XII.

[Inhoud]XII.EENE REIS IN SIBERIË.Wij hadden de van menschen wemelende straten van St. Petersburg, de in de zon stralende gouden koepels van Moskow achter den rug, en de torens van Nischni-Nowgorod aan den anderen oever der Oka lagen voor ons. Met een dankbaar gevoel hadden wij afscheid genomen van de beide hoofdsteden van Rusland. Wij waren te Berlijn door Z. M. onzen roemruchtigen Keizer in een welwillend afscheidsgehoor ontvangen geworden, de Min. van Buitenl. Zaken had ons dringend aanbevolen, de Duitsche gezant in St. Petersburg had ons vriendelijk welkom geheeten, en zoo hadden wij ons eene goede opname in Rusland voorgesteld; de uitkomst beantwoordde aan onze verwachting, ja, overtrof deze ten zeerste. Z. M. de Czar had ons audiëntie verleend, bij Grootvorsten en Grootvorstinnen van het Keizerlijk huis hadden wij onze opwachting mogen maken; de Rijkskanselier, de Ministers en andere hooge staatsdienaren van Rusland waren ons tegemoet gekomen met die voorkomende vriendelijkheid en opofferende welwillendheid, welke een der karaktertrekken uitmaken van alle beschaafde Russen; de beste aanbevelingen, wier waarde wij later eerst recht zouden leeren kennen, vergezelden ons.Tot Nischni-Nowgorod hadden wij gereisd met de verkeermiddelen van den nieuwen tijd; voortaan zouden wij ervaren hoe men in het Russische rijk reist, en op welke wijze men er afstanden van duizenden kilometer of wersten aflegt—aflegt in den winter zoowel als in den zomer, des nachts zoowel als over dag, in het hevigste onweder zoowel als in den fellen zonneschijn, in den kletterenden regen of in den ijzigen sneeuwstorm zoowel als wanneer de droogte het stof doet opdwarrelen, in de slede zoowel als in den wagen. Een groote, zware, in alle voegen beklampte, om ’t omvallen te voorkomen wijdbeenige, door een kap tegen regen en sneeuw beschutte, voor 3 paarden ingerichte reisslede, voorzien van tingelende klokjes, stond voor ons.[328]Het was op het kristallen ijskleed der Wolga, dat wij den 19 Maart de wel snel vorderende, maar toch niet onbelemmerde vaart aanvingen. Wij hadden op de reis van Duitschland naar Rusland dooiweêr gehad, de dooi had ons uit Petersburg naar Moskow verdreven, dooiweder bleef onze bestendige begeleider, als waren wij voorjaarsboden. Met water gevulde gaten, die dreigend herinnerden aan de gapende diepte daar beneden, doorweekten niet alleen slede en paarden, maar ook wijzelf werden doornat; soms werden wij genoodzaakt tot het nemen van groote omwegen, die wegens het kraken van het ijs gevaarlijker schenen, dan zij werkelijk waren, maar toch den koetsier en den postillon beiden zoo met bezorgdheid vervulden, dat wij na eene korte vaart de gladde ijsbaan verwisselden met den nog onbereden zomerweg. Deze weg, waarover niet alleen duizenden van vrachtwagens hun lasten vervoeren, maar langs welken eveneens duizenden veroordeelden naar het gevreesde Siberië trekken, is voor laatstgenoemden een weg der zuchten; hij werd zulks mede voor ons. De losse, met water gedrenkte sneeuw lag hier nog een meter hoog; rechts en links ruischten en stroomden tal van beekjes, overal waar deze slechts ruimte hadden om te stroomen en te ruischen; op beklagenswaardige wijze matten de nu voor elkander gespannen paarden zich af, om vasten voet te behouden; met sprongen trachtten zij de sporen van den voorganger te bereiken en tot aan de borst zakten zij bij iederen verkeerden sprong in de sneeuw en het ijskoude water. Daarachter schudde de slede, in alle voegen krakend, telkens als zij met een snellen ruk van de hoogte in de diepte werd geslingerd; uren lang bleef het voertuig, trots alle inspanning der paarden, in een gat steken, en weêmoedig klingelde het geschenk der raadselachtige Faldine, het wolvenverdrijvende klokje. Tevergeefs vermaande, bad, bezwoer, kraste, krijschte, schreeuwde, vloekte en zweepte de koetsier; meestal moest vreemde hulp ons uit dezen nood helpen.De uren werden dagen van kwelling, de weg scheen steeds langer te worden. Het vergezicht schonk evenmin naar rechts als naar links eenige opbeuring, want zonder schoonheid, woest en eenzaam strekte zich het vlakke land voor ons uit; alleen de dorpen leverden eenige afwisseling op, maar alleen voor hem, die weet te zien en die wil waarnemen. De winter hield de menschen hier nog terug in hun kleine, sierlijk aangelegde, meest evenwel erg verwaarloosde blokhuizen; in pelzen gehulde knaapjes alleen liepen barrevoets door de met water gedrenkte sneeuw en den vuilen drek, terwijl de oudere jongens en[329]meisjes met behulp van stelten deze hinderpalen trachten te overwinnen; oude, wit-gebaarde bedelaars belegerden de posthuizen en herbergen, voor een schilder evenwel bedelaars om te stelen; bedelaars, die, wanneer zij, om eene aalmoes smeekende, het hoofd ontblootten, met hun eerwaardige kale kruin en den langen golvenden baard, niet minder ook door hunne vuile lichamen en armoedige, gescheurde kleeding zoo getrouw het beeld weêrkaatsten van wereldverachtende heiligen, dat ik nimmer kon nalaten hun altijd weêr iets te geven, al was het alleen maar om hen te nopen tot dankbetuiging een kruis te slaan, welke ceremonie soms tot negenmalen herhaald werd—en met zooveel uitdrukking en overtuiging geschiedde, dat een ware heilige het niet beter zou hebben kunnen verrichten.Ook de dierenwereld liet zich in de dorpen meer zien dan op de velden, zelfs meer dan in de bosschen, die wij doortrokken. Daar buiten hield de winter het dierlijk leven nog geheel in zijn boeien geslagen; daar was alles nog stil en dood; behalve eene bonte kraai en een geelgors, liet zich daar nog geen enkele vogel zien, en in de sneeuw bespeurden wij geen spoor van eenig zoogdier; in de dorpen werden wij ten minste verwelkomd door bekoorlijke kauwen, sieraden op de daken der blokhuizen, door den raaf, bij ons te lande de schuwe bewoner van bosschen en bergen, hier de vertrouweling der dorpsbewoners, door eksters en meer andere vogels, niet gerekend de huisdieren, onder welke de vrij rondloopende zwijnen vooral onze aandacht trekken.Na een vierdaagschen, onafgebroken tocht, zonder ons eene enkele maal door een verkwikkenden slaap gesterkt te kunnen hebben, zonder eene werkelijke rust genoten te hebben, zonder behoorlijk voedsel, aan alle leden gebroken, bereikten wij, na het zeer gebarsten ijsdek der Wolga te voet te zijn overgetrokken, Kasan, de oude hoofdstad der Tartaren, welker zestig torens ons sedert den vorigen dag reeds vriendelijk hadden toegelachen. Ik dacht een oogenblik in het Oosten te zijn verplaatst. Van de minarets en de ettelijke boven alles uitstekende, met een puntig toeloopend dak voorziene houten torens klonk mij wederom in Arabische klanken de oproeping tot het gebed, door den Islam van zijn belijders geëischt, in de ooren; te midden der met een tulband omwonden mannen zweefden zwartoogige, voor dezen zich angstig bedekkende, voor ons zich nieuwsgierig ontsluierende vrouwen langs den weg; uit vrees hare fraaie, niet waterdichte, saffraankleurige schoentjes nat te maken, volgen zij voorzichtig de droge smalle paadjes langs de huizen; in[330]de drukte van den bazar woelt jong en oud dooreen—even als in het Oosten. Alleen het groot aantal prachtige kerken, waaronder die van het klooster, genaamd: „de niet door menschenhanden gemaakte Moeder Gods van Kazan” door ligging en bouwwijze uitmunt, wilden niet recht in die Oostersche lijst passen, ofschoon hier blijkbaar Christenen en Mohammedanen eendrachtig samenwonen.Op lichte sleden, op zoo mogelijk nog bodemloozer wegen, trokken wij verder, Perm en den Oeral tegemoet. De weg voert ons door Tartaarsche en Russische dorpen, bebouwde velden en groote, uitgestrekte bosschen. De Tartaarsche dorpen onderscheiden zich gunstig van de Russische, want niet alleen mist men er de voor onrein gehouden varkens, maar tevens vindt men bij elk dier dorpen een goed onderhouden, met hooge boomen beplant kerkhof; de Tartaar toch eert de rustplaats zijner dooden, de Rus ten hoogste die zijner heiligen. De bosschen ofschoon planmatig ingedeeld, zijn oerwouden, die groeien en gedijen, verouderen en afsterven zonder toedoen des menschen; zij liggen te ver verwijderd van bevaarbare rivieren om er een winstgevend gebruik van te maken.Twee groote rivieren, de Wietka en Kama kruisen dezen weg. De eerste ligt nog gekneld in den winterboei, ofschoon de lentewind reeds aanvangt het ijsdek te verbreken. Het water overstroomt de oevers, zoodat de paarden der vrachtvaarders,—welke lieden geen gebruik van de op zulke plaatsen aangebrachte noodbruggen willen maken—genoodzaakt zijn al zwemmende de achter hen drijvende slede, evenals een bootje door het water te trekken.Reeds vóór wij Perm bereikten moesten wij de slede met een reiswagen verwisselen, en in dezen rollen wij het Oeralgebergte, de grens van Europa en Azië tegen. De weg loopt over langgerekte, zacht glooiende, doch steeds hooger wordende heuvelrijen. Het beeld des landschaps verandert. Een fraai, ofschoon nog geenszins grootsch bergland strekt zich voor onzen blik uit. Kleine boschjes, omgeven van akkers en weiden, herinneren aan de voorgebergten der Stiermarksche Alpen. De meeste bosschen zijn arm en nietig, eenigszins te vergelijken bij die der Mark, enkele rijker en levendiger, zelfs over groote uitgestrektheden dicht. Ginds waren zij uit lage dennen en berken gevormd, hier bestaan zij uit beide boomsoorten met daartusschen groeiende linden, esschen en populieren, boven wier ronde kronen de cypresvormige toppen der heerlijke Pichta’s of Siberische dennen als kandelabers uitsteken.[331]De dorpen zijn gemeenlijk grooter, de huizen deftiger dan die, welke wij achter den rug hebben, maar de wegen zijn boven alle beschrijving slecht. Loodzwaar slepen duizenden vrachtwagens zich op of liever in het modderige spoor voort, en zoo ook wij, tot eindelijk na eene reis van drie dagen de waterscheiding van de beide groote stroomgebieden, van dat der Wolga en Ob is bereikt, en wij door een gedenksteen, op welks westkant het woord Europa, op welks oostkant het woord Azië is gebeiteld, er aan herinnerd worden dat wij de grenzen van het werelddeel onzer geboorte zijn overgetrokken. Onder het klinken der glazen gedenken wij onze verre geliefden.Het vriendelijke Jekaterinenburg met zijn goudsmelterijen en steenslijperijen mag ons, in weêrwil van de gastvrijheid zijner bewoners, niet lang ophouden, want steeds breeder slaat de lente haar wieken uit, en met elken dag wordt het ijsdek, dat nog tot het ver afgelegen Omsk ons voor brug moet dienen, losser en weeker. Rusteloos snellen wij door de velden van het Aziatisch gedeelte van het gouvernement Perm, totdat wij zijn grenzen en daarmede ook West-Siberië hebben bereikt.Hier, in het eerste posthuis, wacht de distriktscommissaris van Tjumen ons op, om ons in naam van den stadhouder te begroeten en door zijn distrikt te geleiden; in de hoofdstad vinden wij het huis van een vermogend man voor onze komst in gereedheid gebracht. Wij zullen van nu af aan ervaren, wat Russische gastvrijheid beteekent. Nog altijd had men ons overal gastvrij ontvangen en onthaald; van nu af aan beijveren zich de hoogst geplaatste ambtenaren van distrikten en provinciën om ons eer te bewijzen en van dienst te zijn, terwijl de aanzienlijkste huizen tot onze beschikking staan. Als vorsten worden wij behandeld, enkel en alleen omdat wij een wetenschappelijk doel voor oogen hebben. Hoe dankbaar wij zulks ook erkennen, het ontbreekt ons aan woorden om ons dankgevoel te uiten.Aan gene zijde van dat Tjumen, alwaar wij drie dagen vertoefden, om de gevangenissen der ballingen, de lederfabrieken en andere bezienswaardigheden der eerste Siberische stad in oogenschouw te nemen, zagen wij ook hoe de boeren zich zelfs tot heer en meester weten te maken van de rivieren. De naderende lente had ook het ijs der Pyschma losgemaakt en de ijsschollen begonnen zich in beweging te zetten; wij moesten evenwel nog eerst den stroom oversteken. De bevolking van het dorp Romanoffskoy stond blootshoofds voor de[332]Pyschma op ons te wachten; en op ons wachtende moest ook deze rivier geduld oefenen met het verbreken harer kristallen ketenen. Met niet minder bekwaamheid als onverschrokkenheid had men eene noodbrug over den reeds gedeeltelijk van ijs bevrijden stroom geslagen; eene groote boot diende daarbij als middelste grondbalk en de ijsschollen, die dreigden te gaan kruien, werden boven en naast deze brug met sterke touwen vastgebonden. Gedienstige handen onttuigden het vijfspan, dat wij heden voor onze reis noodig zouden hebben, sloegen de handen aan de assen en spaken, en brachten den eenen wagen na den anderen over de waggelende, op en neêr golvende, krakende brug. Deze had haar plicht gedaan; aan den anderen kant ging het lustig verder door water en sneeuw, slijk en modder, over paaldammen en ijs.Minder gewillig betoonde zich de Tobol, die wij op Goeden Vrijdag den 14 April, den eersten eigenlijken voorjaarsdag, over wilden trekken. Ook hier had men alle mogelijke voorzorgen voor den overtocht getroffen, zelfs een onzer wagens reeds afgespannen en op het ijsdek gerold, toen dit krakend spleet, zoodat men hem ijlings terug moest trekken. Vroolijk hadden de belletjes geklonken toen wijJalutoroffskverlieten, met hun treurig gelui vergezelden zij ons toen wij naar deze stad terugkeerden, en eerst op Paschen vermochten wij de rivier met behulp eener pont over te gaan.Zoo ging het verder; voor en achter ons wierpen de stroomen het ijskleed af; alleen de gevreesde Irtysch lag nog bevroren voor ons en zoo bereikten wij, na eene reis van ruim vier weken, zonder verdere ongevallen, Omsk, de hoofdstad van West-Siberië.Nadat wij in Omsk hadden gezien wat er te zien valt, de straten en huizen, de kadettenschool, het museum, het hospitaal, de gevangenis voor soldaten en zoo meer, reden wij over den weg, die zich langs den rechteroever der Irtysch uitstrekt en die de dorpen der zoogenaamde Kozakkenlinie verbindt, verder tot naar Semipalatinsk.Reeds tusschen Jalutoroffsk en Omsk waren wij door eene steppe gereden, n.l. door die van Ischim; thans waren wij van alle zijden door de steppe omringd en elken nacht werd de hemel rood gekleurd door het in den brand gestoken oude steppengras en steppenkruid. Met het noordwaarts trekkend ijs van de Irtysch trokken scharen van trekvogels in gelijke richting mede; de steppenmeren waren opgevuld met watervogels; verschillende soorten vanleeuwerikenvlogen in dichte troepen heen en weder; de sierlijke steppenvalken hadden reeds hun[333]zomerverblijven weder betrokken, de lente had werkelijk haar intocht gehouden.Te Semipalatinsk hadden wij het geluk in den Gouverneur-Generaal von Poltoratski, een warm vriend en bewonderaar van onze plannen, in zijne echtgenoote de vriendelijkste gastvrouw ter wereld te vinden. Niet tevreden met in Semipalatinsk ons zoo goed ontvangen te hebben, besloot de generaal ons op de meest geschikte wijze met de voornaamste bevolking zijns gebieds, de Kirgiezen, bekend te maken; hij had te dien einde maatregelen getroffen voor eene groote jacht oparcharen, een soort van wilde schapen, die in grootte onze tamme schapen om het dubbele te boven gaan.Den 3 Mei braken wij voor dit doel op, trokken over de Irtysch en reden over den postweg naar Taschkent de steppe der Kirgiezen in. Na een tocht van zestien uren hadden wij het jachtgebied, een klippig steppengebergte bereikt; al spoedig stonden wij voor het te onzer eere opgerichte Joertenleger of „Aul”, vriendelijk begroet door de ons gisteren vooruitgereisde gemalin des generaals, en eveneens hartelijk verwelkomd door een twintigtal Kirgiezische sultanen, door de hoofden der gemeente en derzelver talrijk gevolg.Het ging de drie volgende dagen lustig toe in de Arkatsche bergen. Voor de steeds naar feesten hakende Kirgiezen waren schoone dagen aangebroken, maar voor ons niet minder. Het dal en de bergen weêrklonken onder den hoefslag der tachtig en meer ruiters, die op de beide volgende dagen ter jacht uittrokken; de zon, zoo vaak zij zich vertoonde, schitterde op de bonte, vreemdsoortige gewaden, die tot op dat oogenblik onder de pelzen waren verborgen gebleven; een levendig gewemel vulde berg en dalkloof. Met hun beste renpaarden en uitstekendste telgangers, afgerichte steenarenden, windhonden en kameelen, met citherspelers en improvisatoren, kamprijders en soortgelijke helden waren zij verschenen, de eens zoo gevreesde Kirgiezen, wier naam niets anders dan roover beteekent, heden echter de gewilligste, getrouwste en meest tevreden onderdanen des Russischen Rijks. In groepjes zaten zij bijeen, afzonderlijk en in troepen draafden zij heen en weêr, en galoppeerden lustig met de vlugge paarden; met de levendigste belangstelling volgden zij de wedrennen, aanschouwden vol geestdrift het paardrijden der jeugdige knapen en bestuurden met overleg de jacht; vol verrukking luisterden zij naar het lied van den improvisator, die de jacht bezong. Reeds vóór onze komst had een der[334]Kirgiezen een archar gedood; het geluk bracht mij een tweede dier voor mijn zeker schot. Dit laatste voorval deed de geestdrift des dichters ontvonken. Zijn verzen waren wel is waar niet bijzonder rijk van inhoud of diep gedacht, maar toch zoo eigenaardig, dat ik ze opschreef, om eene eerste proeve van Kirgiezische dichtkunst te verzamelen. Terwijl de man zong, vertaalde de tolk zijn lied in het Russisch, de Generaal deed zulks in het Duitsch, en toen de zanger ophield, had ook ik zijn woorden haastig op het papier gebracht.„Spreek, spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij stom zijn.Spreek, spreek, roode tong, mij door God gegeven; na den dood zult gij zwijgen. Woorden, gelijk thans aan u ontvloeien, zullen na den dood u niet verlaten. Lieden, groot als de bergen, zie ik voor mij; hun wil ik waarheid verkondigen. Bergen, rotsen meen ik voor mij te zien; met het renpaard mag ik hen vergelijken. Zij zijn grooter dan schepen, grooter dan de stoombooten, die de Irtysch bevaren.In U o Gebieder in den naam des Keizers, zie ik den hoogsten; met een berg mag ik u vergelijken en met het prachtig renpaard, dat statig daarhenen draaft. Een moeder was het die mij ter wereld bracht; mijne tong evenwel is mij van God gegeven.Wanneer ik thans niet mijne stem tot U verhief, tot wien zou ik dan spreken? Volle vrijheid heb ik tot spreken, even alsof ik tot mijn volk sprak.Het geluk zij met U, o Heer, en heil en zegen met Uwe gasten, waaronder hooggeplaatsten, ofschoon zij thans onder U gesteld zijn.Elke gast van den Generaal is ook de onze, en hij is zeker van onze vriendschap.God gaf mij de tong; deze moge nog meer spreken.In de bergen zagen wij jagers, schutters en drijvers, maar slechts met één hunner was het geluk.Evenals de hoogste berg zijn top boven de andere verheft, zoo steekt ook deze boven alle anderen uit; want hij schoot den archar twee kogels door het lichaam en bracht het dier naar de Joerte.Aller wensch was buit te behalen, maar slechts één der jagers zag dien wensch vervuld; dies verheugen wij ons, dies verheugt ook Gij U genadige vrouw, tot wie ik thans spreek.Het geheele volk is ten hoogste verblijd U hier te zien en te begroeten;[335]het geheele volk, vrouwen en mannen wenscht U slechts vreugde, duizend jaren leven en gezondheid.Neem met welgevallen onze hulde aan! Hebt gij rijker menschen gezien, trouwer heeft niemand U begroet en gastvrijheid geschonken.Moge God U zegenen, U, Uw huis en Uwe kinderen! Te weinig woorden heb ik om U te prijzen, maar mijne tong werd mij door God gegeven: En zij sprak, de roode tong, wat er in het hart omging.”Wij verlieten de bergen van Arkat en spoedig daarna ook het regeeringsgebied van onzen gastheer, van wien wij op het jachtveld reeds afscheid hadden genomen; wij werden in Sergiopol, de eerste stad in Turkestan, door den overste Friedrichs ontvangen, die ons in naam van den Gouverneur-Generaal dezer groote provincie begroette; onder diens geleide trokken wij verder. Kirgiezen-hoofden vormden eene eerewacht en zorgden voor trekpaarden; deze hadden als zoodanig stellig nog nimmer hunne diensten bewezen, daar zij aanvankelijk doldriftig met de wagens voortholden; Kirgiezen-sultanen bewezen ons gastvrijheid, zorgden steeds voor huisvesting en voedsel en sloegen Joerten op aan alle plaatsen, waar wij wilden rusten; Kirgiezen vingen voor onze collecties slangen en andere kruipende dieren, wierpen de netten uit in de steppenmeren en volgden ons op de jacht als trouwe honden.Zoo bereisden wij de nu in vollen lentetooi staande steppe, vertoefden jagend en verzamelend aan het Alakoelmeer „bonte zee”, trokken door bloeiende dalen en over lachende bergen naar de in den Alatan, een der verhevenste steppengebergten, gelegen kozakken-stanitza, Lepsa, zwierven door de omstreken dezer kolonie, een klein paradijs, dat overvloeit van melk en honig, beklommen de hooggebergten, verkwikten ons hier aan ruischende bergstroomen, groene Alpenmeren en heerlijke vergezichten; en terwijl wij in noordoostelijke richting verder reisden, wendden wij ons naar de Chineesche grens, om door een gedeelte van het Hemelsche Rijk langs den kortsten en gemakkelijksten weg het Altaï-gebergte te bereiken.In Bakti, de laatste Russische grenspost gewerd ons de tijding, dat Zijne Onuitsprekelijkheid, de Dschandsoen Djoen, Opper-Stadhouder der provincie Tarabagatai, ons ook vanwege China wilde begroeten, en ons ten maaltijd had genoodigd. Om dien wensch van den hoogen mandarijn te vervullen, reden wij den 21 Mei naar de hoofdstad van gezegde provincie, Tschoekoetschak of Tschautschak.[336]De ruiterstoet, die zich over de in het zonnelicht stralende steppe bewoog, was talrijker en prachtiger dan ooit te voren. Deels om in dit door oproeren geteisterde land veilig te reizen, deels om voor Zijne Heerlijkheid waardig, om niet te zeggen met staatsie en pracht te kunnen verschijnen, hadden de ons vergezellende heeren, behalve de onder aanvoering van onzen nieuwen geleider, Majoor Tischanoff, uit Sachan gezonden dertig Kozakken en onze oude vrienden, de Kirgiezen, nog een halve sotnie Kozakken uit Batki opontboden, en zoo dreunde de tot nog toe eenzame steppe onder de hoefslagen van een klein leger. Onze Kirgiezen waren allen in feestkleederen gedoscht; hunne zwarte, blauwe, gele en roode, met zilveren en gouden tressen versierde kaftans wedijverden in glans en pracht met de uniformen der ons vergezellende Russische officieren. Aan de onlangs vastgestelde grens wachtte een Chineesch militair van hoogen rang ons op, om ons te verwelkomen; daarna keerde hij ons den rug toe en joeg, zoo snel zijn ros hem dragen kon naar zijn meester terug, ten einde dezen onze aankomst te melden. Onze paarden baanden zich, toen wij de stad bereikt hadden, met moeite een weg over puinhoopen, half ingevallen en half opgebouwde huizen; elders reden wij langs bloeiende tuinen, terwijl potsierlijke Mongolentronies ons tegengrijnsden en afschuwelijk leelijke vrouwen mijn schoonheidsgevoel in niet geringe mate beleedigden. De stoet verzamelde zich voor de woning des stadhouders; wij hielden voor de groote poort stil en vroegen verlof om binnen te treden.Tegenover de poort verhief zich een kunstig gebouwde muur, die in het midden een wonderlijk dierenbeeld droeg; rechts en links hiervan lagen Chineesche martelwerktuigen op den grond verstrooid. Een huisbeambte verzocht ons naar binnen te gaan, maar gaf meteen aan de Kozakken en Kirgiezen bevel daar buiten te blijven. De stadhouder ontving ons in zijn woon-, werk- en gerichtskamer met groote deftigheid. Zijn waardigheid als hoog Mandarijn niet uit het oog verliezende, karig met woorden en slechts enkele afgebroken geluiden stamelende, die telkens van een vroolijk grinnikend gelach vergezeld gingen, reikte hij ons de hand en noodigde ons uit om aan de theetafel te gaan zitten, die met allerlei kleine schoteltjes, waarin de vreemdsoortigste ontbijtgerechten, beladen was,—„en wij strekken de handen uit naar den lekker toebereiden maaltijd.” Rijst, verschillende in olie ingelegde en gedroogde vruchten, schijfjes zwijnenvleesch, zoo dun als pergament, gedroogde garnalenstaarten, alsmede eene onnoemelijke menigte onkenbare,[337]ten minste niet nader te bepalen lekkernijen en zoetigheden, maakten de spijzen uit, eene voortreffelijke thee en eene afschuwelijke foeselhoudende rijstebrandewijn van ongemeene sterkte, de dranken. Na den maaltijd, die, tengevolge van een voorzichtigheidshalve reeds vooraf ingenomen ontbijt van minder raadselachtig allooi, voor mij althans zonder nadeelige gevolgen afliep, werden waterpijpen rondgedeeld, en daarna bezichtigden wij eene menigte denkbare en ondenkbare voorwerpen zoo in dit vertrek als in eene kamer daarnaast: landschappen en afbeeldingen van dieren, door de Regeering verzonden getuigschriften, het groote, met bijzondere zorgvuldigheid in bonte zijden stoffen kunstig ingewikkelde Rijkszegel, vreemdsoortige pijlen met eene bestemming, zooals slechts een Chineesch brein daaraan kan toekennen, voorwerpen van Europeesche kunst, enz.Verschrikkelijk afgemeten en ijselijk deftig werd het onderhoud gevoerd.Onze woorden werden uit het Fransch in het Russisch, uit het Russisch in het Kirgiesch en uit het Kirgiesch in het Chineesch overgebracht, terwijl de antwoorden langs den omgekeerden weg tot ons kwamen; geen wonder dus, dat ons gesprek den toon der hoogste deftigheid aannam. Na het ontbijt verschenen er Chineesche boogschutters, om ons proeven hunner schietkunst te geven; daarna bracht ons de Dschandsoen allergenadigst, persoonlijk in zijn moestuin, om ons daaruit een en ander te laten proeven; eindelijk nam hij afscheid van ons, en nu reden wij door de straten en markten der stad, vonden in het huis van een Tartaar gastvrijheid en een heerlijken, door de tegenwoordigheid der beeldschoone, jonge, te onzer eer in het mannenvertrek geroepen vrouw, gekruiden maaltijd, om tegen zonsondergang deze, ook in de geschiedenis bekende plaats te verlaten.Tschoekoetschak is dezelfde stad, die in 1867 na eene langdurige belegering, den Doenganen, eenen Mongoolschen, maar tot den Islam bekeerden volksstam, die bestendig strijd voerde tegen de Chineesche opperheerschappij, in handen viel, en toen met man en muis werd verdelgd en tot den grond geslecht.Van de 30,000 inwoners, die Tschoekoetschak kort te voren telde, was een derde deel gevlucht; de rest evenwel, die zich veilig waande, omdat verschillende bestormingen waren afgeslagen, bleef—maar tot haar verderf. Toen de laatste bestorming gelukte, en de stad in handen der Doenganen was gevallen, hielden dezen er met dezelfde wreedheid[338]huis, als waarmede de Chineezen tegenover hen gewoed hadden. En wat aan het zwaard ontkwam verging door het vuur. Toen onze tegenwoordige begeleider, de overste Friedrichs, veertien dagen later de plaats bezocht, alwaar Tschoekoetschak gestaan had, steeg er zelfs geen rookwolk meer uit de verkoolde balken op. Wolven en honden, die zich vet hadden gemest aan de menschenlijken, slopen langzaam van daar of lieten zich zelfs in hun walgverwekkend maal niet storen, maar bleven voortknagen aan het gebeente hunner voormalige meesters; arenden, wouwen, raven en kraaien deelden met eerstgenoemden het maal. Waar men ruimte had moeten maken waren de lijken bij dozijnen en honderden op een hoop geworpen; in de overige gedeelten der stad, in de straten, tuinen en huizen lagen zij of afzonderlijk, of bij tweeën, vieren en dozijnen bij elkaar, man en vrouw, grootvaders en grootmoeders, moeder en kind, geheele huisgezinnen en gevluchte buren, het hoofd verpletterd door sabelhouwen, de aangezichten in flarden gehakt, verbrand, de ledematen door de tanden van honden en wolven afgeknaagd, lichamen zonder hoofd, andere zonder handen. Wat de krankzinnigste verbeelding aan gruwelen kan uitdrukken vond hier zijn ontzettende werkelijkheid.Tegenwoordig telt Tschoekoetschak ten hoogste duizend zielen; feitelijk staat de nieuwe, met torens gekroonde vesting onder de bescherming van het kleine Russische piket te Bakti; want dat de Doenganen nog altijd niet de wapenen hebben neêrgelegd, nog altijd niet voorgoed ten onder zijn gebracht, bleek ons uit den weinige dagen te voren begonnen tocht van een Chineesch legertje naar het dal der Emil, alwaar een inval scheen te dreigen. Onder geleide van Majoor Tichanoff en zijn dertig Kozakken trokken wij dit dal door, zonder echter een enkelen Doengaan in ’t gezicht te krijgen, en zonder dagen achtereen zelfs een mensch te ontmoeten. De Emil, van het Saurgebergte komende, stroomt tusschen de Tarabagatai en Semistau, twee, onder een scherpen hoek saamkomende ketens, verder, van beide zijden versterkt door een aantal beekjes. De Chineezen, alle wateraders benuttende, hadden door bevloeiingen het geheele dal in een vruchtbaren tuin herschapen, toen de Doenganen kwamen en dezen tuin verwoestten, om hem terug te geven aan de steppe, zijn moeder. Wel reden wij, in de nabijheid der stad, nog door kleine dorpen en stieten op een Aul der Kalmukken, daarna echter alleenlijk nog langs de puinhoopen van vroegere welvaart en vroegere menschelijke bedrijvigheid.[339]De natuur had reeds met zachte hand een sluier over de velden gespreid, maar de nog niet door storm en weder vernietigde puinhoopen der dorpen bleven ten hemel schreien. Bezoekt men deze dorpen, dan treden de begane wreedheden met ijzingwekkende duidelijkheid weder voor oogen. Tusschen de eenzame muren, welker daken verbrand en welker gevels geheel of gedeeltelijk zijn ingestort, op het vermolmende hout, waar vergiftige zwammen weelderig omhoog schieten, en te midden der scherven van Chineesch porselein, te midden van halfverkoold en daarom bewaard gebleven huisraad, stoot men overal op menschelijke overblijfsels, verslagen schedels, afgeknaagde beenderen, en geraamten van huisdieren, inzonderheid van den hond. Op de schedels ziet men nog de houwen der scherpe sabels. De menschen vielen als een offer hunner woedende vijanden en de honden deelden in het lot hunner meesters, die zij misschien nog trachtten te verdedigen; de andere huisdieren werden weggedreven en buit gemaakt, evenals alle bezittingen der overwonnenen, terwijl alleen die voorwerpen, welke voor ’t oogenblik geen waarde hadden, werden stuk geslagen en verbrand. Twee halfwilde huisdieren zijn de puinhoopen blijven bewonen, t.w. de zwaluw en de musch; de plaats der anderen werd ingenomen door de vogels der ruïnen.Wij togen ongehinderd door het verwoeste dal. Geen Doengaan liet zich zien; want achter onze dertig Kozakken stond het machtige Rusland. Toen wij weder menschen ontmoetten, bevonden wij, dat het Russische Kirgiezen waren, die hier, in China, hun kudden weidden, hun velden bebouwden en voor een hunner dooden een grafteeken oprichtten.Van uit het dal der Emil beklommen wij den Tarabagatai op een der laagste plaatsen van den kam van het gebergte, daalden toen naar de bijna effene hoogvlakte Tschilikti af, die door eerstgenoemden keten alsmede door den Saur, Manrak, Terserik, Moestau en Oerkaschar wordt ingesloten en ongeveer 1600 meter boven den zeespiegel is gelegen. Wij staken deze vlakte dwars over, ontmoetten op dien tocht een aantal zeer groote koerganen of grafheuvels der inboorlingen, om daarna door de kronkelende dalen van het veelvuldig gespleten Manrakgebergte, het dal van Saisan en den eerst sedert vier jaren bestaanden grenspost van gelijken naam—een vriendelijk stadje,—te bereiken. Hier, dicht bij de Chineesch-Russische grens waren wij voor ’t eerst, sedert Lepsa, weêr omringd door Europeesche behagelijkheid en comfort.[340]In de gezelschappen, die wij bezochten, verkeerden wij als in St. Petersburg of Berlijn; men praatte, speelde, zong en danste in den beperkten familiekring of in een publieken tuin. Het heerlijk gezang der nachtegalen begeleidde dans en lied; men vergat waar men zich bevond.Ik benutte den tijd van ons verblijf aldaar voor eene jacht op „oelaren”, eene soort van hoenders uit het hooggebergte, van den vorm van patrijzen, maar ter grootte van auerhoenders, en leerde daarbij niet alleen de woestheid van het Manrakgebergte, maar tevens ook het herdersleven der arme Kirgiezen van eene nieuwe zijde kennen, zoodat ik hoogst voldaan van mijn succesvol uitstapje terugkeerde.In den namiddag van den 31 Mei beklommen wij wederom onzen reiswagen en rolden naar de zwarte Irtysch, om gebruik te maken van een rendez-vous, ons in het Altaï-gebergte aangeboden door Generaal Poltoratski. Door een rijk steppenland, over pikzwarten grond, later door droge hoogsteppen, ging de snelle vaart, tot wij de rivier bereikten, wier hooggezwollen golven ons den volgenden dag naar het Saisanmeer brachten. Hoe vervelend ons tot nog toe alle rivieren en stroomen van Siberië ook waren voorgekomen, de zwarte Irtysch was zulks niet; heerlijke vergezichten op twee reusachtige hooggebergten, den Saur en Altaï en de hiermede samenhangende ketens, verrukten ons oog; een frissche, groene oever, waaruit ons een vroolijk vogelengezang, een opgewekt vogelenleven tegenklonk en tegenblikte, streelde ons. Het fluks uitgeworpen net bracht een grooten voorraad van visschen uit de diepte te voorschijn, en bewees ons dat de stroom niet alleen schoon is, maar tevens schatten verbergt. Nadat wij den 2 Juni het vlakke, troebele, zeer vischrijke, maar slechts door zijn vergezichten schoone meer waren overgevaren, trokken wij op den daaraanvolgenden dag door het meest woeste gedeelte der steppe, dat wij tot nog toe hadden gezien, maar leerden juist hier de drie merkwaardigste dieren der steppe kennen, t.w. den koelan, een wild paard, de steppenantilope en het steppenhoen. Onze Kirgiezen vingen van het eerstgenoemde een veulen, terwijl tevens een steppenhoen werd geschoten. Tegen den avond hielden wij halt in de Altaïsche voorgebergten, daags daarna ontmoetten wij op de afgesproken plaats onze vroegere gastheeren en reden nu onder hun geleide verder.Het was een heerlijke reis, in weêrwil van storm, sneeuw en regen, waardoor de vriendelijke Joerte, die mede reisde, veel van hare behagelijkheid[341]verloor, niettegenstaande de bergstroomen aan onze paarden den doortocht versperden, en steil afhangende rotsen ons op paden brachten, die in Europa wel door de gemzenjagers, niet door ruiters worden betreden. Een Russisch Gouverneur reist geenszins gelijk gewone stervelingen, het allerminst wanneer hij door onbewoonde streken trekt. Alle districtshoofden vergezellen hem, alsmede de onder dezen staande ambtsmannen, de oudsten der gemeente, de gemeentesecretaris, de voornaamste lieden van de geheele streek, die hij bereist, een troep Kozakken met hun officieren tot den overste toe, zijn eigene bedienden en die van het geleide. En wanneer het land, gelijk thans het geval was, gedeeltelijk vreemd is, en er vergaderingen moeten gehouden worden met Kirgiezische gemeenten, dan wordt het gevolg tot in het oneindige vermeerderd. Dan moeten niet alleen Joerten en tenten medegebracht worden, gelijk steeds bij steppenreizen het geval is, maar zelfs heele schaapskudden worden vooruitgezonden om de honderden menschen in deze wildernis te voeden. Sedert wij het Saisanmeer hadden verlaten, bevonden wij ons weder in het Chineesche Rijk, en eene reeks van dagen hadden wij te reizen, alvorens te durven hopen, in de thans alleen in de diepere dalen bewoonde deelen van het gebergte wederom menschen aan te treffen.Meer dan tweehonderd personen reisden aanvankelijk mede, meest Kirgiezen, die opgeroepen waren om een keizerlijk bevel, betrekkelijk de opheffing van hun recht om in het keizerlijk domein Altaï te weiden, in ontvangst te nemen, en uit dien hoofde met elkander in overeenkomst te treden omtrent hunne daarmede in verband staande te wijzigen verhuizingen; maar ook nadat die beraadslagingen ten einde waren, telde ons reisgezelschap nog over de honderd paarden en zestig ruiters. In den vroegen morgen werden ons de Joerten boven het hoofd afgebroken en vooruitgezonden; dan volgden wij in grootere en kleinere gezelschappen, langzaam voortrijdende, tot ook de dames, de vriendelijke gemalin des Generaals en hare schoone dochter ons weêr hadden ingehaald; wij namen het ontbijt op eene geschikte plaats, lieten de laatste pakpaarden voorbijtrekken, volgden, haalden ze weder in, kwamen meest gelijktijdig met de schapen, wier aantal dagelijks verminderde, op de halteplaats aan, en hadden zoo elken avond gelegenheid het oog te laten weiden over het schilderachtig tooneel eener legerplaats. Heerlijke, frissche, groene, met voorjaarsgeuren doortrokken dalen namen ons op; hooge, steile, grootendeels nog met sneeuw[342]bedekte bergen schonken de schoonste vergezichten over het hooggebergte, en in de doorgetrokken steppe tot op den Saur en Tarabagatai, totdat wij eindelijk het Markakoel, dien parel der Altaïmeren, voor ons zagen liggen en daarmede het hooggebergte zelf waren ingetrokken. Drie dagen lang reisden wij onder slecht weder, opgehouden door een Chineesch gezantschap, langs den oever des meers, reden toen door werkelijk dichte wouden, over moeilijk te beklimmen passen, bergop, bergaf, naar de Russische grens en op halsbrekende wegen het bloeiende dal der Buchtarma door, om in de nieuw gegrondveste Kozakkenkolonie Altaiskaja-Stanitza nogmaals van de Russische gastvrijheid en comfort te genieten, te rusten en uit te rusten.Door de officieren der Stanitza vereerd met allerlei geschenken, voortbrengselen der streek, zetten wij op den 12 Juni de reis voort. Helder en vriendelijk lachte de zon ons tegen van den blauwen hemel en keek zij neder op het grootsche, heden voor ’t eerst niet benevelde landschap. Onafzienbare, parkachtige dalen, omlijst door steil opeengestapelde, met sneeuw bedekte, heden met de schitterendste kleuren overgoten hooggebergten, heerlijke boomen op de weilanden, bloeiende boschjes op de hellingen, duizendvoud verschillende, boven alle beschrijving schoone, als in ’t lang ontbeerde zonnelicht herlevende bloemen, frisch bloeiende heideroosjes in alle schakeeringen van kleur, het geroep van den koekoek en ’t gejubel der vogelen, Kirgiezen Auls in de breede dalen aan den voet der bergen, en Russische, in groen verscholen dorpen, grazende kudden, vruchtbare akkers, ruischende beekjes, getande rotsen, de zachte lucht en specerijachtige voorjaarsgeuren,—dit alles omstrikte de zinnen gedurende den ganschen tocht. Weldra trokken wij over de grenzen van het keizerlijk domein Altaï—een kroongoed, zoo groot bijkans als geheel Frankrijk! Een dag later en wij bereikten het bergstadje Serianoffsk met haar zilvermijnen. Nadat wij ook hier, gelijk overal elders, vriendelijk waren ontvangen, alle werken hadden bezichtigd, sloegen wij wederom de richting in naar de Irtysch, lieten ons op hare, tusschen hooge, schilderachtige rotsen snel voortijlende wateren, voorbij Buchtarminsk naar Ustkamenogorsk drijven en togen van hier uit weder per wagen door het veelbelovend domein des Keizers.KEIZERADELAAR, MURMELDIER EN WEZEL.KEIZERADELAAR, MURMELDIER EN WEZEL.Steppenachtige vlakten palen aan de liefelijke dreven van het voorgebergte; uitgestrekte wouden wisselen met het bewoonde land af. Groote, rijke dorpen, kostbare, vruchtbare, in gitzwarte aarde aangelegde akkers, goed gebouwde, zich van hunne welvaart bewuste mannen,[343]schoone, schilderachtig gekleede vrouwen, kinderlijk nieuwsgierige en kinderlijk gezinde menschen, voortreffelijke, krachtige paarden, goed gebouwde runderen, die in groote, weldoorvoede kudden de dorpen omgeven, enorme wagenkaravanen, die op goede wegen erts en kolen vervoeren, marmotten op de berghellingen, ziesels in de vlakten, keizerarenden op de grenspalen aan de wegen, bekoorlijke dwergmeeuwen aan de wateren, dorpen en gehuchten verlevendigen al te zamen het landschap, dat onze weg doorsnijdt. Als vliegend doortrokken wij het land, als in de vlucht bezochten wij het zeer naar waarheid zoo genoemde stadje van smelthutten „Slangenberg”; een korte rust slechts veroorloofden wij ons in de hoofdplaats Barnaul. Daarna ging het[344]verder naar het bergstedeke Salair en toen naar de groote gouvernementsstad Tomsk.Reeds voor Barnaul hadden wij de Ob bereikt en te Barnaul zelf waren wij deze rivier overgestoken, terwijl wij ons te Tomsk inscheepten om haar te bevaren. Zes en twintig honderd werst, d.i. bijna vierhonderd geographische mijlen voeren wij, na door de Tom er in gekomen te zijn, dezen stroom af, die een grooter gebied beheerscht dan alle stroomen van West-Europa te zamen,—en zoo naderden wij meer en meer het noorden. Vier etmalen lang stoomden wij in de richting naar de IJszee, met eene, bij den gezwollen stand der rivier dubbel zoo snelle vaart als zulks stroomopwaarts zou kunnen geschieden; elf volle dagen en nachten hadden wij noodig om het stuk, begrepen tusschen de inmonding der Irtysch en de uitmonding der Schtschoetschja af te leggen, ofschoon wij in Samarowo en Bereosoff slechts enkele uren rust namen, en ongerekend de beide dagen, die wij te Obdorsk, het laatste Russische dorp aan den stroom, doorbrachten. Boven alle beschrijving grootsch is deze stroom, hoe eenzaam en eentonig hij ook moge heeten. Door een dal van tien tot dertig kilometer breed vervolgt hij zijn loop, in ontelbare armen verdeeld, die eene menigte eilanden insluiten. Hier en daar verbreedt hij zich tot een groot meer, terwijl hij bij zijn mond een hoofdarm heeft, waarin het water gemiddeld acht en twintig meter hoog staat. Bosschen, waar bijna geen licht door kan dringen, in welker diepten nog geen inboorling ooit den voet zette, strekken zich langs zijn oevers uit; wilgenbosschen, in alle phasen van den wasdom dezer boomsoort, bedekken de telkens door den vloed afgeknaagde en weder in anderen vorm opgebouwde eilanden. Armer en armer wordt het land, armer en schraler de wouden, armoediger de dorpen, naarmate men verder stroomafwaarts komt, ofschoon de rivier zelf dichter bij haar monding te rijkelijker schenkt, wat aan het arme land onthouden werd. Reeds een weinig beneden Tomsk, iets lager dan Tobolsk, loont de aarde den veldarbeid niet meer; nog verder naar het noorden houdt ook de veeteelt op, maar ontelbare scholen van de heerlijkste visschen en een rijk jachtveld in de oerwouden langs de beide oevers schenken rijke vergoeding voor dat gemis. De visschers en jagers treden in de plaats van den landbouwer, de rendierherder in de plaats van den veeboer. Zeldzamer worden de Russische volkplantingen, talrijker de woonsteden der Ostjaken, en eindelijk zijn het slechts de verplaatsbare,[345]kegelvormige hutten uit berkenbast, hier „Tschoem” genoemd en enkele daartusschen verspreide, vreeselijk armoedige blokhuizen, de tijdelijke woningen der Russische visschers, die nog getuigenis afleggen van het bestaan van den mensch.Wij hadden het plan opgevat ook eene toendra of mossteppe door te reizen en daarvoor het oog geslagen op het tusschen de Ob en de Karische golf gelegen schiereiland der Samojeden, te meer daar in dit nog bijna niet door Europeanen betreden deel van den grooten en breeden boomloozen gordel der om de Pool zich legerende woestenij, ook sommige, voor den handel gewichtige vragen op te lossen waren. Wij huurden ten behoeve dezer reis in Obdorsk en iets lager stroomafwaarts verschillende personen, als Russen, Syrjenen, Ostjaken en Samojeden, en vingen den 15 Juli onzen tocht aan.Op de noordelijke hoogte van den Oeral, hier het karakter niet alleen van een werkelijk gebergte, maar zelfs van hooggebergte aannemende, ontspringen dicht bij elkander drie rivieren: de Oessa, die in de Petschora, de Bodarata, die in de Karische golf en de Schtschoetschja, die in de Ob uitmondt. Het gebied van de beide laatstgenoemde stroomen wilden wij bereizen. Hoe het land er uitzag, hoe wij het zouden hebben, of wij rendieren zouden kunnen krijgen of den weg te voet zouden moeten afleggen, niemand wist ons zulks te zeggen.Tot aan den mond der Schtschoetschja reisden wij nog op de gewone wijze, bij elke kolonie van Ostjaken onze gehuurde roeiers betalende, om nieuwe aan te werven; op de Schtschoetschja zelf traden onze eigen lieden in dienst. Acht dagen lang voeren wij langzaam den stroom op, ieder zijner vele windingen getrouw volgende, altijd door de ijselijk eentonige, ja doodelijk vervelende toendra, nu eens den Oeral naderende, dan weder ons van dit gebergte verwijderende. Gedurende acht dagen zagen wij geen enkelen sterveling, alleen diens sporen, zijn op sleden gepakte winterbehoeften en zijn graven. Niet te doorwaden moerassen aan beide zijden der rivier beletten ons elk uitstapje, milliarden op bloed beluste muggen kwelden ons zonder ophouden. Op den zevenden dag zagen wij een hond—eene ware gebeurtenis, zoowel voor ons zelf als voor onze manschappen; op den achtsten dag stieten wij op eene bewoonde Tschoem en daarin op den eenigen mensch, die ons eenige inlichtingen aangaande het voor ons liggende land kon geven. Wij namen dezen als gids mede en vingen met hem drie dagen later een tocht aan, die even moeilijk als gevaarlijk zou worden.[346]Negen volle dagreizen van ons verwijderd, op de weide Saddabei in den Oeral, zouden zich rendieren bevinden; aan de Schtschoetschja was op dit tijdstip geen enkel op te jagen. Wij moesten dus wel onzen tocht te voet aanvangen en alle bezwaren op ons nemen aan zulk een tocht door een ongebaand, met muggen gevuld, den mensch vijandig, niet het minste voedsel opleverend, en wat het ergste was, ons ten eenenmale onbekend gebied, verbonden.Omzichtig, niet dan na lange beraadslagingen met de inboorlingen, maakten wij onze toebereidselen; met zorg werd de mede te voeren last, die ieder op zijn rug zou laden, afgewogen; dreigend toch stond het hongerspook voor ons. Wij wisten, wel is waar, dat alleen de trekkende herder, en geenszins de jager in staat is zijn leven in de toendra te onderhouden; bij ervaring kenden wij alle moeite, die de ongebaande wegen, de kwellingen, die de scharen muggen bereidden, de ongestadigheid des weders, de onherbergzaamheid der toendra in ’t algemeen, en namen met het oog hierop onze maatregelen en voorzorgen: maar te voorzien en te voorkomen, wat wij niet kenden, niet konden vermoeden, en ons toch trof, zulks was onmogelijk. Terugkeeren wilden wij niet, maar hadden wij alles vooruitgezien, wij zouden zulks zeker gedaan hebben.In korte pelzen gehuld, zwaar beladen, behalve den door de niet lichte schietbenoodigdheden bezwaarde rugtasch nog geweer en een reiszak over den schouder dragend, braken wij den 29 Juli op, onze boot onder de hoede van twee mannen achterlatende. Vermoeid, zuchtende onder den zwaren last, dag en nacht zonder ophouden gekweld door de muggen, liepen wij door de toendra, telkens na een uur, een half uur, eindelijk na elke duizend schreden rust vragende en wegens de muggen deze niet kunnende vinden.Wij klommen over heuvels, trokken door evenveel dalen, en staken een bijna even groot aantal moerassen en drassige velden over; honderden meren zonder naam togen wij voorbij, kreken en riviertjes moesten wij doortrekken.Onvriendelijker wel kon de toendra ons niet ontvangen. De wind zweepte ons een fijnen regen in ’t aangezicht; in doorweekte pelzen legden wij ons op een doorweekten grond neder, zonder dak boven ons hoofd, zonder een koesterend vuur naast ons, en nog altijd gekweld door de muggen. Doch de zon droogde onze kleeren weder op en schonk nieuwen moed en nieuwe krachten; wij gingen voorwaarts.[347]Een vroolijk bericht versterkt meer dan zon en slaap; onze mannen ontdekten twee „Tschoems”, en door middel van onze kijkers onderscheidden wij duidelijk de daaromheen gelegerde rendieren. Tot in ons binnenste gelukkig zien wij ons reeds in de verbeelding uitgestrekt in het eenige, hier mogelijke voertuig, de slede, en het voor deze slede gespannen rendier. Wij bereiken de Tschoem en de rendieren; een afgrijselijk gezicht treft ons oog. Onder de weidende kudde woedt het miltvuur, de vreeselijkste, ook voor den mensch zoo gevaarlijke aller veeziekten, de onverbiddelijke, zonder genade en keus vernietigende engel des doods, tegenover wiens woeden de mensch als machteloos staat, die hier te lande de volken doet verarmen en onder de menschen even goed door niets te redden slachtoffers maakt als onder de dieren.Zes en zeventig doode rendieren telde ik in de onmiddellijke omgeving van de Tschoem; werwaarts het oog schouwde ontmoette het lijken, gevallen, in doodstrijd verkeerende herten, wijfjes en kalveren. Andere komen met den dood in het hart op de reeds voor de afreis gereed staande slede aanloopen, als zochten zij bij den mensch hulp in hun lijden; zij zijn niet van hier te verdrijven, blijven met holle oogen en over elkaar geslagen voorpooten een paar minuten staan, waggelen heen en weder, steunen en vallen neêr; een witte, schuimende slijm vloeit uit mond en neus—nog enkele stuiptrekkingen en een lijk meer ligt ter aarde. Zoogende moeders scheiden zich met haar kalveren van de kudde; de moeders sterven onder dezelfde verschijnselen, de kalveren aanschouwen met verbazing de zich zoo vreemd aanstellende moeders, of gaan onbezorgd grazen naast het sterfbed van haar, die hen ter wereld brachten, keeren dan naar de eersten terug en vinden in plaats van de liefhebbende voedster een lijk, beruiken dit, schrikken achteruit, ijlen weg, dwalen blatend in ’t rond, beruiken nu eens het eene volwassen dier, naderen dan een ander, worden door allen verjaagd, blaten en zoeken verder, en vinden wat zij niet zochten: den dood, door een pijl uit den boog huns meesters, die althans nog iets tracht te redden, n.l. de huid. De dood woedt met gelijke verschrikking onder de oude zoowel als onder de jonge rendieren; de sterkste en schoonste herten vallen even goed in handen van den worger als de eenjarigen van beiderlei kunne.Tusschen de stervende en gestorven dieren wandelen en roeren zich de menschen, de bezitter der kudde Schoengei en zijne aanhoorigen en knechten, om in radeloozen ijver te redden, wat nog te redden is.[348]Ofschoon zij niet onbekend zijn met het vreeselijk gevaar, dat zij loopen, wanneer slechts een enkel bloeddroppeltje, een enkel stofje van het schuim zich met hun eigen bloed vermengt, ofschoon genoegzaam vertrouwd met het feit, dat reeds honderden van hun volk een offer zijn geworden van de pijnlijke, akelige ziekte, arbeiden zij toch met alle kracht om het vergiftigde dier de huid af te trekken. Een slag met den bijl maakt een eind aan het leven der stervende herten, een pijlschot aan dat der kalveren, en eenige minuten later ligt de huid, die nog weken lang eene bron van besmetting blijft, bij de anderen, doopen de bloederige handen het van de kalveren afgenomen vleesch in het bloed, dat de borstholte van het gedoode dier vult om het rauw te verslinden. Beulsknechten gelijken de mannen, afschuwelijke heksen de vrouwen, in aas woelende, van bloed druipende, met bloed bevlekte hyena’s gelijken beiden; zij letten niet op het zwaard, dat niet aan een paardenhaar, maar aan een spinrag boven hun hoofd is opgehangen, en zoo woelen zij steeds voort, geholpen door de kinderen, door half volwassen knapen en van bloed druipende, nauwelijks gespeende meisjes.De Tschoems werden afgebroken en op een nabijzijnden heuvel weder opgeslagen; de ongelukkige kudde, die, twee duizend stuks sterk, uit het Oeralgebergte was opgebroken, en tot op tweehonderd ingekrompen was, die den geheelen weg van daar tot hier door doode dieren had gekenteekend, verzamelt zich opnieuw om de Tschoem; op den anderen morgen liggen er echter weder opnieuw veertig lijken in de nabijheid der rustplaats.Wij kenden het gevaar, aan hetwelk ook de mensch door aan miltvuur lijdende dieren is blootgesteld, doch wij kenden het nog niet in zijn geheelen omvang. Daarom kochten wij eenige, oogenschijnlijk gezonde rendieren, bespanden daarmede drie sleden, belaadden deze met onze goederen, en trokken, verlicht en ontlast daarnaast loopende, verder. Rendierenvleesch te eten, zooals wij gehoopt en waarop wij gerekend hadden, zulks verbood de vreeselijke ziekte; met te meer zorg en angst speurden wij daarom in ’t rond naar een of ander klein wild, ’t zij een moerashoen, eene wulp, eene goudplevier, of eene eend. Om onzen geringen voorraad zoo lang mogelijk te sparen, hurkten wij, in geval de geringste aller Diana dienende nymphen ons goedgunstig was geweest, om het moeilijk te voeden vuur, ten einde ieder persoonlijk zoo goed mogelijk een onbeduidend wild aan het spit te braden. Ons werkelijk verzadigen ging niet meer.[349]Wij bereikten, nadat wij den door Schoengei getrokken doodenweg dwars waren overgestoken, het eerste doel, de Bodarata; wij hadden het onuitsprekelijk geluk nog eenmaal Tschoems aan te treffen, nog eenmaal rendieren te ontmoeten; wij trokken met de hulp dezer dieren naar de zee, en moesten terugkeeren zonder den voet op het strand gezet te hebben. Voor ons strekte zich een onbegaanbaar moeras uit en bovendien een onafzienbare hoop rendierlijken; wij bevonden ons nog eenmaal op den weg, langs welken Schoengei huiswaarts gevlucht was, en onze nieuwe kennis, de herder Sanda, waagde het niet dien weg te kruisen.Want ook onder zijne kudde maaide de dood; ook in zijn huis, en in nog meerdere mate in dat van zijn buurman had het verderf zijn intocht gehouden. De man, die tot nog toe met hem had gereisd en geweid, had gegeten van een aan miltvuur lijdend rendier, dat hij kort voor den dood nog spoedig had geslacht, en hij had die zonde met zijn eigen leven en dat zijner familieleden moeten boeten. Driemalen had de herder Sanda zijn Tschoem verplaatst en driemalen een graf tusschen de lijken der gevallen rendieren gegraven. Eerst stierven twee kinderen, daarna stierf de knecht van den lichtzinnigen man en op den derden dag overleed hij zelf. Een ander kind lag nog ziek en kermde van pijn, toen wij de reis naar zee aanvingen; toen wij tot de Tschoem terug waren gekeerd kermde het niet meer, want een vierde graf had het kinderlijk opgenomen. En ook dit zou niet het laatste zijn.Een onzer manschappen, de Ostjak „Hadt”, een gewillig, altijd vroolijk, ons lief geworden man, klaagde en wrong zich sedert eergisteren onder steeds toenemende pijnen; hij klaagde voornamelijk over een steeds sterker wordend gevoel van koude. Wij hadden hem op een rendierslede gelegd, toen wij op den terugweg waren naar de Tschoem des herders; wij vervoerden hem op dezelfde wijze toen de hut ten vijfdemale werd verplaatst. Onder en tusschen ons lag hij weeklagend en bevend bij het vuur. Van tijd tot tijd hief hij zich op, ontblootte zijn lichaam om dit door het vuur te koesteren. Eveneens bracht hij zijn verkleumde voeten bij het vuur, zonder er op te letten, dat hem de voetzolen verbrandden. Eindelijk sliepen wij in, misschien ook hij; toen wij echter den volgenden morgen ontwaakten, was zijne plaats ledig. Buiten evenwel, voor de Tschoem, tegen eene slede geleund, het gezicht naar de zon gekeerd, welker stralen hij had opgezocht, zat hij rustig en stil, zonder te steunen, zonder te klagen. „Hadt” was dood.[350]Wij begroeven hem eenige uren later naar zede en gebruik zijns volks. Hij was een eerlijk „heiden” geweest en moest dus insgelijks op heidensche wijze begraven worden. Onze „rechtzinnige” begeleiders weigerden zulks te doen; onze „heidensche” metgezellen verrichtten daarom dat, wel is waar niet christelijk, maar toch den mensch waardig werk met onze hulp. In het vijfde graf lag het zesde offer.Zou dit graf het laatste zijn? Onwillekeurig vroeg ik mij zulks af, want het werd ons in dit gezelschap des doods al te akelig. Tot ons geluk was Hadts graf het laatste op dezen weg.Ernstig, zeer ernstig gestemd, bedreigd door het steeds sterker gevoelde gebrek trokken wij verder, wederom in de richting der Schtschoetschja. Sanda voedde op schrale wijze onze manschappen, ons jachtbedrijf onderhield even armoedig ons zelf. Toen het ons gelukte op zekeren voormiddag een geheele familie ganzen buit te maken, bovendien nog hoenders, snippen en plevieren te schieten, vierden wij feest; nu toch konden we eten zonder karig te zijn. Het was echter hoofdzakelijk te danken aan onzen waard, dat wij het er goed af brachten.De Schtschoetschja werd bereikt, wij kwamen, bijna van alles ontbloot, terug bij onze boot, en sedert veertien dagen baadden wij ons voor de eerste maal weder in een wel is waar zeer beperkt, maar voor ons toch onuitsprekelijk genot. Van de toendra namen wij voor altijd afscheid.Een Schaman, wel is waar, dien wij verder de Ob op met visschen bezig vonden, en wien wij verzochten ons een bewijs te geven van zijn kunst en wijsheid, kondigde ons—na door middel van het dof geluid zijner tromJAMAUL, den met hem bevrienden bode der goden te hebben opgeroepen—als eene boodschap des hemels aan, dat wij reeds in het volgende jaar naar het onherbergzame, zooeven door ons verlaten land weder terug zouden keeren, maar dat wij ons alsdan derwaarts zouden wenden, alwaar de Schtschoetschja, Bodarata en Ussa haren loop beginnen. Want twee keizers zouden ons beloonen, onze „oudsten” zouden over onze geschriften tevreden zijn en ons opnieuw uitzenden. Op deze reis evenwel zou geen enkel ongeluk ons meer bejegenen. Zoo had de bode der goden, alleen voor hem verstaanbaar, gesproken.Het laatste gedeelte der voorspelling is uitgekomen. Langzaam, wel is waar, maar zonder ongevallen of stoornissen voeren wij drie en twintig dagen lang de Ob naar boven, drie dagen op een na lang wachten[351]gelukkig bereikt stoomschip de golven van de Irtysch te gemoet. Zonder ongelukken, ofschoon niet zonder hindernissen, trokken wij het Oeral-gebergte over; snel gleden wij in een uitstekende stoomboot de Kama af; langzamer droeg het schip ons de Wolga op. InNischni-Nowgorod, in Moskou, in Petersburg werden wij even vriendelijk ontvangen als de eerste maal, in het vaderland met vreugde verwelkomd. Onze „oudsten” schijnen ook met onze geschriften tevreden te zijn:—naar de Toendra keeren wij, keer ik ten minste nimmer weder terug.[352]

[Inhoud]XII.EENE REIS IN SIBERIË.Wij hadden de van menschen wemelende straten van St. Petersburg, de in de zon stralende gouden koepels van Moskow achter den rug, en de torens van Nischni-Nowgorod aan den anderen oever der Oka lagen voor ons. Met een dankbaar gevoel hadden wij afscheid genomen van de beide hoofdsteden van Rusland. Wij waren te Berlijn door Z. M. onzen roemruchtigen Keizer in een welwillend afscheidsgehoor ontvangen geworden, de Min. van Buitenl. Zaken had ons dringend aanbevolen, de Duitsche gezant in St. Petersburg had ons vriendelijk welkom geheeten, en zoo hadden wij ons eene goede opname in Rusland voorgesteld; de uitkomst beantwoordde aan onze verwachting, ja, overtrof deze ten zeerste. Z. M. de Czar had ons audiëntie verleend, bij Grootvorsten en Grootvorstinnen van het Keizerlijk huis hadden wij onze opwachting mogen maken; de Rijkskanselier, de Ministers en andere hooge staatsdienaren van Rusland waren ons tegemoet gekomen met die voorkomende vriendelijkheid en opofferende welwillendheid, welke een der karaktertrekken uitmaken van alle beschaafde Russen; de beste aanbevelingen, wier waarde wij later eerst recht zouden leeren kennen, vergezelden ons.Tot Nischni-Nowgorod hadden wij gereisd met de verkeermiddelen van den nieuwen tijd; voortaan zouden wij ervaren hoe men in het Russische rijk reist, en op welke wijze men er afstanden van duizenden kilometer of wersten aflegt—aflegt in den winter zoowel als in den zomer, des nachts zoowel als over dag, in het hevigste onweder zoowel als in den fellen zonneschijn, in den kletterenden regen of in den ijzigen sneeuwstorm zoowel als wanneer de droogte het stof doet opdwarrelen, in de slede zoowel als in den wagen. Een groote, zware, in alle voegen beklampte, om ’t omvallen te voorkomen wijdbeenige, door een kap tegen regen en sneeuw beschutte, voor 3 paarden ingerichte reisslede, voorzien van tingelende klokjes, stond voor ons.[328]Het was op het kristallen ijskleed der Wolga, dat wij den 19 Maart de wel snel vorderende, maar toch niet onbelemmerde vaart aanvingen. Wij hadden op de reis van Duitschland naar Rusland dooiweêr gehad, de dooi had ons uit Petersburg naar Moskow verdreven, dooiweder bleef onze bestendige begeleider, als waren wij voorjaarsboden. Met water gevulde gaten, die dreigend herinnerden aan de gapende diepte daar beneden, doorweekten niet alleen slede en paarden, maar ook wijzelf werden doornat; soms werden wij genoodzaakt tot het nemen van groote omwegen, die wegens het kraken van het ijs gevaarlijker schenen, dan zij werkelijk waren, maar toch den koetsier en den postillon beiden zoo met bezorgdheid vervulden, dat wij na eene korte vaart de gladde ijsbaan verwisselden met den nog onbereden zomerweg. Deze weg, waarover niet alleen duizenden van vrachtwagens hun lasten vervoeren, maar langs welken eveneens duizenden veroordeelden naar het gevreesde Siberië trekken, is voor laatstgenoemden een weg der zuchten; hij werd zulks mede voor ons. De losse, met water gedrenkte sneeuw lag hier nog een meter hoog; rechts en links ruischten en stroomden tal van beekjes, overal waar deze slechts ruimte hadden om te stroomen en te ruischen; op beklagenswaardige wijze matten de nu voor elkander gespannen paarden zich af, om vasten voet te behouden; met sprongen trachtten zij de sporen van den voorganger te bereiken en tot aan de borst zakten zij bij iederen verkeerden sprong in de sneeuw en het ijskoude water. Daarachter schudde de slede, in alle voegen krakend, telkens als zij met een snellen ruk van de hoogte in de diepte werd geslingerd; uren lang bleef het voertuig, trots alle inspanning der paarden, in een gat steken, en weêmoedig klingelde het geschenk der raadselachtige Faldine, het wolvenverdrijvende klokje. Tevergeefs vermaande, bad, bezwoer, kraste, krijschte, schreeuwde, vloekte en zweepte de koetsier; meestal moest vreemde hulp ons uit dezen nood helpen.De uren werden dagen van kwelling, de weg scheen steeds langer te worden. Het vergezicht schonk evenmin naar rechts als naar links eenige opbeuring, want zonder schoonheid, woest en eenzaam strekte zich het vlakke land voor ons uit; alleen de dorpen leverden eenige afwisseling op, maar alleen voor hem, die weet te zien en die wil waarnemen. De winter hield de menschen hier nog terug in hun kleine, sierlijk aangelegde, meest evenwel erg verwaarloosde blokhuizen; in pelzen gehulde knaapjes alleen liepen barrevoets door de met water gedrenkte sneeuw en den vuilen drek, terwijl de oudere jongens en[329]meisjes met behulp van stelten deze hinderpalen trachten te overwinnen; oude, wit-gebaarde bedelaars belegerden de posthuizen en herbergen, voor een schilder evenwel bedelaars om te stelen; bedelaars, die, wanneer zij, om eene aalmoes smeekende, het hoofd ontblootten, met hun eerwaardige kale kruin en den langen golvenden baard, niet minder ook door hunne vuile lichamen en armoedige, gescheurde kleeding zoo getrouw het beeld weêrkaatsten van wereldverachtende heiligen, dat ik nimmer kon nalaten hun altijd weêr iets te geven, al was het alleen maar om hen te nopen tot dankbetuiging een kruis te slaan, welke ceremonie soms tot negenmalen herhaald werd—en met zooveel uitdrukking en overtuiging geschiedde, dat een ware heilige het niet beter zou hebben kunnen verrichten.Ook de dierenwereld liet zich in de dorpen meer zien dan op de velden, zelfs meer dan in de bosschen, die wij doortrokken. Daar buiten hield de winter het dierlijk leven nog geheel in zijn boeien geslagen; daar was alles nog stil en dood; behalve eene bonte kraai en een geelgors, liet zich daar nog geen enkele vogel zien, en in de sneeuw bespeurden wij geen spoor van eenig zoogdier; in de dorpen werden wij ten minste verwelkomd door bekoorlijke kauwen, sieraden op de daken der blokhuizen, door den raaf, bij ons te lande de schuwe bewoner van bosschen en bergen, hier de vertrouweling der dorpsbewoners, door eksters en meer andere vogels, niet gerekend de huisdieren, onder welke de vrij rondloopende zwijnen vooral onze aandacht trekken.Na een vierdaagschen, onafgebroken tocht, zonder ons eene enkele maal door een verkwikkenden slaap gesterkt te kunnen hebben, zonder eene werkelijke rust genoten te hebben, zonder behoorlijk voedsel, aan alle leden gebroken, bereikten wij, na het zeer gebarsten ijsdek der Wolga te voet te zijn overgetrokken, Kasan, de oude hoofdstad der Tartaren, welker zestig torens ons sedert den vorigen dag reeds vriendelijk hadden toegelachen. Ik dacht een oogenblik in het Oosten te zijn verplaatst. Van de minarets en de ettelijke boven alles uitstekende, met een puntig toeloopend dak voorziene houten torens klonk mij wederom in Arabische klanken de oproeping tot het gebed, door den Islam van zijn belijders geëischt, in de ooren; te midden der met een tulband omwonden mannen zweefden zwartoogige, voor dezen zich angstig bedekkende, voor ons zich nieuwsgierig ontsluierende vrouwen langs den weg; uit vrees hare fraaie, niet waterdichte, saffraankleurige schoentjes nat te maken, volgen zij voorzichtig de droge smalle paadjes langs de huizen; in[330]de drukte van den bazar woelt jong en oud dooreen—even als in het Oosten. Alleen het groot aantal prachtige kerken, waaronder die van het klooster, genaamd: „de niet door menschenhanden gemaakte Moeder Gods van Kazan” door ligging en bouwwijze uitmunt, wilden niet recht in die Oostersche lijst passen, ofschoon hier blijkbaar Christenen en Mohammedanen eendrachtig samenwonen.Op lichte sleden, op zoo mogelijk nog bodemloozer wegen, trokken wij verder, Perm en den Oeral tegemoet. De weg voert ons door Tartaarsche en Russische dorpen, bebouwde velden en groote, uitgestrekte bosschen. De Tartaarsche dorpen onderscheiden zich gunstig van de Russische, want niet alleen mist men er de voor onrein gehouden varkens, maar tevens vindt men bij elk dier dorpen een goed onderhouden, met hooge boomen beplant kerkhof; de Tartaar toch eert de rustplaats zijner dooden, de Rus ten hoogste die zijner heiligen. De bosschen ofschoon planmatig ingedeeld, zijn oerwouden, die groeien en gedijen, verouderen en afsterven zonder toedoen des menschen; zij liggen te ver verwijderd van bevaarbare rivieren om er een winstgevend gebruik van te maken.Twee groote rivieren, de Wietka en Kama kruisen dezen weg. De eerste ligt nog gekneld in den winterboei, ofschoon de lentewind reeds aanvangt het ijsdek te verbreken. Het water overstroomt de oevers, zoodat de paarden der vrachtvaarders,—welke lieden geen gebruik van de op zulke plaatsen aangebrachte noodbruggen willen maken—genoodzaakt zijn al zwemmende de achter hen drijvende slede, evenals een bootje door het water te trekken.Reeds vóór wij Perm bereikten moesten wij de slede met een reiswagen verwisselen, en in dezen rollen wij het Oeralgebergte, de grens van Europa en Azië tegen. De weg loopt over langgerekte, zacht glooiende, doch steeds hooger wordende heuvelrijen. Het beeld des landschaps verandert. Een fraai, ofschoon nog geenszins grootsch bergland strekt zich voor onzen blik uit. Kleine boschjes, omgeven van akkers en weiden, herinneren aan de voorgebergten der Stiermarksche Alpen. De meeste bosschen zijn arm en nietig, eenigszins te vergelijken bij die der Mark, enkele rijker en levendiger, zelfs over groote uitgestrektheden dicht. Ginds waren zij uit lage dennen en berken gevormd, hier bestaan zij uit beide boomsoorten met daartusschen groeiende linden, esschen en populieren, boven wier ronde kronen de cypresvormige toppen der heerlijke Pichta’s of Siberische dennen als kandelabers uitsteken.[331]De dorpen zijn gemeenlijk grooter, de huizen deftiger dan die, welke wij achter den rug hebben, maar de wegen zijn boven alle beschrijving slecht. Loodzwaar slepen duizenden vrachtwagens zich op of liever in het modderige spoor voort, en zoo ook wij, tot eindelijk na eene reis van drie dagen de waterscheiding van de beide groote stroomgebieden, van dat der Wolga en Ob is bereikt, en wij door een gedenksteen, op welks westkant het woord Europa, op welks oostkant het woord Azië is gebeiteld, er aan herinnerd worden dat wij de grenzen van het werelddeel onzer geboorte zijn overgetrokken. Onder het klinken der glazen gedenken wij onze verre geliefden.Het vriendelijke Jekaterinenburg met zijn goudsmelterijen en steenslijperijen mag ons, in weêrwil van de gastvrijheid zijner bewoners, niet lang ophouden, want steeds breeder slaat de lente haar wieken uit, en met elken dag wordt het ijsdek, dat nog tot het ver afgelegen Omsk ons voor brug moet dienen, losser en weeker. Rusteloos snellen wij door de velden van het Aziatisch gedeelte van het gouvernement Perm, totdat wij zijn grenzen en daarmede ook West-Siberië hebben bereikt.Hier, in het eerste posthuis, wacht de distriktscommissaris van Tjumen ons op, om ons in naam van den stadhouder te begroeten en door zijn distrikt te geleiden; in de hoofdstad vinden wij het huis van een vermogend man voor onze komst in gereedheid gebracht. Wij zullen van nu af aan ervaren, wat Russische gastvrijheid beteekent. Nog altijd had men ons overal gastvrij ontvangen en onthaald; van nu af aan beijveren zich de hoogst geplaatste ambtenaren van distrikten en provinciën om ons eer te bewijzen en van dienst te zijn, terwijl de aanzienlijkste huizen tot onze beschikking staan. Als vorsten worden wij behandeld, enkel en alleen omdat wij een wetenschappelijk doel voor oogen hebben. Hoe dankbaar wij zulks ook erkennen, het ontbreekt ons aan woorden om ons dankgevoel te uiten.Aan gene zijde van dat Tjumen, alwaar wij drie dagen vertoefden, om de gevangenissen der ballingen, de lederfabrieken en andere bezienswaardigheden der eerste Siberische stad in oogenschouw te nemen, zagen wij ook hoe de boeren zich zelfs tot heer en meester weten te maken van de rivieren. De naderende lente had ook het ijs der Pyschma losgemaakt en de ijsschollen begonnen zich in beweging te zetten; wij moesten evenwel nog eerst den stroom oversteken. De bevolking van het dorp Romanoffskoy stond blootshoofds voor de[332]Pyschma op ons te wachten; en op ons wachtende moest ook deze rivier geduld oefenen met het verbreken harer kristallen ketenen. Met niet minder bekwaamheid als onverschrokkenheid had men eene noodbrug over den reeds gedeeltelijk van ijs bevrijden stroom geslagen; eene groote boot diende daarbij als middelste grondbalk en de ijsschollen, die dreigden te gaan kruien, werden boven en naast deze brug met sterke touwen vastgebonden. Gedienstige handen onttuigden het vijfspan, dat wij heden voor onze reis noodig zouden hebben, sloegen de handen aan de assen en spaken, en brachten den eenen wagen na den anderen over de waggelende, op en neêr golvende, krakende brug. Deze had haar plicht gedaan; aan den anderen kant ging het lustig verder door water en sneeuw, slijk en modder, over paaldammen en ijs.Minder gewillig betoonde zich de Tobol, die wij op Goeden Vrijdag den 14 April, den eersten eigenlijken voorjaarsdag, over wilden trekken. Ook hier had men alle mogelijke voorzorgen voor den overtocht getroffen, zelfs een onzer wagens reeds afgespannen en op het ijsdek gerold, toen dit krakend spleet, zoodat men hem ijlings terug moest trekken. Vroolijk hadden de belletjes geklonken toen wijJalutoroffskverlieten, met hun treurig gelui vergezelden zij ons toen wij naar deze stad terugkeerden, en eerst op Paschen vermochten wij de rivier met behulp eener pont over te gaan.Zoo ging het verder; voor en achter ons wierpen de stroomen het ijskleed af; alleen de gevreesde Irtysch lag nog bevroren voor ons en zoo bereikten wij, na eene reis van ruim vier weken, zonder verdere ongevallen, Omsk, de hoofdstad van West-Siberië.Nadat wij in Omsk hadden gezien wat er te zien valt, de straten en huizen, de kadettenschool, het museum, het hospitaal, de gevangenis voor soldaten en zoo meer, reden wij over den weg, die zich langs den rechteroever der Irtysch uitstrekt en die de dorpen der zoogenaamde Kozakkenlinie verbindt, verder tot naar Semipalatinsk.Reeds tusschen Jalutoroffsk en Omsk waren wij door eene steppe gereden, n.l. door die van Ischim; thans waren wij van alle zijden door de steppe omringd en elken nacht werd de hemel rood gekleurd door het in den brand gestoken oude steppengras en steppenkruid. Met het noordwaarts trekkend ijs van de Irtysch trokken scharen van trekvogels in gelijke richting mede; de steppenmeren waren opgevuld met watervogels; verschillende soorten vanleeuwerikenvlogen in dichte troepen heen en weder; de sierlijke steppenvalken hadden reeds hun[333]zomerverblijven weder betrokken, de lente had werkelijk haar intocht gehouden.Te Semipalatinsk hadden wij het geluk in den Gouverneur-Generaal von Poltoratski, een warm vriend en bewonderaar van onze plannen, in zijne echtgenoote de vriendelijkste gastvrouw ter wereld te vinden. Niet tevreden met in Semipalatinsk ons zoo goed ontvangen te hebben, besloot de generaal ons op de meest geschikte wijze met de voornaamste bevolking zijns gebieds, de Kirgiezen, bekend te maken; hij had te dien einde maatregelen getroffen voor eene groote jacht oparcharen, een soort van wilde schapen, die in grootte onze tamme schapen om het dubbele te boven gaan.Den 3 Mei braken wij voor dit doel op, trokken over de Irtysch en reden over den postweg naar Taschkent de steppe der Kirgiezen in. Na een tocht van zestien uren hadden wij het jachtgebied, een klippig steppengebergte bereikt; al spoedig stonden wij voor het te onzer eere opgerichte Joertenleger of „Aul”, vriendelijk begroet door de ons gisteren vooruitgereisde gemalin des generaals, en eveneens hartelijk verwelkomd door een twintigtal Kirgiezische sultanen, door de hoofden der gemeente en derzelver talrijk gevolg.Het ging de drie volgende dagen lustig toe in de Arkatsche bergen. Voor de steeds naar feesten hakende Kirgiezen waren schoone dagen aangebroken, maar voor ons niet minder. Het dal en de bergen weêrklonken onder den hoefslag der tachtig en meer ruiters, die op de beide volgende dagen ter jacht uittrokken; de zon, zoo vaak zij zich vertoonde, schitterde op de bonte, vreemdsoortige gewaden, die tot op dat oogenblik onder de pelzen waren verborgen gebleven; een levendig gewemel vulde berg en dalkloof. Met hun beste renpaarden en uitstekendste telgangers, afgerichte steenarenden, windhonden en kameelen, met citherspelers en improvisatoren, kamprijders en soortgelijke helden waren zij verschenen, de eens zoo gevreesde Kirgiezen, wier naam niets anders dan roover beteekent, heden echter de gewilligste, getrouwste en meest tevreden onderdanen des Russischen Rijks. In groepjes zaten zij bijeen, afzonderlijk en in troepen draafden zij heen en weêr, en galoppeerden lustig met de vlugge paarden; met de levendigste belangstelling volgden zij de wedrennen, aanschouwden vol geestdrift het paardrijden der jeugdige knapen en bestuurden met overleg de jacht; vol verrukking luisterden zij naar het lied van den improvisator, die de jacht bezong. Reeds vóór onze komst had een der[334]Kirgiezen een archar gedood; het geluk bracht mij een tweede dier voor mijn zeker schot. Dit laatste voorval deed de geestdrift des dichters ontvonken. Zijn verzen waren wel is waar niet bijzonder rijk van inhoud of diep gedacht, maar toch zoo eigenaardig, dat ik ze opschreef, om eene eerste proeve van Kirgiezische dichtkunst te verzamelen. Terwijl de man zong, vertaalde de tolk zijn lied in het Russisch, de Generaal deed zulks in het Duitsch, en toen de zanger ophield, had ook ik zijn woorden haastig op het papier gebracht.„Spreek, spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij stom zijn.Spreek, spreek, roode tong, mij door God gegeven; na den dood zult gij zwijgen. Woorden, gelijk thans aan u ontvloeien, zullen na den dood u niet verlaten. Lieden, groot als de bergen, zie ik voor mij; hun wil ik waarheid verkondigen. Bergen, rotsen meen ik voor mij te zien; met het renpaard mag ik hen vergelijken. Zij zijn grooter dan schepen, grooter dan de stoombooten, die de Irtysch bevaren.In U o Gebieder in den naam des Keizers, zie ik den hoogsten; met een berg mag ik u vergelijken en met het prachtig renpaard, dat statig daarhenen draaft. Een moeder was het die mij ter wereld bracht; mijne tong evenwel is mij van God gegeven.Wanneer ik thans niet mijne stem tot U verhief, tot wien zou ik dan spreken? Volle vrijheid heb ik tot spreken, even alsof ik tot mijn volk sprak.Het geluk zij met U, o Heer, en heil en zegen met Uwe gasten, waaronder hooggeplaatsten, ofschoon zij thans onder U gesteld zijn.Elke gast van den Generaal is ook de onze, en hij is zeker van onze vriendschap.God gaf mij de tong; deze moge nog meer spreken.In de bergen zagen wij jagers, schutters en drijvers, maar slechts met één hunner was het geluk.Evenals de hoogste berg zijn top boven de andere verheft, zoo steekt ook deze boven alle anderen uit; want hij schoot den archar twee kogels door het lichaam en bracht het dier naar de Joerte.Aller wensch was buit te behalen, maar slechts één der jagers zag dien wensch vervuld; dies verheugen wij ons, dies verheugt ook Gij U genadige vrouw, tot wie ik thans spreek.Het geheele volk is ten hoogste verblijd U hier te zien en te begroeten;[335]het geheele volk, vrouwen en mannen wenscht U slechts vreugde, duizend jaren leven en gezondheid.Neem met welgevallen onze hulde aan! Hebt gij rijker menschen gezien, trouwer heeft niemand U begroet en gastvrijheid geschonken.Moge God U zegenen, U, Uw huis en Uwe kinderen! Te weinig woorden heb ik om U te prijzen, maar mijne tong werd mij door God gegeven: En zij sprak, de roode tong, wat er in het hart omging.”Wij verlieten de bergen van Arkat en spoedig daarna ook het regeeringsgebied van onzen gastheer, van wien wij op het jachtveld reeds afscheid hadden genomen; wij werden in Sergiopol, de eerste stad in Turkestan, door den overste Friedrichs ontvangen, die ons in naam van den Gouverneur-Generaal dezer groote provincie begroette; onder diens geleide trokken wij verder. Kirgiezen-hoofden vormden eene eerewacht en zorgden voor trekpaarden; deze hadden als zoodanig stellig nog nimmer hunne diensten bewezen, daar zij aanvankelijk doldriftig met de wagens voortholden; Kirgiezen-sultanen bewezen ons gastvrijheid, zorgden steeds voor huisvesting en voedsel en sloegen Joerten op aan alle plaatsen, waar wij wilden rusten; Kirgiezen vingen voor onze collecties slangen en andere kruipende dieren, wierpen de netten uit in de steppenmeren en volgden ons op de jacht als trouwe honden.Zoo bereisden wij de nu in vollen lentetooi staande steppe, vertoefden jagend en verzamelend aan het Alakoelmeer „bonte zee”, trokken door bloeiende dalen en over lachende bergen naar de in den Alatan, een der verhevenste steppengebergten, gelegen kozakken-stanitza, Lepsa, zwierven door de omstreken dezer kolonie, een klein paradijs, dat overvloeit van melk en honig, beklommen de hooggebergten, verkwikten ons hier aan ruischende bergstroomen, groene Alpenmeren en heerlijke vergezichten; en terwijl wij in noordoostelijke richting verder reisden, wendden wij ons naar de Chineesche grens, om door een gedeelte van het Hemelsche Rijk langs den kortsten en gemakkelijksten weg het Altaï-gebergte te bereiken.In Bakti, de laatste Russische grenspost gewerd ons de tijding, dat Zijne Onuitsprekelijkheid, de Dschandsoen Djoen, Opper-Stadhouder der provincie Tarabagatai, ons ook vanwege China wilde begroeten, en ons ten maaltijd had genoodigd. Om dien wensch van den hoogen mandarijn te vervullen, reden wij den 21 Mei naar de hoofdstad van gezegde provincie, Tschoekoetschak of Tschautschak.[336]De ruiterstoet, die zich over de in het zonnelicht stralende steppe bewoog, was talrijker en prachtiger dan ooit te voren. Deels om in dit door oproeren geteisterde land veilig te reizen, deels om voor Zijne Heerlijkheid waardig, om niet te zeggen met staatsie en pracht te kunnen verschijnen, hadden de ons vergezellende heeren, behalve de onder aanvoering van onzen nieuwen geleider, Majoor Tischanoff, uit Sachan gezonden dertig Kozakken en onze oude vrienden, de Kirgiezen, nog een halve sotnie Kozakken uit Batki opontboden, en zoo dreunde de tot nog toe eenzame steppe onder de hoefslagen van een klein leger. Onze Kirgiezen waren allen in feestkleederen gedoscht; hunne zwarte, blauwe, gele en roode, met zilveren en gouden tressen versierde kaftans wedijverden in glans en pracht met de uniformen der ons vergezellende Russische officieren. Aan de onlangs vastgestelde grens wachtte een Chineesch militair van hoogen rang ons op, om ons te verwelkomen; daarna keerde hij ons den rug toe en joeg, zoo snel zijn ros hem dragen kon naar zijn meester terug, ten einde dezen onze aankomst te melden. Onze paarden baanden zich, toen wij de stad bereikt hadden, met moeite een weg over puinhoopen, half ingevallen en half opgebouwde huizen; elders reden wij langs bloeiende tuinen, terwijl potsierlijke Mongolentronies ons tegengrijnsden en afschuwelijk leelijke vrouwen mijn schoonheidsgevoel in niet geringe mate beleedigden. De stoet verzamelde zich voor de woning des stadhouders; wij hielden voor de groote poort stil en vroegen verlof om binnen te treden.Tegenover de poort verhief zich een kunstig gebouwde muur, die in het midden een wonderlijk dierenbeeld droeg; rechts en links hiervan lagen Chineesche martelwerktuigen op den grond verstrooid. Een huisbeambte verzocht ons naar binnen te gaan, maar gaf meteen aan de Kozakken en Kirgiezen bevel daar buiten te blijven. De stadhouder ontving ons in zijn woon-, werk- en gerichtskamer met groote deftigheid. Zijn waardigheid als hoog Mandarijn niet uit het oog verliezende, karig met woorden en slechts enkele afgebroken geluiden stamelende, die telkens van een vroolijk grinnikend gelach vergezeld gingen, reikte hij ons de hand en noodigde ons uit om aan de theetafel te gaan zitten, die met allerlei kleine schoteltjes, waarin de vreemdsoortigste ontbijtgerechten, beladen was,—„en wij strekken de handen uit naar den lekker toebereiden maaltijd.” Rijst, verschillende in olie ingelegde en gedroogde vruchten, schijfjes zwijnenvleesch, zoo dun als pergament, gedroogde garnalenstaarten, alsmede eene onnoemelijke menigte onkenbare,[337]ten minste niet nader te bepalen lekkernijen en zoetigheden, maakten de spijzen uit, eene voortreffelijke thee en eene afschuwelijke foeselhoudende rijstebrandewijn van ongemeene sterkte, de dranken. Na den maaltijd, die, tengevolge van een voorzichtigheidshalve reeds vooraf ingenomen ontbijt van minder raadselachtig allooi, voor mij althans zonder nadeelige gevolgen afliep, werden waterpijpen rondgedeeld, en daarna bezichtigden wij eene menigte denkbare en ondenkbare voorwerpen zoo in dit vertrek als in eene kamer daarnaast: landschappen en afbeeldingen van dieren, door de Regeering verzonden getuigschriften, het groote, met bijzondere zorgvuldigheid in bonte zijden stoffen kunstig ingewikkelde Rijkszegel, vreemdsoortige pijlen met eene bestemming, zooals slechts een Chineesch brein daaraan kan toekennen, voorwerpen van Europeesche kunst, enz.Verschrikkelijk afgemeten en ijselijk deftig werd het onderhoud gevoerd.Onze woorden werden uit het Fransch in het Russisch, uit het Russisch in het Kirgiesch en uit het Kirgiesch in het Chineesch overgebracht, terwijl de antwoorden langs den omgekeerden weg tot ons kwamen; geen wonder dus, dat ons gesprek den toon der hoogste deftigheid aannam. Na het ontbijt verschenen er Chineesche boogschutters, om ons proeven hunner schietkunst te geven; daarna bracht ons de Dschandsoen allergenadigst, persoonlijk in zijn moestuin, om ons daaruit een en ander te laten proeven; eindelijk nam hij afscheid van ons, en nu reden wij door de straten en markten der stad, vonden in het huis van een Tartaar gastvrijheid en een heerlijken, door de tegenwoordigheid der beeldschoone, jonge, te onzer eer in het mannenvertrek geroepen vrouw, gekruiden maaltijd, om tegen zonsondergang deze, ook in de geschiedenis bekende plaats te verlaten.Tschoekoetschak is dezelfde stad, die in 1867 na eene langdurige belegering, den Doenganen, eenen Mongoolschen, maar tot den Islam bekeerden volksstam, die bestendig strijd voerde tegen de Chineesche opperheerschappij, in handen viel, en toen met man en muis werd verdelgd en tot den grond geslecht.Van de 30,000 inwoners, die Tschoekoetschak kort te voren telde, was een derde deel gevlucht; de rest evenwel, die zich veilig waande, omdat verschillende bestormingen waren afgeslagen, bleef—maar tot haar verderf. Toen de laatste bestorming gelukte, en de stad in handen der Doenganen was gevallen, hielden dezen er met dezelfde wreedheid[338]huis, als waarmede de Chineezen tegenover hen gewoed hadden. En wat aan het zwaard ontkwam verging door het vuur. Toen onze tegenwoordige begeleider, de overste Friedrichs, veertien dagen later de plaats bezocht, alwaar Tschoekoetschak gestaan had, steeg er zelfs geen rookwolk meer uit de verkoolde balken op. Wolven en honden, die zich vet hadden gemest aan de menschenlijken, slopen langzaam van daar of lieten zich zelfs in hun walgverwekkend maal niet storen, maar bleven voortknagen aan het gebeente hunner voormalige meesters; arenden, wouwen, raven en kraaien deelden met eerstgenoemden het maal. Waar men ruimte had moeten maken waren de lijken bij dozijnen en honderden op een hoop geworpen; in de overige gedeelten der stad, in de straten, tuinen en huizen lagen zij of afzonderlijk, of bij tweeën, vieren en dozijnen bij elkaar, man en vrouw, grootvaders en grootmoeders, moeder en kind, geheele huisgezinnen en gevluchte buren, het hoofd verpletterd door sabelhouwen, de aangezichten in flarden gehakt, verbrand, de ledematen door de tanden van honden en wolven afgeknaagd, lichamen zonder hoofd, andere zonder handen. Wat de krankzinnigste verbeelding aan gruwelen kan uitdrukken vond hier zijn ontzettende werkelijkheid.Tegenwoordig telt Tschoekoetschak ten hoogste duizend zielen; feitelijk staat de nieuwe, met torens gekroonde vesting onder de bescherming van het kleine Russische piket te Bakti; want dat de Doenganen nog altijd niet de wapenen hebben neêrgelegd, nog altijd niet voorgoed ten onder zijn gebracht, bleek ons uit den weinige dagen te voren begonnen tocht van een Chineesch legertje naar het dal der Emil, alwaar een inval scheen te dreigen. Onder geleide van Majoor Tichanoff en zijn dertig Kozakken trokken wij dit dal door, zonder echter een enkelen Doengaan in ’t gezicht te krijgen, en zonder dagen achtereen zelfs een mensch te ontmoeten. De Emil, van het Saurgebergte komende, stroomt tusschen de Tarabagatai en Semistau, twee, onder een scherpen hoek saamkomende ketens, verder, van beide zijden versterkt door een aantal beekjes. De Chineezen, alle wateraders benuttende, hadden door bevloeiingen het geheele dal in een vruchtbaren tuin herschapen, toen de Doenganen kwamen en dezen tuin verwoestten, om hem terug te geven aan de steppe, zijn moeder. Wel reden wij, in de nabijheid der stad, nog door kleine dorpen en stieten op een Aul der Kalmukken, daarna echter alleenlijk nog langs de puinhoopen van vroegere welvaart en vroegere menschelijke bedrijvigheid.[339]De natuur had reeds met zachte hand een sluier over de velden gespreid, maar de nog niet door storm en weder vernietigde puinhoopen der dorpen bleven ten hemel schreien. Bezoekt men deze dorpen, dan treden de begane wreedheden met ijzingwekkende duidelijkheid weder voor oogen. Tusschen de eenzame muren, welker daken verbrand en welker gevels geheel of gedeeltelijk zijn ingestort, op het vermolmende hout, waar vergiftige zwammen weelderig omhoog schieten, en te midden der scherven van Chineesch porselein, te midden van halfverkoold en daarom bewaard gebleven huisraad, stoot men overal op menschelijke overblijfsels, verslagen schedels, afgeknaagde beenderen, en geraamten van huisdieren, inzonderheid van den hond. Op de schedels ziet men nog de houwen der scherpe sabels. De menschen vielen als een offer hunner woedende vijanden en de honden deelden in het lot hunner meesters, die zij misschien nog trachtten te verdedigen; de andere huisdieren werden weggedreven en buit gemaakt, evenals alle bezittingen der overwonnenen, terwijl alleen die voorwerpen, welke voor ’t oogenblik geen waarde hadden, werden stuk geslagen en verbrand. Twee halfwilde huisdieren zijn de puinhoopen blijven bewonen, t.w. de zwaluw en de musch; de plaats der anderen werd ingenomen door de vogels der ruïnen.Wij togen ongehinderd door het verwoeste dal. Geen Doengaan liet zich zien; want achter onze dertig Kozakken stond het machtige Rusland. Toen wij weder menschen ontmoetten, bevonden wij, dat het Russische Kirgiezen waren, die hier, in China, hun kudden weidden, hun velden bebouwden en voor een hunner dooden een grafteeken oprichtten.Van uit het dal der Emil beklommen wij den Tarabagatai op een der laagste plaatsen van den kam van het gebergte, daalden toen naar de bijna effene hoogvlakte Tschilikti af, die door eerstgenoemden keten alsmede door den Saur, Manrak, Terserik, Moestau en Oerkaschar wordt ingesloten en ongeveer 1600 meter boven den zeespiegel is gelegen. Wij staken deze vlakte dwars over, ontmoetten op dien tocht een aantal zeer groote koerganen of grafheuvels der inboorlingen, om daarna door de kronkelende dalen van het veelvuldig gespleten Manrakgebergte, het dal van Saisan en den eerst sedert vier jaren bestaanden grenspost van gelijken naam—een vriendelijk stadje,—te bereiken. Hier, dicht bij de Chineesch-Russische grens waren wij voor ’t eerst, sedert Lepsa, weêr omringd door Europeesche behagelijkheid en comfort.[340]In de gezelschappen, die wij bezochten, verkeerden wij als in St. Petersburg of Berlijn; men praatte, speelde, zong en danste in den beperkten familiekring of in een publieken tuin. Het heerlijk gezang der nachtegalen begeleidde dans en lied; men vergat waar men zich bevond.Ik benutte den tijd van ons verblijf aldaar voor eene jacht op „oelaren”, eene soort van hoenders uit het hooggebergte, van den vorm van patrijzen, maar ter grootte van auerhoenders, en leerde daarbij niet alleen de woestheid van het Manrakgebergte, maar tevens ook het herdersleven der arme Kirgiezen van eene nieuwe zijde kennen, zoodat ik hoogst voldaan van mijn succesvol uitstapje terugkeerde.In den namiddag van den 31 Mei beklommen wij wederom onzen reiswagen en rolden naar de zwarte Irtysch, om gebruik te maken van een rendez-vous, ons in het Altaï-gebergte aangeboden door Generaal Poltoratski. Door een rijk steppenland, over pikzwarten grond, later door droge hoogsteppen, ging de snelle vaart, tot wij de rivier bereikten, wier hooggezwollen golven ons den volgenden dag naar het Saisanmeer brachten. Hoe vervelend ons tot nog toe alle rivieren en stroomen van Siberië ook waren voorgekomen, de zwarte Irtysch was zulks niet; heerlijke vergezichten op twee reusachtige hooggebergten, den Saur en Altaï en de hiermede samenhangende ketens, verrukten ons oog; een frissche, groene oever, waaruit ons een vroolijk vogelengezang, een opgewekt vogelenleven tegenklonk en tegenblikte, streelde ons. Het fluks uitgeworpen net bracht een grooten voorraad van visschen uit de diepte te voorschijn, en bewees ons dat de stroom niet alleen schoon is, maar tevens schatten verbergt. Nadat wij den 2 Juni het vlakke, troebele, zeer vischrijke, maar slechts door zijn vergezichten schoone meer waren overgevaren, trokken wij op den daaraanvolgenden dag door het meest woeste gedeelte der steppe, dat wij tot nog toe hadden gezien, maar leerden juist hier de drie merkwaardigste dieren der steppe kennen, t.w. den koelan, een wild paard, de steppenantilope en het steppenhoen. Onze Kirgiezen vingen van het eerstgenoemde een veulen, terwijl tevens een steppenhoen werd geschoten. Tegen den avond hielden wij halt in de Altaïsche voorgebergten, daags daarna ontmoetten wij op de afgesproken plaats onze vroegere gastheeren en reden nu onder hun geleide verder.Het was een heerlijke reis, in weêrwil van storm, sneeuw en regen, waardoor de vriendelijke Joerte, die mede reisde, veel van hare behagelijkheid[341]verloor, niettegenstaande de bergstroomen aan onze paarden den doortocht versperden, en steil afhangende rotsen ons op paden brachten, die in Europa wel door de gemzenjagers, niet door ruiters worden betreden. Een Russisch Gouverneur reist geenszins gelijk gewone stervelingen, het allerminst wanneer hij door onbewoonde streken trekt. Alle districtshoofden vergezellen hem, alsmede de onder dezen staande ambtsmannen, de oudsten der gemeente, de gemeentesecretaris, de voornaamste lieden van de geheele streek, die hij bereist, een troep Kozakken met hun officieren tot den overste toe, zijn eigene bedienden en die van het geleide. En wanneer het land, gelijk thans het geval was, gedeeltelijk vreemd is, en er vergaderingen moeten gehouden worden met Kirgiezische gemeenten, dan wordt het gevolg tot in het oneindige vermeerderd. Dan moeten niet alleen Joerten en tenten medegebracht worden, gelijk steeds bij steppenreizen het geval is, maar zelfs heele schaapskudden worden vooruitgezonden om de honderden menschen in deze wildernis te voeden. Sedert wij het Saisanmeer hadden verlaten, bevonden wij ons weder in het Chineesche Rijk, en eene reeks van dagen hadden wij te reizen, alvorens te durven hopen, in de thans alleen in de diepere dalen bewoonde deelen van het gebergte wederom menschen aan te treffen.Meer dan tweehonderd personen reisden aanvankelijk mede, meest Kirgiezen, die opgeroepen waren om een keizerlijk bevel, betrekkelijk de opheffing van hun recht om in het keizerlijk domein Altaï te weiden, in ontvangst te nemen, en uit dien hoofde met elkander in overeenkomst te treden omtrent hunne daarmede in verband staande te wijzigen verhuizingen; maar ook nadat die beraadslagingen ten einde waren, telde ons reisgezelschap nog over de honderd paarden en zestig ruiters. In den vroegen morgen werden ons de Joerten boven het hoofd afgebroken en vooruitgezonden; dan volgden wij in grootere en kleinere gezelschappen, langzaam voortrijdende, tot ook de dames, de vriendelijke gemalin des Generaals en hare schoone dochter ons weêr hadden ingehaald; wij namen het ontbijt op eene geschikte plaats, lieten de laatste pakpaarden voorbijtrekken, volgden, haalden ze weder in, kwamen meest gelijktijdig met de schapen, wier aantal dagelijks verminderde, op de halteplaats aan, en hadden zoo elken avond gelegenheid het oog te laten weiden over het schilderachtig tooneel eener legerplaats. Heerlijke, frissche, groene, met voorjaarsgeuren doortrokken dalen namen ons op; hooge, steile, grootendeels nog met sneeuw[342]bedekte bergen schonken de schoonste vergezichten over het hooggebergte, en in de doorgetrokken steppe tot op den Saur en Tarabagatai, totdat wij eindelijk het Markakoel, dien parel der Altaïmeren, voor ons zagen liggen en daarmede het hooggebergte zelf waren ingetrokken. Drie dagen lang reisden wij onder slecht weder, opgehouden door een Chineesch gezantschap, langs den oever des meers, reden toen door werkelijk dichte wouden, over moeilijk te beklimmen passen, bergop, bergaf, naar de Russische grens en op halsbrekende wegen het bloeiende dal der Buchtarma door, om in de nieuw gegrondveste Kozakkenkolonie Altaiskaja-Stanitza nogmaals van de Russische gastvrijheid en comfort te genieten, te rusten en uit te rusten.Door de officieren der Stanitza vereerd met allerlei geschenken, voortbrengselen der streek, zetten wij op den 12 Juni de reis voort. Helder en vriendelijk lachte de zon ons tegen van den blauwen hemel en keek zij neder op het grootsche, heden voor ’t eerst niet benevelde landschap. Onafzienbare, parkachtige dalen, omlijst door steil opeengestapelde, met sneeuw bedekte, heden met de schitterendste kleuren overgoten hooggebergten, heerlijke boomen op de weilanden, bloeiende boschjes op de hellingen, duizendvoud verschillende, boven alle beschrijving schoone, als in ’t lang ontbeerde zonnelicht herlevende bloemen, frisch bloeiende heideroosjes in alle schakeeringen van kleur, het geroep van den koekoek en ’t gejubel der vogelen, Kirgiezen Auls in de breede dalen aan den voet der bergen, en Russische, in groen verscholen dorpen, grazende kudden, vruchtbare akkers, ruischende beekjes, getande rotsen, de zachte lucht en specerijachtige voorjaarsgeuren,—dit alles omstrikte de zinnen gedurende den ganschen tocht. Weldra trokken wij over de grenzen van het keizerlijk domein Altaï—een kroongoed, zoo groot bijkans als geheel Frankrijk! Een dag later en wij bereikten het bergstadje Serianoffsk met haar zilvermijnen. Nadat wij ook hier, gelijk overal elders, vriendelijk waren ontvangen, alle werken hadden bezichtigd, sloegen wij wederom de richting in naar de Irtysch, lieten ons op hare, tusschen hooge, schilderachtige rotsen snel voortijlende wateren, voorbij Buchtarminsk naar Ustkamenogorsk drijven en togen van hier uit weder per wagen door het veelbelovend domein des Keizers.KEIZERADELAAR, MURMELDIER EN WEZEL.KEIZERADELAAR, MURMELDIER EN WEZEL.Steppenachtige vlakten palen aan de liefelijke dreven van het voorgebergte; uitgestrekte wouden wisselen met het bewoonde land af. Groote, rijke dorpen, kostbare, vruchtbare, in gitzwarte aarde aangelegde akkers, goed gebouwde, zich van hunne welvaart bewuste mannen,[343]schoone, schilderachtig gekleede vrouwen, kinderlijk nieuwsgierige en kinderlijk gezinde menschen, voortreffelijke, krachtige paarden, goed gebouwde runderen, die in groote, weldoorvoede kudden de dorpen omgeven, enorme wagenkaravanen, die op goede wegen erts en kolen vervoeren, marmotten op de berghellingen, ziesels in de vlakten, keizerarenden op de grenspalen aan de wegen, bekoorlijke dwergmeeuwen aan de wateren, dorpen en gehuchten verlevendigen al te zamen het landschap, dat onze weg doorsnijdt. Als vliegend doortrokken wij het land, als in de vlucht bezochten wij het zeer naar waarheid zoo genoemde stadje van smelthutten „Slangenberg”; een korte rust slechts veroorloofden wij ons in de hoofdplaats Barnaul. Daarna ging het[344]verder naar het bergstedeke Salair en toen naar de groote gouvernementsstad Tomsk.Reeds voor Barnaul hadden wij de Ob bereikt en te Barnaul zelf waren wij deze rivier overgestoken, terwijl wij ons te Tomsk inscheepten om haar te bevaren. Zes en twintig honderd werst, d.i. bijna vierhonderd geographische mijlen voeren wij, na door de Tom er in gekomen te zijn, dezen stroom af, die een grooter gebied beheerscht dan alle stroomen van West-Europa te zamen,—en zoo naderden wij meer en meer het noorden. Vier etmalen lang stoomden wij in de richting naar de IJszee, met eene, bij den gezwollen stand der rivier dubbel zoo snelle vaart als zulks stroomopwaarts zou kunnen geschieden; elf volle dagen en nachten hadden wij noodig om het stuk, begrepen tusschen de inmonding der Irtysch en de uitmonding der Schtschoetschja af te leggen, ofschoon wij in Samarowo en Bereosoff slechts enkele uren rust namen, en ongerekend de beide dagen, die wij te Obdorsk, het laatste Russische dorp aan den stroom, doorbrachten. Boven alle beschrijving grootsch is deze stroom, hoe eenzaam en eentonig hij ook moge heeten. Door een dal van tien tot dertig kilometer breed vervolgt hij zijn loop, in ontelbare armen verdeeld, die eene menigte eilanden insluiten. Hier en daar verbreedt hij zich tot een groot meer, terwijl hij bij zijn mond een hoofdarm heeft, waarin het water gemiddeld acht en twintig meter hoog staat. Bosschen, waar bijna geen licht door kan dringen, in welker diepten nog geen inboorling ooit den voet zette, strekken zich langs zijn oevers uit; wilgenbosschen, in alle phasen van den wasdom dezer boomsoort, bedekken de telkens door den vloed afgeknaagde en weder in anderen vorm opgebouwde eilanden. Armer en armer wordt het land, armer en schraler de wouden, armoediger de dorpen, naarmate men verder stroomafwaarts komt, ofschoon de rivier zelf dichter bij haar monding te rijkelijker schenkt, wat aan het arme land onthouden werd. Reeds een weinig beneden Tomsk, iets lager dan Tobolsk, loont de aarde den veldarbeid niet meer; nog verder naar het noorden houdt ook de veeteelt op, maar ontelbare scholen van de heerlijkste visschen en een rijk jachtveld in de oerwouden langs de beide oevers schenken rijke vergoeding voor dat gemis. De visschers en jagers treden in de plaats van den landbouwer, de rendierherder in de plaats van den veeboer. Zeldzamer worden de Russische volkplantingen, talrijker de woonsteden der Ostjaken, en eindelijk zijn het slechts de verplaatsbare,[345]kegelvormige hutten uit berkenbast, hier „Tschoem” genoemd en enkele daartusschen verspreide, vreeselijk armoedige blokhuizen, de tijdelijke woningen der Russische visschers, die nog getuigenis afleggen van het bestaan van den mensch.Wij hadden het plan opgevat ook eene toendra of mossteppe door te reizen en daarvoor het oog geslagen op het tusschen de Ob en de Karische golf gelegen schiereiland der Samojeden, te meer daar in dit nog bijna niet door Europeanen betreden deel van den grooten en breeden boomloozen gordel der om de Pool zich legerende woestenij, ook sommige, voor den handel gewichtige vragen op te lossen waren. Wij huurden ten behoeve dezer reis in Obdorsk en iets lager stroomafwaarts verschillende personen, als Russen, Syrjenen, Ostjaken en Samojeden, en vingen den 15 Juli onzen tocht aan.Op de noordelijke hoogte van den Oeral, hier het karakter niet alleen van een werkelijk gebergte, maar zelfs van hooggebergte aannemende, ontspringen dicht bij elkander drie rivieren: de Oessa, die in de Petschora, de Bodarata, die in de Karische golf en de Schtschoetschja, die in de Ob uitmondt. Het gebied van de beide laatstgenoemde stroomen wilden wij bereizen. Hoe het land er uitzag, hoe wij het zouden hebben, of wij rendieren zouden kunnen krijgen of den weg te voet zouden moeten afleggen, niemand wist ons zulks te zeggen.Tot aan den mond der Schtschoetschja reisden wij nog op de gewone wijze, bij elke kolonie van Ostjaken onze gehuurde roeiers betalende, om nieuwe aan te werven; op de Schtschoetschja zelf traden onze eigen lieden in dienst. Acht dagen lang voeren wij langzaam den stroom op, ieder zijner vele windingen getrouw volgende, altijd door de ijselijk eentonige, ja doodelijk vervelende toendra, nu eens den Oeral naderende, dan weder ons van dit gebergte verwijderende. Gedurende acht dagen zagen wij geen enkelen sterveling, alleen diens sporen, zijn op sleden gepakte winterbehoeften en zijn graven. Niet te doorwaden moerassen aan beide zijden der rivier beletten ons elk uitstapje, milliarden op bloed beluste muggen kwelden ons zonder ophouden. Op den zevenden dag zagen wij een hond—eene ware gebeurtenis, zoowel voor ons zelf als voor onze manschappen; op den achtsten dag stieten wij op eene bewoonde Tschoem en daarin op den eenigen mensch, die ons eenige inlichtingen aangaande het voor ons liggende land kon geven. Wij namen dezen als gids mede en vingen met hem drie dagen later een tocht aan, die even moeilijk als gevaarlijk zou worden.[346]Negen volle dagreizen van ons verwijderd, op de weide Saddabei in den Oeral, zouden zich rendieren bevinden; aan de Schtschoetschja was op dit tijdstip geen enkel op te jagen. Wij moesten dus wel onzen tocht te voet aanvangen en alle bezwaren op ons nemen aan zulk een tocht door een ongebaand, met muggen gevuld, den mensch vijandig, niet het minste voedsel opleverend, en wat het ergste was, ons ten eenenmale onbekend gebied, verbonden.Omzichtig, niet dan na lange beraadslagingen met de inboorlingen, maakten wij onze toebereidselen; met zorg werd de mede te voeren last, die ieder op zijn rug zou laden, afgewogen; dreigend toch stond het hongerspook voor ons. Wij wisten, wel is waar, dat alleen de trekkende herder, en geenszins de jager in staat is zijn leven in de toendra te onderhouden; bij ervaring kenden wij alle moeite, die de ongebaande wegen, de kwellingen, die de scharen muggen bereidden, de ongestadigheid des weders, de onherbergzaamheid der toendra in ’t algemeen, en namen met het oog hierop onze maatregelen en voorzorgen: maar te voorzien en te voorkomen, wat wij niet kenden, niet konden vermoeden, en ons toch trof, zulks was onmogelijk. Terugkeeren wilden wij niet, maar hadden wij alles vooruitgezien, wij zouden zulks zeker gedaan hebben.In korte pelzen gehuld, zwaar beladen, behalve den door de niet lichte schietbenoodigdheden bezwaarde rugtasch nog geweer en een reiszak over den schouder dragend, braken wij den 29 Juli op, onze boot onder de hoede van twee mannen achterlatende. Vermoeid, zuchtende onder den zwaren last, dag en nacht zonder ophouden gekweld door de muggen, liepen wij door de toendra, telkens na een uur, een half uur, eindelijk na elke duizend schreden rust vragende en wegens de muggen deze niet kunnende vinden.Wij klommen over heuvels, trokken door evenveel dalen, en staken een bijna even groot aantal moerassen en drassige velden over; honderden meren zonder naam togen wij voorbij, kreken en riviertjes moesten wij doortrekken.Onvriendelijker wel kon de toendra ons niet ontvangen. De wind zweepte ons een fijnen regen in ’t aangezicht; in doorweekte pelzen legden wij ons op een doorweekten grond neder, zonder dak boven ons hoofd, zonder een koesterend vuur naast ons, en nog altijd gekweld door de muggen. Doch de zon droogde onze kleeren weder op en schonk nieuwen moed en nieuwe krachten; wij gingen voorwaarts.[347]Een vroolijk bericht versterkt meer dan zon en slaap; onze mannen ontdekten twee „Tschoems”, en door middel van onze kijkers onderscheidden wij duidelijk de daaromheen gelegerde rendieren. Tot in ons binnenste gelukkig zien wij ons reeds in de verbeelding uitgestrekt in het eenige, hier mogelijke voertuig, de slede, en het voor deze slede gespannen rendier. Wij bereiken de Tschoem en de rendieren; een afgrijselijk gezicht treft ons oog. Onder de weidende kudde woedt het miltvuur, de vreeselijkste, ook voor den mensch zoo gevaarlijke aller veeziekten, de onverbiddelijke, zonder genade en keus vernietigende engel des doods, tegenover wiens woeden de mensch als machteloos staat, die hier te lande de volken doet verarmen en onder de menschen even goed door niets te redden slachtoffers maakt als onder de dieren.Zes en zeventig doode rendieren telde ik in de onmiddellijke omgeving van de Tschoem; werwaarts het oog schouwde ontmoette het lijken, gevallen, in doodstrijd verkeerende herten, wijfjes en kalveren. Andere komen met den dood in het hart op de reeds voor de afreis gereed staande slede aanloopen, als zochten zij bij den mensch hulp in hun lijden; zij zijn niet van hier te verdrijven, blijven met holle oogen en over elkaar geslagen voorpooten een paar minuten staan, waggelen heen en weder, steunen en vallen neêr; een witte, schuimende slijm vloeit uit mond en neus—nog enkele stuiptrekkingen en een lijk meer ligt ter aarde. Zoogende moeders scheiden zich met haar kalveren van de kudde; de moeders sterven onder dezelfde verschijnselen, de kalveren aanschouwen met verbazing de zich zoo vreemd aanstellende moeders, of gaan onbezorgd grazen naast het sterfbed van haar, die hen ter wereld brachten, keeren dan naar de eersten terug en vinden in plaats van de liefhebbende voedster een lijk, beruiken dit, schrikken achteruit, ijlen weg, dwalen blatend in ’t rond, beruiken nu eens het eene volwassen dier, naderen dan een ander, worden door allen verjaagd, blaten en zoeken verder, en vinden wat zij niet zochten: den dood, door een pijl uit den boog huns meesters, die althans nog iets tracht te redden, n.l. de huid. De dood woedt met gelijke verschrikking onder de oude zoowel als onder de jonge rendieren; de sterkste en schoonste herten vallen even goed in handen van den worger als de eenjarigen van beiderlei kunne.Tusschen de stervende en gestorven dieren wandelen en roeren zich de menschen, de bezitter der kudde Schoengei en zijne aanhoorigen en knechten, om in radeloozen ijver te redden, wat nog te redden is.[348]Ofschoon zij niet onbekend zijn met het vreeselijk gevaar, dat zij loopen, wanneer slechts een enkel bloeddroppeltje, een enkel stofje van het schuim zich met hun eigen bloed vermengt, ofschoon genoegzaam vertrouwd met het feit, dat reeds honderden van hun volk een offer zijn geworden van de pijnlijke, akelige ziekte, arbeiden zij toch met alle kracht om het vergiftigde dier de huid af te trekken. Een slag met den bijl maakt een eind aan het leven der stervende herten, een pijlschot aan dat der kalveren, en eenige minuten later ligt de huid, die nog weken lang eene bron van besmetting blijft, bij de anderen, doopen de bloederige handen het van de kalveren afgenomen vleesch in het bloed, dat de borstholte van het gedoode dier vult om het rauw te verslinden. Beulsknechten gelijken de mannen, afschuwelijke heksen de vrouwen, in aas woelende, van bloed druipende, met bloed bevlekte hyena’s gelijken beiden; zij letten niet op het zwaard, dat niet aan een paardenhaar, maar aan een spinrag boven hun hoofd is opgehangen, en zoo woelen zij steeds voort, geholpen door de kinderen, door half volwassen knapen en van bloed druipende, nauwelijks gespeende meisjes.De Tschoems werden afgebroken en op een nabijzijnden heuvel weder opgeslagen; de ongelukkige kudde, die, twee duizend stuks sterk, uit het Oeralgebergte was opgebroken, en tot op tweehonderd ingekrompen was, die den geheelen weg van daar tot hier door doode dieren had gekenteekend, verzamelt zich opnieuw om de Tschoem; op den anderen morgen liggen er echter weder opnieuw veertig lijken in de nabijheid der rustplaats.Wij kenden het gevaar, aan hetwelk ook de mensch door aan miltvuur lijdende dieren is blootgesteld, doch wij kenden het nog niet in zijn geheelen omvang. Daarom kochten wij eenige, oogenschijnlijk gezonde rendieren, bespanden daarmede drie sleden, belaadden deze met onze goederen, en trokken, verlicht en ontlast daarnaast loopende, verder. Rendierenvleesch te eten, zooals wij gehoopt en waarop wij gerekend hadden, zulks verbood de vreeselijke ziekte; met te meer zorg en angst speurden wij daarom in ’t rond naar een of ander klein wild, ’t zij een moerashoen, eene wulp, eene goudplevier, of eene eend. Om onzen geringen voorraad zoo lang mogelijk te sparen, hurkten wij, in geval de geringste aller Diana dienende nymphen ons goedgunstig was geweest, om het moeilijk te voeden vuur, ten einde ieder persoonlijk zoo goed mogelijk een onbeduidend wild aan het spit te braden. Ons werkelijk verzadigen ging niet meer.[349]Wij bereikten, nadat wij den door Schoengei getrokken doodenweg dwars waren overgestoken, het eerste doel, de Bodarata; wij hadden het onuitsprekelijk geluk nog eenmaal Tschoems aan te treffen, nog eenmaal rendieren te ontmoeten; wij trokken met de hulp dezer dieren naar de zee, en moesten terugkeeren zonder den voet op het strand gezet te hebben. Voor ons strekte zich een onbegaanbaar moeras uit en bovendien een onafzienbare hoop rendierlijken; wij bevonden ons nog eenmaal op den weg, langs welken Schoengei huiswaarts gevlucht was, en onze nieuwe kennis, de herder Sanda, waagde het niet dien weg te kruisen.Want ook onder zijne kudde maaide de dood; ook in zijn huis, en in nog meerdere mate in dat van zijn buurman had het verderf zijn intocht gehouden. De man, die tot nog toe met hem had gereisd en geweid, had gegeten van een aan miltvuur lijdend rendier, dat hij kort voor den dood nog spoedig had geslacht, en hij had die zonde met zijn eigen leven en dat zijner familieleden moeten boeten. Driemalen had de herder Sanda zijn Tschoem verplaatst en driemalen een graf tusschen de lijken der gevallen rendieren gegraven. Eerst stierven twee kinderen, daarna stierf de knecht van den lichtzinnigen man en op den derden dag overleed hij zelf. Een ander kind lag nog ziek en kermde van pijn, toen wij de reis naar zee aanvingen; toen wij tot de Tschoem terug waren gekeerd kermde het niet meer, want een vierde graf had het kinderlijk opgenomen. En ook dit zou niet het laatste zijn.Een onzer manschappen, de Ostjak „Hadt”, een gewillig, altijd vroolijk, ons lief geworden man, klaagde en wrong zich sedert eergisteren onder steeds toenemende pijnen; hij klaagde voornamelijk over een steeds sterker wordend gevoel van koude. Wij hadden hem op een rendierslede gelegd, toen wij op den terugweg waren naar de Tschoem des herders; wij vervoerden hem op dezelfde wijze toen de hut ten vijfdemale werd verplaatst. Onder en tusschen ons lag hij weeklagend en bevend bij het vuur. Van tijd tot tijd hief hij zich op, ontblootte zijn lichaam om dit door het vuur te koesteren. Eveneens bracht hij zijn verkleumde voeten bij het vuur, zonder er op te letten, dat hem de voetzolen verbrandden. Eindelijk sliepen wij in, misschien ook hij; toen wij echter den volgenden morgen ontwaakten, was zijne plaats ledig. Buiten evenwel, voor de Tschoem, tegen eene slede geleund, het gezicht naar de zon gekeerd, welker stralen hij had opgezocht, zat hij rustig en stil, zonder te steunen, zonder te klagen. „Hadt” was dood.[350]Wij begroeven hem eenige uren later naar zede en gebruik zijns volks. Hij was een eerlijk „heiden” geweest en moest dus insgelijks op heidensche wijze begraven worden. Onze „rechtzinnige” begeleiders weigerden zulks te doen; onze „heidensche” metgezellen verrichtten daarom dat, wel is waar niet christelijk, maar toch den mensch waardig werk met onze hulp. In het vijfde graf lag het zesde offer.Zou dit graf het laatste zijn? Onwillekeurig vroeg ik mij zulks af, want het werd ons in dit gezelschap des doods al te akelig. Tot ons geluk was Hadts graf het laatste op dezen weg.Ernstig, zeer ernstig gestemd, bedreigd door het steeds sterker gevoelde gebrek trokken wij verder, wederom in de richting der Schtschoetschja. Sanda voedde op schrale wijze onze manschappen, ons jachtbedrijf onderhield even armoedig ons zelf. Toen het ons gelukte op zekeren voormiddag een geheele familie ganzen buit te maken, bovendien nog hoenders, snippen en plevieren te schieten, vierden wij feest; nu toch konden we eten zonder karig te zijn. Het was echter hoofdzakelijk te danken aan onzen waard, dat wij het er goed af brachten.De Schtschoetschja werd bereikt, wij kwamen, bijna van alles ontbloot, terug bij onze boot, en sedert veertien dagen baadden wij ons voor de eerste maal weder in een wel is waar zeer beperkt, maar voor ons toch onuitsprekelijk genot. Van de toendra namen wij voor altijd afscheid.Een Schaman, wel is waar, dien wij verder de Ob op met visschen bezig vonden, en wien wij verzochten ons een bewijs te geven van zijn kunst en wijsheid, kondigde ons—na door middel van het dof geluid zijner tromJAMAUL, den met hem bevrienden bode der goden te hebben opgeroepen—als eene boodschap des hemels aan, dat wij reeds in het volgende jaar naar het onherbergzame, zooeven door ons verlaten land weder terug zouden keeren, maar dat wij ons alsdan derwaarts zouden wenden, alwaar de Schtschoetschja, Bodarata en Ussa haren loop beginnen. Want twee keizers zouden ons beloonen, onze „oudsten” zouden over onze geschriften tevreden zijn en ons opnieuw uitzenden. Op deze reis evenwel zou geen enkel ongeluk ons meer bejegenen. Zoo had de bode der goden, alleen voor hem verstaanbaar, gesproken.Het laatste gedeelte der voorspelling is uitgekomen. Langzaam, wel is waar, maar zonder ongevallen of stoornissen voeren wij drie en twintig dagen lang de Ob naar boven, drie dagen op een na lang wachten[351]gelukkig bereikt stoomschip de golven van de Irtysch te gemoet. Zonder ongelukken, ofschoon niet zonder hindernissen, trokken wij het Oeral-gebergte over; snel gleden wij in een uitstekende stoomboot de Kama af; langzamer droeg het schip ons de Wolga op. InNischni-Nowgorod, in Moskou, in Petersburg werden wij even vriendelijk ontvangen als de eerste maal, in het vaderland met vreugde verwelkomd. Onze „oudsten” schijnen ook met onze geschriften tevreden te zijn:—naar de Toendra keeren wij, keer ik ten minste nimmer weder terug.[352]

XII.EENE REIS IN SIBERIË.

Wij hadden de van menschen wemelende straten van St. Petersburg, de in de zon stralende gouden koepels van Moskow achter den rug, en de torens van Nischni-Nowgorod aan den anderen oever der Oka lagen voor ons. Met een dankbaar gevoel hadden wij afscheid genomen van de beide hoofdsteden van Rusland. Wij waren te Berlijn door Z. M. onzen roemruchtigen Keizer in een welwillend afscheidsgehoor ontvangen geworden, de Min. van Buitenl. Zaken had ons dringend aanbevolen, de Duitsche gezant in St. Petersburg had ons vriendelijk welkom geheeten, en zoo hadden wij ons eene goede opname in Rusland voorgesteld; de uitkomst beantwoordde aan onze verwachting, ja, overtrof deze ten zeerste. Z. M. de Czar had ons audiëntie verleend, bij Grootvorsten en Grootvorstinnen van het Keizerlijk huis hadden wij onze opwachting mogen maken; de Rijkskanselier, de Ministers en andere hooge staatsdienaren van Rusland waren ons tegemoet gekomen met die voorkomende vriendelijkheid en opofferende welwillendheid, welke een der karaktertrekken uitmaken van alle beschaafde Russen; de beste aanbevelingen, wier waarde wij later eerst recht zouden leeren kennen, vergezelden ons.Tot Nischni-Nowgorod hadden wij gereisd met de verkeermiddelen van den nieuwen tijd; voortaan zouden wij ervaren hoe men in het Russische rijk reist, en op welke wijze men er afstanden van duizenden kilometer of wersten aflegt—aflegt in den winter zoowel als in den zomer, des nachts zoowel als over dag, in het hevigste onweder zoowel als in den fellen zonneschijn, in den kletterenden regen of in den ijzigen sneeuwstorm zoowel als wanneer de droogte het stof doet opdwarrelen, in de slede zoowel als in den wagen. Een groote, zware, in alle voegen beklampte, om ’t omvallen te voorkomen wijdbeenige, door een kap tegen regen en sneeuw beschutte, voor 3 paarden ingerichte reisslede, voorzien van tingelende klokjes, stond voor ons.[328]Het was op het kristallen ijskleed der Wolga, dat wij den 19 Maart de wel snel vorderende, maar toch niet onbelemmerde vaart aanvingen. Wij hadden op de reis van Duitschland naar Rusland dooiweêr gehad, de dooi had ons uit Petersburg naar Moskow verdreven, dooiweder bleef onze bestendige begeleider, als waren wij voorjaarsboden. Met water gevulde gaten, die dreigend herinnerden aan de gapende diepte daar beneden, doorweekten niet alleen slede en paarden, maar ook wijzelf werden doornat; soms werden wij genoodzaakt tot het nemen van groote omwegen, die wegens het kraken van het ijs gevaarlijker schenen, dan zij werkelijk waren, maar toch den koetsier en den postillon beiden zoo met bezorgdheid vervulden, dat wij na eene korte vaart de gladde ijsbaan verwisselden met den nog onbereden zomerweg. Deze weg, waarover niet alleen duizenden van vrachtwagens hun lasten vervoeren, maar langs welken eveneens duizenden veroordeelden naar het gevreesde Siberië trekken, is voor laatstgenoemden een weg der zuchten; hij werd zulks mede voor ons. De losse, met water gedrenkte sneeuw lag hier nog een meter hoog; rechts en links ruischten en stroomden tal van beekjes, overal waar deze slechts ruimte hadden om te stroomen en te ruischen; op beklagenswaardige wijze matten de nu voor elkander gespannen paarden zich af, om vasten voet te behouden; met sprongen trachtten zij de sporen van den voorganger te bereiken en tot aan de borst zakten zij bij iederen verkeerden sprong in de sneeuw en het ijskoude water. Daarachter schudde de slede, in alle voegen krakend, telkens als zij met een snellen ruk van de hoogte in de diepte werd geslingerd; uren lang bleef het voertuig, trots alle inspanning der paarden, in een gat steken, en weêmoedig klingelde het geschenk der raadselachtige Faldine, het wolvenverdrijvende klokje. Tevergeefs vermaande, bad, bezwoer, kraste, krijschte, schreeuwde, vloekte en zweepte de koetsier; meestal moest vreemde hulp ons uit dezen nood helpen.De uren werden dagen van kwelling, de weg scheen steeds langer te worden. Het vergezicht schonk evenmin naar rechts als naar links eenige opbeuring, want zonder schoonheid, woest en eenzaam strekte zich het vlakke land voor ons uit; alleen de dorpen leverden eenige afwisseling op, maar alleen voor hem, die weet te zien en die wil waarnemen. De winter hield de menschen hier nog terug in hun kleine, sierlijk aangelegde, meest evenwel erg verwaarloosde blokhuizen; in pelzen gehulde knaapjes alleen liepen barrevoets door de met water gedrenkte sneeuw en den vuilen drek, terwijl de oudere jongens en[329]meisjes met behulp van stelten deze hinderpalen trachten te overwinnen; oude, wit-gebaarde bedelaars belegerden de posthuizen en herbergen, voor een schilder evenwel bedelaars om te stelen; bedelaars, die, wanneer zij, om eene aalmoes smeekende, het hoofd ontblootten, met hun eerwaardige kale kruin en den langen golvenden baard, niet minder ook door hunne vuile lichamen en armoedige, gescheurde kleeding zoo getrouw het beeld weêrkaatsten van wereldverachtende heiligen, dat ik nimmer kon nalaten hun altijd weêr iets te geven, al was het alleen maar om hen te nopen tot dankbetuiging een kruis te slaan, welke ceremonie soms tot negenmalen herhaald werd—en met zooveel uitdrukking en overtuiging geschiedde, dat een ware heilige het niet beter zou hebben kunnen verrichten.Ook de dierenwereld liet zich in de dorpen meer zien dan op de velden, zelfs meer dan in de bosschen, die wij doortrokken. Daar buiten hield de winter het dierlijk leven nog geheel in zijn boeien geslagen; daar was alles nog stil en dood; behalve eene bonte kraai en een geelgors, liet zich daar nog geen enkele vogel zien, en in de sneeuw bespeurden wij geen spoor van eenig zoogdier; in de dorpen werden wij ten minste verwelkomd door bekoorlijke kauwen, sieraden op de daken der blokhuizen, door den raaf, bij ons te lande de schuwe bewoner van bosschen en bergen, hier de vertrouweling der dorpsbewoners, door eksters en meer andere vogels, niet gerekend de huisdieren, onder welke de vrij rondloopende zwijnen vooral onze aandacht trekken.Na een vierdaagschen, onafgebroken tocht, zonder ons eene enkele maal door een verkwikkenden slaap gesterkt te kunnen hebben, zonder eene werkelijke rust genoten te hebben, zonder behoorlijk voedsel, aan alle leden gebroken, bereikten wij, na het zeer gebarsten ijsdek der Wolga te voet te zijn overgetrokken, Kasan, de oude hoofdstad der Tartaren, welker zestig torens ons sedert den vorigen dag reeds vriendelijk hadden toegelachen. Ik dacht een oogenblik in het Oosten te zijn verplaatst. Van de minarets en de ettelijke boven alles uitstekende, met een puntig toeloopend dak voorziene houten torens klonk mij wederom in Arabische klanken de oproeping tot het gebed, door den Islam van zijn belijders geëischt, in de ooren; te midden der met een tulband omwonden mannen zweefden zwartoogige, voor dezen zich angstig bedekkende, voor ons zich nieuwsgierig ontsluierende vrouwen langs den weg; uit vrees hare fraaie, niet waterdichte, saffraankleurige schoentjes nat te maken, volgen zij voorzichtig de droge smalle paadjes langs de huizen; in[330]de drukte van den bazar woelt jong en oud dooreen—even als in het Oosten. Alleen het groot aantal prachtige kerken, waaronder die van het klooster, genaamd: „de niet door menschenhanden gemaakte Moeder Gods van Kazan” door ligging en bouwwijze uitmunt, wilden niet recht in die Oostersche lijst passen, ofschoon hier blijkbaar Christenen en Mohammedanen eendrachtig samenwonen.Op lichte sleden, op zoo mogelijk nog bodemloozer wegen, trokken wij verder, Perm en den Oeral tegemoet. De weg voert ons door Tartaarsche en Russische dorpen, bebouwde velden en groote, uitgestrekte bosschen. De Tartaarsche dorpen onderscheiden zich gunstig van de Russische, want niet alleen mist men er de voor onrein gehouden varkens, maar tevens vindt men bij elk dier dorpen een goed onderhouden, met hooge boomen beplant kerkhof; de Tartaar toch eert de rustplaats zijner dooden, de Rus ten hoogste die zijner heiligen. De bosschen ofschoon planmatig ingedeeld, zijn oerwouden, die groeien en gedijen, verouderen en afsterven zonder toedoen des menschen; zij liggen te ver verwijderd van bevaarbare rivieren om er een winstgevend gebruik van te maken.Twee groote rivieren, de Wietka en Kama kruisen dezen weg. De eerste ligt nog gekneld in den winterboei, ofschoon de lentewind reeds aanvangt het ijsdek te verbreken. Het water overstroomt de oevers, zoodat de paarden der vrachtvaarders,—welke lieden geen gebruik van de op zulke plaatsen aangebrachte noodbruggen willen maken—genoodzaakt zijn al zwemmende de achter hen drijvende slede, evenals een bootje door het water te trekken.Reeds vóór wij Perm bereikten moesten wij de slede met een reiswagen verwisselen, en in dezen rollen wij het Oeralgebergte, de grens van Europa en Azië tegen. De weg loopt over langgerekte, zacht glooiende, doch steeds hooger wordende heuvelrijen. Het beeld des landschaps verandert. Een fraai, ofschoon nog geenszins grootsch bergland strekt zich voor onzen blik uit. Kleine boschjes, omgeven van akkers en weiden, herinneren aan de voorgebergten der Stiermarksche Alpen. De meeste bosschen zijn arm en nietig, eenigszins te vergelijken bij die der Mark, enkele rijker en levendiger, zelfs over groote uitgestrektheden dicht. Ginds waren zij uit lage dennen en berken gevormd, hier bestaan zij uit beide boomsoorten met daartusschen groeiende linden, esschen en populieren, boven wier ronde kronen de cypresvormige toppen der heerlijke Pichta’s of Siberische dennen als kandelabers uitsteken.[331]De dorpen zijn gemeenlijk grooter, de huizen deftiger dan die, welke wij achter den rug hebben, maar de wegen zijn boven alle beschrijving slecht. Loodzwaar slepen duizenden vrachtwagens zich op of liever in het modderige spoor voort, en zoo ook wij, tot eindelijk na eene reis van drie dagen de waterscheiding van de beide groote stroomgebieden, van dat der Wolga en Ob is bereikt, en wij door een gedenksteen, op welks westkant het woord Europa, op welks oostkant het woord Azië is gebeiteld, er aan herinnerd worden dat wij de grenzen van het werelddeel onzer geboorte zijn overgetrokken. Onder het klinken der glazen gedenken wij onze verre geliefden.Het vriendelijke Jekaterinenburg met zijn goudsmelterijen en steenslijperijen mag ons, in weêrwil van de gastvrijheid zijner bewoners, niet lang ophouden, want steeds breeder slaat de lente haar wieken uit, en met elken dag wordt het ijsdek, dat nog tot het ver afgelegen Omsk ons voor brug moet dienen, losser en weeker. Rusteloos snellen wij door de velden van het Aziatisch gedeelte van het gouvernement Perm, totdat wij zijn grenzen en daarmede ook West-Siberië hebben bereikt.Hier, in het eerste posthuis, wacht de distriktscommissaris van Tjumen ons op, om ons in naam van den stadhouder te begroeten en door zijn distrikt te geleiden; in de hoofdstad vinden wij het huis van een vermogend man voor onze komst in gereedheid gebracht. Wij zullen van nu af aan ervaren, wat Russische gastvrijheid beteekent. Nog altijd had men ons overal gastvrij ontvangen en onthaald; van nu af aan beijveren zich de hoogst geplaatste ambtenaren van distrikten en provinciën om ons eer te bewijzen en van dienst te zijn, terwijl de aanzienlijkste huizen tot onze beschikking staan. Als vorsten worden wij behandeld, enkel en alleen omdat wij een wetenschappelijk doel voor oogen hebben. Hoe dankbaar wij zulks ook erkennen, het ontbreekt ons aan woorden om ons dankgevoel te uiten.Aan gene zijde van dat Tjumen, alwaar wij drie dagen vertoefden, om de gevangenissen der ballingen, de lederfabrieken en andere bezienswaardigheden der eerste Siberische stad in oogenschouw te nemen, zagen wij ook hoe de boeren zich zelfs tot heer en meester weten te maken van de rivieren. De naderende lente had ook het ijs der Pyschma losgemaakt en de ijsschollen begonnen zich in beweging te zetten; wij moesten evenwel nog eerst den stroom oversteken. De bevolking van het dorp Romanoffskoy stond blootshoofds voor de[332]Pyschma op ons te wachten; en op ons wachtende moest ook deze rivier geduld oefenen met het verbreken harer kristallen ketenen. Met niet minder bekwaamheid als onverschrokkenheid had men eene noodbrug over den reeds gedeeltelijk van ijs bevrijden stroom geslagen; eene groote boot diende daarbij als middelste grondbalk en de ijsschollen, die dreigden te gaan kruien, werden boven en naast deze brug met sterke touwen vastgebonden. Gedienstige handen onttuigden het vijfspan, dat wij heden voor onze reis noodig zouden hebben, sloegen de handen aan de assen en spaken, en brachten den eenen wagen na den anderen over de waggelende, op en neêr golvende, krakende brug. Deze had haar plicht gedaan; aan den anderen kant ging het lustig verder door water en sneeuw, slijk en modder, over paaldammen en ijs.Minder gewillig betoonde zich de Tobol, die wij op Goeden Vrijdag den 14 April, den eersten eigenlijken voorjaarsdag, over wilden trekken. Ook hier had men alle mogelijke voorzorgen voor den overtocht getroffen, zelfs een onzer wagens reeds afgespannen en op het ijsdek gerold, toen dit krakend spleet, zoodat men hem ijlings terug moest trekken. Vroolijk hadden de belletjes geklonken toen wijJalutoroffskverlieten, met hun treurig gelui vergezelden zij ons toen wij naar deze stad terugkeerden, en eerst op Paschen vermochten wij de rivier met behulp eener pont over te gaan.Zoo ging het verder; voor en achter ons wierpen de stroomen het ijskleed af; alleen de gevreesde Irtysch lag nog bevroren voor ons en zoo bereikten wij, na eene reis van ruim vier weken, zonder verdere ongevallen, Omsk, de hoofdstad van West-Siberië.Nadat wij in Omsk hadden gezien wat er te zien valt, de straten en huizen, de kadettenschool, het museum, het hospitaal, de gevangenis voor soldaten en zoo meer, reden wij over den weg, die zich langs den rechteroever der Irtysch uitstrekt en die de dorpen der zoogenaamde Kozakkenlinie verbindt, verder tot naar Semipalatinsk.Reeds tusschen Jalutoroffsk en Omsk waren wij door eene steppe gereden, n.l. door die van Ischim; thans waren wij van alle zijden door de steppe omringd en elken nacht werd de hemel rood gekleurd door het in den brand gestoken oude steppengras en steppenkruid. Met het noordwaarts trekkend ijs van de Irtysch trokken scharen van trekvogels in gelijke richting mede; de steppenmeren waren opgevuld met watervogels; verschillende soorten vanleeuwerikenvlogen in dichte troepen heen en weder; de sierlijke steppenvalken hadden reeds hun[333]zomerverblijven weder betrokken, de lente had werkelijk haar intocht gehouden.Te Semipalatinsk hadden wij het geluk in den Gouverneur-Generaal von Poltoratski, een warm vriend en bewonderaar van onze plannen, in zijne echtgenoote de vriendelijkste gastvrouw ter wereld te vinden. Niet tevreden met in Semipalatinsk ons zoo goed ontvangen te hebben, besloot de generaal ons op de meest geschikte wijze met de voornaamste bevolking zijns gebieds, de Kirgiezen, bekend te maken; hij had te dien einde maatregelen getroffen voor eene groote jacht oparcharen, een soort van wilde schapen, die in grootte onze tamme schapen om het dubbele te boven gaan.Den 3 Mei braken wij voor dit doel op, trokken over de Irtysch en reden over den postweg naar Taschkent de steppe der Kirgiezen in. Na een tocht van zestien uren hadden wij het jachtgebied, een klippig steppengebergte bereikt; al spoedig stonden wij voor het te onzer eere opgerichte Joertenleger of „Aul”, vriendelijk begroet door de ons gisteren vooruitgereisde gemalin des generaals, en eveneens hartelijk verwelkomd door een twintigtal Kirgiezische sultanen, door de hoofden der gemeente en derzelver talrijk gevolg.Het ging de drie volgende dagen lustig toe in de Arkatsche bergen. Voor de steeds naar feesten hakende Kirgiezen waren schoone dagen aangebroken, maar voor ons niet minder. Het dal en de bergen weêrklonken onder den hoefslag der tachtig en meer ruiters, die op de beide volgende dagen ter jacht uittrokken; de zon, zoo vaak zij zich vertoonde, schitterde op de bonte, vreemdsoortige gewaden, die tot op dat oogenblik onder de pelzen waren verborgen gebleven; een levendig gewemel vulde berg en dalkloof. Met hun beste renpaarden en uitstekendste telgangers, afgerichte steenarenden, windhonden en kameelen, met citherspelers en improvisatoren, kamprijders en soortgelijke helden waren zij verschenen, de eens zoo gevreesde Kirgiezen, wier naam niets anders dan roover beteekent, heden echter de gewilligste, getrouwste en meest tevreden onderdanen des Russischen Rijks. In groepjes zaten zij bijeen, afzonderlijk en in troepen draafden zij heen en weêr, en galoppeerden lustig met de vlugge paarden; met de levendigste belangstelling volgden zij de wedrennen, aanschouwden vol geestdrift het paardrijden der jeugdige knapen en bestuurden met overleg de jacht; vol verrukking luisterden zij naar het lied van den improvisator, die de jacht bezong. Reeds vóór onze komst had een der[334]Kirgiezen een archar gedood; het geluk bracht mij een tweede dier voor mijn zeker schot. Dit laatste voorval deed de geestdrift des dichters ontvonken. Zijn verzen waren wel is waar niet bijzonder rijk van inhoud of diep gedacht, maar toch zoo eigenaardig, dat ik ze opschreef, om eene eerste proeve van Kirgiezische dichtkunst te verzamelen. Terwijl de man zong, vertaalde de tolk zijn lied in het Russisch, de Generaal deed zulks in het Duitsch, en toen de zanger ophield, had ook ik zijn woorden haastig op het papier gebracht.„Spreek, spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij stom zijn.Spreek, spreek, roode tong, mij door God gegeven; na den dood zult gij zwijgen. Woorden, gelijk thans aan u ontvloeien, zullen na den dood u niet verlaten. Lieden, groot als de bergen, zie ik voor mij; hun wil ik waarheid verkondigen. Bergen, rotsen meen ik voor mij te zien; met het renpaard mag ik hen vergelijken. Zij zijn grooter dan schepen, grooter dan de stoombooten, die de Irtysch bevaren.In U o Gebieder in den naam des Keizers, zie ik den hoogsten; met een berg mag ik u vergelijken en met het prachtig renpaard, dat statig daarhenen draaft. Een moeder was het die mij ter wereld bracht; mijne tong evenwel is mij van God gegeven.Wanneer ik thans niet mijne stem tot U verhief, tot wien zou ik dan spreken? Volle vrijheid heb ik tot spreken, even alsof ik tot mijn volk sprak.Het geluk zij met U, o Heer, en heil en zegen met Uwe gasten, waaronder hooggeplaatsten, ofschoon zij thans onder U gesteld zijn.Elke gast van den Generaal is ook de onze, en hij is zeker van onze vriendschap.God gaf mij de tong; deze moge nog meer spreken.In de bergen zagen wij jagers, schutters en drijvers, maar slechts met één hunner was het geluk.Evenals de hoogste berg zijn top boven de andere verheft, zoo steekt ook deze boven alle anderen uit; want hij schoot den archar twee kogels door het lichaam en bracht het dier naar de Joerte.Aller wensch was buit te behalen, maar slechts één der jagers zag dien wensch vervuld; dies verheugen wij ons, dies verheugt ook Gij U genadige vrouw, tot wie ik thans spreek.Het geheele volk is ten hoogste verblijd U hier te zien en te begroeten;[335]het geheele volk, vrouwen en mannen wenscht U slechts vreugde, duizend jaren leven en gezondheid.Neem met welgevallen onze hulde aan! Hebt gij rijker menschen gezien, trouwer heeft niemand U begroet en gastvrijheid geschonken.Moge God U zegenen, U, Uw huis en Uwe kinderen! Te weinig woorden heb ik om U te prijzen, maar mijne tong werd mij door God gegeven: En zij sprak, de roode tong, wat er in het hart omging.”Wij verlieten de bergen van Arkat en spoedig daarna ook het regeeringsgebied van onzen gastheer, van wien wij op het jachtveld reeds afscheid hadden genomen; wij werden in Sergiopol, de eerste stad in Turkestan, door den overste Friedrichs ontvangen, die ons in naam van den Gouverneur-Generaal dezer groote provincie begroette; onder diens geleide trokken wij verder. Kirgiezen-hoofden vormden eene eerewacht en zorgden voor trekpaarden; deze hadden als zoodanig stellig nog nimmer hunne diensten bewezen, daar zij aanvankelijk doldriftig met de wagens voortholden; Kirgiezen-sultanen bewezen ons gastvrijheid, zorgden steeds voor huisvesting en voedsel en sloegen Joerten op aan alle plaatsen, waar wij wilden rusten; Kirgiezen vingen voor onze collecties slangen en andere kruipende dieren, wierpen de netten uit in de steppenmeren en volgden ons op de jacht als trouwe honden.Zoo bereisden wij de nu in vollen lentetooi staande steppe, vertoefden jagend en verzamelend aan het Alakoelmeer „bonte zee”, trokken door bloeiende dalen en over lachende bergen naar de in den Alatan, een der verhevenste steppengebergten, gelegen kozakken-stanitza, Lepsa, zwierven door de omstreken dezer kolonie, een klein paradijs, dat overvloeit van melk en honig, beklommen de hooggebergten, verkwikten ons hier aan ruischende bergstroomen, groene Alpenmeren en heerlijke vergezichten; en terwijl wij in noordoostelijke richting verder reisden, wendden wij ons naar de Chineesche grens, om door een gedeelte van het Hemelsche Rijk langs den kortsten en gemakkelijksten weg het Altaï-gebergte te bereiken.In Bakti, de laatste Russische grenspost gewerd ons de tijding, dat Zijne Onuitsprekelijkheid, de Dschandsoen Djoen, Opper-Stadhouder der provincie Tarabagatai, ons ook vanwege China wilde begroeten, en ons ten maaltijd had genoodigd. Om dien wensch van den hoogen mandarijn te vervullen, reden wij den 21 Mei naar de hoofdstad van gezegde provincie, Tschoekoetschak of Tschautschak.[336]De ruiterstoet, die zich over de in het zonnelicht stralende steppe bewoog, was talrijker en prachtiger dan ooit te voren. Deels om in dit door oproeren geteisterde land veilig te reizen, deels om voor Zijne Heerlijkheid waardig, om niet te zeggen met staatsie en pracht te kunnen verschijnen, hadden de ons vergezellende heeren, behalve de onder aanvoering van onzen nieuwen geleider, Majoor Tischanoff, uit Sachan gezonden dertig Kozakken en onze oude vrienden, de Kirgiezen, nog een halve sotnie Kozakken uit Batki opontboden, en zoo dreunde de tot nog toe eenzame steppe onder de hoefslagen van een klein leger. Onze Kirgiezen waren allen in feestkleederen gedoscht; hunne zwarte, blauwe, gele en roode, met zilveren en gouden tressen versierde kaftans wedijverden in glans en pracht met de uniformen der ons vergezellende Russische officieren. Aan de onlangs vastgestelde grens wachtte een Chineesch militair van hoogen rang ons op, om ons te verwelkomen; daarna keerde hij ons den rug toe en joeg, zoo snel zijn ros hem dragen kon naar zijn meester terug, ten einde dezen onze aankomst te melden. Onze paarden baanden zich, toen wij de stad bereikt hadden, met moeite een weg over puinhoopen, half ingevallen en half opgebouwde huizen; elders reden wij langs bloeiende tuinen, terwijl potsierlijke Mongolentronies ons tegengrijnsden en afschuwelijk leelijke vrouwen mijn schoonheidsgevoel in niet geringe mate beleedigden. De stoet verzamelde zich voor de woning des stadhouders; wij hielden voor de groote poort stil en vroegen verlof om binnen te treden.Tegenover de poort verhief zich een kunstig gebouwde muur, die in het midden een wonderlijk dierenbeeld droeg; rechts en links hiervan lagen Chineesche martelwerktuigen op den grond verstrooid. Een huisbeambte verzocht ons naar binnen te gaan, maar gaf meteen aan de Kozakken en Kirgiezen bevel daar buiten te blijven. De stadhouder ontving ons in zijn woon-, werk- en gerichtskamer met groote deftigheid. Zijn waardigheid als hoog Mandarijn niet uit het oog verliezende, karig met woorden en slechts enkele afgebroken geluiden stamelende, die telkens van een vroolijk grinnikend gelach vergezeld gingen, reikte hij ons de hand en noodigde ons uit om aan de theetafel te gaan zitten, die met allerlei kleine schoteltjes, waarin de vreemdsoortigste ontbijtgerechten, beladen was,—„en wij strekken de handen uit naar den lekker toebereiden maaltijd.” Rijst, verschillende in olie ingelegde en gedroogde vruchten, schijfjes zwijnenvleesch, zoo dun als pergament, gedroogde garnalenstaarten, alsmede eene onnoemelijke menigte onkenbare,[337]ten minste niet nader te bepalen lekkernijen en zoetigheden, maakten de spijzen uit, eene voortreffelijke thee en eene afschuwelijke foeselhoudende rijstebrandewijn van ongemeene sterkte, de dranken. Na den maaltijd, die, tengevolge van een voorzichtigheidshalve reeds vooraf ingenomen ontbijt van minder raadselachtig allooi, voor mij althans zonder nadeelige gevolgen afliep, werden waterpijpen rondgedeeld, en daarna bezichtigden wij eene menigte denkbare en ondenkbare voorwerpen zoo in dit vertrek als in eene kamer daarnaast: landschappen en afbeeldingen van dieren, door de Regeering verzonden getuigschriften, het groote, met bijzondere zorgvuldigheid in bonte zijden stoffen kunstig ingewikkelde Rijkszegel, vreemdsoortige pijlen met eene bestemming, zooals slechts een Chineesch brein daaraan kan toekennen, voorwerpen van Europeesche kunst, enz.Verschrikkelijk afgemeten en ijselijk deftig werd het onderhoud gevoerd.Onze woorden werden uit het Fransch in het Russisch, uit het Russisch in het Kirgiesch en uit het Kirgiesch in het Chineesch overgebracht, terwijl de antwoorden langs den omgekeerden weg tot ons kwamen; geen wonder dus, dat ons gesprek den toon der hoogste deftigheid aannam. Na het ontbijt verschenen er Chineesche boogschutters, om ons proeven hunner schietkunst te geven; daarna bracht ons de Dschandsoen allergenadigst, persoonlijk in zijn moestuin, om ons daaruit een en ander te laten proeven; eindelijk nam hij afscheid van ons, en nu reden wij door de straten en markten der stad, vonden in het huis van een Tartaar gastvrijheid en een heerlijken, door de tegenwoordigheid der beeldschoone, jonge, te onzer eer in het mannenvertrek geroepen vrouw, gekruiden maaltijd, om tegen zonsondergang deze, ook in de geschiedenis bekende plaats te verlaten.Tschoekoetschak is dezelfde stad, die in 1867 na eene langdurige belegering, den Doenganen, eenen Mongoolschen, maar tot den Islam bekeerden volksstam, die bestendig strijd voerde tegen de Chineesche opperheerschappij, in handen viel, en toen met man en muis werd verdelgd en tot den grond geslecht.Van de 30,000 inwoners, die Tschoekoetschak kort te voren telde, was een derde deel gevlucht; de rest evenwel, die zich veilig waande, omdat verschillende bestormingen waren afgeslagen, bleef—maar tot haar verderf. Toen de laatste bestorming gelukte, en de stad in handen der Doenganen was gevallen, hielden dezen er met dezelfde wreedheid[338]huis, als waarmede de Chineezen tegenover hen gewoed hadden. En wat aan het zwaard ontkwam verging door het vuur. Toen onze tegenwoordige begeleider, de overste Friedrichs, veertien dagen later de plaats bezocht, alwaar Tschoekoetschak gestaan had, steeg er zelfs geen rookwolk meer uit de verkoolde balken op. Wolven en honden, die zich vet hadden gemest aan de menschenlijken, slopen langzaam van daar of lieten zich zelfs in hun walgverwekkend maal niet storen, maar bleven voortknagen aan het gebeente hunner voormalige meesters; arenden, wouwen, raven en kraaien deelden met eerstgenoemden het maal. Waar men ruimte had moeten maken waren de lijken bij dozijnen en honderden op een hoop geworpen; in de overige gedeelten der stad, in de straten, tuinen en huizen lagen zij of afzonderlijk, of bij tweeën, vieren en dozijnen bij elkaar, man en vrouw, grootvaders en grootmoeders, moeder en kind, geheele huisgezinnen en gevluchte buren, het hoofd verpletterd door sabelhouwen, de aangezichten in flarden gehakt, verbrand, de ledematen door de tanden van honden en wolven afgeknaagd, lichamen zonder hoofd, andere zonder handen. Wat de krankzinnigste verbeelding aan gruwelen kan uitdrukken vond hier zijn ontzettende werkelijkheid.Tegenwoordig telt Tschoekoetschak ten hoogste duizend zielen; feitelijk staat de nieuwe, met torens gekroonde vesting onder de bescherming van het kleine Russische piket te Bakti; want dat de Doenganen nog altijd niet de wapenen hebben neêrgelegd, nog altijd niet voorgoed ten onder zijn gebracht, bleek ons uit den weinige dagen te voren begonnen tocht van een Chineesch legertje naar het dal der Emil, alwaar een inval scheen te dreigen. Onder geleide van Majoor Tichanoff en zijn dertig Kozakken trokken wij dit dal door, zonder echter een enkelen Doengaan in ’t gezicht te krijgen, en zonder dagen achtereen zelfs een mensch te ontmoeten. De Emil, van het Saurgebergte komende, stroomt tusschen de Tarabagatai en Semistau, twee, onder een scherpen hoek saamkomende ketens, verder, van beide zijden versterkt door een aantal beekjes. De Chineezen, alle wateraders benuttende, hadden door bevloeiingen het geheele dal in een vruchtbaren tuin herschapen, toen de Doenganen kwamen en dezen tuin verwoestten, om hem terug te geven aan de steppe, zijn moeder. Wel reden wij, in de nabijheid der stad, nog door kleine dorpen en stieten op een Aul der Kalmukken, daarna echter alleenlijk nog langs de puinhoopen van vroegere welvaart en vroegere menschelijke bedrijvigheid.[339]De natuur had reeds met zachte hand een sluier over de velden gespreid, maar de nog niet door storm en weder vernietigde puinhoopen der dorpen bleven ten hemel schreien. Bezoekt men deze dorpen, dan treden de begane wreedheden met ijzingwekkende duidelijkheid weder voor oogen. Tusschen de eenzame muren, welker daken verbrand en welker gevels geheel of gedeeltelijk zijn ingestort, op het vermolmende hout, waar vergiftige zwammen weelderig omhoog schieten, en te midden der scherven van Chineesch porselein, te midden van halfverkoold en daarom bewaard gebleven huisraad, stoot men overal op menschelijke overblijfsels, verslagen schedels, afgeknaagde beenderen, en geraamten van huisdieren, inzonderheid van den hond. Op de schedels ziet men nog de houwen der scherpe sabels. De menschen vielen als een offer hunner woedende vijanden en de honden deelden in het lot hunner meesters, die zij misschien nog trachtten te verdedigen; de andere huisdieren werden weggedreven en buit gemaakt, evenals alle bezittingen der overwonnenen, terwijl alleen die voorwerpen, welke voor ’t oogenblik geen waarde hadden, werden stuk geslagen en verbrand. Twee halfwilde huisdieren zijn de puinhoopen blijven bewonen, t.w. de zwaluw en de musch; de plaats der anderen werd ingenomen door de vogels der ruïnen.Wij togen ongehinderd door het verwoeste dal. Geen Doengaan liet zich zien; want achter onze dertig Kozakken stond het machtige Rusland. Toen wij weder menschen ontmoetten, bevonden wij, dat het Russische Kirgiezen waren, die hier, in China, hun kudden weidden, hun velden bebouwden en voor een hunner dooden een grafteeken oprichtten.Van uit het dal der Emil beklommen wij den Tarabagatai op een der laagste plaatsen van den kam van het gebergte, daalden toen naar de bijna effene hoogvlakte Tschilikti af, die door eerstgenoemden keten alsmede door den Saur, Manrak, Terserik, Moestau en Oerkaschar wordt ingesloten en ongeveer 1600 meter boven den zeespiegel is gelegen. Wij staken deze vlakte dwars over, ontmoetten op dien tocht een aantal zeer groote koerganen of grafheuvels der inboorlingen, om daarna door de kronkelende dalen van het veelvuldig gespleten Manrakgebergte, het dal van Saisan en den eerst sedert vier jaren bestaanden grenspost van gelijken naam—een vriendelijk stadje,—te bereiken. Hier, dicht bij de Chineesch-Russische grens waren wij voor ’t eerst, sedert Lepsa, weêr omringd door Europeesche behagelijkheid en comfort.[340]In de gezelschappen, die wij bezochten, verkeerden wij als in St. Petersburg of Berlijn; men praatte, speelde, zong en danste in den beperkten familiekring of in een publieken tuin. Het heerlijk gezang der nachtegalen begeleidde dans en lied; men vergat waar men zich bevond.Ik benutte den tijd van ons verblijf aldaar voor eene jacht op „oelaren”, eene soort van hoenders uit het hooggebergte, van den vorm van patrijzen, maar ter grootte van auerhoenders, en leerde daarbij niet alleen de woestheid van het Manrakgebergte, maar tevens ook het herdersleven der arme Kirgiezen van eene nieuwe zijde kennen, zoodat ik hoogst voldaan van mijn succesvol uitstapje terugkeerde.In den namiddag van den 31 Mei beklommen wij wederom onzen reiswagen en rolden naar de zwarte Irtysch, om gebruik te maken van een rendez-vous, ons in het Altaï-gebergte aangeboden door Generaal Poltoratski. Door een rijk steppenland, over pikzwarten grond, later door droge hoogsteppen, ging de snelle vaart, tot wij de rivier bereikten, wier hooggezwollen golven ons den volgenden dag naar het Saisanmeer brachten. Hoe vervelend ons tot nog toe alle rivieren en stroomen van Siberië ook waren voorgekomen, de zwarte Irtysch was zulks niet; heerlijke vergezichten op twee reusachtige hooggebergten, den Saur en Altaï en de hiermede samenhangende ketens, verrukten ons oog; een frissche, groene oever, waaruit ons een vroolijk vogelengezang, een opgewekt vogelenleven tegenklonk en tegenblikte, streelde ons. Het fluks uitgeworpen net bracht een grooten voorraad van visschen uit de diepte te voorschijn, en bewees ons dat de stroom niet alleen schoon is, maar tevens schatten verbergt. Nadat wij den 2 Juni het vlakke, troebele, zeer vischrijke, maar slechts door zijn vergezichten schoone meer waren overgevaren, trokken wij op den daaraanvolgenden dag door het meest woeste gedeelte der steppe, dat wij tot nog toe hadden gezien, maar leerden juist hier de drie merkwaardigste dieren der steppe kennen, t.w. den koelan, een wild paard, de steppenantilope en het steppenhoen. Onze Kirgiezen vingen van het eerstgenoemde een veulen, terwijl tevens een steppenhoen werd geschoten. Tegen den avond hielden wij halt in de Altaïsche voorgebergten, daags daarna ontmoetten wij op de afgesproken plaats onze vroegere gastheeren en reden nu onder hun geleide verder.Het was een heerlijke reis, in weêrwil van storm, sneeuw en regen, waardoor de vriendelijke Joerte, die mede reisde, veel van hare behagelijkheid[341]verloor, niettegenstaande de bergstroomen aan onze paarden den doortocht versperden, en steil afhangende rotsen ons op paden brachten, die in Europa wel door de gemzenjagers, niet door ruiters worden betreden. Een Russisch Gouverneur reist geenszins gelijk gewone stervelingen, het allerminst wanneer hij door onbewoonde streken trekt. Alle districtshoofden vergezellen hem, alsmede de onder dezen staande ambtsmannen, de oudsten der gemeente, de gemeentesecretaris, de voornaamste lieden van de geheele streek, die hij bereist, een troep Kozakken met hun officieren tot den overste toe, zijn eigene bedienden en die van het geleide. En wanneer het land, gelijk thans het geval was, gedeeltelijk vreemd is, en er vergaderingen moeten gehouden worden met Kirgiezische gemeenten, dan wordt het gevolg tot in het oneindige vermeerderd. Dan moeten niet alleen Joerten en tenten medegebracht worden, gelijk steeds bij steppenreizen het geval is, maar zelfs heele schaapskudden worden vooruitgezonden om de honderden menschen in deze wildernis te voeden. Sedert wij het Saisanmeer hadden verlaten, bevonden wij ons weder in het Chineesche Rijk, en eene reeks van dagen hadden wij te reizen, alvorens te durven hopen, in de thans alleen in de diepere dalen bewoonde deelen van het gebergte wederom menschen aan te treffen.Meer dan tweehonderd personen reisden aanvankelijk mede, meest Kirgiezen, die opgeroepen waren om een keizerlijk bevel, betrekkelijk de opheffing van hun recht om in het keizerlijk domein Altaï te weiden, in ontvangst te nemen, en uit dien hoofde met elkander in overeenkomst te treden omtrent hunne daarmede in verband staande te wijzigen verhuizingen; maar ook nadat die beraadslagingen ten einde waren, telde ons reisgezelschap nog over de honderd paarden en zestig ruiters. In den vroegen morgen werden ons de Joerten boven het hoofd afgebroken en vooruitgezonden; dan volgden wij in grootere en kleinere gezelschappen, langzaam voortrijdende, tot ook de dames, de vriendelijke gemalin des Generaals en hare schoone dochter ons weêr hadden ingehaald; wij namen het ontbijt op eene geschikte plaats, lieten de laatste pakpaarden voorbijtrekken, volgden, haalden ze weder in, kwamen meest gelijktijdig met de schapen, wier aantal dagelijks verminderde, op de halteplaats aan, en hadden zoo elken avond gelegenheid het oog te laten weiden over het schilderachtig tooneel eener legerplaats. Heerlijke, frissche, groene, met voorjaarsgeuren doortrokken dalen namen ons op; hooge, steile, grootendeels nog met sneeuw[342]bedekte bergen schonken de schoonste vergezichten over het hooggebergte, en in de doorgetrokken steppe tot op den Saur en Tarabagatai, totdat wij eindelijk het Markakoel, dien parel der Altaïmeren, voor ons zagen liggen en daarmede het hooggebergte zelf waren ingetrokken. Drie dagen lang reisden wij onder slecht weder, opgehouden door een Chineesch gezantschap, langs den oever des meers, reden toen door werkelijk dichte wouden, over moeilijk te beklimmen passen, bergop, bergaf, naar de Russische grens en op halsbrekende wegen het bloeiende dal der Buchtarma door, om in de nieuw gegrondveste Kozakkenkolonie Altaiskaja-Stanitza nogmaals van de Russische gastvrijheid en comfort te genieten, te rusten en uit te rusten.Door de officieren der Stanitza vereerd met allerlei geschenken, voortbrengselen der streek, zetten wij op den 12 Juni de reis voort. Helder en vriendelijk lachte de zon ons tegen van den blauwen hemel en keek zij neder op het grootsche, heden voor ’t eerst niet benevelde landschap. Onafzienbare, parkachtige dalen, omlijst door steil opeengestapelde, met sneeuw bedekte, heden met de schitterendste kleuren overgoten hooggebergten, heerlijke boomen op de weilanden, bloeiende boschjes op de hellingen, duizendvoud verschillende, boven alle beschrijving schoone, als in ’t lang ontbeerde zonnelicht herlevende bloemen, frisch bloeiende heideroosjes in alle schakeeringen van kleur, het geroep van den koekoek en ’t gejubel der vogelen, Kirgiezen Auls in de breede dalen aan den voet der bergen, en Russische, in groen verscholen dorpen, grazende kudden, vruchtbare akkers, ruischende beekjes, getande rotsen, de zachte lucht en specerijachtige voorjaarsgeuren,—dit alles omstrikte de zinnen gedurende den ganschen tocht. Weldra trokken wij over de grenzen van het keizerlijk domein Altaï—een kroongoed, zoo groot bijkans als geheel Frankrijk! Een dag later en wij bereikten het bergstadje Serianoffsk met haar zilvermijnen. Nadat wij ook hier, gelijk overal elders, vriendelijk waren ontvangen, alle werken hadden bezichtigd, sloegen wij wederom de richting in naar de Irtysch, lieten ons op hare, tusschen hooge, schilderachtige rotsen snel voortijlende wateren, voorbij Buchtarminsk naar Ustkamenogorsk drijven en togen van hier uit weder per wagen door het veelbelovend domein des Keizers.KEIZERADELAAR, MURMELDIER EN WEZEL.KEIZERADELAAR, MURMELDIER EN WEZEL.Steppenachtige vlakten palen aan de liefelijke dreven van het voorgebergte; uitgestrekte wouden wisselen met het bewoonde land af. Groote, rijke dorpen, kostbare, vruchtbare, in gitzwarte aarde aangelegde akkers, goed gebouwde, zich van hunne welvaart bewuste mannen,[343]schoone, schilderachtig gekleede vrouwen, kinderlijk nieuwsgierige en kinderlijk gezinde menschen, voortreffelijke, krachtige paarden, goed gebouwde runderen, die in groote, weldoorvoede kudden de dorpen omgeven, enorme wagenkaravanen, die op goede wegen erts en kolen vervoeren, marmotten op de berghellingen, ziesels in de vlakten, keizerarenden op de grenspalen aan de wegen, bekoorlijke dwergmeeuwen aan de wateren, dorpen en gehuchten verlevendigen al te zamen het landschap, dat onze weg doorsnijdt. Als vliegend doortrokken wij het land, als in de vlucht bezochten wij het zeer naar waarheid zoo genoemde stadje van smelthutten „Slangenberg”; een korte rust slechts veroorloofden wij ons in de hoofdplaats Barnaul. Daarna ging het[344]verder naar het bergstedeke Salair en toen naar de groote gouvernementsstad Tomsk.Reeds voor Barnaul hadden wij de Ob bereikt en te Barnaul zelf waren wij deze rivier overgestoken, terwijl wij ons te Tomsk inscheepten om haar te bevaren. Zes en twintig honderd werst, d.i. bijna vierhonderd geographische mijlen voeren wij, na door de Tom er in gekomen te zijn, dezen stroom af, die een grooter gebied beheerscht dan alle stroomen van West-Europa te zamen,—en zoo naderden wij meer en meer het noorden. Vier etmalen lang stoomden wij in de richting naar de IJszee, met eene, bij den gezwollen stand der rivier dubbel zoo snelle vaart als zulks stroomopwaarts zou kunnen geschieden; elf volle dagen en nachten hadden wij noodig om het stuk, begrepen tusschen de inmonding der Irtysch en de uitmonding der Schtschoetschja af te leggen, ofschoon wij in Samarowo en Bereosoff slechts enkele uren rust namen, en ongerekend de beide dagen, die wij te Obdorsk, het laatste Russische dorp aan den stroom, doorbrachten. Boven alle beschrijving grootsch is deze stroom, hoe eenzaam en eentonig hij ook moge heeten. Door een dal van tien tot dertig kilometer breed vervolgt hij zijn loop, in ontelbare armen verdeeld, die eene menigte eilanden insluiten. Hier en daar verbreedt hij zich tot een groot meer, terwijl hij bij zijn mond een hoofdarm heeft, waarin het water gemiddeld acht en twintig meter hoog staat. Bosschen, waar bijna geen licht door kan dringen, in welker diepten nog geen inboorling ooit den voet zette, strekken zich langs zijn oevers uit; wilgenbosschen, in alle phasen van den wasdom dezer boomsoort, bedekken de telkens door den vloed afgeknaagde en weder in anderen vorm opgebouwde eilanden. Armer en armer wordt het land, armer en schraler de wouden, armoediger de dorpen, naarmate men verder stroomafwaarts komt, ofschoon de rivier zelf dichter bij haar monding te rijkelijker schenkt, wat aan het arme land onthouden werd. Reeds een weinig beneden Tomsk, iets lager dan Tobolsk, loont de aarde den veldarbeid niet meer; nog verder naar het noorden houdt ook de veeteelt op, maar ontelbare scholen van de heerlijkste visschen en een rijk jachtveld in de oerwouden langs de beide oevers schenken rijke vergoeding voor dat gemis. De visschers en jagers treden in de plaats van den landbouwer, de rendierherder in de plaats van den veeboer. Zeldzamer worden de Russische volkplantingen, talrijker de woonsteden der Ostjaken, en eindelijk zijn het slechts de verplaatsbare,[345]kegelvormige hutten uit berkenbast, hier „Tschoem” genoemd en enkele daartusschen verspreide, vreeselijk armoedige blokhuizen, de tijdelijke woningen der Russische visschers, die nog getuigenis afleggen van het bestaan van den mensch.Wij hadden het plan opgevat ook eene toendra of mossteppe door te reizen en daarvoor het oog geslagen op het tusschen de Ob en de Karische golf gelegen schiereiland der Samojeden, te meer daar in dit nog bijna niet door Europeanen betreden deel van den grooten en breeden boomloozen gordel der om de Pool zich legerende woestenij, ook sommige, voor den handel gewichtige vragen op te lossen waren. Wij huurden ten behoeve dezer reis in Obdorsk en iets lager stroomafwaarts verschillende personen, als Russen, Syrjenen, Ostjaken en Samojeden, en vingen den 15 Juli onzen tocht aan.Op de noordelijke hoogte van den Oeral, hier het karakter niet alleen van een werkelijk gebergte, maar zelfs van hooggebergte aannemende, ontspringen dicht bij elkander drie rivieren: de Oessa, die in de Petschora, de Bodarata, die in de Karische golf en de Schtschoetschja, die in de Ob uitmondt. Het gebied van de beide laatstgenoemde stroomen wilden wij bereizen. Hoe het land er uitzag, hoe wij het zouden hebben, of wij rendieren zouden kunnen krijgen of den weg te voet zouden moeten afleggen, niemand wist ons zulks te zeggen.Tot aan den mond der Schtschoetschja reisden wij nog op de gewone wijze, bij elke kolonie van Ostjaken onze gehuurde roeiers betalende, om nieuwe aan te werven; op de Schtschoetschja zelf traden onze eigen lieden in dienst. Acht dagen lang voeren wij langzaam den stroom op, ieder zijner vele windingen getrouw volgende, altijd door de ijselijk eentonige, ja doodelijk vervelende toendra, nu eens den Oeral naderende, dan weder ons van dit gebergte verwijderende. Gedurende acht dagen zagen wij geen enkelen sterveling, alleen diens sporen, zijn op sleden gepakte winterbehoeften en zijn graven. Niet te doorwaden moerassen aan beide zijden der rivier beletten ons elk uitstapje, milliarden op bloed beluste muggen kwelden ons zonder ophouden. Op den zevenden dag zagen wij een hond—eene ware gebeurtenis, zoowel voor ons zelf als voor onze manschappen; op den achtsten dag stieten wij op eene bewoonde Tschoem en daarin op den eenigen mensch, die ons eenige inlichtingen aangaande het voor ons liggende land kon geven. Wij namen dezen als gids mede en vingen met hem drie dagen later een tocht aan, die even moeilijk als gevaarlijk zou worden.[346]Negen volle dagreizen van ons verwijderd, op de weide Saddabei in den Oeral, zouden zich rendieren bevinden; aan de Schtschoetschja was op dit tijdstip geen enkel op te jagen. Wij moesten dus wel onzen tocht te voet aanvangen en alle bezwaren op ons nemen aan zulk een tocht door een ongebaand, met muggen gevuld, den mensch vijandig, niet het minste voedsel opleverend, en wat het ergste was, ons ten eenenmale onbekend gebied, verbonden.Omzichtig, niet dan na lange beraadslagingen met de inboorlingen, maakten wij onze toebereidselen; met zorg werd de mede te voeren last, die ieder op zijn rug zou laden, afgewogen; dreigend toch stond het hongerspook voor ons. Wij wisten, wel is waar, dat alleen de trekkende herder, en geenszins de jager in staat is zijn leven in de toendra te onderhouden; bij ervaring kenden wij alle moeite, die de ongebaande wegen, de kwellingen, die de scharen muggen bereidden, de ongestadigheid des weders, de onherbergzaamheid der toendra in ’t algemeen, en namen met het oog hierop onze maatregelen en voorzorgen: maar te voorzien en te voorkomen, wat wij niet kenden, niet konden vermoeden, en ons toch trof, zulks was onmogelijk. Terugkeeren wilden wij niet, maar hadden wij alles vooruitgezien, wij zouden zulks zeker gedaan hebben.In korte pelzen gehuld, zwaar beladen, behalve den door de niet lichte schietbenoodigdheden bezwaarde rugtasch nog geweer en een reiszak over den schouder dragend, braken wij den 29 Juli op, onze boot onder de hoede van twee mannen achterlatende. Vermoeid, zuchtende onder den zwaren last, dag en nacht zonder ophouden gekweld door de muggen, liepen wij door de toendra, telkens na een uur, een half uur, eindelijk na elke duizend schreden rust vragende en wegens de muggen deze niet kunnende vinden.Wij klommen over heuvels, trokken door evenveel dalen, en staken een bijna even groot aantal moerassen en drassige velden over; honderden meren zonder naam togen wij voorbij, kreken en riviertjes moesten wij doortrekken.Onvriendelijker wel kon de toendra ons niet ontvangen. De wind zweepte ons een fijnen regen in ’t aangezicht; in doorweekte pelzen legden wij ons op een doorweekten grond neder, zonder dak boven ons hoofd, zonder een koesterend vuur naast ons, en nog altijd gekweld door de muggen. Doch de zon droogde onze kleeren weder op en schonk nieuwen moed en nieuwe krachten; wij gingen voorwaarts.[347]Een vroolijk bericht versterkt meer dan zon en slaap; onze mannen ontdekten twee „Tschoems”, en door middel van onze kijkers onderscheidden wij duidelijk de daaromheen gelegerde rendieren. Tot in ons binnenste gelukkig zien wij ons reeds in de verbeelding uitgestrekt in het eenige, hier mogelijke voertuig, de slede, en het voor deze slede gespannen rendier. Wij bereiken de Tschoem en de rendieren; een afgrijselijk gezicht treft ons oog. Onder de weidende kudde woedt het miltvuur, de vreeselijkste, ook voor den mensch zoo gevaarlijke aller veeziekten, de onverbiddelijke, zonder genade en keus vernietigende engel des doods, tegenover wiens woeden de mensch als machteloos staat, die hier te lande de volken doet verarmen en onder de menschen even goed door niets te redden slachtoffers maakt als onder de dieren.Zes en zeventig doode rendieren telde ik in de onmiddellijke omgeving van de Tschoem; werwaarts het oog schouwde ontmoette het lijken, gevallen, in doodstrijd verkeerende herten, wijfjes en kalveren. Andere komen met den dood in het hart op de reeds voor de afreis gereed staande slede aanloopen, als zochten zij bij den mensch hulp in hun lijden; zij zijn niet van hier te verdrijven, blijven met holle oogen en over elkaar geslagen voorpooten een paar minuten staan, waggelen heen en weder, steunen en vallen neêr; een witte, schuimende slijm vloeit uit mond en neus—nog enkele stuiptrekkingen en een lijk meer ligt ter aarde. Zoogende moeders scheiden zich met haar kalveren van de kudde; de moeders sterven onder dezelfde verschijnselen, de kalveren aanschouwen met verbazing de zich zoo vreemd aanstellende moeders, of gaan onbezorgd grazen naast het sterfbed van haar, die hen ter wereld brachten, keeren dan naar de eersten terug en vinden in plaats van de liefhebbende voedster een lijk, beruiken dit, schrikken achteruit, ijlen weg, dwalen blatend in ’t rond, beruiken nu eens het eene volwassen dier, naderen dan een ander, worden door allen verjaagd, blaten en zoeken verder, en vinden wat zij niet zochten: den dood, door een pijl uit den boog huns meesters, die althans nog iets tracht te redden, n.l. de huid. De dood woedt met gelijke verschrikking onder de oude zoowel als onder de jonge rendieren; de sterkste en schoonste herten vallen even goed in handen van den worger als de eenjarigen van beiderlei kunne.Tusschen de stervende en gestorven dieren wandelen en roeren zich de menschen, de bezitter der kudde Schoengei en zijne aanhoorigen en knechten, om in radeloozen ijver te redden, wat nog te redden is.[348]Ofschoon zij niet onbekend zijn met het vreeselijk gevaar, dat zij loopen, wanneer slechts een enkel bloeddroppeltje, een enkel stofje van het schuim zich met hun eigen bloed vermengt, ofschoon genoegzaam vertrouwd met het feit, dat reeds honderden van hun volk een offer zijn geworden van de pijnlijke, akelige ziekte, arbeiden zij toch met alle kracht om het vergiftigde dier de huid af te trekken. Een slag met den bijl maakt een eind aan het leven der stervende herten, een pijlschot aan dat der kalveren, en eenige minuten later ligt de huid, die nog weken lang eene bron van besmetting blijft, bij de anderen, doopen de bloederige handen het van de kalveren afgenomen vleesch in het bloed, dat de borstholte van het gedoode dier vult om het rauw te verslinden. Beulsknechten gelijken de mannen, afschuwelijke heksen de vrouwen, in aas woelende, van bloed druipende, met bloed bevlekte hyena’s gelijken beiden; zij letten niet op het zwaard, dat niet aan een paardenhaar, maar aan een spinrag boven hun hoofd is opgehangen, en zoo woelen zij steeds voort, geholpen door de kinderen, door half volwassen knapen en van bloed druipende, nauwelijks gespeende meisjes.De Tschoems werden afgebroken en op een nabijzijnden heuvel weder opgeslagen; de ongelukkige kudde, die, twee duizend stuks sterk, uit het Oeralgebergte was opgebroken, en tot op tweehonderd ingekrompen was, die den geheelen weg van daar tot hier door doode dieren had gekenteekend, verzamelt zich opnieuw om de Tschoem; op den anderen morgen liggen er echter weder opnieuw veertig lijken in de nabijheid der rustplaats.Wij kenden het gevaar, aan hetwelk ook de mensch door aan miltvuur lijdende dieren is blootgesteld, doch wij kenden het nog niet in zijn geheelen omvang. Daarom kochten wij eenige, oogenschijnlijk gezonde rendieren, bespanden daarmede drie sleden, belaadden deze met onze goederen, en trokken, verlicht en ontlast daarnaast loopende, verder. Rendierenvleesch te eten, zooals wij gehoopt en waarop wij gerekend hadden, zulks verbood de vreeselijke ziekte; met te meer zorg en angst speurden wij daarom in ’t rond naar een of ander klein wild, ’t zij een moerashoen, eene wulp, eene goudplevier, of eene eend. Om onzen geringen voorraad zoo lang mogelijk te sparen, hurkten wij, in geval de geringste aller Diana dienende nymphen ons goedgunstig was geweest, om het moeilijk te voeden vuur, ten einde ieder persoonlijk zoo goed mogelijk een onbeduidend wild aan het spit te braden. Ons werkelijk verzadigen ging niet meer.[349]Wij bereikten, nadat wij den door Schoengei getrokken doodenweg dwars waren overgestoken, het eerste doel, de Bodarata; wij hadden het onuitsprekelijk geluk nog eenmaal Tschoems aan te treffen, nog eenmaal rendieren te ontmoeten; wij trokken met de hulp dezer dieren naar de zee, en moesten terugkeeren zonder den voet op het strand gezet te hebben. Voor ons strekte zich een onbegaanbaar moeras uit en bovendien een onafzienbare hoop rendierlijken; wij bevonden ons nog eenmaal op den weg, langs welken Schoengei huiswaarts gevlucht was, en onze nieuwe kennis, de herder Sanda, waagde het niet dien weg te kruisen.Want ook onder zijne kudde maaide de dood; ook in zijn huis, en in nog meerdere mate in dat van zijn buurman had het verderf zijn intocht gehouden. De man, die tot nog toe met hem had gereisd en geweid, had gegeten van een aan miltvuur lijdend rendier, dat hij kort voor den dood nog spoedig had geslacht, en hij had die zonde met zijn eigen leven en dat zijner familieleden moeten boeten. Driemalen had de herder Sanda zijn Tschoem verplaatst en driemalen een graf tusschen de lijken der gevallen rendieren gegraven. Eerst stierven twee kinderen, daarna stierf de knecht van den lichtzinnigen man en op den derden dag overleed hij zelf. Een ander kind lag nog ziek en kermde van pijn, toen wij de reis naar zee aanvingen; toen wij tot de Tschoem terug waren gekeerd kermde het niet meer, want een vierde graf had het kinderlijk opgenomen. En ook dit zou niet het laatste zijn.Een onzer manschappen, de Ostjak „Hadt”, een gewillig, altijd vroolijk, ons lief geworden man, klaagde en wrong zich sedert eergisteren onder steeds toenemende pijnen; hij klaagde voornamelijk over een steeds sterker wordend gevoel van koude. Wij hadden hem op een rendierslede gelegd, toen wij op den terugweg waren naar de Tschoem des herders; wij vervoerden hem op dezelfde wijze toen de hut ten vijfdemale werd verplaatst. Onder en tusschen ons lag hij weeklagend en bevend bij het vuur. Van tijd tot tijd hief hij zich op, ontblootte zijn lichaam om dit door het vuur te koesteren. Eveneens bracht hij zijn verkleumde voeten bij het vuur, zonder er op te letten, dat hem de voetzolen verbrandden. Eindelijk sliepen wij in, misschien ook hij; toen wij echter den volgenden morgen ontwaakten, was zijne plaats ledig. Buiten evenwel, voor de Tschoem, tegen eene slede geleund, het gezicht naar de zon gekeerd, welker stralen hij had opgezocht, zat hij rustig en stil, zonder te steunen, zonder te klagen. „Hadt” was dood.[350]Wij begroeven hem eenige uren later naar zede en gebruik zijns volks. Hij was een eerlijk „heiden” geweest en moest dus insgelijks op heidensche wijze begraven worden. Onze „rechtzinnige” begeleiders weigerden zulks te doen; onze „heidensche” metgezellen verrichtten daarom dat, wel is waar niet christelijk, maar toch den mensch waardig werk met onze hulp. In het vijfde graf lag het zesde offer.Zou dit graf het laatste zijn? Onwillekeurig vroeg ik mij zulks af, want het werd ons in dit gezelschap des doods al te akelig. Tot ons geluk was Hadts graf het laatste op dezen weg.Ernstig, zeer ernstig gestemd, bedreigd door het steeds sterker gevoelde gebrek trokken wij verder, wederom in de richting der Schtschoetschja. Sanda voedde op schrale wijze onze manschappen, ons jachtbedrijf onderhield even armoedig ons zelf. Toen het ons gelukte op zekeren voormiddag een geheele familie ganzen buit te maken, bovendien nog hoenders, snippen en plevieren te schieten, vierden wij feest; nu toch konden we eten zonder karig te zijn. Het was echter hoofdzakelijk te danken aan onzen waard, dat wij het er goed af brachten.De Schtschoetschja werd bereikt, wij kwamen, bijna van alles ontbloot, terug bij onze boot, en sedert veertien dagen baadden wij ons voor de eerste maal weder in een wel is waar zeer beperkt, maar voor ons toch onuitsprekelijk genot. Van de toendra namen wij voor altijd afscheid.Een Schaman, wel is waar, dien wij verder de Ob op met visschen bezig vonden, en wien wij verzochten ons een bewijs te geven van zijn kunst en wijsheid, kondigde ons—na door middel van het dof geluid zijner tromJAMAUL, den met hem bevrienden bode der goden te hebben opgeroepen—als eene boodschap des hemels aan, dat wij reeds in het volgende jaar naar het onherbergzame, zooeven door ons verlaten land weder terug zouden keeren, maar dat wij ons alsdan derwaarts zouden wenden, alwaar de Schtschoetschja, Bodarata en Ussa haren loop beginnen. Want twee keizers zouden ons beloonen, onze „oudsten” zouden over onze geschriften tevreden zijn en ons opnieuw uitzenden. Op deze reis evenwel zou geen enkel ongeluk ons meer bejegenen. Zoo had de bode der goden, alleen voor hem verstaanbaar, gesproken.Het laatste gedeelte der voorspelling is uitgekomen. Langzaam, wel is waar, maar zonder ongevallen of stoornissen voeren wij drie en twintig dagen lang de Ob naar boven, drie dagen op een na lang wachten[351]gelukkig bereikt stoomschip de golven van de Irtysch te gemoet. Zonder ongelukken, ofschoon niet zonder hindernissen, trokken wij het Oeral-gebergte over; snel gleden wij in een uitstekende stoomboot de Kama af; langzamer droeg het schip ons de Wolga op. InNischni-Nowgorod, in Moskou, in Petersburg werden wij even vriendelijk ontvangen als de eerste maal, in het vaderland met vreugde verwelkomd. Onze „oudsten” schijnen ook met onze geschriften tevreden te zijn:—naar de Toendra keeren wij, keer ik ten minste nimmer weder terug.[352]

Wij hadden de van menschen wemelende straten van St. Petersburg, de in de zon stralende gouden koepels van Moskow achter den rug, en de torens van Nischni-Nowgorod aan den anderen oever der Oka lagen voor ons. Met een dankbaar gevoel hadden wij afscheid genomen van de beide hoofdsteden van Rusland. Wij waren te Berlijn door Z. M. onzen roemruchtigen Keizer in een welwillend afscheidsgehoor ontvangen geworden, de Min. van Buitenl. Zaken had ons dringend aanbevolen, de Duitsche gezant in St. Petersburg had ons vriendelijk welkom geheeten, en zoo hadden wij ons eene goede opname in Rusland voorgesteld; de uitkomst beantwoordde aan onze verwachting, ja, overtrof deze ten zeerste. Z. M. de Czar had ons audiëntie verleend, bij Grootvorsten en Grootvorstinnen van het Keizerlijk huis hadden wij onze opwachting mogen maken; de Rijkskanselier, de Ministers en andere hooge staatsdienaren van Rusland waren ons tegemoet gekomen met die voorkomende vriendelijkheid en opofferende welwillendheid, welke een der karaktertrekken uitmaken van alle beschaafde Russen; de beste aanbevelingen, wier waarde wij later eerst recht zouden leeren kennen, vergezelden ons.

Tot Nischni-Nowgorod hadden wij gereisd met de verkeermiddelen van den nieuwen tijd; voortaan zouden wij ervaren hoe men in het Russische rijk reist, en op welke wijze men er afstanden van duizenden kilometer of wersten aflegt—aflegt in den winter zoowel als in den zomer, des nachts zoowel als over dag, in het hevigste onweder zoowel als in den fellen zonneschijn, in den kletterenden regen of in den ijzigen sneeuwstorm zoowel als wanneer de droogte het stof doet opdwarrelen, in de slede zoowel als in den wagen. Een groote, zware, in alle voegen beklampte, om ’t omvallen te voorkomen wijdbeenige, door een kap tegen regen en sneeuw beschutte, voor 3 paarden ingerichte reisslede, voorzien van tingelende klokjes, stond voor ons.[328]

Het was op het kristallen ijskleed der Wolga, dat wij den 19 Maart de wel snel vorderende, maar toch niet onbelemmerde vaart aanvingen. Wij hadden op de reis van Duitschland naar Rusland dooiweêr gehad, de dooi had ons uit Petersburg naar Moskow verdreven, dooiweder bleef onze bestendige begeleider, als waren wij voorjaarsboden. Met water gevulde gaten, die dreigend herinnerden aan de gapende diepte daar beneden, doorweekten niet alleen slede en paarden, maar ook wijzelf werden doornat; soms werden wij genoodzaakt tot het nemen van groote omwegen, die wegens het kraken van het ijs gevaarlijker schenen, dan zij werkelijk waren, maar toch den koetsier en den postillon beiden zoo met bezorgdheid vervulden, dat wij na eene korte vaart de gladde ijsbaan verwisselden met den nog onbereden zomerweg. Deze weg, waarover niet alleen duizenden van vrachtwagens hun lasten vervoeren, maar langs welken eveneens duizenden veroordeelden naar het gevreesde Siberië trekken, is voor laatstgenoemden een weg der zuchten; hij werd zulks mede voor ons. De losse, met water gedrenkte sneeuw lag hier nog een meter hoog; rechts en links ruischten en stroomden tal van beekjes, overal waar deze slechts ruimte hadden om te stroomen en te ruischen; op beklagenswaardige wijze matten de nu voor elkander gespannen paarden zich af, om vasten voet te behouden; met sprongen trachtten zij de sporen van den voorganger te bereiken en tot aan de borst zakten zij bij iederen verkeerden sprong in de sneeuw en het ijskoude water. Daarachter schudde de slede, in alle voegen krakend, telkens als zij met een snellen ruk van de hoogte in de diepte werd geslingerd; uren lang bleef het voertuig, trots alle inspanning der paarden, in een gat steken, en weêmoedig klingelde het geschenk der raadselachtige Faldine, het wolvenverdrijvende klokje. Tevergeefs vermaande, bad, bezwoer, kraste, krijschte, schreeuwde, vloekte en zweepte de koetsier; meestal moest vreemde hulp ons uit dezen nood helpen.

De uren werden dagen van kwelling, de weg scheen steeds langer te worden. Het vergezicht schonk evenmin naar rechts als naar links eenige opbeuring, want zonder schoonheid, woest en eenzaam strekte zich het vlakke land voor ons uit; alleen de dorpen leverden eenige afwisseling op, maar alleen voor hem, die weet te zien en die wil waarnemen. De winter hield de menschen hier nog terug in hun kleine, sierlijk aangelegde, meest evenwel erg verwaarloosde blokhuizen; in pelzen gehulde knaapjes alleen liepen barrevoets door de met water gedrenkte sneeuw en den vuilen drek, terwijl de oudere jongens en[329]meisjes met behulp van stelten deze hinderpalen trachten te overwinnen; oude, wit-gebaarde bedelaars belegerden de posthuizen en herbergen, voor een schilder evenwel bedelaars om te stelen; bedelaars, die, wanneer zij, om eene aalmoes smeekende, het hoofd ontblootten, met hun eerwaardige kale kruin en den langen golvenden baard, niet minder ook door hunne vuile lichamen en armoedige, gescheurde kleeding zoo getrouw het beeld weêrkaatsten van wereldverachtende heiligen, dat ik nimmer kon nalaten hun altijd weêr iets te geven, al was het alleen maar om hen te nopen tot dankbetuiging een kruis te slaan, welke ceremonie soms tot negenmalen herhaald werd—en met zooveel uitdrukking en overtuiging geschiedde, dat een ware heilige het niet beter zou hebben kunnen verrichten.

Ook de dierenwereld liet zich in de dorpen meer zien dan op de velden, zelfs meer dan in de bosschen, die wij doortrokken. Daar buiten hield de winter het dierlijk leven nog geheel in zijn boeien geslagen; daar was alles nog stil en dood; behalve eene bonte kraai en een geelgors, liet zich daar nog geen enkele vogel zien, en in de sneeuw bespeurden wij geen spoor van eenig zoogdier; in de dorpen werden wij ten minste verwelkomd door bekoorlijke kauwen, sieraden op de daken der blokhuizen, door den raaf, bij ons te lande de schuwe bewoner van bosschen en bergen, hier de vertrouweling der dorpsbewoners, door eksters en meer andere vogels, niet gerekend de huisdieren, onder welke de vrij rondloopende zwijnen vooral onze aandacht trekken.

Na een vierdaagschen, onafgebroken tocht, zonder ons eene enkele maal door een verkwikkenden slaap gesterkt te kunnen hebben, zonder eene werkelijke rust genoten te hebben, zonder behoorlijk voedsel, aan alle leden gebroken, bereikten wij, na het zeer gebarsten ijsdek der Wolga te voet te zijn overgetrokken, Kasan, de oude hoofdstad der Tartaren, welker zestig torens ons sedert den vorigen dag reeds vriendelijk hadden toegelachen. Ik dacht een oogenblik in het Oosten te zijn verplaatst. Van de minarets en de ettelijke boven alles uitstekende, met een puntig toeloopend dak voorziene houten torens klonk mij wederom in Arabische klanken de oproeping tot het gebed, door den Islam van zijn belijders geëischt, in de ooren; te midden der met een tulband omwonden mannen zweefden zwartoogige, voor dezen zich angstig bedekkende, voor ons zich nieuwsgierig ontsluierende vrouwen langs den weg; uit vrees hare fraaie, niet waterdichte, saffraankleurige schoentjes nat te maken, volgen zij voorzichtig de droge smalle paadjes langs de huizen; in[330]de drukte van den bazar woelt jong en oud dooreen—even als in het Oosten. Alleen het groot aantal prachtige kerken, waaronder die van het klooster, genaamd: „de niet door menschenhanden gemaakte Moeder Gods van Kazan” door ligging en bouwwijze uitmunt, wilden niet recht in die Oostersche lijst passen, ofschoon hier blijkbaar Christenen en Mohammedanen eendrachtig samenwonen.

Op lichte sleden, op zoo mogelijk nog bodemloozer wegen, trokken wij verder, Perm en den Oeral tegemoet. De weg voert ons door Tartaarsche en Russische dorpen, bebouwde velden en groote, uitgestrekte bosschen. De Tartaarsche dorpen onderscheiden zich gunstig van de Russische, want niet alleen mist men er de voor onrein gehouden varkens, maar tevens vindt men bij elk dier dorpen een goed onderhouden, met hooge boomen beplant kerkhof; de Tartaar toch eert de rustplaats zijner dooden, de Rus ten hoogste die zijner heiligen. De bosschen ofschoon planmatig ingedeeld, zijn oerwouden, die groeien en gedijen, verouderen en afsterven zonder toedoen des menschen; zij liggen te ver verwijderd van bevaarbare rivieren om er een winstgevend gebruik van te maken.

Twee groote rivieren, de Wietka en Kama kruisen dezen weg. De eerste ligt nog gekneld in den winterboei, ofschoon de lentewind reeds aanvangt het ijsdek te verbreken. Het water overstroomt de oevers, zoodat de paarden der vrachtvaarders,—welke lieden geen gebruik van de op zulke plaatsen aangebrachte noodbruggen willen maken—genoodzaakt zijn al zwemmende de achter hen drijvende slede, evenals een bootje door het water te trekken.

Reeds vóór wij Perm bereikten moesten wij de slede met een reiswagen verwisselen, en in dezen rollen wij het Oeralgebergte, de grens van Europa en Azië tegen. De weg loopt over langgerekte, zacht glooiende, doch steeds hooger wordende heuvelrijen. Het beeld des landschaps verandert. Een fraai, ofschoon nog geenszins grootsch bergland strekt zich voor onzen blik uit. Kleine boschjes, omgeven van akkers en weiden, herinneren aan de voorgebergten der Stiermarksche Alpen. De meeste bosschen zijn arm en nietig, eenigszins te vergelijken bij die der Mark, enkele rijker en levendiger, zelfs over groote uitgestrektheden dicht. Ginds waren zij uit lage dennen en berken gevormd, hier bestaan zij uit beide boomsoorten met daartusschen groeiende linden, esschen en populieren, boven wier ronde kronen de cypresvormige toppen der heerlijke Pichta’s of Siberische dennen als kandelabers uitsteken.[331]De dorpen zijn gemeenlijk grooter, de huizen deftiger dan die, welke wij achter den rug hebben, maar de wegen zijn boven alle beschrijving slecht. Loodzwaar slepen duizenden vrachtwagens zich op of liever in het modderige spoor voort, en zoo ook wij, tot eindelijk na eene reis van drie dagen de waterscheiding van de beide groote stroomgebieden, van dat der Wolga en Ob is bereikt, en wij door een gedenksteen, op welks westkant het woord Europa, op welks oostkant het woord Azië is gebeiteld, er aan herinnerd worden dat wij de grenzen van het werelddeel onzer geboorte zijn overgetrokken. Onder het klinken der glazen gedenken wij onze verre geliefden.

Het vriendelijke Jekaterinenburg met zijn goudsmelterijen en steenslijperijen mag ons, in weêrwil van de gastvrijheid zijner bewoners, niet lang ophouden, want steeds breeder slaat de lente haar wieken uit, en met elken dag wordt het ijsdek, dat nog tot het ver afgelegen Omsk ons voor brug moet dienen, losser en weeker. Rusteloos snellen wij door de velden van het Aziatisch gedeelte van het gouvernement Perm, totdat wij zijn grenzen en daarmede ook West-Siberië hebben bereikt.

Hier, in het eerste posthuis, wacht de distriktscommissaris van Tjumen ons op, om ons in naam van den stadhouder te begroeten en door zijn distrikt te geleiden; in de hoofdstad vinden wij het huis van een vermogend man voor onze komst in gereedheid gebracht. Wij zullen van nu af aan ervaren, wat Russische gastvrijheid beteekent. Nog altijd had men ons overal gastvrij ontvangen en onthaald; van nu af aan beijveren zich de hoogst geplaatste ambtenaren van distrikten en provinciën om ons eer te bewijzen en van dienst te zijn, terwijl de aanzienlijkste huizen tot onze beschikking staan. Als vorsten worden wij behandeld, enkel en alleen omdat wij een wetenschappelijk doel voor oogen hebben. Hoe dankbaar wij zulks ook erkennen, het ontbreekt ons aan woorden om ons dankgevoel te uiten.

Aan gene zijde van dat Tjumen, alwaar wij drie dagen vertoefden, om de gevangenissen der ballingen, de lederfabrieken en andere bezienswaardigheden der eerste Siberische stad in oogenschouw te nemen, zagen wij ook hoe de boeren zich zelfs tot heer en meester weten te maken van de rivieren. De naderende lente had ook het ijs der Pyschma losgemaakt en de ijsschollen begonnen zich in beweging te zetten; wij moesten evenwel nog eerst den stroom oversteken. De bevolking van het dorp Romanoffskoy stond blootshoofds voor de[332]Pyschma op ons te wachten; en op ons wachtende moest ook deze rivier geduld oefenen met het verbreken harer kristallen ketenen. Met niet minder bekwaamheid als onverschrokkenheid had men eene noodbrug over den reeds gedeeltelijk van ijs bevrijden stroom geslagen; eene groote boot diende daarbij als middelste grondbalk en de ijsschollen, die dreigden te gaan kruien, werden boven en naast deze brug met sterke touwen vastgebonden. Gedienstige handen onttuigden het vijfspan, dat wij heden voor onze reis noodig zouden hebben, sloegen de handen aan de assen en spaken, en brachten den eenen wagen na den anderen over de waggelende, op en neêr golvende, krakende brug. Deze had haar plicht gedaan; aan den anderen kant ging het lustig verder door water en sneeuw, slijk en modder, over paaldammen en ijs.

Minder gewillig betoonde zich de Tobol, die wij op Goeden Vrijdag den 14 April, den eersten eigenlijken voorjaarsdag, over wilden trekken. Ook hier had men alle mogelijke voorzorgen voor den overtocht getroffen, zelfs een onzer wagens reeds afgespannen en op het ijsdek gerold, toen dit krakend spleet, zoodat men hem ijlings terug moest trekken. Vroolijk hadden de belletjes geklonken toen wijJalutoroffskverlieten, met hun treurig gelui vergezelden zij ons toen wij naar deze stad terugkeerden, en eerst op Paschen vermochten wij de rivier met behulp eener pont over te gaan.

Zoo ging het verder; voor en achter ons wierpen de stroomen het ijskleed af; alleen de gevreesde Irtysch lag nog bevroren voor ons en zoo bereikten wij, na eene reis van ruim vier weken, zonder verdere ongevallen, Omsk, de hoofdstad van West-Siberië.

Nadat wij in Omsk hadden gezien wat er te zien valt, de straten en huizen, de kadettenschool, het museum, het hospitaal, de gevangenis voor soldaten en zoo meer, reden wij over den weg, die zich langs den rechteroever der Irtysch uitstrekt en die de dorpen der zoogenaamde Kozakkenlinie verbindt, verder tot naar Semipalatinsk.

Reeds tusschen Jalutoroffsk en Omsk waren wij door eene steppe gereden, n.l. door die van Ischim; thans waren wij van alle zijden door de steppe omringd en elken nacht werd de hemel rood gekleurd door het in den brand gestoken oude steppengras en steppenkruid. Met het noordwaarts trekkend ijs van de Irtysch trokken scharen van trekvogels in gelijke richting mede; de steppenmeren waren opgevuld met watervogels; verschillende soorten vanleeuwerikenvlogen in dichte troepen heen en weder; de sierlijke steppenvalken hadden reeds hun[333]zomerverblijven weder betrokken, de lente had werkelijk haar intocht gehouden.

Te Semipalatinsk hadden wij het geluk in den Gouverneur-Generaal von Poltoratski, een warm vriend en bewonderaar van onze plannen, in zijne echtgenoote de vriendelijkste gastvrouw ter wereld te vinden. Niet tevreden met in Semipalatinsk ons zoo goed ontvangen te hebben, besloot de generaal ons op de meest geschikte wijze met de voornaamste bevolking zijns gebieds, de Kirgiezen, bekend te maken; hij had te dien einde maatregelen getroffen voor eene groote jacht oparcharen, een soort van wilde schapen, die in grootte onze tamme schapen om het dubbele te boven gaan.

Den 3 Mei braken wij voor dit doel op, trokken over de Irtysch en reden over den postweg naar Taschkent de steppe der Kirgiezen in. Na een tocht van zestien uren hadden wij het jachtgebied, een klippig steppengebergte bereikt; al spoedig stonden wij voor het te onzer eere opgerichte Joertenleger of „Aul”, vriendelijk begroet door de ons gisteren vooruitgereisde gemalin des generaals, en eveneens hartelijk verwelkomd door een twintigtal Kirgiezische sultanen, door de hoofden der gemeente en derzelver talrijk gevolg.

Het ging de drie volgende dagen lustig toe in de Arkatsche bergen. Voor de steeds naar feesten hakende Kirgiezen waren schoone dagen aangebroken, maar voor ons niet minder. Het dal en de bergen weêrklonken onder den hoefslag der tachtig en meer ruiters, die op de beide volgende dagen ter jacht uittrokken; de zon, zoo vaak zij zich vertoonde, schitterde op de bonte, vreemdsoortige gewaden, die tot op dat oogenblik onder de pelzen waren verborgen gebleven; een levendig gewemel vulde berg en dalkloof. Met hun beste renpaarden en uitstekendste telgangers, afgerichte steenarenden, windhonden en kameelen, met citherspelers en improvisatoren, kamprijders en soortgelijke helden waren zij verschenen, de eens zoo gevreesde Kirgiezen, wier naam niets anders dan roover beteekent, heden echter de gewilligste, getrouwste en meest tevreden onderdanen des Russischen Rijks. In groepjes zaten zij bijeen, afzonderlijk en in troepen draafden zij heen en weêr, en galoppeerden lustig met de vlugge paarden; met de levendigste belangstelling volgden zij de wedrennen, aanschouwden vol geestdrift het paardrijden der jeugdige knapen en bestuurden met overleg de jacht; vol verrukking luisterden zij naar het lied van den improvisator, die de jacht bezong. Reeds vóór onze komst had een der[334]Kirgiezen een archar gedood; het geluk bracht mij een tweede dier voor mijn zeker schot. Dit laatste voorval deed de geestdrift des dichters ontvonken. Zijn verzen waren wel is waar niet bijzonder rijk van inhoud of diep gedacht, maar toch zoo eigenaardig, dat ik ze opschreef, om eene eerste proeve van Kirgiezische dichtkunst te verzamelen. Terwijl de man zong, vertaalde de tolk zijn lied in het Russisch, de Generaal deed zulks in het Duitsch, en toen de zanger ophield, had ook ik zijn woorden haastig op het papier gebracht.

„Spreek, spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij stom zijn.

Spreek, spreek, roode tong, mij door God gegeven; na den dood zult gij zwijgen. Woorden, gelijk thans aan u ontvloeien, zullen na den dood u niet verlaten. Lieden, groot als de bergen, zie ik voor mij; hun wil ik waarheid verkondigen. Bergen, rotsen meen ik voor mij te zien; met het renpaard mag ik hen vergelijken. Zij zijn grooter dan schepen, grooter dan de stoombooten, die de Irtysch bevaren.

In U o Gebieder in den naam des Keizers, zie ik den hoogsten; met een berg mag ik u vergelijken en met het prachtig renpaard, dat statig daarhenen draaft. Een moeder was het die mij ter wereld bracht; mijne tong evenwel is mij van God gegeven.

Wanneer ik thans niet mijne stem tot U verhief, tot wien zou ik dan spreken? Volle vrijheid heb ik tot spreken, even alsof ik tot mijn volk sprak.

Het geluk zij met U, o Heer, en heil en zegen met Uwe gasten, waaronder hooggeplaatsten, ofschoon zij thans onder U gesteld zijn.

Elke gast van den Generaal is ook de onze, en hij is zeker van onze vriendschap.

God gaf mij de tong; deze moge nog meer spreken.

In de bergen zagen wij jagers, schutters en drijvers, maar slechts met één hunner was het geluk.

Evenals de hoogste berg zijn top boven de andere verheft, zoo steekt ook deze boven alle anderen uit; want hij schoot den archar twee kogels door het lichaam en bracht het dier naar de Joerte.

Aller wensch was buit te behalen, maar slechts één der jagers zag dien wensch vervuld; dies verheugen wij ons, dies verheugt ook Gij U genadige vrouw, tot wie ik thans spreek.

Het geheele volk is ten hoogste verblijd U hier te zien en te begroeten;[335]het geheele volk, vrouwen en mannen wenscht U slechts vreugde, duizend jaren leven en gezondheid.

Neem met welgevallen onze hulde aan! Hebt gij rijker menschen gezien, trouwer heeft niemand U begroet en gastvrijheid geschonken.

Moge God U zegenen, U, Uw huis en Uwe kinderen! Te weinig woorden heb ik om U te prijzen, maar mijne tong werd mij door God gegeven: En zij sprak, de roode tong, wat er in het hart omging.”

Wij verlieten de bergen van Arkat en spoedig daarna ook het regeeringsgebied van onzen gastheer, van wien wij op het jachtveld reeds afscheid hadden genomen; wij werden in Sergiopol, de eerste stad in Turkestan, door den overste Friedrichs ontvangen, die ons in naam van den Gouverneur-Generaal dezer groote provincie begroette; onder diens geleide trokken wij verder. Kirgiezen-hoofden vormden eene eerewacht en zorgden voor trekpaarden; deze hadden als zoodanig stellig nog nimmer hunne diensten bewezen, daar zij aanvankelijk doldriftig met de wagens voortholden; Kirgiezen-sultanen bewezen ons gastvrijheid, zorgden steeds voor huisvesting en voedsel en sloegen Joerten op aan alle plaatsen, waar wij wilden rusten; Kirgiezen vingen voor onze collecties slangen en andere kruipende dieren, wierpen de netten uit in de steppenmeren en volgden ons op de jacht als trouwe honden.

Zoo bereisden wij de nu in vollen lentetooi staande steppe, vertoefden jagend en verzamelend aan het Alakoelmeer „bonte zee”, trokken door bloeiende dalen en over lachende bergen naar de in den Alatan, een der verhevenste steppengebergten, gelegen kozakken-stanitza, Lepsa, zwierven door de omstreken dezer kolonie, een klein paradijs, dat overvloeit van melk en honig, beklommen de hooggebergten, verkwikten ons hier aan ruischende bergstroomen, groene Alpenmeren en heerlijke vergezichten; en terwijl wij in noordoostelijke richting verder reisden, wendden wij ons naar de Chineesche grens, om door een gedeelte van het Hemelsche Rijk langs den kortsten en gemakkelijksten weg het Altaï-gebergte te bereiken.

In Bakti, de laatste Russische grenspost gewerd ons de tijding, dat Zijne Onuitsprekelijkheid, de Dschandsoen Djoen, Opper-Stadhouder der provincie Tarabagatai, ons ook vanwege China wilde begroeten, en ons ten maaltijd had genoodigd. Om dien wensch van den hoogen mandarijn te vervullen, reden wij den 21 Mei naar de hoofdstad van gezegde provincie, Tschoekoetschak of Tschautschak.[336]

De ruiterstoet, die zich over de in het zonnelicht stralende steppe bewoog, was talrijker en prachtiger dan ooit te voren. Deels om in dit door oproeren geteisterde land veilig te reizen, deels om voor Zijne Heerlijkheid waardig, om niet te zeggen met staatsie en pracht te kunnen verschijnen, hadden de ons vergezellende heeren, behalve de onder aanvoering van onzen nieuwen geleider, Majoor Tischanoff, uit Sachan gezonden dertig Kozakken en onze oude vrienden, de Kirgiezen, nog een halve sotnie Kozakken uit Batki opontboden, en zoo dreunde de tot nog toe eenzame steppe onder de hoefslagen van een klein leger. Onze Kirgiezen waren allen in feestkleederen gedoscht; hunne zwarte, blauwe, gele en roode, met zilveren en gouden tressen versierde kaftans wedijverden in glans en pracht met de uniformen der ons vergezellende Russische officieren. Aan de onlangs vastgestelde grens wachtte een Chineesch militair van hoogen rang ons op, om ons te verwelkomen; daarna keerde hij ons den rug toe en joeg, zoo snel zijn ros hem dragen kon naar zijn meester terug, ten einde dezen onze aankomst te melden. Onze paarden baanden zich, toen wij de stad bereikt hadden, met moeite een weg over puinhoopen, half ingevallen en half opgebouwde huizen; elders reden wij langs bloeiende tuinen, terwijl potsierlijke Mongolentronies ons tegengrijnsden en afschuwelijk leelijke vrouwen mijn schoonheidsgevoel in niet geringe mate beleedigden. De stoet verzamelde zich voor de woning des stadhouders; wij hielden voor de groote poort stil en vroegen verlof om binnen te treden.

Tegenover de poort verhief zich een kunstig gebouwde muur, die in het midden een wonderlijk dierenbeeld droeg; rechts en links hiervan lagen Chineesche martelwerktuigen op den grond verstrooid. Een huisbeambte verzocht ons naar binnen te gaan, maar gaf meteen aan de Kozakken en Kirgiezen bevel daar buiten te blijven. De stadhouder ontving ons in zijn woon-, werk- en gerichtskamer met groote deftigheid. Zijn waardigheid als hoog Mandarijn niet uit het oog verliezende, karig met woorden en slechts enkele afgebroken geluiden stamelende, die telkens van een vroolijk grinnikend gelach vergezeld gingen, reikte hij ons de hand en noodigde ons uit om aan de theetafel te gaan zitten, die met allerlei kleine schoteltjes, waarin de vreemdsoortigste ontbijtgerechten, beladen was,—„en wij strekken de handen uit naar den lekker toebereiden maaltijd.” Rijst, verschillende in olie ingelegde en gedroogde vruchten, schijfjes zwijnenvleesch, zoo dun als pergament, gedroogde garnalenstaarten, alsmede eene onnoemelijke menigte onkenbare,[337]ten minste niet nader te bepalen lekkernijen en zoetigheden, maakten de spijzen uit, eene voortreffelijke thee en eene afschuwelijke foeselhoudende rijstebrandewijn van ongemeene sterkte, de dranken. Na den maaltijd, die, tengevolge van een voorzichtigheidshalve reeds vooraf ingenomen ontbijt van minder raadselachtig allooi, voor mij althans zonder nadeelige gevolgen afliep, werden waterpijpen rondgedeeld, en daarna bezichtigden wij eene menigte denkbare en ondenkbare voorwerpen zoo in dit vertrek als in eene kamer daarnaast: landschappen en afbeeldingen van dieren, door de Regeering verzonden getuigschriften, het groote, met bijzondere zorgvuldigheid in bonte zijden stoffen kunstig ingewikkelde Rijkszegel, vreemdsoortige pijlen met eene bestemming, zooals slechts een Chineesch brein daaraan kan toekennen, voorwerpen van Europeesche kunst, enz.

Verschrikkelijk afgemeten en ijselijk deftig werd het onderhoud gevoerd.

Onze woorden werden uit het Fransch in het Russisch, uit het Russisch in het Kirgiesch en uit het Kirgiesch in het Chineesch overgebracht, terwijl de antwoorden langs den omgekeerden weg tot ons kwamen; geen wonder dus, dat ons gesprek den toon der hoogste deftigheid aannam. Na het ontbijt verschenen er Chineesche boogschutters, om ons proeven hunner schietkunst te geven; daarna bracht ons de Dschandsoen allergenadigst, persoonlijk in zijn moestuin, om ons daaruit een en ander te laten proeven; eindelijk nam hij afscheid van ons, en nu reden wij door de straten en markten der stad, vonden in het huis van een Tartaar gastvrijheid en een heerlijken, door de tegenwoordigheid der beeldschoone, jonge, te onzer eer in het mannenvertrek geroepen vrouw, gekruiden maaltijd, om tegen zonsondergang deze, ook in de geschiedenis bekende plaats te verlaten.

Tschoekoetschak is dezelfde stad, die in 1867 na eene langdurige belegering, den Doenganen, eenen Mongoolschen, maar tot den Islam bekeerden volksstam, die bestendig strijd voerde tegen de Chineesche opperheerschappij, in handen viel, en toen met man en muis werd verdelgd en tot den grond geslecht.

Van de 30,000 inwoners, die Tschoekoetschak kort te voren telde, was een derde deel gevlucht; de rest evenwel, die zich veilig waande, omdat verschillende bestormingen waren afgeslagen, bleef—maar tot haar verderf. Toen de laatste bestorming gelukte, en de stad in handen der Doenganen was gevallen, hielden dezen er met dezelfde wreedheid[338]huis, als waarmede de Chineezen tegenover hen gewoed hadden. En wat aan het zwaard ontkwam verging door het vuur. Toen onze tegenwoordige begeleider, de overste Friedrichs, veertien dagen later de plaats bezocht, alwaar Tschoekoetschak gestaan had, steeg er zelfs geen rookwolk meer uit de verkoolde balken op. Wolven en honden, die zich vet hadden gemest aan de menschenlijken, slopen langzaam van daar of lieten zich zelfs in hun walgverwekkend maal niet storen, maar bleven voortknagen aan het gebeente hunner voormalige meesters; arenden, wouwen, raven en kraaien deelden met eerstgenoemden het maal. Waar men ruimte had moeten maken waren de lijken bij dozijnen en honderden op een hoop geworpen; in de overige gedeelten der stad, in de straten, tuinen en huizen lagen zij of afzonderlijk, of bij tweeën, vieren en dozijnen bij elkaar, man en vrouw, grootvaders en grootmoeders, moeder en kind, geheele huisgezinnen en gevluchte buren, het hoofd verpletterd door sabelhouwen, de aangezichten in flarden gehakt, verbrand, de ledematen door de tanden van honden en wolven afgeknaagd, lichamen zonder hoofd, andere zonder handen. Wat de krankzinnigste verbeelding aan gruwelen kan uitdrukken vond hier zijn ontzettende werkelijkheid.

Tegenwoordig telt Tschoekoetschak ten hoogste duizend zielen; feitelijk staat de nieuwe, met torens gekroonde vesting onder de bescherming van het kleine Russische piket te Bakti; want dat de Doenganen nog altijd niet de wapenen hebben neêrgelegd, nog altijd niet voorgoed ten onder zijn gebracht, bleek ons uit den weinige dagen te voren begonnen tocht van een Chineesch legertje naar het dal der Emil, alwaar een inval scheen te dreigen. Onder geleide van Majoor Tichanoff en zijn dertig Kozakken trokken wij dit dal door, zonder echter een enkelen Doengaan in ’t gezicht te krijgen, en zonder dagen achtereen zelfs een mensch te ontmoeten. De Emil, van het Saurgebergte komende, stroomt tusschen de Tarabagatai en Semistau, twee, onder een scherpen hoek saamkomende ketens, verder, van beide zijden versterkt door een aantal beekjes. De Chineezen, alle wateraders benuttende, hadden door bevloeiingen het geheele dal in een vruchtbaren tuin herschapen, toen de Doenganen kwamen en dezen tuin verwoestten, om hem terug te geven aan de steppe, zijn moeder. Wel reden wij, in de nabijheid der stad, nog door kleine dorpen en stieten op een Aul der Kalmukken, daarna echter alleenlijk nog langs de puinhoopen van vroegere welvaart en vroegere menschelijke bedrijvigheid.[339]De natuur had reeds met zachte hand een sluier over de velden gespreid, maar de nog niet door storm en weder vernietigde puinhoopen der dorpen bleven ten hemel schreien. Bezoekt men deze dorpen, dan treden de begane wreedheden met ijzingwekkende duidelijkheid weder voor oogen. Tusschen de eenzame muren, welker daken verbrand en welker gevels geheel of gedeeltelijk zijn ingestort, op het vermolmende hout, waar vergiftige zwammen weelderig omhoog schieten, en te midden der scherven van Chineesch porselein, te midden van halfverkoold en daarom bewaard gebleven huisraad, stoot men overal op menschelijke overblijfsels, verslagen schedels, afgeknaagde beenderen, en geraamten van huisdieren, inzonderheid van den hond. Op de schedels ziet men nog de houwen der scherpe sabels. De menschen vielen als een offer hunner woedende vijanden en de honden deelden in het lot hunner meesters, die zij misschien nog trachtten te verdedigen; de andere huisdieren werden weggedreven en buit gemaakt, evenals alle bezittingen der overwonnenen, terwijl alleen die voorwerpen, welke voor ’t oogenblik geen waarde hadden, werden stuk geslagen en verbrand. Twee halfwilde huisdieren zijn de puinhoopen blijven bewonen, t.w. de zwaluw en de musch; de plaats der anderen werd ingenomen door de vogels der ruïnen.

Wij togen ongehinderd door het verwoeste dal. Geen Doengaan liet zich zien; want achter onze dertig Kozakken stond het machtige Rusland. Toen wij weder menschen ontmoetten, bevonden wij, dat het Russische Kirgiezen waren, die hier, in China, hun kudden weidden, hun velden bebouwden en voor een hunner dooden een grafteeken oprichtten.

Van uit het dal der Emil beklommen wij den Tarabagatai op een der laagste plaatsen van den kam van het gebergte, daalden toen naar de bijna effene hoogvlakte Tschilikti af, die door eerstgenoemden keten alsmede door den Saur, Manrak, Terserik, Moestau en Oerkaschar wordt ingesloten en ongeveer 1600 meter boven den zeespiegel is gelegen. Wij staken deze vlakte dwars over, ontmoetten op dien tocht een aantal zeer groote koerganen of grafheuvels der inboorlingen, om daarna door de kronkelende dalen van het veelvuldig gespleten Manrakgebergte, het dal van Saisan en den eerst sedert vier jaren bestaanden grenspost van gelijken naam—een vriendelijk stadje,—te bereiken. Hier, dicht bij de Chineesch-Russische grens waren wij voor ’t eerst, sedert Lepsa, weêr omringd door Europeesche behagelijkheid en comfort.[340]

In de gezelschappen, die wij bezochten, verkeerden wij als in St. Petersburg of Berlijn; men praatte, speelde, zong en danste in den beperkten familiekring of in een publieken tuin. Het heerlijk gezang der nachtegalen begeleidde dans en lied; men vergat waar men zich bevond.

Ik benutte den tijd van ons verblijf aldaar voor eene jacht op „oelaren”, eene soort van hoenders uit het hooggebergte, van den vorm van patrijzen, maar ter grootte van auerhoenders, en leerde daarbij niet alleen de woestheid van het Manrakgebergte, maar tevens ook het herdersleven der arme Kirgiezen van eene nieuwe zijde kennen, zoodat ik hoogst voldaan van mijn succesvol uitstapje terugkeerde.

In den namiddag van den 31 Mei beklommen wij wederom onzen reiswagen en rolden naar de zwarte Irtysch, om gebruik te maken van een rendez-vous, ons in het Altaï-gebergte aangeboden door Generaal Poltoratski. Door een rijk steppenland, over pikzwarten grond, later door droge hoogsteppen, ging de snelle vaart, tot wij de rivier bereikten, wier hooggezwollen golven ons den volgenden dag naar het Saisanmeer brachten. Hoe vervelend ons tot nog toe alle rivieren en stroomen van Siberië ook waren voorgekomen, de zwarte Irtysch was zulks niet; heerlijke vergezichten op twee reusachtige hooggebergten, den Saur en Altaï en de hiermede samenhangende ketens, verrukten ons oog; een frissche, groene oever, waaruit ons een vroolijk vogelengezang, een opgewekt vogelenleven tegenklonk en tegenblikte, streelde ons. Het fluks uitgeworpen net bracht een grooten voorraad van visschen uit de diepte te voorschijn, en bewees ons dat de stroom niet alleen schoon is, maar tevens schatten verbergt. Nadat wij den 2 Juni het vlakke, troebele, zeer vischrijke, maar slechts door zijn vergezichten schoone meer waren overgevaren, trokken wij op den daaraanvolgenden dag door het meest woeste gedeelte der steppe, dat wij tot nog toe hadden gezien, maar leerden juist hier de drie merkwaardigste dieren der steppe kennen, t.w. den koelan, een wild paard, de steppenantilope en het steppenhoen. Onze Kirgiezen vingen van het eerstgenoemde een veulen, terwijl tevens een steppenhoen werd geschoten. Tegen den avond hielden wij halt in de Altaïsche voorgebergten, daags daarna ontmoetten wij op de afgesproken plaats onze vroegere gastheeren en reden nu onder hun geleide verder.

Het was een heerlijke reis, in weêrwil van storm, sneeuw en regen, waardoor de vriendelijke Joerte, die mede reisde, veel van hare behagelijkheid[341]verloor, niettegenstaande de bergstroomen aan onze paarden den doortocht versperden, en steil afhangende rotsen ons op paden brachten, die in Europa wel door de gemzenjagers, niet door ruiters worden betreden. Een Russisch Gouverneur reist geenszins gelijk gewone stervelingen, het allerminst wanneer hij door onbewoonde streken trekt. Alle districtshoofden vergezellen hem, alsmede de onder dezen staande ambtsmannen, de oudsten der gemeente, de gemeentesecretaris, de voornaamste lieden van de geheele streek, die hij bereist, een troep Kozakken met hun officieren tot den overste toe, zijn eigene bedienden en die van het geleide. En wanneer het land, gelijk thans het geval was, gedeeltelijk vreemd is, en er vergaderingen moeten gehouden worden met Kirgiezische gemeenten, dan wordt het gevolg tot in het oneindige vermeerderd. Dan moeten niet alleen Joerten en tenten medegebracht worden, gelijk steeds bij steppenreizen het geval is, maar zelfs heele schaapskudden worden vooruitgezonden om de honderden menschen in deze wildernis te voeden. Sedert wij het Saisanmeer hadden verlaten, bevonden wij ons weder in het Chineesche Rijk, en eene reeks van dagen hadden wij te reizen, alvorens te durven hopen, in de thans alleen in de diepere dalen bewoonde deelen van het gebergte wederom menschen aan te treffen.

Meer dan tweehonderd personen reisden aanvankelijk mede, meest Kirgiezen, die opgeroepen waren om een keizerlijk bevel, betrekkelijk de opheffing van hun recht om in het keizerlijk domein Altaï te weiden, in ontvangst te nemen, en uit dien hoofde met elkander in overeenkomst te treden omtrent hunne daarmede in verband staande te wijzigen verhuizingen; maar ook nadat die beraadslagingen ten einde waren, telde ons reisgezelschap nog over de honderd paarden en zestig ruiters. In den vroegen morgen werden ons de Joerten boven het hoofd afgebroken en vooruitgezonden; dan volgden wij in grootere en kleinere gezelschappen, langzaam voortrijdende, tot ook de dames, de vriendelijke gemalin des Generaals en hare schoone dochter ons weêr hadden ingehaald; wij namen het ontbijt op eene geschikte plaats, lieten de laatste pakpaarden voorbijtrekken, volgden, haalden ze weder in, kwamen meest gelijktijdig met de schapen, wier aantal dagelijks verminderde, op de halteplaats aan, en hadden zoo elken avond gelegenheid het oog te laten weiden over het schilderachtig tooneel eener legerplaats. Heerlijke, frissche, groene, met voorjaarsgeuren doortrokken dalen namen ons op; hooge, steile, grootendeels nog met sneeuw[342]bedekte bergen schonken de schoonste vergezichten over het hooggebergte, en in de doorgetrokken steppe tot op den Saur en Tarabagatai, totdat wij eindelijk het Markakoel, dien parel der Altaïmeren, voor ons zagen liggen en daarmede het hooggebergte zelf waren ingetrokken. Drie dagen lang reisden wij onder slecht weder, opgehouden door een Chineesch gezantschap, langs den oever des meers, reden toen door werkelijk dichte wouden, over moeilijk te beklimmen passen, bergop, bergaf, naar de Russische grens en op halsbrekende wegen het bloeiende dal der Buchtarma door, om in de nieuw gegrondveste Kozakkenkolonie Altaiskaja-Stanitza nogmaals van de Russische gastvrijheid en comfort te genieten, te rusten en uit te rusten.

Door de officieren der Stanitza vereerd met allerlei geschenken, voortbrengselen der streek, zetten wij op den 12 Juni de reis voort. Helder en vriendelijk lachte de zon ons tegen van den blauwen hemel en keek zij neder op het grootsche, heden voor ’t eerst niet benevelde landschap. Onafzienbare, parkachtige dalen, omlijst door steil opeengestapelde, met sneeuw bedekte, heden met de schitterendste kleuren overgoten hooggebergten, heerlijke boomen op de weilanden, bloeiende boschjes op de hellingen, duizendvoud verschillende, boven alle beschrijving schoone, als in ’t lang ontbeerde zonnelicht herlevende bloemen, frisch bloeiende heideroosjes in alle schakeeringen van kleur, het geroep van den koekoek en ’t gejubel der vogelen, Kirgiezen Auls in de breede dalen aan den voet der bergen, en Russische, in groen verscholen dorpen, grazende kudden, vruchtbare akkers, ruischende beekjes, getande rotsen, de zachte lucht en specerijachtige voorjaarsgeuren,—dit alles omstrikte de zinnen gedurende den ganschen tocht. Weldra trokken wij over de grenzen van het keizerlijk domein Altaï—een kroongoed, zoo groot bijkans als geheel Frankrijk! Een dag later en wij bereikten het bergstadje Serianoffsk met haar zilvermijnen. Nadat wij ook hier, gelijk overal elders, vriendelijk waren ontvangen, alle werken hadden bezichtigd, sloegen wij wederom de richting in naar de Irtysch, lieten ons op hare, tusschen hooge, schilderachtige rotsen snel voortijlende wateren, voorbij Buchtarminsk naar Ustkamenogorsk drijven en togen van hier uit weder per wagen door het veelbelovend domein des Keizers.

KEIZERADELAAR, MURMELDIER EN WEZEL.KEIZERADELAAR, MURMELDIER EN WEZEL.

KEIZERADELAAR, MURMELDIER EN WEZEL.

Steppenachtige vlakten palen aan de liefelijke dreven van het voorgebergte; uitgestrekte wouden wisselen met het bewoonde land af. Groote, rijke dorpen, kostbare, vruchtbare, in gitzwarte aarde aangelegde akkers, goed gebouwde, zich van hunne welvaart bewuste mannen,[343]schoone, schilderachtig gekleede vrouwen, kinderlijk nieuwsgierige en kinderlijk gezinde menschen, voortreffelijke, krachtige paarden, goed gebouwde runderen, die in groote, weldoorvoede kudden de dorpen omgeven, enorme wagenkaravanen, die op goede wegen erts en kolen vervoeren, marmotten op de berghellingen, ziesels in de vlakten, keizerarenden op de grenspalen aan de wegen, bekoorlijke dwergmeeuwen aan de wateren, dorpen en gehuchten verlevendigen al te zamen het landschap, dat onze weg doorsnijdt. Als vliegend doortrokken wij het land, als in de vlucht bezochten wij het zeer naar waarheid zoo genoemde stadje van smelthutten „Slangenberg”; een korte rust slechts veroorloofden wij ons in de hoofdplaats Barnaul. Daarna ging het[344]verder naar het bergstedeke Salair en toen naar de groote gouvernementsstad Tomsk.

Reeds voor Barnaul hadden wij de Ob bereikt en te Barnaul zelf waren wij deze rivier overgestoken, terwijl wij ons te Tomsk inscheepten om haar te bevaren. Zes en twintig honderd werst, d.i. bijna vierhonderd geographische mijlen voeren wij, na door de Tom er in gekomen te zijn, dezen stroom af, die een grooter gebied beheerscht dan alle stroomen van West-Europa te zamen,—en zoo naderden wij meer en meer het noorden. Vier etmalen lang stoomden wij in de richting naar de IJszee, met eene, bij den gezwollen stand der rivier dubbel zoo snelle vaart als zulks stroomopwaarts zou kunnen geschieden; elf volle dagen en nachten hadden wij noodig om het stuk, begrepen tusschen de inmonding der Irtysch en de uitmonding der Schtschoetschja af te leggen, ofschoon wij in Samarowo en Bereosoff slechts enkele uren rust namen, en ongerekend de beide dagen, die wij te Obdorsk, het laatste Russische dorp aan den stroom, doorbrachten. Boven alle beschrijving grootsch is deze stroom, hoe eenzaam en eentonig hij ook moge heeten. Door een dal van tien tot dertig kilometer breed vervolgt hij zijn loop, in ontelbare armen verdeeld, die eene menigte eilanden insluiten. Hier en daar verbreedt hij zich tot een groot meer, terwijl hij bij zijn mond een hoofdarm heeft, waarin het water gemiddeld acht en twintig meter hoog staat. Bosschen, waar bijna geen licht door kan dringen, in welker diepten nog geen inboorling ooit den voet zette, strekken zich langs zijn oevers uit; wilgenbosschen, in alle phasen van den wasdom dezer boomsoort, bedekken de telkens door den vloed afgeknaagde en weder in anderen vorm opgebouwde eilanden. Armer en armer wordt het land, armer en schraler de wouden, armoediger de dorpen, naarmate men verder stroomafwaarts komt, ofschoon de rivier zelf dichter bij haar monding te rijkelijker schenkt, wat aan het arme land onthouden werd. Reeds een weinig beneden Tomsk, iets lager dan Tobolsk, loont de aarde den veldarbeid niet meer; nog verder naar het noorden houdt ook de veeteelt op, maar ontelbare scholen van de heerlijkste visschen en een rijk jachtveld in de oerwouden langs de beide oevers schenken rijke vergoeding voor dat gemis. De visschers en jagers treden in de plaats van den landbouwer, de rendierherder in de plaats van den veeboer. Zeldzamer worden de Russische volkplantingen, talrijker de woonsteden der Ostjaken, en eindelijk zijn het slechts de verplaatsbare,[345]kegelvormige hutten uit berkenbast, hier „Tschoem” genoemd en enkele daartusschen verspreide, vreeselijk armoedige blokhuizen, de tijdelijke woningen der Russische visschers, die nog getuigenis afleggen van het bestaan van den mensch.

Wij hadden het plan opgevat ook eene toendra of mossteppe door te reizen en daarvoor het oog geslagen op het tusschen de Ob en de Karische golf gelegen schiereiland der Samojeden, te meer daar in dit nog bijna niet door Europeanen betreden deel van den grooten en breeden boomloozen gordel der om de Pool zich legerende woestenij, ook sommige, voor den handel gewichtige vragen op te lossen waren. Wij huurden ten behoeve dezer reis in Obdorsk en iets lager stroomafwaarts verschillende personen, als Russen, Syrjenen, Ostjaken en Samojeden, en vingen den 15 Juli onzen tocht aan.

Op de noordelijke hoogte van den Oeral, hier het karakter niet alleen van een werkelijk gebergte, maar zelfs van hooggebergte aannemende, ontspringen dicht bij elkander drie rivieren: de Oessa, die in de Petschora, de Bodarata, die in de Karische golf en de Schtschoetschja, die in de Ob uitmondt. Het gebied van de beide laatstgenoemde stroomen wilden wij bereizen. Hoe het land er uitzag, hoe wij het zouden hebben, of wij rendieren zouden kunnen krijgen of den weg te voet zouden moeten afleggen, niemand wist ons zulks te zeggen.

Tot aan den mond der Schtschoetschja reisden wij nog op de gewone wijze, bij elke kolonie van Ostjaken onze gehuurde roeiers betalende, om nieuwe aan te werven; op de Schtschoetschja zelf traden onze eigen lieden in dienst. Acht dagen lang voeren wij langzaam den stroom op, ieder zijner vele windingen getrouw volgende, altijd door de ijselijk eentonige, ja doodelijk vervelende toendra, nu eens den Oeral naderende, dan weder ons van dit gebergte verwijderende. Gedurende acht dagen zagen wij geen enkelen sterveling, alleen diens sporen, zijn op sleden gepakte winterbehoeften en zijn graven. Niet te doorwaden moerassen aan beide zijden der rivier beletten ons elk uitstapje, milliarden op bloed beluste muggen kwelden ons zonder ophouden. Op den zevenden dag zagen wij een hond—eene ware gebeurtenis, zoowel voor ons zelf als voor onze manschappen; op den achtsten dag stieten wij op eene bewoonde Tschoem en daarin op den eenigen mensch, die ons eenige inlichtingen aangaande het voor ons liggende land kon geven. Wij namen dezen als gids mede en vingen met hem drie dagen later een tocht aan, die even moeilijk als gevaarlijk zou worden.[346]

Negen volle dagreizen van ons verwijderd, op de weide Saddabei in den Oeral, zouden zich rendieren bevinden; aan de Schtschoetschja was op dit tijdstip geen enkel op te jagen. Wij moesten dus wel onzen tocht te voet aanvangen en alle bezwaren op ons nemen aan zulk een tocht door een ongebaand, met muggen gevuld, den mensch vijandig, niet het minste voedsel opleverend, en wat het ergste was, ons ten eenenmale onbekend gebied, verbonden.

Omzichtig, niet dan na lange beraadslagingen met de inboorlingen, maakten wij onze toebereidselen; met zorg werd de mede te voeren last, die ieder op zijn rug zou laden, afgewogen; dreigend toch stond het hongerspook voor ons. Wij wisten, wel is waar, dat alleen de trekkende herder, en geenszins de jager in staat is zijn leven in de toendra te onderhouden; bij ervaring kenden wij alle moeite, die de ongebaande wegen, de kwellingen, die de scharen muggen bereidden, de ongestadigheid des weders, de onherbergzaamheid der toendra in ’t algemeen, en namen met het oog hierop onze maatregelen en voorzorgen: maar te voorzien en te voorkomen, wat wij niet kenden, niet konden vermoeden, en ons toch trof, zulks was onmogelijk. Terugkeeren wilden wij niet, maar hadden wij alles vooruitgezien, wij zouden zulks zeker gedaan hebben.

In korte pelzen gehuld, zwaar beladen, behalve den door de niet lichte schietbenoodigdheden bezwaarde rugtasch nog geweer en een reiszak over den schouder dragend, braken wij den 29 Juli op, onze boot onder de hoede van twee mannen achterlatende. Vermoeid, zuchtende onder den zwaren last, dag en nacht zonder ophouden gekweld door de muggen, liepen wij door de toendra, telkens na een uur, een half uur, eindelijk na elke duizend schreden rust vragende en wegens de muggen deze niet kunnende vinden.

Wij klommen over heuvels, trokken door evenveel dalen, en staken een bijna even groot aantal moerassen en drassige velden over; honderden meren zonder naam togen wij voorbij, kreken en riviertjes moesten wij doortrekken.

Onvriendelijker wel kon de toendra ons niet ontvangen. De wind zweepte ons een fijnen regen in ’t aangezicht; in doorweekte pelzen legden wij ons op een doorweekten grond neder, zonder dak boven ons hoofd, zonder een koesterend vuur naast ons, en nog altijd gekweld door de muggen. Doch de zon droogde onze kleeren weder op en schonk nieuwen moed en nieuwe krachten; wij gingen voorwaarts.[347]Een vroolijk bericht versterkt meer dan zon en slaap; onze mannen ontdekten twee „Tschoems”, en door middel van onze kijkers onderscheidden wij duidelijk de daaromheen gelegerde rendieren. Tot in ons binnenste gelukkig zien wij ons reeds in de verbeelding uitgestrekt in het eenige, hier mogelijke voertuig, de slede, en het voor deze slede gespannen rendier. Wij bereiken de Tschoem en de rendieren; een afgrijselijk gezicht treft ons oog. Onder de weidende kudde woedt het miltvuur, de vreeselijkste, ook voor den mensch zoo gevaarlijke aller veeziekten, de onverbiddelijke, zonder genade en keus vernietigende engel des doods, tegenover wiens woeden de mensch als machteloos staat, die hier te lande de volken doet verarmen en onder de menschen even goed door niets te redden slachtoffers maakt als onder de dieren.

Zes en zeventig doode rendieren telde ik in de onmiddellijke omgeving van de Tschoem; werwaarts het oog schouwde ontmoette het lijken, gevallen, in doodstrijd verkeerende herten, wijfjes en kalveren. Andere komen met den dood in het hart op de reeds voor de afreis gereed staande slede aanloopen, als zochten zij bij den mensch hulp in hun lijden; zij zijn niet van hier te verdrijven, blijven met holle oogen en over elkaar geslagen voorpooten een paar minuten staan, waggelen heen en weder, steunen en vallen neêr; een witte, schuimende slijm vloeit uit mond en neus—nog enkele stuiptrekkingen en een lijk meer ligt ter aarde. Zoogende moeders scheiden zich met haar kalveren van de kudde; de moeders sterven onder dezelfde verschijnselen, de kalveren aanschouwen met verbazing de zich zoo vreemd aanstellende moeders, of gaan onbezorgd grazen naast het sterfbed van haar, die hen ter wereld brachten, keeren dan naar de eersten terug en vinden in plaats van de liefhebbende voedster een lijk, beruiken dit, schrikken achteruit, ijlen weg, dwalen blatend in ’t rond, beruiken nu eens het eene volwassen dier, naderen dan een ander, worden door allen verjaagd, blaten en zoeken verder, en vinden wat zij niet zochten: den dood, door een pijl uit den boog huns meesters, die althans nog iets tracht te redden, n.l. de huid. De dood woedt met gelijke verschrikking onder de oude zoowel als onder de jonge rendieren; de sterkste en schoonste herten vallen even goed in handen van den worger als de eenjarigen van beiderlei kunne.

Tusschen de stervende en gestorven dieren wandelen en roeren zich de menschen, de bezitter der kudde Schoengei en zijne aanhoorigen en knechten, om in radeloozen ijver te redden, wat nog te redden is.[348]Ofschoon zij niet onbekend zijn met het vreeselijk gevaar, dat zij loopen, wanneer slechts een enkel bloeddroppeltje, een enkel stofje van het schuim zich met hun eigen bloed vermengt, ofschoon genoegzaam vertrouwd met het feit, dat reeds honderden van hun volk een offer zijn geworden van de pijnlijke, akelige ziekte, arbeiden zij toch met alle kracht om het vergiftigde dier de huid af te trekken. Een slag met den bijl maakt een eind aan het leven der stervende herten, een pijlschot aan dat der kalveren, en eenige minuten later ligt de huid, die nog weken lang eene bron van besmetting blijft, bij de anderen, doopen de bloederige handen het van de kalveren afgenomen vleesch in het bloed, dat de borstholte van het gedoode dier vult om het rauw te verslinden. Beulsknechten gelijken de mannen, afschuwelijke heksen de vrouwen, in aas woelende, van bloed druipende, met bloed bevlekte hyena’s gelijken beiden; zij letten niet op het zwaard, dat niet aan een paardenhaar, maar aan een spinrag boven hun hoofd is opgehangen, en zoo woelen zij steeds voort, geholpen door de kinderen, door half volwassen knapen en van bloed druipende, nauwelijks gespeende meisjes.

De Tschoems werden afgebroken en op een nabijzijnden heuvel weder opgeslagen; de ongelukkige kudde, die, twee duizend stuks sterk, uit het Oeralgebergte was opgebroken, en tot op tweehonderd ingekrompen was, die den geheelen weg van daar tot hier door doode dieren had gekenteekend, verzamelt zich opnieuw om de Tschoem; op den anderen morgen liggen er echter weder opnieuw veertig lijken in de nabijheid der rustplaats.

Wij kenden het gevaar, aan hetwelk ook de mensch door aan miltvuur lijdende dieren is blootgesteld, doch wij kenden het nog niet in zijn geheelen omvang. Daarom kochten wij eenige, oogenschijnlijk gezonde rendieren, bespanden daarmede drie sleden, belaadden deze met onze goederen, en trokken, verlicht en ontlast daarnaast loopende, verder. Rendierenvleesch te eten, zooals wij gehoopt en waarop wij gerekend hadden, zulks verbood de vreeselijke ziekte; met te meer zorg en angst speurden wij daarom in ’t rond naar een of ander klein wild, ’t zij een moerashoen, eene wulp, eene goudplevier, of eene eend. Om onzen geringen voorraad zoo lang mogelijk te sparen, hurkten wij, in geval de geringste aller Diana dienende nymphen ons goedgunstig was geweest, om het moeilijk te voeden vuur, ten einde ieder persoonlijk zoo goed mogelijk een onbeduidend wild aan het spit te braden. Ons werkelijk verzadigen ging niet meer.[349]

Wij bereikten, nadat wij den door Schoengei getrokken doodenweg dwars waren overgestoken, het eerste doel, de Bodarata; wij hadden het onuitsprekelijk geluk nog eenmaal Tschoems aan te treffen, nog eenmaal rendieren te ontmoeten; wij trokken met de hulp dezer dieren naar de zee, en moesten terugkeeren zonder den voet op het strand gezet te hebben. Voor ons strekte zich een onbegaanbaar moeras uit en bovendien een onafzienbare hoop rendierlijken; wij bevonden ons nog eenmaal op den weg, langs welken Schoengei huiswaarts gevlucht was, en onze nieuwe kennis, de herder Sanda, waagde het niet dien weg te kruisen.

Want ook onder zijne kudde maaide de dood; ook in zijn huis, en in nog meerdere mate in dat van zijn buurman had het verderf zijn intocht gehouden. De man, die tot nog toe met hem had gereisd en geweid, had gegeten van een aan miltvuur lijdend rendier, dat hij kort voor den dood nog spoedig had geslacht, en hij had die zonde met zijn eigen leven en dat zijner familieleden moeten boeten. Driemalen had de herder Sanda zijn Tschoem verplaatst en driemalen een graf tusschen de lijken der gevallen rendieren gegraven. Eerst stierven twee kinderen, daarna stierf de knecht van den lichtzinnigen man en op den derden dag overleed hij zelf. Een ander kind lag nog ziek en kermde van pijn, toen wij de reis naar zee aanvingen; toen wij tot de Tschoem terug waren gekeerd kermde het niet meer, want een vierde graf had het kinderlijk opgenomen. En ook dit zou niet het laatste zijn.

Een onzer manschappen, de Ostjak „Hadt”, een gewillig, altijd vroolijk, ons lief geworden man, klaagde en wrong zich sedert eergisteren onder steeds toenemende pijnen; hij klaagde voornamelijk over een steeds sterker wordend gevoel van koude. Wij hadden hem op een rendierslede gelegd, toen wij op den terugweg waren naar de Tschoem des herders; wij vervoerden hem op dezelfde wijze toen de hut ten vijfdemale werd verplaatst. Onder en tusschen ons lag hij weeklagend en bevend bij het vuur. Van tijd tot tijd hief hij zich op, ontblootte zijn lichaam om dit door het vuur te koesteren. Eveneens bracht hij zijn verkleumde voeten bij het vuur, zonder er op te letten, dat hem de voetzolen verbrandden. Eindelijk sliepen wij in, misschien ook hij; toen wij echter den volgenden morgen ontwaakten, was zijne plaats ledig. Buiten evenwel, voor de Tschoem, tegen eene slede geleund, het gezicht naar de zon gekeerd, welker stralen hij had opgezocht, zat hij rustig en stil, zonder te steunen, zonder te klagen. „Hadt” was dood.[350]

Wij begroeven hem eenige uren later naar zede en gebruik zijns volks. Hij was een eerlijk „heiden” geweest en moest dus insgelijks op heidensche wijze begraven worden. Onze „rechtzinnige” begeleiders weigerden zulks te doen; onze „heidensche” metgezellen verrichtten daarom dat, wel is waar niet christelijk, maar toch den mensch waardig werk met onze hulp. In het vijfde graf lag het zesde offer.

Zou dit graf het laatste zijn? Onwillekeurig vroeg ik mij zulks af, want het werd ons in dit gezelschap des doods al te akelig. Tot ons geluk was Hadts graf het laatste op dezen weg.

Ernstig, zeer ernstig gestemd, bedreigd door het steeds sterker gevoelde gebrek trokken wij verder, wederom in de richting der Schtschoetschja. Sanda voedde op schrale wijze onze manschappen, ons jachtbedrijf onderhield even armoedig ons zelf. Toen het ons gelukte op zekeren voormiddag een geheele familie ganzen buit te maken, bovendien nog hoenders, snippen en plevieren te schieten, vierden wij feest; nu toch konden we eten zonder karig te zijn. Het was echter hoofdzakelijk te danken aan onzen waard, dat wij het er goed af brachten.

De Schtschoetschja werd bereikt, wij kwamen, bijna van alles ontbloot, terug bij onze boot, en sedert veertien dagen baadden wij ons voor de eerste maal weder in een wel is waar zeer beperkt, maar voor ons toch onuitsprekelijk genot. Van de toendra namen wij voor altijd afscheid.

Een Schaman, wel is waar, dien wij verder de Ob op met visschen bezig vonden, en wien wij verzochten ons een bewijs te geven van zijn kunst en wijsheid, kondigde ons—na door middel van het dof geluid zijner tromJAMAUL, den met hem bevrienden bode der goden te hebben opgeroepen—als eene boodschap des hemels aan, dat wij reeds in het volgende jaar naar het onherbergzame, zooeven door ons verlaten land weder terug zouden keeren, maar dat wij ons alsdan derwaarts zouden wenden, alwaar de Schtschoetschja, Bodarata en Ussa haren loop beginnen. Want twee keizers zouden ons beloonen, onze „oudsten” zouden over onze geschriften tevreden zijn en ons opnieuw uitzenden. Op deze reis evenwel zou geen enkel ongeluk ons meer bejegenen. Zoo had de bode der goden, alleen voor hem verstaanbaar, gesproken.

Het laatste gedeelte der voorspelling is uitgekomen. Langzaam, wel is waar, maar zonder ongevallen of stoornissen voeren wij drie en twintig dagen lang de Ob naar boven, drie dagen op een na lang wachten[351]gelukkig bereikt stoomschip de golven van de Irtysch te gemoet. Zonder ongelukken, ofschoon niet zonder hindernissen, trokken wij het Oeral-gebergte over; snel gleden wij in een uitstekende stoomboot de Kama af; langzamer droeg het schip ons de Wolga op. InNischni-Nowgorod, in Moskou, in Petersburg werden wij even vriendelijk ontvangen als de eerste maal, in het vaderland met vreugde verwelkomd. Onze „oudsten” schijnen ook met onze geschriften tevreden te zijn:—naar de Toendra keeren wij, keer ik ten minste nimmer weder terug.[352]


Back to IndexNext