XV.

[Inhoud]XV.HET VOLKS- EN FAMILIELEVEN DER KIRGIEZEN.„Bedreigd en vervolgd door de straffende gerechtigheid ontvluchtten eens vier dieven de woonsteden van eerlijke menschen en zochten in de wijde steppe eene schuilplaats. Twee bedelaressen, even als zij uitgestooten uit de verblijven van vlijtige menschen, voegden zich op die vlucht bij de eerstgenoemden. De dieven schepten behagen in de vrouwen en huwden ze, twee van hen ieder een. Een aantal kinderen ontsproten uit deze tegen alle goddelijke en menschelijke inzettingen indruisende huwelijken; de kinderen verwekten een talrijk volk en de tot nog toe ledige steppe werd daarmede bevolkt. Dat kroost bleef zijn oorsprong getrouw, was diefachtig als zijn voorvaderen, bedelachtig als zijn moeders, zonder geloof, zonder zedelijkheid gelijk de ouders. Dat volk zijn de Kirgiezen, wier naam niets anders beteekent dan „roovers”.Op deze wijze droomt zich een Tataarsch, geloovig dichter den oorsprong, en zoo beschrijft hij den aard van een stamverwant volk, dat met hem dezelfde taal spreekt, en tot denzelfden God, naar dezelfde voorschriften van denzelfden profeet bidt. Aldus spreekt hij zich uit, eenig en alleen omdat de Kirgiezen in geloofszaken niet zoo slaafsch aan het woord hangen, niet zoo kleingeestig zijn als hij. Het is de eeuwig oude, altijd opnieuw terugkeerende geschiedenis, de onder alle volken zich opnieuw openbarende schande, door bovengenoemde woorden weêr bevestigd, de vrome leugen, voor wier afschuwelijkheid nog geen kerkgenootschap is teruggedeinsd, ten einde andersdenkenden in een valsch daglicht te plaatsen.Ieder reiziger, die zich onder de Kirgiezen bewogen heeft, iedere vreemdeling, die onder het luchtig dak hunner Joerten gastvrijheid zocht en vond, iedere geleerde, die hun zeden en gewoonten poogde uit te vorschen, elke beambte, die als wachter der wetten, of als plaatsvervanger der staatsmacht in ’t algemeen in hun midden leefde,[410]ieder, met een woord, die geruimen tijd met hen verkeerde, oordeelt, zoo hij niet bevooroordeeld is, geheel anders dan gezegde Tataar.Er was een tijd, in welken de Kirgiezen hun naam verdienden, maar deze tijd is, althans voor vele twijgen der vele horden voorbij. De nagalm van de gezindheden, heldentochten en rooversdaden der vaderen moge nog in de harten der Kirgiezen weêrklinken, in ’t algemeen genomen heeft het ruitervolk der steppe zich gevoegd naar de wetten zijner hedendaagsche meesters en het leeft op den huidigen dag zoowel onder elkander als met zijn buren in vrede, acht het eigendomsrecht, en rooft en steelt niet meer en vaker dan andere volken, eer zeldzamer en minder. Onder de Russische heerschappij leeft de Kirgies thans onder zulke bevredigende omstandigheden, dat zijn stamgenooten aan gene zijde der grens wangunstig op die Russische onderdanen neêrzien. Onder bescherming der Russische regeering genieten zij rust en vrede, zekerheid van bezitting, alsmede geloofsvrijheid; zij zijn bijna geheel verschoond van den krijgsdienst en worden billijk in de belastingen aangeslagen, hebben het recht zich eigen gemeentebestuurders te kiezen, en verheugen zich over meer vrijheden dan de Russen zelf deelachtig zijn. Te betreuren is het, dat deze laatsten gewoonlijk niet zoo verstandig denken als de regeering, en dat zij de Kirgiezen benauwen, verdrukken en afpersen zooveel zij kunnen. Toch zijn zij niet bij machte geweest de zeden, gebruiken en gewoonten van dit volk ook maar eenigszins te wijzigen.De Kirgiezen zijn geboren ruiters en zonder paard kan men zich geen Kirgies denken; zij groeien met het veulen op en leven met het paard tot hun dood. De Kirgies voelt zich, wel is waar, niet enkel thuis in het paardezadel, en weet elk dier, dat hem torschen kan, zich als rijdier dienstbaar te maken, maar het paard blijft immer en onder alle omstandigheden zijn drager en liefste gezel. Op het zadel gezeten verricht hij alle bezigheden, en het paard is bij hem het eenige, een man waardig rijdier. Mannen en vrouwen beide rijden te paard, en niet weinige vrouwen met evenveel gemak als de mannen. De houding des ruiters is achteloos, zoo gemakkelijk mogelijk, maar niet bevallig. De Kirgies rijdt in kort aangegespte stijgbeugels, zonder dijsluiting en raakt alleen met de knieën den voorrand des zadels aan, zoodat hij zich vrij in evenwicht houdt; als hij het paard wil laten draven, richt hij zich in de stijgbeugels op, soms geheel overeind, buigt dan het hoofd zoo ver naar voren en beneden, dat hij bijna op den hals[411]van het paard ligt; hij zit rechtop, wanneer hij het paard, zooals meestal, stapvoets of in galop wil laten gaan. Hij knelt de teugels in de volle vuist; den aan den gordel gehechten knoet houdt hij vast met duim, wijs- en middelvinger. Dikwijls rolt hij uit het zadel, want hij slaat weinig acht op den weg en laat aan zijn paard over dien te zoeken; is hij opmerkzaam, dan berijdt hij onbeschroomd elken weg, waarop een eenhoevig dier in staat is zich te bewegen, evenals hij zonder bedenken het wildste en meest toomelooze ros bestijgt. Moeilijke wegen kent hij niet; een weg is voor hem zooveel als een afstand afleggen, en wat tusschen begin en eind daarvan ligt, gaat hem niet aan. Zoolang hij in het zadel is gezeten eischt hij van zijn rijdier het ongeloofelijke, springt in galop bergop en bergaf, over den vasten grond en door moeras, poel en water, klautert zonder duizelig te worden tegen hellingen op, die hij te voet niet zonder angst zou bestijgen, hellingen, welke ieder ander ruiter voor ontoegankelijk zou houden, en schouwt van uit het zadel rustig in den afgrond naast het geitenpad, door hem weg genoemd, en waarop een ervaren bergbeklimmer door huivering zou bevangen worden. Zoodra hij van zijn ros is gestegen, neemt hij daarentegen alle regels streng in acht, die de ondervinding hem als doelmatig voor een vermoeid paard heeft leeren kennen, en is nu even zorgzaam als hij straks onverbiddelijk was. Bij feestelijke gelegenheden verricht hij ten genoegen der nimmer ontbrekende toeschouwers allerlei kunststukken in het zadel, plaatst zich overeind in de daarboven gekruiste stijgbeugels, springt in staande houding er af, houdt zich met de handen aan het zadel of in de stijgbeugels vast, steekt de beenen in de lucht, hangt zich aan de eene zijde van het zadel op, en tracht het eene of andere voorwerp van den grond te beuren. Met de spiegelgevechten zijner Turksche broeders schijnt hij zich niet op te houden. Het hard rijden geldt hem als het grootste vermaak, en elke feestelijkheid wordt met een wedren opgeluisterd.Aan zulke wedrennen, „Baika” wordt in den regel slechts deelgenomen door de edelste paarden en dan nog wel alleen door telgangers. De af te leggen wegen zijn zeer groot, nooit minder dan twintig, soms wel veertig kilometer lang; men rijdt naar een of ander bekend punt, b.v. een heuvel of grafteeken, en keert langs denzelfden weg terug. Knapen van zeven en acht, hoogstens tien jaren, zitten in het zadel en besturen de paarden met bewonderenswaardige behendigheid.[412]Den terugkeerenden paarden rijdt men langzaam te gemoet; de telganger, die de meeste kans op de overwinning heeft, ontvangt zekere hulp „goetoerma”, die daarin bestaat, dat men hem op zij rijdt en van het rijdende kind ontlast, daarna de teugels, stijgbeugels, manen en staart tracht te grijpen en hem tusschen de versche paarden meer naar het doel sleept, dan leidt. De prijzen, die uitgeloofd worden, bestaan uit zeer verschillende zaken, die evenwel allen in den prijs van paarden worden uitgedrukt. Twee- à drieduizend roebels zijn niet zeldzaam; rijke familiën loven soms honderd paarden uit. Ook jonge meisjes dienen voor prijs, in zooverre, dat de winnaar haar kan trouwen zonder den gewonen bruidsschat te betalen.Terwijl de dingende paarden onderweg zijn, oefenen ook de menschen hun lichaamskrachten. Twee mannen ontdoen zich van hun opperkleed, ontblooten het bovenlijf en vangen aan met worstelen. De aanval heeft op zeer verschillende manieren plaats. Beide strijders grijpen elkander, buigen het lichaam diep en naar elkander toe, draaien in ’t rond, daarbij elkander scherp in ’t oog vattende, en pogen elken schijnaanval of werkelijk gemeenden aanval af te weren, tot plotseling een hunner van al zijn krachten gebruik makende den ander, zoo deze dit niet vooruit heeft gezien, ter aarde werpt. Anderen daarentegen gaan terstond tot den aanval over, maar vinden zulk een krachtigen tegenstand, dat beide mannen langen tijd moeten worstelen alvorens het een hunner gelukt zijn medestander te overwinnen. De toeschouwers vuren de worstelaars aan, deelen lof en berisping uit, prijzen en bespotten, gaan middelerwijl onderling weddingschappen aan en geraken te meer in vuur, naarmate de uitslag meer twijfelachtig is. Eindelijk ligt er een der partijen, door het geheele gezelschap uitgelachen, beschaamd en deemoedig, misschien wel tot in zijn binnenste vertoornd, ter aarde; een geschreeuw, uit aller kelen aangeheven, vervult de lucht; katoenen stoffen, al zijn het ook slechts niets beteekenende lappen, worden doorgescheurd en verdeeld om de weddingschap te vereffenen; verwijten wisselen af met betuigingen van instemming; de kampstrijd is geëindigd, zoo niet de overwonnene plotseling zijn toorn zoekt te luchten en nogmaals op zijn tegenstander aanvalt. Zonder geraas, getier en getwist eindigt zulk een wedstrijd nimmer, tot handtastelijkheden echter komt het evenmin.JACHT MET DEN ADELAAR.JACHT MET DEN ADELAAR.Onder de ridderspelen der Kirgiezen bekleedt de jacht eene voorname plaats. De Kirgies volgt het spoor van den wolf met zulk een[413]vuur en zoo onvermoeid, dat hij de koude zelfs niet opmerkt, die des te eerder nadeelige gevolgen heeft naarmate hij zich door het rijden meer verhit, en niettegenstaande handen en aangezicht hem bevriezen, houdt hij, tenzij het paard hem daartoe dwingt, niet op, alvorens zijn knots op den kop des roofdiers neêrgeslingerd te hebben. Nog liever is hem echter de jacht met adelaar en windhond. Evenals zijn voorvaderen verstaat hij de kunst den arend te temmen en af te richten, trekt met dezen op de goed geschoeide hand, deze steunende op een houten, aan het zadel bevestigd getimmerte, naar gunstig gelegen,[414]en een ver uitzicht aanbiedende hoogten, opdat van hieruit zijn gezellen de steppe kunnen overzien. Deze jacht geldt zoowel den wolf als den vos, en zoolang de arend nog niet ten volle geoefend is, alleen den vos en de marmot. Eene bijzondere africhting is niet noodig; alles wat onderwezen en geleerd moet worden, bestaat hierin, dat de arend, die reeds op jongen leeftijd uit het nest werd genomen en door den jager persoonlijk is gevoed, op de roepstem zijns meesters terugkeert; de erfelijkheid doet het overige. Zoodra de jachtgenooten een vos hebben opgejaagd, neemt de jager den stootvogel de huif af, maakt hem los en werpt hem in de lucht. De arend breidt zijn vleugels uit, begint kringen te beschrijven, stijgt in schroeflijnen al hooger en hooger, bespeurt van hier den ijlings voortsnellenden, nagejaagden vos, vliegt dien na, stoot met half saamgevouwen vleugels en wijd naar voren uitgestrekte pooten schuin op hem neêr en slaat hem de klauwen in ’t lijf; de vos zijnerzijds draait woedend den kop om en poogt zijn vijand met de scherpe tanden te grijpen; gelukt zulks, dan is de arend reddeloos verloren. In bijna iederen dezer even sterke als moedige roofvogels leeft echter het overgeërfde gevoel van het dreigend gevaar, en eveneens de kunst, dit te ontgaan. Op hetzelfde oogenblik, dat de vos zal bijten, laat de arend zijn klauwen los om ze een oogenblik later in het aangezicht van zijn slachtoffer te slaan. Een vroolijke uitroep van den nu naderbij gekomen, geliefden meester schenkt nieuwen moed, en enkele oogenblikken later ligt de vos, door den jager geveld, ontzield op den grond. Meer dan één arend moet bij de eerste proeve zijn koenheid met het leven boeten, maar gelukt de eerste aanval, dan maakt de vogel zich weldra zulk eene bekwaamheid eigen, dat hij eerlang op den wolf kan geworpen worden. Tegenover dezen gedraagt hij zich, ofschoon dezelfde regels volgende, veel omzichtiger; reeds de meerdere grootte van het roofdier is hem een bewijs, dat hij met een veel gevaarlijker kameraad te doen heeft. Maar ook dezen leert hij meester te worden, en met zijn eigen glorie stijgt ook die zijns meesters—tevens zijn waarde. Een adelaar, die zich met den vos meet, kost van dertig tot veertig roebels, een die den wolf overwint wordt met het dubbele en driedubbele betaald, ingeval zijn meester hem verkoopen wil. Met twee arenden kan men niet jagen, daar de eene vogel dan den anderen hinderen zou; zij zijn namelijk dikwijls zoo jachtlustig, dat de jager zich verhinderd ziet zijne hulp te verleenen, en dikwijls laat de vogel, zonder met[415]geweld daartoe gedwongen te worden, zijn slachtoffer niet los.Vereischt deze jacht reeds veel rijkunstvaardigheid, zulks is nog meer het geval wanneer de Kirgies met windhonden op antilopen jaagt. Als pijlen uit den boog schieten de langharige honden voort, zoodra zij het gezochte wild in het gezicht hebben gekregen, en over heg en steg jagen de ruiters hen na, tot zij samen het vluchtend wild hebben ingehaald. Wie bij zulk een wedren van ’t paard stort, oogst slechts spot en hoon, en den zandruiter voorbij stormt de wilde jacht.Ook op de drijfjachten in het gebergte verlaten de Kirgiezen hun paarden niet. Een heerlijk gezicht leverde het Arkatgebergte op, toen de drijvers, die ons de wilde schapen onder het schot zouden brengen, hun halsbrekenden rit aanvingen. De eene ruiter na den andere verscheen of verdween, dan hier dan daar, op de hoogste toppen en in de diepe kloven, dalen en insnijdingen; nu eens teekenden zij zich scherp tegen de lucht af, dan weder verloren zij zich tusschen de rotsen, als het ware ineensmeltende met het gesteente der hellingen, Niemand steeg van zijn paard, geen hunner bezon zich ook maar een oogenblik, welken weg in te slaan; zij reden met meer gemak in het gebergte dan zij zich te voet zouden bewogen hebben.De jager paart aan moed volharding. Niet alleen op den rug des paards, maar ook in het bekruipen en beloeren van het wild geeft hij blijk van eene bewonderenswaardige volharding. Dat hij dagen lang een spoor vervolgt, beteekent, zijn rijlust in aanmerking genomen, niet veel; met het lontgeweer, nog evenveel door hem gebruikt als het vuursteengeweer, in de hand, kruipt hij als een sluipende kat eene halve werst ver langs den grond, loert hij uren lang in storm en regen op een stuk wild, totdat dit onder bereik van zijn schietwapen is gekomen. Hij schiet nooit op grooten afstand en altijd legt hij de buks eerst op de daaraan bevestigde vork; maar hij mikt zeker en weet den kogel op de rechte plaats te doen treffen.Even onvermoeid als hij is als ruiter, jager en herder, even ongaarne neemt de Kirgies andere bezigheden op zich. Wel bebouwt ook hij zijn akker, maar op eene hoogst ellendige wijze en nooit meer dan strikt noodzakelijk is. De arbeid in de kluiten is bij hem weinig eervol, evenals elk ander bedrijf, dat niet met de veeteelt en het herdersleven in verband staat. Hij verstaat uitnemend de kunst van bevloeiing, heeft een geoefend oog voor plaatskennis en weet, zonder meetwerktuig en waterpas te gebruiken precies, waar hij de waterleidingen[416]moet aanleggen; maar slechts zoolang hij een knaap is laat hij zich voor zulke werkzaamheden gewillig vinden; heeft hij echter eenmaal eigen bezittingen verworven, dan raakt hij spa noch schoffel meer aan. Nog minder lust gevoelt hij voor een handwerk. Hij weet het leder te bereiden, kan daaruit allerlei riem- en zadelwerk vervaardigen, weet dit met ijzeren en zilveren ornamenten te tooien, verstaat de kunst om messen en wapenen te smeden en in ’t algemeen alle hem noodzakelijk gereedschap te maken, maar nooit oefent hij zulke bezigheden voor zijn genoegen uit, wel steeds met tegenzin. Toch is hij geen lui en lichtzinnig werkman, maar vlijtig en vertrouwbaar, en wie zijn bekwame hand heeft gewonnen, heeft zelden reden ontevreden over hem te zijn.JACHT DER KIRGIEZEN OP HET WILDE SCHAAP.JACHT DER KIRGIEZEN OP HET WILDE SCHAAP.Hooger dan lichamelijke arbeid staat geestelijke werkzaamheid bij hem aangeschreven. Zijn vlugge, opgewekte geest eischt bezigheid; hij houdt daarom niet enkel van luchthartige, maar ook van ernstige gesprekken, misschien ook daarom, dat zulks eenige afwisseling brengt in zijn vrij eentonig leven. Daarom redeneert hij gaarne met zijn stamgenooten, en wordt hij soms door zijn rederijkheid den vreemdeling eenigszins lastig. Met deze spraakzaamheid gaat eene weetgierigheid gepaard, die nu en dan ontaardt in nieuwsgierigheid, want de „roode tong” weet van geen vacantie. Wat de wind door de steppe draagt, neemt het lettend oor van den Kirgies op, en de „roode tong” kleedt het in woorden. Wordt ergens iets verhandeld, dat de Kirgies verstaan of niet verstaan kan, ik bedoel, wordt er in eene hem verstaanbare taal gesproken, dan schaamt hij zich geenszins tot aan de deur der Joerte door te dringen en het luisterend oor tegen den wand te drukken, om geen syllabe te verliezen. Eene gebeurtenis, die het alledaagsche maar een haartje te boven gaat, eene mededeeling, eene vertelling voor zich zelf te behouden, een geheim te bewaren, het is den Kirgies onmogelijk. Zwijgt dan het edele ros, op hetwelk hij door de steppe vliegt, wanneer het iets gewaar wordt, wat het belangstelling inboezemt, zwijgen geit en schaap, wanneer zij met soortgenooten samentreffen, of zwijgt deleeuwerikals hij zich boven den grond der steppe verheft? En de heer der steppe zou zwijgen? Nooit en nimmer! „Spreek, o spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij zwijgen.” Onvermoeid rolt de stroom van woorden over de lippen der Kirgiezen. Nooit rijden er twee mannen stom naast elkander, al duurt de reis een geheelen dag; onafgebroken hebben[417]zij met elkander te praten en elkander iets mede te deelen. Gewoonlijk is het niet genoeg dat er twee samen rijden; het moeten er drie of vier zijn, die gemeenschappelijk langs den weg trekken, zoolang deze dit samenrijden mogelijk maakt. Die manier van reizen is bij hen zoo gewoon, dat zelfs de paarden elkander zoo dicht mogelijk naderen en de Europeaan den teugel moet gebruiken om zulks te beletten. In eene met Kirgiezen gevulde Joerte heerscht een gegons als in een bijenkorf; ieder wil aan ’t woord, ieder doet zijn best dit woord alleen te hebben.Een daaruit voortvloeiend gevolg is, dat de Kirgiezen hunne taal weten te gebruiken. Hierin schijnen allen gelijk te zijn, rijken en armen, voornamen en geringen, geletterden en ongeletterden. Hun toonrijke, welluidende, maar harde taal—gelijk men weet, slechts een dialekt van het Tataarsch—is vol uitdrukking. Ieder woord, zelfs de vreemdeling, die ze niet verstaat, voelt zulks, wordt geheel uitgesproken; op elke lettergreep valt de juiste klemtoon, zoodat men haast uit den klank kan opmaken, wat hetgeen zij zeggen beteekent. Men spreekt zeer levendig, de toon beantwoordt geheel aan den inhoud, de pauzen zijn juist afgemeten, zoodat het gesprek eenigszins afgebroken klinkt, alhoewel de woordenvloed geen enkel oogenblik hapert. De uitdrukking des gelaats zet aan de rede nog meer aanschouwelijkheid bij, en levendige gebaren verduidelijken verder den zin. Is er een onderwerp, dat hun bijzondere belangstelling inboezemt, dan geraken de sprekers in vuur, zoodat men een oogenblik vreest, dat er handtastelijkheden zullen volgen, maar ook het heftigste dispuut eindigt in vrede en eendracht.Dat onder zulke lieden de bard geëerd wordt is te begrijpen. Ieder Kirgies, die in woordenrijkdom en welsprekendheid boven anderen uitmunt, staat in aanzien. Een zanger, een gelegenheidsdichter mag bij geen feest ontbreken. Zijn talent behoeft juist niet uitstekend te zijn; de rede moet slechts onafgebroken vloeien, zich voegen naar eene bepaalde, iedereen bekende versmaat—en men is dichter. Toch beschikt elke Kirgiesche bard over een niet geringen schat van dichterlijke gedachten, die hij gemakkelijk in woorden kleedt. Het herders- en nomadenleven, hoe eentonig dit ook moge verloopen, heeft zijn bekoorlijkheden, zijn toongevende snaren, die slechts behoeven aangeslagen te worden om in de harten der hoorders weêrklank te vinden. Een aantal sagen en overleveringen bieden voldoende stof om daarmede de gapingen in de gedachten aan te vullen, en zoo kan de rede van den[418]bard vloeien als een breede stroom, welks bronnen nimmer uitdrogen; hij heeft zich slechts te houden aan eene bepaalde versmaat om dichter te zijn en te blijven. Maar ook dit wordt hem gemakkelijk gemaakt, want elke bard begeleidt zijn woorden met den klank der driesnarige, Kirgiesche citer en verbindt de afzonderlijke regels door tusschenspelen, die net zoo lang duren als de nieuwe regel tijd behoefde om in den rechten vorm gegoten te worden. Hoe sneller, hoe vlugger zulks geschiedt, des te hooger stijgt de roem des zangers. En wordt de vrouwelijke borst in dichtvuur ontstoken, dan is zij het voorwerp der algemeene bewondering; waagt zij het zich met een man in de dichtkunst te meten en met hem hierin om den prijs te dingen, dan verheft de in geestdrift ontstoken menigte haar boven alle vrouwen der wereld.Minder dan voor de dichtkunst is de wijde steppe bevorderlijk voor een geregeld onderwijs. Hieruit laat zich verklaren waarom zoo weinig Kirgiezen kunnen lezen en schrijven. Alleen voor de zonen der rijksten en voornaamsten is deze kunst weggelegd. In de twee door de Regeering gestichte scholen, teUstkamenogorsken te Saisan worden ook Kirgiesche knapen onderricht, in de eerstgenoemde stad zelfs uitsluitend, maar de werkzaamheid dier inrichtingen strekt zich niet tot het binnenste der steppe uit. Daar leert de knaap lezen en schrijven, indien het toeval wil, dat hij een Mollah ontmoet, die evenveel lust in het onderwijzen als de knaap in het leeren heeft. Ook dan evenwel blijft het onderwijs beperkt tot de allereerste kundigheden: het Arabische schrift te kunnen lezen en schrijven. De inhoud van het voornaamste, zoo niet eenige leerboek, den koran, blijft gewoonlijk zelfs voor den Mollah verborgen; hij leest de Soeren zonder deze te verstaan.Ik heb slechts eenmaal een Kirgies ontmoet, die Arabisch kende, en dit was nog wel een sultan; alle anderen, die door hunne kennis der schrift boven hun stamgenooten verheven waren, en als trouwe belijders van den Islam geregeld de vijf voorgeschreven gebeden opzegden, verstonden in het gunstigste geval alleen den inhoud van de oproeping tot het gebed en de eerste Soere van den Koran; al wat zij meer opzegden, werd wel is waar uitgesproken met die plechtigheid en dien ernst, welke aan alle Mohammedanen eigen zijn, maar zonder dat zij er een woord van begrepen.En toch ontving ik steeds een diepen indruk, wanneer te midden der onafzienbare steppe, waar geen minaret zich ten hemel verhief, een dezer lieden, die de heilige woorden kent, als Muddin of roeper optrad[419]en zijne stem voor het gebed verhief, terwijl de geloovigen in lange rijen achter denImamof voorbidder knielden, om hun voorhoofden al biddende tegen den grond te drukken, gelijk de wet van den profeet zulks voorschrijft.Het bewustzijn van kracht en vaardigheid, de bedrevenheid in paardrijden en jagen, het dichterlijk talent en de opgewektheid van geest in ’t algemeen, het gevoel van zelfstandigheid en vrijheid, hetwelk de groote steppe in ’t leven roept, geeft aan het voorkomen van den Kirgies eene niet te loochenen waardigheid. Hij maakt dan ook op den onbevooroordeelden opmerker een zeer gunstigen indruk, die des te meer toeneemt naarmate men den steppenbewoner beter leert kennen. Zoo ging het mij, en zoo ook oordeelen de Russen, die jaren lang met de Kirgiezen hebben omgegaan, en zoo oordeelen vooral de Russische ambtenaren en vele reizigers, die onder hen verkeerden. Men zegt wel is waar te veel, wanneer men beweert, dat de Kirgies een groot aantal goede en zeer weinig slechte eigenschappen bezit, of zich althans in deze richting doet kennen. Opgewekt van geest, verstandig, levendig, zoo lang het de gewone zaken betreft, goedaardig, dienstvaardig, tot helpen bereid, welgemanierd en voorkomend, gastvrij en barmhartig, is hij in zijne soort een voortreffelijk mensch, wiens schaduwzijden men te eerder over het hoofd ziet naarmate men hem meer onbevangen beschouwt. Hij is beleefd; zonder kruipend te zijn, hij behandelt zijn meerdere met achting, en toch niet als een slaaf, is jegens zijn minderen vriendelijk, maar niet geringschattend. Op tot hem gerichte vragen antwoordt hij eerst na eenig nadenken, maar dan rustig en duidelijk, terwijl zijn scherp betoonde manier van spreken aan zijn antwoord het merkteeken van zekerheid schenkt. Hij is gedienstig in alle opzichten, maar is dit meer uit eerzucht dan uit hoop op winst, meer om lof en bijval dan om geld en goed te verwerven. De gemeentebestuurder Tamar Bey Metikoff, die bijna eene maand lang ons uit beleefdheid vergezelde, was de hoffelijkste, voorkomendste man onder de zon, altijd bereid ieder onzer wenschen te vervullen, onvermoeid in het bewijzen van diensten en beleefdheden, en zulks alleen in de hoop om hiermede onze tevredenheid en die van den Gouverneur-Generaal te winnen. Hij gaf ons zulks met ronde woorden te kennen, toen wij hem geschenken wilden opdringen.Met zulk eene eergierigheid is het feit in overeenstemming, dat de voorname man zich verheft op familie en afkomst, zich beroemt op[420]zijn voorouders en tevens zijn stamboom laat opklimmen tot Chingis-Chan, dat hij slechts in zijn stand trouwt, geen vlekje op zijn eer duldt, en geen eerroof vergeeft. Daarmede in overeenstemming is verder nog zekere ijdelheid, die men bij den Kirgies niet zou verwachten. Niet alleen aanzien en rijkdom, waardigheid en rang, maar zelfs jeugd en schoonheid zijn in zijn oogen gaven, die hij op hoogen prijs stelt. Doch hij onderscheidt zich in ’t oogloopend van de saletjonkers te onzent, doordien hij nooit tot een fat wordt. Hij prijst openlijk en onbeschroomd de hem door lot of natuur toebedeelde gaven; deze lof gaat hem echter natuurlijk af en wordt niet misvormd door voorgewende bescheidenheid. Zoo ver zijn middelen hem dit veroorloven kleedt hij zich rijk, versiert mantel en broek met tressen, de pelsmuts met uilenveeren—een fat echter wordt hij nooit. Dat de vrouwen nog meer dan de mannen haar bekoorlijkheden in het helderste daglicht trachten te plaatsen spreekt vanzelf; en daarom heeft het mij dan ook volstrekt niet verwonderd, dat zij met het sap van zekeren wortel de wangen met een teeder, waasachtig, zeer duurzaam rood bestrijken, m.a.w. zich blanketten.In overeenstemming met zijn zucht om te behagen, schikt de Kirgies zich gewillig in de zeden en gebruiken van zijn volk. Zijn beschaving en goede manieren legt hij hoofdzakelijk aan den dag door zijne uit overoude tijden stammende, door den Islam evenwel zeer gewijzigde gebruiken streng na te komen. Zulks geeft aanleiding tot vormelijkheid en plichtplegerij in het dagelijksch verkeer, maar werpt tevens een dam op tegen verwaandheid en onbeleefdheid, en verbant de lompheid uit de samenleving; ieder weet hoe hij zich te gedragen heeft om geen aanstoot te geven, of ook maar slechts in de geringste mate op eene minder aangename wijze in het oog te loopen.Reeds de wederkeerige begroeting geschiedt op een vormelijke, door allen in acht genomen en dus nauwkeurig bepaalde wijze. Wanneer twee Kirgiesche ruiterbenden elkander ontmoeten, verloopt er geruimen tijd alvorens het compliment is gewisseld. Gelijktijdig leggen zij de rechterhand op elkanders hartstreek, de linker op elkanders rechterhand, terwijl daarna beide personen hunne rechterhand terugtrekken om deze met de linker te vereenigen, zoodat nu alle vier handen in elkander rusten. Terwijl zij dus elkander aanraken spreken beiden het Arabische woord „Amán” (vrede) uit; vóór de omarming hadden zij den groet aller Mohamedanen elkander toegeroepen: „Salám alëik” of „alëikoem”[421](Heil zij met u of ulieden), ook wel „Alëikoem el salám.” Op deze wijze begroeten zij elkander wederkeerig; de beide troepen vormen twee rijen en de eene persoon na den ander loopt, ten einde de nu nog geketende „roode tong” zoo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen, snel de rij af. Een korte wijze van begroeting, die echter slechts in zwang is, wanneer de schare zeer groot is, bestaat daarin, dat men de handen naar elkander uitstrekt en deze tegen elkander slaat.Leggen de Kirgiezen wederzijdsche bezoeken in de Aul af, dan heeft er vóór de begroeting nog een andere plechtigheid plaats. Zoodra de joerte in ’t gezicht is gekomen houden de bezoekers hun paarden in, laten ze stapvoets voortgaan en eindelijk stilstaan. Nu gaat men hen van uit de Aul tegemoet; de gasten worden verwelkomd en naar de joerte gebracht, die intusschen door de vrouwen met de kostbaarste tapijten is belegd. Vreemde, in de Aul nog onbekende gasten, moeten zich vóór de begroeting aan een kort verhoor, waarin naar naam, stand en afkomst gevraagd wordt, onderwerpen. Altijd evenwel worden zij ontvangen en gastvrij onthaald, want gastvrijheid, een karaktertrek der Kirgiezen, oefenen zij jegens iedereen uit, onverschillig van welk geloof hij moge zijn, of tot welken stand hij moge behooren; voorname lieden evenwel genieten eenige onderscheiding. De gast treedt de joerte met de gewone begroeting binnen, trekt bij de deur zijn schoenen uit, en zet zich, wanneer hij van gelijken stand is, als ware hij de eigenaar, op de eereplaats neêr. De mindere houdt zich tegenover den meerdere bescheiden terug, en laat zich in knielende houding op het tapijt neder.Ter eere van een aanzienlijken gast laat de heer der joerte een schaap slachten, dat echter vooraf in de joerte wordt gebracht om het door den gast te laten zegenen. Alle geburen komen opdagen om aan den lekkeren maaltijd deel te nemen. De kop en borst van den ram worden aan het spit gebraden, de kleinere vleeschstukken, kruis, ribben, schouderbladen enz. in den ketel gekookt, en als zij gaar zijn, in eene kom voor den gast geplaatst. Deze wascht zich de handen, snijdt het vleesch van de beenen, doopt het in het sterk gezouten nat, en zegt tot den inmiddels nog niet gezeten gastheer: „eerst door den gastheer erlangt het vleesch smaak; ga zitten.” De gastheer antwoordt: „ik dank u zeer, eet!” maar voldoet nog niet aan het verlangen van zijn gast. Deze snijdt nu een stuk van de valsche ribben af, roept den[422]gastheer bij zich, en steekt dien het vleesch in den mond; daarop snijdt hij een tweede stuk af, legt dit in een kom en reikt het der gastvrouw. Nu zet de heer der joerte zich aan de zijde van zijn bezoeker neêr; de laatste blijft evenwel de spijzen onder de aanzittenden uitdeelen. De gast snijdt het vleesch in stukken, vermengt elk stuk met vet, doopt telkens drie stukken tegelijk in het vleeschnat en steekt ze daarna, telkens deze drie stukken tegelijk, iederen dischgenoot in den mond. Het zou eene beleediging zijn voor den gever, indien de ontvanger der gift deze niet dadelijk verorberde, al mocht hij ook, als de stukken wat groot zijn uitgevallen, erg veel moeite hebben om ze naar binnen te zenden, zoo erg soms dat het gezicht er rood en paars van wordt, en de eene buurman den ander te hulp moet komen; om het slikken te bevorderen, klopt men elkander op den rug. Daarentegen mag de uitdeeler ook niet meer dan drie stukken tegelijk reiken, want overschrijdt hij dit getal, en stopt hij iemand b.v. vijf stukken tegelijk in den mond, zoodat de ontvanger, die veroordeeld is die hoeveelheid zoo schielijk mogelijk in eens door te zwelgen, stikt, dan moet zulks met honderd paarden, uit te betalen aan de familie des geworgden, gezoend worden, terwijl men daarentegen van de boete wordt vrijgesteld, zoo het slachtoffer aan het officieele getal bezwijkt. Is het vleesch genoten dan laat de gast de schaal met vleeschnat rondgaan, waarvan ieder zooveel drinkt als hem lust. Tot besluit van den maaltijd wordt, nadat ieder der aanwezigen zich eerst de handen heeft gereinigd, althans voor elken welgestelden gastheer, en in geval de merries nog melk geven, koemys gepresenteerd; zulks geschiedt te allen tijde met een zekere deftigheid, geëvenredigd aan den eerbied, dien men aan dezen lievelingsdrank der Kirgiezen verschuldigd is. Wie tot nu toe niet aan den maaltijd deel nam, snelt toe om zich aan den nektar te laven. Men drinkt zich een halven roes; want de Kirgies is op het stuk van drinken, waar het zijn dierbaren melkwijn geldt, even sterk als in het eten, en te dien opzichte zoo min bescheiden als matig.Nog veel omslachtiger dan bij een eenvoudig bezoek zijn de gebruiken, die in acht worden genomen bij belangrijke huiselijke omstandigheden, zooals bruiloften en begrafenissen. Bij de eerste vergezelt de scherts de vreugde, bij de laatste paart zich eerbied voor de dooden aan den rouw.Vrijage en bruiloft, begrafenis en herinneringsdagen aan de dooden gewijd, geven aanleiding tot eene aaneenschakeling van feestelijkheden.[423]Gelijk bij alle Mohammedanen het geval is, doet de vader voor den zoon aanzoek om de hand van een meisje, en gelijk bij alle belijders van den Islam gebruik is, betaalt hij aan den aanstaanden schoonvader een bruidsgift van zeer verschillende, soms aanmerkelijke waarde. Iemand, die uitgezonden wordt om de hand van een meisje te gaan vragen, is kenbaar aan de broekspijpen, waarvan een boven, de andere in de laars wordt gestoken; hij verschijnt in de joerte, alwaar het huwbare meisje zich bevindt, en draagt uit naam van den vader des trouwlustigen jongelings het aanzoek voor. Is de vader van ’t meisje daarmede ingenomen, dan verlangt hij het groote bezoek; hij wenscht n.l. den lastgever zelf, de oudsten der gemeente, en de voornaamsten uit diens Aul te spreken om met hen de onderhandelingen te gaan voeren. Deze verschijnen, en laten naar gebruik, voor de Aul hunne rossen stilhouden. Een afgezant van den vader der bruid reist hun tegemoet, begroet hen plechtig en naar den vorm, en geleidt hen naar de feestelijk getooide joerte, alwaar zij met koemys ontvangen worden. Een bard verschijnt om de samenkomst op te luisteren, en heft zijn gezang aan. Rijke bijvalsbetuigingen en prachtige beloften prikkelen des zangers ijver. Men prijst de diepte zijner gedachten, de eenheid zijner voordracht; men belooft hem een paard, een jamba of vier pond ongemunt zilver. De huisheer wijst dit alles van de hand, want hij alleen heeft het recht den zanger te beloonen; de gasten evenwel laten hunne voornemens niet varen, en beloven met vernieuwden aandrang, want te goed weten ze dat de gastheer hun de vervulling hunner beloften niet zal toestaan. Nadat de zanger geëindigd heeft, begint zich een levendig onderhoud tusschen de aanwezigen te ontspinnen, men spreekt over allerlei zaken, alleen niet over het onderwerp, dat allen bijeenbracht. Het uur van scheiden breekt aan en men rijdt naar huis.Den volgenden morgen beantwoordt de vader der bruid met zijn gevolg het bezoek en wordt door den vader des bruidegoms op gelijke wijze begroet en onthaald; nu geeft de eerste zijn wensch te kennen de moeder des jongelings te zien. Men gaat gezamenlijk naar de joerte der huisvrouw en begroet deze op even plechtige als hoffelijke wijze. Meteen draagt de vader des bruidegoms een schaapsborst op, snijdt er stukken voor de gasten af en vergezelt het ontleden van het meest geachte deel des schaaps met de woorden: „Deze schaapsborst zij mij ten pand, dat onze voornemens een goeden afloop zullen hebben,” reikt daarop zijn gasten de lekkere beten toe en opent daarmede de onderhandelingen[424]over het bedrag van den „kalum” of de bruidsgift. Als eenheid van prijs geldt eene merrie van drie tot vijf jaar; een telganger of een kameel wordt gelijk gesteld met vijf merries; zes of zeven schapen of geiten hebben de waarde van ééne merrie.De vader der bruid verlangt als gift 77 merries, laat zich evenwel afdingen, en gaat, al naar zijn eigen vermogen en dat van den anderen schoonvader groot is, tot 57, dan tot 47, 37, 27 terug, en zijn beiden onbemiddeld dan nog verder, totdat men het eens is geworden. Zijn de onderhandelingen afgeloopen, dan verklaart de vader der bruid de verloving voor beklonken, gaat opstaan om huiswaarts te keeren en laat een geschenk in of aan den ingang der joerte achter. De vader des bruidegoms zendt echter, zoo hij kan, te gelijk met den vertrekkenden zwager de helft van den kalum naar diens joerte, om ook de rest zoo spoedig doenlijk af te betalen.Veertien dagen na de betaling mag de bruidegom voor ’t eerst zijne bruid bezoeken. Onder een zoo sterk mogelijk geleide van met hem bevriende jongelingen van gelijken leeftijd, aan wier hoofd een met alle gebruiken bekend en ouder familielid staat, breekt hij op, rijdt tot in de nabijheid van de Aul zijner bruid, stijgt van ’t paard, slaat eene kleine tent op en kruipt hierin, of verbergt zich op eene andere wijze. Zijn metgezellen echter trekken verder, begeven zich nadat de plechtige begroeting is afgeloopen in de Aul en verdeelen onder vroolijke scherts allerlei kleine geschenken, zooals ringen, halsbanden, lekkernijen, linten en bontgekleurde stoffen onder de hen omringende vrouwen en kinderen. Gezamenlijk met jongelingen en jonge dochters van gelijken leeftijd betreden zij nu de feestjoerte. De gastheer biedt spijs en drank, eerst een schaapsbout, die hij met de reeds vermelde woorden in stukken snijdt, dan „Meibaur” in vet gebraden, kleine stukjes lever, hart en nieren, plaatst het gerecht voor den straks vermelden ouden vriend en deze handelt er mede naar gebruik en zede; zoodra hij den jongeling, dien hij met de eerste bete bedenkt deze in den mond heeft geduwd, bestrijkt hij hem tevens het aangezicht met het vette vleeschnat. Hiermede is het sein gegeven, dat men met vroolijkheid en scherts kan aanvangen, en jongelingen, jonge dochters en jonge vrouwen nemen daaraan om strijd deel. Een zeer geliefkoosde aardigheid der meisjes bestaat daarin dat zij de kleederen der jongemannen vlug aan de tapijten, waarop zij gezeten zijn, vast naaien.[425]Na den maaltijd mogen de jeugdige gasten een weinig rusten, maar zulks alleen om hun tijd tot overdenking te geven. De meisjes en vrouwen noodigen alsnu de jongelingen uit tot een zangerswedstrijd, wijzen hun de eereplaatsen aan, en zetten zich zelven daar tegenover; een harer begint. Is de door haar toegezongen jongeling niet slagvaardig, dan vergaat het hem slecht. Onder stooten en knijpen valt de jolige schaar op hem aan, verdrijft hem uit de joerte en leveren hem over aan de jonge mannen van de Aul, die voor de joerte reeds op zulke slachtoffers wachten. Een vat water wordt over dien beklagenswaardigen stumper uitgestort, waarna men hem druipend nat en beschaamd, naar de joerte terugdrijft, alwaar hij voor de tweede maal op gelijke proef wordt gesteld. En als hij ook nu in deze te kort schiet, wordt hij tot straf in vrouwenkleeren gestoken en aan de kaak gesteld. Wee hem, indien hij zich gebelgd toont; hij zou een slechten dag hebben. Heden zwaait de scherts haar scepter en zij duldt geen brompot. Wie het best tegen den strijd is opgewassen, is de held van den dag; die dit niet is, wordt tot algemeen offerlam.Gedurende dit spel zit de bruid onder een gordijn achter in de joerte, voor ieders blik verborgen. Van deze omstandigheid maken nu de jonge lieden der Aul gebruik om de bruid te stelen, d.w.z. terwijl de zangerswedstrijd alle vrienden van den bruidegom bezig houdt, dringen zij tot de jonge dame door, voeren haar naar buiten door eene tusschen de vilten omkleedsels der joerte aangebrachte opening, tillen haar op een paard en brengen de volstrekt niet tegenspartelende bruid naar de joerte van een bloedverwant om haar in handen te stellen van de daar reeds wachtende oudere vrouwen. Is de roof gelukt, dan spoort de roover de jongelingen aan om de bruid te gaan zoeken en uit de handen der vrouwen te verlossen. Fluks breekt het geheele gezelschap op en verzoekt de bewaaksters hun de gestolene weder terug te geven. Hoe sierlijk de woorden ook mogen ingekleed worden, het verzoek wordt afgeslagen. In de gedeeltelijk opengeslagen joerte zit de bruid, zichtbaar voor aller oogen; geweld zou niet baten en daarom beginnen de jongelingen vriendschappelijk te onderhandelen. De vrouwen verlangen negen verschillende gerechten, door de jongelingen zelven te bereiden, maar stemmen er ten laatste in toe, in plaats van met spijzen, zich met geschenken tevreden te stellen; zij leveren nu de bruid eindelijk uit, op voorwaarde, dat deze naar de joerte haars vaders teruggebracht zal worden.[426]Inmiddels zit de bruidegom in zijn tent te wachten. Geheel alleen was hij echter niet, want eenige jonge dames zijn hem, zoodra zijn gezellen verschenen, gaan zoeken, en zij hebben hem natuurlijk ook gevonden; zij werden begroet met het eerbiedige „Taschim.” De jongeling heeft zoo diep voor hen gebogen dat hij met de vingertoppen den grond aanraakte; daarna heeft hij zich langzaam opgericht, de handen langs het scheenbeen latende glijden, totdat hij zich in zijn volle lengte had opgeheven; de vrouwen hadden deze hulde aangenomen, hem gezelschap gehouden, spijs en dank gereikt, hem met scherts den tijd verkort, maar niet toegestaan dat hij de tent verliet. Eerst na lang smeeken en niet vóór de zon is ondergegaan, ontving hij verlof, in de Aul en voor de joerte der bruid een liedje te zingen. Hij bestijgt zijn paard, rijdt de Aul binnen, begroet de bewoners met gezang, wendt zich naar de joerte der uitverkorene en klaagt in een zelf uitgedacht, of van een ander overgenomen lied zijn verlangen, zijn leed:„Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer,Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet.Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring,Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet.„Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelenTer ruste men snoert aan de bindende lijn,Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven,Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn.„Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen,Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust,De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen,De vreugde des harten, vertrouwen en rust.„Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken,Als ware ik dorstig en droog mij de mond.Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren,Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond.„En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen,Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn,Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden,Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.”Zonder de joerte te betreden, keert hij weêr naar zijne tent terug.[427]Daar verschijnt hem eene oude vrouw, die belooft hem naar zijne bruid te geleiden, als hij haar een geschenk wil vereeren. Mild opent zich des bruigoms hand en beiden begeven zich op weg. Maar ongehinderd bereiken zij de joerte niet. Eene andere vrouw legt den gaffel, waarmede men den koepelring der joerte omhoog hijscht, dwars over den weg; zulk een slagboom over te springen zou een slecht voorteeken zijn, want wie den gaffel heeftneêrgelegdmoet dien ook weêr wegnemen. Een nieuw geschenk verwijdert ook dezen hinderpaal, maar weinig schreden verder ligt een tweede, en daarover heen eene schijnbaar doode vrouw; een nieuw geschenk wekt de doode weêr in ’t leven en ruimt het beletsel op; nu is de weg naar de joerte vrij. Daar staat evenwel eene gedaante, die een geluid laat hooren als het brommen van een hond. Zal men kunnen zeggen, dat een hond op een bruidegom heeft gebromd? Dat nooit! Een nieuw geschenk sluit den brommenden mond en de veel beproefde komt eindelijk bij de joerte aan. Hier houden twee vrouwen de deur dicht, maar ook de deur bezwijkt voor een geschenk; binnen in de joerte houden twee vrouwen het gordijn vast; op het bruidsleger rust echter eene jongere zuster der bruid; hij bevrijdt zich van allen, de joerte is ledig; de „oude” legt de handen des bruidegoms in die der bruid, en verwijdert zich eveneens; eindelijk, eindelijk zijn beiden samen,—en alleen.Onder opzicht van den behulpzamen oude „Djenke” genaamd, bezoekt de bruidegom herhaalde malen zijne bruid, zonder zich nog voor te stellen aan de ouders van het meisje. Eerst moet de kalum geheel betaald zijn.Nu wordt de persoon die vroeger werd uitgezonden om het aanzoek te doen, weder naar den vader der bruid afgevaardigd om dezen te vragen of het nu geoorloofd is het meisje naar de joerte van haar echtgenoot te brengen. De vraag wordt toestemmend beantwoord, en de bruigom gaat wederom met groot gevolg en geschenken naar de Aul, slaat weder zijn tent op een behoorlijken afstand op, ontvangt hierin nogmaals het bezoek van vrouwen, brengt alleen den nacht er in door, en zendt van hier den volgenden morgen alle voor eene joerte benoodigde en door hem te leveren houtstukken naar de Aul. Alle bewoonsters der Aul verzamelen zich hierom heen, ten einde de vilten stoffen, die de bruid moet geven, aaneen te naaien, voor zoover dit noodig is, en nu begint men met het opstellen der joerte. De meest geachte vrouw van de Aul mag den koepelring omhoog brengen en[428]houdt dien vast, totdat de sparren daarin zijn gestoken; de andere vrouwen houden zich gezamenlijk onledig met den verderen opbouw en de bekleeding. Ondertusschen komt de bruidegom ter plaatse; nu geleidt men ook de bruid herwaarts en noodigt beiden uit van verschillende zijden de nieuwe woning te naderen om het groote vraagstuk op te lossen, wie de heerschappij in de joerte zal voeren? Zij zal het deel worden van hem, die de joerte het eerst bereikt.Een schaap, door den bruigom medegebracht wordt geslacht; de maaltijd wordt aangericht en deze zal in de nieuwe joerte plaats hebben. Onder den maaltijd wikkelt de jonge joerteheer een stuk wit laken om een been en werpt dit, zonder naar boven te zien, door de opening van het koepeldak naar buiten. Gelukt deze worp, dan is zulks een goed teeken; de rook zal dan uit deze joerte regelrecht omhoog stijgen, wat geluk voorspelt voor de bewoners der tent.Na het welkomstmaal begeven zich de gasten naar de joerte van den vader der bruid, alwaar hun een tweede maaltijd wacht. De moeder der bruid evenwel discht de spijzen op voor de jongelieden, die in de nieuwe joerte achterbleven; mild en overvloedig moet zij geven, anders zou het jonge volkje de tent boven de hoofden der aanzittenden afbreken, en tot straf voor die karigheid, de afzonderlijke deelen van het lichte gebouw naar alle richtingen in de wijde steppe werpen. Zelfs de rijk gevulde schotel is voor den overmoed der uitgelaten bruiloftsgasten niet veilig; de een rukt ze uit de handen der gastvrouw en rijdt er mede weg; anderen trachten hem den buit weder afhandig te maken en deze plagerijen duren net zoo lang totdat men begint te vreezen, dat het gerecht koud zal worden.Den volgenden morgen wenscht de vader der bruid voor ’t eerst den bruidegom te zien, noodigt dezen in zijne joerte, begroet hem hartelijk, roemt zijn voorkomen en talenten, wenscht hem geluk met zijn huwelijk, en stelt hem ten slotte allerlei geschenken ter hand, de gift als het ware der bruid. Dit geschiedt ten aanschouwe van alle bruiloftsgasten, die reeds vóór den bruidegom zich in de joerte verzameld hadden. Nu ook komt de rijk getooide bruid binnen. Bevindt zich in de Aul een Mollah, of is er gelegenheid zulk een persoon te halen, dan spreekt deze den zegen over het jonge paar uit.Nu wordt der bruid het scheidingslied, „Dschar, dschar” toegezongen; zij beantwoordt elk vers met tranen in de oogen, elke strophe met eene klacht.[429]SPELEN BIJ EENE KIRGIESCHE BRUILOFT.SPELEN BIJ EENE KIRGIESCHE BRUILOFT.Het beurtgezang verstomt; kameelen worden voorgebracht om de joerte en alle bruidsgeschenken te dragen; sierlijk opgetuigde paarden om de bruid en hare moeder naar de Aul des bruidegoms te brengen. De jeugdige echtgenoot rijdt aan het hoofd van den bruiloftsstoet, spoort met zijn speelgenooten de kameelen tot spoed aan, om tijd te winnen ten einde de joerte onder dezelfde plichtplegingen, als bij het opbouwen in acht werden genomen, in de Aul, waar hij verblijf houdt, op te stellen. De bruid evenwel, na onder het storten van tranen afscheid te[430]hebben genomen van haar vader, bloedverwanten, vriendinnen, van de joerte, als ook van de kudden, rijdt, geheel verborgen onder een om haar heen geslagen en door de ruiters gedragen gordijn voort, totdat zij de joerte bereikt heeft, waarin zij voortaan als meesteres zal heerschen. De vader des bruidegoms, die intusschen de gift der bruid heeft bekeken, en geprezen of gelaakt, roept haar heel spoedig na de aankomst in zijne tent; zij betreedt deze met drie buigingen, zoo diep, dat zij met de handen op de knieën moet steunen, daarmede aanduidende, dat zij even onderdanig zal zijn aan hare schoonouders als aan haar heer en gebieder. Haar gelaat blijft nog altijd gesluierd, en zal dit voortaan blijven voor den vader en de broeders van haar gemaal, en een jaar lang voor iederen vreemdeling. Later omsluiert zij zich nog alléén voor den oudsten broeder haars echtgenoots; voor niemand anders. Voor genoemden evenwel slechts omdat deze haar moet huwen, ingeval haar eigen man sterft; nu mag zij bij haar schoonbroeder geen booze lusten opwekken of voeden.Bij een tweede huwelijk doet de Kirgies persoonlijk aanzoek en dit geschiedt zonder daarbij bijzondere vormen in acht te nemen. Huwt hij nog bij het leven zijner eerste vrouw eene tweede, en laat hij deze met de andere in dezelfde joerte wonen, gelijk zulks meestal bij niet zeer rijke lieden het geval is, dan heeft de tweede uitverkorene een zeer beklagenswaardig lot. De eerste vrouw handhaaft haar rechten, wijst aan de tweede eene bepaalde plaats in de joerte aan en legt zelfs den heer der tent in zijn huwelijksrechten aan banden. De vrouw staat bij de Kirgiezen in hooge achting. „Wij waardeeren onze vrouwen zooals wij een telganger waardeeren; beide zijn niet te betalen,” zoo verzekerde mij eens mijn vriend, de Kirgies Altibei. De mannen scheiden zich zelden van hunne vrouwen, en nog zeldzamer ontloopen de laatsten haar echtgenooten. Ook in de steppe evenwel verbreekt de liefde soms de perken, welke zede en gebruik gesteld hadden. Schaking komt insgelijks voor en wordt zelfs voor geen schande gehouden; een meisje te rooven, wier vader te hooge eischen stelt, verstrekt roover en geroofde, in veler oogen althans, meer tot eer dan tot blaam.Het pasgeboren kind wordt bij de Kirgiezen onmiddellijk nadat het het levenslicht aanschouwde, en zoo ook nog de eerste veertig dagen na de geboorte, in sterk zout water gebaad, maar na verloop van dien tijd zelfs niet meer gewasschen. Aanvankelijk legt men den zuigeling in een bedje vol fluweelzachte kameelswol, zoodat het wicht geheel[431]in dit dons gehuld is en zelfs in den strengsten winter geen koû zou kunnen vatten; later trekt men het een wollen hemdje aan, hetwelk de moeder om de drie dagen een poosje boven het vuur houdt ten einde het van de parasieten te zuiveren, die in de woningen van alle Kirgiezen voorkomen. Dat hemd met een ander te verwisselen, daaraan denkt men niet. Het wordt eerst dan vervangen, wanneer het bijna uiteenvalt. In den winter trekt de trouwe moeder het ook nog kousjes aan, en zoodra het kindje kan loopen, steekt men het in de kleeren der volwassenen.Vader en moeder beide houden ongemeen veel van hun kroost; zij behandelen hun kinderen met de grootste teerheid en slaan ze nooit; zij hebben echter de slechte gewoonte om hun, zoodra zij kunnen spreken, allerlei leelijke en onvoegzame woorden te leeren, die, door de onschuldige lippen van het kind nagezegd, eene algemeene vroolijkheid opwekken. De ouderdom van het kind wordt naar den naam van een of ander dier benoemd; het kind kan b.v. een muis oud zijn, of eene marmot, of een schaap of een paard. Op zijn vierde jaar zet men het voor de eerste maal op den rug van een even oud paard, dat prachtig opgetuigd en met een in de familie erfelijk zadel belegd wordt. De gelukkige ouders beloven aan den voor de eerste maal de moederarmen ontloopen, zelfstandig optredenden kleinen ruiter allerlei mooie dingen, roepen daarop een bediende of een gewillig vriend, stellen paard en ruiter in diens handen en dragen hem op den kleinen man van de eene bevriende joerte naar de andere te geleiden. Overal waar het knaapje aankomt wordt hij vriendelijk begroet, met loftuitingen overladen, terwijl hij tevens allerlei lekkernijen ontvangt. Een feest in de ouderlijke joerte bekroont den in aller oogen gewichtigen dag.Met het zevende jaar vangt het onderwijs aan, dat zich bepaalt tot al datgene, wat hij of zij te weten noodig heeft. Inmiddels tot een bedreven ruiter opgegroeid, leert de knaap met het vee omgaan, het meisje leert melken en verdere huiselijke bezigheden verrichten; de zoons van voorname lieden worden door een Mollah of een ander, der zake kundig man, in het lezen en schrijven onderwezen, later in de leer van den koran. Reeds vóór zijn twaalfde jaar wordt de school voor hen gesloten en is de knaap rijp voor het praktische leven.Meer nog dan de levenden eert de Kirgies zijn dooden. Elke familie is tot de grootste offers bereid om voor een hun door den dood ontrukt familielid een groot lijk- of gedenkfeest aan te richten; ieder, ook[432]de armste, wenscht het graf zijner lieve dooden te sieren zoo veel hij kan, en een iegelijk acht het zich als de grootste schande eenen doode in ’t algemeen niet alle mogelijke eer te bewijzen. Zulks is onder de Mohammedanen een algemeen gebruik, maar de plechtigheden, die bij de Kirgiezen het sterven en de begrafenis vergezellen, wijken zoo van die der andere geloovigen af dat zij eene nadere bespreking vereischen.Wanneer een Kirgies den dood voelt naderen laat hij zijn vrienden roepen, opdat deze zijne ziel in het paradijs helpen brengen. Vrome Kirgiezen laten zich op hun sterfbed uit den koran voorlezen, al verstaan zij ook niets van de beteekenis der woorden. Naar het gebruik der geloovigen verzamelen zich de vrienden om het sterfbed van den geloofsgenoot en roepen hem het eerste gedeelte van de belijdenis der aanhangers van den profeet: „Er is slechts één God” zoo dikwijls toe, tot hij het tweede gedeelte uitspreekt: „en Mohammed is zijn profeet.” Zoodra deze woorden de lippen van den stervende ontvlieden, opent Moenkir, de Engel der beproeving, de poorten van het paradijs en nu roepen allen uit: „El hamdu lillahi”—de Heer zij geprezen.Zoodra de eigenaar eener joerte voor altijd zijn oogen gesloten heeft, zendt men naar alle richtingen boden uit om de gebeurtenis aan de vrienden en bloedverwanten bekend te maken; deze boden reizen, al naar aanzien en rang van den overledene, twintig tot honderd werst ver de steppe in, van Aul tot Aul, terwijl een der bloedverwanten, die hier woont, de tijding aan anderen in dezelfde Aul mededeelt. Ondertusschen wordt het lijk gewasschen en in het „doodshemd” gehuld, dat ieder Kirgies reeds bij zijn leven gereed had en onder zijn kostbaarheden bewaarde. Nadat men zich van dezen plicht gekweten heeft draagt men het lijk uit de joerte en legt het op een middelerwijl half uitgeslagen hekwerk. De Mollah wordt ontboden, en als deze verschijnt, zegent hij den doode; nu beurt men het hek met het lijk op, laadt een en ander op den rug eens kameels, en trekt onder geleide der inmiddels aangekomen naastbijwonende bloedverwanten naar den doodenakker.Terstond na het overlijden heffen de vrouwen den lijkzang aan. De naaste bloedverwant begint en spreekt den rouw van haar hart in meer of minder diepgevoelde woorden uit; de anderen vallen op het einde van elken zin of elken versregel gelijktijdig in en ieder kleedt zijn gedachte op hare wijs in woorden. De klacht wordt allengs heviger, tot eindelijk de smart haar toppunt heeft bereikt, wanneer de[433]kameel oprijst om met zijn last te vertrekken. De vrouwen schijnen als in razernij te vervallen, rukken zich de haren uit en krabben zich het gezicht ten bloede. Eerst als de lijkstoet, waarvan de vrouwen geen deel uitmaken, uit het gezicht verdwenen is, verstommen van lieverlede de klachten en houden de tranen op met vloeien.Eenige mannen, op vlugge paarden gezeten, zijn vooruitgereden om het graf in gereedheid te brengen. Dit bestaat uit een kuil, een halve manshoogte diep, met een in de richting van Mekka gelegen gewelf, waarin het hoofd en het bovenlijf worden gelegd. Nadat het lijk in den kuil is neêrgelaten, wordt het graf met blokken, planken, rietbundels of steenen belegd, maar niet met aarde gevuld. Wel wordt soms een weinig zand over de bedekking gespreid en dit heuveltje met vlaggetjes en soortgelijke zaken versierd, zoo niet een koepel uit hout of baksteenen gebouwd, boven het graf wordt opgericht. Op een kindergraf plaatst men de wieg. Vooraf heeft de Molla het lijk voor de tweede maal gezegend, terwijl alle omstanders aan de ophooging deel nemen. De lijkplechtigheid is evenwel nog niet ten einde.Op hetzelfde oogenblik, dat de eigenaar der joerte is overleden, richt men naast de tent een witte vlag op, die een vol jaar blijft staan. Elken dag van dit treurjaar komen de vrouwen weder bijeen om hare klachten opnieuw aan te heffen. Zoo mogelijk brengt men ook het lievelingspaard van den doode hierbij en snijdt het den langen staart half af. Van dit oogenblik af wordt het ros door niemand meer bereden; het is „weduwe” geworden. Zeven dagen na den dood vergaderen alle bloedverwanten en vrienden, ook de verst afwonenden in de joerte, houden een gemeenschappelijk lijkmaal, verdeelen sommige kleederen van den doode onder de armen, en beraadslagen over het toekomstig lot der achtergeblevenen, alsmede over het bestuur der nalatenschap. Daarna laat men de familie met haar leed alleen.Sterft er eene vrouw, dan worden bijna dezelfde gebruiken gevolgd als bij den dood eens mans, met dit verschil, dat nu de vrouwen het lijk wasschen en kleeden. Maar ook in zoodanig geval blijven de vrouwen in de Aul om er den lijkzang aan te heffen. Het rijpaard der vrouw wordt eveneens van zijn staart beroofd; men richt evenwel geen treurvlag op.Wanneer de Aul verplaatst wordt, haalt de jongeling, wien deze eeredienst is opgedragen, het tot weduwe geworden paard, legt dit het zadel zijns voormaligen meesters in omgekeerde richting op den rug,[434]belaadt het met de kleederen van den overledene en geleidt het aan den teugel naar het oord der bestemming, terwijl de jonge man in zijne rechterhand de lans met de vlag draagt. Zoodra de joerte weêr is opgebouwd, wordt het paard ontzadeld en de lans weder opgericht.Op den verjaardag van den dood verschijnen wederom alle genoodigde bloedverwanten en vrienden in de joerte. Na de vrouwen begroet te hebben, die nog altijd in rouwgewaad zijn gestoken, en die men opnieuw tracht te troosten, haalt men het paard, zadelt dit, belaadt het als vroeger en roept nu den Molla om het te zegenen. Zulks geschiedt; twee mannen treden thans nader, grijpen het paard bij den teugel, ontzadelen het, werpen het ter aarde en stooten het den dolk in ’t hart. Het vleesch wordt onder de arme feestgenooten uitgedeeld, de Molla ontvangt de huid. Onmiddellijk nadat het paard gedood is, stelt men de lans aan den meest waardigen bloedverwant ter hand; deze neemt haar aan, spreekt eenige woorden, breekt den stok in stukken en werpt deze op het vuur.Nu komen de paarden aanstormen om hun snelheid in den wedren te toonen; de jonge ruiters, die hen vergezellen en berijden, vliegen op een gegeven teeken weg en verdwijnen in de steppe.De Molla treedt van het tooneel, de zanger neemt zijn plaats in. Nog eenmaal wordt de doode herdacht, maar ook de levenden krijgen thans hunne beurt. Van het hoofd der vrouwen verdwijnt het eigenaardig tooisel, dat den rouw aanduidde, en zij sieren zich in feestgewaad. Na afloop van den overvloedigen maaltijd gaat de schaal met melkwijn rond; met de tonen van den citer vermengen zich vreugdeklanken.De rouw is afgeloopen, het leven herneemt zijn rechten.[435]

[Inhoud]XV.HET VOLKS- EN FAMILIELEVEN DER KIRGIEZEN.„Bedreigd en vervolgd door de straffende gerechtigheid ontvluchtten eens vier dieven de woonsteden van eerlijke menschen en zochten in de wijde steppe eene schuilplaats. Twee bedelaressen, even als zij uitgestooten uit de verblijven van vlijtige menschen, voegden zich op die vlucht bij de eerstgenoemden. De dieven schepten behagen in de vrouwen en huwden ze, twee van hen ieder een. Een aantal kinderen ontsproten uit deze tegen alle goddelijke en menschelijke inzettingen indruisende huwelijken; de kinderen verwekten een talrijk volk en de tot nog toe ledige steppe werd daarmede bevolkt. Dat kroost bleef zijn oorsprong getrouw, was diefachtig als zijn voorvaderen, bedelachtig als zijn moeders, zonder geloof, zonder zedelijkheid gelijk de ouders. Dat volk zijn de Kirgiezen, wier naam niets anders beteekent dan „roovers”.Op deze wijze droomt zich een Tataarsch, geloovig dichter den oorsprong, en zoo beschrijft hij den aard van een stamverwant volk, dat met hem dezelfde taal spreekt, en tot denzelfden God, naar dezelfde voorschriften van denzelfden profeet bidt. Aldus spreekt hij zich uit, eenig en alleen omdat de Kirgiezen in geloofszaken niet zoo slaafsch aan het woord hangen, niet zoo kleingeestig zijn als hij. Het is de eeuwig oude, altijd opnieuw terugkeerende geschiedenis, de onder alle volken zich opnieuw openbarende schande, door bovengenoemde woorden weêr bevestigd, de vrome leugen, voor wier afschuwelijkheid nog geen kerkgenootschap is teruggedeinsd, ten einde andersdenkenden in een valsch daglicht te plaatsen.Ieder reiziger, die zich onder de Kirgiezen bewogen heeft, iedere vreemdeling, die onder het luchtig dak hunner Joerten gastvrijheid zocht en vond, iedere geleerde, die hun zeden en gewoonten poogde uit te vorschen, elke beambte, die als wachter der wetten, of als plaatsvervanger der staatsmacht in ’t algemeen in hun midden leefde,[410]ieder, met een woord, die geruimen tijd met hen verkeerde, oordeelt, zoo hij niet bevooroordeeld is, geheel anders dan gezegde Tataar.Er was een tijd, in welken de Kirgiezen hun naam verdienden, maar deze tijd is, althans voor vele twijgen der vele horden voorbij. De nagalm van de gezindheden, heldentochten en rooversdaden der vaderen moge nog in de harten der Kirgiezen weêrklinken, in ’t algemeen genomen heeft het ruitervolk der steppe zich gevoegd naar de wetten zijner hedendaagsche meesters en het leeft op den huidigen dag zoowel onder elkander als met zijn buren in vrede, acht het eigendomsrecht, en rooft en steelt niet meer en vaker dan andere volken, eer zeldzamer en minder. Onder de Russische heerschappij leeft de Kirgies thans onder zulke bevredigende omstandigheden, dat zijn stamgenooten aan gene zijde der grens wangunstig op die Russische onderdanen neêrzien. Onder bescherming der Russische regeering genieten zij rust en vrede, zekerheid van bezitting, alsmede geloofsvrijheid; zij zijn bijna geheel verschoond van den krijgsdienst en worden billijk in de belastingen aangeslagen, hebben het recht zich eigen gemeentebestuurders te kiezen, en verheugen zich over meer vrijheden dan de Russen zelf deelachtig zijn. Te betreuren is het, dat deze laatsten gewoonlijk niet zoo verstandig denken als de regeering, en dat zij de Kirgiezen benauwen, verdrukken en afpersen zooveel zij kunnen. Toch zijn zij niet bij machte geweest de zeden, gebruiken en gewoonten van dit volk ook maar eenigszins te wijzigen.De Kirgiezen zijn geboren ruiters en zonder paard kan men zich geen Kirgies denken; zij groeien met het veulen op en leven met het paard tot hun dood. De Kirgies voelt zich, wel is waar, niet enkel thuis in het paardezadel, en weet elk dier, dat hem torschen kan, zich als rijdier dienstbaar te maken, maar het paard blijft immer en onder alle omstandigheden zijn drager en liefste gezel. Op het zadel gezeten verricht hij alle bezigheden, en het paard is bij hem het eenige, een man waardig rijdier. Mannen en vrouwen beide rijden te paard, en niet weinige vrouwen met evenveel gemak als de mannen. De houding des ruiters is achteloos, zoo gemakkelijk mogelijk, maar niet bevallig. De Kirgies rijdt in kort aangegespte stijgbeugels, zonder dijsluiting en raakt alleen met de knieën den voorrand des zadels aan, zoodat hij zich vrij in evenwicht houdt; als hij het paard wil laten draven, richt hij zich in de stijgbeugels op, soms geheel overeind, buigt dan het hoofd zoo ver naar voren en beneden, dat hij bijna op den hals[411]van het paard ligt; hij zit rechtop, wanneer hij het paard, zooals meestal, stapvoets of in galop wil laten gaan. Hij knelt de teugels in de volle vuist; den aan den gordel gehechten knoet houdt hij vast met duim, wijs- en middelvinger. Dikwijls rolt hij uit het zadel, want hij slaat weinig acht op den weg en laat aan zijn paard over dien te zoeken; is hij opmerkzaam, dan berijdt hij onbeschroomd elken weg, waarop een eenhoevig dier in staat is zich te bewegen, evenals hij zonder bedenken het wildste en meest toomelooze ros bestijgt. Moeilijke wegen kent hij niet; een weg is voor hem zooveel als een afstand afleggen, en wat tusschen begin en eind daarvan ligt, gaat hem niet aan. Zoolang hij in het zadel is gezeten eischt hij van zijn rijdier het ongeloofelijke, springt in galop bergop en bergaf, over den vasten grond en door moeras, poel en water, klautert zonder duizelig te worden tegen hellingen op, die hij te voet niet zonder angst zou bestijgen, hellingen, welke ieder ander ruiter voor ontoegankelijk zou houden, en schouwt van uit het zadel rustig in den afgrond naast het geitenpad, door hem weg genoemd, en waarop een ervaren bergbeklimmer door huivering zou bevangen worden. Zoodra hij van zijn ros is gestegen, neemt hij daarentegen alle regels streng in acht, die de ondervinding hem als doelmatig voor een vermoeid paard heeft leeren kennen, en is nu even zorgzaam als hij straks onverbiddelijk was. Bij feestelijke gelegenheden verricht hij ten genoegen der nimmer ontbrekende toeschouwers allerlei kunststukken in het zadel, plaatst zich overeind in de daarboven gekruiste stijgbeugels, springt in staande houding er af, houdt zich met de handen aan het zadel of in de stijgbeugels vast, steekt de beenen in de lucht, hangt zich aan de eene zijde van het zadel op, en tracht het eene of andere voorwerp van den grond te beuren. Met de spiegelgevechten zijner Turksche broeders schijnt hij zich niet op te houden. Het hard rijden geldt hem als het grootste vermaak, en elke feestelijkheid wordt met een wedren opgeluisterd.Aan zulke wedrennen, „Baika” wordt in den regel slechts deelgenomen door de edelste paarden en dan nog wel alleen door telgangers. De af te leggen wegen zijn zeer groot, nooit minder dan twintig, soms wel veertig kilometer lang; men rijdt naar een of ander bekend punt, b.v. een heuvel of grafteeken, en keert langs denzelfden weg terug. Knapen van zeven en acht, hoogstens tien jaren, zitten in het zadel en besturen de paarden met bewonderenswaardige behendigheid.[412]Den terugkeerenden paarden rijdt men langzaam te gemoet; de telganger, die de meeste kans op de overwinning heeft, ontvangt zekere hulp „goetoerma”, die daarin bestaat, dat men hem op zij rijdt en van het rijdende kind ontlast, daarna de teugels, stijgbeugels, manen en staart tracht te grijpen en hem tusschen de versche paarden meer naar het doel sleept, dan leidt. De prijzen, die uitgeloofd worden, bestaan uit zeer verschillende zaken, die evenwel allen in den prijs van paarden worden uitgedrukt. Twee- à drieduizend roebels zijn niet zeldzaam; rijke familiën loven soms honderd paarden uit. Ook jonge meisjes dienen voor prijs, in zooverre, dat de winnaar haar kan trouwen zonder den gewonen bruidsschat te betalen.Terwijl de dingende paarden onderweg zijn, oefenen ook de menschen hun lichaamskrachten. Twee mannen ontdoen zich van hun opperkleed, ontblooten het bovenlijf en vangen aan met worstelen. De aanval heeft op zeer verschillende manieren plaats. Beide strijders grijpen elkander, buigen het lichaam diep en naar elkander toe, draaien in ’t rond, daarbij elkander scherp in ’t oog vattende, en pogen elken schijnaanval of werkelijk gemeenden aanval af te weren, tot plotseling een hunner van al zijn krachten gebruik makende den ander, zoo deze dit niet vooruit heeft gezien, ter aarde werpt. Anderen daarentegen gaan terstond tot den aanval over, maar vinden zulk een krachtigen tegenstand, dat beide mannen langen tijd moeten worstelen alvorens het een hunner gelukt zijn medestander te overwinnen. De toeschouwers vuren de worstelaars aan, deelen lof en berisping uit, prijzen en bespotten, gaan middelerwijl onderling weddingschappen aan en geraken te meer in vuur, naarmate de uitslag meer twijfelachtig is. Eindelijk ligt er een der partijen, door het geheele gezelschap uitgelachen, beschaamd en deemoedig, misschien wel tot in zijn binnenste vertoornd, ter aarde; een geschreeuw, uit aller kelen aangeheven, vervult de lucht; katoenen stoffen, al zijn het ook slechts niets beteekenende lappen, worden doorgescheurd en verdeeld om de weddingschap te vereffenen; verwijten wisselen af met betuigingen van instemming; de kampstrijd is geëindigd, zoo niet de overwonnene plotseling zijn toorn zoekt te luchten en nogmaals op zijn tegenstander aanvalt. Zonder geraas, getier en getwist eindigt zulk een wedstrijd nimmer, tot handtastelijkheden echter komt het evenmin.JACHT MET DEN ADELAAR.JACHT MET DEN ADELAAR.Onder de ridderspelen der Kirgiezen bekleedt de jacht eene voorname plaats. De Kirgies volgt het spoor van den wolf met zulk een[413]vuur en zoo onvermoeid, dat hij de koude zelfs niet opmerkt, die des te eerder nadeelige gevolgen heeft naarmate hij zich door het rijden meer verhit, en niettegenstaande handen en aangezicht hem bevriezen, houdt hij, tenzij het paard hem daartoe dwingt, niet op, alvorens zijn knots op den kop des roofdiers neêrgeslingerd te hebben. Nog liever is hem echter de jacht met adelaar en windhond. Evenals zijn voorvaderen verstaat hij de kunst den arend te temmen en af te richten, trekt met dezen op de goed geschoeide hand, deze steunende op een houten, aan het zadel bevestigd getimmerte, naar gunstig gelegen,[414]en een ver uitzicht aanbiedende hoogten, opdat van hieruit zijn gezellen de steppe kunnen overzien. Deze jacht geldt zoowel den wolf als den vos, en zoolang de arend nog niet ten volle geoefend is, alleen den vos en de marmot. Eene bijzondere africhting is niet noodig; alles wat onderwezen en geleerd moet worden, bestaat hierin, dat de arend, die reeds op jongen leeftijd uit het nest werd genomen en door den jager persoonlijk is gevoed, op de roepstem zijns meesters terugkeert; de erfelijkheid doet het overige. Zoodra de jachtgenooten een vos hebben opgejaagd, neemt de jager den stootvogel de huif af, maakt hem los en werpt hem in de lucht. De arend breidt zijn vleugels uit, begint kringen te beschrijven, stijgt in schroeflijnen al hooger en hooger, bespeurt van hier den ijlings voortsnellenden, nagejaagden vos, vliegt dien na, stoot met half saamgevouwen vleugels en wijd naar voren uitgestrekte pooten schuin op hem neêr en slaat hem de klauwen in ’t lijf; de vos zijnerzijds draait woedend den kop om en poogt zijn vijand met de scherpe tanden te grijpen; gelukt zulks, dan is de arend reddeloos verloren. In bijna iederen dezer even sterke als moedige roofvogels leeft echter het overgeërfde gevoel van het dreigend gevaar, en eveneens de kunst, dit te ontgaan. Op hetzelfde oogenblik, dat de vos zal bijten, laat de arend zijn klauwen los om ze een oogenblik later in het aangezicht van zijn slachtoffer te slaan. Een vroolijke uitroep van den nu naderbij gekomen, geliefden meester schenkt nieuwen moed, en enkele oogenblikken later ligt de vos, door den jager geveld, ontzield op den grond. Meer dan één arend moet bij de eerste proeve zijn koenheid met het leven boeten, maar gelukt de eerste aanval, dan maakt de vogel zich weldra zulk eene bekwaamheid eigen, dat hij eerlang op den wolf kan geworpen worden. Tegenover dezen gedraagt hij zich, ofschoon dezelfde regels volgende, veel omzichtiger; reeds de meerdere grootte van het roofdier is hem een bewijs, dat hij met een veel gevaarlijker kameraad te doen heeft. Maar ook dezen leert hij meester te worden, en met zijn eigen glorie stijgt ook die zijns meesters—tevens zijn waarde. Een adelaar, die zich met den vos meet, kost van dertig tot veertig roebels, een die den wolf overwint wordt met het dubbele en driedubbele betaald, ingeval zijn meester hem verkoopen wil. Met twee arenden kan men niet jagen, daar de eene vogel dan den anderen hinderen zou; zij zijn namelijk dikwijls zoo jachtlustig, dat de jager zich verhinderd ziet zijne hulp te verleenen, en dikwijls laat de vogel, zonder met[415]geweld daartoe gedwongen te worden, zijn slachtoffer niet los.Vereischt deze jacht reeds veel rijkunstvaardigheid, zulks is nog meer het geval wanneer de Kirgies met windhonden op antilopen jaagt. Als pijlen uit den boog schieten de langharige honden voort, zoodra zij het gezochte wild in het gezicht hebben gekregen, en over heg en steg jagen de ruiters hen na, tot zij samen het vluchtend wild hebben ingehaald. Wie bij zulk een wedren van ’t paard stort, oogst slechts spot en hoon, en den zandruiter voorbij stormt de wilde jacht.Ook op de drijfjachten in het gebergte verlaten de Kirgiezen hun paarden niet. Een heerlijk gezicht leverde het Arkatgebergte op, toen de drijvers, die ons de wilde schapen onder het schot zouden brengen, hun halsbrekenden rit aanvingen. De eene ruiter na den andere verscheen of verdween, dan hier dan daar, op de hoogste toppen en in de diepe kloven, dalen en insnijdingen; nu eens teekenden zij zich scherp tegen de lucht af, dan weder verloren zij zich tusschen de rotsen, als het ware ineensmeltende met het gesteente der hellingen, Niemand steeg van zijn paard, geen hunner bezon zich ook maar een oogenblik, welken weg in te slaan; zij reden met meer gemak in het gebergte dan zij zich te voet zouden bewogen hebben.De jager paart aan moed volharding. Niet alleen op den rug des paards, maar ook in het bekruipen en beloeren van het wild geeft hij blijk van eene bewonderenswaardige volharding. Dat hij dagen lang een spoor vervolgt, beteekent, zijn rijlust in aanmerking genomen, niet veel; met het lontgeweer, nog evenveel door hem gebruikt als het vuursteengeweer, in de hand, kruipt hij als een sluipende kat eene halve werst ver langs den grond, loert hij uren lang in storm en regen op een stuk wild, totdat dit onder bereik van zijn schietwapen is gekomen. Hij schiet nooit op grooten afstand en altijd legt hij de buks eerst op de daaraan bevestigde vork; maar hij mikt zeker en weet den kogel op de rechte plaats te doen treffen.Even onvermoeid als hij is als ruiter, jager en herder, even ongaarne neemt de Kirgies andere bezigheden op zich. Wel bebouwt ook hij zijn akker, maar op eene hoogst ellendige wijze en nooit meer dan strikt noodzakelijk is. De arbeid in de kluiten is bij hem weinig eervol, evenals elk ander bedrijf, dat niet met de veeteelt en het herdersleven in verband staat. Hij verstaat uitnemend de kunst van bevloeiing, heeft een geoefend oog voor plaatskennis en weet, zonder meetwerktuig en waterpas te gebruiken precies, waar hij de waterleidingen[416]moet aanleggen; maar slechts zoolang hij een knaap is laat hij zich voor zulke werkzaamheden gewillig vinden; heeft hij echter eenmaal eigen bezittingen verworven, dan raakt hij spa noch schoffel meer aan. Nog minder lust gevoelt hij voor een handwerk. Hij weet het leder te bereiden, kan daaruit allerlei riem- en zadelwerk vervaardigen, weet dit met ijzeren en zilveren ornamenten te tooien, verstaat de kunst om messen en wapenen te smeden en in ’t algemeen alle hem noodzakelijk gereedschap te maken, maar nooit oefent hij zulke bezigheden voor zijn genoegen uit, wel steeds met tegenzin. Toch is hij geen lui en lichtzinnig werkman, maar vlijtig en vertrouwbaar, en wie zijn bekwame hand heeft gewonnen, heeft zelden reden ontevreden over hem te zijn.JACHT DER KIRGIEZEN OP HET WILDE SCHAAP.JACHT DER KIRGIEZEN OP HET WILDE SCHAAP.Hooger dan lichamelijke arbeid staat geestelijke werkzaamheid bij hem aangeschreven. Zijn vlugge, opgewekte geest eischt bezigheid; hij houdt daarom niet enkel van luchthartige, maar ook van ernstige gesprekken, misschien ook daarom, dat zulks eenige afwisseling brengt in zijn vrij eentonig leven. Daarom redeneert hij gaarne met zijn stamgenooten, en wordt hij soms door zijn rederijkheid den vreemdeling eenigszins lastig. Met deze spraakzaamheid gaat eene weetgierigheid gepaard, die nu en dan ontaardt in nieuwsgierigheid, want de „roode tong” weet van geen vacantie. Wat de wind door de steppe draagt, neemt het lettend oor van den Kirgies op, en de „roode tong” kleedt het in woorden. Wordt ergens iets verhandeld, dat de Kirgies verstaan of niet verstaan kan, ik bedoel, wordt er in eene hem verstaanbare taal gesproken, dan schaamt hij zich geenszins tot aan de deur der Joerte door te dringen en het luisterend oor tegen den wand te drukken, om geen syllabe te verliezen. Eene gebeurtenis, die het alledaagsche maar een haartje te boven gaat, eene mededeeling, eene vertelling voor zich zelf te behouden, een geheim te bewaren, het is den Kirgies onmogelijk. Zwijgt dan het edele ros, op hetwelk hij door de steppe vliegt, wanneer het iets gewaar wordt, wat het belangstelling inboezemt, zwijgen geit en schaap, wanneer zij met soortgenooten samentreffen, of zwijgt deleeuwerikals hij zich boven den grond der steppe verheft? En de heer der steppe zou zwijgen? Nooit en nimmer! „Spreek, o spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij zwijgen.” Onvermoeid rolt de stroom van woorden over de lippen der Kirgiezen. Nooit rijden er twee mannen stom naast elkander, al duurt de reis een geheelen dag; onafgebroken hebben[417]zij met elkander te praten en elkander iets mede te deelen. Gewoonlijk is het niet genoeg dat er twee samen rijden; het moeten er drie of vier zijn, die gemeenschappelijk langs den weg trekken, zoolang deze dit samenrijden mogelijk maakt. Die manier van reizen is bij hen zoo gewoon, dat zelfs de paarden elkander zoo dicht mogelijk naderen en de Europeaan den teugel moet gebruiken om zulks te beletten. In eene met Kirgiezen gevulde Joerte heerscht een gegons als in een bijenkorf; ieder wil aan ’t woord, ieder doet zijn best dit woord alleen te hebben.Een daaruit voortvloeiend gevolg is, dat de Kirgiezen hunne taal weten te gebruiken. Hierin schijnen allen gelijk te zijn, rijken en armen, voornamen en geringen, geletterden en ongeletterden. Hun toonrijke, welluidende, maar harde taal—gelijk men weet, slechts een dialekt van het Tataarsch—is vol uitdrukking. Ieder woord, zelfs de vreemdeling, die ze niet verstaat, voelt zulks, wordt geheel uitgesproken; op elke lettergreep valt de juiste klemtoon, zoodat men haast uit den klank kan opmaken, wat hetgeen zij zeggen beteekent. Men spreekt zeer levendig, de toon beantwoordt geheel aan den inhoud, de pauzen zijn juist afgemeten, zoodat het gesprek eenigszins afgebroken klinkt, alhoewel de woordenvloed geen enkel oogenblik hapert. De uitdrukking des gelaats zet aan de rede nog meer aanschouwelijkheid bij, en levendige gebaren verduidelijken verder den zin. Is er een onderwerp, dat hun bijzondere belangstelling inboezemt, dan geraken de sprekers in vuur, zoodat men een oogenblik vreest, dat er handtastelijkheden zullen volgen, maar ook het heftigste dispuut eindigt in vrede en eendracht.Dat onder zulke lieden de bard geëerd wordt is te begrijpen. Ieder Kirgies, die in woordenrijkdom en welsprekendheid boven anderen uitmunt, staat in aanzien. Een zanger, een gelegenheidsdichter mag bij geen feest ontbreken. Zijn talent behoeft juist niet uitstekend te zijn; de rede moet slechts onafgebroken vloeien, zich voegen naar eene bepaalde, iedereen bekende versmaat—en men is dichter. Toch beschikt elke Kirgiesche bard over een niet geringen schat van dichterlijke gedachten, die hij gemakkelijk in woorden kleedt. Het herders- en nomadenleven, hoe eentonig dit ook moge verloopen, heeft zijn bekoorlijkheden, zijn toongevende snaren, die slechts behoeven aangeslagen te worden om in de harten der hoorders weêrklank te vinden. Een aantal sagen en overleveringen bieden voldoende stof om daarmede de gapingen in de gedachten aan te vullen, en zoo kan de rede van den[418]bard vloeien als een breede stroom, welks bronnen nimmer uitdrogen; hij heeft zich slechts te houden aan eene bepaalde versmaat om dichter te zijn en te blijven. Maar ook dit wordt hem gemakkelijk gemaakt, want elke bard begeleidt zijn woorden met den klank der driesnarige, Kirgiesche citer en verbindt de afzonderlijke regels door tusschenspelen, die net zoo lang duren als de nieuwe regel tijd behoefde om in den rechten vorm gegoten te worden. Hoe sneller, hoe vlugger zulks geschiedt, des te hooger stijgt de roem des zangers. En wordt de vrouwelijke borst in dichtvuur ontstoken, dan is zij het voorwerp der algemeene bewondering; waagt zij het zich met een man in de dichtkunst te meten en met hem hierin om den prijs te dingen, dan verheft de in geestdrift ontstoken menigte haar boven alle vrouwen der wereld.Minder dan voor de dichtkunst is de wijde steppe bevorderlijk voor een geregeld onderwijs. Hieruit laat zich verklaren waarom zoo weinig Kirgiezen kunnen lezen en schrijven. Alleen voor de zonen der rijksten en voornaamsten is deze kunst weggelegd. In de twee door de Regeering gestichte scholen, teUstkamenogorsken te Saisan worden ook Kirgiesche knapen onderricht, in de eerstgenoemde stad zelfs uitsluitend, maar de werkzaamheid dier inrichtingen strekt zich niet tot het binnenste der steppe uit. Daar leert de knaap lezen en schrijven, indien het toeval wil, dat hij een Mollah ontmoet, die evenveel lust in het onderwijzen als de knaap in het leeren heeft. Ook dan evenwel blijft het onderwijs beperkt tot de allereerste kundigheden: het Arabische schrift te kunnen lezen en schrijven. De inhoud van het voornaamste, zoo niet eenige leerboek, den koran, blijft gewoonlijk zelfs voor den Mollah verborgen; hij leest de Soeren zonder deze te verstaan.Ik heb slechts eenmaal een Kirgies ontmoet, die Arabisch kende, en dit was nog wel een sultan; alle anderen, die door hunne kennis der schrift boven hun stamgenooten verheven waren, en als trouwe belijders van den Islam geregeld de vijf voorgeschreven gebeden opzegden, verstonden in het gunstigste geval alleen den inhoud van de oproeping tot het gebed en de eerste Soere van den Koran; al wat zij meer opzegden, werd wel is waar uitgesproken met die plechtigheid en dien ernst, welke aan alle Mohammedanen eigen zijn, maar zonder dat zij er een woord van begrepen.En toch ontving ik steeds een diepen indruk, wanneer te midden der onafzienbare steppe, waar geen minaret zich ten hemel verhief, een dezer lieden, die de heilige woorden kent, als Muddin of roeper optrad[419]en zijne stem voor het gebed verhief, terwijl de geloovigen in lange rijen achter denImamof voorbidder knielden, om hun voorhoofden al biddende tegen den grond te drukken, gelijk de wet van den profeet zulks voorschrijft.Het bewustzijn van kracht en vaardigheid, de bedrevenheid in paardrijden en jagen, het dichterlijk talent en de opgewektheid van geest in ’t algemeen, het gevoel van zelfstandigheid en vrijheid, hetwelk de groote steppe in ’t leven roept, geeft aan het voorkomen van den Kirgies eene niet te loochenen waardigheid. Hij maakt dan ook op den onbevooroordeelden opmerker een zeer gunstigen indruk, die des te meer toeneemt naarmate men den steppenbewoner beter leert kennen. Zoo ging het mij, en zoo ook oordeelen de Russen, die jaren lang met de Kirgiezen hebben omgegaan, en zoo oordeelen vooral de Russische ambtenaren en vele reizigers, die onder hen verkeerden. Men zegt wel is waar te veel, wanneer men beweert, dat de Kirgies een groot aantal goede en zeer weinig slechte eigenschappen bezit, of zich althans in deze richting doet kennen. Opgewekt van geest, verstandig, levendig, zoo lang het de gewone zaken betreft, goedaardig, dienstvaardig, tot helpen bereid, welgemanierd en voorkomend, gastvrij en barmhartig, is hij in zijne soort een voortreffelijk mensch, wiens schaduwzijden men te eerder over het hoofd ziet naarmate men hem meer onbevangen beschouwt. Hij is beleefd; zonder kruipend te zijn, hij behandelt zijn meerdere met achting, en toch niet als een slaaf, is jegens zijn minderen vriendelijk, maar niet geringschattend. Op tot hem gerichte vragen antwoordt hij eerst na eenig nadenken, maar dan rustig en duidelijk, terwijl zijn scherp betoonde manier van spreken aan zijn antwoord het merkteeken van zekerheid schenkt. Hij is gedienstig in alle opzichten, maar is dit meer uit eerzucht dan uit hoop op winst, meer om lof en bijval dan om geld en goed te verwerven. De gemeentebestuurder Tamar Bey Metikoff, die bijna eene maand lang ons uit beleefdheid vergezelde, was de hoffelijkste, voorkomendste man onder de zon, altijd bereid ieder onzer wenschen te vervullen, onvermoeid in het bewijzen van diensten en beleefdheden, en zulks alleen in de hoop om hiermede onze tevredenheid en die van den Gouverneur-Generaal te winnen. Hij gaf ons zulks met ronde woorden te kennen, toen wij hem geschenken wilden opdringen.Met zulk eene eergierigheid is het feit in overeenstemming, dat de voorname man zich verheft op familie en afkomst, zich beroemt op[420]zijn voorouders en tevens zijn stamboom laat opklimmen tot Chingis-Chan, dat hij slechts in zijn stand trouwt, geen vlekje op zijn eer duldt, en geen eerroof vergeeft. Daarmede in overeenstemming is verder nog zekere ijdelheid, die men bij den Kirgies niet zou verwachten. Niet alleen aanzien en rijkdom, waardigheid en rang, maar zelfs jeugd en schoonheid zijn in zijn oogen gaven, die hij op hoogen prijs stelt. Doch hij onderscheidt zich in ’t oogloopend van de saletjonkers te onzent, doordien hij nooit tot een fat wordt. Hij prijst openlijk en onbeschroomd de hem door lot of natuur toebedeelde gaven; deze lof gaat hem echter natuurlijk af en wordt niet misvormd door voorgewende bescheidenheid. Zoo ver zijn middelen hem dit veroorloven kleedt hij zich rijk, versiert mantel en broek met tressen, de pelsmuts met uilenveeren—een fat echter wordt hij nooit. Dat de vrouwen nog meer dan de mannen haar bekoorlijkheden in het helderste daglicht trachten te plaatsen spreekt vanzelf; en daarom heeft het mij dan ook volstrekt niet verwonderd, dat zij met het sap van zekeren wortel de wangen met een teeder, waasachtig, zeer duurzaam rood bestrijken, m.a.w. zich blanketten.In overeenstemming met zijn zucht om te behagen, schikt de Kirgies zich gewillig in de zeden en gebruiken van zijn volk. Zijn beschaving en goede manieren legt hij hoofdzakelijk aan den dag door zijne uit overoude tijden stammende, door den Islam evenwel zeer gewijzigde gebruiken streng na te komen. Zulks geeft aanleiding tot vormelijkheid en plichtplegerij in het dagelijksch verkeer, maar werpt tevens een dam op tegen verwaandheid en onbeleefdheid, en verbant de lompheid uit de samenleving; ieder weet hoe hij zich te gedragen heeft om geen aanstoot te geven, of ook maar slechts in de geringste mate op eene minder aangename wijze in het oog te loopen.Reeds de wederkeerige begroeting geschiedt op een vormelijke, door allen in acht genomen en dus nauwkeurig bepaalde wijze. Wanneer twee Kirgiesche ruiterbenden elkander ontmoeten, verloopt er geruimen tijd alvorens het compliment is gewisseld. Gelijktijdig leggen zij de rechterhand op elkanders hartstreek, de linker op elkanders rechterhand, terwijl daarna beide personen hunne rechterhand terugtrekken om deze met de linker te vereenigen, zoodat nu alle vier handen in elkander rusten. Terwijl zij dus elkander aanraken spreken beiden het Arabische woord „Amán” (vrede) uit; vóór de omarming hadden zij den groet aller Mohamedanen elkander toegeroepen: „Salám alëik” of „alëikoem”[421](Heil zij met u of ulieden), ook wel „Alëikoem el salám.” Op deze wijze begroeten zij elkander wederkeerig; de beide troepen vormen twee rijen en de eene persoon na den ander loopt, ten einde de nu nog geketende „roode tong” zoo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen, snel de rij af. Een korte wijze van begroeting, die echter slechts in zwang is, wanneer de schare zeer groot is, bestaat daarin, dat men de handen naar elkander uitstrekt en deze tegen elkander slaat.Leggen de Kirgiezen wederzijdsche bezoeken in de Aul af, dan heeft er vóór de begroeting nog een andere plechtigheid plaats. Zoodra de joerte in ’t gezicht is gekomen houden de bezoekers hun paarden in, laten ze stapvoets voortgaan en eindelijk stilstaan. Nu gaat men hen van uit de Aul tegemoet; de gasten worden verwelkomd en naar de joerte gebracht, die intusschen door de vrouwen met de kostbaarste tapijten is belegd. Vreemde, in de Aul nog onbekende gasten, moeten zich vóór de begroeting aan een kort verhoor, waarin naar naam, stand en afkomst gevraagd wordt, onderwerpen. Altijd evenwel worden zij ontvangen en gastvrij onthaald, want gastvrijheid, een karaktertrek der Kirgiezen, oefenen zij jegens iedereen uit, onverschillig van welk geloof hij moge zijn, of tot welken stand hij moge behooren; voorname lieden evenwel genieten eenige onderscheiding. De gast treedt de joerte met de gewone begroeting binnen, trekt bij de deur zijn schoenen uit, en zet zich, wanneer hij van gelijken stand is, als ware hij de eigenaar, op de eereplaats neêr. De mindere houdt zich tegenover den meerdere bescheiden terug, en laat zich in knielende houding op het tapijt neder.Ter eere van een aanzienlijken gast laat de heer der joerte een schaap slachten, dat echter vooraf in de joerte wordt gebracht om het door den gast te laten zegenen. Alle geburen komen opdagen om aan den lekkeren maaltijd deel te nemen. De kop en borst van den ram worden aan het spit gebraden, de kleinere vleeschstukken, kruis, ribben, schouderbladen enz. in den ketel gekookt, en als zij gaar zijn, in eene kom voor den gast geplaatst. Deze wascht zich de handen, snijdt het vleesch van de beenen, doopt het in het sterk gezouten nat, en zegt tot den inmiddels nog niet gezeten gastheer: „eerst door den gastheer erlangt het vleesch smaak; ga zitten.” De gastheer antwoordt: „ik dank u zeer, eet!” maar voldoet nog niet aan het verlangen van zijn gast. Deze snijdt nu een stuk van de valsche ribben af, roept den[422]gastheer bij zich, en steekt dien het vleesch in den mond; daarop snijdt hij een tweede stuk af, legt dit in een kom en reikt het der gastvrouw. Nu zet de heer der joerte zich aan de zijde van zijn bezoeker neêr; de laatste blijft evenwel de spijzen onder de aanzittenden uitdeelen. De gast snijdt het vleesch in stukken, vermengt elk stuk met vet, doopt telkens drie stukken tegelijk in het vleeschnat en steekt ze daarna, telkens deze drie stukken tegelijk, iederen dischgenoot in den mond. Het zou eene beleediging zijn voor den gever, indien de ontvanger der gift deze niet dadelijk verorberde, al mocht hij ook, als de stukken wat groot zijn uitgevallen, erg veel moeite hebben om ze naar binnen te zenden, zoo erg soms dat het gezicht er rood en paars van wordt, en de eene buurman den ander te hulp moet komen; om het slikken te bevorderen, klopt men elkander op den rug. Daarentegen mag de uitdeeler ook niet meer dan drie stukken tegelijk reiken, want overschrijdt hij dit getal, en stopt hij iemand b.v. vijf stukken tegelijk in den mond, zoodat de ontvanger, die veroordeeld is die hoeveelheid zoo schielijk mogelijk in eens door te zwelgen, stikt, dan moet zulks met honderd paarden, uit te betalen aan de familie des geworgden, gezoend worden, terwijl men daarentegen van de boete wordt vrijgesteld, zoo het slachtoffer aan het officieele getal bezwijkt. Is het vleesch genoten dan laat de gast de schaal met vleeschnat rondgaan, waarvan ieder zooveel drinkt als hem lust. Tot besluit van den maaltijd wordt, nadat ieder der aanwezigen zich eerst de handen heeft gereinigd, althans voor elken welgestelden gastheer, en in geval de merries nog melk geven, koemys gepresenteerd; zulks geschiedt te allen tijde met een zekere deftigheid, geëvenredigd aan den eerbied, dien men aan dezen lievelingsdrank der Kirgiezen verschuldigd is. Wie tot nu toe niet aan den maaltijd deel nam, snelt toe om zich aan den nektar te laven. Men drinkt zich een halven roes; want de Kirgies is op het stuk van drinken, waar het zijn dierbaren melkwijn geldt, even sterk als in het eten, en te dien opzichte zoo min bescheiden als matig.Nog veel omslachtiger dan bij een eenvoudig bezoek zijn de gebruiken, die in acht worden genomen bij belangrijke huiselijke omstandigheden, zooals bruiloften en begrafenissen. Bij de eerste vergezelt de scherts de vreugde, bij de laatste paart zich eerbied voor de dooden aan den rouw.Vrijage en bruiloft, begrafenis en herinneringsdagen aan de dooden gewijd, geven aanleiding tot eene aaneenschakeling van feestelijkheden.[423]Gelijk bij alle Mohammedanen het geval is, doet de vader voor den zoon aanzoek om de hand van een meisje, en gelijk bij alle belijders van den Islam gebruik is, betaalt hij aan den aanstaanden schoonvader een bruidsgift van zeer verschillende, soms aanmerkelijke waarde. Iemand, die uitgezonden wordt om de hand van een meisje te gaan vragen, is kenbaar aan de broekspijpen, waarvan een boven, de andere in de laars wordt gestoken; hij verschijnt in de joerte, alwaar het huwbare meisje zich bevindt, en draagt uit naam van den vader des trouwlustigen jongelings het aanzoek voor. Is de vader van ’t meisje daarmede ingenomen, dan verlangt hij het groote bezoek; hij wenscht n.l. den lastgever zelf, de oudsten der gemeente, en de voornaamsten uit diens Aul te spreken om met hen de onderhandelingen te gaan voeren. Deze verschijnen, en laten naar gebruik, voor de Aul hunne rossen stilhouden. Een afgezant van den vader der bruid reist hun tegemoet, begroet hen plechtig en naar den vorm, en geleidt hen naar de feestelijk getooide joerte, alwaar zij met koemys ontvangen worden. Een bard verschijnt om de samenkomst op te luisteren, en heft zijn gezang aan. Rijke bijvalsbetuigingen en prachtige beloften prikkelen des zangers ijver. Men prijst de diepte zijner gedachten, de eenheid zijner voordracht; men belooft hem een paard, een jamba of vier pond ongemunt zilver. De huisheer wijst dit alles van de hand, want hij alleen heeft het recht den zanger te beloonen; de gasten evenwel laten hunne voornemens niet varen, en beloven met vernieuwden aandrang, want te goed weten ze dat de gastheer hun de vervulling hunner beloften niet zal toestaan. Nadat de zanger geëindigd heeft, begint zich een levendig onderhoud tusschen de aanwezigen te ontspinnen, men spreekt over allerlei zaken, alleen niet over het onderwerp, dat allen bijeenbracht. Het uur van scheiden breekt aan en men rijdt naar huis.Den volgenden morgen beantwoordt de vader der bruid met zijn gevolg het bezoek en wordt door den vader des bruidegoms op gelijke wijze begroet en onthaald; nu geeft de eerste zijn wensch te kennen de moeder des jongelings te zien. Men gaat gezamenlijk naar de joerte der huisvrouw en begroet deze op even plechtige als hoffelijke wijze. Meteen draagt de vader des bruidegoms een schaapsborst op, snijdt er stukken voor de gasten af en vergezelt het ontleden van het meest geachte deel des schaaps met de woorden: „Deze schaapsborst zij mij ten pand, dat onze voornemens een goeden afloop zullen hebben,” reikt daarop zijn gasten de lekkere beten toe en opent daarmede de onderhandelingen[424]over het bedrag van den „kalum” of de bruidsgift. Als eenheid van prijs geldt eene merrie van drie tot vijf jaar; een telganger of een kameel wordt gelijk gesteld met vijf merries; zes of zeven schapen of geiten hebben de waarde van ééne merrie.De vader der bruid verlangt als gift 77 merries, laat zich evenwel afdingen, en gaat, al naar zijn eigen vermogen en dat van den anderen schoonvader groot is, tot 57, dan tot 47, 37, 27 terug, en zijn beiden onbemiddeld dan nog verder, totdat men het eens is geworden. Zijn de onderhandelingen afgeloopen, dan verklaart de vader der bruid de verloving voor beklonken, gaat opstaan om huiswaarts te keeren en laat een geschenk in of aan den ingang der joerte achter. De vader des bruidegoms zendt echter, zoo hij kan, te gelijk met den vertrekkenden zwager de helft van den kalum naar diens joerte, om ook de rest zoo spoedig doenlijk af te betalen.Veertien dagen na de betaling mag de bruidegom voor ’t eerst zijne bruid bezoeken. Onder een zoo sterk mogelijk geleide van met hem bevriende jongelingen van gelijken leeftijd, aan wier hoofd een met alle gebruiken bekend en ouder familielid staat, breekt hij op, rijdt tot in de nabijheid van de Aul zijner bruid, stijgt van ’t paard, slaat eene kleine tent op en kruipt hierin, of verbergt zich op eene andere wijze. Zijn metgezellen echter trekken verder, begeven zich nadat de plechtige begroeting is afgeloopen in de Aul en verdeelen onder vroolijke scherts allerlei kleine geschenken, zooals ringen, halsbanden, lekkernijen, linten en bontgekleurde stoffen onder de hen omringende vrouwen en kinderen. Gezamenlijk met jongelingen en jonge dochters van gelijken leeftijd betreden zij nu de feestjoerte. De gastheer biedt spijs en drank, eerst een schaapsbout, die hij met de reeds vermelde woorden in stukken snijdt, dan „Meibaur” in vet gebraden, kleine stukjes lever, hart en nieren, plaatst het gerecht voor den straks vermelden ouden vriend en deze handelt er mede naar gebruik en zede; zoodra hij den jongeling, dien hij met de eerste bete bedenkt deze in den mond heeft geduwd, bestrijkt hij hem tevens het aangezicht met het vette vleeschnat. Hiermede is het sein gegeven, dat men met vroolijkheid en scherts kan aanvangen, en jongelingen, jonge dochters en jonge vrouwen nemen daaraan om strijd deel. Een zeer geliefkoosde aardigheid der meisjes bestaat daarin dat zij de kleederen der jongemannen vlug aan de tapijten, waarop zij gezeten zijn, vast naaien.[425]Na den maaltijd mogen de jeugdige gasten een weinig rusten, maar zulks alleen om hun tijd tot overdenking te geven. De meisjes en vrouwen noodigen alsnu de jongelingen uit tot een zangerswedstrijd, wijzen hun de eereplaatsen aan, en zetten zich zelven daar tegenover; een harer begint. Is de door haar toegezongen jongeling niet slagvaardig, dan vergaat het hem slecht. Onder stooten en knijpen valt de jolige schaar op hem aan, verdrijft hem uit de joerte en leveren hem over aan de jonge mannen van de Aul, die voor de joerte reeds op zulke slachtoffers wachten. Een vat water wordt over dien beklagenswaardigen stumper uitgestort, waarna men hem druipend nat en beschaamd, naar de joerte terugdrijft, alwaar hij voor de tweede maal op gelijke proef wordt gesteld. En als hij ook nu in deze te kort schiet, wordt hij tot straf in vrouwenkleeren gestoken en aan de kaak gesteld. Wee hem, indien hij zich gebelgd toont; hij zou een slechten dag hebben. Heden zwaait de scherts haar scepter en zij duldt geen brompot. Wie het best tegen den strijd is opgewassen, is de held van den dag; die dit niet is, wordt tot algemeen offerlam.Gedurende dit spel zit de bruid onder een gordijn achter in de joerte, voor ieders blik verborgen. Van deze omstandigheid maken nu de jonge lieden der Aul gebruik om de bruid te stelen, d.w.z. terwijl de zangerswedstrijd alle vrienden van den bruidegom bezig houdt, dringen zij tot de jonge dame door, voeren haar naar buiten door eene tusschen de vilten omkleedsels der joerte aangebrachte opening, tillen haar op een paard en brengen de volstrekt niet tegenspartelende bruid naar de joerte van een bloedverwant om haar in handen te stellen van de daar reeds wachtende oudere vrouwen. Is de roof gelukt, dan spoort de roover de jongelingen aan om de bruid te gaan zoeken en uit de handen der vrouwen te verlossen. Fluks breekt het geheele gezelschap op en verzoekt de bewaaksters hun de gestolene weder terug te geven. Hoe sierlijk de woorden ook mogen ingekleed worden, het verzoek wordt afgeslagen. In de gedeeltelijk opengeslagen joerte zit de bruid, zichtbaar voor aller oogen; geweld zou niet baten en daarom beginnen de jongelingen vriendschappelijk te onderhandelen. De vrouwen verlangen negen verschillende gerechten, door de jongelingen zelven te bereiden, maar stemmen er ten laatste in toe, in plaats van met spijzen, zich met geschenken tevreden te stellen; zij leveren nu de bruid eindelijk uit, op voorwaarde, dat deze naar de joerte haars vaders teruggebracht zal worden.[426]Inmiddels zit de bruidegom in zijn tent te wachten. Geheel alleen was hij echter niet, want eenige jonge dames zijn hem, zoodra zijn gezellen verschenen, gaan zoeken, en zij hebben hem natuurlijk ook gevonden; zij werden begroet met het eerbiedige „Taschim.” De jongeling heeft zoo diep voor hen gebogen dat hij met de vingertoppen den grond aanraakte; daarna heeft hij zich langzaam opgericht, de handen langs het scheenbeen latende glijden, totdat hij zich in zijn volle lengte had opgeheven; de vrouwen hadden deze hulde aangenomen, hem gezelschap gehouden, spijs en dank gereikt, hem met scherts den tijd verkort, maar niet toegestaan dat hij de tent verliet. Eerst na lang smeeken en niet vóór de zon is ondergegaan, ontving hij verlof, in de Aul en voor de joerte der bruid een liedje te zingen. Hij bestijgt zijn paard, rijdt de Aul binnen, begroet de bewoners met gezang, wendt zich naar de joerte der uitverkorene en klaagt in een zelf uitgedacht, of van een ander overgenomen lied zijn verlangen, zijn leed:„Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer,Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet.Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring,Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet.„Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelenTer ruste men snoert aan de bindende lijn,Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven,Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn.„Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen,Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust,De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen,De vreugde des harten, vertrouwen en rust.„Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken,Als ware ik dorstig en droog mij de mond.Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren,Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond.„En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen,Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn,Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden,Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.”Zonder de joerte te betreden, keert hij weêr naar zijne tent terug.[427]Daar verschijnt hem eene oude vrouw, die belooft hem naar zijne bruid te geleiden, als hij haar een geschenk wil vereeren. Mild opent zich des bruigoms hand en beiden begeven zich op weg. Maar ongehinderd bereiken zij de joerte niet. Eene andere vrouw legt den gaffel, waarmede men den koepelring der joerte omhoog hijscht, dwars over den weg; zulk een slagboom over te springen zou een slecht voorteeken zijn, want wie den gaffel heeftneêrgelegdmoet dien ook weêr wegnemen. Een nieuw geschenk verwijdert ook dezen hinderpaal, maar weinig schreden verder ligt een tweede, en daarover heen eene schijnbaar doode vrouw; een nieuw geschenk wekt de doode weêr in ’t leven en ruimt het beletsel op; nu is de weg naar de joerte vrij. Daar staat evenwel eene gedaante, die een geluid laat hooren als het brommen van een hond. Zal men kunnen zeggen, dat een hond op een bruidegom heeft gebromd? Dat nooit! Een nieuw geschenk sluit den brommenden mond en de veel beproefde komt eindelijk bij de joerte aan. Hier houden twee vrouwen de deur dicht, maar ook de deur bezwijkt voor een geschenk; binnen in de joerte houden twee vrouwen het gordijn vast; op het bruidsleger rust echter eene jongere zuster der bruid; hij bevrijdt zich van allen, de joerte is ledig; de „oude” legt de handen des bruidegoms in die der bruid, en verwijdert zich eveneens; eindelijk, eindelijk zijn beiden samen,—en alleen.Onder opzicht van den behulpzamen oude „Djenke” genaamd, bezoekt de bruidegom herhaalde malen zijne bruid, zonder zich nog voor te stellen aan de ouders van het meisje. Eerst moet de kalum geheel betaald zijn.Nu wordt de persoon die vroeger werd uitgezonden om het aanzoek te doen, weder naar den vader der bruid afgevaardigd om dezen te vragen of het nu geoorloofd is het meisje naar de joerte van haar echtgenoot te brengen. De vraag wordt toestemmend beantwoord, en de bruigom gaat wederom met groot gevolg en geschenken naar de Aul, slaat weder zijn tent op een behoorlijken afstand op, ontvangt hierin nogmaals het bezoek van vrouwen, brengt alleen den nacht er in door, en zendt van hier den volgenden morgen alle voor eene joerte benoodigde en door hem te leveren houtstukken naar de Aul. Alle bewoonsters der Aul verzamelen zich hierom heen, ten einde de vilten stoffen, die de bruid moet geven, aaneen te naaien, voor zoover dit noodig is, en nu begint men met het opstellen der joerte. De meest geachte vrouw van de Aul mag den koepelring omhoog brengen en[428]houdt dien vast, totdat de sparren daarin zijn gestoken; de andere vrouwen houden zich gezamenlijk onledig met den verderen opbouw en de bekleeding. Ondertusschen komt de bruidegom ter plaatse; nu geleidt men ook de bruid herwaarts en noodigt beiden uit van verschillende zijden de nieuwe woning te naderen om het groote vraagstuk op te lossen, wie de heerschappij in de joerte zal voeren? Zij zal het deel worden van hem, die de joerte het eerst bereikt.Een schaap, door den bruigom medegebracht wordt geslacht; de maaltijd wordt aangericht en deze zal in de nieuwe joerte plaats hebben. Onder den maaltijd wikkelt de jonge joerteheer een stuk wit laken om een been en werpt dit, zonder naar boven te zien, door de opening van het koepeldak naar buiten. Gelukt deze worp, dan is zulks een goed teeken; de rook zal dan uit deze joerte regelrecht omhoog stijgen, wat geluk voorspelt voor de bewoners der tent.Na het welkomstmaal begeven zich de gasten naar de joerte van den vader der bruid, alwaar hun een tweede maaltijd wacht. De moeder der bruid evenwel discht de spijzen op voor de jongelieden, die in de nieuwe joerte achterbleven; mild en overvloedig moet zij geven, anders zou het jonge volkje de tent boven de hoofden der aanzittenden afbreken, en tot straf voor die karigheid, de afzonderlijke deelen van het lichte gebouw naar alle richtingen in de wijde steppe werpen. Zelfs de rijk gevulde schotel is voor den overmoed der uitgelaten bruiloftsgasten niet veilig; de een rukt ze uit de handen der gastvrouw en rijdt er mede weg; anderen trachten hem den buit weder afhandig te maken en deze plagerijen duren net zoo lang totdat men begint te vreezen, dat het gerecht koud zal worden.Den volgenden morgen wenscht de vader der bruid voor ’t eerst den bruidegom te zien, noodigt dezen in zijne joerte, begroet hem hartelijk, roemt zijn voorkomen en talenten, wenscht hem geluk met zijn huwelijk, en stelt hem ten slotte allerlei geschenken ter hand, de gift als het ware der bruid. Dit geschiedt ten aanschouwe van alle bruiloftsgasten, die reeds vóór den bruidegom zich in de joerte verzameld hadden. Nu ook komt de rijk getooide bruid binnen. Bevindt zich in de Aul een Mollah, of is er gelegenheid zulk een persoon te halen, dan spreekt deze den zegen over het jonge paar uit.Nu wordt der bruid het scheidingslied, „Dschar, dschar” toegezongen; zij beantwoordt elk vers met tranen in de oogen, elke strophe met eene klacht.[429]SPELEN BIJ EENE KIRGIESCHE BRUILOFT.SPELEN BIJ EENE KIRGIESCHE BRUILOFT.Het beurtgezang verstomt; kameelen worden voorgebracht om de joerte en alle bruidsgeschenken te dragen; sierlijk opgetuigde paarden om de bruid en hare moeder naar de Aul des bruidegoms te brengen. De jeugdige echtgenoot rijdt aan het hoofd van den bruiloftsstoet, spoort met zijn speelgenooten de kameelen tot spoed aan, om tijd te winnen ten einde de joerte onder dezelfde plichtplegingen, als bij het opbouwen in acht werden genomen, in de Aul, waar hij verblijf houdt, op te stellen. De bruid evenwel, na onder het storten van tranen afscheid te[430]hebben genomen van haar vader, bloedverwanten, vriendinnen, van de joerte, als ook van de kudden, rijdt, geheel verborgen onder een om haar heen geslagen en door de ruiters gedragen gordijn voort, totdat zij de joerte bereikt heeft, waarin zij voortaan als meesteres zal heerschen. De vader des bruidegoms, die intusschen de gift der bruid heeft bekeken, en geprezen of gelaakt, roept haar heel spoedig na de aankomst in zijne tent; zij betreedt deze met drie buigingen, zoo diep, dat zij met de handen op de knieën moet steunen, daarmede aanduidende, dat zij even onderdanig zal zijn aan hare schoonouders als aan haar heer en gebieder. Haar gelaat blijft nog altijd gesluierd, en zal dit voortaan blijven voor den vader en de broeders van haar gemaal, en een jaar lang voor iederen vreemdeling. Later omsluiert zij zich nog alléén voor den oudsten broeder haars echtgenoots; voor niemand anders. Voor genoemden evenwel slechts omdat deze haar moet huwen, ingeval haar eigen man sterft; nu mag zij bij haar schoonbroeder geen booze lusten opwekken of voeden.Bij een tweede huwelijk doet de Kirgies persoonlijk aanzoek en dit geschiedt zonder daarbij bijzondere vormen in acht te nemen. Huwt hij nog bij het leven zijner eerste vrouw eene tweede, en laat hij deze met de andere in dezelfde joerte wonen, gelijk zulks meestal bij niet zeer rijke lieden het geval is, dan heeft de tweede uitverkorene een zeer beklagenswaardig lot. De eerste vrouw handhaaft haar rechten, wijst aan de tweede eene bepaalde plaats in de joerte aan en legt zelfs den heer der tent in zijn huwelijksrechten aan banden. De vrouw staat bij de Kirgiezen in hooge achting. „Wij waardeeren onze vrouwen zooals wij een telganger waardeeren; beide zijn niet te betalen,” zoo verzekerde mij eens mijn vriend, de Kirgies Altibei. De mannen scheiden zich zelden van hunne vrouwen, en nog zeldzamer ontloopen de laatsten haar echtgenooten. Ook in de steppe evenwel verbreekt de liefde soms de perken, welke zede en gebruik gesteld hadden. Schaking komt insgelijks voor en wordt zelfs voor geen schande gehouden; een meisje te rooven, wier vader te hooge eischen stelt, verstrekt roover en geroofde, in veler oogen althans, meer tot eer dan tot blaam.Het pasgeboren kind wordt bij de Kirgiezen onmiddellijk nadat het het levenslicht aanschouwde, en zoo ook nog de eerste veertig dagen na de geboorte, in sterk zout water gebaad, maar na verloop van dien tijd zelfs niet meer gewasschen. Aanvankelijk legt men den zuigeling in een bedje vol fluweelzachte kameelswol, zoodat het wicht geheel[431]in dit dons gehuld is en zelfs in den strengsten winter geen koû zou kunnen vatten; later trekt men het een wollen hemdje aan, hetwelk de moeder om de drie dagen een poosje boven het vuur houdt ten einde het van de parasieten te zuiveren, die in de woningen van alle Kirgiezen voorkomen. Dat hemd met een ander te verwisselen, daaraan denkt men niet. Het wordt eerst dan vervangen, wanneer het bijna uiteenvalt. In den winter trekt de trouwe moeder het ook nog kousjes aan, en zoodra het kindje kan loopen, steekt men het in de kleeren der volwassenen.Vader en moeder beide houden ongemeen veel van hun kroost; zij behandelen hun kinderen met de grootste teerheid en slaan ze nooit; zij hebben echter de slechte gewoonte om hun, zoodra zij kunnen spreken, allerlei leelijke en onvoegzame woorden te leeren, die, door de onschuldige lippen van het kind nagezegd, eene algemeene vroolijkheid opwekken. De ouderdom van het kind wordt naar den naam van een of ander dier benoemd; het kind kan b.v. een muis oud zijn, of eene marmot, of een schaap of een paard. Op zijn vierde jaar zet men het voor de eerste maal op den rug van een even oud paard, dat prachtig opgetuigd en met een in de familie erfelijk zadel belegd wordt. De gelukkige ouders beloven aan den voor de eerste maal de moederarmen ontloopen, zelfstandig optredenden kleinen ruiter allerlei mooie dingen, roepen daarop een bediende of een gewillig vriend, stellen paard en ruiter in diens handen en dragen hem op den kleinen man van de eene bevriende joerte naar de andere te geleiden. Overal waar het knaapje aankomt wordt hij vriendelijk begroet, met loftuitingen overladen, terwijl hij tevens allerlei lekkernijen ontvangt. Een feest in de ouderlijke joerte bekroont den in aller oogen gewichtigen dag.Met het zevende jaar vangt het onderwijs aan, dat zich bepaalt tot al datgene, wat hij of zij te weten noodig heeft. Inmiddels tot een bedreven ruiter opgegroeid, leert de knaap met het vee omgaan, het meisje leert melken en verdere huiselijke bezigheden verrichten; de zoons van voorname lieden worden door een Mollah of een ander, der zake kundig man, in het lezen en schrijven onderwezen, later in de leer van den koran. Reeds vóór zijn twaalfde jaar wordt de school voor hen gesloten en is de knaap rijp voor het praktische leven.Meer nog dan de levenden eert de Kirgies zijn dooden. Elke familie is tot de grootste offers bereid om voor een hun door den dood ontrukt familielid een groot lijk- of gedenkfeest aan te richten; ieder, ook[432]de armste, wenscht het graf zijner lieve dooden te sieren zoo veel hij kan, en een iegelijk acht het zich als de grootste schande eenen doode in ’t algemeen niet alle mogelijke eer te bewijzen. Zulks is onder de Mohammedanen een algemeen gebruik, maar de plechtigheden, die bij de Kirgiezen het sterven en de begrafenis vergezellen, wijken zoo van die der andere geloovigen af dat zij eene nadere bespreking vereischen.Wanneer een Kirgies den dood voelt naderen laat hij zijn vrienden roepen, opdat deze zijne ziel in het paradijs helpen brengen. Vrome Kirgiezen laten zich op hun sterfbed uit den koran voorlezen, al verstaan zij ook niets van de beteekenis der woorden. Naar het gebruik der geloovigen verzamelen zich de vrienden om het sterfbed van den geloofsgenoot en roepen hem het eerste gedeelte van de belijdenis der aanhangers van den profeet: „Er is slechts één God” zoo dikwijls toe, tot hij het tweede gedeelte uitspreekt: „en Mohammed is zijn profeet.” Zoodra deze woorden de lippen van den stervende ontvlieden, opent Moenkir, de Engel der beproeving, de poorten van het paradijs en nu roepen allen uit: „El hamdu lillahi”—de Heer zij geprezen.Zoodra de eigenaar eener joerte voor altijd zijn oogen gesloten heeft, zendt men naar alle richtingen boden uit om de gebeurtenis aan de vrienden en bloedverwanten bekend te maken; deze boden reizen, al naar aanzien en rang van den overledene, twintig tot honderd werst ver de steppe in, van Aul tot Aul, terwijl een der bloedverwanten, die hier woont, de tijding aan anderen in dezelfde Aul mededeelt. Ondertusschen wordt het lijk gewasschen en in het „doodshemd” gehuld, dat ieder Kirgies reeds bij zijn leven gereed had en onder zijn kostbaarheden bewaarde. Nadat men zich van dezen plicht gekweten heeft draagt men het lijk uit de joerte en legt het op een middelerwijl half uitgeslagen hekwerk. De Mollah wordt ontboden, en als deze verschijnt, zegent hij den doode; nu beurt men het hek met het lijk op, laadt een en ander op den rug eens kameels, en trekt onder geleide der inmiddels aangekomen naastbijwonende bloedverwanten naar den doodenakker.Terstond na het overlijden heffen de vrouwen den lijkzang aan. De naaste bloedverwant begint en spreekt den rouw van haar hart in meer of minder diepgevoelde woorden uit; de anderen vallen op het einde van elken zin of elken versregel gelijktijdig in en ieder kleedt zijn gedachte op hare wijs in woorden. De klacht wordt allengs heviger, tot eindelijk de smart haar toppunt heeft bereikt, wanneer de[433]kameel oprijst om met zijn last te vertrekken. De vrouwen schijnen als in razernij te vervallen, rukken zich de haren uit en krabben zich het gezicht ten bloede. Eerst als de lijkstoet, waarvan de vrouwen geen deel uitmaken, uit het gezicht verdwenen is, verstommen van lieverlede de klachten en houden de tranen op met vloeien.Eenige mannen, op vlugge paarden gezeten, zijn vooruitgereden om het graf in gereedheid te brengen. Dit bestaat uit een kuil, een halve manshoogte diep, met een in de richting van Mekka gelegen gewelf, waarin het hoofd en het bovenlijf worden gelegd. Nadat het lijk in den kuil is neêrgelaten, wordt het graf met blokken, planken, rietbundels of steenen belegd, maar niet met aarde gevuld. Wel wordt soms een weinig zand over de bedekking gespreid en dit heuveltje met vlaggetjes en soortgelijke zaken versierd, zoo niet een koepel uit hout of baksteenen gebouwd, boven het graf wordt opgericht. Op een kindergraf plaatst men de wieg. Vooraf heeft de Molla het lijk voor de tweede maal gezegend, terwijl alle omstanders aan de ophooging deel nemen. De lijkplechtigheid is evenwel nog niet ten einde.Op hetzelfde oogenblik, dat de eigenaar der joerte is overleden, richt men naast de tent een witte vlag op, die een vol jaar blijft staan. Elken dag van dit treurjaar komen de vrouwen weder bijeen om hare klachten opnieuw aan te heffen. Zoo mogelijk brengt men ook het lievelingspaard van den doode hierbij en snijdt het den langen staart half af. Van dit oogenblik af wordt het ros door niemand meer bereden; het is „weduwe” geworden. Zeven dagen na den dood vergaderen alle bloedverwanten en vrienden, ook de verst afwonenden in de joerte, houden een gemeenschappelijk lijkmaal, verdeelen sommige kleederen van den doode onder de armen, en beraadslagen over het toekomstig lot der achtergeblevenen, alsmede over het bestuur der nalatenschap. Daarna laat men de familie met haar leed alleen.Sterft er eene vrouw, dan worden bijna dezelfde gebruiken gevolgd als bij den dood eens mans, met dit verschil, dat nu de vrouwen het lijk wasschen en kleeden. Maar ook in zoodanig geval blijven de vrouwen in de Aul om er den lijkzang aan te heffen. Het rijpaard der vrouw wordt eveneens van zijn staart beroofd; men richt evenwel geen treurvlag op.Wanneer de Aul verplaatst wordt, haalt de jongeling, wien deze eeredienst is opgedragen, het tot weduwe geworden paard, legt dit het zadel zijns voormaligen meesters in omgekeerde richting op den rug,[434]belaadt het met de kleederen van den overledene en geleidt het aan den teugel naar het oord der bestemming, terwijl de jonge man in zijne rechterhand de lans met de vlag draagt. Zoodra de joerte weêr is opgebouwd, wordt het paard ontzadeld en de lans weder opgericht.Op den verjaardag van den dood verschijnen wederom alle genoodigde bloedverwanten en vrienden in de joerte. Na de vrouwen begroet te hebben, die nog altijd in rouwgewaad zijn gestoken, en die men opnieuw tracht te troosten, haalt men het paard, zadelt dit, belaadt het als vroeger en roept nu den Molla om het te zegenen. Zulks geschiedt; twee mannen treden thans nader, grijpen het paard bij den teugel, ontzadelen het, werpen het ter aarde en stooten het den dolk in ’t hart. Het vleesch wordt onder de arme feestgenooten uitgedeeld, de Molla ontvangt de huid. Onmiddellijk nadat het paard gedood is, stelt men de lans aan den meest waardigen bloedverwant ter hand; deze neemt haar aan, spreekt eenige woorden, breekt den stok in stukken en werpt deze op het vuur.Nu komen de paarden aanstormen om hun snelheid in den wedren te toonen; de jonge ruiters, die hen vergezellen en berijden, vliegen op een gegeven teeken weg en verdwijnen in de steppe.De Molla treedt van het tooneel, de zanger neemt zijn plaats in. Nog eenmaal wordt de doode herdacht, maar ook de levenden krijgen thans hunne beurt. Van het hoofd der vrouwen verdwijnt het eigenaardig tooisel, dat den rouw aanduidde, en zij sieren zich in feestgewaad. Na afloop van den overvloedigen maaltijd gaat de schaal met melkwijn rond; met de tonen van den citer vermengen zich vreugdeklanken.De rouw is afgeloopen, het leven herneemt zijn rechten.[435]

XV.HET VOLKS- EN FAMILIELEVEN DER KIRGIEZEN.

„Bedreigd en vervolgd door de straffende gerechtigheid ontvluchtten eens vier dieven de woonsteden van eerlijke menschen en zochten in de wijde steppe eene schuilplaats. Twee bedelaressen, even als zij uitgestooten uit de verblijven van vlijtige menschen, voegden zich op die vlucht bij de eerstgenoemden. De dieven schepten behagen in de vrouwen en huwden ze, twee van hen ieder een. Een aantal kinderen ontsproten uit deze tegen alle goddelijke en menschelijke inzettingen indruisende huwelijken; de kinderen verwekten een talrijk volk en de tot nog toe ledige steppe werd daarmede bevolkt. Dat kroost bleef zijn oorsprong getrouw, was diefachtig als zijn voorvaderen, bedelachtig als zijn moeders, zonder geloof, zonder zedelijkheid gelijk de ouders. Dat volk zijn de Kirgiezen, wier naam niets anders beteekent dan „roovers”.Op deze wijze droomt zich een Tataarsch, geloovig dichter den oorsprong, en zoo beschrijft hij den aard van een stamverwant volk, dat met hem dezelfde taal spreekt, en tot denzelfden God, naar dezelfde voorschriften van denzelfden profeet bidt. Aldus spreekt hij zich uit, eenig en alleen omdat de Kirgiezen in geloofszaken niet zoo slaafsch aan het woord hangen, niet zoo kleingeestig zijn als hij. Het is de eeuwig oude, altijd opnieuw terugkeerende geschiedenis, de onder alle volken zich opnieuw openbarende schande, door bovengenoemde woorden weêr bevestigd, de vrome leugen, voor wier afschuwelijkheid nog geen kerkgenootschap is teruggedeinsd, ten einde andersdenkenden in een valsch daglicht te plaatsen.Ieder reiziger, die zich onder de Kirgiezen bewogen heeft, iedere vreemdeling, die onder het luchtig dak hunner Joerten gastvrijheid zocht en vond, iedere geleerde, die hun zeden en gewoonten poogde uit te vorschen, elke beambte, die als wachter der wetten, of als plaatsvervanger der staatsmacht in ’t algemeen in hun midden leefde,[410]ieder, met een woord, die geruimen tijd met hen verkeerde, oordeelt, zoo hij niet bevooroordeeld is, geheel anders dan gezegde Tataar.Er was een tijd, in welken de Kirgiezen hun naam verdienden, maar deze tijd is, althans voor vele twijgen der vele horden voorbij. De nagalm van de gezindheden, heldentochten en rooversdaden der vaderen moge nog in de harten der Kirgiezen weêrklinken, in ’t algemeen genomen heeft het ruitervolk der steppe zich gevoegd naar de wetten zijner hedendaagsche meesters en het leeft op den huidigen dag zoowel onder elkander als met zijn buren in vrede, acht het eigendomsrecht, en rooft en steelt niet meer en vaker dan andere volken, eer zeldzamer en minder. Onder de Russische heerschappij leeft de Kirgies thans onder zulke bevredigende omstandigheden, dat zijn stamgenooten aan gene zijde der grens wangunstig op die Russische onderdanen neêrzien. Onder bescherming der Russische regeering genieten zij rust en vrede, zekerheid van bezitting, alsmede geloofsvrijheid; zij zijn bijna geheel verschoond van den krijgsdienst en worden billijk in de belastingen aangeslagen, hebben het recht zich eigen gemeentebestuurders te kiezen, en verheugen zich over meer vrijheden dan de Russen zelf deelachtig zijn. Te betreuren is het, dat deze laatsten gewoonlijk niet zoo verstandig denken als de regeering, en dat zij de Kirgiezen benauwen, verdrukken en afpersen zooveel zij kunnen. Toch zijn zij niet bij machte geweest de zeden, gebruiken en gewoonten van dit volk ook maar eenigszins te wijzigen.De Kirgiezen zijn geboren ruiters en zonder paard kan men zich geen Kirgies denken; zij groeien met het veulen op en leven met het paard tot hun dood. De Kirgies voelt zich, wel is waar, niet enkel thuis in het paardezadel, en weet elk dier, dat hem torschen kan, zich als rijdier dienstbaar te maken, maar het paard blijft immer en onder alle omstandigheden zijn drager en liefste gezel. Op het zadel gezeten verricht hij alle bezigheden, en het paard is bij hem het eenige, een man waardig rijdier. Mannen en vrouwen beide rijden te paard, en niet weinige vrouwen met evenveel gemak als de mannen. De houding des ruiters is achteloos, zoo gemakkelijk mogelijk, maar niet bevallig. De Kirgies rijdt in kort aangegespte stijgbeugels, zonder dijsluiting en raakt alleen met de knieën den voorrand des zadels aan, zoodat hij zich vrij in evenwicht houdt; als hij het paard wil laten draven, richt hij zich in de stijgbeugels op, soms geheel overeind, buigt dan het hoofd zoo ver naar voren en beneden, dat hij bijna op den hals[411]van het paard ligt; hij zit rechtop, wanneer hij het paard, zooals meestal, stapvoets of in galop wil laten gaan. Hij knelt de teugels in de volle vuist; den aan den gordel gehechten knoet houdt hij vast met duim, wijs- en middelvinger. Dikwijls rolt hij uit het zadel, want hij slaat weinig acht op den weg en laat aan zijn paard over dien te zoeken; is hij opmerkzaam, dan berijdt hij onbeschroomd elken weg, waarop een eenhoevig dier in staat is zich te bewegen, evenals hij zonder bedenken het wildste en meest toomelooze ros bestijgt. Moeilijke wegen kent hij niet; een weg is voor hem zooveel als een afstand afleggen, en wat tusschen begin en eind daarvan ligt, gaat hem niet aan. Zoolang hij in het zadel is gezeten eischt hij van zijn rijdier het ongeloofelijke, springt in galop bergop en bergaf, over den vasten grond en door moeras, poel en water, klautert zonder duizelig te worden tegen hellingen op, die hij te voet niet zonder angst zou bestijgen, hellingen, welke ieder ander ruiter voor ontoegankelijk zou houden, en schouwt van uit het zadel rustig in den afgrond naast het geitenpad, door hem weg genoemd, en waarop een ervaren bergbeklimmer door huivering zou bevangen worden. Zoodra hij van zijn ros is gestegen, neemt hij daarentegen alle regels streng in acht, die de ondervinding hem als doelmatig voor een vermoeid paard heeft leeren kennen, en is nu even zorgzaam als hij straks onverbiddelijk was. Bij feestelijke gelegenheden verricht hij ten genoegen der nimmer ontbrekende toeschouwers allerlei kunststukken in het zadel, plaatst zich overeind in de daarboven gekruiste stijgbeugels, springt in staande houding er af, houdt zich met de handen aan het zadel of in de stijgbeugels vast, steekt de beenen in de lucht, hangt zich aan de eene zijde van het zadel op, en tracht het eene of andere voorwerp van den grond te beuren. Met de spiegelgevechten zijner Turksche broeders schijnt hij zich niet op te houden. Het hard rijden geldt hem als het grootste vermaak, en elke feestelijkheid wordt met een wedren opgeluisterd.Aan zulke wedrennen, „Baika” wordt in den regel slechts deelgenomen door de edelste paarden en dan nog wel alleen door telgangers. De af te leggen wegen zijn zeer groot, nooit minder dan twintig, soms wel veertig kilometer lang; men rijdt naar een of ander bekend punt, b.v. een heuvel of grafteeken, en keert langs denzelfden weg terug. Knapen van zeven en acht, hoogstens tien jaren, zitten in het zadel en besturen de paarden met bewonderenswaardige behendigheid.[412]Den terugkeerenden paarden rijdt men langzaam te gemoet; de telganger, die de meeste kans op de overwinning heeft, ontvangt zekere hulp „goetoerma”, die daarin bestaat, dat men hem op zij rijdt en van het rijdende kind ontlast, daarna de teugels, stijgbeugels, manen en staart tracht te grijpen en hem tusschen de versche paarden meer naar het doel sleept, dan leidt. De prijzen, die uitgeloofd worden, bestaan uit zeer verschillende zaken, die evenwel allen in den prijs van paarden worden uitgedrukt. Twee- à drieduizend roebels zijn niet zeldzaam; rijke familiën loven soms honderd paarden uit. Ook jonge meisjes dienen voor prijs, in zooverre, dat de winnaar haar kan trouwen zonder den gewonen bruidsschat te betalen.Terwijl de dingende paarden onderweg zijn, oefenen ook de menschen hun lichaamskrachten. Twee mannen ontdoen zich van hun opperkleed, ontblooten het bovenlijf en vangen aan met worstelen. De aanval heeft op zeer verschillende manieren plaats. Beide strijders grijpen elkander, buigen het lichaam diep en naar elkander toe, draaien in ’t rond, daarbij elkander scherp in ’t oog vattende, en pogen elken schijnaanval of werkelijk gemeenden aanval af te weren, tot plotseling een hunner van al zijn krachten gebruik makende den ander, zoo deze dit niet vooruit heeft gezien, ter aarde werpt. Anderen daarentegen gaan terstond tot den aanval over, maar vinden zulk een krachtigen tegenstand, dat beide mannen langen tijd moeten worstelen alvorens het een hunner gelukt zijn medestander te overwinnen. De toeschouwers vuren de worstelaars aan, deelen lof en berisping uit, prijzen en bespotten, gaan middelerwijl onderling weddingschappen aan en geraken te meer in vuur, naarmate de uitslag meer twijfelachtig is. Eindelijk ligt er een der partijen, door het geheele gezelschap uitgelachen, beschaamd en deemoedig, misschien wel tot in zijn binnenste vertoornd, ter aarde; een geschreeuw, uit aller kelen aangeheven, vervult de lucht; katoenen stoffen, al zijn het ook slechts niets beteekenende lappen, worden doorgescheurd en verdeeld om de weddingschap te vereffenen; verwijten wisselen af met betuigingen van instemming; de kampstrijd is geëindigd, zoo niet de overwonnene plotseling zijn toorn zoekt te luchten en nogmaals op zijn tegenstander aanvalt. Zonder geraas, getier en getwist eindigt zulk een wedstrijd nimmer, tot handtastelijkheden echter komt het evenmin.JACHT MET DEN ADELAAR.JACHT MET DEN ADELAAR.Onder de ridderspelen der Kirgiezen bekleedt de jacht eene voorname plaats. De Kirgies volgt het spoor van den wolf met zulk een[413]vuur en zoo onvermoeid, dat hij de koude zelfs niet opmerkt, die des te eerder nadeelige gevolgen heeft naarmate hij zich door het rijden meer verhit, en niettegenstaande handen en aangezicht hem bevriezen, houdt hij, tenzij het paard hem daartoe dwingt, niet op, alvorens zijn knots op den kop des roofdiers neêrgeslingerd te hebben. Nog liever is hem echter de jacht met adelaar en windhond. Evenals zijn voorvaderen verstaat hij de kunst den arend te temmen en af te richten, trekt met dezen op de goed geschoeide hand, deze steunende op een houten, aan het zadel bevestigd getimmerte, naar gunstig gelegen,[414]en een ver uitzicht aanbiedende hoogten, opdat van hieruit zijn gezellen de steppe kunnen overzien. Deze jacht geldt zoowel den wolf als den vos, en zoolang de arend nog niet ten volle geoefend is, alleen den vos en de marmot. Eene bijzondere africhting is niet noodig; alles wat onderwezen en geleerd moet worden, bestaat hierin, dat de arend, die reeds op jongen leeftijd uit het nest werd genomen en door den jager persoonlijk is gevoed, op de roepstem zijns meesters terugkeert; de erfelijkheid doet het overige. Zoodra de jachtgenooten een vos hebben opgejaagd, neemt de jager den stootvogel de huif af, maakt hem los en werpt hem in de lucht. De arend breidt zijn vleugels uit, begint kringen te beschrijven, stijgt in schroeflijnen al hooger en hooger, bespeurt van hier den ijlings voortsnellenden, nagejaagden vos, vliegt dien na, stoot met half saamgevouwen vleugels en wijd naar voren uitgestrekte pooten schuin op hem neêr en slaat hem de klauwen in ’t lijf; de vos zijnerzijds draait woedend den kop om en poogt zijn vijand met de scherpe tanden te grijpen; gelukt zulks, dan is de arend reddeloos verloren. In bijna iederen dezer even sterke als moedige roofvogels leeft echter het overgeërfde gevoel van het dreigend gevaar, en eveneens de kunst, dit te ontgaan. Op hetzelfde oogenblik, dat de vos zal bijten, laat de arend zijn klauwen los om ze een oogenblik later in het aangezicht van zijn slachtoffer te slaan. Een vroolijke uitroep van den nu naderbij gekomen, geliefden meester schenkt nieuwen moed, en enkele oogenblikken later ligt de vos, door den jager geveld, ontzield op den grond. Meer dan één arend moet bij de eerste proeve zijn koenheid met het leven boeten, maar gelukt de eerste aanval, dan maakt de vogel zich weldra zulk eene bekwaamheid eigen, dat hij eerlang op den wolf kan geworpen worden. Tegenover dezen gedraagt hij zich, ofschoon dezelfde regels volgende, veel omzichtiger; reeds de meerdere grootte van het roofdier is hem een bewijs, dat hij met een veel gevaarlijker kameraad te doen heeft. Maar ook dezen leert hij meester te worden, en met zijn eigen glorie stijgt ook die zijns meesters—tevens zijn waarde. Een adelaar, die zich met den vos meet, kost van dertig tot veertig roebels, een die den wolf overwint wordt met het dubbele en driedubbele betaald, ingeval zijn meester hem verkoopen wil. Met twee arenden kan men niet jagen, daar de eene vogel dan den anderen hinderen zou; zij zijn namelijk dikwijls zoo jachtlustig, dat de jager zich verhinderd ziet zijne hulp te verleenen, en dikwijls laat de vogel, zonder met[415]geweld daartoe gedwongen te worden, zijn slachtoffer niet los.Vereischt deze jacht reeds veel rijkunstvaardigheid, zulks is nog meer het geval wanneer de Kirgies met windhonden op antilopen jaagt. Als pijlen uit den boog schieten de langharige honden voort, zoodra zij het gezochte wild in het gezicht hebben gekregen, en over heg en steg jagen de ruiters hen na, tot zij samen het vluchtend wild hebben ingehaald. Wie bij zulk een wedren van ’t paard stort, oogst slechts spot en hoon, en den zandruiter voorbij stormt de wilde jacht.Ook op de drijfjachten in het gebergte verlaten de Kirgiezen hun paarden niet. Een heerlijk gezicht leverde het Arkatgebergte op, toen de drijvers, die ons de wilde schapen onder het schot zouden brengen, hun halsbrekenden rit aanvingen. De eene ruiter na den andere verscheen of verdween, dan hier dan daar, op de hoogste toppen en in de diepe kloven, dalen en insnijdingen; nu eens teekenden zij zich scherp tegen de lucht af, dan weder verloren zij zich tusschen de rotsen, als het ware ineensmeltende met het gesteente der hellingen, Niemand steeg van zijn paard, geen hunner bezon zich ook maar een oogenblik, welken weg in te slaan; zij reden met meer gemak in het gebergte dan zij zich te voet zouden bewogen hebben.De jager paart aan moed volharding. Niet alleen op den rug des paards, maar ook in het bekruipen en beloeren van het wild geeft hij blijk van eene bewonderenswaardige volharding. Dat hij dagen lang een spoor vervolgt, beteekent, zijn rijlust in aanmerking genomen, niet veel; met het lontgeweer, nog evenveel door hem gebruikt als het vuursteengeweer, in de hand, kruipt hij als een sluipende kat eene halve werst ver langs den grond, loert hij uren lang in storm en regen op een stuk wild, totdat dit onder bereik van zijn schietwapen is gekomen. Hij schiet nooit op grooten afstand en altijd legt hij de buks eerst op de daaraan bevestigde vork; maar hij mikt zeker en weet den kogel op de rechte plaats te doen treffen.Even onvermoeid als hij is als ruiter, jager en herder, even ongaarne neemt de Kirgies andere bezigheden op zich. Wel bebouwt ook hij zijn akker, maar op eene hoogst ellendige wijze en nooit meer dan strikt noodzakelijk is. De arbeid in de kluiten is bij hem weinig eervol, evenals elk ander bedrijf, dat niet met de veeteelt en het herdersleven in verband staat. Hij verstaat uitnemend de kunst van bevloeiing, heeft een geoefend oog voor plaatskennis en weet, zonder meetwerktuig en waterpas te gebruiken precies, waar hij de waterleidingen[416]moet aanleggen; maar slechts zoolang hij een knaap is laat hij zich voor zulke werkzaamheden gewillig vinden; heeft hij echter eenmaal eigen bezittingen verworven, dan raakt hij spa noch schoffel meer aan. Nog minder lust gevoelt hij voor een handwerk. Hij weet het leder te bereiden, kan daaruit allerlei riem- en zadelwerk vervaardigen, weet dit met ijzeren en zilveren ornamenten te tooien, verstaat de kunst om messen en wapenen te smeden en in ’t algemeen alle hem noodzakelijk gereedschap te maken, maar nooit oefent hij zulke bezigheden voor zijn genoegen uit, wel steeds met tegenzin. Toch is hij geen lui en lichtzinnig werkman, maar vlijtig en vertrouwbaar, en wie zijn bekwame hand heeft gewonnen, heeft zelden reden ontevreden over hem te zijn.JACHT DER KIRGIEZEN OP HET WILDE SCHAAP.JACHT DER KIRGIEZEN OP HET WILDE SCHAAP.Hooger dan lichamelijke arbeid staat geestelijke werkzaamheid bij hem aangeschreven. Zijn vlugge, opgewekte geest eischt bezigheid; hij houdt daarom niet enkel van luchthartige, maar ook van ernstige gesprekken, misschien ook daarom, dat zulks eenige afwisseling brengt in zijn vrij eentonig leven. Daarom redeneert hij gaarne met zijn stamgenooten, en wordt hij soms door zijn rederijkheid den vreemdeling eenigszins lastig. Met deze spraakzaamheid gaat eene weetgierigheid gepaard, die nu en dan ontaardt in nieuwsgierigheid, want de „roode tong” weet van geen vacantie. Wat de wind door de steppe draagt, neemt het lettend oor van den Kirgies op, en de „roode tong” kleedt het in woorden. Wordt ergens iets verhandeld, dat de Kirgies verstaan of niet verstaan kan, ik bedoel, wordt er in eene hem verstaanbare taal gesproken, dan schaamt hij zich geenszins tot aan de deur der Joerte door te dringen en het luisterend oor tegen den wand te drukken, om geen syllabe te verliezen. Eene gebeurtenis, die het alledaagsche maar een haartje te boven gaat, eene mededeeling, eene vertelling voor zich zelf te behouden, een geheim te bewaren, het is den Kirgies onmogelijk. Zwijgt dan het edele ros, op hetwelk hij door de steppe vliegt, wanneer het iets gewaar wordt, wat het belangstelling inboezemt, zwijgen geit en schaap, wanneer zij met soortgenooten samentreffen, of zwijgt deleeuwerikals hij zich boven den grond der steppe verheft? En de heer der steppe zou zwijgen? Nooit en nimmer! „Spreek, o spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij zwijgen.” Onvermoeid rolt de stroom van woorden over de lippen der Kirgiezen. Nooit rijden er twee mannen stom naast elkander, al duurt de reis een geheelen dag; onafgebroken hebben[417]zij met elkander te praten en elkander iets mede te deelen. Gewoonlijk is het niet genoeg dat er twee samen rijden; het moeten er drie of vier zijn, die gemeenschappelijk langs den weg trekken, zoolang deze dit samenrijden mogelijk maakt. Die manier van reizen is bij hen zoo gewoon, dat zelfs de paarden elkander zoo dicht mogelijk naderen en de Europeaan den teugel moet gebruiken om zulks te beletten. In eene met Kirgiezen gevulde Joerte heerscht een gegons als in een bijenkorf; ieder wil aan ’t woord, ieder doet zijn best dit woord alleen te hebben.Een daaruit voortvloeiend gevolg is, dat de Kirgiezen hunne taal weten te gebruiken. Hierin schijnen allen gelijk te zijn, rijken en armen, voornamen en geringen, geletterden en ongeletterden. Hun toonrijke, welluidende, maar harde taal—gelijk men weet, slechts een dialekt van het Tataarsch—is vol uitdrukking. Ieder woord, zelfs de vreemdeling, die ze niet verstaat, voelt zulks, wordt geheel uitgesproken; op elke lettergreep valt de juiste klemtoon, zoodat men haast uit den klank kan opmaken, wat hetgeen zij zeggen beteekent. Men spreekt zeer levendig, de toon beantwoordt geheel aan den inhoud, de pauzen zijn juist afgemeten, zoodat het gesprek eenigszins afgebroken klinkt, alhoewel de woordenvloed geen enkel oogenblik hapert. De uitdrukking des gelaats zet aan de rede nog meer aanschouwelijkheid bij, en levendige gebaren verduidelijken verder den zin. Is er een onderwerp, dat hun bijzondere belangstelling inboezemt, dan geraken de sprekers in vuur, zoodat men een oogenblik vreest, dat er handtastelijkheden zullen volgen, maar ook het heftigste dispuut eindigt in vrede en eendracht.Dat onder zulke lieden de bard geëerd wordt is te begrijpen. Ieder Kirgies, die in woordenrijkdom en welsprekendheid boven anderen uitmunt, staat in aanzien. Een zanger, een gelegenheidsdichter mag bij geen feest ontbreken. Zijn talent behoeft juist niet uitstekend te zijn; de rede moet slechts onafgebroken vloeien, zich voegen naar eene bepaalde, iedereen bekende versmaat—en men is dichter. Toch beschikt elke Kirgiesche bard over een niet geringen schat van dichterlijke gedachten, die hij gemakkelijk in woorden kleedt. Het herders- en nomadenleven, hoe eentonig dit ook moge verloopen, heeft zijn bekoorlijkheden, zijn toongevende snaren, die slechts behoeven aangeslagen te worden om in de harten der hoorders weêrklank te vinden. Een aantal sagen en overleveringen bieden voldoende stof om daarmede de gapingen in de gedachten aan te vullen, en zoo kan de rede van den[418]bard vloeien als een breede stroom, welks bronnen nimmer uitdrogen; hij heeft zich slechts te houden aan eene bepaalde versmaat om dichter te zijn en te blijven. Maar ook dit wordt hem gemakkelijk gemaakt, want elke bard begeleidt zijn woorden met den klank der driesnarige, Kirgiesche citer en verbindt de afzonderlijke regels door tusschenspelen, die net zoo lang duren als de nieuwe regel tijd behoefde om in den rechten vorm gegoten te worden. Hoe sneller, hoe vlugger zulks geschiedt, des te hooger stijgt de roem des zangers. En wordt de vrouwelijke borst in dichtvuur ontstoken, dan is zij het voorwerp der algemeene bewondering; waagt zij het zich met een man in de dichtkunst te meten en met hem hierin om den prijs te dingen, dan verheft de in geestdrift ontstoken menigte haar boven alle vrouwen der wereld.Minder dan voor de dichtkunst is de wijde steppe bevorderlijk voor een geregeld onderwijs. Hieruit laat zich verklaren waarom zoo weinig Kirgiezen kunnen lezen en schrijven. Alleen voor de zonen der rijksten en voornaamsten is deze kunst weggelegd. In de twee door de Regeering gestichte scholen, teUstkamenogorsken te Saisan worden ook Kirgiesche knapen onderricht, in de eerstgenoemde stad zelfs uitsluitend, maar de werkzaamheid dier inrichtingen strekt zich niet tot het binnenste der steppe uit. Daar leert de knaap lezen en schrijven, indien het toeval wil, dat hij een Mollah ontmoet, die evenveel lust in het onderwijzen als de knaap in het leeren heeft. Ook dan evenwel blijft het onderwijs beperkt tot de allereerste kundigheden: het Arabische schrift te kunnen lezen en schrijven. De inhoud van het voornaamste, zoo niet eenige leerboek, den koran, blijft gewoonlijk zelfs voor den Mollah verborgen; hij leest de Soeren zonder deze te verstaan.Ik heb slechts eenmaal een Kirgies ontmoet, die Arabisch kende, en dit was nog wel een sultan; alle anderen, die door hunne kennis der schrift boven hun stamgenooten verheven waren, en als trouwe belijders van den Islam geregeld de vijf voorgeschreven gebeden opzegden, verstonden in het gunstigste geval alleen den inhoud van de oproeping tot het gebed en de eerste Soere van den Koran; al wat zij meer opzegden, werd wel is waar uitgesproken met die plechtigheid en dien ernst, welke aan alle Mohammedanen eigen zijn, maar zonder dat zij er een woord van begrepen.En toch ontving ik steeds een diepen indruk, wanneer te midden der onafzienbare steppe, waar geen minaret zich ten hemel verhief, een dezer lieden, die de heilige woorden kent, als Muddin of roeper optrad[419]en zijne stem voor het gebed verhief, terwijl de geloovigen in lange rijen achter denImamof voorbidder knielden, om hun voorhoofden al biddende tegen den grond te drukken, gelijk de wet van den profeet zulks voorschrijft.Het bewustzijn van kracht en vaardigheid, de bedrevenheid in paardrijden en jagen, het dichterlijk talent en de opgewektheid van geest in ’t algemeen, het gevoel van zelfstandigheid en vrijheid, hetwelk de groote steppe in ’t leven roept, geeft aan het voorkomen van den Kirgies eene niet te loochenen waardigheid. Hij maakt dan ook op den onbevooroordeelden opmerker een zeer gunstigen indruk, die des te meer toeneemt naarmate men den steppenbewoner beter leert kennen. Zoo ging het mij, en zoo ook oordeelen de Russen, die jaren lang met de Kirgiezen hebben omgegaan, en zoo oordeelen vooral de Russische ambtenaren en vele reizigers, die onder hen verkeerden. Men zegt wel is waar te veel, wanneer men beweert, dat de Kirgies een groot aantal goede en zeer weinig slechte eigenschappen bezit, of zich althans in deze richting doet kennen. Opgewekt van geest, verstandig, levendig, zoo lang het de gewone zaken betreft, goedaardig, dienstvaardig, tot helpen bereid, welgemanierd en voorkomend, gastvrij en barmhartig, is hij in zijne soort een voortreffelijk mensch, wiens schaduwzijden men te eerder over het hoofd ziet naarmate men hem meer onbevangen beschouwt. Hij is beleefd; zonder kruipend te zijn, hij behandelt zijn meerdere met achting, en toch niet als een slaaf, is jegens zijn minderen vriendelijk, maar niet geringschattend. Op tot hem gerichte vragen antwoordt hij eerst na eenig nadenken, maar dan rustig en duidelijk, terwijl zijn scherp betoonde manier van spreken aan zijn antwoord het merkteeken van zekerheid schenkt. Hij is gedienstig in alle opzichten, maar is dit meer uit eerzucht dan uit hoop op winst, meer om lof en bijval dan om geld en goed te verwerven. De gemeentebestuurder Tamar Bey Metikoff, die bijna eene maand lang ons uit beleefdheid vergezelde, was de hoffelijkste, voorkomendste man onder de zon, altijd bereid ieder onzer wenschen te vervullen, onvermoeid in het bewijzen van diensten en beleefdheden, en zulks alleen in de hoop om hiermede onze tevredenheid en die van den Gouverneur-Generaal te winnen. Hij gaf ons zulks met ronde woorden te kennen, toen wij hem geschenken wilden opdringen.Met zulk eene eergierigheid is het feit in overeenstemming, dat de voorname man zich verheft op familie en afkomst, zich beroemt op[420]zijn voorouders en tevens zijn stamboom laat opklimmen tot Chingis-Chan, dat hij slechts in zijn stand trouwt, geen vlekje op zijn eer duldt, en geen eerroof vergeeft. Daarmede in overeenstemming is verder nog zekere ijdelheid, die men bij den Kirgies niet zou verwachten. Niet alleen aanzien en rijkdom, waardigheid en rang, maar zelfs jeugd en schoonheid zijn in zijn oogen gaven, die hij op hoogen prijs stelt. Doch hij onderscheidt zich in ’t oogloopend van de saletjonkers te onzent, doordien hij nooit tot een fat wordt. Hij prijst openlijk en onbeschroomd de hem door lot of natuur toebedeelde gaven; deze lof gaat hem echter natuurlijk af en wordt niet misvormd door voorgewende bescheidenheid. Zoo ver zijn middelen hem dit veroorloven kleedt hij zich rijk, versiert mantel en broek met tressen, de pelsmuts met uilenveeren—een fat echter wordt hij nooit. Dat de vrouwen nog meer dan de mannen haar bekoorlijkheden in het helderste daglicht trachten te plaatsen spreekt vanzelf; en daarom heeft het mij dan ook volstrekt niet verwonderd, dat zij met het sap van zekeren wortel de wangen met een teeder, waasachtig, zeer duurzaam rood bestrijken, m.a.w. zich blanketten.In overeenstemming met zijn zucht om te behagen, schikt de Kirgies zich gewillig in de zeden en gebruiken van zijn volk. Zijn beschaving en goede manieren legt hij hoofdzakelijk aan den dag door zijne uit overoude tijden stammende, door den Islam evenwel zeer gewijzigde gebruiken streng na te komen. Zulks geeft aanleiding tot vormelijkheid en plichtplegerij in het dagelijksch verkeer, maar werpt tevens een dam op tegen verwaandheid en onbeleefdheid, en verbant de lompheid uit de samenleving; ieder weet hoe hij zich te gedragen heeft om geen aanstoot te geven, of ook maar slechts in de geringste mate op eene minder aangename wijze in het oog te loopen.Reeds de wederkeerige begroeting geschiedt op een vormelijke, door allen in acht genomen en dus nauwkeurig bepaalde wijze. Wanneer twee Kirgiesche ruiterbenden elkander ontmoeten, verloopt er geruimen tijd alvorens het compliment is gewisseld. Gelijktijdig leggen zij de rechterhand op elkanders hartstreek, de linker op elkanders rechterhand, terwijl daarna beide personen hunne rechterhand terugtrekken om deze met de linker te vereenigen, zoodat nu alle vier handen in elkander rusten. Terwijl zij dus elkander aanraken spreken beiden het Arabische woord „Amán” (vrede) uit; vóór de omarming hadden zij den groet aller Mohamedanen elkander toegeroepen: „Salám alëik” of „alëikoem”[421](Heil zij met u of ulieden), ook wel „Alëikoem el salám.” Op deze wijze begroeten zij elkander wederkeerig; de beide troepen vormen twee rijen en de eene persoon na den ander loopt, ten einde de nu nog geketende „roode tong” zoo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen, snel de rij af. Een korte wijze van begroeting, die echter slechts in zwang is, wanneer de schare zeer groot is, bestaat daarin, dat men de handen naar elkander uitstrekt en deze tegen elkander slaat.Leggen de Kirgiezen wederzijdsche bezoeken in de Aul af, dan heeft er vóór de begroeting nog een andere plechtigheid plaats. Zoodra de joerte in ’t gezicht is gekomen houden de bezoekers hun paarden in, laten ze stapvoets voortgaan en eindelijk stilstaan. Nu gaat men hen van uit de Aul tegemoet; de gasten worden verwelkomd en naar de joerte gebracht, die intusschen door de vrouwen met de kostbaarste tapijten is belegd. Vreemde, in de Aul nog onbekende gasten, moeten zich vóór de begroeting aan een kort verhoor, waarin naar naam, stand en afkomst gevraagd wordt, onderwerpen. Altijd evenwel worden zij ontvangen en gastvrij onthaald, want gastvrijheid, een karaktertrek der Kirgiezen, oefenen zij jegens iedereen uit, onverschillig van welk geloof hij moge zijn, of tot welken stand hij moge behooren; voorname lieden evenwel genieten eenige onderscheiding. De gast treedt de joerte met de gewone begroeting binnen, trekt bij de deur zijn schoenen uit, en zet zich, wanneer hij van gelijken stand is, als ware hij de eigenaar, op de eereplaats neêr. De mindere houdt zich tegenover den meerdere bescheiden terug, en laat zich in knielende houding op het tapijt neder.Ter eere van een aanzienlijken gast laat de heer der joerte een schaap slachten, dat echter vooraf in de joerte wordt gebracht om het door den gast te laten zegenen. Alle geburen komen opdagen om aan den lekkeren maaltijd deel te nemen. De kop en borst van den ram worden aan het spit gebraden, de kleinere vleeschstukken, kruis, ribben, schouderbladen enz. in den ketel gekookt, en als zij gaar zijn, in eene kom voor den gast geplaatst. Deze wascht zich de handen, snijdt het vleesch van de beenen, doopt het in het sterk gezouten nat, en zegt tot den inmiddels nog niet gezeten gastheer: „eerst door den gastheer erlangt het vleesch smaak; ga zitten.” De gastheer antwoordt: „ik dank u zeer, eet!” maar voldoet nog niet aan het verlangen van zijn gast. Deze snijdt nu een stuk van de valsche ribben af, roept den[422]gastheer bij zich, en steekt dien het vleesch in den mond; daarop snijdt hij een tweede stuk af, legt dit in een kom en reikt het der gastvrouw. Nu zet de heer der joerte zich aan de zijde van zijn bezoeker neêr; de laatste blijft evenwel de spijzen onder de aanzittenden uitdeelen. De gast snijdt het vleesch in stukken, vermengt elk stuk met vet, doopt telkens drie stukken tegelijk in het vleeschnat en steekt ze daarna, telkens deze drie stukken tegelijk, iederen dischgenoot in den mond. Het zou eene beleediging zijn voor den gever, indien de ontvanger der gift deze niet dadelijk verorberde, al mocht hij ook, als de stukken wat groot zijn uitgevallen, erg veel moeite hebben om ze naar binnen te zenden, zoo erg soms dat het gezicht er rood en paars van wordt, en de eene buurman den ander te hulp moet komen; om het slikken te bevorderen, klopt men elkander op den rug. Daarentegen mag de uitdeeler ook niet meer dan drie stukken tegelijk reiken, want overschrijdt hij dit getal, en stopt hij iemand b.v. vijf stukken tegelijk in den mond, zoodat de ontvanger, die veroordeeld is die hoeveelheid zoo schielijk mogelijk in eens door te zwelgen, stikt, dan moet zulks met honderd paarden, uit te betalen aan de familie des geworgden, gezoend worden, terwijl men daarentegen van de boete wordt vrijgesteld, zoo het slachtoffer aan het officieele getal bezwijkt. Is het vleesch genoten dan laat de gast de schaal met vleeschnat rondgaan, waarvan ieder zooveel drinkt als hem lust. Tot besluit van den maaltijd wordt, nadat ieder der aanwezigen zich eerst de handen heeft gereinigd, althans voor elken welgestelden gastheer, en in geval de merries nog melk geven, koemys gepresenteerd; zulks geschiedt te allen tijde met een zekere deftigheid, geëvenredigd aan den eerbied, dien men aan dezen lievelingsdrank der Kirgiezen verschuldigd is. Wie tot nu toe niet aan den maaltijd deel nam, snelt toe om zich aan den nektar te laven. Men drinkt zich een halven roes; want de Kirgies is op het stuk van drinken, waar het zijn dierbaren melkwijn geldt, even sterk als in het eten, en te dien opzichte zoo min bescheiden als matig.Nog veel omslachtiger dan bij een eenvoudig bezoek zijn de gebruiken, die in acht worden genomen bij belangrijke huiselijke omstandigheden, zooals bruiloften en begrafenissen. Bij de eerste vergezelt de scherts de vreugde, bij de laatste paart zich eerbied voor de dooden aan den rouw.Vrijage en bruiloft, begrafenis en herinneringsdagen aan de dooden gewijd, geven aanleiding tot eene aaneenschakeling van feestelijkheden.[423]Gelijk bij alle Mohammedanen het geval is, doet de vader voor den zoon aanzoek om de hand van een meisje, en gelijk bij alle belijders van den Islam gebruik is, betaalt hij aan den aanstaanden schoonvader een bruidsgift van zeer verschillende, soms aanmerkelijke waarde. Iemand, die uitgezonden wordt om de hand van een meisje te gaan vragen, is kenbaar aan de broekspijpen, waarvan een boven, de andere in de laars wordt gestoken; hij verschijnt in de joerte, alwaar het huwbare meisje zich bevindt, en draagt uit naam van den vader des trouwlustigen jongelings het aanzoek voor. Is de vader van ’t meisje daarmede ingenomen, dan verlangt hij het groote bezoek; hij wenscht n.l. den lastgever zelf, de oudsten der gemeente, en de voornaamsten uit diens Aul te spreken om met hen de onderhandelingen te gaan voeren. Deze verschijnen, en laten naar gebruik, voor de Aul hunne rossen stilhouden. Een afgezant van den vader der bruid reist hun tegemoet, begroet hen plechtig en naar den vorm, en geleidt hen naar de feestelijk getooide joerte, alwaar zij met koemys ontvangen worden. Een bard verschijnt om de samenkomst op te luisteren, en heft zijn gezang aan. Rijke bijvalsbetuigingen en prachtige beloften prikkelen des zangers ijver. Men prijst de diepte zijner gedachten, de eenheid zijner voordracht; men belooft hem een paard, een jamba of vier pond ongemunt zilver. De huisheer wijst dit alles van de hand, want hij alleen heeft het recht den zanger te beloonen; de gasten evenwel laten hunne voornemens niet varen, en beloven met vernieuwden aandrang, want te goed weten ze dat de gastheer hun de vervulling hunner beloften niet zal toestaan. Nadat de zanger geëindigd heeft, begint zich een levendig onderhoud tusschen de aanwezigen te ontspinnen, men spreekt over allerlei zaken, alleen niet over het onderwerp, dat allen bijeenbracht. Het uur van scheiden breekt aan en men rijdt naar huis.Den volgenden morgen beantwoordt de vader der bruid met zijn gevolg het bezoek en wordt door den vader des bruidegoms op gelijke wijze begroet en onthaald; nu geeft de eerste zijn wensch te kennen de moeder des jongelings te zien. Men gaat gezamenlijk naar de joerte der huisvrouw en begroet deze op even plechtige als hoffelijke wijze. Meteen draagt de vader des bruidegoms een schaapsborst op, snijdt er stukken voor de gasten af en vergezelt het ontleden van het meest geachte deel des schaaps met de woorden: „Deze schaapsborst zij mij ten pand, dat onze voornemens een goeden afloop zullen hebben,” reikt daarop zijn gasten de lekkere beten toe en opent daarmede de onderhandelingen[424]over het bedrag van den „kalum” of de bruidsgift. Als eenheid van prijs geldt eene merrie van drie tot vijf jaar; een telganger of een kameel wordt gelijk gesteld met vijf merries; zes of zeven schapen of geiten hebben de waarde van ééne merrie.De vader der bruid verlangt als gift 77 merries, laat zich evenwel afdingen, en gaat, al naar zijn eigen vermogen en dat van den anderen schoonvader groot is, tot 57, dan tot 47, 37, 27 terug, en zijn beiden onbemiddeld dan nog verder, totdat men het eens is geworden. Zijn de onderhandelingen afgeloopen, dan verklaart de vader der bruid de verloving voor beklonken, gaat opstaan om huiswaarts te keeren en laat een geschenk in of aan den ingang der joerte achter. De vader des bruidegoms zendt echter, zoo hij kan, te gelijk met den vertrekkenden zwager de helft van den kalum naar diens joerte, om ook de rest zoo spoedig doenlijk af te betalen.Veertien dagen na de betaling mag de bruidegom voor ’t eerst zijne bruid bezoeken. Onder een zoo sterk mogelijk geleide van met hem bevriende jongelingen van gelijken leeftijd, aan wier hoofd een met alle gebruiken bekend en ouder familielid staat, breekt hij op, rijdt tot in de nabijheid van de Aul zijner bruid, stijgt van ’t paard, slaat eene kleine tent op en kruipt hierin, of verbergt zich op eene andere wijze. Zijn metgezellen echter trekken verder, begeven zich nadat de plechtige begroeting is afgeloopen in de Aul en verdeelen onder vroolijke scherts allerlei kleine geschenken, zooals ringen, halsbanden, lekkernijen, linten en bontgekleurde stoffen onder de hen omringende vrouwen en kinderen. Gezamenlijk met jongelingen en jonge dochters van gelijken leeftijd betreden zij nu de feestjoerte. De gastheer biedt spijs en drank, eerst een schaapsbout, die hij met de reeds vermelde woorden in stukken snijdt, dan „Meibaur” in vet gebraden, kleine stukjes lever, hart en nieren, plaatst het gerecht voor den straks vermelden ouden vriend en deze handelt er mede naar gebruik en zede; zoodra hij den jongeling, dien hij met de eerste bete bedenkt deze in den mond heeft geduwd, bestrijkt hij hem tevens het aangezicht met het vette vleeschnat. Hiermede is het sein gegeven, dat men met vroolijkheid en scherts kan aanvangen, en jongelingen, jonge dochters en jonge vrouwen nemen daaraan om strijd deel. Een zeer geliefkoosde aardigheid der meisjes bestaat daarin dat zij de kleederen der jongemannen vlug aan de tapijten, waarop zij gezeten zijn, vast naaien.[425]Na den maaltijd mogen de jeugdige gasten een weinig rusten, maar zulks alleen om hun tijd tot overdenking te geven. De meisjes en vrouwen noodigen alsnu de jongelingen uit tot een zangerswedstrijd, wijzen hun de eereplaatsen aan, en zetten zich zelven daar tegenover; een harer begint. Is de door haar toegezongen jongeling niet slagvaardig, dan vergaat het hem slecht. Onder stooten en knijpen valt de jolige schaar op hem aan, verdrijft hem uit de joerte en leveren hem over aan de jonge mannen van de Aul, die voor de joerte reeds op zulke slachtoffers wachten. Een vat water wordt over dien beklagenswaardigen stumper uitgestort, waarna men hem druipend nat en beschaamd, naar de joerte terugdrijft, alwaar hij voor de tweede maal op gelijke proef wordt gesteld. En als hij ook nu in deze te kort schiet, wordt hij tot straf in vrouwenkleeren gestoken en aan de kaak gesteld. Wee hem, indien hij zich gebelgd toont; hij zou een slechten dag hebben. Heden zwaait de scherts haar scepter en zij duldt geen brompot. Wie het best tegen den strijd is opgewassen, is de held van den dag; die dit niet is, wordt tot algemeen offerlam.Gedurende dit spel zit de bruid onder een gordijn achter in de joerte, voor ieders blik verborgen. Van deze omstandigheid maken nu de jonge lieden der Aul gebruik om de bruid te stelen, d.w.z. terwijl de zangerswedstrijd alle vrienden van den bruidegom bezig houdt, dringen zij tot de jonge dame door, voeren haar naar buiten door eene tusschen de vilten omkleedsels der joerte aangebrachte opening, tillen haar op een paard en brengen de volstrekt niet tegenspartelende bruid naar de joerte van een bloedverwant om haar in handen te stellen van de daar reeds wachtende oudere vrouwen. Is de roof gelukt, dan spoort de roover de jongelingen aan om de bruid te gaan zoeken en uit de handen der vrouwen te verlossen. Fluks breekt het geheele gezelschap op en verzoekt de bewaaksters hun de gestolene weder terug te geven. Hoe sierlijk de woorden ook mogen ingekleed worden, het verzoek wordt afgeslagen. In de gedeeltelijk opengeslagen joerte zit de bruid, zichtbaar voor aller oogen; geweld zou niet baten en daarom beginnen de jongelingen vriendschappelijk te onderhandelen. De vrouwen verlangen negen verschillende gerechten, door de jongelingen zelven te bereiden, maar stemmen er ten laatste in toe, in plaats van met spijzen, zich met geschenken tevreden te stellen; zij leveren nu de bruid eindelijk uit, op voorwaarde, dat deze naar de joerte haars vaders teruggebracht zal worden.[426]Inmiddels zit de bruidegom in zijn tent te wachten. Geheel alleen was hij echter niet, want eenige jonge dames zijn hem, zoodra zijn gezellen verschenen, gaan zoeken, en zij hebben hem natuurlijk ook gevonden; zij werden begroet met het eerbiedige „Taschim.” De jongeling heeft zoo diep voor hen gebogen dat hij met de vingertoppen den grond aanraakte; daarna heeft hij zich langzaam opgericht, de handen langs het scheenbeen latende glijden, totdat hij zich in zijn volle lengte had opgeheven; de vrouwen hadden deze hulde aangenomen, hem gezelschap gehouden, spijs en dank gereikt, hem met scherts den tijd verkort, maar niet toegestaan dat hij de tent verliet. Eerst na lang smeeken en niet vóór de zon is ondergegaan, ontving hij verlof, in de Aul en voor de joerte der bruid een liedje te zingen. Hij bestijgt zijn paard, rijdt de Aul binnen, begroet de bewoners met gezang, wendt zich naar de joerte der uitverkorene en klaagt in een zelf uitgedacht, of van een ander overgenomen lied zijn verlangen, zijn leed:„Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer,Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet.Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring,Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet.„Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelenTer ruste men snoert aan de bindende lijn,Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven,Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn.„Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen,Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust,De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen,De vreugde des harten, vertrouwen en rust.„Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken,Als ware ik dorstig en droog mij de mond.Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren,Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond.„En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen,Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn,Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden,Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.”Zonder de joerte te betreden, keert hij weêr naar zijne tent terug.[427]Daar verschijnt hem eene oude vrouw, die belooft hem naar zijne bruid te geleiden, als hij haar een geschenk wil vereeren. Mild opent zich des bruigoms hand en beiden begeven zich op weg. Maar ongehinderd bereiken zij de joerte niet. Eene andere vrouw legt den gaffel, waarmede men den koepelring der joerte omhoog hijscht, dwars over den weg; zulk een slagboom over te springen zou een slecht voorteeken zijn, want wie den gaffel heeftneêrgelegdmoet dien ook weêr wegnemen. Een nieuw geschenk verwijdert ook dezen hinderpaal, maar weinig schreden verder ligt een tweede, en daarover heen eene schijnbaar doode vrouw; een nieuw geschenk wekt de doode weêr in ’t leven en ruimt het beletsel op; nu is de weg naar de joerte vrij. Daar staat evenwel eene gedaante, die een geluid laat hooren als het brommen van een hond. Zal men kunnen zeggen, dat een hond op een bruidegom heeft gebromd? Dat nooit! Een nieuw geschenk sluit den brommenden mond en de veel beproefde komt eindelijk bij de joerte aan. Hier houden twee vrouwen de deur dicht, maar ook de deur bezwijkt voor een geschenk; binnen in de joerte houden twee vrouwen het gordijn vast; op het bruidsleger rust echter eene jongere zuster der bruid; hij bevrijdt zich van allen, de joerte is ledig; de „oude” legt de handen des bruidegoms in die der bruid, en verwijdert zich eveneens; eindelijk, eindelijk zijn beiden samen,—en alleen.Onder opzicht van den behulpzamen oude „Djenke” genaamd, bezoekt de bruidegom herhaalde malen zijne bruid, zonder zich nog voor te stellen aan de ouders van het meisje. Eerst moet de kalum geheel betaald zijn.Nu wordt de persoon die vroeger werd uitgezonden om het aanzoek te doen, weder naar den vader der bruid afgevaardigd om dezen te vragen of het nu geoorloofd is het meisje naar de joerte van haar echtgenoot te brengen. De vraag wordt toestemmend beantwoord, en de bruigom gaat wederom met groot gevolg en geschenken naar de Aul, slaat weder zijn tent op een behoorlijken afstand op, ontvangt hierin nogmaals het bezoek van vrouwen, brengt alleen den nacht er in door, en zendt van hier den volgenden morgen alle voor eene joerte benoodigde en door hem te leveren houtstukken naar de Aul. Alle bewoonsters der Aul verzamelen zich hierom heen, ten einde de vilten stoffen, die de bruid moet geven, aaneen te naaien, voor zoover dit noodig is, en nu begint men met het opstellen der joerte. De meest geachte vrouw van de Aul mag den koepelring omhoog brengen en[428]houdt dien vast, totdat de sparren daarin zijn gestoken; de andere vrouwen houden zich gezamenlijk onledig met den verderen opbouw en de bekleeding. Ondertusschen komt de bruidegom ter plaatse; nu geleidt men ook de bruid herwaarts en noodigt beiden uit van verschillende zijden de nieuwe woning te naderen om het groote vraagstuk op te lossen, wie de heerschappij in de joerte zal voeren? Zij zal het deel worden van hem, die de joerte het eerst bereikt.Een schaap, door den bruigom medegebracht wordt geslacht; de maaltijd wordt aangericht en deze zal in de nieuwe joerte plaats hebben. Onder den maaltijd wikkelt de jonge joerteheer een stuk wit laken om een been en werpt dit, zonder naar boven te zien, door de opening van het koepeldak naar buiten. Gelukt deze worp, dan is zulks een goed teeken; de rook zal dan uit deze joerte regelrecht omhoog stijgen, wat geluk voorspelt voor de bewoners der tent.Na het welkomstmaal begeven zich de gasten naar de joerte van den vader der bruid, alwaar hun een tweede maaltijd wacht. De moeder der bruid evenwel discht de spijzen op voor de jongelieden, die in de nieuwe joerte achterbleven; mild en overvloedig moet zij geven, anders zou het jonge volkje de tent boven de hoofden der aanzittenden afbreken, en tot straf voor die karigheid, de afzonderlijke deelen van het lichte gebouw naar alle richtingen in de wijde steppe werpen. Zelfs de rijk gevulde schotel is voor den overmoed der uitgelaten bruiloftsgasten niet veilig; de een rukt ze uit de handen der gastvrouw en rijdt er mede weg; anderen trachten hem den buit weder afhandig te maken en deze plagerijen duren net zoo lang totdat men begint te vreezen, dat het gerecht koud zal worden.Den volgenden morgen wenscht de vader der bruid voor ’t eerst den bruidegom te zien, noodigt dezen in zijne joerte, begroet hem hartelijk, roemt zijn voorkomen en talenten, wenscht hem geluk met zijn huwelijk, en stelt hem ten slotte allerlei geschenken ter hand, de gift als het ware der bruid. Dit geschiedt ten aanschouwe van alle bruiloftsgasten, die reeds vóór den bruidegom zich in de joerte verzameld hadden. Nu ook komt de rijk getooide bruid binnen. Bevindt zich in de Aul een Mollah, of is er gelegenheid zulk een persoon te halen, dan spreekt deze den zegen over het jonge paar uit.Nu wordt der bruid het scheidingslied, „Dschar, dschar” toegezongen; zij beantwoordt elk vers met tranen in de oogen, elke strophe met eene klacht.[429]SPELEN BIJ EENE KIRGIESCHE BRUILOFT.SPELEN BIJ EENE KIRGIESCHE BRUILOFT.Het beurtgezang verstomt; kameelen worden voorgebracht om de joerte en alle bruidsgeschenken te dragen; sierlijk opgetuigde paarden om de bruid en hare moeder naar de Aul des bruidegoms te brengen. De jeugdige echtgenoot rijdt aan het hoofd van den bruiloftsstoet, spoort met zijn speelgenooten de kameelen tot spoed aan, om tijd te winnen ten einde de joerte onder dezelfde plichtplegingen, als bij het opbouwen in acht werden genomen, in de Aul, waar hij verblijf houdt, op te stellen. De bruid evenwel, na onder het storten van tranen afscheid te[430]hebben genomen van haar vader, bloedverwanten, vriendinnen, van de joerte, als ook van de kudden, rijdt, geheel verborgen onder een om haar heen geslagen en door de ruiters gedragen gordijn voort, totdat zij de joerte bereikt heeft, waarin zij voortaan als meesteres zal heerschen. De vader des bruidegoms, die intusschen de gift der bruid heeft bekeken, en geprezen of gelaakt, roept haar heel spoedig na de aankomst in zijne tent; zij betreedt deze met drie buigingen, zoo diep, dat zij met de handen op de knieën moet steunen, daarmede aanduidende, dat zij even onderdanig zal zijn aan hare schoonouders als aan haar heer en gebieder. Haar gelaat blijft nog altijd gesluierd, en zal dit voortaan blijven voor den vader en de broeders van haar gemaal, en een jaar lang voor iederen vreemdeling. Later omsluiert zij zich nog alléén voor den oudsten broeder haars echtgenoots; voor niemand anders. Voor genoemden evenwel slechts omdat deze haar moet huwen, ingeval haar eigen man sterft; nu mag zij bij haar schoonbroeder geen booze lusten opwekken of voeden.Bij een tweede huwelijk doet de Kirgies persoonlijk aanzoek en dit geschiedt zonder daarbij bijzondere vormen in acht te nemen. Huwt hij nog bij het leven zijner eerste vrouw eene tweede, en laat hij deze met de andere in dezelfde joerte wonen, gelijk zulks meestal bij niet zeer rijke lieden het geval is, dan heeft de tweede uitverkorene een zeer beklagenswaardig lot. De eerste vrouw handhaaft haar rechten, wijst aan de tweede eene bepaalde plaats in de joerte aan en legt zelfs den heer der tent in zijn huwelijksrechten aan banden. De vrouw staat bij de Kirgiezen in hooge achting. „Wij waardeeren onze vrouwen zooals wij een telganger waardeeren; beide zijn niet te betalen,” zoo verzekerde mij eens mijn vriend, de Kirgies Altibei. De mannen scheiden zich zelden van hunne vrouwen, en nog zeldzamer ontloopen de laatsten haar echtgenooten. Ook in de steppe evenwel verbreekt de liefde soms de perken, welke zede en gebruik gesteld hadden. Schaking komt insgelijks voor en wordt zelfs voor geen schande gehouden; een meisje te rooven, wier vader te hooge eischen stelt, verstrekt roover en geroofde, in veler oogen althans, meer tot eer dan tot blaam.Het pasgeboren kind wordt bij de Kirgiezen onmiddellijk nadat het het levenslicht aanschouwde, en zoo ook nog de eerste veertig dagen na de geboorte, in sterk zout water gebaad, maar na verloop van dien tijd zelfs niet meer gewasschen. Aanvankelijk legt men den zuigeling in een bedje vol fluweelzachte kameelswol, zoodat het wicht geheel[431]in dit dons gehuld is en zelfs in den strengsten winter geen koû zou kunnen vatten; later trekt men het een wollen hemdje aan, hetwelk de moeder om de drie dagen een poosje boven het vuur houdt ten einde het van de parasieten te zuiveren, die in de woningen van alle Kirgiezen voorkomen. Dat hemd met een ander te verwisselen, daaraan denkt men niet. Het wordt eerst dan vervangen, wanneer het bijna uiteenvalt. In den winter trekt de trouwe moeder het ook nog kousjes aan, en zoodra het kindje kan loopen, steekt men het in de kleeren der volwassenen.Vader en moeder beide houden ongemeen veel van hun kroost; zij behandelen hun kinderen met de grootste teerheid en slaan ze nooit; zij hebben echter de slechte gewoonte om hun, zoodra zij kunnen spreken, allerlei leelijke en onvoegzame woorden te leeren, die, door de onschuldige lippen van het kind nagezegd, eene algemeene vroolijkheid opwekken. De ouderdom van het kind wordt naar den naam van een of ander dier benoemd; het kind kan b.v. een muis oud zijn, of eene marmot, of een schaap of een paard. Op zijn vierde jaar zet men het voor de eerste maal op den rug van een even oud paard, dat prachtig opgetuigd en met een in de familie erfelijk zadel belegd wordt. De gelukkige ouders beloven aan den voor de eerste maal de moederarmen ontloopen, zelfstandig optredenden kleinen ruiter allerlei mooie dingen, roepen daarop een bediende of een gewillig vriend, stellen paard en ruiter in diens handen en dragen hem op den kleinen man van de eene bevriende joerte naar de andere te geleiden. Overal waar het knaapje aankomt wordt hij vriendelijk begroet, met loftuitingen overladen, terwijl hij tevens allerlei lekkernijen ontvangt. Een feest in de ouderlijke joerte bekroont den in aller oogen gewichtigen dag.Met het zevende jaar vangt het onderwijs aan, dat zich bepaalt tot al datgene, wat hij of zij te weten noodig heeft. Inmiddels tot een bedreven ruiter opgegroeid, leert de knaap met het vee omgaan, het meisje leert melken en verdere huiselijke bezigheden verrichten; de zoons van voorname lieden worden door een Mollah of een ander, der zake kundig man, in het lezen en schrijven onderwezen, later in de leer van den koran. Reeds vóór zijn twaalfde jaar wordt de school voor hen gesloten en is de knaap rijp voor het praktische leven.Meer nog dan de levenden eert de Kirgies zijn dooden. Elke familie is tot de grootste offers bereid om voor een hun door den dood ontrukt familielid een groot lijk- of gedenkfeest aan te richten; ieder, ook[432]de armste, wenscht het graf zijner lieve dooden te sieren zoo veel hij kan, en een iegelijk acht het zich als de grootste schande eenen doode in ’t algemeen niet alle mogelijke eer te bewijzen. Zulks is onder de Mohammedanen een algemeen gebruik, maar de plechtigheden, die bij de Kirgiezen het sterven en de begrafenis vergezellen, wijken zoo van die der andere geloovigen af dat zij eene nadere bespreking vereischen.Wanneer een Kirgies den dood voelt naderen laat hij zijn vrienden roepen, opdat deze zijne ziel in het paradijs helpen brengen. Vrome Kirgiezen laten zich op hun sterfbed uit den koran voorlezen, al verstaan zij ook niets van de beteekenis der woorden. Naar het gebruik der geloovigen verzamelen zich de vrienden om het sterfbed van den geloofsgenoot en roepen hem het eerste gedeelte van de belijdenis der aanhangers van den profeet: „Er is slechts één God” zoo dikwijls toe, tot hij het tweede gedeelte uitspreekt: „en Mohammed is zijn profeet.” Zoodra deze woorden de lippen van den stervende ontvlieden, opent Moenkir, de Engel der beproeving, de poorten van het paradijs en nu roepen allen uit: „El hamdu lillahi”—de Heer zij geprezen.Zoodra de eigenaar eener joerte voor altijd zijn oogen gesloten heeft, zendt men naar alle richtingen boden uit om de gebeurtenis aan de vrienden en bloedverwanten bekend te maken; deze boden reizen, al naar aanzien en rang van den overledene, twintig tot honderd werst ver de steppe in, van Aul tot Aul, terwijl een der bloedverwanten, die hier woont, de tijding aan anderen in dezelfde Aul mededeelt. Ondertusschen wordt het lijk gewasschen en in het „doodshemd” gehuld, dat ieder Kirgies reeds bij zijn leven gereed had en onder zijn kostbaarheden bewaarde. Nadat men zich van dezen plicht gekweten heeft draagt men het lijk uit de joerte en legt het op een middelerwijl half uitgeslagen hekwerk. De Mollah wordt ontboden, en als deze verschijnt, zegent hij den doode; nu beurt men het hek met het lijk op, laadt een en ander op den rug eens kameels, en trekt onder geleide der inmiddels aangekomen naastbijwonende bloedverwanten naar den doodenakker.Terstond na het overlijden heffen de vrouwen den lijkzang aan. De naaste bloedverwant begint en spreekt den rouw van haar hart in meer of minder diepgevoelde woorden uit; de anderen vallen op het einde van elken zin of elken versregel gelijktijdig in en ieder kleedt zijn gedachte op hare wijs in woorden. De klacht wordt allengs heviger, tot eindelijk de smart haar toppunt heeft bereikt, wanneer de[433]kameel oprijst om met zijn last te vertrekken. De vrouwen schijnen als in razernij te vervallen, rukken zich de haren uit en krabben zich het gezicht ten bloede. Eerst als de lijkstoet, waarvan de vrouwen geen deel uitmaken, uit het gezicht verdwenen is, verstommen van lieverlede de klachten en houden de tranen op met vloeien.Eenige mannen, op vlugge paarden gezeten, zijn vooruitgereden om het graf in gereedheid te brengen. Dit bestaat uit een kuil, een halve manshoogte diep, met een in de richting van Mekka gelegen gewelf, waarin het hoofd en het bovenlijf worden gelegd. Nadat het lijk in den kuil is neêrgelaten, wordt het graf met blokken, planken, rietbundels of steenen belegd, maar niet met aarde gevuld. Wel wordt soms een weinig zand over de bedekking gespreid en dit heuveltje met vlaggetjes en soortgelijke zaken versierd, zoo niet een koepel uit hout of baksteenen gebouwd, boven het graf wordt opgericht. Op een kindergraf plaatst men de wieg. Vooraf heeft de Molla het lijk voor de tweede maal gezegend, terwijl alle omstanders aan de ophooging deel nemen. De lijkplechtigheid is evenwel nog niet ten einde.Op hetzelfde oogenblik, dat de eigenaar der joerte is overleden, richt men naast de tent een witte vlag op, die een vol jaar blijft staan. Elken dag van dit treurjaar komen de vrouwen weder bijeen om hare klachten opnieuw aan te heffen. Zoo mogelijk brengt men ook het lievelingspaard van den doode hierbij en snijdt het den langen staart half af. Van dit oogenblik af wordt het ros door niemand meer bereden; het is „weduwe” geworden. Zeven dagen na den dood vergaderen alle bloedverwanten en vrienden, ook de verst afwonenden in de joerte, houden een gemeenschappelijk lijkmaal, verdeelen sommige kleederen van den doode onder de armen, en beraadslagen over het toekomstig lot der achtergeblevenen, alsmede over het bestuur der nalatenschap. Daarna laat men de familie met haar leed alleen.Sterft er eene vrouw, dan worden bijna dezelfde gebruiken gevolgd als bij den dood eens mans, met dit verschil, dat nu de vrouwen het lijk wasschen en kleeden. Maar ook in zoodanig geval blijven de vrouwen in de Aul om er den lijkzang aan te heffen. Het rijpaard der vrouw wordt eveneens van zijn staart beroofd; men richt evenwel geen treurvlag op.Wanneer de Aul verplaatst wordt, haalt de jongeling, wien deze eeredienst is opgedragen, het tot weduwe geworden paard, legt dit het zadel zijns voormaligen meesters in omgekeerde richting op den rug,[434]belaadt het met de kleederen van den overledene en geleidt het aan den teugel naar het oord der bestemming, terwijl de jonge man in zijne rechterhand de lans met de vlag draagt. Zoodra de joerte weêr is opgebouwd, wordt het paard ontzadeld en de lans weder opgericht.Op den verjaardag van den dood verschijnen wederom alle genoodigde bloedverwanten en vrienden in de joerte. Na de vrouwen begroet te hebben, die nog altijd in rouwgewaad zijn gestoken, en die men opnieuw tracht te troosten, haalt men het paard, zadelt dit, belaadt het als vroeger en roept nu den Molla om het te zegenen. Zulks geschiedt; twee mannen treden thans nader, grijpen het paard bij den teugel, ontzadelen het, werpen het ter aarde en stooten het den dolk in ’t hart. Het vleesch wordt onder de arme feestgenooten uitgedeeld, de Molla ontvangt de huid. Onmiddellijk nadat het paard gedood is, stelt men de lans aan den meest waardigen bloedverwant ter hand; deze neemt haar aan, spreekt eenige woorden, breekt den stok in stukken en werpt deze op het vuur.Nu komen de paarden aanstormen om hun snelheid in den wedren te toonen; de jonge ruiters, die hen vergezellen en berijden, vliegen op een gegeven teeken weg en verdwijnen in de steppe.De Molla treedt van het tooneel, de zanger neemt zijn plaats in. Nog eenmaal wordt de doode herdacht, maar ook de levenden krijgen thans hunne beurt. Van het hoofd der vrouwen verdwijnt het eigenaardig tooisel, dat den rouw aanduidde, en zij sieren zich in feestgewaad. Na afloop van den overvloedigen maaltijd gaat de schaal met melkwijn rond; met de tonen van den citer vermengen zich vreugdeklanken.De rouw is afgeloopen, het leven herneemt zijn rechten.[435]

„Bedreigd en vervolgd door de straffende gerechtigheid ontvluchtten eens vier dieven de woonsteden van eerlijke menschen en zochten in de wijde steppe eene schuilplaats. Twee bedelaressen, even als zij uitgestooten uit de verblijven van vlijtige menschen, voegden zich op die vlucht bij de eerstgenoemden. De dieven schepten behagen in de vrouwen en huwden ze, twee van hen ieder een. Een aantal kinderen ontsproten uit deze tegen alle goddelijke en menschelijke inzettingen indruisende huwelijken; de kinderen verwekten een talrijk volk en de tot nog toe ledige steppe werd daarmede bevolkt. Dat kroost bleef zijn oorsprong getrouw, was diefachtig als zijn voorvaderen, bedelachtig als zijn moeders, zonder geloof, zonder zedelijkheid gelijk de ouders. Dat volk zijn de Kirgiezen, wier naam niets anders beteekent dan „roovers”.Op deze wijze droomt zich een Tataarsch, geloovig dichter den oorsprong, en zoo beschrijft hij den aard van een stamverwant volk, dat met hem dezelfde taal spreekt, en tot denzelfden God, naar dezelfde voorschriften van denzelfden profeet bidt. Aldus spreekt hij zich uit, eenig en alleen omdat de Kirgiezen in geloofszaken niet zoo slaafsch aan het woord hangen, niet zoo kleingeestig zijn als hij. Het is de eeuwig oude, altijd opnieuw terugkeerende geschiedenis, de onder alle volken zich opnieuw openbarende schande, door bovengenoemde woorden weêr bevestigd, de vrome leugen, voor wier afschuwelijkheid nog geen kerkgenootschap is teruggedeinsd, ten einde andersdenkenden in een valsch daglicht te plaatsen.

Ieder reiziger, die zich onder de Kirgiezen bewogen heeft, iedere vreemdeling, die onder het luchtig dak hunner Joerten gastvrijheid zocht en vond, iedere geleerde, die hun zeden en gewoonten poogde uit te vorschen, elke beambte, die als wachter der wetten, of als plaatsvervanger der staatsmacht in ’t algemeen in hun midden leefde,[410]ieder, met een woord, die geruimen tijd met hen verkeerde, oordeelt, zoo hij niet bevooroordeeld is, geheel anders dan gezegde Tataar.

Er was een tijd, in welken de Kirgiezen hun naam verdienden, maar deze tijd is, althans voor vele twijgen der vele horden voorbij. De nagalm van de gezindheden, heldentochten en rooversdaden der vaderen moge nog in de harten der Kirgiezen weêrklinken, in ’t algemeen genomen heeft het ruitervolk der steppe zich gevoegd naar de wetten zijner hedendaagsche meesters en het leeft op den huidigen dag zoowel onder elkander als met zijn buren in vrede, acht het eigendomsrecht, en rooft en steelt niet meer en vaker dan andere volken, eer zeldzamer en minder. Onder de Russische heerschappij leeft de Kirgies thans onder zulke bevredigende omstandigheden, dat zijn stamgenooten aan gene zijde der grens wangunstig op die Russische onderdanen neêrzien. Onder bescherming der Russische regeering genieten zij rust en vrede, zekerheid van bezitting, alsmede geloofsvrijheid; zij zijn bijna geheel verschoond van den krijgsdienst en worden billijk in de belastingen aangeslagen, hebben het recht zich eigen gemeentebestuurders te kiezen, en verheugen zich over meer vrijheden dan de Russen zelf deelachtig zijn. Te betreuren is het, dat deze laatsten gewoonlijk niet zoo verstandig denken als de regeering, en dat zij de Kirgiezen benauwen, verdrukken en afpersen zooveel zij kunnen. Toch zijn zij niet bij machte geweest de zeden, gebruiken en gewoonten van dit volk ook maar eenigszins te wijzigen.

De Kirgiezen zijn geboren ruiters en zonder paard kan men zich geen Kirgies denken; zij groeien met het veulen op en leven met het paard tot hun dood. De Kirgies voelt zich, wel is waar, niet enkel thuis in het paardezadel, en weet elk dier, dat hem torschen kan, zich als rijdier dienstbaar te maken, maar het paard blijft immer en onder alle omstandigheden zijn drager en liefste gezel. Op het zadel gezeten verricht hij alle bezigheden, en het paard is bij hem het eenige, een man waardig rijdier. Mannen en vrouwen beide rijden te paard, en niet weinige vrouwen met evenveel gemak als de mannen. De houding des ruiters is achteloos, zoo gemakkelijk mogelijk, maar niet bevallig. De Kirgies rijdt in kort aangegespte stijgbeugels, zonder dijsluiting en raakt alleen met de knieën den voorrand des zadels aan, zoodat hij zich vrij in evenwicht houdt; als hij het paard wil laten draven, richt hij zich in de stijgbeugels op, soms geheel overeind, buigt dan het hoofd zoo ver naar voren en beneden, dat hij bijna op den hals[411]van het paard ligt; hij zit rechtop, wanneer hij het paard, zooals meestal, stapvoets of in galop wil laten gaan. Hij knelt de teugels in de volle vuist; den aan den gordel gehechten knoet houdt hij vast met duim, wijs- en middelvinger. Dikwijls rolt hij uit het zadel, want hij slaat weinig acht op den weg en laat aan zijn paard over dien te zoeken; is hij opmerkzaam, dan berijdt hij onbeschroomd elken weg, waarop een eenhoevig dier in staat is zich te bewegen, evenals hij zonder bedenken het wildste en meest toomelooze ros bestijgt. Moeilijke wegen kent hij niet; een weg is voor hem zooveel als een afstand afleggen, en wat tusschen begin en eind daarvan ligt, gaat hem niet aan. Zoolang hij in het zadel is gezeten eischt hij van zijn rijdier het ongeloofelijke, springt in galop bergop en bergaf, over den vasten grond en door moeras, poel en water, klautert zonder duizelig te worden tegen hellingen op, die hij te voet niet zonder angst zou bestijgen, hellingen, welke ieder ander ruiter voor ontoegankelijk zou houden, en schouwt van uit het zadel rustig in den afgrond naast het geitenpad, door hem weg genoemd, en waarop een ervaren bergbeklimmer door huivering zou bevangen worden. Zoodra hij van zijn ros is gestegen, neemt hij daarentegen alle regels streng in acht, die de ondervinding hem als doelmatig voor een vermoeid paard heeft leeren kennen, en is nu even zorgzaam als hij straks onverbiddelijk was. Bij feestelijke gelegenheden verricht hij ten genoegen der nimmer ontbrekende toeschouwers allerlei kunststukken in het zadel, plaatst zich overeind in de daarboven gekruiste stijgbeugels, springt in staande houding er af, houdt zich met de handen aan het zadel of in de stijgbeugels vast, steekt de beenen in de lucht, hangt zich aan de eene zijde van het zadel op, en tracht het eene of andere voorwerp van den grond te beuren. Met de spiegelgevechten zijner Turksche broeders schijnt hij zich niet op te houden. Het hard rijden geldt hem als het grootste vermaak, en elke feestelijkheid wordt met een wedren opgeluisterd.

Aan zulke wedrennen, „Baika” wordt in den regel slechts deelgenomen door de edelste paarden en dan nog wel alleen door telgangers. De af te leggen wegen zijn zeer groot, nooit minder dan twintig, soms wel veertig kilometer lang; men rijdt naar een of ander bekend punt, b.v. een heuvel of grafteeken, en keert langs denzelfden weg terug. Knapen van zeven en acht, hoogstens tien jaren, zitten in het zadel en besturen de paarden met bewonderenswaardige behendigheid.[412]Den terugkeerenden paarden rijdt men langzaam te gemoet; de telganger, die de meeste kans op de overwinning heeft, ontvangt zekere hulp „goetoerma”, die daarin bestaat, dat men hem op zij rijdt en van het rijdende kind ontlast, daarna de teugels, stijgbeugels, manen en staart tracht te grijpen en hem tusschen de versche paarden meer naar het doel sleept, dan leidt. De prijzen, die uitgeloofd worden, bestaan uit zeer verschillende zaken, die evenwel allen in den prijs van paarden worden uitgedrukt. Twee- à drieduizend roebels zijn niet zeldzaam; rijke familiën loven soms honderd paarden uit. Ook jonge meisjes dienen voor prijs, in zooverre, dat de winnaar haar kan trouwen zonder den gewonen bruidsschat te betalen.

Terwijl de dingende paarden onderweg zijn, oefenen ook de menschen hun lichaamskrachten. Twee mannen ontdoen zich van hun opperkleed, ontblooten het bovenlijf en vangen aan met worstelen. De aanval heeft op zeer verschillende manieren plaats. Beide strijders grijpen elkander, buigen het lichaam diep en naar elkander toe, draaien in ’t rond, daarbij elkander scherp in ’t oog vattende, en pogen elken schijnaanval of werkelijk gemeenden aanval af te weren, tot plotseling een hunner van al zijn krachten gebruik makende den ander, zoo deze dit niet vooruit heeft gezien, ter aarde werpt. Anderen daarentegen gaan terstond tot den aanval over, maar vinden zulk een krachtigen tegenstand, dat beide mannen langen tijd moeten worstelen alvorens het een hunner gelukt zijn medestander te overwinnen. De toeschouwers vuren de worstelaars aan, deelen lof en berisping uit, prijzen en bespotten, gaan middelerwijl onderling weddingschappen aan en geraken te meer in vuur, naarmate de uitslag meer twijfelachtig is. Eindelijk ligt er een der partijen, door het geheele gezelschap uitgelachen, beschaamd en deemoedig, misschien wel tot in zijn binnenste vertoornd, ter aarde; een geschreeuw, uit aller kelen aangeheven, vervult de lucht; katoenen stoffen, al zijn het ook slechts niets beteekenende lappen, worden doorgescheurd en verdeeld om de weddingschap te vereffenen; verwijten wisselen af met betuigingen van instemming; de kampstrijd is geëindigd, zoo niet de overwonnene plotseling zijn toorn zoekt te luchten en nogmaals op zijn tegenstander aanvalt. Zonder geraas, getier en getwist eindigt zulk een wedstrijd nimmer, tot handtastelijkheden echter komt het evenmin.

JACHT MET DEN ADELAAR.JACHT MET DEN ADELAAR.

JACHT MET DEN ADELAAR.

Onder de ridderspelen der Kirgiezen bekleedt de jacht eene voorname plaats. De Kirgies volgt het spoor van den wolf met zulk een[413]vuur en zoo onvermoeid, dat hij de koude zelfs niet opmerkt, die des te eerder nadeelige gevolgen heeft naarmate hij zich door het rijden meer verhit, en niettegenstaande handen en aangezicht hem bevriezen, houdt hij, tenzij het paard hem daartoe dwingt, niet op, alvorens zijn knots op den kop des roofdiers neêrgeslingerd te hebben. Nog liever is hem echter de jacht met adelaar en windhond. Evenals zijn voorvaderen verstaat hij de kunst den arend te temmen en af te richten, trekt met dezen op de goed geschoeide hand, deze steunende op een houten, aan het zadel bevestigd getimmerte, naar gunstig gelegen,[414]en een ver uitzicht aanbiedende hoogten, opdat van hieruit zijn gezellen de steppe kunnen overzien. Deze jacht geldt zoowel den wolf als den vos, en zoolang de arend nog niet ten volle geoefend is, alleen den vos en de marmot. Eene bijzondere africhting is niet noodig; alles wat onderwezen en geleerd moet worden, bestaat hierin, dat de arend, die reeds op jongen leeftijd uit het nest werd genomen en door den jager persoonlijk is gevoed, op de roepstem zijns meesters terugkeert; de erfelijkheid doet het overige. Zoodra de jachtgenooten een vos hebben opgejaagd, neemt de jager den stootvogel de huif af, maakt hem los en werpt hem in de lucht. De arend breidt zijn vleugels uit, begint kringen te beschrijven, stijgt in schroeflijnen al hooger en hooger, bespeurt van hier den ijlings voortsnellenden, nagejaagden vos, vliegt dien na, stoot met half saamgevouwen vleugels en wijd naar voren uitgestrekte pooten schuin op hem neêr en slaat hem de klauwen in ’t lijf; de vos zijnerzijds draait woedend den kop om en poogt zijn vijand met de scherpe tanden te grijpen; gelukt zulks, dan is de arend reddeloos verloren. In bijna iederen dezer even sterke als moedige roofvogels leeft echter het overgeërfde gevoel van het dreigend gevaar, en eveneens de kunst, dit te ontgaan. Op hetzelfde oogenblik, dat de vos zal bijten, laat de arend zijn klauwen los om ze een oogenblik later in het aangezicht van zijn slachtoffer te slaan. Een vroolijke uitroep van den nu naderbij gekomen, geliefden meester schenkt nieuwen moed, en enkele oogenblikken later ligt de vos, door den jager geveld, ontzield op den grond. Meer dan één arend moet bij de eerste proeve zijn koenheid met het leven boeten, maar gelukt de eerste aanval, dan maakt de vogel zich weldra zulk eene bekwaamheid eigen, dat hij eerlang op den wolf kan geworpen worden. Tegenover dezen gedraagt hij zich, ofschoon dezelfde regels volgende, veel omzichtiger; reeds de meerdere grootte van het roofdier is hem een bewijs, dat hij met een veel gevaarlijker kameraad te doen heeft. Maar ook dezen leert hij meester te worden, en met zijn eigen glorie stijgt ook die zijns meesters—tevens zijn waarde. Een adelaar, die zich met den vos meet, kost van dertig tot veertig roebels, een die den wolf overwint wordt met het dubbele en driedubbele betaald, ingeval zijn meester hem verkoopen wil. Met twee arenden kan men niet jagen, daar de eene vogel dan den anderen hinderen zou; zij zijn namelijk dikwijls zoo jachtlustig, dat de jager zich verhinderd ziet zijne hulp te verleenen, en dikwijls laat de vogel, zonder met[415]geweld daartoe gedwongen te worden, zijn slachtoffer niet los.

Vereischt deze jacht reeds veel rijkunstvaardigheid, zulks is nog meer het geval wanneer de Kirgies met windhonden op antilopen jaagt. Als pijlen uit den boog schieten de langharige honden voort, zoodra zij het gezochte wild in het gezicht hebben gekregen, en over heg en steg jagen de ruiters hen na, tot zij samen het vluchtend wild hebben ingehaald. Wie bij zulk een wedren van ’t paard stort, oogst slechts spot en hoon, en den zandruiter voorbij stormt de wilde jacht.

Ook op de drijfjachten in het gebergte verlaten de Kirgiezen hun paarden niet. Een heerlijk gezicht leverde het Arkatgebergte op, toen de drijvers, die ons de wilde schapen onder het schot zouden brengen, hun halsbrekenden rit aanvingen. De eene ruiter na den andere verscheen of verdween, dan hier dan daar, op de hoogste toppen en in de diepe kloven, dalen en insnijdingen; nu eens teekenden zij zich scherp tegen de lucht af, dan weder verloren zij zich tusschen de rotsen, als het ware ineensmeltende met het gesteente der hellingen, Niemand steeg van zijn paard, geen hunner bezon zich ook maar een oogenblik, welken weg in te slaan; zij reden met meer gemak in het gebergte dan zij zich te voet zouden bewogen hebben.

De jager paart aan moed volharding. Niet alleen op den rug des paards, maar ook in het bekruipen en beloeren van het wild geeft hij blijk van eene bewonderenswaardige volharding. Dat hij dagen lang een spoor vervolgt, beteekent, zijn rijlust in aanmerking genomen, niet veel; met het lontgeweer, nog evenveel door hem gebruikt als het vuursteengeweer, in de hand, kruipt hij als een sluipende kat eene halve werst ver langs den grond, loert hij uren lang in storm en regen op een stuk wild, totdat dit onder bereik van zijn schietwapen is gekomen. Hij schiet nooit op grooten afstand en altijd legt hij de buks eerst op de daaraan bevestigde vork; maar hij mikt zeker en weet den kogel op de rechte plaats te doen treffen.

Even onvermoeid als hij is als ruiter, jager en herder, even ongaarne neemt de Kirgies andere bezigheden op zich. Wel bebouwt ook hij zijn akker, maar op eene hoogst ellendige wijze en nooit meer dan strikt noodzakelijk is. De arbeid in de kluiten is bij hem weinig eervol, evenals elk ander bedrijf, dat niet met de veeteelt en het herdersleven in verband staat. Hij verstaat uitnemend de kunst van bevloeiing, heeft een geoefend oog voor plaatskennis en weet, zonder meetwerktuig en waterpas te gebruiken precies, waar hij de waterleidingen[416]moet aanleggen; maar slechts zoolang hij een knaap is laat hij zich voor zulke werkzaamheden gewillig vinden; heeft hij echter eenmaal eigen bezittingen verworven, dan raakt hij spa noch schoffel meer aan. Nog minder lust gevoelt hij voor een handwerk. Hij weet het leder te bereiden, kan daaruit allerlei riem- en zadelwerk vervaardigen, weet dit met ijzeren en zilveren ornamenten te tooien, verstaat de kunst om messen en wapenen te smeden en in ’t algemeen alle hem noodzakelijk gereedschap te maken, maar nooit oefent hij zulke bezigheden voor zijn genoegen uit, wel steeds met tegenzin. Toch is hij geen lui en lichtzinnig werkman, maar vlijtig en vertrouwbaar, en wie zijn bekwame hand heeft gewonnen, heeft zelden reden ontevreden over hem te zijn.

JACHT DER KIRGIEZEN OP HET WILDE SCHAAP.JACHT DER KIRGIEZEN OP HET WILDE SCHAAP.

JACHT DER KIRGIEZEN OP HET WILDE SCHAAP.

Hooger dan lichamelijke arbeid staat geestelijke werkzaamheid bij hem aangeschreven. Zijn vlugge, opgewekte geest eischt bezigheid; hij houdt daarom niet enkel van luchthartige, maar ook van ernstige gesprekken, misschien ook daarom, dat zulks eenige afwisseling brengt in zijn vrij eentonig leven. Daarom redeneert hij gaarne met zijn stamgenooten, en wordt hij soms door zijn rederijkheid den vreemdeling eenigszins lastig. Met deze spraakzaamheid gaat eene weetgierigheid gepaard, die nu en dan ontaardt in nieuwsgierigheid, want de „roode tong” weet van geen vacantie. Wat de wind door de steppe draagt, neemt het lettend oor van den Kirgies op, en de „roode tong” kleedt het in woorden. Wordt ergens iets verhandeld, dat de Kirgies verstaan of niet verstaan kan, ik bedoel, wordt er in eene hem verstaanbare taal gesproken, dan schaamt hij zich geenszins tot aan de deur der Joerte door te dringen en het luisterend oor tegen den wand te drukken, om geen syllabe te verliezen. Eene gebeurtenis, die het alledaagsche maar een haartje te boven gaat, eene mededeeling, eene vertelling voor zich zelf te behouden, een geheim te bewaren, het is den Kirgies onmogelijk. Zwijgt dan het edele ros, op hetwelk hij door de steppe vliegt, wanneer het iets gewaar wordt, wat het belangstelling inboezemt, zwijgen geit en schaap, wanneer zij met soortgenooten samentreffen, of zwijgt deleeuwerikals hij zich boven den grond der steppe verheft? En de heer der steppe zou zwijgen? Nooit en nimmer! „Spreek, o spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij zwijgen.” Onvermoeid rolt de stroom van woorden over de lippen der Kirgiezen. Nooit rijden er twee mannen stom naast elkander, al duurt de reis een geheelen dag; onafgebroken hebben[417]zij met elkander te praten en elkander iets mede te deelen. Gewoonlijk is het niet genoeg dat er twee samen rijden; het moeten er drie of vier zijn, die gemeenschappelijk langs den weg trekken, zoolang deze dit samenrijden mogelijk maakt. Die manier van reizen is bij hen zoo gewoon, dat zelfs de paarden elkander zoo dicht mogelijk naderen en de Europeaan den teugel moet gebruiken om zulks te beletten. In eene met Kirgiezen gevulde Joerte heerscht een gegons als in een bijenkorf; ieder wil aan ’t woord, ieder doet zijn best dit woord alleen te hebben.

Een daaruit voortvloeiend gevolg is, dat de Kirgiezen hunne taal weten te gebruiken. Hierin schijnen allen gelijk te zijn, rijken en armen, voornamen en geringen, geletterden en ongeletterden. Hun toonrijke, welluidende, maar harde taal—gelijk men weet, slechts een dialekt van het Tataarsch—is vol uitdrukking. Ieder woord, zelfs de vreemdeling, die ze niet verstaat, voelt zulks, wordt geheel uitgesproken; op elke lettergreep valt de juiste klemtoon, zoodat men haast uit den klank kan opmaken, wat hetgeen zij zeggen beteekent. Men spreekt zeer levendig, de toon beantwoordt geheel aan den inhoud, de pauzen zijn juist afgemeten, zoodat het gesprek eenigszins afgebroken klinkt, alhoewel de woordenvloed geen enkel oogenblik hapert. De uitdrukking des gelaats zet aan de rede nog meer aanschouwelijkheid bij, en levendige gebaren verduidelijken verder den zin. Is er een onderwerp, dat hun bijzondere belangstelling inboezemt, dan geraken de sprekers in vuur, zoodat men een oogenblik vreest, dat er handtastelijkheden zullen volgen, maar ook het heftigste dispuut eindigt in vrede en eendracht.

Dat onder zulke lieden de bard geëerd wordt is te begrijpen. Ieder Kirgies, die in woordenrijkdom en welsprekendheid boven anderen uitmunt, staat in aanzien. Een zanger, een gelegenheidsdichter mag bij geen feest ontbreken. Zijn talent behoeft juist niet uitstekend te zijn; de rede moet slechts onafgebroken vloeien, zich voegen naar eene bepaalde, iedereen bekende versmaat—en men is dichter. Toch beschikt elke Kirgiesche bard over een niet geringen schat van dichterlijke gedachten, die hij gemakkelijk in woorden kleedt. Het herders- en nomadenleven, hoe eentonig dit ook moge verloopen, heeft zijn bekoorlijkheden, zijn toongevende snaren, die slechts behoeven aangeslagen te worden om in de harten der hoorders weêrklank te vinden. Een aantal sagen en overleveringen bieden voldoende stof om daarmede de gapingen in de gedachten aan te vullen, en zoo kan de rede van den[418]bard vloeien als een breede stroom, welks bronnen nimmer uitdrogen; hij heeft zich slechts te houden aan eene bepaalde versmaat om dichter te zijn en te blijven. Maar ook dit wordt hem gemakkelijk gemaakt, want elke bard begeleidt zijn woorden met den klank der driesnarige, Kirgiesche citer en verbindt de afzonderlijke regels door tusschenspelen, die net zoo lang duren als de nieuwe regel tijd behoefde om in den rechten vorm gegoten te worden. Hoe sneller, hoe vlugger zulks geschiedt, des te hooger stijgt de roem des zangers. En wordt de vrouwelijke borst in dichtvuur ontstoken, dan is zij het voorwerp der algemeene bewondering; waagt zij het zich met een man in de dichtkunst te meten en met hem hierin om den prijs te dingen, dan verheft de in geestdrift ontstoken menigte haar boven alle vrouwen der wereld.

Minder dan voor de dichtkunst is de wijde steppe bevorderlijk voor een geregeld onderwijs. Hieruit laat zich verklaren waarom zoo weinig Kirgiezen kunnen lezen en schrijven. Alleen voor de zonen der rijksten en voornaamsten is deze kunst weggelegd. In de twee door de Regeering gestichte scholen, teUstkamenogorsken te Saisan worden ook Kirgiesche knapen onderricht, in de eerstgenoemde stad zelfs uitsluitend, maar de werkzaamheid dier inrichtingen strekt zich niet tot het binnenste der steppe uit. Daar leert de knaap lezen en schrijven, indien het toeval wil, dat hij een Mollah ontmoet, die evenveel lust in het onderwijzen als de knaap in het leeren heeft. Ook dan evenwel blijft het onderwijs beperkt tot de allereerste kundigheden: het Arabische schrift te kunnen lezen en schrijven. De inhoud van het voornaamste, zoo niet eenige leerboek, den koran, blijft gewoonlijk zelfs voor den Mollah verborgen; hij leest de Soeren zonder deze te verstaan.

Ik heb slechts eenmaal een Kirgies ontmoet, die Arabisch kende, en dit was nog wel een sultan; alle anderen, die door hunne kennis der schrift boven hun stamgenooten verheven waren, en als trouwe belijders van den Islam geregeld de vijf voorgeschreven gebeden opzegden, verstonden in het gunstigste geval alleen den inhoud van de oproeping tot het gebed en de eerste Soere van den Koran; al wat zij meer opzegden, werd wel is waar uitgesproken met die plechtigheid en dien ernst, welke aan alle Mohammedanen eigen zijn, maar zonder dat zij er een woord van begrepen.

En toch ontving ik steeds een diepen indruk, wanneer te midden der onafzienbare steppe, waar geen minaret zich ten hemel verhief, een dezer lieden, die de heilige woorden kent, als Muddin of roeper optrad[419]en zijne stem voor het gebed verhief, terwijl de geloovigen in lange rijen achter denImamof voorbidder knielden, om hun voorhoofden al biddende tegen den grond te drukken, gelijk de wet van den profeet zulks voorschrijft.

Het bewustzijn van kracht en vaardigheid, de bedrevenheid in paardrijden en jagen, het dichterlijk talent en de opgewektheid van geest in ’t algemeen, het gevoel van zelfstandigheid en vrijheid, hetwelk de groote steppe in ’t leven roept, geeft aan het voorkomen van den Kirgies eene niet te loochenen waardigheid. Hij maakt dan ook op den onbevooroordeelden opmerker een zeer gunstigen indruk, die des te meer toeneemt naarmate men den steppenbewoner beter leert kennen. Zoo ging het mij, en zoo ook oordeelen de Russen, die jaren lang met de Kirgiezen hebben omgegaan, en zoo oordeelen vooral de Russische ambtenaren en vele reizigers, die onder hen verkeerden. Men zegt wel is waar te veel, wanneer men beweert, dat de Kirgies een groot aantal goede en zeer weinig slechte eigenschappen bezit, of zich althans in deze richting doet kennen. Opgewekt van geest, verstandig, levendig, zoo lang het de gewone zaken betreft, goedaardig, dienstvaardig, tot helpen bereid, welgemanierd en voorkomend, gastvrij en barmhartig, is hij in zijne soort een voortreffelijk mensch, wiens schaduwzijden men te eerder over het hoofd ziet naarmate men hem meer onbevangen beschouwt. Hij is beleefd; zonder kruipend te zijn, hij behandelt zijn meerdere met achting, en toch niet als een slaaf, is jegens zijn minderen vriendelijk, maar niet geringschattend. Op tot hem gerichte vragen antwoordt hij eerst na eenig nadenken, maar dan rustig en duidelijk, terwijl zijn scherp betoonde manier van spreken aan zijn antwoord het merkteeken van zekerheid schenkt. Hij is gedienstig in alle opzichten, maar is dit meer uit eerzucht dan uit hoop op winst, meer om lof en bijval dan om geld en goed te verwerven. De gemeentebestuurder Tamar Bey Metikoff, die bijna eene maand lang ons uit beleefdheid vergezelde, was de hoffelijkste, voorkomendste man onder de zon, altijd bereid ieder onzer wenschen te vervullen, onvermoeid in het bewijzen van diensten en beleefdheden, en zulks alleen in de hoop om hiermede onze tevredenheid en die van den Gouverneur-Generaal te winnen. Hij gaf ons zulks met ronde woorden te kennen, toen wij hem geschenken wilden opdringen.

Met zulk eene eergierigheid is het feit in overeenstemming, dat de voorname man zich verheft op familie en afkomst, zich beroemt op[420]zijn voorouders en tevens zijn stamboom laat opklimmen tot Chingis-Chan, dat hij slechts in zijn stand trouwt, geen vlekje op zijn eer duldt, en geen eerroof vergeeft. Daarmede in overeenstemming is verder nog zekere ijdelheid, die men bij den Kirgies niet zou verwachten. Niet alleen aanzien en rijkdom, waardigheid en rang, maar zelfs jeugd en schoonheid zijn in zijn oogen gaven, die hij op hoogen prijs stelt. Doch hij onderscheidt zich in ’t oogloopend van de saletjonkers te onzent, doordien hij nooit tot een fat wordt. Hij prijst openlijk en onbeschroomd de hem door lot of natuur toebedeelde gaven; deze lof gaat hem echter natuurlijk af en wordt niet misvormd door voorgewende bescheidenheid. Zoo ver zijn middelen hem dit veroorloven kleedt hij zich rijk, versiert mantel en broek met tressen, de pelsmuts met uilenveeren—een fat echter wordt hij nooit. Dat de vrouwen nog meer dan de mannen haar bekoorlijkheden in het helderste daglicht trachten te plaatsen spreekt vanzelf; en daarom heeft het mij dan ook volstrekt niet verwonderd, dat zij met het sap van zekeren wortel de wangen met een teeder, waasachtig, zeer duurzaam rood bestrijken, m.a.w. zich blanketten.

In overeenstemming met zijn zucht om te behagen, schikt de Kirgies zich gewillig in de zeden en gebruiken van zijn volk. Zijn beschaving en goede manieren legt hij hoofdzakelijk aan den dag door zijne uit overoude tijden stammende, door den Islam evenwel zeer gewijzigde gebruiken streng na te komen. Zulks geeft aanleiding tot vormelijkheid en plichtplegerij in het dagelijksch verkeer, maar werpt tevens een dam op tegen verwaandheid en onbeleefdheid, en verbant de lompheid uit de samenleving; ieder weet hoe hij zich te gedragen heeft om geen aanstoot te geven, of ook maar slechts in de geringste mate op eene minder aangename wijze in het oog te loopen.

Reeds de wederkeerige begroeting geschiedt op een vormelijke, door allen in acht genomen en dus nauwkeurig bepaalde wijze. Wanneer twee Kirgiesche ruiterbenden elkander ontmoeten, verloopt er geruimen tijd alvorens het compliment is gewisseld. Gelijktijdig leggen zij de rechterhand op elkanders hartstreek, de linker op elkanders rechterhand, terwijl daarna beide personen hunne rechterhand terugtrekken om deze met de linker te vereenigen, zoodat nu alle vier handen in elkander rusten. Terwijl zij dus elkander aanraken spreken beiden het Arabische woord „Amán” (vrede) uit; vóór de omarming hadden zij den groet aller Mohamedanen elkander toegeroepen: „Salám alëik” of „alëikoem”[421](Heil zij met u of ulieden), ook wel „Alëikoem el salám.” Op deze wijze begroeten zij elkander wederkeerig; de beide troepen vormen twee rijen en de eene persoon na den ander loopt, ten einde de nu nog geketende „roode tong” zoo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen, snel de rij af. Een korte wijze van begroeting, die echter slechts in zwang is, wanneer de schare zeer groot is, bestaat daarin, dat men de handen naar elkander uitstrekt en deze tegen elkander slaat.

Leggen de Kirgiezen wederzijdsche bezoeken in de Aul af, dan heeft er vóór de begroeting nog een andere plechtigheid plaats. Zoodra de joerte in ’t gezicht is gekomen houden de bezoekers hun paarden in, laten ze stapvoets voortgaan en eindelijk stilstaan. Nu gaat men hen van uit de Aul tegemoet; de gasten worden verwelkomd en naar de joerte gebracht, die intusschen door de vrouwen met de kostbaarste tapijten is belegd. Vreemde, in de Aul nog onbekende gasten, moeten zich vóór de begroeting aan een kort verhoor, waarin naar naam, stand en afkomst gevraagd wordt, onderwerpen. Altijd evenwel worden zij ontvangen en gastvrij onthaald, want gastvrijheid, een karaktertrek der Kirgiezen, oefenen zij jegens iedereen uit, onverschillig van welk geloof hij moge zijn, of tot welken stand hij moge behooren; voorname lieden evenwel genieten eenige onderscheiding. De gast treedt de joerte met de gewone begroeting binnen, trekt bij de deur zijn schoenen uit, en zet zich, wanneer hij van gelijken stand is, als ware hij de eigenaar, op de eereplaats neêr. De mindere houdt zich tegenover den meerdere bescheiden terug, en laat zich in knielende houding op het tapijt neder.

Ter eere van een aanzienlijken gast laat de heer der joerte een schaap slachten, dat echter vooraf in de joerte wordt gebracht om het door den gast te laten zegenen. Alle geburen komen opdagen om aan den lekkeren maaltijd deel te nemen. De kop en borst van den ram worden aan het spit gebraden, de kleinere vleeschstukken, kruis, ribben, schouderbladen enz. in den ketel gekookt, en als zij gaar zijn, in eene kom voor den gast geplaatst. Deze wascht zich de handen, snijdt het vleesch van de beenen, doopt het in het sterk gezouten nat, en zegt tot den inmiddels nog niet gezeten gastheer: „eerst door den gastheer erlangt het vleesch smaak; ga zitten.” De gastheer antwoordt: „ik dank u zeer, eet!” maar voldoet nog niet aan het verlangen van zijn gast. Deze snijdt nu een stuk van de valsche ribben af, roept den[422]gastheer bij zich, en steekt dien het vleesch in den mond; daarop snijdt hij een tweede stuk af, legt dit in een kom en reikt het der gastvrouw. Nu zet de heer der joerte zich aan de zijde van zijn bezoeker neêr; de laatste blijft evenwel de spijzen onder de aanzittenden uitdeelen. De gast snijdt het vleesch in stukken, vermengt elk stuk met vet, doopt telkens drie stukken tegelijk in het vleeschnat en steekt ze daarna, telkens deze drie stukken tegelijk, iederen dischgenoot in den mond. Het zou eene beleediging zijn voor den gever, indien de ontvanger der gift deze niet dadelijk verorberde, al mocht hij ook, als de stukken wat groot zijn uitgevallen, erg veel moeite hebben om ze naar binnen te zenden, zoo erg soms dat het gezicht er rood en paars van wordt, en de eene buurman den ander te hulp moet komen; om het slikken te bevorderen, klopt men elkander op den rug. Daarentegen mag de uitdeeler ook niet meer dan drie stukken tegelijk reiken, want overschrijdt hij dit getal, en stopt hij iemand b.v. vijf stukken tegelijk in den mond, zoodat de ontvanger, die veroordeeld is die hoeveelheid zoo schielijk mogelijk in eens door te zwelgen, stikt, dan moet zulks met honderd paarden, uit te betalen aan de familie des geworgden, gezoend worden, terwijl men daarentegen van de boete wordt vrijgesteld, zoo het slachtoffer aan het officieele getal bezwijkt. Is het vleesch genoten dan laat de gast de schaal met vleeschnat rondgaan, waarvan ieder zooveel drinkt als hem lust. Tot besluit van den maaltijd wordt, nadat ieder der aanwezigen zich eerst de handen heeft gereinigd, althans voor elken welgestelden gastheer, en in geval de merries nog melk geven, koemys gepresenteerd; zulks geschiedt te allen tijde met een zekere deftigheid, geëvenredigd aan den eerbied, dien men aan dezen lievelingsdrank der Kirgiezen verschuldigd is. Wie tot nu toe niet aan den maaltijd deel nam, snelt toe om zich aan den nektar te laven. Men drinkt zich een halven roes; want de Kirgies is op het stuk van drinken, waar het zijn dierbaren melkwijn geldt, even sterk als in het eten, en te dien opzichte zoo min bescheiden als matig.

Nog veel omslachtiger dan bij een eenvoudig bezoek zijn de gebruiken, die in acht worden genomen bij belangrijke huiselijke omstandigheden, zooals bruiloften en begrafenissen. Bij de eerste vergezelt de scherts de vreugde, bij de laatste paart zich eerbied voor de dooden aan den rouw.

Vrijage en bruiloft, begrafenis en herinneringsdagen aan de dooden gewijd, geven aanleiding tot eene aaneenschakeling van feestelijkheden.[423]

Gelijk bij alle Mohammedanen het geval is, doet de vader voor den zoon aanzoek om de hand van een meisje, en gelijk bij alle belijders van den Islam gebruik is, betaalt hij aan den aanstaanden schoonvader een bruidsgift van zeer verschillende, soms aanmerkelijke waarde. Iemand, die uitgezonden wordt om de hand van een meisje te gaan vragen, is kenbaar aan de broekspijpen, waarvan een boven, de andere in de laars wordt gestoken; hij verschijnt in de joerte, alwaar het huwbare meisje zich bevindt, en draagt uit naam van den vader des trouwlustigen jongelings het aanzoek voor. Is de vader van ’t meisje daarmede ingenomen, dan verlangt hij het groote bezoek; hij wenscht n.l. den lastgever zelf, de oudsten der gemeente, en de voornaamsten uit diens Aul te spreken om met hen de onderhandelingen te gaan voeren. Deze verschijnen, en laten naar gebruik, voor de Aul hunne rossen stilhouden. Een afgezant van den vader der bruid reist hun tegemoet, begroet hen plechtig en naar den vorm, en geleidt hen naar de feestelijk getooide joerte, alwaar zij met koemys ontvangen worden. Een bard verschijnt om de samenkomst op te luisteren, en heft zijn gezang aan. Rijke bijvalsbetuigingen en prachtige beloften prikkelen des zangers ijver. Men prijst de diepte zijner gedachten, de eenheid zijner voordracht; men belooft hem een paard, een jamba of vier pond ongemunt zilver. De huisheer wijst dit alles van de hand, want hij alleen heeft het recht den zanger te beloonen; de gasten evenwel laten hunne voornemens niet varen, en beloven met vernieuwden aandrang, want te goed weten ze dat de gastheer hun de vervulling hunner beloften niet zal toestaan. Nadat de zanger geëindigd heeft, begint zich een levendig onderhoud tusschen de aanwezigen te ontspinnen, men spreekt over allerlei zaken, alleen niet over het onderwerp, dat allen bijeenbracht. Het uur van scheiden breekt aan en men rijdt naar huis.

Den volgenden morgen beantwoordt de vader der bruid met zijn gevolg het bezoek en wordt door den vader des bruidegoms op gelijke wijze begroet en onthaald; nu geeft de eerste zijn wensch te kennen de moeder des jongelings te zien. Men gaat gezamenlijk naar de joerte der huisvrouw en begroet deze op even plechtige als hoffelijke wijze. Meteen draagt de vader des bruidegoms een schaapsborst op, snijdt er stukken voor de gasten af en vergezelt het ontleden van het meest geachte deel des schaaps met de woorden: „Deze schaapsborst zij mij ten pand, dat onze voornemens een goeden afloop zullen hebben,” reikt daarop zijn gasten de lekkere beten toe en opent daarmede de onderhandelingen[424]over het bedrag van den „kalum” of de bruidsgift. Als eenheid van prijs geldt eene merrie van drie tot vijf jaar; een telganger of een kameel wordt gelijk gesteld met vijf merries; zes of zeven schapen of geiten hebben de waarde van ééne merrie.

De vader der bruid verlangt als gift 77 merries, laat zich evenwel afdingen, en gaat, al naar zijn eigen vermogen en dat van den anderen schoonvader groot is, tot 57, dan tot 47, 37, 27 terug, en zijn beiden onbemiddeld dan nog verder, totdat men het eens is geworden. Zijn de onderhandelingen afgeloopen, dan verklaart de vader der bruid de verloving voor beklonken, gaat opstaan om huiswaarts te keeren en laat een geschenk in of aan den ingang der joerte achter. De vader des bruidegoms zendt echter, zoo hij kan, te gelijk met den vertrekkenden zwager de helft van den kalum naar diens joerte, om ook de rest zoo spoedig doenlijk af te betalen.

Veertien dagen na de betaling mag de bruidegom voor ’t eerst zijne bruid bezoeken. Onder een zoo sterk mogelijk geleide van met hem bevriende jongelingen van gelijken leeftijd, aan wier hoofd een met alle gebruiken bekend en ouder familielid staat, breekt hij op, rijdt tot in de nabijheid van de Aul zijner bruid, stijgt van ’t paard, slaat eene kleine tent op en kruipt hierin, of verbergt zich op eene andere wijze. Zijn metgezellen echter trekken verder, begeven zich nadat de plechtige begroeting is afgeloopen in de Aul en verdeelen onder vroolijke scherts allerlei kleine geschenken, zooals ringen, halsbanden, lekkernijen, linten en bontgekleurde stoffen onder de hen omringende vrouwen en kinderen. Gezamenlijk met jongelingen en jonge dochters van gelijken leeftijd betreden zij nu de feestjoerte. De gastheer biedt spijs en drank, eerst een schaapsbout, die hij met de reeds vermelde woorden in stukken snijdt, dan „Meibaur” in vet gebraden, kleine stukjes lever, hart en nieren, plaatst het gerecht voor den straks vermelden ouden vriend en deze handelt er mede naar gebruik en zede; zoodra hij den jongeling, dien hij met de eerste bete bedenkt deze in den mond heeft geduwd, bestrijkt hij hem tevens het aangezicht met het vette vleeschnat. Hiermede is het sein gegeven, dat men met vroolijkheid en scherts kan aanvangen, en jongelingen, jonge dochters en jonge vrouwen nemen daaraan om strijd deel. Een zeer geliefkoosde aardigheid der meisjes bestaat daarin dat zij de kleederen der jongemannen vlug aan de tapijten, waarop zij gezeten zijn, vast naaien.[425]

Na den maaltijd mogen de jeugdige gasten een weinig rusten, maar zulks alleen om hun tijd tot overdenking te geven. De meisjes en vrouwen noodigen alsnu de jongelingen uit tot een zangerswedstrijd, wijzen hun de eereplaatsen aan, en zetten zich zelven daar tegenover; een harer begint. Is de door haar toegezongen jongeling niet slagvaardig, dan vergaat het hem slecht. Onder stooten en knijpen valt de jolige schaar op hem aan, verdrijft hem uit de joerte en leveren hem over aan de jonge mannen van de Aul, die voor de joerte reeds op zulke slachtoffers wachten. Een vat water wordt over dien beklagenswaardigen stumper uitgestort, waarna men hem druipend nat en beschaamd, naar de joerte terugdrijft, alwaar hij voor de tweede maal op gelijke proef wordt gesteld. En als hij ook nu in deze te kort schiet, wordt hij tot straf in vrouwenkleeren gestoken en aan de kaak gesteld. Wee hem, indien hij zich gebelgd toont; hij zou een slechten dag hebben. Heden zwaait de scherts haar scepter en zij duldt geen brompot. Wie het best tegen den strijd is opgewassen, is de held van den dag; die dit niet is, wordt tot algemeen offerlam.

Gedurende dit spel zit de bruid onder een gordijn achter in de joerte, voor ieders blik verborgen. Van deze omstandigheid maken nu de jonge lieden der Aul gebruik om de bruid te stelen, d.w.z. terwijl de zangerswedstrijd alle vrienden van den bruidegom bezig houdt, dringen zij tot de jonge dame door, voeren haar naar buiten door eene tusschen de vilten omkleedsels der joerte aangebrachte opening, tillen haar op een paard en brengen de volstrekt niet tegenspartelende bruid naar de joerte van een bloedverwant om haar in handen te stellen van de daar reeds wachtende oudere vrouwen. Is de roof gelukt, dan spoort de roover de jongelingen aan om de bruid te gaan zoeken en uit de handen der vrouwen te verlossen. Fluks breekt het geheele gezelschap op en verzoekt de bewaaksters hun de gestolene weder terug te geven. Hoe sierlijk de woorden ook mogen ingekleed worden, het verzoek wordt afgeslagen. In de gedeeltelijk opengeslagen joerte zit de bruid, zichtbaar voor aller oogen; geweld zou niet baten en daarom beginnen de jongelingen vriendschappelijk te onderhandelen. De vrouwen verlangen negen verschillende gerechten, door de jongelingen zelven te bereiden, maar stemmen er ten laatste in toe, in plaats van met spijzen, zich met geschenken tevreden te stellen; zij leveren nu de bruid eindelijk uit, op voorwaarde, dat deze naar de joerte haars vaders teruggebracht zal worden.[426]

Inmiddels zit de bruidegom in zijn tent te wachten. Geheel alleen was hij echter niet, want eenige jonge dames zijn hem, zoodra zijn gezellen verschenen, gaan zoeken, en zij hebben hem natuurlijk ook gevonden; zij werden begroet met het eerbiedige „Taschim.” De jongeling heeft zoo diep voor hen gebogen dat hij met de vingertoppen den grond aanraakte; daarna heeft hij zich langzaam opgericht, de handen langs het scheenbeen latende glijden, totdat hij zich in zijn volle lengte had opgeheven; de vrouwen hadden deze hulde aangenomen, hem gezelschap gehouden, spijs en dank gereikt, hem met scherts den tijd verkort, maar niet toegestaan dat hij de tent verliet. Eerst na lang smeeken en niet vóór de zon is ondergegaan, ontving hij verlof, in de Aul en voor de joerte der bruid een liedje te zingen. Hij bestijgt zijn paard, rijdt de Aul binnen, begroet de bewoners met gezang, wendt zich naar de joerte der uitverkorene en klaagt in een zelf uitgedacht, of van een ander overgenomen lied zijn verlangen, zijn leed:

„Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer,Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet.Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring,Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet.„Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelenTer ruste men snoert aan de bindende lijn,Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven,Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn.„Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen,Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust,De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen,De vreugde des harten, vertrouwen en rust.„Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken,Als ware ik dorstig en droog mij de mond.Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren,Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond.„En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen,Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn,Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden,Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.”

„Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer,Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet.Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring,Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet.

„Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer,

Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet.

Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring,

Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet.

„Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelenTer ruste men snoert aan de bindende lijn,Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven,Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn.

„Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelen

Ter ruste men snoert aan de bindende lijn,

Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven,

Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn.

„Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen,Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust,De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen,De vreugde des harten, vertrouwen en rust.

„Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen,

Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust,

De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen,

De vreugde des harten, vertrouwen en rust.

„Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken,Als ware ik dorstig en droog mij de mond.Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren,Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond.

„Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken,

Als ware ik dorstig en droog mij de mond.

Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren,

Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond.

„En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen,Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn,Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden,Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.”

„En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen,

Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn,

Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden,

Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.”

Zonder de joerte te betreden, keert hij weêr naar zijne tent terug.[427]Daar verschijnt hem eene oude vrouw, die belooft hem naar zijne bruid te geleiden, als hij haar een geschenk wil vereeren. Mild opent zich des bruigoms hand en beiden begeven zich op weg. Maar ongehinderd bereiken zij de joerte niet. Eene andere vrouw legt den gaffel, waarmede men den koepelring der joerte omhoog hijscht, dwars over den weg; zulk een slagboom over te springen zou een slecht voorteeken zijn, want wie den gaffel heeftneêrgelegdmoet dien ook weêr wegnemen. Een nieuw geschenk verwijdert ook dezen hinderpaal, maar weinig schreden verder ligt een tweede, en daarover heen eene schijnbaar doode vrouw; een nieuw geschenk wekt de doode weêr in ’t leven en ruimt het beletsel op; nu is de weg naar de joerte vrij. Daar staat evenwel eene gedaante, die een geluid laat hooren als het brommen van een hond. Zal men kunnen zeggen, dat een hond op een bruidegom heeft gebromd? Dat nooit! Een nieuw geschenk sluit den brommenden mond en de veel beproefde komt eindelijk bij de joerte aan. Hier houden twee vrouwen de deur dicht, maar ook de deur bezwijkt voor een geschenk; binnen in de joerte houden twee vrouwen het gordijn vast; op het bruidsleger rust echter eene jongere zuster der bruid; hij bevrijdt zich van allen, de joerte is ledig; de „oude” legt de handen des bruidegoms in die der bruid, en verwijdert zich eveneens; eindelijk, eindelijk zijn beiden samen,—en alleen.

Onder opzicht van den behulpzamen oude „Djenke” genaamd, bezoekt de bruidegom herhaalde malen zijne bruid, zonder zich nog voor te stellen aan de ouders van het meisje. Eerst moet de kalum geheel betaald zijn.

Nu wordt de persoon die vroeger werd uitgezonden om het aanzoek te doen, weder naar den vader der bruid afgevaardigd om dezen te vragen of het nu geoorloofd is het meisje naar de joerte van haar echtgenoot te brengen. De vraag wordt toestemmend beantwoord, en de bruigom gaat wederom met groot gevolg en geschenken naar de Aul, slaat weder zijn tent op een behoorlijken afstand op, ontvangt hierin nogmaals het bezoek van vrouwen, brengt alleen den nacht er in door, en zendt van hier den volgenden morgen alle voor eene joerte benoodigde en door hem te leveren houtstukken naar de Aul. Alle bewoonsters der Aul verzamelen zich hierom heen, ten einde de vilten stoffen, die de bruid moet geven, aaneen te naaien, voor zoover dit noodig is, en nu begint men met het opstellen der joerte. De meest geachte vrouw van de Aul mag den koepelring omhoog brengen en[428]houdt dien vast, totdat de sparren daarin zijn gestoken; de andere vrouwen houden zich gezamenlijk onledig met den verderen opbouw en de bekleeding. Ondertusschen komt de bruidegom ter plaatse; nu geleidt men ook de bruid herwaarts en noodigt beiden uit van verschillende zijden de nieuwe woning te naderen om het groote vraagstuk op te lossen, wie de heerschappij in de joerte zal voeren? Zij zal het deel worden van hem, die de joerte het eerst bereikt.

Een schaap, door den bruigom medegebracht wordt geslacht; de maaltijd wordt aangericht en deze zal in de nieuwe joerte plaats hebben. Onder den maaltijd wikkelt de jonge joerteheer een stuk wit laken om een been en werpt dit, zonder naar boven te zien, door de opening van het koepeldak naar buiten. Gelukt deze worp, dan is zulks een goed teeken; de rook zal dan uit deze joerte regelrecht omhoog stijgen, wat geluk voorspelt voor de bewoners der tent.

Na het welkomstmaal begeven zich de gasten naar de joerte van den vader der bruid, alwaar hun een tweede maaltijd wacht. De moeder der bruid evenwel discht de spijzen op voor de jongelieden, die in de nieuwe joerte achterbleven; mild en overvloedig moet zij geven, anders zou het jonge volkje de tent boven de hoofden der aanzittenden afbreken, en tot straf voor die karigheid, de afzonderlijke deelen van het lichte gebouw naar alle richtingen in de wijde steppe werpen. Zelfs de rijk gevulde schotel is voor den overmoed der uitgelaten bruiloftsgasten niet veilig; de een rukt ze uit de handen der gastvrouw en rijdt er mede weg; anderen trachten hem den buit weder afhandig te maken en deze plagerijen duren net zoo lang totdat men begint te vreezen, dat het gerecht koud zal worden.

Den volgenden morgen wenscht de vader der bruid voor ’t eerst den bruidegom te zien, noodigt dezen in zijne joerte, begroet hem hartelijk, roemt zijn voorkomen en talenten, wenscht hem geluk met zijn huwelijk, en stelt hem ten slotte allerlei geschenken ter hand, de gift als het ware der bruid. Dit geschiedt ten aanschouwe van alle bruiloftsgasten, die reeds vóór den bruidegom zich in de joerte verzameld hadden. Nu ook komt de rijk getooide bruid binnen. Bevindt zich in de Aul een Mollah, of is er gelegenheid zulk een persoon te halen, dan spreekt deze den zegen over het jonge paar uit.

Nu wordt der bruid het scheidingslied, „Dschar, dschar” toegezongen; zij beantwoordt elk vers met tranen in de oogen, elke strophe met eene klacht.[429]

SPELEN BIJ EENE KIRGIESCHE BRUILOFT.SPELEN BIJ EENE KIRGIESCHE BRUILOFT.

SPELEN BIJ EENE KIRGIESCHE BRUILOFT.

Het beurtgezang verstomt; kameelen worden voorgebracht om de joerte en alle bruidsgeschenken te dragen; sierlijk opgetuigde paarden om de bruid en hare moeder naar de Aul des bruidegoms te brengen. De jeugdige echtgenoot rijdt aan het hoofd van den bruiloftsstoet, spoort met zijn speelgenooten de kameelen tot spoed aan, om tijd te winnen ten einde de joerte onder dezelfde plichtplegingen, als bij het opbouwen in acht werden genomen, in de Aul, waar hij verblijf houdt, op te stellen. De bruid evenwel, na onder het storten van tranen afscheid te[430]hebben genomen van haar vader, bloedverwanten, vriendinnen, van de joerte, als ook van de kudden, rijdt, geheel verborgen onder een om haar heen geslagen en door de ruiters gedragen gordijn voort, totdat zij de joerte bereikt heeft, waarin zij voortaan als meesteres zal heerschen. De vader des bruidegoms, die intusschen de gift der bruid heeft bekeken, en geprezen of gelaakt, roept haar heel spoedig na de aankomst in zijne tent; zij betreedt deze met drie buigingen, zoo diep, dat zij met de handen op de knieën moet steunen, daarmede aanduidende, dat zij even onderdanig zal zijn aan hare schoonouders als aan haar heer en gebieder. Haar gelaat blijft nog altijd gesluierd, en zal dit voortaan blijven voor den vader en de broeders van haar gemaal, en een jaar lang voor iederen vreemdeling. Later omsluiert zij zich nog alléén voor den oudsten broeder haars echtgenoots; voor niemand anders. Voor genoemden evenwel slechts omdat deze haar moet huwen, ingeval haar eigen man sterft; nu mag zij bij haar schoonbroeder geen booze lusten opwekken of voeden.

Bij een tweede huwelijk doet de Kirgies persoonlijk aanzoek en dit geschiedt zonder daarbij bijzondere vormen in acht te nemen. Huwt hij nog bij het leven zijner eerste vrouw eene tweede, en laat hij deze met de andere in dezelfde joerte wonen, gelijk zulks meestal bij niet zeer rijke lieden het geval is, dan heeft de tweede uitverkorene een zeer beklagenswaardig lot. De eerste vrouw handhaaft haar rechten, wijst aan de tweede eene bepaalde plaats in de joerte aan en legt zelfs den heer der tent in zijn huwelijksrechten aan banden. De vrouw staat bij de Kirgiezen in hooge achting. „Wij waardeeren onze vrouwen zooals wij een telganger waardeeren; beide zijn niet te betalen,” zoo verzekerde mij eens mijn vriend, de Kirgies Altibei. De mannen scheiden zich zelden van hunne vrouwen, en nog zeldzamer ontloopen de laatsten haar echtgenooten. Ook in de steppe evenwel verbreekt de liefde soms de perken, welke zede en gebruik gesteld hadden. Schaking komt insgelijks voor en wordt zelfs voor geen schande gehouden; een meisje te rooven, wier vader te hooge eischen stelt, verstrekt roover en geroofde, in veler oogen althans, meer tot eer dan tot blaam.

Het pasgeboren kind wordt bij de Kirgiezen onmiddellijk nadat het het levenslicht aanschouwde, en zoo ook nog de eerste veertig dagen na de geboorte, in sterk zout water gebaad, maar na verloop van dien tijd zelfs niet meer gewasschen. Aanvankelijk legt men den zuigeling in een bedje vol fluweelzachte kameelswol, zoodat het wicht geheel[431]in dit dons gehuld is en zelfs in den strengsten winter geen koû zou kunnen vatten; later trekt men het een wollen hemdje aan, hetwelk de moeder om de drie dagen een poosje boven het vuur houdt ten einde het van de parasieten te zuiveren, die in de woningen van alle Kirgiezen voorkomen. Dat hemd met een ander te verwisselen, daaraan denkt men niet. Het wordt eerst dan vervangen, wanneer het bijna uiteenvalt. In den winter trekt de trouwe moeder het ook nog kousjes aan, en zoodra het kindje kan loopen, steekt men het in de kleeren der volwassenen.

Vader en moeder beide houden ongemeen veel van hun kroost; zij behandelen hun kinderen met de grootste teerheid en slaan ze nooit; zij hebben echter de slechte gewoonte om hun, zoodra zij kunnen spreken, allerlei leelijke en onvoegzame woorden te leeren, die, door de onschuldige lippen van het kind nagezegd, eene algemeene vroolijkheid opwekken. De ouderdom van het kind wordt naar den naam van een of ander dier benoemd; het kind kan b.v. een muis oud zijn, of eene marmot, of een schaap of een paard. Op zijn vierde jaar zet men het voor de eerste maal op den rug van een even oud paard, dat prachtig opgetuigd en met een in de familie erfelijk zadel belegd wordt. De gelukkige ouders beloven aan den voor de eerste maal de moederarmen ontloopen, zelfstandig optredenden kleinen ruiter allerlei mooie dingen, roepen daarop een bediende of een gewillig vriend, stellen paard en ruiter in diens handen en dragen hem op den kleinen man van de eene bevriende joerte naar de andere te geleiden. Overal waar het knaapje aankomt wordt hij vriendelijk begroet, met loftuitingen overladen, terwijl hij tevens allerlei lekkernijen ontvangt. Een feest in de ouderlijke joerte bekroont den in aller oogen gewichtigen dag.

Met het zevende jaar vangt het onderwijs aan, dat zich bepaalt tot al datgene, wat hij of zij te weten noodig heeft. Inmiddels tot een bedreven ruiter opgegroeid, leert de knaap met het vee omgaan, het meisje leert melken en verdere huiselijke bezigheden verrichten; de zoons van voorname lieden worden door een Mollah of een ander, der zake kundig man, in het lezen en schrijven onderwezen, later in de leer van den koran. Reeds vóór zijn twaalfde jaar wordt de school voor hen gesloten en is de knaap rijp voor het praktische leven.

Meer nog dan de levenden eert de Kirgies zijn dooden. Elke familie is tot de grootste offers bereid om voor een hun door den dood ontrukt familielid een groot lijk- of gedenkfeest aan te richten; ieder, ook[432]de armste, wenscht het graf zijner lieve dooden te sieren zoo veel hij kan, en een iegelijk acht het zich als de grootste schande eenen doode in ’t algemeen niet alle mogelijke eer te bewijzen. Zulks is onder de Mohammedanen een algemeen gebruik, maar de plechtigheden, die bij de Kirgiezen het sterven en de begrafenis vergezellen, wijken zoo van die der andere geloovigen af dat zij eene nadere bespreking vereischen.

Wanneer een Kirgies den dood voelt naderen laat hij zijn vrienden roepen, opdat deze zijne ziel in het paradijs helpen brengen. Vrome Kirgiezen laten zich op hun sterfbed uit den koran voorlezen, al verstaan zij ook niets van de beteekenis der woorden. Naar het gebruik der geloovigen verzamelen zich de vrienden om het sterfbed van den geloofsgenoot en roepen hem het eerste gedeelte van de belijdenis der aanhangers van den profeet: „Er is slechts één God” zoo dikwijls toe, tot hij het tweede gedeelte uitspreekt: „en Mohammed is zijn profeet.” Zoodra deze woorden de lippen van den stervende ontvlieden, opent Moenkir, de Engel der beproeving, de poorten van het paradijs en nu roepen allen uit: „El hamdu lillahi”—de Heer zij geprezen.

Zoodra de eigenaar eener joerte voor altijd zijn oogen gesloten heeft, zendt men naar alle richtingen boden uit om de gebeurtenis aan de vrienden en bloedverwanten bekend te maken; deze boden reizen, al naar aanzien en rang van den overledene, twintig tot honderd werst ver de steppe in, van Aul tot Aul, terwijl een der bloedverwanten, die hier woont, de tijding aan anderen in dezelfde Aul mededeelt. Ondertusschen wordt het lijk gewasschen en in het „doodshemd” gehuld, dat ieder Kirgies reeds bij zijn leven gereed had en onder zijn kostbaarheden bewaarde. Nadat men zich van dezen plicht gekweten heeft draagt men het lijk uit de joerte en legt het op een middelerwijl half uitgeslagen hekwerk. De Mollah wordt ontboden, en als deze verschijnt, zegent hij den doode; nu beurt men het hek met het lijk op, laadt een en ander op den rug eens kameels, en trekt onder geleide der inmiddels aangekomen naastbijwonende bloedverwanten naar den doodenakker.

Terstond na het overlijden heffen de vrouwen den lijkzang aan. De naaste bloedverwant begint en spreekt den rouw van haar hart in meer of minder diepgevoelde woorden uit; de anderen vallen op het einde van elken zin of elken versregel gelijktijdig in en ieder kleedt zijn gedachte op hare wijs in woorden. De klacht wordt allengs heviger, tot eindelijk de smart haar toppunt heeft bereikt, wanneer de[433]kameel oprijst om met zijn last te vertrekken. De vrouwen schijnen als in razernij te vervallen, rukken zich de haren uit en krabben zich het gezicht ten bloede. Eerst als de lijkstoet, waarvan de vrouwen geen deel uitmaken, uit het gezicht verdwenen is, verstommen van lieverlede de klachten en houden de tranen op met vloeien.

Eenige mannen, op vlugge paarden gezeten, zijn vooruitgereden om het graf in gereedheid te brengen. Dit bestaat uit een kuil, een halve manshoogte diep, met een in de richting van Mekka gelegen gewelf, waarin het hoofd en het bovenlijf worden gelegd. Nadat het lijk in den kuil is neêrgelaten, wordt het graf met blokken, planken, rietbundels of steenen belegd, maar niet met aarde gevuld. Wel wordt soms een weinig zand over de bedekking gespreid en dit heuveltje met vlaggetjes en soortgelijke zaken versierd, zoo niet een koepel uit hout of baksteenen gebouwd, boven het graf wordt opgericht. Op een kindergraf plaatst men de wieg. Vooraf heeft de Molla het lijk voor de tweede maal gezegend, terwijl alle omstanders aan de ophooging deel nemen. De lijkplechtigheid is evenwel nog niet ten einde.

Op hetzelfde oogenblik, dat de eigenaar der joerte is overleden, richt men naast de tent een witte vlag op, die een vol jaar blijft staan. Elken dag van dit treurjaar komen de vrouwen weder bijeen om hare klachten opnieuw aan te heffen. Zoo mogelijk brengt men ook het lievelingspaard van den doode hierbij en snijdt het den langen staart half af. Van dit oogenblik af wordt het ros door niemand meer bereden; het is „weduwe” geworden. Zeven dagen na den dood vergaderen alle bloedverwanten en vrienden, ook de verst afwonenden in de joerte, houden een gemeenschappelijk lijkmaal, verdeelen sommige kleederen van den doode onder de armen, en beraadslagen over het toekomstig lot der achtergeblevenen, alsmede over het bestuur der nalatenschap. Daarna laat men de familie met haar leed alleen.

Sterft er eene vrouw, dan worden bijna dezelfde gebruiken gevolgd als bij den dood eens mans, met dit verschil, dat nu de vrouwen het lijk wasschen en kleeden. Maar ook in zoodanig geval blijven de vrouwen in de Aul om er den lijkzang aan te heffen. Het rijpaard der vrouw wordt eveneens van zijn staart beroofd; men richt evenwel geen treurvlag op.

Wanneer de Aul verplaatst wordt, haalt de jongeling, wien deze eeredienst is opgedragen, het tot weduwe geworden paard, legt dit het zadel zijns voormaligen meesters in omgekeerde richting op den rug,[434]belaadt het met de kleederen van den overledene en geleidt het aan den teugel naar het oord der bestemming, terwijl de jonge man in zijne rechterhand de lans met de vlag draagt. Zoodra de joerte weêr is opgebouwd, wordt het paard ontzadeld en de lans weder opgericht.

Op den verjaardag van den dood verschijnen wederom alle genoodigde bloedverwanten en vrienden in de joerte. Na de vrouwen begroet te hebben, die nog altijd in rouwgewaad zijn gestoken, en die men opnieuw tracht te troosten, haalt men het paard, zadelt dit, belaadt het als vroeger en roept nu den Molla om het te zegenen. Zulks geschiedt; twee mannen treden thans nader, grijpen het paard bij den teugel, ontzadelen het, werpen het ter aarde en stooten het den dolk in ’t hart. Het vleesch wordt onder de arme feestgenooten uitgedeeld, de Molla ontvangt de huid. Onmiddellijk nadat het paard gedood is, stelt men de lans aan den meest waardigen bloedverwant ter hand; deze neemt haar aan, spreekt eenige woorden, breekt den stok in stukken en werpt deze op het vuur.

Nu komen de paarden aanstormen om hun snelheid in den wedren te toonen; de jonge ruiters, die hen vergezellen en berijden, vliegen op een gegeven teeken weg en verdwijnen in de steppe.

De Molla treedt van het tooneel, de zanger neemt zijn plaats in. Nog eenmaal wordt de doode herdacht, maar ook de levenden krijgen thans hunne beurt. Van het hoofd der vrouwen verdwijnt het eigenaardig tooisel, dat den rouw aanduidde, en zij sieren zich in feestgewaad. Na afloop van den overvloedigen maaltijd gaat de schaal met melkwijn rond; met de tonen van den citer vermengen zich vreugdeklanken.

De rouw is afgeloopen, het leven herneemt zijn rechten.[435]


Back to IndexNext