[Inhoud]VIII.DE LIEFDE EN HET HUWELIJK DER VOGELS.Alle levende wezens voelen in zich den drang om het andere geslacht aan zich te binden, om een tweede ik met het eigen wezen tot één geheel te vereenigen; door onbaatzuchtige overgave trachten zij gelijke gevoelens op te wekken, ten einde de innigste banden te sluiten, die het eene wezen aan een tweede, het eene leven aan een ander verbindt. Wij zien hierin de openbaring eener even onverbiddelijke als noodwendige natuurwet; geene macht is in staat die wet op te heffen, of zelfs maar haar invloed te verzwakken. Onophoudelijk overwint zij alle hinderpalen en streeft zij steeds zegevierend naar het doel.Liefde noemen wij de alvermogende kracht, door welke deze wet regeert, wanneer wij van menschen spreken; wij heeten haar instinct, wanneer er van haar invloed op de dieren sprake is.Zulks is evenwel niets anders dan een woordenspel, tenzij wij de beteekenis van het eerstgenoemde woord zoodanig wijzigen, dat wij er onder verstaan: de ook in den mensch aanwezige, maar door hem veredelde en tot een zedelijk beginsel verheven natuurlijke aandrift. Ontdoen wij het van deze toevoeging, dan wordt het moeilijk eenig verschil in beider uitingen op te merken. Mensch en dier gehoorzamen aan dezelfde wet; maar het dier is gewilliger in ’t gehoorzamen dan de mensch. Het dier wikt niet, berekent niet, maar geeft zich onstuimig over aan den invloed dier wet. De mensch daarentegen beeldt zich niet zelden in, dat hij zich aan haar invloed kan onttrekken.Ongetwijfeld ziet hij, die à priori reeds de solidariteit van mensch en dier in twijfel trekt, in het laatste niets anders dan een levende machine, die door van buiten aangebrachte krachten in beweging wordt gesteld en tot handelen gedreven, en dus ook daardoor wordt aangespoord om naar de gunst van het andere geslacht te dingen, aangevuurd tot zijn jubelend gezang en geprikkeld tot den strijd met mededingers. Het spreekt wel van zelf, dat er bij zulke machines geen[205]sprake kan zijn van vrijheid en eigen wilsbepaling, van strijd tegen opkomende gemoedsaandoeningen, van eenig zieleleven in ’t algemeen. Zonder zelf daardoor in waarde te stijgen, verlaagt hij, die op deze wijze voor zich alleen aanspraak maakt op geestelijk leven, inzonderheid op geestelijke vrijheid, het dier tot een conterfeitsel zijner opgeblazen ijdelheid, tot een wezen, dat eer een schijnleven dan een werkelijk bestaan voert, en onvatbaar is voor de genietingen en vreugde des levens.Wij oordeelen anders en ongetwijfeld is ons oordeel juister en billijker, wanneer wij het tegendeel aannemen; wij oordeelen misschien niet eens te scherp, wanneer wij beweren, dat hij, die aan de dieren verstand ontzegt, zelf bezorgdheid inboezemt, en dat hij, die hetgevoelslevender dieren loochent, zelf niet weet wat gevoel is. Wie onbevangen oordeelt zal vroeger of later tot de erkenning moeten komen, dat de geestelijke functies van alle dierlijke wezens, hoeveel verschil daaromtrent ook moge bestaan, op dezelfde wetten berusten, en dat elk dier, binnen den hem aangewezen levenskring, onder dezelfde omstandigheden denkt, gevoelt en handelt als ieder ander, en geenszins in tegenstelling met den mensch, volgens zoogenaamde hoogere wetten, tot eng bepaalde levensuitingen gedwongen wordt. Men moge de oorzaken, die de dieren bij hunne handelingen besturen, met den naam van wetten bestempelen, maar dan moet men niet uit het oog verliezen, dat ook de mensch aan zulke wetten onderworpen is. Wel is waar, de mensch kan door zijn geest sommige dier natuurwetten aan zich dienstbaar maken, op andere invloed uitoefenen, eene enkele maal zelfs zich misschien aan die wetten onttrekken, maar verbreken kan hij ze niet, vernietigen evenmin.Ik wil beproeven de juistheid mijner beweringen te staven door met een voorbeeld op te helderen hoe gelijksoortig in het wezen der zaak de levensuitingen van menschen en dieren kunnen zijn, hoe beiden door de belangrijkste aller natuurwetten, die de onderhouding der soort beoogt of ten gevolge heeft, in gelijke mate beheerscht worden. Mensch en vogel! hoe breedt is de klove, die beide wezens scheidt! hoe groot is het verschil tusschen beider doen en laten! Is er eene macht, die deze kloof kan dempen? Zijn er verhoudingen mogelijk, die beiden kunnen nopen tot wezenlijk dezelfde levensuitingen? Wij willen zulks onderzoeken.Onbezorgder dan de mensch onderwerpen de vogels zich aan de wisseling[206]der jaargetijden. „Zij zaaien niet, zij oogsten niet en verzamelen niet in de schuren” en deswege moeten zij, willen zij leven, zich goedschiks of kwaadschiks voegen naar de bovengenoemde variaties. Daarom bloeien zij in de lente, brengen ze in den zomer vruchten voort, bergen deze en zich zelf in den herfst, en rusten in den winter, evenals aller moeder, de aarde. Hunne levensuitingen zijn gebonden aan de seizoenen des jaars.In dit opzicht staan ze letterlijk onder de heerschappij eener ijzeren wet, tegenover welke vrijheid en willekeur ondenkbaar zijn. Die wet moet evenwel noodwendig leiden tot gebrek en nood, tot levensgevaar voor zichzelf en hunne jongen. Zij buigen zich dus gewillig onder die wet, maar genieten daarbij eene vrijheid, die wij menschen hun zouden benijden, indien wij niet nog meer dan zij in staat waren ons aan den invloed der jaargetijden te onttrekken. Maar bloeien ook wij niet in de lente, en rusten ook wij niet in den winter? En moeten ook wij niet den nek krommen onder het ijzeren juk der noodzakelijkheid? Zijn de vogels in genoemd opzicht gebonden, zij behouden zich toch in een ander opzicht vrijheid en willekeur van handelen voor; ja oefenen deze soms nog blijmoediger en op onbeperkter wijze uit dan de mensch.Geen vogel ontzegt zich vrijwillig het genot der liefde; slechts enkelen hunner onttrekken zich aan de banden des huwelijks, ieder echter tracht liefde te verwerven en te genieten, zoodra hem zulks mogelijk is. Nog vóór het kleed der jeugd is afgelegd weet hij het verschil in sexe te onderscheiden en te waardeeren; reeds veel vroeger vecht het mannetje, als in dartelen, jeugdigen overmoed met zijns gelijken; en niet zoodra is het volwassen, of het dingt met vuur en volharding om de gunst van een wijfje zijner eigene soort. Geen vogelmannetje veroordeelt zichzelf tot het leven van een oud-vrijer, geen vogelwijfje sluit haar hart voor welgemeende liefde. Ter wille van het wijfje trekt het mannetje rusteloos en doelloos over land en zee; ter wille van een eerzaam mannetje vergeet het wijfje geleden smart, droeve rouw, hoe diep beiden ook mogen geweest zijn, ja ter wille van een beteren minnaar verbreekt het wellicht de banden der echt.Ieder vogelwijfje verkrijgt een echtgenoot; aan den anderen kant evenwel valt het elk vogelmannetje niet zoo gemakkelijk zich een wijfje te verwerven. Want ook onder de vogels moet zulk een kostbaar kleinood langs den weg van moeite en strijd verkregen worden. In ’t algemeen zijn er meer mannetjes dan wijfjes; daarom zijn velen genoodzaakt[207]het hardste noodlot, dat hen kan treffen, te torschen, en althans tijdelijk ongehuwd te blijven. Voor verreweg de meeste vogels is echter het oud-vrijersleven eene kwelling, waarvan zij zich met alle inspanning van krachten pogen te ontdoen. Zij trekken daarom op vrijerswieken door het land, kijken overal rond naar een vrouwtje, en, hebben zij er een gevonden, dan doen zij onverwijld en onbeschroomd aanzoek om hare hand, onverschillig of het een gehuwd of ongehuwd wijfje of zelfs eene weduwe is. Bleven de reizen zonder gevolg, zij zouden waarschijnlijk niet zoo geregeld heen en weer trekken als feitelijk geschiedt. Wanneer de mannetjes om de gunst der wijfjes dingen, putten zij alle hulpmiddelen uit, die de natuur hun verleende. Ieder spreidt naar aard en talent zijn beste gaven ten toon; ieder tracht zich van de meest aantrekkelijke zijde te doen zien, alle hem eigen lieftalligheden aan den dag te leggen, uit te blinken, kortom zijn soortgenooten de loef af te steken. Zijn verlangen neemt toe met de hoop op verhooring; zijne liefde wordt tot een roes en ontneemt hem alle bezinning. Hoe ouder hij wordt des te opvallender stelt hij zich aan, treedt hij met meer zelfvertrouwen op, en streeft hij onstuimiger naar het loon der min. Het spreekwoord: „met den ouderdom komen de gebreken” wordt door hem gelogenstraft. Slechts zeer zelden veroordeelt de ouderdom hem tot zwakheid en onvermogen, vermeerdert daarentegen gewoonlijk alle hem ten dienste staande talenten en verhoogt door de gerijpte ervaring de volheid van kracht, waarin hij zich verheugt. Geen wonder dus, dat de jonge wijfjes aan oude mannetjes zelfs de voorkeur geven, en begrijpelijk is het, dat deze, zoo niet vuriger, althans met meer vertrouwen vrijen dan jonge.De middelen, die een vogelmannetje bezigt om zijn liefde te verklaren zijn vele; zooals van zelf spreekt staan zij in verband met zijne ’t meest in ’t oog vallende talenten. Het eene mannetje heeft zijn lied, een ander zijn vleugels, deze den snavel, gene zijn pooten; het eene spreidt alle mogelijke vederenpracht ten toon, het andere ontplooit een of ander bijzonder sieraad, een derde openbaart talenten, vroeger ongekend. Ernstige vogels geven zich over aan scherts en spel en voeren de koddigste narrenstreken uit; stille vogels worden praatziek, rustige bewegelijk, zachtmoedige strijdlustig, vreesachtige moedig, voorzichtige zorgeloos; kortom, bijna allen laten zich van een andere zijde zien dan gewoonlijk. Hun gansche wezen schijnt veranderd, daar alle bewegingen levendiger en opgewekter zijn dan gewoonlijk, en hun doen en laten bijna in elk[208]opzicht van den gewonen regel afwijkt; feitelijk verkeeren zij in een roes, die hun veêrkracht verheft en versterkt, terwijl geenerlei afmatting zich laat zien. Zij onthouden zich van slaap, of deze wordt althans beperkt tot den kleinst mogelijken duur, en toch doet hun zulks geen kwaad; wakend spannen zij alle krachten in zonder moede te worden. Alle, met eene stem begaafde vogels vrijen met duidelijk verstaanbare klanken en hun gezang is niets anders dan het zuchten en juichen der liefde. De woorden des dichters:Wilt gij naar de nachtegalen vragen,Die met zoete en teedre melodij,U verrukten in de lentedagen—Slechts zoolang zij minden, waren zij.behelzen de volle waarheid; want het gezang van den nachtegaal en van alle overige vogels, die ons met hun liederen opvroolijken, begint met het ontluiken der eerste liefde en eindigt met het uitdooven van het minnevuur om door een ander gevoel, somtijds dat van zorg, verdrongen te worden. Zingend trekt de vogel ter bruiloft; dat gezang kondigt het wijfje zijn nabijheid aan; in een vurig lied drukt hij zijn geestdrift uit, wanneer hij zijn wijfje gevonden heeft; in het lied geeft hij zijn begeerte en verlangen, zijn verwachting en hoop te kennen; in het lied openbaart hij zijn kracht. Jubelend geeft hij uiting aan het gevoel van zaligheid en geluk; met een lied daagt hij elk mannetje zijner soort uit, dat zich vermeten dorst zijn geluk te storen. Slechts zoo lang de roes der liefde duurt, zingt de vogel met toewijding en volle kracht; zingt hij buiten dien tijd nog een enkele maal, dan doet hij zulks in herinnering aan dien roes, die hem eenmaal zoo gelukkig maakte. Er zijn er die beweren, dat de vogels zonder eenig gevoel hunnerzijds zingen, dat zij op bepaalde tijden zingen moeten en niet anders kunnen, daarentegen op een anderen tijd niet kunnen en niet mogen zingen; die zoo spreken hebben het lied der vogelen nooit verstaan of niet willen verstaan, maar enkel en alleen op jammerlijke wijze uiting gegeven aan hun vooroordeel. Men neme eens onbevangen waar, en alras zal men ontdekken, dat het lied der vogels, ofschoon dit in den grond der zaak hetzelfde blijft, zich voegt naar elke gevoelsuiting; al naar de gemoedsstemming van den vogel zelf is, vloeien de tonen nu eens rustig daarhenen, dan eens klimmen zij omhoog en worden zij tot een luid gejubel, om straks weder lager gestemd te worden. Telkens wekt het echo’s in de borst van andere mannetjes.[209]Hadden zij gelijk, die beweren, dat er geen verband bestaat tusschen het lied en de gemoedsstemming der vogelen, dan zou het eene mannetje precies eveneens moeten zingen als het andere der zelfde soort, en elk mannetje zou het hem door de natuur geschonken lied moeten opdreunen, evenals eene speeldoos de aria’s eener in haar zich bewegende, beprikte wals aframmelt; van leeren, veranderen, verbeteren, van prijskampen was dan geen sprake. Maar de ervaring leert juist het tegendeel en daarom zijn wij er van overtuigd, dat de vogel met volle bewustheid zingt, en dat in zijn lied zich zijne ziel openbaart. Hij is zelfs een dichter, die, binnen de hem gestelde grenzen, vindt, vormt en naar uitdrukking streeft; de drijfveêr van dit alles is echter de liefde. Door de liefde beheerscht, zingt, murmelt en fluit de meerkol, wauwelt de ekster, verkeert de krassende raaf zijn ruw geluid in zachte, weeke tonen, laat de anders stomme fuut zijn stem hooren, dompelt de roerdomp den snavel in het water ten einde zijn gewoon geschreeuw, het eenige hem geschonken geluid, in een vèrklinkend dof gebrul te veranderen, en zingt de zeeduiker zijn wild, maar klankrijk zeelied. Zeker zingt de vogel slechts op bepaalde tijden, maar niet daarom, omdat hij op andere tijden niet zingen kan, maar omdat hij dan geen reden heeft tot zingen, omdat hij dan niet zingen wil. Hij zwijgt, omdat hij niet meer mint, of, m.a.w. zoodra de paartijd voorbij is. Zulks wordt al dadelijk bewezen door den koekoek. Negen maanden lang hoort men geen enkele syllabe uit de keel van dezen vogel; maar nauw is het voorjaar gekomen, of hij roept onafgebroken door, van het krieken van den dag tot den avond en net zoolang als de paartijd duurt. Hij zwijgt echter eerder in het zuiden dan in het noorden, eerder op de vlakte dan op het gebergte, geheel in overeenstemming met den broedtijd der pleegouders, die in het zuiden en in de vlakte vroeger met den nestbouw beginnen en eerder de opvoeding der jongen voltooid hebben dan in het noorden of op de hoogten der gebergten.Bij hunne liederen of eigenaardige stemgeluiden voegen een aantal vogels nog sierlijke bewegingen, waarbij nu eens de vleugels hunne hulp bewijzen, dan eens weder de pooten mede dienst doen; nog andere vogels nemen eigenaardige houdingen aan, om zich hierin aan het wijfje te laten zien of voor haar op en neêr te wandelen; verder zijn er, die het een of ander vreemd gedruisch voortbrengen. En dit alles geschiedt eenig en alleen om de gunst van het vrouwelijk geslacht te verwerven.[210]Terwijl sommige valken en zoo ook de uilen hunne begeerte uitsluitend of hoofdzakelijk door een luid geroep te kennen geven, voeren andere roofvogels voor of gemeenschappelijk met het wijfje prachtige luchtspelen uit, die nu eens op een dans gelijken, dan weder aan razernij doen denken. De arenden, buizerden, slechtvalken, kleine en gewone torenvalken beschrijven uren achtereen kringen om elkander, klimmen in schroeflijnen tot duizelingwekkende hoogten op, en volbrengen, onder het vliegen, klaarblijkelijk om elkander te behagen en het leven te veraangenamen, allerlei kunststukken; nu en dan laten zij een luid geschreeuw hooren, spiegelen hun gevederte in het zonnelicht, om eindelijk, langzaam en zwevend naar de eene of andere hooge zitplaats te dalen en hier verder te minnekoozen. De wouwen of milanen, die zich in hoofdzaak eveneens gedragen, laten zich soms plotseling met half toegevouwen vleugels uit aanzienlijke hoogten naar beneden vallen, strijken rakelings langs den grond of het watervlak, beschrijven dan in snelle vaart vele schroeflijnen, houden zich eene poos met trillende vleugels stil boven dezelfde plek staande, of volbrengen allerlei andere vreemdsoortige bewegingen, om daarna weder langzaam tot dezelfde hoogte op te stijgen.De kuikendieven vliegen langen tijd oogenschijnlijk onverschillig achter of naast het gevrijde wijfje, daarna in kringen om haar heen, terwijl straks beiden te zamen allerlei door elkaar gevlochten cirkelkringen beschrijven; nu laat het mannetje het wijfje alleen, steigert met den kop naar boven, bijna steilrecht omhoog; de trage vlucht gaat allengs over in eene woeste vaart, het buitelt plotseling over den kop, valt met bijna geheel toegevouwen vleugels loodrecht naar beneden, beschrijft enkele kringen, vliegt nogmaals naar boven om nu het straks beschreven spel opnieuw aan te vangen, tot eindelijk ook het wijfje besluit dat voorbeeld te volgen. Sterker toeren dan deze allen verricht de goochelaar van Centraal-Afrika, een wouw van de grootte eens arends, en in ’t algemeen een roofvogel van vreemdsoortige gedaante en manieren. Zijn zonderlinge wijze van vliegen trekt ten allen tijde de aandacht, maar in den paartijd grenst zijn vliegkunst aan ’t ongeloofelijke; het is alsof de vogel een kluchtspel in de lucht uitvoert, een kluchtspel, dat zinbekorend op den toeschouwer werkt.Evenals de roofvogels gedragen zich in den paartijd een aantal andere vogels, en zelfs zulke, die volstrekt niet tot de beste vliegers behooren. Dat ook deze de hulp der vleugels inroepen, wanneer zij dingen naar de liefde van een wijfje, of als zij uitdrukking willen geven[211]aan het gelukkig gevoel van verkregen bezit, is volgens het zooeven medegedeelde niet meer dan natuurlijk. Vol ijver zit de zwaluw naast het gevrijde of reeds verworven wijfje zijn heerlijk lied te zingen; het in zijn hartje flikkerende liefdevuurtje is evenwel veel te sterk dan dat deze vliegvaardige vogel onder het zingen stil op dezelfde plek zou kunnen blijven zitten; hij vliegt daarom op, zingt al vliegende voort en zweeft middelerwijl boven en rondom het wijfje, dat hem ondertusschen is nagevlogen. De geitenmelker zit geruimen tijd overlangs op een boomstam, soms vrij ver van het wijfje verwijderd, spint eenige minuten achtereen zijn snorrende strophen, vliegt op, beschrijft klapwiekend, sierlijke kringen om het wijfje, en roept dit zulk een teeder „haïet” toe, dat men er verbaasd over staat, hoe het mogelijk is, dat zoo zachte geluiden kunnen ontwellen uit die rauwe keel. De bijenvreter, die eveneens slechts met een zeer bescheiden stem begiftigd werd, verwijlt langen tijd, dicht tegen zijn wijfje aangedrukt, op zijn wachtpost, laat of in ’t geheel niet of slechts flauw eenig geluid hooren en schijnt zich te vergenoegen met haar enkel door den teederen blik zijner schoone, hoogroode oogen toe te spreken; eensklaps echter komt ook hij in vuur, roert plotseling de vleugels, stijgt omhoog, beschrijft een cirkel, laat een luiden juichkreet hooren, en keert naar zijn wijfje terug, dat intusschen haar plaats niet heeft verlaten. En wat de duif betreft, te midden van haar minnezang, ’t zij wij er den naam aan geven van kirren of huilen, staakt zij plotseling haar lied, evenals werd zij door geestvervoering aangegrepen, breidt de vleugels uit, klapwiekt een en andermaal, klautert omhoog, breidt de vleugels uit en daalt langzaam zwevend op de een of andere boomkruin neder om hier van voren aan te beginnen.Boompiepers, waterpiepers, grasmusschen, spotvogels gedragen zich evenals de duiven; de fluiters laten zich, altijd doorzingende, van hun verheven zitplaats naar beneden vallen en vliegen van hier weder naar een hoogeren tak, om daar hun lied af te breken; straks daarop beginnen zij van voren aan om het op gelijke wijze te eindigen. De vlasvinken, sijsjes en grauwgorzen tuimelen, van liefde dronken, op zulk eene vreemdsoortige wijze door de lucht, dat het schijnt alsof zij het vrije gebruik der vleugels verloren hebben; deleeuwerikensteigeren, onder het zingen van hun minnelied, letterlijk ten hemel; de groenvink neemt den schijn aan alsof hij bij eenvleêrmuisin de leer was geweest.[212]In gelijken roes verkeeren alle vogels, die door dansen hunne liefde openbaren. Ook deze verloochenen onder den dans hunne gewone geaardheid, en geraken ten slotte in zulk eene sterke geestvervoering, dat zij alles om zich heen vergeten. Weinige vogels laten gedurende den dans in ’t geheel geen geluid hooren; de meesten stooten alsdan integendeel geluiden uit, die hun anders vreemd zijn. Tevens ontplooien zij middelerwijl al den vedertooi, waarover zij hebben te beschikken, of zij eindigen daarmede den dans.Tot de ijverigste dansers behooren de hoenderachtige vogels. Onze huishaan stelt zich daarmede tevreden, dat hij trots heen en weder stapt, kraait en met de vleugels slaat; zijn hofgenooten, de pauw en kalkoen doen al iets meer en balderen. Maar de lustigste dansers zijn de ruigpoothoenders en enkele fazanten. Wie in de eerste morgenuren den balderenden auerhaan waarneemt, wie het ratelende en slijpende korhoen heeft beluisterd, wie in de schemernachten van de noordelijke lente het moerassneeuwhoen op de sneeuwvelden der toendra zag dansen, zal mij gelijk geven wanneer ik zeg, dat zulk eene hulde, gelijk genoemde hanen hun hennen bewijzen, even onweêrstaanbaar op ons werkt als die, welke de pauw zijn wijfje bereidt, wanneer hij zijn prachtkleed als een baldekijn voor haar uitspreidt.Op nog vreemdsoortiger wijze gedragen zich de mannetjes der satyrhoenders of hoornfazanten, prachtige vogels uit het zuiden van Oost-Azië, die zich kenmerken door twee hoornachtige, levendig gekleurde, buisvormige huidlappen aan beide zijden van den bovenkop, en een met de gloeiendste kleuren prijkende, voor uitzetting vatbare keellel. Nadat de haan een en ander maal om de hen is rondgeloopen, schijnbaar zonder op haar te letten, blijft hij eindelijk op eene bepaalde plaats stil staan en vangt aan buigingen voor haar te maken. Steeds sneller volgen deze bewegingen op elkander, terwijl ondertusschen de horens zich langzaam uitrekken en de keellel zich verbreedt en daalt, totdat eindelijk beide organen den van liefde dronken vogel over den kop vliegen. Nu ontplooit hij de vleugels, spreidt den omlaag gedrukten staart uit, hurkt op de ingebogen pooten en veegt al blazend en sissend met zijn vleugels den grond. Plotseling staakt hij deze bewegingen. Diep gebogen, met opgerichte veêren, vleugels en staart tegen den grond gedrukt, de oogen gesloten, hoorbaar adem halende, blijft hij een poos als in geestvervoering in deze[213]bewegingloosheid volharden. Een verblindende glans schiet van uit zijne nu geheel ontplooide tooisels.Plotseling richt hij zich echter weder op, blaast en sist, siddert over zijn geheele lichaam, brengt de veêren weder in den gewonen stand, scharrelt met de pooten, werpt den staart omhoog, slaat met de vleugels, richt zich met rukken in zijn volle lengte op, rent onstuimig op het wijfje los, staakt bliksemsnel dien wilden loop en vertoont zich voor haar in olympische heerlijkheid; hij blijft nog een oogenblik staan, trilt, beeft, sist en laat eensklaps alle pracht verdwijnen, strijkt de veêren glad, trekt de horens en de keellel in, en begeeft zich, even als ware er niets gebeurd, aan zijn gewonen arbeid.Met sierlijken tred, gebogen kop, uitgespreiden staart en vleugels, terwijl de laatste in trillende beweging verkeeren, trippelt de kwikstaart al buigende, nu naderende, dan zich verwijderende, om de uitverkoren gade; als een flikkerende offervlam verschijnt de vuurvink op den top eener aar van het kafferkoren, waarin hij met zijn wijfje zijn woning heeft opgeslagen, pronkt met zijn prachtig gevederte in de stralen der zon, en draait, onder ’t zingen van een lustig lied, zich op zijn zetel in het rond. Teeder als echte menschenkinderen, mond aan mond, borst aan borst gedrukt, voeren doffer en duif gemeenschappelijk een langzamen dans uit; hartstochtelijk, met levendige sprongen, dansen de kraanvogels; niet minder ijverig, zelfs ten aanzien van schijnbaar hen bewonderende toeschouwers, doen zulks de prachtige rotshoenders van Middel-Amerika; en zelfs de condor, een vlieger van den eersten rang, die duizenden meters boven de hoogste toppen der Andes door den ether zweeft, en van wien men niet zou verwachten, dat hij andere minnemiddelen zou bezigen dan het vliegen, veroorlooft zich wel eens een dansje en draait, met diep gebogen kop en breed uitgespreide vleugels, om het wijfje rond, terwijl hij daarbij een eigenaardig trommelend geluid laat hooren.Nog andere vogels dansen niet zoo zeer, maar springen woest op en neder, of huppelen op de takken rond, terwijl zij ondertusschen met hun fraai gevederte pronken; zoo doen b.v. de paradijsvogels, die in de morgenuren gemeenschappelijk op zekere boomen verschijnen, om hier als hulde aan het wijfje, onder allerlei bewegingen en onder het trillen der vleugels hunne sierlijke vederen uittespreiden. Er zijn er weder andere, die een soort vanpriëeltjesbouwen, welke zij met gekleurde,[214]glinsterende voorwerpen versieren, en waarin zij allerlei dansen uitvoeren.Sommige vogels eindelijk, die noch met hunne stem, noch met vliegen en dansen kunnen schitteren, gebruiken den snavel, om hiermede de vreemdsoortigste geluiden voort te brengen. Op deze wijze vrijen alle ooievaars; zij slaan de beide snavelhelften schielijk tegen elkaar, wat een geklepper veroorzaakt dat de plaats vervangt eener stem, die dezen vogels ontbreekt. Ook de spechten handelen eveneens, en hameren met hun snavel tegen een dooden stam of tak, waardoor het hout in trilling wordt gebracht, terwijl een doordringend geluid in het bosch weêrklinkt.Ofschoon het wijfje eene haar geldende liefdesverklaring eigenlijk niet met preutschheid afwijst, schenkt het toch slechts in geval van nood hare hand aan den eersten den besten vrijer. Aanvankelijk luistert het schijnbaar zeer onverschillig naar de teederste minneliedjes en blijft koel onder ’t aanschouwen der vliegspelen en dansen, die haar ter eere worden opgevoerd, en even onverschillig aanschouwt het schijnbaar alle pracht, die voor haar alleen wordt ten toon gespreid. Meest doet het alsof al die bekoringsmiddelen van het mannetje haar niet aangaan, en vervolgt dood bedaard haar gewone bezigheden, tot het zoeken van eten toe. In vele, ofschoon lang niet alle gevallen, laat het zich in de nabijheid lokken, maar geeft toch geen enkel teeken van goedkeuring of genegenheid. Vele vogelwijfjes, o.a. die der in polygamie levende hoenders, bezoeken niet eens de balderplaatsen, ofschoon deze vogels juist alles behalve preutsch zijn en de balderende hanen niet zelden door een uitlokkend geroep in vuur en vlam weten te zetten. Wordt een mannetje vrijpostiger dan haar lief is, dan onttrekt zij zich door de vlucht aan zijn vrijheden. Zulks moge nu meestal niet gemeend zijn, maar zij doet het met zooveel ernst en volharding, dat men moeilijk kan bepalen of deze vlucht zonder eenig nevendoel dan wel uit schijn geschiedt. In elk geval bereikt zij er toch dit mede, dat het mannetje zijn verlangen ten toppunt voelt stijgen en tot de uiterste inspanning van alle krachten wordt gedreven. Meer dan ooit in vuur, niet denkende aan eenige terughouding, slechts naar het ééne doel strevende, stormt het op het wijfje los, als om haar te dwingen gehoor aan zijn liefde te geven; vuriger dan ooit klinkt het lied, met meer geestdrift dan te voren baldert het, danst het en vliegt het, wanneer het wijfje hem een oogenblik van rust laat, en ijveriger dan straks[215]neemt het de vervolging weêr op zich, zoodra dit laatste hare vlucht opnieuw voortzet.VECHTENDE MANNETJESVINKEN.VECHTENDE MANNETJESVINKEN.Waarschijnlijk zouden de wijfjes der vogels gewilliger zijn, indien het aantal vrijers niet zoo groot ware. Tengevolge van het gemeenlijk grootere aantal mannetjes genieten de wijfjes het geluk der volle vrije keuze. Een aantal mannetjes, bij tijd en wijle zelfs een groot aantal, brengt het wijfje hun hulde, en gerechtvaardigd is alzoo haar besluiteloosheid en kieschkeurigheid. Uit eigen beweging of onwillekeurig gehoorzaamt het aan de wet der teeltkeus; het streeft er naar het beste, gezondste, in alle opzichten voortreffelijkste mannetje uit velen uit te kiezen; hetmagkieschkeurig zijn. De terugwerking van het gedrag[216]en de handelingen van het wijfje ten aanzien der mannetjes openbaart zich in toomeloozen minnenijd, die de hevigste gevechten, soms een strijd op leven en dood na zich sleept. Elke vogel, zelfs de schijnbaar zachtmoedigste en vreesachtigste, wordt in dien strijd om eene geliefde een held, en ieder weet daarbij zulk een goed gebruik te maken van de hem door de natuur geschonken weêrmiddelen, als: snavel, nagels, sporen, zelfs van de met hoornachtige stekels voorziene vleugels, dat in vele gevallen de strijd eerst eindigt met den dood des eenen medeminnaars.BALDEREND KORHOEN.BALDEREND KORHOEN.Naar de soort en den stand der vogels wordt het gevecht in de lucht, op den grond, in de takken of in het water uitgevochten. Arenden en valken vallen elkander in de lucht, met klauwen en snavels aan. Zulke tweegevechten kenmerken zich door sierlijke wendingen, een wedijverend omhoog stijgen, ten einde een voor den aanval gunstige hoogte te bereiken, pijlsnel uitgevoerde stooten, schitterende afweringen, wederzijdsche vervolgingen en een moedig standhouden. Wanneer het een der koninklijke helden gelukt zijn mededinger te grijpen, slaat ook de laatste den eersten de klauwen in de borst en beiden dalen alsnu, van ’t gebruik der vleugels beroofd in een schroeflijn ter aarde. Hier aangekomen wordt de strijd begrijpelijkerwijs gestaakt; maar stijgt een hunner echter weêr omhoog, onmiddellijk volgt hem de ander, en weinige minuten later begint het duel opnieuw. Wordt een der strijdenden b.v. ten gevolge van bekomen wonden vermoeid, dan vangt hij den terugtocht aan, of vlucht weg, verwoed door den ander vervolgd. Snel en zonder eenigen tegenstand meer te bieden, verre buiten de grenzen van het rijk, dat het wijfje voor zich heeft uitverkoren, ongeacht alle nederlagen, geeft het evenwel toch den strijd niet eer op, voor het wijfje zich bepaald voor den overwinnaar heeft verklaard. Een doodelijken afloop heeft zulk een gevecht, hoewel zelden, toch eene enkele maal; want de arend, wiens ijverzucht door liefde en eergevoel werd geprikkeld, kent geen erbarmen of genade en vermoordt onmeêdoogend denweêrloosgemaakten medeminnaar. Zelfs de torenzwaluwen, anders zulke zachtzinnige vogeltjes, die op gelijke wijze als de arenden vechten, dooden hare medeminnaars door dezen hare scherpe nagels in de borst te slaan en dit lichaamsdeel zoodanig open te rijten dat de dood er op volgt.Bij alle vogels, die met eene stem begiftigd zijn, gaat een werkelijke uitdaging den strijd vooraf.[217]Reeds het lied van den zangvogel wordt tot een wapen, waarmede, ofschoon onbloedig, gestreden en overwonnen wordt; reeds het paringsgeroep, dat op zulk eene karakteristieke wijze het aanzoek uitdrukt, doet de ijverzucht ontbranden. Wie de kunst verstaat het geroep van den koekoek natebootsen, lokt den anders zoo voorzichtigen dwaas tot op den boom, waaronder men zich heeft opgesteld; wie het ingewikkeld gefluit van den goudmerel, het koeren der wilde duiven, het zacht gekir der tortels, het trommelen der spechten, met één woord de loktonen der vogels natuurlijk weet terug te geven, verkrijgt gelijk resultaat. Verschijnt een medeminnaar op het tooneel, zoo geeft deze zijn komst eveneens door een geroep of met zingen te kennen; spoedig echter gaat hij tot feitelijkheden over en er ontbrandt tusschen de beide minnaars een even heftige strijd als tusschen de straks genoemden. Tot in het binnenste der ziel verbitterd, roepende, schreeuwende en gillende, jaagt de een den ander na, onverschillig of de weg door hooge of lage luchtlagen voert, door de toppen der boomen of door de struiken, en even als bij de vervolging van het wijfje prikkelt de een den ander nog onder deze jacht door uitdagende tonen, door een lied, door het uitspreiden der tooisels en soortgelijke honende gebaren. Haalt de vervolger den vervolgde in, dan stoot hij dezen zoodanig met zijn snavel, dat de veêren er langs stuiven; laat hij af, dan keert de vervolgde zich bliksemsnel om, teneinde nu op zijn beurt aanvallenderwijs te werk te gaan; houden beiden stand dan plukharen zij elkander zoo hevig als zij maar kunnen, in de lucht, in de takken of op den grond. Is de strijd beslist, dan komt ook hier het wijfje nader om zich aan de zijde des overwinnaars te scharen.Grondvogels vechten altijd op den grond, zwemvogels in het water.Hoe ernstig de hoenders vechten weet ieder, die eenmaal den strijd van twee hanen bijwoonde. Ook hier geldt het een kamp op leven en dood, ofschoon de dood zelf er zelden meê gemoeid is, tenzij menschelijke ruwheid de natuurlijke wapenen verscherpte, en de weêrmiddelen verzwakte. De om een wijfje vechtende struisvogels gebruiken almede hunne krachtige pooten en brengen elkander met hun sterke of scherpe klauwen diepe wonden toe in borst, lijf en pooten; jaloersch geworden trapvogels maken, na elkander eerst met opgeblazen keelzak, verwrongen vleugels en uitgespreiden staart, en onder een hevig geblaas, langen tijd te hebben uitgedaagd, een geweldig gebruik van hunne snavels; strandloopers en andere strandvogels, inzonderheid de kemphanen, welke[218]vogels om elke kleinigheid met elkander vechten, niet alleen om een wijfje, maar zelfs om een vlieg, om de zon, om het licht en om de een of andere plaats, rennen met hunne snavels als waren het aangelegde lanzen, op elkander in, telkens de stooten opvangende met hunne sterk ontwikkelde borstveêren, die bij de kemphanen tot een waar schild zijn geworden; de waterhennetjes loopen op het wankelende dek van drijvende waterplanten op elkander af en brengen elkander slagen toe met de pooten; de zwanen, ganzen en eenden vervolgen elkander net zoo lang tot het een der strijders gelukt den ander bij den nek te pakken en zoolang onder water te houden tot hij gevaar loopt te verdrinken; in elk geval wordt hij door deze manoeuvre zoo verzwakt, dat hij den strijd niet dadelijk weder kan aanvaarden; de zwanen maken daarbij, even als de spoorvleugels, gebruik van de harde, spitse, verhoornde uitsteeksels aan de vleugelbocht, om daarmede gevoelige slagen uit te deelen.Zoo lang het wijfje zich nog niet bepaald voor een mannetje verklaard heeft, neemt het geen deel aan dien strijd, ja het schijnt er zich zelf niet eens warm voor te maken. Toch moet het alles opmerkzaam nagaan, daar het zich gemeenlijk voor den overwinnaar verklaart, althans diens aanzoeken het oor leent. Op welke wijze het jawoord gegeven wordt kan ik niet zeggen, ja zelfs niet vermoeden. Nog voordat de strijd is geëindigd heeft het reeds de keuze bepaald en van af dit oogenblik geeft het zich geheel en al aan den man harer keuze over, volgt dien even dikwijls als het hem voorgaat, aanvaardt met zichtbaar welbehagen diens liefdesverklaringen, en beantwoordt met eene zelfverloochenende teederheid al zijn liefkoozingen.Vol verlangen roept het hem, jubelend begroet het hem, gewillig volgt het zijn wenschen en voegt zich naar zijn handelingen. Dicht aaneengedrukt zitten de gepaarde papegaaien naast elkander, al zijn ook honderden op denzelfden boom vereenigd; de volkomenste harmonie beheerscht hen, slechts door één wil schijnen zij bezield.Neemt het mannetje voedsel tot zich, zijn gade volgt zijn voorbeeld; zoekt het eerste een ander plaatsje op, de laatste volgt hem; laat het mannetje zijn geschreeuw hooren, het wijfje antwoordt terstond. Liefkoozend verbergen zij den snavel in elkanders veêren, en gewillig buigt de zwakke partij kop en hals, om deze bewijzen van liefde te ontvangen. Al is het niet altijd op zulk eene zichtbare wijze, elk vogelwijfje ontvangt en beantwoordt de haar gewijde liefkoozingen met gelijke[219]teederheid. Het weet van geen luim of humeur, van geen pruilen of grommen, van geen schelden of kijven, van geen misnoegen of ontevredenheid, het kent slechts liefde, teederheid en overgave, en het mannetje zwelgt in geluk en zaligheid, zich bewust van een kostbaar bezit, dat hij wenscht te handhaven. Is hij heden de toongever, morgen schikt hij zich naar de wenschen zijner gade; als zij opvliegt volgt hij, als zij de woonplaats verlaat, trekt hij mede uit, wanneer zij naar huis terugkeert, wendt ook hij zich derwaarts. Niet te verwonderen is het dus, dat het huwelijk der vogels gelukkig en rein is. Al verouderen ook de voor hun leven verbonden echtgenooten, hunne liefde veroudert niet, maar blijft eeuwig frisch en jong; elke lente voert nieuwe olie aan om de oude vlam te voeden; de wederzijdsche liefde verzwakt niet al duurt de echt nog zoo lang. Getrouw nemen beiden een deel op zich van de noodzakelijke huishoudelijke bezigheden, die nestbouwing, bebroeding en de opvoeding der jongen vragen; zelfopofferend helpt het mannetje zijn wijfje bij alle moeitevolle werkzaamheden, die de kinderen haar veroorzaken; moedig verdedigt hij deze; zonder bedenken stort hij zich in de grootste gevaren, ja deinst voor den dood niet terug, waar het leven van hun kroost op het spel staat. In één woord: zij deelen van het oogenblik hunner vereeniging af alle lief en leed, en zoo bijzondere omstandigheden zulks niet verhinderen, duurt deze innige band het gansche leven.Het ontbreekt niet aan waarnemingen, die ten bewijze van het gezegde kunnen strekken.Scherpzinnige waarnemers, die jaren achtereen enkele vogels hebben gadegeslagen en deze eindelijk zoo nauwkeurig kenden, dat eene verwisseling met andere vogels derzelfde soort onmogelijk was, zijn ons daarvoor borg geworden; en ieder onzer, die zijne opmerkzaamheid slechts wijdt aan bijzonder in ’t oog vallende vogels, zal tot een gelijk besluit moeten komen. Een paar ooievaars op het dak geeft den eigenaar der woning gelegenheid te over om mannetje en wijfje van andere ooievaarsmannetjes en wijfjes te onderkennen, zoodat hier elke vergissing uitgesloten schijnt. Wie evenwel zijn ooievaar gadeslaat zal ervaren, dat altijd hetzelfde paar naar het nest terugkeert zoo lang beide echtgenooten nog in leven zijn. En ieder natuuronderzoeker en ieder jager, die trekkende vogelparen scherp in ’t oog vat, of, wanneer de geslachtsverschillen niet uitwendig zichtbaar zijn, ze neêrschiet, zal steeds ondervinden, dat het mannetje en wijfje zijn. Op mijn reizen in Afrika[220]heb ik veelvuldig trekkende vogelparen ontmoet, die ook hier in gelijke, het huwelijk der vogelen zoo gunstig onderscheidende innige gemeenschap leefden en even onafscheidelijk aan elkaar gehecht waren als ginds bij het nest; die gemeenschappelijk handelden, gemeenschappelijk duldden en leden. De paren van den dwergarend waren ook dan nog als echtgenooten te kennen, wanneer zij in gezelschap van andere vogels hunner soort reisden en toefden; de zangzwanen, die ik aan het Mensale-meer in Egypte waarnam, verschenen paarsgewijs en vertrokken eveneens paarsgewijs; alle andere in echt levende vogels, die ik onderweg aantrof, bevestigden dezen regel. Dat beide echtgenooten gemeenschappelijk dulden en lijden, ervoer ik, toen ik aan een waterpoel in Zuid-Nubië eens een ooievaarspaar aantrof, dat daarom mijne opmerkzaamheid trok, dewijl het zich hier nog ophield op een tijdstip, dat alle soortgenooten reeds lang een toevlucht hadden gezocht in het hartje van Afrika. Teneinde de oorzaak van dit achterblijven te leeren kennen, liet ik het doodschieten en nu bevond ik, dat het wijfje den eenen vleugel had gebroken, zoodat het verhinderd werd verder te reizen; het door en door gezonde mannetje was dus alleen uit liefde voor zijn gade en om haar gezelschap te houden, teruggebleven, en dat in een oord, hetwelk alle gegevens miste voor een goed winterverblijf.Slechts de dood kan een eind maken aan het innige en trouwe verbond van door den echt vereenigde vogels.Zulks is regel—maar er zijn uitzonderingen. Ook onder de vogels komt, alhoewel zeldzaam, echtbreuk voor. Hoe trouw zich de wijfjes ook gewoonlijk aan hare echtgenooten betoonen, hoe weinig zij ook naar andere mannetjes kijken, hoe zelden het voorkomt dat zij iemand als huisvriend opnemen, wanneer zich zulk een indringer opdoet—bijzonder in ’t oog loopende eigenschappen van een vreemd mannetje kunnen verleidelijk worden. Een meesterzanger der zelfde soort, die met zijn gezang den echtgenoot in de schaduw stelt, een arend, die het door een wijfje uitverkoren mannetje in alle of althans in vele opzichten overtreft, kunnen het geluk van het nachtegaalsgezin, respectievelijk dat van den arend op gruwzame wijze verstoren, en soms zelfs de wijfjes tot ontrouw verleiden.De oud-vrijers, die gedurende den broedtijd het land doortrekken, strekken ten bewijze van het gezegde. Zij dringen onbeschaamd binnen het gebied der echtelieden en dingen driest om de gunst der vrouw, zoodat hieruit hevige vechtpartijen ontstaan tusschen deze alleenloopers[221]en het rechtmatige mannetje, welke gevechten ook nu weder gewoonlijk uitgevochten worden, zonder dat het wijfje zich in dien strijd mengt. Ook schijnt daarvoor te pleiten het gedrag dier wijfjes, die plotseling weduwe zijn geworden en zich niet alleen terstond door een nieuwen echt weten te troosten over het geleden verlies, maar eene enkele maal zelfs niet schuwen den moordenaar van den eersten gemaal te huwen. Op het dak van het riddergoed Ebensee bij Erfurt broedde sinds jaren een ooievaarspaar, dat wel is waar in de beste eendracht leefde, maar toch nu en dan last had van om het nest rondvliegende schuimloopers. In zeker voorjaar verscheen daar ter plaatse een mannetje, dat brutaler was dan een te voren, en dat den huisvader gedurig tot een tweestrijd uitdaagde of hem noodzaakte onophoudelijk goede wacht te houden. Op zekeren dag zit deze, van ’t vechten moede, met den kop tusschen de veêren gedoken, oogenschijnlijk in slaap gevallen, op zijn nest; de vreemdeling schiet plotseling van boven op hem neêr; doorboort hem met zijn snavel en slingert het lijk van het dak. En de weduwe? Zij verdrijft den sluipmoordenaar niet, maar neemt hem onmiddellijk, als haar gemaal aan, en gaat voort met broeden even alsof er niets gebeurd ware.Deze en vroeger vermelde omstandigheden pleiten niet ten gunste van de vogelwijfjes, doch zij worden, ik wil dit reeds hier aanstippen, door een aantal tegenbewijzen zoozeer ontzenuwd, dat zij slechts mogen gelden als uitzonderingen op den regel om alzoo den regel zelf te bevestigen. En wanneer er werkelijk reden bestaan om in dit opzicht de wijfjes te veroordeelen, wij mogen daarbij niet vergeten, dat de mannetjes, die veel minder aanleiding hebben tot ontrouw, omdat zij zoo veel talrijker zijn dan de wijfjes, insgelijks de heiligheid van den echt kunnen schenden. Ieder die de duiven kent, vogels, die men ten onrechte afschildert als in ’t bezit te zijn van alle mogelijke deugden, weet hoe weinig zij den roem waard zijn, waarmede de overlevering en de denkbeelden der ouden hen versieren. De teederheid der duiven is verleidend, maar niet echt; haar trouw jegens gade en kroost wordt geprezen, maar kan de proef niet doorstaan. Hun geringe vaderliefde daargelaten, maken de doffers zich maar al te dikwijls schuldig aan echtbreuk, en niet zelden nemen zij den tijd, dat hun echtgenooten zitten te broeden, waar, om met andere duifjes te coquetteeren. De eenden handelen nog berispelijker en de roodhoenders maken het ook al niet beter. Zoodra de eenden vast op de eieren zitten, zoeken de heeren gemaals elkander[222]op, om elkander zoo aangenaam mogelijk den tijd te korten, terwijl ondertusschen de arme vrouwtjes zich afsloven en zonder eenige hulp met de zorg voor de kleinen belast blijven. Eerst dan voegen zich de mannetjes weêr bij hunne echtgenooten wanneer de kinderen groot geworden zijn en dus hunne hulp niet meer behoeven. De roodhoenders, en waarschijnlijk ook onze patrijzen, maken gedurende den paartijd hun opwachting bij elken anderen mannelijken soortgenoot om met dezen naar hartelust te vechten; de Spanjaarden maken hiervan gebruik door hen met behulp van tamme individuen te misleiden en dan te dooden; later, wanneer de hennen broeden en de vechtlust is geweken, verschijnen zij echter op het geroep der hennen en nu zelfs nog schielijker dan te voren.Doch, gelijk gezegd, dit zijn uitzonderingen op den regel, die zich met de in veelwijverij levende vogels in de verte niet laten vergelijken. Te vergeefs heeft men getracht de veelwijverij der runder-troepialen, koekoeken, fazanten, boschhoenders, kalkoenen, kwartels, pauwen en kemphanen te verklaren; een afdoende reden heeft men nog niet kunnen vinden. Wanneer men beweert, dat de koekoek en diens naaste verwanten niet broeden, omdat zij de opdracht ontvingen de al te snelle vermeerdering van rupsen tegen te gaan, zoodat zij dientengevolge niet kunnen huwen en voor hun eigen kroost zorgen, dan bazelt men zonder eenige verklaring te geven, en vergeet dat ook derunder-troepialenhun kroost aan vreemden toevertrouwen; en wanneer men zegt, dat de natuur door de instelling der veelwijverij bij sommige hoendersoorten, die sterk aan vervolgingen zijn blootgesteld, voor eene talrijke nakomelingschap heeft willen zorg dragen, dan mag men wijzen op het feit, dat dit doel bij andere hoenderachtige vogels, die in monogamie leven en in vruchtbaarheid voor eerstgenoemden niet onderdoen, eveneens bereikt wordt.Het woord veelwijverij is eigenlijk slecht gekozen, want het begeeren blijft hier niet beperkt bij de mannetjes, maar ook de wijfjes deelen dit gevoel. Het koekoekswijfje houdt zich heden bij dit, morgen bij een ander mannetje op, ja het maakt wellicht binnen het tijdsverloop van een enkel uur velen gelukkig; hennen geven zich vrij onverschillig nu aan dezen dan aan dien haan over. Bij al deze vogels is er van geen eigenlijk huwelijk sprake. De mannetjes bekommeren zich slechts nu en dan om de wijfjes, en deze zien evenmin veel naar de mannen om; elke sexe gaat haar eigen gang, zondert zich buiten den paartijd[223]zelfs van de andere af en bekommert zich niet om het lot van het andere geslacht. Eene grenzenlooze hartstocht en eene hierdoor tot het uiterste gedreven jaloezie, heerschzuchtig eischen en deemoedig inwilligen, toomeloos willen en bereidwillig verhooren zijn de karakteristieke eigenschappen van den sexueelen omgang bij al deze vogels. Zoo wordt het dan ook verklaarbaar, dat bij hen vaker dan bij andere vogels mishuwelijken worden gesloten, ten gevolge waarvan bastaarden ontstaan, die een jammerlijk bestaan voeren, en die òf kinderloos blijven, òf door paring met een der stamsoorten nakomelingen teelen, die weder onvruchtbaar zijn. Mishuwelijken of gemengde huwelijken komen wel is waar, ook bij sommige in monogamie levende vogels voor, maar alleen dan, wanneer er geen goede echtgenooten te vinden zijn en de nood er toe dwingt; bij de vroeger genoemden zijn het toeval en de verleidelijke gelegenheid de gewone motieven.Nood,—dringende, noodzakelijke evenwel,—de behoefte om het leven te redden der pas uit het ei gekomen of nog in het ei sluimerende jongen, hierin moeten wij waarschijnlijk de reden zoeken, die de wijfjes der monogamisch levende vogels aanspoort om den weduwensluier spoediger met den bruidskrans te verwisselen dan de mannetjes het verlies hunner gaden kunnen vergeten. Of de rouw der weduwen evenwel minder groot is dan die der weduwnaars is, hoezeer de schijn er voor pleit, verre van zeker. Evenals de ooievaarsvrouw van Ebensee doen vele vogelwijfjes. Een ekster-paar, dat in onzen tuin broedde, moest gedood worden, daar wij schade vreesden voor onze zangvogels. ’s Morgens om zeven uur werd het mannetje dood geschoten; reeds twee uren later had het wijfje een anderen man tot zich genomen; een uur later viel ook deze onder ’t moordend lood; om elf uur was het wijfje voor de derde maal gehuwd. Een herhaling zou ook nu niet uitgebleven zijn, indien niet het beangste wijfje met haar nieuwen echtgenoot naar elders ware verhuisd.Mijn vader schoot eens in het voorjaar een mannetjespatrijs. De hen vloog op, streek spoedig weêr neêr, werd onmiddellijk daarop door een nieuwen haan gevrijd, dien zij aannam.Tschudi-Schmidthofenving van het nest van een roodstaartje binnen acht dagen niet minder dan twintig mannetjes weg en liet toen eerst aan de twintig malen in rouw gedompelde, maar telkens weder vertrooste weduwvrouw het geluk en de vreugde des huwelijks.Het tegendeel van zulk eene schijnbare wispelturigheid nemen wij[224]waar, wanneer de vogelmannetjes hunne echtgenooten verloren hebben. Luid schreeuwende, weemoedig klagende, door stem en gebaren hunne droefheid te kennen gevende, vliegen zij rondom het lijk der geliefde, raken dit met den snavel aan, even als trachtten zij de doode te bewegen om op te staan en mede weg te vliegen, laten opnieuw, ook voor den mensch verstaanbare klaagtoonen hooren, dwalen binnen hun gebied van plaats tot plaats, verwijlen roepend, lokkend, jammerend, nu eens op dit, dan weder op een ander lievelingsplekje, weigeren alle voedsel, storten zich boosaardig op andere mannetjes hunner soort, als benijdden zij dezen hun geluk, en als wilden zij hen deelgenooten maken van hun eigen leed, vinden nergens rust, beginnen zonder iets ten eind te brengen, en handelen zonder te weten, wat zij doen. Zoo gaat het dagen, soms weken achtereen voort, en dikwijls toeven zij op de plaats des onheils zoo lang mogelijk, zonder zich zelfs korte uitstapjes ter opsporing eener andere levensgezellin te veroorloven. Sommige soorten, en volstrekt niet alleen de z.g. „inséparables” onder de papegaaien, maar ook vinken en andere vogels, zelfs de oehoe’s verliezen tengevolge van zulk een zwaren slag, alle lust- en levensvreugd, en treuren stil voor zich heen, totdat de dood hen van hun leed bevrijdt.Zoo niet de eenige, dan toch de hoofdoorzaak van zulk eene diepgaande smart kan wellicht gelegen zijn in de steeds groote moeilijkheid, soms onmogelijkheid om een ander wijfje te vinden en machtig te worden. Het wijfje heeft zeer dikwijls geen tijd tot treuren; want vroeger of later, dikwijls op ’t zelfde oogenblik, komen nieuwe vrijers bij haar aan de deur, die haar met zooveel gunsten en liefde overladen, dat het zich wel moet laten troosten. En wanneer de moederborst bovendien gedrukt wordt door de zorg voor de nakomelingschap, zwijgen vele andere gedachten, zoodat de kommer geen macht over haar verkrijgt.Maar wordt ook haar de vergoeding onthouden, dan drukt ook haar het leed niet minder dan het mannetje. Toch gebeurt het somtijds, dat zij nieuwe minnaars afwijst. Eene musschenweduwe, nam, gelijk mijn vader eens gelegenheid had waar te nemen, in weêrwil, dat zij eieren had uit te broeden en later jongen had groot te brengen, geen nieuwen aanbidder aan, maar bleef weduwe en voorzag hare hongerige kinderschaar geheel alleen van het noodige voedsel.Eene andere, waarlijk roerende geschiedenis, die ten bewijze kan[225]strekken van den diepen rouw eener vogel-weduwe, werd mij doorEugenius von Homeijerverhaald. Het huwelijksgeluk van een op het huis van genoemden degelijken natuuronderzoeker nestelend ooievaarspaar werd plotseling op treurige wijze vernietigd door een ellendeling, die het mannetje neêrlegde. De treurende weduwe neemt geen nieuwen echtgenoot aan, kwijt zich geheel alleen van de ouderplichten en aanvaardt tegen het begin van den herfst met haar kroost den tocht naar Afrika. Het volgende voorjaar verschijnt zij weêr op het oude nest, maar als weduwe zooals zij was vertrokken. Velen dingen naar hare hand, maar zij wijst alle vrijers met boosaardige snavelhouwen af; zij arbeidt ijverig aan de verbetering van het nest, doch doet zulks alleen, om haar huisrecht te handhaven.In den herfst trekt zij wederom met andere ooievaars naar den vreemde, om in het volgende voorjaar nogmaals terug te keeren en te handelen als het vorige jaar. En zoo gaat het elf jaren achtereen. In het twaalfde jaar poogt een ander ooievaarspaar zich in ’t bezit van het nest te stellen; zij verzet zich moedig tegen dien aanslag, maar kan ook nu nog niet besluiten door het aangaan van een tweede huwelijk zich een verdediger in dien strijd te verschaffen. Men ontrooft haar het nest, en zij blijft ongehuwd; de roovers handhaven zich in het bezit en maken er een practisch gebruik van; de rechtmatige eigenares laat zich niet meer zien, maar, gelijk later blijkt, brengt zij den ganschen zomer op een, ongeveer vijftien kilometer daarvan verwijderde plaats eenzaam door. Nauwelijks evenwel zijn de roovers vertrokken, of zij bezoekt het oude nest, toeft daar eenige dagen en aanvaardt dan ook zelf de reis. Deze ooievaarsvrouw werd in die gansche streek bekend onder den naam vankluizenaarster; haar lot en handelwijze verwierven haar de genegenheid van alle weldenkenden.En zoodanig doen en handelen zou niets anders zijn dan het werken en drijven eener van buiten bestuurde machine? Al deze zoo even geschetste uitingen van een meer dan warm en levendig gevoel zouden zonder zelfbewustzijn geschieden? Geloove wie zulks kan, verdedige zulks wie wil. Wij gelooven en verdedigen het tegendeel en zijn jaloersch op het zich zelf bewuste geluk van de huwelijkstrouw der vogels.[226]
[Inhoud]VIII.DE LIEFDE EN HET HUWELIJK DER VOGELS.Alle levende wezens voelen in zich den drang om het andere geslacht aan zich te binden, om een tweede ik met het eigen wezen tot één geheel te vereenigen; door onbaatzuchtige overgave trachten zij gelijke gevoelens op te wekken, ten einde de innigste banden te sluiten, die het eene wezen aan een tweede, het eene leven aan een ander verbindt. Wij zien hierin de openbaring eener even onverbiddelijke als noodwendige natuurwet; geene macht is in staat die wet op te heffen, of zelfs maar haar invloed te verzwakken. Onophoudelijk overwint zij alle hinderpalen en streeft zij steeds zegevierend naar het doel.Liefde noemen wij de alvermogende kracht, door welke deze wet regeert, wanneer wij van menschen spreken; wij heeten haar instinct, wanneer er van haar invloed op de dieren sprake is.Zulks is evenwel niets anders dan een woordenspel, tenzij wij de beteekenis van het eerstgenoemde woord zoodanig wijzigen, dat wij er onder verstaan: de ook in den mensch aanwezige, maar door hem veredelde en tot een zedelijk beginsel verheven natuurlijke aandrift. Ontdoen wij het van deze toevoeging, dan wordt het moeilijk eenig verschil in beider uitingen op te merken. Mensch en dier gehoorzamen aan dezelfde wet; maar het dier is gewilliger in ’t gehoorzamen dan de mensch. Het dier wikt niet, berekent niet, maar geeft zich onstuimig over aan den invloed dier wet. De mensch daarentegen beeldt zich niet zelden in, dat hij zich aan haar invloed kan onttrekken.Ongetwijfeld ziet hij, die à priori reeds de solidariteit van mensch en dier in twijfel trekt, in het laatste niets anders dan een levende machine, die door van buiten aangebrachte krachten in beweging wordt gesteld en tot handelen gedreven, en dus ook daardoor wordt aangespoord om naar de gunst van het andere geslacht te dingen, aangevuurd tot zijn jubelend gezang en geprikkeld tot den strijd met mededingers. Het spreekt wel van zelf, dat er bij zulke machines geen[205]sprake kan zijn van vrijheid en eigen wilsbepaling, van strijd tegen opkomende gemoedsaandoeningen, van eenig zieleleven in ’t algemeen. Zonder zelf daardoor in waarde te stijgen, verlaagt hij, die op deze wijze voor zich alleen aanspraak maakt op geestelijk leven, inzonderheid op geestelijke vrijheid, het dier tot een conterfeitsel zijner opgeblazen ijdelheid, tot een wezen, dat eer een schijnleven dan een werkelijk bestaan voert, en onvatbaar is voor de genietingen en vreugde des levens.Wij oordeelen anders en ongetwijfeld is ons oordeel juister en billijker, wanneer wij het tegendeel aannemen; wij oordeelen misschien niet eens te scherp, wanneer wij beweren, dat hij, die aan de dieren verstand ontzegt, zelf bezorgdheid inboezemt, en dat hij, die hetgevoelslevender dieren loochent, zelf niet weet wat gevoel is. Wie onbevangen oordeelt zal vroeger of later tot de erkenning moeten komen, dat de geestelijke functies van alle dierlijke wezens, hoeveel verschil daaromtrent ook moge bestaan, op dezelfde wetten berusten, en dat elk dier, binnen den hem aangewezen levenskring, onder dezelfde omstandigheden denkt, gevoelt en handelt als ieder ander, en geenszins in tegenstelling met den mensch, volgens zoogenaamde hoogere wetten, tot eng bepaalde levensuitingen gedwongen wordt. Men moge de oorzaken, die de dieren bij hunne handelingen besturen, met den naam van wetten bestempelen, maar dan moet men niet uit het oog verliezen, dat ook de mensch aan zulke wetten onderworpen is. Wel is waar, de mensch kan door zijn geest sommige dier natuurwetten aan zich dienstbaar maken, op andere invloed uitoefenen, eene enkele maal zelfs zich misschien aan die wetten onttrekken, maar verbreken kan hij ze niet, vernietigen evenmin.Ik wil beproeven de juistheid mijner beweringen te staven door met een voorbeeld op te helderen hoe gelijksoortig in het wezen der zaak de levensuitingen van menschen en dieren kunnen zijn, hoe beiden door de belangrijkste aller natuurwetten, die de onderhouding der soort beoogt of ten gevolge heeft, in gelijke mate beheerscht worden. Mensch en vogel! hoe breedt is de klove, die beide wezens scheidt! hoe groot is het verschil tusschen beider doen en laten! Is er eene macht, die deze kloof kan dempen? Zijn er verhoudingen mogelijk, die beiden kunnen nopen tot wezenlijk dezelfde levensuitingen? Wij willen zulks onderzoeken.Onbezorgder dan de mensch onderwerpen de vogels zich aan de wisseling[206]der jaargetijden. „Zij zaaien niet, zij oogsten niet en verzamelen niet in de schuren” en deswege moeten zij, willen zij leven, zich goedschiks of kwaadschiks voegen naar de bovengenoemde variaties. Daarom bloeien zij in de lente, brengen ze in den zomer vruchten voort, bergen deze en zich zelf in den herfst, en rusten in den winter, evenals aller moeder, de aarde. Hunne levensuitingen zijn gebonden aan de seizoenen des jaars.In dit opzicht staan ze letterlijk onder de heerschappij eener ijzeren wet, tegenover welke vrijheid en willekeur ondenkbaar zijn. Die wet moet evenwel noodwendig leiden tot gebrek en nood, tot levensgevaar voor zichzelf en hunne jongen. Zij buigen zich dus gewillig onder die wet, maar genieten daarbij eene vrijheid, die wij menschen hun zouden benijden, indien wij niet nog meer dan zij in staat waren ons aan den invloed der jaargetijden te onttrekken. Maar bloeien ook wij niet in de lente, en rusten ook wij niet in den winter? En moeten ook wij niet den nek krommen onder het ijzeren juk der noodzakelijkheid? Zijn de vogels in genoemd opzicht gebonden, zij behouden zich toch in een ander opzicht vrijheid en willekeur van handelen voor; ja oefenen deze soms nog blijmoediger en op onbeperkter wijze uit dan de mensch.Geen vogel ontzegt zich vrijwillig het genot der liefde; slechts enkelen hunner onttrekken zich aan de banden des huwelijks, ieder echter tracht liefde te verwerven en te genieten, zoodra hem zulks mogelijk is. Nog vóór het kleed der jeugd is afgelegd weet hij het verschil in sexe te onderscheiden en te waardeeren; reeds veel vroeger vecht het mannetje, als in dartelen, jeugdigen overmoed met zijns gelijken; en niet zoodra is het volwassen, of het dingt met vuur en volharding om de gunst van een wijfje zijner eigene soort. Geen vogelmannetje veroordeelt zichzelf tot het leven van een oud-vrijer, geen vogelwijfje sluit haar hart voor welgemeende liefde. Ter wille van het wijfje trekt het mannetje rusteloos en doelloos over land en zee; ter wille van een eerzaam mannetje vergeet het wijfje geleden smart, droeve rouw, hoe diep beiden ook mogen geweest zijn, ja ter wille van een beteren minnaar verbreekt het wellicht de banden der echt.Ieder vogelwijfje verkrijgt een echtgenoot; aan den anderen kant evenwel valt het elk vogelmannetje niet zoo gemakkelijk zich een wijfje te verwerven. Want ook onder de vogels moet zulk een kostbaar kleinood langs den weg van moeite en strijd verkregen worden. In ’t algemeen zijn er meer mannetjes dan wijfjes; daarom zijn velen genoodzaakt[207]het hardste noodlot, dat hen kan treffen, te torschen, en althans tijdelijk ongehuwd te blijven. Voor verreweg de meeste vogels is echter het oud-vrijersleven eene kwelling, waarvan zij zich met alle inspanning van krachten pogen te ontdoen. Zij trekken daarom op vrijerswieken door het land, kijken overal rond naar een vrouwtje, en, hebben zij er een gevonden, dan doen zij onverwijld en onbeschroomd aanzoek om hare hand, onverschillig of het een gehuwd of ongehuwd wijfje of zelfs eene weduwe is. Bleven de reizen zonder gevolg, zij zouden waarschijnlijk niet zoo geregeld heen en weer trekken als feitelijk geschiedt. Wanneer de mannetjes om de gunst der wijfjes dingen, putten zij alle hulpmiddelen uit, die de natuur hun verleende. Ieder spreidt naar aard en talent zijn beste gaven ten toon; ieder tracht zich van de meest aantrekkelijke zijde te doen zien, alle hem eigen lieftalligheden aan den dag te leggen, uit te blinken, kortom zijn soortgenooten de loef af te steken. Zijn verlangen neemt toe met de hoop op verhooring; zijne liefde wordt tot een roes en ontneemt hem alle bezinning. Hoe ouder hij wordt des te opvallender stelt hij zich aan, treedt hij met meer zelfvertrouwen op, en streeft hij onstuimiger naar het loon der min. Het spreekwoord: „met den ouderdom komen de gebreken” wordt door hem gelogenstraft. Slechts zeer zelden veroordeelt de ouderdom hem tot zwakheid en onvermogen, vermeerdert daarentegen gewoonlijk alle hem ten dienste staande talenten en verhoogt door de gerijpte ervaring de volheid van kracht, waarin hij zich verheugt. Geen wonder dus, dat de jonge wijfjes aan oude mannetjes zelfs de voorkeur geven, en begrijpelijk is het, dat deze, zoo niet vuriger, althans met meer vertrouwen vrijen dan jonge.De middelen, die een vogelmannetje bezigt om zijn liefde te verklaren zijn vele; zooals van zelf spreekt staan zij in verband met zijne ’t meest in ’t oog vallende talenten. Het eene mannetje heeft zijn lied, een ander zijn vleugels, deze den snavel, gene zijn pooten; het eene spreidt alle mogelijke vederenpracht ten toon, het andere ontplooit een of ander bijzonder sieraad, een derde openbaart talenten, vroeger ongekend. Ernstige vogels geven zich over aan scherts en spel en voeren de koddigste narrenstreken uit; stille vogels worden praatziek, rustige bewegelijk, zachtmoedige strijdlustig, vreesachtige moedig, voorzichtige zorgeloos; kortom, bijna allen laten zich van een andere zijde zien dan gewoonlijk. Hun gansche wezen schijnt veranderd, daar alle bewegingen levendiger en opgewekter zijn dan gewoonlijk, en hun doen en laten bijna in elk[208]opzicht van den gewonen regel afwijkt; feitelijk verkeeren zij in een roes, die hun veêrkracht verheft en versterkt, terwijl geenerlei afmatting zich laat zien. Zij onthouden zich van slaap, of deze wordt althans beperkt tot den kleinst mogelijken duur, en toch doet hun zulks geen kwaad; wakend spannen zij alle krachten in zonder moede te worden. Alle, met eene stem begaafde vogels vrijen met duidelijk verstaanbare klanken en hun gezang is niets anders dan het zuchten en juichen der liefde. De woorden des dichters:Wilt gij naar de nachtegalen vragen,Die met zoete en teedre melodij,U verrukten in de lentedagen—Slechts zoolang zij minden, waren zij.behelzen de volle waarheid; want het gezang van den nachtegaal en van alle overige vogels, die ons met hun liederen opvroolijken, begint met het ontluiken der eerste liefde en eindigt met het uitdooven van het minnevuur om door een ander gevoel, somtijds dat van zorg, verdrongen te worden. Zingend trekt de vogel ter bruiloft; dat gezang kondigt het wijfje zijn nabijheid aan; in een vurig lied drukt hij zijn geestdrift uit, wanneer hij zijn wijfje gevonden heeft; in het lied geeft hij zijn begeerte en verlangen, zijn verwachting en hoop te kennen; in het lied openbaart hij zijn kracht. Jubelend geeft hij uiting aan het gevoel van zaligheid en geluk; met een lied daagt hij elk mannetje zijner soort uit, dat zich vermeten dorst zijn geluk te storen. Slechts zoo lang de roes der liefde duurt, zingt de vogel met toewijding en volle kracht; zingt hij buiten dien tijd nog een enkele maal, dan doet hij zulks in herinnering aan dien roes, die hem eenmaal zoo gelukkig maakte. Er zijn er die beweren, dat de vogels zonder eenig gevoel hunnerzijds zingen, dat zij op bepaalde tijden zingen moeten en niet anders kunnen, daarentegen op een anderen tijd niet kunnen en niet mogen zingen; die zoo spreken hebben het lied der vogelen nooit verstaan of niet willen verstaan, maar enkel en alleen op jammerlijke wijze uiting gegeven aan hun vooroordeel. Men neme eens onbevangen waar, en alras zal men ontdekken, dat het lied der vogels, ofschoon dit in den grond der zaak hetzelfde blijft, zich voegt naar elke gevoelsuiting; al naar de gemoedsstemming van den vogel zelf is, vloeien de tonen nu eens rustig daarhenen, dan eens klimmen zij omhoog en worden zij tot een luid gejubel, om straks weder lager gestemd te worden. Telkens wekt het echo’s in de borst van andere mannetjes.[209]Hadden zij gelijk, die beweren, dat er geen verband bestaat tusschen het lied en de gemoedsstemming der vogelen, dan zou het eene mannetje precies eveneens moeten zingen als het andere der zelfde soort, en elk mannetje zou het hem door de natuur geschonken lied moeten opdreunen, evenals eene speeldoos de aria’s eener in haar zich bewegende, beprikte wals aframmelt; van leeren, veranderen, verbeteren, van prijskampen was dan geen sprake. Maar de ervaring leert juist het tegendeel en daarom zijn wij er van overtuigd, dat de vogel met volle bewustheid zingt, en dat in zijn lied zich zijne ziel openbaart. Hij is zelfs een dichter, die, binnen de hem gestelde grenzen, vindt, vormt en naar uitdrukking streeft; de drijfveêr van dit alles is echter de liefde. Door de liefde beheerscht, zingt, murmelt en fluit de meerkol, wauwelt de ekster, verkeert de krassende raaf zijn ruw geluid in zachte, weeke tonen, laat de anders stomme fuut zijn stem hooren, dompelt de roerdomp den snavel in het water ten einde zijn gewoon geschreeuw, het eenige hem geschonken geluid, in een vèrklinkend dof gebrul te veranderen, en zingt de zeeduiker zijn wild, maar klankrijk zeelied. Zeker zingt de vogel slechts op bepaalde tijden, maar niet daarom, omdat hij op andere tijden niet zingen kan, maar omdat hij dan geen reden heeft tot zingen, omdat hij dan niet zingen wil. Hij zwijgt, omdat hij niet meer mint, of, m.a.w. zoodra de paartijd voorbij is. Zulks wordt al dadelijk bewezen door den koekoek. Negen maanden lang hoort men geen enkele syllabe uit de keel van dezen vogel; maar nauw is het voorjaar gekomen, of hij roept onafgebroken door, van het krieken van den dag tot den avond en net zoolang als de paartijd duurt. Hij zwijgt echter eerder in het zuiden dan in het noorden, eerder op de vlakte dan op het gebergte, geheel in overeenstemming met den broedtijd der pleegouders, die in het zuiden en in de vlakte vroeger met den nestbouw beginnen en eerder de opvoeding der jongen voltooid hebben dan in het noorden of op de hoogten der gebergten.Bij hunne liederen of eigenaardige stemgeluiden voegen een aantal vogels nog sierlijke bewegingen, waarbij nu eens de vleugels hunne hulp bewijzen, dan eens weder de pooten mede dienst doen; nog andere vogels nemen eigenaardige houdingen aan, om zich hierin aan het wijfje te laten zien of voor haar op en neêr te wandelen; verder zijn er, die het een of ander vreemd gedruisch voortbrengen. En dit alles geschiedt eenig en alleen om de gunst van het vrouwelijk geslacht te verwerven.[210]Terwijl sommige valken en zoo ook de uilen hunne begeerte uitsluitend of hoofdzakelijk door een luid geroep te kennen geven, voeren andere roofvogels voor of gemeenschappelijk met het wijfje prachtige luchtspelen uit, die nu eens op een dans gelijken, dan weder aan razernij doen denken. De arenden, buizerden, slechtvalken, kleine en gewone torenvalken beschrijven uren achtereen kringen om elkander, klimmen in schroeflijnen tot duizelingwekkende hoogten op, en volbrengen, onder het vliegen, klaarblijkelijk om elkander te behagen en het leven te veraangenamen, allerlei kunststukken; nu en dan laten zij een luid geschreeuw hooren, spiegelen hun gevederte in het zonnelicht, om eindelijk, langzaam en zwevend naar de eene of andere hooge zitplaats te dalen en hier verder te minnekoozen. De wouwen of milanen, die zich in hoofdzaak eveneens gedragen, laten zich soms plotseling met half toegevouwen vleugels uit aanzienlijke hoogten naar beneden vallen, strijken rakelings langs den grond of het watervlak, beschrijven dan in snelle vaart vele schroeflijnen, houden zich eene poos met trillende vleugels stil boven dezelfde plek staande, of volbrengen allerlei andere vreemdsoortige bewegingen, om daarna weder langzaam tot dezelfde hoogte op te stijgen.De kuikendieven vliegen langen tijd oogenschijnlijk onverschillig achter of naast het gevrijde wijfje, daarna in kringen om haar heen, terwijl straks beiden te zamen allerlei door elkaar gevlochten cirkelkringen beschrijven; nu laat het mannetje het wijfje alleen, steigert met den kop naar boven, bijna steilrecht omhoog; de trage vlucht gaat allengs over in eene woeste vaart, het buitelt plotseling over den kop, valt met bijna geheel toegevouwen vleugels loodrecht naar beneden, beschrijft enkele kringen, vliegt nogmaals naar boven om nu het straks beschreven spel opnieuw aan te vangen, tot eindelijk ook het wijfje besluit dat voorbeeld te volgen. Sterker toeren dan deze allen verricht de goochelaar van Centraal-Afrika, een wouw van de grootte eens arends, en in ’t algemeen een roofvogel van vreemdsoortige gedaante en manieren. Zijn zonderlinge wijze van vliegen trekt ten allen tijde de aandacht, maar in den paartijd grenst zijn vliegkunst aan ’t ongeloofelijke; het is alsof de vogel een kluchtspel in de lucht uitvoert, een kluchtspel, dat zinbekorend op den toeschouwer werkt.Evenals de roofvogels gedragen zich in den paartijd een aantal andere vogels, en zelfs zulke, die volstrekt niet tot de beste vliegers behooren. Dat ook deze de hulp der vleugels inroepen, wanneer zij dingen naar de liefde van een wijfje, of als zij uitdrukking willen geven[211]aan het gelukkig gevoel van verkregen bezit, is volgens het zooeven medegedeelde niet meer dan natuurlijk. Vol ijver zit de zwaluw naast het gevrijde of reeds verworven wijfje zijn heerlijk lied te zingen; het in zijn hartje flikkerende liefdevuurtje is evenwel veel te sterk dan dat deze vliegvaardige vogel onder het zingen stil op dezelfde plek zou kunnen blijven zitten; hij vliegt daarom op, zingt al vliegende voort en zweeft middelerwijl boven en rondom het wijfje, dat hem ondertusschen is nagevlogen. De geitenmelker zit geruimen tijd overlangs op een boomstam, soms vrij ver van het wijfje verwijderd, spint eenige minuten achtereen zijn snorrende strophen, vliegt op, beschrijft klapwiekend, sierlijke kringen om het wijfje, en roept dit zulk een teeder „haïet” toe, dat men er verbaasd over staat, hoe het mogelijk is, dat zoo zachte geluiden kunnen ontwellen uit die rauwe keel. De bijenvreter, die eveneens slechts met een zeer bescheiden stem begiftigd werd, verwijlt langen tijd, dicht tegen zijn wijfje aangedrukt, op zijn wachtpost, laat of in ’t geheel niet of slechts flauw eenig geluid hooren en schijnt zich te vergenoegen met haar enkel door den teederen blik zijner schoone, hoogroode oogen toe te spreken; eensklaps echter komt ook hij in vuur, roert plotseling de vleugels, stijgt omhoog, beschrijft een cirkel, laat een luiden juichkreet hooren, en keert naar zijn wijfje terug, dat intusschen haar plaats niet heeft verlaten. En wat de duif betreft, te midden van haar minnezang, ’t zij wij er den naam aan geven van kirren of huilen, staakt zij plotseling haar lied, evenals werd zij door geestvervoering aangegrepen, breidt de vleugels uit, klapwiekt een en andermaal, klautert omhoog, breidt de vleugels uit en daalt langzaam zwevend op de een of andere boomkruin neder om hier van voren aan te beginnen.Boompiepers, waterpiepers, grasmusschen, spotvogels gedragen zich evenals de duiven; de fluiters laten zich, altijd doorzingende, van hun verheven zitplaats naar beneden vallen en vliegen van hier weder naar een hoogeren tak, om daar hun lied af te breken; straks daarop beginnen zij van voren aan om het op gelijke wijze te eindigen. De vlasvinken, sijsjes en grauwgorzen tuimelen, van liefde dronken, op zulk eene vreemdsoortige wijze door de lucht, dat het schijnt alsof zij het vrije gebruik der vleugels verloren hebben; deleeuwerikensteigeren, onder het zingen van hun minnelied, letterlijk ten hemel; de groenvink neemt den schijn aan alsof hij bij eenvleêrmuisin de leer was geweest.[212]In gelijken roes verkeeren alle vogels, die door dansen hunne liefde openbaren. Ook deze verloochenen onder den dans hunne gewone geaardheid, en geraken ten slotte in zulk eene sterke geestvervoering, dat zij alles om zich heen vergeten. Weinige vogels laten gedurende den dans in ’t geheel geen geluid hooren; de meesten stooten alsdan integendeel geluiden uit, die hun anders vreemd zijn. Tevens ontplooien zij middelerwijl al den vedertooi, waarover zij hebben te beschikken, of zij eindigen daarmede den dans.Tot de ijverigste dansers behooren de hoenderachtige vogels. Onze huishaan stelt zich daarmede tevreden, dat hij trots heen en weder stapt, kraait en met de vleugels slaat; zijn hofgenooten, de pauw en kalkoen doen al iets meer en balderen. Maar de lustigste dansers zijn de ruigpoothoenders en enkele fazanten. Wie in de eerste morgenuren den balderenden auerhaan waarneemt, wie het ratelende en slijpende korhoen heeft beluisterd, wie in de schemernachten van de noordelijke lente het moerassneeuwhoen op de sneeuwvelden der toendra zag dansen, zal mij gelijk geven wanneer ik zeg, dat zulk eene hulde, gelijk genoemde hanen hun hennen bewijzen, even onweêrstaanbaar op ons werkt als die, welke de pauw zijn wijfje bereidt, wanneer hij zijn prachtkleed als een baldekijn voor haar uitspreidt.Op nog vreemdsoortiger wijze gedragen zich de mannetjes der satyrhoenders of hoornfazanten, prachtige vogels uit het zuiden van Oost-Azië, die zich kenmerken door twee hoornachtige, levendig gekleurde, buisvormige huidlappen aan beide zijden van den bovenkop, en een met de gloeiendste kleuren prijkende, voor uitzetting vatbare keellel. Nadat de haan een en ander maal om de hen is rondgeloopen, schijnbaar zonder op haar te letten, blijft hij eindelijk op eene bepaalde plaats stil staan en vangt aan buigingen voor haar te maken. Steeds sneller volgen deze bewegingen op elkander, terwijl ondertusschen de horens zich langzaam uitrekken en de keellel zich verbreedt en daalt, totdat eindelijk beide organen den van liefde dronken vogel over den kop vliegen. Nu ontplooit hij de vleugels, spreidt den omlaag gedrukten staart uit, hurkt op de ingebogen pooten en veegt al blazend en sissend met zijn vleugels den grond. Plotseling staakt hij deze bewegingen. Diep gebogen, met opgerichte veêren, vleugels en staart tegen den grond gedrukt, de oogen gesloten, hoorbaar adem halende, blijft hij een poos als in geestvervoering in deze[213]bewegingloosheid volharden. Een verblindende glans schiet van uit zijne nu geheel ontplooide tooisels.Plotseling richt hij zich echter weder op, blaast en sist, siddert over zijn geheele lichaam, brengt de veêren weder in den gewonen stand, scharrelt met de pooten, werpt den staart omhoog, slaat met de vleugels, richt zich met rukken in zijn volle lengte op, rent onstuimig op het wijfje los, staakt bliksemsnel dien wilden loop en vertoont zich voor haar in olympische heerlijkheid; hij blijft nog een oogenblik staan, trilt, beeft, sist en laat eensklaps alle pracht verdwijnen, strijkt de veêren glad, trekt de horens en de keellel in, en begeeft zich, even als ware er niets gebeurd, aan zijn gewonen arbeid.Met sierlijken tred, gebogen kop, uitgespreiden staart en vleugels, terwijl de laatste in trillende beweging verkeeren, trippelt de kwikstaart al buigende, nu naderende, dan zich verwijderende, om de uitverkoren gade; als een flikkerende offervlam verschijnt de vuurvink op den top eener aar van het kafferkoren, waarin hij met zijn wijfje zijn woning heeft opgeslagen, pronkt met zijn prachtig gevederte in de stralen der zon, en draait, onder ’t zingen van een lustig lied, zich op zijn zetel in het rond. Teeder als echte menschenkinderen, mond aan mond, borst aan borst gedrukt, voeren doffer en duif gemeenschappelijk een langzamen dans uit; hartstochtelijk, met levendige sprongen, dansen de kraanvogels; niet minder ijverig, zelfs ten aanzien van schijnbaar hen bewonderende toeschouwers, doen zulks de prachtige rotshoenders van Middel-Amerika; en zelfs de condor, een vlieger van den eersten rang, die duizenden meters boven de hoogste toppen der Andes door den ether zweeft, en van wien men niet zou verwachten, dat hij andere minnemiddelen zou bezigen dan het vliegen, veroorlooft zich wel eens een dansje en draait, met diep gebogen kop en breed uitgespreide vleugels, om het wijfje rond, terwijl hij daarbij een eigenaardig trommelend geluid laat hooren.Nog andere vogels dansen niet zoo zeer, maar springen woest op en neder, of huppelen op de takken rond, terwijl zij ondertusschen met hun fraai gevederte pronken; zoo doen b.v. de paradijsvogels, die in de morgenuren gemeenschappelijk op zekere boomen verschijnen, om hier als hulde aan het wijfje, onder allerlei bewegingen en onder het trillen der vleugels hunne sierlijke vederen uittespreiden. Er zijn er weder andere, die een soort vanpriëeltjesbouwen, welke zij met gekleurde,[214]glinsterende voorwerpen versieren, en waarin zij allerlei dansen uitvoeren.Sommige vogels eindelijk, die noch met hunne stem, noch met vliegen en dansen kunnen schitteren, gebruiken den snavel, om hiermede de vreemdsoortigste geluiden voort te brengen. Op deze wijze vrijen alle ooievaars; zij slaan de beide snavelhelften schielijk tegen elkaar, wat een geklepper veroorzaakt dat de plaats vervangt eener stem, die dezen vogels ontbreekt. Ook de spechten handelen eveneens, en hameren met hun snavel tegen een dooden stam of tak, waardoor het hout in trilling wordt gebracht, terwijl een doordringend geluid in het bosch weêrklinkt.Ofschoon het wijfje eene haar geldende liefdesverklaring eigenlijk niet met preutschheid afwijst, schenkt het toch slechts in geval van nood hare hand aan den eersten den besten vrijer. Aanvankelijk luistert het schijnbaar zeer onverschillig naar de teederste minneliedjes en blijft koel onder ’t aanschouwen der vliegspelen en dansen, die haar ter eere worden opgevoerd, en even onverschillig aanschouwt het schijnbaar alle pracht, die voor haar alleen wordt ten toon gespreid. Meest doet het alsof al die bekoringsmiddelen van het mannetje haar niet aangaan, en vervolgt dood bedaard haar gewone bezigheden, tot het zoeken van eten toe. In vele, ofschoon lang niet alle gevallen, laat het zich in de nabijheid lokken, maar geeft toch geen enkel teeken van goedkeuring of genegenheid. Vele vogelwijfjes, o.a. die der in polygamie levende hoenders, bezoeken niet eens de balderplaatsen, ofschoon deze vogels juist alles behalve preutsch zijn en de balderende hanen niet zelden door een uitlokkend geroep in vuur en vlam weten te zetten. Wordt een mannetje vrijpostiger dan haar lief is, dan onttrekt zij zich door de vlucht aan zijn vrijheden. Zulks moge nu meestal niet gemeend zijn, maar zij doet het met zooveel ernst en volharding, dat men moeilijk kan bepalen of deze vlucht zonder eenig nevendoel dan wel uit schijn geschiedt. In elk geval bereikt zij er toch dit mede, dat het mannetje zijn verlangen ten toppunt voelt stijgen en tot de uiterste inspanning van alle krachten wordt gedreven. Meer dan ooit in vuur, niet denkende aan eenige terughouding, slechts naar het ééne doel strevende, stormt het op het wijfje los, als om haar te dwingen gehoor aan zijn liefde te geven; vuriger dan ooit klinkt het lied, met meer geestdrift dan te voren baldert het, danst het en vliegt het, wanneer het wijfje hem een oogenblik van rust laat, en ijveriger dan straks[215]neemt het de vervolging weêr op zich, zoodra dit laatste hare vlucht opnieuw voortzet.VECHTENDE MANNETJESVINKEN.VECHTENDE MANNETJESVINKEN.Waarschijnlijk zouden de wijfjes der vogels gewilliger zijn, indien het aantal vrijers niet zoo groot ware. Tengevolge van het gemeenlijk grootere aantal mannetjes genieten de wijfjes het geluk der volle vrije keuze. Een aantal mannetjes, bij tijd en wijle zelfs een groot aantal, brengt het wijfje hun hulde, en gerechtvaardigd is alzoo haar besluiteloosheid en kieschkeurigheid. Uit eigen beweging of onwillekeurig gehoorzaamt het aan de wet der teeltkeus; het streeft er naar het beste, gezondste, in alle opzichten voortreffelijkste mannetje uit velen uit te kiezen; hetmagkieschkeurig zijn. De terugwerking van het gedrag[216]en de handelingen van het wijfje ten aanzien der mannetjes openbaart zich in toomeloozen minnenijd, die de hevigste gevechten, soms een strijd op leven en dood na zich sleept. Elke vogel, zelfs de schijnbaar zachtmoedigste en vreesachtigste, wordt in dien strijd om eene geliefde een held, en ieder weet daarbij zulk een goed gebruik te maken van de hem door de natuur geschonken weêrmiddelen, als: snavel, nagels, sporen, zelfs van de met hoornachtige stekels voorziene vleugels, dat in vele gevallen de strijd eerst eindigt met den dood des eenen medeminnaars.BALDEREND KORHOEN.BALDEREND KORHOEN.Naar de soort en den stand der vogels wordt het gevecht in de lucht, op den grond, in de takken of in het water uitgevochten. Arenden en valken vallen elkander in de lucht, met klauwen en snavels aan. Zulke tweegevechten kenmerken zich door sierlijke wendingen, een wedijverend omhoog stijgen, ten einde een voor den aanval gunstige hoogte te bereiken, pijlsnel uitgevoerde stooten, schitterende afweringen, wederzijdsche vervolgingen en een moedig standhouden. Wanneer het een der koninklijke helden gelukt zijn mededinger te grijpen, slaat ook de laatste den eersten de klauwen in de borst en beiden dalen alsnu, van ’t gebruik der vleugels beroofd in een schroeflijn ter aarde. Hier aangekomen wordt de strijd begrijpelijkerwijs gestaakt; maar stijgt een hunner echter weêr omhoog, onmiddellijk volgt hem de ander, en weinige minuten later begint het duel opnieuw. Wordt een der strijdenden b.v. ten gevolge van bekomen wonden vermoeid, dan vangt hij den terugtocht aan, of vlucht weg, verwoed door den ander vervolgd. Snel en zonder eenigen tegenstand meer te bieden, verre buiten de grenzen van het rijk, dat het wijfje voor zich heeft uitverkoren, ongeacht alle nederlagen, geeft het evenwel toch den strijd niet eer op, voor het wijfje zich bepaald voor den overwinnaar heeft verklaard. Een doodelijken afloop heeft zulk een gevecht, hoewel zelden, toch eene enkele maal; want de arend, wiens ijverzucht door liefde en eergevoel werd geprikkeld, kent geen erbarmen of genade en vermoordt onmeêdoogend denweêrloosgemaakten medeminnaar. Zelfs de torenzwaluwen, anders zulke zachtzinnige vogeltjes, die op gelijke wijze als de arenden vechten, dooden hare medeminnaars door dezen hare scherpe nagels in de borst te slaan en dit lichaamsdeel zoodanig open te rijten dat de dood er op volgt.Bij alle vogels, die met eene stem begiftigd zijn, gaat een werkelijke uitdaging den strijd vooraf.[217]Reeds het lied van den zangvogel wordt tot een wapen, waarmede, ofschoon onbloedig, gestreden en overwonnen wordt; reeds het paringsgeroep, dat op zulk eene karakteristieke wijze het aanzoek uitdrukt, doet de ijverzucht ontbranden. Wie de kunst verstaat het geroep van den koekoek natebootsen, lokt den anders zoo voorzichtigen dwaas tot op den boom, waaronder men zich heeft opgesteld; wie het ingewikkeld gefluit van den goudmerel, het koeren der wilde duiven, het zacht gekir der tortels, het trommelen der spechten, met één woord de loktonen der vogels natuurlijk weet terug te geven, verkrijgt gelijk resultaat. Verschijnt een medeminnaar op het tooneel, zoo geeft deze zijn komst eveneens door een geroep of met zingen te kennen; spoedig echter gaat hij tot feitelijkheden over en er ontbrandt tusschen de beide minnaars een even heftige strijd als tusschen de straks genoemden. Tot in het binnenste der ziel verbitterd, roepende, schreeuwende en gillende, jaagt de een den ander na, onverschillig of de weg door hooge of lage luchtlagen voert, door de toppen der boomen of door de struiken, en even als bij de vervolging van het wijfje prikkelt de een den ander nog onder deze jacht door uitdagende tonen, door een lied, door het uitspreiden der tooisels en soortgelijke honende gebaren. Haalt de vervolger den vervolgde in, dan stoot hij dezen zoodanig met zijn snavel, dat de veêren er langs stuiven; laat hij af, dan keert de vervolgde zich bliksemsnel om, teneinde nu op zijn beurt aanvallenderwijs te werk te gaan; houden beiden stand dan plukharen zij elkander zoo hevig als zij maar kunnen, in de lucht, in de takken of op den grond. Is de strijd beslist, dan komt ook hier het wijfje nader om zich aan de zijde des overwinnaars te scharen.Grondvogels vechten altijd op den grond, zwemvogels in het water.Hoe ernstig de hoenders vechten weet ieder, die eenmaal den strijd van twee hanen bijwoonde. Ook hier geldt het een kamp op leven en dood, ofschoon de dood zelf er zelden meê gemoeid is, tenzij menschelijke ruwheid de natuurlijke wapenen verscherpte, en de weêrmiddelen verzwakte. De om een wijfje vechtende struisvogels gebruiken almede hunne krachtige pooten en brengen elkander met hun sterke of scherpe klauwen diepe wonden toe in borst, lijf en pooten; jaloersch geworden trapvogels maken, na elkander eerst met opgeblazen keelzak, verwrongen vleugels en uitgespreiden staart, en onder een hevig geblaas, langen tijd te hebben uitgedaagd, een geweldig gebruik van hunne snavels; strandloopers en andere strandvogels, inzonderheid de kemphanen, welke[218]vogels om elke kleinigheid met elkander vechten, niet alleen om een wijfje, maar zelfs om een vlieg, om de zon, om het licht en om de een of andere plaats, rennen met hunne snavels als waren het aangelegde lanzen, op elkander in, telkens de stooten opvangende met hunne sterk ontwikkelde borstveêren, die bij de kemphanen tot een waar schild zijn geworden; de waterhennetjes loopen op het wankelende dek van drijvende waterplanten op elkander af en brengen elkander slagen toe met de pooten; de zwanen, ganzen en eenden vervolgen elkander net zoo lang tot het een der strijders gelukt den ander bij den nek te pakken en zoolang onder water te houden tot hij gevaar loopt te verdrinken; in elk geval wordt hij door deze manoeuvre zoo verzwakt, dat hij den strijd niet dadelijk weder kan aanvaarden; de zwanen maken daarbij, even als de spoorvleugels, gebruik van de harde, spitse, verhoornde uitsteeksels aan de vleugelbocht, om daarmede gevoelige slagen uit te deelen.Zoo lang het wijfje zich nog niet bepaald voor een mannetje verklaard heeft, neemt het geen deel aan dien strijd, ja het schijnt er zich zelf niet eens warm voor te maken. Toch moet het alles opmerkzaam nagaan, daar het zich gemeenlijk voor den overwinnaar verklaart, althans diens aanzoeken het oor leent. Op welke wijze het jawoord gegeven wordt kan ik niet zeggen, ja zelfs niet vermoeden. Nog voordat de strijd is geëindigd heeft het reeds de keuze bepaald en van af dit oogenblik geeft het zich geheel en al aan den man harer keuze over, volgt dien even dikwijls als het hem voorgaat, aanvaardt met zichtbaar welbehagen diens liefdesverklaringen, en beantwoordt met eene zelfverloochenende teederheid al zijn liefkoozingen.Vol verlangen roept het hem, jubelend begroet het hem, gewillig volgt het zijn wenschen en voegt zich naar zijn handelingen. Dicht aaneengedrukt zitten de gepaarde papegaaien naast elkander, al zijn ook honderden op denzelfden boom vereenigd; de volkomenste harmonie beheerscht hen, slechts door één wil schijnen zij bezield.Neemt het mannetje voedsel tot zich, zijn gade volgt zijn voorbeeld; zoekt het eerste een ander plaatsje op, de laatste volgt hem; laat het mannetje zijn geschreeuw hooren, het wijfje antwoordt terstond. Liefkoozend verbergen zij den snavel in elkanders veêren, en gewillig buigt de zwakke partij kop en hals, om deze bewijzen van liefde te ontvangen. Al is het niet altijd op zulk eene zichtbare wijze, elk vogelwijfje ontvangt en beantwoordt de haar gewijde liefkoozingen met gelijke[219]teederheid. Het weet van geen luim of humeur, van geen pruilen of grommen, van geen schelden of kijven, van geen misnoegen of ontevredenheid, het kent slechts liefde, teederheid en overgave, en het mannetje zwelgt in geluk en zaligheid, zich bewust van een kostbaar bezit, dat hij wenscht te handhaven. Is hij heden de toongever, morgen schikt hij zich naar de wenschen zijner gade; als zij opvliegt volgt hij, als zij de woonplaats verlaat, trekt hij mede uit, wanneer zij naar huis terugkeert, wendt ook hij zich derwaarts. Niet te verwonderen is het dus, dat het huwelijk der vogels gelukkig en rein is. Al verouderen ook de voor hun leven verbonden echtgenooten, hunne liefde veroudert niet, maar blijft eeuwig frisch en jong; elke lente voert nieuwe olie aan om de oude vlam te voeden; de wederzijdsche liefde verzwakt niet al duurt de echt nog zoo lang. Getrouw nemen beiden een deel op zich van de noodzakelijke huishoudelijke bezigheden, die nestbouwing, bebroeding en de opvoeding der jongen vragen; zelfopofferend helpt het mannetje zijn wijfje bij alle moeitevolle werkzaamheden, die de kinderen haar veroorzaken; moedig verdedigt hij deze; zonder bedenken stort hij zich in de grootste gevaren, ja deinst voor den dood niet terug, waar het leven van hun kroost op het spel staat. In één woord: zij deelen van het oogenblik hunner vereeniging af alle lief en leed, en zoo bijzondere omstandigheden zulks niet verhinderen, duurt deze innige band het gansche leven.Het ontbreekt niet aan waarnemingen, die ten bewijze van het gezegde kunnen strekken.Scherpzinnige waarnemers, die jaren achtereen enkele vogels hebben gadegeslagen en deze eindelijk zoo nauwkeurig kenden, dat eene verwisseling met andere vogels derzelfde soort onmogelijk was, zijn ons daarvoor borg geworden; en ieder onzer, die zijne opmerkzaamheid slechts wijdt aan bijzonder in ’t oog vallende vogels, zal tot een gelijk besluit moeten komen. Een paar ooievaars op het dak geeft den eigenaar der woning gelegenheid te over om mannetje en wijfje van andere ooievaarsmannetjes en wijfjes te onderkennen, zoodat hier elke vergissing uitgesloten schijnt. Wie evenwel zijn ooievaar gadeslaat zal ervaren, dat altijd hetzelfde paar naar het nest terugkeert zoo lang beide echtgenooten nog in leven zijn. En ieder natuuronderzoeker en ieder jager, die trekkende vogelparen scherp in ’t oog vat, of, wanneer de geslachtsverschillen niet uitwendig zichtbaar zijn, ze neêrschiet, zal steeds ondervinden, dat het mannetje en wijfje zijn. Op mijn reizen in Afrika[220]heb ik veelvuldig trekkende vogelparen ontmoet, die ook hier in gelijke, het huwelijk der vogelen zoo gunstig onderscheidende innige gemeenschap leefden en even onafscheidelijk aan elkaar gehecht waren als ginds bij het nest; die gemeenschappelijk handelden, gemeenschappelijk duldden en leden. De paren van den dwergarend waren ook dan nog als echtgenooten te kennen, wanneer zij in gezelschap van andere vogels hunner soort reisden en toefden; de zangzwanen, die ik aan het Mensale-meer in Egypte waarnam, verschenen paarsgewijs en vertrokken eveneens paarsgewijs; alle andere in echt levende vogels, die ik onderweg aantrof, bevestigden dezen regel. Dat beide echtgenooten gemeenschappelijk dulden en lijden, ervoer ik, toen ik aan een waterpoel in Zuid-Nubië eens een ooievaarspaar aantrof, dat daarom mijne opmerkzaamheid trok, dewijl het zich hier nog ophield op een tijdstip, dat alle soortgenooten reeds lang een toevlucht hadden gezocht in het hartje van Afrika. Teneinde de oorzaak van dit achterblijven te leeren kennen, liet ik het doodschieten en nu bevond ik, dat het wijfje den eenen vleugel had gebroken, zoodat het verhinderd werd verder te reizen; het door en door gezonde mannetje was dus alleen uit liefde voor zijn gade en om haar gezelschap te houden, teruggebleven, en dat in een oord, hetwelk alle gegevens miste voor een goed winterverblijf.Slechts de dood kan een eind maken aan het innige en trouwe verbond van door den echt vereenigde vogels.Zulks is regel—maar er zijn uitzonderingen. Ook onder de vogels komt, alhoewel zeldzaam, echtbreuk voor. Hoe trouw zich de wijfjes ook gewoonlijk aan hare echtgenooten betoonen, hoe weinig zij ook naar andere mannetjes kijken, hoe zelden het voorkomt dat zij iemand als huisvriend opnemen, wanneer zich zulk een indringer opdoet—bijzonder in ’t oog loopende eigenschappen van een vreemd mannetje kunnen verleidelijk worden. Een meesterzanger der zelfde soort, die met zijn gezang den echtgenoot in de schaduw stelt, een arend, die het door een wijfje uitverkoren mannetje in alle of althans in vele opzichten overtreft, kunnen het geluk van het nachtegaalsgezin, respectievelijk dat van den arend op gruwzame wijze verstoren, en soms zelfs de wijfjes tot ontrouw verleiden.De oud-vrijers, die gedurende den broedtijd het land doortrekken, strekken ten bewijze van het gezegde. Zij dringen onbeschaamd binnen het gebied der echtelieden en dingen driest om de gunst der vrouw, zoodat hieruit hevige vechtpartijen ontstaan tusschen deze alleenloopers[221]en het rechtmatige mannetje, welke gevechten ook nu weder gewoonlijk uitgevochten worden, zonder dat het wijfje zich in dien strijd mengt. Ook schijnt daarvoor te pleiten het gedrag dier wijfjes, die plotseling weduwe zijn geworden en zich niet alleen terstond door een nieuwen echt weten te troosten over het geleden verlies, maar eene enkele maal zelfs niet schuwen den moordenaar van den eersten gemaal te huwen. Op het dak van het riddergoed Ebensee bij Erfurt broedde sinds jaren een ooievaarspaar, dat wel is waar in de beste eendracht leefde, maar toch nu en dan last had van om het nest rondvliegende schuimloopers. In zeker voorjaar verscheen daar ter plaatse een mannetje, dat brutaler was dan een te voren, en dat den huisvader gedurig tot een tweestrijd uitdaagde of hem noodzaakte onophoudelijk goede wacht te houden. Op zekeren dag zit deze, van ’t vechten moede, met den kop tusschen de veêren gedoken, oogenschijnlijk in slaap gevallen, op zijn nest; de vreemdeling schiet plotseling van boven op hem neêr; doorboort hem met zijn snavel en slingert het lijk van het dak. En de weduwe? Zij verdrijft den sluipmoordenaar niet, maar neemt hem onmiddellijk, als haar gemaal aan, en gaat voort met broeden even alsof er niets gebeurd ware.Deze en vroeger vermelde omstandigheden pleiten niet ten gunste van de vogelwijfjes, doch zij worden, ik wil dit reeds hier aanstippen, door een aantal tegenbewijzen zoozeer ontzenuwd, dat zij slechts mogen gelden als uitzonderingen op den regel om alzoo den regel zelf te bevestigen. En wanneer er werkelijk reden bestaan om in dit opzicht de wijfjes te veroordeelen, wij mogen daarbij niet vergeten, dat de mannetjes, die veel minder aanleiding hebben tot ontrouw, omdat zij zoo veel talrijker zijn dan de wijfjes, insgelijks de heiligheid van den echt kunnen schenden. Ieder die de duiven kent, vogels, die men ten onrechte afschildert als in ’t bezit te zijn van alle mogelijke deugden, weet hoe weinig zij den roem waard zijn, waarmede de overlevering en de denkbeelden der ouden hen versieren. De teederheid der duiven is verleidend, maar niet echt; haar trouw jegens gade en kroost wordt geprezen, maar kan de proef niet doorstaan. Hun geringe vaderliefde daargelaten, maken de doffers zich maar al te dikwijls schuldig aan echtbreuk, en niet zelden nemen zij den tijd, dat hun echtgenooten zitten te broeden, waar, om met andere duifjes te coquetteeren. De eenden handelen nog berispelijker en de roodhoenders maken het ook al niet beter. Zoodra de eenden vast op de eieren zitten, zoeken de heeren gemaals elkander[222]op, om elkander zoo aangenaam mogelijk den tijd te korten, terwijl ondertusschen de arme vrouwtjes zich afsloven en zonder eenige hulp met de zorg voor de kleinen belast blijven. Eerst dan voegen zich de mannetjes weêr bij hunne echtgenooten wanneer de kinderen groot geworden zijn en dus hunne hulp niet meer behoeven. De roodhoenders, en waarschijnlijk ook onze patrijzen, maken gedurende den paartijd hun opwachting bij elken anderen mannelijken soortgenoot om met dezen naar hartelust te vechten; de Spanjaarden maken hiervan gebruik door hen met behulp van tamme individuen te misleiden en dan te dooden; later, wanneer de hennen broeden en de vechtlust is geweken, verschijnen zij echter op het geroep der hennen en nu zelfs nog schielijker dan te voren.Doch, gelijk gezegd, dit zijn uitzonderingen op den regel, die zich met de in veelwijverij levende vogels in de verte niet laten vergelijken. Te vergeefs heeft men getracht de veelwijverij der runder-troepialen, koekoeken, fazanten, boschhoenders, kalkoenen, kwartels, pauwen en kemphanen te verklaren; een afdoende reden heeft men nog niet kunnen vinden. Wanneer men beweert, dat de koekoek en diens naaste verwanten niet broeden, omdat zij de opdracht ontvingen de al te snelle vermeerdering van rupsen tegen te gaan, zoodat zij dientengevolge niet kunnen huwen en voor hun eigen kroost zorgen, dan bazelt men zonder eenige verklaring te geven, en vergeet dat ook derunder-troepialenhun kroost aan vreemden toevertrouwen; en wanneer men zegt, dat de natuur door de instelling der veelwijverij bij sommige hoendersoorten, die sterk aan vervolgingen zijn blootgesteld, voor eene talrijke nakomelingschap heeft willen zorg dragen, dan mag men wijzen op het feit, dat dit doel bij andere hoenderachtige vogels, die in monogamie leven en in vruchtbaarheid voor eerstgenoemden niet onderdoen, eveneens bereikt wordt.Het woord veelwijverij is eigenlijk slecht gekozen, want het begeeren blijft hier niet beperkt bij de mannetjes, maar ook de wijfjes deelen dit gevoel. Het koekoekswijfje houdt zich heden bij dit, morgen bij een ander mannetje op, ja het maakt wellicht binnen het tijdsverloop van een enkel uur velen gelukkig; hennen geven zich vrij onverschillig nu aan dezen dan aan dien haan over. Bij al deze vogels is er van geen eigenlijk huwelijk sprake. De mannetjes bekommeren zich slechts nu en dan om de wijfjes, en deze zien evenmin veel naar de mannen om; elke sexe gaat haar eigen gang, zondert zich buiten den paartijd[223]zelfs van de andere af en bekommert zich niet om het lot van het andere geslacht. Eene grenzenlooze hartstocht en eene hierdoor tot het uiterste gedreven jaloezie, heerschzuchtig eischen en deemoedig inwilligen, toomeloos willen en bereidwillig verhooren zijn de karakteristieke eigenschappen van den sexueelen omgang bij al deze vogels. Zoo wordt het dan ook verklaarbaar, dat bij hen vaker dan bij andere vogels mishuwelijken worden gesloten, ten gevolge waarvan bastaarden ontstaan, die een jammerlijk bestaan voeren, en die òf kinderloos blijven, òf door paring met een der stamsoorten nakomelingen teelen, die weder onvruchtbaar zijn. Mishuwelijken of gemengde huwelijken komen wel is waar, ook bij sommige in monogamie levende vogels voor, maar alleen dan, wanneer er geen goede echtgenooten te vinden zijn en de nood er toe dwingt; bij de vroeger genoemden zijn het toeval en de verleidelijke gelegenheid de gewone motieven.Nood,—dringende, noodzakelijke evenwel,—de behoefte om het leven te redden der pas uit het ei gekomen of nog in het ei sluimerende jongen, hierin moeten wij waarschijnlijk de reden zoeken, die de wijfjes der monogamisch levende vogels aanspoort om den weduwensluier spoediger met den bruidskrans te verwisselen dan de mannetjes het verlies hunner gaden kunnen vergeten. Of de rouw der weduwen evenwel minder groot is dan die der weduwnaars is, hoezeer de schijn er voor pleit, verre van zeker. Evenals de ooievaarsvrouw van Ebensee doen vele vogelwijfjes. Een ekster-paar, dat in onzen tuin broedde, moest gedood worden, daar wij schade vreesden voor onze zangvogels. ’s Morgens om zeven uur werd het mannetje dood geschoten; reeds twee uren later had het wijfje een anderen man tot zich genomen; een uur later viel ook deze onder ’t moordend lood; om elf uur was het wijfje voor de derde maal gehuwd. Een herhaling zou ook nu niet uitgebleven zijn, indien niet het beangste wijfje met haar nieuwen echtgenoot naar elders ware verhuisd.Mijn vader schoot eens in het voorjaar een mannetjespatrijs. De hen vloog op, streek spoedig weêr neêr, werd onmiddellijk daarop door een nieuwen haan gevrijd, dien zij aannam.Tschudi-Schmidthofenving van het nest van een roodstaartje binnen acht dagen niet minder dan twintig mannetjes weg en liet toen eerst aan de twintig malen in rouw gedompelde, maar telkens weder vertrooste weduwvrouw het geluk en de vreugde des huwelijks.Het tegendeel van zulk eene schijnbare wispelturigheid nemen wij[224]waar, wanneer de vogelmannetjes hunne echtgenooten verloren hebben. Luid schreeuwende, weemoedig klagende, door stem en gebaren hunne droefheid te kennen gevende, vliegen zij rondom het lijk der geliefde, raken dit met den snavel aan, even als trachtten zij de doode te bewegen om op te staan en mede weg te vliegen, laten opnieuw, ook voor den mensch verstaanbare klaagtoonen hooren, dwalen binnen hun gebied van plaats tot plaats, verwijlen roepend, lokkend, jammerend, nu eens op dit, dan weder op een ander lievelingsplekje, weigeren alle voedsel, storten zich boosaardig op andere mannetjes hunner soort, als benijdden zij dezen hun geluk, en als wilden zij hen deelgenooten maken van hun eigen leed, vinden nergens rust, beginnen zonder iets ten eind te brengen, en handelen zonder te weten, wat zij doen. Zoo gaat het dagen, soms weken achtereen voort, en dikwijls toeven zij op de plaats des onheils zoo lang mogelijk, zonder zich zelfs korte uitstapjes ter opsporing eener andere levensgezellin te veroorloven. Sommige soorten, en volstrekt niet alleen de z.g. „inséparables” onder de papegaaien, maar ook vinken en andere vogels, zelfs de oehoe’s verliezen tengevolge van zulk een zwaren slag, alle lust- en levensvreugd, en treuren stil voor zich heen, totdat de dood hen van hun leed bevrijdt.Zoo niet de eenige, dan toch de hoofdoorzaak van zulk eene diepgaande smart kan wellicht gelegen zijn in de steeds groote moeilijkheid, soms onmogelijkheid om een ander wijfje te vinden en machtig te worden. Het wijfje heeft zeer dikwijls geen tijd tot treuren; want vroeger of later, dikwijls op ’t zelfde oogenblik, komen nieuwe vrijers bij haar aan de deur, die haar met zooveel gunsten en liefde overladen, dat het zich wel moet laten troosten. En wanneer de moederborst bovendien gedrukt wordt door de zorg voor de nakomelingschap, zwijgen vele andere gedachten, zoodat de kommer geen macht over haar verkrijgt.Maar wordt ook haar de vergoeding onthouden, dan drukt ook haar het leed niet minder dan het mannetje. Toch gebeurt het somtijds, dat zij nieuwe minnaars afwijst. Eene musschenweduwe, nam, gelijk mijn vader eens gelegenheid had waar te nemen, in weêrwil, dat zij eieren had uit te broeden en later jongen had groot te brengen, geen nieuwen aanbidder aan, maar bleef weduwe en voorzag hare hongerige kinderschaar geheel alleen van het noodige voedsel.Eene andere, waarlijk roerende geschiedenis, die ten bewijze kan[225]strekken van den diepen rouw eener vogel-weduwe, werd mij doorEugenius von Homeijerverhaald. Het huwelijksgeluk van een op het huis van genoemden degelijken natuuronderzoeker nestelend ooievaarspaar werd plotseling op treurige wijze vernietigd door een ellendeling, die het mannetje neêrlegde. De treurende weduwe neemt geen nieuwen echtgenoot aan, kwijt zich geheel alleen van de ouderplichten en aanvaardt tegen het begin van den herfst met haar kroost den tocht naar Afrika. Het volgende voorjaar verschijnt zij weêr op het oude nest, maar als weduwe zooals zij was vertrokken. Velen dingen naar hare hand, maar zij wijst alle vrijers met boosaardige snavelhouwen af; zij arbeidt ijverig aan de verbetering van het nest, doch doet zulks alleen, om haar huisrecht te handhaven.In den herfst trekt zij wederom met andere ooievaars naar den vreemde, om in het volgende voorjaar nogmaals terug te keeren en te handelen als het vorige jaar. En zoo gaat het elf jaren achtereen. In het twaalfde jaar poogt een ander ooievaarspaar zich in ’t bezit van het nest te stellen; zij verzet zich moedig tegen dien aanslag, maar kan ook nu nog niet besluiten door het aangaan van een tweede huwelijk zich een verdediger in dien strijd te verschaffen. Men ontrooft haar het nest, en zij blijft ongehuwd; de roovers handhaven zich in het bezit en maken er een practisch gebruik van; de rechtmatige eigenares laat zich niet meer zien, maar, gelijk later blijkt, brengt zij den ganschen zomer op een, ongeveer vijftien kilometer daarvan verwijderde plaats eenzaam door. Nauwelijks evenwel zijn de roovers vertrokken, of zij bezoekt het oude nest, toeft daar eenige dagen en aanvaardt dan ook zelf de reis. Deze ooievaarsvrouw werd in die gansche streek bekend onder den naam vankluizenaarster; haar lot en handelwijze verwierven haar de genegenheid van alle weldenkenden.En zoodanig doen en handelen zou niets anders zijn dan het werken en drijven eener van buiten bestuurde machine? Al deze zoo even geschetste uitingen van een meer dan warm en levendig gevoel zouden zonder zelfbewustzijn geschieden? Geloove wie zulks kan, verdedige zulks wie wil. Wij gelooven en verdedigen het tegendeel en zijn jaloersch op het zich zelf bewuste geluk van de huwelijkstrouw der vogels.[226]
VIII.DE LIEFDE EN HET HUWELIJK DER VOGELS.
Alle levende wezens voelen in zich den drang om het andere geslacht aan zich te binden, om een tweede ik met het eigen wezen tot één geheel te vereenigen; door onbaatzuchtige overgave trachten zij gelijke gevoelens op te wekken, ten einde de innigste banden te sluiten, die het eene wezen aan een tweede, het eene leven aan een ander verbindt. Wij zien hierin de openbaring eener even onverbiddelijke als noodwendige natuurwet; geene macht is in staat die wet op te heffen, of zelfs maar haar invloed te verzwakken. Onophoudelijk overwint zij alle hinderpalen en streeft zij steeds zegevierend naar het doel.Liefde noemen wij de alvermogende kracht, door welke deze wet regeert, wanneer wij van menschen spreken; wij heeten haar instinct, wanneer er van haar invloed op de dieren sprake is.Zulks is evenwel niets anders dan een woordenspel, tenzij wij de beteekenis van het eerstgenoemde woord zoodanig wijzigen, dat wij er onder verstaan: de ook in den mensch aanwezige, maar door hem veredelde en tot een zedelijk beginsel verheven natuurlijke aandrift. Ontdoen wij het van deze toevoeging, dan wordt het moeilijk eenig verschil in beider uitingen op te merken. Mensch en dier gehoorzamen aan dezelfde wet; maar het dier is gewilliger in ’t gehoorzamen dan de mensch. Het dier wikt niet, berekent niet, maar geeft zich onstuimig over aan den invloed dier wet. De mensch daarentegen beeldt zich niet zelden in, dat hij zich aan haar invloed kan onttrekken.Ongetwijfeld ziet hij, die à priori reeds de solidariteit van mensch en dier in twijfel trekt, in het laatste niets anders dan een levende machine, die door van buiten aangebrachte krachten in beweging wordt gesteld en tot handelen gedreven, en dus ook daardoor wordt aangespoord om naar de gunst van het andere geslacht te dingen, aangevuurd tot zijn jubelend gezang en geprikkeld tot den strijd met mededingers. Het spreekt wel van zelf, dat er bij zulke machines geen[205]sprake kan zijn van vrijheid en eigen wilsbepaling, van strijd tegen opkomende gemoedsaandoeningen, van eenig zieleleven in ’t algemeen. Zonder zelf daardoor in waarde te stijgen, verlaagt hij, die op deze wijze voor zich alleen aanspraak maakt op geestelijk leven, inzonderheid op geestelijke vrijheid, het dier tot een conterfeitsel zijner opgeblazen ijdelheid, tot een wezen, dat eer een schijnleven dan een werkelijk bestaan voert, en onvatbaar is voor de genietingen en vreugde des levens.Wij oordeelen anders en ongetwijfeld is ons oordeel juister en billijker, wanneer wij het tegendeel aannemen; wij oordeelen misschien niet eens te scherp, wanneer wij beweren, dat hij, die aan de dieren verstand ontzegt, zelf bezorgdheid inboezemt, en dat hij, die hetgevoelslevender dieren loochent, zelf niet weet wat gevoel is. Wie onbevangen oordeelt zal vroeger of later tot de erkenning moeten komen, dat de geestelijke functies van alle dierlijke wezens, hoeveel verschil daaromtrent ook moge bestaan, op dezelfde wetten berusten, en dat elk dier, binnen den hem aangewezen levenskring, onder dezelfde omstandigheden denkt, gevoelt en handelt als ieder ander, en geenszins in tegenstelling met den mensch, volgens zoogenaamde hoogere wetten, tot eng bepaalde levensuitingen gedwongen wordt. Men moge de oorzaken, die de dieren bij hunne handelingen besturen, met den naam van wetten bestempelen, maar dan moet men niet uit het oog verliezen, dat ook de mensch aan zulke wetten onderworpen is. Wel is waar, de mensch kan door zijn geest sommige dier natuurwetten aan zich dienstbaar maken, op andere invloed uitoefenen, eene enkele maal zelfs zich misschien aan die wetten onttrekken, maar verbreken kan hij ze niet, vernietigen evenmin.Ik wil beproeven de juistheid mijner beweringen te staven door met een voorbeeld op te helderen hoe gelijksoortig in het wezen der zaak de levensuitingen van menschen en dieren kunnen zijn, hoe beiden door de belangrijkste aller natuurwetten, die de onderhouding der soort beoogt of ten gevolge heeft, in gelijke mate beheerscht worden. Mensch en vogel! hoe breedt is de klove, die beide wezens scheidt! hoe groot is het verschil tusschen beider doen en laten! Is er eene macht, die deze kloof kan dempen? Zijn er verhoudingen mogelijk, die beiden kunnen nopen tot wezenlijk dezelfde levensuitingen? Wij willen zulks onderzoeken.Onbezorgder dan de mensch onderwerpen de vogels zich aan de wisseling[206]der jaargetijden. „Zij zaaien niet, zij oogsten niet en verzamelen niet in de schuren” en deswege moeten zij, willen zij leven, zich goedschiks of kwaadschiks voegen naar de bovengenoemde variaties. Daarom bloeien zij in de lente, brengen ze in den zomer vruchten voort, bergen deze en zich zelf in den herfst, en rusten in den winter, evenals aller moeder, de aarde. Hunne levensuitingen zijn gebonden aan de seizoenen des jaars.In dit opzicht staan ze letterlijk onder de heerschappij eener ijzeren wet, tegenover welke vrijheid en willekeur ondenkbaar zijn. Die wet moet evenwel noodwendig leiden tot gebrek en nood, tot levensgevaar voor zichzelf en hunne jongen. Zij buigen zich dus gewillig onder die wet, maar genieten daarbij eene vrijheid, die wij menschen hun zouden benijden, indien wij niet nog meer dan zij in staat waren ons aan den invloed der jaargetijden te onttrekken. Maar bloeien ook wij niet in de lente, en rusten ook wij niet in den winter? En moeten ook wij niet den nek krommen onder het ijzeren juk der noodzakelijkheid? Zijn de vogels in genoemd opzicht gebonden, zij behouden zich toch in een ander opzicht vrijheid en willekeur van handelen voor; ja oefenen deze soms nog blijmoediger en op onbeperkter wijze uit dan de mensch.Geen vogel ontzegt zich vrijwillig het genot der liefde; slechts enkelen hunner onttrekken zich aan de banden des huwelijks, ieder echter tracht liefde te verwerven en te genieten, zoodra hem zulks mogelijk is. Nog vóór het kleed der jeugd is afgelegd weet hij het verschil in sexe te onderscheiden en te waardeeren; reeds veel vroeger vecht het mannetje, als in dartelen, jeugdigen overmoed met zijns gelijken; en niet zoodra is het volwassen, of het dingt met vuur en volharding om de gunst van een wijfje zijner eigene soort. Geen vogelmannetje veroordeelt zichzelf tot het leven van een oud-vrijer, geen vogelwijfje sluit haar hart voor welgemeende liefde. Ter wille van het wijfje trekt het mannetje rusteloos en doelloos over land en zee; ter wille van een eerzaam mannetje vergeet het wijfje geleden smart, droeve rouw, hoe diep beiden ook mogen geweest zijn, ja ter wille van een beteren minnaar verbreekt het wellicht de banden der echt.Ieder vogelwijfje verkrijgt een echtgenoot; aan den anderen kant evenwel valt het elk vogelmannetje niet zoo gemakkelijk zich een wijfje te verwerven. Want ook onder de vogels moet zulk een kostbaar kleinood langs den weg van moeite en strijd verkregen worden. In ’t algemeen zijn er meer mannetjes dan wijfjes; daarom zijn velen genoodzaakt[207]het hardste noodlot, dat hen kan treffen, te torschen, en althans tijdelijk ongehuwd te blijven. Voor verreweg de meeste vogels is echter het oud-vrijersleven eene kwelling, waarvan zij zich met alle inspanning van krachten pogen te ontdoen. Zij trekken daarom op vrijerswieken door het land, kijken overal rond naar een vrouwtje, en, hebben zij er een gevonden, dan doen zij onverwijld en onbeschroomd aanzoek om hare hand, onverschillig of het een gehuwd of ongehuwd wijfje of zelfs eene weduwe is. Bleven de reizen zonder gevolg, zij zouden waarschijnlijk niet zoo geregeld heen en weer trekken als feitelijk geschiedt. Wanneer de mannetjes om de gunst der wijfjes dingen, putten zij alle hulpmiddelen uit, die de natuur hun verleende. Ieder spreidt naar aard en talent zijn beste gaven ten toon; ieder tracht zich van de meest aantrekkelijke zijde te doen zien, alle hem eigen lieftalligheden aan den dag te leggen, uit te blinken, kortom zijn soortgenooten de loef af te steken. Zijn verlangen neemt toe met de hoop op verhooring; zijne liefde wordt tot een roes en ontneemt hem alle bezinning. Hoe ouder hij wordt des te opvallender stelt hij zich aan, treedt hij met meer zelfvertrouwen op, en streeft hij onstuimiger naar het loon der min. Het spreekwoord: „met den ouderdom komen de gebreken” wordt door hem gelogenstraft. Slechts zeer zelden veroordeelt de ouderdom hem tot zwakheid en onvermogen, vermeerdert daarentegen gewoonlijk alle hem ten dienste staande talenten en verhoogt door de gerijpte ervaring de volheid van kracht, waarin hij zich verheugt. Geen wonder dus, dat de jonge wijfjes aan oude mannetjes zelfs de voorkeur geven, en begrijpelijk is het, dat deze, zoo niet vuriger, althans met meer vertrouwen vrijen dan jonge.De middelen, die een vogelmannetje bezigt om zijn liefde te verklaren zijn vele; zooals van zelf spreekt staan zij in verband met zijne ’t meest in ’t oog vallende talenten. Het eene mannetje heeft zijn lied, een ander zijn vleugels, deze den snavel, gene zijn pooten; het eene spreidt alle mogelijke vederenpracht ten toon, het andere ontplooit een of ander bijzonder sieraad, een derde openbaart talenten, vroeger ongekend. Ernstige vogels geven zich over aan scherts en spel en voeren de koddigste narrenstreken uit; stille vogels worden praatziek, rustige bewegelijk, zachtmoedige strijdlustig, vreesachtige moedig, voorzichtige zorgeloos; kortom, bijna allen laten zich van een andere zijde zien dan gewoonlijk. Hun gansche wezen schijnt veranderd, daar alle bewegingen levendiger en opgewekter zijn dan gewoonlijk, en hun doen en laten bijna in elk[208]opzicht van den gewonen regel afwijkt; feitelijk verkeeren zij in een roes, die hun veêrkracht verheft en versterkt, terwijl geenerlei afmatting zich laat zien. Zij onthouden zich van slaap, of deze wordt althans beperkt tot den kleinst mogelijken duur, en toch doet hun zulks geen kwaad; wakend spannen zij alle krachten in zonder moede te worden. Alle, met eene stem begaafde vogels vrijen met duidelijk verstaanbare klanken en hun gezang is niets anders dan het zuchten en juichen der liefde. De woorden des dichters:Wilt gij naar de nachtegalen vragen,Die met zoete en teedre melodij,U verrukten in de lentedagen—Slechts zoolang zij minden, waren zij.behelzen de volle waarheid; want het gezang van den nachtegaal en van alle overige vogels, die ons met hun liederen opvroolijken, begint met het ontluiken der eerste liefde en eindigt met het uitdooven van het minnevuur om door een ander gevoel, somtijds dat van zorg, verdrongen te worden. Zingend trekt de vogel ter bruiloft; dat gezang kondigt het wijfje zijn nabijheid aan; in een vurig lied drukt hij zijn geestdrift uit, wanneer hij zijn wijfje gevonden heeft; in het lied geeft hij zijn begeerte en verlangen, zijn verwachting en hoop te kennen; in het lied openbaart hij zijn kracht. Jubelend geeft hij uiting aan het gevoel van zaligheid en geluk; met een lied daagt hij elk mannetje zijner soort uit, dat zich vermeten dorst zijn geluk te storen. Slechts zoo lang de roes der liefde duurt, zingt de vogel met toewijding en volle kracht; zingt hij buiten dien tijd nog een enkele maal, dan doet hij zulks in herinnering aan dien roes, die hem eenmaal zoo gelukkig maakte. Er zijn er die beweren, dat de vogels zonder eenig gevoel hunnerzijds zingen, dat zij op bepaalde tijden zingen moeten en niet anders kunnen, daarentegen op een anderen tijd niet kunnen en niet mogen zingen; die zoo spreken hebben het lied der vogelen nooit verstaan of niet willen verstaan, maar enkel en alleen op jammerlijke wijze uiting gegeven aan hun vooroordeel. Men neme eens onbevangen waar, en alras zal men ontdekken, dat het lied der vogels, ofschoon dit in den grond der zaak hetzelfde blijft, zich voegt naar elke gevoelsuiting; al naar de gemoedsstemming van den vogel zelf is, vloeien de tonen nu eens rustig daarhenen, dan eens klimmen zij omhoog en worden zij tot een luid gejubel, om straks weder lager gestemd te worden. Telkens wekt het echo’s in de borst van andere mannetjes.[209]Hadden zij gelijk, die beweren, dat er geen verband bestaat tusschen het lied en de gemoedsstemming der vogelen, dan zou het eene mannetje precies eveneens moeten zingen als het andere der zelfde soort, en elk mannetje zou het hem door de natuur geschonken lied moeten opdreunen, evenals eene speeldoos de aria’s eener in haar zich bewegende, beprikte wals aframmelt; van leeren, veranderen, verbeteren, van prijskampen was dan geen sprake. Maar de ervaring leert juist het tegendeel en daarom zijn wij er van overtuigd, dat de vogel met volle bewustheid zingt, en dat in zijn lied zich zijne ziel openbaart. Hij is zelfs een dichter, die, binnen de hem gestelde grenzen, vindt, vormt en naar uitdrukking streeft; de drijfveêr van dit alles is echter de liefde. Door de liefde beheerscht, zingt, murmelt en fluit de meerkol, wauwelt de ekster, verkeert de krassende raaf zijn ruw geluid in zachte, weeke tonen, laat de anders stomme fuut zijn stem hooren, dompelt de roerdomp den snavel in het water ten einde zijn gewoon geschreeuw, het eenige hem geschonken geluid, in een vèrklinkend dof gebrul te veranderen, en zingt de zeeduiker zijn wild, maar klankrijk zeelied. Zeker zingt de vogel slechts op bepaalde tijden, maar niet daarom, omdat hij op andere tijden niet zingen kan, maar omdat hij dan geen reden heeft tot zingen, omdat hij dan niet zingen wil. Hij zwijgt, omdat hij niet meer mint, of, m.a.w. zoodra de paartijd voorbij is. Zulks wordt al dadelijk bewezen door den koekoek. Negen maanden lang hoort men geen enkele syllabe uit de keel van dezen vogel; maar nauw is het voorjaar gekomen, of hij roept onafgebroken door, van het krieken van den dag tot den avond en net zoolang als de paartijd duurt. Hij zwijgt echter eerder in het zuiden dan in het noorden, eerder op de vlakte dan op het gebergte, geheel in overeenstemming met den broedtijd der pleegouders, die in het zuiden en in de vlakte vroeger met den nestbouw beginnen en eerder de opvoeding der jongen voltooid hebben dan in het noorden of op de hoogten der gebergten.Bij hunne liederen of eigenaardige stemgeluiden voegen een aantal vogels nog sierlijke bewegingen, waarbij nu eens de vleugels hunne hulp bewijzen, dan eens weder de pooten mede dienst doen; nog andere vogels nemen eigenaardige houdingen aan, om zich hierin aan het wijfje te laten zien of voor haar op en neêr te wandelen; verder zijn er, die het een of ander vreemd gedruisch voortbrengen. En dit alles geschiedt eenig en alleen om de gunst van het vrouwelijk geslacht te verwerven.[210]Terwijl sommige valken en zoo ook de uilen hunne begeerte uitsluitend of hoofdzakelijk door een luid geroep te kennen geven, voeren andere roofvogels voor of gemeenschappelijk met het wijfje prachtige luchtspelen uit, die nu eens op een dans gelijken, dan weder aan razernij doen denken. De arenden, buizerden, slechtvalken, kleine en gewone torenvalken beschrijven uren achtereen kringen om elkander, klimmen in schroeflijnen tot duizelingwekkende hoogten op, en volbrengen, onder het vliegen, klaarblijkelijk om elkander te behagen en het leven te veraangenamen, allerlei kunststukken; nu en dan laten zij een luid geschreeuw hooren, spiegelen hun gevederte in het zonnelicht, om eindelijk, langzaam en zwevend naar de eene of andere hooge zitplaats te dalen en hier verder te minnekoozen. De wouwen of milanen, die zich in hoofdzaak eveneens gedragen, laten zich soms plotseling met half toegevouwen vleugels uit aanzienlijke hoogten naar beneden vallen, strijken rakelings langs den grond of het watervlak, beschrijven dan in snelle vaart vele schroeflijnen, houden zich eene poos met trillende vleugels stil boven dezelfde plek staande, of volbrengen allerlei andere vreemdsoortige bewegingen, om daarna weder langzaam tot dezelfde hoogte op te stijgen.De kuikendieven vliegen langen tijd oogenschijnlijk onverschillig achter of naast het gevrijde wijfje, daarna in kringen om haar heen, terwijl straks beiden te zamen allerlei door elkaar gevlochten cirkelkringen beschrijven; nu laat het mannetje het wijfje alleen, steigert met den kop naar boven, bijna steilrecht omhoog; de trage vlucht gaat allengs over in eene woeste vaart, het buitelt plotseling over den kop, valt met bijna geheel toegevouwen vleugels loodrecht naar beneden, beschrijft enkele kringen, vliegt nogmaals naar boven om nu het straks beschreven spel opnieuw aan te vangen, tot eindelijk ook het wijfje besluit dat voorbeeld te volgen. Sterker toeren dan deze allen verricht de goochelaar van Centraal-Afrika, een wouw van de grootte eens arends, en in ’t algemeen een roofvogel van vreemdsoortige gedaante en manieren. Zijn zonderlinge wijze van vliegen trekt ten allen tijde de aandacht, maar in den paartijd grenst zijn vliegkunst aan ’t ongeloofelijke; het is alsof de vogel een kluchtspel in de lucht uitvoert, een kluchtspel, dat zinbekorend op den toeschouwer werkt.Evenals de roofvogels gedragen zich in den paartijd een aantal andere vogels, en zelfs zulke, die volstrekt niet tot de beste vliegers behooren. Dat ook deze de hulp der vleugels inroepen, wanneer zij dingen naar de liefde van een wijfje, of als zij uitdrukking willen geven[211]aan het gelukkig gevoel van verkregen bezit, is volgens het zooeven medegedeelde niet meer dan natuurlijk. Vol ijver zit de zwaluw naast het gevrijde of reeds verworven wijfje zijn heerlijk lied te zingen; het in zijn hartje flikkerende liefdevuurtje is evenwel veel te sterk dan dat deze vliegvaardige vogel onder het zingen stil op dezelfde plek zou kunnen blijven zitten; hij vliegt daarom op, zingt al vliegende voort en zweeft middelerwijl boven en rondom het wijfje, dat hem ondertusschen is nagevlogen. De geitenmelker zit geruimen tijd overlangs op een boomstam, soms vrij ver van het wijfje verwijderd, spint eenige minuten achtereen zijn snorrende strophen, vliegt op, beschrijft klapwiekend, sierlijke kringen om het wijfje, en roept dit zulk een teeder „haïet” toe, dat men er verbaasd over staat, hoe het mogelijk is, dat zoo zachte geluiden kunnen ontwellen uit die rauwe keel. De bijenvreter, die eveneens slechts met een zeer bescheiden stem begiftigd werd, verwijlt langen tijd, dicht tegen zijn wijfje aangedrukt, op zijn wachtpost, laat of in ’t geheel niet of slechts flauw eenig geluid hooren en schijnt zich te vergenoegen met haar enkel door den teederen blik zijner schoone, hoogroode oogen toe te spreken; eensklaps echter komt ook hij in vuur, roert plotseling de vleugels, stijgt omhoog, beschrijft een cirkel, laat een luiden juichkreet hooren, en keert naar zijn wijfje terug, dat intusschen haar plaats niet heeft verlaten. En wat de duif betreft, te midden van haar minnezang, ’t zij wij er den naam aan geven van kirren of huilen, staakt zij plotseling haar lied, evenals werd zij door geestvervoering aangegrepen, breidt de vleugels uit, klapwiekt een en andermaal, klautert omhoog, breidt de vleugels uit en daalt langzaam zwevend op de een of andere boomkruin neder om hier van voren aan te beginnen.Boompiepers, waterpiepers, grasmusschen, spotvogels gedragen zich evenals de duiven; de fluiters laten zich, altijd doorzingende, van hun verheven zitplaats naar beneden vallen en vliegen van hier weder naar een hoogeren tak, om daar hun lied af te breken; straks daarop beginnen zij van voren aan om het op gelijke wijze te eindigen. De vlasvinken, sijsjes en grauwgorzen tuimelen, van liefde dronken, op zulk eene vreemdsoortige wijze door de lucht, dat het schijnt alsof zij het vrije gebruik der vleugels verloren hebben; deleeuwerikensteigeren, onder het zingen van hun minnelied, letterlijk ten hemel; de groenvink neemt den schijn aan alsof hij bij eenvleêrmuisin de leer was geweest.[212]In gelijken roes verkeeren alle vogels, die door dansen hunne liefde openbaren. Ook deze verloochenen onder den dans hunne gewone geaardheid, en geraken ten slotte in zulk eene sterke geestvervoering, dat zij alles om zich heen vergeten. Weinige vogels laten gedurende den dans in ’t geheel geen geluid hooren; de meesten stooten alsdan integendeel geluiden uit, die hun anders vreemd zijn. Tevens ontplooien zij middelerwijl al den vedertooi, waarover zij hebben te beschikken, of zij eindigen daarmede den dans.Tot de ijverigste dansers behooren de hoenderachtige vogels. Onze huishaan stelt zich daarmede tevreden, dat hij trots heen en weder stapt, kraait en met de vleugels slaat; zijn hofgenooten, de pauw en kalkoen doen al iets meer en balderen. Maar de lustigste dansers zijn de ruigpoothoenders en enkele fazanten. Wie in de eerste morgenuren den balderenden auerhaan waarneemt, wie het ratelende en slijpende korhoen heeft beluisterd, wie in de schemernachten van de noordelijke lente het moerassneeuwhoen op de sneeuwvelden der toendra zag dansen, zal mij gelijk geven wanneer ik zeg, dat zulk eene hulde, gelijk genoemde hanen hun hennen bewijzen, even onweêrstaanbaar op ons werkt als die, welke de pauw zijn wijfje bereidt, wanneer hij zijn prachtkleed als een baldekijn voor haar uitspreidt.Op nog vreemdsoortiger wijze gedragen zich de mannetjes der satyrhoenders of hoornfazanten, prachtige vogels uit het zuiden van Oost-Azië, die zich kenmerken door twee hoornachtige, levendig gekleurde, buisvormige huidlappen aan beide zijden van den bovenkop, en een met de gloeiendste kleuren prijkende, voor uitzetting vatbare keellel. Nadat de haan een en ander maal om de hen is rondgeloopen, schijnbaar zonder op haar te letten, blijft hij eindelijk op eene bepaalde plaats stil staan en vangt aan buigingen voor haar te maken. Steeds sneller volgen deze bewegingen op elkander, terwijl ondertusschen de horens zich langzaam uitrekken en de keellel zich verbreedt en daalt, totdat eindelijk beide organen den van liefde dronken vogel over den kop vliegen. Nu ontplooit hij de vleugels, spreidt den omlaag gedrukten staart uit, hurkt op de ingebogen pooten en veegt al blazend en sissend met zijn vleugels den grond. Plotseling staakt hij deze bewegingen. Diep gebogen, met opgerichte veêren, vleugels en staart tegen den grond gedrukt, de oogen gesloten, hoorbaar adem halende, blijft hij een poos als in geestvervoering in deze[213]bewegingloosheid volharden. Een verblindende glans schiet van uit zijne nu geheel ontplooide tooisels.Plotseling richt hij zich echter weder op, blaast en sist, siddert over zijn geheele lichaam, brengt de veêren weder in den gewonen stand, scharrelt met de pooten, werpt den staart omhoog, slaat met de vleugels, richt zich met rukken in zijn volle lengte op, rent onstuimig op het wijfje los, staakt bliksemsnel dien wilden loop en vertoont zich voor haar in olympische heerlijkheid; hij blijft nog een oogenblik staan, trilt, beeft, sist en laat eensklaps alle pracht verdwijnen, strijkt de veêren glad, trekt de horens en de keellel in, en begeeft zich, even als ware er niets gebeurd, aan zijn gewonen arbeid.Met sierlijken tred, gebogen kop, uitgespreiden staart en vleugels, terwijl de laatste in trillende beweging verkeeren, trippelt de kwikstaart al buigende, nu naderende, dan zich verwijderende, om de uitverkoren gade; als een flikkerende offervlam verschijnt de vuurvink op den top eener aar van het kafferkoren, waarin hij met zijn wijfje zijn woning heeft opgeslagen, pronkt met zijn prachtig gevederte in de stralen der zon, en draait, onder ’t zingen van een lustig lied, zich op zijn zetel in het rond. Teeder als echte menschenkinderen, mond aan mond, borst aan borst gedrukt, voeren doffer en duif gemeenschappelijk een langzamen dans uit; hartstochtelijk, met levendige sprongen, dansen de kraanvogels; niet minder ijverig, zelfs ten aanzien van schijnbaar hen bewonderende toeschouwers, doen zulks de prachtige rotshoenders van Middel-Amerika; en zelfs de condor, een vlieger van den eersten rang, die duizenden meters boven de hoogste toppen der Andes door den ether zweeft, en van wien men niet zou verwachten, dat hij andere minnemiddelen zou bezigen dan het vliegen, veroorlooft zich wel eens een dansje en draait, met diep gebogen kop en breed uitgespreide vleugels, om het wijfje rond, terwijl hij daarbij een eigenaardig trommelend geluid laat hooren.Nog andere vogels dansen niet zoo zeer, maar springen woest op en neder, of huppelen op de takken rond, terwijl zij ondertusschen met hun fraai gevederte pronken; zoo doen b.v. de paradijsvogels, die in de morgenuren gemeenschappelijk op zekere boomen verschijnen, om hier als hulde aan het wijfje, onder allerlei bewegingen en onder het trillen der vleugels hunne sierlijke vederen uittespreiden. Er zijn er weder andere, die een soort vanpriëeltjesbouwen, welke zij met gekleurde,[214]glinsterende voorwerpen versieren, en waarin zij allerlei dansen uitvoeren.Sommige vogels eindelijk, die noch met hunne stem, noch met vliegen en dansen kunnen schitteren, gebruiken den snavel, om hiermede de vreemdsoortigste geluiden voort te brengen. Op deze wijze vrijen alle ooievaars; zij slaan de beide snavelhelften schielijk tegen elkaar, wat een geklepper veroorzaakt dat de plaats vervangt eener stem, die dezen vogels ontbreekt. Ook de spechten handelen eveneens, en hameren met hun snavel tegen een dooden stam of tak, waardoor het hout in trilling wordt gebracht, terwijl een doordringend geluid in het bosch weêrklinkt.Ofschoon het wijfje eene haar geldende liefdesverklaring eigenlijk niet met preutschheid afwijst, schenkt het toch slechts in geval van nood hare hand aan den eersten den besten vrijer. Aanvankelijk luistert het schijnbaar zeer onverschillig naar de teederste minneliedjes en blijft koel onder ’t aanschouwen der vliegspelen en dansen, die haar ter eere worden opgevoerd, en even onverschillig aanschouwt het schijnbaar alle pracht, die voor haar alleen wordt ten toon gespreid. Meest doet het alsof al die bekoringsmiddelen van het mannetje haar niet aangaan, en vervolgt dood bedaard haar gewone bezigheden, tot het zoeken van eten toe. In vele, ofschoon lang niet alle gevallen, laat het zich in de nabijheid lokken, maar geeft toch geen enkel teeken van goedkeuring of genegenheid. Vele vogelwijfjes, o.a. die der in polygamie levende hoenders, bezoeken niet eens de balderplaatsen, ofschoon deze vogels juist alles behalve preutsch zijn en de balderende hanen niet zelden door een uitlokkend geroep in vuur en vlam weten te zetten. Wordt een mannetje vrijpostiger dan haar lief is, dan onttrekt zij zich door de vlucht aan zijn vrijheden. Zulks moge nu meestal niet gemeend zijn, maar zij doet het met zooveel ernst en volharding, dat men moeilijk kan bepalen of deze vlucht zonder eenig nevendoel dan wel uit schijn geschiedt. In elk geval bereikt zij er toch dit mede, dat het mannetje zijn verlangen ten toppunt voelt stijgen en tot de uiterste inspanning van alle krachten wordt gedreven. Meer dan ooit in vuur, niet denkende aan eenige terughouding, slechts naar het ééne doel strevende, stormt het op het wijfje los, als om haar te dwingen gehoor aan zijn liefde te geven; vuriger dan ooit klinkt het lied, met meer geestdrift dan te voren baldert het, danst het en vliegt het, wanneer het wijfje hem een oogenblik van rust laat, en ijveriger dan straks[215]neemt het de vervolging weêr op zich, zoodra dit laatste hare vlucht opnieuw voortzet.VECHTENDE MANNETJESVINKEN.VECHTENDE MANNETJESVINKEN.Waarschijnlijk zouden de wijfjes der vogels gewilliger zijn, indien het aantal vrijers niet zoo groot ware. Tengevolge van het gemeenlijk grootere aantal mannetjes genieten de wijfjes het geluk der volle vrije keuze. Een aantal mannetjes, bij tijd en wijle zelfs een groot aantal, brengt het wijfje hun hulde, en gerechtvaardigd is alzoo haar besluiteloosheid en kieschkeurigheid. Uit eigen beweging of onwillekeurig gehoorzaamt het aan de wet der teeltkeus; het streeft er naar het beste, gezondste, in alle opzichten voortreffelijkste mannetje uit velen uit te kiezen; hetmagkieschkeurig zijn. De terugwerking van het gedrag[216]en de handelingen van het wijfje ten aanzien der mannetjes openbaart zich in toomeloozen minnenijd, die de hevigste gevechten, soms een strijd op leven en dood na zich sleept. Elke vogel, zelfs de schijnbaar zachtmoedigste en vreesachtigste, wordt in dien strijd om eene geliefde een held, en ieder weet daarbij zulk een goed gebruik te maken van de hem door de natuur geschonken weêrmiddelen, als: snavel, nagels, sporen, zelfs van de met hoornachtige stekels voorziene vleugels, dat in vele gevallen de strijd eerst eindigt met den dood des eenen medeminnaars.BALDEREND KORHOEN.BALDEREND KORHOEN.Naar de soort en den stand der vogels wordt het gevecht in de lucht, op den grond, in de takken of in het water uitgevochten. Arenden en valken vallen elkander in de lucht, met klauwen en snavels aan. Zulke tweegevechten kenmerken zich door sierlijke wendingen, een wedijverend omhoog stijgen, ten einde een voor den aanval gunstige hoogte te bereiken, pijlsnel uitgevoerde stooten, schitterende afweringen, wederzijdsche vervolgingen en een moedig standhouden. Wanneer het een der koninklijke helden gelukt zijn mededinger te grijpen, slaat ook de laatste den eersten de klauwen in de borst en beiden dalen alsnu, van ’t gebruik der vleugels beroofd in een schroeflijn ter aarde. Hier aangekomen wordt de strijd begrijpelijkerwijs gestaakt; maar stijgt een hunner echter weêr omhoog, onmiddellijk volgt hem de ander, en weinige minuten later begint het duel opnieuw. Wordt een der strijdenden b.v. ten gevolge van bekomen wonden vermoeid, dan vangt hij den terugtocht aan, of vlucht weg, verwoed door den ander vervolgd. Snel en zonder eenigen tegenstand meer te bieden, verre buiten de grenzen van het rijk, dat het wijfje voor zich heeft uitverkoren, ongeacht alle nederlagen, geeft het evenwel toch den strijd niet eer op, voor het wijfje zich bepaald voor den overwinnaar heeft verklaard. Een doodelijken afloop heeft zulk een gevecht, hoewel zelden, toch eene enkele maal; want de arend, wiens ijverzucht door liefde en eergevoel werd geprikkeld, kent geen erbarmen of genade en vermoordt onmeêdoogend denweêrloosgemaakten medeminnaar. Zelfs de torenzwaluwen, anders zulke zachtzinnige vogeltjes, die op gelijke wijze als de arenden vechten, dooden hare medeminnaars door dezen hare scherpe nagels in de borst te slaan en dit lichaamsdeel zoodanig open te rijten dat de dood er op volgt.Bij alle vogels, die met eene stem begiftigd zijn, gaat een werkelijke uitdaging den strijd vooraf.[217]Reeds het lied van den zangvogel wordt tot een wapen, waarmede, ofschoon onbloedig, gestreden en overwonnen wordt; reeds het paringsgeroep, dat op zulk eene karakteristieke wijze het aanzoek uitdrukt, doet de ijverzucht ontbranden. Wie de kunst verstaat het geroep van den koekoek natebootsen, lokt den anders zoo voorzichtigen dwaas tot op den boom, waaronder men zich heeft opgesteld; wie het ingewikkeld gefluit van den goudmerel, het koeren der wilde duiven, het zacht gekir der tortels, het trommelen der spechten, met één woord de loktonen der vogels natuurlijk weet terug te geven, verkrijgt gelijk resultaat. Verschijnt een medeminnaar op het tooneel, zoo geeft deze zijn komst eveneens door een geroep of met zingen te kennen; spoedig echter gaat hij tot feitelijkheden over en er ontbrandt tusschen de beide minnaars een even heftige strijd als tusschen de straks genoemden. Tot in het binnenste der ziel verbitterd, roepende, schreeuwende en gillende, jaagt de een den ander na, onverschillig of de weg door hooge of lage luchtlagen voert, door de toppen der boomen of door de struiken, en even als bij de vervolging van het wijfje prikkelt de een den ander nog onder deze jacht door uitdagende tonen, door een lied, door het uitspreiden der tooisels en soortgelijke honende gebaren. Haalt de vervolger den vervolgde in, dan stoot hij dezen zoodanig met zijn snavel, dat de veêren er langs stuiven; laat hij af, dan keert de vervolgde zich bliksemsnel om, teneinde nu op zijn beurt aanvallenderwijs te werk te gaan; houden beiden stand dan plukharen zij elkander zoo hevig als zij maar kunnen, in de lucht, in de takken of op den grond. Is de strijd beslist, dan komt ook hier het wijfje nader om zich aan de zijde des overwinnaars te scharen.Grondvogels vechten altijd op den grond, zwemvogels in het water.Hoe ernstig de hoenders vechten weet ieder, die eenmaal den strijd van twee hanen bijwoonde. Ook hier geldt het een kamp op leven en dood, ofschoon de dood zelf er zelden meê gemoeid is, tenzij menschelijke ruwheid de natuurlijke wapenen verscherpte, en de weêrmiddelen verzwakte. De om een wijfje vechtende struisvogels gebruiken almede hunne krachtige pooten en brengen elkander met hun sterke of scherpe klauwen diepe wonden toe in borst, lijf en pooten; jaloersch geworden trapvogels maken, na elkander eerst met opgeblazen keelzak, verwrongen vleugels en uitgespreiden staart, en onder een hevig geblaas, langen tijd te hebben uitgedaagd, een geweldig gebruik van hunne snavels; strandloopers en andere strandvogels, inzonderheid de kemphanen, welke[218]vogels om elke kleinigheid met elkander vechten, niet alleen om een wijfje, maar zelfs om een vlieg, om de zon, om het licht en om de een of andere plaats, rennen met hunne snavels als waren het aangelegde lanzen, op elkander in, telkens de stooten opvangende met hunne sterk ontwikkelde borstveêren, die bij de kemphanen tot een waar schild zijn geworden; de waterhennetjes loopen op het wankelende dek van drijvende waterplanten op elkander af en brengen elkander slagen toe met de pooten; de zwanen, ganzen en eenden vervolgen elkander net zoo lang tot het een der strijders gelukt den ander bij den nek te pakken en zoolang onder water te houden tot hij gevaar loopt te verdrinken; in elk geval wordt hij door deze manoeuvre zoo verzwakt, dat hij den strijd niet dadelijk weder kan aanvaarden; de zwanen maken daarbij, even als de spoorvleugels, gebruik van de harde, spitse, verhoornde uitsteeksels aan de vleugelbocht, om daarmede gevoelige slagen uit te deelen.Zoo lang het wijfje zich nog niet bepaald voor een mannetje verklaard heeft, neemt het geen deel aan dien strijd, ja het schijnt er zich zelf niet eens warm voor te maken. Toch moet het alles opmerkzaam nagaan, daar het zich gemeenlijk voor den overwinnaar verklaart, althans diens aanzoeken het oor leent. Op welke wijze het jawoord gegeven wordt kan ik niet zeggen, ja zelfs niet vermoeden. Nog voordat de strijd is geëindigd heeft het reeds de keuze bepaald en van af dit oogenblik geeft het zich geheel en al aan den man harer keuze over, volgt dien even dikwijls als het hem voorgaat, aanvaardt met zichtbaar welbehagen diens liefdesverklaringen, en beantwoordt met eene zelfverloochenende teederheid al zijn liefkoozingen.Vol verlangen roept het hem, jubelend begroet het hem, gewillig volgt het zijn wenschen en voegt zich naar zijn handelingen. Dicht aaneengedrukt zitten de gepaarde papegaaien naast elkander, al zijn ook honderden op denzelfden boom vereenigd; de volkomenste harmonie beheerscht hen, slechts door één wil schijnen zij bezield.Neemt het mannetje voedsel tot zich, zijn gade volgt zijn voorbeeld; zoekt het eerste een ander plaatsje op, de laatste volgt hem; laat het mannetje zijn geschreeuw hooren, het wijfje antwoordt terstond. Liefkoozend verbergen zij den snavel in elkanders veêren, en gewillig buigt de zwakke partij kop en hals, om deze bewijzen van liefde te ontvangen. Al is het niet altijd op zulk eene zichtbare wijze, elk vogelwijfje ontvangt en beantwoordt de haar gewijde liefkoozingen met gelijke[219]teederheid. Het weet van geen luim of humeur, van geen pruilen of grommen, van geen schelden of kijven, van geen misnoegen of ontevredenheid, het kent slechts liefde, teederheid en overgave, en het mannetje zwelgt in geluk en zaligheid, zich bewust van een kostbaar bezit, dat hij wenscht te handhaven. Is hij heden de toongever, morgen schikt hij zich naar de wenschen zijner gade; als zij opvliegt volgt hij, als zij de woonplaats verlaat, trekt hij mede uit, wanneer zij naar huis terugkeert, wendt ook hij zich derwaarts. Niet te verwonderen is het dus, dat het huwelijk der vogels gelukkig en rein is. Al verouderen ook de voor hun leven verbonden echtgenooten, hunne liefde veroudert niet, maar blijft eeuwig frisch en jong; elke lente voert nieuwe olie aan om de oude vlam te voeden; de wederzijdsche liefde verzwakt niet al duurt de echt nog zoo lang. Getrouw nemen beiden een deel op zich van de noodzakelijke huishoudelijke bezigheden, die nestbouwing, bebroeding en de opvoeding der jongen vragen; zelfopofferend helpt het mannetje zijn wijfje bij alle moeitevolle werkzaamheden, die de kinderen haar veroorzaken; moedig verdedigt hij deze; zonder bedenken stort hij zich in de grootste gevaren, ja deinst voor den dood niet terug, waar het leven van hun kroost op het spel staat. In één woord: zij deelen van het oogenblik hunner vereeniging af alle lief en leed, en zoo bijzondere omstandigheden zulks niet verhinderen, duurt deze innige band het gansche leven.Het ontbreekt niet aan waarnemingen, die ten bewijze van het gezegde kunnen strekken.Scherpzinnige waarnemers, die jaren achtereen enkele vogels hebben gadegeslagen en deze eindelijk zoo nauwkeurig kenden, dat eene verwisseling met andere vogels derzelfde soort onmogelijk was, zijn ons daarvoor borg geworden; en ieder onzer, die zijne opmerkzaamheid slechts wijdt aan bijzonder in ’t oog vallende vogels, zal tot een gelijk besluit moeten komen. Een paar ooievaars op het dak geeft den eigenaar der woning gelegenheid te over om mannetje en wijfje van andere ooievaarsmannetjes en wijfjes te onderkennen, zoodat hier elke vergissing uitgesloten schijnt. Wie evenwel zijn ooievaar gadeslaat zal ervaren, dat altijd hetzelfde paar naar het nest terugkeert zoo lang beide echtgenooten nog in leven zijn. En ieder natuuronderzoeker en ieder jager, die trekkende vogelparen scherp in ’t oog vat, of, wanneer de geslachtsverschillen niet uitwendig zichtbaar zijn, ze neêrschiet, zal steeds ondervinden, dat het mannetje en wijfje zijn. Op mijn reizen in Afrika[220]heb ik veelvuldig trekkende vogelparen ontmoet, die ook hier in gelijke, het huwelijk der vogelen zoo gunstig onderscheidende innige gemeenschap leefden en even onafscheidelijk aan elkaar gehecht waren als ginds bij het nest; die gemeenschappelijk handelden, gemeenschappelijk duldden en leden. De paren van den dwergarend waren ook dan nog als echtgenooten te kennen, wanneer zij in gezelschap van andere vogels hunner soort reisden en toefden; de zangzwanen, die ik aan het Mensale-meer in Egypte waarnam, verschenen paarsgewijs en vertrokken eveneens paarsgewijs; alle andere in echt levende vogels, die ik onderweg aantrof, bevestigden dezen regel. Dat beide echtgenooten gemeenschappelijk dulden en lijden, ervoer ik, toen ik aan een waterpoel in Zuid-Nubië eens een ooievaarspaar aantrof, dat daarom mijne opmerkzaamheid trok, dewijl het zich hier nog ophield op een tijdstip, dat alle soortgenooten reeds lang een toevlucht hadden gezocht in het hartje van Afrika. Teneinde de oorzaak van dit achterblijven te leeren kennen, liet ik het doodschieten en nu bevond ik, dat het wijfje den eenen vleugel had gebroken, zoodat het verhinderd werd verder te reizen; het door en door gezonde mannetje was dus alleen uit liefde voor zijn gade en om haar gezelschap te houden, teruggebleven, en dat in een oord, hetwelk alle gegevens miste voor een goed winterverblijf.Slechts de dood kan een eind maken aan het innige en trouwe verbond van door den echt vereenigde vogels.Zulks is regel—maar er zijn uitzonderingen. Ook onder de vogels komt, alhoewel zeldzaam, echtbreuk voor. Hoe trouw zich de wijfjes ook gewoonlijk aan hare echtgenooten betoonen, hoe weinig zij ook naar andere mannetjes kijken, hoe zelden het voorkomt dat zij iemand als huisvriend opnemen, wanneer zich zulk een indringer opdoet—bijzonder in ’t oog loopende eigenschappen van een vreemd mannetje kunnen verleidelijk worden. Een meesterzanger der zelfde soort, die met zijn gezang den echtgenoot in de schaduw stelt, een arend, die het door een wijfje uitverkoren mannetje in alle of althans in vele opzichten overtreft, kunnen het geluk van het nachtegaalsgezin, respectievelijk dat van den arend op gruwzame wijze verstoren, en soms zelfs de wijfjes tot ontrouw verleiden.De oud-vrijers, die gedurende den broedtijd het land doortrekken, strekken ten bewijze van het gezegde. Zij dringen onbeschaamd binnen het gebied der echtelieden en dingen driest om de gunst der vrouw, zoodat hieruit hevige vechtpartijen ontstaan tusschen deze alleenloopers[221]en het rechtmatige mannetje, welke gevechten ook nu weder gewoonlijk uitgevochten worden, zonder dat het wijfje zich in dien strijd mengt. Ook schijnt daarvoor te pleiten het gedrag dier wijfjes, die plotseling weduwe zijn geworden en zich niet alleen terstond door een nieuwen echt weten te troosten over het geleden verlies, maar eene enkele maal zelfs niet schuwen den moordenaar van den eersten gemaal te huwen. Op het dak van het riddergoed Ebensee bij Erfurt broedde sinds jaren een ooievaarspaar, dat wel is waar in de beste eendracht leefde, maar toch nu en dan last had van om het nest rondvliegende schuimloopers. In zeker voorjaar verscheen daar ter plaatse een mannetje, dat brutaler was dan een te voren, en dat den huisvader gedurig tot een tweestrijd uitdaagde of hem noodzaakte onophoudelijk goede wacht te houden. Op zekeren dag zit deze, van ’t vechten moede, met den kop tusschen de veêren gedoken, oogenschijnlijk in slaap gevallen, op zijn nest; de vreemdeling schiet plotseling van boven op hem neêr; doorboort hem met zijn snavel en slingert het lijk van het dak. En de weduwe? Zij verdrijft den sluipmoordenaar niet, maar neemt hem onmiddellijk, als haar gemaal aan, en gaat voort met broeden even alsof er niets gebeurd ware.Deze en vroeger vermelde omstandigheden pleiten niet ten gunste van de vogelwijfjes, doch zij worden, ik wil dit reeds hier aanstippen, door een aantal tegenbewijzen zoozeer ontzenuwd, dat zij slechts mogen gelden als uitzonderingen op den regel om alzoo den regel zelf te bevestigen. En wanneer er werkelijk reden bestaan om in dit opzicht de wijfjes te veroordeelen, wij mogen daarbij niet vergeten, dat de mannetjes, die veel minder aanleiding hebben tot ontrouw, omdat zij zoo veel talrijker zijn dan de wijfjes, insgelijks de heiligheid van den echt kunnen schenden. Ieder die de duiven kent, vogels, die men ten onrechte afschildert als in ’t bezit te zijn van alle mogelijke deugden, weet hoe weinig zij den roem waard zijn, waarmede de overlevering en de denkbeelden der ouden hen versieren. De teederheid der duiven is verleidend, maar niet echt; haar trouw jegens gade en kroost wordt geprezen, maar kan de proef niet doorstaan. Hun geringe vaderliefde daargelaten, maken de doffers zich maar al te dikwijls schuldig aan echtbreuk, en niet zelden nemen zij den tijd, dat hun echtgenooten zitten te broeden, waar, om met andere duifjes te coquetteeren. De eenden handelen nog berispelijker en de roodhoenders maken het ook al niet beter. Zoodra de eenden vast op de eieren zitten, zoeken de heeren gemaals elkander[222]op, om elkander zoo aangenaam mogelijk den tijd te korten, terwijl ondertusschen de arme vrouwtjes zich afsloven en zonder eenige hulp met de zorg voor de kleinen belast blijven. Eerst dan voegen zich de mannetjes weêr bij hunne echtgenooten wanneer de kinderen groot geworden zijn en dus hunne hulp niet meer behoeven. De roodhoenders, en waarschijnlijk ook onze patrijzen, maken gedurende den paartijd hun opwachting bij elken anderen mannelijken soortgenoot om met dezen naar hartelust te vechten; de Spanjaarden maken hiervan gebruik door hen met behulp van tamme individuen te misleiden en dan te dooden; later, wanneer de hennen broeden en de vechtlust is geweken, verschijnen zij echter op het geroep der hennen en nu zelfs nog schielijker dan te voren.Doch, gelijk gezegd, dit zijn uitzonderingen op den regel, die zich met de in veelwijverij levende vogels in de verte niet laten vergelijken. Te vergeefs heeft men getracht de veelwijverij der runder-troepialen, koekoeken, fazanten, boschhoenders, kalkoenen, kwartels, pauwen en kemphanen te verklaren; een afdoende reden heeft men nog niet kunnen vinden. Wanneer men beweert, dat de koekoek en diens naaste verwanten niet broeden, omdat zij de opdracht ontvingen de al te snelle vermeerdering van rupsen tegen te gaan, zoodat zij dientengevolge niet kunnen huwen en voor hun eigen kroost zorgen, dan bazelt men zonder eenige verklaring te geven, en vergeet dat ook derunder-troepialenhun kroost aan vreemden toevertrouwen; en wanneer men zegt, dat de natuur door de instelling der veelwijverij bij sommige hoendersoorten, die sterk aan vervolgingen zijn blootgesteld, voor eene talrijke nakomelingschap heeft willen zorg dragen, dan mag men wijzen op het feit, dat dit doel bij andere hoenderachtige vogels, die in monogamie leven en in vruchtbaarheid voor eerstgenoemden niet onderdoen, eveneens bereikt wordt.Het woord veelwijverij is eigenlijk slecht gekozen, want het begeeren blijft hier niet beperkt bij de mannetjes, maar ook de wijfjes deelen dit gevoel. Het koekoekswijfje houdt zich heden bij dit, morgen bij een ander mannetje op, ja het maakt wellicht binnen het tijdsverloop van een enkel uur velen gelukkig; hennen geven zich vrij onverschillig nu aan dezen dan aan dien haan over. Bij al deze vogels is er van geen eigenlijk huwelijk sprake. De mannetjes bekommeren zich slechts nu en dan om de wijfjes, en deze zien evenmin veel naar de mannen om; elke sexe gaat haar eigen gang, zondert zich buiten den paartijd[223]zelfs van de andere af en bekommert zich niet om het lot van het andere geslacht. Eene grenzenlooze hartstocht en eene hierdoor tot het uiterste gedreven jaloezie, heerschzuchtig eischen en deemoedig inwilligen, toomeloos willen en bereidwillig verhooren zijn de karakteristieke eigenschappen van den sexueelen omgang bij al deze vogels. Zoo wordt het dan ook verklaarbaar, dat bij hen vaker dan bij andere vogels mishuwelijken worden gesloten, ten gevolge waarvan bastaarden ontstaan, die een jammerlijk bestaan voeren, en die òf kinderloos blijven, òf door paring met een der stamsoorten nakomelingen teelen, die weder onvruchtbaar zijn. Mishuwelijken of gemengde huwelijken komen wel is waar, ook bij sommige in monogamie levende vogels voor, maar alleen dan, wanneer er geen goede echtgenooten te vinden zijn en de nood er toe dwingt; bij de vroeger genoemden zijn het toeval en de verleidelijke gelegenheid de gewone motieven.Nood,—dringende, noodzakelijke evenwel,—de behoefte om het leven te redden der pas uit het ei gekomen of nog in het ei sluimerende jongen, hierin moeten wij waarschijnlijk de reden zoeken, die de wijfjes der monogamisch levende vogels aanspoort om den weduwensluier spoediger met den bruidskrans te verwisselen dan de mannetjes het verlies hunner gaden kunnen vergeten. Of de rouw der weduwen evenwel minder groot is dan die der weduwnaars is, hoezeer de schijn er voor pleit, verre van zeker. Evenals de ooievaarsvrouw van Ebensee doen vele vogelwijfjes. Een ekster-paar, dat in onzen tuin broedde, moest gedood worden, daar wij schade vreesden voor onze zangvogels. ’s Morgens om zeven uur werd het mannetje dood geschoten; reeds twee uren later had het wijfje een anderen man tot zich genomen; een uur later viel ook deze onder ’t moordend lood; om elf uur was het wijfje voor de derde maal gehuwd. Een herhaling zou ook nu niet uitgebleven zijn, indien niet het beangste wijfje met haar nieuwen echtgenoot naar elders ware verhuisd.Mijn vader schoot eens in het voorjaar een mannetjespatrijs. De hen vloog op, streek spoedig weêr neêr, werd onmiddellijk daarop door een nieuwen haan gevrijd, dien zij aannam.Tschudi-Schmidthofenving van het nest van een roodstaartje binnen acht dagen niet minder dan twintig mannetjes weg en liet toen eerst aan de twintig malen in rouw gedompelde, maar telkens weder vertrooste weduwvrouw het geluk en de vreugde des huwelijks.Het tegendeel van zulk eene schijnbare wispelturigheid nemen wij[224]waar, wanneer de vogelmannetjes hunne echtgenooten verloren hebben. Luid schreeuwende, weemoedig klagende, door stem en gebaren hunne droefheid te kennen gevende, vliegen zij rondom het lijk der geliefde, raken dit met den snavel aan, even als trachtten zij de doode te bewegen om op te staan en mede weg te vliegen, laten opnieuw, ook voor den mensch verstaanbare klaagtoonen hooren, dwalen binnen hun gebied van plaats tot plaats, verwijlen roepend, lokkend, jammerend, nu eens op dit, dan weder op een ander lievelingsplekje, weigeren alle voedsel, storten zich boosaardig op andere mannetjes hunner soort, als benijdden zij dezen hun geluk, en als wilden zij hen deelgenooten maken van hun eigen leed, vinden nergens rust, beginnen zonder iets ten eind te brengen, en handelen zonder te weten, wat zij doen. Zoo gaat het dagen, soms weken achtereen voort, en dikwijls toeven zij op de plaats des onheils zoo lang mogelijk, zonder zich zelfs korte uitstapjes ter opsporing eener andere levensgezellin te veroorloven. Sommige soorten, en volstrekt niet alleen de z.g. „inséparables” onder de papegaaien, maar ook vinken en andere vogels, zelfs de oehoe’s verliezen tengevolge van zulk een zwaren slag, alle lust- en levensvreugd, en treuren stil voor zich heen, totdat de dood hen van hun leed bevrijdt.Zoo niet de eenige, dan toch de hoofdoorzaak van zulk eene diepgaande smart kan wellicht gelegen zijn in de steeds groote moeilijkheid, soms onmogelijkheid om een ander wijfje te vinden en machtig te worden. Het wijfje heeft zeer dikwijls geen tijd tot treuren; want vroeger of later, dikwijls op ’t zelfde oogenblik, komen nieuwe vrijers bij haar aan de deur, die haar met zooveel gunsten en liefde overladen, dat het zich wel moet laten troosten. En wanneer de moederborst bovendien gedrukt wordt door de zorg voor de nakomelingschap, zwijgen vele andere gedachten, zoodat de kommer geen macht over haar verkrijgt.Maar wordt ook haar de vergoeding onthouden, dan drukt ook haar het leed niet minder dan het mannetje. Toch gebeurt het somtijds, dat zij nieuwe minnaars afwijst. Eene musschenweduwe, nam, gelijk mijn vader eens gelegenheid had waar te nemen, in weêrwil, dat zij eieren had uit te broeden en later jongen had groot te brengen, geen nieuwen aanbidder aan, maar bleef weduwe en voorzag hare hongerige kinderschaar geheel alleen van het noodige voedsel.Eene andere, waarlijk roerende geschiedenis, die ten bewijze kan[225]strekken van den diepen rouw eener vogel-weduwe, werd mij doorEugenius von Homeijerverhaald. Het huwelijksgeluk van een op het huis van genoemden degelijken natuuronderzoeker nestelend ooievaarspaar werd plotseling op treurige wijze vernietigd door een ellendeling, die het mannetje neêrlegde. De treurende weduwe neemt geen nieuwen echtgenoot aan, kwijt zich geheel alleen van de ouderplichten en aanvaardt tegen het begin van den herfst met haar kroost den tocht naar Afrika. Het volgende voorjaar verschijnt zij weêr op het oude nest, maar als weduwe zooals zij was vertrokken. Velen dingen naar hare hand, maar zij wijst alle vrijers met boosaardige snavelhouwen af; zij arbeidt ijverig aan de verbetering van het nest, doch doet zulks alleen, om haar huisrecht te handhaven.In den herfst trekt zij wederom met andere ooievaars naar den vreemde, om in het volgende voorjaar nogmaals terug te keeren en te handelen als het vorige jaar. En zoo gaat het elf jaren achtereen. In het twaalfde jaar poogt een ander ooievaarspaar zich in ’t bezit van het nest te stellen; zij verzet zich moedig tegen dien aanslag, maar kan ook nu nog niet besluiten door het aangaan van een tweede huwelijk zich een verdediger in dien strijd te verschaffen. Men ontrooft haar het nest, en zij blijft ongehuwd; de roovers handhaven zich in het bezit en maken er een practisch gebruik van; de rechtmatige eigenares laat zich niet meer zien, maar, gelijk later blijkt, brengt zij den ganschen zomer op een, ongeveer vijftien kilometer daarvan verwijderde plaats eenzaam door. Nauwelijks evenwel zijn de roovers vertrokken, of zij bezoekt het oude nest, toeft daar eenige dagen en aanvaardt dan ook zelf de reis. Deze ooievaarsvrouw werd in die gansche streek bekend onder den naam vankluizenaarster; haar lot en handelwijze verwierven haar de genegenheid van alle weldenkenden.En zoodanig doen en handelen zou niets anders zijn dan het werken en drijven eener van buiten bestuurde machine? Al deze zoo even geschetste uitingen van een meer dan warm en levendig gevoel zouden zonder zelfbewustzijn geschieden? Geloove wie zulks kan, verdedige zulks wie wil. Wij gelooven en verdedigen het tegendeel en zijn jaloersch op het zich zelf bewuste geluk van de huwelijkstrouw der vogels.[226]
Alle levende wezens voelen in zich den drang om het andere geslacht aan zich te binden, om een tweede ik met het eigen wezen tot één geheel te vereenigen; door onbaatzuchtige overgave trachten zij gelijke gevoelens op te wekken, ten einde de innigste banden te sluiten, die het eene wezen aan een tweede, het eene leven aan een ander verbindt. Wij zien hierin de openbaring eener even onverbiddelijke als noodwendige natuurwet; geene macht is in staat die wet op te heffen, of zelfs maar haar invloed te verzwakken. Onophoudelijk overwint zij alle hinderpalen en streeft zij steeds zegevierend naar het doel.
Liefde noemen wij de alvermogende kracht, door welke deze wet regeert, wanneer wij van menschen spreken; wij heeten haar instinct, wanneer er van haar invloed op de dieren sprake is.
Zulks is evenwel niets anders dan een woordenspel, tenzij wij de beteekenis van het eerstgenoemde woord zoodanig wijzigen, dat wij er onder verstaan: de ook in den mensch aanwezige, maar door hem veredelde en tot een zedelijk beginsel verheven natuurlijke aandrift. Ontdoen wij het van deze toevoeging, dan wordt het moeilijk eenig verschil in beider uitingen op te merken. Mensch en dier gehoorzamen aan dezelfde wet; maar het dier is gewilliger in ’t gehoorzamen dan de mensch. Het dier wikt niet, berekent niet, maar geeft zich onstuimig over aan den invloed dier wet. De mensch daarentegen beeldt zich niet zelden in, dat hij zich aan haar invloed kan onttrekken.
Ongetwijfeld ziet hij, die à priori reeds de solidariteit van mensch en dier in twijfel trekt, in het laatste niets anders dan een levende machine, die door van buiten aangebrachte krachten in beweging wordt gesteld en tot handelen gedreven, en dus ook daardoor wordt aangespoord om naar de gunst van het andere geslacht te dingen, aangevuurd tot zijn jubelend gezang en geprikkeld tot den strijd met mededingers. Het spreekt wel van zelf, dat er bij zulke machines geen[205]sprake kan zijn van vrijheid en eigen wilsbepaling, van strijd tegen opkomende gemoedsaandoeningen, van eenig zieleleven in ’t algemeen. Zonder zelf daardoor in waarde te stijgen, verlaagt hij, die op deze wijze voor zich alleen aanspraak maakt op geestelijk leven, inzonderheid op geestelijke vrijheid, het dier tot een conterfeitsel zijner opgeblazen ijdelheid, tot een wezen, dat eer een schijnleven dan een werkelijk bestaan voert, en onvatbaar is voor de genietingen en vreugde des levens.
Wij oordeelen anders en ongetwijfeld is ons oordeel juister en billijker, wanneer wij het tegendeel aannemen; wij oordeelen misschien niet eens te scherp, wanneer wij beweren, dat hij, die aan de dieren verstand ontzegt, zelf bezorgdheid inboezemt, en dat hij, die hetgevoelslevender dieren loochent, zelf niet weet wat gevoel is. Wie onbevangen oordeelt zal vroeger of later tot de erkenning moeten komen, dat de geestelijke functies van alle dierlijke wezens, hoeveel verschil daaromtrent ook moge bestaan, op dezelfde wetten berusten, en dat elk dier, binnen den hem aangewezen levenskring, onder dezelfde omstandigheden denkt, gevoelt en handelt als ieder ander, en geenszins in tegenstelling met den mensch, volgens zoogenaamde hoogere wetten, tot eng bepaalde levensuitingen gedwongen wordt. Men moge de oorzaken, die de dieren bij hunne handelingen besturen, met den naam van wetten bestempelen, maar dan moet men niet uit het oog verliezen, dat ook de mensch aan zulke wetten onderworpen is. Wel is waar, de mensch kan door zijn geest sommige dier natuurwetten aan zich dienstbaar maken, op andere invloed uitoefenen, eene enkele maal zelfs zich misschien aan die wetten onttrekken, maar verbreken kan hij ze niet, vernietigen evenmin.
Ik wil beproeven de juistheid mijner beweringen te staven door met een voorbeeld op te helderen hoe gelijksoortig in het wezen der zaak de levensuitingen van menschen en dieren kunnen zijn, hoe beiden door de belangrijkste aller natuurwetten, die de onderhouding der soort beoogt of ten gevolge heeft, in gelijke mate beheerscht worden. Mensch en vogel! hoe breedt is de klove, die beide wezens scheidt! hoe groot is het verschil tusschen beider doen en laten! Is er eene macht, die deze kloof kan dempen? Zijn er verhoudingen mogelijk, die beiden kunnen nopen tot wezenlijk dezelfde levensuitingen? Wij willen zulks onderzoeken.
Onbezorgder dan de mensch onderwerpen de vogels zich aan de wisseling[206]der jaargetijden. „Zij zaaien niet, zij oogsten niet en verzamelen niet in de schuren” en deswege moeten zij, willen zij leven, zich goedschiks of kwaadschiks voegen naar de bovengenoemde variaties. Daarom bloeien zij in de lente, brengen ze in den zomer vruchten voort, bergen deze en zich zelf in den herfst, en rusten in den winter, evenals aller moeder, de aarde. Hunne levensuitingen zijn gebonden aan de seizoenen des jaars.
In dit opzicht staan ze letterlijk onder de heerschappij eener ijzeren wet, tegenover welke vrijheid en willekeur ondenkbaar zijn. Die wet moet evenwel noodwendig leiden tot gebrek en nood, tot levensgevaar voor zichzelf en hunne jongen. Zij buigen zich dus gewillig onder die wet, maar genieten daarbij eene vrijheid, die wij menschen hun zouden benijden, indien wij niet nog meer dan zij in staat waren ons aan den invloed der jaargetijden te onttrekken. Maar bloeien ook wij niet in de lente, en rusten ook wij niet in den winter? En moeten ook wij niet den nek krommen onder het ijzeren juk der noodzakelijkheid? Zijn de vogels in genoemd opzicht gebonden, zij behouden zich toch in een ander opzicht vrijheid en willekeur van handelen voor; ja oefenen deze soms nog blijmoediger en op onbeperkter wijze uit dan de mensch.
Geen vogel ontzegt zich vrijwillig het genot der liefde; slechts enkelen hunner onttrekken zich aan de banden des huwelijks, ieder echter tracht liefde te verwerven en te genieten, zoodra hem zulks mogelijk is. Nog vóór het kleed der jeugd is afgelegd weet hij het verschil in sexe te onderscheiden en te waardeeren; reeds veel vroeger vecht het mannetje, als in dartelen, jeugdigen overmoed met zijns gelijken; en niet zoodra is het volwassen, of het dingt met vuur en volharding om de gunst van een wijfje zijner eigene soort. Geen vogelmannetje veroordeelt zichzelf tot het leven van een oud-vrijer, geen vogelwijfje sluit haar hart voor welgemeende liefde. Ter wille van het wijfje trekt het mannetje rusteloos en doelloos over land en zee; ter wille van een eerzaam mannetje vergeet het wijfje geleden smart, droeve rouw, hoe diep beiden ook mogen geweest zijn, ja ter wille van een beteren minnaar verbreekt het wellicht de banden der echt.
Ieder vogelwijfje verkrijgt een echtgenoot; aan den anderen kant evenwel valt het elk vogelmannetje niet zoo gemakkelijk zich een wijfje te verwerven. Want ook onder de vogels moet zulk een kostbaar kleinood langs den weg van moeite en strijd verkregen worden. In ’t algemeen zijn er meer mannetjes dan wijfjes; daarom zijn velen genoodzaakt[207]het hardste noodlot, dat hen kan treffen, te torschen, en althans tijdelijk ongehuwd te blijven. Voor verreweg de meeste vogels is echter het oud-vrijersleven eene kwelling, waarvan zij zich met alle inspanning van krachten pogen te ontdoen. Zij trekken daarom op vrijerswieken door het land, kijken overal rond naar een vrouwtje, en, hebben zij er een gevonden, dan doen zij onverwijld en onbeschroomd aanzoek om hare hand, onverschillig of het een gehuwd of ongehuwd wijfje of zelfs eene weduwe is. Bleven de reizen zonder gevolg, zij zouden waarschijnlijk niet zoo geregeld heen en weer trekken als feitelijk geschiedt. Wanneer de mannetjes om de gunst der wijfjes dingen, putten zij alle hulpmiddelen uit, die de natuur hun verleende. Ieder spreidt naar aard en talent zijn beste gaven ten toon; ieder tracht zich van de meest aantrekkelijke zijde te doen zien, alle hem eigen lieftalligheden aan den dag te leggen, uit te blinken, kortom zijn soortgenooten de loef af te steken. Zijn verlangen neemt toe met de hoop op verhooring; zijne liefde wordt tot een roes en ontneemt hem alle bezinning. Hoe ouder hij wordt des te opvallender stelt hij zich aan, treedt hij met meer zelfvertrouwen op, en streeft hij onstuimiger naar het loon der min. Het spreekwoord: „met den ouderdom komen de gebreken” wordt door hem gelogenstraft. Slechts zeer zelden veroordeelt de ouderdom hem tot zwakheid en onvermogen, vermeerdert daarentegen gewoonlijk alle hem ten dienste staande talenten en verhoogt door de gerijpte ervaring de volheid van kracht, waarin hij zich verheugt. Geen wonder dus, dat de jonge wijfjes aan oude mannetjes zelfs de voorkeur geven, en begrijpelijk is het, dat deze, zoo niet vuriger, althans met meer vertrouwen vrijen dan jonge.
De middelen, die een vogelmannetje bezigt om zijn liefde te verklaren zijn vele; zooals van zelf spreekt staan zij in verband met zijne ’t meest in ’t oog vallende talenten. Het eene mannetje heeft zijn lied, een ander zijn vleugels, deze den snavel, gene zijn pooten; het eene spreidt alle mogelijke vederenpracht ten toon, het andere ontplooit een of ander bijzonder sieraad, een derde openbaart talenten, vroeger ongekend. Ernstige vogels geven zich over aan scherts en spel en voeren de koddigste narrenstreken uit; stille vogels worden praatziek, rustige bewegelijk, zachtmoedige strijdlustig, vreesachtige moedig, voorzichtige zorgeloos; kortom, bijna allen laten zich van een andere zijde zien dan gewoonlijk. Hun gansche wezen schijnt veranderd, daar alle bewegingen levendiger en opgewekter zijn dan gewoonlijk, en hun doen en laten bijna in elk[208]opzicht van den gewonen regel afwijkt; feitelijk verkeeren zij in een roes, die hun veêrkracht verheft en versterkt, terwijl geenerlei afmatting zich laat zien. Zij onthouden zich van slaap, of deze wordt althans beperkt tot den kleinst mogelijken duur, en toch doet hun zulks geen kwaad; wakend spannen zij alle krachten in zonder moede te worden. Alle, met eene stem begaafde vogels vrijen met duidelijk verstaanbare klanken en hun gezang is niets anders dan het zuchten en juichen der liefde. De woorden des dichters:
Wilt gij naar de nachtegalen vragen,Die met zoete en teedre melodij,U verrukten in de lentedagen—Slechts zoolang zij minden, waren zij.
Wilt gij naar de nachtegalen vragen,
Die met zoete en teedre melodij,
U verrukten in de lentedagen—
Slechts zoolang zij minden, waren zij.
behelzen de volle waarheid; want het gezang van den nachtegaal en van alle overige vogels, die ons met hun liederen opvroolijken, begint met het ontluiken der eerste liefde en eindigt met het uitdooven van het minnevuur om door een ander gevoel, somtijds dat van zorg, verdrongen te worden. Zingend trekt de vogel ter bruiloft; dat gezang kondigt het wijfje zijn nabijheid aan; in een vurig lied drukt hij zijn geestdrift uit, wanneer hij zijn wijfje gevonden heeft; in het lied geeft hij zijn begeerte en verlangen, zijn verwachting en hoop te kennen; in het lied openbaart hij zijn kracht. Jubelend geeft hij uiting aan het gevoel van zaligheid en geluk; met een lied daagt hij elk mannetje zijner soort uit, dat zich vermeten dorst zijn geluk te storen. Slechts zoo lang de roes der liefde duurt, zingt de vogel met toewijding en volle kracht; zingt hij buiten dien tijd nog een enkele maal, dan doet hij zulks in herinnering aan dien roes, die hem eenmaal zoo gelukkig maakte. Er zijn er die beweren, dat de vogels zonder eenig gevoel hunnerzijds zingen, dat zij op bepaalde tijden zingen moeten en niet anders kunnen, daarentegen op een anderen tijd niet kunnen en niet mogen zingen; die zoo spreken hebben het lied der vogelen nooit verstaan of niet willen verstaan, maar enkel en alleen op jammerlijke wijze uiting gegeven aan hun vooroordeel. Men neme eens onbevangen waar, en alras zal men ontdekken, dat het lied der vogels, ofschoon dit in den grond der zaak hetzelfde blijft, zich voegt naar elke gevoelsuiting; al naar de gemoedsstemming van den vogel zelf is, vloeien de tonen nu eens rustig daarhenen, dan eens klimmen zij omhoog en worden zij tot een luid gejubel, om straks weder lager gestemd te worden. Telkens wekt het echo’s in de borst van andere mannetjes.[209]Hadden zij gelijk, die beweren, dat er geen verband bestaat tusschen het lied en de gemoedsstemming der vogelen, dan zou het eene mannetje precies eveneens moeten zingen als het andere der zelfde soort, en elk mannetje zou het hem door de natuur geschonken lied moeten opdreunen, evenals eene speeldoos de aria’s eener in haar zich bewegende, beprikte wals aframmelt; van leeren, veranderen, verbeteren, van prijskampen was dan geen sprake. Maar de ervaring leert juist het tegendeel en daarom zijn wij er van overtuigd, dat de vogel met volle bewustheid zingt, en dat in zijn lied zich zijne ziel openbaart. Hij is zelfs een dichter, die, binnen de hem gestelde grenzen, vindt, vormt en naar uitdrukking streeft; de drijfveêr van dit alles is echter de liefde. Door de liefde beheerscht, zingt, murmelt en fluit de meerkol, wauwelt de ekster, verkeert de krassende raaf zijn ruw geluid in zachte, weeke tonen, laat de anders stomme fuut zijn stem hooren, dompelt de roerdomp den snavel in het water ten einde zijn gewoon geschreeuw, het eenige hem geschonken geluid, in een vèrklinkend dof gebrul te veranderen, en zingt de zeeduiker zijn wild, maar klankrijk zeelied. Zeker zingt de vogel slechts op bepaalde tijden, maar niet daarom, omdat hij op andere tijden niet zingen kan, maar omdat hij dan geen reden heeft tot zingen, omdat hij dan niet zingen wil. Hij zwijgt, omdat hij niet meer mint, of, m.a.w. zoodra de paartijd voorbij is. Zulks wordt al dadelijk bewezen door den koekoek. Negen maanden lang hoort men geen enkele syllabe uit de keel van dezen vogel; maar nauw is het voorjaar gekomen, of hij roept onafgebroken door, van het krieken van den dag tot den avond en net zoolang als de paartijd duurt. Hij zwijgt echter eerder in het zuiden dan in het noorden, eerder op de vlakte dan op het gebergte, geheel in overeenstemming met den broedtijd der pleegouders, die in het zuiden en in de vlakte vroeger met den nestbouw beginnen en eerder de opvoeding der jongen voltooid hebben dan in het noorden of op de hoogten der gebergten.
Bij hunne liederen of eigenaardige stemgeluiden voegen een aantal vogels nog sierlijke bewegingen, waarbij nu eens de vleugels hunne hulp bewijzen, dan eens weder de pooten mede dienst doen; nog andere vogels nemen eigenaardige houdingen aan, om zich hierin aan het wijfje te laten zien of voor haar op en neêr te wandelen; verder zijn er, die het een of ander vreemd gedruisch voortbrengen. En dit alles geschiedt eenig en alleen om de gunst van het vrouwelijk geslacht te verwerven.[210]
Terwijl sommige valken en zoo ook de uilen hunne begeerte uitsluitend of hoofdzakelijk door een luid geroep te kennen geven, voeren andere roofvogels voor of gemeenschappelijk met het wijfje prachtige luchtspelen uit, die nu eens op een dans gelijken, dan weder aan razernij doen denken. De arenden, buizerden, slechtvalken, kleine en gewone torenvalken beschrijven uren achtereen kringen om elkander, klimmen in schroeflijnen tot duizelingwekkende hoogten op, en volbrengen, onder het vliegen, klaarblijkelijk om elkander te behagen en het leven te veraangenamen, allerlei kunststukken; nu en dan laten zij een luid geschreeuw hooren, spiegelen hun gevederte in het zonnelicht, om eindelijk, langzaam en zwevend naar de eene of andere hooge zitplaats te dalen en hier verder te minnekoozen. De wouwen of milanen, die zich in hoofdzaak eveneens gedragen, laten zich soms plotseling met half toegevouwen vleugels uit aanzienlijke hoogten naar beneden vallen, strijken rakelings langs den grond of het watervlak, beschrijven dan in snelle vaart vele schroeflijnen, houden zich eene poos met trillende vleugels stil boven dezelfde plek staande, of volbrengen allerlei andere vreemdsoortige bewegingen, om daarna weder langzaam tot dezelfde hoogte op te stijgen.
De kuikendieven vliegen langen tijd oogenschijnlijk onverschillig achter of naast het gevrijde wijfje, daarna in kringen om haar heen, terwijl straks beiden te zamen allerlei door elkaar gevlochten cirkelkringen beschrijven; nu laat het mannetje het wijfje alleen, steigert met den kop naar boven, bijna steilrecht omhoog; de trage vlucht gaat allengs over in eene woeste vaart, het buitelt plotseling over den kop, valt met bijna geheel toegevouwen vleugels loodrecht naar beneden, beschrijft enkele kringen, vliegt nogmaals naar boven om nu het straks beschreven spel opnieuw aan te vangen, tot eindelijk ook het wijfje besluit dat voorbeeld te volgen. Sterker toeren dan deze allen verricht de goochelaar van Centraal-Afrika, een wouw van de grootte eens arends, en in ’t algemeen een roofvogel van vreemdsoortige gedaante en manieren. Zijn zonderlinge wijze van vliegen trekt ten allen tijde de aandacht, maar in den paartijd grenst zijn vliegkunst aan ’t ongeloofelijke; het is alsof de vogel een kluchtspel in de lucht uitvoert, een kluchtspel, dat zinbekorend op den toeschouwer werkt.
Evenals de roofvogels gedragen zich in den paartijd een aantal andere vogels, en zelfs zulke, die volstrekt niet tot de beste vliegers behooren. Dat ook deze de hulp der vleugels inroepen, wanneer zij dingen naar de liefde van een wijfje, of als zij uitdrukking willen geven[211]aan het gelukkig gevoel van verkregen bezit, is volgens het zooeven medegedeelde niet meer dan natuurlijk. Vol ijver zit de zwaluw naast het gevrijde of reeds verworven wijfje zijn heerlijk lied te zingen; het in zijn hartje flikkerende liefdevuurtje is evenwel veel te sterk dan dat deze vliegvaardige vogel onder het zingen stil op dezelfde plek zou kunnen blijven zitten; hij vliegt daarom op, zingt al vliegende voort en zweeft middelerwijl boven en rondom het wijfje, dat hem ondertusschen is nagevlogen. De geitenmelker zit geruimen tijd overlangs op een boomstam, soms vrij ver van het wijfje verwijderd, spint eenige minuten achtereen zijn snorrende strophen, vliegt op, beschrijft klapwiekend, sierlijke kringen om het wijfje, en roept dit zulk een teeder „haïet” toe, dat men er verbaasd over staat, hoe het mogelijk is, dat zoo zachte geluiden kunnen ontwellen uit die rauwe keel. De bijenvreter, die eveneens slechts met een zeer bescheiden stem begiftigd werd, verwijlt langen tijd, dicht tegen zijn wijfje aangedrukt, op zijn wachtpost, laat of in ’t geheel niet of slechts flauw eenig geluid hooren en schijnt zich te vergenoegen met haar enkel door den teederen blik zijner schoone, hoogroode oogen toe te spreken; eensklaps echter komt ook hij in vuur, roert plotseling de vleugels, stijgt omhoog, beschrijft een cirkel, laat een luiden juichkreet hooren, en keert naar zijn wijfje terug, dat intusschen haar plaats niet heeft verlaten. En wat de duif betreft, te midden van haar minnezang, ’t zij wij er den naam aan geven van kirren of huilen, staakt zij plotseling haar lied, evenals werd zij door geestvervoering aangegrepen, breidt de vleugels uit, klapwiekt een en andermaal, klautert omhoog, breidt de vleugels uit en daalt langzaam zwevend op de een of andere boomkruin neder om hier van voren aan te beginnen.
Boompiepers, waterpiepers, grasmusschen, spotvogels gedragen zich evenals de duiven; de fluiters laten zich, altijd doorzingende, van hun verheven zitplaats naar beneden vallen en vliegen van hier weder naar een hoogeren tak, om daar hun lied af te breken; straks daarop beginnen zij van voren aan om het op gelijke wijze te eindigen. De vlasvinken, sijsjes en grauwgorzen tuimelen, van liefde dronken, op zulk eene vreemdsoortige wijze door de lucht, dat het schijnt alsof zij het vrije gebruik der vleugels verloren hebben; deleeuwerikensteigeren, onder het zingen van hun minnelied, letterlijk ten hemel; de groenvink neemt den schijn aan alsof hij bij eenvleêrmuisin de leer was geweest.[212]
In gelijken roes verkeeren alle vogels, die door dansen hunne liefde openbaren. Ook deze verloochenen onder den dans hunne gewone geaardheid, en geraken ten slotte in zulk eene sterke geestvervoering, dat zij alles om zich heen vergeten. Weinige vogels laten gedurende den dans in ’t geheel geen geluid hooren; de meesten stooten alsdan integendeel geluiden uit, die hun anders vreemd zijn. Tevens ontplooien zij middelerwijl al den vedertooi, waarover zij hebben te beschikken, of zij eindigen daarmede den dans.
Tot de ijverigste dansers behooren de hoenderachtige vogels. Onze huishaan stelt zich daarmede tevreden, dat hij trots heen en weder stapt, kraait en met de vleugels slaat; zijn hofgenooten, de pauw en kalkoen doen al iets meer en balderen. Maar de lustigste dansers zijn de ruigpoothoenders en enkele fazanten. Wie in de eerste morgenuren den balderenden auerhaan waarneemt, wie het ratelende en slijpende korhoen heeft beluisterd, wie in de schemernachten van de noordelijke lente het moerassneeuwhoen op de sneeuwvelden der toendra zag dansen, zal mij gelijk geven wanneer ik zeg, dat zulk eene hulde, gelijk genoemde hanen hun hennen bewijzen, even onweêrstaanbaar op ons werkt als die, welke de pauw zijn wijfje bereidt, wanneer hij zijn prachtkleed als een baldekijn voor haar uitspreidt.
Op nog vreemdsoortiger wijze gedragen zich de mannetjes der satyrhoenders of hoornfazanten, prachtige vogels uit het zuiden van Oost-Azië, die zich kenmerken door twee hoornachtige, levendig gekleurde, buisvormige huidlappen aan beide zijden van den bovenkop, en een met de gloeiendste kleuren prijkende, voor uitzetting vatbare keellel. Nadat de haan een en ander maal om de hen is rondgeloopen, schijnbaar zonder op haar te letten, blijft hij eindelijk op eene bepaalde plaats stil staan en vangt aan buigingen voor haar te maken. Steeds sneller volgen deze bewegingen op elkander, terwijl ondertusschen de horens zich langzaam uitrekken en de keellel zich verbreedt en daalt, totdat eindelijk beide organen den van liefde dronken vogel over den kop vliegen. Nu ontplooit hij de vleugels, spreidt den omlaag gedrukten staart uit, hurkt op de ingebogen pooten en veegt al blazend en sissend met zijn vleugels den grond. Plotseling staakt hij deze bewegingen. Diep gebogen, met opgerichte veêren, vleugels en staart tegen den grond gedrukt, de oogen gesloten, hoorbaar adem halende, blijft hij een poos als in geestvervoering in deze[213]bewegingloosheid volharden. Een verblindende glans schiet van uit zijne nu geheel ontplooide tooisels.
Plotseling richt hij zich echter weder op, blaast en sist, siddert over zijn geheele lichaam, brengt de veêren weder in den gewonen stand, scharrelt met de pooten, werpt den staart omhoog, slaat met de vleugels, richt zich met rukken in zijn volle lengte op, rent onstuimig op het wijfje los, staakt bliksemsnel dien wilden loop en vertoont zich voor haar in olympische heerlijkheid; hij blijft nog een oogenblik staan, trilt, beeft, sist en laat eensklaps alle pracht verdwijnen, strijkt de veêren glad, trekt de horens en de keellel in, en begeeft zich, even als ware er niets gebeurd, aan zijn gewonen arbeid.
Met sierlijken tred, gebogen kop, uitgespreiden staart en vleugels, terwijl de laatste in trillende beweging verkeeren, trippelt de kwikstaart al buigende, nu naderende, dan zich verwijderende, om de uitverkoren gade; als een flikkerende offervlam verschijnt de vuurvink op den top eener aar van het kafferkoren, waarin hij met zijn wijfje zijn woning heeft opgeslagen, pronkt met zijn prachtig gevederte in de stralen der zon, en draait, onder ’t zingen van een lustig lied, zich op zijn zetel in het rond. Teeder als echte menschenkinderen, mond aan mond, borst aan borst gedrukt, voeren doffer en duif gemeenschappelijk een langzamen dans uit; hartstochtelijk, met levendige sprongen, dansen de kraanvogels; niet minder ijverig, zelfs ten aanzien van schijnbaar hen bewonderende toeschouwers, doen zulks de prachtige rotshoenders van Middel-Amerika; en zelfs de condor, een vlieger van den eersten rang, die duizenden meters boven de hoogste toppen der Andes door den ether zweeft, en van wien men niet zou verwachten, dat hij andere minnemiddelen zou bezigen dan het vliegen, veroorlooft zich wel eens een dansje en draait, met diep gebogen kop en breed uitgespreide vleugels, om het wijfje rond, terwijl hij daarbij een eigenaardig trommelend geluid laat hooren.
Nog andere vogels dansen niet zoo zeer, maar springen woest op en neder, of huppelen op de takken rond, terwijl zij ondertusschen met hun fraai gevederte pronken; zoo doen b.v. de paradijsvogels, die in de morgenuren gemeenschappelijk op zekere boomen verschijnen, om hier als hulde aan het wijfje, onder allerlei bewegingen en onder het trillen der vleugels hunne sierlijke vederen uittespreiden. Er zijn er weder andere, die een soort vanpriëeltjesbouwen, welke zij met gekleurde,[214]glinsterende voorwerpen versieren, en waarin zij allerlei dansen uitvoeren.
Sommige vogels eindelijk, die noch met hunne stem, noch met vliegen en dansen kunnen schitteren, gebruiken den snavel, om hiermede de vreemdsoortigste geluiden voort te brengen. Op deze wijze vrijen alle ooievaars; zij slaan de beide snavelhelften schielijk tegen elkaar, wat een geklepper veroorzaakt dat de plaats vervangt eener stem, die dezen vogels ontbreekt. Ook de spechten handelen eveneens, en hameren met hun snavel tegen een dooden stam of tak, waardoor het hout in trilling wordt gebracht, terwijl een doordringend geluid in het bosch weêrklinkt.
Ofschoon het wijfje eene haar geldende liefdesverklaring eigenlijk niet met preutschheid afwijst, schenkt het toch slechts in geval van nood hare hand aan den eersten den besten vrijer. Aanvankelijk luistert het schijnbaar zeer onverschillig naar de teederste minneliedjes en blijft koel onder ’t aanschouwen der vliegspelen en dansen, die haar ter eere worden opgevoerd, en even onverschillig aanschouwt het schijnbaar alle pracht, die voor haar alleen wordt ten toon gespreid. Meest doet het alsof al die bekoringsmiddelen van het mannetje haar niet aangaan, en vervolgt dood bedaard haar gewone bezigheden, tot het zoeken van eten toe. In vele, ofschoon lang niet alle gevallen, laat het zich in de nabijheid lokken, maar geeft toch geen enkel teeken van goedkeuring of genegenheid. Vele vogelwijfjes, o.a. die der in polygamie levende hoenders, bezoeken niet eens de balderplaatsen, ofschoon deze vogels juist alles behalve preutsch zijn en de balderende hanen niet zelden door een uitlokkend geroep in vuur en vlam weten te zetten. Wordt een mannetje vrijpostiger dan haar lief is, dan onttrekt zij zich door de vlucht aan zijn vrijheden. Zulks moge nu meestal niet gemeend zijn, maar zij doet het met zooveel ernst en volharding, dat men moeilijk kan bepalen of deze vlucht zonder eenig nevendoel dan wel uit schijn geschiedt. In elk geval bereikt zij er toch dit mede, dat het mannetje zijn verlangen ten toppunt voelt stijgen en tot de uiterste inspanning van alle krachten wordt gedreven. Meer dan ooit in vuur, niet denkende aan eenige terughouding, slechts naar het ééne doel strevende, stormt het op het wijfje los, als om haar te dwingen gehoor aan zijn liefde te geven; vuriger dan ooit klinkt het lied, met meer geestdrift dan te voren baldert het, danst het en vliegt het, wanneer het wijfje hem een oogenblik van rust laat, en ijveriger dan straks[215]neemt het de vervolging weêr op zich, zoodra dit laatste hare vlucht opnieuw voortzet.
VECHTENDE MANNETJESVINKEN.VECHTENDE MANNETJESVINKEN.
VECHTENDE MANNETJESVINKEN.
Waarschijnlijk zouden de wijfjes der vogels gewilliger zijn, indien het aantal vrijers niet zoo groot ware. Tengevolge van het gemeenlijk grootere aantal mannetjes genieten de wijfjes het geluk der volle vrije keuze. Een aantal mannetjes, bij tijd en wijle zelfs een groot aantal, brengt het wijfje hun hulde, en gerechtvaardigd is alzoo haar besluiteloosheid en kieschkeurigheid. Uit eigen beweging of onwillekeurig gehoorzaamt het aan de wet der teeltkeus; het streeft er naar het beste, gezondste, in alle opzichten voortreffelijkste mannetje uit velen uit te kiezen; hetmagkieschkeurig zijn. De terugwerking van het gedrag[216]en de handelingen van het wijfje ten aanzien der mannetjes openbaart zich in toomeloozen minnenijd, die de hevigste gevechten, soms een strijd op leven en dood na zich sleept. Elke vogel, zelfs de schijnbaar zachtmoedigste en vreesachtigste, wordt in dien strijd om eene geliefde een held, en ieder weet daarbij zulk een goed gebruik te maken van de hem door de natuur geschonken weêrmiddelen, als: snavel, nagels, sporen, zelfs van de met hoornachtige stekels voorziene vleugels, dat in vele gevallen de strijd eerst eindigt met den dood des eenen medeminnaars.
BALDEREND KORHOEN.BALDEREND KORHOEN.
BALDEREND KORHOEN.
Naar de soort en den stand der vogels wordt het gevecht in de lucht, op den grond, in de takken of in het water uitgevochten. Arenden en valken vallen elkander in de lucht, met klauwen en snavels aan. Zulke tweegevechten kenmerken zich door sierlijke wendingen, een wedijverend omhoog stijgen, ten einde een voor den aanval gunstige hoogte te bereiken, pijlsnel uitgevoerde stooten, schitterende afweringen, wederzijdsche vervolgingen en een moedig standhouden. Wanneer het een der koninklijke helden gelukt zijn mededinger te grijpen, slaat ook de laatste den eersten de klauwen in de borst en beiden dalen alsnu, van ’t gebruik der vleugels beroofd in een schroeflijn ter aarde. Hier aangekomen wordt de strijd begrijpelijkerwijs gestaakt; maar stijgt een hunner echter weêr omhoog, onmiddellijk volgt hem de ander, en weinige minuten later begint het duel opnieuw. Wordt een der strijdenden b.v. ten gevolge van bekomen wonden vermoeid, dan vangt hij den terugtocht aan, of vlucht weg, verwoed door den ander vervolgd. Snel en zonder eenigen tegenstand meer te bieden, verre buiten de grenzen van het rijk, dat het wijfje voor zich heeft uitverkoren, ongeacht alle nederlagen, geeft het evenwel toch den strijd niet eer op, voor het wijfje zich bepaald voor den overwinnaar heeft verklaard. Een doodelijken afloop heeft zulk een gevecht, hoewel zelden, toch eene enkele maal; want de arend, wiens ijverzucht door liefde en eergevoel werd geprikkeld, kent geen erbarmen of genade en vermoordt onmeêdoogend denweêrloosgemaakten medeminnaar. Zelfs de torenzwaluwen, anders zulke zachtzinnige vogeltjes, die op gelijke wijze als de arenden vechten, dooden hare medeminnaars door dezen hare scherpe nagels in de borst te slaan en dit lichaamsdeel zoodanig open te rijten dat de dood er op volgt.
Bij alle vogels, die met eene stem begiftigd zijn, gaat een werkelijke uitdaging den strijd vooraf.[217]
Reeds het lied van den zangvogel wordt tot een wapen, waarmede, ofschoon onbloedig, gestreden en overwonnen wordt; reeds het paringsgeroep, dat op zulk eene karakteristieke wijze het aanzoek uitdrukt, doet de ijverzucht ontbranden. Wie de kunst verstaat het geroep van den koekoek natebootsen, lokt den anders zoo voorzichtigen dwaas tot op den boom, waaronder men zich heeft opgesteld; wie het ingewikkeld gefluit van den goudmerel, het koeren der wilde duiven, het zacht gekir der tortels, het trommelen der spechten, met één woord de loktonen der vogels natuurlijk weet terug te geven, verkrijgt gelijk resultaat. Verschijnt een medeminnaar op het tooneel, zoo geeft deze zijn komst eveneens door een geroep of met zingen te kennen; spoedig echter gaat hij tot feitelijkheden over en er ontbrandt tusschen de beide minnaars een even heftige strijd als tusschen de straks genoemden. Tot in het binnenste der ziel verbitterd, roepende, schreeuwende en gillende, jaagt de een den ander na, onverschillig of de weg door hooge of lage luchtlagen voert, door de toppen der boomen of door de struiken, en even als bij de vervolging van het wijfje prikkelt de een den ander nog onder deze jacht door uitdagende tonen, door een lied, door het uitspreiden der tooisels en soortgelijke honende gebaren. Haalt de vervolger den vervolgde in, dan stoot hij dezen zoodanig met zijn snavel, dat de veêren er langs stuiven; laat hij af, dan keert de vervolgde zich bliksemsnel om, teneinde nu op zijn beurt aanvallenderwijs te werk te gaan; houden beiden stand dan plukharen zij elkander zoo hevig als zij maar kunnen, in de lucht, in de takken of op den grond. Is de strijd beslist, dan komt ook hier het wijfje nader om zich aan de zijde des overwinnaars te scharen.
Grondvogels vechten altijd op den grond, zwemvogels in het water.
Hoe ernstig de hoenders vechten weet ieder, die eenmaal den strijd van twee hanen bijwoonde. Ook hier geldt het een kamp op leven en dood, ofschoon de dood zelf er zelden meê gemoeid is, tenzij menschelijke ruwheid de natuurlijke wapenen verscherpte, en de weêrmiddelen verzwakte. De om een wijfje vechtende struisvogels gebruiken almede hunne krachtige pooten en brengen elkander met hun sterke of scherpe klauwen diepe wonden toe in borst, lijf en pooten; jaloersch geworden trapvogels maken, na elkander eerst met opgeblazen keelzak, verwrongen vleugels en uitgespreiden staart, en onder een hevig geblaas, langen tijd te hebben uitgedaagd, een geweldig gebruik van hunne snavels; strandloopers en andere strandvogels, inzonderheid de kemphanen, welke[218]vogels om elke kleinigheid met elkander vechten, niet alleen om een wijfje, maar zelfs om een vlieg, om de zon, om het licht en om de een of andere plaats, rennen met hunne snavels als waren het aangelegde lanzen, op elkander in, telkens de stooten opvangende met hunne sterk ontwikkelde borstveêren, die bij de kemphanen tot een waar schild zijn geworden; de waterhennetjes loopen op het wankelende dek van drijvende waterplanten op elkander af en brengen elkander slagen toe met de pooten; de zwanen, ganzen en eenden vervolgen elkander net zoo lang tot het een der strijders gelukt den ander bij den nek te pakken en zoolang onder water te houden tot hij gevaar loopt te verdrinken; in elk geval wordt hij door deze manoeuvre zoo verzwakt, dat hij den strijd niet dadelijk weder kan aanvaarden; de zwanen maken daarbij, even als de spoorvleugels, gebruik van de harde, spitse, verhoornde uitsteeksels aan de vleugelbocht, om daarmede gevoelige slagen uit te deelen.
Zoo lang het wijfje zich nog niet bepaald voor een mannetje verklaard heeft, neemt het geen deel aan dien strijd, ja het schijnt er zich zelf niet eens warm voor te maken. Toch moet het alles opmerkzaam nagaan, daar het zich gemeenlijk voor den overwinnaar verklaart, althans diens aanzoeken het oor leent. Op welke wijze het jawoord gegeven wordt kan ik niet zeggen, ja zelfs niet vermoeden. Nog voordat de strijd is geëindigd heeft het reeds de keuze bepaald en van af dit oogenblik geeft het zich geheel en al aan den man harer keuze over, volgt dien even dikwijls als het hem voorgaat, aanvaardt met zichtbaar welbehagen diens liefdesverklaringen, en beantwoordt met eene zelfverloochenende teederheid al zijn liefkoozingen.
Vol verlangen roept het hem, jubelend begroet het hem, gewillig volgt het zijn wenschen en voegt zich naar zijn handelingen. Dicht aaneengedrukt zitten de gepaarde papegaaien naast elkander, al zijn ook honderden op denzelfden boom vereenigd; de volkomenste harmonie beheerscht hen, slechts door één wil schijnen zij bezield.
Neemt het mannetje voedsel tot zich, zijn gade volgt zijn voorbeeld; zoekt het eerste een ander plaatsje op, de laatste volgt hem; laat het mannetje zijn geschreeuw hooren, het wijfje antwoordt terstond. Liefkoozend verbergen zij den snavel in elkanders veêren, en gewillig buigt de zwakke partij kop en hals, om deze bewijzen van liefde te ontvangen. Al is het niet altijd op zulk eene zichtbare wijze, elk vogelwijfje ontvangt en beantwoordt de haar gewijde liefkoozingen met gelijke[219]teederheid. Het weet van geen luim of humeur, van geen pruilen of grommen, van geen schelden of kijven, van geen misnoegen of ontevredenheid, het kent slechts liefde, teederheid en overgave, en het mannetje zwelgt in geluk en zaligheid, zich bewust van een kostbaar bezit, dat hij wenscht te handhaven. Is hij heden de toongever, morgen schikt hij zich naar de wenschen zijner gade; als zij opvliegt volgt hij, als zij de woonplaats verlaat, trekt hij mede uit, wanneer zij naar huis terugkeert, wendt ook hij zich derwaarts. Niet te verwonderen is het dus, dat het huwelijk der vogels gelukkig en rein is. Al verouderen ook de voor hun leven verbonden echtgenooten, hunne liefde veroudert niet, maar blijft eeuwig frisch en jong; elke lente voert nieuwe olie aan om de oude vlam te voeden; de wederzijdsche liefde verzwakt niet al duurt de echt nog zoo lang. Getrouw nemen beiden een deel op zich van de noodzakelijke huishoudelijke bezigheden, die nestbouwing, bebroeding en de opvoeding der jongen vragen; zelfopofferend helpt het mannetje zijn wijfje bij alle moeitevolle werkzaamheden, die de kinderen haar veroorzaken; moedig verdedigt hij deze; zonder bedenken stort hij zich in de grootste gevaren, ja deinst voor den dood niet terug, waar het leven van hun kroost op het spel staat. In één woord: zij deelen van het oogenblik hunner vereeniging af alle lief en leed, en zoo bijzondere omstandigheden zulks niet verhinderen, duurt deze innige band het gansche leven.
Het ontbreekt niet aan waarnemingen, die ten bewijze van het gezegde kunnen strekken.
Scherpzinnige waarnemers, die jaren achtereen enkele vogels hebben gadegeslagen en deze eindelijk zoo nauwkeurig kenden, dat eene verwisseling met andere vogels derzelfde soort onmogelijk was, zijn ons daarvoor borg geworden; en ieder onzer, die zijne opmerkzaamheid slechts wijdt aan bijzonder in ’t oog vallende vogels, zal tot een gelijk besluit moeten komen. Een paar ooievaars op het dak geeft den eigenaar der woning gelegenheid te over om mannetje en wijfje van andere ooievaarsmannetjes en wijfjes te onderkennen, zoodat hier elke vergissing uitgesloten schijnt. Wie evenwel zijn ooievaar gadeslaat zal ervaren, dat altijd hetzelfde paar naar het nest terugkeert zoo lang beide echtgenooten nog in leven zijn. En ieder natuuronderzoeker en ieder jager, die trekkende vogelparen scherp in ’t oog vat, of, wanneer de geslachtsverschillen niet uitwendig zichtbaar zijn, ze neêrschiet, zal steeds ondervinden, dat het mannetje en wijfje zijn. Op mijn reizen in Afrika[220]heb ik veelvuldig trekkende vogelparen ontmoet, die ook hier in gelijke, het huwelijk der vogelen zoo gunstig onderscheidende innige gemeenschap leefden en even onafscheidelijk aan elkaar gehecht waren als ginds bij het nest; die gemeenschappelijk handelden, gemeenschappelijk duldden en leden. De paren van den dwergarend waren ook dan nog als echtgenooten te kennen, wanneer zij in gezelschap van andere vogels hunner soort reisden en toefden; de zangzwanen, die ik aan het Mensale-meer in Egypte waarnam, verschenen paarsgewijs en vertrokken eveneens paarsgewijs; alle andere in echt levende vogels, die ik onderweg aantrof, bevestigden dezen regel. Dat beide echtgenooten gemeenschappelijk dulden en lijden, ervoer ik, toen ik aan een waterpoel in Zuid-Nubië eens een ooievaarspaar aantrof, dat daarom mijne opmerkzaamheid trok, dewijl het zich hier nog ophield op een tijdstip, dat alle soortgenooten reeds lang een toevlucht hadden gezocht in het hartje van Afrika. Teneinde de oorzaak van dit achterblijven te leeren kennen, liet ik het doodschieten en nu bevond ik, dat het wijfje den eenen vleugel had gebroken, zoodat het verhinderd werd verder te reizen; het door en door gezonde mannetje was dus alleen uit liefde voor zijn gade en om haar gezelschap te houden, teruggebleven, en dat in een oord, hetwelk alle gegevens miste voor een goed winterverblijf.
Slechts de dood kan een eind maken aan het innige en trouwe verbond van door den echt vereenigde vogels.
Zulks is regel—maar er zijn uitzonderingen. Ook onder de vogels komt, alhoewel zeldzaam, echtbreuk voor. Hoe trouw zich de wijfjes ook gewoonlijk aan hare echtgenooten betoonen, hoe weinig zij ook naar andere mannetjes kijken, hoe zelden het voorkomt dat zij iemand als huisvriend opnemen, wanneer zich zulk een indringer opdoet—bijzonder in ’t oog loopende eigenschappen van een vreemd mannetje kunnen verleidelijk worden. Een meesterzanger der zelfde soort, die met zijn gezang den echtgenoot in de schaduw stelt, een arend, die het door een wijfje uitverkoren mannetje in alle of althans in vele opzichten overtreft, kunnen het geluk van het nachtegaalsgezin, respectievelijk dat van den arend op gruwzame wijze verstoren, en soms zelfs de wijfjes tot ontrouw verleiden.
De oud-vrijers, die gedurende den broedtijd het land doortrekken, strekken ten bewijze van het gezegde. Zij dringen onbeschaamd binnen het gebied der echtelieden en dingen driest om de gunst der vrouw, zoodat hieruit hevige vechtpartijen ontstaan tusschen deze alleenloopers[221]en het rechtmatige mannetje, welke gevechten ook nu weder gewoonlijk uitgevochten worden, zonder dat het wijfje zich in dien strijd mengt. Ook schijnt daarvoor te pleiten het gedrag dier wijfjes, die plotseling weduwe zijn geworden en zich niet alleen terstond door een nieuwen echt weten te troosten over het geleden verlies, maar eene enkele maal zelfs niet schuwen den moordenaar van den eersten gemaal te huwen. Op het dak van het riddergoed Ebensee bij Erfurt broedde sinds jaren een ooievaarspaar, dat wel is waar in de beste eendracht leefde, maar toch nu en dan last had van om het nest rondvliegende schuimloopers. In zeker voorjaar verscheen daar ter plaatse een mannetje, dat brutaler was dan een te voren, en dat den huisvader gedurig tot een tweestrijd uitdaagde of hem noodzaakte onophoudelijk goede wacht te houden. Op zekeren dag zit deze, van ’t vechten moede, met den kop tusschen de veêren gedoken, oogenschijnlijk in slaap gevallen, op zijn nest; de vreemdeling schiet plotseling van boven op hem neêr; doorboort hem met zijn snavel en slingert het lijk van het dak. En de weduwe? Zij verdrijft den sluipmoordenaar niet, maar neemt hem onmiddellijk, als haar gemaal aan, en gaat voort met broeden even alsof er niets gebeurd ware.
Deze en vroeger vermelde omstandigheden pleiten niet ten gunste van de vogelwijfjes, doch zij worden, ik wil dit reeds hier aanstippen, door een aantal tegenbewijzen zoozeer ontzenuwd, dat zij slechts mogen gelden als uitzonderingen op den regel om alzoo den regel zelf te bevestigen. En wanneer er werkelijk reden bestaan om in dit opzicht de wijfjes te veroordeelen, wij mogen daarbij niet vergeten, dat de mannetjes, die veel minder aanleiding hebben tot ontrouw, omdat zij zoo veel talrijker zijn dan de wijfjes, insgelijks de heiligheid van den echt kunnen schenden. Ieder die de duiven kent, vogels, die men ten onrechte afschildert als in ’t bezit te zijn van alle mogelijke deugden, weet hoe weinig zij den roem waard zijn, waarmede de overlevering en de denkbeelden der ouden hen versieren. De teederheid der duiven is verleidend, maar niet echt; haar trouw jegens gade en kroost wordt geprezen, maar kan de proef niet doorstaan. Hun geringe vaderliefde daargelaten, maken de doffers zich maar al te dikwijls schuldig aan echtbreuk, en niet zelden nemen zij den tijd, dat hun echtgenooten zitten te broeden, waar, om met andere duifjes te coquetteeren. De eenden handelen nog berispelijker en de roodhoenders maken het ook al niet beter. Zoodra de eenden vast op de eieren zitten, zoeken de heeren gemaals elkander[222]op, om elkander zoo aangenaam mogelijk den tijd te korten, terwijl ondertusschen de arme vrouwtjes zich afsloven en zonder eenige hulp met de zorg voor de kleinen belast blijven. Eerst dan voegen zich de mannetjes weêr bij hunne echtgenooten wanneer de kinderen groot geworden zijn en dus hunne hulp niet meer behoeven. De roodhoenders, en waarschijnlijk ook onze patrijzen, maken gedurende den paartijd hun opwachting bij elken anderen mannelijken soortgenoot om met dezen naar hartelust te vechten; de Spanjaarden maken hiervan gebruik door hen met behulp van tamme individuen te misleiden en dan te dooden; later, wanneer de hennen broeden en de vechtlust is geweken, verschijnen zij echter op het geroep der hennen en nu zelfs nog schielijker dan te voren.
Doch, gelijk gezegd, dit zijn uitzonderingen op den regel, die zich met de in veelwijverij levende vogels in de verte niet laten vergelijken. Te vergeefs heeft men getracht de veelwijverij der runder-troepialen, koekoeken, fazanten, boschhoenders, kalkoenen, kwartels, pauwen en kemphanen te verklaren; een afdoende reden heeft men nog niet kunnen vinden. Wanneer men beweert, dat de koekoek en diens naaste verwanten niet broeden, omdat zij de opdracht ontvingen de al te snelle vermeerdering van rupsen tegen te gaan, zoodat zij dientengevolge niet kunnen huwen en voor hun eigen kroost zorgen, dan bazelt men zonder eenige verklaring te geven, en vergeet dat ook derunder-troepialenhun kroost aan vreemden toevertrouwen; en wanneer men zegt, dat de natuur door de instelling der veelwijverij bij sommige hoendersoorten, die sterk aan vervolgingen zijn blootgesteld, voor eene talrijke nakomelingschap heeft willen zorg dragen, dan mag men wijzen op het feit, dat dit doel bij andere hoenderachtige vogels, die in monogamie leven en in vruchtbaarheid voor eerstgenoemden niet onderdoen, eveneens bereikt wordt.
Het woord veelwijverij is eigenlijk slecht gekozen, want het begeeren blijft hier niet beperkt bij de mannetjes, maar ook de wijfjes deelen dit gevoel. Het koekoekswijfje houdt zich heden bij dit, morgen bij een ander mannetje op, ja het maakt wellicht binnen het tijdsverloop van een enkel uur velen gelukkig; hennen geven zich vrij onverschillig nu aan dezen dan aan dien haan over. Bij al deze vogels is er van geen eigenlijk huwelijk sprake. De mannetjes bekommeren zich slechts nu en dan om de wijfjes, en deze zien evenmin veel naar de mannen om; elke sexe gaat haar eigen gang, zondert zich buiten den paartijd[223]zelfs van de andere af en bekommert zich niet om het lot van het andere geslacht. Eene grenzenlooze hartstocht en eene hierdoor tot het uiterste gedreven jaloezie, heerschzuchtig eischen en deemoedig inwilligen, toomeloos willen en bereidwillig verhooren zijn de karakteristieke eigenschappen van den sexueelen omgang bij al deze vogels. Zoo wordt het dan ook verklaarbaar, dat bij hen vaker dan bij andere vogels mishuwelijken worden gesloten, ten gevolge waarvan bastaarden ontstaan, die een jammerlijk bestaan voeren, en die òf kinderloos blijven, òf door paring met een der stamsoorten nakomelingen teelen, die weder onvruchtbaar zijn. Mishuwelijken of gemengde huwelijken komen wel is waar, ook bij sommige in monogamie levende vogels voor, maar alleen dan, wanneer er geen goede echtgenooten te vinden zijn en de nood er toe dwingt; bij de vroeger genoemden zijn het toeval en de verleidelijke gelegenheid de gewone motieven.
Nood,—dringende, noodzakelijke evenwel,—de behoefte om het leven te redden der pas uit het ei gekomen of nog in het ei sluimerende jongen, hierin moeten wij waarschijnlijk de reden zoeken, die de wijfjes der monogamisch levende vogels aanspoort om den weduwensluier spoediger met den bruidskrans te verwisselen dan de mannetjes het verlies hunner gaden kunnen vergeten. Of de rouw der weduwen evenwel minder groot is dan die der weduwnaars is, hoezeer de schijn er voor pleit, verre van zeker. Evenals de ooievaarsvrouw van Ebensee doen vele vogelwijfjes. Een ekster-paar, dat in onzen tuin broedde, moest gedood worden, daar wij schade vreesden voor onze zangvogels. ’s Morgens om zeven uur werd het mannetje dood geschoten; reeds twee uren later had het wijfje een anderen man tot zich genomen; een uur later viel ook deze onder ’t moordend lood; om elf uur was het wijfje voor de derde maal gehuwd. Een herhaling zou ook nu niet uitgebleven zijn, indien niet het beangste wijfje met haar nieuwen echtgenoot naar elders ware verhuisd.
Mijn vader schoot eens in het voorjaar een mannetjespatrijs. De hen vloog op, streek spoedig weêr neêr, werd onmiddellijk daarop door een nieuwen haan gevrijd, dien zij aannam.Tschudi-Schmidthofenving van het nest van een roodstaartje binnen acht dagen niet minder dan twintig mannetjes weg en liet toen eerst aan de twintig malen in rouw gedompelde, maar telkens weder vertrooste weduwvrouw het geluk en de vreugde des huwelijks.
Het tegendeel van zulk eene schijnbare wispelturigheid nemen wij[224]waar, wanneer de vogelmannetjes hunne echtgenooten verloren hebben. Luid schreeuwende, weemoedig klagende, door stem en gebaren hunne droefheid te kennen gevende, vliegen zij rondom het lijk der geliefde, raken dit met den snavel aan, even als trachtten zij de doode te bewegen om op te staan en mede weg te vliegen, laten opnieuw, ook voor den mensch verstaanbare klaagtoonen hooren, dwalen binnen hun gebied van plaats tot plaats, verwijlen roepend, lokkend, jammerend, nu eens op dit, dan weder op een ander lievelingsplekje, weigeren alle voedsel, storten zich boosaardig op andere mannetjes hunner soort, als benijdden zij dezen hun geluk, en als wilden zij hen deelgenooten maken van hun eigen leed, vinden nergens rust, beginnen zonder iets ten eind te brengen, en handelen zonder te weten, wat zij doen. Zoo gaat het dagen, soms weken achtereen voort, en dikwijls toeven zij op de plaats des onheils zoo lang mogelijk, zonder zich zelfs korte uitstapjes ter opsporing eener andere levensgezellin te veroorloven. Sommige soorten, en volstrekt niet alleen de z.g. „inséparables” onder de papegaaien, maar ook vinken en andere vogels, zelfs de oehoe’s verliezen tengevolge van zulk een zwaren slag, alle lust- en levensvreugd, en treuren stil voor zich heen, totdat de dood hen van hun leed bevrijdt.
Zoo niet de eenige, dan toch de hoofdoorzaak van zulk eene diepgaande smart kan wellicht gelegen zijn in de steeds groote moeilijkheid, soms onmogelijkheid om een ander wijfje te vinden en machtig te worden. Het wijfje heeft zeer dikwijls geen tijd tot treuren; want vroeger of later, dikwijls op ’t zelfde oogenblik, komen nieuwe vrijers bij haar aan de deur, die haar met zooveel gunsten en liefde overladen, dat het zich wel moet laten troosten. En wanneer de moederborst bovendien gedrukt wordt door de zorg voor de nakomelingschap, zwijgen vele andere gedachten, zoodat de kommer geen macht over haar verkrijgt.
Maar wordt ook haar de vergoeding onthouden, dan drukt ook haar het leed niet minder dan het mannetje. Toch gebeurt het somtijds, dat zij nieuwe minnaars afwijst. Eene musschenweduwe, nam, gelijk mijn vader eens gelegenheid had waar te nemen, in weêrwil, dat zij eieren had uit te broeden en later jongen had groot te brengen, geen nieuwen aanbidder aan, maar bleef weduwe en voorzag hare hongerige kinderschaar geheel alleen van het noodige voedsel.
Eene andere, waarlijk roerende geschiedenis, die ten bewijze kan[225]strekken van den diepen rouw eener vogel-weduwe, werd mij doorEugenius von Homeijerverhaald. Het huwelijksgeluk van een op het huis van genoemden degelijken natuuronderzoeker nestelend ooievaarspaar werd plotseling op treurige wijze vernietigd door een ellendeling, die het mannetje neêrlegde. De treurende weduwe neemt geen nieuwen echtgenoot aan, kwijt zich geheel alleen van de ouderplichten en aanvaardt tegen het begin van den herfst met haar kroost den tocht naar Afrika. Het volgende voorjaar verschijnt zij weêr op het oude nest, maar als weduwe zooals zij was vertrokken. Velen dingen naar hare hand, maar zij wijst alle vrijers met boosaardige snavelhouwen af; zij arbeidt ijverig aan de verbetering van het nest, doch doet zulks alleen, om haar huisrecht te handhaven.
In den herfst trekt zij wederom met andere ooievaars naar den vreemde, om in het volgende voorjaar nogmaals terug te keeren en te handelen als het vorige jaar. En zoo gaat het elf jaren achtereen. In het twaalfde jaar poogt een ander ooievaarspaar zich in ’t bezit van het nest te stellen; zij verzet zich moedig tegen dien aanslag, maar kan ook nu nog niet besluiten door het aangaan van een tweede huwelijk zich een verdediger in dien strijd te verschaffen. Men ontrooft haar het nest, en zij blijft ongehuwd; de roovers handhaven zich in het bezit en maken er een practisch gebruik van; de rechtmatige eigenares laat zich niet meer zien, maar, gelijk later blijkt, brengt zij den ganschen zomer op een, ongeveer vijftien kilometer daarvan verwijderde plaats eenzaam door. Nauwelijks evenwel zijn de roovers vertrokken, of zij bezoekt het oude nest, toeft daar eenige dagen en aanvaardt dan ook zelf de reis. Deze ooievaarsvrouw werd in die gansche streek bekend onder den naam vankluizenaarster; haar lot en handelwijze verwierven haar de genegenheid van alle weldenkenden.
En zoodanig doen en handelen zou niets anders zijn dan het werken en drijven eener van buiten bestuurde machine? Al deze zoo even geschetste uitingen van een meer dan warm en levendig gevoel zouden zonder zelfbewustzijn geschieden? Geloove wie zulks kan, verdedige zulks wie wil. Wij gelooven en verdedigen het tegendeel en zijn jaloersch op het zich zelf bewuste geluk van de huwelijkstrouw der vogels.[226]