit. Allengs vormen zich lange rijen, in welke de eene lemming zoo dicht op den ander volgt, dat hij met zijn kop schijnt te rusten op den rug van zijn voorman. Hoe licht de tred dezer kleine diertjes ook zij, hun aantal snijdt in het moskleed der toendra diepe voren, die reeds van verre in ’t oog vallen. Hoe langer de tocht duurt des te onrustiger en koortsachtiger wordt de troep. Gretig vallen zij op alle planten aan, die zij op hun weg ontmoeten, alles verslindende wat maar eenigszins genietbaar is; en hebben de voorsten werkelijk nog eenig voedsel gevonden, zij, die volgen, vinden ook dit niet meer. De honger stijgt van minuut tot minuut en doet den tocht steeds meer verhaasten; geen gevaar wordt meer geacht, geen hinderpaal ontzien, en millioenen vallen dientengevolge als een offer des doods. Menschen, die hun in den weg treden, loopen zij tusschen de beenen door; tegen raven en andere roofvogels, die hen in kracht verre overtreffen, stellen zij zich onverschrokken te weêr; zij banen zich knagend een weg door de hooischelven, zij klimmen over bergen en rotsen, zij zwemmen over rivieren en zeeëngten, zelfs over wijde meren en groote golven en fjorden. Hetzelfde gevolg, dat achter de verhuizende eekhoorntjes natrekt, loopt en vliegt ook de lemmingen na: wolven en vossen, veelvraten, marters en wezels, de honden der Lappen en Samojeden, arenden,[200]buizerden en sneeuwuilen, raven en bonte kraaien, deze allen gaan te gast aan de ontelbare offers, die zij aan het golvende leger, meeuwen en visschen aan die, welke zij aan de zwemmenden ontrooven, terwijl ziekten van allerlei aard wellicht nog de grootste slachting aanrichten, meer dan alle bovengenoemde vijanden te zamen. Duizenden lijken blijven ten prooi der verrotting langs de wegen liggen, duizenden anderen worden door de stroomen medegevoerd. Of er nog enkele individuën van deze massa’s ontkomen, en of deze vroeger of later weder naar de verlaten haardsteden terug keeren, of dat ten slotte allen, die de reize aanvingen te gronde gaan, niemand vermag zulks te zeggen. Wel kan ik persoonlijk verzekeren, dat ik uitgestrekte landen der Laplandsche toendra ben doorgetrokken, die ik overal doorkruist zag door de gangpaden der lemmingen, maar ik heb op dien tocht geen enkelen lemming zelf ontmoet. Zulke streken behouden, gelijk men mij mededeelde, dikwijls jaren achtereen hetzelfde uiterlijk en eerst na een lang tijdsverloop worden zij langzamerhand weder met deze kleine, nijvere knaagdieren bevolkt.Wat de honger in het noorden bewerkt, doet in het weelderige zuiden de dorst. Wanneer de brakke poelen, die tot op dit oogenblik tijgerpaarden, antilopen, buffels, struisvogels en andere aan den grond gekluisterde steppendieren lafenis schonken, onder den verzengenden adem van den Zuid-Afrikaanschen winter allengs uitdrogen, dan verzamelen zich om die weinigen, welke nog eenig water bevatten, alle dieren, in wier levensonderhoud de steppe tot dusverre voldoende voorzag, en een druk, levendig tooneel ontvouwt zich aan deze plaatsen. Maar zijn ook deze verdroogd, dan zien alle wezens, die zich op deze plek bijeenvonden, zich genoodzaakt weg te trekken, en nu kan het voorkomen, dat zij door een soortgelijken wanhoop worden aangegrepen als de zooeven besproken knaagdieren; evenals de wilde paarden en kropantilopen der Middel-Aziatische steppe of de bisons der Noord-Amerikaansche prairiën scharen zij zich bijeen en leggen in rechte lijn honderden van mijlen af, om de ellende van den strengen winter te ontvlieden.De eerste dieren, welke het ongastvrije oord ook hier den rug toekeeren, zijn de wilde paarden. Zorgeloos en ongedwongen zwierven de sierlijk geteekende, krachtige, vlugge, wilde en zich zelf bewuste kinderen der karroe, de zebra, quagga en dauw, tot aan het invallen van het tijdperk van gebrek door hun uitgestrekt gebied, verdeeld in kudden, die onder de hoede en leiding staan van een ouden, ervaren[201]en in den strijd geoefenden hengst. Het tijdperk van kommer, de winter is aangebroken, de eene watervijver voor, de andere na, droogt op en steeds talrijker en talrijker worden de troepen, die zich om den laatsten watervoorraad verzamelen. De gemeenschappelijke nood dooft in den kampvaardigsten hengst den lust tot gevecht en strijd. De taboenen worden tot troepen van eenige honderden stuks, die van nu aan gemeenschappelijk zullen handelen, en gezamenlijk het winterachtig verblijf verlaten nog voor het gebrek is gekomen, dat de krachten zal verzwakken en den trotschen wil breken. Vol geestdrift wordt het grootsche tooneel, dat deze verhuizende tijgerpaarden opleveren, door alle reizigers geschetst. Zoo ver het oog reikt, strekt zich het zandveld uit, welks roode hoofdkleur slechts hier en daar wordt afgebroken door enkele zwarte plekken, alwaar de zon het gras heeft verbrand; hier en daar werpen spaarzaam verspreide mimosa’s een weinig schaduw en geheel in de verte is de vlakte begrensd door de scherpe omtrekken der met een blauw waas omtogen bergen. Te midden van zulk een landschap ziet men eene stofwolk opdwarrelen; loodrecht stijgt deze, door geen windje bewogen, naar den blauwen hemel omhoog. De wolk rukt nader en nader; binnen in haar wordt een gewemel van wezens zichtbaar. Eindelijk maken deze zich los uit den donkeren nevel en schitterend gekleurde dieren treffen het oog van den waarnemer; in dichte rijen, met uitgerekten hals en uitgespreiden staart, rennen zij voorbij, terwijl struisvogels en eigenaardig gevormde gnoes, die zich in de gelederen hebben gemengd, den stoet helpen vergrooten. Deze dieren zijn op weg naar een ander, misschien ver verwijderd grasland, en vóór nog de toeschouwer van zijne verbazing is bekomen, is het wilde leger reeds uit het gezicht verdwenen om de onafzienbare steppe verder in te trekken.Niet altijd op dezelfde wegen, maar toch meest in dezelfde richting, trekken ook de door den winter verjaagde antilopen door het grenzenloos gebied. Onder dezen is de springbok het menigvuldigst; dit is ongetwijfeld een der sierlijkste gazellensoorten, die wij kennen. De ongemeene schoonheid en bekoorlijke bewegelijkheid van dit dier betoovert een ieder, die het in de natuur gadeslaat; met lichten, elastischen tred schrijdt het nu eens voort, staat dan weder een oogenblik stil om te grazen, en springt daarna tuimelend verder, zijn grootste sieraad, een sneeuwwitten, maanachtigen haarbosch ten toon spreidende, die bij langzamen tred in eene overlangs loopende plooi van den achterrug[202]wordt weggeborgen. Geen andere antilope vereenigt zich, wanneer de nood tot verhuizen dwingt, in zulke talrijke kudden.Geene pen is bij machte eene juiste voorstelling van dit schouwspel voor den geest te roepen van hem, die het met eigen oogen aanschouwde. Reeds sedert weken schaarden de antilopen zich bijeen, misschien nog altijd wachtende op de eerste regenbui alvorens zij konden besluiten tot de afreis. Honderden individuën voegen zich bij andere honderdtallen, duizenden scharen zich bij andere duizenden en naarmate het gebrek meer dreigt en de dorst meer begint te kwellen, wordt de bereids afgelegde weg verlengd, terwijl de kudden aangroeien tot troepen, de troepen tot legers. Als zwermen treksprinkhanen, die de zon verduisteren, trekken zij daar heen.SPRINGBOKKEN.SPRINGBOKKEN.In de vlakten bedekken zij kwadraat-mijlen; in de passen tusschen de gebergten dringt zich de hoop tot eene massa opeen, waarvoor alle andere schepselen terugdeinzen; door de laagvlakten stroomen zij voort als de wateren eener buiten haar oevers getreden, alles medesleurende rivier. Zelfs de meest nuchtere mensch verliest bij dit schouwspel zijne bezinning, en uren, soms dagen achtereen duurt zulks voort. Als vraatzuchtige sprinkhanen vallen de versmachtende dieren op gras en[203]bladeren, op koorn en andere veldvruchten aan, en waar zij voorbijtrokken bleef geen halm overeind. Waagt zich een mensch in den weg dezer troepen, hij wordt in een oogwenk ter aarde geworpen en door de wel lichte, maar elkaar opvolgende hoefslagen der dieren zwaar verwond, soms zoo zeer dat hij blij mag zijn, indien hij er het leven afbrengt; komen de antilopen eene kudde schapen tegen, dan wordt deze omsingeld en medegesleurd; niemand ziet ze ooit weder. De leeuw, die dacht hier eene gemakkelijke prooi te vinden, ziet zich genoodzaakt het reeds gegrepen offer los te laten en met den stroom mede te ijlen. Onophoudelijk dringen de achtersten naar voren en moeten de voorsten voor dien drang uitwijken; bestendig trachten de in het midden gedrongen scharen de vleugels te bereiken en voortdurend ondervinden zij den taaisten tegenstand. Gieren beschrijven hun kringen om de stofwolken, die de vluchtende scharen opwerpen; aan de vleugels en de achterhoede sluit zich een talrijke, uit de meest verschillende roofdieren bestaande lijkstoet aan; jagers en schutters loeren in de passen om van hier uit ontelbare kogels in het gedrang te zenden. Zoo doorvliegen de gekwelde dieren mijlen lange landstreken tot het voorjaar aanbreekt en de troepen weder ontbindt.Moet ik hier nog de tochten aan toevoegen, die de poolvossen en ijsberen soms gedwongen worden te ondernemen, wanneer zij op een ijsschol, hun tijdelijk jachtveld, door de zeestroomen worden weggevoerd, om òf nooit weder te landenòfin het gunstigste geval ergens op een eiland aan wal gezet te worden? Ik geloof van neen, want zulke reizen zijn geen verhuizingen meer, maar een drijven op de golven.[204]

Reislust, in de beteekenis des woords, welke wij menschen daaraan hechten, wordt bij de dieren niet gevonden, zelfs niet bij de vogels, die benijdbare wezens, wien de goddelijke gave werd geschonken vliegende de landen door te trekken en zeeën te overbruggen. Onbezorgd en vrij, zooals de handwerksgezel uittrekt om vreemde landen, vreemde zeden en vreemde kunst te leeren kennen, trekt geen enkel dier; want meer nog dan wij is dit gebonden aan een bepaalde plek, en sterker dan het heimwee der menschen ketenen gewoonte en traagheid het aan de plaats der geboorte. Maakt het zich gereed deze te verlaten, dan gehoorzaamt het aan een wet van dringende noodzakelijkheid, en het trekt alleen uit om het gebrek te ontloopen, dat in ’t verschiet dreigt. Nood en ellende echter zijn maar al te vaak het deel en lot, hetwelk de vreugdelooze vreemdelingschap aan het dier bereidt, dat in dit geval slechts reisverdriet ondervindt.

Een en ander is evenzeer van toepassing op de trekkende visschen als op de trekkende vogels, maar in ’t bijzonder geldt zulks voor de vele zoogdieren, welke nu en dan wandeltochten ondernemen. Weinigen doen zulks zoo regelmatig als de vogels en visschen, doch de aanleiding tot de verhuizingen is bij allen dezelfde. De dieren verhuizen, omdat gebrek aan voedsel in uitzicht is, of omdat de schaarschheid zich reeds eenigermate doet gevoelen; zulke reizen zijn dus meer te beschouwen als een ontvluchten van naderend gebrek, dan wel als eene begeerte om een gelukkiger land op te zoeken.

Wanneer ik spreek van de verhuizingen der zoogdieren, dan bedoel ik daarmede niet de gewone stroop- en zwerftochten, die ook al ter wille van het voedsel geschieden, evenmin zulke tochten, welke ten doel hebben den verbreidingsgordel te verruimen, maar alleen die gemeenschappelijke reizen, welke sommige zoogdieren, nu eens in meer regelmatige, dan weder meer onregelmatige volgorde, ver buiten de grenzen[182]hunner woonplaats voeren, dus naar streken, alwaar zij eene hun vreemde levenswijze moeten aannemen, om deze even spoedig weder vaarwel te zeggen, zoodra hun dit mogelijk is geworden of mogelijk voorkomt. Zulke verhuizingen komen nog het meest overeen met het trekken der visschen en vogels, en hoe beter wij de eersten leeren kennen des te juister zal ook ons inzicht worden in ’t wezen van het laatstgenoemde.

Kleine uitstapjes buiten de grenzen der gewone verblijfplaatsen volbrengen alle zoogdieren, en zulks om verschillende redenen. Soms zijn de mannetjes en vooral de ouden, meer geneigd tot rondzwerven dan de wijfjes en de jongen; men ziet ze daarom dikwijls zonder bepaalde redenen een zeker gebied verlaten om een ander op te zoeken; de jonge mannetjes van gezellig bijeenlevende soorten worden wel eens door de oudere hoofden van een troep stelselmatig verdreven en tot verhuizen gedwongen; de moeders zwerven gaarne met haar kroost door het gebied, alwaar dit laatste geboren werd; beide seksen trekken en reizen om elkander op te zoeken. Bij gelegenheid van zulke tochten ontdekt het dier de een of andere geschikte verblijfplaats, eene streek, waar overvloed van voedsel is, of waar beschermend struikgewas groeit, of een geschikt hol; het toeft daar dan langer of korter tijd en betrekt eindelijk voor goed het beloofde land. Oude jagers weten bij ervaring, dat een afgejaagd distrikt van buiten af weder nieuwen toevoer erlangt, en onder gunstige omstandigheden zeer spoedig even sterk bevolkt kan worden als vroeger. Niemand, die niet weet, dat vossen- en dassenholen, die zoo moeilijk te vernielen zijn, altijd bewoond blijven, hoe sterk er op deze dieren ook jacht worde gemaakt. Andere zoogdieren, op wier doen en laten minder nauwkeurig acht wordt geslagen dan op het wild, gedragen zich niet anders. Er heeft ongetwijfeld een onophoudelijk reizen en trekken plaats. En zoo wordt dan ook, zoo niet de natuur zelf zulks belet, of roofdieren of menschen hier verhinderend optreden, het verbreidingsgebied der soorten steeds grooter.

EEN WILDE EEND BESCHERMT HAAR JONGEN TEGEN EEN WATERRAT.EEN WILDE EEND BESCHERMT HAAR JONGEN TEGEN EEN WATERRAT.

EEN WILDE EEND BESCHERMT HAAR JONGEN TEGEN EEN WATERRAT.

Onze voorvaderen deelden hun woningen tot het eind der vorige eeuw met de huisrat, terwijl zij de bruine rat slechts kenden van hooren zeggen, of misschien zelfs in ’t geheel niet. De eerste was een rat met vele, ofschoon niet alle ondeugden van haar geslacht. Zij bewoonde de zolders onzer huizen, at van ons koren, van ons spek en allerlei anderen voorraad, knabbelde aan de deuren, planken vloeren en het huisraad, draafde des nachts onheilspellend door oude kasteelen en[183]dergelijke spookgebouwen, veroorzaakte veel verdriet, menigen schrik en voedde het geloof aan spoken en het bijgeloof; maar met haar was het leven nog mogelijk, en men kon haar nog meester worden. Een flinke huiskat hield haar in bedwang, een goede kamerjager bond met haar den strijd aan. Daar verscheen plotseling haar gevaarlijkste vijand, en van nu aan begon haar licht te tanen. In het jaar 1727 zag men groote scharen bruine ratten, die òf rechtstreeks, òf over Perzië uit Indië moeten gekomen zijn, over de Wolga zwemmen, en spoedig daarna ervoer men door welke plaag Europa voortaan gekweld zou worden. Rivieren en kanalen volgende, bereikte de bruine rat de dorpen en steden; zij nam, in spijt van menschen en katten, onze woningen eerst van beneden in bezit en nestelde zich in de kelders en gewelven, steeg allengs omhoog naar de zolders en daken, verdreef na een langen, verbitterden strijd haar bloedverwant, maakte zich tot meesteres in ons eigen huis en toonde duizenden malen, wat een rat vermag; want deze bezitalleondeugden der familie en legt ze daarbij onverholen[184]aan den dag; zij spotte met alle pogingen om haar te verdrijven en behield tot op dezen dag overwinnend het veld, dat wij haar met behulp van honden en katten, met klemmen en vallen, met vergif en kruit te vergeefs betwisten. Bijna tezelfder tijd dat zij over de Wolga zwom, in 1732, bereikte zij Europa nog langs een tweeden weg, doordien zij op Oostindische schepen naar Engeland werd overgebracht. Van nu af begon zij hare reize door de geheele wereld.

In Oost-Pruisen verscheen zij reeds in 1750, in Parijs drie jaren later; Midden-Duitschland werd door haar veroverd ten jare 1780; eerst vestigde zij zich, evenals elders, in de steden, om van hier uit langzamerhand het platte land te bevolken; dorpen, die niet aan rivieren gelegen zijn en die zij dus minder gemakkelijk kon bereiken, betrok zij eerst in de laatste tientallen jaren dezer eeuw; toen ik nog een opgeschoten knaap was, kende men haar nog niet in mijn geboortedorp, het rijk behoorde daar nog toe aan de ook nu daar reeds door haar volledig verdreven zwarte rat.

Nog later verscheen zij in de afgezonderd gelegen gehuchten en eenzame boerenwoningen, echter niet voor het midden dezer eeuw, en nog altijd zet zij haar zegetocht voort. Niet tevreden met de ontdekking en verovering van Europa, toog zij, en zulks reeds op het einde der vorige eeuw, op nieuwe avonturen uit. In de bereids door haar bewoonde zeeplaatsen zwom ze van den oever naar de schepen, klouterde langs ankerkettingen, touwen, enz, aan boord, nam haar intrek in het veilige, donkere scheepsruim, doorreisde op dat vaartuig alle zeeën, landde aan alle kusten, en bevolkte van hier uit alle landen en eilanden, waar deze slechts in bezit zijn genomen door den beschaafden, in vaste woningen levenden mensch, haar onvrijwilligen beschermer en onderhouder. Tegen wil en dank hebben wij haar geholpen, het haar althans mogelijk gemaakt zulk eene groote uitbreiding te geven aan haar gebied. Aan geen ander, den mensch niet onderworpen zoogdier, is zulks ooit gelukt.

Een ander voorbeeld van soortgelijke verhuizingen biedt ons de ziesel, een in geheel Oost-Europa en West-Siberië veel voorkomend, en tot de familie der eekhoorns, meer in ’t bijzonder tot de onderfamilie der marmotten behoorend, schadelijk knaagdier, dat de grootte van een hamster bereikt. Albertus Magnus zag den ziesel in de omstreken van Regensburg, alwaar hij thans niet meer voorkomt; daarentegen is hij in den jongsten tijd Silezië weder binnengetrokken, alwaar hij voor veertig en vijftig jaren onbekend was; tegen het begin[185]van 1850 ongeveer verscheen hij daar, zonder dat men kon nagaan, vanwaar hij gekomen was, en van nu aan drong hij langzamerhand naar het westen door.

Ook hier is het alweder de mensch, die deze verhuizingen in de hand werkt, omdat het dier, zoo al niet daaraan gebonden, althans in bebouwde velden, de het meeste voedsel belovende en dus voor hem gezegendste woonplaatsen vindt.

Geheel hetzelfde mag gezegd worden van nog andere muizensoorten, wier verdere verspreiding gelijken tred houdt met de vermeerdering van het aantal bebouwde velden. Aan den anderen kant wederom wordt door den mensch het woongebied van vele zoogdieren door ontwouding, droogleggingen en andere veranderingen in den toestand des bodems verkleind; hierdoor bewerkt hij en ongetwijfeld veel meer nog dan door rechtstreeksche verdelging, het wegtrekken van een aantal zoogdieren, die daar vroeger vaste woonplaatsen hadden opgeslagen. Want ook op de zoogdieren is de wet van toepassing, dat slechts zulke woonplaatsen vroeger of later worden bevolkt, die voor hen geschikt zijn, en zulks niettegenstaande de mensch dit soms op willekeurige, ruwe en wreede wijze gewelddadig tracht te beletten.

Verschillend van zulke tochten zijn die, welke de zoogdieren nu en dan ter wille van eene tijdelijke verbetering hunner positie volbrengen. Hieraan nemen waarschijnlijk, zoo niet alle soorten, dan toch enkele leden van alle familiën dezer klasse deel; zij duren langer of korter tijd, brengen de dieren in meer of minder afgelegen streken, kunnen daarom zelfs het karakter van werkelijke verhuizingen aannemen, maar eindigen toch na zekeren tijd en brengen het trekkende zoogdier eindelijk weder in zijn oorspronkelijke woonplaats terug. Het voornemen of de hoop zich betere weiden of jachtvelden te verzekeren, eene toevallig zich voordoende gelegenheid om een aangenamer leven te leiden, deze zijn zeer zeker de voornaamste beweegredenen voor zulke zwerftochten. Zij hebben dan ook jaar in jaar uit, op alle breedten en op alle hoogten plaats, zelfs in streken, die te allen tijde dezelfde levensvoorwaarden in zich sluiten. Het zoogdier begint en volbrengt die tochten nu eens afzonderlijk, dan weder in troepen, al naar het gewoon is eenzaam of gezellig te leven; dikwijls blijven de wegen dezelfde, en worden dezelfde plaatsen regelmatig op dezelfde tijdstippen bezocht; maar altijd zijn het toch toevallige omstandigheden, die het dier leiden en richten.[186]

Wanneer de vruchten van de heilige vijgen- en andere boomen, die de tempels der Hindoes omgeven, op het punt zijn van rijp te worden, zien de Brahmanen, aan wie de zorg voor die tempels en boomen is toevertrouwd, met heilige ontroering de aankomst hunner vierbeenige goden te gemoet. En niet te vergeefs; want zij verschijnen wis en zeker, de tot goden verheven apen, de hulman en bonder, om zich te goed te doen aan de lekkere vruchten der voor hen alleen geplante en verzorgde boomen, tevens om daarbij nog te rooven en te plunderen in de naburige tuinen en plantages. En daarna verdwijnen ze weder, tot groote droefheid hunner vereerders, tot groote vreugde van alle andere bewoners, wier bezittingen zij op de brutaalste wijze beschadigden.

Wanneer in Centraal-Afrika de korrels van het inheemsche graan, de doerrha of het kafferkoren, rijpen, daalt een troep bavianen onder aanvoering van een ervaren, deftig opperhoofd, die vol waardigheid en trots zich van zijn ambt kwijt, van de bergen naar omlaag, ten einde te onderzoeken of hun neef, de mensch, zoo vriendelijk is geweest ook in dit jaar weder het graan voor hen uit te zaaien. Of eene bende meerkatten, nadert, onder even uitstekend geleide, den zoom der bosschen, om te juister tijd de akkers ongestraft, zoo zwaar mogelijk te brandschatten. Wanneer de vurige oranjeappelen op de plantages der Zuid-Amerikaansche boeren tusschen het donkergroene loof schitteren, dan trekken de rolapen er op los, ten einde die vruchten met den eigenaar te deelen. Ook andere plantenetende dieren worden door de begeerte om zich het dagelijksch brood met weinig moeite te veroveren, naar streken, plaatsen en velden gedreven, die zij anders vermijden; roofinsecten volgen andere, hier of ginds tijdelijk verblijfhoudende insecten; de groote roofdieren vormen steeds de achterhoede van de plantenetende soorten hunner klasse, in ’t bijzonder die onzer huisdieren. De leeuw trekt met den rondzwervenden Afrikaanschen herder van plaats tot plaats; aan de verzenen der verslagen, huiswaarts vluchtende legers van Napoleon hechtten zich de Russische wolven; tot midden in Duitschland achtervolgden zij de ongelukkige soldaten.

De vischotters ondernemen reizen te land om van de eene rivier in de andere te geraken; lynxen en wolven doorkruisen in den winter somtijds aanzienlijke oppervlakten lands. Door al deze reizen komt er eene wijziging in de woonplaatsen, het eene dier schuift het andere op; maar eene eigenlijke verhuizing kan zulks nog niet genoemd worden.[187]Ook zijn nood en gebrek slechts bij uitzondering aanleiding tot en motief voor werkelijke verhuizingen; veeleer is het hier een oogenblikkelijk opkomend verlangen, dat tot zulke tochten aanzet.

Geheel anders verhouden zich die zoogdieren, welke telken jare, omstreeks denzelfden tijd, van woonplaats veranderen en onder omstandigheden tamelijk ver verwijderde oorden opzoeken, om van hier uit wederom op bepaalde tijden naar de oude woonplaats terug te keeren; dezenverhuizen, want zij grijpen niet eene toevallige gelegenheid aan, maar zij gehoorzamen bewust of onbewust aan eene dringende noodzakelijkheid.

Als grond en oorzaak van alle werkelijke verhuizingen der zoogdieren moeten wij in de eerste plaats beschouwen, duidelijk uitgedrukte wisseling van jaargetijden. In landen met eene eeuwige lente hebben geen verhuizingen plaats, daar de aanleiding er toe ontbreekt. Zomer en winter moeten scherp van elkaar gescheiden zijn, zij dan de laatste door ijs en sneeuw, of door gloeihitte en droogte gekenmerkt; gebrek en overvloed moeten met elkander afwisselen, wanneer het trage zoogdier tot heengaan zal besluiten.

Op kleinen maatstaf reizen reeds die dieren, welke gebergten bewonen. De gems, steenbok, alpenhaas en marmot trekken, wanneer de sneeuw begint te smelten, of iets later, zich over steilten en gletschers een weg banende, naar omhoog, alwaar de ontdooide grasvelden een even overvloedig als heerlijk voedsel aanbieden; vóór de winter is aangebroken keeren zij naar de lagere gedeelten van het gebergte terug.

De beer, van nature een omnivoor, door gewoonte een roover, onderneemt, ten minste in de gebergten van Siberië dergelijke tochten, en eindigt deze eveneens vóór de komst van den winter; ook de wilde katten en honden, die de gebergten bewonen, handelen eveneens. Plaatsveranderingen van dit genre zijn zelfs gewoon in de gebergten van meer zuidelijk gelegen landen, de tropen niet uitgezonderd. In Indië evenals in Afrika klimmen en dalen zekere apensoorten op bepaalde tijden geregeld op en af, zoeken de olifanten bij de intrede des winters de laagvlakten, bij den aanvang van den zomer de hoogten op. In de Andes van Zuid-Amerika vluchten de guanaco’s voor de sneeuw naar de dalen, voor den gloed der zomerzon naar de berghellingen. Door het gebergte zelf worden aan al deze tochten enge grenzen gesteld. Wij hebben hier te doen met een hoogteverschil van één tot drieduizend meter, met afstanden die in weinige uren, ten hoogste enkele[188]dagen kunnen worden afgelegd. Kenschetsend voor deze tochten is evenwel de regelmatigheid, met welke zij geschieden, vooral in betrekking tot het tijdstip, waarop zij ondernomen worden, en niet minder in betrekking tot de wegen, langs welke zij plaats hebben.

Heuvelland en vlakte, zee en lucht schenken meerdere speelruimte dan het gebergte en daarom laten zich de hier wonende of zich tijdelijk ophoudende dieren gemakkelijker dan die, welke in het gebergte verblijf houden, op hunne tochten vervolgen en nagaan. In de toendra’s van Rusland en Siberië doet het rendier, dat in Skandinavië de gebergten niet verlaat, elken herfst groote tochten, om tegen het volgende voorjaar naar zijn zomerverblijven terug te keeren; altijd ongeveer in denzelfden tijd verlaat het Groenland om van hier over het ijs naar het Amerikaanschevastelandte verhuizen; daar blijft het den geheelen winter en zoekt eerst in April de fjielden van zijn geboorteland weder op. Zoowel in Rusland en Siberië als in Groenland schijnt het niet alleen de vrees voor den naderenden winter te zijn, die tot verhuizen aanspoort, maar hierbij komt nog als tweede aanleiding eene aan het hooge noorden gebonden plaag. De korte zomer n.l. roept eene ongeloofelijke hoeveelheid kleine insecten in ’t leven, inzonderheid eene onbeschrijfelijke menigte steekmuggen en horzels, die niet alleen den mensch, maar ook het rendier het leven verbitteren. Om dezen te ontvluchten verlaat het dier de moerassige toendra, boven welke gedurende den korten zomer dichte wolken van muggen zweven, en vlucht naar de minder door deze insecten geplaagde gebergten zijner woonplaats, die op gemeld tijdstip tevens zoo rijkelijk met geurige weiden bedekt zijn, als met klimaat en land bestaanbaar is. Die gewoonte wordt erfelijk en zoo is het mogelijk, dat telkens dezelfde wegen worden betreden en tevens die verhuizingen altijd weder op hetzelfde tijdstip plaats grijpen. Er ontstaan dientengevolge gebaande wegen, die duidelijk in ’t oog vallen, mijlen ver door de toendra verloopen en op bepaalde plaatsen de stroomen en rivieren doorsnijden. Tegen den aanvang van den tocht scharen zich de wijfjes met haar kalveren in kudden van tien tot honderd stuks bijeen, de spiesherten en smaldieren volgen, en daar achter voegen zich de oude herten. De eene troep volgt onmiddellijk op de andere, zoodat de waarnemer duizendtallen dezer dieren kan zien voorbijtrekken. Allen snellen steeds vooruit, laten zich noch door water, noch door bergen terughouden, en komen niet tot rust dan nadat zij de winterkwartieren betrokken hebben. Benden wolven, beren en veelvraten[189]hechten zich aan hun voetzolen en leggen alzoo evenzeer een niet klein gedeelte van dien weg af. In het voorjaar trekken de rendieren ongeveer langs denzelfden weg terug, en weder in nagenoeg gelijke slagorde, maar in veel kleinere kudden, en ook langzamer en wat meer op hun gemak.

Nog grooter afstanden leggen de Amerikaansche wisenten of bisons, de „prairiebuffels” af. Hoe ver zij reizen weet men eigenlijk nog niet recht, maar men heeft trekkende troepen ontmoet van Canada tot Mejiko, van de Missouri tot het Rotsgebergte en zoo is men gerechtigd aan te nemen, dat een en dezelfde kudde zeer groote landstreken van het aangegeven gebied door trekt. Men heeft deze bisons in den zomer, over de eindelooze vlakten derprairiënverstrooid, aangetroffen, en in den winter op dezelfde plaatsen, maar tot duizenden vereenigd; men heeft gezien hoe zij reisden, want men heeft hen vervolgd op de door hen gebaande, honderden mijlen ver in meer of minder rechte richting, over gebergten en door de vlakten verloopende „buffelpaden”; men heeft zich door eigen aanschouwing er van overtuigd, dat de grootste stroomen hun geen hinderpaal in den weg leggen, dat zij, evenals eene lawine zich in deze wateren storten en ze met hunne donkere lichamen als het ware geheel opvullen; men heeft gezien, dat de dieren zich van elkander scheiden en zich weder vereenigen, dat de kudden zich vergrooten en zich oplossen in kleinere, dat oude, knorrige, heerschzuchtige en boosaardige stieren de gemeenschap met de andere bisons vermijden, misschien worden verdreven, en op deze wijze waarschijnlijk eerst na een langen, moeilijken strijd, gedwongen worden tot den volgenden zomer eenzaam rond te dolen; men heeft opgemerkt, dat zij in den winter, wanneer er veel sneeuw is gevallen, in de bosschen of tegen de hellingen der bergen beschutting zoeken tegen de ruwheid des weders. Reeds in de maand Juli vangen zij hun tochten van het noorden naar het zuiden aan. Weinig talrijke kudden, die tot op dit tijdstip een lui en gemakkelijk zomerleven leidden, sluiten zich aan anderen aan en samen vervolgen zij hun weg; andere troepen voegen zich bij hen en naarmate men vooruitdringt, groeit de menigte en wast het aantal, zoodat er eindelijk die groote massa’s uit zijn voortgekomen, die van nu af aan, als door éénen geest bezield, samen werken en handelen, totdat het voorjaar hen weêr scheidt. Zoodra de winter voorbij is, lossen de massa’s zich weder, misschien in omgekeerde volgorde, in kleinere kudden op, die zich al weder verdeelen,[190]tot er niets dan kleine gezelschappen meer overblijven. Dit alles geschiedt op de terugreis. Zoowel op de uit- als thuisreis trekt steeds de eene kudde, op zekeren afstand van eene volgende verwijderd, na de andere; allen blijven evenwel nagenoeg op hetzelfde pad. Treffen zij eene gunstige plaats, b.v. eene met sappig gras begroeide laagte, dan grijpt hier eene tijdelijke opstuwing van den levenden stroom plaats. Onder zulke omstandigheden vereenigen zich op hetzelfde punt ontelbare scharen bisons; zij vertoeven dan eenige dagen achtereen op dezelfde plek en breken eerst dan weder op, wanneer al het gras is afgeweid en de honger tot verder trekken noodzaakt. Ook de bisons worden achtervolgd door wolven en beren, terwijl gieren en adelaars onheilspellend boven hun hoofden zweven.

Niet alleen vrees voor gebrek aan voedsel, maar ook het ontbreken van drinkwater kan de aanleiding zijn, die tot reizen aanspoort. Wanneer in het zuidoosten van Siberië, inzonderheid in de hooge steppe van Gobi, de winter nadert, worden alle zoogdieren, voor zoover zij geen winterslapers zijn, door de bijzondere gesteldheid van dat hoogland gedwongen in lager gelegen oorden een onderkomen te zoeken. De winter treedt in dit Middel-Aziatisch hoogland niet strenger op dan in de noordelijk of noordoostelijk daarvan gelegen streken, maar hij is hier meestal vrij van sneeuw en bedekt alle wateren, die bovendien wegens den weinigen neêrslag niet talrijk zijn, met eene dikke ijslaag. Zoodra nu die laatste zoo dik is geworden, dat geen der in de Gobi verblijf houdende dieren het ijs verbreken kan, zien zij zich tot verhuizen verplicht, en nu trekken zij niet naar zuidelijker, maar juist naar noordelijker streken, die het voorrecht bezitten van veel sneeuw te bevatten: de trekkende dieren toch kunnen beter hun dorst lesschen met de zachte sneeuw, dan met het harde ijs, en ook loopen zij gemakkelijker op de eerste dan op het laatste. Nu kan men ook begrijpen waarom de kropantilope, die veelvuldig in de genoemde steppe voorkomt, een land verlaat, dat met uitzondering alleen van de daar ontbrekende sneeuw, m.a.w. met uitzondering alleen van water, hetzelfde aanbiedt als het winterkwartier. Niet de honger, maar de dorst drijft het dier naar den vreemde. Is de winter in aantocht, dan verzamelt zich de overigens reeds gezellig levende antilope in grootere troepen van vele duizenden individuen; alle lager gelegen landstreken rondom het hooge geboorteland zijn met deze kudden opgevuld. Gezamenlijk verwijderen zij zich tot op honderden mijlen afstands van den geboortegrond,[191]en leggen op dien tocht soms in een enkelen nacht tien à twaalf geografische mijlen af. De waarnemer, die hen volgt, ziet overal hun sporen en in zulk eene menigte, dat het schijnt alsof kort van te voren eene buitengewoon talrijke schaapskudde hier langs getogen is.

Nog voor de trektijd der antilope is aangebroken, komt de koelan of dziggetai, de vermoedelijke stamvader van ons paard, en in elk geval het prachtigste en edelste wilde paard der aarde, in beweging. De veulens van den jongsten zomer zijn in den herfst reeds zoo krachtig geworden, dat zij eene lange reis kunnen meêmaken, snelle marschen uithouden en alle wederwaardigheden en gevaren van een ongeregeld leven met goed gevolg het hoofd kunnen bieden. Ook de jonge, vierjarige hengsten bevinden zich in de volle kracht des levens, verlaten reeds op het eind van September, vol moed, de ouderlijke kudde en dringen voorwaarts. De oude hengsten en merriën eindelijk worden aangegrepen door de zucht tot paring en worden onrustig en reislustig. Zoo begint het vlugge, ondernemende dier, reeds vóór de winter invalt, zijn tochten; daarom mist men in deze verhuizingen duurzaamheid en regelmaat, zoodat zij eenigszins het karakter verkrijgen van avontuurlijke zwerftochten. Ten einde het hun door den aanvoerenden hengst opgelegde juk af te schudden en vrij te zijn, om zich zelf tot gebieders op te werken, verlaten de jonge hengsten de moederkudde en zwerven nu zelfstandig door de zandsteppe. Alle jongere, geslachtsrijp geworden en zelfs sommige oudere merries schijnen door hetzelfde gevoel bezield te zijn als de op daden beluste jonge hengsten; ook zij pogen de tyrannie van hem, die haar tot nog toe gebood, te ontvlieden. Zij voegen zich bij de eersten—evenwel om nu onder het juk van dezen haar nek te krommen. Maar zonder strijd wordt de heerschappij niet verkregen, goedschiks geeft de oude gebieder zijn rechten niet op. Urenlang staat de jonge hengst op den top eens heuvels of van een bergrug en slaat van hier uit een onderzoekenden blik over het veld. Zijn oog doorloopt de woestijn, zijn naar den wind gekeerde neusvleugels zijn opengesperd, zijne ooren hebben zich gespitst. Strijdlustig, in gestrekten draf springt hij in elke kudde, die nadert, rent hij elken mededinger, dien hij ontwaart, te gemoet, en een woedend gevecht begint om de merries, die den overwinnaar alleen zullen volgen. Dit vechten en kampen brengt echter beweging in de kudden, scheidt ze van het gebied, alwaar zij den zomer hebben doorgebracht en is de voorbode van thans aanvangende, uitgestrekte en[192]onafgebroken zwerftochten. Na of nog vóór het eindigen van de zooeven besproken gevechten, verzamelen zich de troepen koelans in elk geval tot steeds talrijker wordende kudden, totdat er eindelijk legers van meer dan duizend stuks ontstaan, die gezamenlijk optrekken en wel naar zulke streken, die overvloed van voedsel opleveren. Ook in de winterkwartieren scheiden de wilde paarden zich niet van elkander en zijn deswege genoopt, ter wille van het voedsel voortdurend rond te zwerven. Dreunend klinkt de hoefslag dezer aaneengesloten, gewoonlijk snel voortdravende kudden, en meermalen is het gebeurd, dat de Kozakken in de grensdistricten van het Russische Rijk, daardoor verschrikt, te wapen vlogen. Geen wolf zal het wagen zulk eene kudde aan te vallen, want de moedige hengsten weten te hunner verdediging zulk een goed gebruik van de hoeven te maken, dat de wolf alras van zijn aanval afziet; slechts zieke en vermoeide wilde paarden vallen het roofdier, dat deze tochten volgt, nu en dan ten offer. De mensch richt evenmin onder deze legers veel schade aan; de koelans toch zijn zeer schuw en voorzichtig, zoodat het moeilijk valt hen te naderen. In weêrwil van dit alles kan een strenge winter dezen dieren noodlottig worden, vooral wanneer er veel sneeuw valt. De reeds zoo schrale weide is dan spoedig uitgeput en dit te eerder, naarmate de kudden talrijker zijn. Dan azen de dieren zonder keus of smaak op alle planten, die zij kunnen vinden. Maandenlang moeten zij zich voeden met niets dan ontbladerde twijgen. De gladheid en ronding des lichaams gaat verloren; eerlang zijn het wandelende geraamten. Zelf gebrek lijdende, kan de merrie-moeder haar veulen niet meer het noodige geven; de uiers drogen op. Menig veulen, dat op zijn nog jeugdigen leeftijd de harde kost der ouden niet kan verteren, lijdt gebrek. Ook de ouden lijden onder deze winterplagen. Sneeuwstormen, die dagen lang kunnen aanhouden, waaien de weiden onder de sneeuw, verdooven den moed, terwijl de driestheid der wolven in gelijke mate toeneemt, welke dieren de krachteloozen neêrvellen en den sterkeren boozen overlast aandoen. Zoodra evenwel de omstandigheden zich ten goede keeren, keert ook weder bij deze taaie, tegen het weêr geharde schepselen de oude levenslust terug, en zoodra de sneeuw begint te smelten vangen zij den terugtocht weder aan, om binnen ongeveer eene maand het vroegere zomerverblijf weder terug te vinden; hier lossen zij zich weder op in taboenen, of afzonderlijke kudden, herstellen zich onder ’t genot van rijkelijk en geurig voedsel spoedig weder[193]van de geleden schade, worden weer vet en glad, en zijn den kommer en de ellende van den winter geheel vergeten.

ZEBRA’S, STRUISVOGELS EN QUAGGA’S.ZEBRA’S, STRUISVOGELS EN QUAGGA’S.

ZEBRA’S, STRUISVOGELS EN QUAGGA’S.

Hoe groot de afstanden ook mogen zijn, die alle tot nog toe behandelde zoogdieren afleggen, bij die der robben en walvisschen zijn ze echter niet te vergelijken. Het water begunstigt alle bewegingen van een daarin levend dier, biedt in hoofdzaak overal dezelfde levensvoorwaarden aan en stelt om deze reden, op gemakkelijker wijze en met minder moeite en gevaren in staat tot het volbrengen van verre tochten. En toch wekt het eenigszins onze verbazing te vernemen, dat vele zeezoogdieren, inzonderheid de walvisschen, tot de meest reislustige schepselen behooren, ja dat velen hunner, en misschien wel de meesten, ongeveer hun geheele leven lang op reis zijn. Strikt genomen heeft geen enkele walvisch gedurende het geheele jaar eene vaste verblijfplaats, maar trekt dit dier, of alleen, of paarsgewijs, met zijn jongen of in scholen vereenigd, onafgebroken van de eene wereldzee naar de andere, terwijl somtijds enkele oorden bijzondere lievelingsplekjes zijn, die bij voorkeur en op geregelde tijden worden opgezocht, ’s winters andere dan in den zomer. De zeeën, in welke dezelfde walvischsoort zich des zomers en des winters ophoudt, liggen dikwijls verder uiteen dan men gewoonlijk meent; enkele wallen doorreizen jaarlijks meer dan een vierde gedeelte van den ganschen aardbol. Men ontmoet ze des zomers aan de ijsmuren van de Noordelijke IJszee en in den winter niet zelden aan gene zijde des Evenaars. Gezellig in de hoogste mate en vol opofferende liefde jegens hunne jongen, verzamelen zich met name de vrouwelijke wallen tot soms verbazingwekkende aantallen, om onder aanvoering van enkele mannetjes langs bepaalde wegen en op bepaalde plaatsen door den wijden Oceaan te trekken; sommigen vervolgen daarbij hunne reis langs de kust, anderen door de hooge zee. Stormen en het niet verschijnen van zekere dieren, die hun tot voedsel verstrekken en waarin men de naaste aanleiding tot deze verhuizingen hebbe te zoeken, wijzigen soms richting en aanvang van den tocht; in ’t algemeen echter geschieden deze reizen zoo regelmatig, dat men zoowel in het noorden als in het zuiden de komst der walvisschen van bepaalde dagen afgerekend te gemoet ziet en wachten uitzet, ten einde dadelijk voor de vangst gereed te zijn. De kustbewoners hebben dikwijls dezelfde walvisschen, die zij herkenden aan bijzondere kenteekens, zooals b.v. verminkte vinnen, en die ze tevergeefs hadden nagezet, jaren achtereen juist op denzelfden tijd en juist op[194]dezelfde plaats teruggezien, terwijl de jacht op deze winstgevende en daarom fel bestookte dieren met dezelfde regelmatigheid wordt uitgeoefend als op het vasteland de hazenjacht. Op andere tijden des jaars zou men tevergeefs naar wallen zoeken. „Na Driekoningen” zegt reeds de oude Pontoppidan, „zien de Noormannen van alle bergen naar walvisschen uit, wier komst door de haringen wordt aangekondigd.” Eerst maakt de springwal zijn opwachting, drie of vier, hoogstens veertien dagen later verschijnt de vinvisch, ofschoon de een naar het schijnt uit Straat-Davis, de ander uit Groenland opbreekt. Aan de zuidelijke kusten der Faroer, en wel hoofdzakelijk in de Qualbenfjord, ziet men jaarlijks omstreeks Sint-Michiel van drie tot zes anarnaks, heden ten dage zoowel alsvóórhonderd en negentig jaar.

In zekere golf van Schotland verscheen twintig achtereenvolgende jaren, steeds op denzelfden tijd, een walvisch, die onder den naam van „Hollie Pyke” algemeen bekend was, telken jare nagejaagd en eindelijk gevangen werd. Aan de kusten van IJsland kiezen jaarlijks enkele walvisschen dezelfde inhammen en baaien uit om hier eenigen tijd te verblijven, elk jaar dezelfde maanden en dezelfde weken, zoodat de kustbewoners ze persoonlijk kennen en aan ieder hunner namen hebben gegeven. Zekere, goed bekende moeder-wallen bezoeken elk jaar dezelfde baai, om hier haar jongen ter wereld te brengen; men spaart deze dieren zelf, doch zij moeten hun eigen leven duur genoeg, nl. met dat van hun kroost koopen. Uiterst zelden geschiedt het, dat de reizende walvisschen zich aan tijd noch richting binden; in het algemeen trekken zij met zulk eene regelmatigheid door den wijden Oceaan, dat het is alsof zij zich naar den stand der sterren richten en gebaande, van ter zijden begrensde wegen betreden. Geen ander zoogdier trekt met zooveel regelmatigheid; men kan dit trekken vergelijken met dat der vogels.

Evenals de walvisschen ondernemen ook de robben jaarlijks meer of minder verre, maar over ’t algemeen ook zeer regelmatige tochten. Die soorten, welke in binnenzeeën leven, kunnen deze wel is waar niet verlaten, maar zij trekken ze toch telken jare op gelijke wijze door; of zij zwemmen op bepaalde tijden de rivieren op, welke in genoemde zeeën uitmonden. Alle soorten daarentegen, die in de wereldzeeën verblijf houden, vangen elk voorjaar en elken herfst reizen aan, die in bepaalde richtingen verloopen, en naar bepaalde streken voeren. Alle robben uit het hooge noorden en die, welke om de zuidpool[195]wonen, worden steeds door het zich in den winter uitbreidende ijs tot verhuizen gedwongen; zij trekken daarom met dat ijs naar gematigde breedten af, om met het smeltende ijs weder dichter de polen te naderen. Zij, zoowel als alle andere soorten der orde, waartoe zij behooren, worden nog door eene andere, niet minder gewichtige beweegreden tot reizen gedreven; zij kunnen nl. alleen op het vasteland of althans op groote, vast liggende ijsschollen hun jongen ter wereld brengen en zoo lang verzorgen, tot deze in staat zijn de ouden in zee te volgen om daar zelf in het levensonderhoud te voorzien. Zoo verschijnen dan telken jare duizenden en honderdduizenden robben op bepaalde eilanden of ijsschollen, welke geboortegronden van hun geslacht zij zoo geheel en al met hunne lichamen bedekken, dat elke beschikbare ruimte in beslag moest genomen worden om voor allen plaats te vinden; hier brengen zij hun jongen ter wereld, verwijlen weken, ja maanden achtereen op het land en het ijs zonder intusschen te jagen, in zee te dalen en voedsel tot zich te nemen, zogen de jongen, paren alsdan, lossen het verband weder op, verdeelen zich over den uitgestrekten Oceaan, om van nu aan weder op oude wijs te leven, of zij vangen met hunne nog veel zorg eischende jongen meer of minder ver zich uitstrekkende jachttochten, alzoo nieuwe reizen aan.

Van alle hier opgenoemde trekzoogdieren behoort geen enkel tot de winterslapers, die, goed beschut, in diepe, zorgvuldig toegestopte onderaardsche woningen, in schijndooden toestand den boozen winter doorbrengen. Deze dieren zijn dus niet genoodzaakt hunne woonplaatsen te verlaten. Evenwel, ook onder dezen zijn er, althans voor zooverre diegenen betreft, welke in de gematigde luchtstreek leven, enkelen, die gedurende hunne jeugd trekken, nl. de vleêrmuizen.

Hoe onvolkomen de vleugels der vleêrmuizen, vergeleken met die der vogels ook mogen schijnen, toch zijn het geschikte werktuigen ter plaatsverandering en zij stellen zelfs in staat tot het volbrengen van tochten, die tot de lichaamsgrootte van het dier in geen verhouding staan. Bovendien is er nog een andere omstandigheid, die der reislustige vleêrmuis ten goede komt, daarin bestaande, dat het dier door zijn jongen aan geen bepaalde plaats gebonden wordt, want deze klemmen zich van het oogenblik der geboorte af aan de borst der moeder vast om door deze, tot zij volwassen zijn, door de lucht gedragen te worden. Om al deze redenen behoort de vleêrmuis tot die dieren, welke te allen tijde tot verhuizen en reizen gereed zijn, en zij maakt dan ook van de[196]voordeelen haar geschonken, bij tijd en wijle een uitgestrekt gebruik. In den regel zijn alle reizen, die de verschillende soorten vanvleêrmuizenondernemen, meer zwerftochten, die ten doel hebben op sommige tijden andere, meer voedsel belovende streken op te zoeken; toch kunnen deze tot werkelijke reizen worden, en althans enkele soorten worden daardoor naar ver afgelegen landen vervoerd, en zulks geschiedt met die regelmatigheid, welke ware verhuizingen kenmerkt. De grootste vleêrmuizen, de kalongs of vliegende honden, ondernemen elken avond, ten behoeve van haar hoofdvoedsel, dat uit vruchten bestaat, verre tochten; daarenboven vliegen zij soms over zeestraten van tien geogr. mijlen breedte, ja, naar men zegt, begeven zij zich wel eens van Zuid-Azië naar Oost-Afrika en omgekeerd. Waar is het dat zij in beide werelddeelen voorkomen.

De eigenlijke vleêrmuizen doen voor de kalongs niet onder. Ten einde jacht te maken op insecten, die in de verschillende tijden des jaars op verschillende hoogten verschijnen, stijgen deze dieren van de laagvlakten naar de bergen omhoog, om in den herfst weder naar beneden te dalen; zij volgen de kudden der nomaden van Middel-Afrika—al weder om de hier zich verzamelende insecten—maar zij reizen ook van het zuiden naar het noorden, en keeren van hier weder naar ginds terug, en omgekeerd. Zoo verschijnt de ombervleêrmuis eerst met het begin der heldere zomernachten in het noorden van Skandinavië en Rusland, om deze breedten, die men als haar eigenlijk geboorteland kan aanmerken, reeds in den nazomer weder te verlaten; zij begeven zich alsnu naar de Duitsche Middelgebergten en de Alpen, om daar te overwinteren. Zoo ziet men de meervledermuis des zomers geregeld in de Noordduitsche vlakten, maar ontmoet haar echter om dezen tijd slechts zelden in de gebergten van Middel-Duitschland, alwaar zij den winter in de rotskloven doorbrengt. Dat ook andere in Duitschland levende vleêrmuissoorten soortgelijke reizen volbrengen, is meer dan waarschijnlijk.

Bovenvermelde voorbeelden, die uit het rijkelijk voorhanden materiaal zoo maar te grijpen waren, zijn zoo vele bewijzen voor die soorten van verhuizingen, welke men op grond der regelmatigheid, waarmede zij geschieden, willekeurige zou kunnen noemen. Maar er is meer. Somtijds worden de zoogdieren door honger en dorst, armoede en tijdelijke onbewoonbaarheid van een of ander woongebied, zoo hard geteisterd, dat zij, schier tot wanhoop gebracht, besluiten moeten in de vlucht hun[197]behoud te zoeken. Rijkelijk voedsel en gunstig weder bevorderen de vermenigvuldiging van alle dieren, maar inzonderheid die der planteneters, zoodat deze daardoor wel eens gedwongen worden hun verbreidingsgordel uit te zetten. Worden evenwel een of meer vette jaren, of zelfs enkele gunstige maanden opgevolgd door schrale, dan klimt de nood plotseling tot het uiterste; de hierdoor overvallen dieren worden dan niet alleen in de onmogelijkheid gebracht van zich verder het noodige levensonderhoud te verschaffen, maar de nood doet hun zelfs alle bezinning verliezen.

Onder zoodanige omstandigheden verlaten bij ons te lande de veldmuizen, in Siberië de wortelmuizen hare geboorteplaats en trekken, in ontelbare scharen vereenigd, naar andere streken; zij deinzen op zulke tochten nergens voor terug, zoomin voor het water als voor de hun vreemde bergen en bosschen; zij hebben daarbij onophoudelijk te kampen met honger en ellende, met ongesteldheden en kwaadaardige ziekten, die als de pest onder hen woeden en de millioentallen tot weinige honderden doen insmelten. Gelijke omstandigheden dwingen in Siberië de eekhoorntjes, die in gewone jaren ten hoogste kleine uitstapjes ondernemen, om zich tot groote legers te vereenigen en troepsgewijs van boom tot boom, van het eene woud naar het andere te trekken, rivieren en stroomen over te zwemmen, enz. Zij dringen alsdan de dorpen en steden binnen, verliezen bij duizenden het leven, maar laten zich zelfs dan niet terughouden of van den weg afbrengen, wanneer het doodsgevaar hen tegengrijnst. De voetzolen slijten af en worden ruw, de nagels zijn stomp geloopen, de haren van den anders zoo gladden pels worden borstelig en zitten verward dooreen; losschen en sabelmarters volgen hun spoor in de bosschen, veelvraten, vossen en wolven in het open veld, arenden, valken, uilen en raven zweven dreigend boven hunne hoofden, maar grooter verwoestingen nog dan de tanden en klauwen der roofdieren, of de buksen en stokken der menschen, richten boosaardige ziekten onder hen aan, en toch—zij trekken altijd verder, oogenschijnlijk zonder hoop op een mogelijke wederkomst. Volgens de mondelinge mededeelingen van een met mij bevriend Siberisch jager wierp zich in het jaar 1869 zulk een leger van eekhoorntjes midden in de Uralische stad Tapilsk. Deze individuën vormden echter nog maar eene enkele divisie van het hoofdleger, welks centrum op een afstand van ongeveer acht kilometer meer noordelijk door het bosch trok. De dieren volgden of individuëelsgewijs of in troepen van verschillende sterkte,[198]onafgebroken elkander op; zij trokken even dicht aaneengesloten door de stad als door het naburige bosch; zij maakten zoowel van de straten als van de tuinen gebruik, klommen zelfs over de daken der huizen, vulden alle pleinen en open plaatsen, en veroorzaakten een algemeene opschudding, niet alleen onder de menschen, maar zoo mogelijk nog meer onder de honden, die er duizenden doodbeten en ten slotte de meest teugellooze, meest onverzadelijke moordlust aan den dag legden. Maar de eekhoorns schenen geen acht te slaan op de tallooze offers, die aan hunne zijde vielen, zich om niets te bekommeren en zij waren door geen enkel middel van den eens ingeslagen weg af te brengen. Drie dagen achtereen duurde deze doortocht, van den vroegen morgen tot den laten avond, en eerst tegen het aanbreken van den nacht kwam er stilstand in den stroom. Allen wandelden juist in dezelfde richting, van het noorden naar het zuiden, en de nakomenden trokken langs denzelfden weg als de eerst voorbijgekomenen. De bruisende Tschussoweia was hun geen beletsel; alle dieren, die aan den oever dezer snelstroomende rivier aankwamen, stortten zich zonder bedenken in het schuimende en draaiende water, en zwommen, bijna geheel ondergedoken, met over den rug gelegden staart, zoo snel mogelijk naar den anderen oever. Mijn zegsman, die den tocht voortdurend met klimmende belangstelling en opmerkzaamheid volgde, begaf zich in een boot midden onder de den stroom doortrekkende schare. Vermoeide zwemmers, wien hij eene roeispaan toereikte, maakten daarvan gebruik om er bij op en in de boot te klauteren; zij bleven, oogenschijnlijk zeer vermoeid, hier een poos rustig en vertrouwelijk zitten, klauterden, wanneer de boot naast een grooter vaartuig aanlegde, op dit laatste over, bleven nu hier weder rustig een poos zitten om ook dit te verlaten, zoodra het vaartuig aan wal was gekomen; dan sprongen zij er af en zetten de reis zoo goedsmoeds voort alsof zij door niets waren gestoord geworden.

Dezelfde oorzaken moeten het zijn, die de lemmingen aanzetten tot hunne, reeds eeuwen lang bekende verhuizingen. Jaren achtereen verleenen de gebergten der Skandinaafsche, Noord-Russische en Noord-Siberische toendra’s hun een geschikt verblijf en daarbij overvloedig voedsel, want de breede ruggen der fjielden evenals de hier tusschen gelegen uitgestrekte vlakten, het heuvelland en de laagten bezitten plaats en voedsel genoeg voor millioenen dezer dieren; maar niet elk jaar verheugen zij zich den geheelen zomer in overvloed. Volgt op een aan sneeuw rijken, dus op een voor hen, die onder het witte sneeuwkleed[199]een veilige schuilplaats vinden, gunstigen winter een te rechter tijd aanvangend, warm, lang aanhoudend voorjaar, dan worden er aan hun ongemeene vruchtbaarheid geenerlei perken gesteld, en weldra wemelt de toendra letterlijk van lemmingen. Een hierop volgende, schoone en warme zomer doet het aantal nog meer toenemen,—maar verhaast tevens den levensloop van alle voedingsplanten, en nog vóór het einde van den zomer daar is, zijn die planten òf verdord, òf reeds gevallen onder de vraatzuchtige tanden dezer onverzadelijke woelmuizen. Het gebrek houdt zijn intocht en het lui, lekker leventje wordt vervangen door ellende. De vroolijke, brutale aard van den lemming is verdwenen, onrust bevangt hem en deze onrust stijgt eerlang tot radeloozen angst. Het hongerspook grijnst hen tegen. Nu scholen de lemmingen bijeen en vangen de reize aan. Dezelfde trek maakt zich tegelijkertijd van velen meester en de een sleept den ander mede. De troepen worden scharen, de scharen legers. Deze stellen zich in slagorde en als een bruisende stroom storten de lemmingen zich van de hoogten naar beneden in de dalen. Allen snellen in een bepaalde, naar plaats en gelegenheid verschillende richting vooruit. Allengs vormen zich lange rijen, in welke de eene lemming zoo dicht op den ander volgt, dat hij met zijn kop schijnt te rusten op den rug van zijn voorman. Hoe licht de tred dezer kleine diertjes ook zij, hun aantal snijdt in het moskleed der toendra diepe voren, die reeds van verre in ’t oog vallen. Hoe langer de tocht duurt des te onrustiger en koortsachtiger wordt de troep. Gretig vallen zij op alle planten aan, die zij op hun weg ontmoeten, alles verslindende wat maar eenigszins genietbaar is; en hebben de voorsten werkelijk nog eenig voedsel gevonden, zij, die volgen, vinden ook dit niet meer. De honger stijgt van minuut tot minuut en doet den tocht steeds meer verhaasten; geen gevaar wordt meer geacht, geen hinderpaal ontzien, en millioenen vallen dientengevolge als een offer des doods. Menschen, die hun in den weg treden, loopen zij tusschen de beenen door; tegen raven en andere roofvogels, die hen in kracht verre overtreffen, stellen zij zich onverschrokken te weêr; zij banen zich knagend een weg door de hooischelven, zij klimmen over bergen en rotsen, zij zwemmen over rivieren en zeeëngten, zelfs over wijde meren en groote golven en fjorden. Hetzelfde gevolg, dat achter de verhuizende eekhoorntjes natrekt, loopt en vliegt ook de lemmingen na: wolven en vossen, veelvraten, marters en wezels, de honden der Lappen en Samojeden, arenden,[200]buizerden en sneeuwuilen, raven en bonte kraaien, deze allen gaan te gast aan de ontelbare offers, die zij aan het golvende leger, meeuwen en visschen aan die, welke zij aan de zwemmenden ontrooven, terwijl ziekten van allerlei aard wellicht nog de grootste slachting aanrichten, meer dan alle bovengenoemde vijanden te zamen. Duizenden lijken blijven ten prooi der verrotting langs de wegen liggen, duizenden anderen worden door de stroomen medegevoerd. Of er nog enkele individuën van deze massa’s ontkomen, en of deze vroeger of later weder naar de verlaten haardsteden terug keeren, of dat ten slotte allen, die de reize aanvingen te gronde gaan, niemand vermag zulks te zeggen. Wel kan ik persoonlijk verzekeren, dat ik uitgestrekte landen der Laplandsche toendra ben doorgetrokken, die ik overal doorkruist zag door de gangpaden der lemmingen, maar ik heb op dien tocht geen enkelen lemming zelf ontmoet. Zulke streken behouden, gelijk men mij mededeelde, dikwijls jaren achtereen hetzelfde uiterlijk en eerst na een lang tijdsverloop worden zij langzamerhand weder met deze kleine, nijvere knaagdieren bevolkt.

Wat de honger in het noorden bewerkt, doet in het weelderige zuiden de dorst. Wanneer de brakke poelen, die tot op dit oogenblik tijgerpaarden, antilopen, buffels, struisvogels en andere aan den grond gekluisterde steppendieren lafenis schonken, onder den verzengenden adem van den Zuid-Afrikaanschen winter allengs uitdrogen, dan verzamelen zich om die weinigen, welke nog eenig water bevatten, alle dieren, in wier levensonderhoud de steppe tot dusverre voldoende voorzag, en een druk, levendig tooneel ontvouwt zich aan deze plaatsen. Maar zijn ook deze verdroogd, dan zien alle wezens, die zich op deze plek bijeenvonden, zich genoodzaakt weg te trekken, en nu kan het voorkomen, dat zij door een soortgelijken wanhoop worden aangegrepen als de zooeven besproken knaagdieren; evenals de wilde paarden en kropantilopen der Middel-Aziatische steppe of de bisons der Noord-Amerikaansche prairiën scharen zij zich bijeen en leggen in rechte lijn honderden van mijlen af, om de ellende van den strengen winter te ontvlieden.

De eerste dieren, welke het ongastvrije oord ook hier den rug toekeeren, zijn de wilde paarden. Zorgeloos en ongedwongen zwierven de sierlijk geteekende, krachtige, vlugge, wilde en zich zelf bewuste kinderen der karroe, de zebra, quagga en dauw, tot aan het invallen van het tijdperk van gebrek door hun uitgestrekt gebied, verdeeld in kudden, die onder de hoede en leiding staan van een ouden, ervaren[201]en in den strijd geoefenden hengst. Het tijdperk van kommer, de winter is aangebroken, de eene watervijver voor, de andere na, droogt op en steeds talrijker en talrijker worden de troepen, die zich om den laatsten watervoorraad verzamelen. De gemeenschappelijke nood dooft in den kampvaardigsten hengst den lust tot gevecht en strijd. De taboenen worden tot troepen van eenige honderden stuks, die van nu aan gemeenschappelijk zullen handelen, en gezamenlijk het winterachtig verblijf verlaten nog voor het gebrek is gekomen, dat de krachten zal verzwakken en den trotschen wil breken. Vol geestdrift wordt het grootsche tooneel, dat deze verhuizende tijgerpaarden opleveren, door alle reizigers geschetst. Zoo ver het oog reikt, strekt zich het zandveld uit, welks roode hoofdkleur slechts hier en daar wordt afgebroken door enkele zwarte plekken, alwaar de zon het gras heeft verbrand; hier en daar werpen spaarzaam verspreide mimosa’s een weinig schaduw en geheel in de verte is de vlakte begrensd door de scherpe omtrekken der met een blauw waas omtogen bergen. Te midden van zulk een landschap ziet men eene stofwolk opdwarrelen; loodrecht stijgt deze, door geen windje bewogen, naar den blauwen hemel omhoog. De wolk rukt nader en nader; binnen in haar wordt een gewemel van wezens zichtbaar. Eindelijk maken deze zich los uit den donkeren nevel en schitterend gekleurde dieren treffen het oog van den waarnemer; in dichte rijen, met uitgerekten hals en uitgespreiden staart, rennen zij voorbij, terwijl struisvogels en eigenaardig gevormde gnoes, die zich in de gelederen hebben gemengd, den stoet helpen vergrooten. Deze dieren zijn op weg naar een ander, misschien ver verwijderd grasland, en vóór nog de toeschouwer van zijne verbazing is bekomen, is het wilde leger reeds uit het gezicht verdwenen om de onafzienbare steppe verder in te trekken.

Niet altijd op dezelfde wegen, maar toch meest in dezelfde richting, trekken ook de door den winter verjaagde antilopen door het grenzenloos gebied. Onder dezen is de springbok het menigvuldigst; dit is ongetwijfeld een der sierlijkste gazellensoorten, die wij kennen. De ongemeene schoonheid en bekoorlijke bewegelijkheid van dit dier betoovert een ieder, die het in de natuur gadeslaat; met lichten, elastischen tred schrijdt het nu eens voort, staat dan weder een oogenblik stil om te grazen, en springt daarna tuimelend verder, zijn grootste sieraad, een sneeuwwitten, maanachtigen haarbosch ten toon spreidende, die bij langzamen tred in eene overlangs loopende plooi van den achterrug[202]wordt weggeborgen. Geen andere antilope vereenigt zich, wanneer de nood tot verhuizen dwingt, in zulke talrijke kudden.

Geene pen is bij machte eene juiste voorstelling van dit schouwspel voor den geest te roepen van hem, die het met eigen oogen aanschouwde. Reeds sedert weken schaarden de antilopen zich bijeen, misschien nog altijd wachtende op de eerste regenbui alvorens zij konden besluiten tot de afreis. Honderden individuën voegen zich bij andere honderdtallen, duizenden scharen zich bij andere duizenden en naarmate het gebrek meer dreigt en de dorst meer begint te kwellen, wordt de bereids afgelegde weg verlengd, terwijl de kudden aangroeien tot troepen, de troepen tot legers. Als zwermen treksprinkhanen, die de zon verduisteren, trekken zij daar heen.

SPRINGBOKKEN.SPRINGBOKKEN.

SPRINGBOKKEN.

In de vlakten bedekken zij kwadraat-mijlen; in de passen tusschen de gebergten dringt zich de hoop tot eene massa opeen, waarvoor alle andere schepselen terugdeinzen; door de laagvlakten stroomen zij voort als de wateren eener buiten haar oevers getreden, alles medesleurende rivier. Zelfs de meest nuchtere mensch verliest bij dit schouwspel zijne bezinning, en uren, soms dagen achtereen duurt zulks voort. Als vraatzuchtige sprinkhanen vallen de versmachtende dieren op gras en[203]bladeren, op koorn en andere veldvruchten aan, en waar zij voorbijtrokken bleef geen halm overeind. Waagt zich een mensch in den weg dezer troepen, hij wordt in een oogwenk ter aarde geworpen en door de wel lichte, maar elkaar opvolgende hoefslagen der dieren zwaar verwond, soms zoo zeer dat hij blij mag zijn, indien hij er het leven afbrengt; komen de antilopen eene kudde schapen tegen, dan wordt deze omsingeld en medegesleurd; niemand ziet ze ooit weder. De leeuw, die dacht hier eene gemakkelijke prooi te vinden, ziet zich genoodzaakt het reeds gegrepen offer los te laten en met den stroom mede te ijlen. Onophoudelijk dringen de achtersten naar voren en moeten de voorsten voor dien drang uitwijken; bestendig trachten de in het midden gedrongen scharen de vleugels te bereiken en voortdurend ondervinden zij den taaisten tegenstand. Gieren beschrijven hun kringen om de stofwolken, die de vluchtende scharen opwerpen; aan de vleugels en de achterhoede sluit zich een talrijke, uit de meest verschillende roofdieren bestaande lijkstoet aan; jagers en schutters loeren in de passen om van hier uit ontelbare kogels in het gedrang te zenden. Zoo doorvliegen de gekwelde dieren mijlen lange landstreken tot het voorjaar aanbreekt en de troepen weder ontbindt.

Moet ik hier nog de tochten aan toevoegen, die de poolvossen en ijsberen soms gedwongen worden te ondernemen, wanneer zij op een ijsschol, hun tijdelijk jachtveld, door de zeestroomen worden weggevoerd, om òf nooit weder te landenòfin het gunstigste geval ergens op een eiland aan wal gezet te worden? Ik geloof van neen, want zulke reizen zijn geen verhuizingen meer, maar een drijven op de golven.[204]


Back to IndexNext