XIV.

[Inhoud]XIV.DE NOMADEN EN KUDDEN DER STEPPE.Hoe rijk de Middel-Aziatische steppe ook zijn moge, hoe afwisselend zij vooral zich voordoet aan hem, die haar in het voorjaar bezoekt, hoeveel vruchtbare landen zij ook moge insluiten,—zetelvastheid, wonen en hangen op een en dezelfde plaats veroorlooft zij slechts op enkele, meer dan elders begunstigde gedeelten. Trekken en reizen, komen en gaan, verschijnen en verdwijnen verlangt zij van al hare kinderen, van den mensch zoowel als van de dieren, die in haar wonen en leven. Sommige gedeelten moge de landman zich ondergeschikt maken, op enkele plaatsen moge men steden en dorpen grondvesten, het grootste gedeelte der steppe zal wel altijd verblijven aan den rondzwervenden herder, die geleerd heeft zich te plooien naar alle omstandigheden.Onder de Nomaden der steppe bekleeden de Kirgiezen de eerste plaats, zoowel wat hun aantal als hunne volkseigenaardigheden betreft. Hun gebied strekt zich uit van de Don en Wolga tot aan het Thian-Schangebergte en van den middelloop der Irtysch tot de zuidelijke streken van het Balkaschmeer, ja bijkans tot Chiwa en Boechara; dit volk is verdeeld in horden en stammen, in steppenherders en bergherders, maar deze allen zijn één in afstamming, taal, geloof, zeden en gebruiken, niettegenstaande het verschil, dat de afzonderlijke stammen schijnt te kenmerken. In de Orenburger steppe weidt en zwerft de kleinste of jongste horde, in de steppen tusschen de Wolga en de rivier de Oeral, dus in de gouvernementen Toergai en Oeral, een daarvan afgescheiden tak, die zich de Boekaische horde noemt; in de steppen en gebergten van het gebied van de Irtysch en het Balkaschmeer huist en trekt de middelste of oudere horde, aan gene zijde van de Illi eindelijk, tot in de nabijheid van Boechara en Chiwa moet men de wisselende woonsteden der Berg-Kirgiezen zoeken, die zich de groote of[385]oudste horde noemt. Kirgies noemt zich overigens geen enkele tak van het geheele volk; die naam is een scheldnaam, die zooveel als „roover” beteekent; de eigenlijke naam dier volken isKaisakofKasak, wij zouden zeggen „Kozak”, ofschoon zelfs de Russen onder Kozakken tegenwoordig geheel andere menschen begrijpen dan onze steppenbewoners.De Kirgiezen, gelijk ik ze wil blijven noemen, behooren tot een der Turksche stammen, eene volkerengroep, over wier plaats in de rij der menschenrassen men verschillend oordeelt. Vele, zoo niet de meeste reizigers, verklaren de Kirgiezen voor echte Mongolen, terwijl anderen, en zeker met meer recht, hen beschouwen als van gemengd ras te zijn, dat wel is waar in sommige opzichten aan de Mongolen herinnert, maar over ’t geheel meer overeenkomst bezit met de Indogermanen en nog de meeste gelijkenis vertoont met de Turkomenen. De Kirgiezen, die ik gezien heb, allen behoorende tot de middelste horde, zijn middelmatig groot van gestalte, soms vrij klein, goed gevormd, met wel is waar niet schoone gelaatstrekken, maar toch ook niet met het karakteristieke, Mongoolsche apengezicht; zij hebben fraaie handen en voeten, eene lichte, of doorschijnend lichtbruine, naar ’t geel trekkende huidkleur, bruine oogen en zwarte haren. De jukbeenderen zijn zelden zoo vooruitstekend, de kin is zelden zoo smal, dat het aangezicht hoekig wordt of een katachtig uiterlijk verkrijgt. Het middelmatig groote oog is gewoonlijk in het midden het meest gewelfd en aan den buiten ooghoek horizontaal uitgerekt, dus wel amandelvormig, maar niet schuins gespleten; de neus is recht, zelden gebogen, de mond van middelmatige grootte en meestal scherp besneden, de baard dun, maar niet zwak. Echt Mongoolsche gezichten worden voorzeker ook aangetroffen, en zulks voornamelijk bij de vrouwen en de kinderen van arme lieden; maar, evenmin als ik veel werkelijk schoone Kirgiesische vrouwen heb aangetroffen, zag ik er zulke apentronies als onder de echte Mongolen. In elk geval, de stempel van een gemengden stam is scherper op de Kirgiezen afgedrukt dan die van een scherp bepaald, zelfstandig ras. Ik heb mannen gezien, die men zonder voorbehoud tot de Indo-Germanen zou hebben gerekend, indien men niets naders omtrent hen wist, en ik heb daarentegen weer anderen ontmoet, aan wie ik met geen mogelijkheid iets Mongoolsch kon ontdekken. De leden van oude geslachten zijn doorgaans personen, die alle wezenlijke kenmerken der Indo-Germanen bezitten, die van lagere her- en afkomst herinneren[386]min of meer, soms geheel aan Mongolen. De macht van den Islam, die aan den tot de heilsleer bekeerden slaaf de rechten van den stam toekent, zal in den loop der tijden uit vele heidensche Mongolen Kirgiezen hebben gemaakt, en op het raskenmerk der laatsten grooten invloed uitgeoefend.Ofschoon in hoofdtrekken Turksch, is de kleeding der Kirgiezen toch niet zeer geschikt om hun lichaamsbouw voordeelig te doen uitkomen. In den winter vooral verbergen pelsmutsen, pelsjassen en hooge laarzen alle afzonderlijke lichaamsdeelen, en zelfs in den zomer is dit nog min of meer het geval. De arme Kirgies draagt behalve zijn pelsjas en de onontbeerlijke pelsmuts alleen nog maar een hemd, een kaftan en wijde broek; de rijke daarentegen, evenals de Oosterling, een aantal kleedingstukken over elkander; beiden evenwel steken alle, het benedenlichaam omhullende gewaden, den pelsmantel alleen uitgezonderd, in wijde broekspijpen, ten einde in ’t rijden niet belemmerd te worden, maar juist daarom ziet een Kirgies er dan ook des te bespottelijker uit, naarmate hij voornamer en dus rijker gekleed is. Donkere kleuren zijn meer gezocht dan lichte, ofschoon men deze daarom nog niet geheel versmaadt; is men in een bont gewaad gestoken, dan overlaadt men dit met borduursels en tressen. Alle Kirgiezen dragen in den gordel een sierlijk, met ijzer- of zilverwerk afgezet taschje en een insgelijks prachtig mes; behalve den onmisbaren zegelring echter verder geen andere versierselen, tenzij een door den keizer geschonken gedenkpenning.Over de kleeding der vrouwen kan ik weinig mededeelen, vooreerst omdat de bescheidenheid mij verbood naar meer te vragen dan uiterlijk zichtbaar was, en in de tweede plaats, omdat ik de vrouwen der rijke en voorname Kirgiezen in ’t geheel niet, anderen slechts in feestgewaad te zien kreeg. Behalve een pelsmantel, laarzen en schoenen, geheel gelijk aan die der mannen, dragen de vrouwen broeken, die al mede weinig afwijken van hetzelfde kleedingstuk der mannen, verder een hemd en daarover als bovenkleed een soort van kiel, die tot beneden de knie reikt en om den middel dichtgeknoopt wordt; op het hoofd, òf een tulbandsgewijs gewonden doek, òf eene nonnenkap, die over het hoofd, den hals, de schouders en de borst afhangt.De kleederen der mannen zoowel als die der vrouwen, worden, de sierlijke rijlaarzen en schoenen alleen uitgezonderd, vrij lomp bewerkt; in goede harmonie met de eischen des klimaats zijn de onmatig lange,[387]ver over de handen vallende en deze bijna geheel bedekkende mouwen van het oppergewaad bij beide seksen.Het trekkende leven der Kirgiezen, die onophoudelijk nieuwe weiden moeten opzoeken voor hunne talrijke, veel eischende kudden, maakt eene behuizing noodzakelijk, die gemakkelijk op de eene plaats kan worden afgebroken om even spoedig op eene andere te worden opgericht, en die bovendien voldoende beschutting verleent tegen de ruwheden des klimaats. Aan zoodanige vereischten beantwoordt de Joerte beter dan eenige andere nomadenwoning, en het is niet te veel gezegd, wanneer wij beweren, dat de Joerte de volmaaktste tent is die er bestaat. De ervaring van duizenden jaren heeft ze gemaakt tot hetgeen zij nu is; eene in hare soort onverbeterlijke woning voor den rondzwervenden herder, voor een reizend mensch in ’t algemeen. Licht van gewicht en gemakkelijk uit elkaar te nemen, waterdicht en warm, af te sluiten tegen den storm en tegen tocht, voor elken zonnestraal toegankelijk, behagelijk en geschikt, eenvoudig en toch zich leenende tot in- en uitwendige versiering, vereenigt de Joerte zooveel heerlijke eigenschappen in zich, dat men haar te meer leert waardeeren, naarmate men langer in haar vertoeft. Zij is samengesteld uit een uit elkaar te nemen en weder in elkaar te zetten, voor verwijding vatbaar traliewerk, waaruit de benedenste loodrecht oprijzende, cylindervormige wand bestaat, en een koepelring, die het bovengewelf vormt; uit daartusschen geplaatste sparren en eene in het eerste gedeelte aangebrachte deur, luchtige matten van Tschigras, groote doelmatig gesneden en op zeer zinrijke wijze aangebrachte vilten platen, die met de matten de buitenbekleeding uitmaken, terwijl de bodem belegd wordt met vilten tapijten. Zij wordt, met uitzondering alleen van de ineengelaschte deurpaneelen en de aan het boveneind in gaten van den koepelring gestoken sparren, enkel bijeengehouden door touwen en strikken; zulks maakt, dat de tent in een aantal stukken kan worden uiteengenomen, terwijl de cirkelvormige dwars-doorsnede en de koepelvormige lengte-doorsnede haar in staat stellen den hevigsten storm het hoofd te bieden. In weinig meer dan een half uur heeft men haar opgebouwd, in nog minder tijd breekt men haar af, en niet meer dan één kameel wordt er vereischt om haar te vervoeren. Het bouwen evenwel en versieren eischt veel tijd, tevens veel bekwaamheid van de zijde der huisvrouw, aan wie grootendeels de taak der vervaardiging is opgedragen, en tevens uitsluitend het werk der oprichting is toevertrouwd.[388]De Joerte vormt een belangrijk gedeelte van de bewegelijke bezitting van den Kirgies. Rijke lieden hebben er van zes tot acht, maar zij besteden liever meer geld voor de versiering eener enkele tent dan voor den bouw van vele Joerten, omdat de te betalen belasting wordt berekend naar ’t aantal hunner Joerten en niet naar de sterkte van hun veestapel. De voorname man pronkt wel is waar ook met zijne Joerte, die hij zoo rijk mogelijk inricht, uit het kostbaarste vilt bouwt, en uit- en inwendig met allerlei sieraden uit bonte stoffen laat behangen, maar meer prijs nog stelt hij op kostbare tapijten, en zijden, kunstig genaaide en gestikte dekens, waarmede hij op feesttijden het inwendige van zijne woning opsiert. Zulke tapijten gaan door erfenis over van den vader op den zoon en worden op evenveel prijs gesteld als metallisch zilver.Toch beoordeelt men het fortuin onzer trekkende herders niet naar deze bijkomende zaken, maar eenig en alleen naar hunne kudden. Ook de armste Joertenbaas moet, om in ’t algemeen den strijd om het bestaan te kunnen voeren, eene talrijke kudde bezitten; het vee, dat hij weidt, is zijn levensvoorwaarde, alleen zijn huisdieren beschermen hem tegen de ellende. De kudden der rijkeren tellen bij duizenden en nog eens duizenden individuen, de armen bezitten er slechts honderden. Maar ook de rijkste man kan arm worden, wanneer besmettelijke ziekten in zijne kudde uitbreken, en de arme kan verhongeren, wanneer gelijk lot dezen treft. Zulke ziekten kunnen zoodanigen omvang erlangen, dat de welvaart van geheele stammen vernietigd wordt, dat duizenden menschen een prooi worden van den hongerdood. Geen wonder dus, dat alle gedachten en handelingen der Kirgiezen betrekking hebben op het vee, dat zijn zeden en gewoonten daarmede in harmonie zijn, m.a.w. de mensch is afhankelijk van zijn vee.Niet het nuttigste, maar wel het edelste en meest gewaardeerde huisdier der Kirgiezen is bij hen het paard.Dit dier stelt in de oogen zijns bezitters het inbegrip voor van alle schoonheid en is de maatstaf, naar welken gerekend, rijkdom en armoede bepaald worden. Het paard is het dier bij uitnemendheid, en in plaats van het woord paard te gebruiken, spreekt de Kirgies alleen van „huisdier.” In plaats van links en rechts bezigt hij de uitdrukking „de zijde, waar men op het paard stijgt” en „de zijde, waar men den knoet draagt.” Het paard is de trots des jongelings en van de jonge dochter, van den man en den grijsaard, van de vrouw en het oude[389]moedertje; men prijst of smaalt den ruiter zelf, wanneer men zijn paard prijst of smaalt: de slag, dien men een paard geeft, dat men zelf niet berijdt, geldt niet het paard, maar zijn eigenaar.Een groot gedeelte van de liederen en gezangen der Kirgiezen heeft betrekking op het paard; zij vergelijken bij dit dier den mensch; diens waardij, diens schoonheid bij het paard:„Bruid, o Bruid, gij lief bruidje,Gij veulen der donkere merrie”zoo roept de dichter de bruid toe, wanneer zij naar de Joerte des bruidegoms wordt geleid:„Zegt, waar is het spel der witte vlokken,Het spel van het schaken der veulens?Al is de schoonvader mij zeer genegen,Zooals mijn vader is, zoo is niet hij.”Zoo antwoordt de bruid den jongelingen, die haar het „Dschar-Dschar” het troostlied der „scheidende maagd” toezingen met de woorden „spel van het schaken der veulens” den tijd harer eerste liefde gedenkend.In paardenkoppen wordt de rijkdom der voornamen uitgedrukt; in paardenprijs berekent en betaalt men den bruidsschat; op honderd merries bepaalt men de waarde eener maagd, die het loon zal zijn van een wedren. Men geeft elkander paarden ten geschenke; met paarden betaalt men moord en doodslag, gebroken ledematen of een uitgeslagen oog, misdrijf en misdaad; honderd paarden lossen den moordenaar van een man, vijftig dien eener vrouw, dertig dien van een kind. In paarden betaalt men de boeten, die opgelegd worden wegens beschadiging aan lijf en bezitting van den stamgenoot, om een paard verlaagt zich zelfs de aanzienlijke tot een dief. Het paard draagt den minnaar naar zijne geliefde, den held naar het gevecht, het zadel en de kleeren van een gestorvene van de eene legerplaats naar de andere; het paard draagt den man en de vrouw, den grijsaard en het in den zadel vastgebonden kind, of den jeugdigen ruiter, die voor het eerst vrij in het zadel zit, van de eene Joerte naar de andere. Naar den prijs der paarden meet de eigenaar de waarde zijner kudde; zonder paard is de Kirgies, wat bij ons een man zonder dak is, zonder paard veracht hij zich zelf als de armste onder de zon.De Kirgies heeft den levensaard en de levenswijze van het paard tot in[390]de kleinste bijzonderheden uitgevorscht; hij kent de zeden en gewoonten van dit dier, diens deugden en gebreken, weet wat goed voor hem is en wat hen schaadt, eischt er nu en dan het ongelooflijke van, maar nimmer buiten noodzaak, behandelt het wel is waar niet met de teederheid van een Arabier, maar ook nooit met de ongevoeligheid van andere volken. Van eene oordeelkundige fokkerij van dit edele dier, gelijk deze bij de Arabieren en Perzen, ook bij sommige Europeesche volken, zooals o.a. de Engelschen, gedreven wordt, is bij de Kirgiezen geen sprake; toch zorgen ook zij voortdurend voor eene veredeling der bij hen gezochte rassen, want steeds worden de beste hengsten voor de merries behouden en de andere gecastreerd. Te betreuren is het, dat hij ten aanzien der hengsten enkel let op de gedaante, niet op de kleur, zoodat men een groot aantal leelijk geteekende nakomelingen verkrijgt. De africhting laat ook veel te wenschen over; onze herder toch is veel te rijk aan paarden om daarop bijzonder te letten.Ook in onze oogen is het paard der Kirgiezen een lief, aanvallig schepsel, ofschoon het geenszins in alle opzichten aan onze begrippen van schoonheid beantwoordt. Het is niet meer dan middelmatig groot, slank gebouwd. De kop is wel niet onfraai, maar toch wat te groot, sterk ramsneuzig en door de uitstekende onderkaakstakken tamelijk dik. De hals is van middelmatige lengte en krachtig, de romp lang, de pooten zijn dun, het haar is zacht. Het heeft groote, vurige oogen, eer groote dan kleine, maar goed gevormde ooren. Manen en staart zijn fijn- en langharig, daarbij vrij dicht, de staartharen zelfs zoo weelderig ontwikkeld, dat zij langs den grond slepen; de pooten zijn goed gebouwd, wellicht iets te schraal, de hoeven meestal steil, en ook wat te hoog. Lichte kleuren ziet men het veelvuldigst, terwijl vele soms zeer leelijke vlekken het oog beleedigen.Het meest ziet men bruine, lichtbruine, vossen, vale en Izabel, zelden donkerbruine of moorpaarden, nog minder vaak schimmels. Manen en staart staan alle licht gekleurde paarden daarom zoo bijzonder goed, omdat deze lichaamsdeelen òf zwart òf veel lichter van tint zijn dan het haar op de overige deelen des lichaams.Het karakter van dit dier is allen lof waard. Het is vurig en toch zachtzinnig, moedig tegenover alle gevaren, waarmeê het vertrouwd is, en alleen dan angstig en schuw, wanneer iets ongewoons het voor een oogenblik in verwarring brengt; het is eerzuchtig en vol levenslust,[391]maar even volgzaam als gehoorzaam, gewillig, werklievend en taai; toch is het hoofdzakelijk rijdier en eerst na langdurige oefening is het ook als trekdier te gebruiken, maar uitstekend als zoodanig wordt het nooit. Onaangenaam trof mij de slechte gewoonte van dit paard, die echter meer te wijten is aan zijn meesters dan aan het dier zelf, van altijd onderweg te willen eten, althans te snuffelen en te snoepen, zelfs in de moeilijkste omstandigheden, zooals bij het doorwaden van steenachtige, sterk stroomende bergbeekjes, en bij het bestijgen van steile rotsen. Licht te bevredigen is het evenmin als elk ander aan eene vrije weide gewoon steppendier; in den omgang met zijns gelijken, zoolang de almachtige liefde niet in het spel komt, even verdraagzaam als tegenover zijn meester gehoorzaam en onderdanig.Arme Kirgiezen bezitten slechts zooveel paarden als voor de rijbehoeften der familieleden en voor den aanfok noodig zijn; rijke en voorname steppenbewoners daarentegen vier-, vijf-, ja, zooals men mij van verschillende kanten verzekerde, zelfs van tien- tot twaalfduizend, die in afzonderlijke troepen en op afzonderlijke plaatsen weiden, en, wat zeer natuurlijk is, beter gedijen dan die der armen. Elke troep bestaat uit ten minste vijftien, ten hoogste uit honderd koppen, in ’t laatste geval uit een volwassen hengst, negen moedermerries, even zooveel jonge veulens, acht tweejarige, zes tot acht driejarige en vijf tot zes vierjarige veulens, benevens eenige oudere dieren of „wallachen.” De hengst is onbepaald alleenheerscher en gebieder, aanvoerder, leider en beschermer van den troep; hij laat zich door den wolf geen veulen ontrooven, maar valt den laffen roover moedig aan en velt dien, als hij zich wil verdedigen met de voorpooten ter aarde; hij duldt geen medeminnaars en verdrijft daarom onverbiddelijk alle manbaar wordende hengsten uit zijn troep; hij verjaagt bovendien, zoodra hij de heerschappij heeft aanvaard, zijn eigen moeder en later zijn eigen dochters. Die trotsche overmoed noopt den herder tot de grootste waakzaamheid, vooral als debronsttijdaanbreekt, en hij de verdreven, naar andere sultans zoekende merries en de weggejaagde, naar eigen zelfstandigheid strevende hengsten niet wil verliezen. Niet voor het vijfde jaar neemt de jonge merrie den hengst aan; in het volgende voorjaar, gewoonlijk in Maart, brengt zij haar eerste veulen ter wereld. Ook nu scheidt men haar nog niet van den troep, maar brengt haar, liefst niet voor Mei, met haar veulen in de nabijheid der Joerte, om haar nu vier maanden aaneen te melken, om uit de opbrengst den beroemden[392]koemys of melkwijn te winnen. In den herfst voert men moeder en kind naar den troep terug. Beiden worden gewillig opgenomen en genieten de teruggeschonken vrijheid met volle teugen.Het nuttigste en daarom ook belangrijkste huisdier onzer Nomaden is het schaap, een zeer groot, goed gebouwd, alleen door den vetbult op den achterrug soms zeer ontsierd schepsel. Het stevige lichaam rust op hooge, krachtige pooten; de kop is klein, de neus smal en op die eens rams gelijkend, de ooren zijn hangend of recht overeindstaand, de hoorns zwak, het vel is hard, maar dicht, de uier is sterk ontwikkeld, de vetstaart dikwijls in die mate, dat het dier dit lichaamsdeel niet meer vermag te dragen, maar met ingezakte achterpooten op den grond na zich zou moeten slepen, indien de herder den armen lastdrager niet te hulp kwam, door onder den staart een klein tweewielig wagentje aan te brengen en daarin dit werktuig te leggen. Bij kruising van Kirgiesische rammen met vetstaartlooze schapen verkrijgen de nakomelingen in het tweede of derde geslacht dit vreemdsoortig aanhangsel weêr terug, terwijl omgekeerd bij de kruising van rammen zonder vetstaart met vetstaartige schapen genoemd lichaamsdeel verdwijnt.Al moge het schaap der Kirgiezen in alle hoofdtrekken met het onze overeenkomen, toch kan men niet loochenen, dat het vrije steppenleven, de groote tochten, die te volbrengen zijn, en de bezwaren, die daarbij overwonnen moeten worden, de lichamelijke en geestelijke vermogens ongemeen sterk hebben doen ontwikkelen, zoodat het steppenschaap in dezen boven het huisschaap van West-Europa staat. Toch is ook in de steppe de verstandige geit de aanvoerdster en leidster van het meer geestelooze schaap, en daarom is het meer dan tijd, dat ik thans haar gedenk.De geit der Kirgiezen is van middelmatige grootte, zwaar van lijf, goed geproportionneerd, krachtig, kort van hals, klein van kop, met evenredig gevormde pooten, groote, levendige oogen, sprekende trekken, spitse, rechtopstaande ooren en betrekkelijk zwakke horens; het is welig behaard, vooral wat baard en staart betreft, draagt lang kroeshaar op het voorhoofd, en is meest zuiver wit van kleur, hier en daar met zwarte spikkels.Schapen en geiten worden door de Kirgiezen geheel op gelijke wijze behandeld, en steeds in dezelfde kudden bijeengehouden. De arme Kirgiezen van een Aul vereenigen hun dieren in ééne kudde, de rijken,[393]wier veestapel uit duizenden individuen bestaat, houden er omgekeerd meer dan ééne kudde op na. De schaapherder, in den regel een volwassen knaap, rijdt op een os om zijne kudde heen; hij weet dat rijpaard op zulk eene voortreffelijke wijze te besturen en in den draf te zetten, dat hij zelfs de vlugste geit inhaalt. Toen wij eens, van een jachtuitstapje terugkeerende, zulk een schaapherder ontmoetten, rende deze louter voor zijn genoegen ruim een kwartier lang naast onze, in gestrekten draf door de steppe ijlende paarden, zonder dat zijn vreemdsoortig rijdier van eenige vermoeienis blijk gaf. Alleen de schaapherders der Tartaarsche kuddehouders rijden op paarden. Bij gevaarlijke overgangen over sterk stroomende bergbeken of in het gebergte zelf, nemen de geiten de leiding der kudde op zich, en hier, gelijk overal elders, volgen de schapen blindelings.Daar men slechts op de meest gunstige plaatsen hooi oogst en in hooibergen zet, zorgt men er voor, dat de schapen en geiten in den herfst geen jongen werpen; de geboorte der lammeren en sikjes valt steeds in het voorjaar, het gunstigste jaargetijde voor het voordeelig groeien en bloeien van het jongvee. De jonggeboren lammeren en geitjes worden in de eerste dagen huns levens in de Joerte opgenomen en zijn weldra in deze zoo te huis, dat zij de tent onder weegeklag verlaten, wanneer bijzondere omstandigheden zulks noodzakelijk maken. Later komen zij in den naast de winterwoning opgerichten stal, in de vrije steppe niets dan een in den grond gegraven kuil, over welken de koude wind zonder uitwerking heenstrijkt, en eindelijk aan de lijn, „Keugeum” genoemd, die voor elke Joerte tusschen sterke, in den bodem gedreven palen wordt uitgespannen. Zoodra zij beginnen te grazen, drijft men de dieren in afzonderlijke kudden in de vrije steppe, om ze des avonds naar de Joerte terug te brengen. Zoo worden de dieren van hunne jeugd af gewend aan het vrije steppenleven, gehard tegen weêr en wind, storm en regen.In vergelijking met de paarden, schapen en geiten speelt het rund eene vrij ondergeschikte rol. Wel is waar ziet men in de nabijheid van elke Joerte ook eene kudde dezer dieren, maar hun aantal staat in geen verhouding tot die der anderen. Het rund is grooter en beter van vorm dan dat der Russische en Siberische boeren, maar moet voor dat der Chineezen onderdoen en kan zich in de verste verte niet meten met de goede rassen van West-Europa. Het is middelmatig groot en vleezig, het vel is kort- en gladharig, de horens zijn lang[394]en naar buiten gericht, de kleur is gemeenlijk fraai donker roodbruin.Men weidt het dier in vrij talrijke kudden, maar laat het zonder toezicht zijn voedsel zoeken, terwijl men de melkkoeien tot zich lokt door de bij de Joerte vastgebonden of gehoed wordende kalveren; de ossen daarentegen komen dikwijls gedurende vele dagen niet in de Aul terug.Wel elke groote Aul, maar volstrekt niet elke Kirgies bezit kameelen, en zelfs de rijkste onder hen zelden meer dan vijftig stuks. Want het kameel geldt en met reden voor het zwakste aller huisdieren der trekherders in genoemde steppen; zijn eigenlijk vaderland ligt oostelijker en zuidelijker. In de door ons bereisde steppen fokt men alleen het tweebultige kameel, in de zuidelijk van het Balkaschmeer gelegen steppen, evenals in Midden-Azië daarentegen den dromedaris; men kruist ook dit laatste wel met den eersten, waaruit bastaarden geboren worden, wier beide bulten bijna tot een zijn versmolten. Het kameel der midden-steppen behoort tot een der lichtere rassen, en is dan ook lang niet zoo zwaar gebouwd als die exemplaren, welke wij in onze diergaarden te zien krijgen, wel even dicht behaard. Het verdraagt intusschen de winterkoude veel minder goed dan de andere huisdieren der Kirgiezen; het verlangt om neêr te knielen of om te rusten een vilten deken, waarop het zich nederlegt, maar vat ook nu nog dikwijls koû, zoodat het niet zelden bezwijkt. Wanneer het verhaart moet men het met vilten dekens omkleeden, in den zomer tegen de steken van muggen en bremsen beschermen, zoo men geen gevaar wil loopen, het dier te verliezen; in ’t kort, het is een voorwerp van gestadige zorg en dus niet geschikt voor den armen man, wien elk verlies dubbel treft. Evenals de dromedaris is het in zijn voedsel matig en weinig eischend; evenals gene in denbronsttijdgevaarlijk, zelfs voor zijn meester, wien hij overigens veel aanhankelijkheid betoont; het kameel onderscheidt zich echter de overige tijden des jaars zeer gunstig van den dromedaris, door zijn gewilligheid en zachtzinnigheid. Mij, die jarenlang met dromedarissen heb omgegaan, vielen deze voortreffelijke eigenschappen zeer in ’t oog; ik werd er schier door in de war gebracht, zoodat ik meende met een ander dier te doen te hebben.Het kameel laat zich gewillig opvangen; wel is waar niet geheel zonder morren, maar toch zonder dat afschuwelijke, zenuwontstellende gebrul te laten hooren, dat den dromedaris kenmerkt, knielt het neêr, wanneer het belast moet worden, en zelfs in den draf draagt het zonder[395]klagen niet te zware lasten, dertig tot veertig kilometer elken dag afleggende. Wanneer de last afzakt staat het dier uit eigen beweging stil. Onder den man kan het van vijftig tot zestig kilometer elken dag afleggen; met vierhonderd kilogram beladen, waardoor het tot langzame, maar wijde passen genoodzaakt wordt, legt het nog de helft van dien weg af. Het graast altijd in de nabijheid der Joerten, gemeenschappelijk met alle soortgenooten van den Aul en geldt in de oogen der Kirgiezen bijna voor een heilig dier.KIRGIEZEN MET DROMEDARISSEN.KIRGIEZEN MET DROMEDARISSEN.De hond eindelijk, het minst geachte huisdier der Kirgiezen, is gewoonlijk een groot, maar geenszins altijd fraai dier, hoe bepaald gunstig hij zich ook overigens moge onderscheiden van de leelijke keffers, die men elders in Siberië en Turkestan te zien krijgt. De kop is lang[396]maar plomp, de ledematen gelijken meer op die van een windhond dan van een herdershond, het haar is lang en wollig, de staart sterk behaard, de kleur zeer uiteenloopend.Uiterst waakzaam en moedig, opgewassen tegen den wolf, een zich zelf bewust, oplettend beschermer van het zwakke vee, den vreemdeling wantrouwende, een trouw slaaf van zijn meester, voor den volwassene een ongezellige zonderling, voor het kind een aardige speelkameraad, vereenigt deze hond vele deugden van zijn geslacht in zich en ontbreekt om die reden in geen enkele Joerte, althans in geen enkele Aul.Het geheele leven der Kirgiezen draait om de kudden, van welke men het meest mogelijke voordeel tracht te trekken en die daarom zorgvuldige oppassing en bewaking behoeven. De vrouwen zorgen voor het eerste, de mannen voor het laatste. Met uitzondering der beenderen, die achteloos worden weggeworpen, gebruikt men alle mogelijke deelen van deze dieren, evenals men ook alle soort van vee melkt en zulks zoolang het maar mogelijk is.De hoeveelheid plantenvoedsel, die een Kirgies gebruikt, beteekent zoo goed als niets, vergeleken met zijn dierlijk voedsel; uit melk en vleesch bestaan onder alle omstandigheden zijn spijzen; plantaardige zelfstandigheden zijn slechts toevoegselen tot de eerste. Brood, in den eigenlijken zin des woords eet hij bijna geheel niet, en zelfs de kleine klompjes meeldeeg, die men tot het gebak zou kunnen rekenen, worden in vet gekookt en niet gebakken. Ook meel en rijst, het laatste alleen in de Joerten der rijken een meer dagelijksch gerecht, dienen alleen slechts om in het eeuwige eenerlei van melk- en vleeschspijs wat afwisseling te brengen. Geen wonder alzoo, dat de Kirgies bedreigd wordt door den hongerdood; en dat deze hem vaak maar al te dikwijls werkelijk bezoekt, wanneer eene algemeene veeziekte in de binnensteppe uitbreekt.Rijke Kirgiezen houden de melk der schapen en geiten afgezonderd van die der koeien, merries en kameelen; arme lieden vermengen alle soorten van melk in hetzelfde vat en verkrijgen dus ook alleen de voortbrengselen der schapenmelk uit de uiers hunner nuttige dieren, terwijl eerstgenoemden zich nog hoogere genietingen kunnen verschaffen. Uit de melk van geiten en schapen, die men in denzelfden emmer opvangt en in denzelfden lederen zak verzamelt, bereidt men niet alleen verschillende gerechten, die zonder of met[397]bijvoeging van meel worden gereedgemaakt en terstond genuttigd, maar daarenboven boter, en kleine, zandige, zuur of bitter, voor een Europeesch gehemelte walgelijk smakende kaasjes, verder den ook voor ons lekkeren, gelen „quark,” die evenals de kazen tot wintervoorraad dient, en in water opgelost, in den vorm van soep wordt opgedischt; uit de koemelk bereidt men hoofdzakelijk zure melk, zelden „quark,” kaas en boter; uit merrie- en kameelenmelk eindelijk koemys, den dikwijls beschreven, door vierdaagsche gisting onder voortdurend omschudden en kloppen verkregen melkwijn, de hooggeschatte en werkelijk goed smakende feestdrank van alle welgestelde Kirgiezen, die zich daaraan dikwijls dronken drinken.In den zomer voedt ook de rijkste Kirgies zich bijna uitsluitend met melkspijs, want in dezen tijd slacht hij slechts bij feestelijke gelegenheden en gewichtige gebeurtenissen een zijner dieren. Met het begin van den winter daarentegen vallen schapen en geiten, paarden en runderen, ja zelfs kameelen onder het slachtmes. Als het lekkerste beschouwt men paardenvleesch, vooral dat der merries; het minst geacht is rundvleesch. Schapenvleesch neemt den tweeden rang in, kameelenvleesch houdt men voor bijzonder krachtig inwerkend op den geest, geitenvleesch is een bewijs van armoede, en den gast voorgezet, een teeken van minachting. Het beste stuk paardenvleesch is dat van het kruis, terwijl van schapenvleesch de borst de meeste waarde heeft; het buikvet van jonge paarden gaat door voor eene bijzondere lekkernij; daarom wordt het gezouten, in darmen gestopt, gerookt en bij gastmalen opgedischt nevens koemys.Behalve datgene, wat tot voedsel kan dienen, benut de Kirgies nog daarenboven bijna alles, wat zijn fokbeesten opleveren. Uit de wol der schapen vervaardigt hij het voor hem onmisbare vilt; het kameelenhaar wordt gesponnen en uit het garen worden geweven stoffen bereid; in het donsachtig onderhaar legt de moeder haar pasgeboren kind. Het lange geitenhaar dient voor franjes aan de tapijten en lakens, voor kwasten en strikken, het korte wolhaar wordt gesponnen om er linten voor de Joerte uit te weven, uit de maan- en staartharen der paarden eindelijk vlecht men leidsels en touwen voor de Joerte. Uit de schapenvellen breit men de gewone winterpelzen, uit die van geiten en geitebokjes pronkpelzen, de in vlokken afgedeelde wol is een uitnemend opvulsel voor sommige kleedingstukken, terwijl uit de huid van alle dieren leder wordt bereid. Voor het te vele of niet gewaardeerde[398]schapen- en rundervet, voor de verkochte schapen, runderen en paarden ruilt de Kirgies allerlei zaken op de wereldmarkt in; uit de opbrengst van het verkochte vee betaalt hij zijn belastingen, koopt hij zich ongemunt zilver om hiermede te pronken, het ijzer, dat hij bewerkt, de tapijten, kleederen en zijden stoffen, waarmede hij zich zelf en zijne Joerte tooit. Het vee is en blijft de eenige bron van voedsel, tevens de eenige bron, waaruit alle andere gaven opwellen; het beetje land, dat hij nu en dan beploegt, bezaait, bevloeit en oogst, beteekent, in vergelijking met zijne kudde, niets.Niet de vrije wil, maar de noodzakelijkheid, de behoeften der kudden bepalen de woonplaats en de levenswijze der Kirgiezen, en dwingt hen heden hierheen, morgen daarheen te trekken, op deze plaats te verwijlen, van gene te scheiden. Dientengevolge is het trekken der Kirgiezen niet een doelloos heen en weêr zwerven door de wijde steppe, maar een overdachte plaatsverandering, die zich regelt naar het jaargetijde en naar den aard van het te weiden vee. Een doelloos omdwalen verbiedt de steppe zoowel in den zomer als in den winter, in den herfst zoowel als in het voorjaar; zulks zou de kudde in den winter aan de vreeselijkste stormen blootstellen, in den zomer doen versmachten, in het voorjaar haar wellicht in overvloed doen zwelgen, maar reeds in den herfst meer gebrek doen lijden dan wenschelijk is. Daarom begint de Kirgies zijne wandeling van de laagvlakte uit, klimt langzaam naar de hoogte op, zelfs tot in de hooggebergten, en daalt dan weder langzaam naar de laagte terug. De verschillende kudden hebben echter verschillende behoeften; schapen en geiten houden van harde, geurige kruiden, gelijk de zoutsteppe voortbrengt, de paarden beminnen het meest het vrije kruid der gebergten, vooral dat, hetwelk tusschen de steenen en rotsen groeit, terwijl de runderen het liefst op een mollig grastapijt grazen; de kameelen vinden behalve in de harde planten der zoutsteppe nog in doornen en distelen een welkom voedsel. Rijke lieden, die evenveel verschillende kudden kunnen vormen als zij verschillende dieren houden, laten dan ook deze allen afzonderlijk trekken en weiden, en alleen de armen reizen met hunne geheele kudde van plaats tot plaats. Eindelijk hebben ook de menschen invloed op elkander. Geen grenssteenen, maar wel eeuwenheugende rechten en verdragen regelen zelfs in de steppe het eigendomsrecht en de grenzen; elke stam, elke afdeeling van een stam, elke gemeente, ja zelfs iedere Aul maakt aanspraak op de reeds door de voorouders[399]in gebruik genomen weiden en duldt daarop geen vreemde kudde, geen vreemden herder, en strijdt voor dat recht met de wapenen in de hand, tegen iederen indringer, zelfs tegen de broeders van denzelfden stam. Zoo wordt het begrijpelijk, dat de trekherder zijn eigen, dikwijls zeer nauw omschreven wegen bewandelt. Die wegen kunnen elkander kruisen, maar zij zijn nimmer dezelfde, want ieder heeft eerbied voor de rechten van anderen, of wordt door zijn stamgenooten tot zoodanigen eerbied gedwongen.Een vaste woonplaats eerst krijgt de Kirgies in het graf; toch heeft hij een tehuis. In uitgestrekten zin is dit het gebied, dat hij bereist, meestal de laagte en het dal van een riviertje of beekje, in engeren zin het winterleger, van waar hij uittrekt en werwaarts hij steeds terugkeert. In de nabijheid van dit winterkwartier rusten, zoo niet alle, de meesten zijner dooden. Derwaarts zendt de regeering haar gezanten om de belastingen te innen of opnieuw te schatten; hier brengt hij wel is waar niet den schoonsten, maar wel den grootsten tijd zijns levens door; hier lijdt en doorstaat de over ’t algemeen vroolijke en onbezorgde Kirgies zijn zwaarste en ernstigste zorgen.De winterwoning kan verschillend zijn, maar het winterleger moet aan bepaalde eischen voldoen. Deze zijn: het dal, in hetwelk het leger zal opgeslagen worden, moet zooveel mogelijk beschut zijn tegen de koude en de zoo verderfelijke noorden- en oostenwinden; men moet de Joerten aan de zonzijde kunnen opslaan en zonder bezwaar vaste woonhuizen kunnen bouwen; het water mag nooit kunnen ontbreken, en weiden moeten in de nabijheid liggen. Deze voorwaarden worden het best vervuld door een door den stroom diep in de omgeving ingesneden rivierdal, waar in de zomermaanden het gras niet verdort, zoodat het gelegenheid aanbiedt te gepaster tijde hooi te winnen, terwijl er toch nog wintervoeder overblijft; zooveel mogelijk moet men in de wilgen- en populierenboschjes langs de rivieroevers een voorraadschuur van brandstof kunnen vinden, om de gedroogde mest te vervangen. Daarom kiest men slechts dan ook nog andere plaatsen uit, wanneer men ook nog andere in den zomer om watergebrek gemeden streken, b.v. eene zoutsteppe, zich wenscht dienstbaar te maken, zoodra de sneeuw, die nu den grond bedekt, het water vervangen kan.Is de winterwoning een vaststaand gebouw, dan bestaat deze uit een werkelijk ellendige, dompige, vochtige, donkere hut, die zoo licht[400]is gebouwd, dat men reeds vooruit op de sneeuw moet rekenen, om de muren en het dak te dichten en tegen het weder te beschermen.KIRGIEZEN, MET HUNNE KUDDEN DOOR HET GEBERGTE TREKKENDE.KIRGIEZEN, MET HUNNE KUDDEN DOOR HET GEBERGTE TREKKENDE.Die muren bestaan slechts bij uitzondering uit op elkander gestapelde boomstammen; meestal worden zij opgebouwd uit ruwe steenen, en nog vaker uit gevlochten wilgen teenen, of aaneengeschaarde rietbundels. Dak en bedekking bestaan altijd uit riet. Daarnaast vindt men een eveneens gebouwden stal voor het jongvee, en op eenigen afstand bevindt zich de omheining voor de oude dieren.Met het begin van den winter betrekt de Kirgies deze woning, zoo hij niet, gelijk regel is, ook thans nog de voorkeur geeft aan de veel aangenamer Joerte. Voor de verwarming heeft hij reeds in het verloopen voorjaar gezorgd; toen heeft hij, of beter gezegd zijne vrouw, die in ’t algemeen belast is met alle onaangename en zware werkzaamheden, de mest met wat stroo vermengd en daaruit vierkante koeken gevormd, deze in de zon gedroogd en op hoopen gestapeld. Al het gras van den omtrek is gespaard gebleven om in de naaste omgeving der Joerte of van het huis voldoend voedsel voor het vee te hebben; het hooi werd op afgelegen plaatsen geoogst en herwaarts gebracht. Is de winter „goed” d.w.z. valt er niet veel sneeuw, dan vindt het vee ook nu nog voedsel genoeg; is de winter streng, dan verijdelt hij dikwijls alle voorzorgen van den herder en eischt meer levens dan de lente schonk. Daarom heerscht er in een goeden winter vroolijkheid in de donkere hut, terwijl in een strengen winter, die de kudden tot geraamten doet vermageren, verdriet en zorg zich woning maken in de vriendelijke Joerte; en daarom heerscht er in blokhuis en Joerte òf welvaart òf treurig gebrek in het gevreesde getijde des jaars.Eerst tegen het einde van April, in vele jaren niet vóór het einde van Mei, verlaat de herder met het laatste gedeelte zijner kudden het winterkwartier en vangt de reis aan. De paarden, die hun eigen hoeders hebben, zijn reeds weggetrokken om het kleinvee niet te hinderen. De jonge, dartele veulens, die voor weinige weken, tegelijk met de sikjes geboren werden, zouden geen overlast veroorzaken, maar wel de jonge hengsten en merries, die in dit voorjaar geslachtsrijp worden. Delaatstgenoemdenspringen in dartelen overmoed om de gansche kudde, ofschoon zij de intusschen rustig voortgrazende en nu en dan hen naziende moedermerries niet verlaten; de manbare jonge paarden daarentegen veroorzaken voortdurende onrust en eischen eene verdubbelde[401]opmerkzaamheid van den kant der insgelijks verdubbelde herders. Op dit oogenblik vechten de jonge hengsten met den ouden, deftigen en heerschzuchtigen aanvoerder van den troep; straks dringen de jonge merries, telgen van zijn eigen bloed, zich tegen den vader en noodzaken dezen, haar door bijten te verdrijven; dan weder tracht hier of ginds een jong paard te ontvluchten en stormt met tegen den wind gerichten kop en wijd geopende neusgaten de steppe in. Oogenblikkelijk echter werpt zich de herder te paard en rent in vollen galop den vluchteling na, evenals deze over steg en heg, langs berg en dal vliegende. In zijne rechterhand houdt hij den langen herdersstok, met den daaraan bevestigden lasso; hij komt de vluchtende jonge merrie al nader en nader, reeds zweeft de gevreesde strik boven haar hoofd; daar zwenkt zij plotseling zijdelings af, werpt tergend de achterpooten hoog in de lucht, om dan als de stormwind zoo snel weêr verder te rennen; verder en verder voert de wilde jacht, totdat eindelijk de herder er in slaagt, de voortvluchtige in te halen en, aan den strik gebonden, langzaam naar de kudde terug te brengen. Hoe bekoorlijk dit schouwspel voor den niet belanghebbenden toeschouwer, misschien ook voor den paardenhoeder zelf moge zijn, voor het rustige, kalme trekken van het kleinvee zou zulks nadeelige gevolgen kunnen hebben, en daarom zendt men de paarden vooruit. De schapen en geiten zouden bovendien niet in staat zijn even snel te reizen als de paarden; zij zijn vooreerst door den boozen winter verzwakt, en in de tweede plaats zijn de lammeren en jonge geitjes nog niet sterk genoeg om snel te reizen. Splitsing der kudden is dus gebiedend noodzakelijk.De Kirgies, die de schapen hoedt, legt aanvankelijk elken dag maar een kleinen weg af „een schaapsweg”, en toeft overal, waar gras genoeg is, zoolang het vee gretig vreet. Op zulk een tocht opent de op zijn os gezeten en tegen alle weêr en wind geharde schapendrijver den stoet. De schapen loopen vrij snel voort; nu eens dringen zij opeen, dan weer loopen zij uit elkander, telkens in den marsch stil houdende om van eene bijzonder lekkere plant te genieten, altijd vretende, ten minste altijd snoepende; de herder, gezeten op zijn almede altijd doorgrazend rijbeest, vergezelt hen. De lammeren en jonge geitjes volgen de ouden, maar op zulk een afstand, dat zij de ouden niet kunnen zien of hooren. De rammen trekken, indien er nog ouden over zijn of nieuwe worden aangefokt, langs andere wegen voort. Zijn alle dieren vertrokken, dan breken de vrouwen de Joerte af, beladen daarmede,[402]alsook met het weinig huisraad de kameelen of trekossen, stijgen met de kinderen te paard, rijden langzaam het melkvee na, halen dit tegen den middag reeds in, melken, en trekken met de verzamelde, in lederen zakken bewaarde melk verder, om vóór zonsondergang de Joerte weêr op te bouwen. Zoo gaat het dag in dag uit. Brengt het voorjaar nieuw groen, dan verwijlt men eerst eenige dagen, daarna vele weken achtereen op dezelfde plaats, tot ook hier het gras begint te ontbreken, en verder trekken noodzakelijk maakt.Doet het meer en meer gevorderde voorjaar ook de nog in hunne pophulsels sluimerende insecten ontwaken, vullen ontelbare zwermen muggen, vliegen, bremsen en andere kwelgeesten de lucht, dan wendt men zich zoo mogelijk naar het gebergte en klimt dit tot de hoogste weiden, dicht beneden de sneeuwgrens op. Daar de herder geen honden heeft, viel het hem reeds daar beneden moeilijk de kudde bijeen te houden; in het gebergte heeft het nog meer bezwaren den „schaapsweg” af te leggen, en kan hij ter overwinning van zekere moeilijkheden niet buiten de hulp van andere, te paard rijdende mannen. Zoolang men zich op een vast pad bewoog, kon de tocht nog voortgezet worden, onverschillig of de weg zich langs bebloemde weiden slingert, of over hellingen en steilten voert. De geiten, die de schapen zijn vooruitgesneld, wagen zich onverschrokken en onderzoekend aan den rand van een afgrond, waarvoor dezen verschrikt terugdeinzen, loopen daarna langs een doelmatiger weg vooruit, getrouw gevolgd door de schapen. Maar wanneer men eens in plaats van een murmelend beekje een breed en woest schuimend water ontmoet, dat den weg verspert, maar evenwel overgetrokken moet worden, dan wordt het iets anders. Het vooral den schapen zoo bepaald vijandige element ziende, blijven ook de geiten, die zich anders in allerlei omstandigheden weten te schikken, onthutst staan; de schapen deinzen angstig terug en klimmen op de naburige rotsen als wilden ze daar eene schuilplaats zoeken. De herder rijdt tevergeefs door den bruisenden stroom; van den overkant teruggekeerd, drijft hij te vergeefs de onwillige kudde naar den rivierkant. Met een luid geblaat geven de schapen hun angst te kennen, en bedenkelijk blaten ook de geiten, totdat het geduld van den herder is uitgeput. Een oogenblik zweeft de noodlottige strik boven het hoofd van een der schapen; het volgende oogenblik voelt het zich dien om den hals gesnoerd; de ruiter trekt het dier naar zich toe, en weer een oogenblik later is het in den vloed geslingerd. Nu moet het met alle[403]kracht arbeiden. Met rukken zwemmende, meer springende dan roeiende, werkt het zich van het eene rotsblok naar het andere, wordt, nog vóór het den grond raakt, door het draaiende water gegrepen en voortgesleurd; het trapt, spartelt, springt, zwemt opnieuw, wordt nog eens en nog eens door het water medegesleurd, en bereikt eindelijk, meer uitgeput door den doorgestanen angst dan door de inspanning, den anderen oever. In alle leden sidderende, verzekert het zich of het werkelijk vasten grond onder de voeten heeft, schudt de natte vacht, blikt met schuwen blik nog eenmaal achterwaarts—en begint thans gulzig te vreten om zich zooveel mogelijk schadeloos te stellen voor den geleden angst. Middelerwijl zwemmen de overige leden der kudde, de een na den ander, ’t zij vrijwillig, ’t zij gedwongen, de wilde beek over, tot het geheele gezelschap den anderen oever heeft bereikt, zich verzameld heeft, en de reis weder kan worden voortgezet. Op deze wijze klimt de trekherder het gebergte in. Begint het daarboven koud te worden, vermaant wellicht een sneeuwbui reeds aan den komenden winter, dan wandelen herder en kudde weder naar omlaag, nu zooveel doenlijk de beschaduwde kloven opzoekende, tot weder de laagvlakte is bereikt en men in de nabijheid van hetwinterkwartieris gekomen.Alle huisdieren der Kirgiezen raken spoedig vertrouwd met de verschillende streken, waar men hen laat weiden, hoe ook de plaatselijke gesteldheid moge zijn; allen kennen reeds na een paar malen grazend te hebben rondgeloopen, zulke plekken, en zoeken die zelfs zonder behulp van den herder met zekerheid op; ook komen zij vanzelf naar de Joerte loopen om zich hier te laten melken. Als lokmiddel bezigt men echter de kunstgreep, dat men reeds van Mei af aan de zoogende moeders haar jongen laat zien, en deze in de nabijheid van de Aul laat weiden, zoodat men het verlangen naar haar kind in het moederhart opwekt. Op deze wijze wordt het melken op vaste tijden mogelijk en kan de meesteres der Joerte hiernaar haar tijd indeelen en haar bezigheden regelen.KIRGIEZEN-AUL.KIRGIEZEN-AUL.Met uitzondering alleen van de merries, die door mannen worden gemolken, voor welke bezigheid ten minste twee, zoo niet zelden drie personen vereischt worden, is het melken aan de vrouwen opgedragen. In den vroegen morgen heeft men de kalveren, lammeren en jonge geitjes, onder streng toezicht, een weinig laten zuigen, dan van de moeders gescheiden, en oud en jong naar de weide gedreven. Tegen den middag brengt men alleen de moeders naar de Joerte, en zoo ook[404]des avonds, om ze te melken. Met behulp der honden, die nu in dienst treden, houdt men de geheele kudde op de kleinst mogelijke ruimte bijeen en vangt dan den arbeid aan. De vrouwen en dienstmaagden eener Joerte of de buurvrouwen van een Aul verschijnen met hare melkvaten, grijpen met vaste hand een schaap, een tweede en een derde, slepen ze naar de lijn, leggen ze een uit de lijn zelf gevormden strik om den hals en dwingen zoo de dieren in twee rijen, met de koppen naar binnen, met de uiers naar buiten gericht te blijven[405]staan. In weinig minuten heeft men dertig tot veertig schapen en geiten naast elkander, een zoogenoemde „keugeun.” Op hetzelfde oogenblik dat de dieren den strik voelen, blijven ze staan, zich van vroeger herinnerende welke gevolgen het tegenspartelen heeft; rustig laten zij thans alles toe. De vrouwen, tegenover elkander gehurkt, beginnen thans gelijktijdig aan denzelfden kant met den arbeid; zijn er zeer veel schapen dan ook wel aan de beide kanten der dubbele rij tegelijk. Zij vatten de korte tepels met duim en wijsvinger en tappen de melk met snelle op- en neêrgaande bewegingen af. Stroomt de bron niet overvloedig genoeg, dan geven zij met de linkervuist een klap tegen den uier, even gelijk zuigende jongen ook plegen te doen, en eerst wanneer dit middel niet meer baat, gaan zij over tot een tweede beest. De mannen der Joerte of Aul, die misschien bij het opvangen en vastmaken van het kleinvee de behulpzame hand hebben geboden, zitten onder het melkbedrijf, in allerlei, ons onmogelijke, ja bijna ondenkbare houdingen bij elkander en vieren vrijen teugel aan hunne „roode tong.”Een der kleinste jongens aanvaardt misschien wel op een of ander schaap zijn eersten proefrit, zoo hij er al niet de voorkeur aan geeft op de schouders zijner opvoedster te gaan rijden. De laatste laat zich door zulke heldendaden van haar spruit even zoo weinig van de wijs brengen als andere kleine ongevallen zulks vermogen. Of zij op drogen grond of over de weeke schapenmest wandelt, of de laatste onder het melken in het uit populierenhout vervaardigde melkvat valt, dit alles deert haar niet, want die melkkuip is toch al even vuil als hare melkende handen, en schapenmest is wel in onze stompzinnige oogen een onrein iets, maar niet in die van den korangeloovigen Kirgies. Het laatste individu is eindelijk gemolken, en de dieren, die ondertusschen uit puur tijdverdrijf zich met herkauwen hebben beziggehouden, kunnen nu weder losgelaten worden; één snelle ruk aan het eene eind des touws, en alle strikken zijn los, alle schapen en geiten vrij.De herkregen vrijheid wordt begroet met een algemeen geblaat; de dieren schudden zich een en ander maal en zelfs de herinnering aan de korte slavernij is vervlogen. Nu loopen allen, zoo snel zij kunnen, de vlakte in, zoo ver mogelijk uit het gezicht der Joerte, in het gebergte schielijk de bergen op, alsof slechts daar de lucht der vrijheid woei. Eigenlijk beoogen zij zoo spoedig mogelijk bij hunne jongen te komen. Den ganschen dag hebben zij deze gemist; nu—zij weten[406]het bij ervaring—moeten de lieve spruiten verschijnen. Al blatende loopen de schapen in ’t rond, verlangend mekkerend kijken zelfs de schrandere geiten om zich heen, als om te onderzoeken of de te verwachten schare reeds komt opdagen, of in de verte zichtbaar wordt. Luider wordt het geblaat, want elke nieuw verloste rij brengt beweging in alle om de Aul verzamelde schapen en geiten, maar ook het met elke minuut toenemende ongeduld der moeders geeft aanleiding tot een vernieuwd klagend, steunend blaten. Hoe langer het duurt, des te onrustiger worden de trouwe moeders. Doelloos dwalen zij rond, heen en weder, beruiken elk halmpje, elk grasje, plukken echter geen enkel af, heffen de koppen nu eens vol verwachting vroolijk omhoog, om ze een oogenblik daarna weder ontmoedigd en treurig naar beneden te laten zinken; dan blaten zij weder, blaten nogmaals. De onrust wordt zinneloosheid, het geblaat verandert in een gebrul.Daar laten zich in de verte hooge en zwakke tonen hooren. Deze ontgaan het opmerkzaam oor der moeders niet. Een uit alle kelen gelijktijdig voortgebracht geblaat en gemekker is het antwoord; het gansche gewicht van het door ’t lange wachten zoo hoog gestemd moederlijk verlangen baant zich door één enkelen kreet een uitweg. En uit de verte, van af de bergen, in de richting der Joerten stormen de naar hunne moeders verlangende lammeren en sikjes, de grootsten en sterksten in de voorhoede, de jongsten en zwaksten achteraan, allen echter zoo snel zij kunnen, vroolijk springende, door het opgeworpen stof half onzichtbaar, in eene schare, die steeds grooter wordt naarmate zij dichterbij komt. Een oogenschijnlijk niet te ontwarren gewemel treft de oogen; ouden en jongen, eindelijk vereenigd, rennen doelloos dooreen, terwijl zij in ’t voorbijloopen elkander vluchtig aanraken, als om zich door een nieuw zintuig te vergewissen of zij, die bij elkander behooren, werkelijk elkander hebben gevonden; weder loopen zij in verwarring dooreen, als dit niet het geval is; de lammeren en jonge geitjes snellen gewoonlijk vooruit, daar zij door een trap op de pooten, hun door het moederdier toegebracht, er aan herinnerd werden, dat zij zich vergist hebben. Van lieverlede ontwart zich de kluwen; in minder tijd dan men denken zou, hebben moeder en kind elkander gevonden, en knielt het laatste zuigend onder den buik der moeder, begeerig de nog overgebleven melk uit den uier te halen. En wanneer nu ook het blaten en mekkeren niet ophoudt, dan drukken die klanken thans slechts vreugde uit.[407]Maar slechts kort duurt dit geluk. Elke reeds zoo goed als geledigde uier is ras uitgeput, en in weêrwil van alle stooten en kloppen vloeit de melk niet meer. Maar moeder en kind willen nog langer van de geneugten des samenzijns genieten. De gemengde schaar verspreidt zich naar alle zijden; de gewillige oude klautert het vroolijke jonge dier na, wanneer dit naar den aard zijns geslachts de naastbijgelegen hoogte bestijgt, of schijnt met genoegen gade te slaan, dat een der bokjes in eene plaagzieke bui zijn krachten met een ander meet. Schilderachtig tooit de bonte kudde de omgeving der Joerten; het aanminnigste beeld van een vreedzaam en behagelijk herdersleven ontrolt zich voor het oog van hem, die hart en oogen heeft voor zulk een tooneel.Ook de melksters gunnen zich thans een korte rust, nemen de kinderen op den schoot en vervullen haar moederplichten of voldoen aan moederlijke verlangens; spoedig echter wacht haar nieuwe arbeid. Brommend melden zich de huiswaarts gekeerde koeien aan, om ook harerzijds de moedervreugde deelachtig te worden; ijlings staan de vlijtige vrouwen op, brengen de van te voren aangebonden kalveren bij de koeien, laten deze een weinig zuigen, trekken ze dan van de uiers af, melken deze uit, en schenken nu ook aan de zuiglustige kalveren de volle vrijheid. Ondertusschen hebben de herders en de honden de kudde kleinvee weder bijeengedreven, en oud en jong, mannen en vrouwen, knapen en meisjes vereenigen zich thans om de lammeren op te vangen, en deze aan eene bij de Joerte aangebrachte lijn met behulp van stevige strikken, waarin zij zich evenwel niet kunnen verhangen, voor den nacht vast te binden, opdat de ouden hun de uiers niet zullen kunnen reiken. Zonder blaten en schreeuwen gaat zulks niet in zijn werk en daartusschen mengt zich het schreien en huilen der kinderen, die weder naar moeders schoot verlangen, het loeien der koeien en het blaffen der honden. Alleen de reeds vastgebonden lammeren der schapen en geiten schikken zich gelaten in het onvermijdelijke. Enkele bokjes beproeven nog bij wijze van spiegelgevecht de kracht hunner uitspruitende horens, maar zij worden spoedig vermoeid en leggen zich vredelievend neder naast den zooeven nog bevochten vijand; nog vóór de geheele rij is vastgemaakt, ligt reeds het grootste aantal jongen op de saamgebogen pooten en heeft zich aan de rust overgegeven. Het eene na het andere moederschaap, de eene na de andere moedergeit bezoekt de rij, besnuffelt de jongen tot zij het hare[408]heeft gevonden, maar keert spoedig weder naar de kudde terug, na zich te hebben overtuigd, dat het onmogelijk was zich naast haar kind neder te leggen.De zon is reeds geruimen tijd onder, de schemering wijkt voor het nachtelijk duister. Het wordt elk oogenblik stiller in de Joerten. Mensch en dier heeft de rust gezocht en gevonden; alleen de honden beginnen thans onder opzicht en leiding van een waakherder hun rondgangen en zwerftochten, maar ook zij slaan slechts dan aan, wanneer daartoe werkelijk aanleiding is, wanneer zij een rondsluipenden wolf of een anderen dief hebben weg te jagen. Een koele, maar geurige, vochtige zomernacht daalt op de steppe neder en een verkwikkende slaap in dit rijke en schoone jaargetijde vaagt bij herder en kudde zelfs de herinnering weg aan den boozen winter.[409]

[Inhoud]XIV.DE NOMADEN EN KUDDEN DER STEPPE.Hoe rijk de Middel-Aziatische steppe ook zijn moge, hoe afwisselend zij vooral zich voordoet aan hem, die haar in het voorjaar bezoekt, hoeveel vruchtbare landen zij ook moge insluiten,—zetelvastheid, wonen en hangen op een en dezelfde plaats veroorlooft zij slechts op enkele, meer dan elders begunstigde gedeelten. Trekken en reizen, komen en gaan, verschijnen en verdwijnen verlangt zij van al hare kinderen, van den mensch zoowel als van de dieren, die in haar wonen en leven. Sommige gedeelten moge de landman zich ondergeschikt maken, op enkele plaatsen moge men steden en dorpen grondvesten, het grootste gedeelte der steppe zal wel altijd verblijven aan den rondzwervenden herder, die geleerd heeft zich te plooien naar alle omstandigheden.Onder de Nomaden der steppe bekleeden de Kirgiezen de eerste plaats, zoowel wat hun aantal als hunne volkseigenaardigheden betreft. Hun gebied strekt zich uit van de Don en Wolga tot aan het Thian-Schangebergte en van den middelloop der Irtysch tot de zuidelijke streken van het Balkaschmeer, ja bijkans tot Chiwa en Boechara; dit volk is verdeeld in horden en stammen, in steppenherders en bergherders, maar deze allen zijn één in afstamming, taal, geloof, zeden en gebruiken, niettegenstaande het verschil, dat de afzonderlijke stammen schijnt te kenmerken. In de Orenburger steppe weidt en zwerft de kleinste of jongste horde, in de steppen tusschen de Wolga en de rivier de Oeral, dus in de gouvernementen Toergai en Oeral, een daarvan afgescheiden tak, die zich de Boekaische horde noemt; in de steppen en gebergten van het gebied van de Irtysch en het Balkaschmeer huist en trekt de middelste of oudere horde, aan gene zijde van de Illi eindelijk, tot in de nabijheid van Boechara en Chiwa moet men de wisselende woonsteden der Berg-Kirgiezen zoeken, die zich de groote of[385]oudste horde noemt. Kirgies noemt zich overigens geen enkele tak van het geheele volk; die naam is een scheldnaam, die zooveel als „roover” beteekent; de eigenlijke naam dier volken isKaisakofKasak, wij zouden zeggen „Kozak”, ofschoon zelfs de Russen onder Kozakken tegenwoordig geheel andere menschen begrijpen dan onze steppenbewoners.De Kirgiezen, gelijk ik ze wil blijven noemen, behooren tot een der Turksche stammen, eene volkerengroep, over wier plaats in de rij der menschenrassen men verschillend oordeelt. Vele, zoo niet de meeste reizigers, verklaren de Kirgiezen voor echte Mongolen, terwijl anderen, en zeker met meer recht, hen beschouwen als van gemengd ras te zijn, dat wel is waar in sommige opzichten aan de Mongolen herinnert, maar over ’t geheel meer overeenkomst bezit met de Indogermanen en nog de meeste gelijkenis vertoont met de Turkomenen. De Kirgiezen, die ik gezien heb, allen behoorende tot de middelste horde, zijn middelmatig groot van gestalte, soms vrij klein, goed gevormd, met wel is waar niet schoone gelaatstrekken, maar toch ook niet met het karakteristieke, Mongoolsche apengezicht; zij hebben fraaie handen en voeten, eene lichte, of doorschijnend lichtbruine, naar ’t geel trekkende huidkleur, bruine oogen en zwarte haren. De jukbeenderen zijn zelden zoo vooruitstekend, de kin is zelden zoo smal, dat het aangezicht hoekig wordt of een katachtig uiterlijk verkrijgt. Het middelmatig groote oog is gewoonlijk in het midden het meest gewelfd en aan den buiten ooghoek horizontaal uitgerekt, dus wel amandelvormig, maar niet schuins gespleten; de neus is recht, zelden gebogen, de mond van middelmatige grootte en meestal scherp besneden, de baard dun, maar niet zwak. Echt Mongoolsche gezichten worden voorzeker ook aangetroffen, en zulks voornamelijk bij de vrouwen en de kinderen van arme lieden; maar, evenmin als ik veel werkelijk schoone Kirgiesische vrouwen heb aangetroffen, zag ik er zulke apentronies als onder de echte Mongolen. In elk geval, de stempel van een gemengden stam is scherper op de Kirgiezen afgedrukt dan die van een scherp bepaald, zelfstandig ras. Ik heb mannen gezien, die men zonder voorbehoud tot de Indo-Germanen zou hebben gerekend, indien men niets naders omtrent hen wist, en ik heb daarentegen weer anderen ontmoet, aan wie ik met geen mogelijkheid iets Mongoolsch kon ontdekken. De leden van oude geslachten zijn doorgaans personen, die alle wezenlijke kenmerken der Indo-Germanen bezitten, die van lagere her- en afkomst herinneren[386]min of meer, soms geheel aan Mongolen. De macht van den Islam, die aan den tot de heilsleer bekeerden slaaf de rechten van den stam toekent, zal in den loop der tijden uit vele heidensche Mongolen Kirgiezen hebben gemaakt, en op het raskenmerk der laatsten grooten invloed uitgeoefend.Ofschoon in hoofdtrekken Turksch, is de kleeding der Kirgiezen toch niet zeer geschikt om hun lichaamsbouw voordeelig te doen uitkomen. In den winter vooral verbergen pelsmutsen, pelsjassen en hooge laarzen alle afzonderlijke lichaamsdeelen, en zelfs in den zomer is dit nog min of meer het geval. De arme Kirgies draagt behalve zijn pelsjas en de onontbeerlijke pelsmuts alleen nog maar een hemd, een kaftan en wijde broek; de rijke daarentegen, evenals de Oosterling, een aantal kleedingstukken over elkander; beiden evenwel steken alle, het benedenlichaam omhullende gewaden, den pelsmantel alleen uitgezonderd, in wijde broekspijpen, ten einde in ’t rijden niet belemmerd te worden, maar juist daarom ziet een Kirgies er dan ook des te bespottelijker uit, naarmate hij voornamer en dus rijker gekleed is. Donkere kleuren zijn meer gezocht dan lichte, ofschoon men deze daarom nog niet geheel versmaadt; is men in een bont gewaad gestoken, dan overlaadt men dit met borduursels en tressen. Alle Kirgiezen dragen in den gordel een sierlijk, met ijzer- of zilverwerk afgezet taschje en een insgelijks prachtig mes; behalve den onmisbaren zegelring echter verder geen andere versierselen, tenzij een door den keizer geschonken gedenkpenning.Over de kleeding der vrouwen kan ik weinig mededeelen, vooreerst omdat de bescheidenheid mij verbood naar meer te vragen dan uiterlijk zichtbaar was, en in de tweede plaats, omdat ik de vrouwen der rijke en voorname Kirgiezen in ’t geheel niet, anderen slechts in feestgewaad te zien kreeg. Behalve een pelsmantel, laarzen en schoenen, geheel gelijk aan die der mannen, dragen de vrouwen broeken, die al mede weinig afwijken van hetzelfde kleedingstuk der mannen, verder een hemd en daarover als bovenkleed een soort van kiel, die tot beneden de knie reikt en om den middel dichtgeknoopt wordt; op het hoofd, òf een tulbandsgewijs gewonden doek, òf eene nonnenkap, die over het hoofd, den hals, de schouders en de borst afhangt.De kleederen der mannen zoowel als die der vrouwen, worden, de sierlijke rijlaarzen en schoenen alleen uitgezonderd, vrij lomp bewerkt; in goede harmonie met de eischen des klimaats zijn de onmatig lange,[387]ver over de handen vallende en deze bijna geheel bedekkende mouwen van het oppergewaad bij beide seksen.Het trekkende leven der Kirgiezen, die onophoudelijk nieuwe weiden moeten opzoeken voor hunne talrijke, veel eischende kudden, maakt eene behuizing noodzakelijk, die gemakkelijk op de eene plaats kan worden afgebroken om even spoedig op eene andere te worden opgericht, en die bovendien voldoende beschutting verleent tegen de ruwheden des klimaats. Aan zoodanige vereischten beantwoordt de Joerte beter dan eenige andere nomadenwoning, en het is niet te veel gezegd, wanneer wij beweren, dat de Joerte de volmaaktste tent is die er bestaat. De ervaring van duizenden jaren heeft ze gemaakt tot hetgeen zij nu is; eene in hare soort onverbeterlijke woning voor den rondzwervenden herder, voor een reizend mensch in ’t algemeen. Licht van gewicht en gemakkelijk uit elkaar te nemen, waterdicht en warm, af te sluiten tegen den storm en tegen tocht, voor elken zonnestraal toegankelijk, behagelijk en geschikt, eenvoudig en toch zich leenende tot in- en uitwendige versiering, vereenigt de Joerte zooveel heerlijke eigenschappen in zich, dat men haar te meer leert waardeeren, naarmate men langer in haar vertoeft. Zij is samengesteld uit een uit elkaar te nemen en weder in elkaar te zetten, voor verwijding vatbaar traliewerk, waaruit de benedenste loodrecht oprijzende, cylindervormige wand bestaat, en een koepelring, die het bovengewelf vormt; uit daartusschen geplaatste sparren en eene in het eerste gedeelte aangebrachte deur, luchtige matten van Tschigras, groote doelmatig gesneden en op zeer zinrijke wijze aangebrachte vilten platen, die met de matten de buitenbekleeding uitmaken, terwijl de bodem belegd wordt met vilten tapijten. Zij wordt, met uitzondering alleen van de ineengelaschte deurpaneelen en de aan het boveneind in gaten van den koepelring gestoken sparren, enkel bijeengehouden door touwen en strikken; zulks maakt, dat de tent in een aantal stukken kan worden uiteengenomen, terwijl de cirkelvormige dwars-doorsnede en de koepelvormige lengte-doorsnede haar in staat stellen den hevigsten storm het hoofd te bieden. In weinig meer dan een half uur heeft men haar opgebouwd, in nog minder tijd breekt men haar af, en niet meer dan één kameel wordt er vereischt om haar te vervoeren. Het bouwen evenwel en versieren eischt veel tijd, tevens veel bekwaamheid van de zijde der huisvrouw, aan wie grootendeels de taak der vervaardiging is opgedragen, en tevens uitsluitend het werk der oprichting is toevertrouwd.[388]De Joerte vormt een belangrijk gedeelte van de bewegelijke bezitting van den Kirgies. Rijke lieden hebben er van zes tot acht, maar zij besteden liever meer geld voor de versiering eener enkele tent dan voor den bouw van vele Joerten, omdat de te betalen belasting wordt berekend naar ’t aantal hunner Joerten en niet naar de sterkte van hun veestapel. De voorname man pronkt wel is waar ook met zijne Joerte, die hij zoo rijk mogelijk inricht, uit het kostbaarste vilt bouwt, en uit- en inwendig met allerlei sieraden uit bonte stoffen laat behangen, maar meer prijs nog stelt hij op kostbare tapijten, en zijden, kunstig genaaide en gestikte dekens, waarmede hij op feesttijden het inwendige van zijne woning opsiert. Zulke tapijten gaan door erfenis over van den vader op den zoon en worden op evenveel prijs gesteld als metallisch zilver.Toch beoordeelt men het fortuin onzer trekkende herders niet naar deze bijkomende zaken, maar eenig en alleen naar hunne kudden. Ook de armste Joertenbaas moet, om in ’t algemeen den strijd om het bestaan te kunnen voeren, eene talrijke kudde bezitten; het vee, dat hij weidt, is zijn levensvoorwaarde, alleen zijn huisdieren beschermen hem tegen de ellende. De kudden der rijkeren tellen bij duizenden en nog eens duizenden individuen, de armen bezitten er slechts honderden. Maar ook de rijkste man kan arm worden, wanneer besmettelijke ziekten in zijne kudde uitbreken, en de arme kan verhongeren, wanneer gelijk lot dezen treft. Zulke ziekten kunnen zoodanigen omvang erlangen, dat de welvaart van geheele stammen vernietigd wordt, dat duizenden menschen een prooi worden van den hongerdood. Geen wonder dus, dat alle gedachten en handelingen der Kirgiezen betrekking hebben op het vee, dat zijn zeden en gewoonten daarmede in harmonie zijn, m.a.w. de mensch is afhankelijk van zijn vee.Niet het nuttigste, maar wel het edelste en meest gewaardeerde huisdier der Kirgiezen is bij hen het paard.Dit dier stelt in de oogen zijns bezitters het inbegrip voor van alle schoonheid en is de maatstaf, naar welken gerekend, rijkdom en armoede bepaald worden. Het paard is het dier bij uitnemendheid, en in plaats van het woord paard te gebruiken, spreekt de Kirgies alleen van „huisdier.” In plaats van links en rechts bezigt hij de uitdrukking „de zijde, waar men op het paard stijgt” en „de zijde, waar men den knoet draagt.” Het paard is de trots des jongelings en van de jonge dochter, van den man en den grijsaard, van de vrouw en het oude[389]moedertje; men prijst of smaalt den ruiter zelf, wanneer men zijn paard prijst of smaalt: de slag, dien men een paard geeft, dat men zelf niet berijdt, geldt niet het paard, maar zijn eigenaar.Een groot gedeelte van de liederen en gezangen der Kirgiezen heeft betrekking op het paard; zij vergelijken bij dit dier den mensch; diens waardij, diens schoonheid bij het paard:„Bruid, o Bruid, gij lief bruidje,Gij veulen der donkere merrie”zoo roept de dichter de bruid toe, wanneer zij naar de Joerte des bruidegoms wordt geleid:„Zegt, waar is het spel der witte vlokken,Het spel van het schaken der veulens?Al is de schoonvader mij zeer genegen,Zooals mijn vader is, zoo is niet hij.”Zoo antwoordt de bruid den jongelingen, die haar het „Dschar-Dschar” het troostlied der „scheidende maagd” toezingen met de woorden „spel van het schaken der veulens” den tijd harer eerste liefde gedenkend.In paardenkoppen wordt de rijkdom der voornamen uitgedrukt; in paardenprijs berekent en betaalt men den bruidsschat; op honderd merries bepaalt men de waarde eener maagd, die het loon zal zijn van een wedren. Men geeft elkander paarden ten geschenke; met paarden betaalt men moord en doodslag, gebroken ledematen of een uitgeslagen oog, misdrijf en misdaad; honderd paarden lossen den moordenaar van een man, vijftig dien eener vrouw, dertig dien van een kind. In paarden betaalt men de boeten, die opgelegd worden wegens beschadiging aan lijf en bezitting van den stamgenoot, om een paard verlaagt zich zelfs de aanzienlijke tot een dief. Het paard draagt den minnaar naar zijne geliefde, den held naar het gevecht, het zadel en de kleeren van een gestorvene van de eene legerplaats naar de andere; het paard draagt den man en de vrouw, den grijsaard en het in den zadel vastgebonden kind, of den jeugdigen ruiter, die voor het eerst vrij in het zadel zit, van de eene Joerte naar de andere. Naar den prijs der paarden meet de eigenaar de waarde zijner kudde; zonder paard is de Kirgies, wat bij ons een man zonder dak is, zonder paard veracht hij zich zelf als de armste onder de zon.De Kirgies heeft den levensaard en de levenswijze van het paard tot in[390]de kleinste bijzonderheden uitgevorscht; hij kent de zeden en gewoonten van dit dier, diens deugden en gebreken, weet wat goed voor hem is en wat hen schaadt, eischt er nu en dan het ongelooflijke van, maar nimmer buiten noodzaak, behandelt het wel is waar niet met de teederheid van een Arabier, maar ook nooit met de ongevoeligheid van andere volken. Van eene oordeelkundige fokkerij van dit edele dier, gelijk deze bij de Arabieren en Perzen, ook bij sommige Europeesche volken, zooals o.a. de Engelschen, gedreven wordt, is bij de Kirgiezen geen sprake; toch zorgen ook zij voortdurend voor eene veredeling der bij hen gezochte rassen, want steeds worden de beste hengsten voor de merries behouden en de andere gecastreerd. Te betreuren is het, dat hij ten aanzien der hengsten enkel let op de gedaante, niet op de kleur, zoodat men een groot aantal leelijk geteekende nakomelingen verkrijgt. De africhting laat ook veel te wenschen over; onze herder toch is veel te rijk aan paarden om daarop bijzonder te letten.Ook in onze oogen is het paard der Kirgiezen een lief, aanvallig schepsel, ofschoon het geenszins in alle opzichten aan onze begrippen van schoonheid beantwoordt. Het is niet meer dan middelmatig groot, slank gebouwd. De kop is wel niet onfraai, maar toch wat te groot, sterk ramsneuzig en door de uitstekende onderkaakstakken tamelijk dik. De hals is van middelmatige lengte en krachtig, de romp lang, de pooten zijn dun, het haar is zacht. Het heeft groote, vurige oogen, eer groote dan kleine, maar goed gevormde ooren. Manen en staart zijn fijn- en langharig, daarbij vrij dicht, de staartharen zelfs zoo weelderig ontwikkeld, dat zij langs den grond slepen; de pooten zijn goed gebouwd, wellicht iets te schraal, de hoeven meestal steil, en ook wat te hoog. Lichte kleuren ziet men het veelvuldigst, terwijl vele soms zeer leelijke vlekken het oog beleedigen.Het meest ziet men bruine, lichtbruine, vossen, vale en Izabel, zelden donkerbruine of moorpaarden, nog minder vaak schimmels. Manen en staart staan alle licht gekleurde paarden daarom zoo bijzonder goed, omdat deze lichaamsdeelen òf zwart òf veel lichter van tint zijn dan het haar op de overige deelen des lichaams.Het karakter van dit dier is allen lof waard. Het is vurig en toch zachtzinnig, moedig tegenover alle gevaren, waarmeê het vertrouwd is, en alleen dan angstig en schuw, wanneer iets ongewoons het voor een oogenblik in verwarring brengt; het is eerzuchtig en vol levenslust,[391]maar even volgzaam als gehoorzaam, gewillig, werklievend en taai; toch is het hoofdzakelijk rijdier en eerst na langdurige oefening is het ook als trekdier te gebruiken, maar uitstekend als zoodanig wordt het nooit. Onaangenaam trof mij de slechte gewoonte van dit paard, die echter meer te wijten is aan zijn meesters dan aan het dier zelf, van altijd onderweg te willen eten, althans te snuffelen en te snoepen, zelfs in de moeilijkste omstandigheden, zooals bij het doorwaden van steenachtige, sterk stroomende bergbeekjes, en bij het bestijgen van steile rotsen. Licht te bevredigen is het evenmin als elk ander aan eene vrije weide gewoon steppendier; in den omgang met zijns gelijken, zoolang de almachtige liefde niet in het spel komt, even verdraagzaam als tegenover zijn meester gehoorzaam en onderdanig.Arme Kirgiezen bezitten slechts zooveel paarden als voor de rijbehoeften der familieleden en voor den aanfok noodig zijn; rijke en voorname steppenbewoners daarentegen vier-, vijf-, ja, zooals men mij van verschillende kanten verzekerde, zelfs van tien- tot twaalfduizend, die in afzonderlijke troepen en op afzonderlijke plaatsen weiden, en, wat zeer natuurlijk is, beter gedijen dan die der armen. Elke troep bestaat uit ten minste vijftien, ten hoogste uit honderd koppen, in ’t laatste geval uit een volwassen hengst, negen moedermerries, even zooveel jonge veulens, acht tweejarige, zes tot acht driejarige en vijf tot zes vierjarige veulens, benevens eenige oudere dieren of „wallachen.” De hengst is onbepaald alleenheerscher en gebieder, aanvoerder, leider en beschermer van den troep; hij laat zich door den wolf geen veulen ontrooven, maar valt den laffen roover moedig aan en velt dien, als hij zich wil verdedigen met de voorpooten ter aarde; hij duldt geen medeminnaars en verdrijft daarom onverbiddelijk alle manbaar wordende hengsten uit zijn troep; hij verjaagt bovendien, zoodra hij de heerschappij heeft aanvaard, zijn eigen moeder en later zijn eigen dochters. Die trotsche overmoed noopt den herder tot de grootste waakzaamheid, vooral als debronsttijdaanbreekt, en hij de verdreven, naar andere sultans zoekende merries en de weggejaagde, naar eigen zelfstandigheid strevende hengsten niet wil verliezen. Niet voor het vijfde jaar neemt de jonge merrie den hengst aan; in het volgende voorjaar, gewoonlijk in Maart, brengt zij haar eerste veulen ter wereld. Ook nu scheidt men haar nog niet van den troep, maar brengt haar, liefst niet voor Mei, met haar veulen in de nabijheid der Joerte, om haar nu vier maanden aaneen te melken, om uit de opbrengst den beroemden[392]koemys of melkwijn te winnen. In den herfst voert men moeder en kind naar den troep terug. Beiden worden gewillig opgenomen en genieten de teruggeschonken vrijheid met volle teugen.Het nuttigste en daarom ook belangrijkste huisdier onzer Nomaden is het schaap, een zeer groot, goed gebouwd, alleen door den vetbult op den achterrug soms zeer ontsierd schepsel. Het stevige lichaam rust op hooge, krachtige pooten; de kop is klein, de neus smal en op die eens rams gelijkend, de ooren zijn hangend of recht overeindstaand, de hoorns zwak, het vel is hard, maar dicht, de uier is sterk ontwikkeld, de vetstaart dikwijls in die mate, dat het dier dit lichaamsdeel niet meer vermag te dragen, maar met ingezakte achterpooten op den grond na zich zou moeten slepen, indien de herder den armen lastdrager niet te hulp kwam, door onder den staart een klein tweewielig wagentje aan te brengen en daarin dit werktuig te leggen. Bij kruising van Kirgiesische rammen met vetstaartlooze schapen verkrijgen de nakomelingen in het tweede of derde geslacht dit vreemdsoortig aanhangsel weêr terug, terwijl omgekeerd bij de kruising van rammen zonder vetstaart met vetstaartige schapen genoemd lichaamsdeel verdwijnt.Al moge het schaap der Kirgiezen in alle hoofdtrekken met het onze overeenkomen, toch kan men niet loochenen, dat het vrije steppenleven, de groote tochten, die te volbrengen zijn, en de bezwaren, die daarbij overwonnen moeten worden, de lichamelijke en geestelijke vermogens ongemeen sterk hebben doen ontwikkelen, zoodat het steppenschaap in dezen boven het huisschaap van West-Europa staat. Toch is ook in de steppe de verstandige geit de aanvoerdster en leidster van het meer geestelooze schaap, en daarom is het meer dan tijd, dat ik thans haar gedenk.De geit der Kirgiezen is van middelmatige grootte, zwaar van lijf, goed geproportionneerd, krachtig, kort van hals, klein van kop, met evenredig gevormde pooten, groote, levendige oogen, sprekende trekken, spitse, rechtopstaande ooren en betrekkelijk zwakke horens; het is welig behaard, vooral wat baard en staart betreft, draagt lang kroeshaar op het voorhoofd, en is meest zuiver wit van kleur, hier en daar met zwarte spikkels.Schapen en geiten worden door de Kirgiezen geheel op gelijke wijze behandeld, en steeds in dezelfde kudden bijeengehouden. De arme Kirgiezen van een Aul vereenigen hun dieren in ééne kudde, de rijken,[393]wier veestapel uit duizenden individuen bestaat, houden er omgekeerd meer dan ééne kudde op na. De schaapherder, in den regel een volwassen knaap, rijdt op een os om zijne kudde heen; hij weet dat rijpaard op zulk eene voortreffelijke wijze te besturen en in den draf te zetten, dat hij zelfs de vlugste geit inhaalt. Toen wij eens, van een jachtuitstapje terugkeerende, zulk een schaapherder ontmoetten, rende deze louter voor zijn genoegen ruim een kwartier lang naast onze, in gestrekten draf door de steppe ijlende paarden, zonder dat zijn vreemdsoortig rijdier van eenige vermoeienis blijk gaf. Alleen de schaapherders der Tartaarsche kuddehouders rijden op paarden. Bij gevaarlijke overgangen over sterk stroomende bergbeken of in het gebergte zelf, nemen de geiten de leiding der kudde op zich, en hier, gelijk overal elders, volgen de schapen blindelings.Daar men slechts op de meest gunstige plaatsen hooi oogst en in hooibergen zet, zorgt men er voor, dat de schapen en geiten in den herfst geen jongen werpen; de geboorte der lammeren en sikjes valt steeds in het voorjaar, het gunstigste jaargetijde voor het voordeelig groeien en bloeien van het jongvee. De jonggeboren lammeren en geitjes worden in de eerste dagen huns levens in de Joerte opgenomen en zijn weldra in deze zoo te huis, dat zij de tent onder weegeklag verlaten, wanneer bijzondere omstandigheden zulks noodzakelijk maken. Later komen zij in den naast de winterwoning opgerichten stal, in de vrije steppe niets dan een in den grond gegraven kuil, over welken de koude wind zonder uitwerking heenstrijkt, en eindelijk aan de lijn, „Keugeum” genoemd, die voor elke Joerte tusschen sterke, in den bodem gedreven palen wordt uitgespannen. Zoodra zij beginnen te grazen, drijft men de dieren in afzonderlijke kudden in de vrije steppe, om ze des avonds naar de Joerte terug te brengen. Zoo worden de dieren van hunne jeugd af gewend aan het vrije steppenleven, gehard tegen weêr en wind, storm en regen.In vergelijking met de paarden, schapen en geiten speelt het rund eene vrij ondergeschikte rol. Wel is waar ziet men in de nabijheid van elke Joerte ook eene kudde dezer dieren, maar hun aantal staat in geen verhouding tot die der anderen. Het rund is grooter en beter van vorm dan dat der Russische en Siberische boeren, maar moet voor dat der Chineezen onderdoen en kan zich in de verste verte niet meten met de goede rassen van West-Europa. Het is middelmatig groot en vleezig, het vel is kort- en gladharig, de horens zijn lang[394]en naar buiten gericht, de kleur is gemeenlijk fraai donker roodbruin.Men weidt het dier in vrij talrijke kudden, maar laat het zonder toezicht zijn voedsel zoeken, terwijl men de melkkoeien tot zich lokt door de bij de Joerte vastgebonden of gehoed wordende kalveren; de ossen daarentegen komen dikwijls gedurende vele dagen niet in de Aul terug.Wel elke groote Aul, maar volstrekt niet elke Kirgies bezit kameelen, en zelfs de rijkste onder hen zelden meer dan vijftig stuks. Want het kameel geldt en met reden voor het zwakste aller huisdieren der trekherders in genoemde steppen; zijn eigenlijk vaderland ligt oostelijker en zuidelijker. In de door ons bereisde steppen fokt men alleen het tweebultige kameel, in de zuidelijk van het Balkaschmeer gelegen steppen, evenals in Midden-Azië daarentegen den dromedaris; men kruist ook dit laatste wel met den eersten, waaruit bastaarden geboren worden, wier beide bulten bijna tot een zijn versmolten. Het kameel der midden-steppen behoort tot een der lichtere rassen, en is dan ook lang niet zoo zwaar gebouwd als die exemplaren, welke wij in onze diergaarden te zien krijgen, wel even dicht behaard. Het verdraagt intusschen de winterkoude veel minder goed dan de andere huisdieren der Kirgiezen; het verlangt om neêr te knielen of om te rusten een vilten deken, waarop het zich nederlegt, maar vat ook nu nog dikwijls koû, zoodat het niet zelden bezwijkt. Wanneer het verhaart moet men het met vilten dekens omkleeden, in den zomer tegen de steken van muggen en bremsen beschermen, zoo men geen gevaar wil loopen, het dier te verliezen; in ’t kort, het is een voorwerp van gestadige zorg en dus niet geschikt voor den armen man, wien elk verlies dubbel treft. Evenals de dromedaris is het in zijn voedsel matig en weinig eischend; evenals gene in denbronsttijdgevaarlijk, zelfs voor zijn meester, wien hij overigens veel aanhankelijkheid betoont; het kameel onderscheidt zich echter de overige tijden des jaars zeer gunstig van den dromedaris, door zijn gewilligheid en zachtzinnigheid. Mij, die jarenlang met dromedarissen heb omgegaan, vielen deze voortreffelijke eigenschappen zeer in ’t oog; ik werd er schier door in de war gebracht, zoodat ik meende met een ander dier te doen te hebben.Het kameel laat zich gewillig opvangen; wel is waar niet geheel zonder morren, maar toch zonder dat afschuwelijke, zenuwontstellende gebrul te laten hooren, dat den dromedaris kenmerkt, knielt het neêr, wanneer het belast moet worden, en zelfs in den draf draagt het zonder[395]klagen niet te zware lasten, dertig tot veertig kilometer elken dag afleggende. Wanneer de last afzakt staat het dier uit eigen beweging stil. Onder den man kan het van vijftig tot zestig kilometer elken dag afleggen; met vierhonderd kilogram beladen, waardoor het tot langzame, maar wijde passen genoodzaakt wordt, legt het nog de helft van dien weg af. Het graast altijd in de nabijheid der Joerten, gemeenschappelijk met alle soortgenooten van den Aul en geldt in de oogen der Kirgiezen bijna voor een heilig dier.KIRGIEZEN MET DROMEDARISSEN.KIRGIEZEN MET DROMEDARISSEN.De hond eindelijk, het minst geachte huisdier der Kirgiezen, is gewoonlijk een groot, maar geenszins altijd fraai dier, hoe bepaald gunstig hij zich ook overigens moge onderscheiden van de leelijke keffers, die men elders in Siberië en Turkestan te zien krijgt. De kop is lang[396]maar plomp, de ledematen gelijken meer op die van een windhond dan van een herdershond, het haar is lang en wollig, de staart sterk behaard, de kleur zeer uiteenloopend.Uiterst waakzaam en moedig, opgewassen tegen den wolf, een zich zelf bewust, oplettend beschermer van het zwakke vee, den vreemdeling wantrouwende, een trouw slaaf van zijn meester, voor den volwassene een ongezellige zonderling, voor het kind een aardige speelkameraad, vereenigt deze hond vele deugden van zijn geslacht in zich en ontbreekt om die reden in geen enkele Joerte, althans in geen enkele Aul.Het geheele leven der Kirgiezen draait om de kudden, van welke men het meest mogelijke voordeel tracht te trekken en die daarom zorgvuldige oppassing en bewaking behoeven. De vrouwen zorgen voor het eerste, de mannen voor het laatste. Met uitzondering der beenderen, die achteloos worden weggeworpen, gebruikt men alle mogelijke deelen van deze dieren, evenals men ook alle soort van vee melkt en zulks zoolang het maar mogelijk is.De hoeveelheid plantenvoedsel, die een Kirgies gebruikt, beteekent zoo goed als niets, vergeleken met zijn dierlijk voedsel; uit melk en vleesch bestaan onder alle omstandigheden zijn spijzen; plantaardige zelfstandigheden zijn slechts toevoegselen tot de eerste. Brood, in den eigenlijken zin des woords eet hij bijna geheel niet, en zelfs de kleine klompjes meeldeeg, die men tot het gebak zou kunnen rekenen, worden in vet gekookt en niet gebakken. Ook meel en rijst, het laatste alleen in de Joerten der rijken een meer dagelijksch gerecht, dienen alleen slechts om in het eeuwige eenerlei van melk- en vleeschspijs wat afwisseling te brengen. Geen wonder alzoo, dat de Kirgies bedreigd wordt door den hongerdood; en dat deze hem vaak maar al te dikwijls werkelijk bezoekt, wanneer eene algemeene veeziekte in de binnensteppe uitbreekt.Rijke Kirgiezen houden de melk der schapen en geiten afgezonderd van die der koeien, merries en kameelen; arme lieden vermengen alle soorten van melk in hetzelfde vat en verkrijgen dus ook alleen de voortbrengselen der schapenmelk uit de uiers hunner nuttige dieren, terwijl eerstgenoemden zich nog hoogere genietingen kunnen verschaffen. Uit de melk van geiten en schapen, die men in denzelfden emmer opvangt en in denzelfden lederen zak verzamelt, bereidt men niet alleen verschillende gerechten, die zonder of met[397]bijvoeging van meel worden gereedgemaakt en terstond genuttigd, maar daarenboven boter, en kleine, zandige, zuur of bitter, voor een Europeesch gehemelte walgelijk smakende kaasjes, verder den ook voor ons lekkeren, gelen „quark,” die evenals de kazen tot wintervoorraad dient, en in water opgelost, in den vorm van soep wordt opgedischt; uit de koemelk bereidt men hoofdzakelijk zure melk, zelden „quark,” kaas en boter; uit merrie- en kameelenmelk eindelijk koemys, den dikwijls beschreven, door vierdaagsche gisting onder voortdurend omschudden en kloppen verkregen melkwijn, de hooggeschatte en werkelijk goed smakende feestdrank van alle welgestelde Kirgiezen, die zich daaraan dikwijls dronken drinken.In den zomer voedt ook de rijkste Kirgies zich bijna uitsluitend met melkspijs, want in dezen tijd slacht hij slechts bij feestelijke gelegenheden en gewichtige gebeurtenissen een zijner dieren. Met het begin van den winter daarentegen vallen schapen en geiten, paarden en runderen, ja zelfs kameelen onder het slachtmes. Als het lekkerste beschouwt men paardenvleesch, vooral dat der merries; het minst geacht is rundvleesch. Schapenvleesch neemt den tweeden rang in, kameelenvleesch houdt men voor bijzonder krachtig inwerkend op den geest, geitenvleesch is een bewijs van armoede, en den gast voorgezet, een teeken van minachting. Het beste stuk paardenvleesch is dat van het kruis, terwijl van schapenvleesch de borst de meeste waarde heeft; het buikvet van jonge paarden gaat door voor eene bijzondere lekkernij; daarom wordt het gezouten, in darmen gestopt, gerookt en bij gastmalen opgedischt nevens koemys.Behalve datgene, wat tot voedsel kan dienen, benut de Kirgies nog daarenboven bijna alles, wat zijn fokbeesten opleveren. Uit de wol der schapen vervaardigt hij het voor hem onmisbare vilt; het kameelenhaar wordt gesponnen en uit het garen worden geweven stoffen bereid; in het donsachtig onderhaar legt de moeder haar pasgeboren kind. Het lange geitenhaar dient voor franjes aan de tapijten en lakens, voor kwasten en strikken, het korte wolhaar wordt gesponnen om er linten voor de Joerte uit te weven, uit de maan- en staartharen der paarden eindelijk vlecht men leidsels en touwen voor de Joerte. Uit de schapenvellen breit men de gewone winterpelzen, uit die van geiten en geitebokjes pronkpelzen, de in vlokken afgedeelde wol is een uitnemend opvulsel voor sommige kleedingstukken, terwijl uit de huid van alle dieren leder wordt bereid. Voor het te vele of niet gewaardeerde[398]schapen- en rundervet, voor de verkochte schapen, runderen en paarden ruilt de Kirgies allerlei zaken op de wereldmarkt in; uit de opbrengst van het verkochte vee betaalt hij zijn belastingen, koopt hij zich ongemunt zilver om hiermede te pronken, het ijzer, dat hij bewerkt, de tapijten, kleederen en zijden stoffen, waarmede hij zich zelf en zijne Joerte tooit. Het vee is en blijft de eenige bron van voedsel, tevens de eenige bron, waaruit alle andere gaven opwellen; het beetje land, dat hij nu en dan beploegt, bezaait, bevloeit en oogst, beteekent, in vergelijking met zijne kudde, niets.Niet de vrije wil, maar de noodzakelijkheid, de behoeften der kudden bepalen de woonplaats en de levenswijze der Kirgiezen, en dwingt hen heden hierheen, morgen daarheen te trekken, op deze plaats te verwijlen, van gene te scheiden. Dientengevolge is het trekken der Kirgiezen niet een doelloos heen en weêr zwerven door de wijde steppe, maar een overdachte plaatsverandering, die zich regelt naar het jaargetijde en naar den aard van het te weiden vee. Een doelloos omdwalen verbiedt de steppe zoowel in den zomer als in den winter, in den herfst zoowel als in het voorjaar; zulks zou de kudde in den winter aan de vreeselijkste stormen blootstellen, in den zomer doen versmachten, in het voorjaar haar wellicht in overvloed doen zwelgen, maar reeds in den herfst meer gebrek doen lijden dan wenschelijk is. Daarom begint de Kirgies zijne wandeling van de laagvlakte uit, klimt langzaam naar de hoogte op, zelfs tot in de hooggebergten, en daalt dan weder langzaam naar de laagte terug. De verschillende kudden hebben echter verschillende behoeften; schapen en geiten houden van harde, geurige kruiden, gelijk de zoutsteppe voortbrengt, de paarden beminnen het meest het vrije kruid der gebergten, vooral dat, hetwelk tusschen de steenen en rotsen groeit, terwijl de runderen het liefst op een mollig grastapijt grazen; de kameelen vinden behalve in de harde planten der zoutsteppe nog in doornen en distelen een welkom voedsel. Rijke lieden, die evenveel verschillende kudden kunnen vormen als zij verschillende dieren houden, laten dan ook deze allen afzonderlijk trekken en weiden, en alleen de armen reizen met hunne geheele kudde van plaats tot plaats. Eindelijk hebben ook de menschen invloed op elkander. Geen grenssteenen, maar wel eeuwenheugende rechten en verdragen regelen zelfs in de steppe het eigendomsrecht en de grenzen; elke stam, elke afdeeling van een stam, elke gemeente, ja zelfs iedere Aul maakt aanspraak op de reeds door de voorouders[399]in gebruik genomen weiden en duldt daarop geen vreemde kudde, geen vreemden herder, en strijdt voor dat recht met de wapenen in de hand, tegen iederen indringer, zelfs tegen de broeders van denzelfden stam. Zoo wordt het begrijpelijk, dat de trekherder zijn eigen, dikwijls zeer nauw omschreven wegen bewandelt. Die wegen kunnen elkander kruisen, maar zij zijn nimmer dezelfde, want ieder heeft eerbied voor de rechten van anderen, of wordt door zijn stamgenooten tot zoodanigen eerbied gedwongen.Een vaste woonplaats eerst krijgt de Kirgies in het graf; toch heeft hij een tehuis. In uitgestrekten zin is dit het gebied, dat hij bereist, meestal de laagte en het dal van een riviertje of beekje, in engeren zin het winterleger, van waar hij uittrekt en werwaarts hij steeds terugkeert. In de nabijheid van dit winterkwartier rusten, zoo niet alle, de meesten zijner dooden. Derwaarts zendt de regeering haar gezanten om de belastingen te innen of opnieuw te schatten; hier brengt hij wel is waar niet den schoonsten, maar wel den grootsten tijd zijns levens door; hier lijdt en doorstaat de over ’t algemeen vroolijke en onbezorgde Kirgies zijn zwaarste en ernstigste zorgen.De winterwoning kan verschillend zijn, maar het winterleger moet aan bepaalde eischen voldoen. Deze zijn: het dal, in hetwelk het leger zal opgeslagen worden, moet zooveel mogelijk beschut zijn tegen de koude en de zoo verderfelijke noorden- en oostenwinden; men moet de Joerten aan de zonzijde kunnen opslaan en zonder bezwaar vaste woonhuizen kunnen bouwen; het water mag nooit kunnen ontbreken, en weiden moeten in de nabijheid liggen. Deze voorwaarden worden het best vervuld door een door den stroom diep in de omgeving ingesneden rivierdal, waar in de zomermaanden het gras niet verdort, zoodat het gelegenheid aanbiedt te gepaster tijde hooi te winnen, terwijl er toch nog wintervoeder overblijft; zooveel mogelijk moet men in de wilgen- en populierenboschjes langs de rivieroevers een voorraadschuur van brandstof kunnen vinden, om de gedroogde mest te vervangen. Daarom kiest men slechts dan ook nog andere plaatsen uit, wanneer men ook nog andere in den zomer om watergebrek gemeden streken, b.v. eene zoutsteppe, zich wenscht dienstbaar te maken, zoodra de sneeuw, die nu den grond bedekt, het water vervangen kan.Is de winterwoning een vaststaand gebouw, dan bestaat deze uit een werkelijk ellendige, dompige, vochtige, donkere hut, die zoo licht[400]is gebouwd, dat men reeds vooruit op de sneeuw moet rekenen, om de muren en het dak te dichten en tegen het weder te beschermen.KIRGIEZEN, MET HUNNE KUDDEN DOOR HET GEBERGTE TREKKENDE.KIRGIEZEN, MET HUNNE KUDDEN DOOR HET GEBERGTE TREKKENDE.Die muren bestaan slechts bij uitzondering uit op elkander gestapelde boomstammen; meestal worden zij opgebouwd uit ruwe steenen, en nog vaker uit gevlochten wilgen teenen, of aaneengeschaarde rietbundels. Dak en bedekking bestaan altijd uit riet. Daarnaast vindt men een eveneens gebouwden stal voor het jongvee, en op eenigen afstand bevindt zich de omheining voor de oude dieren.Met het begin van den winter betrekt de Kirgies deze woning, zoo hij niet, gelijk regel is, ook thans nog de voorkeur geeft aan de veel aangenamer Joerte. Voor de verwarming heeft hij reeds in het verloopen voorjaar gezorgd; toen heeft hij, of beter gezegd zijne vrouw, die in ’t algemeen belast is met alle onaangename en zware werkzaamheden, de mest met wat stroo vermengd en daaruit vierkante koeken gevormd, deze in de zon gedroogd en op hoopen gestapeld. Al het gras van den omtrek is gespaard gebleven om in de naaste omgeving der Joerte of van het huis voldoend voedsel voor het vee te hebben; het hooi werd op afgelegen plaatsen geoogst en herwaarts gebracht. Is de winter „goed” d.w.z. valt er niet veel sneeuw, dan vindt het vee ook nu nog voedsel genoeg; is de winter streng, dan verijdelt hij dikwijls alle voorzorgen van den herder en eischt meer levens dan de lente schonk. Daarom heerscht er in een goeden winter vroolijkheid in de donkere hut, terwijl in een strengen winter, die de kudden tot geraamten doet vermageren, verdriet en zorg zich woning maken in de vriendelijke Joerte; en daarom heerscht er in blokhuis en Joerte òf welvaart òf treurig gebrek in het gevreesde getijde des jaars.Eerst tegen het einde van April, in vele jaren niet vóór het einde van Mei, verlaat de herder met het laatste gedeelte zijner kudden het winterkwartier en vangt de reis aan. De paarden, die hun eigen hoeders hebben, zijn reeds weggetrokken om het kleinvee niet te hinderen. De jonge, dartele veulens, die voor weinige weken, tegelijk met de sikjes geboren werden, zouden geen overlast veroorzaken, maar wel de jonge hengsten en merries, die in dit voorjaar geslachtsrijp worden. Delaatstgenoemdenspringen in dartelen overmoed om de gansche kudde, ofschoon zij de intusschen rustig voortgrazende en nu en dan hen naziende moedermerries niet verlaten; de manbare jonge paarden daarentegen veroorzaken voortdurende onrust en eischen eene verdubbelde[401]opmerkzaamheid van den kant der insgelijks verdubbelde herders. Op dit oogenblik vechten de jonge hengsten met den ouden, deftigen en heerschzuchtigen aanvoerder van den troep; straks dringen de jonge merries, telgen van zijn eigen bloed, zich tegen den vader en noodzaken dezen, haar door bijten te verdrijven; dan weder tracht hier of ginds een jong paard te ontvluchten en stormt met tegen den wind gerichten kop en wijd geopende neusgaten de steppe in. Oogenblikkelijk echter werpt zich de herder te paard en rent in vollen galop den vluchteling na, evenals deze over steg en heg, langs berg en dal vliegende. In zijne rechterhand houdt hij den langen herdersstok, met den daaraan bevestigden lasso; hij komt de vluchtende jonge merrie al nader en nader, reeds zweeft de gevreesde strik boven haar hoofd; daar zwenkt zij plotseling zijdelings af, werpt tergend de achterpooten hoog in de lucht, om dan als de stormwind zoo snel weêr verder te rennen; verder en verder voert de wilde jacht, totdat eindelijk de herder er in slaagt, de voortvluchtige in te halen en, aan den strik gebonden, langzaam naar de kudde terug te brengen. Hoe bekoorlijk dit schouwspel voor den niet belanghebbenden toeschouwer, misschien ook voor den paardenhoeder zelf moge zijn, voor het rustige, kalme trekken van het kleinvee zou zulks nadeelige gevolgen kunnen hebben, en daarom zendt men de paarden vooruit. De schapen en geiten zouden bovendien niet in staat zijn even snel te reizen als de paarden; zij zijn vooreerst door den boozen winter verzwakt, en in de tweede plaats zijn de lammeren en jonge geitjes nog niet sterk genoeg om snel te reizen. Splitsing der kudden is dus gebiedend noodzakelijk.De Kirgies, die de schapen hoedt, legt aanvankelijk elken dag maar een kleinen weg af „een schaapsweg”, en toeft overal, waar gras genoeg is, zoolang het vee gretig vreet. Op zulk een tocht opent de op zijn os gezeten en tegen alle weêr en wind geharde schapendrijver den stoet. De schapen loopen vrij snel voort; nu eens dringen zij opeen, dan weer loopen zij uit elkander, telkens in den marsch stil houdende om van eene bijzonder lekkere plant te genieten, altijd vretende, ten minste altijd snoepende; de herder, gezeten op zijn almede altijd doorgrazend rijbeest, vergezelt hen. De lammeren en jonge geitjes volgen de ouden, maar op zulk een afstand, dat zij de ouden niet kunnen zien of hooren. De rammen trekken, indien er nog ouden over zijn of nieuwe worden aangefokt, langs andere wegen voort. Zijn alle dieren vertrokken, dan breken de vrouwen de Joerte af, beladen daarmede,[402]alsook met het weinig huisraad de kameelen of trekossen, stijgen met de kinderen te paard, rijden langzaam het melkvee na, halen dit tegen den middag reeds in, melken, en trekken met de verzamelde, in lederen zakken bewaarde melk verder, om vóór zonsondergang de Joerte weêr op te bouwen. Zoo gaat het dag in dag uit. Brengt het voorjaar nieuw groen, dan verwijlt men eerst eenige dagen, daarna vele weken achtereen op dezelfde plaats, tot ook hier het gras begint te ontbreken, en verder trekken noodzakelijk maakt.Doet het meer en meer gevorderde voorjaar ook de nog in hunne pophulsels sluimerende insecten ontwaken, vullen ontelbare zwermen muggen, vliegen, bremsen en andere kwelgeesten de lucht, dan wendt men zich zoo mogelijk naar het gebergte en klimt dit tot de hoogste weiden, dicht beneden de sneeuwgrens op. Daar de herder geen honden heeft, viel het hem reeds daar beneden moeilijk de kudde bijeen te houden; in het gebergte heeft het nog meer bezwaren den „schaapsweg” af te leggen, en kan hij ter overwinning van zekere moeilijkheden niet buiten de hulp van andere, te paard rijdende mannen. Zoolang men zich op een vast pad bewoog, kon de tocht nog voortgezet worden, onverschillig of de weg zich langs bebloemde weiden slingert, of over hellingen en steilten voert. De geiten, die de schapen zijn vooruitgesneld, wagen zich onverschrokken en onderzoekend aan den rand van een afgrond, waarvoor dezen verschrikt terugdeinzen, loopen daarna langs een doelmatiger weg vooruit, getrouw gevolgd door de schapen. Maar wanneer men eens in plaats van een murmelend beekje een breed en woest schuimend water ontmoet, dat den weg verspert, maar evenwel overgetrokken moet worden, dan wordt het iets anders. Het vooral den schapen zoo bepaald vijandige element ziende, blijven ook de geiten, die zich anders in allerlei omstandigheden weten te schikken, onthutst staan; de schapen deinzen angstig terug en klimmen op de naburige rotsen als wilden ze daar eene schuilplaats zoeken. De herder rijdt tevergeefs door den bruisenden stroom; van den overkant teruggekeerd, drijft hij te vergeefs de onwillige kudde naar den rivierkant. Met een luid geblaat geven de schapen hun angst te kennen, en bedenkelijk blaten ook de geiten, totdat het geduld van den herder is uitgeput. Een oogenblik zweeft de noodlottige strik boven het hoofd van een der schapen; het volgende oogenblik voelt het zich dien om den hals gesnoerd; de ruiter trekt het dier naar zich toe, en weer een oogenblik later is het in den vloed geslingerd. Nu moet het met alle[403]kracht arbeiden. Met rukken zwemmende, meer springende dan roeiende, werkt het zich van het eene rotsblok naar het andere, wordt, nog vóór het den grond raakt, door het draaiende water gegrepen en voortgesleurd; het trapt, spartelt, springt, zwemt opnieuw, wordt nog eens en nog eens door het water medegesleurd, en bereikt eindelijk, meer uitgeput door den doorgestanen angst dan door de inspanning, den anderen oever. In alle leden sidderende, verzekert het zich of het werkelijk vasten grond onder de voeten heeft, schudt de natte vacht, blikt met schuwen blik nog eenmaal achterwaarts—en begint thans gulzig te vreten om zich zooveel mogelijk schadeloos te stellen voor den geleden angst. Middelerwijl zwemmen de overige leden der kudde, de een na den ander, ’t zij vrijwillig, ’t zij gedwongen, de wilde beek over, tot het geheele gezelschap den anderen oever heeft bereikt, zich verzameld heeft, en de reis weder kan worden voortgezet. Op deze wijze klimt de trekherder het gebergte in. Begint het daarboven koud te worden, vermaant wellicht een sneeuwbui reeds aan den komenden winter, dan wandelen herder en kudde weder naar omlaag, nu zooveel doenlijk de beschaduwde kloven opzoekende, tot weder de laagvlakte is bereikt en men in de nabijheid van hetwinterkwartieris gekomen.Alle huisdieren der Kirgiezen raken spoedig vertrouwd met de verschillende streken, waar men hen laat weiden, hoe ook de plaatselijke gesteldheid moge zijn; allen kennen reeds na een paar malen grazend te hebben rondgeloopen, zulke plekken, en zoeken die zelfs zonder behulp van den herder met zekerheid op; ook komen zij vanzelf naar de Joerte loopen om zich hier te laten melken. Als lokmiddel bezigt men echter de kunstgreep, dat men reeds van Mei af aan de zoogende moeders haar jongen laat zien, en deze in de nabijheid van de Aul laat weiden, zoodat men het verlangen naar haar kind in het moederhart opwekt. Op deze wijze wordt het melken op vaste tijden mogelijk en kan de meesteres der Joerte hiernaar haar tijd indeelen en haar bezigheden regelen.KIRGIEZEN-AUL.KIRGIEZEN-AUL.Met uitzondering alleen van de merries, die door mannen worden gemolken, voor welke bezigheid ten minste twee, zoo niet zelden drie personen vereischt worden, is het melken aan de vrouwen opgedragen. In den vroegen morgen heeft men de kalveren, lammeren en jonge geitjes, onder streng toezicht, een weinig laten zuigen, dan van de moeders gescheiden, en oud en jong naar de weide gedreven. Tegen den middag brengt men alleen de moeders naar de Joerte, en zoo ook[404]des avonds, om ze te melken. Met behulp der honden, die nu in dienst treden, houdt men de geheele kudde op de kleinst mogelijke ruimte bijeen en vangt dan den arbeid aan. De vrouwen en dienstmaagden eener Joerte of de buurvrouwen van een Aul verschijnen met hare melkvaten, grijpen met vaste hand een schaap, een tweede en een derde, slepen ze naar de lijn, leggen ze een uit de lijn zelf gevormden strik om den hals en dwingen zoo de dieren in twee rijen, met de koppen naar binnen, met de uiers naar buiten gericht te blijven[405]staan. In weinig minuten heeft men dertig tot veertig schapen en geiten naast elkander, een zoogenoemde „keugeun.” Op hetzelfde oogenblik dat de dieren den strik voelen, blijven ze staan, zich van vroeger herinnerende welke gevolgen het tegenspartelen heeft; rustig laten zij thans alles toe. De vrouwen, tegenover elkander gehurkt, beginnen thans gelijktijdig aan denzelfden kant met den arbeid; zijn er zeer veel schapen dan ook wel aan de beide kanten der dubbele rij tegelijk. Zij vatten de korte tepels met duim en wijsvinger en tappen de melk met snelle op- en neêrgaande bewegingen af. Stroomt de bron niet overvloedig genoeg, dan geven zij met de linkervuist een klap tegen den uier, even gelijk zuigende jongen ook plegen te doen, en eerst wanneer dit middel niet meer baat, gaan zij over tot een tweede beest. De mannen der Joerte of Aul, die misschien bij het opvangen en vastmaken van het kleinvee de behulpzame hand hebben geboden, zitten onder het melkbedrijf, in allerlei, ons onmogelijke, ja bijna ondenkbare houdingen bij elkander en vieren vrijen teugel aan hunne „roode tong.”Een der kleinste jongens aanvaardt misschien wel op een of ander schaap zijn eersten proefrit, zoo hij er al niet de voorkeur aan geeft op de schouders zijner opvoedster te gaan rijden. De laatste laat zich door zulke heldendaden van haar spruit even zoo weinig van de wijs brengen als andere kleine ongevallen zulks vermogen. Of zij op drogen grond of over de weeke schapenmest wandelt, of de laatste onder het melken in het uit populierenhout vervaardigde melkvat valt, dit alles deert haar niet, want die melkkuip is toch al even vuil als hare melkende handen, en schapenmest is wel in onze stompzinnige oogen een onrein iets, maar niet in die van den korangeloovigen Kirgies. Het laatste individu is eindelijk gemolken, en de dieren, die ondertusschen uit puur tijdverdrijf zich met herkauwen hebben beziggehouden, kunnen nu weder losgelaten worden; één snelle ruk aan het eene eind des touws, en alle strikken zijn los, alle schapen en geiten vrij.De herkregen vrijheid wordt begroet met een algemeen geblaat; de dieren schudden zich een en ander maal en zelfs de herinnering aan de korte slavernij is vervlogen. Nu loopen allen, zoo snel zij kunnen, de vlakte in, zoo ver mogelijk uit het gezicht der Joerte, in het gebergte schielijk de bergen op, alsof slechts daar de lucht der vrijheid woei. Eigenlijk beoogen zij zoo spoedig mogelijk bij hunne jongen te komen. Den ganschen dag hebben zij deze gemist; nu—zij weten[406]het bij ervaring—moeten de lieve spruiten verschijnen. Al blatende loopen de schapen in ’t rond, verlangend mekkerend kijken zelfs de schrandere geiten om zich heen, als om te onderzoeken of de te verwachten schare reeds komt opdagen, of in de verte zichtbaar wordt. Luider wordt het geblaat, want elke nieuw verloste rij brengt beweging in alle om de Aul verzamelde schapen en geiten, maar ook het met elke minuut toenemende ongeduld der moeders geeft aanleiding tot een vernieuwd klagend, steunend blaten. Hoe langer het duurt, des te onrustiger worden de trouwe moeders. Doelloos dwalen zij rond, heen en weder, beruiken elk halmpje, elk grasje, plukken echter geen enkel af, heffen de koppen nu eens vol verwachting vroolijk omhoog, om ze een oogenblik daarna weder ontmoedigd en treurig naar beneden te laten zinken; dan blaten zij weder, blaten nogmaals. De onrust wordt zinneloosheid, het geblaat verandert in een gebrul.Daar laten zich in de verte hooge en zwakke tonen hooren. Deze ontgaan het opmerkzaam oor der moeders niet. Een uit alle kelen gelijktijdig voortgebracht geblaat en gemekker is het antwoord; het gansche gewicht van het door ’t lange wachten zoo hoog gestemd moederlijk verlangen baant zich door één enkelen kreet een uitweg. En uit de verte, van af de bergen, in de richting der Joerten stormen de naar hunne moeders verlangende lammeren en sikjes, de grootsten en sterksten in de voorhoede, de jongsten en zwaksten achteraan, allen echter zoo snel zij kunnen, vroolijk springende, door het opgeworpen stof half onzichtbaar, in eene schare, die steeds grooter wordt naarmate zij dichterbij komt. Een oogenschijnlijk niet te ontwarren gewemel treft de oogen; ouden en jongen, eindelijk vereenigd, rennen doelloos dooreen, terwijl zij in ’t voorbijloopen elkander vluchtig aanraken, als om zich door een nieuw zintuig te vergewissen of zij, die bij elkander behooren, werkelijk elkander hebben gevonden; weder loopen zij in verwarring dooreen, als dit niet het geval is; de lammeren en jonge geitjes snellen gewoonlijk vooruit, daar zij door een trap op de pooten, hun door het moederdier toegebracht, er aan herinnerd werden, dat zij zich vergist hebben. Van lieverlede ontwart zich de kluwen; in minder tijd dan men denken zou, hebben moeder en kind elkander gevonden, en knielt het laatste zuigend onder den buik der moeder, begeerig de nog overgebleven melk uit den uier te halen. En wanneer nu ook het blaten en mekkeren niet ophoudt, dan drukken die klanken thans slechts vreugde uit.[407]Maar slechts kort duurt dit geluk. Elke reeds zoo goed als geledigde uier is ras uitgeput, en in weêrwil van alle stooten en kloppen vloeit de melk niet meer. Maar moeder en kind willen nog langer van de geneugten des samenzijns genieten. De gemengde schaar verspreidt zich naar alle zijden; de gewillige oude klautert het vroolijke jonge dier na, wanneer dit naar den aard zijns geslachts de naastbijgelegen hoogte bestijgt, of schijnt met genoegen gade te slaan, dat een der bokjes in eene plaagzieke bui zijn krachten met een ander meet. Schilderachtig tooit de bonte kudde de omgeving der Joerten; het aanminnigste beeld van een vreedzaam en behagelijk herdersleven ontrolt zich voor het oog van hem, die hart en oogen heeft voor zulk een tooneel.Ook de melksters gunnen zich thans een korte rust, nemen de kinderen op den schoot en vervullen haar moederplichten of voldoen aan moederlijke verlangens; spoedig echter wacht haar nieuwe arbeid. Brommend melden zich de huiswaarts gekeerde koeien aan, om ook harerzijds de moedervreugde deelachtig te worden; ijlings staan de vlijtige vrouwen op, brengen de van te voren aangebonden kalveren bij de koeien, laten deze een weinig zuigen, trekken ze dan van de uiers af, melken deze uit, en schenken nu ook aan de zuiglustige kalveren de volle vrijheid. Ondertusschen hebben de herders en de honden de kudde kleinvee weder bijeengedreven, en oud en jong, mannen en vrouwen, knapen en meisjes vereenigen zich thans om de lammeren op te vangen, en deze aan eene bij de Joerte aangebrachte lijn met behulp van stevige strikken, waarin zij zich evenwel niet kunnen verhangen, voor den nacht vast te binden, opdat de ouden hun de uiers niet zullen kunnen reiken. Zonder blaten en schreeuwen gaat zulks niet in zijn werk en daartusschen mengt zich het schreien en huilen der kinderen, die weder naar moeders schoot verlangen, het loeien der koeien en het blaffen der honden. Alleen de reeds vastgebonden lammeren der schapen en geiten schikken zich gelaten in het onvermijdelijke. Enkele bokjes beproeven nog bij wijze van spiegelgevecht de kracht hunner uitspruitende horens, maar zij worden spoedig vermoeid en leggen zich vredelievend neder naast den zooeven nog bevochten vijand; nog vóór de geheele rij is vastgemaakt, ligt reeds het grootste aantal jongen op de saamgebogen pooten en heeft zich aan de rust overgegeven. Het eene na het andere moederschaap, de eene na de andere moedergeit bezoekt de rij, besnuffelt de jongen tot zij het hare[408]heeft gevonden, maar keert spoedig weder naar de kudde terug, na zich te hebben overtuigd, dat het onmogelijk was zich naast haar kind neder te leggen.De zon is reeds geruimen tijd onder, de schemering wijkt voor het nachtelijk duister. Het wordt elk oogenblik stiller in de Joerten. Mensch en dier heeft de rust gezocht en gevonden; alleen de honden beginnen thans onder opzicht en leiding van een waakherder hun rondgangen en zwerftochten, maar ook zij slaan slechts dan aan, wanneer daartoe werkelijk aanleiding is, wanneer zij een rondsluipenden wolf of een anderen dief hebben weg te jagen. Een koele, maar geurige, vochtige zomernacht daalt op de steppe neder en een verkwikkende slaap in dit rijke en schoone jaargetijde vaagt bij herder en kudde zelfs de herinnering weg aan den boozen winter.[409]

XIV.DE NOMADEN EN KUDDEN DER STEPPE.

Hoe rijk de Middel-Aziatische steppe ook zijn moge, hoe afwisselend zij vooral zich voordoet aan hem, die haar in het voorjaar bezoekt, hoeveel vruchtbare landen zij ook moge insluiten,—zetelvastheid, wonen en hangen op een en dezelfde plaats veroorlooft zij slechts op enkele, meer dan elders begunstigde gedeelten. Trekken en reizen, komen en gaan, verschijnen en verdwijnen verlangt zij van al hare kinderen, van den mensch zoowel als van de dieren, die in haar wonen en leven. Sommige gedeelten moge de landman zich ondergeschikt maken, op enkele plaatsen moge men steden en dorpen grondvesten, het grootste gedeelte der steppe zal wel altijd verblijven aan den rondzwervenden herder, die geleerd heeft zich te plooien naar alle omstandigheden.Onder de Nomaden der steppe bekleeden de Kirgiezen de eerste plaats, zoowel wat hun aantal als hunne volkseigenaardigheden betreft. Hun gebied strekt zich uit van de Don en Wolga tot aan het Thian-Schangebergte en van den middelloop der Irtysch tot de zuidelijke streken van het Balkaschmeer, ja bijkans tot Chiwa en Boechara; dit volk is verdeeld in horden en stammen, in steppenherders en bergherders, maar deze allen zijn één in afstamming, taal, geloof, zeden en gebruiken, niettegenstaande het verschil, dat de afzonderlijke stammen schijnt te kenmerken. In de Orenburger steppe weidt en zwerft de kleinste of jongste horde, in de steppen tusschen de Wolga en de rivier de Oeral, dus in de gouvernementen Toergai en Oeral, een daarvan afgescheiden tak, die zich de Boekaische horde noemt; in de steppen en gebergten van het gebied van de Irtysch en het Balkaschmeer huist en trekt de middelste of oudere horde, aan gene zijde van de Illi eindelijk, tot in de nabijheid van Boechara en Chiwa moet men de wisselende woonsteden der Berg-Kirgiezen zoeken, die zich de groote of[385]oudste horde noemt. Kirgies noemt zich overigens geen enkele tak van het geheele volk; die naam is een scheldnaam, die zooveel als „roover” beteekent; de eigenlijke naam dier volken isKaisakofKasak, wij zouden zeggen „Kozak”, ofschoon zelfs de Russen onder Kozakken tegenwoordig geheel andere menschen begrijpen dan onze steppenbewoners.De Kirgiezen, gelijk ik ze wil blijven noemen, behooren tot een der Turksche stammen, eene volkerengroep, over wier plaats in de rij der menschenrassen men verschillend oordeelt. Vele, zoo niet de meeste reizigers, verklaren de Kirgiezen voor echte Mongolen, terwijl anderen, en zeker met meer recht, hen beschouwen als van gemengd ras te zijn, dat wel is waar in sommige opzichten aan de Mongolen herinnert, maar over ’t geheel meer overeenkomst bezit met de Indogermanen en nog de meeste gelijkenis vertoont met de Turkomenen. De Kirgiezen, die ik gezien heb, allen behoorende tot de middelste horde, zijn middelmatig groot van gestalte, soms vrij klein, goed gevormd, met wel is waar niet schoone gelaatstrekken, maar toch ook niet met het karakteristieke, Mongoolsche apengezicht; zij hebben fraaie handen en voeten, eene lichte, of doorschijnend lichtbruine, naar ’t geel trekkende huidkleur, bruine oogen en zwarte haren. De jukbeenderen zijn zelden zoo vooruitstekend, de kin is zelden zoo smal, dat het aangezicht hoekig wordt of een katachtig uiterlijk verkrijgt. Het middelmatig groote oog is gewoonlijk in het midden het meest gewelfd en aan den buiten ooghoek horizontaal uitgerekt, dus wel amandelvormig, maar niet schuins gespleten; de neus is recht, zelden gebogen, de mond van middelmatige grootte en meestal scherp besneden, de baard dun, maar niet zwak. Echt Mongoolsche gezichten worden voorzeker ook aangetroffen, en zulks voornamelijk bij de vrouwen en de kinderen van arme lieden; maar, evenmin als ik veel werkelijk schoone Kirgiesische vrouwen heb aangetroffen, zag ik er zulke apentronies als onder de echte Mongolen. In elk geval, de stempel van een gemengden stam is scherper op de Kirgiezen afgedrukt dan die van een scherp bepaald, zelfstandig ras. Ik heb mannen gezien, die men zonder voorbehoud tot de Indo-Germanen zou hebben gerekend, indien men niets naders omtrent hen wist, en ik heb daarentegen weer anderen ontmoet, aan wie ik met geen mogelijkheid iets Mongoolsch kon ontdekken. De leden van oude geslachten zijn doorgaans personen, die alle wezenlijke kenmerken der Indo-Germanen bezitten, die van lagere her- en afkomst herinneren[386]min of meer, soms geheel aan Mongolen. De macht van den Islam, die aan den tot de heilsleer bekeerden slaaf de rechten van den stam toekent, zal in den loop der tijden uit vele heidensche Mongolen Kirgiezen hebben gemaakt, en op het raskenmerk der laatsten grooten invloed uitgeoefend.Ofschoon in hoofdtrekken Turksch, is de kleeding der Kirgiezen toch niet zeer geschikt om hun lichaamsbouw voordeelig te doen uitkomen. In den winter vooral verbergen pelsmutsen, pelsjassen en hooge laarzen alle afzonderlijke lichaamsdeelen, en zelfs in den zomer is dit nog min of meer het geval. De arme Kirgies draagt behalve zijn pelsjas en de onontbeerlijke pelsmuts alleen nog maar een hemd, een kaftan en wijde broek; de rijke daarentegen, evenals de Oosterling, een aantal kleedingstukken over elkander; beiden evenwel steken alle, het benedenlichaam omhullende gewaden, den pelsmantel alleen uitgezonderd, in wijde broekspijpen, ten einde in ’t rijden niet belemmerd te worden, maar juist daarom ziet een Kirgies er dan ook des te bespottelijker uit, naarmate hij voornamer en dus rijker gekleed is. Donkere kleuren zijn meer gezocht dan lichte, ofschoon men deze daarom nog niet geheel versmaadt; is men in een bont gewaad gestoken, dan overlaadt men dit met borduursels en tressen. Alle Kirgiezen dragen in den gordel een sierlijk, met ijzer- of zilverwerk afgezet taschje en een insgelijks prachtig mes; behalve den onmisbaren zegelring echter verder geen andere versierselen, tenzij een door den keizer geschonken gedenkpenning.Over de kleeding der vrouwen kan ik weinig mededeelen, vooreerst omdat de bescheidenheid mij verbood naar meer te vragen dan uiterlijk zichtbaar was, en in de tweede plaats, omdat ik de vrouwen der rijke en voorname Kirgiezen in ’t geheel niet, anderen slechts in feestgewaad te zien kreeg. Behalve een pelsmantel, laarzen en schoenen, geheel gelijk aan die der mannen, dragen de vrouwen broeken, die al mede weinig afwijken van hetzelfde kleedingstuk der mannen, verder een hemd en daarover als bovenkleed een soort van kiel, die tot beneden de knie reikt en om den middel dichtgeknoopt wordt; op het hoofd, òf een tulbandsgewijs gewonden doek, òf eene nonnenkap, die over het hoofd, den hals, de schouders en de borst afhangt.De kleederen der mannen zoowel als die der vrouwen, worden, de sierlijke rijlaarzen en schoenen alleen uitgezonderd, vrij lomp bewerkt; in goede harmonie met de eischen des klimaats zijn de onmatig lange,[387]ver over de handen vallende en deze bijna geheel bedekkende mouwen van het oppergewaad bij beide seksen.Het trekkende leven der Kirgiezen, die onophoudelijk nieuwe weiden moeten opzoeken voor hunne talrijke, veel eischende kudden, maakt eene behuizing noodzakelijk, die gemakkelijk op de eene plaats kan worden afgebroken om even spoedig op eene andere te worden opgericht, en die bovendien voldoende beschutting verleent tegen de ruwheden des klimaats. Aan zoodanige vereischten beantwoordt de Joerte beter dan eenige andere nomadenwoning, en het is niet te veel gezegd, wanneer wij beweren, dat de Joerte de volmaaktste tent is die er bestaat. De ervaring van duizenden jaren heeft ze gemaakt tot hetgeen zij nu is; eene in hare soort onverbeterlijke woning voor den rondzwervenden herder, voor een reizend mensch in ’t algemeen. Licht van gewicht en gemakkelijk uit elkaar te nemen, waterdicht en warm, af te sluiten tegen den storm en tegen tocht, voor elken zonnestraal toegankelijk, behagelijk en geschikt, eenvoudig en toch zich leenende tot in- en uitwendige versiering, vereenigt de Joerte zooveel heerlijke eigenschappen in zich, dat men haar te meer leert waardeeren, naarmate men langer in haar vertoeft. Zij is samengesteld uit een uit elkaar te nemen en weder in elkaar te zetten, voor verwijding vatbaar traliewerk, waaruit de benedenste loodrecht oprijzende, cylindervormige wand bestaat, en een koepelring, die het bovengewelf vormt; uit daartusschen geplaatste sparren en eene in het eerste gedeelte aangebrachte deur, luchtige matten van Tschigras, groote doelmatig gesneden en op zeer zinrijke wijze aangebrachte vilten platen, die met de matten de buitenbekleeding uitmaken, terwijl de bodem belegd wordt met vilten tapijten. Zij wordt, met uitzondering alleen van de ineengelaschte deurpaneelen en de aan het boveneind in gaten van den koepelring gestoken sparren, enkel bijeengehouden door touwen en strikken; zulks maakt, dat de tent in een aantal stukken kan worden uiteengenomen, terwijl de cirkelvormige dwars-doorsnede en de koepelvormige lengte-doorsnede haar in staat stellen den hevigsten storm het hoofd te bieden. In weinig meer dan een half uur heeft men haar opgebouwd, in nog minder tijd breekt men haar af, en niet meer dan één kameel wordt er vereischt om haar te vervoeren. Het bouwen evenwel en versieren eischt veel tijd, tevens veel bekwaamheid van de zijde der huisvrouw, aan wie grootendeels de taak der vervaardiging is opgedragen, en tevens uitsluitend het werk der oprichting is toevertrouwd.[388]De Joerte vormt een belangrijk gedeelte van de bewegelijke bezitting van den Kirgies. Rijke lieden hebben er van zes tot acht, maar zij besteden liever meer geld voor de versiering eener enkele tent dan voor den bouw van vele Joerten, omdat de te betalen belasting wordt berekend naar ’t aantal hunner Joerten en niet naar de sterkte van hun veestapel. De voorname man pronkt wel is waar ook met zijne Joerte, die hij zoo rijk mogelijk inricht, uit het kostbaarste vilt bouwt, en uit- en inwendig met allerlei sieraden uit bonte stoffen laat behangen, maar meer prijs nog stelt hij op kostbare tapijten, en zijden, kunstig genaaide en gestikte dekens, waarmede hij op feesttijden het inwendige van zijne woning opsiert. Zulke tapijten gaan door erfenis over van den vader op den zoon en worden op evenveel prijs gesteld als metallisch zilver.Toch beoordeelt men het fortuin onzer trekkende herders niet naar deze bijkomende zaken, maar eenig en alleen naar hunne kudden. Ook de armste Joertenbaas moet, om in ’t algemeen den strijd om het bestaan te kunnen voeren, eene talrijke kudde bezitten; het vee, dat hij weidt, is zijn levensvoorwaarde, alleen zijn huisdieren beschermen hem tegen de ellende. De kudden der rijkeren tellen bij duizenden en nog eens duizenden individuen, de armen bezitten er slechts honderden. Maar ook de rijkste man kan arm worden, wanneer besmettelijke ziekten in zijne kudde uitbreken, en de arme kan verhongeren, wanneer gelijk lot dezen treft. Zulke ziekten kunnen zoodanigen omvang erlangen, dat de welvaart van geheele stammen vernietigd wordt, dat duizenden menschen een prooi worden van den hongerdood. Geen wonder dus, dat alle gedachten en handelingen der Kirgiezen betrekking hebben op het vee, dat zijn zeden en gewoonten daarmede in harmonie zijn, m.a.w. de mensch is afhankelijk van zijn vee.Niet het nuttigste, maar wel het edelste en meest gewaardeerde huisdier der Kirgiezen is bij hen het paard.Dit dier stelt in de oogen zijns bezitters het inbegrip voor van alle schoonheid en is de maatstaf, naar welken gerekend, rijkdom en armoede bepaald worden. Het paard is het dier bij uitnemendheid, en in plaats van het woord paard te gebruiken, spreekt de Kirgies alleen van „huisdier.” In plaats van links en rechts bezigt hij de uitdrukking „de zijde, waar men op het paard stijgt” en „de zijde, waar men den knoet draagt.” Het paard is de trots des jongelings en van de jonge dochter, van den man en den grijsaard, van de vrouw en het oude[389]moedertje; men prijst of smaalt den ruiter zelf, wanneer men zijn paard prijst of smaalt: de slag, dien men een paard geeft, dat men zelf niet berijdt, geldt niet het paard, maar zijn eigenaar.Een groot gedeelte van de liederen en gezangen der Kirgiezen heeft betrekking op het paard; zij vergelijken bij dit dier den mensch; diens waardij, diens schoonheid bij het paard:„Bruid, o Bruid, gij lief bruidje,Gij veulen der donkere merrie”zoo roept de dichter de bruid toe, wanneer zij naar de Joerte des bruidegoms wordt geleid:„Zegt, waar is het spel der witte vlokken,Het spel van het schaken der veulens?Al is de schoonvader mij zeer genegen,Zooals mijn vader is, zoo is niet hij.”Zoo antwoordt de bruid den jongelingen, die haar het „Dschar-Dschar” het troostlied der „scheidende maagd” toezingen met de woorden „spel van het schaken der veulens” den tijd harer eerste liefde gedenkend.In paardenkoppen wordt de rijkdom der voornamen uitgedrukt; in paardenprijs berekent en betaalt men den bruidsschat; op honderd merries bepaalt men de waarde eener maagd, die het loon zal zijn van een wedren. Men geeft elkander paarden ten geschenke; met paarden betaalt men moord en doodslag, gebroken ledematen of een uitgeslagen oog, misdrijf en misdaad; honderd paarden lossen den moordenaar van een man, vijftig dien eener vrouw, dertig dien van een kind. In paarden betaalt men de boeten, die opgelegd worden wegens beschadiging aan lijf en bezitting van den stamgenoot, om een paard verlaagt zich zelfs de aanzienlijke tot een dief. Het paard draagt den minnaar naar zijne geliefde, den held naar het gevecht, het zadel en de kleeren van een gestorvene van de eene legerplaats naar de andere; het paard draagt den man en de vrouw, den grijsaard en het in den zadel vastgebonden kind, of den jeugdigen ruiter, die voor het eerst vrij in het zadel zit, van de eene Joerte naar de andere. Naar den prijs der paarden meet de eigenaar de waarde zijner kudde; zonder paard is de Kirgies, wat bij ons een man zonder dak is, zonder paard veracht hij zich zelf als de armste onder de zon.De Kirgies heeft den levensaard en de levenswijze van het paard tot in[390]de kleinste bijzonderheden uitgevorscht; hij kent de zeden en gewoonten van dit dier, diens deugden en gebreken, weet wat goed voor hem is en wat hen schaadt, eischt er nu en dan het ongelooflijke van, maar nimmer buiten noodzaak, behandelt het wel is waar niet met de teederheid van een Arabier, maar ook nooit met de ongevoeligheid van andere volken. Van eene oordeelkundige fokkerij van dit edele dier, gelijk deze bij de Arabieren en Perzen, ook bij sommige Europeesche volken, zooals o.a. de Engelschen, gedreven wordt, is bij de Kirgiezen geen sprake; toch zorgen ook zij voortdurend voor eene veredeling der bij hen gezochte rassen, want steeds worden de beste hengsten voor de merries behouden en de andere gecastreerd. Te betreuren is het, dat hij ten aanzien der hengsten enkel let op de gedaante, niet op de kleur, zoodat men een groot aantal leelijk geteekende nakomelingen verkrijgt. De africhting laat ook veel te wenschen over; onze herder toch is veel te rijk aan paarden om daarop bijzonder te letten.Ook in onze oogen is het paard der Kirgiezen een lief, aanvallig schepsel, ofschoon het geenszins in alle opzichten aan onze begrippen van schoonheid beantwoordt. Het is niet meer dan middelmatig groot, slank gebouwd. De kop is wel niet onfraai, maar toch wat te groot, sterk ramsneuzig en door de uitstekende onderkaakstakken tamelijk dik. De hals is van middelmatige lengte en krachtig, de romp lang, de pooten zijn dun, het haar is zacht. Het heeft groote, vurige oogen, eer groote dan kleine, maar goed gevormde ooren. Manen en staart zijn fijn- en langharig, daarbij vrij dicht, de staartharen zelfs zoo weelderig ontwikkeld, dat zij langs den grond slepen; de pooten zijn goed gebouwd, wellicht iets te schraal, de hoeven meestal steil, en ook wat te hoog. Lichte kleuren ziet men het veelvuldigst, terwijl vele soms zeer leelijke vlekken het oog beleedigen.Het meest ziet men bruine, lichtbruine, vossen, vale en Izabel, zelden donkerbruine of moorpaarden, nog minder vaak schimmels. Manen en staart staan alle licht gekleurde paarden daarom zoo bijzonder goed, omdat deze lichaamsdeelen òf zwart òf veel lichter van tint zijn dan het haar op de overige deelen des lichaams.Het karakter van dit dier is allen lof waard. Het is vurig en toch zachtzinnig, moedig tegenover alle gevaren, waarmeê het vertrouwd is, en alleen dan angstig en schuw, wanneer iets ongewoons het voor een oogenblik in verwarring brengt; het is eerzuchtig en vol levenslust,[391]maar even volgzaam als gehoorzaam, gewillig, werklievend en taai; toch is het hoofdzakelijk rijdier en eerst na langdurige oefening is het ook als trekdier te gebruiken, maar uitstekend als zoodanig wordt het nooit. Onaangenaam trof mij de slechte gewoonte van dit paard, die echter meer te wijten is aan zijn meesters dan aan het dier zelf, van altijd onderweg te willen eten, althans te snuffelen en te snoepen, zelfs in de moeilijkste omstandigheden, zooals bij het doorwaden van steenachtige, sterk stroomende bergbeekjes, en bij het bestijgen van steile rotsen. Licht te bevredigen is het evenmin als elk ander aan eene vrije weide gewoon steppendier; in den omgang met zijns gelijken, zoolang de almachtige liefde niet in het spel komt, even verdraagzaam als tegenover zijn meester gehoorzaam en onderdanig.Arme Kirgiezen bezitten slechts zooveel paarden als voor de rijbehoeften der familieleden en voor den aanfok noodig zijn; rijke en voorname steppenbewoners daarentegen vier-, vijf-, ja, zooals men mij van verschillende kanten verzekerde, zelfs van tien- tot twaalfduizend, die in afzonderlijke troepen en op afzonderlijke plaatsen weiden, en, wat zeer natuurlijk is, beter gedijen dan die der armen. Elke troep bestaat uit ten minste vijftien, ten hoogste uit honderd koppen, in ’t laatste geval uit een volwassen hengst, negen moedermerries, even zooveel jonge veulens, acht tweejarige, zes tot acht driejarige en vijf tot zes vierjarige veulens, benevens eenige oudere dieren of „wallachen.” De hengst is onbepaald alleenheerscher en gebieder, aanvoerder, leider en beschermer van den troep; hij laat zich door den wolf geen veulen ontrooven, maar valt den laffen roover moedig aan en velt dien, als hij zich wil verdedigen met de voorpooten ter aarde; hij duldt geen medeminnaars en verdrijft daarom onverbiddelijk alle manbaar wordende hengsten uit zijn troep; hij verjaagt bovendien, zoodra hij de heerschappij heeft aanvaard, zijn eigen moeder en later zijn eigen dochters. Die trotsche overmoed noopt den herder tot de grootste waakzaamheid, vooral als debronsttijdaanbreekt, en hij de verdreven, naar andere sultans zoekende merries en de weggejaagde, naar eigen zelfstandigheid strevende hengsten niet wil verliezen. Niet voor het vijfde jaar neemt de jonge merrie den hengst aan; in het volgende voorjaar, gewoonlijk in Maart, brengt zij haar eerste veulen ter wereld. Ook nu scheidt men haar nog niet van den troep, maar brengt haar, liefst niet voor Mei, met haar veulen in de nabijheid der Joerte, om haar nu vier maanden aaneen te melken, om uit de opbrengst den beroemden[392]koemys of melkwijn te winnen. In den herfst voert men moeder en kind naar den troep terug. Beiden worden gewillig opgenomen en genieten de teruggeschonken vrijheid met volle teugen.Het nuttigste en daarom ook belangrijkste huisdier onzer Nomaden is het schaap, een zeer groot, goed gebouwd, alleen door den vetbult op den achterrug soms zeer ontsierd schepsel. Het stevige lichaam rust op hooge, krachtige pooten; de kop is klein, de neus smal en op die eens rams gelijkend, de ooren zijn hangend of recht overeindstaand, de hoorns zwak, het vel is hard, maar dicht, de uier is sterk ontwikkeld, de vetstaart dikwijls in die mate, dat het dier dit lichaamsdeel niet meer vermag te dragen, maar met ingezakte achterpooten op den grond na zich zou moeten slepen, indien de herder den armen lastdrager niet te hulp kwam, door onder den staart een klein tweewielig wagentje aan te brengen en daarin dit werktuig te leggen. Bij kruising van Kirgiesische rammen met vetstaartlooze schapen verkrijgen de nakomelingen in het tweede of derde geslacht dit vreemdsoortig aanhangsel weêr terug, terwijl omgekeerd bij de kruising van rammen zonder vetstaart met vetstaartige schapen genoemd lichaamsdeel verdwijnt.Al moge het schaap der Kirgiezen in alle hoofdtrekken met het onze overeenkomen, toch kan men niet loochenen, dat het vrije steppenleven, de groote tochten, die te volbrengen zijn, en de bezwaren, die daarbij overwonnen moeten worden, de lichamelijke en geestelijke vermogens ongemeen sterk hebben doen ontwikkelen, zoodat het steppenschaap in dezen boven het huisschaap van West-Europa staat. Toch is ook in de steppe de verstandige geit de aanvoerdster en leidster van het meer geestelooze schaap, en daarom is het meer dan tijd, dat ik thans haar gedenk.De geit der Kirgiezen is van middelmatige grootte, zwaar van lijf, goed geproportionneerd, krachtig, kort van hals, klein van kop, met evenredig gevormde pooten, groote, levendige oogen, sprekende trekken, spitse, rechtopstaande ooren en betrekkelijk zwakke horens; het is welig behaard, vooral wat baard en staart betreft, draagt lang kroeshaar op het voorhoofd, en is meest zuiver wit van kleur, hier en daar met zwarte spikkels.Schapen en geiten worden door de Kirgiezen geheel op gelijke wijze behandeld, en steeds in dezelfde kudden bijeengehouden. De arme Kirgiezen van een Aul vereenigen hun dieren in ééne kudde, de rijken,[393]wier veestapel uit duizenden individuen bestaat, houden er omgekeerd meer dan ééne kudde op na. De schaapherder, in den regel een volwassen knaap, rijdt op een os om zijne kudde heen; hij weet dat rijpaard op zulk eene voortreffelijke wijze te besturen en in den draf te zetten, dat hij zelfs de vlugste geit inhaalt. Toen wij eens, van een jachtuitstapje terugkeerende, zulk een schaapherder ontmoetten, rende deze louter voor zijn genoegen ruim een kwartier lang naast onze, in gestrekten draf door de steppe ijlende paarden, zonder dat zijn vreemdsoortig rijdier van eenige vermoeienis blijk gaf. Alleen de schaapherders der Tartaarsche kuddehouders rijden op paarden. Bij gevaarlijke overgangen over sterk stroomende bergbeken of in het gebergte zelf, nemen de geiten de leiding der kudde op zich, en hier, gelijk overal elders, volgen de schapen blindelings.Daar men slechts op de meest gunstige plaatsen hooi oogst en in hooibergen zet, zorgt men er voor, dat de schapen en geiten in den herfst geen jongen werpen; de geboorte der lammeren en sikjes valt steeds in het voorjaar, het gunstigste jaargetijde voor het voordeelig groeien en bloeien van het jongvee. De jonggeboren lammeren en geitjes worden in de eerste dagen huns levens in de Joerte opgenomen en zijn weldra in deze zoo te huis, dat zij de tent onder weegeklag verlaten, wanneer bijzondere omstandigheden zulks noodzakelijk maken. Later komen zij in den naast de winterwoning opgerichten stal, in de vrije steppe niets dan een in den grond gegraven kuil, over welken de koude wind zonder uitwerking heenstrijkt, en eindelijk aan de lijn, „Keugeum” genoemd, die voor elke Joerte tusschen sterke, in den bodem gedreven palen wordt uitgespannen. Zoodra zij beginnen te grazen, drijft men de dieren in afzonderlijke kudden in de vrije steppe, om ze des avonds naar de Joerte terug te brengen. Zoo worden de dieren van hunne jeugd af gewend aan het vrije steppenleven, gehard tegen weêr en wind, storm en regen.In vergelijking met de paarden, schapen en geiten speelt het rund eene vrij ondergeschikte rol. Wel is waar ziet men in de nabijheid van elke Joerte ook eene kudde dezer dieren, maar hun aantal staat in geen verhouding tot die der anderen. Het rund is grooter en beter van vorm dan dat der Russische en Siberische boeren, maar moet voor dat der Chineezen onderdoen en kan zich in de verste verte niet meten met de goede rassen van West-Europa. Het is middelmatig groot en vleezig, het vel is kort- en gladharig, de horens zijn lang[394]en naar buiten gericht, de kleur is gemeenlijk fraai donker roodbruin.Men weidt het dier in vrij talrijke kudden, maar laat het zonder toezicht zijn voedsel zoeken, terwijl men de melkkoeien tot zich lokt door de bij de Joerte vastgebonden of gehoed wordende kalveren; de ossen daarentegen komen dikwijls gedurende vele dagen niet in de Aul terug.Wel elke groote Aul, maar volstrekt niet elke Kirgies bezit kameelen, en zelfs de rijkste onder hen zelden meer dan vijftig stuks. Want het kameel geldt en met reden voor het zwakste aller huisdieren der trekherders in genoemde steppen; zijn eigenlijk vaderland ligt oostelijker en zuidelijker. In de door ons bereisde steppen fokt men alleen het tweebultige kameel, in de zuidelijk van het Balkaschmeer gelegen steppen, evenals in Midden-Azië daarentegen den dromedaris; men kruist ook dit laatste wel met den eersten, waaruit bastaarden geboren worden, wier beide bulten bijna tot een zijn versmolten. Het kameel der midden-steppen behoort tot een der lichtere rassen, en is dan ook lang niet zoo zwaar gebouwd als die exemplaren, welke wij in onze diergaarden te zien krijgen, wel even dicht behaard. Het verdraagt intusschen de winterkoude veel minder goed dan de andere huisdieren der Kirgiezen; het verlangt om neêr te knielen of om te rusten een vilten deken, waarop het zich nederlegt, maar vat ook nu nog dikwijls koû, zoodat het niet zelden bezwijkt. Wanneer het verhaart moet men het met vilten dekens omkleeden, in den zomer tegen de steken van muggen en bremsen beschermen, zoo men geen gevaar wil loopen, het dier te verliezen; in ’t kort, het is een voorwerp van gestadige zorg en dus niet geschikt voor den armen man, wien elk verlies dubbel treft. Evenals de dromedaris is het in zijn voedsel matig en weinig eischend; evenals gene in denbronsttijdgevaarlijk, zelfs voor zijn meester, wien hij overigens veel aanhankelijkheid betoont; het kameel onderscheidt zich echter de overige tijden des jaars zeer gunstig van den dromedaris, door zijn gewilligheid en zachtzinnigheid. Mij, die jarenlang met dromedarissen heb omgegaan, vielen deze voortreffelijke eigenschappen zeer in ’t oog; ik werd er schier door in de war gebracht, zoodat ik meende met een ander dier te doen te hebben.Het kameel laat zich gewillig opvangen; wel is waar niet geheel zonder morren, maar toch zonder dat afschuwelijke, zenuwontstellende gebrul te laten hooren, dat den dromedaris kenmerkt, knielt het neêr, wanneer het belast moet worden, en zelfs in den draf draagt het zonder[395]klagen niet te zware lasten, dertig tot veertig kilometer elken dag afleggende. Wanneer de last afzakt staat het dier uit eigen beweging stil. Onder den man kan het van vijftig tot zestig kilometer elken dag afleggen; met vierhonderd kilogram beladen, waardoor het tot langzame, maar wijde passen genoodzaakt wordt, legt het nog de helft van dien weg af. Het graast altijd in de nabijheid der Joerten, gemeenschappelijk met alle soortgenooten van den Aul en geldt in de oogen der Kirgiezen bijna voor een heilig dier.KIRGIEZEN MET DROMEDARISSEN.KIRGIEZEN MET DROMEDARISSEN.De hond eindelijk, het minst geachte huisdier der Kirgiezen, is gewoonlijk een groot, maar geenszins altijd fraai dier, hoe bepaald gunstig hij zich ook overigens moge onderscheiden van de leelijke keffers, die men elders in Siberië en Turkestan te zien krijgt. De kop is lang[396]maar plomp, de ledematen gelijken meer op die van een windhond dan van een herdershond, het haar is lang en wollig, de staart sterk behaard, de kleur zeer uiteenloopend.Uiterst waakzaam en moedig, opgewassen tegen den wolf, een zich zelf bewust, oplettend beschermer van het zwakke vee, den vreemdeling wantrouwende, een trouw slaaf van zijn meester, voor den volwassene een ongezellige zonderling, voor het kind een aardige speelkameraad, vereenigt deze hond vele deugden van zijn geslacht in zich en ontbreekt om die reden in geen enkele Joerte, althans in geen enkele Aul.Het geheele leven der Kirgiezen draait om de kudden, van welke men het meest mogelijke voordeel tracht te trekken en die daarom zorgvuldige oppassing en bewaking behoeven. De vrouwen zorgen voor het eerste, de mannen voor het laatste. Met uitzondering der beenderen, die achteloos worden weggeworpen, gebruikt men alle mogelijke deelen van deze dieren, evenals men ook alle soort van vee melkt en zulks zoolang het maar mogelijk is.De hoeveelheid plantenvoedsel, die een Kirgies gebruikt, beteekent zoo goed als niets, vergeleken met zijn dierlijk voedsel; uit melk en vleesch bestaan onder alle omstandigheden zijn spijzen; plantaardige zelfstandigheden zijn slechts toevoegselen tot de eerste. Brood, in den eigenlijken zin des woords eet hij bijna geheel niet, en zelfs de kleine klompjes meeldeeg, die men tot het gebak zou kunnen rekenen, worden in vet gekookt en niet gebakken. Ook meel en rijst, het laatste alleen in de Joerten der rijken een meer dagelijksch gerecht, dienen alleen slechts om in het eeuwige eenerlei van melk- en vleeschspijs wat afwisseling te brengen. Geen wonder alzoo, dat de Kirgies bedreigd wordt door den hongerdood; en dat deze hem vaak maar al te dikwijls werkelijk bezoekt, wanneer eene algemeene veeziekte in de binnensteppe uitbreekt.Rijke Kirgiezen houden de melk der schapen en geiten afgezonderd van die der koeien, merries en kameelen; arme lieden vermengen alle soorten van melk in hetzelfde vat en verkrijgen dus ook alleen de voortbrengselen der schapenmelk uit de uiers hunner nuttige dieren, terwijl eerstgenoemden zich nog hoogere genietingen kunnen verschaffen. Uit de melk van geiten en schapen, die men in denzelfden emmer opvangt en in denzelfden lederen zak verzamelt, bereidt men niet alleen verschillende gerechten, die zonder of met[397]bijvoeging van meel worden gereedgemaakt en terstond genuttigd, maar daarenboven boter, en kleine, zandige, zuur of bitter, voor een Europeesch gehemelte walgelijk smakende kaasjes, verder den ook voor ons lekkeren, gelen „quark,” die evenals de kazen tot wintervoorraad dient, en in water opgelost, in den vorm van soep wordt opgedischt; uit de koemelk bereidt men hoofdzakelijk zure melk, zelden „quark,” kaas en boter; uit merrie- en kameelenmelk eindelijk koemys, den dikwijls beschreven, door vierdaagsche gisting onder voortdurend omschudden en kloppen verkregen melkwijn, de hooggeschatte en werkelijk goed smakende feestdrank van alle welgestelde Kirgiezen, die zich daaraan dikwijls dronken drinken.In den zomer voedt ook de rijkste Kirgies zich bijna uitsluitend met melkspijs, want in dezen tijd slacht hij slechts bij feestelijke gelegenheden en gewichtige gebeurtenissen een zijner dieren. Met het begin van den winter daarentegen vallen schapen en geiten, paarden en runderen, ja zelfs kameelen onder het slachtmes. Als het lekkerste beschouwt men paardenvleesch, vooral dat der merries; het minst geacht is rundvleesch. Schapenvleesch neemt den tweeden rang in, kameelenvleesch houdt men voor bijzonder krachtig inwerkend op den geest, geitenvleesch is een bewijs van armoede, en den gast voorgezet, een teeken van minachting. Het beste stuk paardenvleesch is dat van het kruis, terwijl van schapenvleesch de borst de meeste waarde heeft; het buikvet van jonge paarden gaat door voor eene bijzondere lekkernij; daarom wordt het gezouten, in darmen gestopt, gerookt en bij gastmalen opgedischt nevens koemys.Behalve datgene, wat tot voedsel kan dienen, benut de Kirgies nog daarenboven bijna alles, wat zijn fokbeesten opleveren. Uit de wol der schapen vervaardigt hij het voor hem onmisbare vilt; het kameelenhaar wordt gesponnen en uit het garen worden geweven stoffen bereid; in het donsachtig onderhaar legt de moeder haar pasgeboren kind. Het lange geitenhaar dient voor franjes aan de tapijten en lakens, voor kwasten en strikken, het korte wolhaar wordt gesponnen om er linten voor de Joerte uit te weven, uit de maan- en staartharen der paarden eindelijk vlecht men leidsels en touwen voor de Joerte. Uit de schapenvellen breit men de gewone winterpelzen, uit die van geiten en geitebokjes pronkpelzen, de in vlokken afgedeelde wol is een uitnemend opvulsel voor sommige kleedingstukken, terwijl uit de huid van alle dieren leder wordt bereid. Voor het te vele of niet gewaardeerde[398]schapen- en rundervet, voor de verkochte schapen, runderen en paarden ruilt de Kirgies allerlei zaken op de wereldmarkt in; uit de opbrengst van het verkochte vee betaalt hij zijn belastingen, koopt hij zich ongemunt zilver om hiermede te pronken, het ijzer, dat hij bewerkt, de tapijten, kleederen en zijden stoffen, waarmede hij zich zelf en zijne Joerte tooit. Het vee is en blijft de eenige bron van voedsel, tevens de eenige bron, waaruit alle andere gaven opwellen; het beetje land, dat hij nu en dan beploegt, bezaait, bevloeit en oogst, beteekent, in vergelijking met zijne kudde, niets.Niet de vrije wil, maar de noodzakelijkheid, de behoeften der kudden bepalen de woonplaats en de levenswijze der Kirgiezen, en dwingt hen heden hierheen, morgen daarheen te trekken, op deze plaats te verwijlen, van gene te scheiden. Dientengevolge is het trekken der Kirgiezen niet een doelloos heen en weêr zwerven door de wijde steppe, maar een overdachte plaatsverandering, die zich regelt naar het jaargetijde en naar den aard van het te weiden vee. Een doelloos omdwalen verbiedt de steppe zoowel in den zomer als in den winter, in den herfst zoowel als in het voorjaar; zulks zou de kudde in den winter aan de vreeselijkste stormen blootstellen, in den zomer doen versmachten, in het voorjaar haar wellicht in overvloed doen zwelgen, maar reeds in den herfst meer gebrek doen lijden dan wenschelijk is. Daarom begint de Kirgies zijne wandeling van de laagvlakte uit, klimt langzaam naar de hoogte op, zelfs tot in de hooggebergten, en daalt dan weder langzaam naar de laagte terug. De verschillende kudden hebben echter verschillende behoeften; schapen en geiten houden van harde, geurige kruiden, gelijk de zoutsteppe voortbrengt, de paarden beminnen het meest het vrije kruid der gebergten, vooral dat, hetwelk tusschen de steenen en rotsen groeit, terwijl de runderen het liefst op een mollig grastapijt grazen; de kameelen vinden behalve in de harde planten der zoutsteppe nog in doornen en distelen een welkom voedsel. Rijke lieden, die evenveel verschillende kudden kunnen vormen als zij verschillende dieren houden, laten dan ook deze allen afzonderlijk trekken en weiden, en alleen de armen reizen met hunne geheele kudde van plaats tot plaats. Eindelijk hebben ook de menschen invloed op elkander. Geen grenssteenen, maar wel eeuwenheugende rechten en verdragen regelen zelfs in de steppe het eigendomsrecht en de grenzen; elke stam, elke afdeeling van een stam, elke gemeente, ja zelfs iedere Aul maakt aanspraak op de reeds door de voorouders[399]in gebruik genomen weiden en duldt daarop geen vreemde kudde, geen vreemden herder, en strijdt voor dat recht met de wapenen in de hand, tegen iederen indringer, zelfs tegen de broeders van denzelfden stam. Zoo wordt het begrijpelijk, dat de trekherder zijn eigen, dikwijls zeer nauw omschreven wegen bewandelt. Die wegen kunnen elkander kruisen, maar zij zijn nimmer dezelfde, want ieder heeft eerbied voor de rechten van anderen, of wordt door zijn stamgenooten tot zoodanigen eerbied gedwongen.Een vaste woonplaats eerst krijgt de Kirgies in het graf; toch heeft hij een tehuis. In uitgestrekten zin is dit het gebied, dat hij bereist, meestal de laagte en het dal van een riviertje of beekje, in engeren zin het winterleger, van waar hij uittrekt en werwaarts hij steeds terugkeert. In de nabijheid van dit winterkwartier rusten, zoo niet alle, de meesten zijner dooden. Derwaarts zendt de regeering haar gezanten om de belastingen te innen of opnieuw te schatten; hier brengt hij wel is waar niet den schoonsten, maar wel den grootsten tijd zijns levens door; hier lijdt en doorstaat de over ’t algemeen vroolijke en onbezorgde Kirgies zijn zwaarste en ernstigste zorgen.De winterwoning kan verschillend zijn, maar het winterleger moet aan bepaalde eischen voldoen. Deze zijn: het dal, in hetwelk het leger zal opgeslagen worden, moet zooveel mogelijk beschut zijn tegen de koude en de zoo verderfelijke noorden- en oostenwinden; men moet de Joerten aan de zonzijde kunnen opslaan en zonder bezwaar vaste woonhuizen kunnen bouwen; het water mag nooit kunnen ontbreken, en weiden moeten in de nabijheid liggen. Deze voorwaarden worden het best vervuld door een door den stroom diep in de omgeving ingesneden rivierdal, waar in de zomermaanden het gras niet verdort, zoodat het gelegenheid aanbiedt te gepaster tijde hooi te winnen, terwijl er toch nog wintervoeder overblijft; zooveel mogelijk moet men in de wilgen- en populierenboschjes langs de rivieroevers een voorraadschuur van brandstof kunnen vinden, om de gedroogde mest te vervangen. Daarom kiest men slechts dan ook nog andere plaatsen uit, wanneer men ook nog andere in den zomer om watergebrek gemeden streken, b.v. eene zoutsteppe, zich wenscht dienstbaar te maken, zoodra de sneeuw, die nu den grond bedekt, het water vervangen kan.Is de winterwoning een vaststaand gebouw, dan bestaat deze uit een werkelijk ellendige, dompige, vochtige, donkere hut, die zoo licht[400]is gebouwd, dat men reeds vooruit op de sneeuw moet rekenen, om de muren en het dak te dichten en tegen het weder te beschermen.KIRGIEZEN, MET HUNNE KUDDEN DOOR HET GEBERGTE TREKKENDE.KIRGIEZEN, MET HUNNE KUDDEN DOOR HET GEBERGTE TREKKENDE.Die muren bestaan slechts bij uitzondering uit op elkander gestapelde boomstammen; meestal worden zij opgebouwd uit ruwe steenen, en nog vaker uit gevlochten wilgen teenen, of aaneengeschaarde rietbundels. Dak en bedekking bestaan altijd uit riet. Daarnaast vindt men een eveneens gebouwden stal voor het jongvee, en op eenigen afstand bevindt zich de omheining voor de oude dieren.Met het begin van den winter betrekt de Kirgies deze woning, zoo hij niet, gelijk regel is, ook thans nog de voorkeur geeft aan de veel aangenamer Joerte. Voor de verwarming heeft hij reeds in het verloopen voorjaar gezorgd; toen heeft hij, of beter gezegd zijne vrouw, die in ’t algemeen belast is met alle onaangename en zware werkzaamheden, de mest met wat stroo vermengd en daaruit vierkante koeken gevormd, deze in de zon gedroogd en op hoopen gestapeld. Al het gras van den omtrek is gespaard gebleven om in de naaste omgeving der Joerte of van het huis voldoend voedsel voor het vee te hebben; het hooi werd op afgelegen plaatsen geoogst en herwaarts gebracht. Is de winter „goed” d.w.z. valt er niet veel sneeuw, dan vindt het vee ook nu nog voedsel genoeg; is de winter streng, dan verijdelt hij dikwijls alle voorzorgen van den herder en eischt meer levens dan de lente schonk. Daarom heerscht er in een goeden winter vroolijkheid in de donkere hut, terwijl in een strengen winter, die de kudden tot geraamten doet vermageren, verdriet en zorg zich woning maken in de vriendelijke Joerte; en daarom heerscht er in blokhuis en Joerte òf welvaart òf treurig gebrek in het gevreesde getijde des jaars.Eerst tegen het einde van April, in vele jaren niet vóór het einde van Mei, verlaat de herder met het laatste gedeelte zijner kudden het winterkwartier en vangt de reis aan. De paarden, die hun eigen hoeders hebben, zijn reeds weggetrokken om het kleinvee niet te hinderen. De jonge, dartele veulens, die voor weinige weken, tegelijk met de sikjes geboren werden, zouden geen overlast veroorzaken, maar wel de jonge hengsten en merries, die in dit voorjaar geslachtsrijp worden. Delaatstgenoemdenspringen in dartelen overmoed om de gansche kudde, ofschoon zij de intusschen rustig voortgrazende en nu en dan hen naziende moedermerries niet verlaten; de manbare jonge paarden daarentegen veroorzaken voortdurende onrust en eischen eene verdubbelde[401]opmerkzaamheid van den kant der insgelijks verdubbelde herders. Op dit oogenblik vechten de jonge hengsten met den ouden, deftigen en heerschzuchtigen aanvoerder van den troep; straks dringen de jonge merries, telgen van zijn eigen bloed, zich tegen den vader en noodzaken dezen, haar door bijten te verdrijven; dan weder tracht hier of ginds een jong paard te ontvluchten en stormt met tegen den wind gerichten kop en wijd geopende neusgaten de steppe in. Oogenblikkelijk echter werpt zich de herder te paard en rent in vollen galop den vluchteling na, evenals deze over steg en heg, langs berg en dal vliegende. In zijne rechterhand houdt hij den langen herdersstok, met den daaraan bevestigden lasso; hij komt de vluchtende jonge merrie al nader en nader, reeds zweeft de gevreesde strik boven haar hoofd; daar zwenkt zij plotseling zijdelings af, werpt tergend de achterpooten hoog in de lucht, om dan als de stormwind zoo snel weêr verder te rennen; verder en verder voert de wilde jacht, totdat eindelijk de herder er in slaagt, de voortvluchtige in te halen en, aan den strik gebonden, langzaam naar de kudde terug te brengen. Hoe bekoorlijk dit schouwspel voor den niet belanghebbenden toeschouwer, misschien ook voor den paardenhoeder zelf moge zijn, voor het rustige, kalme trekken van het kleinvee zou zulks nadeelige gevolgen kunnen hebben, en daarom zendt men de paarden vooruit. De schapen en geiten zouden bovendien niet in staat zijn even snel te reizen als de paarden; zij zijn vooreerst door den boozen winter verzwakt, en in de tweede plaats zijn de lammeren en jonge geitjes nog niet sterk genoeg om snel te reizen. Splitsing der kudden is dus gebiedend noodzakelijk.De Kirgies, die de schapen hoedt, legt aanvankelijk elken dag maar een kleinen weg af „een schaapsweg”, en toeft overal, waar gras genoeg is, zoolang het vee gretig vreet. Op zulk een tocht opent de op zijn os gezeten en tegen alle weêr en wind geharde schapendrijver den stoet. De schapen loopen vrij snel voort; nu eens dringen zij opeen, dan weer loopen zij uit elkander, telkens in den marsch stil houdende om van eene bijzonder lekkere plant te genieten, altijd vretende, ten minste altijd snoepende; de herder, gezeten op zijn almede altijd doorgrazend rijbeest, vergezelt hen. De lammeren en jonge geitjes volgen de ouden, maar op zulk een afstand, dat zij de ouden niet kunnen zien of hooren. De rammen trekken, indien er nog ouden over zijn of nieuwe worden aangefokt, langs andere wegen voort. Zijn alle dieren vertrokken, dan breken de vrouwen de Joerte af, beladen daarmede,[402]alsook met het weinig huisraad de kameelen of trekossen, stijgen met de kinderen te paard, rijden langzaam het melkvee na, halen dit tegen den middag reeds in, melken, en trekken met de verzamelde, in lederen zakken bewaarde melk verder, om vóór zonsondergang de Joerte weêr op te bouwen. Zoo gaat het dag in dag uit. Brengt het voorjaar nieuw groen, dan verwijlt men eerst eenige dagen, daarna vele weken achtereen op dezelfde plaats, tot ook hier het gras begint te ontbreken, en verder trekken noodzakelijk maakt.Doet het meer en meer gevorderde voorjaar ook de nog in hunne pophulsels sluimerende insecten ontwaken, vullen ontelbare zwermen muggen, vliegen, bremsen en andere kwelgeesten de lucht, dan wendt men zich zoo mogelijk naar het gebergte en klimt dit tot de hoogste weiden, dicht beneden de sneeuwgrens op. Daar de herder geen honden heeft, viel het hem reeds daar beneden moeilijk de kudde bijeen te houden; in het gebergte heeft het nog meer bezwaren den „schaapsweg” af te leggen, en kan hij ter overwinning van zekere moeilijkheden niet buiten de hulp van andere, te paard rijdende mannen. Zoolang men zich op een vast pad bewoog, kon de tocht nog voortgezet worden, onverschillig of de weg zich langs bebloemde weiden slingert, of over hellingen en steilten voert. De geiten, die de schapen zijn vooruitgesneld, wagen zich onverschrokken en onderzoekend aan den rand van een afgrond, waarvoor dezen verschrikt terugdeinzen, loopen daarna langs een doelmatiger weg vooruit, getrouw gevolgd door de schapen. Maar wanneer men eens in plaats van een murmelend beekje een breed en woest schuimend water ontmoet, dat den weg verspert, maar evenwel overgetrokken moet worden, dan wordt het iets anders. Het vooral den schapen zoo bepaald vijandige element ziende, blijven ook de geiten, die zich anders in allerlei omstandigheden weten te schikken, onthutst staan; de schapen deinzen angstig terug en klimmen op de naburige rotsen als wilden ze daar eene schuilplaats zoeken. De herder rijdt tevergeefs door den bruisenden stroom; van den overkant teruggekeerd, drijft hij te vergeefs de onwillige kudde naar den rivierkant. Met een luid geblaat geven de schapen hun angst te kennen, en bedenkelijk blaten ook de geiten, totdat het geduld van den herder is uitgeput. Een oogenblik zweeft de noodlottige strik boven het hoofd van een der schapen; het volgende oogenblik voelt het zich dien om den hals gesnoerd; de ruiter trekt het dier naar zich toe, en weer een oogenblik later is het in den vloed geslingerd. Nu moet het met alle[403]kracht arbeiden. Met rukken zwemmende, meer springende dan roeiende, werkt het zich van het eene rotsblok naar het andere, wordt, nog vóór het den grond raakt, door het draaiende water gegrepen en voortgesleurd; het trapt, spartelt, springt, zwemt opnieuw, wordt nog eens en nog eens door het water medegesleurd, en bereikt eindelijk, meer uitgeput door den doorgestanen angst dan door de inspanning, den anderen oever. In alle leden sidderende, verzekert het zich of het werkelijk vasten grond onder de voeten heeft, schudt de natte vacht, blikt met schuwen blik nog eenmaal achterwaarts—en begint thans gulzig te vreten om zich zooveel mogelijk schadeloos te stellen voor den geleden angst. Middelerwijl zwemmen de overige leden der kudde, de een na den ander, ’t zij vrijwillig, ’t zij gedwongen, de wilde beek over, tot het geheele gezelschap den anderen oever heeft bereikt, zich verzameld heeft, en de reis weder kan worden voortgezet. Op deze wijze klimt de trekherder het gebergte in. Begint het daarboven koud te worden, vermaant wellicht een sneeuwbui reeds aan den komenden winter, dan wandelen herder en kudde weder naar omlaag, nu zooveel doenlijk de beschaduwde kloven opzoekende, tot weder de laagvlakte is bereikt en men in de nabijheid van hetwinterkwartieris gekomen.Alle huisdieren der Kirgiezen raken spoedig vertrouwd met de verschillende streken, waar men hen laat weiden, hoe ook de plaatselijke gesteldheid moge zijn; allen kennen reeds na een paar malen grazend te hebben rondgeloopen, zulke plekken, en zoeken die zelfs zonder behulp van den herder met zekerheid op; ook komen zij vanzelf naar de Joerte loopen om zich hier te laten melken. Als lokmiddel bezigt men echter de kunstgreep, dat men reeds van Mei af aan de zoogende moeders haar jongen laat zien, en deze in de nabijheid van de Aul laat weiden, zoodat men het verlangen naar haar kind in het moederhart opwekt. Op deze wijze wordt het melken op vaste tijden mogelijk en kan de meesteres der Joerte hiernaar haar tijd indeelen en haar bezigheden regelen.KIRGIEZEN-AUL.KIRGIEZEN-AUL.Met uitzondering alleen van de merries, die door mannen worden gemolken, voor welke bezigheid ten minste twee, zoo niet zelden drie personen vereischt worden, is het melken aan de vrouwen opgedragen. In den vroegen morgen heeft men de kalveren, lammeren en jonge geitjes, onder streng toezicht, een weinig laten zuigen, dan van de moeders gescheiden, en oud en jong naar de weide gedreven. Tegen den middag brengt men alleen de moeders naar de Joerte, en zoo ook[404]des avonds, om ze te melken. Met behulp der honden, die nu in dienst treden, houdt men de geheele kudde op de kleinst mogelijke ruimte bijeen en vangt dan den arbeid aan. De vrouwen en dienstmaagden eener Joerte of de buurvrouwen van een Aul verschijnen met hare melkvaten, grijpen met vaste hand een schaap, een tweede en een derde, slepen ze naar de lijn, leggen ze een uit de lijn zelf gevormden strik om den hals en dwingen zoo de dieren in twee rijen, met de koppen naar binnen, met de uiers naar buiten gericht te blijven[405]staan. In weinig minuten heeft men dertig tot veertig schapen en geiten naast elkander, een zoogenoemde „keugeun.” Op hetzelfde oogenblik dat de dieren den strik voelen, blijven ze staan, zich van vroeger herinnerende welke gevolgen het tegenspartelen heeft; rustig laten zij thans alles toe. De vrouwen, tegenover elkander gehurkt, beginnen thans gelijktijdig aan denzelfden kant met den arbeid; zijn er zeer veel schapen dan ook wel aan de beide kanten der dubbele rij tegelijk. Zij vatten de korte tepels met duim en wijsvinger en tappen de melk met snelle op- en neêrgaande bewegingen af. Stroomt de bron niet overvloedig genoeg, dan geven zij met de linkervuist een klap tegen den uier, even gelijk zuigende jongen ook plegen te doen, en eerst wanneer dit middel niet meer baat, gaan zij over tot een tweede beest. De mannen der Joerte of Aul, die misschien bij het opvangen en vastmaken van het kleinvee de behulpzame hand hebben geboden, zitten onder het melkbedrijf, in allerlei, ons onmogelijke, ja bijna ondenkbare houdingen bij elkander en vieren vrijen teugel aan hunne „roode tong.”Een der kleinste jongens aanvaardt misschien wel op een of ander schaap zijn eersten proefrit, zoo hij er al niet de voorkeur aan geeft op de schouders zijner opvoedster te gaan rijden. De laatste laat zich door zulke heldendaden van haar spruit even zoo weinig van de wijs brengen als andere kleine ongevallen zulks vermogen. Of zij op drogen grond of over de weeke schapenmest wandelt, of de laatste onder het melken in het uit populierenhout vervaardigde melkvat valt, dit alles deert haar niet, want die melkkuip is toch al even vuil als hare melkende handen, en schapenmest is wel in onze stompzinnige oogen een onrein iets, maar niet in die van den korangeloovigen Kirgies. Het laatste individu is eindelijk gemolken, en de dieren, die ondertusschen uit puur tijdverdrijf zich met herkauwen hebben beziggehouden, kunnen nu weder losgelaten worden; één snelle ruk aan het eene eind des touws, en alle strikken zijn los, alle schapen en geiten vrij.De herkregen vrijheid wordt begroet met een algemeen geblaat; de dieren schudden zich een en ander maal en zelfs de herinnering aan de korte slavernij is vervlogen. Nu loopen allen, zoo snel zij kunnen, de vlakte in, zoo ver mogelijk uit het gezicht der Joerte, in het gebergte schielijk de bergen op, alsof slechts daar de lucht der vrijheid woei. Eigenlijk beoogen zij zoo spoedig mogelijk bij hunne jongen te komen. Den ganschen dag hebben zij deze gemist; nu—zij weten[406]het bij ervaring—moeten de lieve spruiten verschijnen. Al blatende loopen de schapen in ’t rond, verlangend mekkerend kijken zelfs de schrandere geiten om zich heen, als om te onderzoeken of de te verwachten schare reeds komt opdagen, of in de verte zichtbaar wordt. Luider wordt het geblaat, want elke nieuw verloste rij brengt beweging in alle om de Aul verzamelde schapen en geiten, maar ook het met elke minuut toenemende ongeduld der moeders geeft aanleiding tot een vernieuwd klagend, steunend blaten. Hoe langer het duurt, des te onrustiger worden de trouwe moeders. Doelloos dwalen zij rond, heen en weder, beruiken elk halmpje, elk grasje, plukken echter geen enkel af, heffen de koppen nu eens vol verwachting vroolijk omhoog, om ze een oogenblik daarna weder ontmoedigd en treurig naar beneden te laten zinken; dan blaten zij weder, blaten nogmaals. De onrust wordt zinneloosheid, het geblaat verandert in een gebrul.Daar laten zich in de verte hooge en zwakke tonen hooren. Deze ontgaan het opmerkzaam oor der moeders niet. Een uit alle kelen gelijktijdig voortgebracht geblaat en gemekker is het antwoord; het gansche gewicht van het door ’t lange wachten zoo hoog gestemd moederlijk verlangen baant zich door één enkelen kreet een uitweg. En uit de verte, van af de bergen, in de richting der Joerten stormen de naar hunne moeders verlangende lammeren en sikjes, de grootsten en sterksten in de voorhoede, de jongsten en zwaksten achteraan, allen echter zoo snel zij kunnen, vroolijk springende, door het opgeworpen stof half onzichtbaar, in eene schare, die steeds grooter wordt naarmate zij dichterbij komt. Een oogenschijnlijk niet te ontwarren gewemel treft de oogen; ouden en jongen, eindelijk vereenigd, rennen doelloos dooreen, terwijl zij in ’t voorbijloopen elkander vluchtig aanraken, als om zich door een nieuw zintuig te vergewissen of zij, die bij elkander behooren, werkelijk elkander hebben gevonden; weder loopen zij in verwarring dooreen, als dit niet het geval is; de lammeren en jonge geitjes snellen gewoonlijk vooruit, daar zij door een trap op de pooten, hun door het moederdier toegebracht, er aan herinnerd werden, dat zij zich vergist hebben. Van lieverlede ontwart zich de kluwen; in minder tijd dan men denken zou, hebben moeder en kind elkander gevonden, en knielt het laatste zuigend onder den buik der moeder, begeerig de nog overgebleven melk uit den uier te halen. En wanneer nu ook het blaten en mekkeren niet ophoudt, dan drukken die klanken thans slechts vreugde uit.[407]Maar slechts kort duurt dit geluk. Elke reeds zoo goed als geledigde uier is ras uitgeput, en in weêrwil van alle stooten en kloppen vloeit de melk niet meer. Maar moeder en kind willen nog langer van de geneugten des samenzijns genieten. De gemengde schaar verspreidt zich naar alle zijden; de gewillige oude klautert het vroolijke jonge dier na, wanneer dit naar den aard zijns geslachts de naastbijgelegen hoogte bestijgt, of schijnt met genoegen gade te slaan, dat een der bokjes in eene plaagzieke bui zijn krachten met een ander meet. Schilderachtig tooit de bonte kudde de omgeving der Joerten; het aanminnigste beeld van een vreedzaam en behagelijk herdersleven ontrolt zich voor het oog van hem, die hart en oogen heeft voor zulk een tooneel.Ook de melksters gunnen zich thans een korte rust, nemen de kinderen op den schoot en vervullen haar moederplichten of voldoen aan moederlijke verlangens; spoedig echter wacht haar nieuwe arbeid. Brommend melden zich de huiswaarts gekeerde koeien aan, om ook harerzijds de moedervreugde deelachtig te worden; ijlings staan de vlijtige vrouwen op, brengen de van te voren aangebonden kalveren bij de koeien, laten deze een weinig zuigen, trekken ze dan van de uiers af, melken deze uit, en schenken nu ook aan de zuiglustige kalveren de volle vrijheid. Ondertusschen hebben de herders en de honden de kudde kleinvee weder bijeengedreven, en oud en jong, mannen en vrouwen, knapen en meisjes vereenigen zich thans om de lammeren op te vangen, en deze aan eene bij de Joerte aangebrachte lijn met behulp van stevige strikken, waarin zij zich evenwel niet kunnen verhangen, voor den nacht vast te binden, opdat de ouden hun de uiers niet zullen kunnen reiken. Zonder blaten en schreeuwen gaat zulks niet in zijn werk en daartusschen mengt zich het schreien en huilen der kinderen, die weder naar moeders schoot verlangen, het loeien der koeien en het blaffen der honden. Alleen de reeds vastgebonden lammeren der schapen en geiten schikken zich gelaten in het onvermijdelijke. Enkele bokjes beproeven nog bij wijze van spiegelgevecht de kracht hunner uitspruitende horens, maar zij worden spoedig vermoeid en leggen zich vredelievend neder naast den zooeven nog bevochten vijand; nog vóór de geheele rij is vastgemaakt, ligt reeds het grootste aantal jongen op de saamgebogen pooten en heeft zich aan de rust overgegeven. Het eene na het andere moederschaap, de eene na de andere moedergeit bezoekt de rij, besnuffelt de jongen tot zij het hare[408]heeft gevonden, maar keert spoedig weder naar de kudde terug, na zich te hebben overtuigd, dat het onmogelijk was zich naast haar kind neder te leggen.De zon is reeds geruimen tijd onder, de schemering wijkt voor het nachtelijk duister. Het wordt elk oogenblik stiller in de Joerten. Mensch en dier heeft de rust gezocht en gevonden; alleen de honden beginnen thans onder opzicht en leiding van een waakherder hun rondgangen en zwerftochten, maar ook zij slaan slechts dan aan, wanneer daartoe werkelijk aanleiding is, wanneer zij een rondsluipenden wolf of een anderen dief hebben weg te jagen. Een koele, maar geurige, vochtige zomernacht daalt op de steppe neder en een verkwikkende slaap in dit rijke en schoone jaargetijde vaagt bij herder en kudde zelfs de herinnering weg aan den boozen winter.[409]

Hoe rijk de Middel-Aziatische steppe ook zijn moge, hoe afwisselend zij vooral zich voordoet aan hem, die haar in het voorjaar bezoekt, hoeveel vruchtbare landen zij ook moge insluiten,—zetelvastheid, wonen en hangen op een en dezelfde plaats veroorlooft zij slechts op enkele, meer dan elders begunstigde gedeelten. Trekken en reizen, komen en gaan, verschijnen en verdwijnen verlangt zij van al hare kinderen, van den mensch zoowel als van de dieren, die in haar wonen en leven. Sommige gedeelten moge de landman zich ondergeschikt maken, op enkele plaatsen moge men steden en dorpen grondvesten, het grootste gedeelte der steppe zal wel altijd verblijven aan den rondzwervenden herder, die geleerd heeft zich te plooien naar alle omstandigheden.

Onder de Nomaden der steppe bekleeden de Kirgiezen de eerste plaats, zoowel wat hun aantal als hunne volkseigenaardigheden betreft. Hun gebied strekt zich uit van de Don en Wolga tot aan het Thian-Schangebergte en van den middelloop der Irtysch tot de zuidelijke streken van het Balkaschmeer, ja bijkans tot Chiwa en Boechara; dit volk is verdeeld in horden en stammen, in steppenherders en bergherders, maar deze allen zijn één in afstamming, taal, geloof, zeden en gebruiken, niettegenstaande het verschil, dat de afzonderlijke stammen schijnt te kenmerken. In de Orenburger steppe weidt en zwerft de kleinste of jongste horde, in de steppen tusschen de Wolga en de rivier de Oeral, dus in de gouvernementen Toergai en Oeral, een daarvan afgescheiden tak, die zich de Boekaische horde noemt; in de steppen en gebergten van het gebied van de Irtysch en het Balkaschmeer huist en trekt de middelste of oudere horde, aan gene zijde van de Illi eindelijk, tot in de nabijheid van Boechara en Chiwa moet men de wisselende woonsteden der Berg-Kirgiezen zoeken, die zich de groote of[385]oudste horde noemt. Kirgies noemt zich overigens geen enkele tak van het geheele volk; die naam is een scheldnaam, die zooveel als „roover” beteekent; de eigenlijke naam dier volken isKaisakofKasak, wij zouden zeggen „Kozak”, ofschoon zelfs de Russen onder Kozakken tegenwoordig geheel andere menschen begrijpen dan onze steppenbewoners.

De Kirgiezen, gelijk ik ze wil blijven noemen, behooren tot een der Turksche stammen, eene volkerengroep, over wier plaats in de rij der menschenrassen men verschillend oordeelt. Vele, zoo niet de meeste reizigers, verklaren de Kirgiezen voor echte Mongolen, terwijl anderen, en zeker met meer recht, hen beschouwen als van gemengd ras te zijn, dat wel is waar in sommige opzichten aan de Mongolen herinnert, maar over ’t geheel meer overeenkomst bezit met de Indogermanen en nog de meeste gelijkenis vertoont met de Turkomenen. De Kirgiezen, die ik gezien heb, allen behoorende tot de middelste horde, zijn middelmatig groot van gestalte, soms vrij klein, goed gevormd, met wel is waar niet schoone gelaatstrekken, maar toch ook niet met het karakteristieke, Mongoolsche apengezicht; zij hebben fraaie handen en voeten, eene lichte, of doorschijnend lichtbruine, naar ’t geel trekkende huidkleur, bruine oogen en zwarte haren. De jukbeenderen zijn zelden zoo vooruitstekend, de kin is zelden zoo smal, dat het aangezicht hoekig wordt of een katachtig uiterlijk verkrijgt. Het middelmatig groote oog is gewoonlijk in het midden het meest gewelfd en aan den buiten ooghoek horizontaal uitgerekt, dus wel amandelvormig, maar niet schuins gespleten; de neus is recht, zelden gebogen, de mond van middelmatige grootte en meestal scherp besneden, de baard dun, maar niet zwak. Echt Mongoolsche gezichten worden voorzeker ook aangetroffen, en zulks voornamelijk bij de vrouwen en de kinderen van arme lieden; maar, evenmin als ik veel werkelijk schoone Kirgiesische vrouwen heb aangetroffen, zag ik er zulke apentronies als onder de echte Mongolen. In elk geval, de stempel van een gemengden stam is scherper op de Kirgiezen afgedrukt dan die van een scherp bepaald, zelfstandig ras. Ik heb mannen gezien, die men zonder voorbehoud tot de Indo-Germanen zou hebben gerekend, indien men niets naders omtrent hen wist, en ik heb daarentegen weer anderen ontmoet, aan wie ik met geen mogelijkheid iets Mongoolsch kon ontdekken. De leden van oude geslachten zijn doorgaans personen, die alle wezenlijke kenmerken der Indo-Germanen bezitten, die van lagere her- en afkomst herinneren[386]min of meer, soms geheel aan Mongolen. De macht van den Islam, die aan den tot de heilsleer bekeerden slaaf de rechten van den stam toekent, zal in den loop der tijden uit vele heidensche Mongolen Kirgiezen hebben gemaakt, en op het raskenmerk der laatsten grooten invloed uitgeoefend.

Ofschoon in hoofdtrekken Turksch, is de kleeding der Kirgiezen toch niet zeer geschikt om hun lichaamsbouw voordeelig te doen uitkomen. In den winter vooral verbergen pelsmutsen, pelsjassen en hooge laarzen alle afzonderlijke lichaamsdeelen, en zelfs in den zomer is dit nog min of meer het geval. De arme Kirgies draagt behalve zijn pelsjas en de onontbeerlijke pelsmuts alleen nog maar een hemd, een kaftan en wijde broek; de rijke daarentegen, evenals de Oosterling, een aantal kleedingstukken over elkander; beiden evenwel steken alle, het benedenlichaam omhullende gewaden, den pelsmantel alleen uitgezonderd, in wijde broekspijpen, ten einde in ’t rijden niet belemmerd te worden, maar juist daarom ziet een Kirgies er dan ook des te bespottelijker uit, naarmate hij voornamer en dus rijker gekleed is. Donkere kleuren zijn meer gezocht dan lichte, ofschoon men deze daarom nog niet geheel versmaadt; is men in een bont gewaad gestoken, dan overlaadt men dit met borduursels en tressen. Alle Kirgiezen dragen in den gordel een sierlijk, met ijzer- of zilverwerk afgezet taschje en een insgelijks prachtig mes; behalve den onmisbaren zegelring echter verder geen andere versierselen, tenzij een door den keizer geschonken gedenkpenning.

Over de kleeding der vrouwen kan ik weinig mededeelen, vooreerst omdat de bescheidenheid mij verbood naar meer te vragen dan uiterlijk zichtbaar was, en in de tweede plaats, omdat ik de vrouwen der rijke en voorname Kirgiezen in ’t geheel niet, anderen slechts in feestgewaad te zien kreeg. Behalve een pelsmantel, laarzen en schoenen, geheel gelijk aan die der mannen, dragen de vrouwen broeken, die al mede weinig afwijken van hetzelfde kleedingstuk der mannen, verder een hemd en daarover als bovenkleed een soort van kiel, die tot beneden de knie reikt en om den middel dichtgeknoopt wordt; op het hoofd, òf een tulbandsgewijs gewonden doek, òf eene nonnenkap, die over het hoofd, den hals, de schouders en de borst afhangt.

De kleederen der mannen zoowel als die der vrouwen, worden, de sierlijke rijlaarzen en schoenen alleen uitgezonderd, vrij lomp bewerkt; in goede harmonie met de eischen des klimaats zijn de onmatig lange,[387]ver over de handen vallende en deze bijna geheel bedekkende mouwen van het oppergewaad bij beide seksen.

Het trekkende leven der Kirgiezen, die onophoudelijk nieuwe weiden moeten opzoeken voor hunne talrijke, veel eischende kudden, maakt eene behuizing noodzakelijk, die gemakkelijk op de eene plaats kan worden afgebroken om even spoedig op eene andere te worden opgericht, en die bovendien voldoende beschutting verleent tegen de ruwheden des klimaats. Aan zoodanige vereischten beantwoordt de Joerte beter dan eenige andere nomadenwoning, en het is niet te veel gezegd, wanneer wij beweren, dat de Joerte de volmaaktste tent is die er bestaat. De ervaring van duizenden jaren heeft ze gemaakt tot hetgeen zij nu is; eene in hare soort onverbeterlijke woning voor den rondzwervenden herder, voor een reizend mensch in ’t algemeen. Licht van gewicht en gemakkelijk uit elkaar te nemen, waterdicht en warm, af te sluiten tegen den storm en tegen tocht, voor elken zonnestraal toegankelijk, behagelijk en geschikt, eenvoudig en toch zich leenende tot in- en uitwendige versiering, vereenigt de Joerte zooveel heerlijke eigenschappen in zich, dat men haar te meer leert waardeeren, naarmate men langer in haar vertoeft. Zij is samengesteld uit een uit elkaar te nemen en weder in elkaar te zetten, voor verwijding vatbaar traliewerk, waaruit de benedenste loodrecht oprijzende, cylindervormige wand bestaat, en een koepelring, die het bovengewelf vormt; uit daartusschen geplaatste sparren en eene in het eerste gedeelte aangebrachte deur, luchtige matten van Tschigras, groote doelmatig gesneden en op zeer zinrijke wijze aangebrachte vilten platen, die met de matten de buitenbekleeding uitmaken, terwijl de bodem belegd wordt met vilten tapijten. Zij wordt, met uitzondering alleen van de ineengelaschte deurpaneelen en de aan het boveneind in gaten van den koepelring gestoken sparren, enkel bijeengehouden door touwen en strikken; zulks maakt, dat de tent in een aantal stukken kan worden uiteengenomen, terwijl de cirkelvormige dwars-doorsnede en de koepelvormige lengte-doorsnede haar in staat stellen den hevigsten storm het hoofd te bieden. In weinig meer dan een half uur heeft men haar opgebouwd, in nog minder tijd breekt men haar af, en niet meer dan één kameel wordt er vereischt om haar te vervoeren. Het bouwen evenwel en versieren eischt veel tijd, tevens veel bekwaamheid van de zijde der huisvrouw, aan wie grootendeels de taak der vervaardiging is opgedragen, en tevens uitsluitend het werk der oprichting is toevertrouwd.[388]

De Joerte vormt een belangrijk gedeelte van de bewegelijke bezitting van den Kirgies. Rijke lieden hebben er van zes tot acht, maar zij besteden liever meer geld voor de versiering eener enkele tent dan voor den bouw van vele Joerten, omdat de te betalen belasting wordt berekend naar ’t aantal hunner Joerten en niet naar de sterkte van hun veestapel. De voorname man pronkt wel is waar ook met zijne Joerte, die hij zoo rijk mogelijk inricht, uit het kostbaarste vilt bouwt, en uit- en inwendig met allerlei sieraden uit bonte stoffen laat behangen, maar meer prijs nog stelt hij op kostbare tapijten, en zijden, kunstig genaaide en gestikte dekens, waarmede hij op feesttijden het inwendige van zijne woning opsiert. Zulke tapijten gaan door erfenis over van den vader op den zoon en worden op evenveel prijs gesteld als metallisch zilver.

Toch beoordeelt men het fortuin onzer trekkende herders niet naar deze bijkomende zaken, maar eenig en alleen naar hunne kudden. Ook de armste Joertenbaas moet, om in ’t algemeen den strijd om het bestaan te kunnen voeren, eene talrijke kudde bezitten; het vee, dat hij weidt, is zijn levensvoorwaarde, alleen zijn huisdieren beschermen hem tegen de ellende. De kudden der rijkeren tellen bij duizenden en nog eens duizenden individuen, de armen bezitten er slechts honderden. Maar ook de rijkste man kan arm worden, wanneer besmettelijke ziekten in zijne kudde uitbreken, en de arme kan verhongeren, wanneer gelijk lot dezen treft. Zulke ziekten kunnen zoodanigen omvang erlangen, dat de welvaart van geheele stammen vernietigd wordt, dat duizenden menschen een prooi worden van den hongerdood. Geen wonder dus, dat alle gedachten en handelingen der Kirgiezen betrekking hebben op het vee, dat zijn zeden en gewoonten daarmede in harmonie zijn, m.a.w. de mensch is afhankelijk van zijn vee.

Niet het nuttigste, maar wel het edelste en meest gewaardeerde huisdier der Kirgiezen is bij hen het paard.

Dit dier stelt in de oogen zijns bezitters het inbegrip voor van alle schoonheid en is de maatstaf, naar welken gerekend, rijkdom en armoede bepaald worden. Het paard is het dier bij uitnemendheid, en in plaats van het woord paard te gebruiken, spreekt de Kirgies alleen van „huisdier.” In plaats van links en rechts bezigt hij de uitdrukking „de zijde, waar men op het paard stijgt” en „de zijde, waar men den knoet draagt.” Het paard is de trots des jongelings en van de jonge dochter, van den man en den grijsaard, van de vrouw en het oude[389]moedertje; men prijst of smaalt den ruiter zelf, wanneer men zijn paard prijst of smaalt: de slag, dien men een paard geeft, dat men zelf niet berijdt, geldt niet het paard, maar zijn eigenaar.

Een groot gedeelte van de liederen en gezangen der Kirgiezen heeft betrekking op het paard; zij vergelijken bij dit dier den mensch; diens waardij, diens schoonheid bij het paard:

„Bruid, o Bruid, gij lief bruidje,Gij veulen der donkere merrie”

„Bruid, o Bruid, gij lief bruidje,

Gij veulen der donkere merrie”

zoo roept de dichter de bruid toe, wanneer zij naar de Joerte des bruidegoms wordt geleid:

„Zegt, waar is het spel der witte vlokken,Het spel van het schaken der veulens?Al is de schoonvader mij zeer genegen,Zooals mijn vader is, zoo is niet hij.”

„Zegt, waar is het spel der witte vlokken,

Het spel van het schaken der veulens?

Al is de schoonvader mij zeer genegen,

Zooals mijn vader is, zoo is niet hij.”

Zoo antwoordt de bruid den jongelingen, die haar het „Dschar-Dschar” het troostlied der „scheidende maagd” toezingen met de woorden „spel van het schaken der veulens” den tijd harer eerste liefde gedenkend.

In paardenkoppen wordt de rijkdom der voornamen uitgedrukt; in paardenprijs berekent en betaalt men den bruidsschat; op honderd merries bepaalt men de waarde eener maagd, die het loon zal zijn van een wedren. Men geeft elkander paarden ten geschenke; met paarden betaalt men moord en doodslag, gebroken ledematen of een uitgeslagen oog, misdrijf en misdaad; honderd paarden lossen den moordenaar van een man, vijftig dien eener vrouw, dertig dien van een kind. In paarden betaalt men de boeten, die opgelegd worden wegens beschadiging aan lijf en bezitting van den stamgenoot, om een paard verlaagt zich zelfs de aanzienlijke tot een dief. Het paard draagt den minnaar naar zijne geliefde, den held naar het gevecht, het zadel en de kleeren van een gestorvene van de eene legerplaats naar de andere; het paard draagt den man en de vrouw, den grijsaard en het in den zadel vastgebonden kind, of den jeugdigen ruiter, die voor het eerst vrij in het zadel zit, van de eene Joerte naar de andere. Naar den prijs der paarden meet de eigenaar de waarde zijner kudde; zonder paard is de Kirgies, wat bij ons een man zonder dak is, zonder paard veracht hij zich zelf als de armste onder de zon.

De Kirgies heeft den levensaard en de levenswijze van het paard tot in[390]de kleinste bijzonderheden uitgevorscht; hij kent de zeden en gewoonten van dit dier, diens deugden en gebreken, weet wat goed voor hem is en wat hen schaadt, eischt er nu en dan het ongelooflijke van, maar nimmer buiten noodzaak, behandelt het wel is waar niet met de teederheid van een Arabier, maar ook nooit met de ongevoeligheid van andere volken. Van eene oordeelkundige fokkerij van dit edele dier, gelijk deze bij de Arabieren en Perzen, ook bij sommige Europeesche volken, zooals o.a. de Engelschen, gedreven wordt, is bij de Kirgiezen geen sprake; toch zorgen ook zij voortdurend voor eene veredeling der bij hen gezochte rassen, want steeds worden de beste hengsten voor de merries behouden en de andere gecastreerd. Te betreuren is het, dat hij ten aanzien der hengsten enkel let op de gedaante, niet op de kleur, zoodat men een groot aantal leelijk geteekende nakomelingen verkrijgt. De africhting laat ook veel te wenschen over; onze herder toch is veel te rijk aan paarden om daarop bijzonder te letten.

Ook in onze oogen is het paard der Kirgiezen een lief, aanvallig schepsel, ofschoon het geenszins in alle opzichten aan onze begrippen van schoonheid beantwoordt. Het is niet meer dan middelmatig groot, slank gebouwd. De kop is wel niet onfraai, maar toch wat te groot, sterk ramsneuzig en door de uitstekende onderkaakstakken tamelijk dik. De hals is van middelmatige lengte en krachtig, de romp lang, de pooten zijn dun, het haar is zacht. Het heeft groote, vurige oogen, eer groote dan kleine, maar goed gevormde ooren. Manen en staart zijn fijn- en langharig, daarbij vrij dicht, de staartharen zelfs zoo weelderig ontwikkeld, dat zij langs den grond slepen; de pooten zijn goed gebouwd, wellicht iets te schraal, de hoeven meestal steil, en ook wat te hoog. Lichte kleuren ziet men het veelvuldigst, terwijl vele soms zeer leelijke vlekken het oog beleedigen.

Het meest ziet men bruine, lichtbruine, vossen, vale en Izabel, zelden donkerbruine of moorpaarden, nog minder vaak schimmels. Manen en staart staan alle licht gekleurde paarden daarom zoo bijzonder goed, omdat deze lichaamsdeelen òf zwart òf veel lichter van tint zijn dan het haar op de overige deelen des lichaams.

Het karakter van dit dier is allen lof waard. Het is vurig en toch zachtzinnig, moedig tegenover alle gevaren, waarmeê het vertrouwd is, en alleen dan angstig en schuw, wanneer iets ongewoons het voor een oogenblik in verwarring brengt; het is eerzuchtig en vol levenslust,[391]maar even volgzaam als gehoorzaam, gewillig, werklievend en taai; toch is het hoofdzakelijk rijdier en eerst na langdurige oefening is het ook als trekdier te gebruiken, maar uitstekend als zoodanig wordt het nooit. Onaangenaam trof mij de slechte gewoonte van dit paard, die echter meer te wijten is aan zijn meesters dan aan het dier zelf, van altijd onderweg te willen eten, althans te snuffelen en te snoepen, zelfs in de moeilijkste omstandigheden, zooals bij het doorwaden van steenachtige, sterk stroomende bergbeekjes, en bij het bestijgen van steile rotsen. Licht te bevredigen is het evenmin als elk ander aan eene vrije weide gewoon steppendier; in den omgang met zijns gelijken, zoolang de almachtige liefde niet in het spel komt, even verdraagzaam als tegenover zijn meester gehoorzaam en onderdanig.

Arme Kirgiezen bezitten slechts zooveel paarden als voor de rijbehoeften der familieleden en voor den aanfok noodig zijn; rijke en voorname steppenbewoners daarentegen vier-, vijf-, ja, zooals men mij van verschillende kanten verzekerde, zelfs van tien- tot twaalfduizend, die in afzonderlijke troepen en op afzonderlijke plaatsen weiden, en, wat zeer natuurlijk is, beter gedijen dan die der armen. Elke troep bestaat uit ten minste vijftien, ten hoogste uit honderd koppen, in ’t laatste geval uit een volwassen hengst, negen moedermerries, even zooveel jonge veulens, acht tweejarige, zes tot acht driejarige en vijf tot zes vierjarige veulens, benevens eenige oudere dieren of „wallachen.” De hengst is onbepaald alleenheerscher en gebieder, aanvoerder, leider en beschermer van den troep; hij laat zich door den wolf geen veulen ontrooven, maar valt den laffen roover moedig aan en velt dien, als hij zich wil verdedigen met de voorpooten ter aarde; hij duldt geen medeminnaars en verdrijft daarom onverbiddelijk alle manbaar wordende hengsten uit zijn troep; hij verjaagt bovendien, zoodra hij de heerschappij heeft aanvaard, zijn eigen moeder en later zijn eigen dochters. Die trotsche overmoed noopt den herder tot de grootste waakzaamheid, vooral als debronsttijdaanbreekt, en hij de verdreven, naar andere sultans zoekende merries en de weggejaagde, naar eigen zelfstandigheid strevende hengsten niet wil verliezen. Niet voor het vijfde jaar neemt de jonge merrie den hengst aan; in het volgende voorjaar, gewoonlijk in Maart, brengt zij haar eerste veulen ter wereld. Ook nu scheidt men haar nog niet van den troep, maar brengt haar, liefst niet voor Mei, met haar veulen in de nabijheid der Joerte, om haar nu vier maanden aaneen te melken, om uit de opbrengst den beroemden[392]koemys of melkwijn te winnen. In den herfst voert men moeder en kind naar den troep terug. Beiden worden gewillig opgenomen en genieten de teruggeschonken vrijheid met volle teugen.

Het nuttigste en daarom ook belangrijkste huisdier onzer Nomaden is het schaap, een zeer groot, goed gebouwd, alleen door den vetbult op den achterrug soms zeer ontsierd schepsel. Het stevige lichaam rust op hooge, krachtige pooten; de kop is klein, de neus smal en op die eens rams gelijkend, de ooren zijn hangend of recht overeindstaand, de hoorns zwak, het vel is hard, maar dicht, de uier is sterk ontwikkeld, de vetstaart dikwijls in die mate, dat het dier dit lichaamsdeel niet meer vermag te dragen, maar met ingezakte achterpooten op den grond na zich zou moeten slepen, indien de herder den armen lastdrager niet te hulp kwam, door onder den staart een klein tweewielig wagentje aan te brengen en daarin dit werktuig te leggen. Bij kruising van Kirgiesische rammen met vetstaartlooze schapen verkrijgen de nakomelingen in het tweede of derde geslacht dit vreemdsoortig aanhangsel weêr terug, terwijl omgekeerd bij de kruising van rammen zonder vetstaart met vetstaartige schapen genoemd lichaamsdeel verdwijnt.

Al moge het schaap der Kirgiezen in alle hoofdtrekken met het onze overeenkomen, toch kan men niet loochenen, dat het vrije steppenleven, de groote tochten, die te volbrengen zijn, en de bezwaren, die daarbij overwonnen moeten worden, de lichamelijke en geestelijke vermogens ongemeen sterk hebben doen ontwikkelen, zoodat het steppenschaap in dezen boven het huisschaap van West-Europa staat. Toch is ook in de steppe de verstandige geit de aanvoerdster en leidster van het meer geestelooze schaap, en daarom is het meer dan tijd, dat ik thans haar gedenk.

De geit der Kirgiezen is van middelmatige grootte, zwaar van lijf, goed geproportionneerd, krachtig, kort van hals, klein van kop, met evenredig gevormde pooten, groote, levendige oogen, sprekende trekken, spitse, rechtopstaande ooren en betrekkelijk zwakke horens; het is welig behaard, vooral wat baard en staart betreft, draagt lang kroeshaar op het voorhoofd, en is meest zuiver wit van kleur, hier en daar met zwarte spikkels.

Schapen en geiten worden door de Kirgiezen geheel op gelijke wijze behandeld, en steeds in dezelfde kudden bijeengehouden. De arme Kirgiezen van een Aul vereenigen hun dieren in ééne kudde, de rijken,[393]wier veestapel uit duizenden individuen bestaat, houden er omgekeerd meer dan ééne kudde op na. De schaapherder, in den regel een volwassen knaap, rijdt op een os om zijne kudde heen; hij weet dat rijpaard op zulk eene voortreffelijke wijze te besturen en in den draf te zetten, dat hij zelfs de vlugste geit inhaalt. Toen wij eens, van een jachtuitstapje terugkeerende, zulk een schaapherder ontmoetten, rende deze louter voor zijn genoegen ruim een kwartier lang naast onze, in gestrekten draf door de steppe ijlende paarden, zonder dat zijn vreemdsoortig rijdier van eenige vermoeienis blijk gaf. Alleen de schaapherders der Tartaarsche kuddehouders rijden op paarden. Bij gevaarlijke overgangen over sterk stroomende bergbeken of in het gebergte zelf, nemen de geiten de leiding der kudde op zich, en hier, gelijk overal elders, volgen de schapen blindelings.

Daar men slechts op de meest gunstige plaatsen hooi oogst en in hooibergen zet, zorgt men er voor, dat de schapen en geiten in den herfst geen jongen werpen; de geboorte der lammeren en sikjes valt steeds in het voorjaar, het gunstigste jaargetijde voor het voordeelig groeien en bloeien van het jongvee. De jonggeboren lammeren en geitjes worden in de eerste dagen huns levens in de Joerte opgenomen en zijn weldra in deze zoo te huis, dat zij de tent onder weegeklag verlaten, wanneer bijzondere omstandigheden zulks noodzakelijk maken. Later komen zij in den naast de winterwoning opgerichten stal, in de vrije steppe niets dan een in den grond gegraven kuil, over welken de koude wind zonder uitwerking heenstrijkt, en eindelijk aan de lijn, „Keugeum” genoemd, die voor elke Joerte tusschen sterke, in den bodem gedreven palen wordt uitgespannen. Zoodra zij beginnen te grazen, drijft men de dieren in afzonderlijke kudden in de vrije steppe, om ze des avonds naar de Joerte terug te brengen. Zoo worden de dieren van hunne jeugd af gewend aan het vrije steppenleven, gehard tegen weêr en wind, storm en regen.

In vergelijking met de paarden, schapen en geiten speelt het rund eene vrij ondergeschikte rol. Wel is waar ziet men in de nabijheid van elke Joerte ook eene kudde dezer dieren, maar hun aantal staat in geen verhouding tot die der anderen. Het rund is grooter en beter van vorm dan dat der Russische en Siberische boeren, maar moet voor dat der Chineezen onderdoen en kan zich in de verste verte niet meten met de goede rassen van West-Europa. Het is middelmatig groot en vleezig, het vel is kort- en gladharig, de horens zijn lang[394]en naar buiten gericht, de kleur is gemeenlijk fraai donker roodbruin.

Men weidt het dier in vrij talrijke kudden, maar laat het zonder toezicht zijn voedsel zoeken, terwijl men de melkkoeien tot zich lokt door de bij de Joerte vastgebonden of gehoed wordende kalveren; de ossen daarentegen komen dikwijls gedurende vele dagen niet in de Aul terug.

Wel elke groote Aul, maar volstrekt niet elke Kirgies bezit kameelen, en zelfs de rijkste onder hen zelden meer dan vijftig stuks. Want het kameel geldt en met reden voor het zwakste aller huisdieren der trekherders in genoemde steppen; zijn eigenlijk vaderland ligt oostelijker en zuidelijker. In de door ons bereisde steppen fokt men alleen het tweebultige kameel, in de zuidelijk van het Balkaschmeer gelegen steppen, evenals in Midden-Azië daarentegen den dromedaris; men kruist ook dit laatste wel met den eersten, waaruit bastaarden geboren worden, wier beide bulten bijna tot een zijn versmolten. Het kameel der midden-steppen behoort tot een der lichtere rassen, en is dan ook lang niet zoo zwaar gebouwd als die exemplaren, welke wij in onze diergaarden te zien krijgen, wel even dicht behaard. Het verdraagt intusschen de winterkoude veel minder goed dan de andere huisdieren der Kirgiezen; het verlangt om neêr te knielen of om te rusten een vilten deken, waarop het zich nederlegt, maar vat ook nu nog dikwijls koû, zoodat het niet zelden bezwijkt. Wanneer het verhaart moet men het met vilten dekens omkleeden, in den zomer tegen de steken van muggen en bremsen beschermen, zoo men geen gevaar wil loopen, het dier te verliezen; in ’t kort, het is een voorwerp van gestadige zorg en dus niet geschikt voor den armen man, wien elk verlies dubbel treft. Evenals de dromedaris is het in zijn voedsel matig en weinig eischend; evenals gene in denbronsttijdgevaarlijk, zelfs voor zijn meester, wien hij overigens veel aanhankelijkheid betoont; het kameel onderscheidt zich echter de overige tijden des jaars zeer gunstig van den dromedaris, door zijn gewilligheid en zachtzinnigheid. Mij, die jarenlang met dromedarissen heb omgegaan, vielen deze voortreffelijke eigenschappen zeer in ’t oog; ik werd er schier door in de war gebracht, zoodat ik meende met een ander dier te doen te hebben.

Het kameel laat zich gewillig opvangen; wel is waar niet geheel zonder morren, maar toch zonder dat afschuwelijke, zenuwontstellende gebrul te laten hooren, dat den dromedaris kenmerkt, knielt het neêr, wanneer het belast moet worden, en zelfs in den draf draagt het zonder[395]klagen niet te zware lasten, dertig tot veertig kilometer elken dag afleggende. Wanneer de last afzakt staat het dier uit eigen beweging stil. Onder den man kan het van vijftig tot zestig kilometer elken dag afleggen; met vierhonderd kilogram beladen, waardoor het tot langzame, maar wijde passen genoodzaakt wordt, legt het nog de helft van dien weg af. Het graast altijd in de nabijheid der Joerten, gemeenschappelijk met alle soortgenooten van den Aul en geldt in de oogen der Kirgiezen bijna voor een heilig dier.

KIRGIEZEN MET DROMEDARISSEN.KIRGIEZEN MET DROMEDARISSEN.

KIRGIEZEN MET DROMEDARISSEN.

De hond eindelijk, het minst geachte huisdier der Kirgiezen, is gewoonlijk een groot, maar geenszins altijd fraai dier, hoe bepaald gunstig hij zich ook overigens moge onderscheiden van de leelijke keffers, die men elders in Siberië en Turkestan te zien krijgt. De kop is lang[396]maar plomp, de ledematen gelijken meer op die van een windhond dan van een herdershond, het haar is lang en wollig, de staart sterk behaard, de kleur zeer uiteenloopend.

Uiterst waakzaam en moedig, opgewassen tegen den wolf, een zich zelf bewust, oplettend beschermer van het zwakke vee, den vreemdeling wantrouwende, een trouw slaaf van zijn meester, voor den volwassene een ongezellige zonderling, voor het kind een aardige speelkameraad, vereenigt deze hond vele deugden van zijn geslacht in zich en ontbreekt om die reden in geen enkele Joerte, althans in geen enkele Aul.

Het geheele leven der Kirgiezen draait om de kudden, van welke men het meest mogelijke voordeel tracht te trekken en die daarom zorgvuldige oppassing en bewaking behoeven. De vrouwen zorgen voor het eerste, de mannen voor het laatste. Met uitzondering der beenderen, die achteloos worden weggeworpen, gebruikt men alle mogelijke deelen van deze dieren, evenals men ook alle soort van vee melkt en zulks zoolang het maar mogelijk is.

De hoeveelheid plantenvoedsel, die een Kirgies gebruikt, beteekent zoo goed als niets, vergeleken met zijn dierlijk voedsel; uit melk en vleesch bestaan onder alle omstandigheden zijn spijzen; plantaardige zelfstandigheden zijn slechts toevoegselen tot de eerste. Brood, in den eigenlijken zin des woords eet hij bijna geheel niet, en zelfs de kleine klompjes meeldeeg, die men tot het gebak zou kunnen rekenen, worden in vet gekookt en niet gebakken. Ook meel en rijst, het laatste alleen in de Joerten der rijken een meer dagelijksch gerecht, dienen alleen slechts om in het eeuwige eenerlei van melk- en vleeschspijs wat afwisseling te brengen. Geen wonder alzoo, dat de Kirgies bedreigd wordt door den hongerdood; en dat deze hem vaak maar al te dikwijls werkelijk bezoekt, wanneer eene algemeene veeziekte in de binnensteppe uitbreekt.

Rijke Kirgiezen houden de melk der schapen en geiten afgezonderd van die der koeien, merries en kameelen; arme lieden vermengen alle soorten van melk in hetzelfde vat en verkrijgen dus ook alleen de voortbrengselen der schapenmelk uit de uiers hunner nuttige dieren, terwijl eerstgenoemden zich nog hoogere genietingen kunnen verschaffen. Uit de melk van geiten en schapen, die men in denzelfden emmer opvangt en in denzelfden lederen zak verzamelt, bereidt men niet alleen verschillende gerechten, die zonder of met[397]bijvoeging van meel worden gereedgemaakt en terstond genuttigd, maar daarenboven boter, en kleine, zandige, zuur of bitter, voor een Europeesch gehemelte walgelijk smakende kaasjes, verder den ook voor ons lekkeren, gelen „quark,” die evenals de kazen tot wintervoorraad dient, en in water opgelost, in den vorm van soep wordt opgedischt; uit de koemelk bereidt men hoofdzakelijk zure melk, zelden „quark,” kaas en boter; uit merrie- en kameelenmelk eindelijk koemys, den dikwijls beschreven, door vierdaagsche gisting onder voortdurend omschudden en kloppen verkregen melkwijn, de hooggeschatte en werkelijk goed smakende feestdrank van alle welgestelde Kirgiezen, die zich daaraan dikwijls dronken drinken.

In den zomer voedt ook de rijkste Kirgies zich bijna uitsluitend met melkspijs, want in dezen tijd slacht hij slechts bij feestelijke gelegenheden en gewichtige gebeurtenissen een zijner dieren. Met het begin van den winter daarentegen vallen schapen en geiten, paarden en runderen, ja zelfs kameelen onder het slachtmes. Als het lekkerste beschouwt men paardenvleesch, vooral dat der merries; het minst geacht is rundvleesch. Schapenvleesch neemt den tweeden rang in, kameelenvleesch houdt men voor bijzonder krachtig inwerkend op den geest, geitenvleesch is een bewijs van armoede, en den gast voorgezet, een teeken van minachting. Het beste stuk paardenvleesch is dat van het kruis, terwijl van schapenvleesch de borst de meeste waarde heeft; het buikvet van jonge paarden gaat door voor eene bijzondere lekkernij; daarom wordt het gezouten, in darmen gestopt, gerookt en bij gastmalen opgedischt nevens koemys.

Behalve datgene, wat tot voedsel kan dienen, benut de Kirgies nog daarenboven bijna alles, wat zijn fokbeesten opleveren. Uit de wol der schapen vervaardigt hij het voor hem onmisbare vilt; het kameelenhaar wordt gesponnen en uit het garen worden geweven stoffen bereid; in het donsachtig onderhaar legt de moeder haar pasgeboren kind. Het lange geitenhaar dient voor franjes aan de tapijten en lakens, voor kwasten en strikken, het korte wolhaar wordt gesponnen om er linten voor de Joerte uit te weven, uit de maan- en staartharen der paarden eindelijk vlecht men leidsels en touwen voor de Joerte. Uit de schapenvellen breit men de gewone winterpelzen, uit die van geiten en geitebokjes pronkpelzen, de in vlokken afgedeelde wol is een uitnemend opvulsel voor sommige kleedingstukken, terwijl uit de huid van alle dieren leder wordt bereid. Voor het te vele of niet gewaardeerde[398]schapen- en rundervet, voor de verkochte schapen, runderen en paarden ruilt de Kirgies allerlei zaken op de wereldmarkt in; uit de opbrengst van het verkochte vee betaalt hij zijn belastingen, koopt hij zich ongemunt zilver om hiermede te pronken, het ijzer, dat hij bewerkt, de tapijten, kleederen en zijden stoffen, waarmede hij zich zelf en zijne Joerte tooit. Het vee is en blijft de eenige bron van voedsel, tevens de eenige bron, waaruit alle andere gaven opwellen; het beetje land, dat hij nu en dan beploegt, bezaait, bevloeit en oogst, beteekent, in vergelijking met zijne kudde, niets.

Niet de vrije wil, maar de noodzakelijkheid, de behoeften der kudden bepalen de woonplaats en de levenswijze der Kirgiezen, en dwingt hen heden hierheen, morgen daarheen te trekken, op deze plaats te verwijlen, van gene te scheiden. Dientengevolge is het trekken der Kirgiezen niet een doelloos heen en weêr zwerven door de wijde steppe, maar een overdachte plaatsverandering, die zich regelt naar het jaargetijde en naar den aard van het te weiden vee. Een doelloos omdwalen verbiedt de steppe zoowel in den zomer als in den winter, in den herfst zoowel als in het voorjaar; zulks zou de kudde in den winter aan de vreeselijkste stormen blootstellen, in den zomer doen versmachten, in het voorjaar haar wellicht in overvloed doen zwelgen, maar reeds in den herfst meer gebrek doen lijden dan wenschelijk is. Daarom begint de Kirgies zijne wandeling van de laagvlakte uit, klimt langzaam naar de hoogte op, zelfs tot in de hooggebergten, en daalt dan weder langzaam naar de laagte terug. De verschillende kudden hebben echter verschillende behoeften; schapen en geiten houden van harde, geurige kruiden, gelijk de zoutsteppe voortbrengt, de paarden beminnen het meest het vrije kruid der gebergten, vooral dat, hetwelk tusschen de steenen en rotsen groeit, terwijl de runderen het liefst op een mollig grastapijt grazen; de kameelen vinden behalve in de harde planten der zoutsteppe nog in doornen en distelen een welkom voedsel. Rijke lieden, die evenveel verschillende kudden kunnen vormen als zij verschillende dieren houden, laten dan ook deze allen afzonderlijk trekken en weiden, en alleen de armen reizen met hunne geheele kudde van plaats tot plaats. Eindelijk hebben ook de menschen invloed op elkander. Geen grenssteenen, maar wel eeuwenheugende rechten en verdragen regelen zelfs in de steppe het eigendomsrecht en de grenzen; elke stam, elke afdeeling van een stam, elke gemeente, ja zelfs iedere Aul maakt aanspraak op de reeds door de voorouders[399]in gebruik genomen weiden en duldt daarop geen vreemde kudde, geen vreemden herder, en strijdt voor dat recht met de wapenen in de hand, tegen iederen indringer, zelfs tegen de broeders van denzelfden stam. Zoo wordt het begrijpelijk, dat de trekherder zijn eigen, dikwijls zeer nauw omschreven wegen bewandelt. Die wegen kunnen elkander kruisen, maar zij zijn nimmer dezelfde, want ieder heeft eerbied voor de rechten van anderen, of wordt door zijn stamgenooten tot zoodanigen eerbied gedwongen.

Een vaste woonplaats eerst krijgt de Kirgies in het graf; toch heeft hij een tehuis. In uitgestrekten zin is dit het gebied, dat hij bereist, meestal de laagte en het dal van een riviertje of beekje, in engeren zin het winterleger, van waar hij uittrekt en werwaarts hij steeds terugkeert. In de nabijheid van dit winterkwartier rusten, zoo niet alle, de meesten zijner dooden. Derwaarts zendt de regeering haar gezanten om de belastingen te innen of opnieuw te schatten; hier brengt hij wel is waar niet den schoonsten, maar wel den grootsten tijd zijns levens door; hier lijdt en doorstaat de over ’t algemeen vroolijke en onbezorgde Kirgies zijn zwaarste en ernstigste zorgen.

De winterwoning kan verschillend zijn, maar het winterleger moet aan bepaalde eischen voldoen. Deze zijn: het dal, in hetwelk het leger zal opgeslagen worden, moet zooveel mogelijk beschut zijn tegen de koude en de zoo verderfelijke noorden- en oostenwinden; men moet de Joerten aan de zonzijde kunnen opslaan en zonder bezwaar vaste woonhuizen kunnen bouwen; het water mag nooit kunnen ontbreken, en weiden moeten in de nabijheid liggen. Deze voorwaarden worden het best vervuld door een door den stroom diep in de omgeving ingesneden rivierdal, waar in de zomermaanden het gras niet verdort, zoodat het gelegenheid aanbiedt te gepaster tijde hooi te winnen, terwijl er toch nog wintervoeder overblijft; zooveel mogelijk moet men in de wilgen- en populierenboschjes langs de rivieroevers een voorraadschuur van brandstof kunnen vinden, om de gedroogde mest te vervangen. Daarom kiest men slechts dan ook nog andere plaatsen uit, wanneer men ook nog andere in den zomer om watergebrek gemeden streken, b.v. eene zoutsteppe, zich wenscht dienstbaar te maken, zoodra de sneeuw, die nu den grond bedekt, het water vervangen kan.

Is de winterwoning een vaststaand gebouw, dan bestaat deze uit een werkelijk ellendige, dompige, vochtige, donkere hut, die zoo licht[400]is gebouwd, dat men reeds vooruit op de sneeuw moet rekenen, om de muren en het dak te dichten en tegen het weder te beschermen.

KIRGIEZEN, MET HUNNE KUDDEN DOOR HET GEBERGTE TREKKENDE.KIRGIEZEN, MET HUNNE KUDDEN DOOR HET GEBERGTE TREKKENDE.

KIRGIEZEN, MET HUNNE KUDDEN DOOR HET GEBERGTE TREKKENDE.

Die muren bestaan slechts bij uitzondering uit op elkander gestapelde boomstammen; meestal worden zij opgebouwd uit ruwe steenen, en nog vaker uit gevlochten wilgen teenen, of aaneengeschaarde rietbundels. Dak en bedekking bestaan altijd uit riet. Daarnaast vindt men een eveneens gebouwden stal voor het jongvee, en op eenigen afstand bevindt zich de omheining voor de oude dieren.

Met het begin van den winter betrekt de Kirgies deze woning, zoo hij niet, gelijk regel is, ook thans nog de voorkeur geeft aan de veel aangenamer Joerte. Voor de verwarming heeft hij reeds in het verloopen voorjaar gezorgd; toen heeft hij, of beter gezegd zijne vrouw, die in ’t algemeen belast is met alle onaangename en zware werkzaamheden, de mest met wat stroo vermengd en daaruit vierkante koeken gevormd, deze in de zon gedroogd en op hoopen gestapeld. Al het gras van den omtrek is gespaard gebleven om in de naaste omgeving der Joerte of van het huis voldoend voedsel voor het vee te hebben; het hooi werd op afgelegen plaatsen geoogst en herwaarts gebracht. Is de winter „goed” d.w.z. valt er niet veel sneeuw, dan vindt het vee ook nu nog voedsel genoeg; is de winter streng, dan verijdelt hij dikwijls alle voorzorgen van den herder en eischt meer levens dan de lente schonk. Daarom heerscht er in een goeden winter vroolijkheid in de donkere hut, terwijl in een strengen winter, die de kudden tot geraamten doet vermageren, verdriet en zorg zich woning maken in de vriendelijke Joerte; en daarom heerscht er in blokhuis en Joerte òf welvaart òf treurig gebrek in het gevreesde getijde des jaars.

Eerst tegen het einde van April, in vele jaren niet vóór het einde van Mei, verlaat de herder met het laatste gedeelte zijner kudden het winterkwartier en vangt de reis aan. De paarden, die hun eigen hoeders hebben, zijn reeds weggetrokken om het kleinvee niet te hinderen. De jonge, dartele veulens, die voor weinige weken, tegelijk met de sikjes geboren werden, zouden geen overlast veroorzaken, maar wel de jonge hengsten en merries, die in dit voorjaar geslachtsrijp worden. Delaatstgenoemdenspringen in dartelen overmoed om de gansche kudde, ofschoon zij de intusschen rustig voortgrazende en nu en dan hen naziende moedermerries niet verlaten; de manbare jonge paarden daarentegen veroorzaken voortdurende onrust en eischen eene verdubbelde[401]opmerkzaamheid van den kant der insgelijks verdubbelde herders. Op dit oogenblik vechten de jonge hengsten met den ouden, deftigen en heerschzuchtigen aanvoerder van den troep; straks dringen de jonge merries, telgen van zijn eigen bloed, zich tegen den vader en noodzaken dezen, haar door bijten te verdrijven; dan weder tracht hier of ginds een jong paard te ontvluchten en stormt met tegen den wind gerichten kop en wijd geopende neusgaten de steppe in. Oogenblikkelijk echter werpt zich de herder te paard en rent in vollen galop den vluchteling na, evenals deze over steg en heg, langs berg en dal vliegende. In zijne rechterhand houdt hij den langen herdersstok, met den daaraan bevestigden lasso; hij komt de vluchtende jonge merrie al nader en nader, reeds zweeft de gevreesde strik boven haar hoofd; daar zwenkt zij plotseling zijdelings af, werpt tergend de achterpooten hoog in de lucht, om dan als de stormwind zoo snel weêr verder te rennen; verder en verder voert de wilde jacht, totdat eindelijk de herder er in slaagt, de voortvluchtige in te halen en, aan den strik gebonden, langzaam naar de kudde terug te brengen. Hoe bekoorlijk dit schouwspel voor den niet belanghebbenden toeschouwer, misschien ook voor den paardenhoeder zelf moge zijn, voor het rustige, kalme trekken van het kleinvee zou zulks nadeelige gevolgen kunnen hebben, en daarom zendt men de paarden vooruit. De schapen en geiten zouden bovendien niet in staat zijn even snel te reizen als de paarden; zij zijn vooreerst door den boozen winter verzwakt, en in de tweede plaats zijn de lammeren en jonge geitjes nog niet sterk genoeg om snel te reizen. Splitsing der kudden is dus gebiedend noodzakelijk.

De Kirgies, die de schapen hoedt, legt aanvankelijk elken dag maar een kleinen weg af „een schaapsweg”, en toeft overal, waar gras genoeg is, zoolang het vee gretig vreet. Op zulk een tocht opent de op zijn os gezeten en tegen alle weêr en wind geharde schapendrijver den stoet. De schapen loopen vrij snel voort; nu eens dringen zij opeen, dan weer loopen zij uit elkander, telkens in den marsch stil houdende om van eene bijzonder lekkere plant te genieten, altijd vretende, ten minste altijd snoepende; de herder, gezeten op zijn almede altijd doorgrazend rijbeest, vergezelt hen. De lammeren en jonge geitjes volgen de ouden, maar op zulk een afstand, dat zij de ouden niet kunnen zien of hooren. De rammen trekken, indien er nog ouden over zijn of nieuwe worden aangefokt, langs andere wegen voort. Zijn alle dieren vertrokken, dan breken de vrouwen de Joerte af, beladen daarmede,[402]alsook met het weinig huisraad de kameelen of trekossen, stijgen met de kinderen te paard, rijden langzaam het melkvee na, halen dit tegen den middag reeds in, melken, en trekken met de verzamelde, in lederen zakken bewaarde melk verder, om vóór zonsondergang de Joerte weêr op te bouwen. Zoo gaat het dag in dag uit. Brengt het voorjaar nieuw groen, dan verwijlt men eerst eenige dagen, daarna vele weken achtereen op dezelfde plaats, tot ook hier het gras begint te ontbreken, en verder trekken noodzakelijk maakt.

Doet het meer en meer gevorderde voorjaar ook de nog in hunne pophulsels sluimerende insecten ontwaken, vullen ontelbare zwermen muggen, vliegen, bremsen en andere kwelgeesten de lucht, dan wendt men zich zoo mogelijk naar het gebergte en klimt dit tot de hoogste weiden, dicht beneden de sneeuwgrens op. Daar de herder geen honden heeft, viel het hem reeds daar beneden moeilijk de kudde bijeen te houden; in het gebergte heeft het nog meer bezwaren den „schaapsweg” af te leggen, en kan hij ter overwinning van zekere moeilijkheden niet buiten de hulp van andere, te paard rijdende mannen. Zoolang men zich op een vast pad bewoog, kon de tocht nog voortgezet worden, onverschillig of de weg zich langs bebloemde weiden slingert, of over hellingen en steilten voert. De geiten, die de schapen zijn vooruitgesneld, wagen zich onverschrokken en onderzoekend aan den rand van een afgrond, waarvoor dezen verschrikt terugdeinzen, loopen daarna langs een doelmatiger weg vooruit, getrouw gevolgd door de schapen. Maar wanneer men eens in plaats van een murmelend beekje een breed en woest schuimend water ontmoet, dat den weg verspert, maar evenwel overgetrokken moet worden, dan wordt het iets anders. Het vooral den schapen zoo bepaald vijandige element ziende, blijven ook de geiten, die zich anders in allerlei omstandigheden weten te schikken, onthutst staan; de schapen deinzen angstig terug en klimmen op de naburige rotsen als wilden ze daar eene schuilplaats zoeken. De herder rijdt tevergeefs door den bruisenden stroom; van den overkant teruggekeerd, drijft hij te vergeefs de onwillige kudde naar den rivierkant. Met een luid geblaat geven de schapen hun angst te kennen, en bedenkelijk blaten ook de geiten, totdat het geduld van den herder is uitgeput. Een oogenblik zweeft de noodlottige strik boven het hoofd van een der schapen; het volgende oogenblik voelt het zich dien om den hals gesnoerd; de ruiter trekt het dier naar zich toe, en weer een oogenblik later is het in den vloed geslingerd. Nu moet het met alle[403]kracht arbeiden. Met rukken zwemmende, meer springende dan roeiende, werkt het zich van het eene rotsblok naar het andere, wordt, nog vóór het den grond raakt, door het draaiende water gegrepen en voortgesleurd; het trapt, spartelt, springt, zwemt opnieuw, wordt nog eens en nog eens door het water medegesleurd, en bereikt eindelijk, meer uitgeput door den doorgestanen angst dan door de inspanning, den anderen oever. In alle leden sidderende, verzekert het zich of het werkelijk vasten grond onder de voeten heeft, schudt de natte vacht, blikt met schuwen blik nog eenmaal achterwaarts—en begint thans gulzig te vreten om zich zooveel mogelijk schadeloos te stellen voor den geleden angst. Middelerwijl zwemmen de overige leden der kudde, de een na den ander, ’t zij vrijwillig, ’t zij gedwongen, de wilde beek over, tot het geheele gezelschap den anderen oever heeft bereikt, zich verzameld heeft, en de reis weder kan worden voortgezet. Op deze wijze klimt de trekherder het gebergte in. Begint het daarboven koud te worden, vermaant wellicht een sneeuwbui reeds aan den komenden winter, dan wandelen herder en kudde weder naar omlaag, nu zooveel doenlijk de beschaduwde kloven opzoekende, tot weder de laagvlakte is bereikt en men in de nabijheid van hetwinterkwartieris gekomen.

Alle huisdieren der Kirgiezen raken spoedig vertrouwd met de verschillende streken, waar men hen laat weiden, hoe ook de plaatselijke gesteldheid moge zijn; allen kennen reeds na een paar malen grazend te hebben rondgeloopen, zulke plekken, en zoeken die zelfs zonder behulp van den herder met zekerheid op; ook komen zij vanzelf naar de Joerte loopen om zich hier te laten melken. Als lokmiddel bezigt men echter de kunstgreep, dat men reeds van Mei af aan de zoogende moeders haar jongen laat zien, en deze in de nabijheid van de Aul laat weiden, zoodat men het verlangen naar haar kind in het moederhart opwekt. Op deze wijze wordt het melken op vaste tijden mogelijk en kan de meesteres der Joerte hiernaar haar tijd indeelen en haar bezigheden regelen.

KIRGIEZEN-AUL.KIRGIEZEN-AUL.

KIRGIEZEN-AUL.

Met uitzondering alleen van de merries, die door mannen worden gemolken, voor welke bezigheid ten minste twee, zoo niet zelden drie personen vereischt worden, is het melken aan de vrouwen opgedragen. In den vroegen morgen heeft men de kalveren, lammeren en jonge geitjes, onder streng toezicht, een weinig laten zuigen, dan van de moeders gescheiden, en oud en jong naar de weide gedreven. Tegen den middag brengt men alleen de moeders naar de Joerte, en zoo ook[404]des avonds, om ze te melken. Met behulp der honden, die nu in dienst treden, houdt men de geheele kudde op de kleinst mogelijke ruimte bijeen en vangt dan den arbeid aan. De vrouwen en dienstmaagden eener Joerte of de buurvrouwen van een Aul verschijnen met hare melkvaten, grijpen met vaste hand een schaap, een tweede en een derde, slepen ze naar de lijn, leggen ze een uit de lijn zelf gevormden strik om den hals en dwingen zoo de dieren in twee rijen, met de koppen naar binnen, met de uiers naar buiten gericht te blijven[405]staan. In weinig minuten heeft men dertig tot veertig schapen en geiten naast elkander, een zoogenoemde „keugeun.” Op hetzelfde oogenblik dat de dieren den strik voelen, blijven ze staan, zich van vroeger herinnerende welke gevolgen het tegenspartelen heeft; rustig laten zij thans alles toe. De vrouwen, tegenover elkander gehurkt, beginnen thans gelijktijdig aan denzelfden kant met den arbeid; zijn er zeer veel schapen dan ook wel aan de beide kanten der dubbele rij tegelijk. Zij vatten de korte tepels met duim en wijsvinger en tappen de melk met snelle op- en neêrgaande bewegingen af. Stroomt de bron niet overvloedig genoeg, dan geven zij met de linkervuist een klap tegen den uier, even gelijk zuigende jongen ook plegen te doen, en eerst wanneer dit middel niet meer baat, gaan zij over tot een tweede beest. De mannen der Joerte of Aul, die misschien bij het opvangen en vastmaken van het kleinvee de behulpzame hand hebben geboden, zitten onder het melkbedrijf, in allerlei, ons onmogelijke, ja bijna ondenkbare houdingen bij elkander en vieren vrijen teugel aan hunne „roode tong.”

Een der kleinste jongens aanvaardt misschien wel op een of ander schaap zijn eersten proefrit, zoo hij er al niet de voorkeur aan geeft op de schouders zijner opvoedster te gaan rijden. De laatste laat zich door zulke heldendaden van haar spruit even zoo weinig van de wijs brengen als andere kleine ongevallen zulks vermogen. Of zij op drogen grond of over de weeke schapenmest wandelt, of de laatste onder het melken in het uit populierenhout vervaardigde melkvat valt, dit alles deert haar niet, want die melkkuip is toch al even vuil als hare melkende handen, en schapenmest is wel in onze stompzinnige oogen een onrein iets, maar niet in die van den korangeloovigen Kirgies. Het laatste individu is eindelijk gemolken, en de dieren, die ondertusschen uit puur tijdverdrijf zich met herkauwen hebben beziggehouden, kunnen nu weder losgelaten worden; één snelle ruk aan het eene eind des touws, en alle strikken zijn los, alle schapen en geiten vrij.

De herkregen vrijheid wordt begroet met een algemeen geblaat; de dieren schudden zich een en ander maal en zelfs de herinnering aan de korte slavernij is vervlogen. Nu loopen allen, zoo snel zij kunnen, de vlakte in, zoo ver mogelijk uit het gezicht der Joerte, in het gebergte schielijk de bergen op, alsof slechts daar de lucht der vrijheid woei. Eigenlijk beoogen zij zoo spoedig mogelijk bij hunne jongen te komen. Den ganschen dag hebben zij deze gemist; nu—zij weten[406]het bij ervaring—moeten de lieve spruiten verschijnen. Al blatende loopen de schapen in ’t rond, verlangend mekkerend kijken zelfs de schrandere geiten om zich heen, als om te onderzoeken of de te verwachten schare reeds komt opdagen, of in de verte zichtbaar wordt. Luider wordt het geblaat, want elke nieuw verloste rij brengt beweging in alle om de Aul verzamelde schapen en geiten, maar ook het met elke minuut toenemende ongeduld der moeders geeft aanleiding tot een vernieuwd klagend, steunend blaten. Hoe langer het duurt, des te onrustiger worden de trouwe moeders. Doelloos dwalen zij rond, heen en weder, beruiken elk halmpje, elk grasje, plukken echter geen enkel af, heffen de koppen nu eens vol verwachting vroolijk omhoog, om ze een oogenblik daarna weder ontmoedigd en treurig naar beneden te laten zinken; dan blaten zij weder, blaten nogmaals. De onrust wordt zinneloosheid, het geblaat verandert in een gebrul.

Daar laten zich in de verte hooge en zwakke tonen hooren. Deze ontgaan het opmerkzaam oor der moeders niet. Een uit alle kelen gelijktijdig voortgebracht geblaat en gemekker is het antwoord; het gansche gewicht van het door ’t lange wachten zoo hoog gestemd moederlijk verlangen baant zich door één enkelen kreet een uitweg. En uit de verte, van af de bergen, in de richting der Joerten stormen de naar hunne moeders verlangende lammeren en sikjes, de grootsten en sterksten in de voorhoede, de jongsten en zwaksten achteraan, allen echter zoo snel zij kunnen, vroolijk springende, door het opgeworpen stof half onzichtbaar, in eene schare, die steeds grooter wordt naarmate zij dichterbij komt. Een oogenschijnlijk niet te ontwarren gewemel treft de oogen; ouden en jongen, eindelijk vereenigd, rennen doelloos dooreen, terwijl zij in ’t voorbijloopen elkander vluchtig aanraken, als om zich door een nieuw zintuig te vergewissen of zij, die bij elkander behooren, werkelijk elkander hebben gevonden; weder loopen zij in verwarring dooreen, als dit niet het geval is; de lammeren en jonge geitjes snellen gewoonlijk vooruit, daar zij door een trap op de pooten, hun door het moederdier toegebracht, er aan herinnerd werden, dat zij zich vergist hebben. Van lieverlede ontwart zich de kluwen; in minder tijd dan men denken zou, hebben moeder en kind elkander gevonden, en knielt het laatste zuigend onder den buik der moeder, begeerig de nog overgebleven melk uit den uier te halen. En wanneer nu ook het blaten en mekkeren niet ophoudt, dan drukken die klanken thans slechts vreugde uit.[407]

Maar slechts kort duurt dit geluk. Elke reeds zoo goed als geledigde uier is ras uitgeput, en in weêrwil van alle stooten en kloppen vloeit de melk niet meer. Maar moeder en kind willen nog langer van de geneugten des samenzijns genieten. De gemengde schaar verspreidt zich naar alle zijden; de gewillige oude klautert het vroolijke jonge dier na, wanneer dit naar den aard zijns geslachts de naastbijgelegen hoogte bestijgt, of schijnt met genoegen gade te slaan, dat een der bokjes in eene plaagzieke bui zijn krachten met een ander meet. Schilderachtig tooit de bonte kudde de omgeving der Joerten; het aanminnigste beeld van een vreedzaam en behagelijk herdersleven ontrolt zich voor het oog van hem, die hart en oogen heeft voor zulk een tooneel.

Ook de melksters gunnen zich thans een korte rust, nemen de kinderen op den schoot en vervullen haar moederplichten of voldoen aan moederlijke verlangens; spoedig echter wacht haar nieuwe arbeid. Brommend melden zich de huiswaarts gekeerde koeien aan, om ook harerzijds de moedervreugde deelachtig te worden; ijlings staan de vlijtige vrouwen op, brengen de van te voren aangebonden kalveren bij de koeien, laten deze een weinig zuigen, trekken ze dan van de uiers af, melken deze uit, en schenken nu ook aan de zuiglustige kalveren de volle vrijheid. Ondertusschen hebben de herders en de honden de kudde kleinvee weder bijeengedreven, en oud en jong, mannen en vrouwen, knapen en meisjes vereenigen zich thans om de lammeren op te vangen, en deze aan eene bij de Joerte aangebrachte lijn met behulp van stevige strikken, waarin zij zich evenwel niet kunnen verhangen, voor den nacht vast te binden, opdat de ouden hun de uiers niet zullen kunnen reiken. Zonder blaten en schreeuwen gaat zulks niet in zijn werk en daartusschen mengt zich het schreien en huilen der kinderen, die weder naar moeders schoot verlangen, het loeien der koeien en het blaffen der honden. Alleen de reeds vastgebonden lammeren der schapen en geiten schikken zich gelaten in het onvermijdelijke. Enkele bokjes beproeven nog bij wijze van spiegelgevecht de kracht hunner uitspruitende horens, maar zij worden spoedig vermoeid en leggen zich vredelievend neder naast den zooeven nog bevochten vijand; nog vóór de geheele rij is vastgemaakt, ligt reeds het grootste aantal jongen op de saamgebogen pooten en heeft zich aan de rust overgegeven. Het eene na het andere moederschaap, de eene na de andere moedergeit bezoekt de rij, besnuffelt de jongen tot zij het hare[408]heeft gevonden, maar keert spoedig weder naar de kudde terug, na zich te hebben overtuigd, dat het onmogelijk was zich naast haar kind neder te leggen.

De zon is reeds geruimen tijd onder, de schemering wijkt voor het nachtelijk duister. Het wordt elk oogenblik stiller in de Joerten. Mensch en dier heeft de rust gezocht en gevonden; alleen de honden beginnen thans onder opzicht en leiding van een waakherder hun rondgangen en zwerftochten, maar ook zij slaan slechts dan aan, wanneer daartoe werkelijk aanleiding is, wanneer zij een rondsluipenden wolf of een anderen dief hebben weg te jagen. Een koele, maar geurige, vochtige zomernacht daalt op de steppe neder en een verkwikkende slaap in dit rijke en schoone jaargetijde vaagt bij herder en kudde zelfs de herinnering weg aan den boozen winter.[409]


Back to IndexNext