[Inhoud]XI.HET LAND EN DE BEVOLKING TUSSCHEN DE STROOMVERSNELLINGEN VAN DEN NIJL.Egypte en Nubië, alhoewel onmiddellijk aan elkander grenzende en door een gemeenschappelijke rivier onderling verbonden, wijken toch zeer van elkander af. De goddelijke Nijl stroomt rustig en statig door Egypte, maar bruist in koortsachtige haast door Nubië; over Egypte verspreidt hij naar alle zijden zegen, in Nubië wordt hij in boeien geslagen door hooge, rotsachtige oevers; in Egypte bereikt hij de woestijn, in Nubië achterhaalt de woestijn hem. Egypte is een tuin, door hem in den loop der eeuwen geschapen, Nubië is eene woestijn, die hij niet vermocht te overwinnen. Het is waar, deze woestenij kent haar oasen even gelijk iedere andere, maar zij zijn weinig in aantal en verdwijnen tegenover de eindelooze woestenijen aan beide zijden des strooms. Bijna overal in het lange, gewonden dal, dat Nubië heet, verheffen zich zwarte, blinkende rotsmassa’s, hetzij uit het stroombed zelf, of op geringen afstand der oevers; mijlen in ’t rond belemmeren zij elke vegetatie en alleen door de woestijn weêrszijds erlangen zij eenigen tooi in de vormen van goudgele zandgolven, die over hare kruinen rivierwaarts rollen. Gloeiend ziet de zon van den donkerblauwen, bijna altijd onbewolkten hemel naar beneden, en het komt voor, dat er jaren voorbijgaan, zonder dat een enkele regendruppel het uitgedroogde land verfrischt. In de diep ingesneden dalen strijden de levenaanbrengende wateren van den bevruchtenden stroom te vergeefs tegen het onwillig gesteente, tegen hetwelk zij brullend en donderend breken, evenals wilden zij hun toorn uitspreken over de ondankbaarheid, waarmede hun mildheid wordt beloond.De kampplaats, alwaar die strijd gestreden wordt, is het gebied van de stroomversnellingen des Nijls.Slechts weinige reizigers, die het dal van den benedenloop dezer rivier bezochten, leerden de stroomversnellingen van haren middenloop[294]kennen. Een zeer gering aantal overschrijdt den zoogenaamden eersten waterval, nog kleiner aantal den tweeden. Wadihalfa, een onmiddellijk beneden de tweede stroomversnelling gelegen dorp, is het gewone doel der Nijlreizigers; verder naar het zuiden wordt slechts de natuuronderzoeker gedreven, of de jager, of de handelaar. Van Wadihalfa uit beginnen de moeielijkheden eener reis in de binnenlanden van Afrika; geen wonder alzoo, dat de groote massa in genoemd palmendorp den steven weder huiswaarts richt. Hij echter, die jong en krachtig is, sterk van wil en niet verweekelijkt, zal er nimmer berouw over gevoelen wanneer hij zuidelijker trekt. Is het Nijldal arm aan landschappelijke bekoorlijkheden, het gebied der stroomversnellingen vormt eene eigenaardige wereld op zichzelf. Verhevene en liefelijke, ernstige en vroolijke, vreeselijk eenzame en frissche, levendige beelden wisselen met elkander af; het zijn echter beelden der woestijn, die men te zien krijgt, en om ze naar waarde te schatten moet men voor het gewone het oog sluiten. Wie niet in staat is de woestijn te begrijpen, of zich te verzadigen aan haren kleurenrijkdom, of haar hitte te doorstaan, en zich aan haar nacht te verkwikken, doet wel ook de Nijlwoestijn niet te betreden; wie met open oogen en ontvankelijk gemoed het gebied der stroomversnellingen bereist, zoo mogelijk zelfs in eene ellendige boot den strijd aanvaardt tegen de schuimende golven, zal zijn gansche leven teren op de heerlijkste herinneringen, want nooit en nimmer zal het aangrijpend tooneel, dat het lichamelijk oog aanschouwde, verbleeken voor het geestelijk oog, nooit zal de ziel het goddelijk lied vergeten, dat eens de stroom het oor heeft voorgezongen.Zoo althans vergaat het mij, die te land en te water Nubië’s rotsland door ben getrokken, in de boot, stroomopwaarts en stroomafwaarts, die met gebrek en gevaren heb te worstelen gehad, en nu eens van de toppen der steile rotsen, dan weder van den rug des kameels de stroomversnellingen heb gadegeslagen.Het is gewoonte geworden van drie watervallen van den Nijl te spreken. Ieder dezer bestaat uit eene reeks van stroomversnellingen, die over de uitgestrektheid eener mijl de scheepvaart ten hoogste bezwaren en gevaarlijk maken. In den eersten waterval is er maar ééne stroomversnelling van beteekenis, in den tweeden en derden echter zijn er samen over de dertig, ieder van welke eenen haar door de Nubische schippers gegeven naam draagt. Watervallen, die de scheepvaart ten eenenmale onmogelijk maken, zijn er evenwel niet, althans niet in het[295]vaarwater, waarin zich, behalve de gewone vaartuigen, die booten bewegen, welke uitsluitend met het oog op de stroomversnellingen zijn gebouwd en uitgerust.Wanneer men, in de richting van den heiligen stroom voortreizende, de noordoostelijkste vernauwing der oevers tusschen de „bergen der keten” achter zich heeft gelaten, verandert plotseling het landschap. Egypte, of het breede, zeewaarts zich tot eene onafzienbare vlakte verwijdende stroomdal ligt achter den rug der reizigers en de rotsdrempel van Nubië bouwt zich voor zijnen blik op. De tegenstelling is verrassend. De eentonigheid maakt plaats voor afwisseling. Wel biedt ook Egypte menig hartverfrisschend, het oog aangenaam aandoend beeld; wel tooit ook het landschap in Egypte zich, vooral ’s avonds en ’s morgens, met den wonderbaren glans van het zuidelijk licht; maar over ’t algemeen is dat landschap eentonig, omdat men overal hetzelfde ziet, onverschillig of men het oog vestigt op de zandsteenen en kalkrotsen der dalbegrenzing, of het laat weiden over den stroom en de landerijen. Een en hetzelfde beeld keert schier onveranderd honderden malen weder: gebergten en vruchtbare vlakten, oeverwanden en eilanden, mimosenboschjes, palmengroepen, sykomoren, steden en dorpen, alles draagt in hoofdzaak hetzelfde karakter. In ’t gezicht van de rotspartijen van den eersten katarakt, van den laatsten grendel, dien de zeewaarts spoedende stroom verbrak, eindigt dit Egypte en begint Nubië. De boot glijdt niet meer over den in majestueuse rust daarheen vlietenden stroom, maar zij moet zich gewelddadig zelf een weg banen tusschen de rotsmassa’s en de uit de golven zich verheffende rotskegels.Boven op een steil afvallend, vooruitstekend gedeelte van den linkeroever ziet men een ellendig, maar niettemin schilderachtig uitkomend bouwwerk, het graf van ScheikMusas, den patroon der eerste stroomversnelling, vervolgens het aan palmboomen rijke eiland Elephantine, en spoedig hierna Assoean. Rotsmassa’s uit wier schors eene eeuwen achtereen voortgezette werking der tegen haar schuimende golven de inscripties uit den tijd der Pharao’s niet vermocht uit te delgen, versperren het vaarwater en noodzaken de boot tot allerlei wendingen, tot zij eindelijk in eene stille bocht, waar men nog het woeden der stroomversnelling hoort weêrklinken, eene veilige landingsplaats vindt.Het is een door de oudheid gewijde grond, dien wij betreden. Lang vervlogen eeuwen spreken, door middel van het zoo even vermelde[296]heilige schrift, tot ons in verstaanbare taal. „Ab” of ivoorstad, Elephantine, zoo heette de stad op het eiland van denzelfden naam; het eiland is gebleven, maar zelfs de puinhoopen der stad zijn verdwenen. „Soen”, Syene, heette de plaats aan den rechteroever, waar nu Assoean is gelegen. Elephantine, de zuidelijkste haven van het oude Egypte, alwaar de uit het binnenland van Afrika gehaalde waren, inzonderheid het destijds reeds als kostbaar geachte ivoor, werden opgestapeld, was de hoofdstad van het zuidelijk Nijldistrikt; Soen was wellicht een arbeidersdorp, ofschoon als zoodanig toch niet van geringer beteekenis dan Elephantine. Want hier werd van de oudste tijden van het Egyptische rijk af de „Mat” of „Ethiopische steen van Herodotus”, dien men in de nabijheid brak, aan den Nijloever gebracht en in de schepen geladen, die hem naar de plaats van bestemming voerden; naar dit „Soen” ontving de kostbare steen den naam van „syeniet”, dien hij nu nog draagt. Opschriften op de gedenkteekenen, die dagteekenen van de oudste Egyptische koningsgeslachten, op zulke, die tot in het tweede en derde duizendtal jaren vóór onze tijdrekening opklimmen, gewagen meermalen van de plaats Soen, en tallooze andere hiëroglyphen, in de nabijgelegen steengroeven zelf, doen ons de beteekenis van dit arbeidersdorp kennen. Over nagenoeg twee vierkante geographische mijlen der ten oosten van den waterval gelegen woestijn strekken zich de steengroeven uit, waaruit men de groote blokken haalde, die als reusachtige ronde en spitse zuilen, als lijsten en draagbalken van tempels ons met stomme verbazing vervullen; ook werden er de grafkamers der pyramiden mede bekleed, daar men van hen vertrouwde, dat zij in staat zouden zijn den op hen drukkenden last te dragen.„Overal,” zegt mijn geleerde vriendDümichen, „zien wij hier, hoe de menschelijke hand bezig was, deels om het kostbare gesteente uit den rotswand los te maken, deels om in beeld en schrift sommige gebeurtenissen te vereeuwigen; overal is de steen hier in een gedenkteeken veranderd, en talrijke opschriften, dikwijls op de hoogste toppen der bergen aangebracht, wij-spreuken ter eere der goddelijke drieëenheid van het voornaamste Opper-Egyptische landschap,—van den god des watervalsChnoem-Raen zijne beide gezellinnenSatienAnoeke,—andere ter verheerlijking van sommige heldendaden der Egyptische koningen en hooge staatsbeambten bedekken wijd en zijd de rotswanden. Ook deze opschriften gaan gedeeltelijk tot in de oudste tijden der[297]geschiedenis terug; en toch, hoe jong zijn ze niet, vergeleken bij den strijd, die hier gedurende niet te berekenen duizendtallen van eeuwen de Egyptische zonnegod Ra tegen het gesteente voerde. Overal n.l. zijn de rotsen ter plaatse, waar zij nog niet door menschenhanden werden bewerkt en voor onze oogen bloot liggen, oppervlakkig met eene donkergrijze korst, als ware deze aaneengesmolten, bedekt, terwijl de breukvlakten van het syeniet, aan welke wij met zekerheid soms een ouderdom van vier duizend jaren mogen toekennen, evenals de overal in de groeven verstrooid liggende blokken nog op den huidigen dag de aan granietgesteenten eigendommelijke roode kleur in volle frischheid behouden hebben; die eeuwen zelfs waren niet bij machte om dat schorskleed des tijds aan te leggen.”DE TEMPEL TE PHILE.DE TEMPEL TE PHILE.Van elken hoogen oeverberg kan men een gedeelte van den katarakt overzien. Twee woestijnen naderen den Nijl en reiken elkander in dien stroom over eene menigte kleine rotseilandjes de hand. Elk dier eilanden deelt den stroom en noodzaakt hem zijn wateren op te stuwen; maar met des te meer geweld vervolgt hij tusschen deze versperringen[298]schuimend zijn loop. Zonder ophouden klotst en brandt het water tegen de overblijfselen van een reeds vóór duizenden eeuwen door hem zelf verbroken rotsdam; hij schijnt ze op te willen ruimen, ze te vernietigen, en te toornen over den nog altijd niet bedwongen tegenstand, zoo woest klinkt het klotsen der golven naar den beschouwer omhoog. Het is de muziek, die het tooneel voor en onder hem begeleidt. Rusteloos, gelijk de eeuwig stroomende wateren, dwaalt het oog over dien chaos van rotsen; honderd afzonderlijke beelden vallen tegelijk in het oog, en niettemin formeert zich uit die veelheid een majestueus geheel, waarin de starre, blinkende rotsmassa’s scherp tegen het witte schuim der haar omspoelende wateren, tegen de beide aangrenzende, goudgele woestijnen en tegen den wolkenloozen, donkerblauwen hemel daar boven afsteken.Aantrekkelijk vooral is het bovengedeelte der stroomversnelling. Een keten van zwarte rotsen, de natuurlijke grensmuur tusschen Egypte en Nubië, trekt dwars door den Nijl en breidt zich aan beide oevers uit tot een langen boog, die voor ’t oog des waarnemers een overal gesloten, door rotsdammen omgeven keteldal vormt. Zijn wallen bestaan ten deele uit samenhangende massa’s, ten deele uit los op elkaar gestapelde, als door reuzenhanden opgeworpen, ronde, eivormige en hoekige rotsblokken. Hier en ginds steken enkele gedeelten der omwalling voor de anderen uit, elders wijken zij meer terug; hier en daar verheffen zij zich als eilanden uit het oude meerbekken, dat zij insloten, alvorens de geweldige stroom zich daar een vrijen doortocht baande.Te midden dezer puinhoopen van den voortijd ligt het frissche met palmboomen begroeide eiland Phile met zijn goddelijken tempel. Nog nimmer zag ik schooner landschap. Overal omgeven door de harde, zwarte rots, eeuwig omspoeld door de golven, die tegen zijn grondslagen klotsen, vriendelijk omlijst door vruchtdragende palmboomen en geurige mimosa’s, staat die tempel daar als het zinnebeeld van ongestoorden vrede te midden van den strijd. Een grootsch krijgslied zingt hem de stroom, en vredeteekenen bieden hem de palmen. Geene plaats was geschikter ter vereering der godheid, aan wie deze tempel gewijd was. In deze eenzaamheid, in zulk eene omgeving moesten wel de harten der jonge priesters, die hier door de wijsten der kaste werden onderwezen, voedsel en leven ontvangen, om zich naar het heilige en verhevene te richten, en de beteekenis leeren verstaan van de in mysteriën gehulde leerstellingen, het gesluierde beeld van Saïs aanschouwen.[299]Onder de goddelijke drieëenheid, aan welke de tempel van Phile gewijd was, Isis, Osiris en Horus, stond Isis bovenaan. „Isis, de groote godin, de koningin des hemels, de gebiedster aller goden en godinnen, die met haar zoon Horus en haar broeder Osiris in elke stad vereerd werd, de hoog verhevene, goddelijke moeder, de gemalin van Osiris, zij is de gebiedster van Phile,” zoo luiden de opschriften in den tempel zelf. Inscripties in de velerlei karakters, welke in de verschillende tijdvakken der Egyptische geschiedenis in gebruik waren, verhalen ons echter ook van veranderingen, die de tempel in den loop der tijden onderging, tot eindelijk de christen-priesters, die de dienaren van Isis waren opgevolgd, door de Arabieren uit het heiligdom verdreven werden.Heden ten dage ligt Phile grootendeels in puin. In plaats van de feestliederen der priesters hoort men er nu slechts het eenvoudig gezang van den woestijn-leeuwerik; maar de stroom zingt nog hetzelfde lied als voorheen, en even majestueus als voor duizenden jaren. Het eiland is eene woestenij geworden, maar de vrede des tempels is gebleven. En in weêrwil van alle veranderingen is nog steeds het eiland een sieraad van den eersten katarakt.Van hier af naar boven wordt de Nijl langs eene groote uitgestrektheid weêr vrij van rotsen, maar is toch niet bij machte zijn zegen buiten de oevers te verspreiden. Met inspanning tracht de mensch de hem elders vrijwillig verleende gaven den stroom af te dwingen. Het eene scheprad na het andere beurt krijschend het levenwekkende vocht op den smallen oeverzoom. Op de meeste plaatsen echter dringt de woestijn met haar rotsmuren zoo dicht tegen den oever, dat er geen ruimte meer overblijft voor een enkelen akker of een klein palmenwoud. Langs groote uitgestrektheden ziet men hier niets dan dwergachtige onkruidplanten, tusschen welke het gele drijfzand gestadig naar de diepte rolt, als wilde het de woestijn bijstaan in het behalen der zege over den goddelijken weldoener van het bebouwde veld.In het zuiden van Wadihalfa, het zuidelijkste grensdorp der bedoelde landstreek, woedt weder het door rotseilanden omsloten Nijlwater.Tallooze steenmassa’s, rotskegels en blokken noodzaken den Nijl zich uit te breiden; een chaos van steen en water, zooals nergens elders aanschouwd wordt, verwart het oog. Bij hoogen waterstand overstemt het gebrul der dwarrelende, tusschen de rotsen wegsnellende golven het geluid der menschelijke stem; het dreunt en dondert, ruischt en[300]bruist, spat en sist, dat de rotsen bijna sidderen. Boven de hier onafgebroken aan elkander geregen stroomversnellingen en draaikolken ligt de hoogopgestuwde Nijl als een stille zee voor het oog des beschouwers; dit vriendelijke, door eenige groene eilandjes omhoog geheven beeld is echter eng begrensd. Verder opwaarts wordt het stroombed nogmaals door tallooze klippen verdeeld; want nu begint eigenlijk de „Batte el Hadjar” of het rotsdal der schippers, waarin nog tien naamdragende stroomversnellingen liggen. Dit is het meest woeste gedeelte van Nubië en in ’t algemeen van het geheele Nijldal. Gewoonlijk ziet men er niets dan lucht, water, rotsen en zand. Steil, soms loodrecht, stijgen de uit steen gebouwde rivieroevers uit het stroombed omhoog; tusschen deze en tusschen de in het water gelegen eilanden wordt de Nijl zoo samengeperst, dat hij in den tijd van den hoogsten waterstand van twaalf tot achttien meter hooger staat dan gedurende den laagsten stand. De oeverwanden zijn spiegelglad, evenals waren zij gepolijst; zij weêrkaatsen schitterend het licht en zijn des daags zoo gloeiend heet, dat men zou meenen zij waren eerst vóór weinige dagen uit de ingewanden der aarde opgeweld.De vruchtbare stroom ruischt schier doelloos langs deze rotsen, want slechts op zeer weinige plaatsen kan hij van zijn goddelijk privilege gebruik maken. In inspringende bochten of achter voorgebergten, die den sterken stroom afleiden, laat hij zijn vruchtbaar slib vallen, en voert hij meteen de zaden aan. Op zulke plaatsen kiemt, groeit, groent en bloeit het ook in deze wildernis. Op alle eilanden, in welker rotskloven het slib bleef hangen, in alle door den sterken stroom niet bereikte bochten, verheffen zich wilgen en mimosa’s, als getuigen des levens in het rijk des doods. Wortel na wortel, spruit na spruit zond de eerste wilg uit, die hier vasten voet erlangde, en zoo bekleedde zich de kale grond weldra met een levendig groen. In de maanden van lagen waterstand doet het allengs ontstane kreupelboschje nieuwe twijgen ontspruiten; is de rivier gezwollen dan overstroomen de wateren eiland en hout. Hooger en hooger rijst de vloed; heviger woedt de golfslag; de wilgen buigen zich voor hem, maar klemmen zich steeds vaster tegen de rotsen. Maanden lang blijven zij, op enkele takken na, die nog boven de schuimende en sissende watermassa uitsteken, onder de golven bedolven; hare wortels echter houden zich vast, en met nieuwen levensmoed ontbotten wederom de struiken, zoodra het water is gevallen. Op zulke plaatsen der huiveringwekkende wildernis heerscht[301]hetzelfde dierlijk leven, dat men waarneemt op andere plaatsen van het Nijldal. In het wilgenloof hebben enkele paren van de levendige en schreeuwlustige Nijlgans post gevat, en op de naburige rotsen is een sierlijke kwikstaart gezeten; van de oeverwanden weêrklinkt het lied eener blauwmerel of van een rouwtapuit; om de bloeiende mimosa’s fladdert de eerste tropische vogel, dien men op dezen tocht ontmoet, een prachtige honigzuiger; nu en dan stoot men misschien op een koppel sierlijke rotshoentjes. De hier genoemde vogels met nog eenige andere soorten vormen de spaarzame bevolking van het rotsdal, en alleen op den trek verschijnen daarneven nog dikwijls zeer talrijke troepen van andere vogels, die den stroom, hunne heerbaan naar Centraal-Afrika, volgen, om dan bij tijd en wijle in het dal uit te rusten. Zij vliegen echter zoo spoedig mogelijk van daar, omdat het rotsdal niet in staat is hen zelfs maar voor weinige dagen te voeden; het valt dan ook bezwaarlijk te begrijpen dat die anderen hier hun dagelijksch brood vinden.En toch vormen zij niet de eenige bewoners dezer waterwoestijn. Er zijn menschen, die deze hun vaderland noemen.Mijlen ver van elkander verspreid, bevinden zich hier enkele armoedige stroohutten, waarin een Nubiër met zijn gezin een ellendig leven leidt. Een kleine, met vruchtbaar slib gevulde inham tusschen de rotsachtige oevers, wellicht slechts een tegen deze aangeplakt slijkbed vormt de arme bezitting, die hij de zijne noemt. In het eerste geval is hij een rijk man, vergeleken met de geringen, die slechts over zulk een slijkbed beschikken. Met levensgevaar zwemt de laatste naar zulke van de bergzijde ongenaakbare plaatsen, alwaar de vallende stroom slib afzette, om de pas van water bevrijde laag met boonen te bezaaien; eenige dagen later, wanneer de rivier nog meer is gevallen, herhaalt hij zijn bezoek en zijn arbeid, en telkens weder, zoolang het water blijft vallen. En zoo ziet men op zulke met het vallende water zich steeds vergrootende velden boonen in alle perioden van den groei; tevens kan men opmerken dat onze weinig eischende landman tegelijkertijd oogst en zaait. Onder zeer gunstige omstandigheden veroorlooft een dieper inspringende, met Nijlslib gevulde inham het plaatsen van een scheprad ter bevloeiing van enkele aren bouwgronds, en in dit geval is de gelukkige bezitter in staat eene koe te houden; zoo iemand leeft nog eenigszins dragelijk, ofschoon hij nog altijd als zoo arm wordt beschouwd, dat zelfs eene Egyptische regeering geen belasting[302]van hem durft vorderen. Zulke plaatsen zijn evenwel zeldzame oasen in deze ijzige wildernis. De stroomopwaarts zeilende schipper begroet elken struik, elken palmboom met zichtbare vreugde, een boonenveld, het doel wellicht van dagen lange hoop, met gejubel, een scheprad met dank jegens den Albarmhartigen. Want niet slechts vrees kan zijn moedig hart in dit rotsdal bevangen, maar ook bitter gebrek kan zijn deel worden, ja zelfs de hongerdood kan hem tegengrijnzen, tenzij hij een voorraad voedsel medenam, voldoende om hem eenige maanden te voeden. Stroomafwaarts schiet de boot pijlsnel voort om dit land der verschrikking—althans de eenzaamheid en armoede—te ontvlieden; stroomopwaarts zeilende ligt de boot dikwijls uren, ja dagen lang onder bescherming van een rotsblok beneden eene stroomversnelling als vastgemuurd. Wachtende op een gunstigen wind, door het onophoudelijk op en neêr schommelen van het vaartuig aan zeeziekte lijdende, kan de schipper soms mijlen ver wandelen of zwemmen, alvorens hij menschen of bebouwde akkers ontmoet.Het rotsdal gaat in het zuiden bijna onmiddellijk over in de vruchtbare landstreek van Midden-Nubië. Een door twee woestijnen ingesloten smal waterbekken, met vele groote eilanden in ’t midden der rivier, door deze met slib bedekt, gelijk ook de eilanden daaruit werden opgebouwd, neemt den reiziger op. Het wijst wel is waar nog niet den vollen rijkdom der tropen aan, maar laat toch derzelver frischheid en krachtig leven in sommige planten en dieren doorschemeren. Dichte palmbosschen, die de heerlijkste dadels doen rijpen, begrenzen aan den kant der woestijnsteppen deze liefelijke oase, die den arbeid des landmans met een rijken oogst beloont; Christusdoorns en onderscheidene mimosa’s, die zich tot hiertoe niet lieten zien, verkondigen ons, dat wij den keerkring overschreden. Behalve den straks genoemden honigzuiger bemerken wij nog andere vogels van Centraal-Afrika. In het eerste doerrha-veld, dat men scherper in ’t oog vat, verkwikt men zich aan een even zoo kleurigen als levendigen, tusschen de stengels verblijfhoudenden vuurwevervogel. Het schijnen vuurvlammetjes te zijn, die zich nu en dan op den top eener aar neêrlaten om van dezen hoogen zetel een eenvoudig, sjirpend of spinnend liedje voor te dragen, dat alle soortgenooten aanspoort om hetzelfde te doen. In de spleten en scheuren der leemen hutten hebben zich andere leden derzelfde familie verzameld, bij name de staal- en bloedvinken, terwijl in de tuinen om de huizen Kaapsche duiven hare nesten hebben opgeslagen. Op de zandbanken der[303]rivier groeven schaarbekken hunne napvormige nesten; nachtzeezwaluwen van eene bijzondere soort, die eerst tegen de schemering op roof uitvliegen, strijken dicht langs de oppervlakte der golven om deze met hun snavel te doorploegen, ten einde de kleine, in de bovenste waterlagen zwemmende dieren te bemachtigen.Maar ook dit heerlijk plekje gronds is eng begrensd. Reeds beneden de bouwvallen van den tempel van Barkal nadert het nog altijd woeste en onvruchtbare gebergte den stroom en verdringt zoowel het vruchtdragend land als de woestijnsteppe. De laatste stroomversnelling ligt voor ’t oog des stroomopwaarts trekkenden reizigers. Zoo onbeschrijfelijk arm als het rotsdal was, is het gebied van de derde stroomversnelling niet; goed bebouwde, alhoewel niet zeer breede strooken gronds aan beide zijden van den stroom en kleine vruchtbare eilanden in de rivier geven een indruk van meerdere weelde. De rotsmassa’s aan den oever zijn minder samenhangend dan in het rotsdal zelf en rijk aan zoogenoemde steenmeren—grillig op elkander gestapelde heuvels en wallen van rotsblokken en rolsteenen, gelijk de groote stroomen deze achterlaten, wanneer zij hun bed dieper in het door hen uitgespoelde dal graven. Aan beide zijden der rivier, meest boven op de het naast den oever begrenzende hoogten, aanschouwt het oog rotsblokken van meer dan honderd kubieke meter inhoud; deze liggen zoo los op hunne betrekkelijk kleine onderlaag, dat zij bij een eenigszins hevigen wind beginnen te waggelen en met behulp van hef boomen gemakkelijk door een gering aantal menschenhanden zouden weggerold kunnen worden. Op vele plaatsen zijn deze rotsmeren zoo grillig gebouwd, dat het den schijn heeft alsof de luim van reusachtige kabouters deze kegels en pyramiden, muren en wallen, die in bonte mengeling de oeverbergen kronen, opeen had gestapeld. Meer evenwel dan al deze bouwgewrochten van den stroom, schenken die van den mensch aan de derde stroomversnelling een bijzonder karakter. Op alle daarvoor geschikte vooruitstekende oeverrotsen, vooral op de grootere rotseilanden, verheffen zich gebouwen, voorzien van ringmuren en torens met gekanteelde lijsten, gelijk men ze nergens anders in het Nijldal ontmoet. Het zijn vestingwerken uit vroegere tijden, burchten van voormalige hoofden der stroombewoners, opgericht om bescherming en veiligheid te verleenen, om lijf en goed tegen de aanvallen van naburige vijandelijke stammen te verzekeren. Uit ruw op elkander gestapelde, bijna uitsluitend met Nijlslib aaneengemetselde, onbehouwen steenen is het[304]benedengedeelte der muren en omwallingen opgetrokken; dikke, nu grootendeels vervallen muren van uit Nijlslib vervaardigde en in de lucht gedroogde steenen vormen den bovenbouw dezer burchten, die meer door een trotsch voorkomen dan door schoonheid uitmunten. Uit het midden van den stroom b.v. verheft zich een kale, pikzwarte, glinsterende rots, op welker top zich zulk een vesting bevindt. Woest klotsen de golven tegen haar voet, maar rustig weêrstaat zij dien schok, en veilig steunt de haar toevertrouwde vesting op deze steenmassa. Aan de stroomafwaarts gerichte zijde is het water rustig en hier is de rots, dank zij de levenwekkende kracht der rivier, inderdaad heerlijk getooid. In het kalme, stille water werden in den loop der tijden dikke sliblagen afgezet, zoodat er allengs een eiland uit den vloed oprees; de mensch maakte zich daarvan meester, plantte er den palmboom en legde er akkers aan; en zoo ontstond er op en achter de rots een liefelijk beeld van veiligheid en bewoonbaarheid, dat juist door zijn tegenstelling met de omringende onrustige en woeste water- en rotsvlakten, aangrijpend op het gemoed werkt.Aan de zuidelijke grens der derde stroomversnelling beginnen de steppen en wouden der keerkringslanden; slechts op enkele plaatsen bereiken nu voortaan de rotsen nog den breeder geworden stroom en zijne grootere bijrivieren. Over eene lengte van meer dan honderd geographische mijlen doorsnijden de Abiad en Asrakh, of witte en blauwe Nijl, vruchtbaar, bijna vlak land; dan eerst ontmoet men weder eenige stroomversnellingen. Dit gedeelte behoort echter niet meer in de lijst der schilderij, die ik trachtte te ontwerpen, want alleen Nubië is het land van de katarakten van den Nijl.Het is moeilijk na te gaan in hoeverre de Nubiër door zijn woonplaats gemaakt werd tot hetgeen hij is; zooveel is zeker, dat hijzelf van zijn naburen, de Egyptenaren, evenveel verschilt als zijn land met dat van laatstgenoemd volk. Beiden hebben geen de minste overeenkomst, noch in lichaamsvorm, noch in huidkleur; evenmin in afstamming en taal, zeden en gewoonten. Zelfs in godsdienst verschillen zij, niettegenstaande beide volken tegenwoordig als eersten regel des geloofs erkennen: „Er is maar één God, en Mohammed is Zijn éénige profeet.”De Egyptenaren zijn gesproten uit het gemengde bloed der oude Egyptenaren en dat van later ingekomen Arabische horden uit Yemen en Hedjas, die met de vroegere bewoners van het dal des beneden-Nijls ineensmolten; de Nubiërs zijn afstammelingen van de „wilde[305]Blemyers,” tegen welke de Pharao’s van het oude, middelste en nieuwe rijk, alsmede de Egyptische Ptolemeeërs voortdurend, ofschoon niet altijd met gunstigen uitslag, krijg voerden. De Egyptenaren spreken de taal, waarin Mohammeds „openbaringen” werden opgeschreven, de Nubiërs eene in vele dialecten gesplitste taal van het oud-Ethiopisch; de eersten gebruiken een overoud schrift, de laatsten hebben ongetwijfeld nimmer schriftteekens gehad, die in hun eigen taal wortelen. De eersten hebben nog al den ernst bewaard der oude Egyptenaren, evenals de zonen der woestijn, van welke zij afstammen; zij zijn steeds, gelijk alle Oosterlingen, gedurende hun geheele leven met angst vervuld omtrent het „hier namaals” en regelen naar hunne droomen hierover hun zeden en gebruiken; de laatsten behielden de lustige levensvreugde der Ethiopiërs en leven, als kinderen, onbezorgd van den eenen dag op den anderen, het goede zonder dank, het kwade onder veel en luid geklaag ontvangende, terwijl zij het een zoowel als het andere onder den invloed van het oogenblik ras vergeten. Op beiden drukt in gelijke mate het juk der dienstbaarheid; de Egyptenaar draagt het kermend en weêrstrevend, de Nubiër gelijkmoedig en zonder morren; gene is een onwillige slaaf, deze een gedwee dienaar. Elke Egyptenaar acht zich boven den Nubiër hoog verheven, houdt zich, wat afstamming, taal en zeden betreft, voor hooger, praalt met zijn beschaving, ofschoon deze over ’t algemeen zeer gering is, en tracht den donkergekleurden broeder even zooveel te onderdrukken, als hijzelf in ’t bewustzijn zijner onmacht zich schikt in de hem opgelegde dienstbaarheid; de Nubiër erkent in ’t algemeen de lichamelijke meerderheid van zijn buurman, inzonderheid de geestelijke superioriteit van de meer uitstekende Egyptenaren, schijnt niet te weten, dat hijzelf die beschaving mist, maar is opzijnebeurt weder geneigd den minder begaafden en zwakkeren bewoner van Centraal-Afrika onder ’t juk te brengen; toch stelt hij zich weder met den gekochten neger op een broederlijken voet en schikt zich oogenschijnlijk geduldig in het hem toebedeelde lot, na vergeefs gepoogd te hebben in den strijd tegen de overmacht overwinnaar te blijven. Hij is nog heden ten dage een natuurmensch in hart en nieren, terwijl de Egyptenaar ons het treurige beeld vertoont van een vervallen en steeds meer en meer vervallend volk. De Ethiopiër heeft zich op den onvruchtbaarsten bodem der aarde nog een zekere mate van vrijheid weten te veroveren, de Egyptenaar is op het rijkste plekje der wereld tot een slaaf geworden, die het moeilijk zal wagen zijn ketens af te[306]schudden, niettegenstaande hij nog altijd met zelfverheffing van zijn roemrijk verleden spreekt.En toch hebben de Nubiërs evenveel, zoo niet meer recht van de groote daden hunner vaderen te gewagen en zich daaraan te spiegelen dan de Egyptenaren. Want die voorvaderen hebben niet alleen met de Pharao’s en de Romeinen, maar zelfs met Turken en Arabieren, met de heerschers en beheerschers van het hedendaagsche Egypte wakker strijd gevoerd; dat zij overwonnen zijn is alleen daaraan toe te schrijven, dat zij van vuurwapenen verstoken waren. Toen ik voor de eerste maal de Nijllanden bereisde, leefden er nog ooggetuigen dier oorlogen, uit wier mond ik een en ander vernam, dat ik thans naar waarheid wil mededeelen, ten einde, althans in één opzicht, recht te laten wedervaren aan een volk, dat te vaak wordt miskend. De gebeurtenissen, die ik op het oog heb, vallen tusschen de jaren 1830 en 1840 onzer tijdrekening.Nadat Mohammed-Aali, de even krachtige, als onrechtvaardige en wreede grondvester der tegenwoordige Egyptische dynastie, in Maart 1811 de door hem genoodigde hoofdelingen der Mamelukken trouweloos had overvallen en neêrgesabeld, scheen zijne heerschappij over den beneden-Nijl verzekerd te zijn. Maar nog was de trotsche krijgersstam, wier hoofden door dat schandelijk verraad waren gevallen, niet geheel onder ’t juk gebracht. Op wraak bedacht, kozen de Mamelukken uit hun midden nieuwe hoofden en trokken zich aanvankelijk naar Nubië terug, om zich hier te verzamelen en van daar uit den laaghartigen vijand opnieuw te beoorlogen, althans te bedreigen. Mohammed-Aali voorzag het gevaar en verzuimde niet dit, als ’t zijn kon, tegen te gaan. Zijn leger volgde de verstrooide Mamelukken op den voet. Deze, te zwak om een strijd in ’t open veld te wagen, wierpen zich in de vestingen, en stierven daar tot den laatsten man den heldendood. Gelijktijdig met hen werden ook de Nubiërs overwonnen, en omdat deze de zijde der Mamelukken hadden gekozen, als slaven behandeld. Enkel de dappere stam der in den strijd geharde Scheikiërs stond in het jaar 1820 bij bet dorp Korti tegenover de Turksch-Egyptische troepen; eene heldhaftige, maar ongeregelde, met lans, zwaard en schild gewapende schare tegenover geregelde, geoefende en met vuurwapenen uitgeruste soldaten, die gewoon waren te overwinnen. Naar oud gebruik schouwden de vrouwen met hunne kinderen het gevecht aan, om door gillende oorlogskreten tot moed aan te vuren, aan de strijdende[307]vaders de omhooggebeurde kinderen te toonen en hen hierdoor met doodsverachting te bezielen. De Nubiërs streden met een moed, hunnen vaderen waardig; zij drongen door tot de kanonnen, die dood en verderf zaaiden onder hunne gelederen; zij hieuwen met hunne lange zwaarden op de ingebeelde monsters, diepe sneden achterlatende op de metalen buizen—maar de Egyptenaren zegevierden; niet de dapperheid, maar overmacht van wapenen besliste. Onder het gillend gehuil der vrouwen sloegen de bruine mannen op de vlucht. Wilde vertwijfeling greep de eersten aan; een roemvollen dood verkiezende boven smadelijke slavernij, drukten zij hare kinderen aan het hart en stortten zich bij honderdtallen in den door het bloed harer mannen roodgeverfden stroom. De vluchtelingen werden door de woestijn aanweêrszijdender rivier belet hun schuilplaatsen te bereiken en zoo bleef hun eindelijk geen andere keus dan zich over te geven, en den tot nog toe zoo trotschen nek te buigen onder ’t juk des overwinnaars.Nog eenmaal flikkerde de oude heldenmoed weder op. Een der opperhoofden, de reeds nu door de sage verheerlijkte Melik el Nimmr, d.w.z. „koning der luipaarden” verzamelde zijn volk te Scheedi in zuidelijk Nubië, daar hem de onderdrukking van den wreeden overwinnaar onverdragelijk was geworden. Vol wantrouwen trok Ismaël Pacha, de zoon en legeraanvoerder van Egypte’s heerscher tegen hem op, en nog voor Melik Nimmr met zijn toebereidselen gereed was, verscheen Ismaël, alle booten in beslag nemende, voor Scheedi en stelde aan Melik Nimmr onmogelijke voorwaarden, ten einde dezen tot slaafsche onderwerping te noodzaken. Melik zag het dreigend verderf in en besloot handelend op te treden. Hij veinsde evenwel onderwerping, maar middelerwijl snelden zijn boden van hut tot hut om de overal onder de asch smeulende vonken van opstand tot eene flikkerende vlam aan te blazen. Door listige beloften wist hij Ismaël Pacha uit diens veilige boot in de rondom met doornheggen afgesloten ruime, maar armoedige koningswoning te lokken; om deze waren reusachtige bergen van stroo, opgehoopt, volgens het voorgeven van den koning der luipaarden om het door den Pacha verlangde kameelvoeder te leveren.Een heerlijk feest, zooals Ismaël nog nimmer aanschouwde, wil Melik zijn heer en gebieder bereiden; daarom vraagt hij verlof om ook alle officieren van het Egyptische leger te mogen uitnoodigen, in welk verzoek de Pacha bewilligt. Legeraanvoerder, staf en officieren[308]vereenigen zich aan het in de koninklijke woning aangerichte gastmaal. Voor de doornheg ruischt de taraboeka, die tot den dans noodigt, en dreunt de krijgslust inblazende inlandsche trom; het jeugdige geslacht, feestelijk met zalf besmeerd, oefent zich in den vroolijken dans. De lansen schieten door de lucht, met bewonderenswaardige behendigheid opgevangen door de schilden der tegenover elkaar geplaatste dansers; de lange zwaarden der beide in krijgsdans zich draaiende partijen bedreigen elkanders hoofd, maar worden behendig met kling en schild gepareerd. Ismaël schept een ongemeen behagen in de schoone, bruine jongelingen en de bevallige bewegingen hunner buigzame ledematen, in de koenheid der aanvallen en de zekerheid van afweer. Meer en meer zwaarddansers treden op het tooneel, dichter wordt het gedrang voor de feestzaal, heviger en woester worden de bewegingen en sneller roffelen de trommen. Daar slaat plotseling de taraboeka andere tonen aan; honderdvoud wordt dit geluid herhaald door geheel Scheedi en eveneens in de naburige dorpen aan deze en gene zijde des Nijls. Een gillend, in de hoogste tonen zich bewegend vrouwengeschreeuw doortrilt de lucht; vrouwen, tot op de lendenen naakt, met stof en asch in de gebalsemde haren, met brandende fakkels in de handen, stormen nader en slingeren den brand in de muren van het koninklijk paleis en in de omringende stroobergen. Eene ontzettende vuurzuil stijgt ten hemel, en in de vlammen, waaruit kreten van schrik en wee, van vloek en klacht weêrklinken, vliegen bij duizendtallen de doodaanbrengende lansen van hen, die zooeven den krijgsdans uitvoerden. Noch Ismaël Pacha, noch een enkele zijner feestgenooten ontgaat een wreeden dood.Het is alsof de krijgslieden uit den grond te voorschijn komen. Wie de wapens kan dragen keert zich tegen de wreede vijanden; de vrouwen, haar geslacht vergetende, treden in de rijen der kampvechters; grijsaards en knapen worstelen met mannenkracht en mannelijke volharding ter bereiking van het ééne doel. Scheedi en Metamme worden in een enkelen nacht van alle vijanden bevrijd; slechts een gering aantal der in afgelegen dorpen liggende Egyptenaren ontkomen aan het bloedbad en brengen den tweeden, in Kordofan wachtenden legeraanvoerder de ontzettende tijding.Deze, Mohammed-Bei el Defterdar, nu nog door de Nubiërs „el Djelad” den beul, bijgenaamd, ijlt met zijne geheele legermacht naar Scheedi, verslaat de Nubiërs ten tweeden male en offert alsnu meer dan[309]de helft van de toenmalige bevolking des land aan zijne onverzadelijke wraakzucht op. Den koning der luipaarden gelukt het naar Habesch te ontvluchten; zijn onderdanen moeten zich evenwel voor den vreemdeling buigen, en hunne kinderen „groeien” om mij van de uitdrukking mijns zegsmans te bedienen, „in het bloed der vaderen op.” Sedert die ongeluksdagen zijn de Nubiërs de lijfeigenen hunner onderdrukkers gebleven.De Nubiërs, of gelijk zij zich zelf noemen, de Barabra zijn middelmatig groote, slanke, evenredig gebouwde menschen met betrekkelijk kleine, goed gevormde handen en voeten, en meerendeels aangename gelaatstrekken; de amandelvormige oogen, de hooge, rechte of gebogen, alleen aan de vleugels een weinig verbreede neus, de smalle mond, de vleezige lippen, het gewelfde voorhoofd en de lange kin drukken op het gelaat een bijzonderen stempel; verder hebben zij fijn, licht gekroesd, maar niet wollig hoofdhaar en eene verschillende, van metaalbruin tot in het donkerbruine spelende huidkleur. Zij hebben eene flinke houding, loopen licht, haast zwevend, bewegen zich in ’t algemeen vlug en bevallig, zoodat zij in dit opzicht zich voordeelig onderscheiden van de negers van den boven-Nijl, zelfs van de Fungis uit Oost-Soedan. De mannen scheren het hoofdhaar of geheel af of laten het alleen op de kruin staan; zij dragen een nauw sluitend wit mutsje, de takhie, op het hoofd, om hetwelk op feestdagen nog wel eens een witte doek, op de wijze van een tulband gewonden wordt. Een omslagdoek ter lengte van zes tot negen meter dient tot bekleeding van het bovenlijf; korte broeken en sandalen, op feestdagen een blauw of wit tabbaardachtig gewaad vormen de overige kleeding; een aan den linkerarm gedragen dolkmes, op reis de lans, zijn dewapenen, terwijl lederen rollen, in welke zich, naar men zegt, amuletten bevinden, en aan koorden om den hals gedragen zakjes de eenige versiering uitmaken. De vrouwen binden het hoofdhaar in honderden kleine, dunne vlechten en zalven deze rijkelijk met schapenvet, boter of ricinus-olie in, zoodat zij ver in ’t rond een ondragelijken reuk verspreiden; zij tatoeëeren het lichaam en aangezicht op vele plaatsen met indigo, kleuren dikwijls de lippen blauw en de handpalmen rood, versieren den hals met paarlen van glas, kettingen van barnsteen of karneool, amulettentaschjes enz. de hielen met ringen van ivoor of hoorn, de ooren, neusvleugels en vingers met zilveren ringen; in plaats van een broek dragen zij een tot de hielen afhangend schort om de lendenen, terwijl[310]zij zich den omslagdoek in schilderachtige vouwen over borst en schouders slingeren. De jongens loopen tot hun zesde of achtste jaar naakt, terwijl de meisjes van haar vierde jaar af een aardig, uit dunne lederen strooken samengesteld, soms met schelpen en glazen parels versierd, gefranjed schort dragen.Alle gezeten Nubiërs van het stroomdal huizen in vierhoekige, meer of min teerlingvormige woningen, die òf uit in de open lucht gedroogde tichelsteenen worden gebouwd, en dan naar boven schuins toeloopen, òf uit een met stroo bekleed houten geraamte worden samengesteld. Gewoonlijk bevatten zij inwendig maar één vertrek; ééne deur verleent toegang, en in plaats van vensters ziet men aan deze hoogst primitieve huizen enkele luchtgaten. Eene verhooging, overtrokken met ineengevlochten lederen strooken of repen boombast, vormt de ligplaats „Aukareb”; eenvoudige kisten, voortreffelijk bewerkte, zelfs waterdichte manden, lederen zakken, urnen om daarin water, doerrhabier of palmwijn te bewaren, handmolens of wrijfsteenen ter vermaling des graans, ijzeren of vlakke aarden schotels om brood te bakken, uitgeholde kalebassen, eene bijl, eene boor, eenige houweelen, enz. ziedaar het huisraad; matten, gordijnen, middelschotten en dekens, vormen andere huishoudelijke zaken; troggen, ondiepe, gevlochten schalen met deksels, die evenwel niet in elke hut voorhanden zijn, maken het eetgereedschap uit. Het voedsel onzer lieden bestaat voornamelijk, soms uitsluitend, uit plantaardige stoffen, melk, boter en eieren. Het meer gewreven dan gemalen koren wordt tot een deeg verwerkt en daarvan een half gaar brood gebakken, dat, òf zoo wordt gebruikt, òf onder toevoeging van allerlei zaken, zooals: melk, dikslijmige plantensappen, waaronder somtijds wat in de zon gedroogd vleesch wordt gemengd, en vele, scherpe kruiderijen. Meer dan op spijs is de Nubiër op drinken gesteld, want elke alcoholische drank, hij moge van vreemden of inheemschen oorsprong zijn, vindt in hem een begeerlijken, zoo niet onmatigen gebruiker.De zeden en gewoonten van de bewoners van den middelloop des Nijls vormen een zonderlinge vermenging van overgeërfde en overgenomen gebruiken. Geduldig en lichtzinnig schikt hij zich even gemakkelijk in het vreemde als hij het oorspronkelijk inheemsche schijnt te kunnen vergeten. Hij is meer in naam dan in werkelijkheid een belijder van den Islam; gehechtheid aan geloofsregels kent hij even weinig als onverdraagzaamheid omtrent andersdenkenden. Voor hij op middelbaren[311]leeftijd is gekomen, of zelfs vóór hij oud is geworden, volgt hij de geboden des profeets zelden of nooit met dien ijver op als de Arabieren en Turken.Hij besnijdt zijn zonen, huwelijkt zijn dochters uit, behandelt zijn vrouwen en begraaft zijn dooden, viert zijn feesten, alles ingevolge de voorschriften van den Islam, maar hij meent genoeg gedaan te hebben als hij slechts de vormen in acht neemt. Gezang en dans, vroolijke gesprekken, scherts en drinkgelagen vindt hij aangenamer dan het vasten, aangenamer dan te luisteren naar de lessen en geboden van den koran, of naar de schriftgeleerde verklaring der heilige boeken, die hem nieuwe plichten zouden opleggen.Toch zal niemand hem een besluiteloos, wankelmoedig, onzelfstandig, onvertrouwbaar of trouweloos, in ’t kort, een slecht mensch noemen. In Beneden-Nubië, alwaar hij jaarlijks met honderden, in zijn oogen rijke en milddadige menschen verkeert, wordt hij, wel is waar, dikwijls tot een onbeschaamden, onverdragelijken bedelaar, terwijl de vreemdelingen, die hij moet opzoeken, omdat zijn arm land hem niet genoeg voedsel oplevert, ook weinig er toe bijdragen om hem te veredelen; in ’t algemeen echter kan men hem een braaf mensch noemen. Wel ontbreekt hem heden ten dage al te veel de wilskracht zijner voorvaderen, maar daarom nog geenszins hun moed en dapperheid; wel schijnt hij veel zachter en goedaardiger dan de Egyptenaar, toch betoont hij zich niet minder vertrouwbaar en volhardend als deze, vooral waar het moeilijke of gevaarlijke ondernemingen geldt. Zijn arm, weinig voortbrengend land, waaraan hij met zijn geheele hart hangt, dat hij in den vreemde met eene roerende aanhankelijkheid gedenkt, voor hetwelk hij werkt, ontbeert en sterft, daar zijn streven er alleen op gericht is, zijn mannelijken leeftijd en ouderdom daarin door te brengen, legt hem een voortdurenden levensstrijd op, en staalt zijn lichamelijke en geestelijke krachten; de bruisende stroom, tegen welken hij een niet minder harden strijd voert als met het rotsachtig land, wekt en onderhoudt in hem den moed en het zelfvertrouwen, even gelijk die stroom hem bezielde met eene koele onverschilligheid voor het gevaar. Dank deze door hem verworven eigenschappen is de Nubiër een trouw dienaar, een voortreffelijk reisgezel, op wien men zich verlaten kan, een reislustige djellabi of koopman, en bovenal een ondernemend, onverschrokken schipper.De ouders schijnen hun zonen reeds van de vroegste jeugd af op[312]te leiden voor alle mogelijke diensten, die zij later als volwassenen zullen moeten vervullen. Evenals in Egypte worden ook in Nubië de kinderen der armen eigenlijk niet opgevoed, maar in beslag genomen voor allerlei werkzaamheden, juister gezegd, zooveel hun krachten toelaten geëxploiteerd. Hoe klein de jongen ook nog zij, iets moet hij doen, ’t een of ander ambt vervullen; hoe zwak het meisje ook zijn moge, zij moet haar moeder in alles bijstaan. Maar terwijl men in Egypte het kind nauwelijks tot verademing laat komen, begunstigt men in Nubië het vroolijk spel der kleinen zooveel men kan. In Egypte wordt de jongen tot een knecht, het meisje tot een slavin van dezen knecht, zonder dat men eene blijde jeugd heeft gekend; in Nubië zijn zelfs de halfvolwassenen nog altijd kinderen in hun zijn en wezen. Vandaar dat de eersten onnatuurlijk ernstig zijn evenals hunne vaders, dezen vroolijk evenals hunne moeders. Er bestaat bij de Nubiërs een algemeen geliefkoosd kinderspel, dat ieder reiziger kan leeren kennen en dat hij met welgevallen zal gadeslaan, omdat daarin meer dan in een ander behendigheid en sierlijkheid van bewegingen, volharding en ondernemingsgeest vereenigd zijn; ik bedoel het in de geheele wereld bekende „krijgertje spelen.” Na den arbeid vereenigen zich knapen en meisjes. De eersten verlaten het scheprad, welks trekossen zij van den vroegen morgen tot zonsondergang moesten aandrijven, of het veld, waarop zij hun vaders behulpzaam waren, of het jonge kameel, dat zij leerden draven; de laatsten hare kleinere broertjes en zusjes, die zij eer sleepten dan droegen, het brooddeeg, dat zij moesten laten gisten, den wrijfsteen, aan welken zij haar jonge krachten oefenden; allen spoeden zich naar de rivier. De jongens zijn geheel naakt, de meisjes dragen alleen het franjeschort. Lachend en pratend trekt het gezelschap voort, het wemelt in het goudgele zand en tusschen en op de zwarte rotsen als van bruine mieren. Bont dooreengemengd rangschikken zich de vangers, die den vluchteling moeten inhalen en grijpen. De laatste, die eenige schreden vooruit krijgt, geeft het teeken tot den aanvang der jacht en allen kleven aan zijn hielen. Vlug als een gazelle loopt hij over de zandige vlakte naar de naastbijgelegen rotsen en als jagende windhonden rent de schreeuwende schaar hem na; vlug als eene gems klautert hij de rotsen op en niet minder behendig klimmen ook de vervolgende speelgenooten naar boven; als een verschrikte bever stort hij zich in de rivier, om zich al duikende in ’t water te verschuilen, maar ook de vurige medespelers[313]schuwen een bad niet, en knapen en meisjes scharrelen als zwemmende honden in ’t water, roepen en schreeuwen, snappen, lachen en jolen; drijvende, snaterende eenden gelijk, volgen zij hem in het natte element. Lang schommelt de naald der weegschaal, en soms wordt de geheele Nijl in zijne breedte overgezwommen, alsvorens de stoute voorspeler in handen zijner kameraden valt. De ouders der vroolijke schare staan aan den oever dit schouwspel aan te staren en verheugen zich over de behendigheid, den moed en de inspanning van hun kroost, en ook wij Europeanen moesten bekennen, dat wij nergens levenslustiger,[314]opgewekter wezens gezien hebben dan deze slanke, schoone, fluweelbruine, glimmende kinderen der Nubische woestijn.SPELENDE NUBISCHE KINDEREN.SPELENDE NUBISCHE KINDEREN.Uit zulke spelende kinderen groeien de mannen op, die het wagen de stroomversnellingen te bevaren, en in eene boot stroomafwaarts over de kokende, schuimende, ronddraaiende golven te roeien, zelfs tegen deze op te zeilen; groeien de mannen, die op zulke tochten zelfs geen boot behoeven, maar koen op kleine, uit doerrhastengels los saamgebonden vlotten, of opgeblazen lederen zakken reizen van ettelijke dagen ondernemen. Zoo onverschrokken zien deze Nubische schippers en zwemmers het gevaar onder de oogen, dat de golven hun zelfs geen sagen en sprookjes in ’t oor konden fluisteren. Zij weten van geen niksen en watergeesten, van geen booze of goede genieën, en hunne beschermheiligen, wien zij vóór of onder den gevaarlijken tocht om hulp en bijstand aanroepen, weren slechts het noodlot af, geenszins het kwaadwillig voornemen van booze geesten. De sage is stom gebleven in de stroomversnelling, in den „buik der rotsen”, in de katarakten en draaikolken van de „moeder der gesteenten”, van den „geschokten”, van den „kameelenhals,” van de „koralen” en hoe de stroomversnellingen nog meer mogen heeten. Toch zou hier een geschikte bodem gevonden worden voor sprookjes en sagen, en de meest geschikte aanleiding voor den schipper om het geloof aan de werkzaamheid van booze geesten in zich op te nemen.De stroomversnellingen worden naar beneden bij hoogen en middelbaren, naar boven bij gemiddelden en lagen waterstand bevaren. Bij den laagsten stand des Nijls zou elke stroomafwaarts gaande boot verpletterd worden, terwijl bij hoogen waterstand zelfs het grootste zeil niet bij machte zou zijn een groot vaartuig stroomopwaarts te brengen. Bij dalend water moeten honderden menschen opgeroepen worden om eene middelmatig groote boot der almachtige regeering naar boven te trekken; op tijden, dat de Nijl is gezwollen, zou men op de enkele niet door het water bedekte eilanden, weêrszijds van het vaarwater, te weinig of in ’t geheel geen ruimte kunnen vinden om de voeten op te zetten. De hoogste waterstand is het meest geschikt om stroomafwaarts te gaan, een gemiddelde waterstand ook om die reden voor de vaart stroomopwaarts, daar alsdan de regelmatig waaiende noordenwind tevens een goede gelegenheid aanbiedt om de hulp van het zeil aan te wenden.Alle booten, die uitsluitend dienen voor de vaart op de stroomversnellingen,[315]onderscheiden zich zoowel door hare geringe grootte als door haar bouwtrant, alsmede door tuigage en zeilvorm van alle andere Nijlschepen. De romp bevat slechts een gering aantal ribben, de planken worden door schuins ingeslagen, de smalle zijden met elkaar verbindende spijkers vastgemaakt; het zeil is in plaats van driekant, ruitvormig en zoo aan twee ra’s bevestigd, dat men met behulp van de onderste ra meer of minder zeildoek kan opwinden of aan den wind blootstellen. Bouwwijze en tuigage blijken zeer doeltreffend te zijn; de geringe grootte, of althans lengte der boot veroorlooft snelle wendingen, de samenvoeging der planken verleent het scheepslichaam veêrkracht en buigzaamheid, die goede diensten bewijzen bij het dikwijls voorkomend stooten tegen de klippen; door eene naar de sterkte van wind en stroom te regelen drukking van het zeil eindelijk kan men den veelvuldig afwisselenden weêrstand gelijkmatig en voortdurend overwinnen.Eene bergopwaarts trekkende flotille van booten verleent, wanneer zij zoo pas van de ladingsplaats of van de gedurende den nacht ingenomen rustplaats is opgebroken, een prachtigen, betooverenden aanblik. Op alle vaarwaters ontwaart men zeilen; somtijds ziet men er meer dan twintig tusschen de donkere rotsenblinken. Aanvankelijk blijven de vaartuigen op nagenoeg gelijke afstanden van elkaar; ras echter doen stroom en zeildruk de eerst ingenomen slagorde verbreken. Het eene scheepje na het andere blijft meer terug, het eene na het andere laat het hoofddeel der vloot achter zich en reeds na verloop van een uur ligt er een tamelijk groote afstand tusschen de voorste en achterste boot. De vaart vordert evenwel, zelfs bij een sterken en gestadigen wind, veel minder dan men zou meenen. Wel breken de golven met groot gedruisch tegen den boeg, maar het schip heeft met zulk een groot verval te kampen, dat het maar weinig vooruitkomt. Het is een ware kunst hier zoo te sturen, dat het vaartuig zoo weinig mogelijk krommingen maakt en toch niet tegen de klippen stoot; elke wending toch maakt eene verandering in de plaatsing van het onhandige zeil noodzakelijk en elke stoot veroorzaakt een lek. Kapitein en matrozen hebben daarom handen vol werk. Desniettemin begint eerst dan de eigenlijke arbeid, wanneer een der vele stroomversnellingen in ’t gezicht is, die men over moet steken. Het tot nog toe half ontrolde zeil wordt in zijn geheel aan den wind blootgesteld; de bark jaagt als een krachtige stoomboot door den chaos van rotsen en bereikt de draaikolk, die aan den voet van bijna alle watervallen te vinden is.[316]Alle matrozen staan bij de uitgelegde riemen of aan de gereedliggende touwen, om, al naar zulks vereischt wordt, aan te grijpen, wanneer de boot, gelijk met opzet geschiedt, door de draaikolk wordt gegrepen en in een cirkel wordt rondgevoerd. Op het gegeven bevel van den stuurman dompelen aan deze zijde de riemen in het water, stooten aan de andere zijde lange staven op de rotsen, om het vaartuig daar van af te houden; verkleind of vergroot, draait of wendt zich het door de knapste matrozen gemanoeuvreerde zeil. Eenmaal, tweemaal, zesmaal, tienmaal poogt men tevergeefs de draaikolk over te steken,—eindelijk gelukt zulks en de boot bereikt het benedeneind van den val. Hier evenwel staat zij als vastgeklonken; de drukking van het zeil en van het water maken evenwicht met elkaar. De wind wordt sterker en het vaartuig rukt een of meer meter vooruit; de drukking op het zeil vermindert en de golven werpen het schip weêr terug. Nogmaals vangt de strijd tegen draaikolk en golven aan, en wederom behalen de laatste de overhand. Het komt er nu op aan het ingenomen en veroverde standpunt te handhaven. Een der matrozen grijpt het touw met de tanden, werpt zich in ’t midden van den hevigsten golfslag in den stroom en poogt al zwemmende, terwijl hij het zware touw achter zich aan sleept, een boven de golven uitstekend rotsblok te bereiken. De golven slingeren hem weêr terug en bedekken hem geheel, maar hij herhaalt zijn pogingen, totdat hij inziet, dat hij niet tegen den sterken stroom is opgewassen en een teeken geeft, waarop hij naar het schip wordt teruggetrokken. Nog eenmaal spelen, tot vernietiging in staat, draaikolk en golven met het bij hen vergeleken zoo brooze gebouw; nog eenmaal stuwt de wind dit laatste, in weêrwil van beiden, vooruit. Daar hoort men plotseling een angstverwekkend gekraak; de stuurman verlaat op hetzelfde oogenblik zijn plaats, en vliegt, een wijden boog beschrijvend, door de lucht en in den stroom,—de boot was op een door het water bedekte rots gevaren. Fluks bemachtigt zich een der matrozen van het roer, fluks werpt een ander den in het schuimende water spartelenden stuurman een opgeblazen, aan een touw vastgemaakten lederen zak toe en fluks vliegen de anderen met hamer, beitel en werk naar het scheepsruim om onmiddellijk het lek te dichten. De man aan het roer behoedt, zoo goed hij kan, het vaartuig voor een tweeden schok; de ondergedompelde stuurman klimt uit het donker nat, terwijl hij meer op klagenden dan biddenden toon de woorden uit: „El hamdi lillahi”—God zij geprezen!—de overigen hameren[317]en stoppen, en keeren het indringende water. Een geeft zijn hemd prijs om een lek te dichten, dat reeds alle werk verslond. En wederom zeilt de boot door kolk en golven, schommelend, zuchtend, knarsend als een zeeschip in den storm; weêr bereikt het de stroomversnelling en weêr wordt het gekluisterd door wind en golven. Twee matrozen springen samen in den stroom, bereiken gelukkig het begeerde rotsblok, slingeren er het touw omheen en wenken de overigen om de boot aan te trekken. Zulks geschiedt en nu ligt de boot vastgemeerd aan de rots, in het midden van den hevigsten golfslag, waardoor ze zoodanig wordt geslingerd en zonder ophouden op en neêr bewogen, dat men er zeeziek van worden kan en zulks ook dikwijls werkelijk wordt. Een tweede boot nadert en vraagt hulp. Men werpt haar door middel van den opgeblazen zak een touw toe en bespaart de bemanning hierdoor tijd en moeite. Weldra ligt ook deze boot en daarna een derde en een vierde onder dezelfde rots en alle dansen gezamenlijk op en neêr. Nu evenwel is de vereenigde scheepsmanskracht talrijk en sterk genoeg om de overvaart geheel ten einde te brengen. Tweemaal zooveel matrozen als elk vaartuig voert, bezetten alle noodzakelijke posten van het eene; de anderen zwemmen, waden en klauteren, lijnen naar zich toe trekkende, naar een rotseiland boven de stroomversnelling en slepen de eene boot na de andere, hun krachten met die van het zeil vereenigende, over den schuimenden, bruisenden waterval naar boven. Hier en daar, en nu en dan is de kracht van het zeil alleen voldoende; onder zulke gunstige omstandigheden evenwel brengt windstilte niet zelden vaartuig en bemanning in gevaar. Dikwijls moet eene boot midden in de brandende golven uren, zelfs een dag lang blijven liggen om op een gunstigen wind te wachten. Dan kan het gebeuren, dat men aan elke rotspunt een scheepje ziet hangen, zonder dat men in staat is elkander hulp te bieden.Meer dan eens was ik genoodzaakt mijn nachtleger op een der zwarte rotsen op te slaan, omdat de hevige beweging der in den waterval op en neêr slingerende boot den slaap onmogelijk maakte. Bezwaarlijk kan men zich een vreemdsoortiger slaapplaats denken. De grond, waarop men rust, schijnt te beven onder de daartegen brandende golven; het bruisen en ruischen, sissen en loeien, dreunen en donderen van het water verdooft elk ander geluid; zwijgend zit of ligt men op zijn tapijt, omringd door zijn lotgenooten. Evenals een dikke voorbijtrekkende nevel spreidt elke windvlaag een fijnen stofregen over het rotseiland. Het[318]heldere legervuur werpt een wonderlijken lichtschijn op het gesteente, en de donkere, in alle vooruitspringende hoeken en kanten schuimende wateren, geven aan de in de schaduw verborgen draaikolken en watervallen nog spookachtiger voorkomen dan ze werkelijk hebben. Soms is het alsof zij honderd muilen openen om het arme menschenkind te verslinden. Doch deze heeft een vertrouwen even sterk als de grond, waarop hij rust. De geweldige stroom moge donderen, de branding woeden en schuimen, men rust hier veilig op de rots, die duizenden van jaren die woede doorstond. Wanneer echter het touw eens brak en de reddende boot tegen de nabijzijnde rots werd geslingerd en verbrijzeld? Dan zal een andere verschijnen om den schipbreukeling aan wal te brengen. Men kan slapen, rustig slapen, in weêrwil van dergelijke gedachten en in weerwil van het onophoudelijk gedreun, want het gevaar verleent moed en moed wekt vertrouwen; het donderen der golven wordt een wiegelied. Welk een ontwaken evenwel op den volgenden morgen! De hemel straalt in ’t oosten van een donzig rood, de oude rotsreuzen hebben een purperen mantel omgeslagen en schitteren straks in een oogverblindend licht, als waren zij gebouwd uit gepolijst staal. Licht en schaduw weven op de zwarte rotsen en in de met een goudgeel zand opgevulde kloven het onbeschrijfelijk heerlijke tooverkleed der woestijn; duizenden en nogmaals duizenden waterpaarlen fonkelen en schitteren daar tusschen; en de stroom ruischt ons daarbij zijn machtige, eeuwig dezelfde en eeuwig verschillende melodie in de ooren. Zulk een schouwspel en zulke muziek vervult elk mannenhart met verrukking. In stille aandacht brengt men den morgen op zijn verheven schouwplaats door, want eerst tegen den voormiddag verheft zich de altijd naar het zuiden stroomende wind. Met dezen beginnen wederom arbeid en gevaar, moeite en strijd, vermetelheid en vrees; en zoo verloopt de eene dag na den anderen, en verdwijnt de eene stroomversnelling na de andere achter den schipper.De reis stroomopwaarts is gevaarlijk en tijdroovend, de reis stroomafwaarts een waagstuk zonder wederga, een doldriftig jagen door vloed en versnelling, draaikolk en maalstroom, watervallen en rotsnauwten, een moedwillig spel met het leven.Men onderneemt zoodanige reizen door het gebied van alle stroomversnellingen alleen in booten, die in Soedan gebouwd zijn en voor den benedenloop bestemd werden. Ongeveer een tiende gedeelte wordt op de reis verbrijzeld; dat niet een betrekkelijk even groot aantal[319]schepelingen verongelukt is alleen toe te schrijven aan de ongeëvenaarde zwemkunst der Nubische schippers, die zelfs dan nog niet altijd verdrinken, als zij door de golven tegen de rotsen geslingerd worden; gewoonlijk laten zij zich als eenden op het water drijven om eindelijk toch weder aan vasten wal te geraken.Ik zal trachten u zoo getrouw mogelijk enkele tafereelen te schetsen van zulk eene vaart stroomafwaarts.Zes nieuwe booten uit het zware, in het water zinkende mimosenhout getimmerd, dat in Egypte zoo zeer gezocht en op prijs gesteld wordt, liggen op de zuidelijke grens der derde groep van stroomversnellingen, aan de rivieroevers vastgemeerd; de daarbij behoorende manschappen rusten op het zand tusschen de zwarte rotsblokken, alwaar zij den nacht hebben doorgebracht. Het is nog vroeg in den morgen en nog stil in het leger; de stroom alleen laat zijn ruischende taal in deze eenzaamheid hooren. De aanbrekende dag wekt de slapers; de een na den ander daalt naar de rivier af en verricht hier de voorgeschreven wasschingen voor het morgengebed. Nadat men het „voorgeschrevene” en het „bijgevoegde” van het gebed heeft uitgesproken, verkwikt zich de geheele bemanning aan een sober ontbijt. Dan ijlt jong en oud naar het graf van den een of anderen scheik of heilige, welker witte koepels tegen de lichtgroene mimosen van een donker dal helder afsteken, om hier onder aanvoering van den oudsten scheepsaanvoerder, die de plaats van Imam bekleedt, een afzonderlijk gebed om eene gelukkige vaart uit te spreken. Bij de booten teruggekeerd, werpt men nog, een oud voorvaderlijk, heidensch gebruik volgende, eenige dadels als offergave in den stroom.Nu evenwel gebiedt elke gezagvoerder zijn manschappen ieder zijn post in te nemen. „Laat het zeil los! roeit o mannen, in den naam Gods des Albarmhartigen!” Zoo klinkt zijn bevel. Hierop begint hij te zingen, n.l. het refrein van een gedicht; een der roeiers neemt deze wijs over en zingt het eene vers van dat lied na het andere; de overigen begeleiden hem met de taktmatig voorgedragen woorden: „help ons o Mohammed, help ons o godsgezant en profeet!”DE TERUGKOMST VAN DE JACHT.DE TERUGKOMST VAN DE JACHT.Langzaam beweegt zich de schuit naar het midden des strooms; sneller en altijd sneller drijft zij naar beneden; nog enkele minuten en, steeds den loop versnellende, schiet zij tusschen de rotseilanden boven de stroomversnelling door. „O Said, geef ons vreugde,” smeekt de „Reis” of schipper, terwijl de matrozen voortgaan met zingen. Sneller en sneller dompelen de roeiriemen[320]in het zwarte water, en het zweet druipt van de bruine, gisteren weder frisch met zalf ingesmeerde, tot op de lendenen naakte lichamen der roeiers; elke spier is saamgetrokken en in werking. Lof en smaad, vleiende woorden en verwenschingen, beden en bedreigingen, zegenwenschen en vervloekingen wisselen in den mond van den „Reis” met elkander af, al naar de boot een met zijn wenschen meer of minder overeenstemmenden koers maakt. De met alle kracht aangebrachte riemslagen, ofschoon alleen tot sturen en richten bestemd, verhaasten den reeds zeer snellen loop van het vaartuig nog meer en verhoogen het gevaar dikwijls evenveel als zij het trachten te ontgaan; de Reis vindt hierin genoegzame verontschuldiging, waar hij alle hem ten dienste staande middelen aanwendt om zijn matrozen aan te vuren. „Legt u op uwe riemen, werkt, werkt mijn zonen! toont uwe kracht naneven en nakomelingen van helden; bewijst uwen moed, gij dapperen; geeft blijk van uwe kracht, o helden; prijst den profeet, gij geloovigen! Ja, de meriesa, de simbilgeurige meisjes van Dongola, de vertellingen van Kaïro, dat alles zal het uwe zijn! Bakboord zeg ik u, honden, hondenzonen, hondenneven, zonen en nakomelingen van honden, gij christenen, gij heidenen, gij joden, gij kaffers en vuuraanbidders! Wacht, gij spitsboeven, schelmen, dieven, gauwdieven, landloopers, wilt gij roeien! Eerste roeiriem stuurboord, hangen vrouwen aan uwen arm? Derde roeiriem bakboord, slinger de wijven in ’t water, die u leiden! Recht zoo, voortreffelijk, uitstekend, gij krachtige, knappe, lenige jongelingen! God zegene u, gij braven, en geve uwen vader vreugde en uwen kinderen heil en zegen! Beter, beter nog, gij bloodaards daar, gij krachteloozen, ellendigen, nietswaardigen! Verdoeme u Allah in zijn rechtvaardigen toorn,—help ons, help ons o Mohammed!” Zoo stroomt het onafgebroken uit den mond des gezaghebbers, en alles wordt met den meesten ernst gezegd, gesproken, geschreeuwd, geklaagd en nog daarenboven bekrachtigd door passende bewegingen met het hoofd, de voeten en de handen.DOOR DE WATERVALLEN VAN DEN NIJL.DOOR DE WATERVALLEN VAN DEN NIJL.De boot heeft den bovensten trap der stroomversnelling bereikt. De rotsen aan beide zijden schijnen in het rond te draaien; het donderende water vloeit over dek en boord en overstemt elk ander geluid, zelfs de bevelen des stuurmans. Onophoudelijk wordt het ranke vaartuig van de eene rots naar de andere geworpen—vrees, angst, ontzetting staan op aller gezichten te lezen—daar ligt de gevreesde plaats reeds achter den spiegel der boot; de golven, die van de rotsen terugschuimden[321]hebben ook het scheepje teruggeworpen; twee riemen slechts zijn gebroken, als broos glas werden zij door het gesteente in splinters geslagen. Maar dit verlies belemmert de boot de gewilde richting aan te nemen en zij drijft naar een der watervallen. Een algemeen geschreeuw drukt ontzetting en vertwijfeling uit; op een wenk van den met bevende knieën aan het roer staanden Reis werpen allen zich plat op het dek en houden zich hier krampachtig vast; een oorverdoovend gekraak[322]volgt, terwijl de ziedende golven alles bedekken; een enkel oogenblik ziet men niets dan water, daarna springt de boot bliksemsnel omhoog—de doodsgevaren zijn voorbij, men heeft den waterval achter zich. „El hamdi lillahi”—God zij dank!—zoo luidt de kreet, aan ieders borst ontweld; dan snellen enkelen naar het ruim om mogelijke lekkages op te sporen en te dichten, anderen leggen nieuwe riemen op, en de tocht wordt vervolgd.Achter deze eerste boot jaagt een tweede door de gevaarlijke stroomversnelling. Met onstuimige, steeds versnelde haast arbeiden de roeiers: daar worden allen plotseling tegen den grond gesmakt, en een hunner vliegt in een hoogen boog van zijne plaats door de lucht om in den stroom neêr te vallen. Hij schijnt verloren en in den afgrond begraven, maar neen! te midden van de draaiende en schuimende golven beneden de stroomversnelling duikt de meesterzwemmer weêr naar boven, terwijl zijn kameraads in hunne radeloosheid de handen wringen, en wanneer een derde boot de tweede, die op een rotsblok is gestrand, voorbijjaagt en in den maalstroom is gekomen, grijpt hij een der riemen en slingert zich behendig aan boord; hij is gered. Ook de vierde boot rukt nader; smeekende gebaren van de gestrande bemanning der tweede boot roepen om hulp—een wijzen naar den hemel is het antwoord. Inderdaad, menschelijke hulp schiet hier te kort, want de vaartuigen zijn hier niet in de macht der menschen, de stroom zelf moet helpen, wanneer hij niet vernietigen wil, en hij helpt. Grooter worden de slingeringen van het schip, welks voor- en achtersteven beurtelings onder het water verdwijnen en weêr daaruit omhoog rijzen, en plotseling jaagt het weder door draaikolk en stroomen. Eenige matrozen roeien, anderen scheppen water, zoo ook twee medereizende vrouwen; wederom anderen hameren, spijkeren en kalefateren in het ruim. Voor de helft met water gevuld, half drijvend, bereikt de boot den oever en wordt uitgeladen, maar de helft der lading, bestaande uit Arabische gom, is verloren; klagend, jammerend, weenend, op de met de mannen reizende vrouwen vloekende, rukt zich de eigenaar, een arm koopman, den baard uit. De beide vrouwen zijn van alles de schuld; hoe konden zij, die reeds in het paradijs het menschdom in het verderf stortten, een geloovigen Muzelman zegen aanbrengen! Wee, wee over de vrouwen en haar geheele geslacht!De boot wordt den volgenden dag hersteld en opnieuw geladen; alsdan drijft zij met de anderen naar de volgende stroomversnelling,[323]doorklieft deze zonder beletsel en men bereikt gezamenlijk het vruchtbare, rotsvrije stroomdal van Midden-Nubië, dat alle schippers gastvrij ontvangt en opneemt. Vergeten is alsnu alle zorg; de bruine mannen lachen en schertsen als kinderen en slurpen met wellust den palmwijn en den „meriesa.” Veel te snel drijft de stroom de booten door het gelukkige land.Wederom schudt de woestijn haar goudgele zandmassa’s over de rotsen der Nijloevers; wederom vernauwen, verdeelen en verhoogen rotseilanden de bedding des strooms; de schepen hebben de tweede stroomversnelling bereikt. De eene gevaarlijke waterloop, de eene gevreesde maalkolk, de eene zorgverwekkende nauwte en kromming na de andere is achter den rug; men voer ze gelukkig door, maar de laatste en wildste stroomversnellingen scheiden de schepelingen nog van het palmendorp Wadihalfa en het van hier uit nog slechts eenmaal, beneden-Phile, met rotsen gevulde, maar overigens niet gevaarlijke benedenste stroomdal. Alle booten zoeken boven de waarlijk vreeselijke stroomversnellingen Gaskol, Moedjana, Aboe-Sir en Hambol een rustige bocht; alle schepen liggen hier stil tot den volgenden morgen, om zich te sterken tegen den arbeid, de inspanning, angst en zorgen van den volgenden dag. Op veêrende rustbedden leggen ook de Westerlingen zich neder.De nacht schuift zijn sluier over het wilde land. In het rotsdal donderen de naar beneden stortende wateren; in den stillen inham weêrspiegelen de sterren; van het strand stijgt de geur van mimosen omhoog. Daar treedt een bejaarde, tusschen de stroomversnellingen geboren en grijs geworden Reis naar de Westerlingen toe. Zijn schitterend witte baard omlijst het edele aangezicht; zijn wijd opperkleed doet denken aan den tabbaard eens priesters. „Zonen der vreemdelingen, mannen uit Frankenland!” zoo vangt hij aan te spreken, „gij hebt met ons groote gevaren doorstaan, grootere staan u te wachten. Ik ben in het land geboren; zeventig jaren heeft de zon mijn hoofd beschenen; eindelijk heeft zij mijn haar gebleekt. Ik ben een oud man—gij kondt mijn kinderen zijn. Daarom let op de stem van hem, die u waarschuwt en laat af van uw voornemen ons morgen te vergezellen. Onwetend gaat gij het gevaar in, maar ik ken het. Indien gij, evenals ik de rotsen hadt gezien, die als poorten aan de golven den doortocht versperren, indien gij, evenals ik, hadt gehoord hoe deze golven toornig en dreunend toe- en doorgang eischen, hoe zij[324]over de rotsen stroomen en brullend omlaag storten; indien gij bedacht, dat eenig en alleen de genade Gods, die wij bewonderen en aanbidden, ons armzalig scheepje kan sturen, dan zoudt gij aan mijn wensch voldoen. Zou het hart uwer moeder niet van kommer en verdriet breken, wanneer de barmhartigheid van den Albarmhartige ons verliet?—Gij wilt niet? Dan moge de genade des Almachtigen over ons allen heerschen!”Vóór zonsopgang wordt het levendig aan het strand. Vuriger dan ooit verrichten de schepelingen hun morgengebed. Ernstige, met den stroom bekende stuurlieden, jonge, krachtige, waagzieke roeiers bieden den oude hun diensten aan. Bedachtzaam kiest hij de knapste stuurlieden en de krachtigste roeiers, drievoudig bemant hij het roer en geeft daarna het teeken tot opbreken. „Mannen en zonen des lands, kinderen des strooms, bidt de fatiha” beveelt hij. En allen spreken de woorden van de eerste soere des Korans: „Lof en eer den Heer der wereld, den Erbarmer, die daar heerscht ten dage des gerichts. U willen wij dienen, tot u willen wij bidden, opdat Gij ons den rechten weg zult wijzen, den weg dergenen, die zich in Uwe genade verheugen, maar niet den weg derzulken, over wie Gij toornt, en niet den weg der dwalenden!” „Amen, mijn kinderen; in den naam des Albarmhartigen! Maakt de touwen los en slaat de handen aan de riemen.” Gelijktijdig vallen deze in het water.Langzaam drijft de opgestuwde stroom het vaartuig naar de eerste versnelling en nogmaals jaagt het, hierin gekomen, aan roer noch riemen gehoor gevende, in alle voegen krakende en steunende, door de over elkaar stortende golven en het kokend schuim, door draaikolk en maalstroom, door nauwten en gewonden vaarwaters, door de golven omspoeld en bedekt, rakelings langs de rotsen, en even rakelings over de met dwarrelende wateren bedekte rotstoppen naar eene tweede versnelling.Van de hoogte der helling schouwt het oog vol ontzetting in eene met betrekking tot het geweld des waters afgrijselijke diepte; vlak voor den voet des vals verheft zich een rond rotsblok, omgeven door schuimende golven, een met witte haren omlijst reuzenhoofd, dat boven de wateren uitsteekt. Een afgeschoten pijl gelijk schiet het armzalig, hier niet meer te besturen scheepje op dien reuzenkop af. „In den naam des Albarmhartigen roeit, roeit, gij mannen, gij geweldige, dappere, koene mannen, gij zonen des strooms!” steunt de Reis; „bakboord,[325]bakboord het roer, met alle kracht.” Maar roer en riemen weigeren. Niet zoozeer het rotsblok brengt nu het scheepje in gevaar, maar dit wordt door een nauw, in een chaos van rotsen voerend, aan stuurboordszijde der rotsen zich vertakkend vaarwater opgenomen, en tevergeefs zoeken aller oogen een uitweg uit dezen chaos. Reeds verlaten de matrozen de roeibanken om zich van de laatste kleedingstukken te ontdoen, ten einde, zoo de boot mocht stranden, in het zwemmen niet gehinderd te worden; daar doet een vreeselijk gekraak aller blikken weder rugwaarts wenden; het steenen hoofd heeft de volgende, langere, daardoor minder goed te zwenken boot als offer ontvangen, en houdt haar zwevend boven den daar beneden schuimenden vloed. Zulks vermeerdert de ontsteltenis. Alle schepelingen beschouwen de bemanning dier boot voor reddeloos verloren, en allen maken zich gereed voor den sprong in de diepte. Daar dreunt helder en luid de stem des grijzen stroomouden over de woelende wateren. „Zijt gij dan dol, zijt gij van God verlaten, gij kinderen der heidenen! arbeidt, arbeidt, gij knapen, mannen, helden, gij dapperen en geloovigen! In de hand des Almachtigen berust alle kracht en sterkte; Hem zij de eer; aan de riemen gij zonen van helden!” En hijzelf gaat naar het roer en voert binnen weinige minuten de boot uit den „weg der dwalenden” op den „rechten weg” terug. De eene boot na de andere verschijnt in het vrije water; toch niet alle booten ontgingen het gevaar. Nog altijd, en wel tot aan de volgende rijzing van den Nijl draagt het reuzenhoofd zijn last, terwijl de ongeluksboot, waarin de vrouwen waren gezeten, reeds bij de bovenste stroomversnelling in duizend splinters werd geslagen. Met de gelukkig geredde manschap bidden de schippers evenals vóór de afvaart: „Lof en prijs den Heer der wereld!”Voor het door palmboomen beschaduwde dorp Wadihalfa liggen de geredde booten naast elkander; aan het strand, om flikkerende vuurvlammen, in schilderachtige groepjes geschaard, de schippers. Dikbuikige kruiken, gevuld met meriesa, noodigen tot drinken uit; in andere vaten derzelfde soort borrelt het vleesch der geslachte schapen, onder toezicht van ras toegesnelde, met ricinusolie gezalfde, voor Europeanen niet te naderen vrouwen en meisjes.De klank der cithers en het geroffel der trom geven het teeken tot den aanvang der „fantasie” van het feest, smulpartij en drinkgelag. Een onuitsprekelijk welbehagen maakt zich van alle schippers meester;[326]hun zaligheid is aan gelaat en bewegingen kenbaar. Eindelijk laat zich na den zwaren, angstigen arbeid van heden de vermoeidheid gelden. De taraboeka valt uit de slappe armen, de tamboera aan de vermoeide hand, en alle, zoo even nog luidruchtige stemmen zwijgen.In hare plaats vangt thans de nacht aan te spreken. Daar boven klinkt nog steeds het gedonder van de watervallen; uit de kronen der palmen, met wier veêren de nachtwind speelt, daalt een zacht gefluister naar omlaag: aan het vlakke strand breken onder welluidend geklots de golven. En het gedonder der wateren en het spelen der golfjes, het geruisch van den wind en het gefluister der palmen vormen te zamen het heerlijkste wiegelied, dat allen doet insluimeren in het lichtrijk van gouden droomen.[327]
[Inhoud]XI.HET LAND EN DE BEVOLKING TUSSCHEN DE STROOMVERSNELLINGEN VAN DEN NIJL.Egypte en Nubië, alhoewel onmiddellijk aan elkander grenzende en door een gemeenschappelijke rivier onderling verbonden, wijken toch zeer van elkander af. De goddelijke Nijl stroomt rustig en statig door Egypte, maar bruist in koortsachtige haast door Nubië; over Egypte verspreidt hij naar alle zijden zegen, in Nubië wordt hij in boeien geslagen door hooge, rotsachtige oevers; in Egypte bereikt hij de woestijn, in Nubië achterhaalt de woestijn hem. Egypte is een tuin, door hem in den loop der eeuwen geschapen, Nubië is eene woestijn, die hij niet vermocht te overwinnen. Het is waar, deze woestenij kent haar oasen even gelijk iedere andere, maar zij zijn weinig in aantal en verdwijnen tegenover de eindelooze woestenijen aan beide zijden des strooms. Bijna overal in het lange, gewonden dal, dat Nubië heet, verheffen zich zwarte, blinkende rotsmassa’s, hetzij uit het stroombed zelf, of op geringen afstand der oevers; mijlen in ’t rond belemmeren zij elke vegetatie en alleen door de woestijn weêrszijds erlangen zij eenigen tooi in de vormen van goudgele zandgolven, die over hare kruinen rivierwaarts rollen. Gloeiend ziet de zon van den donkerblauwen, bijna altijd onbewolkten hemel naar beneden, en het komt voor, dat er jaren voorbijgaan, zonder dat een enkele regendruppel het uitgedroogde land verfrischt. In de diep ingesneden dalen strijden de levenaanbrengende wateren van den bevruchtenden stroom te vergeefs tegen het onwillig gesteente, tegen hetwelk zij brullend en donderend breken, evenals wilden zij hun toorn uitspreken over de ondankbaarheid, waarmede hun mildheid wordt beloond.De kampplaats, alwaar die strijd gestreden wordt, is het gebied van de stroomversnellingen des Nijls.Slechts weinige reizigers, die het dal van den benedenloop dezer rivier bezochten, leerden de stroomversnellingen van haren middenloop[294]kennen. Een zeer gering aantal overschrijdt den zoogenaamden eersten waterval, nog kleiner aantal den tweeden. Wadihalfa, een onmiddellijk beneden de tweede stroomversnelling gelegen dorp, is het gewone doel der Nijlreizigers; verder naar het zuiden wordt slechts de natuuronderzoeker gedreven, of de jager, of de handelaar. Van Wadihalfa uit beginnen de moeielijkheden eener reis in de binnenlanden van Afrika; geen wonder alzoo, dat de groote massa in genoemd palmendorp den steven weder huiswaarts richt. Hij echter, die jong en krachtig is, sterk van wil en niet verweekelijkt, zal er nimmer berouw over gevoelen wanneer hij zuidelijker trekt. Is het Nijldal arm aan landschappelijke bekoorlijkheden, het gebied der stroomversnellingen vormt eene eigenaardige wereld op zichzelf. Verhevene en liefelijke, ernstige en vroolijke, vreeselijk eenzame en frissche, levendige beelden wisselen met elkander af; het zijn echter beelden der woestijn, die men te zien krijgt, en om ze naar waarde te schatten moet men voor het gewone het oog sluiten. Wie niet in staat is de woestijn te begrijpen, of zich te verzadigen aan haren kleurenrijkdom, of haar hitte te doorstaan, en zich aan haar nacht te verkwikken, doet wel ook de Nijlwoestijn niet te betreden; wie met open oogen en ontvankelijk gemoed het gebied der stroomversnellingen bereist, zoo mogelijk zelfs in eene ellendige boot den strijd aanvaardt tegen de schuimende golven, zal zijn gansche leven teren op de heerlijkste herinneringen, want nooit en nimmer zal het aangrijpend tooneel, dat het lichamelijk oog aanschouwde, verbleeken voor het geestelijk oog, nooit zal de ziel het goddelijk lied vergeten, dat eens de stroom het oor heeft voorgezongen.Zoo althans vergaat het mij, die te land en te water Nubië’s rotsland door ben getrokken, in de boot, stroomopwaarts en stroomafwaarts, die met gebrek en gevaren heb te worstelen gehad, en nu eens van de toppen der steile rotsen, dan weder van den rug des kameels de stroomversnellingen heb gadegeslagen.Het is gewoonte geworden van drie watervallen van den Nijl te spreken. Ieder dezer bestaat uit eene reeks van stroomversnellingen, die over de uitgestrektheid eener mijl de scheepvaart ten hoogste bezwaren en gevaarlijk maken. In den eersten waterval is er maar ééne stroomversnelling van beteekenis, in den tweeden en derden echter zijn er samen over de dertig, ieder van welke eenen haar door de Nubische schippers gegeven naam draagt. Watervallen, die de scheepvaart ten eenenmale onmogelijk maken, zijn er evenwel niet, althans niet in het[295]vaarwater, waarin zich, behalve de gewone vaartuigen, die booten bewegen, welke uitsluitend met het oog op de stroomversnellingen zijn gebouwd en uitgerust.Wanneer men, in de richting van den heiligen stroom voortreizende, de noordoostelijkste vernauwing der oevers tusschen de „bergen der keten” achter zich heeft gelaten, verandert plotseling het landschap. Egypte, of het breede, zeewaarts zich tot eene onafzienbare vlakte verwijdende stroomdal ligt achter den rug der reizigers en de rotsdrempel van Nubië bouwt zich voor zijnen blik op. De tegenstelling is verrassend. De eentonigheid maakt plaats voor afwisseling. Wel biedt ook Egypte menig hartverfrisschend, het oog aangenaam aandoend beeld; wel tooit ook het landschap in Egypte zich, vooral ’s avonds en ’s morgens, met den wonderbaren glans van het zuidelijk licht; maar over ’t algemeen is dat landschap eentonig, omdat men overal hetzelfde ziet, onverschillig of men het oog vestigt op de zandsteenen en kalkrotsen der dalbegrenzing, of het laat weiden over den stroom en de landerijen. Een en hetzelfde beeld keert schier onveranderd honderden malen weder: gebergten en vruchtbare vlakten, oeverwanden en eilanden, mimosenboschjes, palmengroepen, sykomoren, steden en dorpen, alles draagt in hoofdzaak hetzelfde karakter. In ’t gezicht van de rotspartijen van den eersten katarakt, van den laatsten grendel, dien de zeewaarts spoedende stroom verbrak, eindigt dit Egypte en begint Nubië. De boot glijdt niet meer over den in majestueuse rust daarheen vlietenden stroom, maar zij moet zich gewelddadig zelf een weg banen tusschen de rotsmassa’s en de uit de golven zich verheffende rotskegels.Boven op een steil afvallend, vooruitstekend gedeelte van den linkeroever ziet men een ellendig, maar niettemin schilderachtig uitkomend bouwwerk, het graf van ScheikMusas, den patroon der eerste stroomversnelling, vervolgens het aan palmboomen rijke eiland Elephantine, en spoedig hierna Assoean. Rotsmassa’s uit wier schors eene eeuwen achtereen voortgezette werking der tegen haar schuimende golven de inscripties uit den tijd der Pharao’s niet vermocht uit te delgen, versperren het vaarwater en noodzaken de boot tot allerlei wendingen, tot zij eindelijk in eene stille bocht, waar men nog het woeden der stroomversnelling hoort weêrklinken, eene veilige landingsplaats vindt.Het is een door de oudheid gewijde grond, dien wij betreden. Lang vervlogen eeuwen spreken, door middel van het zoo even vermelde[296]heilige schrift, tot ons in verstaanbare taal. „Ab” of ivoorstad, Elephantine, zoo heette de stad op het eiland van denzelfden naam; het eiland is gebleven, maar zelfs de puinhoopen der stad zijn verdwenen. „Soen”, Syene, heette de plaats aan den rechteroever, waar nu Assoean is gelegen. Elephantine, de zuidelijkste haven van het oude Egypte, alwaar de uit het binnenland van Afrika gehaalde waren, inzonderheid het destijds reeds als kostbaar geachte ivoor, werden opgestapeld, was de hoofdstad van het zuidelijk Nijldistrikt; Soen was wellicht een arbeidersdorp, ofschoon als zoodanig toch niet van geringer beteekenis dan Elephantine. Want hier werd van de oudste tijden van het Egyptische rijk af de „Mat” of „Ethiopische steen van Herodotus”, dien men in de nabijheid brak, aan den Nijloever gebracht en in de schepen geladen, die hem naar de plaats van bestemming voerden; naar dit „Soen” ontving de kostbare steen den naam van „syeniet”, dien hij nu nog draagt. Opschriften op de gedenkteekenen, die dagteekenen van de oudste Egyptische koningsgeslachten, op zulke, die tot in het tweede en derde duizendtal jaren vóór onze tijdrekening opklimmen, gewagen meermalen van de plaats Soen, en tallooze andere hiëroglyphen, in de nabijgelegen steengroeven zelf, doen ons de beteekenis van dit arbeidersdorp kennen. Over nagenoeg twee vierkante geographische mijlen der ten oosten van den waterval gelegen woestijn strekken zich de steengroeven uit, waaruit men de groote blokken haalde, die als reusachtige ronde en spitse zuilen, als lijsten en draagbalken van tempels ons met stomme verbazing vervullen; ook werden er de grafkamers der pyramiden mede bekleed, daar men van hen vertrouwde, dat zij in staat zouden zijn den op hen drukkenden last te dragen.„Overal,” zegt mijn geleerde vriendDümichen, „zien wij hier, hoe de menschelijke hand bezig was, deels om het kostbare gesteente uit den rotswand los te maken, deels om in beeld en schrift sommige gebeurtenissen te vereeuwigen; overal is de steen hier in een gedenkteeken veranderd, en talrijke opschriften, dikwijls op de hoogste toppen der bergen aangebracht, wij-spreuken ter eere der goddelijke drieëenheid van het voornaamste Opper-Egyptische landschap,—van den god des watervalsChnoem-Raen zijne beide gezellinnenSatienAnoeke,—andere ter verheerlijking van sommige heldendaden der Egyptische koningen en hooge staatsbeambten bedekken wijd en zijd de rotswanden. Ook deze opschriften gaan gedeeltelijk tot in de oudste tijden der[297]geschiedenis terug; en toch, hoe jong zijn ze niet, vergeleken bij den strijd, die hier gedurende niet te berekenen duizendtallen van eeuwen de Egyptische zonnegod Ra tegen het gesteente voerde. Overal n.l. zijn de rotsen ter plaatse, waar zij nog niet door menschenhanden werden bewerkt en voor onze oogen bloot liggen, oppervlakkig met eene donkergrijze korst, als ware deze aaneengesmolten, bedekt, terwijl de breukvlakten van het syeniet, aan welke wij met zekerheid soms een ouderdom van vier duizend jaren mogen toekennen, evenals de overal in de groeven verstrooid liggende blokken nog op den huidigen dag de aan granietgesteenten eigendommelijke roode kleur in volle frischheid behouden hebben; die eeuwen zelfs waren niet bij machte om dat schorskleed des tijds aan te leggen.”DE TEMPEL TE PHILE.DE TEMPEL TE PHILE.Van elken hoogen oeverberg kan men een gedeelte van den katarakt overzien. Twee woestijnen naderen den Nijl en reiken elkander in dien stroom over eene menigte kleine rotseilandjes de hand. Elk dier eilanden deelt den stroom en noodzaakt hem zijn wateren op te stuwen; maar met des te meer geweld vervolgt hij tusschen deze versperringen[298]schuimend zijn loop. Zonder ophouden klotst en brandt het water tegen de overblijfselen van een reeds vóór duizenden eeuwen door hem zelf verbroken rotsdam; hij schijnt ze op te willen ruimen, ze te vernietigen, en te toornen over den nog altijd niet bedwongen tegenstand, zoo woest klinkt het klotsen der golven naar den beschouwer omhoog. Het is de muziek, die het tooneel voor en onder hem begeleidt. Rusteloos, gelijk de eeuwig stroomende wateren, dwaalt het oog over dien chaos van rotsen; honderd afzonderlijke beelden vallen tegelijk in het oog, en niettemin formeert zich uit die veelheid een majestueus geheel, waarin de starre, blinkende rotsmassa’s scherp tegen het witte schuim der haar omspoelende wateren, tegen de beide aangrenzende, goudgele woestijnen en tegen den wolkenloozen, donkerblauwen hemel daar boven afsteken.Aantrekkelijk vooral is het bovengedeelte der stroomversnelling. Een keten van zwarte rotsen, de natuurlijke grensmuur tusschen Egypte en Nubië, trekt dwars door den Nijl en breidt zich aan beide oevers uit tot een langen boog, die voor ’t oog des waarnemers een overal gesloten, door rotsdammen omgeven keteldal vormt. Zijn wallen bestaan ten deele uit samenhangende massa’s, ten deele uit los op elkaar gestapelde, als door reuzenhanden opgeworpen, ronde, eivormige en hoekige rotsblokken. Hier en ginds steken enkele gedeelten der omwalling voor de anderen uit, elders wijken zij meer terug; hier en daar verheffen zij zich als eilanden uit het oude meerbekken, dat zij insloten, alvorens de geweldige stroom zich daar een vrijen doortocht baande.Te midden dezer puinhoopen van den voortijd ligt het frissche met palmboomen begroeide eiland Phile met zijn goddelijken tempel. Nog nimmer zag ik schooner landschap. Overal omgeven door de harde, zwarte rots, eeuwig omspoeld door de golven, die tegen zijn grondslagen klotsen, vriendelijk omlijst door vruchtdragende palmboomen en geurige mimosa’s, staat die tempel daar als het zinnebeeld van ongestoorden vrede te midden van den strijd. Een grootsch krijgslied zingt hem de stroom, en vredeteekenen bieden hem de palmen. Geene plaats was geschikter ter vereering der godheid, aan wie deze tempel gewijd was. In deze eenzaamheid, in zulk eene omgeving moesten wel de harten der jonge priesters, die hier door de wijsten der kaste werden onderwezen, voedsel en leven ontvangen, om zich naar het heilige en verhevene te richten, en de beteekenis leeren verstaan van de in mysteriën gehulde leerstellingen, het gesluierde beeld van Saïs aanschouwen.[299]Onder de goddelijke drieëenheid, aan welke de tempel van Phile gewijd was, Isis, Osiris en Horus, stond Isis bovenaan. „Isis, de groote godin, de koningin des hemels, de gebiedster aller goden en godinnen, die met haar zoon Horus en haar broeder Osiris in elke stad vereerd werd, de hoog verhevene, goddelijke moeder, de gemalin van Osiris, zij is de gebiedster van Phile,” zoo luiden de opschriften in den tempel zelf. Inscripties in de velerlei karakters, welke in de verschillende tijdvakken der Egyptische geschiedenis in gebruik waren, verhalen ons echter ook van veranderingen, die de tempel in den loop der tijden onderging, tot eindelijk de christen-priesters, die de dienaren van Isis waren opgevolgd, door de Arabieren uit het heiligdom verdreven werden.Heden ten dage ligt Phile grootendeels in puin. In plaats van de feestliederen der priesters hoort men er nu slechts het eenvoudig gezang van den woestijn-leeuwerik; maar de stroom zingt nog hetzelfde lied als voorheen, en even majestueus als voor duizenden jaren. Het eiland is eene woestenij geworden, maar de vrede des tempels is gebleven. En in weêrwil van alle veranderingen is nog steeds het eiland een sieraad van den eersten katarakt.Van hier af naar boven wordt de Nijl langs eene groote uitgestrektheid weêr vrij van rotsen, maar is toch niet bij machte zijn zegen buiten de oevers te verspreiden. Met inspanning tracht de mensch de hem elders vrijwillig verleende gaven den stroom af te dwingen. Het eene scheprad na het andere beurt krijschend het levenwekkende vocht op den smallen oeverzoom. Op de meeste plaatsen echter dringt de woestijn met haar rotsmuren zoo dicht tegen den oever, dat er geen ruimte meer overblijft voor een enkelen akker of een klein palmenwoud. Langs groote uitgestrektheden ziet men hier niets dan dwergachtige onkruidplanten, tusschen welke het gele drijfzand gestadig naar de diepte rolt, als wilde het de woestijn bijstaan in het behalen der zege over den goddelijken weldoener van het bebouwde veld.In het zuiden van Wadihalfa, het zuidelijkste grensdorp der bedoelde landstreek, woedt weder het door rotseilanden omsloten Nijlwater.Tallooze steenmassa’s, rotskegels en blokken noodzaken den Nijl zich uit te breiden; een chaos van steen en water, zooals nergens elders aanschouwd wordt, verwart het oog. Bij hoogen waterstand overstemt het gebrul der dwarrelende, tusschen de rotsen wegsnellende golven het geluid der menschelijke stem; het dreunt en dondert, ruischt en[300]bruist, spat en sist, dat de rotsen bijna sidderen. Boven de hier onafgebroken aan elkander geregen stroomversnellingen en draaikolken ligt de hoogopgestuwde Nijl als een stille zee voor het oog des beschouwers; dit vriendelijke, door eenige groene eilandjes omhoog geheven beeld is echter eng begrensd. Verder opwaarts wordt het stroombed nogmaals door tallooze klippen verdeeld; want nu begint eigenlijk de „Batte el Hadjar” of het rotsdal der schippers, waarin nog tien naamdragende stroomversnellingen liggen. Dit is het meest woeste gedeelte van Nubië en in ’t algemeen van het geheele Nijldal. Gewoonlijk ziet men er niets dan lucht, water, rotsen en zand. Steil, soms loodrecht, stijgen de uit steen gebouwde rivieroevers uit het stroombed omhoog; tusschen deze en tusschen de in het water gelegen eilanden wordt de Nijl zoo samengeperst, dat hij in den tijd van den hoogsten waterstand van twaalf tot achttien meter hooger staat dan gedurende den laagsten stand. De oeverwanden zijn spiegelglad, evenals waren zij gepolijst; zij weêrkaatsen schitterend het licht en zijn des daags zoo gloeiend heet, dat men zou meenen zij waren eerst vóór weinige dagen uit de ingewanden der aarde opgeweld.De vruchtbare stroom ruischt schier doelloos langs deze rotsen, want slechts op zeer weinige plaatsen kan hij van zijn goddelijk privilege gebruik maken. In inspringende bochten of achter voorgebergten, die den sterken stroom afleiden, laat hij zijn vruchtbaar slib vallen, en voert hij meteen de zaden aan. Op zulke plaatsen kiemt, groeit, groent en bloeit het ook in deze wildernis. Op alle eilanden, in welker rotskloven het slib bleef hangen, in alle door den sterken stroom niet bereikte bochten, verheffen zich wilgen en mimosa’s, als getuigen des levens in het rijk des doods. Wortel na wortel, spruit na spruit zond de eerste wilg uit, die hier vasten voet erlangde, en zoo bekleedde zich de kale grond weldra met een levendig groen. In de maanden van lagen waterstand doet het allengs ontstane kreupelboschje nieuwe twijgen ontspruiten; is de rivier gezwollen dan overstroomen de wateren eiland en hout. Hooger en hooger rijst de vloed; heviger woedt de golfslag; de wilgen buigen zich voor hem, maar klemmen zich steeds vaster tegen de rotsen. Maanden lang blijven zij, op enkele takken na, die nog boven de schuimende en sissende watermassa uitsteken, onder de golven bedolven; hare wortels echter houden zich vast, en met nieuwen levensmoed ontbotten wederom de struiken, zoodra het water is gevallen. Op zulke plaatsen der huiveringwekkende wildernis heerscht[301]hetzelfde dierlijk leven, dat men waarneemt op andere plaatsen van het Nijldal. In het wilgenloof hebben enkele paren van de levendige en schreeuwlustige Nijlgans post gevat, en op de naburige rotsen is een sierlijke kwikstaart gezeten; van de oeverwanden weêrklinkt het lied eener blauwmerel of van een rouwtapuit; om de bloeiende mimosa’s fladdert de eerste tropische vogel, dien men op dezen tocht ontmoet, een prachtige honigzuiger; nu en dan stoot men misschien op een koppel sierlijke rotshoentjes. De hier genoemde vogels met nog eenige andere soorten vormen de spaarzame bevolking van het rotsdal, en alleen op den trek verschijnen daarneven nog dikwijls zeer talrijke troepen van andere vogels, die den stroom, hunne heerbaan naar Centraal-Afrika, volgen, om dan bij tijd en wijle in het dal uit te rusten. Zij vliegen echter zoo spoedig mogelijk van daar, omdat het rotsdal niet in staat is hen zelfs maar voor weinige dagen te voeden; het valt dan ook bezwaarlijk te begrijpen dat die anderen hier hun dagelijksch brood vinden.En toch vormen zij niet de eenige bewoners dezer waterwoestijn. Er zijn menschen, die deze hun vaderland noemen.Mijlen ver van elkander verspreid, bevinden zich hier enkele armoedige stroohutten, waarin een Nubiër met zijn gezin een ellendig leven leidt. Een kleine, met vruchtbaar slib gevulde inham tusschen de rotsachtige oevers, wellicht slechts een tegen deze aangeplakt slijkbed vormt de arme bezitting, die hij de zijne noemt. In het eerste geval is hij een rijk man, vergeleken met de geringen, die slechts over zulk een slijkbed beschikken. Met levensgevaar zwemt de laatste naar zulke van de bergzijde ongenaakbare plaatsen, alwaar de vallende stroom slib afzette, om de pas van water bevrijde laag met boonen te bezaaien; eenige dagen later, wanneer de rivier nog meer is gevallen, herhaalt hij zijn bezoek en zijn arbeid, en telkens weder, zoolang het water blijft vallen. En zoo ziet men op zulke met het vallende water zich steeds vergrootende velden boonen in alle perioden van den groei; tevens kan men opmerken dat onze weinig eischende landman tegelijkertijd oogst en zaait. Onder zeer gunstige omstandigheden veroorlooft een dieper inspringende, met Nijlslib gevulde inham het plaatsen van een scheprad ter bevloeiing van enkele aren bouwgronds, en in dit geval is de gelukkige bezitter in staat eene koe te houden; zoo iemand leeft nog eenigszins dragelijk, ofschoon hij nog altijd als zoo arm wordt beschouwd, dat zelfs eene Egyptische regeering geen belasting[302]van hem durft vorderen. Zulke plaatsen zijn evenwel zeldzame oasen in deze ijzige wildernis. De stroomopwaarts zeilende schipper begroet elken struik, elken palmboom met zichtbare vreugde, een boonenveld, het doel wellicht van dagen lange hoop, met gejubel, een scheprad met dank jegens den Albarmhartigen. Want niet slechts vrees kan zijn moedig hart in dit rotsdal bevangen, maar ook bitter gebrek kan zijn deel worden, ja zelfs de hongerdood kan hem tegengrijnzen, tenzij hij een voorraad voedsel medenam, voldoende om hem eenige maanden te voeden. Stroomafwaarts schiet de boot pijlsnel voort om dit land der verschrikking—althans de eenzaamheid en armoede—te ontvlieden; stroomopwaarts zeilende ligt de boot dikwijls uren, ja dagen lang onder bescherming van een rotsblok beneden eene stroomversnelling als vastgemuurd. Wachtende op een gunstigen wind, door het onophoudelijk op en neêr schommelen van het vaartuig aan zeeziekte lijdende, kan de schipper soms mijlen ver wandelen of zwemmen, alvorens hij menschen of bebouwde akkers ontmoet.Het rotsdal gaat in het zuiden bijna onmiddellijk over in de vruchtbare landstreek van Midden-Nubië. Een door twee woestijnen ingesloten smal waterbekken, met vele groote eilanden in ’t midden der rivier, door deze met slib bedekt, gelijk ook de eilanden daaruit werden opgebouwd, neemt den reiziger op. Het wijst wel is waar nog niet den vollen rijkdom der tropen aan, maar laat toch derzelver frischheid en krachtig leven in sommige planten en dieren doorschemeren. Dichte palmbosschen, die de heerlijkste dadels doen rijpen, begrenzen aan den kant der woestijnsteppen deze liefelijke oase, die den arbeid des landmans met een rijken oogst beloont; Christusdoorns en onderscheidene mimosa’s, die zich tot hiertoe niet lieten zien, verkondigen ons, dat wij den keerkring overschreden. Behalve den straks genoemden honigzuiger bemerken wij nog andere vogels van Centraal-Afrika. In het eerste doerrha-veld, dat men scherper in ’t oog vat, verkwikt men zich aan een even zoo kleurigen als levendigen, tusschen de stengels verblijfhoudenden vuurwevervogel. Het schijnen vuurvlammetjes te zijn, die zich nu en dan op den top eener aar neêrlaten om van dezen hoogen zetel een eenvoudig, sjirpend of spinnend liedje voor te dragen, dat alle soortgenooten aanspoort om hetzelfde te doen. In de spleten en scheuren der leemen hutten hebben zich andere leden derzelfde familie verzameld, bij name de staal- en bloedvinken, terwijl in de tuinen om de huizen Kaapsche duiven hare nesten hebben opgeslagen. Op de zandbanken der[303]rivier groeven schaarbekken hunne napvormige nesten; nachtzeezwaluwen van eene bijzondere soort, die eerst tegen de schemering op roof uitvliegen, strijken dicht langs de oppervlakte der golven om deze met hun snavel te doorploegen, ten einde de kleine, in de bovenste waterlagen zwemmende dieren te bemachtigen.Maar ook dit heerlijk plekje gronds is eng begrensd. Reeds beneden de bouwvallen van den tempel van Barkal nadert het nog altijd woeste en onvruchtbare gebergte den stroom en verdringt zoowel het vruchtdragend land als de woestijnsteppe. De laatste stroomversnelling ligt voor ’t oog des stroomopwaarts trekkenden reizigers. Zoo onbeschrijfelijk arm als het rotsdal was, is het gebied van de derde stroomversnelling niet; goed bebouwde, alhoewel niet zeer breede strooken gronds aan beide zijden van den stroom en kleine vruchtbare eilanden in de rivier geven een indruk van meerdere weelde. De rotsmassa’s aan den oever zijn minder samenhangend dan in het rotsdal zelf en rijk aan zoogenoemde steenmeren—grillig op elkander gestapelde heuvels en wallen van rotsblokken en rolsteenen, gelijk de groote stroomen deze achterlaten, wanneer zij hun bed dieper in het door hen uitgespoelde dal graven. Aan beide zijden der rivier, meest boven op de het naast den oever begrenzende hoogten, aanschouwt het oog rotsblokken van meer dan honderd kubieke meter inhoud; deze liggen zoo los op hunne betrekkelijk kleine onderlaag, dat zij bij een eenigszins hevigen wind beginnen te waggelen en met behulp van hef boomen gemakkelijk door een gering aantal menschenhanden zouden weggerold kunnen worden. Op vele plaatsen zijn deze rotsmeren zoo grillig gebouwd, dat het den schijn heeft alsof de luim van reusachtige kabouters deze kegels en pyramiden, muren en wallen, die in bonte mengeling de oeverbergen kronen, opeen had gestapeld. Meer evenwel dan al deze bouwgewrochten van den stroom, schenken die van den mensch aan de derde stroomversnelling een bijzonder karakter. Op alle daarvoor geschikte vooruitstekende oeverrotsen, vooral op de grootere rotseilanden, verheffen zich gebouwen, voorzien van ringmuren en torens met gekanteelde lijsten, gelijk men ze nergens anders in het Nijldal ontmoet. Het zijn vestingwerken uit vroegere tijden, burchten van voormalige hoofden der stroombewoners, opgericht om bescherming en veiligheid te verleenen, om lijf en goed tegen de aanvallen van naburige vijandelijke stammen te verzekeren. Uit ruw op elkander gestapelde, bijna uitsluitend met Nijlslib aaneengemetselde, onbehouwen steenen is het[304]benedengedeelte der muren en omwallingen opgetrokken; dikke, nu grootendeels vervallen muren van uit Nijlslib vervaardigde en in de lucht gedroogde steenen vormen den bovenbouw dezer burchten, die meer door een trotsch voorkomen dan door schoonheid uitmunten. Uit het midden van den stroom b.v. verheft zich een kale, pikzwarte, glinsterende rots, op welker top zich zulk een vesting bevindt. Woest klotsen de golven tegen haar voet, maar rustig weêrstaat zij dien schok, en veilig steunt de haar toevertrouwde vesting op deze steenmassa. Aan de stroomafwaarts gerichte zijde is het water rustig en hier is de rots, dank zij de levenwekkende kracht der rivier, inderdaad heerlijk getooid. In het kalme, stille water werden in den loop der tijden dikke sliblagen afgezet, zoodat er allengs een eiland uit den vloed oprees; de mensch maakte zich daarvan meester, plantte er den palmboom en legde er akkers aan; en zoo ontstond er op en achter de rots een liefelijk beeld van veiligheid en bewoonbaarheid, dat juist door zijn tegenstelling met de omringende onrustige en woeste water- en rotsvlakten, aangrijpend op het gemoed werkt.Aan de zuidelijke grens der derde stroomversnelling beginnen de steppen en wouden der keerkringslanden; slechts op enkele plaatsen bereiken nu voortaan de rotsen nog den breeder geworden stroom en zijne grootere bijrivieren. Over eene lengte van meer dan honderd geographische mijlen doorsnijden de Abiad en Asrakh, of witte en blauwe Nijl, vruchtbaar, bijna vlak land; dan eerst ontmoet men weder eenige stroomversnellingen. Dit gedeelte behoort echter niet meer in de lijst der schilderij, die ik trachtte te ontwerpen, want alleen Nubië is het land van de katarakten van den Nijl.Het is moeilijk na te gaan in hoeverre de Nubiër door zijn woonplaats gemaakt werd tot hetgeen hij is; zooveel is zeker, dat hijzelf van zijn naburen, de Egyptenaren, evenveel verschilt als zijn land met dat van laatstgenoemd volk. Beiden hebben geen de minste overeenkomst, noch in lichaamsvorm, noch in huidkleur; evenmin in afstamming en taal, zeden en gewoonten. Zelfs in godsdienst verschillen zij, niettegenstaande beide volken tegenwoordig als eersten regel des geloofs erkennen: „Er is maar één God, en Mohammed is Zijn éénige profeet.”De Egyptenaren zijn gesproten uit het gemengde bloed der oude Egyptenaren en dat van later ingekomen Arabische horden uit Yemen en Hedjas, die met de vroegere bewoners van het dal des beneden-Nijls ineensmolten; de Nubiërs zijn afstammelingen van de „wilde[305]Blemyers,” tegen welke de Pharao’s van het oude, middelste en nieuwe rijk, alsmede de Egyptische Ptolemeeërs voortdurend, ofschoon niet altijd met gunstigen uitslag, krijg voerden. De Egyptenaren spreken de taal, waarin Mohammeds „openbaringen” werden opgeschreven, de Nubiërs eene in vele dialecten gesplitste taal van het oud-Ethiopisch; de eersten gebruiken een overoud schrift, de laatsten hebben ongetwijfeld nimmer schriftteekens gehad, die in hun eigen taal wortelen. De eersten hebben nog al den ernst bewaard der oude Egyptenaren, evenals de zonen der woestijn, van welke zij afstammen; zij zijn steeds, gelijk alle Oosterlingen, gedurende hun geheele leven met angst vervuld omtrent het „hier namaals” en regelen naar hunne droomen hierover hun zeden en gebruiken; de laatsten behielden de lustige levensvreugde der Ethiopiërs en leven, als kinderen, onbezorgd van den eenen dag op den anderen, het goede zonder dank, het kwade onder veel en luid geklaag ontvangende, terwijl zij het een zoowel als het andere onder den invloed van het oogenblik ras vergeten. Op beiden drukt in gelijke mate het juk der dienstbaarheid; de Egyptenaar draagt het kermend en weêrstrevend, de Nubiër gelijkmoedig en zonder morren; gene is een onwillige slaaf, deze een gedwee dienaar. Elke Egyptenaar acht zich boven den Nubiër hoog verheven, houdt zich, wat afstamming, taal en zeden betreft, voor hooger, praalt met zijn beschaving, ofschoon deze over ’t algemeen zeer gering is, en tracht den donkergekleurden broeder even zooveel te onderdrukken, als hijzelf in ’t bewustzijn zijner onmacht zich schikt in de hem opgelegde dienstbaarheid; de Nubiër erkent in ’t algemeen de lichamelijke meerderheid van zijn buurman, inzonderheid de geestelijke superioriteit van de meer uitstekende Egyptenaren, schijnt niet te weten, dat hijzelf die beschaving mist, maar is opzijnebeurt weder geneigd den minder begaafden en zwakkeren bewoner van Centraal-Afrika onder ’t juk te brengen; toch stelt hij zich weder met den gekochten neger op een broederlijken voet en schikt zich oogenschijnlijk geduldig in het hem toebedeelde lot, na vergeefs gepoogd te hebben in den strijd tegen de overmacht overwinnaar te blijven. Hij is nog heden ten dage een natuurmensch in hart en nieren, terwijl de Egyptenaar ons het treurige beeld vertoont van een vervallen en steeds meer en meer vervallend volk. De Ethiopiër heeft zich op den onvruchtbaarsten bodem der aarde nog een zekere mate van vrijheid weten te veroveren, de Egyptenaar is op het rijkste plekje der wereld tot een slaaf geworden, die het moeilijk zal wagen zijn ketens af te[306]schudden, niettegenstaande hij nog altijd met zelfverheffing van zijn roemrijk verleden spreekt.En toch hebben de Nubiërs evenveel, zoo niet meer recht van de groote daden hunner vaderen te gewagen en zich daaraan te spiegelen dan de Egyptenaren. Want die voorvaderen hebben niet alleen met de Pharao’s en de Romeinen, maar zelfs met Turken en Arabieren, met de heerschers en beheerschers van het hedendaagsche Egypte wakker strijd gevoerd; dat zij overwonnen zijn is alleen daaraan toe te schrijven, dat zij van vuurwapenen verstoken waren. Toen ik voor de eerste maal de Nijllanden bereisde, leefden er nog ooggetuigen dier oorlogen, uit wier mond ik een en ander vernam, dat ik thans naar waarheid wil mededeelen, ten einde, althans in één opzicht, recht te laten wedervaren aan een volk, dat te vaak wordt miskend. De gebeurtenissen, die ik op het oog heb, vallen tusschen de jaren 1830 en 1840 onzer tijdrekening.Nadat Mohammed-Aali, de even krachtige, als onrechtvaardige en wreede grondvester der tegenwoordige Egyptische dynastie, in Maart 1811 de door hem genoodigde hoofdelingen der Mamelukken trouweloos had overvallen en neêrgesabeld, scheen zijne heerschappij over den beneden-Nijl verzekerd te zijn. Maar nog was de trotsche krijgersstam, wier hoofden door dat schandelijk verraad waren gevallen, niet geheel onder ’t juk gebracht. Op wraak bedacht, kozen de Mamelukken uit hun midden nieuwe hoofden en trokken zich aanvankelijk naar Nubië terug, om zich hier te verzamelen en van daar uit den laaghartigen vijand opnieuw te beoorlogen, althans te bedreigen. Mohammed-Aali voorzag het gevaar en verzuimde niet dit, als ’t zijn kon, tegen te gaan. Zijn leger volgde de verstrooide Mamelukken op den voet. Deze, te zwak om een strijd in ’t open veld te wagen, wierpen zich in de vestingen, en stierven daar tot den laatsten man den heldendood. Gelijktijdig met hen werden ook de Nubiërs overwonnen, en omdat deze de zijde der Mamelukken hadden gekozen, als slaven behandeld. Enkel de dappere stam der in den strijd geharde Scheikiërs stond in het jaar 1820 bij bet dorp Korti tegenover de Turksch-Egyptische troepen; eene heldhaftige, maar ongeregelde, met lans, zwaard en schild gewapende schare tegenover geregelde, geoefende en met vuurwapenen uitgeruste soldaten, die gewoon waren te overwinnen. Naar oud gebruik schouwden de vrouwen met hunne kinderen het gevecht aan, om door gillende oorlogskreten tot moed aan te vuren, aan de strijdende[307]vaders de omhooggebeurde kinderen te toonen en hen hierdoor met doodsverachting te bezielen. De Nubiërs streden met een moed, hunnen vaderen waardig; zij drongen door tot de kanonnen, die dood en verderf zaaiden onder hunne gelederen; zij hieuwen met hunne lange zwaarden op de ingebeelde monsters, diepe sneden achterlatende op de metalen buizen—maar de Egyptenaren zegevierden; niet de dapperheid, maar overmacht van wapenen besliste. Onder het gillend gehuil der vrouwen sloegen de bruine mannen op de vlucht. Wilde vertwijfeling greep de eersten aan; een roemvollen dood verkiezende boven smadelijke slavernij, drukten zij hare kinderen aan het hart en stortten zich bij honderdtallen in den door het bloed harer mannen roodgeverfden stroom. De vluchtelingen werden door de woestijn aanweêrszijdender rivier belet hun schuilplaatsen te bereiken en zoo bleef hun eindelijk geen andere keus dan zich over te geven, en den tot nog toe zoo trotschen nek te buigen onder ’t juk des overwinnaars.Nog eenmaal flikkerde de oude heldenmoed weder op. Een der opperhoofden, de reeds nu door de sage verheerlijkte Melik el Nimmr, d.w.z. „koning der luipaarden” verzamelde zijn volk te Scheedi in zuidelijk Nubië, daar hem de onderdrukking van den wreeden overwinnaar onverdragelijk was geworden. Vol wantrouwen trok Ismaël Pacha, de zoon en legeraanvoerder van Egypte’s heerscher tegen hem op, en nog voor Melik Nimmr met zijn toebereidselen gereed was, verscheen Ismaël, alle booten in beslag nemende, voor Scheedi en stelde aan Melik Nimmr onmogelijke voorwaarden, ten einde dezen tot slaafsche onderwerping te noodzaken. Melik zag het dreigend verderf in en besloot handelend op te treden. Hij veinsde evenwel onderwerping, maar middelerwijl snelden zijn boden van hut tot hut om de overal onder de asch smeulende vonken van opstand tot eene flikkerende vlam aan te blazen. Door listige beloften wist hij Ismaël Pacha uit diens veilige boot in de rondom met doornheggen afgesloten ruime, maar armoedige koningswoning te lokken; om deze waren reusachtige bergen van stroo, opgehoopt, volgens het voorgeven van den koning der luipaarden om het door den Pacha verlangde kameelvoeder te leveren.Een heerlijk feest, zooals Ismaël nog nimmer aanschouwde, wil Melik zijn heer en gebieder bereiden; daarom vraagt hij verlof om ook alle officieren van het Egyptische leger te mogen uitnoodigen, in welk verzoek de Pacha bewilligt. Legeraanvoerder, staf en officieren[308]vereenigen zich aan het in de koninklijke woning aangerichte gastmaal. Voor de doornheg ruischt de taraboeka, die tot den dans noodigt, en dreunt de krijgslust inblazende inlandsche trom; het jeugdige geslacht, feestelijk met zalf besmeerd, oefent zich in den vroolijken dans. De lansen schieten door de lucht, met bewonderenswaardige behendigheid opgevangen door de schilden der tegenover elkaar geplaatste dansers; de lange zwaarden der beide in krijgsdans zich draaiende partijen bedreigen elkanders hoofd, maar worden behendig met kling en schild gepareerd. Ismaël schept een ongemeen behagen in de schoone, bruine jongelingen en de bevallige bewegingen hunner buigzame ledematen, in de koenheid der aanvallen en de zekerheid van afweer. Meer en meer zwaarddansers treden op het tooneel, dichter wordt het gedrang voor de feestzaal, heviger en woester worden de bewegingen en sneller roffelen de trommen. Daar slaat plotseling de taraboeka andere tonen aan; honderdvoud wordt dit geluid herhaald door geheel Scheedi en eveneens in de naburige dorpen aan deze en gene zijde des Nijls. Een gillend, in de hoogste tonen zich bewegend vrouwengeschreeuw doortrilt de lucht; vrouwen, tot op de lendenen naakt, met stof en asch in de gebalsemde haren, met brandende fakkels in de handen, stormen nader en slingeren den brand in de muren van het koninklijk paleis en in de omringende stroobergen. Eene ontzettende vuurzuil stijgt ten hemel, en in de vlammen, waaruit kreten van schrik en wee, van vloek en klacht weêrklinken, vliegen bij duizendtallen de doodaanbrengende lansen van hen, die zooeven den krijgsdans uitvoerden. Noch Ismaël Pacha, noch een enkele zijner feestgenooten ontgaat een wreeden dood.Het is alsof de krijgslieden uit den grond te voorschijn komen. Wie de wapens kan dragen keert zich tegen de wreede vijanden; de vrouwen, haar geslacht vergetende, treden in de rijen der kampvechters; grijsaards en knapen worstelen met mannenkracht en mannelijke volharding ter bereiking van het ééne doel. Scheedi en Metamme worden in een enkelen nacht van alle vijanden bevrijd; slechts een gering aantal der in afgelegen dorpen liggende Egyptenaren ontkomen aan het bloedbad en brengen den tweeden, in Kordofan wachtenden legeraanvoerder de ontzettende tijding.Deze, Mohammed-Bei el Defterdar, nu nog door de Nubiërs „el Djelad” den beul, bijgenaamd, ijlt met zijne geheele legermacht naar Scheedi, verslaat de Nubiërs ten tweeden male en offert alsnu meer dan[309]de helft van de toenmalige bevolking des land aan zijne onverzadelijke wraakzucht op. Den koning der luipaarden gelukt het naar Habesch te ontvluchten; zijn onderdanen moeten zich evenwel voor den vreemdeling buigen, en hunne kinderen „groeien” om mij van de uitdrukking mijns zegsmans te bedienen, „in het bloed der vaderen op.” Sedert die ongeluksdagen zijn de Nubiërs de lijfeigenen hunner onderdrukkers gebleven.De Nubiërs, of gelijk zij zich zelf noemen, de Barabra zijn middelmatig groote, slanke, evenredig gebouwde menschen met betrekkelijk kleine, goed gevormde handen en voeten, en meerendeels aangename gelaatstrekken; de amandelvormige oogen, de hooge, rechte of gebogen, alleen aan de vleugels een weinig verbreede neus, de smalle mond, de vleezige lippen, het gewelfde voorhoofd en de lange kin drukken op het gelaat een bijzonderen stempel; verder hebben zij fijn, licht gekroesd, maar niet wollig hoofdhaar en eene verschillende, van metaalbruin tot in het donkerbruine spelende huidkleur. Zij hebben eene flinke houding, loopen licht, haast zwevend, bewegen zich in ’t algemeen vlug en bevallig, zoodat zij in dit opzicht zich voordeelig onderscheiden van de negers van den boven-Nijl, zelfs van de Fungis uit Oost-Soedan. De mannen scheren het hoofdhaar of geheel af of laten het alleen op de kruin staan; zij dragen een nauw sluitend wit mutsje, de takhie, op het hoofd, om hetwelk op feestdagen nog wel eens een witte doek, op de wijze van een tulband gewonden wordt. Een omslagdoek ter lengte van zes tot negen meter dient tot bekleeding van het bovenlijf; korte broeken en sandalen, op feestdagen een blauw of wit tabbaardachtig gewaad vormen de overige kleeding; een aan den linkerarm gedragen dolkmes, op reis de lans, zijn dewapenen, terwijl lederen rollen, in welke zich, naar men zegt, amuletten bevinden, en aan koorden om den hals gedragen zakjes de eenige versiering uitmaken. De vrouwen binden het hoofdhaar in honderden kleine, dunne vlechten en zalven deze rijkelijk met schapenvet, boter of ricinus-olie in, zoodat zij ver in ’t rond een ondragelijken reuk verspreiden; zij tatoeëeren het lichaam en aangezicht op vele plaatsen met indigo, kleuren dikwijls de lippen blauw en de handpalmen rood, versieren den hals met paarlen van glas, kettingen van barnsteen of karneool, amulettentaschjes enz. de hielen met ringen van ivoor of hoorn, de ooren, neusvleugels en vingers met zilveren ringen; in plaats van een broek dragen zij een tot de hielen afhangend schort om de lendenen, terwijl[310]zij zich den omslagdoek in schilderachtige vouwen over borst en schouders slingeren. De jongens loopen tot hun zesde of achtste jaar naakt, terwijl de meisjes van haar vierde jaar af een aardig, uit dunne lederen strooken samengesteld, soms met schelpen en glazen parels versierd, gefranjed schort dragen.Alle gezeten Nubiërs van het stroomdal huizen in vierhoekige, meer of min teerlingvormige woningen, die òf uit in de open lucht gedroogde tichelsteenen worden gebouwd, en dan naar boven schuins toeloopen, òf uit een met stroo bekleed houten geraamte worden samengesteld. Gewoonlijk bevatten zij inwendig maar één vertrek; ééne deur verleent toegang, en in plaats van vensters ziet men aan deze hoogst primitieve huizen enkele luchtgaten. Eene verhooging, overtrokken met ineengevlochten lederen strooken of repen boombast, vormt de ligplaats „Aukareb”; eenvoudige kisten, voortreffelijk bewerkte, zelfs waterdichte manden, lederen zakken, urnen om daarin water, doerrhabier of palmwijn te bewaren, handmolens of wrijfsteenen ter vermaling des graans, ijzeren of vlakke aarden schotels om brood te bakken, uitgeholde kalebassen, eene bijl, eene boor, eenige houweelen, enz. ziedaar het huisraad; matten, gordijnen, middelschotten en dekens, vormen andere huishoudelijke zaken; troggen, ondiepe, gevlochten schalen met deksels, die evenwel niet in elke hut voorhanden zijn, maken het eetgereedschap uit. Het voedsel onzer lieden bestaat voornamelijk, soms uitsluitend, uit plantaardige stoffen, melk, boter en eieren. Het meer gewreven dan gemalen koren wordt tot een deeg verwerkt en daarvan een half gaar brood gebakken, dat, òf zoo wordt gebruikt, òf onder toevoeging van allerlei zaken, zooals: melk, dikslijmige plantensappen, waaronder somtijds wat in de zon gedroogd vleesch wordt gemengd, en vele, scherpe kruiderijen. Meer dan op spijs is de Nubiër op drinken gesteld, want elke alcoholische drank, hij moge van vreemden of inheemschen oorsprong zijn, vindt in hem een begeerlijken, zoo niet onmatigen gebruiker.De zeden en gewoonten van de bewoners van den middelloop des Nijls vormen een zonderlinge vermenging van overgeërfde en overgenomen gebruiken. Geduldig en lichtzinnig schikt hij zich even gemakkelijk in het vreemde als hij het oorspronkelijk inheemsche schijnt te kunnen vergeten. Hij is meer in naam dan in werkelijkheid een belijder van den Islam; gehechtheid aan geloofsregels kent hij even weinig als onverdraagzaamheid omtrent andersdenkenden. Voor hij op middelbaren[311]leeftijd is gekomen, of zelfs vóór hij oud is geworden, volgt hij de geboden des profeets zelden of nooit met dien ijver op als de Arabieren en Turken.Hij besnijdt zijn zonen, huwelijkt zijn dochters uit, behandelt zijn vrouwen en begraaft zijn dooden, viert zijn feesten, alles ingevolge de voorschriften van den Islam, maar hij meent genoeg gedaan te hebben als hij slechts de vormen in acht neemt. Gezang en dans, vroolijke gesprekken, scherts en drinkgelagen vindt hij aangenamer dan het vasten, aangenamer dan te luisteren naar de lessen en geboden van den koran, of naar de schriftgeleerde verklaring der heilige boeken, die hem nieuwe plichten zouden opleggen.Toch zal niemand hem een besluiteloos, wankelmoedig, onzelfstandig, onvertrouwbaar of trouweloos, in ’t kort, een slecht mensch noemen. In Beneden-Nubië, alwaar hij jaarlijks met honderden, in zijn oogen rijke en milddadige menschen verkeert, wordt hij, wel is waar, dikwijls tot een onbeschaamden, onverdragelijken bedelaar, terwijl de vreemdelingen, die hij moet opzoeken, omdat zijn arm land hem niet genoeg voedsel oplevert, ook weinig er toe bijdragen om hem te veredelen; in ’t algemeen echter kan men hem een braaf mensch noemen. Wel ontbreekt hem heden ten dage al te veel de wilskracht zijner voorvaderen, maar daarom nog geenszins hun moed en dapperheid; wel schijnt hij veel zachter en goedaardiger dan de Egyptenaar, toch betoont hij zich niet minder vertrouwbaar en volhardend als deze, vooral waar het moeilijke of gevaarlijke ondernemingen geldt. Zijn arm, weinig voortbrengend land, waaraan hij met zijn geheele hart hangt, dat hij in den vreemde met eene roerende aanhankelijkheid gedenkt, voor hetwelk hij werkt, ontbeert en sterft, daar zijn streven er alleen op gericht is, zijn mannelijken leeftijd en ouderdom daarin door te brengen, legt hem een voortdurenden levensstrijd op, en staalt zijn lichamelijke en geestelijke krachten; de bruisende stroom, tegen welken hij een niet minder harden strijd voert als met het rotsachtig land, wekt en onderhoudt in hem den moed en het zelfvertrouwen, even gelijk die stroom hem bezielde met eene koele onverschilligheid voor het gevaar. Dank deze door hem verworven eigenschappen is de Nubiër een trouw dienaar, een voortreffelijk reisgezel, op wien men zich verlaten kan, een reislustige djellabi of koopman, en bovenal een ondernemend, onverschrokken schipper.De ouders schijnen hun zonen reeds van de vroegste jeugd af op[312]te leiden voor alle mogelijke diensten, die zij later als volwassenen zullen moeten vervullen. Evenals in Egypte worden ook in Nubië de kinderen der armen eigenlijk niet opgevoed, maar in beslag genomen voor allerlei werkzaamheden, juister gezegd, zooveel hun krachten toelaten geëxploiteerd. Hoe klein de jongen ook nog zij, iets moet hij doen, ’t een of ander ambt vervullen; hoe zwak het meisje ook zijn moge, zij moet haar moeder in alles bijstaan. Maar terwijl men in Egypte het kind nauwelijks tot verademing laat komen, begunstigt men in Nubië het vroolijk spel der kleinen zooveel men kan. In Egypte wordt de jongen tot een knecht, het meisje tot een slavin van dezen knecht, zonder dat men eene blijde jeugd heeft gekend; in Nubië zijn zelfs de halfvolwassenen nog altijd kinderen in hun zijn en wezen. Vandaar dat de eersten onnatuurlijk ernstig zijn evenals hunne vaders, dezen vroolijk evenals hunne moeders. Er bestaat bij de Nubiërs een algemeen geliefkoosd kinderspel, dat ieder reiziger kan leeren kennen en dat hij met welgevallen zal gadeslaan, omdat daarin meer dan in een ander behendigheid en sierlijkheid van bewegingen, volharding en ondernemingsgeest vereenigd zijn; ik bedoel het in de geheele wereld bekende „krijgertje spelen.” Na den arbeid vereenigen zich knapen en meisjes. De eersten verlaten het scheprad, welks trekossen zij van den vroegen morgen tot zonsondergang moesten aandrijven, of het veld, waarop zij hun vaders behulpzaam waren, of het jonge kameel, dat zij leerden draven; de laatsten hare kleinere broertjes en zusjes, die zij eer sleepten dan droegen, het brooddeeg, dat zij moesten laten gisten, den wrijfsteen, aan welken zij haar jonge krachten oefenden; allen spoeden zich naar de rivier. De jongens zijn geheel naakt, de meisjes dragen alleen het franjeschort. Lachend en pratend trekt het gezelschap voort, het wemelt in het goudgele zand en tusschen en op de zwarte rotsen als van bruine mieren. Bont dooreengemengd rangschikken zich de vangers, die den vluchteling moeten inhalen en grijpen. De laatste, die eenige schreden vooruit krijgt, geeft het teeken tot den aanvang der jacht en allen kleven aan zijn hielen. Vlug als een gazelle loopt hij over de zandige vlakte naar de naastbijgelegen rotsen en als jagende windhonden rent de schreeuwende schaar hem na; vlug als eene gems klautert hij de rotsen op en niet minder behendig klimmen ook de vervolgende speelgenooten naar boven; als een verschrikte bever stort hij zich in de rivier, om zich al duikende in ’t water te verschuilen, maar ook de vurige medespelers[313]schuwen een bad niet, en knapen en meisjes scharrelen als zwemmende honden in ’t water, roepen en schreeuwen, snappen, lachen en jolen; drijvende, snaterende eenden gelijk, volgen zij hem in het natte element. Lang schommelt de naald der weegschaal, en soms wordt de geheele Nijl in zijne breedte overgezwommen, alsvorens de stoute voorspeler in handen zijner kameraden valt. De ouders der vroolijke schare staan aan den oever dit schouwspel aan te staren en verheugen zich over de behendigheid, den moed en de inspanning van hun kroost, en ook wij Europeanen moesten bekennen, dat wij nergens levenslustiger,[314]opgewekter wezens gezien hebben dan deze slanke, schoone, fluweelbruine, glimmende kinderen der Nubische woestijn.SPELENDE NUBISCHE KINDEREN.SPELENDE NUBISCHE KINDEREN.Uit zulke spelende kinderen groeien de mannen op, die het wagen de stroomversnellingen te bevaren, en in eene boot stroomafwaarts over de kokende, schuimende, ronddraaiende golven te roeien, zelfs tegen deze op te zeilen; groeien de mannen, die op zulke tochten zelfs geen boot behoeven, maar koen op kleine, uit doerrhastengels los saamgebonden vlotten, of opgeblazen lederen zakken reizen van ettelijke dagen ondernemen. Zoo onverschrokken zien deze Nubische schippers en zwemmers het gevaar onder de oogen, dat de golven hun zelfs geen sagen en sprookjes in ’t oor konden fluisteren. Zij weten van geen niksen en watergeesten, van geen booze of goede genieën, en hunne beschermheiligen, wien zij vóór of onder den gevaarlijken tocht om hulp en bijstand aanroepen, weren slechts het noodlot af, geenszins het kwaadwillig voornemen van booze geesten. De sage is stom gebleven in de stroomversnelling, in den „buik der rotsen”, in de katarakten en draaikolken van de „moeder der gesteenten”, van den „geschokten”, van den „kameelenhals,” van de „koralen” en hoe de stroomversnellingen nog meer mogen heeten. Toch zou hier een geschikte bodem gevonden worden voor sprookjes en sagen, en de meest geschikte aanleiding voor den schipper om het geloof aan de werkzaamheid van booze geesten in zich op te nemen.De stroomversnellingen worden naar beneden bij hoogen en middelbaren, naar boven bij gemiddelden en lagen waterstand bevaren. Bij den laagsten stand des Nijls zou elke stroomafwaarts gaande boot verpletterd worden, terwijl bij hoogen waterstand zelfs het grootste zeil niet bij machte zou zijn een groot vaartuig stroomopwaarts te brengen. Bij dalend water moeten honderden menschen opgeroepen worden om eene middelmatig groote boot der almachtige regeering naar boven te trekken; op tijden, dat de Nijl is gezwollen, zou men op de enkele niet door het water bedekte eilanden, weêrszijds van het vaarwater, te weinig of in ’t geheel geen ruimte kunnen vinden om de voeten op te zetten. De hoogste waterstand is het meest geschikt om stroomafwaarts te gaan, een gemiddelde waterstand ook om die reden voor de vaart stroomopwaarts, daar alsdan de regelmatig waaiende noordenwind tevens een goede gelegenheid aanbiedt om de hulp van het zeil aan te wenden.Alle booten, die uitsluitend dienen voor de vaart op de stroomversnellingen,[315]onderscheiden zich zoowel door hare geringe grootte als door haar bouwtrant, alsmede door tuigage en zeilvorm van alle andere Nijlschepen. De romp bevat slechts een gering aantal ribben, de planken worden door schuins ingeslagen, de smalle zijden met elkaar verbindende spijkers vastgemaakt; het zeil is in plaats van driekant, ruitvormig en zoo aan twee ra’s bevestigd, dat men met behulp van de onderste ra meer of minder zeildoek kan opwinden of aan den wind blootstellen. Bouwwijze en tuigage blijken zeer doeltreffend te zijn; de geringe grootte, of althans lengte der boot veroorlooft snelle wendingen, de samenvoeging der planken verleent het scheepslichaam veêrkracht en buigzaamheid, die goede diensten bewijzen bij het dikwijls voorkomend stooten tegen de klippen; door eene naar de sterkte van wind en stroom te regelen drukking van het zeil eindelijk kan men den veelvuldig afwisselenden weêrstand gelijkmatig en voortdurend overwinnen.Eene bergopwaarts trekkende flotille van booten verleent, wanneer zij zoo pas van de ladingsplaats of van de gedurende den nacht ingenomen rustplaats is opgebroken, een prachtigen, betooverenden aanblik. Op alle vaarwaters ontwaart men zeilen; somtijds ziet men er meer dan twintig tusschen de donkere rotsenblinken. Aanvankelijk blijven de vaartuigen op nagenoeg gelijke afstanden van elkaar; ras echter doen stroom en zeildruk de eerst ingenomen slagorde verbreken. Het eene scheepje na het andere blijft meer terug, het eene na het andere laat het hoofddeel der vloot achter zich en reeds na verloop van een uur ligt er een tamelijk groote afstand tusschen de voorste en achterste boot. De vaart vordert evenwel, zelfs bij een sterken en gestadigen wind, veel minder dan men zou meenen. Wel breken de golven met groot gedruisch tegen den boeg, maar het schip heeft met zulk een groot verval te kampen, dat het maar weinig vooruitkomt. Het is een ware kunst hier zoo te sturen, dat het vaartuig zoo weinig mogelijk krommingen maakt en toch niet tegen de klippen stoot; elke wending toch maakt eene verandering in de plaatsing van het onhandige zeil noodzakelijk en elke stoot veroorzaakt een lek. Kapitein en matrozen hebben daarom handen vol werk. Desniettemin begint eerst dan de eigenlijke arbeid, wanneer een der vele stroomversnellingen in ’t gezicht is, die men over moet steken. Het tot nog toe half ontrolde zeil wordt in zijn geheel aan den wind blootgesteld; de bark jaagt als een krachtige stoomboot door den chaos van rotsen en bereikt de draaikolk, die aan den voet van bijna alle watervallen te vinden is.[316]Alle matrozen staan bij de uitgelegde riemen of aan de gereedliggende touwen, om, al naar zulks vereischt wordt, aan te grijpen, wanneer de boot, gelijk met opzet geschiedt, door de draaikolk wordt gegrepen en in een cirkel wordt rondgevoerd. Op het gegeven bevel van den stuurman dompelen aan deze zijde de riemen in het water, stooten aan de andere zijde lange staven op de rotsen, om het vaartuig daar van af te houden; verkleind of vergroot, draait of wendt zich het door de knapste matrozen gemanoeuvreerde zeil. Eenmaal, tweemaal, zesmaal, tienmaal poogt men tevergeefs de draaikolk over te steken,—eindelijk gelukt zulks en de boot bereikt het benedeneind van den val. Hier evenwel staat zij als vastgeklonken; de drukking van het zeil en van het water maken evenwicht met elkaar. De wind wordt sterker en het vaartuig rukt een of meer meter vooruit; de drukking op het zeil vermindert en de golven werpen het schip weêr terug. Nogmaals vangt de strijd tegen draaikolk en golven aan, en wederom behalen de laatste de overhand. Het komt er nu op aan het ingenomen en veroverde standpunt te handhaven. Een der matrozen grijpt het touw met de tanden, werpt zich in ’t midden van den hevigsten golfslag in den stroom en poogt al zwemmende, terwijl hij het zware touw achter zich aan sleept, een boven de golven uitstekend rotsblok te bereiken. De golven slingeren hem weêr terug en bedekken hem geheel, maar hij herhaalt zijn pogingen, totdat hij inziet, dat hij niet tegen den sterken stroom is opgewassen en een teeken geeft, waarop hij naar het schip wordt teruggetrokken. Nog eenmaal spelen, tot vernietiging in staat, draaikolk en golven met het bij hen vergeleken zoo brooze gebouw; nog eenmaal stuwt de wind dit laatste, in weêrwil van beiden, vooruit. Daar hoort men plotseling een angstverwekkend gekraak; de stuurman verlaat op hetzelfde oogenblik zijn plaats, en vliegt, een wijden boog beschrijvend, door de lucht en in den stroom,—de boot was op een door het water bedekte rots gevaren. Fluks bemachtigt zich een der matrozen van het roer, fluks werpt een ander den in het schuimende water spartelenden stuurman een opgeblazen, aan een touw vastgemaakten lederen zak toe en fluks vliegen de anderen met hamer, beitel en werk naar het scheepsruim om onmiddellijk het lek te dichten. De man aan het roer behoedt, zoo goed hij kan, het vaartuig voor een tweeden schok; de ondergedompelde stuurman klimt uit het donker nat, terwijl hij meer op klagenden dan biddenden toon de woorden uit: „El hamdi lillahi”—God zij geprezen!—de overigen hameren[317]en stoppen, en keeren het indringende water. Een geeft zijn hemd prijs om een lek te dichten, dat reeds alle werk verslond. En wederom zeilt de boot door kolk en golven, schommelend, zuchtend, knarsend als een zeeschip in den storm; weêr bereikt het de stroomversnelling en weêr wordt het gekluisterd door wind en golven. Twee matrozen springen samen in den stroom, bereiken gelukkig het begeerde rotsblok, slingeren er het touw omheen en wenken de overigen om de boot aan te trekken. Zulks geschiedt en nu ligt de boot vastgemeerd aan de rots, in het midden van den hevigsten golfslag, waardoor ze zoodanig wordt geslingerd en zonder ophouden op en neêr bewogen, dat men er zeeziek van worden kan en zulks ook dikwijls werkelijk wordt. Een tweede boot nadert en vraagt hulp. Men werpt haar door middel van den opgeblazen zak een touw toe en bespaart de bemanning hierdoor tijd en moeite. Weldra ligt ook deze boot en daarna een derde en een vierde onder dezelfde rots en alle dansen gezamenlijk op en neêr. Nu evenwel is de vereenigde scheepsmanskracht talrijk en sterk genoeg om de overvaart geheel ten einde te brengen. Tweemaal zooveel matrozen als elk vaartuig voert, bezetten alle noodzakelijke posten van het eene; de anderen zwemmen, waden en klauteren, lijnen naar zich toe trekkende, naar een rotseiland boven de stroomversnelling en slepen de eene boot na de andere, hun krachten met die van het zeil vereenigende, over den schuimenden, bruisenden waterval naar boven. Hier en daar, en nu en dan is de kracht van het zeil alleen voldoende; onder zulke gunstige omstandigheden evenwel brengt windstilte niet zelden vaartuig en bemanning in gevaar. Dikwijls moet eene boot midden in de brandende golven uren, zelfs een dag lang blijven liggen om op een gunstigen wind te wachten. Dan kan het gebeuren, dat men aan elke rotspunt een scheepje ziet hangen, zonder dat men in staat is elkander hulp te bieden.Meer dan eens was ik genoodzaakt mijn nachtleger op een der zwarte rotsen op te slaan, omdat de hevige beweging der in den waterval op en neêr slingerende boot den slaap onmogelijk maakte. Bezwaarlijk kan men zich een vreemdsoortiger slaapplaats denken. De grond, waarop men rust, schijnt te beven onder de daartegen brandende golven; het bruisen en ruischen, sissen en loeien, dreunen en donderen van het water verdooft elk ander geluid; zwijgend zit of ligt men op zijn tapijt, omringd door zijn lotgenooten. Evenals een dikke voorbijtrekkende nevel spreidt elke windvlaag een fijnen stofregen over het rotseiland. Het[318]heldere legervuur werpt een wonderlijken lichtschijn op het gesteente, en de donkere, in alle vooruitspringende hoeken en kanten schuimende wateren, geven aan de in de schaduw verborgen draaikolken en watervallen nog spookachtiger voorkomen dan ze werkelijk hebben. Soms is het alsof zij honderd muilen openen om het arme menschenkind te verslinden. Doch deze heeft een vertrouwen even sterk als de grond, waarop hij rust. De geweldige stroom moge donderen, de branding woeden en schuimen, men rust hier veilig op de rots, die duizenden van jaren die woede doorstond. Wanneer echter het touw eens brak en de reddende boot tegen de nabijzijnde rots werd geslingerd en verbrijzeld? Dan zal een andere verschijnen om den schipbreukeling aan wal te brengen. Men kan slapen, rustig slapen, in weêrwil van dergelijke gedachten en in weerwil van het onophoudelijk gedreun, want het gevaar verleent moed en moed wekt vertrouwen; het donderen der golven wordt een wiegelied. Welk een ontwaken evenwel op den volgenden morgen! De hemel straalt in ’t oosten van een donzig rood, de oude rotsreuzen hebben een purperen mantel omgeslagen en schitteren straks in een oogverblindend licht, als waren zij gebouwd uit gepolijst staal. Licht en schaduw weven op de zwarte rotsen en in de met een goudgeel zand opgevulde kloven het onbeschrijfelijk heerlijke tooverkleed der woestijn; duizenden en nogmaals duizenden waterpaarlen fonkelen en schitteren daar tusschen; en de stroom ruischt ons daarbij zijn machtige, eeuwig dezelfde en eeuwig verschillende melodie in de ooren. Zulk een schouwspel en zulke muziek vervult elk mannenhart met verrukking. In stille aandacht brengt men den morgen op zijn verheven schouwplaats door, want eerst tegen den voormiddag verheft zich de altijd naar het zuiden stroomende wind. Met dezen beginnen wederom arbeid en gevaar, moeite en strijd, vermetelheid en vrees; en zoo verloopt de eene dag na den anderen, en verdwijnt de eene stroomversnelling na de andere achter den schipper.De reis stroomopwaarts is gevaarlijk en tijdroovend, de reis stroomafwaarts een waagstuk zonder wederga, een doldriftig jagen door vloed en versnelling, draaikolk en maalstroom, watervallen en rotsnauwten, een moedwillig spel met het leven.Men onderneemt zoodanige reizen door het gebied van alle stroomversnellingen alleen in booten, die in Soedan gebouwd zijn en voor den benedenloop bestemd werden. Ongeveer een tiende gedeelte wordt op de reis verbrijzeld; dat niet een betrekkelijk even groot aantal[319]schepelingen verongelukt is alleen toe te schrijven aan de ongeëvenaarde zwemkunst der Nubische schippers, die zelfs dan nog niet altijd verdrinken, als zij door de golven tegen de rotsen geslingerd worden; gewoonlijk laten zij zich als eenden op het water drijven om eindelijk toch weder aan vasten wal te geraken.Ik zal trachten u zoo getrouw mogelijk enkele tafereelen te schetsen van zulk eene vaart stroomafwaarts.Zes nieuwe booten uit het zware, in het water zinkende mimosenhout getimmerd, dat in Egypte zoo zeer gezocht en op prijs gesteld wordt, liggen op de zuidelijke grens der derde groep van stroomversnellingen, aan de rivieroevers vastgemeerd; de daarbij behoorende manschappen rusten op het zand tusschen de zwarte rotsblokken, alwaar zij den nacht hebben doorgebracht. Het is nog vroeg in den morgen en nog stil in het leger; de stroom alleen laat zijn ruischende taal in deze eenzaamheid hooren. De aanbrekende dag wekt de slapers; de een na den ander daalt naar de rivier af en verricht hier de voorgeschreven wasschingen voor het morgengebed. Nadat men het „voorgeschrevene” en het „bijgevoegde” van het gebed heeft uitgesproken, verkwikt zich de geheele bemanning aan een sober ontbijt. Dan ijlt jong en oud naar het graf van den een of anderen scheik of heilige, welker witte koepels tegen de lichtgroene mimosen van een donker dal helder afsteken, om hier onder aanvoering van den oudsten scheepsaanvoerder, die de plaats van Imam bekleedt, een afzonderlijk gebed om eene gelukkige vaart uit te spreken. Bij de booten teruggekeerd, werpt men nog, een oud voorvaderlijk, heidensch gebruik volgende, eenige dadels als offergave in den stroom.Nu evenwel gebiedt elke gezagvoerder zijn manschappen ieder zijn post in te nemen. „Laat het zeil los! roeit o mannen, in den naam Gods des Albarmhartigen!” Zoo klinkt zijn bevel. Hierop begint hij te zingen, n.l. het refrein van een gedicht; een der roeiers neemt deze wijs over en zingt het eene vers van dat lied na het andere; de overigen begeleiden hem met de taktmatig voorgedragen woorden: „help ons o Mohammed, help ons o godsgezant en profeet!”DE TERUGKOMST VAN DE JACHT.DE TERUGKOMST VAN DE JACHT.Langzaam beweegt zich de schuit naar het midden des strooms; sneller en altijd sneller drijft zij naar beneden; nog enkele minuten en, steeds den loop versnellende, schiet zij tusschen de rotseilanden boven de stroomversnelling door. „O Said, geef ons vreugde,” smeekt de „Reis” of schipper, terwijl de matrozen voortgaan met zingen. Sneller en sneller dompelen de roeiriemen[320]in het zwarte water, en het zweet druipt van de bruine, gisteren weder frisch met zalf ingesmeerde, tot op de lendenen naakte lichamen der roeiers; elke spier is saamgetrokken en in werking. Lof en smaad, vleiende woorden en verwenschingen, beden en bedreigingen, zegenwenschen en vervloekingen wisselen in den mond van den „Reis” met elkander af, al naar de boot een met zijn wenschen meer of minder overeenstemmenden koers maakt. De met alle kracht aangebrachte riemslagen, ofschoon alleen tot sturen en richten bestemd, verhaasten den reeds zeer snellen loop van het vaartuig nog meer en verhoogen het gevaar dikwijls evenveel als zij het trachten te ontgaan; de Reis vindt hierin genoegzame verontschuldiging, waar hij alle hem ten dienste staande middelen aanwendt om zijn matrozen aan te vuren. „Legt u op uwe riemen, werkt, werkt mijn zonen! toont uwe kracht naneven en nakomelingen van helden; bewijst uwen moed, gij dapperen; geeft blijk van uwe kracht, o helden; prijst den profeet, gij geloovigen! Ja, de meriesa, de simbilgeurige meisjes van Dongola, de vertellingen van Kaïro, dat alles zal het uwe zijn! Bakboord zeg ik u, honden, hondenzonen, hondenneven, zonen en nakomelingen van honden, gij christenen, gij heidenen, gij joden, gij kaffers en vuuraanbidders! Wacht, gij spitsboeven, schelmen, dieven, gauwdieven, landloopers, wilt gij roeien! Eerste roeiriem stuurboord, hangen vrouwen aan uwen arm? Derde roeiriem bakboord, slinger de wijven in ’t water, die u leiden! Recht zoo, voortreffelijk, uitstekend, gij krachtige, knappe, lenige jongelingen! God zegene u, gij braven, en geve uwen vader vreugde en uwen kinderen heil en zegen! Beter, beter nog, gij bloodaards daar, gij krachteloozen, ellendigen, nietswaardigen! Verdoeme u Allah in zijn rechtvaardigen toorn,—help ons, help ons o Mohammed!” Zoo stroomt het onafgebroken uit den mond des gezaghebbers, en alles wordt met den meesten ernst gezegd, gesproken, geschreeuwd, geklaagd en nog daarenboven bekrachtigd door passende bewegingen met het hoofd, de voeten en de handen.DOOR DE WATERVALLEN VAN DEN NIJL.DOOR DE WATERVALLEN VAN DEN NIJL.De boot heeft den bovensten trap der stroomversnelling bereikt. De rotsen aan beide zijden schijnen in het rond te draaien; het donderende water vloeit over dek en boord en overstemt elk ander geluid, zelfs de bevelen des stuurmans. Onophoudelijk wordt het ranke vaartuig van de eene rots naar de andere geworpen—vrees, angst, ontzetting staan op aller gezichten te lezen—daar ligt de gevreesde plaats reeds achter den spiegel der boot; de golven, die van de rotsen terugschuimden[321]hebben ook het scheepje teruggeworpen; twee riemen slechts zijn gebroken, als broos glas werden zij door het gesteente in splinters geslagen. Maar dit verlies belemmert de boot de gewilde richting aan te nemen en zij drijft naar een der watervallen. Een algemeen geschreeuw drukt ontzetting en vertwijfeling uit; op een wenk van den met bevende knieën aan het roer staanden Reis werpen allen zich plat op het dek en houden zich hier krampachtig vast; een oorverdoovend gekraak[322]volgt, terwijl de ziedende golven alles bedekken; een enkel oogenblik ziet men niets dan water, daarna springt de boot bliksemsnel omhoog—de doodsgevaren zijn voorbij, men heeft den waterval achter zich. „El hamdi lillahi”—God zij dank!—zoo luidt de kreet, aan ieders borst ontweld; dan snellen enkelen naar het ruim om mogelijke lekkages op te sporen en te dichten, anderen leggen nieuwe riemen op, en de tocht wordt vervolgd.Achter deze eerste boot jaagt een tweede door de gevaarlijke stroomversnelling. Met onstuimige, steeds versnelde haast arbeiden de roeiers: daar worden allen plotseling tegen den grond gesmakt, en een hunner vliegt in een hoogen boog van zijne plaats door de lucht om in den stroom neêr te vallen. Hij schijnt verloren en in den afgrond begraven, maar neen! te midden van de draaiende en schuimende golven beneden de stroomversnelling duikt de meesterzwemmer weêr naar boven, terwijl zijn kameraads in hunne radeloosheid de handen wringen, en wanneer een derde boot de tweede, die op een rotsblok is gestrand, voorbijjaagt en in den maalstroom is gekomen, grijpt hij een der riemen en slingert zich behendig aan boord; hij is gered. Ook de vierde boot rukt nader; smeekende gebaren van de gestrande bemanning der tweede boot roepen om hulp—een wijzen naar den hemel is het antwoord. Inderdaad, menschelijke hulp schiet hier te kort, want de vaartuigen zijn hier niet in de macht der menschen, de stroom zelf moet helpen, wanneer hij niet vernietigen wil, en hij helpt. Grooter worden de slingeringen van het schip, welks voor- en achtersteven beurtelings onder het water verdwijnen en weêr daaruit omhoog rijzen, en plotseling jaagt het weder door draaikolk en stroomen. Eenige matrozen roeien, anderen scheppen water, zoo ook twee medereizende vrouwen; wederom anderen hameren, spijkeren en kalefateren in het ruim. Voor de helft met water gevuld, half drijvend, bereikt de boot den oever en wordt uitgeladen, maar de helft der lading, bestaande uit Arabische gom, is verloren; klagend, jammerend, weenend, op de met de mannen reizende vrouwen vloekende, rukt zich de eigenaar, een arm koopman, den baard uit. De beide vrouwen zijn van alles de schuld; hoe konden zij, die reeds in het paradijs het menschdom in het verderf stortten, een geloovigen Muzelman zegen aanbrengen! Wee, wee over de vrouwen en haar geheele geslacht!De boot wordt den volgenden dag hersteld en opnieuw geladen; alsdan drijft zij met de anderen naar de volgende stroomversnelling,[323]doorklieft deze zonder beletsel en men bereikt gezamenlijk het vruchtbare, rotsvrije stroomdal van Midden-Nubië, dat alle schippers gastvrij ontvangt en opneemt. Vergeten is alsnu alle zorg; de bruine mannen lachen en schertsen als kinderen en slurpen met wellust den palmwijn en den „meriesa.” Veel te snel drijft de stroom de booten door het gelukkige land.Wederom schudt de woestijn haar goudgele zandmassa’s over de rotsen der Nijloevers; wederom vernauwen, verdeelen en verhoogen rotseilanden de bedding des strooms; de schepen hebben de tweede stroomversnelling bereikt. De eene gevaarlijke waterloop, de eene gevreesde maalkolk, de eene zorgverwekkende nauwte en kromming na de andere is achter den rug; men voer ze gelukkig door, maar de laatste en wildste stroomversnellingen scheiden de schepelingen nog van het palmendorp Wadihalfa en het van hier uit nog slechts eenmaal, beneden-Phile, met rotsen gevulde, maar overigens niet gevaarlijke benedenste stroomdal. Alle booten zoeken boven de waarlijk vreeselijke stroomversnellingen Gaskol, Moedjana, Aboe-Sir en Hambol een rustige bocht; alle schepen liggen hier stil tot den volgenden morgen, om zich te sterken tegen den arbeid, de inspanning, angst en zorgen van den volgenden dag. Op veêrende rustbedden leggen ook de Westerlingen zich neder.De nacht schuift zijn sluier over het wilde land. In het rotsdal donderen de naar beneden stortende wateren; in den stillen inham weêrspiegelen de sterren; van het strand stijgt de geur van mimosen omhoog. Daar treedt een bejaarde, tusschen de stroomversnellingen geboren en grijs geworden Reis naar de Westerlingen toe. Zijn schitterend witte baard omlijst het edele aangezicht; zijn wijd opperkleed doet denken aan den tabbaard eens priesters. „Zonen der vreemdelingen, mannen uit Frankenland!” zoo vangt hij aan te spreken, „gij hebt met ons groote gevaren doorstaan, grootere staan u te wachten. Ik ben in het land geboren; zeventig jaren heeft de zon mijn hoofd beschenen; eindelijk heeft zij mijn haar gebleekt. Ik ben een oud man—gij kondt mijn kinderen zijn. Daarom let op de stem van hem, die u waarschuwt en laat af van uw voornemen ons morgen te vergezellen. Onwetend gaat gij het gevaar in, maar ik ken het. Indien gij, evenals ik de rotsen hadt gezien, die als poorten aan de golven den doortocht versperren, indien gij, evenals ik, hadt gehoord hoe deze golven toornig en dreunend toe- en doorgang eischen, hoe zij[324]over de rotsen stroomen en brullend omlaag storten; indien gij bedacht, dat eenig en alleen de genade Gods, die wij bewonderen en aanbidden, ons armzalig scheepje kan sturen, dan zoudt gij aan mijn wensch voldoen. Zou het hart uwer moeder niet van kommer en verdriet breken, wanneer de barmhartigheid van den Albarmhartige ons verliet?—Gij wilt niet? Dan moge de genade des Almachtigen over ons allen heerschen!”Vóór zonsopgang wordt het levendig aan het strand. Vuriger dan ooit verrichten de schepelingen hun morgengebed. Ernstige, met den stroom bekende stuurlieden, jonge, krachtige, waagzieke roeiers bieden den oude hun diensten aan. Bedachtzaam kiest hij de knapste stuurlieden en de krachtigste roeiers, drievoudig bemant hij het roer en geeft daarna het teeken tot opbreken. „Mannen en zonen des lands, kinderen des strooms, bidt de fatiha” beveelt hij. En allen spreken de woorden van de eerste soere des Korans: „Lof en eer den Heer der wereld, den Erbarmer, die daar heerscht ten dage des gerichts. U willen wij dienen, tot u willen wij bidden, opdat Gij ons den rechten weg zult wijzen, den weg dergenen, die zich in Uwe genade verheugen, maar niet den weg derzulken, over wie Gij toornt, en niet den weg der dwalenden!” „Amen, mijn kinderen; in den naam des Albarmhartigen! Maakt de touwen los en slaat de handen aan de riemen.” Gelijktijdig vallen deze in het water.Langzaam drijft de opgestuwde stroom het vaartuig naar de eerste versnelling en nogmaals jaagt het, hierin gekomen, aan roer noch riemen gehoor gevende, in alle voegen krakende en steunende, door de over elkaar stortende golven en het kokend schuim, door draaikolk en maalstroom, door nauwten en gewonden vaarwaters, door de golven omspoeld en bedekt, rakelings langs de rotsen, en even rakelings over de met dwarrelende wateren bedekte rotstoppen naar eene tweede versnelling.Van de hoogte der helling schouwt het oog vol ontzetting in eene met betrekking tot het geweld des waters afgrijselijke diepte; vlak voor den voet des vals verheft zich een rond rotsblok, omgeven door schuimende golven, een met witte haren omlijst reuzenhoofd, dat boven de wateren uitsteekt. Een afgeschoten pijl gelijk schiet het armzalig, hier niet meer te besturen scheepje op dien reuzenkop af. „In den naam des Albarmhartigen roeit, roeit, gij mannen, gij geweldige, dappere, koene mannen, gij zonen des strooms!” steunt de Reis; „bakboord,[325]bakboord het roer, met alle kracht.” Maar roer en riemen weigeren. Niet zoozeer het rotsblok brengt nu het scheepje in gevaar, maar dit wordt door een nauw, in een chaos van rotsen voerend, aan stuurboordszijde der rotsen zich vertakkend vaarwater opgenomen, en tevergeefs zoeken aller oogen een uitweg uit dezen chaos. Reeds verlaten de matrozen de roeibanken om zich van de laatste kleedingstukken te ontdoen, ten einde, zoo de boot mocht stranden, in het zwemmen niet gehinderd te worden; daar doet een vreeselijk gekraak aller blikken weder rugwaarts wenden; het steenen hoofd heeft de volgende, langere, daardoor minder goed te zwenken boot als offer ontvangen, en houdt haar zwevend boven den daar beneden schuimenden vloed. Zulks vermeerdert de ontsteltenis. Alle schepelingen beschouwen de bemanning dier boot voor reddeloos verloren, en allen maken zich gereed voor den sprong in de diepte. Daar dreunt helder en luid de stem des grijzen stroomouden over de woelende wateren. „Zijt gij dan dol, zijt gij van God verlaten, gij kinderen der heidenen! arbeidt, arbeidt, gij knapen, mannen, helden, gij dapperen en geloovigen! In de hand des Almachtigen berust alle kracht en sterkte; Hem zij de eer; aan de riemen gij zonen van helden!” En hijzelf gaat naar het roer en voert binnen weinige minuten de boot uit den „weg der dwalenden” op den „rechten weg” terug. De eene boot na de andere verschijnt in het vrije water; toch niet alle booten ontgingen het gevaar. Nog altijd, en wel tot aan de volgende rijzing van den Nijl draagt het reuzenhoofd zijn last, terwijl de ongeluksboot, waarin de vrouwen waren gezeten, reeds bij de bovenste stroomversnelling in duizend splinters werd geslagen. Met de gelukkig geredde manschap bidden de schippers evenals vóór de afvaart: „Lof en prijs den Heer der wereld!”Voor het door palmboomen beschaduwde dorp Wadihalfa liggen de geredde booten naast elkander; aan het strand, om flikkerende vuurvlammen, in schilderachtige groepjes geschaard, de schippers. Dikbuikige kruiken, gevuld met meriesa, noodigen tot drinken uit; in andere vaten derzelfde soort borrelt het vleesch der geslachte schapen, onder toezicht van ras toegesnelde, met ricinusolie gezalfde, voor Europeanen niet te naderen vrouwen en meisjes.De klank der cithers en het geroffel der trom geven het teeken tot den aanvang der „fantasie” van het feest, smulpartij en drinkgelag. Een onuitsprekelijk welbehagen maakt zich van alle schippers meester;[326]hun zaligheid is aan gelaat en bewegingen kenbaar. Eindelijk laat zich na den zwaren, angstigen arbeid van heden de vermoeidheid gelden. De taraboeka valt uit de slappe armen, de tamboera aan de vermoeide hand, en alle, zoo even nog luidruchtige stemmen zwijgen.In hare plaats vangt thans de nacht aan te spreken. Daar boven klinkt nog steeds het gedonder van de watervallen; uit de kronen der palmen, met wier veêren de nachtwind speelt, daalt een zacht gefluister naar omlaag: aan het vlakke strand breken onder welluidend geklots de golven. En het gedonder der wateren en het spelen der golfjes, het geruisch van den wind en het gefluister der palmen vormen te zamen het heerlijkste wiegelied, dat allen doet insluimeren in het lichtrijk van gouden droomen.[327]
XI.HET LAND EN DE BEVOLKING TUSSCHEN DE STROOMVERSNELLINGEN VAN DEN NIJL.
Egypte en Nubië, alhoewel onmiddellijk aan elkander grenzende en door een gemeenschappelijke rivier onderling verbonden, wijken toch zeer van elkander af. De goddelijke Nijl stroomt rustig en statig door Egypte, maar bruist in koortsachtige haast door Nubië; over Egypte verspreidt hij naar alle zijden zegen, in Nubië wordt hij in boeien geslagen door hooge, rotsachtige oevers; in Egypte bereikt hij de woestijn, in Nubië achterhaalt de woestijn hem. Egypte is een tuin, door hem in den loop der eeuwen geschapen, Nubië is eene woestijn, die hij niet vermocht te overwinnen. Het is waar, deze woestenij kent haar oasen even gelijk iedere andere, maar zij zijn weinig in aantal en verdwijnen tegenover de eindelooze woestenijen aan beide zijden des strooms. Bijna overal in het lange, gewonden dal, dat Nubië heet, verheffen zich zwarte, blinkende rotsmassa’s, hetzij uit het stroombed zelf, of op geringen afstand der oevers; mijlen in ’t rond belemmeren zij elke vegetatie en alleen door de woestijn weêrszijds erlangen zij eenigen tooi in de vormen van goudgele zandgolven, die over hare kruinen rivierwaarts rollen. Gloeiend ziet de zon van den donkerblauwen, bijna altijd onbewolkten hemel naar beneden, en het komt voor, dat er jaren voorbijgaan, zonder dat een enkele regendruppel het uitgedroogde land verfrischt. In de diep ingesneden dalen strijden de levenaanbrengende wateren van den bevruchtenden stroom te vergeefs tegen het onwillig gesteente, tegen hetwelk zij brullend en donderend breken, evenals wilden zij hun toorn uitspreken over de ondankbaarheid, waarmede hun mildheid wordt beloond.De kampplaats, alwaar die strijd gestreden wordt, is het gebied van de stroomversnellingen des Nijls.Slechts weinige reizigers, die het dal van den benedenloop dezer rivier bezochten, leerden de stroomversnellingen van haren middenloop[294]kennen. Een zeer gering aantal overschrijdt den zoogenaamden eersten waterval, nog kleiner aantal den tweeden. Wadihalfa, een onmiddellijk beneden de tweede stroomversnelling gelegen dorp, is het gewone doel der Nijlreizigers; verder naar het zuiden wordt slechts de natuuronderzoeker gedreven, of de jager, of de handelaar. Van Wadihalfa uit beginnen de moeielijkheden eener reis in de binnenlanden van Afrika; geen wonder alzoo, dat de groote massa in genoemd palmendorp den steven weder huiswaarts richt. Hij echter, die jong en krachtig is, sterk van wil en niet verweekelijkt, zal er nimmer berouw over gevoelen wanneer hij zuidelijker trekt. Is het Nijldal arm aan landschappelijke bekoorlijkheden, het gebied der stroomversnellingen vormt eene eigenaardige wereld op zichzelf. Verhevene en liefelijke, ernstige en vroolijke, vreeselijk eenzame en frissche, levendige beelden wisselen met elkander af; het zijn echter beelden der woestijn, die men te zien krijgt, en om ze naar waarde te schatten moet men voor het gewone het oog sluiten. Wie niet in staat is de woestijn te begrijpen, of zich te verzadigen aan haren kleurenrijkdom, of haar hitte te doorstaan, en zich aan haar nacht te verkwikken, doet wel ook de Nijlwoestijn niet te betreden; wie met open oogen en ontvankelijk gemoed het gebied der stroomversnellingen bereist, zoo mogelijk zelfs in eene ellendige boot den strijd aanvaardt tegen de schuimende golven, zal zijn gansche leven teren op de heerlijkste herinneringen, want nooit en nimmer zal het aangrijpend tooneel, dat het lichamelijk oog aanschouwde, verbleeken voor het geestelijk oog, nooit zal de ziel het goddelijk lied vergeten, dat eens de stroom het oor heeft voorgezongen.Zoo althans vergaat het mij, die te land en te water Nubië’s rotsland door ben getrokken, in de boot, stroomopwaarts en stroomafwaarts, die met gebrek en gevaren heb te worstelen gehad, en nu eens van de toppen der steile rotsen, dan weder van den rug des kameels de stroomversnellingen heb gadegeslagen.Het is gewoonte geworden van drie watervallen van den Nijl te spreken. Ieder dezer bestaat uit eene reeks van stroomversnellingen, die over de uitgestrektheid eener mijl de scheepvaart ten hoogste bezwaren en gevaarlijk maken. In den eersten waterval is er maar ééne stroomversnelling van beteekenis, in den tweeden en derden echter zijn er samen over de dertig, ieder van welke eenen haar door de Nubische schippers gegeven naam draagt. Watervallen, die de scheepvaart ten eenenmale onmogelijk maken, zijn er evenwel niet, althans niet in het[295]vaarwater, waarin zich, behalve de gewone vaartuigen, die booten bewegen, welke uitsluitend met het oog op de stroomversnellingen zijn gebouwd en uitgerust.Wanneer men, in de richting van den heiligen stroom voortreizende, de noordoostelijkste vernauwing der oevers tusschen de „bergen der keten” achter zich heeft gelaten, verandert plotseling het landschap. Egypte, of het breede, zeewaarts zich tot eene onafzienbare vlakte verwijdende stroomdal ligt achter den rug der reizigers en de rotsdrempel van Nubië bouwt zich voor zijnen blik op. De tegenstelling is verrassend. De eentonigheid maakt plaats voor afwisseling. Wel biedt ook Egypte menig hartverfrisschend, het oog aangenaam aandoend beeld; wel tooit ook het landschap in Egypte zich, vooral ’s avonds en ’s morgens, met den wonderbaren glans van het zuidelijk licht; maar over ’t algemeen is dat landschap eentonig, omdat men overal hetzelfde ziet, onverschillig of men het oog vestigt op de zandsteenen en kalkrotsen der dalbegrenzing, of het laat weiden over den stroom en de landerijen. Een en hetzelfde beeld keert schier onveranderd honderden malen weder: gebergten en vruchtbare vlakten, oeverwanden en eilanden, mimosenboschjes, palmengroepen, sykomoren, steden en dorpen, alles draagt in hoofdzaak hetzelfde karakter. In ’t gezicht van de rotspartijen van den eersten katarakt, van den laatsten grendel, dien de zeewaarts spoedende stroom verbrak, eindigt dit Egypte en begint Nubië. De boot glijdt niet meer over den in majestueuse rust daarheen vlietenden stroom, maar zij moet zich gewelddadig zelf een weg banen tusschen de rotsmassa’s en de uit de golven zich verheffende rotskegels.Boven op een steil afvallend, vooruitstekend gedeelte van den linkeroever ziet men een ellendig, maar niettemin schilderachtig uitkomend bouwwerk, het graf van ScheikMusas, den patroon der eerste stroomversnelling, vervolgens het aan palmboomen rijke eiland Elephantine, en spoedig hierna Assoean. Rotsmassa’s uit wier schors eene eeuwen achtereen voortgezette werking der tegen haar schuimende golven de inscripties uit den tijd der Pharao’s niet vermocht uit te delgen, versperren het vaarwater en noodzaken de boot tot allerlei wendingen, tot zij eindelijk in eene stille bocht, waar men nog het woeden der stroomversnelling hoort weêrklinken, eene veilige landingsplaats vindt.Het is een door de oudheid gewijde grond, dien wij betreden. Lang vervlogen eeuwen spreken, door middel van het zoo even vermelde[296]heilige schrift, tot ons in verstaanbare taal. „Ab” of ivoorstad, Elephantine, zoo heette de stad op het eiland van denzelfden naam; het eiland is gebleven, maar zelfs de puinhoopen der stad zijn verdwenen. „Soen”, Syene, heette de plaats aan den rechteroever, waar nu Assoean is gelegen. Elephantine, de zuidelijkste haven van het oude Egypte, alwaar de uit het binnenland van Afrika gehaalde waren, inzonderheid het destijds reeds als kostbaar geachte ivoor, werden opgestapeld, was de hoofdstad van het zuidelijk Nijldistrikt; Soen was wellicht een arbeidersdorp, ofschoon als zoodanig toch niet van geringer beteekenis dan Elephantine. Want hier werd van de oudste tijden van het Egyptische rijk af de „Mat” of „Ethiopische steen van Herodotus”, dien men in de nabijheid brak, aan den Nijloever gebracht en in de schepen geladen, die hem naar de plaats van bestemming voerden; naar dit „Soen” ontving de kostbare steen den naam van „syeniet”, dien hij nu nog draagt. Opschriften op de gedenkteekenen, die dagteekenen van de oudste Egyptische koningsgeslachten, op zulke, die tot in het tweede en derde duizendtal jaren vóór onze tijdrekening opklimmen, gewagen meermalen van de plaats Soen, en tallooze andere hiëroglyphen, in de nabijgelegen steengroeven zelf, doen ons de beteekenis van dit arbeidersdorp kennen. Over nagenoeg twee vierkante geographische mijlen der ten oosten van den waterval gelegen woestijn strekken zich de steengroeven uit, waaruit men de groote blokken haalde, die als reusachtige ronde en spitse zuilen, als lijsten en draagbalken van tempels ons met stomme verbazing vervullen; ook werden er de grafkamers der pyramiden mede bekleed, daar men van hen vertrouwde, dat zij in staat zouden zijn den op hen drukkenden last te dragen.„Overal,” zegt mijn geleerde vriendDümichen, „zien wij hier, hoe de menschelijke hand bezig was, deels om het kostbare gesteente uit den rotswand los te maken, deels om in beeld en schrift sommige gebeurtenissen te vereeuwigen; overal is de steen hier in een gedenkteeken veranderd, en talrijke opschriften, dikwijls op de hoogste toppen der bergen aangebracht, wij-spreuken ter eere der goddelijke drieëenheid van het voornaamste Opper-Egyptische landschap,—van den god des watervalsChnoem-Raen zijne beide gezellinnenSatienAnoeke,—andere ter verheerlijking van sommige heldendaden der Egyptische koningen en hooge staatsbeambten bedekken wijd en zijd de rotswanden. Ook deze opschriften gaan gedeeltelijk tot in de oudste tijden der[297]geschiedenis terug; en toch, hoe jong zijn ze niet, vergeleken bij den strijd, die hier gedurende niet te berekenen duizendtallen van eeuwen de Egyptische zonnegod Ra tegen het gesteente voerde. Overal n.l. zijn de rotsen ter plaatse, waar zij nog niet door menschenhanden werden bewerkt en voor onze oogen bloot liggen, oppervlakkig met eene donkergrijze korst, als ware deze aaneengesmolten, bedekt, terwijl de breukvlakten van het syeniet, aan welke wij met zekerheid soms een ouderdom van vier duizend jaren mogen toekennen, evenals de overal in de groeven verstrooid liggende blokken nog op den huidigen dag de aan granietgesteenten eigendommelijke roode kleur in volle frischheid behouden hebben; die eeuwen zelfs waren niet bij machte om dat schorskleed des tijds aan te leggen.”DE TEMPEL TE PHILE.DE TEMPEL TE PHILE.Van elken hoogen oeverberg kan men een gedeelte van den katarakt overzien. Twee woestijnen naderen den Nijl en reiken elkander in dien stroom over eene menigte kleine rotseilandjes de hand. Elk dier eilanden deelt den stroom en noodzaakt hem zijn wateren op te stuwen; maar met des te meer geweld vervolgt hij tusschen deze versperringen[298]schuimend zijn loop. Zonder ophouden klotst en brandt het water tegen de overblijfselen van een reeds vóór duizenden eeuwen door hem zelf verbroken rotsdam; hij schijnt ze op te willen ruimen, ze te vernietigen, en te toornen over den nog altijd niet bedwongen tegenstand, zoo woest klinkt het klotsen der golven naar den beschouwer omhoog. Het is de muziek, die het tooneel voor en onder hem begeleidt. Rusteloos, gelijk de eeuwig stroomende wateren, dwaalt het oog over dien chaos van rotsen; honderd afzonderlijke beelden vallen tegelijk in het oog, en niettemin formeert zich uit die veelheid een majestueus geheel, waarin de starre, blinkende rotsmassa’s scherp tegen het witte schuim der haar omspoelende wateren, tegen de beide aangrenzende, goudgele woestijnen en tegen den wolkenloozen, donkerblauwen hemel daar boven afsteken.Aantrekkelijk vooral is het bovengedeelte der stroomversnelling. Een keten van zwarte rotsen, de natuurlijke grensmuur tusschen Egypte en Nubië, trekt dwars door den Nijl en breidt zich aan beide oevers uit tot een langen boog, die voor ’t oog des waarnemers een overal gesloten, door rotsdammen omgeven keteldal vormt. Zijn wallen bestaan ten deele uit samenhangende massa’s, ten deele uit los op elkaar gestapelde, als door reuzenhanden opgeworpen, ronde, eivormige en hoekige rotsblokken. Hier en ginds steken enkele gedeelten der omwalling voor de anderen uit, elders wijken zij meer terug; hier en daar verheffen zij zich als eilanden uit het oude meerbekken, dat zij insloten, alvorens de geweldige stroom zich daar een vrijen doortocht baande.Te midden dezer puinhoopen van den voortijd ligt het frissche met palmboomen begroeide eiland Phile met zijn goddelijken tempel. Nog nimmer zag ik schooner landschap. Overal omgeven door de harde, zwarte rots, eeuwig omspoeld door de golven, die tegen zijn grondslagen klotsen, vriendelijk omlijst door vruchtdragende palmboomen en geurige mimosa’s, staat die tempel daar als het zinnebeeld van ongestoorden vrede te midden van den strijd. Een grootsch krijgslied zingt hem de stroom, en vredeteekenen bieden hem de palmen. Geene plaats was geschikter ter vereering der godheid, aan wie deze tempel gewijd was. In deze eenzaamheid, in zulk eene omgeving moesten wel de harten der jonge priesters, die hier door de wijsten der kaste werden onderwezen, voedsel en leven ontvangen, om zich naar het heilige en verhevene te richten, en de beteekenis leeren verstaan van de in mysteriën gehulde leerstellingen, het gesluierde beeld van Saïs aanschouwen.[299]Onder de goddelijke drieëenheid, aan welke de tempel van Phile gewijd was, Isis, Osiris en Horus, stond Isis bovenaan. „Isis, de groote godin, de koningin des hemels, de gebiedster aller goden en godinnen, die met haar zoon Horus en haar broeder Osiris in elke stad vereerd werd, de hoog verhevene, goddelijke moeder, de gemalin van Osiris, zij is de gebiedster van Phile,” zoo luiden de opschriften in den tempel zelf. Inscripties in de velerlei karakters, welke in de verschillende tijdvakken der Egyptische geschiedenis in gebruik waren, verhalen ons echter ook van veranderingen, die de tempel in den loop der tijden onderging, tot eindelijk de christen-priesters, die de dienaren van Isis waren opgevolgd, door de Arabieren uit het heiligdom verdreven werden.Heden ten dage ligt Phile grootendeels in puin. In plaats van de feestliederen der priesters hoort men er nu slechts het eenvoudig gezang van den woestijn-leeuwerik; maar de stroom zingt nog hetzelfde lied als voorheen, en even majestueus als voor duizenden jaren. Het eiland is eene woestenij geworden, maar de vrede des tempels is gebleven. En in weêrwil van alle veranderingen is nog steeds het eiland een sieraad van den eersten katarakt.Van hier af naar boven wordt de Nijl langs eene groote uitgestrektheid weêr vrij van rotsen, maar is toch niet bij machte zijn zegen buiten de oevers te verspreiden. Met inspanning tracht de mensch de hem elders vrijwillig verleende gaven den stroom af te dwingen. Het eene scheprad na het andere beurt krijschend het levenwekkende vocht op den smallen oeverzoom. Op de meeste plaatsen echter dringt de woestijn met haar rotsmuren zoo dicht tegen den oever, dat er geen ruimte meer overblijft voor een enkelen akker of een klein palmenwoud. Langs groote uitgestrektheden ziet men hier niets dan dwergachtige onkruidplanten, tusschen welke het gele drijfzand gestadig naar de diepte rolt, als wilde het de woestijn bijstaan in het behalen der zege over den goddelijken weldoener van het bebouwde veld.In het zuiden van Wadihalfa, het zuidelijkste grensdorp der bedoelde landstreek, woedt weder het door rotseilanden omsloten Nijlwater.Tallooze steenmassa’s, rotskegels en blokken noodzaken den Nijl zich uit te breiden; een chaos van steen en water, zooals nergens elders aanschouwd wordt, verwart het oog. Bij hoogen waterstand overstemt het gebrul der dwarrelende, tusschen de rotsen wegsnellende golven het geluid der menschelijke stem; het dreunt en dondert, ruischt en[300]bruist, spat en sist, dat de rotsen bijna sidderen. Boven de hier onafgebroken aan elkander geregen stroomversnellingen en draaikolken ligt de hoogopgestuwde Nijl als een stille zee voor het oog des beschouwers; dit vriendelijke, door eenige groene eilandjes omhoog geheven beeld is echter eng begrensd. Verder opwaarts wordt het stroombed nogmaals door tallooze klippen verdeeld; want nu begint eigenlijk de „Batte el Hadjar” of het rotsdal der schippers, waarin nog tien naamdragende stroomversnellingen liggen. Dit is het meest woeste gedeelte van Nubië en in ’t algemeen van het geheele Nijldal. Gewoonlijk ziet men er niets dan lucht, water, rotsen en zand. Steil, soms loodrecht, stijgen de uit steen gebouwde rivieroevers uit het stroombed omhoog; tusschen deze en tusschen de in het water gelegen eilanden wordt de Nijl zoo samengeperst, dat hij in den tijd van den hoogsten waterstand van twaalf tot achttien meter hooger staat dan gedurende den laagsten stand. De oeverwanden zijn spiegelglad, evenals waren zij gepolijst; zij weêrkaatsen schitterend het licht en zijn des daags zoo gloeiend heet, dat men zou meenen zij waren eerst vóór weinige dagen uit de ingewanden der aarde opgeweld.De vruchtbare stroom ruischt schier doelloos langs deze rotsen, want slechts op zeer weinige plaatsen kan hij van zijn goddelijk privilege gebruik maken. In inspringende bochten of achter voorgebergten, die den sterken stroom afleiden, laat hij zijn vruchtbaar slib vallen, en voert hij meteen de zaden aan. Op zulke plaatsen kiemt, groeit, groent en bloeit het ook in deze wildernis. Op alle eilanden, in welker rotskloven het slib bleef hangen, in alle door den sterken stroom niet bereikte bochten, verheffen zich wilgen en mimosa’s, als getuigen des levens in het rijk des doods. Wortel na wortel, spruit na spruit zond de eerste wilg uit, die hier vasten voet erlangde, en zoo bekleedde zich de kale grond weldra met een levendig groen. In de maanden van lagen waterstand doet het allengs ontstane kreupelboschje nieuwe twijgen ontspruiten; is de rivier gezwollen dan overstroomen de wateren eiland en hout. Hooger en hooger rijst de vloed; heviger woedt de golfslag; de wilgen buigen zich voor hem, maar klemmen zich steeds vaster tegen de rotsen. Maanden lang blijven zij, op enkele takken na, die nog boven de schuimende en sissende watermassa uitsteken, onder de golven bedolven; hare wortels echter houden zich vast, en met nieuwen levensmoed ontbotten wederom de struiken, zoodra het water is gevallen. Op zulke plaatsen der huiveringwekkende wildernis heerscht[301]hetzelfde dierlijk leven, dat men waarneemt op andere plaatsen van het Nijldal. In het wilgenloof hebben enkele paren van de levendige en schreeuwlustige Nijlgans post gevat, en op de naburige rotsen is een sierlijke kwikstaart gezeten; van de oeverwanden weêrklinkt het lied eener blauwmerel of van een rouwtapuit; om de bloeiende mimosa’s fladdert de eerste tropische vogel, dien men op dezen tocht ontmoet, een prachtige honigzuiger; nu en dan stoot men misschien op een koppel sierlijke rotshoentjes. De hier genoemde vogels met nog eenige andere soorten vormen de spaarzame bevolking van het rotsdal, en alleen op den trek verschijnen daarneven nog dikwijls zeer talrijke troepen van andere vogels, die den stroom, hunne heerbaan naar Centraal-Afrika, volgen, om dan bij tijd en wijle in het dal uit te rusten. Zij vliegen echter zoo spoedig mogelijk van daar, omdat het rotsdal niet in staat is hen zelfs maar voor weinige dagen te voeden; het valt dan ook bezwaarlijk te begrijpen dat die anderen hier hun dagelijksch brood vinden.En toch vormen zij niet de eenige bewoners dezer waterwoestijn. Er zijn menschen, die deze hun vaderland noemen.Mijlen ver van elkander verspreid, bevinden zich hier enkele armoedige stroohutten, waarin een Nubiër met zijn gezin een ellendig leven leidt. Een kleine, met vruchtbaar slib gevulde inham tusschen de rotsachtige oevers, wellicht slechts een tegen deze aangeplakt slijkbed vormt de arme bezitting, die hij de zijne noemt. In het eerste geval is hij een rijk man, vergeleken met de geringen, die slechts over zulk een slijkbed beschikken. Met levensgevaar zwemt de laatste naar zulke van de bergzijde ongenaakbare plaatsen, alwaar de vallende stroom slib afzette, om de pas van water bevrijde laag met boonen te bezaaien; eenige dagen later, wanneer de rivier nog meer is gevallen, herhaalt hij zijn bezoek en zijn arbeid, en telkens weder, zoolang het water blijft vallen. En zoo ziet men op zulke met het vallende water zich steeds vergrootende velden boonen in alle perioden van den groei; tevens kan men opmerken dat onze weinig eischende landman tegelijkertijd oogst en zaait. Onder zeer gunstige omstandigheden veroorlooft een dieper inspringende, met Nijlslib gevulde inham het plaatsen van een scheprad ter bevloeiing van enkele aren bouwgronds, en in dit geval is de gelukkige bezitter in staat eene koe te houden; zoo iemand leeft nog eenigszins dragelijk, ofschoon hij nog altijd als zoo arm wordt beschouwd, dat zelfs eene Egyptische regeering geen belasting[302]van hem durft vorderen. Zulke plaatsen zijn evenwel zeldzame oasen in deze ijzige wildernis. De stroomopwaarts zeilende schipper begroet elken struik, elken palmboom met zichtbare vreugde, een boonenveld, het doel wellicht van dagen lange hoop, met gejubel, een scheprad met dank jegens den Albarmhartigen. Want niet slechts vrees kan zijn moedig hart in dit rotsdal bevangen, maar ook bitter gebrek kan zijn deel worden, ja zelfs de hongerdood kan hem tegengrijnzen, tenzij hij een voorraad voedsel medenam, voldoende om hem eenige maanden te voeden. Stroomafwaarts schiet de boot pijlsnel voort om dit land der verschrikking—althans de eenzaamheid en armoede—te ontvlieden; stroomopwaarts zeilende ligt de boot dikwijls uren, ja dagen lang onder bescherming van een rotsblok beneden eene stroomversnelling als vastgemuurd. Wachtende op een gunstigen wind, door het onophoudelijk op en neêr schommelen van het vaartuig aan zeeziekte lijdende, kan de schipper soms mijlen ver wandelen of zwemmen, alvorens hij menschen of bebouwde akkers ontmoet.Het rotsdal gaat in het zuiden bijna onmiddellijk over in de vruchtbare landstreek van Midden-Nubië. Een door twee woestijnen ingesloten smal waterbekken, met vele groote eilanden in ’t midden der rivier, door deze met slib bedekt, gelijk ook de eilanden daaruit werden opgebouwd, neemt den reiziger op. Het wijst wel is waar nog niet den vollen rijkdom der tropen aan, maar laat toch derzelver frischheid en krachtig leven in sommige planten en dieren doorschemeren. Dichte palmbosschen, die de heerlijkste dadels doen rijpen, begrenzen aan den kant der woestijnsteppen deze liefelijke oase, die den arbeid des landmans met een rijken oogst beloont; Christusdoorns en onderscheidene mimosa’s, die zich tot hiertoe niet lieten zien, verkondigen ons, dat wij den keerkring overschreden. Behalve den straks genoemden honigzuiger bemerken wij nog andere vogels van Centraal-Afrika. In het eerste doerrha-veld, dat men scherper in ’t oog vat, verkwikt men zich aan een even zoo kleurigen als levendigen, tusschen de stengels verblijfhoudenden vuurwevervogel. Het schijnen vuurvlammetjes te zijn, die zich nu en dan op den top eener aar neêrlaten om van dezen hoogen zetel een eenvoudig, sjirpend of spinnend liedje voor te dragen, dat alle soortgenooten aanspoort om hetzelfde te doen. In de spleten en scheuren der leemen hutten hebben zich andere leden derzelfde familie verzameld, bij name de staal- en bloedvinken, terwijl in de tuinen om de huizen Kaapsche duiven hare nesten hebben opgeslagen. Op de zandbanken der[303]rivier groeven schaarbekken hunne napvormige nesten; nachtzeezwaluwen van eene bijzondere soort, die eerst tegen de schemering op roof uitvliegen, strijken dicht langs de oppervlakte der golven om deze met hun snavel te doorploegen, ten einde de kleine, in de bovenste waterlagen zwemmende dieren te bemachtigen.Maar ook dit heerlijk plekje gronds is eng begrensd. Reeds beneden de bouwvallen van den tempel van Barkal nadert het nog altijd woeste en onvruchtbare gebergte den stroom en verdringt zoowel het vruchtdragend land als de woestijnsteppe. De laatste stroomversnelling ligt voor ’t oog des stroomopwaarts trekkenden reizigers. Zoo onbeschrijfelijk arm als het rotsdal was, is het gebied van de derde stroomversnelling niet; goed bebouwde, alhoewel niet zeer breede strooken gronds aan beide zijden van den stroom en kleine vruchtbare eilanden in de rivier geven een indruk van meerdere weelde. De rotsmassa’s aan den oever zijn minder samenhangend dan in het rotsdal zelf en rijk aan zoogenoemde steenmeren—grillig op elkander gestapelde heuvels en wallen van rotsblokken en rolsteenen, gelijk de groote stroomen deze achterlaten, wanneer zij hun bed dieper in het door hen uitgespoelde dal graven. Aan beide zijden der rivier, meest boven op de het naast den oever begrenzende hoogten, aanschouwt het oog rotsblokken van meer dan honderd kubieke meter inhoud; deze liggen zoo los op hunne betrekkelijk kleine onderlaag, dat zij bij een eenigszins hevigen wind beginnen te waggelen en met behulp van hef boomen gemakkelijk door een gering aantal menschenhanden zouden weggerold kunnen worden. Op vele plaatsen zijn deze rotsmeren zoo grillig gebouwd, dat het den schijn heeft alsof de luim van reusachtige kabouters deze kegels en pyramiden, muren en wallen, die in bonte mengeling de oeverbergen kronen, opeen had gestapeld. Meer evenwel dan al deze bouwgewrochten van den stroom, schenken die van den mensch aan de derde stroomversnelling een bijzonder karakter. Op alle daarvoor geschikte vooruitstekende oeverrotsen, vooral op de grootere rotseilanden, verheffen zich gebouwen, voorzien van ringmuren en torens met gekanteelde lijsten, gelijk men ze nergens anders in het Nijldal ontmoet. Het zijn vestingwerken uit vroegere tijden, burchten van voormalige hoofden der stroombewoners, opgericht om bescherming en veiligheid te verleenen, om lijf en goed tegen de aanvallen van naburige vijandelijke stammen te verzekeren. Uit ruw op elkander gestapelde, bijna uitsluitend met Nijlslib aaneengemetselde, onbehouwen steenen is het[304]benedengedeelte der muren en omwallingen opgetrokken; dikke, nu grootendeels vervallen muren van uit Nijlslib vervaardigde en in de lucht gedroogde steenen vormen den bovenbouw dezer burchten, die meer door een trotsch voorkomen dan door schoonheid uitmunten. Uit het midden van den stroom b.v. verheft zich een kale, pikzwarte, glinsterende rots, op welker top zich zulk een vesting bevindt. Woest klotsen de golven tegen haar voet, maar rustig weêrstaat zij dien schok, en veilig steunt de haar toevertrouwde vesting op deze steenmassa. Aan de stroomafwaarts gerichte zijde is het water rustig en hier is de rots, dank zij de levenwekkende kracht der rivier, inderdaad heerlijk getooid. In het kalme, stille water werden in den loop der tijden dikke sliblagen afgezet, zoodat er allengs een eiland uit den vloed oprees; de mensch maakte zich daarvan meester, plantte er den palmboom en legde er akkers aan; en zoo ontstond er op en achter de rots een liefelijk beeld van veiligheid en bewoonbaarheid, dat juist door zijn tegenstelling met de omringende onrustige en woeste water- en rotsvlakten, aangrijpend op het gemoed werkt.Aan de zuidelijke grens der derde stroomversnelling beginnen de steppen en wouden der keerkringslanden; slechts op enkele plaatsen bereiken nu voortaan de rotsen nog den breeder geworden stroom en zijne grootere bijrivieren. Over eene lengte van meer dan honderd geographische mijlen doorsnijden de Abiad en Asrakh, of witte en blauwe Nijl, vruchtbaar, bijna vlak land; dan eerst ontmoet men weder eenige stroomversnellingen. Dit gedeelte behoort echter niet meer in de lijst der schilderij, die ik trachtte te ontwerpen, want alleen Nubië is het land van de katarakten van den Nijl.Het is moeilijk na te gaan in hoeverre de Nubiër door zijn woonplaats gemaakt werd tot hetgeen hij is; zooveel is zeker, dat hijzelf van zijn naburen, de Egyptenaren, evenveel verschilt als zijn land met dat van laatstgenoemd volk. Beiden hebben geen de minste overeenkomst, noch in lichaamsvorm, noch in huidkleur; evenmin in afstamming en taal, zeden en gewoonten. Zelfs in godsdienst verschillen zij, niettegenstaande beide volken tegenwoordig als eersten regel des geloofs erkennen: „Er is maar één God, en Mohammed is Zijn éénige profeet.”De Egyptenaren zijn gesproten uit het gemengde bloed der oude Egyptenaren en dat van later ingekomen Arabische horden uit Yemen en Hedjas, die met de vroegere bewoners van het dal des beneden-Nijls ineensmolten; de Nubiërs zijn afstammelingen van de „wilde[305]Blemyers,” tegen welke de Pharao’s van het oude, middelste en nieuwe rijk, alsmede de Egyptische Ptolemeeërs voortdurend, ofschoon niet altijd met gunstigen uitslag, krijg voerden. De Egyptenaren spreken de taal, waarin Mohammeds „openbaringen” werden opgeschreven, de Nubiërs eene in vele dialecten gesplitste taal van het oud-Ethiopisch; de eersten gebruiken een overoud schrift, de laatsten hebben ongetwijfeld nimmer schriftteekens gehad, die in hun eigen taal wortelen. De eersten hebben nog al den ernst bewaard der oude Egyptenaren, evenals de zonen der woestijn, van welke zij afstammen; zij zijn steeds, gelijk alle Oosterlingen, gedurende hun geheele leven met angst vervuld omtrent het „hier namaals” en regelen naar hunne droomen hierover hun zeden en gebruiken; de laatsten behielden de lustige levensvreugde der Ethiopiërs en leven, als kinderen, onbezorgd van den eenen dag op den anderen, het goede zonder dank, het kwade onder veel en luid geklaag ontvangende, terwijl zij het een zoowel als het andere onder den invloed van het oogenblik ras vergeten. Op beiden drukt in gelijke mate het juk der dienstbaarheid; de Egyptenaar draagt het kermend en weêrstrevend, de Nubiër gelijkmoedig en zonder morren; gene is een onwillige slaaf, deze een gedwee dienaar. Elke Egyptenaar acht zich boven den Nubiër hoog verheven, houdt zich, wat afstamming, taal en zeden betreft, voor hooger, praalt met zijn beschaving, ofschoon deze over ’t algemeen zeer gering is, en tracht den donkergekleurden broeder even zooveel te onderdrukken, als hijzelf in ’t bewustzijn zijner onmacht zich schikt in de hem opgelegde dienstbaarheid; de Nubiër erkent in ’t algemeen de lichamelijke meerderheid van zijn buurman, inzonderheid de geestelijke superioriteit van de meer uitstekende Egyptenaren, schijnt niet te weten, dat hijzelf die beschaving mist, maar is opzijnebeurt weder geneigd den minder begaafden en zwakkeren bewoner van Centraal-Afrika onder ’t juk te brengen; toch stelt hij zich weder met den gekochten neger op een broederlijken voet en schikt zich oogenschijnlijk geduldig in het hem toebedeelde lot, na vergeefs gepoogd te hebben in den strijd tegen de overmacht overwinnaar te blijven. Hij is nog heden ten dage een natuurmensch in hart en nieren, terwijl de Egyptenaar ons het treurige beeld vertoont van een vervallen en steeds meer en meer vervallend volk. De Ethiopiër heeft zich op den onvruchtbaarsten bodem der aarde nog een zekere mate van vrijheid weten te veroveren, de Egyptenaar is op het rijkste plekje der wereld tot een slaaf geworden, die het moeilijk zal wagen zijn ketens af te[306]schudden, niettegenstaande hij nog altijd met zelfverheffing van zijn roemrijk verleden spreekt.En toch hebben de Nubiërs evenveel, zoo niet meer recht van de groote daden hunner vaderen te gewagen en zich daaraan te spiegelen dan de Egyptenaren. Want die voorvaderen hebben niet alleen met de Pharao’s en de Romeinen, maar zelfs met Turken en Arabieren, met de heerschers en beheerschers van het hedendaagsche Egypte wakker strijd gevoerd; dat zij overwonnen zijn is alleen daaraan toe te schrijven, dat zij van vuurwapenen verstoken waren. Toen ik voor de eerste maal de Nijllanden bereisde, leefden er nog ooggetuigen dier oorlogen, uit wier mond ik een en ander vernam, dat ik thans naar waarheid wil mededeelen, ten einde, althans in één opzicht, recht te laten wedervaren aan een volk, dat te vaak wordt miskend. De gebeurtenissen, die ik op het oog heb, vallen tusschen de jaren 1830 en 1840 onzer tijdrekening.Nadat Mohammed-Aali, de even krachtige, als onrechtvaardige en wreede grondvester der tegenwoordige Egyptische dynastie, in Maart 1811 de door hem genoodigde hoofdelingen der Mamelukken trouweloos had overvallen en neêrgesabeld, scheen zijne heerschappij over den beneden-Nijl verzekerd te zijn. Maar nog was de trotsche krijgersstam, wier hoofden door dat schandelijk verraad waren gevallen, niet geheel onder ’t juk gebracht. Op wraak bedacht, kozen de Mamelukken uit hun midden nieuwe hoofden en trokken zich aanvankelijk naar Nubië terug, om zich hier te verzamelen en van daar uit den laaghartigen vijand opnieuw te beoorlogen, althans te bedreigen. Mohammed-Aali voorzag het gevaar en verzuimde niet dit, als ’t zijn kon, tegen te gaan. Zijn leger volgde de verstrooide Mamelukken op den voet. Deze, te zwak om een strijd in ’t open veld te wagen, wierpen zich in de vestingen, en stierven daar tot den laatsten man den heldendood. Gelijktijdig met hen werden ook de Nubiërs overwonnen, en omdat deze de zijde der Mamelukken hadden gekozen, als slaven behandeld. Enkel de dappere stam der in den strijd geharde Scheikiërs stond in het jaar 1820 bij bet dorp Korti tegenover de Turksch-Egyptische troepen; eene heldhaftige, maar ongeregelde, met lans, zwaard en schild gewapende schare tegenover geregelde, geoefende en met vuurwapenen uitgeruste soldaten, die gewoon waren te overwinnen. Naar oud gebruik schouwden de vrouwen met hunne kinderen het gevecht aan, om door gillende oorlogskreten tot moed aan te vuren, aan de strijdende[307]vaders de omhooggebeurde kinderen te toonen en hen hierdoor met doodsverachting te bezielen. De Nubiërs streden met een moed, hunnen vaderen waardig; zij drongen door tot de kanonnen, die dood en verderf zaaiden onder hunne gelederen; zij hieuwen met hunne lange zwaarden op de ingebeelde monsters, diepe sneden achterlatende op de metalen buizen—maar de Egyptenaren zegevierden; niet de dapperheid, maar overmacht van wapenen besliste. Onder het gillend gehuil der vrouwen sloegen de bruine mannen op de vlucht. Wilde vertwijfeling greep de eersten aan; een roemvollen dood verkiezende boven smadelijke slavernij, drukten zij hare kinderen aan het hart en stortten zich bij honderdtallen in den door het bloed harer mannen roodgeverfden stroom. De vluchtelingen werden door de woestijn aanweêrszijdender rivier belet hun schuilplaatsen te bereiken en zoo bleef hun eindelijk geen andere keus dan zich over te geven, en den tot nog toe zoo trotschen nek te buigen onder ’t juk des overwinnaars.Nog eenmaal flikkerde de oude heldenmoed weder op. Een der opperhoofden, de reeds nu door de sage verheerlijkte Melik el Nimmr, d.w.z. „koning der luipaarden” verzamelde zijn volk te Scheedi in zuidelijk Nubië, daar hem de onderdrukking van den wreeden overwinnaar onverdragelijk was geworden. Vol wantrouwen trok Ismaël Pacha, de zoon en legeraanvoerder van Egypte’s heerscher tegen hem op, en nog voor Melik Nimmr met zijn toebereidselen gereed was, verscheen Ismaël, alle booten in beslag nemende, voor Scheedi en stelde aan Melik Nimmr onmogelijke voorwaarden, ten einde dezen tot slaafsche onderwerping te noodzaken. Melik zag het dreigend verderf in en besloot handelend op te treden. Hij veinsde evenwel onderwerping, maar middelerwijl snelden zijn boden van hut tot hut om de overal onder de asch smeulende vonken van opstand tot eene flikkerende vlam aan te blazen. Door listige beloften wist hij Ismaël Pacha uit diens veilige boot in de rondom met doornheggen afgesloten ruime, maar armoedige koningswoning te lokken; om deze waren reusachtige bergen van stroo, opgehoopt, volgens het voorgeven van den koning der luipaarden om het door den Pacha verlangde kameelvoeder te leveren.Een heerlijk feest, zooals Ismaël nog nimmer aanschouwde, wil Melik zijn heer en gebieder bereiden; daarom vraagt hij verlof om ook alle officieren van het Egyptische leger te mogen uitnoodigen, in welk verzoek de Pacha bewilligt. Legeraanvoerder, staf en officieren[308]vereenigen zich aan het in de koninklijke woning aangerichte gastmaal. Voor de doornheg ruischt de taraboeka, die tot den dans noodigt, en dreunt de krijgslust inblazende inlandsche trom; het jeugdige geslacht, feestelijk met zalf besmeerd, oefent zich in den vroolijken dans. De lansen schieten door de lucht, met bewonderenswaardige behendigheid opgevangen door de schilden der tegenover elkaar geplaatste dansers; de lange zwaarden der beide in krijgsdans zich draaiende partijen bedreigen elkanders hoofd, maar worden behendig met kling en schild gepareerd. Ismaël schept een ongemeen behagen in de schoone, bruine jongelingen en de bevallige bewegingen hunner buigzame ledematen, in de koenheid der aanvallen en de zekerheid van afweer. Meer en meer zwaarddansers treden op het tooneel, dichter wordt het gedrang voor de feestzaal, heviger en woester worden de bewegingen en sneller roffelen de trommen. Daar slaat plotseling de taraboeka andere tonen aan; honderdvoud wordt dit geluid herhaald door geheel Scheedi en eveneens in de naburige dorpen aan deze en gene zijde des Nijls. Een gillend, in de hoogste tonen zich bewegend vrouwengeschreeuw doortrilt de lucht; vrouwen, tot op de lendenen naakt, met stof en asch in de gebalsemde haren, met brandende fakkels in de handen, stormen nader en slingeren den brand in de muren van het koninklijk paleis en in de omringende stroobergen. Eene ontzettende vuurzuil stijgt ten hemel, en in de vlammen, waaruit kreten van schrik en wee, van vloek en klacht weêrklinken, vliegen bij duizendtallen de doodaanbrengende lansen van hen, die zooeven den krijgsdans uitvoerden. Noch Ismaël Pacha, noch een enkele zijner feestgenooten ontgaat een wreeden dood.Het is alsof de krijgslieden uit den grond te voorschijn komen. Wie de wapens kan dragen keert zich tegen de wreede vijanden; de vrouwen, haar geslacht vergetende, treden in de rijen der kampvechters; grijsaards en knapen worstelen met mannenkracht en mannelijke volharding ter bereiking van het ééne doel. Scheedi en Metamme worden in een enkelen nacht van alle vijanden bevrijd; slechts een gering aantal der in afgelegen dorpen liggende Egyptenaren ontkomen aan het bloedbad en brengen den tweeden, in Kordofan wachtenden legeraanvoerder de ontzettende tijding.Deze, Mohammed-Bei el Defterdar, nu nog door de Nubiërs „el Djelad” den beul, bijgenaamd, ijlt met zijne geheele legermacht naar Scheedi, verslaat de Nubiërs ten tweeden male en offert alsnu meer dan[309]de helft van de toenmalige bevolking des land aan zijne onverzadelijke wraakzucht op. Den koning der luipaarden gelukt het naar Habesch te ontvluchten; zijn onderdanen moeten zich evenwel voor den vreemdeling buigen, en hunne kinderen „groeien” om mij van de uitdrukking mijns zegsmans te bedienen, „in het bloed der vaderen op.” Sedert die ongeluksdagen zijn de Nubiërs de lijfeigenen hunner onderdrukkers gebleven.De Nubiërs, of gelijk zij zich zelf noemen, de Barabra zijn middelmatig groote, slanke, evenredig gebouwde menschen met betrekkelijk kleine, goed gevormde handen en voeten, en meerendeels aangename gelaatstrekken; de amandelvormige oogen, de hooge, rechte of gebogen, alleen aan de vleugels een weinig verbreede neus, de smalle mond, de vleezige lippen, het gewelfde voorhoofd en de lange kin drukken op het gelaat een bijzonderen stempel; verder hebben zij fijn, licht gekroesd, maar niet wollig hoofdhaar en eene verschillende, van metaalbruin tot in het donkerbruine spelende huidkleur. Zij hebben eene flinke houding, loopen licht, haast zwevend, bewegen zich in ’t algemeen vlug en bevallig, zoodat zij in dit opzicht zich voordeelig onderscheiden van de negers van den boven-Nijl, zelfs van de Fungis uit Oost-Soedan. De mannen scheren het hoofdhaar of geheel af of laten het alleen op de kruin staan; zij dragen een nauw sluitend wit mutsje, de takhie, op het hoofd, om hetwelk op feestdagen nog wel eens een witte doek, op de wijze van een tulband gewonden wordt. Een omslagdoek ter lengte van zes tot negen meter dient tot bekleeding van het bovenlijf; korte broeken en sandalen, op feestdagen een blauw of wit tabbaardachtig gewaad vormen de overige kleeding; een aan den linkerarm gedragen dolkmes, op reis de lans, zijn dewapenen, terwijl lederen rollen, in welke zich, naar men zegt, amuletten bevinden, en aan koorden om den hals gedragen zakjes de eenige versiering uitmaken. De vrouwen binden het hoofdhaar in honderden kleine, dunne vlechten en zalven deze rijkelijk met schapenvet, boter of ricinus-olie in, zoodat zij ver in ’t rond een ondragelijken reuk verspreiden; zij tatoeëeren het lichaam en aangezicht op vele plaatsen met indigo, kleuren dikwijls de lippen blauw en de handpalmen rood, versieren den hals met paarlen van glas, kettingen van barnsteen of karneool, amulettentaschjes enz. de hielen met ringen van ivoor of hoorn, de ooren, neusvleugels en vingers met zilveren ringen; in plaats van een broek dragen zij een tot de hielen afhangend schort om de lendenen, terwijl[310]zij zich den omslagdoek in schilderachtige vouwen over borst en schouders slingeren. De jongens loopen tot hun zesde of achtste jaar naakt, terwijl de meisjes van haar vierde jaar af een aardig, uit dunne lederen strooken samengesteld, soms met schelpen en glazen parels versierd, gefranjed schort dragen.Alle gezeten Nubiërs van het stroomdal huizen in vierhoekige, meer of min teerlingvormige woningen, die òf uit in de open lucht gedroogde tichelsteenen worden gebouwd, en dan naar boven schuins toeloopen, òf uit een met stroo bekleed houten geraamte worden samengesteld. Gewoonlijk bevatten zij inwendig maar één vertrek; ééne deur verleent toegang, en in plaats van vensters ziet men aan deze hoogst primitieve huizen enkele luchtgaten. Eene verhooging, overtrokken met ineengevlochten lederen strooken of repen boombast, vormt de ligplaats „Aukareb”; eenvoudige kisten, voortreffelijk bewerkte, zelfs waterdichte manden, lederen zakken, urnen om daarin water, doerrhabier of palmwijn te bewaren, handmolens of wrijfsteenen ter vermaling des graans, ijzeren of vlakke aarden schotels om brood te bakken, uitgeholde kalebassen, eene bijl, eene boor, eenige houweelen, enz. ziedaar het huisraad; matten, gordijnen, middelschotten en dekens, vormen andere huishoudelijke zaken; troggen, ondiepe, gevlochten schalen met deksels, die evenwel niet in elke hut voorhanden zijn, maken het eetgereedschap uit. Het voedsel onzer lieden bestaat voornamelijk, soms uitsluitend, uit plantaardige stoffen, melk, boter en eieren. Het meer gewreven dan gemalen koren wordt tot een deeg verwerkt en daarvan een half gaar brood gebakken, dat, òf zoo wordt gebruikt, òf onder toevoeging van allerlei zaken, zooals: melk, dikslijmige plantensappen, waaronder somtijds wat in de zon gedroogd vleesch wordt gemengd, en vele, scherpe kruiderijen. Meer dan op spijs is de Nubiër op drinken gesteld, want elke alcoholische drank, hij moge van vreemden of inheemschen oorsprong zijn, vindt in hem een begeerlijken, zoo niet onmatigen gebruiker.De zeden en gewoonten van de bewoners van den middelloop des Nijls vormen een zonderlinge vermenging van overgeërfde en overgenomen gebruiken. Geduldig en lichtzinnig schikt hij zich even gemakkelijk in het vreemde als hij het oorspronkelijk inheemsche schijnt te kunnen vergeten. Hij is meer in naam dan in werkelijkheid een belijder van den Islam; gehechtheid aan geloofsregels kent hij even weinig als onverdraagzaamheid omtrent andersdenkenden. Voor hij op middelbaren[311]leeftijd is gekomen, of zelfs vóór hij oud is geworden, volgt hij de geboden des profeets zelden of nooit met dien ijver op als de Arabieren en Turken.Hij besnijdt zijn zonen, huwelijkt zijn dochters uit, behandelt zijn vrouwen en begraaft zijn dooden, viert zijn feesten, alles ingevolge de voorschriften van den Islam, maar hij meent genoeg gedaan te hebben als hij slechts de vormen in acht neemt. Gezang en dans, vroolijke gesprekken, scherts en drinkgelagen vindt hij aangenamer dan het vasten, aangenamer dan te luisteren naar de lessen en geboden van den koran, of naar de schriftgeleerde verklaring der heilige boeken, die hem nieuwe plichten zouden opleggen.Toch zal niemand hem een besluiteloos, wankelmoedig, onzelfstandig, onvertrouwbaar of trouweloos, in ’t kort, een slecht mensch noemen. In Beneden-Nubië, alwaar hij jaarlijks met honderden, in zijn oogen rijke en milddadige menschen verkeert, wordt hij, wel is waar, dikwijls tot een onbeschaamden, onverdragelijken bedelaar, terwijl de vreemdelingen, die hij moet opzoeken, omdat zijn arm land hem niet genoeg voedsel oplevert, ook weinig er toe bijdragen om hem te veredelen; in ’t algemeen echter kan men hem een braaf mensch noemen. Wel ontbreekt hem heden ten dage al te veel de wilskracht zijner voorvaderen, maar daarom nog geenszins hun moed en dapperheid; wel schijnt hij veel zachter en goedaardiger dan de Egyptenaar, toch betoont hij zich niet minder vertrouwbaar en volhardend als deze, vooral waar het moeilijke of gevaarlijke ondernemingen geldt. Zijn arm, weinig voortbrengend land, waaraan hij met zijn geheele hart hangt, dat hij in den vreemde met eene roerende aanhankelijkheid gedenkt, voor hetwelk hij werkt, ontbeert en sterft, daar zijn streven er alleen op gericht is, zijn mannelijken leeftijd en ouderdom daarin door te brengen, legt hem een voortdurenden levensstrijd op, en staalt zijn lichamelijke en geestelijke krachten; de bruisende stroom, tegen welken hij een niet minder harden strijd voert als met het rotsachtig land, wekt en onderhoudt in hem den moed en het zelfvertrouwen, even gelijk die stroom hem bezielde met eene koele onverschilligheid voor het gevaar. Dank deze door hem verworven eigenschappen is de Nubiër een trouw dienaar, een voortreffelijk reisgezel, op wien men zich verlaten kan, een reislustige djellabi of koopman, en bovenal een ondernemend, onverschrokken schipper.De ouders schijnen hun zonen reeds van de vroegste jeugd af op[312]te leiden voor alle mogelijke diensten, die zij later als volwassenen zullen moeten vervullen. Evenals in Egypte worden ook in Nubië de kinderen der armen eigenlijk niet opgevoed, maar in beslag genomen voor allerlei werkzaamheden, juister gezegd, zooveel hun krachten toelaten geëxploiteerd. Hoe klein de jongen ook nog zij, iets moet hij doen, ’t een of ander ambt vervullen; hoe zwak het meisje ook zijn moge, zij moet haar moeder in alles bijstaan. Maar terwijl men in Egypte het kind nauwelijks tot verademing laat komen, begunstigt men in Nubië het vroolijk spel der kleinen zooveel men kan. In Egypte wordt de jongen tot een knecht, het meisje tot een slavin van dezen knecht, zonder dat men eene blijde jeugd heeft gekend; in Nubië zijn zelfs de halfvolwassenen nog altijd kinderen in hun zijn en wezen. Vandaar dat de eersten onnatuurlijk ernstig zijn evenals hunne vaders, dezen vroolijk evenals hunne moeders. Er bestaat bij de Nubiërs een algemeen geliefkoosd kinderspel, dat ieder reiziger kan leeren kennen en dat hij met welgevallen zal gadeslaan, omdat daarin meer dan in een ander behendigheid en sierlijkheid van bewegingen, volharding en ondernemingsgeest vereenigd zijn; ik bedoel het in de geheele wereld bekende „krijgertje spelen.” Na den arbeid vereenigen zich knapen en meisjes. De eersten verlaten het scheprad, welks trekossen zij van den vroegen morgen tot zonsondergang moesten aandrijven, of het veld, waarop zij hun vaders behulpzaam waren, of het jonge kameel, dat zij leerden draven; de laatsten hare kleinere broertjes en zusjes, die zij eer sleepten dan droegen, het brooddeeg, dat zij moesten laten gisten, den wrijfsteen, aan welken zij haar jonge krachten oefenden; allen spoeden zich naar de rivier. De jongens zijn geheel naakt, de meisjes dragen alleen het franjeschort. Lachend en pratend trekt het gezelschap voort, het wemelt in het goudgele zand en tusschen en op de zwarte rotsen als van bruine mieren. Bont dooreengemengd rangschikken zich de vangers, die den vluchteling moeten inhalen en grijpen. De laatste, die eenige schreden vooruit krijgt, geeft het teeken tot den aanvang der jacht en allen kleven aan zijn hielen. Vlug als een gazelle loopt hij over de zandige vlakte naar de naastbijgelegen rotsen en als jagende windhonden rent de schreeuwende schaar hem na; vlug als eene gems klautert hij de rotsen op en niet minder behendig klimmen ook de vervolgende speelgenooten naar boven; als een verschrikte bever stort hij zich in de rivier, om zich al duikende in ’t water te verschuilen, maar ook de vurige medespelers[313]schuwen een bad niet, en knapen en meisjes scharrelen als zwemmende honden in ’t water, roepen en schreeuwen, snappen, lachen en jolen; drijvende, snaterende eenden gelijk, volgen zij hem in het natte element. Lang schommelt de naald der weegschaal, en soms wordt de geheele Nijl in zijne breedte overgezwommen, alsvorens de stoute voorspeler in handen zijner kameraden valt. De ouders der vroolijke schare staan aan den oever dit schouwspel aan te staren en verheugen zich over de behendigheid, den moed en de inspanning van hun kroost, en ook wij Europeanen moesten bekennen, dat wij nergens levenslustiger,[314]opgewekter wezens gezien hebben dan deze slanke, schoone, fluweelbruine, glimmende kinderen der Nubische woestijn.SPELENDE NUBISCHE KINDEREN.SPELENDE NUBISCHE KINDEREN.Uit zulke spelende kinderen groeien de mannen op, die het wagen de stroomversnellingen te bevaren, en in eene boot stroomafwaarts over de kokende, schuimende, ronddraaiende golven te roeien, zelfs tegen deze op te zeilen; groeien de mannen, die op zulke tochten zelfs geen boot behoeven, maar koen op kleine, uit doerrhastengels los saamgebonden vlotten, of opgeblazen lederen zakken reizen van ettelijke dagen ondernemen. Zoo onverschrokken zien deze Nubische schippers en zwemmers het gevaar onder de oogen, dat de golven hun zelfs geen sagen en sprookjes in ’t oor konden fluisteren. Zij weten van geen niksen en watergeesten, van geen booze of goede genieën, en hunne beschermheiligen, wien zij vóór of onder den gevaarlijken tocht om hulp en bijstand aanroepen, weren slechts het noodlot af, geenszins het kwaadwillig voornemen van booze geesten. De sage is stom gebleven in de stroomversnelling, in den „buik der rotsen”, in de katarakten en draaikolken van de „moeder der gesteenten”, van den „geschokten”, van den „kameelenhals,” van de „koralen” en hoe de stroomversnellingen nog meer mogen heeten. Toch zou hier een geschikte bodem gevonden worden voor sprookjes en sagen, en de meest geschikte aanleiding voor den schipper om het geloof aan de werkzaamheid van booze geesten in zich op te nemen.De stroomversnellingen worden naar beneden bij hoogen en middelbaren, naar boven bij gemiddelden en lagen waterstand bevaren. Bij den laagsten stand des Nijls zou elke stroomafwaarts gaande boot verpletterd worden, terwijl bij hoogen waterstand zelfs het grootste zeil niet bij machte zou zijn een groot vaartuig stroomopwaarts te brengen. Bij dalend water moeten honderden menschen opgeroepen worden om eene middelmatig groote boot der almachtige regeering naar boven te trekken; op tijden, dat de Nijl is gezwollen, zou men op de enkele niet door het water bedekte eilanden, weêrszijds van het vaarwater, te weinig of in ’t geheel geen ruimte kunnen vinden om de voeten op te zetten. De hoogste waterstand is het meest geschikt om stroomafwaarts te gaan, een gemiddelde waterstand ook om die reden voor de vaart stroomopwaarts, daar alsdan de regelmatig waaiende noordenwind tevens een goede gelegenheid aanbiedt om de hulp van het zeil aan te wenden.Alle booten, die uitsluitend dienen voor de vaart op de stroomversnellingen,[315]onderscheiden zich zoowel door hare geringe grootte als door haar bouwtrant, alsmede door tuigage en zeilvorm van alle andere Nijlschepen. De romp bevat slechts een gering aantal ribben, de planken worden door schuins ingeslagen, de smalle zijden met elkaar verbindende spijkers vastgemaakt; het zeil is in plaats van driekant, ruitvormig en zoo aan twee ra’s bevestigd, dat men met behulp van de onderste ra meer of minder zeildoek kan opwinden of aan den wind blootstellen. Bouwwijze en tuigage blijken zeer doeltreffend te zijn; de geringe grootte, of althans lengte der boot veroorlooft snelle wendingen, de samenvoeging der planken verleent het scheepslichaam veêrkracht en buigzaamheid, die goede diensten bewijzen bij het dikwijls voorkomend stooten tegen de klippen; door eene naar de sterkte van wind en stroom te regelen drukking van het zeil eindelijk kan men den veelvuldig afwisselenden weêrstand gelijkmatig en voortdurend overwinnen.Eene bergopwaarts trekkende flotille van booten verleent, wanneer zij zoo pas van de ladingsplaats of van de gedurende den nacht ingenomen rustplaats is opgebroken, een prachtigen, betooverenden aanblik. Op alle vaarwaters ontwaart men zeilen; somtijds ziet men er meer dan twintig tusschen de donkere rotsenblinken. Aanvankelijk blijven de vaartuigen op nagenoeg gelijke afstanden van elkaar; ras echter doen stroom en zeildruk de eerst ingenomen slagorde verbreken. Het eene scheepje na het andere blijft meer terug, het eene na het andere laat het hoofddeel der vloot achter zich en reeds na verloop van een uur ligt er een tamelijk groote afstand tusschen de voorste en achterste boot. De vaart vordert evenwel, zelfs bij een sterken en gestadigen wind, veel minder dan men zou meenen. Wel breken de golven met groot gedruisch tegen den boeg, maar het schip heeft met zulk een groot verval te kampen, dat het maar weinig vooruitkomt. Het is een ware kunst hier zoo te sturen, dat het vaartuig zoo weinig mogelijk krommingen maakt en toch niet tegen de klippen stoot; elke wending toch maakt eene verandering in de plaatsing van het onhandige zeil noodzakelijk en elke stoot veroorzaakt een lek. Kapitein en matrozen hebben daarom handen vol werk. Desniettemin begint eerst dan de eigenlijke arbeid, wanneer een der vele stroomversnellingen in ’t gezicht is, die men over moet steken. Het tot nog toe half ontrolde zeil wordt in zijn geheel aan den wind blootgesteld; de bark jaagt als een krachtige stoomboot door den chaos van rotsen en bereikt de draaikolk, die aan den voet van bijna alle watervallen te vinden is.[316]Alle matrozen staan bij de uitgelegde riemen of aan de gereedliggende touwen, om, al naar zulks vereischt wordt, aan te grijpen, wanneer de boot, gelijk met opzet geschiedt, door de draaikolk wordt gegrepen en in een cirkel wordt rondgevoerd. Op het gegeven bevel van den stuurman dompelen aan deze zijde de riemen in het water, stooten aan de andere zijde lange staven op de rotsen, om het vaartuig daar van af te houden; verkleind of vergroot, draait of wendt zich het door de knapste matrozen gemanoeuvreerde zeil. Eenmaal, tweemaal, zesmaal, tienmaal poogt men tevergeefs de draaikolk over te steken,—eindelijk gelukt zulks en de boot bereikt het benedeneind van den val. Hier evenwel staat zij als vastgeklonken; de drukking van het zeil en van het water maken evenwicht met elkaar. De wind wordt sterker en het vaartuig rukt een of meer meter vooruit; de drukking op het zeil vermindert en de golven werpen het schip weêr terug. Nogmaals vangt de strijd tegen draaikolk en golven aan, en wederom behalen de laatste de overhand. Het komt er nu op aan het ingenomen en veroverde standpunt te handhaven. Een der matrozen grijpt het touw met de tanden, werpt zich in ’t midden van den hevigsten golfslag in den stroom en poogt al zwemmende, terwijl hij het zware touw achter zich aan sleept, een boven de golven uitstekend rotsblok te bereiken. De golven slingeren hem weêr terug en bedekken hem geheel, maar hij herhaalt zijn pogingen, totdat hij inziet, dat hij niet tegen den sterken stroom is opgewassen en een teeken geeft, waarop hij naar het schip wordt teruggetrokken. Nog eenmaal spelen, tot vernietiging in staat, draaikolk en golven met het bij hen vergeleken zoo brooze gebouw; nog eenmaal stuwt de wind dit laatste, in weêrwil van beiden, vooruit. Daar hoort men plotseling een angstverwekkend gekraak; de stuurman verlaat op hetzelfde oogenblik zijn plaats, en vliegt, een wijden boog beschrijvend, door de lucht en in den stroom,—de boot was op een door het water bedekte rots gevaren. Fluks bemachtigt zich een der matrozen van het roer, fluks werpt een ander den in het schuimende water spartelenden stuurman een opgeblazen, aan een touw vastgemaakten lederen zak toe en fluks vliegen de anderen met hamer, beitel en werk naar het scheepsruim om onmiddellijk het lek te dichten. De man aan het roer behoedt, zoo goed hij kan, het vaartuig voor een tweeden schok; de ondergedompelde stuurman klimt uit het donker nat, terwijl hij meer op klagenden dan biddenden toon de woorden uit: „El hamdi lillahi”—God zij geprezen!—de overigen hameren[317]en stoppen, en keeren het indringende water. Een geeft zijn hemd prijs om een lek te dichten, dat reeds alle werk verslond. En wederom zeilt de boot door kolk en golven, schommelend, zuchtend, knarsend als een zeeschip in den storm; weêr bereikt het de stroomversnelling en weêr wordt het gekluisterd door wind en golven. Twee matrozen springen samen in den stroom, bereiken gelukkig het begeerde rotsblok, slingeren er het touw omheen en wenken de overigen om de boot aan te trekken. Zulks geschiedt en nu ligt de boot vastgemeerd aan de rots, in het midden van den hevigsten golfslag, waardoor ze zoodanig wordt geslingerd en zonder ophouden op en neêr bewogen, dat men er zeeziek van worden kan en zulks ook dikwijls werkelijk wordt. Een tweede boot nadert en vraagt hulp. Men werpt haar door middel van den opgeblazen zak een touw toe en bespaart de bemanning hierdoor tijd en moeite. Weldra ligt ook deze boot en daarna een derde en een vierde onder dezelfde rots en alle dansen gezamenlijk op en neêr. Nu evenwel is de vereenigde scheepsmanskracht talrijk en sterk genoeg om de overvaart geheel ten einde te brengen. Tweemaal zooveel matrozen als elk vaartuig voert, bezetten alle noodzakelijke posten van het eene; de anderen zwemmen, waden en klauteren, lijnen naar zich toe trekkende, naar een rotseiland boven de stroomversnelling en slepen de eene boot na de andere, hun krachten met die van het zeil vereenigende, over den schuimenden, bruisenden waterval naar boven. Hier en daar, en nu en dan is de kracht van het zeil alleen voldoende; onder zulke gunstige omstandigheden evenwel brengt windstilte niet zelden vaartuig en bemanning in gevaar. Dikwijls moet eene boot midden in de brandende golven uren, zelfs een dag lang blijven liggen om op een gunstigen wind te wachten. Dan kan het gebeuren, dat men aan elke rotspunt een scheepje ziet hangen, zonder dat men in staat is elkander hulp te bieden.Meer dan eens was ik genoodzaakt mijn nachtleger op een der zwarte rotsen op te slaan, omdat de hevige beweging der in den waterval op en neêr slingerende boot den slaap onmogelijk maakte. Bezwaarlijk kan men zich een vreemdsoortiger slaapplaats denken. De grond, waarop men rust, schijnt te beven onder de daartegen brandende golven; het bruisen en ruischen, sissen en loeien, dreunen en donderen van het water verdooft elk ander geluid; zwijgend zit of ligt men op zijn tapijt, omringd door zijn lotgenooten. Evenals een dikke voorbijtrekkende nevel spreidt elke windvlaag een fijnen stofregen over het rotseiland. Het[318]heldere legervuur werpt een wonderlijken lichtschijn op het gesteente, en de donkere, in alle vooruitspringende hoeken en kanten schuimende wateren, geven aan de in de schaduw verborgen draaikolken en watervallen nog spookachtiger voorkomen dan ze werkelijk hebben. Soms is het alsof zij honderd muilen openen om het arme menschenkind te verslinden. Doch deze heeft een vertrouwen even sterk als de grond, waarop hij rust. De geweldige stroom moge donderen, de branding woeden en schuimen, men rust hier veilig op de rots, die duizenden van jaren die woede doorstond. Wanneer echter het touw eens brak en de reddende boot tegen de nabijzijnde rots werd geslingerd en verbrijzeld? Dan zal een andere verschijnen om den schipbreukeling aan wal te brengen. Men kan slapen, rustig slapen, in weêrwil van dergelijke gedachten en in weerwil van het onophoudelijk gedreun, want het gevaar verleent moed en moed wekt vertrouwen; het donderen der golven wordt een wiegelied. Welk een ontwaken evenwel op den volgenden morgen! De hemel straalt in ’t oosten van een donzig rood, de oude rotsreuzen hebben een purperen mantel omgeslagen en schitteren straks in een oogverblindend licht, als waren zij gebouwd uit gepolijst staal. Licht en schaduw weven op de zwarte rotsen en in de met een goudgeel zand opgevulde kloven het onbeschrijfelijk heerlijke tooverkleed der woestijn; duizenden en nogmaals duizenden waterpaarlen fonkelen en schitteren daar tusschen; en de stroom ruischt ons daarbij zijn machtige, eeuwig dezelfde en eeuwig verschillende melodie in de ooren. Zulk een schouwspel en zulke muziek vervult elk mannenhart met verrukking. In stille aandacht brengt men den morgen op zijn verheven schouwplaats door, want eerst tegen den voormiddag verheft zich de altijd naar het zuiden stroomende wind. Met dezen beginnen wederom arbeid en gevaar, moeite en strijd, vermetelheid en vrees; en zoo verloopt de eene dag na den anderen, en verdwijnt de eene stroomversnelling na de andere achter den schipper.De reis stroomopwaarts is gevaarlijk en tijdroovend, de reis stroomafwaarts een waagstuk zonder wederga, een doldriftig jagen door vloed en versnelling, draaikolk en maalstroom, watervallen en rotsnauwten, een moedwillig spel met het leven.Men onderneemt zoodanige reizen door het gebied van alle stroomversnellingen alleen in booten, die in Soedan gebouwd zijn en voor den benedenloop bestemd werden. Ongeveer een tiende gedeelte wordt op de reis verbrijzeld; dat niet een betrekkelijk even groot aantal[319]schepelingen verongelukt is alleen toe te schrijven aan de ongeëvenaarde zwemkunst der Nubische schippers, die zelfs dan nog niet altijd verdrinken, als zij door de golven tegen de rotsen geslingerd worden; gewoonlijk laten zij zich als eenden op het water drijven om eindelijk toch weder aan vasten wal te geraken.Ik zal trachten u zoo getrouw mogelijk enkele tafereelen te schetsen van zulk eene vaart stroomafwaarts.Zes nieuwe booten uit het zware, in het water zinkende mimosenhout getimmerd, dat in Egypte zoo zeer gezocht en op prijs gesteld wordt, liggen op de zuidelijke grens der derde groep van stroomversnellingen, aan de rivieroevers vastgemeerd; de daarbij behoorende manschappen rusten op het zand tusschen de zwarte rotsblokken, alwaar zij den nacht hebben doorgebracht. Het is nog vroeg in den morgen en nog stil in het leger; de stroom alleen laat zijn ruischende taal in deze eenzaamheid hooren. De aanbrekende dag wekt de slapers; de een na den ander daalt naar de rivier af en verricht hier de voorgeschreven wasschingen voor het morgengebed. Nadat men het „voorgeschrevene” en het „bijgevoegde” van het gebed heeft uitgesproken, verkwikt zich de geheele bemanning aan een sober ontbijt. Dan ijlt jong en oud naar het graf van den een of anderen scheik of heilige, welker witte koepels tegen de lichtgroene mimosen van een donker dal helder afsteken, om hier onder aanvoering van den oudsten scheepsaanvoerder, die de plaats van Imam bekleedt, een afzonderlijk gebed om eene gelukkige vaart uit te spreken. Bij de booten teruggekeerd, werpt men nog, een oud voorvaderlijk, heidensch gebruik volgende, eenige dadels als offergave in den stroom.Nu evenwel gebiedt elke gezagvoerder zijn manschappen ieder zijn post in te nemen. „Laat het zeil los! roeit o mannen, in den naam Gods des Albarmhartigen!” Zoo klinkt zijn bevel. Hierop begint hij te zingen, n.l. het refrein van een gedicht; een der roeiers neemt deze wijs over en zingt het eene vers van dat lied na het andere; de overigen begeleiden hem met de taktmatig voorgedragen woorden: „help ons o Mohammed, help ons o godsgezant en profeet!”DE TERUGKOMST VAN DE JACHT.DE TERUGKOMST VAN DE JACHT.Langzaam beweegt zich de schuit naar het midden des strooms; sneller en altijd sneller drijft zij naar beneden; nog enkele minuten en, steeds den loop versnellende, schiet zij tusschen de rotseilanden boven de stroomversnelling door. „O Said, geef ons vreugde,” smeekt de „Reis” of schipper, terwijl de matrozen voortgaan met zingen. Sneller en sneller dompelen de roeiriemen[320]in het zwarte water, en het zweet druipt van de bruine, gisteren weder frisch met zalf ingesmeerde, tot op de lendenen naakte lichamen der roeiers; elke spier is saamgetrokken en in werking. Lof en smaad, vleiende woorden en verwenschingen, beden en bedreigingen, zegenwenschen en vervloekingen wisselen in den mond van den „Reis” met elkander af, al naar de boot een met zijn wenschen meer of minder overeenstemmenden koers maakt. De met alle kracht aangebrachte riemslagen, ofschoon alleen tot sturen en richten bestemd, verhaasten den reeds zeer snellen loop van het vaartuig nog meer en verhoogen het gevaar dikwijls evenveel als zij het trachten te ontgaan; de Reis vindt hierin genoegzame verontschuldiging, waar hij alle hem ten dienste staande middelen aanwendt om zijn matrozen aan te vuren. „Legt u op uwe riemen, werkt, werkt mijn zonen! toont uwe kracht naneven en nakomelingen van helden; bewijst uwen moed, gij dapperen; geeft blijk van uwe kracht, o helden; prijst den profeet, gij geloovigen! Ja, de meriesa, de simbilgeurige meisjes van Dongola, de vertellingen van Kaïro, dat alles zal het uwe zijn! Bakboord zeg ik u, honden, hondenzonen, hondenneven, zonen en nakomelingen van honden, gij christenen, gij heidenen, gij joden, gij kaffers en vuuraanbidders! Wacht, gij spitsboeven, schelmen, dieven, gauwdieven, landloopers, wilt gij roeien! Eerste roeiriem stuurboord, hangen vrouwen aan uwen arm? Derde roeiriem bakboord, slinger de wijven in ’t water, die u leiden! Recht zoo, voortreffelijk, uitstekend, gij krachtige, knappe, lenige jongelingen! God zegene u, gij braven, en geve uwen vader vreugde en uwen kinderen heil en zegen! Beter, beter nog, gij bloodaards daar, gij krachteloozen, ellendigen, nietswaardigen! Verdoeme u Allah in zijn rechtvaardigen toorn,—help ons, help ons o Mohammed!” Zoo stroomt het onafgebroken uit den mond des gezaghebbers, en alles wordt met den meesten ernst gezegd, gesproken, geschreeuwd, geklaagd en nog daarenboven bekrachtigd door passende bewegingen met het hoofd, de voeten en de handen.DOOR DE WATERVALLEN VAN DEN NIJL.DOOR DE WATERVALLEN VAN DEN NIJL.De boot heeft den bovensten trap der stroomversnelling bereikt. De rotsen aan beide zijden schijnen in het rond te draaien; het donderende water vloeit over dek en boord en overstemt elk ander geluid, zelfs de bevelen des stuurmans. Onophoudelijk wordt het ranke vaartuig van de eene rots naar de andere geworpen—vrees, angst, ontzetting staan op aller gezichten te lezen—daar ligt de gevreesde plaats reeds achter den spiegel der boot; de golven, die van de rotsen terugschuimden[321]hebben ook het scheepje teruggeworpen; twee riemen slechts zijn gebroken, als broos glas werden zij door het gesteente in splinters geslagen. Maar dit verlies belemmert de boot de gewilde richting aan te nemen en zij drijft naar een der watervallen. Een algemeen geschreeuw drukt ontzetting en vertwijfeling uit; op een wenk van den met bevende knieën aan het roer staanden Reis werpen allen zich plat op het dek en houden zich hier krampachtig vast; een oorverdoovend gekraak[322]volgt, terwijl de ziedende golven alles bedekken; een enkel oogenblik ziet men niets dan water, daarna springt de boot bliksemsnel omhoog—de doodsgevaren zijn voorbij, men heeft den waterval achter zich. „El hamdi lillahi”—God zij dank!—zoo luidt de kreet, aan ieders borst ontweld; dan snellen enkelen naar het ruim om mogelijke lekkages op te sporen en te dichten, anderen leggen nieuwe riemen op, en de tocht wordt vervolgd.Achter deze eerste boot jaagt een tweede door de gevaarlijke stroomversnelling. Met onstuimige, steeds versnelde haast arbeiden de roeiers: daar worden allen plotseling tegen den grond gesmakt, en een hunner vliegt in een hoogen boog van zijne plaats door de lucht om in den stroom neêr te vallen. Hij schijnt verloren en in den afgrond begraven, maar neen! te midden van de draaiende en schuimende golven beneden de stroomversnelling duikt de meesterzwemmer weêr naar boven, terwijl zijn kameraads in hunne radeloosheid de handen wringen, en wanneer een derde boot de tweede, die op een rotsblok is gestrand, voorbijjaagt en in den maalstroom is gekomen, grijpt hij een der riemen en slingert zich behendig aan boord; hij is gered. Ook de vierde boot rukt nader; smeekende gebaren van de gestrande bemanning der tweede boot roepen om hulp—een wijzen naar den hemel is het antwoord. Inderdaad, menschelijke hulp schiet hier te kort, want de vaartuigen zijn hier niet in de macht der menschen, de stroom zelf moet helpen, wanneer hij niet vernietigen wil, en hij helpt. Grooter worden de slingeringen van het schip, welks voor- en achtersteven beurtelings onder het water verdwijnen en weêr daaruit omhoog rijzen, en plotseling jaagt het weder door draaikolk en stroomen. Eenige matrozen roeien, anderen scheppen water, zoo ook twee medereizende vrouwen; wederom anderen hameren, spijkeren en kalefateren in het ruim. Voor de helft met water gevuld, half drijvend, bereikt de boot den oever en wordt uitgeladen, maar de helft der lading, bestaande uit Arabische gom, is verloren; klagend, jammerend, weenend, op de met de mannen reizende vrouwen vloekende, rukt zich de eigenaar, een arm koopman, den baard uit. De beide vrouwen zijn van alles de schuld; hoe konden zij, die reeds in het paradijs het menschdom in het verderf stortten, een geloovigen Muzelman zegen aanbrengen! Wee, wee over de vrouwen en haar geheele geslacht!De boot wordt den volgenden dag hersteld en opnieuw geladen; alsdan drijft zij met de anderen naar de volgende stroomversnelling,[323]doorklieft deze zonder beletsel en men bereikt gezamenlijk het vruchtbare, rotsvrije stroomdal van Midden-Nubië, dat alle schippers gastvrij ontvangt en opneemt. Vergeten is alsnu alle zorg; de bruine mannen lachen en schertsen als kinderen en slurpen met wellust den palmwijn en den „meriesa.” Veel te snel drijft de stroom de booten door het gelukkige land.Wederom schudt de woestijn haar goudgele zandmassa’s over de rotsen der Nijloevers; wederom vernauwen, verdeelen en verhoogen rotseilanden de bedding des strooms; de schepen hebben de tweede stroomversnelling bereikt. De eene gevaarlijke waterloop, de eene gevreesde maalkolk, de eene zorgverwekkende nauwte en kromming na de andere is achter den rug; men voer ze gelukkig door, maar de laatste en wildste stroomversnellingen scheiden de schepelingen nog van het palmendorp Wadihalfa en het van hier uit nog slechts eenmaal, beneden-Phile, met rotsen gevulde, maar overigens niet gevaarlijke benedenste stroomdal. Alle booten zoeken boven de waarlijk vreeselijke stroomversnellingen Gaskol, Moedjana, Aboe-Sir en Hambol een rustige bocht; alle schepen liggen hier stil tot den volgenden morgen, om zich te sterken tegen den arbeid, de inspanning, angst en zorgen van den volgenden dag. Op veêrende rustbedden leggen ook de Westerlingen zich neder.De nacht schuift zijn sluier over het wilde land. In het rotsdal donderen de naar beneden stortende wateren; in den stillen inham weêrspiegelen de sterren; van het strand stijgt de geur van mimosen omhoog. Daar treedt een bejaarde, tusschen de stroomversnellingen geboren en grijs geworden Reis naar de Westerlingen toe. Zijn schitterend witte baard omlijst het edele aangezicht; zijn wijd opperkleed doet denken aan den tabbaard eens priesters. „Zonen der vreemdelingen, mannen uit Frankenland!” zoo vangt hij aan te spreken, „gij hebt met ons groote gevaren doorstaan, grootere staan u te wachten. Ik ben in het land geboren; zeventig jaren heeft de zon mijn hoofd beschenen; eindelijk heeft zij mijn haar gebleekt. Ik ben een oud man—gij kondt mijn kinderen zijn. Daarom let op de stem van hem, die u waarschuwt en laat af van uw voornemen ons morgen te vergezellen. Onwetend gaat gij het gevaar in, maar ik ken het. Indien gij, evenals ik de rotsen hadt gezien, die als poorten aan de golven den doortocht versperren, indien gij, evenals ik, hadt gehoord hoe deze golven toornig en dreunend toe- en doorgang eischen, hoe zij[324]over de rotsen stroomen en brullend omlaag storten; indien gij bedacht, dat eenig en alleen de genade Gods, die wij bewonderen en aanbidden, ons armzalig scheepje kan sturen, dan zoudt gij aan mijn wensch voldoen. Zou het hart uwer moeder niet van kommer en verdriet breken, wanneer de barmhartigheid van den Albarmhartige ons verliet?—Gij wilt niet? Dan moge de genade des Almachtigen over ons allen heerschen!”Vóór zonsopgang wordt het levendig aan het strand. Vuriger dan ooit verrichten de schepelingen hun morgengebed. Ernstige, met den stroom bekende stuurlieden, jonge, krachtige, waagzieke roeiers bieden den oude hun diensten aan. Bedachtzaam kiest hij de knapste stuurlieden en de krachtigste roeiers, drievoudig bemant hij het roer en geeft daarna het teeken tot opbreken. „Mannen en zonen des lands, kinderen des strooms, bidt de fatiha” beveelt hij. En allen spreken de woorden van de eerste soere des Korans: „Lof en eer den Heer der wereld, den Erbarmer, die daar heerscht ten dage des gerichts. U willen wij dienen, tot u willen wij bidden, opdat Gij ons den rechten weg zult wijzen, den weg dergenen, die zich in Uwe genade verheugen, maar niet den weg derzulken, over wie Gij toornt, en niet den weg der dwalenden!” „Amen, mijn kinderen; in den naam des Albarmhartigen! Maakt de touwen los en slaat de handen aan de riemen.” Gelijktijdig vallen deze in het water.Langzaam drijft de opgestuwde stroom het vaartuig naar de eerste versnelling en nogmaals jaagt het, hierin gekomen, aan roer noch riemen gehoor gevende, in alle voegen krakende en steunende, door de over elkaar stortende golven en het kokend schuim, door draaikolk en maalstroom, door nauwten en gewonden vaarwaters, door de golven omspoeld en bedekt, rakelings langs de rotsen, en even rakelings over de met dwarrelende wateren bedekte rotstoppen naar eene tweede versnelling.Van de hoogte der helling schouwt het oog vol ontzetting in eene met betrekking tot het geweld des waters afgrijselijke diepte; vlak voor den voet des vals verheft zich een rond rotsblok, omgeven door schuimende golven, een met witte haren omlijst reuzenhoofd, dat boven de wateren uitsteekt. Een afgeschoten pijl gelijk schiet het armzalig, hier niet meer te besturen scheepje op dien reuzenkop af. „In den naam des Albarmhartigen roeit, roeit, gij mannen, gij geweldige, dappere, koene mannen, gij zonen des strooms!” steunt de Reis; „bakboord,[325]bakboord het roer, met alle kracht.” Maar roer en riemen weigeren. Niet zoozeer het rotsblok brengt nu het scheepje in gevaar, maar dit wordt door een nauw, in een chaos van rotsen voerend, aan stuurboordszijde der rotsen zich vertakkend vaarwater opgenomen, en tevergeefs zoeken aller oogen een uitweg uit dezen chaos. Reeds verlaten de matrozen de roeibanken om zich van de laatste kleedingstukken te ontdoen, ten einde, zoo de boot mocht stranden, in het zwemmen niet gehinderd te worden; daar doet een vreeselijk gekraak aller blikken weder rugwaarts wenden; het steenen hoofd heeft de volgende, langere, daardoor minder goed te zwenken boot als offer ontvangen, en houdt haar zwevend boven den daar beneden schuimenden vloed. Zulks vermeerdert de ontsteltenis. Alle schepelingen beschouwen de bemanning dier boot voor reddeloos verloren, en allen maken zich gereed voor den sprong in de diepte. Daar dreunt helder en luid de stem des grijzen stroomouden over de woelende wateren. „Zijt gij dan dol, zijt gij van God verlaten, gij kinderen der heidenen! arbeidt, arbeidt, gij knapen, mannen, helden, gij dapperen en geloovigen! In de hand des Almachtigen berust alle kracht en sterkte; Hem zij de eer; aan de riemen gij zonen van helden!” En hijzelf gaat naar het roer en voert binnen weinige minuten de boot uit den „weg der dwalenden” op den „rechten weg” terug. De eene boot na de andere verschijnt in het vrije water; toch niet alle booten ontgingen het gevaar. Nog altijd, en wel tot aan de volgende rijzing van den Nijl draagt het reuzenhoofd zijn last, terwijl de ongeluksboot, waarin de vrouwen waren gezeten, reeds bij de bovenste stroomversnelling in duizend splinters werd geslagen. Met de gelukkig geredde manschap bidden de schippers evenals vóór de afvaart: „Lof en prijs den Heer der wereld!”Voor het door palmboomen beschaduwde dorp Wadihalfa liggen de geredde booten naast elkander; aan het strand, om flikkerende vuurvlammen, in schilderachtige groepjes geschaard, de schippers. Dikbuikige kruiken, gevuld met meriesa, noodigen tot drinken uit; in andere vaten derzelfde soort borrelt het vleesch der geslachte schapen, onder toezicht van ras toegesnelde, met ricinusolie gezalfde, voor Europeanen niet te naderen vrouwen en meisjes.De klank der cithers en het geroffel der trom geven het teeken tot den aanvang der „fantasie” van het feest, smulpartij en drinkgelag. Een onuitsprekelijk welbehagen maakt zich van alle schippers meester;[326]hun zaligheid is aan gelaat en bewegingen kenbaar. Eindelijk laat zich na den zwaren, angstigen arbeid van heden de vermoeidheid gelden. De taraboeka valt uit de slappe armen, de tamboera aan de vermoeide hand, en alle, zoo even nog luidruchtige stemmen zwijgen.In hare plaats vangt thans de nacht aan te spreken. Daar boven klinkt nog steeds het gedonder van de watervallen; uit de kronen der palmen, met wier veêren de nachtwind speelt, daalt een zacht gefluister naar omlaag: aan het vlakke strand breken onder welluidend geklots de golven. En het gedonder der wateren en het spelen der golfjes, het geruisch van den wind en het gefluister der palmen vormen te zamen het heerlijkste wiegelied, dat allen doet insluimeren in het lichtrijk van gouden droomen.[327]
Egypte en Nubië, alhoewel onmiddellijk aan elkander grenzende en door een gemeenschappelijke rivier onderling verbonden, wijken toch zeer van elkander af. De goddelijke Nijl stroomt rustig en statig door Egypte, maar bruist in koortsachtige haast door Nubië; over Egypte verspreidt hij naar alle zijden zegen, in Nubië wordt hij in boeien geslagen door hooge, rotsachtige oevers; in Egypte bereikt hij de woestijn, in Nubië achterhaalt de woestijn hem. Egypte is een tuin, door hem in den loop der eeuwen geschapen, Nubië is eene woestijn, die hij niet vermocht te overwinnen. Het is waar, deze woestenij kent haar oasen even gelijk iedere andere, maar zij zijn weinig in aantal en verdwijnen tegenover de eindelooze woestenijen aan beide zijden des strooms. Bijna overal in het lange, gewonden dal, dat Nubië heet, verheffen zich zwarte, blinkende rotsmassa’s, hetzij uit het stroombed zelf, of op geringen afstand der oevers; mijlen in ’t rond belemmeren zij elke vegetatie en alleen door de woestijn weêrszijds erlangen zij eenigen tooi in de vormen van goudgele zandgolven, die over hare kruinen rivierwaarts rollen. Gloeiend ziet de zon van den donkerblauwen, bijna altijd onbewolkten hemel naar beneden, en het komt voor, dat er jaren voorbijgaan, zonder dat een enkele regendruppel het uitgedroogde land verfrischt. In de diep ingesneden dalen strijden de levenaanbrengende wateren van den bevruchtenden stroom te vergeefs tegen het onwillig gesteente, tegen hetwelk zij brullend en donderend breken, evenals wilden zij hun toorn uitspreken over de ondankbaarheid, waarmede hun mildheid wordt beloond.
De kampplaats, alwaar die strijd gestreden wordt, is het gebied van de stroomversnellingen des Nijls.
Slechts weinige reizigers, die het dal van den benedenloop dezer rivier bezochten, leerden de stroomversnellingen van haren middenloop[294]kennen. Een zeer gering aantal overschrijdt den zoogenaamden eersten waterval, nog kleiner aantal den tweeden. Wadihalfa, een onmiddellijk beneden de tweede stroomversnelling gelegen dorp, is het gewone doel der Nijlreizigers; verder naar het zuiden wordt slechts de natuuronderzoeker gedreven, of de jager, of de handelaar. Van Wadihalfa uit beginnen de moeielijkheden eener reis in de binnenlanden van Afrika; geen wonder alzoo, dat de groote massa in genoemd palmendorp den steven weder huiswaarts richt. Hij echter, die jong en krachtig is, sterk van wil en niet verweekelijkt, zal er nimmer berouw over gevoelen wanneer hij zuidelijker trekt. Is het Nijldal arm aan landschappelijke bekoorlijkheden, het gebied der stroomversnellingen vormt eene eigenaardige wereld op zichzelf. Verhevene en liefelijke, ernstige en vroolijke, vreeselijk eenzame en frissche, levendige beelden wisselen met elkander af; het zijn echter beelden der woestijn, die men te zien krijgt, en om ze naar waarde te schatten moet men voor het gewone het oog sluiten. Wie niet in staat is de woestijn te begrijpen, of zich te verzadigen aan haren kleurenrijkdom, of haar hitte te doorstaan, en zich aan haar nacht te verkwikken, doet wel ook de Nijlwoestijn niet te betreden; wie met open oogen en ontvankelijk gemoed het gebied der stroomversnellingen bereist, zoo mogelijk zelfs in eene ellendige boot den strijd aanvaardt tegen de schuimende golven, zal zijn gansche leven teren op de heerlijkste herinneringen, want nooit en nimmer zal het aangrijpend tooneel, dat het lichamelijk oog aanschouwde, verbleeken voor het geestelijk oog, nooit zal de ziel het goddelijk lied vergeten, dat eens de stroom het oor heeft voorgezongen.
Zoo althans vergaat het mij, die te land en te water Nubië’s rotsland door ben getrokken, in de boot, stroomopwaarts en stroomafwaarts, die met gebrek en gevaren heb te worstelen gehad, en nu eens van de toppen der steile rotsen, dan weder van den rug des kameels de stroomversnellingen heb gadegeslagen.
Het is gewoonte geworden van drie watervallen van den Nijl te spreken. Ieder dezer bestaat uit eene reeks van stroomversnellingen, die over de uitgestrektheid eener mijl de scheepvaart ten hoogste bezwaren en gevaarlijk maken. In den eersten waterval is er maar ééne stroomversnelling van beteekenis, in den tweeden en derden echter zijn er samen over de dertig, ieder van welke eenen haar door de Nubische schippers gegeven naam draagt. Watervallen, die de scheepvaart ten eenenmale onmogelijk maken, zijn er evenwel niet, althans niet in het[295]vaarwater, waarin zich, behalve de gewone vaartuigen, die booten bewegen, welke uitsluitend met het oog op de stroomversnellingen zijn gebouwd en uitgerust.
Wanneer men, in de richting van den heiligen stroom voortreizende, de noordoostelijkste vernauwing der oevers tusschen de „bergen der keten” achter zich heeft gelaten, verandert plotseling het landschap. Egypte, of het breede, zeewaarts zich tot eene onafzienbare vlakte verwijdende stroomdal ligt achter den rug der reizigers en de rotsdrempel van Nubië bouwt zich voor zijnen blik op. De tegenstelling is verrassend. De eentonigheid maakt plaats voor afwisseling. Wel biedt ook Egypte menig hartverfrisschend, het oog aangenaam aandoend beeld; wel tooit ook het landschap in Egypte zich, vooral ’s avonds en ’s morgens, met den wonderbaren glans van het zuidelijk licht; maar over ’t algemeen is dat landschap eentonig, omdat men overal hetzelfde ziet, onverschillig of men het oog vestigt op de zandsteenen en kalkrotsen der dalbegrenzing, of het laat weiden over den stroom en de landerijen. Een en hetzelfde beeld keert schier onveranderd honderden malen weder: gebergten en vruchtbare vlakten, oeverwanden en eilanden, mimosenboschjes, palmengroepen, sykomoren, steden en dorpen, alles draagt in hoofdzaak hetzelfde karakter. In ’t gezicht van de rotspartijen van den eersten katarakt, van den laatsten grendel, dien de zeewaarts spoedende stroom verbrak, eindigt dit Egypte en begint Nubië. De boot glijdt niet meer over den in majestueuse rust daarheen vlietenden stroom, maar zij moet zich gewelddadig zelf een weg banen tusschen de rotsmassa’s en de uit de golven zich verheffende rotskegels.
Boven op een steil afvallend, vooruitstekend gedeelte van den linkeroever ziet men een ellendig, maar niettemin schilderachtig uitkomend bouwwerk, het graf van ScheikMusas, den patroon der eerste stroomversnelling, vervolgens het aan palmboomen rijke eiland Elephantine, en spoedig hierna Assoean. Rotsmassa’s uit wier schors eene eeuwen achtereen voortgezette werking der tegen haar schuimende golven de inscripties uit den tijd der Pharao’s niet vermocht uit te delgen, versperren het vaarwater en noodzaken de boot tot allerlei wendingen, tot zij eindelijk in eene stille bocht, waar men nog het woeden der stroomversnelling hoort weêrklinken, eene veilige landingsplaats vindt.
Het is een door de oudheid gewijde grond, dien wij betreden. Lang vervlogen eeuwen spreken, door middel van het zoo even vermelde[296]heilige schrift, tot ons in verstaanbare taal. „Ab” of ivoorstad, Elephantine, zoo heette de stad op het eiland van denzelfden naam; het eiland is gebleven, maar zelfs de puinhoopen der stad zijn verdwenen. „Soen”, Syene, heette de plaats aan den rechteroever, waar nu Assoean is gelegen. Elephantine, de zuidelijkste haven van het oude Egypte, alwaar de uit het binnenland van Afrika gehaalde waren, inzonderheid het destijds reeds als kostbaar geachte ivoor, werden opgestapeld, was de hoofdstad van het zuidelijk Nijldistrikt; Soen was wellicht een arbeidersdorp, ofschoon als zoodanig toch niet van geringer beteekenis dan Elephantine. Want hier werd van de oudste tijden van het Egyptische rijk af de „Mat” of „Ethiopische steen van Herodotus”, dien men in de nabijheid brak, aan den Nijloever gebracht en in de schepen geladen, die hem naar de plaats van bestemming voerden; naar dit „Soen” ontving de kostbare steen den naam van „syeniet”, dien hij nu nog draagt. Opschriften op de gedenkteekenen, die dagteekenen van de oudste Egyptische koningsgeslachten, op zulke, die tot in het tweede en derde duizendtal jaren vóór onze tijdrekening opklimmen, gewagen meermalen van de plaats Soen, en tallooze andere hiëroglyphen, in de nabijgelegen steengroeven zelf, doen ons de beteekenis van dit arbeidersdorp kennen. Over nagenoeg twee vierkante geographische mijlen der ten oosten van den waterval gelegen woestijn strekken zich de steengroeven uit, waaruit men de groote blokken haalde, die als reusachtige ronde en spitse zuilen, als lijsten en draagbalken van tempels ons met stomme verbazing vervullen; ook werden er de grafkamers der pyramiden mede bekleed, daar men van hen vertrouwde, dat zij in staat zouden zijn den op hen drukkenden last te dragen.
„Overal,” zegt mijn geleerde vriendDümichen, „zien wij hier, hoe de menschelijke hand bezig was, deels om het kostbare gesteente uit den rotswand los te maken, deels om in beeld en schrift sommige gebeurtenissen te vereeuwigen; overal is de steen hier in een gedenkteeken veranderd, en talrijke opschriften, dikwijls op de hoogste toppen der bergen aangebracht, wij-spreuken ter eere der goddelijke drieëenheid van het voornaamste Opper-Egyptische landschap,—van den god des watervalsChnoem-Raen zijne beide gezellinnenSatienAnoeke,—andere ter verheerlijking van sommige heldendaden der Egyptische koningen en hooge staatsbeambten bedekken wijd en zijd de rotswanden. Ook deze opschriften gaan gedeeltelijk tot in de oudste tijden der[297]geschiedenis terug; en toch, hoe jong zijn ze niet, vergeleken bij den strijd, die hier gedurende niet te berekenen duizendtallen van eeuwen de Egyptische zonnegod Ra tegen het gesteente voerde. Overal n.l. zijn de rotsen ter plaatse, waar zij nog niet door menschenhanden werden bewerkt en voor onze oogen bloot liggen, oppervlakkig met eene donkergrijze korst, als ware deze aaneengesmolten, bedekt, terwijl de breukvlakten van het syeniet, aan welke wij met zekerheid soms een ouderdom van vier duizend jaren mogen toekennen, evenals de overal in de groeven verstrooid liggende blokken nog op den huidigen dag de aan granietgesteenten eigendommelijke roode kleur in volle frischheid behouden hebben; die eeuwen zelfs waren niet bij machte om dat schorskleed des tijds aan te leggen.”
DE TEMPEL TE PHILE.DE TEMPEL TE PHILE.
DE TEMPEL TE PHILE.
Van elken hoogen oeverberg kan men een gedeelte van den katarakt overzien. Twee woestijnen naderen den Nijl en reiken elkander in dien stroom over eene menigte kleine rotseilandjes de hand. Elk dier eilanden deelt den stroom en noodzaakt hem zijn wateren op te stuwen; maar met des te meer geweld vervolgt hij tusschen deze versperringen[298]schuimend zijn loop. Zonder ophouden klotst en brandt het water tegen de overblijfselen van een reeds vóór duizenden eeuwen door hem zelf verbroken rotsdam; hij schijnt ze op te willen ruimen, ze te vernietigen, en te toornen over den nog altijd niet bedwongen tegenstand, zoo woest klinkt het klotsen der golven naar den beschouwer omhoog. Het is de muziek, die het tooneel voor en onder hem begeleidt. Rusteloos, gelijk de eeuwig stroomende wateren, dwaalt het oog over dien chaos van rotsen; honderd afzonderlijke beelden vallen tegelijk in het oog, en niettemin formeert zich uit die veelheid een majestueus geheel, waarin de starre, blinkende rotsmassa’s scherp tegen het witte schuim der haar omspoelende wateren, tegen de beide aangrenzende, goudgele woestijnen en tegen den wolkenloozen, donkerblauwen hemel daar boven afsteken.
Aantrekkelijk vooral is het bovengedeelte der stroomversnelling. Een keten van zwarte rotsen, de natuurlijke grensmuur tusschen Egypte en Nubië, trekt dwars door den Nijl en breidt zich aan beide oevers uit tot een langen boog, die voor ’t oog des waarnemers een overal gesloten, door rotsdammen omgeven keteldal vormt. Zijn wallen bestaan ten deele uit samenhangende massa’s, ten deele uit los op elkaar gestapelde, als door reuzenhanden opgeworpen, ronde, eivormige en hoekige rotsblokken. Hier en ginds steken enkele gedeelten der omwalling voor de anderen uit, elders wijken zij meer terug; hier en daar verheffen zij zich als eilanden uit het oude meerbekken, dat zij insloten, alvorens de geweldige stroom zich daar een vrijen doortocht baande.
Te midden dezer puinhoopen van den voortijd ligt het frissche met palmboomen begroeide eiland Phile met zijn goddelijken tempel. Nog nimmer zag ik schooner landschap. Overal omgeven door de harde, zwarte rots, eeuwig omspoeld door de golven, die tegen zijn grondslagen klotsen, vriendelijk omlijst door vruchtdragende palmboomen en geurige mimosa’s, staat die tempel daar als het zinnebeeld van ongestoorden vrede te midden van den strijd. Een grootsch krijgslied zingt hem de stroom, en vredeteekenen bieden hem de palmen. Geene plaats was geschikter ter vereering der godheid, aan wie deze tempel gewijd was. In deze eenzaamheid, in zulk eene omgeving moesten wel de harten der jonge priesters, die hier door de wijsten der kaste werden onderwezen, voedsel en leven ontvangen, om zich naar het heilige en verhevene te richten, en de beteekenis leeren verstaan van de in mysteriën gehulde leerstellingen, het gesluierde beeld van Saïs aanschouwen.[299]
Onder de goddelijke drieëenheid, aan welke de tempel van Phile gewijd was, Isis, Osiris en Horus, stond Isis bovenaan. „Isis, de groote godin, de koningin des hemels, de gebiedster aller goden en godinnen, die met haar zoon Horus en haar broeder Osiris in elke stad vereerd werd, de hoog verhevene, goddelijke moeder, de gemalin van Osiris, zij is de gebiedster van Phile,” zoo luiden de opschriften in den tempel zelf. Inscripties in de velerlei karakters, welke in de verschillende tijdvakken der Egyptische geschiedenis in gebruik waren, verhalen ons echter ook van veranderingen, die de tempel in den loop der tijden onderging, tot eindelijk de christen-priesters, die de dienaren van Isis waren opgevolgd, door de Arabieren uit het heiligdom verdreven werden.
Heden ten dage ligt Phile grootendeels in puin. In plaats van de feestliederen der priesters hoort men er nu slechts het eenvoudig gezang van den woestijn-leeuwerik; maar de stroom zingt nog hetzelfde lied als voorheen, en even majestueus als voor duizenden jaren. Het eiland is eene woestenij geworden, maar de vrede des tempels is gebleven. En in weêrwil van alle veranderingen is nog steeds het eiland een sieraad van den eersten katarakt.
Van hier af naar boven wordt de Nijl langs eene groote uitgestrektheid weêr vrij van rotsen, maar is toch niet bij machte zijn zegen buiten de oevers te verspreiden. Met inspanning tracht de mensch de hem elders vrijwillig verleende gaven den stroom af te dwingen. Het eene scheprad na het andere beurt krijschend het levenwekkende vocht op den smallen oeverzoom. Op de meeste plaatsen echter dringt de woestijn met haar rotsmuren zoo dicht tegen den oever, dat er geen ruimte meer overblijft voor een enkelen akker of een klein palmenwoud. Langs groote uitgestrektheden ziet men hier niets dan dwergachtige onkruidplanten, tusschen welke het gele drijfzand gestadig naar de diepte rolt, als wilde het de woestijn bijstaan in het behalen der zege over den goddelijken weldoener van het bebouwde veld.
In het zuiden van Wadihalfa, het zuidelijkste grensdorp der bedoelde landstreek, woedt weder het door rotseilanden omsloten Nijlwater.
Tallooze steenmassa’s, rotskegels en blokken noodzaken den Nijl zich uit te breiden; een chaos van steen en water, zooals nergens elders aanschouwd wordt, verwart het oog. Bij hoogen waterstand overstemt het gebrul der dwarrelende, tusschen de rotsen wegsnellende golven het geluid der menschelijke stem; het dreunt en dondert, ruischt en[300]bruist, spat en sist, dat de rotsen bijna sidderen. Boven de hier onafgebroken aan elkander geregen stroomversnellingen en draaikolken ligt de hoogopgestuwde Nijl als een stille zee voor het oog des beschouwers; dit vriendelijke, door eenige groene eilandjes omhoog geheven beeld is echter eng begrensd. Verder opwaarts wordt het stroombed nogmaals door tallooze klippen verdeeld; want nu begint eigenlijk de „Batte el Hadjar” of het rotsdal der schippers, waarin nog tien naamdragende stroomversnellingen liggen. Dit is het meest woeste gedeelte van Nubië en in ’t algemeen van het geheele Nijldal. Gewoonlijk ziet men er niets dan lucht, water, rotsen en zand. Steil, soms loodrecht, stijgen de uit steen gebouwde rivieroevers uit het stroombed omhoog; tusschen deze en tusschen de in het water gelegen eilanden wordt de Nijl zoo samengeperst, dat hij in den tijd van den hoogsten waterstand van twaalf tot achttien meter hooger staat dan gedurende den laagsten stand. De oeverwanden zijn spiegelglad, evenals waren zij gepolijst; zij weêrkaatsen schitterend het licht en zijn des daags zoo gloeiend heet, dat men zou meenen zij waren eerst vóór weinige dagen uit de ingewanden der aarde opgeweld.
De vruchtbare stroom ruischt schier doelloos langs deze rotsen, want slechts op zeer weinige plaatsen kan hij van zijn goddelijk privilege gebruik maken. In inspringende bochten of achter voorgebergten, die den sterken stroom afleiden, laat hij zijn vruchtbaar slib vallen, en voert hij meteen de zaden aan. Op zulke plaatsen kiemt, groeit, groent en bloeit het ook in deze wildernis. Op alle eilanden, in welker rotskloven het slib bleef hangen, in alle door den sterken stroom niet bereikte bochten, verheffen zich wilgen en mimosa’s, als getuigen des levens in het rijk des doods. Wortel na wortel, spruit na spruit zond de eerste wilg uit, die hier vasten voet erlangde, en zoo bekleedde zich de kale grond weldra met een levendig groen. In de maanden van lagen waterstand doet het allengs ontstane kreupelboschje nieuwe twijgen ontspruiten; is de rivier gezwollen dan overstroomen de wateren eiland en hout. Hooger en hooger rijst de vloed; heviger woedt de golfslag; de wilgen buigen zich voor hem, maar klemmen zich steeds vaster tegen de rotsen. Maanden lang blijven zij, op enkele takken na, die nog boven de schuimende en sissende watermassa uitsteken, onder de golven bedolven; hare wortels echter houden zich vast, en met nieuwen levensmoed ontbotten wederom de struiken, zoodra het water is gevallen. Op zulke plaatsen der huiveringwekkende wildernis heerscht[301]hetzelfde dierlijk leven, dat men waarneemt op andere plaatsen van het Nijldal. In het wilgenloof hebben enkele paren van de levendige en schreeuwlustige Nijlgans post gevat, en op de naburige rotsen is een sierlijke kwikstaart gezeten; van de oeverwanden weêrklinkt het lied eener blauwmerel of van een rouwtapuit; om de bloeiende mimosa’s fladdert de eerste tropische vogel, dien men op dezen tocht ontmoet, een prachtige honigzuiger; nu en dan stoot men misschien op een koppel sierlijke rotshoentjes. De hier genoemde vogels met nog eenige andere soorten vormen de spaarzame bevolking van het rotsdal, en alleen op den trek verschijnen daarneven nog dikwijls zeer talrijke troepen van andere vogels, die den stroom, hunne heerbaan naar Centraal-Afrika, volgen, om dan bij tijd en wijle in het dal uit te rusten. Zij vliegen echter zoo spoedig mogelijk van daar, omdat het rotsdal niet in staat is hen zelfs maar voor weinige dagen te voeden; het valt dan ook bezwaarlijk te begrijpen dat die anderen hier hun dagelijksch brood vinden.
En toch vormen zij niet de eenige bewoners dezer waterwoestijn. Er zijn menschen, die deze hun vaderland noemen.
Mijlen ver van elkander verspreid, bevinden zich hier enkele armoedige stroohutten, waarin een Nubiër met zijn gezin een ellendig leven leidt. Een kleine, met vruchtbaar slib gevulde inham tusschen de rotsachtige oevers, wellicht slechts een tegen deze aangeplakt slijkbed vormt de arme bezitting, die hij de zijne noemt. In het eerste geval is hij een rijk man, vergeleken met de geringen, die slechts over zulk een slijkbed beschikken. Met levensgevaar zwemt de laatste naar zulke van de bergzijde ongenaakbare plaatsen, alwaar de vallende stroom slib afzette, om de pas van water bevrijde laag met boonen te bezaaien; eenige dagen later, wanneer de rivier nog meer is gevallen, herhaalt hij zijn bezoek en zijn arbeid, en telkens weder, zoolang het water blijft vallen. En zoo ziet men op zulke met het vallende water zich steeds vergrootende velden boonen in alle perioden van den groei; tevens kan men opmerken dat onze weinig eischende landman tegelijkertijd oogst en zaait. Onder zeer gunstige omstandigheden veroorlooft een dieper inspringende, met Nijlslib gevulde inham het plaatsen van een scheprad ter bevloeiing van enkele aren bouwgronds, en in dit geval is de gelukkige bezitter in staat eene koe te houden; zoo iemand leeft nog eenigszins dragelijk, ofschoon hij nog altijd als zoo arm wordt beschouwd, dat zelfs eene Egyptische regeering geen belasting[302]van hem durft vorderen. Zulke plaatsen zijn evenwel zeldzame oasen in deze ijzige wildernis. De stroomopwaarts zeilende schipper begroet elken struik, elken palmboom met zichtbare vreugde, een boonenveld, het doel wellicht van dagen lange hoop, met gejubel, een scheprad met dank jegens den Albarmhartigen. Want niet slechts vrees kan zijn moedig hart in dit rotsdal bevangen, maar ook bitter gebrek kan zijn deel worden, ja zelfs de hongerdood kan hem tegengrijnzen, tenzij hij een voorraad voedsel medenam, voldoende om hem eenige maanden te voeden. Stroomafwaarts schiet de boot pijlsnel voort om dit land der verschrikking—althans de eenzaamheid en armoede—te ontvlieden; stroomopwaarts zeilende ligt de boot dikwijls uren, ja dagen lang onder bescherming van een rotsblok beneden eene stroomversnelling als vastgemuurd. Wachtende op een gunstigen wind, door het onophoudelijk op en neêr schommelen van het vaartuig aan zeeziekte lijdende, kan de schipper soms mijlen ver wandelen of zwemmen, alvorens hij menschen of bebouwde akkers ontmoet.
Het rotsdal gaat in het zuiden bijna onmiddellijk over in de vruchtbare landstreek van Midden-Nubië. Een door twee woestijnen ingesloten smal waterbekken, met vele groote eilanden in ’t midden der rivier, door deze met slib bedekt, gelijk ook de eilanden daaruit werden opgebouwd, neemt den reiziger op. Het wijst wel is waar nog niet den vollen rijkdom der tropen aan, maar laat toch derzelver frischheid en krachtig leven in sommige planten en dieren doorschemeren. Dichte palmbosschen, die de heerlijkste dadels doen rijpen, begrenzen aan den kant der woestijnsteppen deze liefelijke oase, die den arbeid des landmans met een rijken oogst beloont; Christusdoorns en onderscheidene mimosa’s, die zich tot hiertoe niet lieten zien, verkondigen ons, dat wij den keerkring overschreden. Behalve den straks genoemden honigzuiger bemerken wij nog andere vogels van Centraal-Afrika. In het eerste doerrha-veld, dat men scherper in ’t oog vat, verkwikt men zich aan een even zoo kleurigen als levendigen, tusschen de stengels verblijfhoudenden vuurwevervogel. Het schijnen vuurvlammetjes te zijn, die zich nu en dan op den top eener aar neêrlaten om van dezen hoogen zetel een eenvoudig, sjirpend of spinnend liedje voor te dragen, dat alle soortgenooten aanspoort om hetzelfde te doen. In de spleten en scheuren der leemen hutten hebben zich andere leden derzelfde familie verzameld, bij name de staal- en bloedvinken, terwijl in de tuinen om de huizen Kaapsche duiven hare nesten hebben opgeslagen. Op de zandbanken der[303]rivier groeven schaarbekken hunne napvormige nesten; nachtzeezwaluwen van eene bijzondere soort, die eerst tegen de schemering op roof uitvliegen, strijken dicht langs de oppervlakte der golven om deze met hun snavel te doorploegen, ten einde de kleine, in de bovenste waterlagen zwemmende dieren te bemachtigen.
Maar ook dit heerlijk plekje gronds is eng begrensd. Reeds beneden de bouwvallen van den tempel van Barkal nadert het nog altijd woeste en onvruchtbare gebergte den stroom en verdringt zoowel het vruchtdragend land als de woestijnsteppe. De laatste stroomversnelling ligt voor ’t oog des stroomopwaarts trekkenden reizigers. Zoo onbeschrijfelijk arm als het rotsdal was, is het gebied van de derde stroomversnelling niet; goed bebouwde, alhoewel niet zeer breede strooken gronds aan beide zijden van den stroom en kleine vruchtbare eilanden in de rivier geven een indruk van meerdere weelde. De rotsmassa’s aan den oever zijn minder samenhangend dan in het rotsdal zelf en rijk aan zoogenoemde steenmeren—grillig op elkander gestapelde heuvels en wallen van rotsblokken en rolsteenen, gelijk de groote stroomen deze achterlaten, wanneer zij hun bed dieper in het door hen uitgespoelde dal graven. Aan beide zijden der rivier, meest boven op de het naast den oever begrenzende hoogten, aanschouwt het oog rotsblokken van meer dan honderd kubieke meter inhoud; deze liggen zoo los op hunne betrekkelijk kleine onderlaag, dat zij bij een eenigszins hevigen wind beginnen te waggelen en met behulp van hef boomen gemakkelijk door een gering aantal menschenhanden zouden weggerold kunnen worden. Op vele plaatsen zijn deze rotsmeren zoo grillig gebouwd, dat het den schijn heeft alsof de luim van reusachtige kabouters deze kegels en pyramiden, muren en wallen, die in bonte mengeling de oeverbergen kronen, opeen had gestapeld. Meer evenwel dan al deze bouwgewrochten van den stroom, schenken die van den mensch aan de derde stroomversnelling een bijzonder karakter. Op alle daarvoor geschikte vooruitstekende oeverrotsen, vooral op de grootere rotseilanden, verheffen zich gebouwen, voorzien van ringmuren en torens met gekanteelde lijsten, gelijk men ze nergens anders in het Nijldal ontmoet. Het zijn vestingwerken uit vroegere tijden, burchten van voormalige hoofden der stroombewoners, opgericht om bescherming en veiligheid te verleenen, om lijf en goed tegen de aanvallen van naburige vijandelijke stammen te verzekeren. Uit ruw op elkander gestapelde, bijna uitsluitend met Nijlslib aaneengemetselde, onbehouwen steenen is het[304]benedengedeelte der muren en omwallingen opgetrokken; dikke, nu grootendeels vervallen muren van uit Nijlslib vervaardigde en in de lucht gedroogde steenen vormen den bovenbouw dezer burchten, die meer door een trotsch voorkomen dan door schoonheid uitmunten. Uit het midden van den stroom b.v. verheft zich een kale, pikzwarte, glinsterende rots, op welker top zich zulk een vesting bevindt. Woest klotsen de golven tegen haar voet, maar rustig weêrstaat zij dien schok, en veilig steunt de haar toevertrouwde vesting op deze steenmassa. Aan de stroomafwaarts gerichte zijde is het water rustig en hier is de rots, dank zij de levenwekkende kracht der rivier, inderdaad heerlijk getooid. In het kalme, stille water werden in den loop der tijden dikke sliblagen afgezet, zoodat er allengs een eiland uit den vloed oprees; de mensch maakte zich daarvan meester, plantte er den palmboom en legde er akkers aan; en zoo ontstond er op en achter de rots een liefelijk beeld van veiligheid en bewoonbaarheid, dat juist door zijn tegenstelling met de omringende onrustige en woeste water- en rotsvlakten, aangrijpend op het gemoed werkt.
Aan de zuidelijke grens der derde stroomversnelling beginnen de steppen en wouden der keerkringslanden; slechts op enkele plaatsen bereiken nu voortaan de rotsen nog den breeder geworden stroom en zijne grootere bijrivieren. Over eene lengte van meer dan honderd geographische mijlen doorsnijden de Abiad en Asrakh, of witte en blauwe Nijl, vruchtbaar, bijna vlak land; dan eerst ontmoet men weder eenige stroomversnellingen. Dit gedeelte behoort echter niet meer in de lijst der schilderij, die ik trachtte te ontwerpen, want alleen Nubië is het land van de katarakten van den Nijl.
Het is moeilijk na te gaan in hoeverre de Nubiër door zijn woonplaats gemaakt werd tot hetgeen hij is; zooveel is zeker, dat hijzelf van zijn naburen, de Egyptenaren, evenveel verschilt als zijn land met dat van laatstgenoemd volk. Beiden hebben geen de minste overeenkomst, noch in lichaamsvorm, noch in huidkleur; evenmin in afstamming en taal, zeden en gewoonten. Zelfs in godsdienst verschillen zij, niettegenstaande beide volken tegenwoordig als eersten regel des geloofs erkennen: „Er is maar één God, en Mohammed is Zijn éénige profeet.”
De Egyptenaren zijn gesproten uit het gemengde bloed der oude Egyptenaren en dat van later ingekomen Arabische horden uit Yemen en Hedjas, die met de vroegere bewoners van het dal des beneden-Nijls ineensmolten; de Nubiërs zijn afstammelingen van de „wilde[305]Blemyers,” tegen welke de Pharao’s van het oude, middelste en nieuwe rijk, alsmede de Egyptische Ptolemeeërs voortdurend, ofschoon niet altijd met gunstigen uitslag, krijg voerden. De Egyptenaren spreken de taal, waarin Mohammeds „openbaringen” werden opgeschreven, de Nubiërs eene in vele dialecten gesplitste taal van het oud-Ethiopisch; de eersten gebruiken een overoud schrift, de laatsten hebben ongetwijfeld nimmer schriftteekens gehad, die in hun eigen taal wortelen. De eersten hebben nog al den ernst bewaard der oude Egyptenaren, evenals de zonen der woestijn, van welke zij afstammen; zij zijn steeds, gelijk alle Oosterlingen, gedurende hun geheele leven met angst vervuld omtrent het „hier namaals” en regelen naar hunne droomen hierover hun zeden en gebruiken; de laatsten behielden de lustige levensvreugde der Ethiopiërs en leven, als kinderen, onbezorgd van den eenen dag op den anderen, het goede zonder dank, het kwade onder veel en luid geklaag ontvangende, terwijl zij het een zoowel als het andere onder den invloed van het oogenblik ras vergeten. Op beiden drukt in gelijke mate het juk der dienstbaarheid; de Egyptenaar draagt het kermend en weêrstrevend, de Nubiër gelijkmoedig en zonder morren; gene is een onwillige slaaf, deze een gedwee dienaar. Elke Egyptenaar acht zich boven den Nubiër hoog verheven, houdt zich, wat afstamming, taal en zeden betreft, voor hooger, praalt met zijn beschaving, ofschoon deze over ’t algemeen zeer gering is, en tracht den donkergekleurden broeder even zooveel te onderdrukken, als hijzelf in ’t bewustzijn zijner onmacht zich schikt in de hem opgelegde dienstbaarheid; de Nubiër erkent in ’t algemeen de lichamelijke meerderheid van zijn buurman, inzonderheid de geestelijke superioriteit van de meer uitstekende Egyptenaren, schijnt niet te weten, dat hijzelf die beschaving mist, maar is opzijnebeurt weder geneigd den minder begaafden en zwakkeren bewoner van Centraal-Afrika onder ’t juk te brengen; toch stelt hij zich weder met den gekochten neger op een broederlijken voet en schikt zich oogenschijnlijk geduldig in het hem toebedeelde lot, na vergeefs gepoogd te hebben in den strijd tegen de overmacht overwinnaar te blijven. Hij is nog heden ten dage een natuurmensch in hart en nieren, terwijl de Egyptenaar ons het treurige beeld vertoont van een vervallen en steeds meer en meer vervallend volk. De Ethiopiër heeft zich op den onvruchtbaarsten bodem der aarde nog een zekere mate van vrijheid weten te veroveren, de Egyptenaar is op het rijkste plekje der wereld tot een slaaf geworden, die het moeilijk zal wagen zijn ketens af te[306]schudden, niettegenstaande hij nog altijd met zelfverheffing van zijn roemrijk verleden spreekt.
En toch hebben de Nubiërs evenveel, zoo niet meer recht van de groote daden hunner vaderen te gewagen en zich daaraan te spiegelen dan de Egyptenaren. Want die voorvaderen hebben niet alleen met de Pharao’s en de Romeinen, maar zelfs met Turken en Arabieren, met de heerschers en beheerschers van het hedendaagsche Egypte wakker strijd gevoerd; dat zij overwonnen zijn is alleen daaraan toe te schrijven, dat zij van vuurwapenen verstoken waren. Toen ik voor de eerste maal de Nijllanden bereisde, leefden er nog ooggetuigen dier oorlogen, uit wier mond ik een en ander vernam, dat ik thans naar waarheid wil mededeelen, ten einde, althans in één opzicht, recht te laten wedervaren aan een volk, dat te vaak wordt miskend. De gebeurtenissen, die ik op het oog heb, vallen tusschen de jaren 1830 en 1840 onzer tijdrekening.
Nadat Mohammed-Aali, de even krachtige, als onrechtvaardige en wreede grondvester der tegenwoordige Egyptische dynastie, in Maart 1811 de door hem genoodigde hoofdelingen der Mamelukken trouweloos had overvallen en neêrgesabeld, scheen zijne heerschappij over den beneden-Nijl verzekerd te zijn. Maar nog was de trotsche krijgersstam, wier hoofden door dat schandelijk verraad waren gevallen, niet geheel onder ’t juk gebracht. Op wraak bedacht, kozen de Mamelukken uit hun midden nieuwe hoofden en trokken zich aanvankelijk naar Nubië terug, om zich hier te verzamelen en van daar uit den laaghartigen vijand opnieuw te beoorlogen, althans te bedreigen. Mohammed-Aali voorzag het gevaar en verzuimde niet dit, als ’t zijn kon, tegen te gaan. Zijn leger volgde de verstrooide Mamelukken op den voet. Deze, te zwak om een strijd in ’t open veld te wagen, wierpen zich in de vestingen, en stierven daar tot den laatsten man den heldendood. Gelijktijdig met hen werden ook de Nubiërs overwonnen, en omdat deze de zijde der Mamelukken hadden gekozen, als slaven behandeld. Enkel de dappere stam der in den strijd geharde Scheikiërs stond in het jaar 1820 bij bet dorp Korti tegenover de Turksch-Egyptische troepen; eene heldhaftige, maar ongeregelde, met lans, zwaard en schild gewapende schare tegenover geregelde, geoefende en met vuurwapenen uitgeruste soldaten, die gewoon waren te overwinnen. Naar oud gebruik schouwden de vrouwen met hunne kinderen het gevecht aan, om door gillende oorlogskreten tot moed aan te vuren, aan de strijdende[307]vaders de omhooggebeurde kinderen te toonen en hen hierdoor met doodsverachting te bezielen. De Nubiërs streden met een moed, hunnen vaderen waardig; zij drongen door tot de kanonnen, die dood en verderf zaaiden onder hunne gelederen; zij hieuwen met hunne lange zwaarden op de ingebeelde monsters, diepe sneden achterlatende op de metalen buizen—maar de Egyptenaren zegevierden; niet de dapperheid, maar overmacht van wapenen besliste. Onder het gillend gehuil der vrouwen sloegen de bruine mannen op de vlucht. Wilde vertwijfeling greep de eersten aan; een roemvollen dood verkiezende boven smadelijke slavernij, drukten zij hare kinderen aan het hart en stortten zich bij honderdtallen in den door het bloed harer mannen roodgeverfden stroom. De vluchtelingen werden door de woestijn aanweêrszijdender rivier belet hun schuilplaatsen te bereiken en zoo bleef hun eindelijk geen andere keus dan zich over te geven, en den tot nog toe zoo trotschen nek te buigen onder ’t juk des overwinnaars.
Nog eenmaal flikkerde de oude heldenmoed weder op. Een der opperhoofden, de reeds nu door de sage verheerlijkte Melik el Nimmr, d.w.z. „koning der luipaarden” verzamelde zijn volk te Scheedi in zuidelijk Nubië, daar hem de onderdrukking van den wreeden overwinnaar onverdragelijk was geworden. Vol wantrouwen trok Ismaël Pacha, de zoon en legeraanvoerder van Egypte’s heerscher tegen hem op, en nog voor Melik Nimmr met zijn toebereidselen gereed was, verscheen Ismaël, alle booten in beslag nemende, voor Scheedi en stelde aan Melik Nimmr onmogelijke voorwaarden, ten einde dezen tot slaafsche onderwerping te noodzaken. Melik zag het dreigend verderf in en besloot handelend op te treden. Hij veinsde evenwel onderwerping, maar middelerwijl snelden zijn boden van hut tot hut om de overal onder de asch smeulende vonken van opstand tot eene flikkerende vlam aan te blazen. Door listige beloften wist hij Ismaël Pacha uit diens veilige boot in de rondom met doornheggen afgesloten ruime, maar armoedige koningswoning te lokken; om deze waren reusachtige bergen van stroo, opgehoopt, volgens het voorgeven van den koning der luipaarden om het door den Pacha verlangde kameelvoeder te leveren.
Een heerlijk feest, zooals Ismaël nog nimmer aanschouwde, wil Melik zijn heer en gebieder bereiden; daarom vraagt hij verlof om ook alle officieren van het Egyptische leger te mogen uitnoodigen, in welk verzoek de Pacha bewilligt. Legeraanvoerder, staf en officieren[308]vereenigen zich aan het in de koninklijke woning aangerichte gastmaal. Voor de doornheg ruischt de taraboeka, die tot den dans noodigt, en dreunt de krijgslust inblazende inlandsche trom; het jeugdige geslacht, feestelijk met zalf besmeerd, oefent zich in den vroolijken dans. De lansen schieten door de lucht, met bewonderenswaardige behendigheid opgevangen door de schilden der tegenover elkaar geplaatste dansers; de lange zwaarden der beide in krijgsdans zich draaiende partijen bedreigen elkanders hoofd, maar worden behendig met kling en schild gepareerd. Ismaël schept een ongemeen behagen in de schoone, bruine jongelingen en de bevallige bewegingen hunner buigzame ledematen, in de koenheid der aanvallen en de zekerheid van afweer. Meer en meer zwaarddansers treden op het tooneel, dichter wordt het gedrang voor de feestzaal, heviger en woester worden de bewegingen en sneller roffelen de trommen. Daar slaat plotseling de taraboeka andere tonen aan; honderdvoud wordt dit geluid herhaald door geheel Scheedi en eveneens in de naburige dorpen aan deze en gene zijde des Nijls. Een gillend, in de hoogste tonen zich bewegend vrouwengeschreeuw doortrilt de lucht; vrouwen, tot op de lendenen naakt, met stof en asch in de gebalsemde haren, met brandende fakkels in de handen, stormen nader en slingeren den brand in de muren van het koninklijk paleis en in de omringende stroobergen. Eene ontzettende vuurzuil stijgt ten hemel, en in de vlammen, waaruit kreten van schrik en wee, van vloek en klacht weêrklinken, vliegen bij duizendtallen de doodaanbrengende lansen van hen, die zooeven den krijgsdans uitvoerden. Noch Ismaël Pacha, noch een enkele zijner feestgenooten ontgaat een wreeden dood.
Het is alsof de krijgslieden uit den grond te voorschijn komen. Wie de wapens kan dragen keert zich tegen de wreede vijanden; de vrouwen, haar geslacht vergetende, treden in de rijen der kampvechters; grijsaards en knapen worstelen met mannenkracht en mannelijke volharding ter bereiking van het ééne doel. Scheedi en Metamme worden in een enkelen nacht van alle vijanden bevrijd; slechts een gering aantal der in afgelegen dorpen liggende Egyptenaren ontkomen aan het bloedbad en brengen den tweeden, in Kordofan wachtenden legeraanvoerder de ontzettende tijding.
Deze, Mohammed-Bei el Defterdar, nu nog door de Nubiërs „el Djelad” den beul, bijgenaamd, ijlt met zijne geheele legermacht naar Scheedi, verslaat de Nubiërs ten tweeden male en offert alsnu meer dan[309]de helft van de toenmalige bevolking des land aan zijne onverzadelijke wraakzucht op. Den koning der luipaarden gelukt het naar Habesch te ontvluchten; zijn onderdanen moeten zich evenwel voor den vreemdeling buigen, en hunne kinderen „groeien” om mij van de uitdrukking mijns zegsmans te bedienen, „in het bloed der vaderen op.” Sedert die ongeluksdagen zijn de Nubiërs de lijfeigenen hunner onderdrukkers gebleven.
De Nubiërs, of gelijk zij zich zelf noemen, de Barabra zijn middelmatig groote, slanke, evenredig gebouwde menschen met betrekkelijk kleine, goed gevormde handen en voeten, en meerendeels aangename gelaatstrekken; de amandelvormige oogen, de hooge, rechte of gebogen, alleen aan de vleugels een weinig verbreede neus, de smalle mond, de vleezige lippen, het gewelfde voorhoofd en de lange kin drukken op het gelaat een bijzonderen stempel; verder hebben zij fijn, licht gekroesd, maar niet wollig hoofdhaar en eene verschillende, van metaalbruin tot in het donkerbruine spelende huidkleur. Zij hebben eene flinke houding, loopen licht, haast zwevend, bewegen zich in ’t algemeen vlug en bevallig, zoodat zij in dit opzicht zich voordeelig onderscheiden van de negers van den boven-Nijl, zelfs van de Fungis uit Oost-Soedan. De mannen scheren het hoofdhaar of geheel af of laten het alleen op de kruin staan; zij dragen een nauw sluitend wit mutsje, de takhie, op het hoofd, om hetwelk op feestdagen nog wel eens een witte doek, op de wijze van een tulband gewonden wordt. Een omslagdoek ter lengte van zes tot negen meter dient tot bekleeding van het bovenlijf; korte broeken en sandalen, op feestdagen een blauw of wit tabbaardachtig gewaad vormen de overige kleeding; een aan den linkerarm gedragen dolkmes, op reis de lans, zijn dewapenen, terwijl lederen rollen, in welke zich, naar men zegt, amuletten bevinden, en aan koorden om den hals gedragen zakjes de eenige versiering uitmaken. De vrouwen binden het hoofdhaar in honderden kleine, dunne vlechten en zalven deze rijkelijk met schapenvet, boter of ricinus-olie in, zoodat zij ver in ’t rond een ondragelijken reuk verspreiden; zij tatoeëeren het lichaam en aangezicht op vele plaatsen met indigo, kleuren dikwijls de lippen blauw en de handpalmen rood, versieren den hals met paarlen van glas, kettingen van barnsteen of karneool, amulettentaschjes enz. de hielen met ringen van ivoor of hoorn, de ooren, neusvleugels en vingers met zilveren ringen; in plaats van een broek dragen zij een tot de hielen afhangend schort om de lendenen, terwijl[310]zij zich den omslagdoek in schilderachtige vouwen over borst en schouders slingeren. De jongens loopen tot hun zesde of achtste jaar naakt, terwijl de meisjes van haar vierde jaar af een aardig, uit dunne lederen strooken samengesteld, soms met schelpen en glazen parels versierd, gefranjed schort dragen.
Alle gezeten Nubiërs van het stroomdal huizen in vierhoekige, meer of min teerlingvormige woningen, die òf uit in de open lucht gedroogde tichelsteenen worden gebouwd, en dan naar boven schuins toeloopen, òf uit een met stroo bekleed houten geraamte worden samengesteld. Gewoonlijk bevatten zij inwendig maar één vertrek; ééne deur verleent toegang, en in plaats van vensters ziet men aan deze hoogst primitieve huizen enkele luchtgaten. Eene verhooging, overtrokken met ineengevlochten lederen strooken of repen boombast, vormt de ligplaats „Aukareb”; eenvoudige kisten, voortreffelijk bewerkte, zelfs waterdichte manden, lederen zakken, urnen om daarin water, doerrhabier of palmwijn te bewaren, handmolens of wrijfsteenen ter vermaling des graans, ijzeren of vlakke aarden schotels om brood te bakken, uitgeholde kalebassen, eene bijl, eene boor, eenige houweelen, enz. ziedaar het huisraad; matten, gordijnen, middelschotten en dekens, vormen andere huishoudelijke zaken; troggen, ondiepe, gevlochten schalen met deksels, die evenwel niet in elke hut voorhanden zijn, maken het eetgereedschap uit. Het voedsel onzer lieden bestaat voornamelijk, soms uitsluitend, uit plantaardige stoffen, melk, boter en eieren. Het meer gewreven dan gemalen koren wordt tot een deeg verwerkt en daarvan een half gaar brood gebakken, dat, òf zoo wordt gebruikt, òf onder toevoeging van allerlei zaken, zooals: melk, dikslijmige plantensappen, waaronder somtijds wat in de zon gedroogd vleesch wordt gemengd, en vele, scherpe kruiderijen. Meer dan op spijs is de Nubiër op drinken gesteld, want elke alcoholische drank, hij moge van vreemden of inheemschen oorsprong zijn, vindt in hem een begeerlijken, zoo niet onmatigen gebruiker.
De zeden en gewoonten van de bewoners van den middelloop des Nijls vormen een zonderlinge vermenging van overgeërfde en overgenomen gebruiken. Geduldig en lichtzinnig schikt hij zich even gemakkelijk in het vreemde als hij het oorspronkelijk inheemsche schijnt te kunnen vergeten. Hij is meer in naam dan in werkelijkheid een belijder van den Islam; gehechtheid aan geloofsregels kent hij even weinig als onverdraagzaamheid omtrent andersdenkenden. Voor hij op middelbaren[311]leeftijd is gekomen, of zelfs vóór hij oud is geworden, volgt hij de geboden des profeets zelden of nooit met dien ijver op als de Arabieren en Turken.
Hij besnijdt zijn zonen, huwelijkt zijn dochters uit, behandelt zijn vrouwen en begraaft zijn dooden, viert zijn feesten, alles ingevolge de voorschriften van den Islam, maar hij meent genoeg gedaan te hebben als hij slechts de vormen in acht neemt. Gezang en dans, vroolijke gesprekken, scherts en drinkgelagen vindt hij aangenamer dan het vasten, aangenamer dan te luisteren naar de lessen en geboden van den koran, of naar de schriftgeleerde verklaring der heilige boeken, die hem nieuwe plichten zouden opleggen.
Toch zal niemand hem een besluiteloos, wankelmoedig, onzelfstandig, onvertrouwbaar of trouweloos, in ’t kort, een slecht mensch noemen. In Beneden-Nubië, alwaar hij jaarlijks met honderden, in zijn oogen rijke en milddadige menschen verkeert, wordt hij, wel is waar, dikwijls tot een onbeschaamden, onverdragelijken bedelaar, terwijl de vreemdelingen, die hij moet opzoeken, omdat zijn arm land hem niet genoeg voedsel oplevert, ook weinig er toe bijdragen om hem te veredelen; in ’t algemeen echter kan men hem een braaf mensch noemen. Wel ontbreekt hem heden ten dage al te veel de wilskracht zijner voorvaderen, maar daarom nog geenszins hun moed en dapperheid; wel schijnt hij veel zachter en goedaardiger dan de Egyptenaar, toch betoont hij zich niet minder vertrouwbaar en volhardend als deze, vooral waar het moeilijke of gevaarlijke ondernemingen geldt. Zijn arm, weinig voortbrengend land, waaraan hij met zijn geheele hart hangt, dat hij in den vreemde met eene roerende aanhankelijkheid gedenkt, voor hetwelk hij werkt, ontbeert en sterft, daar zijn streven er alleen op gericht is, zijn mannelijken leeftijd en ouderdom daarin door te brengen, legt hem een voortdurenden levensstrijd op, en staalt zijn lichamelijke en geestelijke krachten; de bruisende stroom, tegen welken hij een niet minder harden strijd voert als met het rotsachtig land, wekt en onderhoudt in hem den moed en het zelfvertrouwen, even gelijk die stroom hem bezielde met eene koele onverschilligheid voor het gevaar. Dank deze door hem verworven eigenschappen is de Nubiër een trouw dienaar, een voortreffelijk reisgezel, op wien men zich verlaten kan, een reislustige djellabi of koopman, en bovenal een ondernemend, onverschrokken schipper.
De ouders schijnen hun zonen reeds van de vroegste jeugd af op[312]te leiden voor alle mogelijke diensten, die zij later als volwassenen zullen moeten vervullen. Evenals in Egypte worden ook in Nubië de kinderen der armen eigenlijk niet opgevoed, maar in beslag genomen voor allerlei werkzaamheden, juister gezegd, zooveel hun krachten toelaten geëxploiteerd. Hoe klein de jongen ook nog zij, iets moet hij doen, ’t een of ander ambt vervullen; hoe zwak het meisje ook zijn moge, zij moet haar moeder in alles bijstaan. Maar terwijl men in Egypte het kind nauwelijks tot verademing laat komen, begunstigt men in Nubië het vroolijk spel der kleinen zooveel men kan. In Egypte wordt de jongen tot een knecht, het meisje tot een slavin van dezen knecht, zonder dat men eene blijde jeugd heeft gekend; in Nubië zijn zelfs de halfvolwassenen nog altijd kinderen in hun zijn en wezen. Vandaar dat de eersten onnatuurlijk ernstig zijn evenals hunne vaders, dezen vroolijk evenals hunne moeders. Er bestaat bij de Nubiërs een algemeen geliefkoosd kinderspel, dat ieder reiziger kan leeren kennen en dat hij met welgevallen zal gadeslaan, omdat daarin meer dan in een ander behendigheid en sierlijkheid van bewegingen, volharding en ondernemingsgeest vereenigd zijn; ik bedoel het in de geheele wereld bekende „krijgertje spelen.” Na den arbeid vereenigen zich knapen en meisjes. De eersten verlaten het scheprad, welks trekossen zij van den vroegen morgen tot zonsondergang moesten aandrijven, of het veld, waarop zij hun vaders behulpzaam waren, of het jonge kameel, dat zij leerden draven; de laatsten hare kleinere broertjes en zusjes, die zij eer sleepten dan droegen, het brooddeeg, dat zij moesten laten gisten, den wrijfsteen, aan welken zij haar jonge krachten oefenden; allen spoeden zich naar de rivier. De jongens zijn geheel naakt, de meisjes dragen alleen het franjeschort. Lachend en pratend trekt het gezelschap voort, het wemelt in het goudgele zand en tusschen en op de zwarte rotsen als van bruine mieren. Bont dooreengemengd rangschikken zich de vangers, die den vluchteling moeten inhalen en grijpen. De laatste, die eenige schreden vooruit krijgt, geeft het teeken tot den aanvang der jacht en allen kleven aan zijn hielen. Vlug als een gazelle loopt hij over de zandige vlakte naar de naastbijgelegen rotsen en als jagende windhonden rent de schreeuwende schaar hem na; vlug als eene gems klautert hij de rotsen op en niet minder behendig klimmen ook de vervolgende speelgenooten naar boven; als een verschrikte bever stort hij zich in de rivier, om zich al duikende in ’t water te verschuilen, maar ook de vurige medespelers[313]schuwen een bad niet, en knapen en meisjes scharrelen als zwemmende honden in ’t water, roepen en schreeuwen, snappen, lachen en jolen; drijvende, snaterende eenden gelijk, volgen zij hem in het natte element. Lang schommelt de naald der weegschaal, en soms wordt de geheele Nijl in zijne breedte overgezwommen, alsvorens de stoute voorspeler in handen zijner kameraden valt. De ouders der vroolijke schare staan aan den oever dit schouwspel aan te staren en verheugen zich over de behendigheid, den moed en de inspanning van hun kroost, en ook wij Europeanen moesten bekennen, dat wij nergens levenslustiger,[314]opgewekter wezens gezien hebben dan deze slanke, schoone, fluweelbruine, glimmende kinderen der Nubische woestijn.
SPELENDE NUBISCHE KINDEREN.SPELENDE NUBISCHE KINDEREN.
SPELENDE NUBISCHE KINDEREN.
Uit zulke spelende kinderen groeien de mannen op, die het wagen de stroomversnellingen te bevaren, en in eene boot stroomafwaarts over de kokende, schuimende, ronddraaiende golven te roeien, zelfs tegen deze op te zeilen; groeien de mannen, die op zulke tochten zelfs geen boot behoeven, maar koen op kleine, uit doerrhastengels los saamgebonden vlotten, of opgeblazen lederen zakken reizen van ettelijke dagen ondernemen. Zoo onverschrokken zien deze Nubische schippers en zwemmers het gevaar onder de oogen, dat de golven hun zelfs geen sagen en sprookjes in ’t oor konden fluisteren. Zij weten van geen niksen en watergeesten, van geen booze of goede genieën, en hunne beschermheiligen, wien zij vóór of onder den gevaarlijken tocht om hulp en bijstand aanroepen, weren slechts het noodlot af, geenszins het kwaadwillig voornemen van booze geesten. De sage is stom gebleven in de stroomversnelling, in den „buik der rotsen”, in de katarakten en draaikolken van de „moeder der gesteenten”, van den „geschokten”, van den „kameelenhals,” van de „koralen” en hoe de stroomversnellingen nog meer mogen heeten. Toch zou hier een geschikte bodem gevonden worden voor sprookjes en sagen, en de meest geschikte aanleiding voor den schipper om het geloof aan de werkzaamheid van booze geesten in zich op te nemen.
De stroomversnellingen worden naar beneden bij hoogen en middelbaren, naar boven bij gemiddelden en lagen waterstand bevaren. Bij den laagsten stand des Nijls zou elke stroomafwaarts gaande boot verpletterd worden, terwijl bij hoogen waterstand zelfs het grootste zeil niet bij machte zou zijn een groot vaartuig stroomopwaarts te brengen. Bij dalend water moeten honderden menschen opgeroepen worden om eene middelmatig groote boot der almachtige regeering naar boven te trekken; op tijden, dat de Nijl is gezwollen, zou men op de enkele niet door het water bedekte eilanden, weêrszijds van het vaarwater, te weinig of in ’t geheel geen ruimte kunnen vinden om de voeten op te zetten. De hoogste waterstand is het meest geschikt om stroomafwaarts te gaan, een gemiddelde waterstand ook om die reden voor de vaart stroomopwaarts, daar alsdan de regelmatig waaiende noordenwind tevens een goede gelegenheid aanbiedt om de hulp van het zeil aan te wenden.
Alle booten, die uitsluitend dienen voor de vaart op de stroomversnellingen,[315]onderscheiden zich zoowel door hare geringe grootte als door haar bouwtrant, alsmede door tuigage en zeilvorm van alle andere Nijlschepen. De romp bevat slechts een gering aantal ribben, de planken worden door schuins ingeslagen, de smalle zijden met elkaar verbindende spijkers vastgemaakt; het zeil is in plaats van driekant, ruitvormig en zoo aan twee ra’s bevestigd, dat men met behulp van de onderste ra meer of minder zeildoek kan opwinden of aan den wind blootstellen. Bouwwijze en tuigage blijken zeer doeltreffend te zijn; de geringe grootte, of althans lengte der boot veroorlooft snelle wendingen, de samenvoeging der planken verleent het scheepslichaam veêrkracht en buigzaamheid, die goede diensten bewijzen bij het dikwijls voorkomend stooten tegen de klippen; door eene naar de sterkte van wind en stroom te regelen drukking van het zeil eindelijk kan men den veelvuldig afwisselenden weêrstand gelijkmatig en voortdurend overwinnen.
Eene bergopwaarts trekkende flotille van booten verleent, wanneer zij zoo pas van de ladingsplaats of van de gedurende den nacht ingenomen rustplaats is opgebroken, een prachtigen, betooverenden aanblik. Op alle vaarwaters ontwaart men zeilen; somtijds ziet men er meer dan twintig tusschen de donkere rotsenblinken. Aanvankelijk blijven de vaartuigen op nagenoeg gelijke afstanden van elkaar; ras echter doen stroom en zeildruk de eerst ingenomen slagorde verbreken. Het eene scheepje na het andere blijft meer terug, het eene na het andere laat het hoofddeel der vloot achter zich en reeds na verloop van een uur ligt er een tamelijk groote afstand tusschen de voorste en achterste boot. De vaart vordert evenwel, zelfs bij een sterken en gestadigen wind, veel minder dan men zou meenen. Wel breken de golven met groot gedruisch tegen den boeg, maar het schip heeft met zulk een groot verval te kampen, dat het maar weinig vooruitkomt. Het is een ware kunst hier zoo te sturen, dat het vaartuig zoo weinig mogelijk krommingen maakt en toch niet tegen de klippen stoot; elke wending toch maakt eene verandering in de plaatsing van het onhandige zeil noodzakelijk en elke stoot veroorzaakt een lek. Kapitein en matrozen hebben daarom handen vol werk. Desniettemin begint eerst dan de eigenlijke arbeid, wanneer een der vele stroomversnellingen in ’t gezicht is, die men over moet steken. Het tot nog toe half ontrolde zeil wordt in zijn geheel aan den wind blootgesteld; de bark jaagt als een krachtige stoomboot door den chaos van rotsen en bereikt de draaikolk, die aan den voet van bijna alle watervallen te vinden is.[316]Alle matrozen staan bij de uitgelegde riemen of aan de gereedliggende touwen, om, al naar zulks vereischt wordt, aan te grijpen, wanneer de boot, gelijk met opzet geschiedt, door de draaikolk wordt gegrepen en in een cirkel wordt rondgevoerd. Op het gegeven bevel van den stuurman dompelen aan deze zijde de riemen in het water, stooten aan de andere zijde lange staven op de rotsen, om het vaartuig daar van af te houden; verkleind of vergroot, draait of wendt zich het door de knapste matrozen gemanoeuvreerde zeil. Eenmaal, tweemaal, zesmaal, tienmaal poogt men tevergeefs de draaikolk over te steken,—eindelijk gelukt zulks en de boot bereikt het benedeneind van den val. Hier evenwel staat zij als vastgeklonken; de drukking van het zeil en van het water maken evenwicht met elkaar. De wind wordt sterker en het vaartuig rukt een of meer meter vooruit; de drukking op het zeil vermindert en de golven werpen het schip weêr terug. Nogmaals vangt de strijd tegen draaikolk en golven aan, en wederom behalen de laatste de overhand. Het komt er nu op aan het ingenomen en veroverde standpunt te handhaven. Een der matrozen grijpt het touw met de tanden, werpt zich in ’t midden van den hevigsten golfslag in den stroom en poogt al zwemmende, terwijl hij het zware touw achter zich aan sleept, een boven de golven uitstekend rotsblok te bereiken. De golven slingeren hem weêr terug en bedekken hem geheel, maar hij herhaalt zijn pogingen, totdat hij inziet, dat hij niet tegen den sterken stroom is opgewassen en een teeken geeft, waarop hij naar het schip wordt teruggetrokken. Nog eenmaal spelen, tot vernietiging in staat, draaikolk en golven met het bij hen vergeleken zoo brooze gebouw; nog eenmaal stuwt de wind dit laatste, in weêrwil van beiden, vooruit. Daar hoort men plotseling een angstverwekkend gekraak; de stuurman verlaat op hetzelfde oogenblik zijn plaats, en vliegt, een wijden boog beschrijvend, door de lucht en in den stroom,—de boot was op een door het water bedekte rots gevaren. Fluks bemachtigt zich een der matrozen van het roer, fluks werpt een ander den in het schuimende water spartelenden stuurman een opgeblazen, aan een touw vastgemaakten lederen zak toe en fluks vliegen de anderen met hamer, beitel en werk naar het scheepsruim om onmiddellijk het lek te dichten. De man aan het roer behoedt, zoo goed hij kan, het vaartuig voor een tweeden schok; de ondergedompelde stuurman klimt uit het donker nat, terwijl hij meer op klagenden dan biddenden toon de woorden uit: „El hamdi lillahi”—God zij geprezen!—de overigen hameren[317]en stoppen, en keeren het indringende water. Een geeft zijn hemd prijs om een lek te dichten, dat reeds alle werk verslond. En wederom zeilt de boot door kolk en golven, schommelend, zuchtend, knarsend als een zeeschip in den storm; weêr bereikt het de stroomversnelling en weêr wordt het gekluisterd door wind en golven. Twee matrozen springen samen in den stroom, bereiken gelukkig het begeerde rotsblok, slingeren er het touw omheen en wenken de overigen om de boot aan te trekken. Zulks geschiedt en nu ligt de boot vastgemeerd aan de rots, in het midden van den hevigsten golfslag, waardoor ze zoodanig wordt geslingerd en zonder ophouden op en neêr bewogen, dat men er zeeziek van worden kan en zulks ook dikwijls werkelijk wordt. Een tweede boot nadert en vraagt hulp. Men werpt haar door middel van den opgeblazen zak een touw toe en bespaart de bemanning hierdoor tijd en moeite. Weldra ligt ook deze boot en daarna een derde en een vierde onder dezelfde rots en alle dansen gezamenlijk op en neêr. Nu evenwel is de vereenigde scheepsmanskracht talrijk en sterk genoeg om de overvaart geheel ten einde te brengen. Tweemaal zooveel matrozen als elk vaartuig voert, bezetten alle noodzakelijke posten van het eene; de anderen zwemmen, waden en klauteren, lijnen naar zich toe trekkende, naar een rotseiland boven de stroomversnelling en slepen de eene boot na de andere, hun krachten met die van het zeil vereenigende, over den schuimenden, bruisenden waterval naar boven. Hier en daar, en nu en dan is de kracht van het zeil alleen voldoende; onder zulke gunstige omstandigheden evenwel brengt windstilte niet zelden vaartuig en bemanning in gevaar. Dikwijls moet eene boot midden in de brandende golven uren, zelfs een dag lang blijven liggen om op een gunstigen wind te wachten. Dan kan het gebeuren, dat men aan elke rotspunt een scheepje ziet hangen, zonder dat men in staat is elkander hulp te bieden.
Meer dan eens was ik genoodzaakt mijn nachtleger op een der zwarte rotsen op te slaan, omdat de hevige beweging der in den waterval op en neêr slingerende boot den slaap onmogelijk maakte. Bezwaarlijk kan men zich een vreemdsoortiger slaapplaats denken. De grond, waarop men rust, schijnt te beven onder de daartegen brandende golven; het bruisen en ruischen, sissen en loeien, dreunen en donderen van het water verdooft elk ander geluid; zwijgend zit of ligt men op zijn tapijt, omringd door zijn lotgenooten. Evenals een dikke voorbijtrekkende nevel spreidt elke windvlaag een fijnen stofregen over het rotseiland. Het[318]heldere legervuur werpt een wonderlijken lichtschijn op het gesteente, en de donkere, in alle vooruitspringende hoeken en kanten schuimende wateren, geven aan de in de schaduw verborgen draaikolken en watervallen nog spookachtiger voorkomen dan ze werkelijk hebben. Soms is het alsof zij honderd muilen openen om het arme menschenkind te verslinden. Doch deze heeft een vertrouwen even sterk als de grond, waarop hij rust. De geweldige stroom moge donderen, de branding woeden en schuimen, men rust hier veilig op de rots, die duizenden van jaren die woede doorstond. Wanneer echter het touw eens brak en de reddende boot tegen de nabijzijnde rots werd geslingerd en verbrijzeld? Dan zal een andere verschijnen om den schipbreukeling aan wal te brengen. Men kan slapen, rustig slapen, in weêrwil van dergelijke gedachten en in weerwil van het onophoudelijk gedreun, want het gevaar verleent moed en moed wekt vertrouwen; het donderen der golven wordt een wiegelied. Welk een ontwaken evenwel op den volgenden morgen! De hemel straalt in ’t oosten van een donzig rood, de oude rotsreuzen hebben een purperen mantel omgeslagen en schitteren straks in een oogverblindend licht, als waren zij gebouwd uit gepolijst staal. Licht en schaduw weven op de zwarte rotsen en in de met een goudgeel zand opgevulde kloven het onbeschrijfelijk heerlijke tooverkleed der woestijn; duizenden en nogmaals duizenden waterpaarlen fonkelen en schitteren daar tusschen; en de stroom ruischt ons daarbij zijn machtige, eeuwig dezelfde en eeuwig verschillende melodie in de ooren. Zulk een schouwspel en zulke muziek vervult elk mannenhart met verrukking. In stille aandacht brengt men den morgen op zijn verheven schouwplaats door, want eerst tegen den voormiddag verheft zich de altijd naar het zuiden stroomende wind. Met dezen beginnen wederom arbeid en gevaar, moeite en strijd, vermetelheid en vrees; en zoo verloopt de eene dag na den anderen, en verdwijnt de eene stroomversnelling na de andere achter den schipper.
De reis stroomopwaarts is gevaarlijk en tijdroovend, de reis stroomafwaarts een waagstuk zonder wederga, een doldriftig jagen door vloed en versnelling, draaikolk en maalstroom, watervallen en rotsnauwten, een moedwillig spel met het leven.
Men onderneemt zoodanige reizen door het gebied van alle stroomversnellingen alleen in booten, die in Soedan gebouwd zijn en voor den benedenloop bestemd werden. Ongeveer een tiende gedeelte wordt op de reis verbrijzeld; dat niet een betrekkelijk even groot aantal[319]schepelingen verongelukt is alleen toe te schrijven aan de ongeëvenaarde zwemkunst der Nubische schippers, die zelfs dan nog niet altijd verdrinken, als zij door de golven tegen de rotsen geslingerd worden; gewoonlijk laten zij zich als eenden op het water drijven om eindelijk toch weder aan vasten wal te geraken.
Ik zal trachten u zoo getrouw mogelijk enkele tafereelen te schetsen van zulk eene vaart stroomafwaarts.
Zes nieuwe booten uit het zware, in het water zinkende mimosenhout getimmerd, dat in Egypte zoo zeer gezocht en op prijs gesteld wordt, liggen op de zuidelijke grens der derde groep van stroomversnellingen, aan de rivieroevers vastgemeerd; de daarbij behoorende manschappen rusten op het zand tusschen de zwarte rotsblokken, alwaar zij den nacht hebben doorgebracht. Het is nog vroeg in den morgen en nog stil in het leger; de stroom alleen laat zijn ruischende taal in deze eenzaamheid hooren. De aanbrekende dag wekt de slapers; de een na den ander daalt naar de rivier af en verricht hier de voorgeschreven wasschingen voor het morgengebed. Nadat men het „voorgeschrevene” en het „bijgevoegde” van het gebed heeft uitgesproken, verkwikt zich de geheele bemanning aan een sober ontbijt. Dan ijlt jong en oud naar het graf van den een of anderen scheik of heilige, welker witte koepels tegen de lichtgroene mimosen van een donker dal helder afsteken, om hier onder aanvoering van den oudsten scheepsaanvoerder, die de plaats van Imam bekleedt, een afzonderlijk gebed om eene gelukkige vaart uit te spreken. Bij de booten teruggekeerd, werpt men nog, een oud voorvaderlijk, heidensch gebruik volgende, eenige dadels als offergave in den stroom.
Nu evenwel gebiedt elke gezagvoerder zijn manschappen ieder zijn post in te nemen. „Laat het zeil los! roeit o mannen, in den naam Gods des Albarmhartigen!” Zoo klinkt zijn bevel. Hierop begint hij te zingen, n.l. het refrein van een gedicht; een der roeiers neemt deze wijs over en zingt het eene vers van dat lied na het andere; de overigen begeleiden hem met de taktmatig voorgedragen woorden: „help ons o Mohammed, help ons o godsgezant en profeet!”
DE TERUGKOMST VAN DE JACHT.DE TERUGKOMST VAN DE JACHT.
DE TERUGKOMST VAN DE JACHT.
Langzaam beweegt zich de schuit naar het midden des strooms; sneller en altijd sneller drijft zij naar beneden; nog enkele minuten en, steeds den loop versnellende, schiet zij tusschen de rotseilanden boven de stroomversnelling door. „O Said, geef ons vreugde,” smeekt de „Reis” of schipper, terwijl de matrozen voortgaan met zingen. Sneller en sneller dompelen de roeiriemen[320]in het zwarte water, en het zweet druipt van de bruine, gisteren weder frisch met zalf ingesmeerde, tot op de lendenen naakte lichamen der roeiers; elke spier is saamgetrokken en in werking. Lof en smaad, vleiende woorden en verwenschingen, beden en bedreigingen, zegenwenschen en vervloekingen wisselen in den mond van den „Reis” met elkander af, al naar de boot een met zijn wenschen meer of minder overeenstemmenden koers maakt. De met alle kracht aangebrachte riemslagen, ofschoon alleen tot sturen en richten bestemd, verhaasten den reeds zeer snellen loop van het vaartuig nog meer en verhoogen het gevaar dikwijls evenveel als zij het trachten te ontgaan; de Reis vindt hierin genoegzame verontschuldiging, waar hij alle hem ten dienste staande middelen aanwendt om zijn matrozen aan te vuren. „Legt u op uwe riemen, werkt, werkt mijn zonen! toont uwe kracht naneven en nakomelingen van helden; bewijst uwen moed, gij dapperen; geeft blijk van uwe kracht, o helden; prijst den profeet, gij geloovigen! Ja, de meriesa, de simbilgeurige meisjes van Dongola, de vertellingen van Kaïro, dat alles zal het uwe zijn! Bakboord zeg ik u, honden, hondenzonen, hondenneven, zonen en nakomelingen van honden, gij christenen, gij heidenen, gij joden, gij kaffers en vuuraanbidders! Wacht, gij spitsboeven, schelmen, dieven, gauwdieven, landloopers, wilt gij roeien! Eerste roeiriem stuurboord, hangen vrouwen aan uwen arm? Derde roeiriem bakboord, slinger de wijven in ’t water, die u leiden! Recht zoo, voortreffelijk, uitstekend, gij krachtige, knappe, lenige jongelingen! God zegene u, gij braven, en geve uwen vader vreugde en uwen kinderen heil en zegen! Beter, beter nog, gij bloodaards daar, gij krachteloozen, ellendigen, nietswaardigen! Verdoeme u Allah in zijn rechtvaardigen toorn,—help ons, help ons o Mohammed!” Zoo stroomt het onafgebroken uit den mond des gezaghebbers, en alles wordt met den meesten ernst gezegd, gesproken, geschreeuwd, geklaagd en nog daarenboven bekrachtigd door passende bewegingen met het hoofd, de voeten en de handen.
DOOR DE WATERVALLEN VAN DEN NIJL.DOOR DE WATERVALLEN VAN DEN NIJL.
DOOR DE WATERVALLEN VAN DEN NIJL.
De boot heeft den bovensten trap der stroomversnelling bereikt. De rotsen aan beide zijden schijnen in het rond te draaien; het donderende water vloeit over dek en boord en overstemt elk ander geluid, zelfs de bevelen des stuurmans. Onophoudelijk wordt het ranke vaartuig van de eene rots naar de andere geworpen—vrees, angst, ontzetting staan op aller gezichten te lezen—daar ligt de gevreesde plaats reeds achter den spiegel der boot; de golven, die van de rotsen terugschuimden[321]hebben ook het scheepje teruggeworpen; twee riemen slechts zijn gebroken, als broos glas werden zij door het gesteente in splinters geslagen. Maar dit verlies belemmert de boot de gewilde richting aan te nemen en zij drijft naar een der watervallen. Een algemeen geschreeuw drukt ontzetting en vertwijfeling uit; op een wenk van den met bevende knieën aan het roer staanden Reis werpen allen zich plat op het dek en houden zich hier krampachtig vast; een oorverdoovend gekraak[322]volgt, terwijl de ziedende golven alles bedekken; een enkel oogenblik ziet men niets dan water, daarna springt de boot bliksemsnel omhoog—de doodsgevaren zijn voorbij, men heeft den waterval achter zich. „El hamdi lillahi”—God zij dank!—zoo luidt de kreet, aan ieders borst ontweld; dan snellen enkelen naar het ruim om mogelijke lekkages op te sporen en te dichten, anderen leggen nieuwe riemen op, en de tocht wordt vervolgd.
Achter deze eerste boot jaagt een tweede door de gevaarlijke stroomversnelling. Met onstuimige, steeds versnelde haast arbeiden de roeiers: daar worden allen plotseling tegen den grond gesmakt, en een hunner vliegt in een hoogen boog van zijne plaats door de lucht om in den stroom neêr te vallen. Hij schijnt verloren en in den afgrond begraven, maar neen! te midden van de draaiende en schuimende golven beneden de stroomversnelling duikt de meesterzwemmer weêr naar boven, terwijl zijn kameraads in hunne radeloosheid de handen wringen, en wanneer een derde boot de tweede, die op een rotsblok is gestrand, voorbijjaagt en in den maalstroom is gekomen, grijpt hij een der riemen en slingert zich behendig aan boord; hij is gered. Ook de vierde boot rukt nader; smeekende gebaren van de gestrande bemanning der tweede boot roepen om hulp—een wijzen naar den hemel is het antwoord. Inderdaad, menschelijke hulp schiet hier te kort, want de vaartuigen zijn hier niet in de macht der menschen, de stroom zelf moet helpen, wanneer hij niet vernietigen wil, en hij helpt. Grooter worden de slingeringen van het schip, welks voor- en achtersteven beurtelings onder het water verdwijnen en weêr daaruit omhoog rijzen, en plotseling jaagt het weder door draaikolk en stroomen. Eenige matrozen roeien, anderen scheppen water, zoo ook twee medereizende vrouwen; wederom anderen hameren, spijkeren en kalefateren in het ruim. Voor de helft met water gevuld, half drijvend, bereikt de boot den oever en wordt uitgeladen, maar de helft der lading, bestaande uit Arabische gom, is verloren; klagend, jammerend, weenend, op de met de mannen reizende vrouwen vloekende, rukt zich de eigenaar, een arm koopman, den baard uit. De beide vrouwen zijn van alles de schuld; hoe konden zij, die reeds in het paradijs het menschdom in het verderf stortten, een geloovigen Muzelman zegen aanbrengen! Wee, wee over de vrouwen en haar geheele geslacht!
De boot wordt den volgenden dag hersteld en opnieuw geladen; alsdan drijft zij met de anderen naar de volgende stroomversnelling,[323]doorklieft deze zonder beletsel en men bereikt gezamenlijk het vruchtbare, rotsvrije stroomdal van Midden-Nubië, dat alle schippers gastvrij ontvangt en opneemt. Vergeten is alsnu alle zorg; de bruine mannen lachen en schertsen als kinderen en slurpen met wellust den palmwijn en den „meriesa.” Veel te snel drijft de stroom de booten door het gelukkige land.
Wederom schudt de woestijn haar goudgele zandmassa’s over de rotsen der Nijloevers; wederom vernauwen, verdeelen en verhoogen rotseilanden de bedding des strooms; de schepen hebben de tweede stroomversnelling bereikt. De eene gevaarlijke waterloop, de eene gevreesde maalkolk, de eene zorgverwekkende nauwte en kromming na de andere is achter den rug; men voer ze gelukkig door, maar de laatste en wildste stroomversnellingen scheiden de schepelingen nog van het palmendorp Wadihalfa en het van hier uit nog slechts eenmaal, beneden-Phile, met rotsen gevulde, maar overigens niet gevaarlijke benedenste stroomdal. Alle booten zoeken boven de waarlijk vreeselijke stroomversnellingen Gaskol, Moedjana, Aboe-Sir en Hambol een rustige bocht; alle schepen liggen hier stil tot den volgenden morgen, om zich te sterken tegen den arbeid, de inspanning, angst en zorgen van den volgenden dag. Op veêrende rustbedden leggen ook de Westerlingen zich neder.
De nacht schuift zijn sluier over het wilde land. In het rotsdal donderen de naar beneden stortende wateren; in den stillen inham weêrspiegelen de sterren; van het strand stijgt de geur van mimosen omhoog. Daar treedt een bejaarde, tusschen de stroomversnellingen geboren en grijs geworden Reis naar de Westerlingen toe. Zijn schitterend witte baard omlijst het edele aangezicht; zijn wijd opperkleed doet denken aan den tabbaard eens priesters. „Zonen der vreemdelingen, mannen uit Frankenland!” zoo vangt hij aan te spreken, „gij hebt met ons groote gevaren doorstaan, grootere staan u te wachten. Ik ben in het land geboren; zeventig jaren heeft de zon mijn hoofd beschenen; eindelijk heeft zij mijn haar gebleekt. Ik ben een oud man—gij kondt mijn kinderen zijn. Daarom let op de stem van hem, die u waarschuwt en laat af van uw voornemen ons morgen te vergezellen. Onwetend gaat gij het gevaar in, maar ik ken het. Indien gij, evenals ik de rotsen hadt gezien, die als poorten aan de golven den doortocht versperren, indien gij, evenals ik, hadt gehoord hoe deze golven toornig en dreunend toe- en doorgang eischen, hoe zij[324]over de rotsen stroomen en brullend omlaag storten; indien gij bedacht, dat eenig en alleen de genade Gods, die wij bewonderen en aanbidden, ons armzalig scheepje kan sturen, dan zoudt gij aan mijn wensch voldoen. Zou het hart uwer moeder niet van kommer en verdriet breken, wanneer de barmhartigheid van den Albarmhartige ons verliet?—Gij wilt niet? Dan moge de genade des Almachtigen over ons allen heerschen!”
Vóór zonsopgang wordt het levendig aan het strand. Vuriger dan ooit verrichten de schepelingen hun morgengebed. Ernstige, met den stroom bekende stuurlieden, jonge, krachtige, waagzieke roeiers bieden den oude hun diensten aan. Bedachtzaam kiest hij de knapste stuurlieden en de krachtigste roeiers, drievoudig bemant hij het roer en geeft daarna het teeken tot opbreken. „Mannen en zonen des lands, kinderen des strooms, bidt de fatiha” beveelt hij. En allen spreken de woorden van de eerste soere des Korans: „Lof en eer den Heer der wereld, den Erbarmer, die daar heerscht ten dage des gerichts. U willen wij dienen, tot u willen wij bidden, opdat Gij ons den rechten weg zult wijzen, den weg dergenen, die zich in Uwe genade verheugen, maar niet den weg derzulken, over wie Gij toornt, en niet den weg der dwalenden!” „Amen, mijn kinderen; in den naam des Albarmhartigen! Maakt de touwen los en slaat de handen aan de riemen.” Gelijktijdig vallen deze in het water.
Langzaam drijft de opgestuwde stroom het vaartuig naar de eerste versnelling en nogmaals jaagt het, hierin gekomen, aan roer noch riemen gehoor gevende, in alle voegen krakende en steunende, door de over elkaar stortende golven en het kokend schuim, door draaikolk en maalstroom, door nauwten en gewonden vaarwaters, door de golven omspoeld en bedekt, rakelings langs de rotsen, en even rakelings over de met dwarrelende wateren bedekte rotstoppen naar eene tweede versnelling.
Van de hoogte der helling schouwt het oog vol ontzetting in eene met betrekking tot het geweld des waters afgrijselijke diepte; vlak voor den voet des vals verheft zich een rond rotsblok, omgeven door schuimende golven, een met witte haren omlijst reuzenhoofd, dat boven de wateren uitsteekt. Een afgeschoten pijl gelijk schiet het armzalig, hier niet meer te besturen scheepje op dien reuzenkop af. „In den naam des Albarmhartigen roeit, roeit, gij mannen, gij geweldige, dappere, koene mannen, gij zonen des strooms!” steunt de Reis; „bakboord,[325]bakboord het roer, met alle kracht.” Maar roer en riemen weigeren. Niet zoozeer het rotsblok brengt nu het scheepje in gevaar, maar dit wordt door een nauw, in een chaos van rotsen voerend, aan stuurboordszijde der rotsen zich vertakkend vaarwater opgenomen, en tevergeefs zoeken aller oogen een uitweg uit dezen chaos. Reeds verlaten de matrozen de roeibanken om zich van de laatste kleedingstukken te ontdoen, ten einde, zoo de boot mocht stranden, in het zwemmen niet gehinderd te worden; daar doet een vreeselijk gekraak aller blikken weder rugwaarts wenden; het steenen hoofd heeft de volgende, langere, daardoor minder goed te zwenken boot als offer ontvangen, en houdt haar zwevend boven den daar beneden schuimenden vloed. Zulks vermeerdert de ontsteltenis. Alle schepelingen beschouwen de bemanning dier boot voor reddeloos verloren, en allen maken zich gereed voor den sprong in de diepte. Daar dreunt helder en luid de stem des grijzen stroomouden over de woelende wateren. „Zijt gij dan dol, zijt gij van God verlaten, gij kinderen der heidenen! arbeidt, arbeidt, gij knapen, mannen, helden, gij dapperen en geloovigen! In de hand des Almachtigen berust alle kracht en sterkte; Hem zij de eer; aan de riemen gij zonen van helden!” En hijzelf gaat naar het roer en voert binnen weinige minuten de boot uit den „weg der dwalenden” op den „rechten weg” terug. De eene boot na de andere verschijnt in het vrije water; toch niet alle booten ontgingen het gevaar. Nog altijd, en wel tot aan de volgende rijzing van den Nijl draagt het reuzenhoofd zijn last, terwijl de ongeluksboot, waarin de vrouwen waren gezeten, reeds bij de bovenste stroomversnelling in duizend splinters werd geslagen. Met de gelukkig geredde manschap bidden de schippers evenals vóór de afvaart: „Lof en prijs den Heer der wereld!”
Voor het door palmboomen beschaduwde dorp Wadihalfa liggen de geredde booten naast elkander; aan het strand, om flikkerende vuurvlammen, in schilderachtige groepjes geschaard, de schippers. Dikbuikige kruiken, gevuld met meriesa, noodigen tot drinken uit; in andere vaten derzelfde soort borrelt het vleesch der geslachte schapen, onder toezicht van ras toegesnelde, met ricinusolie gezalfde, voor Europeanen niet te naderen vrouwen en meisjes.
De klank der cithers en het geroffel der trom geven het teeken tot den aanvang der „fantasie” van het feest, smulpartij en drinkgelag. Een onuitsprekelijk welbehagen maakt zich van alle schippers meester;[326]hun zaligheid is aan gelaat en bewegingen kenbaar. Eindelijk laat zich na den zwaren, angstigen arbeid van heden de vermoeidheid gelden. De taraboeka valt uit de slappe armen, de tamboera aan de vermoeide hand, en alle, zoo even nog luidruchtige stemmen zwijgen.
In hare plaats vangt thans de nacht aan te spreken. Daar boven klinkt nog steeds het gedonder van de watervallen; uit de kronen der palmen, met wier veêren de nachtwind speelt, daalt een zacht gefluister naar omlaag: aan het vlakke strand breken onder welluidend geklots de golven. En het gedonder der wateren en het spelen der golfjes, het geruisch van den wind en het gefluister der palmen vormen te zamen het heerlijkste wiegelied, dat allen doet insluimeren in het lichtrijk van gouden droomen.[327]