[Inhoud]XIII.DE HEIDENSCHE OSTJAKEN.Gemakkelijk en zonder inspanning is thans nog de strijd om het bestaan, dien de mensch in Siberië heeft te strijden, en hij zal zulks ook nog wel eeuwen blijven; gemakkelijk vooral in de zoo rijk door de natuur gezegende velden van het zuiden, maar ook evenmin hard en zwaar in die oorden, welke wij gewoon zijn te beschouwen als eene ijswoestijn, als eene ongastvrije wildernis, en die wij zelfs nog als zoodanig meenen te moeten kenmerken, wanneer wij die streken gedwongen doorreizen. Wel is het klimaat in het hooge noorden van West-Siberië ruw en streng; wel weigert hier de grond, die op geringe diepte onder het oppervlak het geheele jaar door bevroren is, iets tot voeding op te leveren, de zon het brood verstrekkende koorn tot rijpheid te brengen, maar ook hier schudde de milde natuur haar hoorn des overvloeds uit, en wat het land niet schonk, dat gaf het water. In onze oogen moge de daar reeds eeuwen verblijvende mensch arm en ellendig schijnen, in werkelijkheid is hij zulks niet. Ook hij kan er in zijn behoeften voorzien, ook hij omringt zich met gemakken en genietingen, die hem bevrediging schenken, en werpt zijn woonplaats meer af dan hij noodig heeft. Wel strijdt ook hij met meer of minder bewustzijn om een „menschwaardig bestaan,” maar geenszins met wrok in het hart tegenover de meer bevoorrechten, want hij is zelf meer bevoorrecht dan wij meenen, omdat hij bescheidener, meer voldaan, meer tevreden is dan wij zijn, en omdat hij datgene, wat wij hartstocht noemen, streng genomen, niet kent, omdat hij de vreugde, die voor hem opbloeit, met kinderlijke tevredenheid aanneemt, en het lijden, dat hem bezoekt, draagt met een wel diep gevoelde smart, maar het ook spoedig weêr vergeet evenals een kind.RENDIERSLEDE.RENDIERSLEDE.Ook aan zijn leger treedt de zwarte zorg; hij wijst deze evenwel terug zoodra ook maar de minste schemering van vreugde weder doorblinkt, en hij is de rampspoed geheel vergeten, zoodra het zonnetje des[353]geluks hem weêr vriendelijk toelacht. Ook hij prijst den rijkdom en klaagt over de armoede, maar hij vertwijfelt niet, wanneer de eerste hem begeeft, en hij verliest zijn verstand niet, wanneer de laatste in welvaart verkeert. Ofschoon volwassen, is hij een kind in al zijn denken, gevoelen, laten en handelen; hij is gelukkiger dan wij.De Ostjak, met wien wij aan de beneden-Ob hoofdzakelijk hebben verkeerd, met wien wij het meest in aanraking kwamen, en dien wij het best hebben leeren kennen, behoort tot den Finschen stam; hij deelt met een andere loot van dien tak, den Samojeed, hetzelfde geloof, met bijna alle Finnen in engeren zin, dus ook met de Lappen, nagenoeg gelijke zeden en gewoonten, dezelfde levenswijze; hij is rendierherder en visscher, jager en vogelvanger, evenals ook de Samojeed en Lap zulks zijn. Afgezien van het godsdienstig geloof, misschien ook van de taal, gelijkt hij echter meer op dezen dan op genen; want hij is zoowel gezeten kolonist als nomaad, terwijl de Samojeed, zelfs wanneer deze zich met de vischvangst bezighoudt, althans in het door ons bereisde gedeelte van Siberië, slechts zeer zelden zijn verplaatsbare hut met een vast blokhuis verruilt.OSTJAKEN.OSTJAKEN.Het kan zijn, dat de stam der Ostjaken vroeger talrijker was dan thans; een eigenlijk gezegd volk, naar onze begrippen, zijn zij nooit geweest. In sommige streken van het door hen bezeten of bereisd gebied zou het aantal inwoners bestendig af- in andere deelen daarentegen eenigszins toenemen; van veel belang is evenwel noch het een noch het ander. Men rekent hoog, wanneer men het totaal aantal zielen op vijftig duizend schat; in het geheele, groote ambtsgebied van Obdorsk, dat zich van den 65ngraad Noorder-Breedte tot aan het noordelijk uiteinde van het Samojeden-schiereiland, en van den Oeral tot aan den bovenloop der Chasz uitstrekt, leven, naar luid van ons verstrekte, officieele opgaven, tegenwoordig niet meer dan 5382 mannelijke Ostjaken, waaronder niet meer dan 1376 werkkrachten, of wat op hetzelfde neêrkomt, schatplichtige mannen. Nemen wij aan, dat het aantal vrouwen en meisjes even groot is, dan bedraagt het geheele aantal nog geen 11000 zielen, en het bovengenoemde cijfer is misschien daarom nog eer te hoog dan te laag genomen, al moge men ook aannemen, dat het woongebied onzer lieden aan de Ob zich tot in de streek van Soergoet, aan de Irtysch tot in de nabijheid van Tobolsk uitstrekt. Alle aan de Irtysch, alsmede aan den boven- en middelloop der Ob verblijf houdende Ostjaken bewonen vaste, zeer[354]eenvoudige, op die der Russen gelijkende blokhuizen, en slechts hier en daar, altijd zeer spaarzaam, treft men tusschen deze, reeds een hoogeren beschavingstoestand aanduidende vaste woningen, ook nog wel eens eene enkele tent van berkenbast aan,„Tschoem” geheeten, terwijl deze aan den benedenloop der Ob, inzonderheid tusschen Obdorsk en den mond des strooms bijna uitsluitend voorkomt; gelijk vanzelf spreekt maken deze Tschoems de eenige woningen dernomadischlevende Ostjaken uit. Zoo niet volkomen, toch bijna daarmede in harmonie is het feit, dat die Ostjaken, welke in dorpen wonen, leden zijn der orthodoxe[355]kerk, althans door den doop daartoe behooren, terwijl die, welke nog in Tschoems huizen, hun overoud, geenszins van poëzie ontbloot en nog minder onzedelijk, maar door de Russische priesters en dier trouwe volgelingen als een blind heidendom betiteld geloof zijn getrouw gebleven; zij belijden echter dit geloof met meer innigheid en overtuiging dan de anderen hun zoogenaamd Christendom, welk laatste, onbevooroordeeld opgevat, en zooals het zich in werkelijkheid voordoet, veeleer een onzinnige afgodendienst kan genoemd worden dan eene veredelde plaatsvervangster van het oude, uit een kinderlijk gemoed opgeweld en op kinderlijke wijze zich uitend geloof. Met het in bezit nemen van blokhuizen en de aanneming des Christendoms ging hand aan hand gepaard, dat de Ostjaken van de middel- en beneden-Ob en beneden-Irtysch niet alleen in zekere mate hun kleeding met die van den Russischen visscher hebben verwisseld, maar ook diens zeden en gewoonten gedeeltelijk hebben overgenomen. In gelijke mate hebben zij van de hunne verloren, ten deele ook de zuiverheid van hun stam daarbij ingeboet, en eigenlijk niets meer behouden dan de niet te vervreemden kenmerken, de taal en de daardoor bewaarde eigenaardigheden, evenals misschien ook nog de handigheid, levendigheid en—zorgelooze goedhartigheid, die den ganschen stam kenmerkt. Maar in geen geval mag men nu ook gaan denken, dat met die meerdere beschaving ook de zedelijkheid, met het Christendom de reinheid des gemoeds is vermeerderd; in elk geval bevredigt het meer de heidensche Ostjaken te leeren kennen en met een nog oorspronkelijk volk in aanraking te komen, dan zich op te houden bij zulk een gedeelte, dat nog slechts een schaduw kan zijn van hetgeen het voormaals was en wat de eerstgenoemden nu nog zijn. Ik bepaal mij alzoo in mijne mededeelingen tot die Ostjaken, welke nog heden ten dage geloovig opzien tot den god Ohrt, die nog heden ten dage in veelwijverij leven, wanneer hun vermogen zulks veroorlooft, die nog heden ten dage hun dooden op dezelfde wijze begraven, gelijk hun vaderen dit deden; mijne voorstelling toch kan er niets bij verliezen, wanneer ik die anderen uitsluit, in eenheid daarentegen slechts winnen, wanneer ik mij uitsluitend tot de heidensche Ostjaken bepaal.Van bijzondere stamskenmerken kan men hier moeielijk spreken, nog moeielijker is het deze te beschrijven. Ik heb herhaaldelijk getracht zulks te doen, maar steeds bevonden, dat het ondoenlijk is een gezicht in woorden af te beelden, of volledig de voor het oog waarneembare[356]raskenmerken door middel der pen uit te drukken. Onze luidjes verschillen ten opzichte van gelaatsvorm, huidkleur, haar en oogen ten zeerste van elkander; men kan hun soms niet eens aanzien, dat zij Mongolen zijn, en wanneer men werkelijk eens meent dat men duidelijke en bepaalde trekken heeft kunnen opmerken, dan leeren een aantal andere individuen ons wederom, dat die trekken verre van algemeen zijn. Als ik alles wil samenvatten, wat ik van de door ons waargenomen Ostjaken heb kunnen afzien en opteekenen, dan blijkt daaruit het volgende:De Ostjaken zijn van middelbare lengte, over ’t algemeen slank gebouwd, met vrij regelmatig gevormde handen, voeten en ledematen; de handen zijn eer groot dan klein te noemen, de kuiten zeer schraal; de vorm des aangezichts houdt het midden tusschen dien van andere Mongoolsche volken en de Noord-Amerikaansche Indianen; de bruine oogen toch zijn wel is waar klein, maar niet in ’t oogvallend sterk schuin geplaatst; de jukbeenderen steken niet bijzonder vooruit, terwijl het benedengedeelte des aangezichts zoo tegen de smalle en spitse kin is aangedrukt, dat het geheele gelaat een puntig voorkomen erlangt, daar ook de lippen scherp besneden zijn. Het gelaat krijgt door een en ander, vooral bij kinderen en vrouwen, iets katachtigs, alhoewel de neus in ’t algemeen weinig, bij velen bijna geheel niet afgeplat is. Het welige, sluike, maar niet stijve haar is meestal zwart of donkerbruin, zelden lichtbruin en nog zeldzamer blond, de baard dun, doch slechts ten gevolge van de gewoonte der jeugdige fatten, dezen, zoodra hij verschijnt, uit te trekken. De wenkbrauwen zijn zwaar, dikwijls geweldig zwaar. De huidkleur doet in blankheid voor die van een zich veel in de frissche lucht, in wind en weder bewegenden Europeaan, weinig onder en de geelachtige tint, die regel is, kan soms geheel ontbreken.Wanneer het hier gezegde voor de meeste Ostjaken als geldend kan beschouwd worden, volgt daaruit toch nog niet, dat men bij eene nauwkeurige waarneming onzer luidjes in twijfel kan staan ten opzichte van het ras, waartoe zij behooren. Enkelen hunner doen zich reeds bij den eersten vluchtigen blik als Mongolen kennen. Zij zijn klein van gestalte, de bruine, levendige oogen staan schuin in het hoofd, en zijn lang gespleten, de jukbeenderen zijn dik, de stijve haren pikzwart en alle gewoonlijk ontbloote deelen des lichaams bepaald koperrood of lederbruin gekleurd.[357]Over de taal der Ostjaken kan ik niet oordeelen, maar wel kan ik zeggen, dat deze in twee, ook voor vreemde ooren duidelijk te onderscheiden dialekten vervalt; het eene dialekt wordt aan den middelloop der Ob gesproken en is zeer welluidend, ofschoon iets gerekt en zangerig, terwijl het tweede, dat aan den benedenloop der rivier gebruikelijk is, sneller wordt uitgesproken, alhoewel de afzonderlijke lettergrepen nog altijd duidelijk genoeg gehoord worden. De gewoonte der hier wonende Ostjaken, zich van de meer weeke Samojedentaal te bedienen, heeft op een en ander grooten invloed uitgeoefend.Terwijl de Christelijke Ostjaken, gelijk ik reeds opmerkte, de kleederdracht der Russen naäpen en de vrouwen slechts hierin van die der Russische visschers onderscheiden zijn, dat zij haar kleedingstukken met bonte glasparels versieren, ook wel eens vreemdsoortige, op de stola van een Roomsch-Katholiek priester gelijkende, rijkelijk met parels opgetooide, in strikken gebonden linten dragen, gebruiken de heidensche Ostjaken uitsluitend rendiervellen—hertenvellen, gelijk de Russen zeggen; de huiden van andere dieren dienen soms tot bijzondere versiering der eerste. De kleeding bestaat uit een (tot over de knieën hangende) bij de mannen alleen op de borst, bij de vrouwen langs den geheelen voorkant gespleten en dan met leeren riemen vastgebonden, eng sluitenden pels met daaraan gehechte of althans daarbij behoorende monnikskap en aangenaaide handschoenen, een lederen broek, die tot onder de knie reikt en leeren kousen, die boven de knie bevestigd worden. De pels is bij de vrouwen van voren, langs de opening, met kleine, vierkante, kortbehaarde, bontgekleurde stukjes pels, van beneden met een breede strook van hondenvel omzoomd. Bij de mannen ontbreekt ook dit laatste tooisel niet. Een kap bevindt zich ook aan den pelsmantel der vrouwen. De leeren kousen der laatsten worden, als zij bijzonder mooi moeten zijn, vervaardigd uit met smaak aaneengenaaide repen der bonte huid, die de pooten der rendieren omgeeft, terwijl hieraan een lompe schoen wordt vastgenaaid, die met riemen verder om den voet wordt bevestigd. Eene breede, meestal met metalen knoopen bezette leeren gordel, waaraan het mes hangt, bindt den pels der mannen om het lijf vast; een bonte, met lange franjes versierde hoofddoek, die in den zomer de plaats der kap vervangt, valt over den pels der vrouwen naar beneden. Hemden kent men niet; daarentegen draagt de vrouw een gordel, dien wij niet kennen. Wil zij zich eens recht mooi maken, dan steekt de Ostjaksche dame zooveel eenvoudige koperen,[358]soms zilveren ringen aan alle vingers, als zij er met mogelijkheid maar aan kan rijgen, zoodat de hand als het ware in een metalen pantser zit opgesloten; ook hangt zij zich eene meer of minder zware ketting van glasparels om den hals en zeer zware, uit glasparels, draadsnoeren, of metalen knoopen samengestelde kwastvormige versierselen in, of eigenlijk over de ooren. Het haar wordt in twee, tot op de kuiten neêrhangende vlechten gedeeld, welker einden met gedraaide wollen snoeren omwoeld worden. Hetzelfde doet ook de Ostjaksche saletjonker, een bewijs, dat alle gekken der aarde op elkander gelijken. De mannen dragen gemeenlijk het haar lang, maar los.Eenvoudiger nog dan de wel is waar niet zeer schoone, maar voor winter en zomer beide vrij geschikte kleederdracht, en even doelmatig als deze, is de woning der Ostjaken, de „Tschoem”. Hieronder verstaat men eene verdraagbare, kegelvormige, met berkenschors omkleede hut, die zoowel den visschers als nomaden tot verblijf dient. Van twintig tot dertig dunne, glad gemaakte, van boven en beneden spits toeloopende, vier tot zes meter lange, in een cirkel opgestelde palen, vormen het geraamte; twee dier palen zijn dicht bij het boveneind aan elkander vastgeknoopt, de overige dienen tot steunpunten. Vijf à acht uit kleine, vooraf gekookte en daardoor week gemaakte stukken berkenschors gevormde platen, wier vorm in overeenstemming is gebracht met dien des kegels, maken het buitenbekleedsel uit, terwijl eene van de windzijde afgekeerde opening gesloten wordt met een plaat van gelijk materiaal; dit is de deur. De hut blijft van boven open om aan den rook vrijen doortocht te verleenen. Van de deur naar den tegenovergestelden wand der hut loopt een gang, in welks midden het vuur wordt aangelegd; hierboven zweven twee horizontale stokken, die aan de buitenpalen zijn vastgebonden, en welk toestel deels dient om er den kookketel aan op te hangen, deels om een en ander te drogen. Rechts en links van straks genoemden gang zijn planken of matten over den grond gelegd, over welke men zich beweegt, en die meteen de slaapsteden afpalen, wier hoofdeneind naar den wand is gekeerd. Uit carexstengels gevlochten matten, langharige, zachte rendierhuiden, en met rendierhaar of gedroogd watermos opgevulde kussens dienen tot bedden, pelzen tot dekens; eene muggentent, waaronder in den zomer de geheele familie kruipt, beschermt de slapenden oneindig beter tegen de gevleugelde kwelgeesten dan het aan den ingang van de Tschoem voortdurend brandende, met wilgenloof gevoede, smeulende vuur. Een[359]kook-, thee- en drinkketel, schalen, lederen meelzakken, andere ter bewaring van het hard gebakken roggebrood, kleine, sluitbare kistjes, ter berging van de kostbaarste goederen, inzonderheid ook van het theeservies, een bijl, een boor, een leerschaaf, een komvormig naaikistje, bogen, buksen, sneeuwschoenen, alsmede verschillende jachtgereedschappen, voltooien het huisraad; in de plaats der heiligenbeelden, die in de hutten der Christelijke Ostjaken bijna nooit ontbreken, prijkt hier een afgodsbeeld.Tegen de koude en stormen van den winter beveiligt men de Tschoem door er eene, uit afgedragen pelzen saamgenaaide deken van buiten over heen te spreiden, of, wat nog beter is, door een tweeden mantel van berkenschors.Is de eigenaar der Tschoem een visscher, dan ziet men buiten de hut een droogtoestel voor de netten en droogstaken voor de visschen, zeer net bewerkte, ongemeen lichte en kunstige fuiken, een aantal bijzonder kleine booten, benevens nog ander vischgereedschap; is hij tevens jager, dan allerlei jagerstuig, b.v. stelbogen en automatisch werkende handbogen. Is de Tschoembaas een rendierherder, dan een aantal met zorg bewerkte sleden en daarbij behoorend tuig, alsmede eene ook voor hem onmisbare boot.Iedere Ostjak is een kundig visscher, bijna iedereen tevens jager of vallensteller, maar niet ieder is een trekherder. Rendieren te bezitten beteekent zooveel als welgesteld te zijn, veel rendieren zijn eigendom te noemen is gelijkluidend met rijk zijn. Hij, die alleen van de vischvangst moet leven is arm. Paarden en runderen worden zeldzaam, dan nog alleen in zeer gering aantal gevonden, en zulks enkel in de nederzettingen aan den middenloop der rivier; ook houdt men eene enkele maal schapen, misschien wel soms eene kat; de ware huisdieren evenwel zijn het rendier en de hond. Zonder deze, in elk geval zonder het rendier, kan de welgestelde man, naar hij meent, niet leven; zij alleen verschaffen hem wat hij levensvreugde noemt. Even gelijk deBedoeïn, de trekkende herder van Centraal-Afrika, zich verheven waant boven zijn stamgenoot, die het veld bebouwt, even gelijk de Kirgies minachtend neêrziet op hem, die de aarde bewerkt, zoo grijpt ook de rendierhouder, zelfs de rendierherder alleen dan naar net en angel, wanneer hij persoonlijk trek heeft in visch, terwijl de visscher niet enkel voor zich zelf, maar ook als knecht voor anderen het net uitwerpt en de fuik stelt. Naar het aantal rendieren berekent de Ostjak allen menschelijken[360]rijkdom en zijn persoonlijk geluk. Daarom verliest hij niet alleen dien rijkdom en dat geluk, wanneer de worgende ziekte zijn kudde vernietigt, maar nog veel meer: aanzien en rang, zelfbewustzijn en vertrouwen, ja, het is niet te sterk uitgedrukt, wanneer men er bijvoegt, zijn geloof, zijn zeden, zijn gewoonten, zijn eigen persoonlijkheid. „Zoolang de ziekte nog niet onder onze kudden woedde”, zoo zei ons eens de bestuurder eener gemeente,Mamroe, de verstandigste Ostjak, dien wij ooit leerden kennen, „leefden wij blijmoedig, en wij waren rijk; sedert wij onophoudelijk door verliezen worden getroffen, worden wij allengs tot arme visschers; wij kunnen zonder rendieren niet bestaan, zonder hen niet leven.” Arme Ostjaken! In deze woorden ligt uw lot besloten. Reeds op dit oogenblik zijn de eens bij honderdduizenden te tellen rendieren tot vijftigduizend ingesmolten, en nog steeds woedt het miltvuur onder de geweidragende kudden voort. Wat zullen de gevolgen zijn? De Russische popen zullen meer Christenzieltjes winnen, de Russische visschers steeds meer knechten, maar Ostjaken zullen er slechts in naam meer bestaan,—en deze tijd ligt in geen zeer ver verschiet.Het Noord-Aziatische rendier is een schepsel, dat veel afwijkt van zijn Laplandschen soortgenoot; het is niet alleen grooter en edeler, maar in den waren zin des woords een huisdier. Wij meenden het goed te kennen, want wij hadden het in Lapland gezien en met het nauwkeurig oog des natuurkenners gadegeslagen; maar in Siberië kwamen wij tot de overtuiging, dat wij nog geen juiste denkbeelden over dit merkwaardig dier hadden gewonnen. Ginds in Lapland hadden wij een hert leeren kennen, dat zich slechts met tegenzin boog onder het juk van den kleinen man, een hert, dat oogenschijnlijk elk oogenblik bedacht was op het herwinnen zijner vrijheid; hier in Siberië kwam ons een dier onder de oogen, dat volgzaam was en gewillig, den mensch genegen en zich aan dezen toevertrouwend. De Ostjak weet er dan ook voortreffelijk mede om te gaan. Hij behandelt het wel niet met die innigheid, waarmede hij den hond streelt, maar in geenendeele onvriendelijk, en slechts bij hooge uitzondering ruw en hard. In tegenstelling met de gewoonte der Lappen melkt hij het niet, maar gebruikt het veel meer voor de slede dan genoemde volken. Het moet hemzelf en zijn gezin, de Tschoem met alle toebehoor, en alle overige op de reis mede te nemen lasten, zoowel in den zomer als in den winter, van de eene plaats naar de andere brengen, terwijl de Lap slechts in[361]den winter van het rendier als trekdier gebruik maakt. Van de geslachte rendieren gebruikt hij, evenals de Lap, alle deelen, met uitzondering alleen van maag en darmen. Het vleesch dient hem tot voedsel, van de beenderen en het gewei maakt hij verschillende voorwerpen, uit de pezen naaigaren, de huid en haren gebruikt hij zoo, of hij bereidt er leer uit; zelfs de tanden vinden eene nuttige toepassing. Met het rendier rijdt de Ostjak in zijn lichte slede, ’s winters en ’s zomers, van plaats tot plaats, naar de woning der bruid, naar zijn feesten, ter jacht, en naar de begrafenis zijner vrienden; het rendier vervoert zijn dooden naar de laatste rustplaats; het rendier wordt door hem geslacht en ter eere zijner gasten en dooden opgegeten; in de rendierhuid hult hij dezen en zich zelf. Zeer zeker, hij kan zonder het rendier niet bestaan, niet leven.Weinig minder diensten bewijst hem zijn tweede huisdier, de hond. Niet alleen de rondzwervende herders, maar iedere Ostjak houdt en verzorgt honden, de visscher zoowel als de jager, de gezeten man zoowel als de nomaad. De Ostjaksche hond behoort tot twee, voornamelijk door hun grootte van elkander afwijkende rassen. Of onze hondenminnaars hem fraai vinden durf ik niet beslissen; wat mij aangaat, ik moet dit dier reeds daarom fraai noemen, dewijl het, alleen de kleur uitgezonderd, nog alle kenmerken der wilde honden bezit. Hij komt het meest overeen met onzen „spits”, maar is gewoonlijk wat grooter, somtijds zoo groot, dat hij den wolf nabij komt; ook in slankheid van bouw wint hij het van den keeshond. De kop is lang, de snuit van middelmatige lengte, de hals kort, het lichaam lang, de pooten zijn dun, de staart is middelmatig van lengte, het gitzwarte oog schuins gespleten, het korte, spitse oor recht, het haar zeer dicht en lang, uit wol- en borstelharen bestaande, de kleur verschillend, meestal zuiver wit, of wit met zwarte, meest regelmatige teekening aan beide zijden van den kop, alsmede op de ooren, rug en flanken, of ook wel grijs gewaterd en gegolfd, maar nooit gestreept. De zwakbehaarde staart hangt meest naar beneden of is recht uitgestrekt, nimmer naar boven gekruld, waardoor de overeenkomst met een wilden hond nog meer verhoogd wordt.De gedurige omgang met den mensch heeft den Ostjakschen hond tot een zachtaardig dier gemaakt. Hij is waakzaam, maar niet bijtachtig, moedig, maar niet strijdlustig, trouw en ijverig, maar niet boos tegen vreemden; wantrouwend, ofschoon niet bijzonder onvriendelijk, loopt hij op den vreemdeling af, maar niet zoodra ziet hij zijn meester met[362]dezen spreken of met hem de Tschoem binnengaan, of hij nadert ook dezen vertrouwelijk. In geen enkel opzicht verwend, en gaarne de ruimte van de Tschoem met zijn meester of meesteres deelende, stelt hij zich toch ook, zonder van onlust blijk te geven, aan wind en weêr bloot, werpt zich zonder bedenking in het koude water der rivier en zwemt rechtstreeks over breede armen, of draaft zonder morren door de toendra onder de slede, aan welke men hem heeft vastgebonden, door poelen en moerassen, door struikgewas en water. Verstandig en slim, vindingrijk en vlug, weet hij zich het leven aangenaam te maken en zich door alles heen te slaan.In de Tschoem ligt hij naast de lekkerste hapjes zonder ze aan te raken; buiten de hut zijns meesters is hij de snoepachtigste en brutaalste dief; in de toendra loopt hij geduldig door het dichte struikgewas der dwergberken onder de slede; in het gladde moeras of op andere goede wegen legt hij zich met vooruitgestrekte pooten op de boomen der slede en laat zich trekken; op de jacht vergezelt hij zijn baas als een trouw en nuttig metgezel; den vreemdeling evenwel kaapt hij het door hem bespeurde, door dezen geschoten wild, voor de oogen weg en eet dit met zulk een schuldeloos genot op, dat het onmogelijk is zich boos op dit dier te maken. De herten kent hij door en door in al hun eigenaardigheden en gebreken, zoodat hij bij het weiden der kudde goede diensten bewijst, maar zoo op hem vertrouwen als op den herdershond kan men toch niet, want hij volgt zijn eigen oordeel en doet dan alleen volgzaam zijn plicht, wanneer hem zulks bepaald noodzakelijk schijnt.De hond der Ostjaken bewijst zijn diensten als speelkameraad, als bewaker van de Tschoem, als oppasser der kudde en als trekdier, terwijl hij ook nog na zijn dood nut afwerpt. In den winter alleen wordt hij voor de slede gespannen, en dan legt men hem dikwijls zulk een dwaas tuig op, dat hij, wanneer men al te veel van zijn krachten vergt, reeds na weinige jaren lam van lendenen rondhinkt. Na zijn dood moet hij zijn uitstekend vel afstaan, ja sommige Ostjaken houden alleen voor dit doel een overgroot aantal honden.Voor hetzelfde of soortgelijke doeleinden strekken sommige uit het nest geroofde jonge zoogdieren en vogels, vooral vossen, beren, uilen, kraaien, kraanvogels, zwanen, enz. die men soms voor de Tschoems der visschers en trekherders, vastgebonden, aantreft. Zoolang deze dieren jong zijn worden zij vriendelijk bejegend en goed gevoed; zoodra[363]zij volwassen zijn en huid of veêren waarde hebben verkregen, worden zij gedood; men eet op, wat eetbaar is en gebruikt huid en veêren; de huid wordt somtijds voor een verbazend hoogen prijs verkocht.De hond schikt zich ook hier, even gelijk elders, naar den wil van den mensch, maar de mensch moet zich voegen naar de behoeften van het rendier. Deze behoeften en geenszins de luimen van den herder bepalen het nomadische leven der rondzwervende Ostjaken, even gelijk het komen en gaan der visschen op het doen en laten der gezeten stambroeders van grooten invloed zijn. De tochten der rendierherders en hunne kudden zijn de gevolgen van gelijke oorzaken en bewegen zich in dezelfde richting als die der Kirgiezen, doch zijn van de tochten der laatstgenoemden hoofdzakelijk hierin onderscheiden, dat zij ook in den winter niet worden afgebroken, maar zelfs in dit jaargetijde nog veelvuldiger en afwisselender worden. Wanneer de sneeuw begint te smelten trekt de Ostjaksche nomaad langzaam naar het gebergte; met het beginnen der muggenplaag klimt hij de berghellingen, of althans naar den rug der heuvelklingen omhoog; met het verdwijnen der muggen, van welke dieren ook de hoogten niet geheel en al bevrijd blijven, keert hij allengs naar de lage toendra terug, om hier, zoo mogelijk in de nabijheid van de rivier zijns geboortelands den winter door te brengen. Zoo is de kringloop, dien hij jaar in, jaar uit, volbrengt, zoo niet de verschrikkelijke ziekte, het besmettelijke miltvuur, hem overvalt.Nog vóór de korte zomer in zijn onvriendelijk land aanbreekt, nog vóór het eerste voorjaarsleven ontwaakt, in den tijd, dat het sterke ijsdek nog onaangetast op den grooten stroom en diens nevenrivieren, op de ontelbare meren der toendra ligt, werpen de rendieren hun jongen. Nu vooral is het zaak eene plaats op te zoeken, die moeder en kroost genoeg voedsel oplevert. Te dien einde trekt onze herder niet naar de diepere dalen, maar naar de hoogte, van welker toppen de wind de sneeuw wegblaast, om hier zijn Tschoem op te slaan. Hier vertoeft hij geruimen tijd, totdat het rendiermos overal in ’t rond weggevreten is, en ook de breede hoeven van het rendier, waarmede het de sneeuw wegkrabt, om tot het daaronder verscholen plantendek te geraken, geen diensten meer kunnen bewijzen. Dan breekt hij nogmaals op en richt zich naar eene nabijzijnde plek, die gelijke voordeelen aanbiedt als de eerste. Ook deze wordt niet verlaten alvorens er geen voedsel meer is, want nog verheugt hij zich in een tijd, dien[364]hij den goeden mag noemen. De kudden weiden thans in gesloten troepen; er heerscht volmaakte vrede onder de herten, wier gewei thans begint uit te spruiten; de ouden verliezen haar kalveren nog niet uit het oog; de kudde verstrooit zich niet, en dwaalt niet verder van de Tschoem af dan tot waar het geroep des herders reikt, dat hen tegen zonsondergang weêr bijeen en in de omgeving der hut verzamelt. Gedurende den nacht dwaalt wel de vratige wolf in ’t rond, dien de winter uit het gebergte naar de laag-toendra verdreef, maar de moedige honden houden scherpe wacht en weren den laffen roover; onze herder bekommert zich deswege even weinig om den wolf als om den winter, welk jaargetijde hij, evenals alle volksstammen van het hooge noorden als het beste beschouwt. Ook worden de korte dagen allengs langer, de nachten steeds korter, de gevaren voor zijne weêrlooze kudde dus kleiner. De rivier werpt haar ijskleed af; de verwarmde wateren van de zuidelijke steppen voeren lauwe winden naar het noorden; de eene heuvelketen na de andere wordt vrij van sneeuw, en hier zoowel als in het dal vinden de tegen het weder geharde dieren eene rijkelijk voorziene weide;—de laag-toendra is in de oogen onzer herders tot een waar paradijs geworden. Maar slechts kort duurt voor hem en zijn kudde dat heerlijke leven. De snel rijzende, altijd langer, steeds warmer stralende zon smelt ook in de vlakke dalen de sneeuw, op de breede meren het ijs, doet zelfs den bevrozen grond ontdooien en roept nevens de onschuldige kinderen van het voorjaar ook de milliarden kwelgeesten, de muggen, de brutale bremsen, wier larven eerst voor weinige weken uit de neusholten der rendieren gehoest werden, in ’t leven. Nu begint eerst voorgoed de verhuizing; nu trekt de herder, wel in korte dagreizen, maar zonder zich op te houden, naar het gebergte. Met het opdrogen van den morgendauw, die de mossen, korstmossen, grassen en jonge bladeren der dwergachtige struiken bedekte, breken de vrouwen de Tschoem af, die zij eerst gisteren opsloegen, en beladen de sleden, die zij op denzelfden tijd ontpakt hadden. Ondertusschen jaagt de herder op zijne lichte, met vier krachtige herten bespannen slede naar de verstrooide, nog grazende of in groepjes gelegerde kudde, drijft de dieren bijeen en naar de legerplaats, waar de familieleden reeds geheel gereed zijn. Een dun touw, waar de rendieren slechts zelden overheen durven springen, in de handen houdende, vormen zij samen een kring om de kudde; de herder begeeft zich met een vangsnoer of lasso in de rechterhand midden onder de[365]kudde, werpt het daarvoor bepaalde hert zonder te falen den strik om den hals of om het gewei, maakt het touw vast, haalt het naar zich toe en geeft last, dat alle andere dieren zullen worden vrijgelaten; hij bestijgt daarna weder zijn slede en rijdt weg. Alle overige sleden, door de medeleden der familie bestuurd, volgen in lange rijen; blatend of brommend en bij elken stap een knetterend geluid latende hooren, zet zich ook de gansche vrije kudde in beweging; de honden eindelijk rennen en springen, onder voortdurend geblaf, om de kudde heen en houden de rendieren zoo goed mogelijk bij elkaar; toch kan zulks niet verhinderen, dat er nu en dan een afdwaalt of achterblijft. De kudde breidt zich meer en meer uit en tooit op schilderachtige wijze alle hoogten; door een of ander bijzonder lekker voedsel vastgehouden, verwijlt zij troepsgewijs hier en daar eene poos; door de kalveren aangezocht vervullen de moeders haar plichten, gaan wel eens ten gevalle van het door de melk verzadigde jong naast haar kind liggen, totdat de adelaarsblik van den heer der kudde dit misdrijf opmerkt, hij zijwaarts uitwijkt om door zijne krachtige stem, of met behulp der inmiddels opontboden honden de achterblijvers vooruit te drijven. Opnieuw laat zich een algemeen geloei hooren, de honden blaffen nog luider en de schare golft verder; een bosch van geweien dringt voorwaarts en zeker jagersvuur ontvonkt het hart van den toeschouwer uit vreemde landen.De zon daalt; de trekdieren zuchten en steunen met ver uit den mond hangende tong; het wordt tijd hun rust te geven. Op geringen afstand, in de nabijheid van een der vele meren, verheft zich een zwak gewelfde kegel; de herder slaat die richting in; op de hoogte laat hij zijn geweidragend vierspan stilhouden. De eene na de andere slede komt aan; de losse kudde eveneens, om dadelijk met grazen aan te vangen, de uitgespannen trekkers volgen hen.IN DE TSCHOEM.IN DE TSCHOEM.De vrouwen zoeken eene geschikte plaats uit om de Tschoem op te bouwen; zij plaatsen de stokken in een cirkel in den grond en omkleeden ze met den mantel van berkenschors; de herder echter begeeft zich met zijn voor het gebruik gereedliggend werptouw onder de kudde, kiest met kennersoog een jong en vet hert uit en werpt dit den strik om den hals en over het gewei. Tevergeefs spartelt het dier en tracht zich los te maken, nader treedt de herder en weêrloos volgt het dezen naar de inmiddels reeds opgerichte Tschoem. Een slag met een bijl op het achterhoofd doet het slachtoffer ter aarde storten, een messteek door het hart maakt een eind aan zijn leven. Twee minuten later is[366]het dier reeds van de huid ontdaan, opengesneden en schoongemaakt; eene minuut later doopen alle, spoedig zich bijeen scharende familieleden de in repen gesneden lever in de met bloed gevulde borstholte, en de letterlijk „bloedige maaltijd” neemt een aanvang. In een kring gehurkt om het nog warme hert, snijdt elk der gasten ribstukken of stukken van rug- en dijspieren af; de lippen verven zich rood alsof zij geblanket waren; de bloeddruppels vloeien langs kin en borst; de handen worden almede geverfd en besmeerd met bloed, niet minder[367]neus en wangen, en bloedige gezichten staren den onthutsten vreemdeling aan. De zuigeling maakt zich los van de moederborst om insgelijks aan den maaltijd deel te nemen, en van pret gilt hij het uit, wanneer hem de moeder nog een mergbeen stukslaat en dit om het uit te zuigen toereikt, nadat het wicht alvorens een stuk lever naar binnen heeft geslagen en ook daarbij zijn gezicht, wangen en handen en nog meerdere lichaamsdeelen met bloed rood heeft geverfd. De honden zitten in ’t rond en knagen de hun toegeworpen beenderen af. Verzadigd gaat de een na den ander opstaan, wischt zich de bloedige hand aan het mos af, reinigt het mes op dezelfde wijze en keert dan in de Tschoem terug om er behagelijk uit te rusten. De huisvrouw vult den kookketel met water, legt er zooveel vleesch van het half opgegeten dier in als deze bevatten kan, en maakt vuur aan om het avondeten te bereiden.Ondertusschen heeft de herder zijn bovenkleed uitgetrokken en haastig, ofschoon nooit zonder succes onderzocht, en gaat nu zoo dicht bij het vuur liggen, dat de vlam hare volle werking op het naakte bovenlijf kan uitoefenen. Hij voelt zich meer dan lekker en denkt aan nieuw genot. Een vreemde snaak, die in zijn gezelschap naar het gebergte trekt, een Duitscher van herkomst, wellicht een medelid van de Bremer expeditie naar West-Siberië, heeft hem niet alleen tabak, een inderdaad afschuwelijk, maar zeer krachtig kruid vereerd, doch daarenboven ook nog een groot stuk papier, een geheele „Kölnische Zeitung” geschonken. Hij scheurt voorzichtig van deze laatste een vierkant stuk af, draait hieruit een klein spits peperhuisje, vult het met tabak, maakt in ’t midden een kneep, en het pijpje is gereed, brandt een oogenblik later zelfs prachtig en ruikt zoo heerlijk, dat zijn vrouw de neusgaten openspert en naar hetzelfde genot verlangt. Deze wensch wordt terstond bevredigd en het pijpje maakt zelfs een rondreis langs elk der familieleden.Doch er is leven gekomen in den pot; de avondspijs is gereed en „allen roeren de handen voor het lekker bereide maal”. Daarna gaat de herder voor de deur der hut staan, stoot in langgerekte klanken een verdragend geroep uit, dat heden voor de laatste maal de onrustige kudde bijeenbrengt om nu gerustgesteld in de Tschoem terug te keeren.Intusschen heeft de vrouw hier de muggentent opgeslagen en is nu nog bezig met den benedenrand onder de dekens te stoppen. Gedurende dit bedrijf pakt de man, die op zijn leger ligt te wachten een hond,[368]waarmede hij speelt als ware het een kind, welke behandeling de hond zijnerzijds zich gaarne laat welgevallen, daar hij zich zulks als eene hooge gunst en eer toerekent. Hierop kruipt de man half naakt onder de muggentent, de vijftienjarige zoon volgt zijn voorbeeld, en diens kleine, dertienjarige vrouw doet hetzelfde; de zorgvolle moeder brengt ook de kinderen, den zuigeling in de wieg hieronder begrepen, mede in veiligheid, sluit de deur en begeeft zich naar de andere huisgenooten. Weinige minuten later en een diep gesnork verkondigt, dat allen den slaap des rechtvaardigen hebben gevonden.Den volgenden morgen begint hetzelfde dagwerk en zoo gaat het voort, tot de hoogten der gebergten veroorloven, om langer rust te nemen en langer op dezelfde plaats te vertoeven. De hier, op deze hoogte zoo vroegtijdig vallende sneeuw dwingt reeds in Augustus tot opbreken, en wederom brengt de reis, thans wat langzamer en gemakkelijker, herder en kudde naar de laagte terug.Met het verdwijnen van het ijs begint ook het visschersbedrijf aan de rivier. Vele Ostjaksche visschers werken voor loon of ook wel in vereeniging met de Russen, terwijl anderen slechts een gedeelte der vangst aan hen verkoopen en voor eigen rekening visschen. Dadelijk na den ijsgang richten eerstgenoemden hun Tschoem naast de hutten der Russen op, of betrekken hunne aan het water gelegen zomerverblijven, blokhuizen van de allereenvoudigste soort. Ter plaatse, waar een nevenrivier in den stroom uitmondt, paalt men haar of een der armen af door middel van eene omheining, die slechts ééne opening vrij laat; bij lagen waterstand stelt men fuiken en legt men grondangels; daarenboven vischt men nog met treknetten en sleepnetten.Groote bedrijvigheid heerscht er op alle vischplaatsen, wanneer de vangst goed is. Halfvolwassen jongens zitten op eene schommelende stellage, in gebogen houding boven de opening der omheining en kijken met scherpe oogen naar beneden in het troebele water om te zienofer ook visschen loopen binnen het voor den doorgang gespannen en door hen vastgehouden kruisnet, beuren dit van tijd tot tijd met den gevangen buit op en ontlasten den inhoud in de kleine boot. De mannen visschen gezamenlijk met het treknet op de zandbanken of, op de ondiepe plaatsen der rivier, met het sleepnet. ’s Namiddags of tegen den avond keeren de visschers naar huis terug en verdeelen onder de huisgezinnen de vangst. Den volgenden morgen begint de arbeid der vrouwen. Afzonderlijk of in groepjes geschaard, hurken zij om de[369]groote hoopen visch, ieder voorzien van eene plank en een scherp mes, om de visschen te ontschubben, schoon te maken, in stukken te snijden, in te kerven en op lange dunne stokken te steken, die dan op droogstellen ter droging worden gehangen. Eene vaardig uitgevoerde snede opent de buikholte van den visch en scheidt de zijspieren van de wervelkolom, terwijl enkele handgrepen de lever en de overige ingewanden van kop en geraamte en de kostbaarder zijdeelen des lichaams wegnemen. De eene lever na de andere glijdt over de gretige lippen, want de vrouwen hebben nog niet ontbeten en nemen dit al vast als voorspijs. Is men nog niet verzadigd, dan wordt er een visch ontschubd, schoongemaakt, in lange repen gedeeld, het eene eind van zulk een reep door het bloed gehaald, en dan in den mond gebracht; snelle, rakelings voorbij den tip van den neus gaande messneden verdeelen de reep in passende stukken, die een voor een in een afgrond verdwijnen. Ook de kinderen, die bedelend de moeders omringen, verkrijgen ieder naar hun ouderdom hun aandeel in lever en spiervleesch; vierjarige telgen hanteeren het mes reeds even vaardig als de ouden en snijden op gelijke wijze de mondbeten af. Dit is de gewone wijze van eten, en ook het rendiervleesch wordt op gelijke wijze genuttigd. Spoedig glimmen de aangezichten van moeders en kroost van visschenbloed en levertraan, de handen van schubben. Zijn alle visschen behandeld en opgehangen, dan verkrijgen ook de honden, die begeerig, ofschoon niet lastig, zich om de vrouwen hadden gelegerd, hun aandeel t.w. de schubben, die op een grasbosje worden geworpen, en gulzig woelen de zwarte snuiten in dit gras.Het morgenwerk is verricht en men heeft recht op eene kleine uitspanning. De moeders nemen haar zuigelingen op den schoot, reiken dezen de borst en gaan nu over tot eene zekere verrichting, even noodzakelijk voor haar zelf als voor de kleinen: de jacht op parasieten. Het eene kind na het andere legt zijn kopje in den schoot der moeder, daarna legt deze zelf het hare in dien der oudste dochter of van eene buurvrouw, die op gelijken wederdienst hoopt; de jacht is meestal zeer voorspoedig. Het gevangen wild wordt, zoo niet opgegeten, dan ten minste tusschen de lippen genomen, en met de tanden verbrijzeld; voor een natuuronderzoeker, die de apen heeft waargenomen, is zulks niets nieuws, en het strekt hem, die inDarwinsleerstellingen meer ziet dan enkel hypothesen, als bewijs te meer voor het „atavisme” of het terugkeeren tot de gewoonten der voorouders.[370]De zon daalt, en de mannen, jongelingen en knapen komen met nieuwen zegen aandragen. Zij hebben naar hartelust rauwen visch gegeten, thans verlangt de ziel naar warme spijs. Een groote, dampende ketel met gekookte visschen, kostelijke renken,—naaste bloedverwanten van den zalm—worden hun voorgezet; met vischvet doorweekt brood is de toespijs, terwijl de maaltijd besloten wordt met tegelthee, die met koud water op het vuur gezet en lang gekookt is geworden. „Wanneer evenwel de begeerte naar spijs en drank gestild is” verlangt ook de geest naar voedsel, en daarom is de kunstenaar hoogst welkom, die de door hem zelf vervaardigde harp of cither te voorschijn haalt, òf om deze te bespelen, òf om een der inlandsche, onbeschrijfelijk karakteristieke liederen, òf om den vreemden dans der vrouwen te begeleiden, bestaande in opheffingen en neêrbuigingen van het lichaam en het volbrengen van allerlei bewegingen met de armen, die nu eens om elkander worden geslagen, dan weder uitgestrekt, daarna naar het lichaam teruggetrokken. Deze feestelijkheden duren net zoo lang totdat men met het opslaan der muggentent gereed is, als wanneer jong en oud onder derzelver plooien verdwijnt.De zomer is voorbij, en de korte herfst wordt opgevolgd door den winter. Nieuwe bedrijvigheid ontstaat met het trekken der vogels; met den winter ontwaakt een nieuw, ja het eigenlijke, rijke leven der Ostjaken. Het verraderlijke net wordt voor de wegtrekkende zomergasten gesteld; dit net bestaat uit een groot, licht verplaatsbaar kleef- of leeuwerikennet, dat aan den oever in de opengehakte deelen van de wilgenboschjes, op bekende strijkplaatsen tusschen twee groote watervlakten wordt uitgespannen, en waarin niet alleen eenden, maar ook ganzen, zwanen en kraanvogels vliegen, die meer dan welkom zijn om hun vleesch en veêren, want alle vogelsoorten verstrekken niet alleen den Ostjaken, maar in ’t algemeen aan alle rivierbewoners ten voedsel. Gelijktijdig met den vogelvanger trekt ook de nomaad op de jacht uit en stelt in de toendra zijn slagnetten voor den rood- en poolvos, of hij plaatst gemeenschappelijk met andere stamgenooten, in het bosch gelijke vangwerktuigen, stelbogen en automatische handbogen voor wolven, vossen, sabels, hermelijnen, veelvraten en eekhoorntjes. Is er sneeuw gevallen dan gespt zich de meer geoefende jager de sneeuwschoenen aan, zet den sneeuwbril op de oogen en begeeft zich met zijn honden naar het bosch in de toendra om den beer in zijn schuilplaats op te zoeken, de sporen van den losch te vervolgen, en den thans bemoeilijkten[371]eland en het wilde rendier op het sneeuwdek na te jagen, dat wel den jager, maar niet deze dieren draagt. Hij heeft nooit gelogen, nooit valsch op een berentand gezworen, nooit onrecht gedaan, en derhalve is de beer tegenover hem machteloos, zijn eland en rendier tegenover hem niet vlug genoeg. Met den verslagen beer trekt hij vroolijk het dorp en de Tschoem binnen: buren en vrienden omringen hem jubelend, tot de algemeene vreugde ook hem zelf aantast, hij wegsluipt, zich vermomt en den berendans begint te dansen—bestaande in vreemdsoortige bewegingen, die den beer in alle toestanden des levens moeten voorstellen en verzinnelijken.Een rijken voorraad huiden bergt spoedig de hut des visschers, een nog rijkeren de Tschoem des herders, daar deze bovendien nog alle pelzen der door hem in den loop des jaars geslachte rendieren heeft verzameld. Thans is het tijd ze kwijt te worden. Van verre en nabij rust men zich uit om naar de jaarmarkt te gaan, die telken jare in de tweede helft der maand Januari te Obdorsk, het laatste Russische dorp en de belangrijkste handelsplaats aan de beneden-Ob wordt gehouden, en die zoowel door inboorlingen als door vreemdelingen druk bezocht wordt, terwijl ook bij deze gelegenheid de Russische regeeringskommissaris de belastingen int van Ostjaken en Samojeden, bestaande geschillen uit den weg ruimt en verder recht spreekt; de Russische kooplieden maken intusschen jacht op koopers en verkoopers, de slechten onder hen, geholpen door de spitsboefachtige Syrjenen op lichtzinnige dronkaards, en de popen eindelijk op te bekeeren heidenen; er worden verder met de Russen verdragen afgesloten, schulden betaald, nieuwe aangegaan, onder Ostjaken en Samojeden allerlei afspraken gemaakt, bruiloften gevierd, vijanden verzoend en nieuwe vriendschapsbanden gesloten. In lange rijen verschijnen de met rendieren bespannen sleden; van alle kanten komen ze aan en het marktvlek is eerlang omgeven van eene menigte Tschoems, rondom welke de met te verhandelen waren zwaar bepakte sleden geschaard staan. Elken morgen trekt de eigenaar van de Tschoem met zijn meest geliefde vrouw in vol ornaat naar de kramen om huiden te verkoopen en waren in te ruilen. Men handelt, biedt, dingt, tracht te bedriegen, en de ook nu nog bedrijvige Merkurius oefent zijne heerschappij uit niet enkel als god der kooplieden, maar ook als god der dieven. Brandewijn, ofschoon van regeeringswege verboden, is bij elken koopman, en in bijna elk huis van Obdorsk te verkrijgen; hij benevelt het verstand van Ostjak en Samojeed en verarmt beiden[372]nog meer dan het miltvuur. De brandewijn doet alle hartstochten van den anders zoo kalmen, goedaardigen en onnoozelen Ostjak in opstand komen, en verandert den vredelievenden, jegens iedereen vriendelijken en eerlijken kerel in een woedend, krankzinnig dier. Naar brandewijn hunkert de man, naar brandewijn dorst de vrouw; de vader giet het begeerige kind den brandewijn in de keel, de moeder hare verlangende dochter, wanneer beiden genoeg hebben van het verderfelijk vergif.Voor brandewijn verslingert de Ostjak zijn met moeite verworven schatten, verkwanselt hij zijn geheele bezitting, voor brandewijn verhuurt hij zich als knecht, verkoopt hij zich als slaaf, verkoopt hij zelfs zijne ziel en verloochent hij het geloof zijner vaderen. Brandewijn behoort bij het sluiten van elken koop en verkoop,—zelfs bij de bekeering tot de rechtzinnige, orthodoxe kerk.Met behulp van den brandewijn komt de oneerlijke koopman eindelijk in ’t bezit van alle huiden van den Ostjak, en bevrijd van deze, maar tevens met ledige beurs en een verward hoofd keert de met trotsche verwachtingen naar Obdorsk getogen, bedrogen, om niet te zeggen uitgeplunderde man naar zijn Tschoem terug. Hij gevoelt berouw over zijn dwaasheid, zijn zwakheid, koestert de beste voornemens, komt tot kalmte en denkt spoedig alleen nog maar aan de heerlijke bijeenkomsten, die hij met zijn stamgenooten gehouden heeft. Met dezen heeft hij eerst gedronken, dan hebben de mannen en vrouwen elkander gekust, dan de mannen hun vrouwen afgeranseld, dan tegen elkander hun krachten gemeten, zelfs de scherpe messen met een fonkelend oog getrokken en elkander met den dood bedreigd; maar er is geen bloed gevloeid, men heeft zich weêr met elkander verzoend, de vrouwen, die vreeselijk door de klappen waren toegetakeld en door den brandewijn hunne bezinning hadden verloren, heeft men teêrhartig van den grond opgebeurd en door andere medelijdende vrouwen doen reinigen; men heeft als bekroning der verzoening eene plechtige overeenkomst getroffen, voor de dochter een bruidegom, voor den zoon eene kleine bruid uitgekozen; men heeft zelfs eene weduwe weêr uitgehuwelijkt en bij die gelegenheid nog eens gedronken, kortom, men heeft zich kostelijk vermaakt. Dat de Regeeringskommissaris alle door den drank bedwelmden eindelijk had laten inpakken, dat alle, alle geld den weg van het vergankelijke was gewandeld, ja dit was natuurlijk onaangenaam, zeer onaangenaam zelfs geweest; maar de gevangenis was[373]weêr geopend geworden, de smart over het geldelijk verlies was geleden, en slechts de gouden herinnering, waarop men een vol jaar kon teren, en de voor alle partijen eervolle verloving waren als een niet te vervreemden winst van den heerlijken feestdag gebleven.Bruidegom en bruid waren mede op de jaarmarkt geweest, hadden dapper medegedronken en bovendien elkander leeren kennen; de bruidegom was het met zijn ouders eens, dat hij op het jonge meisje zijn keuze moest laten vallen, beter gezegd dat hij haar als zijne vrouw moest onderhouden. Want de wil der ouders, niet die der jonge lieden, sluit bij de Ostjaken de huwelijken. Op den wensch en den wil des jongen mans moge men nog eenige acht slaan, en een veelbelovenden knaap wordt het wel eens veroorloofd zijn eigen oogen te richten naar eene dochter zijns volks, maar men zendt ook den in zijne keus vrij gelaten jongeling alleen dan naar den vader van het meisje, wanneer de toestanden aan weêrszijden genoegzaam overeenkomen. De jonge dochter wordt nooit naar haar wil gevraagd, en zulks reeds hierom, dewijl zij, wanneer men haar verlooft, nog veel te jong is om eenigszins over hare toekomst te kunnen oordeelen. Zelfs de toekomstige mannelijke echtgenoot heeft zijn vijftiende jaar nog niet bereikt, wanneer hij naar de hand der twaalfjarige dingt.In ons geval heeft de jaarmarkt te Obdorsk de onderhandelingen bespoedigd. De vrijer heeft reeds het jawoord; terstond hierop zijn de dikwijls zeer langdurige onderhandelingen begonnen, maar dank zij den invloed van den anders demonischen, in dit geval onmisbaren brandewijn, zij werden nu zeer spoedig ten einde gebracht. Men is overeen gekomen, dat Sandor, de jonge bruidegom, als bruidsschat voor Malla, het verloofde kind, zestig rendieren, twintig vellen van den witten, tien van den rooden vos, een stuk bont katoen en verschillende kleinigheden, als ringen, knoopen, glasparels, hoofddoeken enz. zal betalen. Zulks was weinig, veel minder dan de volstrekt niet rijkere bestuurder der gemeente, Mamroe, eens voor zijne vrouw had betaald, want diens bruidsgeld had bestaan in honderdvijftig rendieren, zestig vellen van den poolvos en twintig van den gewonen vos, een groot stuk kleedingstof, vele hoofddoeken en de gewone kleinigheden. Maar toenmaals waren de tijden beter, en Mamroe mocht wel een bruidsschat van meer dan duizend zilveren roebels betalen voor zijne deftige, rijke en uit eene aanzienlijke familie voortspruitende vrouw!Het bruidsgeld is betaald; de verloving der jonge lieden heeft plaats.[374]De nabestaanden komen in de Tschoem van den vader des bruidegoms bijeen om aan de bruid geschenken te brengen en tevens uit de voor ieder ten toon gestelde gave des bruidegoms voor zich zelf iets in ontvangst te nemen. Men kleedt de bruid in feestgewaad en maakt zich gereed met haar naar de Tschoem des bruidegoms of van diens vader te rijden. Vooraf heeft men op gebruikelijke wijze lekker gesmuld van een geslacht rendier. Gekookt heeft men heden slechts enkele onder het ijs gevangen visschen; het vleesch der gedoode rendieren at men rauw, en toen het eerste koud begon te worden, gaf men een tweede den doodsteek. De bruid weent, gelijk met alle scheidende bruidjes gewoonte is; zij wil de Tschoem niet verlaten, alwaar zij is groot gebracht, en eerst nadat men haar allerlei troostwoorden heeft toegesproken is zij daartoe bereid. Een gebed voor den huisgod vraagt om den zegen van Ohrt, den hemelschen, wiens teeken Sornidoed, het godsvuur, in onze oogen slechts het knetterende noorderlicht, in den verloopen nacht bloedrood aan den hemel prijkte. De moeder vergezelt de scheidende dochter om haar bij te staan en ook in den eersten nacht na het huwelijk in hare nabijheid te blijven. Moeder en dochter beklimmen de slede, de gezamenlijke gasten de hunnen, en voort snelt de feestelijk gekleede bruidsstoet onder het geklingel der bellen, waarmede heden alle rendieren, die almede hun beste tuig dragen, versierd zijn.De bruigom wacht in de Tschoem zijns vaders zijne bruid op, die heden en voortdurend door middel van den hoofddoek zedig het gelaat verbergt voor haar schoonvader en de schoonbroeders van haar aanstaanden echtgenoot. Een nieuw feest neemt een aanvang, en eerst laat in den nacht scheiden de gasten, waartoe ook de bloedverwanten van den bruidegom behooren.Den volgenden dag brengt de moeder evenwel hare dochter in de Tschoem des vaders terug. Maar reeds een dag later verschijnen hier alle verwanten des bruidegoms om de jonge vrouw weder voor dezen op te eischen. Opnieuw vervult feestgedruisch de nederige hut; straks scheidt de bruid voor altijd, en deelt nu voorgoed de Tschoem, naar welke zij voor de tweede maal in feestelijken optocht wordt heengeleid, alleen met haar man of tevens met diens ouders, broeders en zusters.De zoons van arme lieden brengen als bruidsschat niet meer dan hoogstens tien rendieren mede, visscherszonen nog minder, ja zelfs geen rendieren, maar enkel het benoodigde huisraad; ook deelen zij dikwijls dezelfde Tschoem met meer huisgezinnen, maar ook de bruiloft dezer[375]lieden wordt tot een feest- en vreugdedag, waarop zooveel gegeten en gesmuld wordt als het geringe vermogen maar toelaat.Arme Ostjaken leven in monogamie, rijke lieden beschouwen het als een zaak van fatsoen twee of meer vrouwen te nemen. In dit geval heeft de eerst gevrijde vrouw meer voorrechten dan de anderen, die meer als de dienstmaagden der eerste kunnen beschouwd worden dan als haars gelijken. Alleen wanneer zij geen kinderen krijgt, kan het anders worden; want kinderloos te zijn is eene schande voor den man, terwijl eene kinderlooze vrouw als een beklagenswaardig voorwerp wordt beschouwd.De ouders zijn trotsch op hun kinderen en behandelen ze met veel teederheid. Met oogen, die kennelijk van geluk getuigen, met gebaren, die haar weelde uitdrukken, legt de jonge moeder haar eerstgeborene aan de borst, of op het mollige watermos in de aardige, met fijn vermolmd wilgenhout en geschaafde houtvezeltjes opgevulde wieg van beukenbast; met zorg maakt zij het dek aan beide kanten der wieg vast en omhult voorzichtig het hoofdeneind van het kleine bedje met het daar bevestigd muggennetje; hare reinheid laat evenwel veel te wenschen over. Zoolang het kindje nog klein is en onbeholpen, wascht en reinigt de moeder het wanneer zij meent dat zulks volstrekt noodig is; maar is het grooter geworden, dan wascht zij het maar eenmaal iederen dag gezicht en handen; zulks geschiedt met behulp van een handvol geschaafde wilgenhoutspaanders, die dienst doen als spons, terwijl een tweede handvol droog toegepast, als droogdoek gebruikt wordt. Zonder zich daarover in ’t minst bezorgd te maken, kan de moeder verder aanzien dat het kleine wezen zich op eene wijze bevuilt en bemorst, dat wij er verbluft van staan. Eerst dan wanneer de jonge Ostjak zich zelf weet te helpen, neemt dit euvel een eind; niemand evenwel acht het noodzakelijk zich na den maaltijd te wasschen, al is deze nog zoo bloedig geweest. De kinderen van hun kant hangen met evenveel liefde aan hunne ouders als deze aan hen; zij zijn voorbeeldig gehoorzaam; nooit verzetten zij zich tegen den wil hunner opvoeders. Eerbied jegens hun ouders is het eerste en voornaamste gebod der Ostjaken, eerbied jegens de godheid komt eerst in de tweede plaats. Als wij Mamroe, den reeds genoemden bestuurder der gemeente, den raad gaven, zijn kinderen in de Russische taal te doen onderwijzen en het Russische schrift te doen leeren, antwoordde hij ons, dat hij het nut van zoodanige kennis wel inzag, maar dat hij vreesde, dat de[376]kinderen dan zouden vergeten hun vader en moeder te eeren en daarmede het voornaamste geloofsartikel te schenden, zoodat hij op dezen grond niet besluiten kon onzen raad op te volgen. Zulks mag ook de reden zijn waarom geen enkele Ostjak, die nog het geloof zijner vaderen aanhangt, in dit opzicht iets meer leert dan zijn teeken, een hem en anderen verbindend gekrabbel, dat op het papier wordt gebracht of in hout of rendierhuid gesneden. En toch leert hij, als een zeer knap en talentvol mensch, al wat men hem onderwijst zoo spoedig en goed, dat hij op den vroegen leeftijd, waarop hij uitgehuwelijkt wordt, alles kent en weet wat tot het voeren van eene huishouding, en het onderhoud van een gezin noodig is. Alleen in geloofszaken schijnt hij zijn eigen oordeel te wantrouwen en, weinigen uitgezonderd, juist daarom den Schaman, die zich meerdere kennis van zoodanige zaken aanmatigt, eene onverdiende eer te bewijzen.Wij zien evenwel in zulke Schamans, die bij de Ostjaken, evenals bij andere Mongoolsche volksstammen van Siberië zich de rechten van priesters aanmatigen, niets anders dan bedriegers.Het eenige lid der lieve broederschap, waarmede wij in aanraking kwamen, een gedoopte Samojeed, droeg het teeken des Christendoms op zijne borst, was zelfs, zooals het gerucht wilde, diaken in eene kerk der rechtgeloovigen, en toch oefende hij onder de heidensche Ostjaken het beroep van Schaman uit. Ik weet zeker, dat deze persoon geen uitzondering vormde, maar dat zulks regel is; want alle Schamans, die von Middendorf, mijn zegsman, op zijne vele en lange reizen door Siberië leerde kennen, waren Christenen. Dat de Schaman, dien wij leerden kennen, in de meening verkeerde, dat ook wij geloovigen waren, heb ik reeds in mijn reisbericht vermeld, eveneens wat hij ons voorspelde; het verhaal van de ons gegeven voorstelling zelf heb ik echter tot heden bewaard; want in de lijst dezer mededeelingen past ook meer eigenaardig dit beeld.Aanvankelijk brandewijn als geestelijk loon eischende, daarna zich met de belofte van een geschenk tevreden stellende, ging hij alleen de Tschoem binnen, ons zeggende, dat hij ons zou laten roepen, wanneer hij met de toebereidselen gereed zou zijn. Tot deze schenen ook doffe slagen op de trom te behooren, die wij na geruimen tijd vernamen; van andere bezigheden merkten wij niets. Op een door hem gegeven teeken traden wij de Tschoem binnen.De geheele ruimte der hut van berkenschors is met menschen opgevuld,[377]die zoo dicht mogelijk tegen de wanden aangedrukt, in een kring zijn gezeten; behalve Ostjaken en Samojeden, die met vrouw en kind zijn komen opdagen, zijn er ook Russen met hun vrouwen en spruiten aanwezig. Op een hoogen zetel, links van den ingang, heeft Widli, de Schaman, zich neêrgelaten; aan zijn rechterhand ligt een Ostjak, leerling van den meester, gehurkt. Widli draagt een bruin opperkleed en daaroverheen een oorspronkelijk witten, maar nu zeer morsigen, spaarzaam met gouden tressen versierden tabbaard; in zijn linkerhand houdt hij de kleine tamboerijnachtige trom zoodanig, dat haar schaduw op zijn gezicht valt, in de rechter den trommelstok; het hoofd is onbedekt, het rond geschoren haar zooeven gekamd. In ’t midden der Tschoem brandt een vuur, dat nu en dan opflikkerende, een schellen gloed werpt op het verzamelde gezelschap, in welks midden wij plaats nemen op de voor ons opengehouden zetels. Een driemaal herhaald, langgerekt, als een veelstemmig gezang klinkend geschreeuw, ingeleid door ettelijke tromslagen, begroet ons bij het binnenkomen en kondigt het begin der handeling aan.„Opdat gij moogt zien, dat ik een man der waarheid ben,” zoo laat de meester zich hooren, „zoo zal ik thans den mij vertrouwden bode van den raad des hemels bezweren onder ons te verschijnen, om mij mede te deelen, wat de goden over uwe toekomst besloten hebben. Gij zelf zult dan later mogen ervaren of ik waarheid gesproken heb of niet.”Na deze aanspraak, die ons door den mond van twee tolken werd overgebracht, bewerkt de lieveling der goden het kalfs- of liever hier het rendiervel zijner trom met snelle slagen, die elkander wel in eene bepaalde maat, maar niet in een bepaald aantal opvolgen. Hij begeleidt ze met een gezang, dat op Samojeedsche wijs half sprekend, beter gezegd, half brommend, half zingend voorgedragen, door den discipel, dien wij den koster zullen noemen, telkens getrouw herhaald wordt. Daarbij houdt de meester zijn trom zoo, dat zijn gezicht steeds beschaduwd blijft; hij sluit tevens de oogen om door niets van zijn geestelijk gezicht afgeleid te worden; de koster daarentegen rookt ook onder het gezang evenals straks steeds door en spuwt bij afwisseling op den grond evenals straks. Drie langzame, bepaalde slagen kondigen het einde van trommelen en zingen aan.„Ik heb thans,” zoo spreekt de meester vol waardigheid, „Jamaul den bode der hemelsche geesten, bezworen onder ons te verschijnen;[378]ik kan evenwel niet bepalen hoeveel tijd er nog verloopen moet alvorens hij, die misschien verre wijlt, bij ons zal zijn.”En wederom roert hij de trom, zingt hij bezwerend, en eindigen gezang en begeleiding als te voren.„Twee keizers zie ik voor mij; zij zullen u een geschrift zenden,” zoo spreekt de bode der goden door zijnen mond. Jamaul was dus zoo vriendelijk geweest in de Tschoem te verschijnen en zijn lieveling ter wille te zijn. Thans volgen, steeds ingeleid door het betooverend gezang en tromgeluid, de afzonderlijke volzinnen, waarin de boodschap der goden is vervat:„Nog eenmaal, in den volgenden zomer, zult gij denzelfden weg trekken als nu.”„Dan zult gij de toppen van den Oeral bezoeken, daar waar de Oessa, Bodaratta en Schtschoetschja haar loop aanvangen.”„Op deze reis zal u iets overkomen; of het goed zal zijn of kwaad kan ik niet zeggen.”„Aan de Bodaratta valt niets te behalen omdat het daar aan hout en weiden ontbreekt; hier echter kan iets uitgevoerd worden.”„Gij zult uwen meester verantwoording moeten doen; hij zal deze onderzoeken en tevreden over u zijn.”„Ook voor de drie oudsten van uwen stam zult gij u te verantwoorden hebben; zij zullen uwe geschriften eveneens nagaan om daarna over de nieuwe reis uitspraak te doen.”„Uwe reis zal van nu af gelukkig zijn, zonder ongeval eindigen, en gij zult te huis uwe geliefden in welstand terugzien.”„Wanneer ook de thans aan de Bodaratta toevende Russen hetzelfde zeggen als zij, zullen twee keizers u beloonen.”„Ik zie geen gezicht meer voor mij.”De handeling is ten einde. De schemering breidt zich uit over de bergen van den Oeral. Allen verlaten de Tschoem; uit de gebaren der Russen spreekt hetzelfde vertrouwen als uit de tronies der Ostjaken en Samojeden. Wij evenwel bewegen den Schaman om ons naar de boot te vergezellen, maken hem en zijnen discipel met brandewijn de tong los en leggen hem allerlei strikvragen voor, daaronder zeer spitsvondige. Hij beantwoordt ze alle, zonder uitzondering, en zonder een oogenblik in verlegenheid te geraken, zonder te dralen, zonder zich te bedenken; hij beantwoordt ze alle vol overtuiging en overtuigend, klaar en bepaald, kort en bondig, zoodat wij nog meer dan vroeger[379]tot het bewustzijn kwamen, dat wij met een door en door slimmen bedrieger te doen hadden.Hij schildert ons, hoe hij reeds als knaap den geest op zich voelde nederdalen, hoe deze hem zoo lang bleef pijnigen, tot hij de discipel van een Schaman werd; hoe hij meer en meer op vertrouwelijken voet is geraakt met Jamaul, den bode der goden, die hem verschijnt in de gedaante van een vriendelijk man, op een paard gezeten en met een staf in de hand; hoe Jamaul hem steeds te hulp snelt en hemelschen bijstand verleent, wanneer booze geesten hem aanvallen en hij dikwijls dagen achtereen tegen hen heeft te strijden; hoe de bode der goden steeds de ware, onvervalschte boodschap der hemelgeesten hem moet mededeelen, dewijl anders elke tromslag als een geeselstriem diens rug zou doorploegen; hoe Jamaul ook weder op dezen dag, voor hem alleen zichtbaar, achter hem in de Tschoem heeft gezeten, en hem alle woorden in het oor had gefluisterd; hoe hij, de Schaman door zijne kunst, of liever door de hem verleende genade, welke ook door zijn overgang tot het Christendom niet verzwakt kan worden, het verborgene ontdekt, het gestolene kan terugvinden, ziekten leert onderscheiden, den dood of de genezing der zieken vooruit ziet, de schimmen der afgestorvenen kan waarnemen en bannen, veel kwaads kan doen en verhinderen, maar alleen het goede bewerkt, uit vrees voor de hemelsche geesten; hij geeft ons een uitvoerig en helder, ofschoon niet geheel en al juist beeld van het geloof van Ostjaken en Samojeden; hij verzekert, dat een ieder van zijn eigen volk zoowel als de Ostjaken hem bij allerlei onheil bezoeken, hem om raad vragen, zich door hem de toekomst laten ontsluieren, en zonder aarzeling hem vertrouwen, hem gelooven.Het laatste is geenszins het geval. De groote hoop moge in den Schaman een man van groote wetenschap, wellicht zelfs een middelaar tusschen den mensch en de godheid, misschien ook een man, vol geheime macht zien, maar velen gelooven even zoo weinig aan de woorden en werken van een Schaman als andere volken aan die hunner priesters. Het werkelijke geloof des volks is oneindig veel eenvoudiger en kinderlijker dan den Schaman lief is. Het gaat ook hier gelijk wel eens elders: de priester, of hij die zich daarvoor uitgeeft, bevolkt den hemel met goden en raden en dienaren der godheid, het volk echter weet niets van zulk een hemelschen hofstoet.Volgens het geloof van den Ostjak troont in den hemel Ohrt, een[380]naam, die zooveel beteekent als „einde der wereld.” Hij is een almachtige geest, die alleen tegenover den dood geen macht bezit; maar die den menschen genegen is. Gever van alle goeds, uitdeeler der rendieren, visschen en pelsdieren, die het booze verhindert, de logen wreekt, en slechts dan zich streng betoont, wanneer men de belofte jegens hem niet nakomt. Ter eere van Ohrt viert men feesten, hem offert men, en tot hem bidt men; en aan hem alleen denkt de smeekeling, zelfs wanneer hij zich voor een heiligenbeeld plaatst. Dit beeld, „longch” genoemd, kan uit hout gesneden, maar ook een bundel katoen, een steen, een dierenhuid of elk ander voorwerp zijn; kracht gaat er niet van uit, bescherming verleent het niet, dus een fetisch is het niet. Verzamelt men zich voor een longch, brengt men het voor de Tschoem, plaatst men er een schotel met visch of rendiervleesch voor, of eenig ander offer, legt men kostbaarheden voor den longch neêr, bergt men deze zelfs binnen in dit voorwerp,—men richt bij al die handelingen het oog ten hemel en denkt zoowel in het gebed als bij het offer aan de godheid zelf. Booze geesten wonen zoowel in den hemel als op de aarde, maar Ohrt is machtiger dan zij; alleen de dood is sterker dan Ohrt. Een eeuwig leven na den dood bestaat niet, van eene opstanding weten de Ostjaken evenmin; maar de doode wandelt als schaduw op de aarde rond, en die schim of schaduw heeft nog altijd de macht om zoowel goed als kwaad te doen. Wanneer een Ostjak sterft dan vangt onmiddellijk dat schaduwleven aan; daarom gaat men ook terstond tot de begrafenis over. Reeds vóórdat hij den laatsten adem uitblies waren de vrienden bijeengekomen; zoodra de dood is ingetreden ontsteekt men een vuur in de Tschoem en houdt dit brandende, totdat men grafwaarts gaat. Een Schaman wordt geroepen om den doode te vragen, op welk kerkhof hij wil rusten. Zulks geschiedt op deze wijze, dat men de plaats noemt en daarbij het hoofd van het lijk poogt op te beuren. Is de plaats naar den zin dan laat de afgestorvene toe, dat men zijn hoofd opbeurt, zoo niet dan zouden drie mannen zulks niet vermogen. In dit geval wordt de vraag herhaald, en wel zoolang totdat de doode toestemt. Nu zendt men der zake kundige personen naar die plaats om het graf gereed te maken, want zoodanig werk eischt dikwijls vele dagen.De graven bevinden zich steeds in de toendra, op hooge plaatsen, gewoonlijk op den rug van lange heuvelrijen; zij bestaan uit min of meer kunstig saamgevoegde bakken of laden, die boven op den grond[381]worden geplaatst. Heeft men geen stevige planken, dan zaagt men een boot in stukken en legt daarin het lijk; alleen zeer arme lieden delven een ondiep graf en begraven daarin hunne dooden.EENE BEGRAFENIS BIJ DE OSTJAKEN.EENE BEGRAFENIS BIJ DE OSTJAKEN.Het lijk wordt niet gewasschen, maar in feestgewaad gestoken; het haar wordt gekamd en het aangezicht met een doek bedekt. De overige kleederen worden den armen geschonken. Een vreemde doode wordt niet met de handen aangeraakt, een beminde bloedverwant wel, ja dezen kust men zelfs met tranen in de oogen het aangezicht.[382]Op eene slede, of in eene boot, onder geleide van alle bloedverwanten en vrienden wordt de doode naar zijn laatste rustplaats vervoerd. Een rendierhuid wordt in den bak of het graf uitgespreid, om hierop den doode te leggen, wien men tabak, pijpen, en allerlei zaken, die hij in ’t leven gebruikte, medegeeft. Daarna schuift men touwen onder het lijk, legt het op het leger, spreidt een tweeden doek over het aangezicht, en sluit den bak met een stuk berkenschors, terwijl over de rijken nog vooraf kostbare huiden en katoenen stoffen worden uitgespreid. Daarna legt men nog over de berkenschors het eigenlijke deksel der kist of althans eenige zware, nauw aaneensluitende boomstammen, en hierop, en om en onder den bak verder al die gereedschappen, voor welke daarbinnen geen ruimte was. Vooraf echter heeft men ze stuk geslagen of op andere wijze onbruikbaar gemaakt, of gelijk de Ostjaken meenen, tot eene schaduw van datgene, wat zij eens waren.Middelerwijl heeft men in de nabijheid der grafplaats een vuur ontstoken, een of meer rendieren geslacht, welker vleesch nu door de begravers, rauw zoowel als gekookt, gegeten wordt. Na het lijkmaal steekt men de schedels der gedoode rendieren op puntige palen, omwikkelt deze of de nabijstaande boomen met het rendiertuig, hangt de belletjes, die gelijk bij andere feestelijke gelegenheden ook nu gebruikt zijn, aan de bovenste jukken van de lijkkist zelf op, slaat eindelijk de slede stuk, gooit deze in de nabijheid van het graf om en daarmede is de laatste plechtigheid verricht en de laatste versiering aangebracht. Men trekt huiswaarts, de klaagtonen verstommen, het leven eischt wederom zijn dagelijksche rechten.In de schaduw van den nacht echter begint de schaduw van den afgestorvene, uitgedost met de tot schaduwen geworden werktuigen, haar geheimzinnig schaduwleven. Wat zij gedaan heeft, toen zij nog onder de levenden verkeerde, doet zij nog. Onzichtbaar voor de menschen, weidt deze schaduw haar rendieren, of stuurt hare boot door het water, gespt zich de sneeuwschoenen onder de voeten, spant den boog, stelt het net, doodt de schaduwen van gestorven dieren, vangt de schaduwen van gestorven visschen. In de schaduw van den nacht treedt zij de Tschoem binnen en brengt haar nagelatenen goed en kwaad. Het loon van den doode bestaat hierin, dat hij zijn eigen bloedverwanten weldaden bewijst, zijne straf daarin, dat hij hun kwalen op den hals haalt.[383]Deze zijn de hoofdwaarheden van het geloof der Ostjaken, een volk, dat door de rechtgeloovige Christenen als heidenen wordt beschouwd en veracht. Eene billijke waardeering van een eerlijk menschenhart met een kinderlijk gemoed zou evenwel den wensch bij ons doen opkomen: och mochten zij altijd heidenen, altijd blijven, wat zij nu zijn![384]
[Inhoud]XIII.DE HEIDENSCHE OSTJAKEN.Gemakkelijk en zonder inspanning is thans nog de strijd om het bestaan, dien de mensch in Siberië heeft te strijden, en hij zal zulks ook nog wel eeuwen blijven; gemakkelijk vooral in de zoo rijk door de natuur gezegende velden van het zuiden, maar ook evenmin hard en zwaar in die oorden, welke wij gewoon zijn te beschouwen als eene ijswoestijn, als eene ongastvrije wildernis, en die wij zelfs nog als zoodanig meenen te moeten kenmerken, wanneer wij die streken gedwongen doorreizen. Wel is het klimaat in het hooge noorden van West-Siberië ruw en streng; wel weigert hier de grond, die op geringe diepte onder het oppervlak het geheele jaar door bevroren is, iets tot voeding op te leveren, de zon het brood verstrekkende koorn tot rijpheid te brengen, maar ook hier schudde de milde natuur haar hoorn des overvloeds uit, en wat het land niet schonk, dat gaf het water. In onze oogen moge de daar reeds eeuwen verblijvende mensch arm en ellendig schijnen, in werkelijkheid is hij zulks niet. Ook hij kan er in zijn behoeften voorzien, ook hij omringt zich met gemakken en genietingen, die hem bevrediging schenken, en werpt zijn woonplaats meer af dan hij noodig heeft. Wel strijdt ook hij met meer of minder bewustzijn om een „menschwaardig bestaan,” maar geenszins met wrok in het hart tegenover de meer bevoorrechten, want hij is zelf meer bevoorrecht dan wij meenen, omdat hij bescheidener, meer voldaan, meer tevreden is dan wij zijn, en omdat hij datgene, wat wij hartstocht noemen, streng genomen, niet kent, omdat hij de vreugde, die voor hem opbloeit, met kinderlijke tevredenheid aanneemt, en het lijden, dat hem bezoekt, draagt met een wel diep gevoelde smart, maar het ook spoedig weêr vergeet evenals een kind.RENDIERSLEDE.RENDIERSLEDE.Ook aan zijn leger treedt de zwarte zorg; hij wijst deze evenwel terug zoodra ook maar de minste schemering van vreugde weder doorblinkt, en hij is de rampspoed geheel vergeten, zoodra het zonnetje des[353]geluks hem weêr vriendelijk toelacht. Ook hij prijst den rijkdom en klaagt over de armoede, maar hij vertwijfelt niet, wanneer de eerste hem begeeft, en hij verliest zijn verstand niet, wanneer de laatste in welvaart verkeert. Ofschoon volwassen, is hij een kind in al zijn denken, gevoelen, laten en handelen; hij is gelukkiger dan wij.De Ostjak, met wien wij aan de beneden-Ob hoofdzakelijk hebben verkeerd, met wien wij het meest in aanraking kwamen, en dien wij het best hebben leeren kennen, behoort tot den Finschen stam; hij deelt met een andere loot van dien tak, den Samojeed, hetzelfde geloof, met bijna alle Finnen in engeren zin, dus ook met de Lappen, nagenoeg gelijke zeden en gewoonten, dezelfde levenswijze; hij is rendierherder en visscher, jager en vogelvanger, evenals ook de Samojeed en Lap zulks zijn. Afgezien van het godsdienstig geloof, misschien ook van de taal, gelijkt hij echter meer op dezen dan op genen; want hij is zoowel gezeten kolonist als nomaad, terwijl de Samojeed, zelfs wanneer deze zich met de vischvangst bezighoudt, althans in het door ons bereisde gedeelte van Siberië, slechts zeer zelden zijn verplaatsbare hut met een vast blokhuis verruilt.OSTJAKEN.OSTJAKEN.Het kan zijn, dat de stam der Ostjaken vroeger talrijker was dan thans; een eigenlijk gezegd volk, naar onze begrippen, zijn zij nooit geweest. In sommige streken van het door hen bezeten of bereisd gebied zou het aantal inwoners bestendig af- in andere deelen daarentegen eenigszins toenemen; van veel belang is evenwel noch het een noch het ander. Men rekent hoog, wanneer men het totaal aantal zielen op vijftig duizend schat; in het geheele, groote ambtsgebied van Obdorsk, dat zich van den 65ngraad Noorder-Breedte tot aan het noordelijk uiteinde van het Samojeden-schiereiland, en van den Oeral tot aan den bovenloop der Chasz uitstrekt, leven, naar luid van ons verstrekte, officieele opgaven, tegenwoordig niet meer dan 5382 mannelijke Ostjaken, waaronder niet meer dan 1376 werkkrachten, of wat op hetzelfde neêrkomt, schatplichtige mannen. Nemen wij aan, dat het aantal vrouwen en meisjes even groot is, dan bedraagt het geheele aantal nog geen 11000 zielen, en het bovengenoemde cijfer is misschien daarom nog eer te hoog dan te laag genomen, al moge men ook aannemen, dat het woongebied onzer lieden aan de Ob zich tot in de streek van Soergoet, aan de Irtysch tot in de nabijheid van Tobolsk uitstrekt. Alle aan de Irtysch, alsmede aan den boven- en middelloop der Ob verblijf houdende Ostjaken bewonen vaste, zeer[354]eenvoudige, op die der Russen gelijkende blokhuizen, en slechts hier en daar, altijd zeer spaarzaam, treft men tusschen deze, reeds een hoogeren beschavingstoestand aanduidende vaste woningen, ook nog wel eens eene enkele tent van berkenbast aan,„Tschoem” geheeten, terwijl deze aan den benedenloop der Ob, inzonderheid tusschen Obdorsk en den mond des strooms bijna uitsluitend voorkomt; gelijk vanzelf spreekt maken deze Tschoems de eenige woningen dernomadischlevende Ostjaken uit. Zoo niet volkomen, toch bijna daarmede in harmonie is het feit, dat die Ostjaken, welke in dorpen wonen, leden zijn der orthodoxe[355]kerk, althans door den doop daartoe behooren, terwijl die, welke nog in Tschoems huizen, hun overoud, geenszins van poëzie ontbloot en nog minder onzedelijk, maar door de Russische priesters en dier trouwe volgelingen als een blind heidendom betiteld geloof zijn getrouw gebleven; zij belijden echter dit geloof met meer innigheid en overtuiging dan de anderen hun zoogenaamd Christendom, welk laatste, onbevooroordeeld opgevat, en zooals het zich in werkelijkheid voordoet, veeleer een onzinnige afgodendienst kan genoemd worden dan eene veredelde plaatsvervangster van het oude, uit een kinderlijk gemoed opgeweld en op kinderlijke wijze zich uitend geloof. Met het in bezit nemen van blokhuizen en de aanneming des Christendoms ging hand aan hand gepaard, dat de Ostjaken van de middel- en beneden-Ob en beneden-Irtysch niet alleen in zekere mate hun kleeding met die van den Russischen visscher hebben verwisseld, maar ook diens zeden en gewoonten gedeeltelijk hebben overgenomen. In gelijke mate hebben zij van de hunne verloren, ten deele ook de zuiverheid van hun stam daarbij ingeboet, en eigenlijk niets meer behouden dan de niet te vervreemden kenmerken, de taal en de daardoor bewaarde eigenaardigheden, evenals misschien ook nog de handigheid, levendigheid en—zorgelooze goedhartigheid, die den ganschen stam kenmerkt. Maar in geen geval mag men nu ook gaan denken, dat met die meerdere beschaving ook de zedelijkheid, met het Christendom de reinheid des gemoeds is vermeerderd; in elk geval bevredigt het meer de heidensche Ostjaken te leeren kennen en met een nog oorspronkelijk volk in aanraking te komen, dan zich op te houden bij zulk een gedeelte, dat nog slechts een schaduw kan zijn van hetgeen het voormaals was en wat de eerstgenoemden nu nog zijn. Ik bepaal mij alzoo in mijne mededeelingen tot die Ostjaken, welke nog heden ten dage geloovig opzien tot den god Ohrt, die nog heden ten dage in veelwijverij leven, wanneer hun vermogen zulks veroorlooft, die nog heden ten dage hun dooden op dezelfde wijze begraven, gelijk hun vaderen dit deden; mijne voorstelling toch kan er niets bij verliezen, wanneer ik die anderen uitsluit, in eenheid daarentegen slechts winnen, wanneer ik mij uitsluitend tot de heidensche Ostjaken bepaal.Van bijzondere stamskenmerken kan men hier moeielijk spreken, nog moeielijker is het deze te beschrijven. Ik heb herhaaldelijk getracht zulks te doen, maar steeds bevonden, dat het ondoenlijk is een gezicht in woorden af te beelden, of volledig de voor het oog waarneembare[356]raskenmerken door middel der pen uit te drukken. Onze luidjes verschillen ten opzichte van gelaatsvorm, huidkleur, haar en oogen ten zeerste van elkander; men kan hun soms niet eens aanzien, dat zij Mongolen zijn, en wanneer men werkelijk eens meent dat men duidelijke en bepaalde trekken heeft kunnen opmerken, dan leeren een aantal andere individuen ons wederom, dat die trekken verre van algemeen zijn. Als ik alles wil samenvatten, wat ik van de door ons waargenomen Ostjaken heb kunnen afzien en opteekenen, dan blijkt daaruit het volgende:De Ostjaken zijn van middelbare lengte, over ’t algemeen slank gebouwd, met vrij regelmatig gevormde handen, voeten en ledematen; de handen zijn eer groot dan klein te noemen, de kuiten zeer schraal; de vorm des aangezichts houdt het midden tusschen dien van andere Mongoolsche volken en de Noord-Amerikaansche Indianen; de bruine oogen toch zijn wel is waar klein, maar niet in ’t oogvallend sterk schuin geplaatst; de jukbeenderen steken niet bijzonder vooruit, terwijl het benedengedeelte des aangezichts zoo tegen de smalle en spitse kin is aangedrukt, dat het geheele gelaat een puntig voorkomen erlangt, daar ook de lippen scherp besneden zijn. Het gelaat krijgt door een en ander, vooral bij kinderen en vrouwen, iets katachtigs, alhoewel de neus in ’t algemeen weinig, bij velen bijna geheel niet afgeplat is. Het welige, sluike, maar niet stijve haar is meestal zwart of donkerbruin, zelden lichtbruin en nog zeldzamer blond, de baard dun, doch slechts ten gevolge van de gewoonte der jeugdige fatten, dezen, zoodra hij verschijnt, uit te trekken. De wenkbrauwen zijn zwaar, dikwijls geweldig zwaar. De huidkleur doet in blankheid voor die van een zich veel in de frissche lucht, in wind en weder bewegenden Europeaan, weinig onder en de geelachtige tint, die regel is, kan soms geheel ontbreken.Wanneer het hier gezegde voor de meeste Ostjaken als geldend kan beschouwd worden, volgt daaruit toch nog niet, dat men bij eene nauwkeurige waarneming onzer luidjes in twijfel kan staan ten opzichte van het ras, waartoe zij behooren. Enkelen hunner doen zich reeds bij den eersten vluchtigen blik als Mongolen kennen. Zij zijn klein van gestalte, de bruine, levendige oogen staan schuin in het hoofd, en zijn lang gespleten, de jukbeenderen zijn dik, de stijve haren pikzwart en alle gewoonlijk ontbloote deelen des lichaams bepaald koperrood of lederbruin gekleurd.[357]Over de taal der Ostjaken kan ik niet oordeelen, maar wel kan ik zeggen, dat deze in twee, ook voor vreemde ooren duidelijk te onderscheiden dialekten vervalt; het eene dialekt wordt aan den middelloop der Ob gesproken en is zeer welluidend, ofschoon iets gerekt en zangerig, terwijl het tweede, dat aan den benedenloop der rivier gebruikelijk is, sneller wordt uitgesproken, alhoewel de afzonderlijke lettergrepen nog altijd duidelijk genoeg gehoord worden. De gewoonte der hier wonende Ostjaken, zich van de meer weeke Samojedentaal te bedienen, heeft op een en ander grooten invloed uitgeoefend.Terwijl de Christelijke Ostjaken, gelijk ik reeds opmerkte, de kleederdracht der Russen naäpen en de vrouwen slechts hierin van die der Russische visschers onderscheiden zijn, dat zij haar kleedingstukken met bonte glasparels versieren, ook wel eens vreemdsoortige, op de stola van een Roomsch-Katholiek priester gelijkende, rijkelijk met parels opgetooide, in strikken gebonden linten dragen, gebruiken de heidensche Ostjaken uitsluitend rendiervellen—hertenvellen, gelijk de Russen zeggen; de huiden van andere dieren dienen soms tot bijzondere versiering der eerste. De kleeding bestaat uit een (tot over de knieën hangende) bij de mannen alleen op de borst, bij de vrouwen langs den geheelen voorkant gespleten en dan met leeren riemen vastgebonden, eng sluitenden pels met daaraan gehechte of althans daarbij behoorende monnikskap en aangenaaide handschoenen, een lederen broek, die tot onder de knie reikt en leeren kousen, die boven de knie bevestigd worden. De pels is bij de vrouwen van voren, langs de opening, met kleine, vierkante, kortbehaarde, bontgekleurde stukjes pels, van beneden met een breede strook van hondenvel omzoomd. Bij de mannen ontbreekt ook dit laatste tooisel niet. Een kap bevindt zich ook aan den pelsmantel der vrouwen. De leeren kousen der laatsten worden, als zij bijzonder mooi moeten zijn, vervaardigd uit met smaak aaneengenaaide repen der bonte huid, die de pooten der rendieren omgeeft, terwijl hieraan een lompe schoen wordt vastgenaaid, die met riemen verder om den voet wordt bevestigd. Eene breede, meestal met metalen knoopen bezette leeren gordel, waaraan het mes hangt, bindt den pels der mannen om het lijf vast; een bonte, met lange franjes versierde hoofddoek, die in den zomer de plaats der kap vervangt, valt over den pels der vrouwen naar beneden. Hemden kent men niet; daarentegen draagt de vrouw een gordel, dien wij niet kennen. Wil zij zich eens recht mooi maken, dan steekt de Ostjaksche dame zooveel eenvoudige koperen,[358]soms zilveren ringen aan alle vingers, als zij er met mogelijkheid maar aan kan rijgen, zoodat de hand als het ware in een metalen pantser zit opgesloten; ook hangt zij zich eene meer of minder zware ketting van glasparels om den hals en zeer zware, uit glasparels, draadsnoeren, of metalen knoopen samengestelde kwastvormige versierselen in, of eigenlijk over de ooren. Het haar wordt in twee, tot op de kuiten neêrhangende vlechten gedeeld, welker einden met gedraaide wollen snoeren omwoeld worden. Hetzelfde doet ook de Ostjaksche saletjonker, een bewijs, dat alle gekken der aarde op elkander gelijken. De mannen dragen gemeenlijk het haar lang, maar los.Eenvoudiger nog dan de wel is waar niet zeer schoone, maar voor winter en zomer beide vrij geschikte kleederdracht, en even doelmatig als deze, is de woning der Ostjaken, de „Tschoem”. Hieronder verstaat men eene verdraagbare, kegelvormige, met berkenschors omkleede hut, die zoowel den visschers als nomaden tot verblijf dient. Van twintig tot dertig dunne, glad gemaakte, van boven en beneden spits toeloopende, vier tot zes meter lange, in een cirkel opgestelde palen, vormen het geraamte; twee dier palen zijn dicht bij het boveneind aan elkander vastgeknoopt, de overige dienen tot steunpunten. Vijf à acht uit kleine, vooraf gekookte en daardoor week gemaakte stukken berkenschors gevormde platen, wier vorm in overeenstemming is gebracht met dien des kegels, maken het buitenbekleedsel uit, terwijl eene van de windzijde afgekeerde opening gesloten wordt met een plaat van gelijk materiaal; dit is de deur. De hut blijft van boven open om aan den rook vrijen doortocht te verleenen. Van de deur naar den tegenovergestelden wand der hut loopt een gang, in welks midden het vuur wordt aangelegd; hierboven zweven twee horizontale stokken, die aan de buitenpalen zijn vastgebonden, en welk toestel deels dient om er den kookketel aan op te hangen, deels om een en ander te drogen. Rechts en links van straks genoemden gang zijn planken of matten over den grond gelegd, over welke men zich beweegt, en die meteen de slaapsteden afpalen, wier hoofdeneind naar den wand is gekeerd. Uit carexstengels gevlochten matten, langharige, zachte rendierhuiden, en met rendierhaar of gedroogd watermos opgevulde kussens dienen tot bedden, pelzen tot dekens; eene muggentent, waaronder in den zomer de geheele familie kruipt, beschermt de slapenden oneindig beter tegen de gevleugelde kwelgeesten dan het aan den ingang van de Tschoem voortdurend brandende, met wilgenloof gevoede, smeulende vuur. Een[359]kook-, thee- en drinkketel, schalen, lederen meelzakken, andere ter bewaring van het hard gebakken roggebrood, kleine, sluitbare kistjes, ter berging van de kostbaarste goederen, inzonderheid ook van het theeservies, een bijl, een boor, een leerschaaf, een komvormig naaikistje, bogen, buksen, sneeuwschoenen, alsmede verschillende jachtgereedschappen, voltooien het huisraad; in de plaats der heiligenbeelden, die in de hutten der Christelijke Ostjaken bijna nooit ontbreken, prijkt hier een afgodsbeeld.Tegen de koude en stormen van den winter beveiligt men de Tschoem door er eene, uit afgedragen pelzen saamgenaaide deken van buiten over heen te spreiden, of, wat nog beter is, door een tweeden mantel van berkenschors.Is de eigenaar der Tschoem een visscher, dan ziet men buiten de hut een droogtoestel voor de netten en droogstaken voor de visschen, zeer net bewerkte, ongemeen lichte en kunstige fuiken, een aantal bijzonder kleine booten, benevens nog ander vischgereedschap; is hij tevens jager, dan allerlei jagerstuig, b.v. stelbogen en automatisch werkende handbogen. Is de Tschoembaas een rendierherder, dan een aantal met zorg bewerkte sleden en daarbij behoorend tuig, alsmede eene ook voor hem onmisbare boot.Iedere Ostjak is een kundig visscher, bijna iedereen tevens jager of vallensteller, maar niet ieder is een trekherder. Rendieren te bezitten beteekent zooveel als welgesteld te zijn, veel rendieren zijn eigendom te noemen is gelijkluidend met rijk zijn. Hij, die alleen van de vischvangst moet leven is arm. Paarden en runderen worden zeldzaam, dan nog alleen in zeer gering aantal gevonden, en zulks enkel in de nederzettingen aan den middenloop der rivier; ook houdt men eene enkele maal schapen, misschien wel soms eene kat; de ware huisdieren evenwel zijn het rendier en de hond. Zonder deze, in elk geval zonder het rendier, kan de welgestelde man, naar hij meent, niet leven; zij alleen verschaffen hem wat hij levensvreugde noemt. Even gelijk deBedoeïn, de trekkende herder van Centraal-Afrika, zich verheven waant boven zijn stamgenoot, die het veld bebouwt, even gelijk de Kirgies minachtend neêrziet op hem, die de aarde bewerkt, zoo grijpt ook de rendierhouder, zelfs de rendierherder alleen dan naar net en angel, wanneer hij persoonlijk trek heeft in visch, terwijl de visscher niet enkel voor zich zelf, maar ook als knecht voor anderen het net uitwerpt en de fuik stelt. Naar het aantal rendieren berekent de Ostjak allen menschelijken[360]rijkdom en zijn persoonlijk geluk. Daarom verliest hij niet alleen dien rijkdom en dat geluk, wanneer de worgende ziekte zijn kudde vernietigt, maar nog veel meer: aanzien en rang, zelfbewustzijn en vertrouwen, ja, het is niet te sterk uitgedrukt, wanneer men er bijvoegt, zijn geloof, zijn zeden, zijn gewoonten, zijn eigen persoonlijkheid. „Zoolang de ziekte nog niet onder onze kudden woedde”, zoo zei ons eens de bestuurder eener gemeente,Mamroe, de verstandigste Ostjak, dien wij ooit leerden kennen, „leefden wij blijmoedig, en wij waren rijk; sedert wij onophoudelijk door verliezen worden getroffen, worden wij allengs tot arme visschers; wij kunnen zonder rendieren niet bestaan, zonder hen niet leven.” Arme Ostjaken! In deze woorden ligt uw lot besloten. Reeds op dit oogenblik zijn de eens bij honderdduizenden te tellen rendieren tot vijftigduizend ingesmolten, en nog steeds woedt het miltvuur onder de geweidragende kudden voort. Wat zullen de gevolgen zijn? De Russische popen zullen meer Christenzieltjes winnen, de Russische visschers steeds meer knechten, maar Ostjaken zullen er slechts in naam meer bestaan,—en deze tijd ligt in geen zeer ver verschiet.Het Noord-Aziatische rendier is een schepsel, dat veel afwijkt van zijn Laplandschen soortgenoot; het is niet alleen grooter en edeler, maar in den waren zin des woords een huisdier. Wij meenden het goed te kennen, want wij hadden het in Lapland gezien en met het nauwkeurig oog des natuurkenners gadegeslagen; maar in Siberië kwamen wij tot de overtuiging, dat wij nog geen juiste denkbeelden over dit merkwaardig dier hadden gewonnen. Ginds in Lapland hadden wij een hert leeren kennen, dat zich slechts met tegenzin boog onder het juk van den kleinen man, een hert, dat oogenschijnlijk elk oogenblik bedacht was op het herwinnen zijner vrijheid; hier in Siberië kwam ons een dier onder de oogen, dat volgzaam was en gewillig, den mensch genegen en zich aan dezen toevertrouwend. De Ostjak weet er dan ook voortreffelijk mede om te gaan. Hij behandelt het wel niet met die innigheid, waarmede hij den hond streelt, maar in geenendeele onvriendelijk, en slechts bij hooge uitzondering ruw en hard. In tegenstelling met de gewoonte der Lappen melkt hij het niet, maar gebruikt het veel meer voor de slede dan genoemde volken. Het moet hemzelf en zijn gezin, de Tschoem met alle toebehoor, en alle overige op de reis mede te nemen lasten, zoowel in den zomer als in den winter, van de eene plaats naar de andere brengen, terwijl de Lap slechts in[361]den winter van het rendier als trekdier gebruik maakt. Van de geslachte rendieren gebruikt hij, evenals de Lap, alle deelen, met uitzondering alleen van maag en darmen. Het vleesch dient hem tot voedsel, van de beenderen en het gewei maakt hij verschillende voorwerpen, uit de pezen naaigaren, de huid en haren gebruikt hij zoo, of hij bereidt er leer uit; zelfs de tanden vinden eene nuttige toepassing. Met het rendier rijdt de Ostjak in zijn lichte slede, ’s winters en ’s zomers, van plaats tot plaats, naar de woning der bruid, naar zijn feesten, ter jacht, en naar de begrafenis zijner vrienden; het rendier vervoert zijn dooden naar de laatste rustplaats; het rendier wordt door hem geslacht en ter eere zijner gasten en dooden opgegeten; in de rendierhuid hult hij dezen en zich zelf. Zeer zeker, hij kan zonder het rendier niet bestaan, niet leven.Weinig minder diensten bewijst hem zijn tweede huisdier, de hond. Niet alleen de rondzwervende herders, maar iedere Ostjak houdt en verzorgt honden, de visscher zoowel als de jager, de gezeten man zoowel als de nomaad. De Ostjaksche hond behoort tot twee, voornamelijk door hun grootte van elkander afwijkende rassen. Of onze hondenminnaars hem fraai vinden durf ik niet beslissen; wat mij aangaat, ik moet dit dier reeds daarom fraai noemen, dewijl het, alleen de kleur uitgezonderd, nog alle kenmerken der wilde honden bezit. Hij komt het meest overeen met onzen „spits”, maar is gewoonlijk wat grooter, somtijds zoo groot, dat hij den wolf nabij komt; ook in slankheid van bouw wint hij het van den keeshond. De kop is lang, de snuit van middelmatige lengte, de hals kort, het lichaam lang, de pooten zijn dun, de staart is middelmatig van lengte, het gitzwarte oog schuins gespleten, het korte, spitse oor recht, het haar zeer dicht en lang, uit wol- en borstelharen bestaande, de kleur verschillend, meestal zuiver wit, of wit met zwarte, meest regelmatige teekening aan beide zijden van den kop, alsmede op de ooren, rug en flanken, of ook wel grijs gewaterd en gegolfd, maar nooit gestreept. De zwakbehaarde staart hangt meest naar beneden of is recht uitgestrekt, nimmer naar boven gekruld, waardoor de overeenkomst met een wilden hond nog meer verhoogd wordt.De gedurige omgang met den mensch heeft den Ostjakschen hond tot een zachtaardig dier gemaakt. Hij is waakzaam, maar niet bijtachtig, moedig, maar niet strijdlustig, trouw en ijverig, maar niet boos tegen vreemden; wantrouwend, ofschoon niet bijzonder onvriendelijk, loopt hij op den vreemdeling af, maar niet zoodra ziet hij zijn meester met[362]dezen spreken of met hem de Tschoem binnengaan, of hij nadert ook dezen vertrouwelijk. In geen enkel opzicht verwend, en gaarne de ruimte van de Tschoem met zijn meester of meesteres deelende, stelt hij zich toch ook, zonder van onlust blijk te geven, aan wind en weêr bloot, werpt zich zonder bedenking in het koude water der rivier en zwemt rechtstreeks over breede armen, of draaft zonder morren door de toendra onder de slede, aan welke men hem heeft vastgebonden, door poelen en moerassen, door struikgewas en water. Verstandig en slim, vindingrijk en vlug, weet hij zich het leven aangenaam te maken en zich door alles heen te slaan.In de Tschoem ligt hij naast de lekkerste hapjes zonder ze aan te raken; buiten de hut zijns meesters is hij de snoepachtigste en brutaalste dief; in de toendra loopt hij geduldig door het dichte struikgewas der dwergberken onder de slede; in het gladde moeras of op andere goede wegen legt hij zich met vooruitgestrekte pooten op de boomen der slede en laat zich trekken; op de jacht vergezelt hij zijn baas als een trouw en nuttig metgezel; den vreemdeling evenwel kaapt hij het door hem bespeurde, door dezen geschoten wild, voor de oogen weg en eet dit met zulk een schuldeloos genot op, dat het onmogelijk is zich boos op dit dier te maken. De herten kent hij door en door in al hun eigenaardigheden en gebreken, zoodat hij bij het weiden der kudde goede diensten bewijst, maar zoo op hem vertrouwen als op den herdershond kan men toch niet, want hij volgt zijn eigen oordeel en doet dan alleen volgzaam zijn plicht, wanneer hem zulks bepaald noodzakelijk schijnt.De hond der Ostjaken bewijst zijn diensten als speelkameraad, als bewaker van de Tschoem, als oppasser der kudde en als trekdier, terwijl hij ook nog na zijn dood nut afwerpt. In den winter alleen wordt hij voor de slede gespannen, en dan legt men hem dikwijls zulk een dwaas tuig op, dat hij, wanneer men al te veel van zijn krachten vergt, reeds na weinige jaren lam van lendenen rondhinkt. Na zijn dood moet hij zijn uitstekend vel afstaan, ja sommige Ostjaken houden alleen voor dit doel een overgroot aantal honden.Voor hetzelfde of soortgelijke doeleinden strekken sommige uit het nest geroofde jonge zoogdieren en vogels, vooral vossen, beren, uilen, kraaien, kraanvogels, zwanen, enz. die men soms voor de Tschoems der visschers en trekherders, vastgebonden, aantreft. Zoolang deze dieren jong zijn worden zij vriendelijk bejegend en goed gevoed; zoodra[363]zij volwassen zijn en huid of veêren waarde hebben verkregen, worden zij gedood; men eet op, wat eetbaar is en gebruikt huid en veêren; de huid wordt somtijds voor een verbazend hoogen prijs verkocht.De hond schikt zich ook hier, even gelijk elders, naar den wil van den mensch, maar de mensch moet zich voegen naar de behoeften van het rendier. Deze behoeften en geenszins de luimen van den herder bepalen het nomadische leven der rondzwervende Ostjaken, even gelijk het komen en gaan der visschen op het doen en laten der gezeten stambroeders van grooten invloed zijn. De tochten der rendierherders en hunne kudden zijn de gevolgen van gelijke oorzaken en bewegen zich in dezelfde richting als die der Kirgiezen, doch zijn van de tochten der laatstgenoemden hoofdzakelijk hierin onderscheiden, dat zij ook in den winter niet worden afgebroken, maar zelfs in dit jaargetijde nog veelvuldiger en afwisselender worden. Wanneer de sneeuw begint te smelten trekt de Ostjaksche nomaad langzaam naar het gebergte; met het beginnen der muggenplaag klimt hij de berghellingen, of althans naar den rug der heuvelklingen omhoog; met het verdwijnen der muggen, van welke dieren ook de hoogten niet geheel en al bevrijd blijven, keert hij allengs naar de lage toendra terug, om hier, zoo mogelijk in de nabijheid van de rivier zijns geboortelands den winter door te brengen. Zoo is de kringloop, dien hij jaar in, jaar uit, volbrengt, zoo niet de verschrikkelijke ziekte, het besmettelijke miltvuur, hem overvalt.Nog vóór de korte zomer in zijn onvriendelijk land aanbreekt, nog vóór het eerste voorjaarsleven ontwaakt, in den tijd, dat het sterke ijsdek nog onaangetast op den grooten stroom en diens nevenrivieren, op de ontelbare meren der toendra ligt, werpen de rendieren hun jongen. Nu vooral is het zaak eene plaats op te zoeken, die moeder en kroost genoeg voedsel oplevert. Te dien einde trekt onze herder niet naar de diepere dalen, maar naar de hoogte, van welker toppen de wind de sneeuw wegblaast, om hier zijn Tschoem op te slaan. Hier vertoeft hij geruimen tijd, totdat het rendiermos overal in ’t rond weggevreten is, en ook de breede hoeven van het rendier, waarmede het de sneeuw wegkrabt, om tot het daaronder verscholen plantendek te geraken, geen diensten meer kunnen bewijzen. Dan breekt hij nogmaals op en richt zich naar eene nabijzijnde plek, die gelijke voordeelen aanbiedt als de eerste. Ook deze wordt niet verlaten alvorens er geen voedsel meer is, want nog verheugt hij zich in een tijd, dien[364]hij den goeden mag noemen. De kudden weiden thans in gesloten troepen; er heerscht volmaakte vrede onder de herten, wier gewei thans begint uit te spruiten; de ouden verliezen haar kalveren nog niet uit het oog; de kudde verstrooit zich niet, en dwaalt niet verder van de Tschoem af dan tot waar het geroep des herders reikt, dat hen tegen zonsondergang weêr bijeen en in de omgeving der hut verzamelt. Gedurende den nacht dwaalt wel de vratige wolf in ’t rond, dien de winter uit het gebergte naar de laag-toendra verdreef, maar de moedige honden houden scherpe wacht en weren den laffen roover; onze herder bekommert zich deswege even weinig om den wolf als om den winter, welk jaargetijde hij, evenals alle volksstammen van het hooge noorden als het beste beschouwt. Ook worden de korte dagen allengs langer, de nachten steeds korter, de gevaren voor zijne weêrlooze kudde dus kleiner. De rivier werpt haar ijskleed af; de verwarmde wateren van de zuidelijke steppen voeren lauwe winden naar het noorden; de eene heuvelketen na de andere wordt vrij van sneeuw, en hier zoowel als in het dal vinden de tegen het weder geharde dieren eene rijkelijk voorziene weide;—de laag-toendra is in de oogen onzer herders tot een waar paradijs geworden. Maar slechts kort duurt voor hem en zijn kudde dat heerlijke leven. De snel rijzende, altijd langer, steeds warmer stralende zon smelt ook in de vlakke dalen de sneeuw, op de breede meren het ijs, doet zelfs den bevrozen grond ontdooien en roept nevens de onschuldige kinderen van het voorjaar ook de milliarden kwelgeesten, de muggen, de brutale bremsen, wier larven eerst voor weinige weken uit de neusholten der rendieren gehoest werden, in ’t leven. Nu begint eerst voorgoed de verhuizing; nu trekt de herder, wel in korte dagreizen, maar zonder zich op te houden, naar het gebergte. Met het opdrogen van den morgendauw, die de mossen, korstmossen, grassen en jonge bladeren der dwergachtige struiken bedekte, breken de vrouwen de Tschoem af, die zij eerst gisteren opsloegen, en beladen de sleden, die zij op denzelfden tijd ontpakt hadden. Ondertusschen jaagt de herder op zijne lichte, met vier krachtige herten bespannen slede naar de verstrooide, nog grazende of in groepjes gelegerde kudde, drijft de dieren bijeen en naar de legerplaats, waar de familieleden reeds geheel gereed zijn. Een dun touw, waar de rendieren slechts zelden overheen durven springen, in de handen houdende, vormen zij samen een kring om de kudde; de herder begeeft zich met een vangsnoer of lasso in de rechterhand midden onder de[365]kudde, werpt het daarvoor bepaalde hert zonder te falen den strik om den hals of om het gewei, maakt het touw vast, haalt het naar zich toe en geeft last, dat alle andere dieren zullen worden vrijgelaten; hij bestijgt daarna weder zijn slede en rijdt weg. Alle overige sleden, door de medeleden der familie bestuurd, volgen in lange rijen; blatend of brommend en bij elken stap een knetterend geluid latende hooren, zet zich ook de gansche vrije kudde in beweging; de honden eindelijk rennen en springen, onder voortdurend geblaf, om de kudde heen en houden de rendieren zoo goed mogelijk bij elkaar; toch kan zulks niet verhinderen, dat er nu en dan een afdwaalt of achterblijft. De kudde breidt zich meer en meer uit en tooit op schilderachtige wijze alle hoogten; door een of ander bijzonder lekker voedsel vastgehouden, verwijlt zij troepsgewijs hier en daar eene poos; door de kalveren aangezocht vervullen de moeders haar plichten, gaan wel eens ten gevalle van het door de melk verzadigde jong naast haar kind liggen, totdat de adelaarsblik van den heer der kudde dit misdrijf opmerkt, hij zijwaarts uitwijkt om door zijne krachtige stem, of met behulp der inmiddels opontboden honden de achterblijvers vooruit te drijven. Opnieuw laat zich een algemeen geloei hooren, de honden blaffen nog luider en de schare golft verder; een bosch van geweien dringt voorwaarts en zeker jagersvuur ontvonkt het hart van den toeschouwer uit vreemde landen.De zon daalt; de trekdieren zuchten en steunen met ver uit den mond hangende tong; het wordt tijd hun rust te geven. Op geringen afstand, in de nabijheid van een der vele meren, verheft zich een zwak gewelfde kegel; de herder slaat die richting in; op de hoogte laat hij zijn geweidragend vierspan stilhouden. De eene na de andere slede komt aan; de losse kudde eveneens, om dadelijk met grazen aan te vangen, de uitgespannen trekkers volgen hen.IN DE TSCHOEM.IN DE TSCHOEM.De vrouwen zoeken eene geschikte plaats uit om de Tschoem op te bouwen; zij plaatsen de stokken in een cirkel in den grond en omkleeden ze met den mantel van berkenschors; de herder echter begeeft zich met zijn voor het gebruik gereedliggend werptouw onder de kudde, kiest met kennersoog een jong en vet hert uit en werpt dit den strik om den hals en over het gewei. Tevergeefs spartelt het dier en tracht zich los te maken, nader treedt de herder en weêrloos volgt het dezen naar de inmiddels reeds opgerichte Tschoem. Een slag met een bijl op het achterhoofd doet het slachtoffer ter aarde storten, een messteek door het hart maakt een eind aan zijn leven. Twee minuten later is[366]het dier reeds van de huid ontdaan, opengesneden en schoongemaakt; eene minuut later doopen alle, spoedig zich bijeen scharende familieleden de in repen gesneden lever in de met bloed gevulde borstholte, en de letterlijk „bloedige maaltijd” neemt een aanvang. In een kring gehurkt om het nog warme hert, snijdt elk der gasten ribstukken of stukken van rug- en dijspieren af; de lippen verven zich rood alsof zij geblanket waren; de bloeddruppels vloeien langs kin en borst; de handen worden almede geverfd en besmeerd met bloed, niet minder[367]neus en wangen, en bloedige gezichten staren den onthutsten vreemdeling aan. De zuigeling maakt zich los van de moederborst om insgelijks aan den maaltijd deel te nemen, en van pret gilt hij het uit, wanneer hem de moeder nog een mergbeen stukslaat en dit om het uit te zuigen toereikt, nadat het wicht alvorens een stuk lever naar binnen heeft geslagen en ook daarbij zijn gezicht, wangen en handen en nog meerdere lichaamsdeelen met bloed rood heeft geverfd. De honden zitten in ’t rond en knagen de hun toegeworpen beenderen af. Verzadigd gaat de een na den ander opstaan, wischt zich de bloedige hand aan het mos af, reinigt het mes op dezelfde wijze en keert dan in de Tschoem terug om er behagelijk uit te rusten. De huisvrouw vult den kookketel met water, legt er zooveel vleesch van het half opgegeten dier in als deze bevatten kan, en maakt vuur aan om het avondeten te bereiden.Ondertusschen heeft de herder zijn bovenkleed uitgetrokken en haastig, ofschoon nooit zonder succes onderzocht, en gaat nu zoo dicht bij het vuur liggen, dat de vlam hare volle werking op het naakte bovenlijf kan uitoefenen. Hij voelt zich meer dan lekker en denkt aan nieuw genot. Een vreemde snaak, die in zijn gezelschap naar het gebergte trekt, een Duitscher van herkomst, wellicht een medelid van de Bremer expeditie naar West-Siberië, heeft hem niet alleen tabak, een inderdaad afschuwelijk, maar zeer krachtig kruid vereerd, doch daarenboven ook nog een groot stuk papier, een geheele „Kölnische Zeitung” geschonken. Hij scheurt voorzichtig van deze laatste een vierkant stuk af, draait hieruit een klein spits peperhuisje, vult het met tabak, maakt in ’t midden een kneep, en het pijpje is gereed, brandt een oogenblik later zelfs prachtig en ruikt zoo heerlijk, dat zijn vrouw de neusgaten openspert en naar hetzelfde genot verlangt. Deze wensch wordt terstond bevredigd en het pijpje maakt zelfs een rondreis langs elk der familieleden.Doch er is leven gekomen in den pot; de avondspijs is gereed en „allen roeren de handen voor het lekker bereide maal”. Daarna gaat de herder voor de deur der hut staan, stoot in langgerekte klanken een verdragend geroep uit, dat heden voor de laatste maal de onrustige kudde bijeenbrengt om nu gerustgesteld in de Tschoem terug te keeren.Intusschen heeft de vrouw hier de muggentent opgeslagen en is nu nog bezig met den benedenrand onder de dekens te stoppen. Gedurende dit bedrijf pakt de man, die op zijn leger ligt te wachten een hond,[368]waarmede hij speelt als ware het een kind, welke behandeling de hond zijnerzijds zich gaarne laat welgevallen, daar hij zich zulks als eene hooge gunst en eer toerekent. Hierop kruipt de man half naakt onder de muggentent, de vijftienjarige zoon volgt zijn voorbeeld, en diens kleine, dertienjarige vrouw doet hetzelfde; de zorgvolle moeder brengt ook de kinderen, den zuigeling in de wieg hieronder begrepen, mede in veiligheid, sluit de deur en begeeft zich naar de andere huisgenooten. Weinige minuten later en een diep gesnork verkondigt, dat allen den slaap des rechtvaardigen hebben gevonden.Den volgenden morgen begint hetzelfde dagwerk en zoo gaat het voort, tot de hoogten der gebergten veroorloven, om langer rust te nemen en langer op dezelfde plaats te vertoeven. De hier, op deze hoogte zoo vroegtijdig vallende sneeuw dwingt reeds in Augustus tot opbreken, en wederom brengt de reis, thans wat langzamer en gemakkelijker, herder en kudde naar de laagte terug.Met het verdwijnen van het ijs begint ook het visschersbedrijf aan de rivier. Vele Ostjaksche visschers werken voor loon of ook wel in vereeniging met de Russen, terwijl anderen slechts een gedeelte der vangst aan hen verkoopen en voor eigen rekening visschen. Dadelijk na den ijsgang richten eerstgenoemden hun Tschoem naast de hutten der Russen op, of betrekken hunne aan het water gelegen zomerverblijven, blokhuizen van de allereenvoudigste soort. Ter plaatse, waar een nevenrivier in den stroom uitmondt, paalt men haar of een der armen af door middel van eene omheining, die slechts ééne opening vrij laat; bij lagen waterstand stelt men fuiken en legt men grondangels; daarenboven vischt men nog met treknetten en sleepnetten.Groote bedrijvigheid heerscht er op alle vischplaatsen, wanneer de vangst goed is. Halfvolwassen jongens zitten op eene schommelende stellage, in gebogen houding boven de opening der omheining en kijken met scherpe oogen naar beneden in het troebele water om te zienofer ook visschen loopen binnen het voor den doorgang gespannen en door hen vastgehouden kruisnet, beuren dit van tijd tot tijd met den gevangen buit op en ontlasten den inhoud in de kleine boot. De mannen visschen gezamenlijk met het treknet op de zandbanken of, op de ondiepe plaatsen der rivier, met het sleepnet. ’s Namiddags of tegen den avond keeren de visschers naar huis terug en verdeelen onder de huisgezinnen de vangst. Den volgenden morgen begint de arbeid der vrouwen. Afzonderlijk of in groepjes geschaard, hurken zij om de[369]groote hoopen visch, ieder voorzien van eene plank en een scherp mes, om de visschen te ontschubben, schoon te maken, in stukken te snijden, in te kerven en op lange dunne stokken te steken, die dan op droogstellen ter droging worden gehangen. Eene vaardig uitgevoerde snede opent de buikholte van den visch en scheidt de zijspieren van de wervelkolom, terwijl enkele handgrepen de lever en de overige ingewanden van kop en geraamte en de kostbaarder zijdeelen des lichaams wegnemen. De eene lever na de andere glijdt over de gretige lippen, want de vrouwen hebben nog niet ontbeten en nemen dit al vast als voorspijs. Is men nog niet verzadigd, dan wordt er een visch ontschubd, schoongemaakt, in lange repen gedeeld, het eene eind van zulk een reep door het bloed gehaald, en dan in den mond gebracht; snelle, rakelings voorbij den tip van den neus gaande messneden verdeelen de reep in passende stukken, die een voor een in een afgrond verdwijnen. Ook de kinderen, die bedelend de moeders omringen, verkrijgen ieder naar hun ouderdom hun aandeel in lever en spiervleesch; vierjarige telgen hanteeren het mes reeds even vaardig als de ouden en snijden op gelijke wijze de mondbeten af. Dit is de gewone wijze van eten, en ook het rendiervleesch wordt op gelijke wijze genuttigd. Spoedig glimmen de aangezichten van moeders en kroost van visschenbloed en levertraan, de handen van schubben. Zijn alle visschen behandeld en opgehangen, dan verkrijgen ook de honden, die begeerig, ofschoon niet lastig, zich om de vrouwen hadden gelegerd, hun aandeel t.w. de schubben, die op een grasbosje worden geworpen, en gulzig woelen de zwarte snuiten in dit gras.Het morgenwerk is verricht en men heeft recht op eene kleine uitspanning. De moeders nemen haar zuigelingen op den schoot, reiken dezen de borst en gaan nu over tot eene zekere verrichting, even noodzakelijk voor haar zelf als voor de kleinen: de jacht op parasieten. Het eene kind na het andere legt zijn kopje in den schoot der moeder, daarna legt deze zelf het hare in dien der oudste dochter of van eene buurvrouw, die op gelijken wederdienst hoopt; de jacht is meestal zeer voorspoedig. Het gevangen wild wordt, zoo niet opgegeten, dan ten minste tusschen de lippen genomen, en met de tanden verbrijzeld; voor een natuuronderzoeker, die de apen heeft waargenomen, is zulks niets nieuws, en het strekt hem, die inDarwinsleerstellingen meer ziet dan enkel hypothesen, als bewijs te meer voor het „atavisme” of het terugkeeren tot de gewoonten der voorouders.[370]De zon daalt, en de mannen, jongelingen en knapen komen met nieuwen zegen aandragen. Zij hebben naar hartelust rauwen visch gegeten, thans verlangt de ziel naar warme spijs. Een groote, dampende ketel met gekookte visschen, kostelijke renken,—naaste bloedverwanten van den zalm—worden hun voorgezet; met vischvet doorweekt brood is de toespijs, terwijl de maaltijd besloten wordt met tegelthee, die met koud water op het vuur gezet en lang gekookt is geworden. „Wanneer evenwel de begeerte naar spijs en drank gestild is” verlangt ook de geest naar voedsel, en daarom is de kunstenaar hoogst welkom, die de door hem zelf vervaardigde harp of cither te voorschijn haalt, òf om deze te bespelen, òf om een der inlandsche, onbeschrijfelijk karakteristieke liederen, òf om den vreemden dans der vrouwen te begeleiden, bestaande in opheffingen en neêrbuigingen van het lichaam en het volbrengen van allerlei bewegingen met de armen, die nu eens om elkander worden geslagen, dan weder uitgestrekt, daarna naar het lichaam teruggetrokken. Deze feestelijkheden duren net zoo lang totdat men met het opslaan der muggentent gereed is, als wanneer jong en oud onder derzelver plooien verdwijnt.De zomer is voorbij, en de korte herfst wordt opgevolgd door den winter. Nieuwe bedrijvigheid ontstaat met het trekken der vogels; met den winter ontwaakt een nieuw, ja het eigenlijke, rijke leven der Ostjaken. Het verraderlijke net wordt voor de wegtrekkende zomergasten gesteld; dit net bestaat uit een groot, licht verplaatsbaar kleef- of leeuwerikennet, dat aan den oever in de opengehakte deelen van de wilgenboschjes, op bekende strijkplaatsen tusschen twee groote watervlakten wordt uitgespannen, en waarin niet alleen eenden, maar ook ganzen, zwanen en kraanvogels vliegen, die meer dan welkom zijn om hun vleesch en veêren, want alle vogelsoorten verstrekken niet alleen den Ostjaken, maar in ’t algemeen aan alle rivierbewoners ten voedsel. Gelijktijdig met den vogelvanger trekt ook de nomaad op de jacht uit en stelt in de toendra zijn slagnetten voor den rood- en poolvos, of hij plaatst gemeenschappelijk met andere stamgenooten, in het bosch gelijke vangwerktuigen, stelbogen en automatische handbogen voor wolven, vossen, sabels, hermelijnen, veelvraten en eekhoorntjes. Is er sneeuw gevallen dan gespt zich de meer geoefende jager de sneeuwschoenen aan, zet den sneeuwbril op de oogen en begeeft zich met zijn honden naar het bosch in de toendra om den beer in zijn schuilplaats op te zoeken, de sporen van den losch te vervolgen, en den thans bemoeilijkten[371]eland en het wilde rendier op het sneeuwdek na te jagen, dat wel den jager, maar niet deze dieren draagt. Hij heeft nooit gelogen, nooit valsch op een berentand gezworen, nooit onrecht gedaan, en derhalve is de beer tegenover hem machteloos, zijn eland en rendier tegenover hem niet vlug genoeg. Met den verslagen beer trekt hij vroolijk het dorp en de Tschoem binnen: buren en vrienden omringen hem jubelend, tot de algemeene vreugde ook hem zelf aantast, hij wegsluipt, zich vermomt en den berendans begint te dansen—bestaande in vreemdsoortige bewegingen, die den beer in alle toestanden des levens moeten voorstellen en verzinnelijken.Een rijken voorraad huiden bergt spoedig de hut des visschers, een nog rijkeren de Tschoem des herders, daar deze bovendien nog alle pelzen der door hem in den loop des jaars geslachte rendieren heeft verzameld. Thans is het tijd ze kwijt te worden. Van verre en nabij rust men zich uit om naar de jaarmarkt te gaan, die telken jare in de tweede helft der maand Januari te Obdorsk, het laatste Russische dorp en de belangrijkste handelsplaats aan de beneden-Ob wordt gehouden, en die zoowel door inboorlingen als door vreemdelingen druk bezocht wordt, terwijl ook bij deze gelegenheid de Russische regeeringskommissaris de belastingen int van Ostjaken en Samojeden, bestaande geschillen uit den weg ruimt en verder recht spreekt; de Russische kooplieden maken intusschen jacht op koopers en verkoopers, de slechten onder hen, geholpen door de spitsboefachtige Syrjenen op lichtzinnige dronkaards, en de popen eindelijk op te bekeeren heidenen; er worden verder met de Russen verdragen afgesloten, schulden betaald, nieuwe aangegaan, onder Ostjaken en Samojeden allerlei afspraken gemaakt, bruiloften gevierd, vijanden verzoend en nieuwe vriendschapsbanden gesloten. In lange rijen verschijnen de met rendieren bespannen sleden; van alle kanten komen ze aan en het marktvlek is eerlang omgeven van eene menigte Tschoems, rondom welke de met te verhandelen waren zwaar bepakte sleden geschaard staan. Elken morgen trekt de eigenaar van de Tschoem met zijn meest geliefde vrouw in vol ornaat naar de kramen om huiden te verkoopen en waren in te ruilen. Men handelt, biedt, dingt, tracht te bedriegen, en de ook nu nog bedrijvige Merkurius oefent zijne heerschappij uit niet enkel als god der kooplieden, maar ook als god der dieven. Brandewijn, ofschoon van regeeringswege verboden, is bij elken koopman, en in bijna elk huis van Obdorsk te verkrijgen; hij benevelt het verstand van Ostjak en Samojeed en verarmt beiden[372]nog meer dan het miltvuur. De brandewijn doet alle hartstochten van den anders zoo kalmen, goedaardigen en onnoozelen Ostjak in opstand komen, en verandert den vredelievenden, jegens iedereen vriendelijken en eerlijken kerel in een woedend, krankzinnig dier. Naar brandewijn hunkert de man, naar brandewijn dorst de vrouw; de vader giet het begeerige kind den brandewijn in de keel, de moeder hare verlangende dochter, wanneer beiden genoeg hebben van het verderfelijk vergif.Voor brandewijn verslingert de Ostjak zijn met moeite verworven schatten, verkwanselt hij zijn geheele bezitting, voor brandewijn verhuurt hij zich als knecht, verkoopt hij zich als slaaf, verkoopt hij zelfs zijne ziel en verloochent hij het geloof zijner vaderen. Brandewijn behoort bij het sluiten van elken koop en verkoop,—zelfs bij de bekeering tot de rechtzinnige, orthodoxe kerk.Met behulp van den brandewijn komt de oneerlijke koopman eindelijk in ’t bezit van alle huiden van den Ostjak, en bevrijd van deze, maar tevens met ledige beurs en een verward hoofd keert de met trotsche verwachtingen naar Obdorsk getogen, bedrogen, om niet te zeggen uitgeplunderde man naar zijn Tschoem terug. Hij gevoelt berouw over zijn dwaasheid, zijn zwakheid, koestert de beste voornemens, komt tot kalmte en denkt spoedig alleen nog maar aan de heerlijke bijeenkomsten, die hij met zijn stamgenooten gehouden heeft. Met dezen heeft hij eerst gedronken, dan hebben de mannen en vrouwen elkander gekust, dan de mannen hun vrouwen afgeranseld, dan tegen elkander hun krachten gemeten, zelfs de scherpe messen met een fonkelend oog getrokken en elkander met den dood bedreigd; maar er is geen bloed gevloeid, men heeft zich weêr met elkander verzoend, de vrouwen, die vreeselijk door de klappen waren toegetakeld en door den brandewijn hunne bezinning hadden verloren, heeft men teêrhartig van den grond opgebeurd en door andere medelijdende vrouwen doen reinigen; men heeft als bekroning der verzoening eene plechtige overeenkomst getroffen, voor de dochter een bruidegom, voor den zoon eene kleine bruid uitgekozen; men heeft zelfs eene weduwe weêr uitgehuwelijkt en bij die gelegenheid nog eens gedronken, kortom, men heeft zich kostelijk vermaakt. Dat de Regeeringskommissaris alle door den drank bedwelmden eindelijk had laten inpakken, dat alle, alle geld den weg van het vergankelijke was gewandeld, ja dit was natuurlijk onaangenaam, zeer onaangenaam zelfs geweest; maar de gevangenis was[373]weêr geopend geworden, de smart over het geldelijk verlies was geleden, en slechts de gouden herinnering, waarop men een vol jaar kon teren, en de voor alle partijen eervolle verloving waren als een niet te vervreemden winst van den heerlijken feestdag gebleven.Bruidegom en bruid waren mede op de jaarmarkt geweest, hadden dapper medegedronken en bovendien elkander leeren kennen; de bruidegom was het met zijn ouders eens, dat hij op het jonge meisje zijn keuze moest laten vallen, beter gezegd dat hij haar als zijne vrouw moest onderhouden. Want de wil der ouders, niet die der jonge lieden, sluit bij de Ostjaken de huwelijken. Op den wensch en den wil des jongen mans moge men nog eenige acht slaan, en een veelbelovenden knaap wordt het wel eens veroorloofd zijn eigen oogen te richten naar eene dochter zijns volks, maar men zendt ook den in zijne keus vrij gelaten jongeling alleen dan naar den vader van het meisje, wanneer de toestanden aan weêrszijden genoegzaam overeenkomen. De jonge dochter wordt nooit naar haar wil gevraagd, en zulks reeds hierom, dewijl zij, wanneer men haar verlooft, nog veel te jong is om eenigszins over hare toekomst te kunnen oordeelen. Zelfs de toekomstige mannelijke echtgenoot heeft zijn vijftiende jaar nog niet bereikt, wanneer hij naar de hand der twaalfjarige dingt.In ons geval heeft de jaarmarkt te Obdorsk de onderhandelingen bespoedigd. De vrijer heeft reeds het jawoord; terstond hierop zijn de dikwijls zeer langdurige onderhandelingen begonnen, maar dank zij den invloed van den anders demonischen, in dit geval onmisbaren brandewijn, zij werden nu zeer spoedig ten einde gebracht. Men is overeen gekomen, dat Sandor, de jonge bruidegom, als bruidsschat voor Malla, het verloofde kind, zestig rendieren, twintig vellen van den witten, tien van den rooden vos, een stuk bont katoen en verschillende kleinigheden, als ringen, knoopen, glasparels, hoofddoeken enz. zal betalen. Zulks was weinig, veel minder dan de volstrekt niet rijkere bestuurder der gemeente, Mamroe, eens voor zijne vrouw had betaald, want diens bruidsgeld had bestaan in honderdvijftig rendieren, zestig vellen van den poolvos en twintig van den gewonen vos, een groot stuk kleedingstof, vele hoofddoeken en de gewone kleinigheden. Maar toenmaals waren de tijden beter, en Mamroe mocht wel een bruidsschat van meer dan duizend zilveren roebels betalen voor zijne deftige, rijke en uit eene aanzienlijke familie voortspruitende vrouw!Het bruidsgeld is betaald; de verloving der jonge lieden heeft plaats.[374]De nabestaanden komen in de Tschoem van den vader des bruidegoms bijeen om aan de bruid geschenken te brengen en tevens uit de voor ieder ten toon gestelde gave des bruidegoms voor zich zelf iets in ontvangst te nemen. Men kleedt de bruid in feestgewaad en maakt zich gereed met haar naar de Tschoem des bruidegoms of van diens vader te rijden. Vooraf heeft men op gebruikelijke wijze lekker gesmuld van een geslacht rendier. Gekookt heeft men heden slechts enkele onder het ijs gevangen visschen; het vleesch der gedoode rendieren at men rauw, en toen het eerste koud begon te worden, gaf men een tweede den doodsteek. De bruid weent, gelijk met alle scheidende bruidjes gewoonte is; zij wil de Tschoem niet verlaten, alwaar zij is groot gebracht, en eerst nadat men haar allerlei troostwoorden heeft toegesproken is zij daartoe bereid. Een gebed voor den huisgod vraagt om den zegen van Ohrt, den hemelschen, wiens teeken Sornidoed, het godsvuur, in onze oogen slechts het knetterende noorderlicht, in den verloopen nacht bloedrood aan den hemel prijkte. De moeder vergezelt de scheidende dochter om haar bij te staan en ook in den eersten nacht na het huwelijk in hare nabijheid te blijven. Moeder en dochter beklimmen de slede, de gezamenlijke gasten de hunnen, en voort snelt de feestelijk gekleede bruidsstoet onder het geklingel der bellen, waarmede heden alle rendieren, die almede hun beste tuig dragen, versierd zijn.De bruigom wacht in de Tschoem zijns vaders zijne bruid op, die heden en voortdurend door middel van den hoofddoek zedig het gelaat verbergt voor haar schoonvader en de schoonbroeders van haar aanstaanden echtgenoot. Een nieuw feest neemt een aanvang, en eerst laat in den nacht scheiden de gasten, waartoe ook de bloedverwanten van den bruidegom behooren.Den volgenden dag brengt de moeder evenwel hare dochter in de Tschoem des vaders terug. Maar reeds een dag later verschijnen hier alle verwanten des bruidegoms om de jonge vrouw weder voor dezen op te eischen. Opnieuw vervult feestgedruisch de nederige hut; straks scheidt de bruid voor altijd, en deelt nu voorgoed de Tschoem, naar welke zij voor de tweede maal in feestelijken optocht wordt heengeleid, alleen met haar man of tevens met diens ouders, broeders en zusters.De zoons van arme lieden brengen als bruidsschat niet meer dan hoogstens tien rendieren mede, visscherszonen nog minder, ja zelfs geen rendieren, maar enkel het benoodigde huisraad; ook deelen zij dikwijls dezelfde Tschoem met meer huisgezinnen, maar ook de bruiloft dezer[375]lieden wordt tot een feest- en vreugdedag, waarop zooveel gegeten en gesmuld wordt als het geringe vermogen maar toelaat.Arme Ostjaken leven in monogamie, rijke lieden beschouwen het als een zaak van fatsoen twee of meer vrouwen te nemen. In dit geval heeft de eerst gevrijde vrouw meer voorrechten dan de anderen, die meer als de dienstmaagden der eerste kunnen beschouwd worden dan als haars gelijken. Alleen wanneer zij geen kinderen krijgt, kan het anders worden; want kinderloos te zijn is eene schande voor den man, terwijl eene kinderlooze vrouw als een beklagenswaardig voorwerp wordt beschouwd.De ouders zijn trotsch op hun kinderen en behandelen ze met veel teederheid. Met oogen, die kennelijk van geluk getuigen, met gebaren, die haar weelde uitdrukken, legt de jonge moeder haar eerstgeborene aan de borst, of op het mollige watermos in de aardige, met fijn vermolmd wilgenhout en geschaafde houtvezeltjes opgevulde wieg van beukenbast; met zorg maakt zij het dek aan beide kanten der wieg vast en omhult voorzichtig het hoofdeneind van het kleine bedje met het daar bevestigd muggennetje; hare reinheid laat evenwel veel te wenschen over. Zoolang het kindje nog klein is en onbeholpen, wascht en reinigt de moeder het wanneer zij meent dat zulks volstrekt noodig is; maar is het grooter geworden, dan wascht zij het maar eenmaal iederen dag gezicht en handen; zulks geschiedt met behulp van een handvol geschaafde wilgenhoutspaanders, die dienst doen als spons, terwijl een tweede handvol droog toegepast, als droogdoek gebruikt wordt. Zonder zich daarover in ’t minst bezorgd te maken, kan de moeder verder aanzien dat het kleine wezen zich op eene wijze bevuilt en bemorst, dat wij er verbluft van staan. Eerst dan wanneer de jonge Ostjak zich zelf weet te helpen, neemt dit euvel een eind; niemand evenwel acht het noodzakelijk zich na den maaltijd te wasschen, al is deze nog zoo bloedig geweest. De kinderen van hun kant hangen met evenveel liefde aan hunne ouders als deze aan hen; zij zijn voorbeeldig gehoorzaam; nooit verzetten zij zich tegen den wil hunner opvoeders. Eerbied jegens hun ouders is het eerste en voornaamste gebod der Ostjaken, eerbied jegens de godheid komt eerst in de tweede plaats. Als wij Mamroe, den reeds genoemden bestuurder der gemeente, den raad gaven, zijn kinderen in de Russische taal te doen onderwijzen en het Russische schrift te doen leeren, antwoordde hij ons, dat hij het nut van zoodanige kennis wel inzag, maar dat hij vreesde, dat de[376]kinderen dan zouden vergeten hun vader en moeder te eeren en daarmede het voornaamste geloofsartikel te schenden, zoodat hij op dezen grond niet besluiten kon onzen raad op te volgen. Zulks mag ook de reden zijn waarom geen enkele Ostjak, die nog het geloof zijner vaderen aanhangt, in dit opzicht iets meer leert dan zijn teeken, een hem en anderen verbindend gekrabbel, dat op het papier wordt gebracht of in hout of rendierhuid gesneden. En toch leert hij, als een zeer knap en talentvol mensch, al wat men hem onderwijst zoo spoedig en goed, dat hij op den vroegen leeftijd, waarop hij uitgehuwelijkt wordt, alles kent en weet wat tot het voeren van eene huishouding, en het onderhoud van een gezin noodig is. Alleen in geloofszaken schijnt hij zijn eigen oordeel te wantrouwen en, weinigen uitgezonderd, juist daarom den Schaman, die zich meerdere kennis van zoodanige zaken aanmatigt, eene onverdiende eer te bewijzen.Wij zien evenwel in zulke Schamans, die bij de Ostjaken, evenals bij andere Mongoolsche volksstammen van Siberië zich de rechten van priesters aanmatigen, niets anders dan bedriegers.Het eenige lid der lieve broederschap, waarmede wij in aanraking kwamen, een gedoopte Samojeed, droeg het teeken des Christendoms op zijne borst, was zelfs, zooals het gerucht wilde, diaken in eene kerk der rechtgeloovigen, en toch oefende hij onder de heidensche Ostjaken het beroep van Schaman uit. Ik weet zeker, dat deze persoon geen uitzondering vormde, maar dat zulks regel is; want alle Schamans, die von Middendorf, mijn zegsman, op zijne vele en lange reizen door Siberië leerde kennen, waren Christenen. Dat de Schaman, dien wij leerden kennen, in de meening verkeerde, dat ook wij geloovigen waren, heb ik reeds in mijn reisbericht vermeld, eveneens wat hij ons voorspelde; het verhaal van de ons gegeven voorstelling zelf heb ik echter tot heden bewaard; want in de lijst dezer mededeelingen past ook meer eigenaardig dit beeld.Aanvankelijk brandewijn als geestelijk loon eischende, daarna zich met de belofte van een geschenk tevreden stellende, ging hij alleen de Tschoem binnen, ons zeggende, dat hij ons zou laten roepen, wanneer hij met de toebereidselen gereed zou zijn. Tot deze schenen ook doffe slagen op de trom te behooren, die wij na geruimen tijd vernamen; van andere bezigheden merkten wij niets. Op een door hem gegeven teeken traden wij de Tschoem binnen.De geheele ruimte der hut van berkenschors is met menschen opgevuld,[377]die zoo dicht mogelijk tegen de wanden aangedrukt, in een kring zijn gezeten; behalve Ostjaken en Samojeden, die met vrouw en kind zijn komen opdagen, zijn er ook Russen met hun vrouwen en spruiten aanwezig. Op een hoogen zetel, links van den ingang, heeft Widli, de Schaman, zich neêrgelaten; aan zijn rechterhand ligt een Ostjak, leerling van den meester, gehurkt. Widli draagt een bruin opperkleed en daaroverheen een oorspronkelijk witten, maar nu zeer morsigen, spaarzaam met gouden tressen versierden tabbaard; in zijn linkerhand houdt hij de kleine tamboerijnachtige trom zoodanig, dat haar schaduw op zijn gezicht valt, in de rechter den trommelstok; het hoofd is onbedekt, het rond geschoren haar zooeven gekamd. In ’t midden der Tschoem brandt een vuur, dat nu en dan opflikkerende, een schellen gloed werpt op het verzamelde gezelschap, in welks midden wij plaats nemen op de voor ons opengehouden zetels. Een driemaal herhaald, langgerekt, als een veelstemmig gezang klinkend geschreeuw, ingeleid door ettelijke tromslagen, begroet ons bij het binnenkomen en kondigt het begin der handeling aan.„Opdat gij moogt zien, dat ik een man der waarheid ben,” zoo laat de meester zich hooren, „zoo zal ik thans den mij vertrouwden bode van den raad des hemels bezweren onder ons te verschijnen, om mij mede te deelen, wat de goden over uwe toekomst besloten hebben. Gij zelf zult dan later mogen ervaren of ik waarheid gesproken heb of niet.”Na deze aanspraak, die ons door den mond van twee tolken werd overgebracht, bewerkt de lieveling der goden het kalfs- of liever hier het rendiervel zijner trom met snelle slagen, die elkander wel in eene bepaalde maat, maar niet in een bepaald aantal opvolgen. Hij begeleidt ze met een gezang, dat op Samojeedsche wijs half sprekend, beter gezegd, half brommend, half zingend voorgedragen, door den discipel, dien wij den koster zullen noemen, telkens getrouw herhaald wordt. Daarbij houdt de meester zijn trom zoo, dat zijn gezicht steeds beschaduwd blijft; hij sluit tevens de oogen om door niets van zijn geestelijk gezicht afgeleid te worden; de koster daarentegen rookt ook onder het gezang evenals straks steeds door en spuwt bij afwisseling op den grond evenals straks. Drie langzame, bepaalde slagen kondigen het einde van trommelen en zingen aan.„Ik heb thans,” zoo spreekt de meester vol waardigheid, „Jamaul den bode der hemelsche geesten, bezworen onder ons te verschijnen;[378]ik kan evenwel niet bepalen hoeveel tijd er nog verloopen moet alvorens hij, die misschien verre wijlt, bij ons zal zijn.”En wederom roert hij de trom, zingt hij bezwerend, en eindigen gezang en begeleiding als te voren.„Twee keizers zie ik voor mij; zij zullen u een geschrift zenden,” zoo spreekt de bode der goden door zijnen mond. Jamaul was dus zoo vriendelijk geweest in de Tschoem te verschijnen en zijn lieveling ter wille te zijn. Thans volgen, steeds ingeleid door het betooverend gezang en tromgeluid, de afzonderlijke volzinnen, waarin de boodschap der goden is vervat:„Nog eenmaal, in den volgenden zomer, zult gij denzelfden weg trekken als nu.”„Dan zult gij de toppen van den Oeral bezoeken, daar waar de Oessa, Bodaratta en Schtschoetschja haar loop aanvangen.”„Op deze reis zal u iets overkomen; of het goed zal zijn of kwaad kan ik niet zeggen.”„Aan de Bodaratta valt niets te behalen omdat het daar aan hout en weiden ontbreekt; hier echter kan iets uitgevoerd worden.”„Gij zult uwen meester verantwoording moeten doen; hij zal deze onderzoeken en tevreden over u zijn.”„Ook voor de drie oudsten van uwen stam zult gij u te verantwoorden hebben; zij zullen uwe geschriften eveneens nagaan om daarna over de nieuwe reis uitspraak te doen.”„Uwe reis zal van nu af gelukkig zijn, zonder ongeval eindigen, en gij zult te huis uwe geliefden in welstand terugzien.”„Wanneer ook de thans aan de Bodaratta toevende Russen hetzelfde zeggen als zij, zullen twee keizers u beloonen.”„Ik zie geen gezicht meer voor mij.”De handeling is ten einde. De schemering breidt zich uit over de bergen van den Oeral. Allen verlaten de Tschoem; uit de gebaren der Russen spreekt hetzelfde vertrouwen als uit de tronies der Ostjaken en Samojeden. Wij evenwel bewegen den Schaman om ons naar de boot te vergezellen, maken hem en zijnen discipel met brandewijn de tong los en leggen hem allerlei strikvragen voor, daaronder zeer spitsvondige. Hij beantwoordt ze alle, zonder uitzondering, en zonder een oogenblik in verlegenheid te geraken, zonder te dralen, zonder zich te bedenken; hij beantwoordt ze alle vol overtuiging en overtuigend, klaar en bepaald, kort en bondig, zoodat wij nog meer dan vroeger[379]tot het bewustzijn kwamen, dat wij met een door en door slimmen bedrieger te doen hadden.Hij schildert ons, hoe hij reeds als knaap den geest op zich voelde nederdalen, hoe deze hem zoo lang bleef pijnigen, tot hij de discipel van een Schaman werd; hoe hij meer en meer op vertrouwelijken voet is geraakt met Jamaul, den bode der goden, die hem verschijnt in de gedaante van een vriendelijk man, op een paard gezeten en met een staf in de hand; hoe Jamaul hem steeds te hulp snelt en hemelschen bijstand verleent, wanneer booze geesten hem aanvallen en hij dikwijls dagen achtereen tegen hen heeft te strijden; hoe de bode der goden steeds de ware, onvervalschte boodschap der hemelgeesten hem moet mededeelen, dewijl anders elke tromslag als een geeselstriem diens rug zou doorploegen; hoe Jamaul ook weder op dezen dag, voor hem alleen zichtbaar, achter hem in de Tschoem heeft gezeten, en hem alle woorden in het oor had gefluisterd; hoe hij, de Schaman door zijne kunst, of liever door de hem verleende genade, welke ook door zijn overgang tot het Christendom niet verzwakt kan worden, het verborgene ontdekt, het gestolene kan terugvinden, ziekten leert onderscheiden, den dood of de genezing der zieken vooruit ziet, de schimmen der afgestorvenen kan waarnemen en bannen, veel kwaads kan doen en verhinderen, maar alleen het goede bewerkt, uit vrees voor de hemelsche geesten; hij geeft ons een uitvoerig en helder, ofschoon niet geheel en al juist beeld van het geloof van Ostjaken en Samojeden; hij verzekert, dat een ieder van zijn eigen volk zoowel als de Ostjaken hem bij allerlei onheil bezoeken, hem om raad vragen, zich door hem de toekomst laten ontsluieren, en zonder aarzeling hem vertrouwen, hem gelooven.Het laatste is geenszins het geval. De groote hoop moge in den Schaman een man van groote wetenschap, wellicht zelfs een middelaar tusschen den mensch en de godheid, misschien ook een man, vol geheime macht zien, maar velen gelooven even zoo weinig aan de woorden en werken van een Schaman als andere volken aan die hunner priesters. Het werkelijke geloof des volks is oneindig veel eenvoudiger en kinderlijker dan den Schaman lief is. Het gaat ook hier gelijk wel eens elders: de priester, of hij die zich daarvoor uitgeeft, bevolkt den hemel met goden en raden en dienaren der godheid, het volk echter weet niets van zulk een hemelschen hofstoet.Volgens het geloof van den Ostjak troont in den hemel Ohrt, een[380]naam, die zooveel beteekent als „einde der wereld.” Hij is een almachtige geest, die alleen tegenover den dood geen macht bezit; maar die den menschen genegen is. Gever van alle goeds, uitdeeler der rendieren, visschen en pelsdieren, die het booze verhindert, de logen wreekt, en slechts dan zich streng betoont, wanneer men de belofte jegens hem niet nakomt. Ter eere van Ohrt viert men feesten, hem offert men, en tot hem bidt men; en aan hem alleen denkt de smeekeling, zelfs wanneer hij zich voor een heiligenbeeld plaatst. Dit beeld, „longch” genoemd, kan uit hout gesneden, maar ook een bundel katoen, een steen, een dierenhuid of elk ander voorwerp zijn; kracht gaat er niet van uit, bescherming verleent het niet, dus een fetisch is het niet. Verzamelt men zich voor een longch, brengt men het voor de Tschoem, plaatst men er een schotel met visch of rendiervleesch voor, of eenig ander offer, legt men kostbaarheden voor den longch neêr, bergt men deze zelfs binnen in dit voorwerp,—men richt bij al die handelingen het oog ten hemel en denkt zoowel in het gebed als bij het offer aan de godheid zelf. Booze geesten wonen zoowel in den hemel als op de aarde, maar Ohrt is machtiger dan zij; alleen de dood is sterker dan Ohrt. Een eeuwig leven na den dood bestaat niet, van eene opstanding weten de Ostjaken evenmin; maar de doode wandelt als schaduw op de aarde rond, en die schim of schaduw heeft nog altijd de macht om zoowel goed als kwaad te doen. Wanneer een Ostjak sterft dan vangt onmiddellijk dat schaduwleven aan; daarom gaat men ook terstond tot de begrafenis over. Reeds vóórdat hij den laatsten adem uitblies waren de vrienden bijeengekomen; zoodra de dood is ingetreden ontsteekt men een vuur in de Tschoem en houdt dit brandende, totdat men grafwaarts gaat. Een Schaman wordt geroepen om den doode te vragen, op welk kerkhof hij wil rusten. Zulks geschiedt op deze wijze, dat men de plaats noemt en daarbij het hoofd van het lijk poogt op te beuren. Is de plaats naar den zin dan laat de afgestorvene toe, dat men zijn hoofd opbeurt, zoo niet dan zouden drie mannen zulks niet vermogen. In dit geval wordt de vraag herhaald, en wel zoolang totdat de doode toestemt. Nu zendt men der zake kundige personen naar die plaats om het graf gereed te maken, want zoodanig werk eischt dikwijls vele dagen.De graven bevinden zich steeds in de toendra, op hooge plaatsen, gewoonlijk op den rug van lange heuvelrijen; zij bestaan uit min of meer kunstig saamgevoegde bakken of laden, die boven op den grond[381]worden geplaatst. Heeft men geen stevige planken, dan zaagt men een boot in stukken en legt daarin het lijk; alleen zeer arme lieden delven een ondiep graf en begraven daarin hunne dooden.EENE BEGRAFENIS BIJ DE OSTJAKEN.EENE BEGRAFENIS BIJ DE OSTJAKEN.Het lijk wordt niet gewasschen, maar in feestgewaad gestoken; het haar wordt gekamd en het aangezicht met een doek bedekt. De overige kleederen worden den armen geschonken. Een vreemde doode wordt niet met de handen aangeraakt, een beminde bloedverwant wel, ja dezen kust men zelfs met tranen in de oogen het aangezicht.[382]Op eene slede, of in eene boot, onder geleide van alle bloedverwanten en vrienden wordt de doode naar zijn laatste rustplaats vervoerd. Een rendierhuid wordt in den bak of het graf uitgespreid, om hierop den doode te leggen, wien men tabak, pijpen, en allerlei zaken, die hij in ’t leven gebruikte, medegeeft. Daarna schuift men touwen onder het lijk, legt het op het leger, spreidt een tweeden doek over het aangezicht, en sluit den bak met een stuk berkenschors, terwijl over de rijken nog vooraf kostbare huiden en katoenen stoffen worden uitgespreid. Daarna legt men nog over de berkenschors het eigenlijke deksel der kist of althans eenige zware, nauw aaneensluitende boomstammen, en hierop, en om en onder den bak verder al die gereedschappen, voor welke daarbinnen geen ruimte was. Vooraf echter heeft men ze stuk geslagen of op andere wijze onbruikbaar gemaakt, of gelijk de Ostjaken meenen, tot eene schaduw van datgene, wat zij eens waren.Middelerwijl heeft men in de nabijheid der grafplaats een vuur ontstoken, een of meer rendieren geslacht, welker vleesch nu door de begravers, rauw zoowel als gekookt, gegeten wordt. Na het lijkmaal steekt men de schedels der gedoode rendieren op puntige palen, omwikkelt deze of de nabijstaande boomen met het rendiertuig, hangt de belletjes, die gelijk bij andere feestelijke gelegenheden ook nu gebruikt zijn, aan de bovenste jukken van de lijkkist zelf op, slaat eindelijk de slede stuk, gooit deze in de nabijheid van het graf om en daarmede is de laatste plechtigheid verricht en de laatste versiering aangebracht. Men trekt huiswaarts, de klaagtonen verstommen, het leven eischt wederom zijn dagelijksche rechten.In de schaduw van den nacht echter begint de schaduw van den afgestorvene, uitgedost met de tot schaduwen geworden werktuigen, haar geheimzinnig schaduwleven. Wat zij gedaan heeft, toen zij nog onder de levenden verkeerde, doet zij nog. Onzichtbaar voor de menschen, weidt deze schaduw haar rendieren, of stuurt hare boot door het water, gespt zich de sneeuwschoenen onder de voeten, spant den boog, stelt het net, doodt de schaduwen van gestorven dieren, vangt de schaduwen van gestorven visschen. In de schaduw van den nacht treedt zij de Tschoem binnen en brengt haar nagelatenen goed en kwaad. Het loon van den doode bestaat hierin, dat hij zijn eigen bloedverwanten weldaden bewijst, zijne straf daarin, dat hij hun kwalen op den hals haalt.[383]Deze zijn de hoofdwaarheden van het geloof der Ostjaken, een volk, dat door de rechtgeloovige Christenen als heidenen wordt beschouwd en veracht. Eene billijke waardeering van een eerlijk menschenhart met een kinderlijk gemoed zou evenwel den wensch bij ons doen opkomen: och mochten zij altijd heidenen, altijd blijven, wat zij nu zijn![384]
XIII.DE HEIDENSCHE OSTJAKEN.
Gemakkelijk en zonder inspanning is thans nog de strijd om het bestaan, dien de mensch in Siberië heeft te strijden, en hij zal zulks ook nog wel eeuwen blijven; gemakkelijk vooral in de zoo rijk door de natuur gezegende velden van het zuiden, maar ook evenmin hard en zwaar in die oorden, welke wij gewoon zijn te beschouwen als eene ijswoestijn, als eene ongastvrije wildernis, en die wij zelfs nog als zoodanig meenen te moeten kenmerken, wanneer wij die streken gedwongen doorreizen. Wel is het klimaat in het hooge noorden van West-Siberië ruw en streng; wel weigert hier de grond, die op geringe diepte onder het oppervlak het geheele jaar door bevroren is, iets tot voeding op te leveren, de zon het brood verstrekkende koorn tot rijpheid te brengen, maar ook hier schudde de milde natuur haar hoorn des overvloeds uit, en wat het land niet schonk, dat gaf het water. In onze oogen moge de daar reeds eeuwen verblijvende mensch arm en ellendig schijnen, in werkelijkheid is hij zulks niet. Ook hij kan er in zijn behoeften voorzien, ook hij omringt zich met gemakken en genietingen, die hem bevrediging schenken, en werpt zijn woonplaats meer af dan hij noodig heeft. Wel strijdt ook hij met meer of minder bewustzijn om een „menschwaardig bestaan,” maar geenszins met wrok in het hart tegenover de meer bevoorrechten, want hij is zelf meer bevoorrecht dan wij meenen, omdat hij bescheidener, meer voldaan, meer tevreden is dan wij zijn, en omdat hij datgene, wat wij hartstocht noemen, streng genomen, niet kent, omdat hij de vreugde, die voor hem opbloeit, met kinderlijke tevredenheid aanneemt, en het lijden, dat hem bezoekt, draagt met een wel diep gevoelde smart, maar het ook spoedig weêr vergeet evenals een kind.RENDIERSLEDE.RENDIERSLEDE.Ook aan zijn leger treedt de zwarte zorg; hij wijst deze evenwel terug zoodra ook maar de minste schemering van vreugde weder doorblinkt, en hij is de rampspoed geheel vergeten, zoodra het zonnetje des[353]geluks hem weêr vriendelijk toelacht. Ook hij prijst den rijkdom en klaagt over de armoede, maar hij vertwijfelt niet, wanneer de eerste hem begeeft, en hij verliest zijn verstand niet, wanneer de laatste in welvaart verkeert. Ofschoon volwassen, is hij een kind in al zijn denken, gevoelen, laten en handelen; hij is gelukkiger dan wij.De Ostjak, met wien wij aan de beneden-Ob hoofdzakelijk hebben verkeerd, met wien wij het meest in aanraking kwamen, en dien wij het best hebben leeren kennen, behoort tot den Finschen stam; hij deelt met een andere loot van dien tak, den Samojeed, hetzelfde geloof, met bijna alle Finnen in engeren zin, dus ook met de Lappen, nagenoeg gelijke zeden en gewoonten, dezelfde levenswijze; hij is rendierherder en visscher, jager en vogelvanger, evenals ook de Samojeed en Lap zulks zijn. Afgezien van het godsdienstig geloof, misschien ook van de taal, gelijkt hij echter meer op dezen dan op genen; want hij is zoowel gezeten kolonist als nomaad, terwijl de Samojeed, zelfs wanneer deze zich met de vischvangst bezighoudt, althans in het door ons bereisde gedeelte van Siberië, slechts zeer zelden zijn verplaatsbare hut met een vast blokhuis verruilt.OSTJAKEN.OSTJAKEN.Het kan zijn, dat de stam der Ostjaken vroeger talrijker was dan thans; een eigenlijk gezegd volk, naar onze begrippen, zijn zij nooit geweest. In sommige streken van het door hen bezeten of bereisd gebied zou het aantal inwoners bestendig af- in andere deelen daarentegen eenigszins toenemen; van veel belang is evenwel noch het een noch het ander. Men rekent hoog, wanneer men het totaal aantal zielen op vijftig duizend schat; in het geheele, groote ambtsgebied van Obdorsk, dat zich van den 65ngraad Noorder-Breedte tot aan het noordelijk uiteinde van het Samojeden-schiereiland, en van den Oeral tot aan den bovenloop der Chasz uitstrekt, leven, naar luid van ons verstrekte, officieele opgaven, tegenwoordig niet meer dan 5382 mannelijke Ostjaken, waaronder niet meer dan 1376 werkkrachten, of wat op hetzelfde neêrkomt, schatplichtige mannen. Nemen wij aan, dat het aantal vrouwen en meisjes even groot is, dan bedraagt het geheele aantal nog geen 11000 zielen, en het bovengenoemde cijfer is misschien daarom nog eer te hoog dan te laag genomen, al moge men ook aannemen, dat het woongebied onzer lieden aan de Ob zich tot in de streek van Soergoet, aan de Irtysch tot in de nabijheid van Tobolsk uitstrekt. Alle aan de Irtysch, alsmede aan den boven- en middelloop der Ob verblijf houdende Ostjaken bewonen vaste, zeer[354]eenvoudige, op die der Russen gelijkende blokhuizen, en slechts hier en daar, altijd zeer spaarzaam, treft men tusschen deze, reeds een hoogeren beschavingstoestand aanduidende vaste woningen, ook nog wel eens eene enkele tent van berkenbast aan,„Tschoem” geheeten, terwijl deze aan den benedenloop der Ob, inzonderheid tusschen Obdorsk en den mond des strooms bijna uitsluitend voorkomt; gelijk vanzelf spreekt maken deze Tschoems de eenige woningen dernomadischlevende Ostjaken uit. Zoo niet volkomen, toch bijna daarmede in harmonie is het feit, dat die Ostjaken, welke in dorpen wonen, leden zijn der orthodoxe[355]kerk, althans door den doop daartoe behooren, terwijl die, welke nog in Tschoems huizen, hun overoud, geenszins van poëzie ontbloot en nog minder onzedelijk, maar door de Russische priesters en dier trouwe volgelingen als een blind heidendom betiteld geloof zijn getrouw gebleven; zij belijden echter dit geloof met meer innigheid en overtuiging dan de anderen hun zoogenaamd Christendom, welk laatste, onbevooroordeeld opgevat, en zooals het zich in werkelijkheid voordoet, veeleer een onzinnige afgodendienst kan genoemd worden dan eene veredelde plaatsvervangster van het oude, uit een kinderlijk gemoed opgeweld en op kinderlijke wijze zich uitend geloof. Met het in bezit nemen van blokhuizen en de aanneming des Christendoms ging hand aan hand gepaard, dat de Ostjaken van de middel- en beneden-Ob en beneden-Irtysch niet alleen in zekere mate hun kleeding met die van den Russischen visscher hebben verwisseld, maar ook diens zeden en gewoonten gedeeltelijk hebben overgenomen. In gelijke mate hebben zij van de hunne verloren, ten deele ook de zuiverheid van hun stam daarbij ingeboet, en eigenlijk niets meer behouden dan de niet te vervreemden kenmerken, de taal en de daardoor bewaarde eigenaardigheden, evenals misschien ook nog de handigheid, levendigheid en—zorgelooze goedhartigheid, die den ganschen stam kenmerkt. Maar in geen geval mag men nu ook gaan denken, dat met die meerdere beschaving ook de zedelijkheid, met het Christendom de reinheid des gemoeds is vermeerderd; in elk geval bevredigt het meer de heidensche Ostjaken te leeren kennen en met een nog oorspronkelijk volk in aanraking te komen, dan zich op te houden bij zulk een gedeelte, dat nog slechts een schaduw kan zijn van hetgeen het voormaals was en wat de eerstgenoemden nu nog zijn. Ik bepaal mij alzoo in mijne mededeelingen tot die Ostjaken, welke nog heden ten dage geloovig opzien tot den god Ohrt, die nog heden ten dage in veelwijverij leven, wanneer hun vermogen zulks veroorlooft, die nog heden ten dage hun dooden op dezelfde wijze begraven, gelijk hun vaderen dit deden; mijne voorstelling toch kan er niets bij verliezen, wanneer ik die anderen uitsluit, in eenheid daarentegen slechts winnen, wanneer ik mij uitsluitend tot de heidensche Ostjaken bepaal.Van bijzondere stamskenmerken kan men hier moeielijk spreken, nog moeielijker is het deze te beschrijven. Ik heb herhaaldelijk getracht zulks te doen, maar steeds bevonden, dat het ondoenlijk is een gezicht in woorden af te beelden, of volledig de voor het oog waarneembare[356]raskenmerken door middel der pen uit te drukken. Onze luidjes verschillen ten opzichte van gelaatsvorm, huidkleur, haar en oogen ten zeerste van elkander; men kan hun soms niet eens aanzien, dat zij Mongolen zijn, en wanneer men werkelijk eens meent dat men duidelijke en bepaalde trekken heeft kunnen opmerken, dan leeren een aantal andere individuen ons wederom, dat die trekken verre van algemeen zijn. Als ik alles wil samenvatten, wat ik van de door ons waargenomen Ostjaken heb kunnen afzien en opteekenen, dan blijkt daaruit het volgende:De Ostjaken zijn van middelbare lengte, over ’t algemeen slank gebouwd, met vrij regelmatig gevormde handen, voeten en ledematen; de handen zijn eer groot dan klein te noemen, de kuiten zeer schraal; de vorm des aangezichts houdt het midden tusschen dien van andere Mongoolsche volken en de Noord-Amerikaansche Indianen; de bruine oogen toch zijn wel is waar klein, maar niet in ’t oogvallend sterk schuin geplaatst; de jukbeenderen steken niet bijzonder vooruit, terwijl het benedengedeelte des aangezichts zoo tegen de smalle en spitse kin is aangedrukt, dat het geheele gelaat een puntig voorkomen erlangt, daar ook de lippen scherp besneden zijn. Het gelaat krijgt door een en ander, vooral bij kinderen en vrouwen, iets katachtigs, alhoewel de neus in ’t algemeen weinig, bij velen bijna geheel niet afgeplat is. Het welige, sluike, maar niet stijve haar is meestal zwart of donkerbruin, zelden lichtbruin en nog zeldzamer blond, de baard dun, doch slechts ten gevolge van de gewoonte der jeugdige fatten, dezen, zoodra hij verschijnt, uit te trekken. De wenkbrauwen zijn zwaar, dikwijls geweldig zwaar. De huidkleur doet in blankheid voor die van een zich veel in de frissche lucht, in wind en weder bewegenden Europeaan, weinig onder en de geelachtige tint, die regel is, kan soms geheel ontbreken.Wanneer het hier gezegde voor de meeste Ostjaken als geldend kan beschouwd worden, volgt daaruit toch nog niet, dat men bij eene nauwkeurige waarneming onzer luidjes in twijfel kan staan ten opzichte van het ras, waartoe zij behooren. Enkelen hunner doen zich reeds bij den eersten vluchtigen blik als Mongolen kennen. Zij zijn klein van gestalte, de bruine, levendige oogen staan schuin in het hoofd, en zijn lang gespleten, de jukbeenderen zijn dik, de stijve haren pikzwart en alle gewoonlijk ontbloote deelen des lichaams bepaald koperrood of lederbruin gekleurd.[357]Over de taal der Ostjaken kan ik niet oordeelen, maar wel kan ik zeggen, dat deze in twee, ook voor vreemde ooren duidelijk te onderscheiden dialekten vervalt; het eene dialekt wordt aan den middelloop der Ob gesproken en is zeer welluidend, ofschoon iets gerekt en zangerig, terwijl het tweede, dat aan den benedenloop der rivier gebruikelijk is, sneller wordt uitgesproken, alhoewel de afzonderlijke lettergrepen nog altijd duidelijk genoeg gehoord worden. De gewoonte der hier wonende Ostjaken, zich van de meer weeke Samojedentaal te bedienen, heeft op een en ander grooten invloed uitgeoefend.Terwijl de Christelijke Ostjaken, gelijk ik reeds opmerkte, de kleederdracht der Russen naäpen en de vrouwen slechts hierin van die der Russische visschers onderscheiden zijn, dat zij haar kleedingstukken met bonte glasparels versieren, ook wel eens vreemdsoortige, op de stola van een Roomsch-Katholiek priester gelijkende, rijkelijk met parels opgetooide, in strikken gebonden linten dragen, gebruiken de heidensche Ostjaken uitsluitend rendiervellen—hertenvellen, gelijk de Russen zeggen; de huiden van andere dieren dienen soms tot bijzondere versiering der eerste. De kleeding bestaat uit een (tot over de knieën hangende) bij de mannen alleen op de borst, bij de vrouwen langs den geheelen voorkant gespleten en dan met leeren riemen vastgebonden, eng sluitenden pels met daaraan gehechte of althans daarbij behoorende monnikskap en aangenaaide handschoenen, een lederen broek, die tot onder de knie reikt en leeren kousen, die boven de knie bevestigd worden. De pels is bij de vrouwen van voren, langs de opening, met kleine, vierkante, kortbehaarde, bontgekleurde stukjes pels, van beneden met een breede strook van hondenvel omzoomd. Bij de mannen ontbreekt ook dit laatste tooisel niet. Een kap bevindt zich ook aan den pelsmantel der vrouwen. De leeren kousen der laatsten worden, als zij bijzonder mooi moeten zijn, vervaardigd uit met smaak aaneengenaaide repen der bonte huid, die de pooten der rendieren omgeeft, terwijl hieraan een lompe schoen wordt vastgenaaid, die met riemen verder om den voet wordt bevestigd. Eene breede, meestal met metalen knoopen bezette leeren gordel, waaraan het mes hangt, bindt den pels der mannen om het lijf vast; een bonte, met lange franjes versierde hoofddoek, die in den zomer de plaats der kap vervangt, valt over den pels der vrouwen naar beneden. Hemden kent men niet; daarentegen draagt de vrouw een gordel, dien wij niet kennen. Wil zij zich eens recht mooi maken, dan steekt de Ostjaksche dame zooveel eenvoudige koperen,[358]soms zilveren ringen aan alle vingers, als zij er met mogelijkheid maar aan kan rijgen, zoodat de hand als het ware in een metalen pantser zit opgesloten; ook hangt zij zich eene meer of minder zware ketting van glasparels om den hals en zeer zware, uit glasparels, draadsnoeren, of metalen knoopen samengestelde kwastvormige versierselen in, of eigenlijk over de ooren. Het haar wordt in twee, tot op de kuiten neêrhangende vlechten gedeeld, welker einden met gedraaide wollen snoeren omwoeld worden. Hetzelfde doet ook de Ostjaksche saletjonker, een bewijs, dat alle gekken der aarde op elkander gelijken. De mannen dragen gemeenlijk het haar lang, maar los.Eenvoudiger nog dan de wel is waar niet zeer schoone, maar voor winter en zomer beide vrij geschikte kleederdracht, en even doelmatig als deze, is de woning der Ostjaken, de „Tschoem”. Hieronder verstaat men eene verdraagbare, kegelvormige, met berkenschors omkleede hut, die zoowel den visschers als nomaden tot verblijf dient. Van twintig tot dertig dunne, glad gemaakte, van boven en beneden spits toeloopende, vier tot zes meter lange, in een cirkel opgestelde palen, vormen het geraamte; twee dier palen zijn dicht bij het boveneind aan elkander vastgeknoopt, de overige dienen tot steunpunten. Vijf à acht uit kleine, vooraf gekookte en daardoor week gemaakte stukken berkenschors gevormde platen, wier vorm in overeenstemming is gebracht met dien des kegels, maken het buitenbekleedsel uit, terwijl eene van de windzijde afgekeerde opening gesloten wordt met een plaat van gelijk materiaal; dit is de deur. De hut blijft van boven open om aan den rook vrijen doortocht te verleenen. Van de deur naar den tegenovergestelden wand der hut loopt een gang, in welks midden het vuur wordt aangelegd; hierboven zweven twee horizontale stokken, die aan de buitenpalen zijn vastgebonden, en welk toestel deels dient om er den kookketel aan op te hangen, deels om een en ander te drogen. Rechts en links van straks genoemden gang zijn planken of matten over den grond gelegd, over welke men zich beweegt, en die meteen de slaapsteden afpalen, wier hoofdeneind naar den wand is gekeerd. Uit carexstengels gevlochten matten, langharige, zachte rendierhuiden, en met rendierhaar of gedroogd watermos opgevulde kussens dienen tot bedden, pelzen tot dekens; eene muggentent, waaronder in den zomer de geheele familie kruipt, beschermt de slapenden oneindig beter tegen de gevleugelde kwelgeesten dan het aan den ingang van de Tschoem voortdurend brandende, met wilgenloof gevoede, smeulende vuur. Een[359]kook-, thee- en drinkketel, schalen, lederen meelzakken, andere ter bewaring van het hard gebakken roggebrood, kleine, sluitbare kistjes, ter berging van de kostbaarste goederen, inzonderheid ook van het theeservies, een bijl, een boor, een leerschaaf, een komvormig naaikistje, bogen, buksen, sneeuwschoenen, alsmede verschillende jachtgereedschappen, voltooien het huisraad; in de plaats der heiligenbeelden, die in de hutten der Christelijke Ostjaken bijna nooit ontbreken, prijkt hier een afgodsbeeld.Tegen de koude en stormen van den winter beveiligt men de Tschoem door er eene, uit afgedragen pelzen saamgenaaide deken van buiten over heen te spreiden, of, wat nog beter is, door een tweeden mantel van berkenschors.Is de eigenaar der Tschoem een visscher, dan ziet men buiten de hut een droogtoestel voor de netten en droogstaken voor de visschen, zeer net bewerkte, ongemeen lichte en kunstige fuiken, een aantal bijzonder kleine booten, benevens nog ander vischgereedschap; is hij tevens jager, dan allerlei jagerstuig, b.v. stelbogen en automatisch werkende handbogen. Is de Tschoembaas een rendierherder, dan een aantal met zorg bewerkte sleden en daarbij behoorend tuig, alsmede eene ook voor hem onmisbare boot.Iedere Ostjak is een kundig visscher, bijna iedereen tevens jager of vallensteller, maar niet ieder is een trekherder. Rendieren te bezitten beteekent zooveel als welgesteld te zijn, veel rendieren zijn eigendom te noemen is gelijkluidend met rijk zijn. Hij, die alleen van de vischvangst moet leven is arm. Paarden en runderen worden zeldzaam, dan nog alleen in zeer gering aantal gevonden, en zulks enkel in de nederzettingen aan den middenloop der rivier; ook houdt men eene enkele maal schapen, misschien wel soms eene kat; de ware huisdieren evenwel zijn het rendier en de hond. Zonder deze, in elk geval zonder het rendier, kan de welgestelde man, naar hij meent, niet leven; zij alleen verschaffen hem wat hij levensvreugde noemt. Even gelijk deBedoeïn, de trekkende herder van Centraal-Afrika, zich verheven waant boven zijn stamgenoot, die het veld bebouwt, even gelijk de Kirgies minachtend neêrziet op hem, die de aarde bewerkt, zoo grijpt ook de rendierhouder, zelfs de rendierherder alleen dan naar net en angel, wanneer hij persoonlijk trek heeft in visch, terwijl de visscher niet enkel voor zich zelf, maar ook als knecht voor anderen het net uitwerpt en de fuik stelt. Naar het aantal rendieren berekent de Ostjak allen menschelijken[360]rijkdom en zijn persoonlijk geluk. Daarom verliest hij niet alleen dien rijkdom en dat geluk, wanneer de worgende ziekte zijn kudde vernietigt, maar nog veel meer: aanzien en rang, zelfbewustzijn en vertrouwen, ja, het is niet te sterk uitgedrukt, wanneer men er bijvoegt, zijn geloof, zijn zeden, zijn gewoonten, zijn eigen persoonlijkheid. „Zoolang de ziekte nog niet onder onze kudden woedde”, zoo zei ons eens de bestuurder eener gemeente,Mamroe, de verstandigste Ostjak, dien wij ooit leerden kennen, „leefden wij blijmoedig, en wij waren rijk; sedert wij onophoudelijk door verliezen worden getroffen, worden wij allengs tot arme visschers; wij kunnen zonder rendieren niet bestaan, zonder hen niet leven.” Arme Ostjaken! In deze woorden ligt uw lot besloten. Reeds op dit oogenblik zijn de eens bij honderdduizenden te tellen rendieren tot vijftigduizend ingesmolten, en nog steeds woedt het miltvuur onder de geweidragende kudden voort. Wat zullen de gevolgen zijn? De Russische popen zullen meer Christenzieltjes winnen, de Russische visschers steeds meer knechten, maar Ostjaken zullen er slechts in naam meer bestaan,—en deze tijd ligt in geen zeer ver verschiet.Het Noord-Aziatische rendier is een schepsel, dat veel afwijkt van zijn Laplandschen soortgenoot; het is niet alleen grooter en edeler, maar in den waren zin des woords een huisdier. Wij meenden het goed te kennen, want wij hadden het in Lapland gezien en met het nauwkeurig oog des natuurkenners gadegeslagen; maar in Siberië kwamen wij tot de overtuiging, dat wij nog geen juiste denkbeelden over dit merkwaardig dier hadden gewonnen. Ginds in Lapland hadden wij een hert leeren kennen, dat zich slechts met tegenzin boog onder het juk van den kleinen man, een hert, dat oogenschijnlijk elk oogenblik bedacht was op het herwinnen zijner vrijheid; hier in Siberië kwam ons een dier onder de oogen, dat volgzaam was en gewillig, den mensch genegen en zich aan dezen toevertrouwend. De Ostjak weet er dan ook voortreffelijk mede om te gaan. Hij behandelt het wel niet met die innigheid, waarmede hij den hond streelt, maar in geenendeele onvriendelijk, en slechts bij hooge uitzondering ruw en hard. In tegenstelling met de gewoonte der Lappen melkt hij het niet, maar gebruikt het veel meer voor de slede dan genoemde volken. Het moet hemzelf en zijn gezin, de Tschoem met alle toebehoor, en alle overige op de reis mede te nemen lasten, zoowel in den zomer als in den winter, van de eene plaats naar de andere brengen, terwijl de Lap slechts in[361]den winter van het rendier als trekdier gebruik maakt. Van de geslachte rendieren gebruikt hij, evenals de Lap, alle deelen, met uitzondering alleen van maag en darmen. Het vleesch dient hem tot voedsel, van de beenderen en het gewei maakt hij verschillende voorwerpen, uit de pezen naaigaren, de huid en haren gebruikt hij zoo, of hij bereidt er leer uit; zelfs de tanden vinden eene nuttige toepassing. Met het rendier rijdt de Ostjak in zijn lichte slede, ’s winters en ’s zomers, van plaats tot plaats, naar de woning der bruid, naar zijn feesten, ter jacht, en naar de begrafenis zijner vrienden; het rendier vervoert zijn dooden naar de laatste rustplaats; het rendier wordt door hem geslacht en ter eere zijner gasten en dooden opgegeten; in de rendierhuid hult hij dezen en zich zelf. Zeer zeker, hij kan zonder het rendier niet bestaan, niet leven.Weinig minder diensten bewijst hem zijn tweede huisdier, de hond. Niet alleen de rondzwervende herders, maar iedere Ostjak houdt en verzorgt honden, de visscher zoowel als de jager, de gezeten man zoowel als de nomaad. De Ostjaksche hond behoort tot twee, voornamelijk door hun grootte van elkander afwijkende rassen. Of onze hondenminnaars hem fraai vinden durf ik niet beslissen; wat mij aangaat, ik moet dit dier reeds daarom fraai noemen, dewijl het, alleen de kleur uitgezonderd, nog alle kenmerken der wilde honden bezit. Hij komt het meest overeen met onzen „spits”, maar is gewoonlijk wat grooter, somtijds zoo groot, dat hij den wolf nabij komt; ook in slankheid van bouw wint hij het van den keeshond. De kop is lang, de snuit van middelmatige lengte, de hals kort, het lichaam lang, de pooten zijn dun, de staart is middelmatig van lengte, het gitzwarte oog schuins gespleten, het korte, spitse oor recht, het haar zeer dicht en lang, uit wol- en borstelharen bestaande, de kleur verschillend, meestal zuiver wit, of wit met zwarte, meest regelmatige teekening aan beide zijden van den kop, alsmede op de ooren, rug en flanken, of ook wel grijs gewaterd en gegolfd, maar nooit gestreept. De zwakbehaarde staart hangt meest naar beneden of is recht uitgestrekt, nimmer naar boven gekruld, waardoor de overeenkomst met een wilden hond nog meer verhoogd wordt.De gedurige omgang met den mensch heeft den Ostjakschen hond tot een zachtaardig dier gemaakt. Hij is waakzaam, maar niet bijtachtig, moedig, maar niet strijdlustig, trouw en ijverig, maar niet boos tegen vreemden; wantrouwend, ofschoon niet bijzonder onvriendelijk, loopt hij op den vreemdeling af, maar niet zoodra ziet hij zijn meester met[362]dezen spreken of met hem de Tschoem binnengaan, of hij nadert ook dezen vertrouwelijk. In geen enkel opzicht verwend, en gaarne de ruimte van de Tschoem met zijn meester of meesteres deelende, stelt hij zich toch ook, zonder van onlust blijk te geven, aan wind en weêr bloot, werpt zich zonder bedenking in het koude water der rivier en zwemt rechtstreeks over breede armen, of draaft zonder morren door de toendra onder de slede, aan welke men hem heeft vastgebonden, door poelen en moerassen, door struikgewas en water. Verstandig en slim, vindingrijk en vlug, weet hij zich het leven aangenaam te maken en zich door alles heen te slaan.In de Tschoem ligt hij naast de lekkerste hapjes zonder ze aan te raken; buiten de hut zijns meesters is hij de snoepachtigste en brutaalste dief; in de toendra loopt hij geduldig door het dichte struikgewas der dwergberken onder de slede; in het gladde moeras of op andere goede wegen legt hij zich met vooruitgestrekte pooten op de boomen der slede en laat zich trekken; op de jacht vergezelt hij zijn baas als een trouw en nuttig metgezel; den vreemdeling evenwel kaapt hij het door hem bespeurde, door dezen geschoten wild, voor de oogen weg en eet dit met zulk een schuldeloos genot op, dat het onmogelijk is zich boos op dit dier te maken. De herten kent hij door en door in al hun eigenaardigheden en gebreken, zoodat hij bij het weiden der kudde goede diensten bewijst, maar zoo op hem vertrouwen als op den herdershond kan men toch niet, want hij volgt zijn eigen oordeel en doet dan alleen volgzaam zijn plicht, wanneer hem zulks bepaald noodzakelijk schijnt.De hond der Ostjaken bewijst zijn diensten als speelkameraad, als bewaker van de Tschoem, als oppasser der kudde en als trekdier, terwijl hij ook nog na zijn dood nut afwerpt. In den winter alleen wordt hij voor de slede gespannen, en dan legt men hem dikwijls zulk een dwaas tuig op, dat hij, wanneer men al te veel van zijn krachten vergt, reeds na weinige jaren lam van lendenen rondhinkt. Na zijn dood moet hij zijn uitstekend vel afstaan, ja sommige Ostjaken houden alleen voor dit doel een overgroot aantal honden.Voor hetzelfde of soortgelijke doeleinden strekken sommige uit het nest geroofde jonge zoogdieren en vogels, vooral vossen, beren, uilen, kraaien, kraanvogels, zwanen, enz. die men soms voor de Tschoems der visschers en trekherders, vastgebonden, aantreft. Zoolang deze dieren jong zijn worden zij vriendelijk bejegend en goed gevoed; zoodra[363]zij volwassen zijn en huid of veêren waarde hebben verkregen, worden zij gedood; men eet op, wat eetbaar is en gebruikt huid en veêren; de huid wordt somtijds voor een verbazend hoogen prijs verkocht.De hond schikt zich ook hier, even gelijk elders, naar den wil van den mensch, maar de mensch moet zich voegen naar de behoeften van het rendier. Deze behoeften en geenszins de luimen van den herder bepalen het nomadische leven der rondzwervende Ostjaken, even gelijk het komen en gaan der visschen op het doen en laten der gezeten stambroeders van grooten invloed zijn. De tochten der rendierherders en hunne kudden zijn de gevolgen van gelijke oorzaken en bewegen zich in dezelfde richting als die der Kirgiezen, doch zijn van de tochten der laatstgenoemden hoofdzakelijk hierin onderscheiden, dat zij ook in den winter niet worden afgebroken, maar zelfs in dit jaargetijde nog veelvuldiger en afwisselender worden. Wanneer de sneeuw begint te smelten trekt de Ostjaksche nomaad langzaam naar het gebergte; met het beginnen der muggenplaag klimt hij de berghellingen, of althans naar den rug der heuvelklingen omhoog; met het verdwijnen der muggen, van welke dieren ook de hoogten niet geheel en al bevrijd blijven, keert hij allengs naar de lage toendra terug, om hier, zoo mogelijk in de nabijheid van de rivier zijns geboortelands den winter door te brengen. Zoo is de kringloop, dien hij jaar in, jaar uit, volbrengt, zoo niet de verschrikkelijke ziekte, het besmettelijke miltvuur, hem overvalt.Nog vóór de korte zomer in zijn onvriendelijk land aanbreekt, nog vóór het eerste voorjaarsleven ontwaakt, in den tijd, dat het sterke ijsdek nog onaangetast op den grooten stroom en diens nevenrivieren, op de ontelbare meren der toendra ligt, werpen de rendieren hun jongen. Nu vooral is het zaak eene plaats op te zoeken, die moeder en kroost genoeg voedsel oplevert. Te dien einde trekt onze herder niet naar de diepere dalen, maar naar de hoogte, van welker toppen de wind de sneeuw wegblaast, om hier zijn Tschoem op te slaan. Hier vertoeft hij geruimen tijd, totdat het rendiermos overal in ’t rond weggevreten is, en ook de breede hoeven van het rendier, waarmede het de sneeuw wegkrabt, om tot het daaronder verscholen plantendek te geraken, geen diensten meer kunnen bewijzen. Dan breekt hij nogmaals op en richt zich naar eene nabijzijnde plek, die gelijke voordeelen aanbiedt als de eerste. Ook deze wordt niet verlaten alvorens er geen voedsel meer is, want nog verheugt hij zich in een tijd, dien[364]hij den goeden mag noemen. De kudden weiden thans in gesloten troepen; er heerscht volmaakte vrede onder de herten, wier gewei thans begint uit te spruiten; de ouden verliezen haar kalveren nog niet uit het oog; de kudde verstrooit zich niet, en dwaalt niet verder van de Tschoem af dan tot waar het geroep des herders reikt, dat hen tegen zonsondergang weêr bijeen en in de omgeving der hut verzamelt. Gedurende den nacht dwaalt wel de vratige wolf in ’t rond, dien de winter uit het gebergte naar de laag-toendra verdreef, maar de moedige honden houden scherpe wacht en weren den laffen roover; onze herder bekommert zich deswege even weinig om den wolf als om den winter, welk jaargetijde hij, evenals alle volksstammen van het hooge noorden als het beste beschouwt. Ook worden de korte dagen allengs langer, de nachten steeds korter, de gevaren voor zijne weêrlooze kudde dus kleiner. De rivier werpt haar ijskleed af; de verwarmde wateren van de zuidelijke steppen voeren lauwe winden naar het noorden; de eene heuvelketen na de andere wordt vrij van sneeuw, en hier zoowel als in het dal vinden de tegen het weder geharde dieren eene rijkelijk voorziene weide;—de laag-toendra is in de oogen onzer herders tot een waar paradijs geworden. Maar slechts kort duurt voor hem en zijn kudde dat heerlijke leven. De snel rijzende, altijd langer, steeds warmer stralende zon smelt ook in de vlakke dalen de sneeuw, op de breede meren het ijs, doet zelfs den bevrozen grond ontdooien en roept nevens de onschuldige kinderen van het voorjaar ook de milliarden kwelgeesten, de muggen, de brutale bremsen, wier larven eerst voor weinige weken uit de neusholten der rendieren gehoest werden, in ’t leven. Nu begint eerst voorgoed de verhuizing; nu trekt de herder, wel in korte dagreizen, maar zonder zich op te houden, naar het gebergte. Met het opdrogen van den morgendauw, die de mossen, korstmossen, grassen en jonge bladeren der dwergachtige struiken bedekte, breken de vrouwen de Tschoem af, die zij eerst gisteren opsloegen, en beladen de sleden, die zij op denzelfden tijd ontpakt hadden. Ondertusschen jaagt de herder op zijne lichte, met vier krachtige herten bespannen slede naar de verstrooide, nog grazende of in groepjes gelegerde kudde, drijft de dieren bijeen en naar de legerplaats, waar de familieleden reeds geheel gereed zijn. Een dun touw, waar de rendieren slechts zelden overheen durven springen, in de handen houdende, vormen zij samen een kring om de kudde; de herder begeeft zich met een vangsnoer of lasso in de rechterhand midden onder de[365]kudde, werpt het daarvoor bepaalde hert zonder te falen den strik om den hals of om het gewei, maakt het touw vast, haalt het naar zich toe en geeft last, dat alle andere dieren zullen worden vrijgelaten; hij bestijgt daarna weder zijn slede en rijdt weg. Alle overige sleden, door de medeleden der familie bestuurd, volgen in lange rijen; blatend of brommend en bij elken stap een knetterend geluid latende hooren, zet zich ook de gansche vrije kudde in beweging; de honden eindelijk rennen en springen, onder voortdurend geblaf, om de kudde heen en houden de rendieren zoo goed mogelijk bij elkaar; toch kan zulks niet verhinderen, dat er nu en dan een afdwaalt of achterblijft. De kudde breidt zich meer en meer uit en tooit op schilderachtige wijze alle hoogten; door een of ander bijzonder lekker voedsel vastgehouden, verwijlt zij troepsgewijs hier en daar eene poos; door de kalveren aangezocht vervullen de moeders haar plichten, gaan wel eens ten gevalle van het door de melk verzadigde jong naast haar kind liggen, totdat de adelaarsblik van den heer der kudde dit misdrijf opmerkt, hij zijwaarts uitwijkt om door zijne krachtige stem, of met behulp der inmiddels opontboden honden de achterblijvers vooruit te drijven. Opnieuw laat zich een algemeen geloei hooren, de honden blaffen nog luider en de schare golft verder; een bosch van geweien dringt voorwaarts en zeker jagersvuur ontvonkt het hart van den toeschouwer uit vreemde landen.De zon daalt; de trekdieren zuchten en steunen met ver uit den mond hangende tong; het wordt tijd hun rust te geven. Op geringen afstand, in de nabijheid van een der vele meren, verheft zich een zwak gewelfde kegel; de herder slaat die richting in; op de hoogte laat hij zijn geweidragend vierspan stilhouden. De eene na de andere slede komt aan; de losse kudde eveneens, om dadelijk met grazen aan te vangen, de uitgespannen trekkers volgen hen.IN DE TSCHOEM.IN DE TSCHOEM.De vrouwen zoeken eene geschikte plaats uit om de Tschoem op te bouwen; zij plaatsen de stokken in een cirkel in den grond en omkleeden ze met den mantel van berkenschors; de herder echter begeeft zich met zijn voor het gebruik gereedliggend werptouw onder de kudde, kiest met kennersoog een jong en vet hert uit en werpt dit den strik om den hals en over het gewei. Tevergeefs spartelt het dier en tracht zich los te maken, nader treedt de herder en weêrloos volgt het dezen naar de inmiddels reeds opgerichte Tschoem. Een slag met een bijl op het achterhoofd doet het slachtoffer ter aarde storten, een messteek door het hart maakt een eind aan zijn leven. Twee minuten later is[366]het dier reeds van de huid ontdaan, opengesneden en schoongemaakt; eene minuut later doopen alle, spoedig zich bijeen scharende familieleden de in repen gesneden lever in de met bloed gevulde borstholte, en de letterlijk „bloedige maaltijd” neemt een aanvang. In een kring gehurkt om het nog warme hert, snijdt elk der gasten ribstukken of stukken van rug- en dijspieren af; de lippen verven zich rood alsof zij geblanket waren; de bloeddruppels vloeien langs kin en borst; de handen worden almede geverfd en besmeerd met bloed, niet minder[367]neus en wangen, en bloedige gezichten staren den onthutsten vreemdeling aan. De zuigeling maakt zich los van de moederborst om insgelijks aan den maaltijd deel te nemen, en van pret gilt hij het uit, wanneer hem de moeder nog een mergbeen stukslaat en dit om het uit te zuigen toereikt, nadat het wicht alvorens een stuk lever naar binnen heeft geslagen en ook daarbij zijn gezicht, wangen en handen en nog meerdere lichaamsdeelen met bloed rood heeft geverfd. De honden zitten in ’t rond en knagen de hun toegeworpen beenderen af. Verzadigd gaat de een na den ander opstaan, wischt zich de bloedige hand aan het mos af, reinigt het mes op dezelfde wijze en keert dan in de Tschoem terug om er behagelijk uit te rusten. De huisvrouw vult den kookketel met water, legt er zooveel vleesch van het half opgegeten dier in als deze bevatten kan, en maakt vuur aan om het avondeten te bereiden.Ondertusschen heeft de herder zijn bovenkleed uitgetrokken en haastig, ofschoon nooit zonder succes onderzocht, en gaat nu zoo dicht bij het vuur liggen, dat de vlam hare volle werking op het naakte bovenlijf kan uitoefenen. Hij voelt zich meer dan lekker en denkt aan nieuw genot. Een vreemde snaak, die in zijn gezelschap naar het gebergte trekt, een Duitscher van herkomst, wellicht een medelid van de Bremer expeditie naar West-Siberië, heeft hem niet alleen tabak, een inderdaad afschuwelijk, maar zeer krachtig kruid vereerd, doch daarenboven ook nog een groot stuk papier, een geheele „Kölnische Zeitung” geschonken. Hij scheurt voorzichtig van deze laatste een vierkant stuk af, draait hieruit een klein spits peperhuisje, vult het met tabak, maakt in ’t midden een kneep, en het pijpje is gereed, brandt een oogenblik later zelfs prachtig en ruikt zoo heerlijk, dat zijn vrouw de neusgaten openspert en naar hetzelfde genot verlangt. Deze wensch wordt terstond bevredigd en het pijpje maakt zelfs een rondreis langs elk der familieleden.Doch er is leven gekomen in den pot; de avondspijs is gereed en „allen roeren de handen voor het lekker bereide maal”. Daarna gaat de herder voor de deur der hut staan, stoot in langgerekte klanken een verdragend geroep uit, dat heden voor de laatste maal de onrustige kudde bijeenbrengt om nu gerustgesteld in de Tschoem terug te keeren.Intusschen heeft de vrouw hier de muggentent opgeslagen en is nu nog bezig met den benedenrand onder de dekens te stoppen. Gedurende dit bedrijf pakt de man, die op zijn leger ligt te wachten een hond,[368]waarmede hij speelt als ware het een kind, welke behandeling de hond zijnerzijds zich gaarne laat welgevallen, daar hij zich zulks als eene hooge gunst en eer toerekent. Hierop kruipt de man half naakt onder de muggentent, de vijftienjarige zoon volgt zijn voorbeeld, en diens kleine, dertienjarige vrouw doet hetzelfde; de zorgvolle moeder brengt ook de kinderen, den zuigeling in de wieg hieronder begrepen, mede in veiligheid, sluit de deur en begeeft zich naar de andere huisgenooten. Weinige minuten later en een diep gesnork verkondigt, dat allen den slaap des rechtvaardigen hebben gevonden.Den volgenden morgen begint hetzelfde dagwerk en zoo gaat het voort, tot de hoogten der gebergten veroorloven, om langer rust te nemen en langer op dezelfde plaats te vertoeven. De hier, op deze hoogte zoo vroegtijdig vallende sneeuw dwingt reeds in Augustus tot opbreken, en wederom brengt de reis, thans wat langzamer en gemakkelijker, herder en kudde naar de laagte terug.Met het verdwijnen van het ijs begint ook het visschersbedrijf aan de rivier. Vele Ostjaksche visschers werken voor loon of ook wel in vereeniging met de Russen, terwijl anderen slechts een gedeelte der vangst aan hen verkoopen en voor eigen rekening visschen. Dadelijk na den ijsgang richten eerstgenoemden hun Tschoem naast de hutten der Russen op, of betrekken hunne aan het water gelegen zomerverblijven, blokhuizen van de allereenvoudigste soort. Ter plaatse, waar een nevenrivier in den stroom uitmondt, paalt men haar of een der armen af door middel van eene omheining, die slechts ééne opening vrij laat; bij lagen waterstand stelt men fuiken en legt men grondangels; daarenboven vischt men nog met treknetten en sleepnetten.Groote bedrijvigheid heerscht er op alle vischplaatsen, wanneer de vangst goed is. Halfvolwassen jongens zitten op eene schommelende stellage, in gebogen houding boven de opening der omheining en kijken met scherpe oogen naar beneden in het troebele water om te zienofer ook visschen loopen binnen het voor den doorgang gespannen en door hen vastgehouden kruisnet, beuren dit van tijd tot tijd met den gevangen buit op en ontlasten den inhoud in de kleine boot. De mannen visschen gezamenlijk met het treknet op de zandbanken of, op de ondiepe plaatsen der rivier, met het sleepnet. ’s Namiddags of tegen den avond keeren de visschers naar huis terug en verdeelen onder de huisgezinnen de vangst. Den volgenden morgen begint de arbeid der vrouwen. Afzonderlijk of in groepjes geschaard, hurken zij om de[369]groote hoopen visch, ieder voorzien van eene plank en een scherp mes, om de visschen te ontschubben, schoon te maken, in stukken te snijden, in te kerven en op lange dunne stokken te steken, die dan op droogstellen ter droging worden gehangen. Eene vaardig uitgevoerde snede opent de buikholte van den visch en scheidt de zijspieren van de wervelkolom, terwijl enkele handgrepen de lever en de overige ingewanden van kop en geraamte en de kostbaarder zijdeelen des lichaams wegnemen. De eene lever na de andere glijdt over de gretige lippen, want de vrouwen hebben nog niet ontbeten en nemen dit al vast als voorspijs. Is men nog niet verzadigd, dan wordt er een visch ontschubd, schoongemaakt, in lange repen gedeeld, het eene eind van zulk een reep door het bloed gehaald, en dan in den mond gebracht; snelle, rakelings voorbij den tip van den neus gaande messneden verdeelen de reep in passende stukken, die een voor een in een afgrond verdwijnen. Ook de kinderen, die bedelend de moeders omringen, verkrijgen ieder naar hun ouderdom hun aandeel in lever en spiervleesch; vierjarige telgen hanteeren het mes reeds even vaardig als de ouden en snijden op gelijke wijze de mondbeten af. Dit is de gewone wijze van eten, en ook het rendiervleesch wordt op gelijke wijze genuttigd. Spoedig glimmen de aangezichten van moeders en kroost van visschenbloed en levertraan, de handen van schubben. Zijn alle visschen behandeld en opgehangen, dan verkrijgen ook de honden, die begeerig, ofschoon niet lastig, zich om de vrouwen hadden gelegerd, hun aandeel t.w. de schubben, die op een grasbosje worden geworpen, en gulzig woelen de zwarte snuiten in dit gras.Het morgenwerk is verricht en men heeft recht op eene kleine uitspanning. De moeders nemen haar zuigelingen op den schoot, reiken dezen de borst en gaan nu over tot eene zekere verrichting, even noodzakelijk voor haar zelf als voor de kleinen: de jacht op parasieten. Het eene kind na het andere legt zijn kopje in den schoot der moeder, daarna legt deze zelf het hare in dien der oudste dochter of van eene buurvrouw, die op gelijken wederdienst hoopt; de jacht is meestal zeer voorspoedig. Het gevangen wild wordt, zoo niet opgegeten, dan ten minste tusschen de lippen genomen, en met de tanden verbrijzeld; voor een natuuronderzoeker, die de apen heeft waargenomen, is zulks niets nieuws, en het strekt hem, die inDarwinsleerstellingen meer ziet dan enkel hypothesen, als bewijs te meer voor het „atavisme” of het terugkeeren tot de gewoonten der voorouders.[370]De zon daalt, en de mannen, jongelingen en knapen komen met nieuwen zegen aandragen. Zij hebben naar hartelust rauwen visch gegeten, thans verlangt de ziel naar warme spijs. Een groote, dampende ketel met gekookte visschen, kostelijke renken,—naaste bloedverwanten van den zalm—worden hun voorgezet; met vischvet doorweekt brood is de toespijs, terwijl de maaltijd besloten wordt met tegelthee, die met koud water op het vuur gezet en lang gekookt is geworden. „Wanneer evenwel de begeerte naar spijs en drank gestild is” verlangt ook de geest naar voedsel, en daarom is de kunstenaar hoogst welkom, die de door hem zelf vervaardigde harp of cither te voorschijn haalt, òf om deze te bespelen, òf om een der inlandsche, onbeschrijfelijk karakteristieke liederen, òf om den vreemden dans der vrouwen te begeleiden, bestaande in opheffingen en neêrbuigingen van het lichaam en het volbrengen van allerlei bewegingen met de armen, die nu eens om elkander worden geslagen, dan weder uitgestrekt, daarna naar het lichaam teruggetrokken. Deze feestelijkheden duren net zoo lang totdat men met het opslaan der muggentent gereed is, als wanneer jong en oud onder derzelver plooien verdwijnt.De zomer is voorbij, en de korte herfst wordt opgevolgd door den winter. Nieuwe bedrijvigheid ontstaat met het trekken der vogels; met den winter ontwaakt een nieuw, ja het eigenlijke, rijke leven der Ostjaken. Het verraderlijke net wordt voor de wegtrekkende zomergasten gesteld; dit net bestaat uit een groot, licht verplaatsbaar kleef- of leeuwerikennet, dat aan den oever in de opengehakte deelen van de wilgenboschjes, op bekende strijkplaatsen tusschen twee groote watervlakten wordt uitgespannen, en waarin niet alleen eenden, maar ook ganzen, zwanen en kraanvogels vliegen, die meer dan welkom zijn om hun vleesch en veêren, want alle vogelsoorten verstrekken niet alleen den Ostjaken, maar in ’t algemeen aan alle rivierbewoners ten voedsel. Gelijktijdig met den vogelvanger trekt ook de nomaad op de jacht uit en stelt in de toendra zijn slagnetten voor den rood- en poolvos, of hij plaatst gemeenschappelijk met andere stamgenooten, in het bosch gelijke vangwerktuigen, stelbogen en automatische handbogen voor wolven, vossen, sabels, hermelijnen, veelvraten en eekhoorntjes. Is er sneeuw gevallen dan gespt zich de meer geoefende jager de sneeuwschoenen aan, zet den sneeuwbril op de oogen en begeeft zich met zijn honden naar het bosch in de toendra om den beer in zijn schuilplaats op te zoeken, de sporen van den losch te vervolgen, en den thans bemoeilijkten[371]eland en het wilde rendier op het sneeuwdek na te jagen, dat wel den jager, maar niet deze dieren draagt. Hij heeft nooit gelogen, nooit valsch op een berentand gezworen, nooit onrecht gedaan, en derhalve is de beer tegenover hem machteloos, zijn eland en rendier tegenover hem niet vlug genoeg. Met den verslagen beer trekt hij vroolijk het dorp en de Tschoem binnen: buren en vrienden omringen hem jubelend, tot de algemeene vreugde ook hem zelf aantast, hij wegsluipt, zich vermomt en den berendans begint te dansen—bestaande in vreemdsoortige bewegingen, die den beer in alle toestanden des levens moeten voorstellen en verzinnelijken.Een rijken voorraad huiden bergt spoedig de hut des visschers, een nog rijkeren de Tschoem des herders, daar deze bovendien nog alle pelzen der door hem in den loop des jaars geslachte rendieren heeft verzameld. Thans is het tijd ze kwijt te worden. Van verre en nabij rust men zich uit om naar de jaarmarkt te gaan, die telken jare in de tweede helft der maand Januari te Obdorsk, het laatste Russische dorp en de belangrijkste handelsplaats aan de beneden-Ob wordt gehouden, en die zoowel door inboorlingen als door vreemdelingen druk bezocht wordt, terwijl ook bij deze gelegenheid de Russische regeeringskommissaris de belastingen int van Ostjaken en Samojeden, bestaande geschillen uit den weg ruimt en verder recht spreekt; de Russische kooplieden maken intusschen jacht op koopers en verkoopers, de slechten onder hen, geholpen door de spitsboefachtige Syrjenen op lichtzinnige dronkaards, en de popen eindelijk op te bekeeren heidenen; er worden verder met de Russen verdragen afgesloten, schulden betaald, nieuwe aangegaan, onder Ostjaken en Samojeden allerlei afspraken gemaakt, bruiloften gevierd, vijanden verzoend en nieuwe vriendschapsbanden gesloten. In lange rijen verschijnen de met rendieren bespannen sleden; van alle kanten komen ze aan en het marktvlek is eerlang omgeven van eene menigte Tschoems, rondom welke de met te verhandelen waren zwaar bepakte sleden geschaard staan. Elken morgen trekt de eigenaar van de Tschoem met zijn meest geliefde vrouw in vol ornaat naar de kramen om huiden te verkoopen en waren in te ruilen. Men handelt, biedt, dingt, tracht te bedriegen, en de ook nu nog bedrijvige Merkurius oefent zijne heerschappij uit niet enkel als god der kooplieden, maar ook als god der dieven. Brandewijn, ofschoon van regeeringswege verboden, is bij elken koopman, en in bijna elk huis van Obdorsk te verkrijgen; hij benevelt het verstand van Ostjak en Samojeed en verarmt beiden[372]nog meer dan het miltvuur. De brandewijn doet alle hartstochten van den anders zoo kalmen, goedaardigen en onnoozelen Ostjak in opstand komen, en verandert den vredelievenden, jegens iedereen vriendelijken en eerlijken kerel in een woedend, krankzinnig dier. Naar brandewijn hunkert de man, naar brandewijn dorst de vrouw; de vader giet het begeerige kind den brandewijn in de keel, de moeder hare verlangende dochter, wanneer beiden genoeg hebben van het verderfelijk vergif.Voor brandewijn verslingert de Ostjak zijn met moeite verworven schatten, verkwanselt hij zijn geheele bezitting, voor brandewijn verhuurt hij zich als knecht, verkoopt hij zich als slaaf, verkoopt hij zelfs zijne ziel en verloochent hij het geloof zijner vaderen. Brandewijn behoort bij het sluiten van elken koop en verkoop,—zelfs bij de bekeering tot de rechtzinnige, orthodoxe kerk.Met behulp van den brandewijn komt de oneerlijke koopman eindelijk in ’t bezit van alle huiden van den Ostjak, en bevrijd van deze, maar tevens met ledige beurs en een verward hoofd keert de met trotsche verwachtingen naar Obdorsk getogen, bedrogen, om niet te zeggen uitgeplunderde man naar zijn Tschoem terug. Hij gevoelt berouw over zijn dwaasheid, zijn zwakheid, koestert de beste voornemens, komt tot kalmte en denkt spoedig alleen nog maar aan de heerlijke bijeenkomsten, die hij met zijn stamgenooten gehouden heeft. Met dezen heeft hij eerst gedronken, dan hebben de mannen en vrouwen elkander gekust, dan de mannen hun vrouwen afgeranseld, dan tegen elkander hun krachten gemeten, zelfs de scherpe messen met een fonkelend oog getrokken en elkander met den dood bedreigd; maar er is geen bloed gevloeid, men heeft zich weêr met elkander verzoend, de vrouwen, die vreeselijk door de klappen waren toegetakeld en door den brandewijn hunne bezinning hadden verloren, heeft men teêrhartig van den grond opgebeurd en door andere medelijdende vrouwen doen reinigen; men heeft als bekroning der verzoening eene plechtige overeenkomst getroffen, voor de dochter een bruidegom, voor den zoon eene kleine bruid uitgekozen; men heeft zelfs eene weduwe weêr uitgehuwelijkt en bij die gelegenheid nog eens gedronken, kortom, men heeft zich kostelijk vermaakt. Dat de Regeeringskommissaris alle door den drank bedwelmden eindelijk had laten inpakken, dat alle, alle geld den weg van het vergankelijke was gewandeld, ja dit was natuurlijk onaangenaam, zeer onaangenaam zelfs geweest; maar de gevangenis was[373]weêr geopend geworden, de smart over het geldelijk verlies was geleden, en slechts de gouden herinnering, waarop men een vol jaar kon teren, en de voor alle partijen eervolle verloving waren als een niet te vervreemden winst van den heerlijken feestdag gebleven.Bruidegom en bruid waren mede op de jaarmarkt geweest, hadden dapper medegedronken en bovendien elkander leeren kennen; de bruidegom was het met zijn ouders eens, dat hij op het jonge meisje zijn keuze moest laten vallen, beter gezegd dat hij haar als zijne vrouw moest onderhouden. Want de wil der ouders, niet die der jonge lieden, sluit bij de Ostjaken de huwelijken. Op den wensch en den wil des jongen mans moge men nog eenige acht slaan, en een veelbelovenden knaap wordt het wel eens veroorloofd zijn eigen oogen te richten naar eene dochter zijns volks, maar men zendt ook den in zijne keus vrij gelaten jongeling alleen dan naar den vader van het meisje, wanneer de toestanden aan weêrszijden genoegzaam overeenkomen. De jonge dochter wordt nooit naar haar wil gevraagd, en zulks reeds hierom, dewijl zij, wanneer men haar verlooft, nog veel te jong is om eenigszins over hare toekomst te kunnen oordeelen. Zelfs de toekomstige mannelijke echtgenoot heeft zijn vijftiende jaar nog niet bereikt, wanneer hij naar de hand der twaalfjarige dingt.In ons geval heeft de jaarmarkt te Obdorsk de onderhandelingen bespoedigd. De vrijer heeft reeds het jawoord; terstond hierop zijn de dikwijls zeer langdurige onderhandelingen begonnen, maar dank zij den invloed van den anders demonischen, in dit geval onmisbaren brandewijn, zij werden nu zeer spoedig ten einde gebracht. Men is overeen gekomen, dat Sandor, de jonge bruidegom, als bruidsschat voor Malla, het verloofde kind, zestig rendieren, twintig vellen van den witten, tien van den rooden vos, een stuk bont katoen en verschillende kleinigheden, als ringen, knoopen, glasparels, hoofddoeken enz. zal betalen. Zulks was weinig, veel minder dan de volstrekt niet rijkere bestuurder der gemeente, Mamroe, eens voor zijne vrouw had betaald, want diens bruidsgeld had bestaan in honderdvijftig rendieren, zestig vellen van den poolvos en twintig van den gewonen vos, een groot stuk kleedingstof, vele hoofddoeken en de gewone kleinigheden. Maar toenmaals waren de tijden beter, en Mamroe mocht wel een bruidsschat van meer dan duizend zilveren roebels betalen voor zijne deftige, rijke en uit eene aanzienlijke familie voortspruitende vrouw!Het bruidsgeld is betaald; de verloving der jonge lieden heeft plaats.[374]De nabestaanden komen in de Tschoem van den vader des bruidegoms bijeen om aan de bruid geschenken te brengen en tevens uit de voor ieder ten toon gestelde gave des bruidegoms voor zich zelf iets in ontvangst te nemen. Men kleedt de bruid in feestgewaad en maakt zich gereed met haar naar de Tschoem des bruidegoms of van diens vader te rijden. Vooraf heeft men op gebruikelijke wijze lekker gesmuld van een geslacht rendier. Gekookt heeft men heden slechts enkele onder het ijs gevangen visschen; het vleesch der gedoode rendieren at men rauw, en toen het eerste koud begon te worden, gaf men een tweede den doodsteek. De bruid weent, gelijk met alle scheidende bruidjes gewoonte is; zij wil de Tschoem niet verlaten, alwaar zij is groot gebracht, en eerst nadat men haar allerlei troostwoorden heeft toegesproken is zij daartoe bereid. Een gebed voor den huisgod vraagt om den zegen van Ohrt, den hemelschen, wiens teeken Sornidoed, het godsvuur, in onze oogen slechts het knetterende noorderlicht, in den verloopen nacht bloedrood aan den hemel prijkte. De moeder vergezelt de scheidende dochter om haar bij te staan en ook in den eersten nacht na het huwelijk in hare nabijheid te blijven. Moeder en dochter beklimmen de slede, de gezamenlijke gasten de hunnen, en voort snelt de feestelijk gekleede bruidsstoet onder het geklingel der bellen, waarmede heden alle rendieren, die almede hun beste tuig dragen, versierd zijn.De bruigom wacht in de Tschoem zijns vaders zijne bruid op, die heden en voortdurend door middel van den hoofddoek zedig het gelaat verbergt voor haar schoonvader en de schoonbroeders van haar aanstaanden echtgenoot. Een nieuw feest neemt een aanvang, en eerst laat in den nacht scheiden de gasten, waartoe ook de bloedverwanten van den bruidegom behooren.Den volgenden dag brengt de moeder evenwel hare dochter in de Tschoem des vaders terug. Maar reeds een dag later verschijnen hier alle verwanten des bruidegoms om de jonge vrouw weder voor dezen op te eischen. Opnieuw vervult feestgedruisch de nederige hut; straks scheidt de bruid voor altijd, en deelt nu voorgoed de Tschoem, naar welke zij voor de tweede maal in feestelijken optocht wordt heengeleid, alleen met haar man of tevens met diens ouders, broeders en zusters.De zoons van arme lieden brengen als bruidsschat niet meer dan hoogstens tien rendieren mede, visscherszonen nog minder, ja zelfs geen rendieren, maar enkel het benoodigde huisraad; ook deelen zij dikwijls dezelfde Tschoem met meer huisgezinnen, maar ook de bruiloft dezer[375]lieden wordt tot een feest- en vreugdedag, waarop zooveel gegeten en gesmuld wordt als het geringe vermogen maar toelaat.Arme Ostjaken leven in monogamie, rijke lieden beschouwen het als een zaak van fatsoen twee of meer vrouwen te nemen. In dit geval heeft de eerst gevrijde vrouw meer voorrechten dan de anderen, die meer als de dienstmaagden der eerste kunnen beschouwd worden dan als haars gelijken. Alleen wanneer zij geen kinderen krijgt, kan het anders worden; want kinderloos te zijn is eene schande voor den man, terwijl eene kinderlooze vrouw als een beklagenswaardig voorwerp wordt beschouwd.De ouders zijn trotsch op hun kinderen en behandelen ze met veel teederheid. Met oogen, die kennelijk van geluk getuigen, met gebaren, die haar weelde uitdrukken, legt de jonge moeder haar eerstgeborene aan de borst, of op het mollige watermos in de aardige, met fijn vermolmd wilgenhout en geschaafde houtvezeltjes opgevulde wieg van beukenbast; met zorg maakt zij het dek aan beide kanten der wieg vast en omhult voorzichtig het hoofdeneind van het kleine bedje met het daar bevestigd muggennetje; hare reinheid laat evenwel veel te wenschen over. Zoolang het kindje nog klein is en onbeholpen, wascht en reinigt de moeder het wanneer zij meent dat zulks volstrekt noodig is; maar is het grooter geworden, dan wascht zij het maar eenmaal iederen dag gezicht en handen; zulks geschiedt met behulp van een handvol geschaafde wilgenhoutspaanders, die dienst doen als spons, terwijl een tweede handvol droog toegepast, als droogdoek gebruikt wordt. Zonder zich daarover in ’t minst bezorgd te maken, kan de moeder verder aanzien dat het kleine wezen zich op eene wijze bevuilt en bemorst, dat wij er verbluft van staan. Eerst dan wanneer de jonge Ostjak zich zelf weet te helpen, neemt dit euvel een eind; niemand evenwel acht het noodzakelijk zich na den maaltijd te wasschen, al is deze nog zoo bloedig geweest. De kinderen van hun kant hangen met evenveel liefde aan hunne ouders als deze aan hen; zij zijn voorbeeldig gehoorzaam; nooit verzetten zij zich tegen den wil hunner opvoeders. Eerbied jegens hun ouders is het eerste en voornaamste gebod der Ostjaken, eerbied jegens de godheid komt eerst in de tweede plaats. Als wij Mamroe, den reeds genoemden bestuurder der gemeente, den raad gaven, zijn kinderen in de Russische taal te doen onderwijzen en het Russische schrift te doen leeren, antwoordde hij ons, dat hij het nut van zoodanige kennis wel inzag, maar dat hij vreesde, dat de[376]kinderen dan zouden vergeten hun vader en moeder te eeren en daarmede het voornaamste geloofsartikel te schenden, zoodat hij op dezen grond niet besluiten kon onzen raad op te volgen. Zulks mag ook de reden zijn waarom geen enkele Ostjak, die nog het geloof zijner vaderen aanhangt, in dit opzicht iets meer leert dan zijn teeken, een hem en anderen verbindend gekrabbel, dat op het papier wordt gebracht of in hout of rendierhuid gesneden. En toch leert hij, als een zeer knap en talentvol mensch, al wat men hem onderwijst zoo spoedig en goed, dat hij op den vroegen leeftijd, waarop hij uitgehuwelijkt wordt, alles kent en weet wat tot het voeren van eene huishouding, en het onderhoud van een gezin noodig is. Alleen in geloofszaken schijnt hij zijn eigen oordeel te wantrouwen en, weinigen uitgezonderd, juist daarom den Schaman, die zich meerdere kennis van zoodanige zaken aanmatigt, eene onverdiende eer te bewijzen.Wij zien evenwel in zulke Schamans, die bij de Ostjaken, evenals bij andere Mongoolsche volksstammen van Siberië zich de rechten van priesters aanmatigen, niets anders dan bedriegers.Het eenige lid der lieve broederschap, waarmede wij in aanraking kwamen, een gedoopte Samojeed, droeg het teeken des Christendoms op zijne borst, was zelfs, zooals het gerucht wilde, diaken in eene kerk der rechtgeloovigen, en toch oefende hij onder de heidensche Ostjaken het beroep van Schaman uit. Ik weet zeker, dat deze persoon geen uitzondering vormde, maar dat zulks regel is; want alle Schamans, die von Middendorf, mijn zegsman, op zijne vele en lange reizen door Siberië leerde kennen, waren Christenen. Dat de Schaman, dien wij leerden kennen, in de meening verkeerde, dat ook wij geloovigen waren, heb ik reeds in mijn reisbericht vermeld, eveneens wat hij ons voorspelde; het verhaal van de ons gegeven voorstelling zelf heb ik echter tot heden bewaard; want in de lijst dezer mededeelingen past ook meer eigenaardig dit beeld.Aanvankelijk brandewijn als geestelijk loon eischende, daarna zich met de belofte van een geschenk tevreden stellende, ging hij alleen de Tschoem binnen, ons zeggende, dat hij ons zou laten roepen, wanneer hij met de toebereidselen gereed zou zijn. Tot deze schenen ook doffe slagen op de trom te behooren, die wij na geruimen tijd vernamen; van andere bezigheden merkten wij niets. Op een door hem gegeven teeken traden wij de Tschoem binnen.De geheele ruimte der hut van berkenschors is met menschen opgevuld,[377]die zoo dicht mogelijk tegen de wanden aangedrukt, in een kring zijn gezeten; behalve Ostjaken en Samojeden, die met vrouw en kind zijn komen opdagen, zijn er ook Russen met hun vrouwen en spruiten aanwezig. Op een hoogen zetel, links van den ingang, heeft Widli, de Schaman, zich neêrgelaten; aan zijn rechterhand ligt een Ostjak, leerling van den meester, gehurkt. Widli draagt een bruin opperkleed en daaroverheen een oorspronkelijk witten, maar nu zeer morsigen, spaarzaam met gouden tressen versierden tabbaard; in zijn linkerhand houdt hij de kleine tamboerijnachtige trom zoodanig, dat haar schaduw op zijn gezicht valt, in de rechter den trommelstok; het hoofd is onbedekt, het rond geschoren haar zooeven gekamd. In ’t midden der Tschoem brandt een vuur, dat nu en dan opflikkerende, een schellen gloed werpt op het verzamelde gezelschap, in welks midden wij plaats nemen op de voor ons opengehouden zetels. Een driemaal herhaald, langgerekt, als een veelstemmig gezang klinkend geschreeuw, ingeleid door ettelijke tromslagen, begroet ons bij het binnenkomen en kondigt het begin der handeling aan.„Opdat gij moogt zien, dat ik een man der waarheid ben,” zoo laat de meester zich hooren, „zoo zal ik thans den mij vertrouwden bode van den raad des hemels bezweren onder ons te verschijnen, om mij mede te deelen, wat de goden over uwe toekomst besloten hebben. Gij zelf zult dan later mogen ervaren of ik waarheid gesproken heb of niet.”Na deze aanspraak, die ons door den mond van twee tolken werd overgebracht, bewerkt de lieveling der goden het kalfs- of liever hier het rendiervel zijner trom met snelle slagen, die elkander wel in eene bepaalde maat, maar niet in een bepaald aantal opvolgen. Hij begeleidt ze met een gezang, dat op Samojeedsche wijs half sprekend, beter gezegd, half brommend, half zingend voorgedragen, door den discipel, dien wij den koster zullen noemen, telkens getrouw herhaald wordt. Daarbij houdt de meester zijn trom zoo, dat zijn gezicht steeds beschaduwd blijft; hij sluit tevens de oogen om door niets van zijn geestelijk gezicht afgeleid te worden; de koster daarentegen rookt ook onder het gezang evenals straks steeds door en spuwt bij afwisseling op den grond evenals straks. Drie langzame, bepaalde slagen kondigen het einde van trommelen en zingen aan.„Ik heb thans,” zoo spreekt de meester vol waardigheid, „Jamaul den bode der hemelsche geesten, bezworen onder ons te verschijnen;[378]ik kan evenwel niet bepalen hoeveel tijd er nog verloopen moet alvorens hij, die misschien verre wijlt, bij ons zal zijn.”En wederom roert hij de trom, zingt hij bezwerend, en eindigen gezang en begeleiding als te voren.„Twee keizers zie ik voor mij; zij zullen u een geschrift zenden,” zoo spreekt de bode der goden door zijnen mond. Jamaul was dus zoo vriendelijk geweest in de Tschoem te verschijnen en zijn lieveling ter wille te zijn. Thans volgen, steeds ingeleid door het betooverend gezang en tromgeluid, de afzonderlijke volzinnen, waarin de boodschap der goden is vervat:„Nog eenmaal, in den volgenden zomer, zult gij denzelfden weg trekken als nu.”„Dan zult gij de toppen van den Oeral bezoeken, daar waar de Oessa, Bodaratta en Schtschoetschja haar loop aanvangen.”„Op deze reis zal u iets overkomen; of het goed zal zijn of kwaad kan ik niet zeggen.”„Aan de Bodaratta valt niets te behalen omdat het daar aan hout en weiden ontbreekt; hier echter kan iets uitgevoerd worden.”„Gij zult uwen meester verantwoording moeten doen; hij zal deze onderzoeken en tevreden over u zijn.”„Ook voor de drie oudsten van uwen stam zult gij u te verantwoorden hebben; zij zullen uwe geschriften eveneens nagaan om daarna over de nieuwe reis uitspraak te doen.”„Uwe reis zal van nu af gelukkig zijn, zonder ongeval eindigen, en gij zult te huis uwe geliefden in welstand terugzien.”„Wanneer ook de thans aan de Bodaratta toevende Russen hetzelfde zeggen als zij, zullen twee keizers u beloonen.”„Ik zie geen gezicht meer voor mij.”De handeling is ten einde. De schemering breidt zich uit over de bergen van den Oeral. Allen verlaten de Tschoem; uit de gebaren der Russen spreekt hetzelfde vertrouwen als uit de tronies der Ostjaken en Samojeden. Wij evenwel bewegen den Schaman om ons naar de boot te vergezellen, maken hem en zijnen discipel met brandewijn de tong los en leggen hem allerlei strikvragen voor, daaronder zeer spitsvondige. Hij beantwoordt ze alle, zonder uitzondering, en zonder een oogenblik in verlegenheid te geraken, zonder te dralen, zonder zich te bedenken; hij beantwoordt ze alle vol overtuiging en overtuigend, klaar en bepaald, kort en bondig, zoodat wij nog meer dan vroeger[379]tot het bewustzijn kwamen, dat wij met een door en door slimmen bedrieger te doen hadden.Hij schildert ons, hoe hij reeds als knaap den geest op zich voelde nederdalen, hoe deze hem zoo lang bleef pijnigen, tot hij de discipel van een Schaman werd; hoe hij meer en meer op vertrouwelijken voet is geraakt met Jamaul, den bode der goden, die hem verschijnt in de gedaante van een vriendelijk man, op een paard gezeten en met een staf in de hand; hoe Jamaul hem steeds te hulp snelt en hemelschen bijstand verleent, wanneer booze geesten hem aanvallen en hij dikwijls dagen achtereen tegen hen heeft te strijden; hoe de bode der goden steeds de ware, onvervalschte boodschap der hemelgeesten hem moet mededeelen, dewijl anders elke tromslag als een geeselstriem diens rug zou doorploegen; hoe Jamaul ook weder op dezen dag, voor hem alleen zichtbaar, achter hem in de Tschoem heeft gezeten, en hem alle woorden in het oor had gefluisterd; hoe hij, de Schaman door zijne kunst, of liever door de hem verleende genade, welke ook door zijn overgang tot het Christendom niet verzwakt kan worden, het verborgene ontdekt, het gestolene kan terugvinden, ziekten leert onderscheiden, den dood of de genezing der zieken vooruit ziet, de schimmen der afgestorvenen kan waarnemen en bannen, veel kwaads kan doen en verhinderen, maar alleen het goede bewerkt, uit vrees voor de hemelsche geesten; hij geeft ons een uitvoerig en helder, ofschoon niet geheel en al juist beeld van het geloof van Ostjaken en Samojeden; hij verzekert, dat een ieder van zijn eigen volk zoowel als de Ostjaken hem bij allerlei onheil bezoeken, hem om raad vragen, zich door hem de toekomst laten ontsluieren, en zonder aarzeling hem vertrouwen, hem gelooven.Het laatste is geenszins het geval. De groote hoop moge in den Schaman een man van groote wetenschap, wellicht zelfs een middelaar tusschen den mensch en de godheid, misschien ook een man, vol geheime macht zien, maar velen gelooven even zoo weinig aan de woorden en werken van een Schaman als andere volken aan die hunner priesters. Het werkelijke geloof des volks is oneindig veel eenvoudiger en kinderlijker dan den Schaman lief is. Het gaat ook hier gelijk wel eens elders: de priester, of hij die zich daarvoor uitgeeft, bevolkt den hemel met goden en raden en dienaren der godheid, het volk echter weet niets van zulk een hemelschen hofstoet.Volgens het geloof van den Ostjak troont in den hemel Ohrt, een[380]naam, die zooveel beteekent als „einde der wereld.” Hij is een almachtige geest, die alleen tegenover den dood geen macht bezit; maar die den menschen genegen is. Gever van alle goeds, uitdeeler der rendieren, visschen en pelsdieren, die het booze verhindert, de logen wreekt, en slechts dan zich streng betoont, wanneer men de belofte jegens hem niet nakomt. Ter eere van Ohrt viert men feesten, hem offert men, en tot hem bidt men; en aan hem alleen denkt de smeekeling, zelfs wanneer hij zich voor een heiligenbeeld plaatst. Dit beeld, „longch” genoemd, kan uit hout gesneden, maar ook een bundel katoen, een steen, een dierenhuid of elk ander voorwerp zijn; kracht gaat er niet van uit, bescherming verleent het niet, dus een fetisch is het niet. Verzamelt men zich voor een longch, brengt men het voor de Tschoem, plaatst men er een schotel met visch of rendiervleesch voor, of eenig ander offer, legt men kostbaarheden voor den longch neêr, bergt men deze zelfs binnen in dit voorwerp,—men richt bij al die handelingen het oog ten hemel en denkt zoowel in het gebed als bij het offer aan de godheid zelf. Booze geesten wonen zoowel in den hemel als op de aarde, maar Ohrt is machtiger dan zij; alleen de dood is sterker dan Ohrt. Een eeuwig leven na den dood bestaat niet, van eene opstanding weten de Ostjaken evenmin; maar de doode wandelt als schaduw op de aarde rond, en die schim of schaduw heeft nog altijd de macht om zoowel goed als kwaad te doen. Wanneer een Ostjak sterft dan vangt onmiddellijk dat schaduwleven aan; daarom gaat men ook terstond tot de begrafenis over. Reeds vóórdat hij den laatsten adem uitblies waren de vrienden bijeengekomen; zoodra de dood is ingetreden ontsteekt men een vuur in de Tschoem en houdt dit brandende, totdat men grafwaarts gaat. Een Schaman wordt geroepen om den doode te vragen, op welk kerkhof hij wil rusten. Zulks geschiedt op deze wijze, dat men de plaats noemt en daarbij het hoofd van het lijk poogt op te beuren. Is de plaats naar den zin dan laat de afgestorvene toe, dat men zijn hoofd opbeurt, zoo niet dan zouden drie mannen zulks niet vermogen. In dit geval wordt de vraag herhaald, en wel zoolang totdat de doode toestemt. Nu zendt men der zake kundige personen naar die plaats om het graf gereed te maken, want zoodanig werk eischt dikwijls vele dagen.De graven bevinden zich steeds in de toendra, op hooge plaatsen, gewoonlijk op den rug van lange heuvelrijen; zij bestaan uit min of meer kunstig saamgevoegde bakken of laden, die boven op den grond[381]worden geplaatst. Heeft men geen stevige planken, dan zaagt men een boot in stukken en legt daarin het lijk; alleen zeer arme lieden delven een ondiep graf en begraven daarin hunne dooden.EENE BEGRAFENIS BIJ DE OSTJAKEN.EENE BEGRAFENIS BIJ DE OSTJAKEN.Het lijk wordt niet gewasschen, maar in feestgewaad gestoken; het haar wordt gekamd en het aangezicht met een doek bedekt. De overige kleederen worden den armen geschonken. Een vreemde doode wordt niet met de handen aangeraakt, een beminde bloedverwant wel, ja dezen kust men zelfs met tranen in de oogen het aangezicht.[382]Op eene slede, of in eene boot, onder geleide van alle bloedverwanten en vrienden wordt de doode naar zijn laatste rustplaats vervoerd. Een rendierhuid wordt in den bak of het graf uitgespreid, om hierop den doode te leggen, wien men tabak, pijpen, en allerlei zaken, die hij in ’t leven gebruikte, medegeeft. Daarna schuift men touwen onder het lijk, legt het op het leger, spreidt een tweeden doek over het aangezicht, en sluit den bak met een stuk berkenschors, terwijl over de rijken nog vooraf kostbare huiden en katoenen stoffen worden uitgespreid. Daarna legt men nog over de berkenschors het eigenlijke deksel der kist of althans eenige zware, nauw aaneensluitende boomstammen, en hierop, en om en onder den bak verder al die gereedschappen, voor welke daarbinnen geen ruimte was. Vooraf echter heeft men ze stuk geslagen of op andere wijze onbruikbaar gemaakt, of gelijk de Ostjaken meenen, tot eene schaduw van datgene, wat zij eens waren.Middelerwijl heeft men in de nabijheid der grafplaats een vuur ontstoken, een of meer rendieren geslacht, welker vleesch nu door de begravers, rauw zoowel als gekookt, gegeten wordt. Na het lijkmaal steekt men de schedels der gedoode rendieren op puntige palen, omwikkelt deze of de nabijstaande boomen met het rendiertuig, hangt de belletjes, die gelijk bij andere feestelijke gelegenheden ook nu gebruikt zijn, aan de bovenste jukken van de lijkkist zelf op, slaat eindelijk de slede stuk, gooit deze in de nabijheid van het graf om en daarmede is de laatste plechtigheid verricht en de laatste versiering aangebracht. Men trekt huiswaarts, de klaagtonen verstommen, het leven eischt wederom zijn dagelijksche rechten.In de schaduw van den nacht echter begint de schaduw van den afgestorvene, uitgedost met de tot schaduwen geworden werktuigen, haar geheimzinnig schaduwleven. Wat zij gedaan heeft, toen zij nog onder de levenden verkeerde, doet zij nog. Onzichtbaar voor de menschen, weidt deze schaduw haar rendieren, of stuurt hare boot door het water, gespt zich de sneeuwschoenen onder de voeten, spant den boog, stelt het net, doodt de schaduwen van gestorven dieren, vangt de schaduwen van gestorven visschen. In de schaduw van den nacht treedt zij de Tschoem binnen en brengt haar nagelatenen goed en kwaad. Het loon van den doode bestaat hierin, dat hij zijn eigen bloedverwanten weldaden bewijst, zijne straf daarin, dat hij hun kwalen op den hals haalt.[383]Deze zijn de hoofdwaarheden van het geloof der Ostjaken, een volk, dat door de rechtgeloovige Christenen als heidenen wordt beschouwd en veracht. Eene billijke waardeering van een eerlijk menschenhart met een kinderlijk gemoed zou evenwel den wensch bij ons doen opkomen: och mochten zij altijd heidenen, altijd blijven, wat zij nu zijn![384]
Gemakkelijk en zonder inspanning is thans nog de strijd om het bestaan, dien de mensch in Siberië heeft te strijden, en hij zal zulks ook nog wel eeuwen blijven; gemakkelijk vooral in de zoo rijk door de natuur gezegende velden van het zuiden, maar ook evenmin hard en zwaar in die oorden, welke wij gewoon zijn te beschouwen als eene ijswoestijn, als eene ongastvrije wildernis, en die wij zelfs nog als zoodanig meenen te moeten kenmerken, wanneer wij die streken gedwongen doorreizen. Wel is het klimaat in het hooge noorden van West-Siberië ruw en streng; wel weigert hier de grond, die op geringe diepte onder het oppervlak het geheele jaar door bevroren is, iets tot voeding op te leveren, de zon het brood verstrekkende koorn tot rijpheid te brengen, maar ook hier schudde de milde natuur haar hoorn des overvloeds uit, en wat het land niet schonk, dat gaf het water. In onze oogen moge de daar reeds eeuwen verblijvende mensch arm en ellendig schijnen, in werkelijkheid is hij zulks niet. Ook hij kan er in zijn behoeften voorzien, ook hij omringt zich met gemakken en genietingen, die hem bevrediging schenken, en werpt zijn woonplaats meer af dan hij noodig heeft. Wel strijdt ook hij met meer of minder bewustzijn om een „menschwaardig bestaan,” maar geenszins met wrok in het hart tegenover de meer bevoorrechten, want hij is zelf meer bevoorrecht dan wij meenen, omdat hij bescheidener, meer voldaan, meer tevreden is dan wij zijn, en omdat hij datgene, wat wij hartstocht noemen, streng genomen, niet kent, omdat hij de vreugde, die voor hem opbloeit, met kinderlijke tevredenheid aanneemt, en het lijden, dat hem bezoekt, draagt met een wel diep gevoelde smart, maar het ook spoedig weêr vergeet evenals een kind.
RENDIERSLEDE.RENDIERSLEDE.
RENDIERSLEDE.
Ook aan zijn leger treedt de zwarte zorg; hij wijst deze evenwel terug zoodra ook maar de minste schemering van vreugde weder doorblinkt, en hij is de rampspoed geheel vergeten, zoodra het zonnetje des[353]geluks hem weêr vriendelijk toelacht. Ook hij prijst den rijkdom en klaagt over de armoede, maar hij vertwijfelt niet, wanneer de eerste hem begeeft, en hij verliest zijn verstand niet, wanneer de laatste in welvaart verkeert. Ofschoon volwassen, is hij een kind in al zijn denken, gevoelen, laten en handelen; hij is gelukkiger dan wij.
De Ostjak, met wien wij aan de beneden-Ob hoofdzakelijk hebben verkeerd, met wien wij het meest in aanraking kwamen, en dien wij het best hebben leeren kennen, behoort tot den Finschen stam; hij deelt met een andere loot van dien tak, den Samojeed, hetzelfde geloof, met bijna alle Finnen in engeren zin, dus ook met de Lappen, nagenoeg gelijke zeden en gewoonten, dezelfde levenswijze; hij is rendierherder en visscher, jager en vogelvanger, evenals ook de Samojeed en Lap zulks zijn. Afgezien van het godsdienstig geloof, misschien ook van de taal, gelijkt hij echter meer op dezen dan op genen; want hij is zoowel gezeten kolonist als nomaad, terwijl de Samojeed, zelfs wanneer deze zich met de vischvangst bezighoudt, althans in het door ons bereisde gedeelte van Siberië, slechts zeer zelden zijn verplaatsbare hut met een vast blokhuis verruilt.
OSTJAKEN.OSTJAKEN.
OSTJAKEN.
Het kan zijn, dat de stam der Ostjaken vroeger talrijker was dan thans; een eigenlijk gezegd volk, naar onze begrippen, zijn zij nooit geweest. In sommige streken van het door hen bezeten of bereisd gebied zou het aantal inwoners bestendig af- in andere deelen daarentegen eenigszins toenemen; van veel belang is evenwel noch het een noch het ander. Men rekent hoog, wanneer men het totaal aantal zielen op vijftig duizend schat; in het geheele, groote ambtsgebied van Obdorsk, dat zich van den 65ngraad Noorder-Breedte tot aan het noordelijk uiteinde van het Samojeden-schiereiland, en van den Oeral tot aan den bovenloop der Chasz uitstrekt, leven, naar luid van ons verstrekte, officieele opgaven, tegenwoordig niet meer dan 5382 mannelijke Ostjaken, waaronder niet meer dan 1376 werkkrachten, of wat op hetzelfde neêrkomt, schatplichtige mannen. Nemen wij aan, dat het aantal vrouwen en meisjes even groot is, dan bedraagt het geheele aantal nog geen 11000 zielen, en het bovengenoemde cijfer is misschien daarom nog eer te hoog dan te laag genomen, al moge men ook aannemen, dat het woongebied onzer lieden aan de Ob zich tot in de streek van Soergoet, aan de Irtysch tot in de nabijheid van Tobolsk uitstrekt. Alle aan de Irtysch, alsmede aan den boven- en middelloop der Ob verblijf houdende Ostjaken bewonen vaste, zeer[354]eenvoudige, op die der Russen gelijkende blokhuizen, en slechts hier en daar, altijd zeer spaarzaam, treft men tusschen deze, reeds een hoogeren beschavingstoestand aanduidende vaste woningen, ook nog wel eens eene enkele tent van berkenbast aan,„Tschoem” geheeten, terwijl deze aan den benedenloop der Ob, inzonderheid tusschen Obdorsk en den mond des strooms bijna uitsluitend voorkomt; gelijk vanzelf spreekt maken deze Tschoems de eenige woningen dernomadischlevende Ostjaken uit. Zoo niet volkomen, toch bijna daarmede in harmonie is het feit, dat die Ostjaken, welke in dorpen wonen, leden zijn der orthodoxe[355]kerk, althans door den doop daartoe behooren, terwijl die, welke nog in Tschoems huizen, hun overoud, geenszins van poëzie ontbloot en nog minder onzedelijk, maar door de Russische priesters en dier trouwe volgelingen als een blind heidendom betiteld geloof zijn getrouw gebleven; zij belijden echter dit geloof met meer innigheid en overtuiging dan de anderen hun zoogenaamd Christendom, welk laatste, onbevooroordeeld opgevat, en zooals het zich in werkelijkheid voordoet, veeleer een onzinnige afgodendienst kan genoemd worden dan eene veredelde plaatsvervangster van het oude, uit een kinderlijk gemoed opgeweld en op kinderlijke wijze zich uitend geloof. Met het in bezit nemen van blokhuizen en de aanneming des Christendoms ging hand aan hand gepaard, dat de Ostjaken van de middel- en beneden-Ob en beneden-Irtysch niet alleen in zekere mate hun kleeding met die van den Russischen visscher hebben verwisseld, maar ook diens zeden en gewoonten gedeeltelijk hebben overgenomen. In gelijke mate hebben zij van de hunne verloren, ten deele ook de zuiverheid van hun stam daarbij ingeboet, en eigenlijk niets meer behouden dan de niet te vervreemden kenmerken, de taal en de daardoor bewaarde eigenaardigheden, evenals misschien ook nog de handigheid, levendigheid en—zorgelooze goedhartigheid, die den ganschen stam kenmerkt. Maar in geen geval mag men nu ook gaan denken, dat met die meerdere beschaving ook de zedelijkheid, met het Christendom de reinheid des gemoeds is vermeerderd; in elk geval bevredigt het meer de heidensche Ostjaken te leeren kennen en met een nog oorspronkelijk volk in aanraking te komen, dan zich op te houden bij zulk een gedeelte, dat nog slechts een schaduw kan zijn van hetgeen het voormaals was en wat de eerstgenoemden nu nog zijn. Ik bepaal mij alzoo in mijne mededeelingen tot die Ostjaken, welke nog heden ten dage geloovig opzien tot den god Ohrt, die nog heden ten dage in veelwijverij leven, wanneer hun vermogen zulks veroorlooft, die nog heden ten dage hun dooden op dezelfde wijze begraven, gelijk hun vaderen dit deden; mijne voorstelling toch kan er niets bij verliezen, wanneer ik die anderen uitsluit, in eenheid daarentegen slechts winnen, wanneer ik mij uitsluitend tot de heidensche Ostjaken bepaal.
Van bijzondere stamskenmerken kan men hier moeielijk spreken, nog moeielijker is het deze te beschrijven. Ik heb herhaaldelijk getracht zulks te doen, maar steeds bevonden, dat het ondoenlijk is een gezicht in woorden af te beelden, of volledig de voor het oog waarneembare[356]raskenmerken door middel der pen uit te drukken. Onze luidjes verschillen ten opzichte van gelaatsvorm, huidkleur, haar en oogen ten zeerste van elkander; men kan hun soms niet eens aanzien, dat zij Mongolen zijn, en wanneer men werkelijk eens meent dat men duidelijke en bepaalde trekken heeft kunnen opmerken, dan leeren een aantal andere individuen ons wederom, dat die trekken verre van algemeen zijn. Als ik alles wil samenvatten, wat ik van de door ons waargenomen Ostjaken heb kunnen afzien en opteekenen, dan blijkt daaruit het volgende:
De Ostjaken zijn van middelbare lengte, over ’t algemeen slank gebouwd, met vrij regelmatig gevormde handen, voeten en ledematen; de handen zijn eer groot dan klein te noemen, de kuiten zeer schraal; de vorm des aangezichts houdt het midden tusschen dien van andere Mongoolsche volken en de Noord-Amerikaansche Indianen; de bruine oogen toch zijn wel is waar klein, maar niet in ’t oogvallend sterk schuin geplaatst; de jukbeenderen steken niet bijzonder vooruit, terwijl het benedengedeelte des aangezichts zoo tegen de smalle en spitse kin is aangedrukt, dat het geheele gelaat een puntig voorkomen erlangt, daar ook de lippen scherp besneden zijn. Het gelaat krijgt door een en ander, vooral bij kinderen en vrouwen, iets katachtigs, alhoewel de neus in ’t algemeen weinig, bij velen bijna geheel niet afgeplat is. Het welige, sluike, maar niet stijve haar is meestal zwart of donkerbruin, zelden lichtbruin en nog zeldzamer blond, de baard dun, doch slechts ten gevolge van de gewoonte der jeugdige fatten, dezen, zoodra hij verschijnt, uit te trekken. De wenkbrauwen zijn zwaar, dikwijls geweldig zwaar. De huidkleur doet in blankheid voor die van een zich veel in de frissche lucht, in wind en weder bewegenden Europeaan, weinig onder en de geelachtige tint, die regel is, kan soms geheel ontbreken.
Wanneer het hier gezegde voor de meeste Ostjaken als geldend kan beschouwd worden, volgt daaruit toch nog niet, dat men bij eene nauwkeurige waarneming onzer luidjes in twijfel kan staan ten opzichte van het ras, waartoe zij behooren. Enkelen hunner doen zich reeds bij den eersten vluchtigen blik als Mongolen kennen. Zij zijn klein van gestalte, de bruine, levendige oogen staan schuin in het hoofd, en zijn lang gespleten, de jukbeenderen zijn dik, de stijve haren pikzwart en alle gewoonlijk ontbloote deelen des lichaams bepaald koperrood of lederbruin gekleurd.[357]
Over de taal der Ostjaken kan ik niet oordeelen, maar wel kan ik zeggen, dat deze in twee, ook voor vreemde ooren duidelijk te onderscheiden dialekten vervalt; het eene dialekt wordt aan den middelloop der Ob gesproken en is zeer welluidend, ofschoon iets gerekt en zangerig, terwijl het tweede, dat aan den benedenloop der rivier gebruikelijk is, sneller wordt uitgesproken, alhoewel de afzonderlijke lettergrepen nog altijd duidelijk genoeg gehoord worden. De gewoonte der hier wonende Ostjaken, zich van de meer weeke Samojedentaal te bedienen, heeft op een en ander grooten invloed uitgeoefend.
Terwijl de Christelijke Ostjaken, gelijk ik reeds opmerkte, de kleederdracht der Russen naäpen en de vrouwen slechts hierin van die der Russische visschers onderscheiden zijn, dat zij haar kleedingstukken met bonte glasparels versieren, ook wel eens vreemdsoortige, op de stola van een Roomsch-Katholiek priester gelijkende, rijkelijk met parels opgetooide, in strikken gebonden linten dragen, gebruiken de heidensche Ostjaken uitsluitend rendiervellen—hertenvellen, gelijk de Russen zeggen; de huiden van andere dieren dienen soms tot bijzondere versiering der eerste. De kleeding bestaat uit een (tot over de knieën hangende) bij de mannen alleen op de borst, bij de vrouwen langs den geheelen voorkant gespleten en dan met leeren riemen vastgebonden, eng sluitenden pels met daaraan gehechte of althans daarbij behoorende monnikskap en aangenaaide handschoenen, een lederen broek, die tot onder de knie reikt en leeren kousen, die boven de knie bevestigd worden. De pels is bij de vrouwen van voren, langs de opening, met kleine, vierkante, kortbehaarde, bontgekleurde stukjes pels, van beneden met een breede strook van hondenvel omzoomd. Bij de mannen ontbreekt ook dit laatste tooisel niet. Een kap bevindt zich ook aan den pelsmantel der vrouwen. De leeren kousen der laatsten worden, als zij bijzonder mooi moeten zijn, vervaardigd uit met smaak aaneengenaaide repen der bonte huid, die de pooten der rendieren omgeeft, terwijl hieraan een lompe schoen wordt vastgenaaid, die met riemen verder om den voet wordt bevestigd. Eene breede, meestal met metalen knoopen bezette leeren gordel, waaraan het mes hangt, bindt den pels der mannen om het lijf vast; een bonte, met lange franjes versierde hoofddoek, die in den zomer de plaats der kap vervangt, valt over den pels der vrouwen naar beneden. Hemden kent men niet; daarentegen draagt de vrouw een gordel, dien wij niet kennen. Wil zij zich eens recht mooi maken, dan steekt de Ostjaksche dame zooveel eenvoudige koperen,[358]soms zilveren ringen aan alle vingers, als zij er met mogelijkheid maar aan kan rijgen, zoodat de hand als het ware in een metalen pantser zit opgesloten; ook hangt zij zich eene meer of minder zware ketting van glasparels om den hals en zeer zware, uit glasparels, draadsnoeren, of metalen knoopen samengestelde kwastvormige versierselen in, of eigenlijk over de ooren. Het haar wordt in twee, tot op de kuiten neêrhangende vlechten gedeeld, welker einden met gedraaide wollen snoeren omwoeld worden. Hetzelfde doet ook de Ostjaksche saletjonker, een bewijs, dat alle gekken der aarde op elkander gelijken. De mannen dragen gemeenlijk het haar lang, maar los.
Eenvoudiger nog dan de wel is waar niet zeer schoone, maar voor winter en zomer beide vrij geschikte kleederdracht, en even doelmatig als deze, is de woning der Ostjaken, de „Tschoem”. Hieronder verstaat men eene verdraagbare, kegelvormige, met berkenschors omkleede hut, die zoowel den visschers als nomaden tot verblijf dient. Van twintig tot dertig dunne, glad gemaakte, van boven en beneden spits toeloopende, vier tot zes meter lange, in een cirkel opgestelde palen, vormen het geraamte; twee dier palen zijn dicht bij het boveneind aan elkander vastgeknoopt, de overige dienen tot steunpunten. Vijf à acht uit kleine, vooraf gekookte en daardoor week gemaakte stukken berkenschors gevormde platen, wier vorm in overeenstemming is gebracht met dien des kegels, maken het buitenbekleedsel uit, terwijl eene van de windzijde afgekeerde opening gesloten wordt met een plaat van gelijk materiaal; dit is de deur. De hut blijft van boven open om aan den rook vrijen doortocht te verleenen. Van de deur naar den tegenovergestelden wand der hut loopt een gang, in welks midden het vuur wordt aangelegd; hierboven zweven twee horizontale stokken, die aan de buitenpalen zijn vastgebonden, en welk toestel deels dient om er den kookketel aan op te hangen, deels om een en ander te drogen. Rechts en links van straks genoemden gang zijn planken of matten over den grond gelegd, over welke men zich beweegt, en die meteen de slaapsteden afpalen, wier hoofdeneind naar den wand is gekeerd. Uit carexstengels gevlochten matten, langharige, zachte rendierhuiden, en met rendierhaar of gedroogd watermos opgevulde kussens dienen tot bedden, pelzen tot dekens; eene muggentent, waaronder in den zomer de geheele familie kruipt, beschermt de slapenden oneindig beter tegen de gevleugelde kwelgeesten dan het aan den ingang van de Tschoem voortdurend brandende, met wilgenloof gevoede, smeulende vuur. Een[359]kook-, thee- en drinkketel, schalen, lederen meelzakken, andere ter bewaring van het hard gebakken roggebrood, kleine, sluitbare kistjes, ter berging van de kostbaarste goederen, inzonderheid ook van het theeservies, een bijl, een boor, een leerschaaf, een komvormig naaikistje, bogen, buksen, sneeuwschoenen, alsmede verschillende jachtgereedschappen, voltooien het huisraad; in de plaats der heiligenbeelden, die in de hutten der Christelijke Ostjaken bijna nooit ontbreken, prijkt hier een afgodsbeeld.
Tegen de koude en stormen van den winter beveiligt men de Tschoem door er eene, uit afgedragen pelzen saamgenaaide deken van buiten over heen te spreiden, of, wat nog beter is, door een tweeden mantel van berkenschors.
Is de eigenaar der Tschoem een visscher, dan ziet men buiten de hut een droogtoestel voor de netten en droogstaken voor de visschen, zeer net bewerkte, ongemeen lichte en kunstige fuiken, een aantal bijzonder kleine booten, benevens nog ander vischgereedschap; is hij tevens jager, dan allerlei jagerstuig, b.v. stelbogen en automatisch werkende handbogen. Is de Tschoembaas een rendierherder, dan een aantal met zorg bewerkte sleden en daarbij behoorend tuig, alsmede eene ook voor hem onmisbare boot.
Iedere Ostjak is een kundig visscher, bijna iedereen tevens jager of vallensteller, maar niet ieder is een trekherder. Rendieren te bezitten beteekent zooveel als welgesteld te zijn, veel rendieren zijn eigendom te noemen is gelijkluidend met rijk zijn. Hij, die alleen van de vischvangst moet leven is arm. Paarden en runderen worden zeldzaam, dan nog alleen in zeer gering aantal gevonden, en zulks enkel in de nederzettingen aan den middenloop der rivier; ook houdt men eene enkele maal schapen, misschien wel soms eene kat; de ware huisdieren evenwel zijn het rendier en de hond. Zonder deze, in elk geval zonder het rendier, kan de welgestelde man, naar hij meent, niet leven; zij alleen verschaffen hem wat hij levensvreugde noemt. Even gelijk deBedoeïn, de trekkende herder van Centraal-Afrika, zich verheven waant boven zijn stamgenoot, die het veld bebouwt, even gelijk de Kirgies minachtend neêrziet op hem, die de aarde bewerkt, zoo grijpt ook de rendierhouder, zelfs de rendierherder alleen dan naar net en angel, wanneer hij persoonlijk trek heeft in visch, terwijl de visscher niet enkel voor zich zelf, maar ook als knecht voor anderen het net uitwerpt en de fuik stelt. Naar het aantal rendieren berekent de Ostjak allen menschelijken[360]rijkdom en zijn persoonlijk geluk. Daarom verliest hij niet alleen dien rijkdom en dat geluk, wanneer de worgende ziekte zijn kudde vernietigt, maar nog veel meer: aanzien en rang, zelfbewustzijn en vertrouwen, ja, het is niet te sterk uitgedrukt, wanneer men er bijvoegt, zijn geloof, zijn zeden, zijn gewoonten, zijn eigen persoonlijkheid. „Zoolang de ziekte nog niet onder onze kudden woedde”, zoo zei ons eens de bestuurder eener gemeente,Mamroe, de verstandigste Ostjak, dien wij ooit leerden kennen, „leefden wij blijmoedig, en wij waren rijk; sedert wij onophoudelijk door verliezen worden getroffen, worden wij allengs tot arme visschers; wij kunnen zonder rendieren niet bestaan, zonder hen niet leven.” Arme Ostjaken! In deze woorden ligt uw lot besloten. Reeds op dit oogenblik zijn de eens bij honderdduizenden te tellen rendieren tot vijftigduizend ingesmolten, en nog steeds woedt het miltvuur onder de geweidragende kudden voort. Wat zullen de gevolgen zijn? De Russische popen zullen meer Christenzieltjes winnen, de Russische visschers steeds meer knechten, maar Ostjaken zullen er slechts in naam meer bestaan,—en deze tijd ligt in geen zeer ver verschiet.
Het Noord-Aziatische rendier is een schepsel, dat veel afwijkt van zijn Laplandschen soortgenoot; het is niet alleen grooter en edeler, maar in den waren zin des woords een huisdier. Wij meenden het goed te kennen, want wij hadden het in Lapland gezien en met het nauwkeurig oog des natuurkenners gadegeslagen; maar in Siberië kwamen wij tot de overtuiging, dat wij nog geen juiste denkbeelden over dit merkwaardig dier hadden gewonnen. Ginds in Lapland hadden wij een hert leeren kennen, dat zich slechts met tegenzin boog onder het juk van den kleinen man, een hert, dat oogenschijnlijk elk oogenblik bedacht was op het herwinnen zijner vrijheid; hier in Siberië kwam ons een dier onder de oogen, dat volgzaam was en gewillig, den mensch genegen en zich aan dezen toevertrouwend. De Ostjak weet er dan ook voortreffelijk mede om te gaan. Hij behandelt het wel niet met die innigheid, waarmede hij den hond streelt, maar in geenendeele onvriendelijk, en slechts bij hooge uitzondering ruw en hard. In tegenstelling met de gewoonte der Lappen melkt hij het niet, maar gebruikt het veel meer voor de slede dan genoemde volken. Het moet hemzelf en zijn gezin, de Tschoem met alle toebehoor, en alle overige op de reis mede te nemen lasten, zoowel in den zomer als in den winter, van de eene plaats naar de andere brengen, terwijl de Lap slechts in[361]den winter van het rendier als trekdier gebruik maakt. Van de geslachte rendieren gebruikt hij, evenals de Lap, alle deelen, met uitzondering alleen van maag en darmen. Het vleesch dient hem tot voedsel, van de beenderen en het gewei maakt hij verschillende voorwerpen, uit de pezen naaigaren, de huid en haren gebruikt hij zoo, of hij bereidt er leer uit; zelfs de tanden vinden eene nuttige toepassing. Met het rendier rijdt de Ostjak in zijn lichte slede, ’s winters en ’s zomers, van plaats tot plaats, naar de woning der bruid, naar zijn feesten, ter jacht, en naar de begrafenis zijner vrienden; het rendier vervoert zijn dooden naar de laatste rustplaats; het rendier wordt door hem geslacht en ter eere zijner gasten en dooden opgegeten; in de rendierhuid hult hij dezen en zich zelf. Zeer zeker, hij kan zonder het rendier niet bestaan, niet leven.
Weinig minder diensten bewijst hem zijn tweede huisdier, de hond. Niet alleen de rondzwervende herders, maar iedere Ostjak houdt en verzorgt honden, de visscher zoowel als de jager, de gezeten man zoowel als de nomaad. De Ostjaksche hond behoort tot twee, voornamelijk door hun grootte van elkander afwijkende rassen. Of onze hondenminnaars hem fraai vinden durf ik niet beslissen; wat mij aangaat, ik moet dit dier reeds daarom fraai noemen, dewijl het, alleen de kleur uitgezonderd, nog alle kenmerken der wilde honden bezit. Hij komt het meest overeen met onzen „spits”, maar is gewoonlijk wat grooter, somtijds zoo groot, dat hij den wolf nabij komt; ook in slankheid van bouw wint hij het van den keeshond. De kop is lang, de snuit van middelmatige lengte, de hals kort, het lichaam lang, de pooten zijn dun, de staart is middelmatig van lengte, het gitzwarte oog schuins gespleten, het korte, spitse oor recht, het haar zeer dicht en lang, uit wol- en borstelharen bestaande, de kleur verschillend, meestal zuiver wit, of wit met zwarte, meest regelmatige teekening aan beide zijden van den kop, alsmede op de ooren, rug en flanken, of ook wel grijs gewaterd en gegolfd, maar nooit gestreept. De zwakbehaarde staart hangt meest naar beneden of is recht uitgestrekt, nimmer naar boven gekruld, waardoor de overeenkomst met een wilden hond nog meer verhoogd wordt.
De gedurige omgang met den mensch heeft den Ostjakschen hond tot een zachtaardig dier gemaakt. Hij is waakzaam, maar niet bijtachtig, moedig, maar niet strijdlustig, trouw en ijverig, maar niet boos tegen vreemden; wantrouwend, ofschoon niet bijzonder onvriendelijk, loopt hij op den vreemdeling af, maar niet zoodra ziet hij zijn meester met[362]dezen spreken of met hem de Tschoem binnengaan, of hij nadert ook dezen vertrouwelijk. In geen enkel opzicht verwend, en gaarne de ruimte van de Tschoem met zijn meester of meesteres deelende, stelt hij zich toch ook, zonder van onlust blijk te geven, aan wind en weêr bloot, werpt zich zonder bedenking in het koude water der rivier en zwemt rechtstreeks over breede armen, of draaft zonder morren door de toendra onder de slede, aan welke men hem heeft vastgebonden, door poelen en moerassen, door struikgewas en water. Verstandig en slim, vindingrijk en vlug, weet hij zich het leven aangenaam te maken en zich door alles heen te slaan.
In de Tschoem ligt hij naast de lekkerste hapjes zonder ze aan te raken; buiten de hut zijns meesters is hij de snoepachtigste en brutaalste dief; in de toendra loopt hij geduldig door het dichte struikgewas der dwergberken onder de slede; in het gladde moeras of op andere goede wegen legt hij zich met vooruitgestrekte pooten op de boomen der slede en laat zich trekken; op de jacht vergezelt hij zijn baas als een trouw en nuttig metgezel; den vreemdeling evenwel kaapt hij het door hem bespeurde, door dezen geschoten wild, voor de oogen weg en eet dit met zulk een schuldeloos genot op, dat het onmogelijk is zich boos op dit dier te maken. De herten kent hij door en door in al hun eigenaardigheden en gebreken, zoodat hij bij het weiden der kudde goede diensten bewijst, maar zoo op hem vertrouwen als op den herdershond kan men toch niet, want hij volgt zijn eigen oordeel en doet dan alleen volgzaam zijn plicht, wanneer hem zulks bepaald noodzakelijk schijnt.
De hond der Ostjaken bewijst zijn diensten als speelkameraad, als bewaker van de Tschoem, als oppasser der kudde en als trekdier, terwijl hij ook nog na zijn dood nut afwerpt. In den winter alleen wordt hij voor de slede gespannen, en dan legt men hem dikwijls zulk een dwaas tuig op, dat hij, wanneer men al te veel van zijn krachten vergt, reeds na weinige jaren lam van lendenen rondhinkt. Na zijn dood moet hij zijn uitstekend vel afstaan, ja sommige Ostjaken houden alleen voor dit doel een overgroot aantal honden.
Voor hetzelfde of soortgelijke doeleinden strekken sommige uit het nest geroofde jonge zoogdieren en vogels, vooral vossen, beren, uilen, kraaien, kraanvogels, zwanen, enz. die men soms voor de Tschoems der visschers en trekherders, vastgebonden, aantreft. Zoolang deze dieren jong zijn worden zij vriendelijk bejegend en goed gevoed; zoodra[363]zij volwassen zijn en huid of veêren waarde hebben verkregen, worden zij gedood; men eet op, wat eetbaar is en gebruikt huid en veêren; de huid wordt somtijds voor een verbazend hoogen prijs verkocht.
De hond schikt zich ook hier, even gelijk elders, naar den wil van den mensch, maar de mensch moet zich voegen naar de behoeften van het rendier. Deze behoeften en geenszins de luimen van den herder bepalen het nomadische leven der rondzwervende Ostjaken, even gelijk het komen en gaan der visschen op het doen en laten der gezeten stambroeders van grooten invloed zijn. De tochten der rendierherders en hunne kudden zijn de gevolgen van gelijke oorzaken en bewegen zich in dezelfde richting als die der Kirgiezen, doch zijn van de tochten der laatstgenoemden hoofdzakelijk hierin onderscheiden, dat zij ook in den winter niet worden afgebroken, maar zelfs in dit jaargetijde nog veelvuldiger en afwisselender worden. Wanneer de sneeuw begint te smelten trekt de Ostjaksche nomaad langzaam naar het gebergte; met het beginnen der muggenplaag klimt hij de berghellingen, of althans naar den rug der heuvelklingen omhoog; met het verdwijnen der muggen, van welke dieren ook de hoogten niet geheel en al bevrijd blijven, keert hij allengs naar de lage toendra terug, om hier, zoo mogelijk in de nabijheid van de rivier zijns geboortelands den winter door te brengen. Zoo is de kringloop, dien hij jaar in, jaar uit, volbrengt, zoo niet de verschrikkelijke ziekte, het besmettelijke miltvuur, hem overvalt.
Nog vóór de korte zomer in zijn onvriendelijk land aanbreekt, nog vóór het eerste voorjaarsleven ontwaakt, in den tijd, dat het sterke ijsdek nog onaangetast op den grooten stroom en diens nevenrivieren, op de ontelbare meren der toendra ligt, werpen de rendieren hun jongen. Nu vooral is het zaak eene plaats op te zoeken, die moeder en kroost genoeg voedsel oplevert. Te dien einde trekt onze herder niet naar de diepere dalen, maar naar de hoogte, van welker toppen de wind de sneeuw wegblaast, om hier zijn Tschoem op te slaan. Hier vertoeft hij geruimen tijd, totdat het rendiermos overal in ’t rond weggevreten is, en ook de breede hoeven van het rendier, waarmede het de sneeuw wegkrabt, om tot het daaronder verscholen plantendek te geraken, geen diensten meer kunnen bewijzen. Dan breekt hij nogmaals op en richt zich naar eene nabijzijnde plek, die gelijke voordeelen aanbiedt als de eerste. Ook deze wordt niet verlaten alvorens er geen voedsel meer is, want nog verheugt hij zich in een tijd, dien[364]hij den goeden mag noemen. De kudden weiden thans in gesloten troepen; er heerscht volmaakte vrede onder de herten, wier gewei thans begint uit te spruiten; de ouden verliezen haar kalveren nog niet uit het oog; de kudde verstrooit zich niet, en dwaalt niet verder van de Tschoem af dan tot waar het geroep des herders reikt, dat hen tegen zonsondergang weêr bijeen en in de omgeving der hut verzamelt. Gedurende den nacht dwaalt wel de vratige wolf in ’t rond, dien de winter uit het gebergte naar de laag-toendra verdreef, maar de moedige honden houden scherpe wacht en weren den laffen roover; onze herder bekommert zich deswege even weinig om den wolf als om den winter, welk jaargetijde hij, evenals alle volksstammen van het hooge noorden als het beste beschouwt. Ook worden de korte dagen allengs langer, de nachten steeds korter, de gevaren voor zijne weêrlooze kudde dus kleiner. De rivier werpt haar ijskleed af; de verwarmde wateren van de zuidelijke steppen voeren lauwe winden naar het noorden; de eene heuvelketen na de andere wordt vrij van sneeuw, en hier zoowel als in het dal vinden de tegen het weder geharde dieren eene rijkelijk voorziene weide;—de laag-toendra is in de oogen onzer herders tot een waar paradijs geworden. Maar slechts kort duurt voor hem en zijn kudde dat heerlijke leven. De snel rijzende, altijd langer, steeds warmer stralende zon smelt ook in de vlakke dalen de sneeuw, op de breede meren het ijs, doet zelfs den bevrozen grond ontdooien en roept nevens de onschuldige kinderen van het voorjaar ook de milliarden kwelgeesten, de muggen, de brutale bremsen, wier larven eerst voor weinige weken uit de neusholten der rendieren gehoest werden, in ’t leven. Nu begint eerst voorgoed de verhuizing; nu trekt de herder, wel in korte dagreizen, maar zonder zich op te houden, naar het gebergte. Met het opdrogen van den morgendauw, die de mossen, korstmossen, grassen en jonge bladeren der dwergachtige struiken bedekte, breken de vrouwen de Tschoem af, die zij eerst gisteren opsloegen, en beladen de sleden, die zij op denzelfden tijd ontpakt hadden. Ondertusschen jaagt de herder op zijne lichte, met vier krachtige herten bespannen slede naar de verstrooide, nog grazende of in groepjes gelegerde kudde, drijft de dieren bijeen en naar de legerplaats, waar de familieleden reeds geheel gereed zijn. Een dun touw, waar de rendieren slechts zelden overheen durven springen, in de handen houdende, vormen zij samen een kring om de kudde; de herder begeeft zich met een vangsnoer of lasso in de rechterhand midden onder de[365]kudde, werpt het daarvoor bepaalde hert zonder te falen den strik om den hals of om het gewei, maakt het touw vast, haalt het naar zich toe en geeft last, dat alle andere dieren zullen worden vrijgelaten; hij bestijgt daarna weder zijn slede en rijdt weg. Alle overige sleden, door de medeleden der familie bestuurd, volgen in lange rijen; blatend of brommend en bij elken stap een knetterend geluid latende hooren, zet zich ook de gansche vrije kudde in beweging; de honden eindelijk rennen en springen, onder voortdurend geblaf, om de kudde heen en houden de rendieren zoo goed mogelijk bij elkaar; toch kan zulks niet verhinderen, dat er nu en dan een afdwaalt of achterblijft. De kudde breidt zich meer en meer uit en tooit op schilderachtige wijze alle hoogten; door een of ander bijzonder lekker voedsel vastgehouden, verwijlt zij troepsgewijs hier en daar eene poos; door de kalveren aangezocht vervullen de moeders haar plichten, gaan wel eens ten gevalle van het door de melk verzadigde jong naast haar kind liggen, totdat de adelaarsblik van den heer der kudde dit misdrijf opmerkt, hij zijwaarts uitwijkt om door zijne krachtige stem, of met behulp der inmiddels opontboden honden de achterblijvers vooruit te drijven. Opnieuw laat zich een algemeen geloei hooren, de honden blaffen nog luider en de schare golft verder; een bosch van geweien dringt voorwaarts en zeker jagersvuur ontvonkt het hart van den toeschouwer uit vreemde landen.
De zon daalt; de trekdieren zuchten en steunen met ver uit den mond hangende tong; het wordt tijd hun rust te geven. Op geringen afstand, in de nabijheid van een der vele meren, verheft zich een zwak gewelfde kegel; de herder slaat die richting in; op de hoogte laat hij zijn geweidragend vierspan stilhouden. De eene na de andere slede komt aan; de losse kudde eveneens, om dadelijk met grazen aan te vangen, de uitgespannen trekkers volgen hen.
IN DE TSCHOEM.IN DE TSCHOEM.
IN DE TSCHOEM.
De vrouwen zoeken eene geschikte plaats uit om de Tschoem op te bouwen; zij plaatsen de stokken in een cirkel in den grond en omkleeden ze met den mantel van berkenschors; de herder echter begeeft zich met zijn voor het gebruik gereedliggend werptouw onder de kudde, kiest met kennersoog een jong en vet hert uit en werpt dit den strik om den hals en over het gewei. Tevergeefs spartelt het dier en tracht zich los te maken, nader treedt de herder en weêrloos volgt het dezen naar de inmiddels reeds opgerichte Tschoem. Een slag met een bijl op het achterhoofd doet het slachtoffer ter aarde storten, een messteek door het hart maakt een eind aan zijn leven. Twee minuten later is[366]het dier reeds van de huid ontdaan, opengesneden en schoongemaakt; eene minuut later doopen alle, spoedig zich bijeen scharende familieleden de in repen gesneden lever in de met bloed gevulde borstholte, en de letterlijk „bloedige maaltijd” neemt een aanvang. In een kring gehurkt om het nog warme hert, snijdt elk der gasten ribstukken of stukken van rug- en dijspieren af; de lippen verven zich rood alsof zij geblanket waren; de bloeddruppels vloeien langs kin en borst; de handen worden almede geverfd en besmeerd met bloed, niet minder[367]neus en wangen, en bloedige gezichten staren den onthutsten vreemdeling aan. De zuigeling maakt zich los van de moederborst om insgelijks aan den maaltijd deel te nemen, en van pret gilt hij het uit, wanneer hem de moeder nog een mergbeen stukslaat en dit om het uit te zuigen toereikt, nadat het wicht alvorens een stuk lever naar binnen heeft geslagen en ook daarbij zijn gezicht, wangen en handen en nog meerdere lichaamsdeelen met bloed rood heeft geverfd. De honden zitten in ’t rond en knagen de hun toegeworpen beenderen af. Verzadigd gaat de een na den ander opstaan, wischt zich de bloedige hand aan het mos af, reinigt het mes op dezelfde wijze en keert dan in de Tschoem terug om er behagelijk uit te rusten. De huisvrouw vult den kookketel met water, legt er zooveel vleesch van het half opgegeten dier in als deze bevatten kan, en maakt vuur aan om het avondeten te bereiden.
Ondertusschen heeft de herder zijn bovenkleed uitgetrokken en haastig, ofschoon nooit zonder succes onderzocht, en gaat nu zoo dicht bij het vuur liggen, dat de vlam hare volle werking op het naakte bovenlijf kan uitoefenen. Hij voelt zich meer dan lekker en denkt aan nieuw genot. Een vreemde snaak, die in zijn gezelschap naar het gebergte trekt, een Duitscher van herkomst, wellicht een medelid van de Bremer expeditie naar West-Siberië, heeft hem niet alleen tabak, een inderdaad afschuwelijk, maar zeer krachtig kruid vereerd, doch daarenboven ook nog een groot stuk papier, een geheele „Kölnische Zeitung” geschonken. Hij scheurt voorzichtig van deze laatste een vierkant stuk af, draait hieruit een klein spits peperhuisje, vult het met tabak, maakt in ’t midden een kneep, en het pijpje is gereed, brandt een oogenblik later zelfs prachtig en ruikt zoo heerlijk, dat zijn vrouw de neusgaten openspert en naar hetzelfde genot verlangt. Deze wensch wordt terstond bevredigd en het pijpje maakt zelfs een rondreis langs elk der familieleden.
Doch er is leven gekomen in den pot; de avondspijs is gereed en „allen roeren de handen voor het lekker bereide maal”. Daarna gaat de herder voor de deur der hut staan, stoot in langgerekte klanken een verdragend geroep uit, dat heden voor de laatste maal de onrustige kudde bijeenbrengt om nu gerustgesteld in de Tschoem terug te keeren.
Intusschen heeft de vrouw hier de muggentent opgeslagen en is nu nog bezig met den benedenrand onder de dekens te stoppen. Gedurende dit bedrijf pakt de man, die op zijn leger ligt te wachten een hond,[368]waarmede hij speelt als ware het een kind, welke behandeling de hond zijnerzijds zich gaarne laat welgevallen, daar hij zich zulks als eene hooge gunst en eer toerekent. Hierop kruipt de man half naakt onder de muggentent, de vijftienjarige zoon volgt zijn voorbeeld, en diens kleine, dertienjarige vrouw doet hetzelfde; de zorgvolle moeder brengt ook de kinderen, den zuigeling in de wieg hieronder begrepen, mede in veiligheid, sluit de deur en begeeft zich naar de andere huisgenooten. Weinige minuten later en een diep gesnork verkondigt, dat allen den slaap des rechtvaardigen hebben gevonden.
Den volgenden morgen begint hetzelfde dagwerk en zoo gaat het voort, tot de hoogten der gebergten veroorloven, om langer rust te nemen en langer op dezelfde plaats te vertoeven. De hier, op deze hoogte zoo vroegtijdig vallende sneeuw dwingt reeds in Augustus tot opbreken, en wederom brengt de reis, thans wat langzamer en gemakkelijker, herder en kudde naar de laagte terug.
Met het verdwijnen van het ijs begint ook het visschersbedrijf aan de rivier. Vele Ostjaksche visschers werken voor loon of ook wel in vereeniging met de Russen, terwijl anderen slechts een gedeelte der vangst aan hen verkoopen en voor eigen rekening visschen. Dadelijk na den ijsgang richten eerstgenoemden hun Tschoem naast de hutten der Russen op, of betrekken hunne aan het water gelegen zomerverblijven, blokhuizen van de allereenvoudigste soort. Ter plaatse, waar een nevenrivier in den stroom uitmondt, paalt men haar of een der armen af door middel van eene omheining, die slechts ééne opening vrij laat; bij lagen waterstand stelt men fuiken en legt men grondangels; daarenboven vischt men nog met treknetten en sleepnetten.
Groote bedrijvigheid heerscht er op alle vischplaatsen, wanneer de vangst goed is. Halfvolwassen jongens zitten op eene schommelende stellage, in gebogen houding boven de opening der omheining en kijken met scherpe oogen naar beneden in het troebele water om te zienofer ook visschen loopen binnen het voor den doorgang gespannen en door hen vastgehouden kruisnet, beuren dit van tijd tot tijd met den gevangen buit op en ontlasten den inhoud in de kleine boot. De mannen visschen gezamenlijk met het treknet op de zandbanken of, op de ondiepe plaatsen der rivier, met het sleepnet. ’s Namiddags of tegen den avond keeren de visschers naar huis terug en verdeelen onder de huisgezinnen de vangst. Den volgenden morgen begint de arbeid der vrouwen. Afzonderlijk of in groepjes geschaard, hurken zij om de[369]groote hoopen visch, ieder voorzien van eene plank en een scherp mes, om de visschen te ontschubben, schoon te maken, in stukken te snijden, in te kerven en op lange dunne stokken te steken, die dan op droogstellen ter droging worden gehangen. Eene vaardig uitgevoerde snede opent de buikholte van den visch en scheidt de zijspieren van de wervelkolom, terwijl enkele handgrepen de lever en de overige ingewanden van kop en geraamte en de kostbaarder zijdeelen des lichaams wegnemen. De eene lever na de andere glijdt over de gretige lippen, want de vrouwen hebben nog niet ontbeten en nemen dit al vast als voorspijs. Is men nog niet verzadigd, dan wordt er een visch ontschubd, schoongemaakt, in lange repen gedeeld, het eene eind van zulk een reep door het bloed gehaald, en dan in den mond gebracht; snelle, rakelings voorbij den tip van den neus gaande messneden verdeelen de reep in passende stukken, die een voor een in een afgrond verdwijnen. Ook de kinderen, die bedelend de moeders omringen, verkrijgen ieder naar hun ouderdom hun aandeel in lever en spiervleesch; vierjarige telgen hanteeren het mes reeds even vaardig als de ouden en snijden op gelijke wijze de mondbeten af. Dit is de gewone wijze van eten, en ook het rendiervleesch wordt op gelijke wijze genuttigd. Spoedig glimmen de aangezichten van moeders en kroost van visschenbloed en levertraan, de handen van schubben. Zijn alle visschen behandeld en opgehangen, dan verkrijgen ook de honden, die begeerig, ofschoon niet lastig, zich om de vrouwen hadden gelegerd, hun aandeel t.w. de schubben, die op een grasbosje worden geworpen, en gulzig woelen de zwarte snuiten in dit gras.
Het morgenwerk is verricht en men heeft recht op eene kleine uitspanning. De moeders nemen haar zuigelingen op den schoot, reiken dezen de borst en gaan nu over tot eene zekere verrichting, even noodzakelijk voor haar zelf als voor de kleinen: de jacht op parasieten. Het eene kind na het andere legt zijn kopje in den schoot der moeder, daarna legt deze zelf het hare in dien der oudste dochter of van eene buurvrouw, die op gelijken wederdienst hoopt; de jacht is meestal zeer voorspoedig. Het gevangen wild wordt, zoo niet opgegeten, dan ten minste tusschen de lippen genomen, en met de tanden verbrijzeld; voor een natuuronderzoeker, die de apen heeft waargenomen, is zulks niets nieuws, en het strekt hem, die inDarwinsleerstellingen meer ziet dan enkel hypothesen, als bewijs te meer voor het „atavisme” of het terugkeeren tot de gewoonten der voorouders.[370]
De zon daalt, en de mannen, jongelingen en knapen komen met nieuwen zegen aandragen. Zij hebben naar hartelust rauwen visch gegeten, thans verlangt de ziel naar warme spijs. Een groote, dampende ketel met gekookte visschen, kostelijke renken,—naaste bloedverwanten van den zalm—worden hun voorgezet; met vischvet doorweekt brood is de toespijs, terwijl de maaltijd besloten wordt met tegelthee, die met koud water op het vuur gezet en lang gekookt is geworden. „Wanneer evenwel de begeerte naar spijs en drank gestild is” verlangt ook de geest naar voedsel, en daarom is de kunstenaar hoogst welkom, die de door hem zelf vervaardigde harp of cither te voorschijn haalt, òf om deze te bespelen, òf om een der inlandsche, onbeschrijfelijk karakteristieke liederen, òf om den vreemden dans der vrouwen te begeleiden, bestaande in opheffingen en neêrbuigingen van het lichaam en het volbrengen van allerlei bewegingen met de armen, die nu eens om elkander worden geslagen, dan weder uitgestrekt, daarna naar het lichaam teruggetrokken. Deze feestelijkheden duren net zoo lang totdat men met het opslaan der muggentent gereed is, als wanneer jong en oud onder derzelver plooien verdwijnt.
De zomer is voorbij, en de korte herfst wordt opgevolgd door den winter. Nieuwe bedrijvigheid ontstaat met het trekken der vogels; met den winter ontwaakt een nieuw, ja het eigenlijke, rijke leven der Ostjaken. Het verraderlijke net wordt voor de wegtrekkende zomergasten gesteld; dit net bestaat uit een groot, licht verplaatsbaar kleef- of leeuwerikennet, dat aan den oever in de opengehakte deelen van de wilgenboschjes, op bekende strijkplaatsen tusschen twee groote watervlakten wordt uitgespannen, en waarin niet alleen eenden, maar ook ganzen, zwanen en kraanvogels vliegen, die meer dan welkom zijn om hun vleesch en veêren, want alle vogelsoorten verstrekken niet alleen den Ostjaken, maar in ’t algemeen aan alle rivierbewoners ten voedsel. Gelijktijdig met den vogelvanger trekt ook de nomaad op de jacht uit en stelt in de toendra zijn slagnetten voor den rood- en poolvos, of hij plaatst gemeenschappelijk met andere stamgenooten, in het bosch gelijke vangwerktuigen, stelbogen en automatische handbogen voor wolven, vossen, sabels, hermelijnen, veelvraten en eekhoorntjes. Is er sneeuw gevallen dan gespt zich de meer geoefende jager de sneeuwschoenen aan, zet den sneeuwbril op de oogen en begeeft zich met zijn honden naar het bosch in de toendra om den beer in zijn schuilplaats op te zoeken, de sporen van den losch te vervolgen, en den thans bemoeilijkten[371]eland en het wilde rendier op het sneeuwdek na te jagen, dat wel den jager, maar niet deze dieren draagt. Hij heeft nooit gelogen, nooit valsch op een berentand gezworen, nooit onrecht gedaan, en derhalve is de beer tegenover hem machteloos, zijn eland en rendier tegenover hem niet vlug genoeg. Met den verslagen beer trekt hij vroolijk het dorp en de Tschoem binnen: buren en vrienden omringen hem jubelend, tot de algemeene vreugde ook hem zelf aantast, hij wegsluipt, zich vermomt en den berendans begint te dansen—bestaande in vreemdsoortige bewegingen, die den beer in alle toestanden des levens moeten voorstellen en verzinnelijken.
Een rijken voorraad huiden bergt spoedig de hut des visschers, een nog rijkeren de Tschoem des herders, daar deze bovendien nog alle pelzen der door hem in den loop des jaars geslachte rendieren heeft verzameld. Thans is het tijd ze kwijt te worden. Van verre en nabij rust men zich uit om naar de jaarmarkt te gaan, die telken jare in de tweede helft der maand Januari te Obdorsk, het laatste Russische dorp en de belangrijkste handelsplaats aan de beneden-Ob wordt gehouden, en die zoowel door inboorlingen als door vreemdelingen druk bezocht wordt, terwijl ook bij deze gelegenheid de Russische regeeringskommissaris de belastingen int van Ostjaken en Samojeden, bestaande geschillen uit den weg ruimt en verder recht spreekt; de Russische kooplieden maken intusschen jacht op koopers en verkoopers, de slechten onder hen, geholpen door de spitsboefachtige Syrjenen op lichtzinnige dronkaards, en de popen eindelijk op te bekeeren heidenen; er worden verder met de Russen verdragen afgesloten, schulden betaald, nieuwe aangegaan, onder Ostjaken en Samojeden allerlei afspraken gemaakt, bruiloften gevierd, vijanden verzoend en nieuwe vriendschapsbanden gesloten. In lange rijen verschijnen de met rendieren bespannen sleden; van alle kanten komen ze aan en het marktvlek is eerlang omgeven van eene menigte Tschoems, rondom welke de met te verhandelen waren zwaar bepakte sleden geschaard staan. Elken morgen trekt de eigenaar van de Tschoem met zijn meest geliefde vrouw in vol ornaat naar de kramen om huiden te verkoopen en waren in te ruilen. Men handelt, biedt, dingt, tracht te bedriegen, en de ook nu nog bedrijvige Merkurius oefent zijne heerschappij uit niet enkel als god der kooplieden, maar ook als god der dieven. Brandewijn, ofschoon van regeeringswege verboden, is bij elken koopman, en in bijna elk huis van Obdorsk te verkrijgen; hij benevelt het verstand van Ostjak en Samojeed en verarmt beiden[372]nog meer dan het miltvuur. De brandewijn doet alle hartstochten van den anders zoo kalmen, goedaardigen en onnoozelen Ostjak in opstand komen, en verandert den vredelievenden, jegens iedereen vriendelijken en eerlijken kerel in een woedend, krankzinnig dier. Naar brandewijn hunkert de man, naar brandewijn dorst de vrouw; de vader giet het begeerige kind den brandewijn in de keel, de moeder hare verlangende dochter, wanneer beiden genoeg hebben van het verderfelijk vergif.
Voor brandewijn verslingert de Ostjak zijn met moeite verworven schatten, verkwanselt hij zijn geheele bezitting, voor brandewijn verhuurt hij zich als knecht, verkoopt hij zich als slaaf, verkoopt hij zelfs zijne ziel en verloochent hij het geloof zijner vaderen. Brandewijn behoort bij het sluiten van elken koop en verkoop,—zelfs bij de bekeering tot de rechtzinnige, orthodoxe kerk.
Met behulp van den brandewijn komt de oneerlijke koopman eindelijk in ’t bezit van alle huiden van den Ostjak, en bevrijd van deze, maar tevens met ledige beurs en een verward hoofd keert de met trotsche verwachtingen naar Obdorsk getogen, bedrogen, om niet te zeggen uitgeplunderde man naar zijn Tschoem terug. Hij gevoelt berouw over zijn dwaasheid, zijn zwakheid, koestert de beste voornemens, komt tot kalmte en denkt spoedig alleen nog maar aan de heerlijke bijeenkomsten, die hij met zijn stamgenooten gehouden heeft. Met dezen heeft hij eerst gedronken, dan hebben de mannen en vrouwen elkander gekust, dan de mannen hun vrouwen afgeranseld, dan tegen elkander hun krachten gemeten, zelfs de scherpe messen met een fonkelend oog getrokken en elkander met den dood bedreigd; maar er is geen bloed gevloeid, men heeft zich weêr met elkander verzoend, de vrouwen, die vreeselijk door de klappen waren toegetakeld en door den brandewijn hunne bezinning hadden verloren, heeft men teêrhartig van den grond opgebeurd en door andere medelijdende vrouwen doen reinigen; men heeft als bekroning der verzoening eene plechtige overeenkomst getroffen, voor de dochter een bruidegom, voor den zoon eene kleine bruid uitgekozen; men heeft zelfs eene weduwe weêr uitgehuwelijkt en bij die gelegenheid nog eens gedronken, kortom, men heeft zich kostelijk vermaakt. Dat de Regeeringskommissaris alle door den drank bedwelmden eindelijk had laten inpakken, dat alle, alle geld den weg van het vergankelijke was gewandeld, ja dit was natuurlijk onaangenaam, zeer onaangenaam zelfs geweest; maar de gevangenis was[373]weêr geopend geworden, de smart over het geldelijk verlies was geleden, en slechts de gouden herinnering, waarop men een vol jaar kon teren, en de voor alle partijen eervolle verloving waren als een niet te vervreemden winst van den heerlijken feestdag gebleven.
Bruidegom en bruid waren mede op de jaarmarkt geweest, hadden dapper medegedronken en bovendien elkander leeren kennen; de bruidegom was het met zijn ouders eens, dat hij op het jonge meisje zijn keuze moest laten vallen, beter gezegd dat hij haar als zijne vrouw moest onderhouden. Want de wil der ouders, niet die der jonge lieden, sluit bij de Ostjaken de huwelijken. Op den wensch en den wil des jongen mans moge men nog eenige acht slaan, en een veelbelovenden knaap wordt het wel eens veroorloofd zijn eigen oogen te richten naar eene dochter zijns volks, maar men zendt ook den in zijne keus vrij gelaten jongeling alleen dan naar den vader van het meisje, wanneer de toestanden aan weêrszijden genoegzaam overeenkomen. De jonge dochter wordt nooit naar haar wil gevraagd, en zulks reeds hierom, dewijl zij, wanneer men haar verlooft, nog veel te jong is om eenigszins over hare toekomst te kunnen oordeelen. Zelfs de toekomstige mannelijke echtgenoot heeft zijn vijftiende jaar nog niet bereikt, wanneer hij naar de hand der twaalfjarige dingt.
In ons geval heeft de jaarmarkt te Obdorsk de onderhandelingen bespoedigd. De vrijer heeft reeds het jawoord; terstond hierop zijn de dikwijls zeer langdurige onderhandelingen begonnen, maar dank zij den invloed van den anders demonischen, in dit geval onmisbaren brandewijn, zij werden nu zeer spoedig ten einde gebracht. Men is overeen gekomen, dat Sandor, de jonge bruidegom, als bruidsschat voor Malla, het verloofde kind, zestig rendieren, twintig vellen van den witten, tien van den rooden vos, een stuk bont katoen en verschillende kleinigheden, als ringen, knoopen, glasparels, hoofddoeken enz. zal betalen. Zulks was weinig, veel minder dan de volstrekt niet rijkere bestuurder der gemeente, Mamroe, eens voor zijne vrouw had betaald, want diens bruidsgeld had bestaan in honderdvijftig rendieren, zestig vellen van den poolvos en twintig van den gewonen vos, een groot stuk kleedingstof, vele hoofddoeken en de gewone kleinigheden. Maar toenmaals waren de tijden beter, en Mamroe mocht wel een bruidsschat van meer dan duizend zilveren roebels betalen voor zijne deftige, rijke en uit eene aanzienlijke familie voortspruitende vrouw!
Het bruidsgeld is betaald; de verloving der jonge lieden heeft plaats.[374]De nabestaanden komen in de Tschoem van den vader des bruidegoms bijeen om aan de bruid geschenken te brengen en tevens uit de voor ieder ten toon gestelde gave des bruidegoms voor zich zelf iets in ontvangst te nemen. Men kleedt de bruid in feestgewaad en maakt zich gereed met haar naar de Tschoem des bruidegoms of van diens vader te rijden. Vooraf heeft men op gebruikelijke wijze lekker gesmuld van een geslacht rendier. Gekookt heeft men heden slechts enkele onder het ijs gevangen visschen; het vleesch der gedoode rendieren at men rauw, en toen het eerste koud begon te worden, gaf men een tweede den doodsteek. De bruid weent, gelijk met alle scheidende bruidjes gewoonte is; zij wil de Tschoem niet verlaten, alwaar zij is groot gebracht, en eerst nadat men haar allerlei troostwoorden heeft toegesproken is zij daartoe bereid. Een gebed voor den huisgod vraagt om den zegen van Ohrt, den hemelschen, wiens teeken Sornidoed, het godsvuur, in onze oogen slechts het knetterende noorderlicht, in den verloopen nacht bloedrood aan den hemel prijkte. De moeder vergezelt de scheidende dochter om haar bij te staan en ook in den eersten nacht na het huwelijk in hare nabijheid te blijven. Moeder en dochter beklimmen de slede, de gezamenlijke gasten de hunnen, en voort snelt de feestelijk gekleede bruidsstoet onder het geklingel der bellen, waarmede heden alle rendieren, die almede hun beste tuig dragen, versierd zijn.
De bruigom wacht in de Tschoem zijns vaders zijne bruid op, die heden en voortdurend door middel van den hoofddoek zedig het gelaat verbergt voor haar schoonvader en de schoonbroeders van haar aanstaanden echtgenoot. Een nieuw feest neemt een aanvang, en eerst laat in den nacht scheiden de gasten, waartoe ook de bloedverwanten van den bruidegom behooren.
Den volgenden dag brengt de moeder evenwel hare dochter in de Tschoem des vaders terug. Maar reeds een dag later verschijnen hier alle verwanten des bruidegoms om de jonge vrouw weder voor dezen op te eischen. Opnieuw vervult feestgedruisch de nederige hut; straks scheidt de bruid voor altijd, en deelt nu voorgoed de Tschoem, naar welke zij voor de tweede maal in feestelijken optocht wordt heengeleid, alleen met haar man of tevens met diens ouders, broeders en zusters.
De zoons van arme lieden brengen als bruidsschat niet meer dan hoogstens tien rendieren mede, visscherszonen nog minder, ja zelfs geen rendieren, maar enkel het benoodigde huisraad; ook deelen zij dikwijls dezelfde Tschoem met meer huisgezinnen, maar ook de bruiloft dezer[375]lieden wordt tot een feest- en vreugdedag, waarop zooveel gegeten en gesmuld wordt als het geringe vermogen maar toelaat.
Arme Ostjaken leven in monogamie, rijke lieden beschouwen het als een zaak van fatsoen twee of meer vrouwen te nemen. In dit geval heeft de eerst gevrijde vrouw meer voorrechten dan de anderen, die meer als de dienstmaagden der eerste kunnen beschouwd worden dan als haars gelijken. Alleen wanneer zij geen kinderen krijgt, kan het anders worden; want kinderloos te zijn is eene schande voor den man, terwijl eene kinderlooze vrouw als een beklagenswaardig voorwerp wordt beschouwd.
De ouders zijn trotsch op hun kinderen en behandelen ze met veel teederheid. Met oogen, die kennelijk van geluk getuigen, met gebaren, die haar weelde uitdrukken, legt de jonge moeder haar eerstgeborene aan de borst, of op het mollige watermos in de aardige, met fijn vermolmd wilgenhout en geschaafde houtvezeltjes opgevulde wieg van beukenbast; met zorg maakt zij het dek aan beide kanten der wieg vast en omhult voorzichtig het hoofdeneind van het kleine bedje met het daar bevestigd muggennetje; hare reinheid laat evenwel veel te wenschen over. Zoolang het kindje nog klein is en onbeholpen, wascht en reinigt de moeder het wanneer zij meent dat zulks volstrekt noodig is; maar is het grooter geworden, dan wascht zij het maar eenmaal iederen dag gezicht en handen; zulks geschiedt met behulp van een handvol geschaafde wilgenhoutspaanders, die dienst doen als spons, terwijl een tweede handvol droog toegepast, als droogdoek gebruikt wordt. Zonder zich daarover in ’t minst bezorgd te maken, kan de moeder verder aanzien dat het kleine wezen zich op eene wijze bevuilt en bemorst, dat wij er verbluft van staan. Eerst dan wanneer de jonge Ostjak zich zelf weet te helpen, neemt dit euvel een eind; niemand evenwel acht het noodzakelijk zich na den maaltijd te wasschen, al is deze nog zoo bloedig geweest. De kinderen van hun kant hangen met evenveel liefde aan hunne ouders als deze aan hen; zij zijn voorbeeldig gehoorzaam; nooit verzetten zij zich tegen den wil hunner opvoeders. Eerbied jegens hun ouders is het eerste en voornaamste gebod der Ostjaken, eerbied jegens de godheid komt eerst in de tweede plaats. Als wij Mamroe, den reeds genoemden bestuurder der gemeente, den raad gaven, zijn kinderen in de Russische taal te doen onderwijzen en het Russische schrift te doen leeren, antwoordde hij ons, dat hij het nut van zoodanige kennis wel inzag, maar dat hij vreesde, dat de[376]kinderen dan zouden vergeten hun vader en moeder te eeren en daarmede het voornaamste geloofsartikel te schenden, zoodat hij op dezen grond niet besluiten kon onzen raad op te volgen. Zulks mag ook de reden zijn waarom geen enkele Ostjak, die nog het geloof zijner vaderen aanhangt, in dit opzicht iets meer leert dan zijn teeken, een hem en anderen verbindend gekrabbel, dat op het papier wordt gebracht of in hout of rendierhuid gesneden. En toch leert hij, als een zeer knap en talentvol mensch, al wat men hem onderwijst zoo spoedig en goed, dat hij op den vroegen leeftijd, waarop hij uitgehuwelijkt wordt, alles kent en weet wat tot het voeren van eene huishouding, en het onderhoud van een gezin noodig is. Alleen in geloofszaken schijnt hij zijn eigen oordeel te wantrouwen en, weinigen uitgezonderd, juist daarom den Schaman, die zich meerdere kennis van zoodanige zaken aanmatigt, eene onverdiende eer te bewijzen.
Wij zien evenwel in zulke Schamans, die bij de Ostjaken, evenals bij andere Mongoolsche volksstammen van Siberië zich de rechten van priesters aanmatigen, niets anders dan bedriegers.
Het eenige lid der lieve broederschap, waarmede wij in aanraking kwamen, een gedoopte Samojeed, droeg het teeken des Christendoms op zijne borst, was zelfs, zooals het gerucht wilde, diaken in eene kerk der rechtgeloovigen, en toch oefende hij onder de heidensche Ostjaken het beroep van Schaman uit. Ik weet zeker, dat deze persoon geen uitzondering vormde, maar dat zulks regel is; want alle Schamans, die von Middendorf, mijn zegsman, op zijne vele en lange reizen door Siberië leerde kennen, waren Christenen. Dat de Schaman, dien wij leerden kennen, in de meening verkeerde, dat ook wij geloovigen waren, heb ik reeds in mijn reisbericht vermeld, eveneens wat hij ons voorspelde; het verhaal van de ons gegeven voorstelling zelf heb ik echter tot heden bewaard; want in de lijst dezer mededeelingen past ook meer eigenaardig dit beeld.
Aanvankelijk brandewijn als geestelijk loon eischende, daarna zich met de belofte van een geschenk tevreden stellende, ging hij alleen de Tschoem binnen, ons zeggende, dat hij ons zou laten roepen, wanneer hij met de toebereidselen gereed zou zijn. Tot deze schenen ook doffe slagen op de trom te behooren, die wij na geruimen tijd vernamen; van andere bezigheden merkten wij niets. Op een door hem gegeven teeken traden wij de Tschoem binnen.
De geheele ruimte der hut van berkenschors is met menschen opgevuld,[377]die zoo dicht mogelijk tegen de wanden aangedrukt, in een kring zijn gezeten; behalve Ostjaken en Samojeden, die met vrouw en kind zijn komen opdagen, zijn er ook Russen met hun vrouwen en spruiten aanwezig. Op een hoogen zetel, links van den ingang, heeft Widli, de Schaman, zich neêrgelaten; aan zijn rechterhand ligt een Ostjak, leerling van den meester, gehurkt. Widli draagt een bruin opperkleed en daaroverheen een oorspronkelijk witten, maar nu zeer morsigen, spaarzaam met gouden tressen versierden tabbaard; in zijn linkerhand houdt hij de kleine tamboerijnachtige trom zoodanig, dat haar schaduw op zijn gezicht valt, in de rechter den trommelstok; het hoofd is onbedekt, het rond geschoren haar zooeven gekamd. In ’t midden der Tschoem brandt een vuur, dat nu en dan opflikkerende, een schellen gloed werpt op het verzamelde gezelschap, in welks midden wij plaats nemen op de voor ons opengehouden zetels. Een driemaal herhaald, langgerekt, als een veelstemmig gezang klinkend geschreeuw, ingeleid door ettelijke tromslagen, begroet ons bij het binnenkomen en kondigt het begin der handeling aan.
„Opdat gij moogt zien, dat ik een man der waarheid ben,” zoo laat de meester zich hooren, „zoo zal ik thans den mij vertrouwden bode van den raad des hemels bezweren onder ons te verschijnen, om mij mede te deelen, wat de goden over uwe toekomst besloten hebben. Gij zelf zult dan later mogen ervaren of ik waarheid gesproken heb of niet.”
Na deze aanspraak, die ons door den mond van twee tolken werd overgebracht, bewerkt de lieveling der goden het kalfs- of liever hier het rendiervel zijner trom met snelle slagen, die elkander wel in eene bepaalde maat, maar niet in een bepaald aantal opvolgen. Hij begeleidt ze met een gezang, dat op Samojeedsche wijs half sprekend, beter gezegd, half brommend, half zingend voorgedragen, door den discipel, dien wij den koster zullen noemen, telkens getrouw herhaald wordt. Daarbij houdt de meester zijn trom zoo, dat zijn gezicht steeds beschaduwd blijft; hij sluit tevens de oogen om door niets van zijn geestelijk gezicht afgeleid te worden; de koster daarentegen rookt ook onder het gezang evenals straks steeds door en spuwt bij afwisseling op den grond evenals straks. Drie langzame, bepaalde slagen kondigen het einde van trommelen en zingen aan.
„Ik heb thans,” zoo spreekt de meester vol waardigheid, „Jamaul den bode der hemelsche geesten, bezworen onder ons te verschijnen;[378]ik kan evenwel niet bepalen hoeveel tijd er nog verloopen moet alvorens hij, die misschien verre wijlt, bij ons zal zijn.”
En wederom roert hij de trom, zingt hij bezwerend, en eindigen gezang en begeleiding als te voren.
„Twee keizers zie ik voor mij; zij zullen u een geschrift zenden,” zoo spreekt de bode der goden door zijnen mond. Jamaul was dus zoo vriendelijk geweest in de Tschoem te verschijnen en zijn lieveling ter wille te zijn. Thans volgen, steeds ingeleid door het betooverend gezang en tromgeluid, de afzonderlijke volzinnen, waarin de boodschap der goden is vervat:
„Nog eenmaal, in den volgenden zomer, zult gij denzelfden weg trekken als nu.”
„Dan zult gij de toppen van den Oeral bezoeken, daar waar de Oessa, Bodaratta en Schtschoetschja haar loop aanvangen.”
„Op deze reis zal u iets overkomen; of het goed zal zijn of kwaad kan ik niet zeggen.”
„Aan de Bodaratta valt niets te behalen omdat het daar aan hout en weiden ontbreekt; hier echter kan iets uitgevoerd worden.”
„Gij zult uwen meester verantwoording moeten doen; hij zal deze onderzoeken en tevreden over u zijn.”
„Ook voor de drie oudsten van uwen stam zult gij u te verantwoorden hebben; zij zullen uwe geschriften eveneens nagaan om daarna over de nieuwe reis uitspraak te doen.”
„Uwe reis zal van nu af gelukkig zijn, zonder ongeval eindigen, en gij zult te huis uwe geliefden in welstand terugzien.”
„Wanneer ook de thans aan de Bodaratta toevende Russen hetzelfde zeggen als zij, zullen twee keizers u beloonen.”
„Ik zie geen gezicht meer voor mij.”
De handeling is ten einde. De schemering breidt zich uit over de bergen van den Oeral. Allen verlaten de Tschoem; uit de gebaren der Russen spreekt hetzelfde vertrouwen als uit de tronies der Ostjaken en Samojeden. Wij evenwel bewegen den Schaman om ons naar de boot te vergezellen, maken hem en zijnen discipel met brandewijn de tong los en leggen hem allerlei strikvragen voor, daaronder zeer spitsvondige. Hij beantwoordt ze alle, zonder uitzondering, en zonder een oogenblik in verlegenheid te geraken, zonder te dralen, zonder zich te bedenken; hij beantwoordt ze alle vol overtuiging en overtuigend, klaar en bepaald, kort en bondig, zoodat wij nog meer dan vroeger[379]tot het bewustzijn kwamen, dat wij met een door en door slimmen bedrieger te doen hadden.
Hij schildert ons, hoe hij reeds als knaap den geest op zich voelde nederdalen, hoe deze hem zoo lang bleef pijnigen, tot hij de discipel van een Schaman werd; hoe hij meer en meer op vertrouwelijken voet is geraakt met Jamaul, den bode der goden, die hem verschijnt in de gedaante van een vriendelijk man, op een paard gezeten en met een staf in de hand; hoe Jamaul hem steeds te hulp snelt en hemelschen bijstand verleent, wanneer booze geesten hem aanvallen en hij dikwijls dagen achtereen tegen hen heeft te strijden; hoe de bode der goden steeds de ware, onvervalschte boodschap der hemelgeesten hem moet mededeelen, dewijl anders elke tromslag als een geeselstriem diens rug zou doorploegen; hoe Jamaul ook weder op dezen dag, voor hem alleen zichtbaar, achter hem in de Tschoem heeft gezeten, en hem alle woorden in het oor had gefluisterd; hoe hij, de Schaman door zijne kunst, of liever door de hem verleende genade, welke ook door zijn overgang tot het Christendom niet verzwakt kan worden, het verborgene ontdekt, het gestolene kan terugvinden, ziekten leert onderscheiden, den dood of de genezing der zieken vooruit ziet, de schimmen der afgestorvenen kan waarnemen en bannen, veel kwaads kan doen en verhinderen, maar alleen het goede bewerkt, uit vrees voor de hemelsche geesten; hij geeft ons een uitvoerig en helder, ofschoon niet geheel en al juist beeld van het geloof van Ostjaken en Samojeden; hij verzekert, dat een ieder van zijn eigen volk zoowel als de Ostjaken hem bij allerlei onheil bezoeken, hem om raad vragen, zich door hem de toekomst laten ontsluieren, en zonder aarzeling hem vertrouwen, hem gelooven.
Het laatste is geenszins het geval. De groote hoop moge in den Schaman een man van groote wetenschap, wellicht zelfs een middelaar tusschen den mensch en de godheid, misschien ook een man, vol geheime macht zien, maar velen gelooven even zoo weinig aan de woorden en werken van een Schaman als andere volken aan die hunner priesters. Het werkelijke geloof des volks is oneindig veel eenvoudiger en kinderlijker dan den Schaman lief is. Het gaat ook hier gelijk wel eens elders: de priester, of hij die zich daarvoor uitgeeft, bevolkt den hemel met goden en raden en dienaren der godheid, het volk echter weet niets van zulk een hemelschen hofstoet.
Volgens het geloof van den Ostjak troont in den hemel Ohrt, een[380]naam, die zooveel beteekent als „einde der wereld.” Hij is een almachtige geest, die alleen tegenover den dood geen macht bezit; maar die den menschen genegen is. Gever van alle goeds, uitdeeler der rendieren, visschen en pelsdieren, die het booze verhindert, de logen wreekt, en slechts dan zich streng betoont, wanneer men de belofte jegens hem niet nakomt. Ter eere van Ohrt viert men feesten, hem offert men, en tot hem bidt men; en aan hem alleen denkt de smeekeling, zelfs wanneer hij zich voor een heiligenbeeld plaatst. Dit beeld, „longch” genoemd, kan uit hout gesneden, maar ook een bundel katoen, een steen, een dierenhuid of elk ander voorwerp zijn; kracht gaat er niet van uit, bescherming verleent het niet, dus een fetisch is het niet. Verzamelt men zich voor een longch, brengt men het voor de Tschoem, plaatst men er een schotel met visch of rendiervleesch voor, of eenig ander offer, legt men kostbaarheden voor den longch neêr, bergt men deze zelfs binnen in dit voorwerp,—men richt bij al die handelingen het oog ten hemel en denkt zoowel in het gebed als bij het offer aan de godheid zelf. Booze geesten wonen zoowel in den hemel als op de aarde, maar Ohrt is machtiger dan zij; alleen de dood is sterker dan Ohrt. Een eeuwig leven na den dood bestaat niet, van eene opstanding weten de Ostjaken evenmin; maar de doode wandelt als schaduw op de aarde rond, en die schim of schaduw heeft nog altijd de macht om zoowel goed als kwaad te doen. Wanneer een Ostjak sterft dan vangt onmiddellijk dat schaduwleven aan; daarom gaat men ook terstond tot de begrafenis over. Reeds vóórdat hij den laatsten adem uitblies waren de vrienden bijeengekomen; zoodra de dood is ingetreden ontsteekt men een vuur in de Tschoem en houdt dit brandende, totdat men grafwaarts gaat. Een Schaman wordt geroepen om den doode te vragen, op welk kerkhof hij wil rusten. Zulks geschiedt op deze wijze, dat men de plaats noemt en daarbij het hoofd van het lijk poogt op te beuren. Is de plaats naar den zin dan laat de afgestorvene toe, dat men zijn hoofd opbeurt, zoo niet dan zouden drie mannen zulks niet vermogen. In dit geval wordt de vraag herhaald, en wel zoolang totdat de doode toestemt. Nu zendt men der zake kundige personen naar die plaats om het graf gereed te maken, want zoodanig werk eischt dikwijls vele dagen.
De graven bevinden zich steeds in de toendra, op hooge plaatsen, gewoonlijk op den rug van lange heuvelrijen; zij bestaan uit min of meer kunstig saamgevoegde bakken of laden, die boven op den grond[381]worden geplaatst. Heeft men geen stevige planken, dan zaagt men een boot in stukken en legt daarin het lijk; alleen zeer arme lieden delven een ondiep graf en begraven daarin hunne dooden.
EENE BEGRAFENIS BIJ DE OSTJAKEN.EENE BEGRAFENIS BIJ DE OSTJAKEN.
EENE BEGRAFENIS BIJ DE OSTJAKEN.
Het lijk wordt niet gewasschen, maar in feestgewaad gestoken; het haar wordt gekamd en het aangezicht met een doek bedekt. De overige kleederen worden den armen geschonken. Een vreemde doode wordt niet met de handen aangeraakt, een beminde bloedverwant wel, ja dezen kust men zelfs met tranen in de oogen het aangezicht.[382]
Op eene slede, of in eene boot, onder geleide van alle bloedverwanten en vrienden wordt de doode naar zijn laatste rustplaats vervoerd. Een rendierhuid wordt in den bak of het graf uitgespreid, om hierop den doode te leggen, wien men tabak, pijpen, en allerlei zaken, die hij in ’t leven gebruikte, medegeeft. Daarna schuift men touwen onder het lijk, legt het op het leger, spreidt een tweeden doek over het aangezicht, en sluit den bak met een stuk berkenschors, terwijl over de rijken nog vooraf kostbare huiden en katoenen stoffen worden uitgespreid. Daarna legt men nog over de berkenschors het eigenlijke deksel der kist of althans eenige zware, nauw aaneensluitende boomstammen, en hierop, en om en onder den bak verder al die gereedschappen, voor welke daarbinnen geen ruimte was. Vooraf echter heeft men ze stuk geslagen of op andere wijze onbruikbaar gemaakt, of gelijk de Ostjaken meenen, tot eene schaduw van datgene, wat zij eens waren.
Middelerwijl heeft men in de nabijheid der grafplaats een vuur ontstoken, een of meer rendieren geslacht, welker vleesch nu door de begravers, rauw zoowel als gekookt, gegeten wordt. Na het lijkmaal steekt men de schedels der gedoode rendieren op puntige palen, omwikkelt deze of de nabijstaande boomen met het rendiertuig, hangt de belletjes, die gelijk bij andere feestelijke gelegenheden ook nu gebruikt zijn, aan de bovenste jukken van de lijkkist zelf op, slaat eindelijk de slede stuk, gooit deze in de nabijheid van het graf om en daarmede is de laatste plechtigheid verricht en de laatste versiering aangebracht. Men trekt huiswaarts, de klaagtonen verstommen, het leven eischt wederom zijn dagelijksche rechten.
In de schaduw van den nacht echter begint de schaduw van den afgestorvene, uitgedost met de tot schaduwen geworden werktuigen, haar geheimzinnig schaduwleven. Wat zij gedaan heeft, toen zij nog onder de levenden verkeerde, doet zij nog. Onzichtbaar voor de menschen, weidt deze schaduw haar rendieren, of stuurt hare boot door het water, gespt zich de sneeuwschoenen onder de voeten, spant den boog, stelt het net, doodt de schaduwen van gestorven dieren, vangt de schaduwen van gestorven visschen. In de schaduw van den nacht treedt zij de Tschoem binnen en brengt haar nagelatenen goed en kwaad. Het loon van den doode bestaat hierin, dat hij zijn eigen bloedverwanten weldaden bewijst, zijne straf daarin, dat hij hun kwalen op den hals haalt.[383]
Deze zijn de hoofdwaarheden van het geloof der Ostjaken, een volk, dat door de rechtgeloovige Christenen als heidenen wordt beschouwd en veracht. Eene billijke waardeering van een eerlijk menschenhart met een kinderlijk gemoed zou evenwel den wensch bij ons doen opkomen: och mochten zij altijd heidenen, altijd blijven, wat zij nu zijn![384]