XVI.

[Inhoud]XVI.DE KOLONISTEN EN BANNELINGEN VAN SIBERIË.Wie in Siberië niets dan ééne groote gevangenis ziet, dwaalt evenzeer als hij, die dit land beschouwt als ééne onmetelijke ijswoestijn. Wel zendt Rusland ieder jaar duizenden misdadigers of veroordeelden naar Siberië, en wel trekken deze, zoolang zij onderweg zijn, van de eene gevangenis naar de andere; wel zijn de zoodanigen, die zware misdrijven tegen lijf en leven, bezittingen en eigendommen te boeten hebben, zoolang zij gedwongen in Siberië verblijf houden, niet vrij,—maar het kleinste getal van alle misdadigers bevindt zich,zoolang hun straftijd duurt, in werkelijke gevangenschap, en ieder is bij machte door zijn gedrag die gevangenschap meer dragelijk te maken, zelfs zich er van te bevrijden, en dus weldaden te genieten, gelijk aan de bewoners onzer tuchthuizen en gevangenissen niet ten deel valt. Uitgestrekte deelen van het ontzaglijk gebied, dat aan den Russischen scepter onderworpen werd, geheele landen zijn overigens nimmer verbanningsoorden geweest en zullen wel altijd van het bezoek der gedwongen reizigers verschoond blijven, welke laatsten grootere onaangenaamheden, ja zelfs kwellingen onder de bevolking brengen, dan zij zelven te dulden hebben. Langs dezelfde wegen, die vroeger niet dan onder zuchten afgelegd werden, trekken heden ten dage vrije lieden, die in het verre oosten op lotsverbetering hopen. Aan de gedwongen kolonisten sluiten zich anderen aan, die uit eigen beweging derwaarts trekken, en wel naar oorden, die langen tijd in den slechtsten reuk stonden als de meest ongastvrije landen der geheele aarde. Een nieuwe tijd is voor Siberië aangebroken, want de verblinde vrees maakt allengs plaats voor meer verlichte kennis, ook bij zulke personen, die overigens meer toegankelijk zijn voor de eerste dan voor de laatste. De heerschende denkbeelden omtrent Siberië zijn te wijten aan de schriftelijke en mondelinge berichten van ontwikkelde bannelingen, dus van lieden, die de vaste bewoner van Siberië „ongelukkigen” noemt en ook als zoodanig[436]behandelt. Die berichten zijn wel is waar niet zoo geheel bezijden de waarheid, doch voor het grootste deel toch onjuist. Het ongeluk maakt lichaam en ziel blind, en berooft ons van de onbevangenheid, die de eenige grondslag mag en kan zijn van eene richtige beoordeeling van toestanden. De toestanden nu in Siberië zijn veel beter dan men meent, beter zelfs dan in menige bergstreek van Duitschland. In Siberië is de strijd des levens volstrekt niet hard. Gebrek in den eigenlijken zin des woords, ontbering van het noodzakelijke tot onderhoud des lichaams, zijn hier onbekende zaken, en treffen in elk geval slechts hem, die wegens ziekte of andere ongevallen niet in staat is tot werken. Vergeleken met het lot, dat menigen armen Duitschen bergbewoner gedurende zijn geheele leven is opgelegd, die bijna nimmer als overwinnaar uit den strijd des levens te voorschijn treedt, is zelfs het lot van den Siberischen banneling nog vaak benijdenswaardig. Ontbering vindt men ook in Siberië, maar meer in geestelijken dan in lichamelijken zin; wie slechts de aarde bewerkt, vindt daar meer dan hij noodig heeft, en wie haar, de voedster, ontrouw is geworden, en de een of andere daar inheemsche bezigheid koos, dien ook brengt de eerlijke handenarbeid vrij zeker evenveel winst op als de aarde. Zoo zijn de tegenwoordige toestanden, met onbevooroordeeld oog aanschouwd.Ik heb getracht een zoo getrouw mogelijk beeld te ontwerpen van de levensomstandigheden der bewoners van het door mij bereisde deel van Siberië. Ik ben nedergedaald in de laagste diepten der menschelijke ellende, en heb mij vermeid in de zonnige hoogten van alle denkbaar geluk; ik heb verkeerd met moordenaars, straatroovers, brandstichters, dieven, bedriegers, oproerlingen en samenzweerders, met visschers en jagers, herders en boeren, kooplieden en industrieelen, met heeren en knechten, rijken en armen, met wetenschappelijke lieden en ongeletterden, met beambten en rechters, tevredenen en ontevredenen, begeerende menschen en zij die niets meer wenschten, en zulks om mijn waarnemingen te bevestigen, mijne opmerkingen te vermeerderen, mijne besluiten te toetsen, mijne verkeerde opvattingen te verbeteren; ik heb de veiligheidsbeambten ondervraagd naar het lot der bannelingen, en bij de bannelingen zelf inlichtingen ingewonnen omtrent hun toestand; ik heb de misdadigers in hunne gevangenissen opgezocht en ook daarbuiten gadegeslagen; ik heb met boeren, industrieelen, handwerkslieden en kolonisten gesprekken gevoerd, wanneer en waar ik slechts gelegenheid vond; ik heb de inlichtingen, welke ik van deze lieden ontving,[437]vergeleken met die der regeeringsbeambten; ik geloof dan ook, dat ik zooveel ben te weten gekomen als, de snelheid en den korten duur onzer reis in aanmerking genomen, maar eenigszins mogelijk was. In elk geval heb ik zooveel stof verzameld, dat ik mij op mijn eigen ervaringen kan verlaten, wanneer ik mij gereed maak een vluchtig geteekend levensbeeld te schetsen van de bannelingen van Siberië. Mijne schilderij zal wel niet geheel vrij van onnauwkeurigheden zijn, maar in ’t algemeen de uitdrukking mogen heeten van een billijk oordeel.Afgezien van de regeeringsbeambten, de soldaten en ondernemende industrieelen, voornamelijk kooplieden, bestond de aanvoer, dien Siberië uit Rusland ontving, tot in het jaar 1861 uitsluitend uit onvrijwillige verhuizers: lijfeigenen des keizers, die in de bergwerken van den Czar, en misdadigers, die, althans voor een deel, naar de bergwerken van den Staat werden gezonden. Met de opheffing der lijfeigenschap, die eene diep ingrijpende verandering in de sociale toestanden ten gevolge had, dieper dan men aanvankelijk geloofde en nog tegenwoordig inziet, droogde de eerstgenoemde bron als met een tooverslag op. Millioenen menschen werden op het woord van hun zachtmoedigen, groothartigen gebieder vrij; duizenden hunner verlieten de bergwerken en wendden zich naar de vruchtbare aarde, die zij tot nu toe als slaven hadden bewerkt, zoodat de bergwerken, althans die van den Czar, van stonden aan leeg liepen en nu nog onder de gevolgen lijden. Maar het groote kroongoed Altaï werd tevens verrijkt met een nieuw element, dat daaraan tot nog toe vreemd was gebleven, n.l. met een vrijen boerenstand, wel is waar zonder erfelijk landbezit, maar toch vrije boeren van het rijke land, voor en in de plaats van zijne tot nog toe daar wonende kolonisten. De opheffing der lijfeigenschap veranderde evenwel ook den toestand dier Siberische landstreken, die tot op dezen tijd hoofdzakelijk door veroordeelden waren bevolkt geworden, daar het voortaan mogelijk werd ook hier een vrijen boerenstand te vormen. Op deze plaatsen evenwel schijnt de voortdurende toevoer eer belemmerend dan voordeelig gewerkt te hebben; want het meerendeel der veroordeelden, die naar de reeds bevolkte gedeelten des lands gezonden werden, brengt voortdurend onrust onder de gezeten bevolking, en daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat bedoelde landstreken minder vooruit zijn gegaan dan het kroondomein Altaï, dat steeds verschoond is gebleven van bannelingen en hiervan ook wel altijd verschoond zal blijven, zoolang Altaï althans keizerlijk domein blijft.[438]Daarentegen trekken tegenwoordig gedurig nieuwe scharen verhuislustigen derwaarts, en neemt de bevolking in Altaï sneller in bloei toe dan in de overige landen van Siberië.Het is een prachtig stuk lands, dit domein Altaï, en in zoo verre ook een opmerkelijk land, omdat het het grootste is, dat ergens ter wereld gevonden wordt. De vlakke inhoud toch bedraagt in ronde cijfers 400.000 vierkante wersten, of ongeveer 8000 vierk. geogr. mijlen. Het sluit gebergten en vlakke landen in zich, bergland en heuvelland; het ligt tusschen bevaarbare rivieren en dezulke, die met weinig moeite bevaarbaar kunnen gemaakt worden; het bevat nog altijd groote, rentegevende bosschen en in ’t algemeen onmetelijke rijkdommen zoowel onder als boven den grond. Niet minder dan 830 verschillende ertsbeddingen kent men binnen zijn gebied, niet gerekend de overige 270 vindplaatsen, die nog nimmer nader onderzocht werden. Men wandelt in het kroondomein Altaï letterlijk op goud en zilver; want goudhoudende zilverertsen, lood, koper en ijzer, doordringen in een aantal, meest bouwwaardige aderen de bergen, terwijl de rivieren stofgoud afvoeren. Een steenkolenbedding van nog onbekende uitgestrektheid, die hier en daar van 6 tot 8 meter dikte bezit, strekt zich bovendien nog onder een groot gedeelte des lands uit; te oordeelen naar de samenstelling der aan de oppervlakte gelegen gesteenten, mag men aannemen, dat men in het noorden van het kroondomein op één groot steenkolenbekken wandelt. En toch moet men den waren rijkdom van Altaï niet in deze onderaardsche schatten zoeken, maar in den vetten en vruchtbaren grond. Deze bedekt geheele gebergten en hoogvlakten, en waar de bouwaarde in de rivierdalen en laagvlakten bijeengespoeld werd, heeft zij soms een dikte van anderhalven meter. Bevallige, deels majestueuse bergstreken wisselen af met liefelijke, heuvelachtige landschappen en zacht golvende vlakten, die vooral bij de boeren het meest gezocht zijn, steppen met vruchtbare, door een riviertje of beekje doorsneden vlakten, bosschen met welig groeiend hoog zoowel als laag geboomte en parkachtig ingedeeld hout. Een wel is waar niet zacht, maar toch geenszins onverdragelijk klimaat maakt overal eene rentegevende ontginning mogelijk van dien vruchtbaren, grootendeels nog maagdelijken bodem. Het jaar is afgedeeld in een heeten, bijna altijd voortdurenden zomer van vier maanden, in een strengen, onafgebroken winter van vier maanden, in twee natte, koude, onbestendige voorjaarsmaanden en evenveel herfstmaanden van gelijke gesteldheid; en alhoewel de gemiddelde[439]warmte van het goede deel des jaars niet toereikend is om de druiven te doen rijpen, al onze gewone korensoorten gedijen er voortreffelijk, terwijl in de zuidelijke distrikten van het kroondomein zelfs de meloen tot rijpheid komt.Zoo ziet het land er uit, dat reeds meer dan twee menschenleeftijden verschoond is gebleven van verbannen misdadigers en waar heden ten dage kolonisten zijn gezeteld, die men zou wenschen, dat in matig aantal ook in geheel overig Zuid-Siberië, dat niet minder rijk en vruchtbaar is, werden gevonden. Zij laten zich wel is waar niet vergelijken bijonzeerfgezeten boeren, deze landbouwers van het kroondomein Altaï, maar zij hebben het oneindig beter dan de gewone Russische boer. Men ziet het hun aan, dat hunne ouders en grootouders de lijfeigenen zijn geweest van den grootsten en hoogsten heer des Rijks, maar geenszins de slaven van eenen machteloozen en om deze reden eene onbepaalde onderdanigheid eischenden gebieder; men kan bij iedere gelegenheid opmerken hoe het gemis van erfelijk grondbezit hen in geenerlei opzicht gehinderd heeft welvarend te worden, d.w.z. meer te verdienen, dan zij noodig hadden en nu nog noodig hebben.Het lot der bewoners van Altaï was van af den tijd, dat het kroongoed tot eigendom des keizers werd verklaard, een betrekkelijk gunstig, om niet te zeggen een gelukkig lot. Tot de opheffing der lijfeigenschap waren zij zonder eenige uitzondering bij den bergbouw in dienst of althans middellijk daarvoor bedrijvig. Zij, die niet in de mijnen zelf werkten, moesten hout vellen en verkolen, anderen moesten de houtskolen naar de smelthutten brengen, wederom anderen het erts vervoeren. Met de toename der bevolking werd de druk der heerendiensten steeds minder. Omstreeks het midden dezer eeuw kon men reeds over zooveel krachten beschikken, dat de arbeid voor den keizer tot ééne maand in het jaar beperkt werd, alhoewel onder deze voorwaarde, dat ieder leenplichtige een paard moest leveren. De weg, dien de arbeider met dit paard had af te leggen, werd naar deszelfs lengte berekend. Als vergoeding voor de afwezigheid van huis en hof ontving ieder arbeider 75½ kopeken voor den tijd zijns arbeids. Behalve deze weinig beteekenende belooning had echter ieder mijnwerker het recht, van ’s keizers land zooveel grond te bebouwen als hij kon, dit te doen naar eigen goedvinden, en bovendien in ’s keizers bosschen zooveel hout te vellen als hij voor het bouwen zijner woning en voor brandstof noodig had. Belasting had hij niet te betalen. Het aantal arbeiders, dat een dorp[440]moest leveren, richtte zich naar het zielental; de verdeeling der heerendiensten geschiedde door de leden der gemeente zelf.Minder gemakkelijk was het werk, dat de mijnwerkers hadden te verrichten. Zij werden, even gelijk elders de soldaten, uit de dorpen en steden van het kroongoed gerecruteerd, in elk opzicht als soldaten behandeld en eerst na vijf en twintigjarigen diensttijd vrij verklaard. Men verdeelde hen in twee groepen; in de eigenlijke mijnwerkers, die in de ontgonnen groeven afdaalden, en in bergwerkers, die telken jare eene bepaalde, hun aangewezen dienstverrichting binnen een hunzelf overgelaten tijd hadden te volbrengen. Dezen maakten de kolenbranders, houthakkers, metselaars, voerlieden enz. uit, en ontvingen, eens voorgoed, jaarlijks veertien roebel loon. Was de opgedragen taak af, dan waren zij voor ’t overige gedeelte van het jaar vrij en mochten dan doen wat zij wilden. De mijnwerkers daarentegen bleven jaar in, jaar uit in dienst. Zij werkten eene week lang des daags, de volgende week des nachts, hadden elken dag twaalf uren te werken en kregen de derde week vrij. Al naar zijn bekwaamheid ontving ieder mijnwerker ter bekostiging zijner, tegen geld te betalen uitgaven, jaarlijks van zes tot twaalf roebel loon, daarenboven elke maand twee pud meel voor zijn persoonlijke voeding, even zooveel voor zijne vrouw en één pud voor ieder zijner kinderen. Land te bebouwen, vee te fokken, zoo veel hij kon of wilde, dit alles was geoorloofd. Zijne zoons moesten van hun zevende tot hun twaalfde jaar de school bezoeken; van dien tijd af werden zij gedwongen tot hun achttiende jaar als bergknapen zekere diensten te verrichten en ontvingen daarvoor eerst één, later twee roebel belooning per jaar. Had de knaap zijn achttiende jaar bereikt, dan begon zijn dienst in de mijnen.Op den 1enMei 1861, den dag der vrijmaking van alle lijfeigenen in het Russische Rijk, telde men in het kroondomein Altaï 145639 mannelijke zielen, van welke 25267 als mijnwerkers en huttenarbeiders in dienst waren. Zij werden niet allen op denzelfden dag, maar in het tijdsverloop van twee jaren van hun verplichtingen ontslagen. Niet minder dan 12626 verlieten nu de mijnen, om in de vaderlijke dorpen terug te keeren en hier het landbouwbedrijf uit te te oefenen; de anderen bleven in de bergwerken als vrije arbeiders.HUISWAARTS KEERENDE BERGLIEDEN IN ALTAÏ.HUISWAARTS KEERENDE BERGLIEDEN INALTAÏ.Ik geloof niet te dwalen, wanneer ik beweer, dat de geregelde toestanden, die men in het kroondomein veel meer aantreft dan elders, waar ook in westelijk Siberië, toe te schrijven zijn aan dat verleden.[441]De ouders en voorouders der hedendaagsche bevolking van het keizerlijk domein hebben zich, in weêrwil hunner onvrijheid, nimmer onderdrukt of gedrukt gevoeld. Zij waren lijfeigenen, maar die van den heer en gebieder des lands, van dat groote land, in hetwelk de wieg hunner vaderen had gestaan. Zij waren gedwongen voor hunnen heer en meester te werken, en hunne zonen bijna een menschenleeftijd lang in den dienst diens meesters te stellen; maar die heer was de keizer, een bijna goddelijk wezen in hunne oogen. Daarvoor voedde hen de keizer, bevrijdde hij hen van alle lasten van andere staatsburgers, en veroorloofde hij hun zijn land te bebouwen, en daaruit te halen, wat er uit te halen viel; hij verhinderde hen niet welvarend te worden, hij[442]beschermde hen zooveel mogelijk tegen verdrukking door onrechtvaardige ambtenaren en hij werd nog bovendien de weldoener hunner kinderen, door althans een gedeelte te dwingen de school te bezoeken. De beambten, die over hen gesteld waren, hadden hoogere beschaving dan alle andere in dienst der kroon staande lieden; de meesten hadden in Duitschland gestudeerd, waren zelfs voor een goed deel van Duitsche afkomst en voerden, zoo niet Duitsche zeden, toch verlichte denkwijzen in een land in, dat zij in naam des keizers bestuurden. Nog heden is Barnaul, de hoofdstad van het kroondomein, een brandpunt van beschaving, gelijk Siberië geen tweede heeft aan te wijzen; in den tijd van den hoogsten bloei des mijnwezens was Barnaul ontegenzeggelijk de geestelijke hoofdstad van geheel Midden- en Noord-Azië en het van hier uitstralende licht verspreidde des te helderder glans, omdat het in alle bergplaatsen brandpunten vond, die dat licht steeds verder hielpen verspreiden. Zoo nam reeds in vroeger tijd het kroondomein eene bevoorrechte plaats in onder de landen van Siberië.Het is wellicht nimmer een opzettelijk doel van het bestuur des kroondomeins geweest, om den boerenstand vooruit te helpen; tot aan de opheffing der lijfeigenschap zag men in het landbouwbedrijf slechts een middel om den bergbouw te bevorderen. Deze tijden zijn veranderd. Sedert den dag, dat de lijfeigenen tot vrije mannen werden verklaard, is de bergbouw in gelijke mate achteruitgegaan als de landbouw is gaan bloeien. Men heeft nog niet kunnen besluiten om den ouden sleur te laten varen, maar moet die nalatigheid dan ook met zulke hooge sommen betalen, dat de zuivere winst van het mijnwezen tot een minimum is gedaald. Het eenig afdoende middel om verbetering te brengen in den bestaanden toestand zou daarin gelegen zijn, dat men de mijnen liet exploiteeren door energieke ondernemers; maar dit middel heeft men, wel is waar, wel in overweging genomen, maar nog geenszins tot feit doen worden. Vrije beschikking over den grond, zoover de ploeg er in doordringt, was van oudsher gebruikelijk en zulks is eenigermate zelfs recht van gewoonte geworden. Wel bezit niemand in het kroondomein, wij merkten het reeds op, den grond, dien hij bebouwt en waarop zijn huis staat; alles behoort den keizer, en wat des keizers is, is ook, volgens de meening der boeren, het eigendom van „onzen lieven Heer” en deze laatste staat gaarne aan iederen geloovige toe daarvan gebruik te maken. In werkelijkheid heft het domeinbestuur jaarlijks van iedere in bouwland omgezette hektare veertig[443]kopeken pacht; al te streng gaat men hierbij evenwel niet te werk en de boer zijnerzijds voelt evenmin groote verplichting het daarmede heel nauw te nemen. Zoo bebouwt in werkelijkheid elke boer zooveel land als hem lust en hij neemt dit waar hij wil.Men laat den tegenwoordigen boer van het kroondomein slechts recht wedervaren, wanneer men hem afschildert als een goed gebouwden, opgewekten, bekwamen, fatsoenlijken, leergragen, gastvrijen, goedaardigen en barmhartigen man; men zegt ook niet te veel, wanneer men hem welvaart en een hieruit voortspruitend gevoel van eigenwaarde, zelfs zekeren vrijheidszin toekent. Zijn voorkomen getuigt van meer vrijheid en is minder deemoedig dan dat van den Russischen boer. Hij is beleefd en voorkomend, onderdanig en daardoor gemakkelijk te leiden, maar toch niet slaafsch en kruipend, zoodat hij op den vreemdeling geen ongunstigen indruk maakt. Maar ook hij bezit al die eigenschappen, die wij gewoonlijk boerenluimen noemen en nog andere, die den eersten gunstigen indruk aanmerkelijk verzwakken. Niettegenstaande hij meer gelegenheid had om onderwijs te ontvangen dan alle andere Siberiërs van zijn stand, staat de school bij hem in kwaden reuk. Hij is strenggeloovig en zou voor de kerk alles weggeven, wat hij bezit, maar ziet in de school eene inrichting, die den mensch slechter maakt in plaats van hem te beschaven. In herinnering aan de vroegere toestanden, die zeker veel te wenschen overlieten, nog gedachtig aan de tijden toen oude, uitgediende soldaten den scepter in de school zwaaiden en zich niet schaamden de hun toevertrouwde scholieren snaps te laten halen, en hen in dronkenschap dikwijls te mishandelen, is hij ongemeen wantrouwend omtrent alles, wat met de school in betrekking staat; bovendien hangt hij, naar boerenaard, zeer aan het oude en is van oordeel, dat meer kennis dan hijzelf bezit, voor zijn kinderen nadeelig zou zijn, en van deze meening is hij niet af te brengen. Hij staat dus nog op een vrij lagen trap van beschaving. Bij uitzondering verstaat hij de schrijfkunst en onder alle omstandigheden beschouwt hij boeken als geheel nuttelooze zaken. Des te sterker steunpilaar is hij van het bijgeloof, dat zijne kerk steunt en doet bloeien. Hij kent meestentijds de namen der maanden niet, die der heiligen en der feestdagen evenwel des te beter. God en de heiligen, aartsengelen en duivels, dood, hemel en hel houden hem bijna uitsluitend bezig. Men kan hem niet zoozeer licht te bevredigen noemen, maar wel beweren, dat hij onverbeterlijk tevreden is. Meer dan hij noodig heeft om te leven wenscht hij niet,[444]zoodat hij dan ook niet meer werkt dan hij bepaald moet. Maar noch zijn pachthoeve, noch zijn akker, die hij het zijne noemt, kan hem groot genoeg, zijn huisgezin, noch veestapel te talrijk zijn.„Hoe gaat het u hier?” vroeg ik eens, met behulp van den tolk, aan een der oudsten des dorps, dien ik onderweg in mijn wagen had genomen.„„God verdraagt nog onze zonden,”” was het antwoord.„Zijn uwe vrouwen goed, u trouw, genegen en behulpzaam?”„„Er zijn goeden en slechten.””„Zijn uwe kinderen gehoorzaam en geven zij u vreugde?”„„Wij hebben niet over hen te klagen.””„Is het land, dat gij bebouwt vruchtbaar en levert het goede oogsten op?”„„Wanneer wij tienmaal meer inoogsten dan wij gezaaid hebben zijn wij reeds tevreden.””„Groeit uw vee goed?”„„Wij zijn tevreden.””„Hoeveel paarden bezit gij?”„„Twee en dertig; misschien ook wel vijf en dertig.””„Hoeveel paarden gebruikt gij bij den arbeid?”„„Acht à tien, nu en dan twaalf.””„Dus fokt gij de anderen aan om ze te verkoopen?”„„Somtijds verkoop ik er een.””„En wat doet gij met de anderen?”„„Nitschewo.””„Hoeveel runderen en schapen bezit gij?”„„Dat weet ik niet. Mijne vrouw zorgt voor de koeien, schapen en zwijnen.””„Hebt gij veel belasting te betalen?”„„Ik ben tevreden.””„Hebt gij u over een of ander te beklagen?”„„Ik ben tevreden.””„Gij hebt dus over niets te klagen, en alles is hier goed?”„„Neen, niet alles; ik heb eene klacht.””„Welke?”„„Het wordt ongezellig in het land!””„Ongezellig, wat beteekent dit?”„„Nu ja, het wordt ons te klein.””„Te klein, in hoeverre?”[445]„„Och, de dorpen schieten overal uit den grond op als paddestoelen. Men kan zich niet meer roeren en weet niet meer, waar zijn akkers aan te leggen. Indien ik niet te oud ware, ik was reeds lang verhuisd.””„De dorpen schieten als paddenstoelen uit den grond? Waar? Ik zie geen enkel dorp. Hoe ver ligt het naaste dorp van het uwe verwijderd?”„„Vijftien werst.””Zoo spreekt, denkt en oordeelt de boer van het kroondomein. Het groote land is hem niet groot genoeg, en toch zou het twintigste gedeelte van de hoeveelheid, waarover hij naar goedvinden beschikt, genoeg voor hem zijn, indien hij het slechts beter bebouwde. Want de grond is zoo vruchtbaar, dat de geringste moeite in ruime mate beloond wordt. Valt een enkele maal de oogst tegen alle verwachting niet zoo goed uit als gewoonlijk, komt het gebrek de plaats van den overvloed bij hem vervangen, dan beschouwt de boer zulks niet als een natuurlijk gevolg zijner luiheid, maar als een beschikking Gods, als een straf voor zijn zonden.In werkelijkheid gaat het hem, in weerwil van al zijn zonden, bijzonder goed, en hij had meer reden om van eene belooning zijner zonden te spreken. Want niet het gebrek, maar de overvloed benauwt hem. Van regeeringswege wordt aan iederen boer vijftien hektaren van het beste land, in den regel naar eigen keus, voor iedere mannelijke ziel van zijn huisgezin toebedeeld; daar echter van de honderd duizend vierkante werst van het domein tot aan het jaar 1876 slechtstweehonderd en vier en dertig duizendbewoond waren, komt het er nog heden niet op aan, dat elke boer zich meer toeëigent dan hem toekomt, dan wel of hij zich tevreden stelt met zijn wettig deel. Enkele families gebruiken niet minder dan twaalf- tot vijftienhonderd hektaren en het is hun geheel onverschillig of zij het daarvoor benoodigde aantal paarden of nog twintig of dertig daarboven voeden. In werkelijkheid geschiedt het niet zelden, dat de overtollige huisdieren den boeren van het kroongoed van eene zware zorg bevrijden, van de zorg n.l. den hun geworden zegen, dien zij ten gevolge der uiterst gebrekkige verkeersmiddelen niet te gelde kunnen maken, op te gebruiken. In een land, in welks hoofdstad onder gewone omstandigheden het pud of zestien kilogram roggemeel niet meer dan 30 cents, het pud tarwemeel niet meer dan 48 cents, het pud ossenvleesch in[446]den winter hoogstens 72 cents, een schaap ƒ 2.40, een gespeend kalf ƒ 6, een varken ƒ 4.80, een uitstekend paard zelden meer dan ƒ 60 van ons geld kost, drukt elke goede oogst de prijzen dermate, dat de buitengewone zegen in een last verkeert. Wanneer de boer van het kroondomein voor 100K.G.koren niet meer dan 72 cents van ons geld kan verkrijgen, dan wordt hem, die buitendien niet meer werkt dan even noodig is, de vlegel al te zwaar in de hand, de zegen volgens zijn bekrompen begrippen tot een vloek.Deze, nu nog bestaande toestanden geven meteen eene verklaring van de meeste ondeugden, ook van de deugden onzer kolonisten; hun traagheid, hunne nu en dan walging wekkende tevredenheid, hunne onverschilligheid tegenover verliezen, hunne mildheid jegens behoeftigen en barmhartigheid jegens ongelukkigen. Eveneens begrijpen wij nu het allen Siberiërs eigen streven om het aantal bewoners eener plaats zooveel mogelijk te vermeerderen. Het groote land heeft als het ware menschenhonger. Ieder Siberiër beschouwt daarom met welgevallen zijn talrijk huisgezin; en daarom bestaat er in geheel Siberië geen vondelingshuis. Waartoe dit? Iedere vrouw, die meent, dat zij haar kind niet zou kunnen voeden, of van hetzelve wenscht ontslagen te worden, vindt gewillige afnemers voor het kleine wezen.„Geef maar hier,” zegt de boer tot zulk eene onnatuurlijke moeder, „geef maar hier; ik zal ’t wel groot brengen,” en zijn gezicht staat daarbij zoo vroolijk, alsof hem een veulen geboren werd. In vroeger dagen, toen de bevolking nog veel geringer was dan thans, huwelijkte men de nog niet volwassen of pas volwassen kinderen reeds uit, ten einde hun zoo spoedig mogelijk oudervreugde deelachtig te doen worden en arbeiders te kweeken; tegenwoordig trouwen de jongelingen gewoonlijk niet voor hun 18ejaar, maar zoo mogelijk met oudere meisjes, die hoop geven op een zoo spoedig mogelijken kinderzegen, terwijl de ouders des bruidegoms zeer gaarne de meisjes behulpzaam zijn in het hengelen naar een huwbaar jongeling.En om te bewijzen, dat ook de romantiek niet ontbreekt bij de boeren van het Altaï-domein, wil ik hier vermelden, dat geheime huwelijken zelfs in dit land niet zeldzaam zijn en dat almede een van liefde brandend jongeling zich soms niet ontziet het voorwerp zijner aanbidding te schaken. Het laatste geschiedt evenwel meestal met volkomen goedkeuring van alle belanghebbenden, dus ook van de wederzijdsche ouders—want in dit geval spaart men de kosten van eene bruiloft,[447]in casu van den brandewijn. Op een bruiloft toch is het een algemeen gebruik alle dorpsbewoners te onthalen, vooral op de noodige hoeveelheid geestrijk vocht! Het spreekt vanzelf, dat ook in het kroondomein de liefde alle bezwaren, zelfs de tegenkanting der ouders, weet te overwinnen. Het meisje is, gelijk alle meisjes op dit wereldrond, zeer spoedig voor den schaaklustigen jongen gewonnen, en een heilig dienaar der kerk is tegen eene meer dan gewone belooning gaarne te bewegen het trouwformulier er over uit te spreken—alleen de vertoornde ouders zijn niet zoo licht te verzoenen. De moeder vervloekt hare dochter, de vader zijn zoon; beiden bezweren bij alle Heiligen de ondeugende kinderen nooit weer terug te willen zien:„En de Hemel, steeds genadig,Hoort ook zulks met groot geduld.”Toch komt de verandering in deze gezindheid niet van boven, maar een onweêrstaanbaar toovermiddel werkt eindelijk de verzoening uit: „snaps” wordt dit toovermiddel genoemd bij die menschen, welke Duitschlands grond, Woetki bij hen, die Ruslands heilige aarde bewonen. Zoodra de schoonvader drinkt heeft de jonge echtgenoot het pleidooi gewonnen; want mama schoonmoeder drinkt mede, en de foeselhoudende nektar verweekt ook het hardvochtige hart der laatste. Verschijnen dan, als het ware toevallig, nog eenige vrienden op het tooneel, ook deze worden niet teruggewezen en drinken dapper ter eere der verzoening mede; de nu gemaakte kosten toch, zijn in elk geval nog veel geringer dan wanneer het geheele dorp den zegen des hemels voor het jonge paar, al drinkende, had helpen afsmeeken. Wie zou nu nog kunnen loochenen dat de liefde, de reine, heilige liefde zelfs een boerenjongen uit het Altaïgebergte vindingrijk maakt.Een bruidsschat ontvangt het meisje van het kroondomein niet; integendeel, haar moeder verlangt van den bruidegom een geschenk, en eischt dit zelfs, naar vrouwenaard, dikwijls onder huilen en schreien. Slechts wanneer bijzondere omstandigheden in ’t spel zijn, wanneer b.v. op den morgen na de bruiloft, de gasten het bruidshemd, dat zij wenschten te zien, niet overeenkomstig hun verwachtingen vinden, gebeurt wel eens het tegendeel. De verstandige en ervaren schoonpapa bedient zich in dergelijke gevallen van het beproefde toovermiddel, brengt een behoorlijk aantal, vooraf reeds, voorzichtigheidshalve gereed gehouden flesschen te voorschijn, belooft den vertoornden of althans[448]mopperenden schoonzoon een veulen, een os, eenige varkens, enz. De geesten worden rustiger, de verzoening is getroffen.OP WEG NAAR SIBERIË.OP WEG NAAR SIBERIË.Waarom ook zou de bruidegom toornen? Anderen is het eveneens gegaan en de toekomst kan veel goed maken. Vadervreugde kan immers ook onder niet regelmatige omstandigheden zijn deel worden; vadervreugde echter blijft het. Want broodzorgen behoeft ook het armste paartje niet te hebben, als het slechts de handen wil roeren; men helpt het gaarne aan dit en dat, en wanneer de zoo barmhartige hemel slechts eenige jaren matig wil zijn met het uitstorten van zijn zegen, wanneer koorn en vee een redelijken prijs behouden, dan sieren ongetwijfeld na weinig tijds theepotten en schoteltjes een hoektafeltje, zijden dekens het groote twee-slaapsbed, schitterende heiligen-beeldjes den rechter achterhoek, en boven alle beschrijving schoone schilderijen, voorstellende jachten op leeuwen, tijgers, beren, wolven, olifanten, herten en krokodillen de wanden der in geen gegoed boerenhuis ontbrekende, rein en netjes gehouden „mooie kamer.”Een weinig hiervan afwijkend huiselijk leven kan ook het deel worden van alle bannelingen, die naar Siberië „gezonden” worden, voor den een iets vroeger, voor den ander wat later, indien zij slechts zulk een huiselijk levenbegeeren, lang genoeg leven en eenigszins door de fortuin begunstigd worden. Ik heb in Siberië andere denkbeelden over de bannelingen gekregen dan ik koesterde vóór ik Siberië bezocht; ik doe echter vooraf opmerken, dat ik niet tot hen behoor, die meer hart schijnen te hebben voor moordenaars, roovers, brandstichters, dieven of dergelijk gespuis dan voor een vlijtigen huisvader, die in ’t zweet zijns aanschijns het brood voor eene talrijke familie tracht te verdienen, en dat ik mij tot nog toe niet heb kunnen verheffen tot de hoogte van hen, die elke straf willen verminderen, elke gevangenschap verzachten.Elk jaar worden gemiddeld 15000 menschen naar Siberië „gezonden,” gelijk de gewone uitdrukking luidt. Zware misdadigers worden levenslang, minder zware voor een aantal jaren verbannen. Over de gestrengheid en de gebreken van het Russische wetboek spreek ik hier niet; dat daarin de doodstraf voorkomt als slechts toepasselijk op de zwaarste en zeer zeldzaam voorkomende misdaden is zeker geen bewijs voor de hardheid van genoemd wetboek; het ergste is wel, dat zoodanige bannelingen, die wegens staatkundige misdrijven werden veroordeeld, onderweg en dikwijls ook in Siberië op dezelfde wijze behandeld worden als de gemeenste misdadigers.[449]De tot verbanning veroordeelde wordt allereerst van de gevangenis der provinciestad naar die van de gouvernements hoofdstad overgebracht en daarna met den spoortrein, of een gewonen boerenwagen naar Nischni-Nowgorod, Kasan of Perm gezonden. Of men in den tegenwoordigen tijd op voetreizen de misdadigers nog twee aan twee aan een langen keten klinkt en ze noodzaakt dien keten gedurende de geheele reis te dragen, weet ik niet; gezien heb ik zulks nooit en ik ben ook vast overtuigd, dat de bekende zachtaardigheid van den overleden keizer deze oude barbaarsche handelwijs niet gedoogd zou hebben. In de genoemde steden, ook in Tjoemen en Tobolsk bevinden zich ruime doorgangsgevangenissen; onderweg, op alle, tengevolge van het bouwen van een daarmede parallel loopenden spoorweg nog niet verlaten wegen, minder ruime gebouwen, ter opsluiting van de daar den nacht doorbrengende bannelingen. In zooverre dit niet noodzakelijk is worden dezen nimmer gedwongen te voet te gaan, maar door middel van spoorwegen, wagens en stoombooten naar de plaats van bestemming getransporteerd; b.v. van Nischni-Nowgorod of Kasan naar Perm, van Tjoemen uit op de Thoera, Tobolsk, Irtysch, Ob en Tom naar Tomsk. De gevangenissen zijn eenvoudige, maar vrij zindelijke, de daarmede samenhangende, maar op voldoende wijze afgescheiden hospitalen voorbeeldig ingerichte gebouwen, de rivierbooten zeer lange, twee verdiepingen bevattende schepen, die men het best zou kunnen vergelijken bij reusachtige, drijvende kooien, daar de geheele bovenverdieping in het midden, evenals eene vogelkooi, van tralies is voorzien. Elk dier booten, door een stoomschip gesleept, bevat ruimte voor zeshonderd personen, daarenboven een groote keuken, een ziekenzaal, eene kleine apotheek, en tevens afzonderlijke vertrekken voor de bemanning en de begeleidende soldaten. Tusschen Perm en Tjoemen rijden wagens, die eveneens op vogelkooien gelijken en voor het vervoer van de gevaarlijkste misdadigers dienen.Elke banneling ontvangt van regeeringswege een zwaren, grijzen wollen mantel, waarop aan de rugzij een vierkant, al naar den aard van het misdrijf, of liever van de straf, verschillend gekleurd stuk laken is vastgehecht. Hierdoor worden de soldaten, voor zooveel noodig, ingelicht omtrent de personen, over wie zij het toezicht hebben. Iedere „ongelukkige” ontvangt dagelijks tien, is hij van beteren stand vijftien, maar bij langduriger gevangenschap zeven, somtijds vijftien kopeken voor de aanschaffing van zijn voedsel. Deze som is zoo[450]ruim berekend, dat men met eenig overleg daarvoor alle noodzakelijke levensbehoeften kan koopen, ofschoon nog daarenboven iederen dag, de vasten alleen uitgezonderd, aan elken persoon drie kwart pond vleesch wordt uitgereikt. Indien de vrouw en de kinderen de veroordeelden vergezellen, dan ontvangen deze een gelijke som. Bijverdiensten zijn geoorloofd; het door werken of bedelen gewonnen geld vloeit, alhoewel niet altijd ongedeeld, in den zak van den veroordeelde, soms ook wel in den vorm van woettki door zijn keelgat.Zooeven merkte ik op, dat de vrouw en kinderen den veroordeelde mogen vergezellen; ik moet er nog bijvoegen, dat zulks in den regel ook geschiedt. De veroordeeling tot een gestrenge straf, ingevolge van een zwaar misdrijf, levert ook in Rusland een voldoenden grond op om echtscheiding aan te vragen; het staat dus iedere vrouw vrij om haar man in de verbanning te volgen, of thuis te blijven. Zelfs de kinderen boven de 14 jaren hebben het recht voor zich te beslissen, of zij met hunne, naar Siberië trekkende ouders willen meêreizen of niet. Maar de regeering ziet het gaarne, dat vrouw en kind den veroordeelde volgen, werkt zulks op alle mogelijke wijzen in de hand, en houdt zich tevens ernstig onledig met de vraag, in hoeverre de moeilijkheden en onaangenaamheden, aan de reis verbonden, kunnen worden verminderd.Dat deze onder alle omstandigheden drukkend zijn, kan niet geloochend worden; zoo ijselijk evenwel, als zij ons afgeschilderd worden, zijn ze niet. Alleen de allerzwaarste misdadigers worden geboeid naar de plaats van bestemming vervoerd; de anderen genieten meer vrijheden dan onze veroordeelden.Het ellendigst is de reis, wanneer deze op stoombooten of op door deze gesleepte schepen moet worden afgelegd. De bannelingen en hunne gezinnen worden samen in ééne ruimte opgesloten; de gevolgen dezer handelwijs zijn uitspattingen van allerlei aard, waaronder zulke, die moeilijk nader te beschrijven zijn, en deels niet voorkomen kunnen worden, of waarop niet genoegzaam gelet wordt. De slimme dief besteelt den minder schranderen beroepsbroeder, de sterkere overmant den zwakkere; men snijdt de zolen van de laarzen der slapenden, om zich de hier wellicht verborgen banknoten toe te eigenen; de onverbeterlijke zondaar doet den berouwhebbenden wankelen of bederft dengene, bij wien nog hoop bestond op verbetering, in den grond. Wel is waar worden thans de mannelijke en vrouwelijke misdadigers[451]onderweg gescheiden, maar de familieleden blijven bij hun hoofd, en nu loopen de vrouwen en dochters der bannelingen gedurende de reis bestendig gevaar, al moge men zooveel mogelijk trachten zulks te beletten. Daarentegen wordt de reis door middel van stoomschepen ook wederom aanmerkelijk verkort, zoodat de nog niet geheel bedorvenen, en zoo ook de vrije, niet veroordeelde bannelingen te eerder aan die heillooze invloeden worden onttrokken. Bezwaarlijker echter, ofschoon minder gevaarlijk voor de nog niet geheel bedorven veroordeelden, is de reis te land. Een Russische boerenwagen, op Russische wegen, en gereden door Russische, bijna onafgebroken in galop voorthollende paarden, is voorzeker naar onze begrippen een martelwerktuig, maar niet voor de Russen uit den geringen stand, die van hunne jeugd af aan geen beter voertuigen of wegen gewoon waren. De banneling moet, wel is waar, zich hier tevreden stellen met een kleiner plaatsje dan de boer, wanneer deze met zijn gezin uit rijden gaat, daar de wagen vol geladen wordt met zes tot acht personen, maar ook de koetsier en mederijdende soldaat hebben het niet beter dan de veroordeelde; alleen de zware misdadiger maakt daarop eene uitzondering; diens ketens klinken ons bij zulk een rit alleronaangenaamst in de ooren. Een banneling uit den beschaafden stand, b.v. een wegens politiek misdrijf veroordeelde, heeft het natuurlijk vreeselijk te verantwoorden en hij is volkomen in zijn recht, wanneer hij deze reis met de zwartste kleuren afschildert, maar de plaatselijke gesteldheden en landsgewoonten in acht genomen, verliest deze gedwongen verhuizing althans iets van den vloek der wreedheid, die op haar kleeft. En wat eindelijk de voetreizen betreft, deze vinden vooreerst nooit in den winter plaats, worden slechts van krachtige mannen, die kunnen loopen, geëischt, strekken zich over geen langer dagmarschen uit dan veertig werst, en worden om den derden dag met een rustdag in de aan den weg gelegen gevangenis afgewisseld. Ook de soldaat moet alweder te voet gaan, maar deze heeft nog buitendien op de bannelingen te letten en is voor hen verantwoordelijk, zoodat hij het zwaarder heeft dan deze. Even veel gewicht als de moordenaar aan zijn ketens heeft mede te slepen, moet de soldaat torschen aan zijn wapens, pakkage en ammunitie. En de laatste is een trouw dienaar van den staat, de eerste een uitvaagsel der maatschappij.Onrechtvaardig is en blijft het, dat een uit hoogere standen ontsproten en wegens een gemeen misdrijf veroordeelde banneling,[452]indien hij zulks uit eigen middelen of die van anderen kan bekostigen, anders wordt behandeld dan een voor hetzelfde misdrijf veroordeelde uit den geringen stand; aan eerstgenoemden veroorlooft men, onder geleide van twee, voor hunne heen- en terugreis door hem te betalen kozakken, op eene wijze gelijk hij zelf wenscht en dus zoo gemakkelijk mogelijk, naar de plaats zijner verbanning te trekken.Wordt zulks door iederen onbevooroordeelden Rus of Siberiër als eene ongerechtigheid gebrandmerkt, en de waarheid er van onbewimpeld erkend, aan den anderen kant is het even waar dat er van mishandeling der getransporteerden van de zijde der met de overbrenging en bewaking belaste beambten van hoogeren of lageren rang, gelijk door de bannelingen zelf wordt erkend, geen sprake is. Het komt wel eens voor, dat oproerige bannelingen onderweg worden doodgeschoten of op andere wijs voor altijd onschadelijk gemaakt, maar zulke voorvallen behooren tot de grootste zeldzaamheden en zijn noodzakelijke uitvloeisels der omstandigheden, terwijl dit middel dan eerst wordt toegepast als alle andere maatregelen onvoldoende blijken te zijn. De Rus is uit zijn aard niet wreed zooals de Spanjaard, Turk, Griek of Zuid-Slavoniër; veeleer, uit een kwalijk begrepen gevoel van barmhartigheid, soms uit traagheid, te zacht dan te hard; hij spant wel eens mensch en dier boven hun krachten in, maar ze voor zijn vermaak met opzet martelen, dit doet hij nooit. Reeds uit den naam, aan alle bannelingen gegeven, „ongelukkigen” spreekt genoegzaam een diep gevoel des volks, en met dit gevoel van barmhartigheid houdt iedereen rekening, de soldaat en veiligheidsbeambte, de opzichter der gevangenissen en de gevangenbewaarder. Dat sommige onverbeterlijke booswichten zelfs het vroomste lamsgeduld kunnen prikkelen en in flikkerenden toorn veranderen, is te begrijpen; dat eervergeten kantoorklerken op de verbanningsplaatsen zich zelfs het ongeluk schatplichtig maken om in ’t bezit van meer geld te geraken dan de Staat hun aan jaarweddeuitbetaalt, werd mij door bannelingen medegedeeld; dat de ter verbanning veroordeelde opstandelingen van de laatste Poolsche revolutie strenger door de hen begeleidende Russische soldaten werden behandeld dan andere bannelingen, ja zelfs met onverbiddelijke gestrengheid, heeft een gewezen scherprechter, die mij zijne levensgeschiedenis door bemiddeling van een tolk moest verhalen, geklaagd. Voor zulke buitensporigheden de tegenwoordige regeering verantwoordelijk te stellen, gelijk nog altijd geschiedt, haar eeuwige barbaarschheid toe te schrijven, en bestendig[453]van den knoet te spreken, die reeds sedert jaren is afgeschaft, onze oostelijke buren in ’t algemeen als barbaren af te schilderen, dit is eenvoudig zinneloos, omdat zulks in alle opzichten een logen is.Alle vigeerende wetten, verordeningen en inrichtingen bewijzen, dat de regeering op de meest welwillende wijze voor de bannelingen zorgt en zooveel mogelijk er op bedacht is hun lot te verzachten, terwijl iedereen in de gelegenheid wordt gesteld hierin vroeger of later verbetering te brengen. Zoo is het streng verboden de bannelingen met onrechtmatige hardheid te behandelen, en wie dit gebod overtreedt wordt streng gestraft; hun iets op onrechtmatige wijze te onthouden geldt voor een zware misdaad. Overal heerscht het streven de straf te verzachten, zoodra zulks maar eenigszins kan, den veroordeelde aan de menschelijke maatschappij terug te geven, zoodra zulks mogelijk is. Maar men helpt alleen hem, die dit verdient, niet dengene, die beterschap huichelt. Want men fokt in Siberië geen huichelaars, zooals in onze gevangenissen. De bij ons maar al te veel gebruikelijke, walgingwekkende zucht om van de veroordeelden „vromen” te maken, kennen de Russen niet, omdat het in hunne oogen iets is, wat vanzelf spreekt, dat ieder de kerk en de „lieve heiligen” eert en acht, op zijn tijd vast en in ’t algemeen dat doet, hetgeen de in uiterlijke vormen opgaande kerk eischt. Men pakt er het kwaad bij de juiste plaats aan en verkrijgt uitkomsten, die wij de Russen zouden kunnen benijden, of liever benijden moesten.Van de vijftien duizend bannelingen worden telken jare slechts duizend aan de bergwerken overgedragen, terwijl de anderen op verschillende gouvernementen worden ingedeeld of, gelijk het heet, ter kolonisatie verwezen. In de groote gevangenissen scheidt men niet alleen de mannen van de vrouwen, maar ook Christenen, Joden en Mohamedanen; bij de kolonisatie let men eveneens op het geloof. Zoodra de tot eene lichte straf veroordeelde misdadiger de hem aangewezen plaats bereikt heeft, verkrijgt hij van de regeering als laatste gift een woonbewijs, en van nu af mag hij elk eerlijk beroep ongehinderd uitoefenen, niet evenwel zonder toestemming der overheid van het distrikt, waar hij behoort, terwijl hij evenmin het dorp van zijn verblijf mag verlaten, weshalve hij dan ook voortdurend onder politie-toezicht is geplaatst.Waarom hij verbannen werd, over zijn vroeger leven wordt niet gesproken, althans niet met een kwalijk gemeend doel, want „in ’t huis van den gehangene spreekt men niet over den strop.” De bevolking,[454]waaronder hij leeft, stamt ook van zulke „ongelukkigen” af, of bestaat er nog gedeeltelijk uit; en de weinige vrije kolonisten voegen zich naar de zeden en gewoonten der overige Siberiërs. Men helpt de „ongelukkigen” op eene wettige, soms niet eens in alles te rechtvaardigen wijze. Reeds in de algemeene gevangenissen richt men werkplaatsen op, ten einde vlijtige, arbeidzame bannelingen gelegenheid te geven iets uit te voeren; buitendien tracht men door schoolonderwijs het opkomend geslacht in goede banen te leiden, of trekt zich het lot der door de bannelingen achtergelaten weezen met zulk eene opoffering van tijd en geld, met zulk eene waarlijk edele menschlievendheid aan, dat slechts hij, die met blindheid geslagen is, zulke lichtpunten niet ziet, slechts een moedwillig stomme daarvan niet spreken wil. In de gevangenis van Tjoemen bezochten wij de school, alwaar een pope onderricht gaf aan de kinderen van Christenen, Joden en Tataren; het was een verkwikkelijk schouwspel dien langlokkigen, gebaarden, ofschoon nog jeugdigen pope, met zijn Christus-voorkomen, te zien werken. De kinderen der Joden en Tataren moesten, wel is waar, even zoo goed als de Christenkinderen den katechismus der rechtzinnige kerk leeren en opzeggen, en eene stille hoop, dezen of genen der eersten voor het Christendom te winnen, zal wel het hart van den pope hebben vervuld, maar wat beteekent de schade, welke katechismus of pope zou hebben kunnen te weeg brengen, vergeleken bij het nuttige doel, dat men nastreefde? De knapen leerden door den katechismus Russisch lezen, zij leerden nog schrijven en rekenen bovendien, en dit was de hoofdzaak. In datzelfde Tjoemen bezochten wij het door een rijke dame gestichte en ook door haar bestuurde en grootendeels onderhouden weeshuis voor de kinderen van onderweg of in de stadsgevangenis gestorven bannelingen; eene modelinrichting in den uitgestrektsten zin des woords, met vroolijke kindergezichtjes, fraaie leer- en slaapzalen, werk- en speelplaatsen, een klein tooneel met toebehoor; hier zagen wij een werk van barmhartige liefde, waaraan wel niemand den hoogsten eerbied kon ontzeggen. Maar wij zouden nog meer leeren kennen.Te Tjoemen, Omsk, Tobolsk en niet alleen in de steden, maar in de beide betreffende gouvernementen verkeerden wij voortdurend met bannelingen, meerendeels licht veroordeelden, dieven, bedriegers, gauwdieven, landloopers en dergelijk volkje, tevens met oproerige Polen en andere opstandelingen. De direkteur der Bank, die ons gastvrij ontving, was een tot twaalfjarige verbanning veroordeelde Poolsche opstandeling;[455]de schrijnwerker, bij wien wij kisten bestelden, had de post bestolen, de koetsier, die ons reed, had een zwaren diefstal op zijn geweten, de kellner, die ons bediende, had een gast in het hotel bestolen, de vriendelijke man uit Riga, die ons bij ’t overtrekken der Irtysch zoo trouw had bijgestaan, had een officiëel stuk vervalscht,Goldmacher, mijn oppasser te Obdorsk, had Russische meisjes aan Turksche harems verkocht; het meisje, dat onze kamer schoonmaakte, had haar kind vermoord, de apotheker te Omsk, had, naar men ons vertelde, zich met kwade bedoelingen vergist en vergiften toegediend, enz. Wij zagen eindelijk in alle menschen misdadigers, en wij behoefden ons slechts naar een dienaar des gerechts te begeven om te hooren, dat al die achtingswaardige lieden, waarmede wij in aanraking kwamen, kooplieden, notarissen, photografen, tooneelspelers niet uitgezonderd, valsche munters, oplichters, bedriegers enz. waren geweest. En toch, ieder hunner verdiende hier zijn brood, soms meer dan dit, en menigeen, die niet herkend wilde worden, had men niet ongestraft naar zijn verleden kunnen vragen, omdat hij hiermede voor goed gebroken had. Dat een banneling, een gewezen misdadiger zulks kan, dankt hij uitsluitend aan zijne medeburgers en aan de regeering, die het goede voornemen om een nieuw leven te beginnen, naar vermogen bevordert. Men geeft een ieder, die werken wil, werk, zonder van wantrouwen blijk te geven, neemt hem zonder vrees in zijn dienst, gebruikt den voormaligen dief als knecht, koetsier of kok, de kindermoordenares als kindermeid, den veroordeelden handwerksman, waar men hem noodig heeft. En men verzekert, dat het slechts zelden voorkomt, dat men berouw over deze handelwijs moet gevoelen. Zoo wordt menig misdadiger aan de menschelijke maatschappij teruggegeven, tot een niet meer gevaarlijk staatsburger, en de vloek der zonde reikt hier niet tot in het vierde, maar soms niet eens tot het tweede lid. Wat bij ons zoo goed als niet mogelijk is, is in Siberië mogelijk; daar maakt men van een misdadiger een mensch. Dat zulks niet altijd gelukt, dat er ook in Rusland evengoed als bij ons onverbeterlijken zijn, zal geen Siberiër ontkennen, maar het is een opmerkelijk feit, dat in Siberië de door zijne gemeente uitgeworpen landlooper veel gemakkelijker tot een misdadiger wordt, dan dat de gestrafte misdadiger in vroegere zonden terugvalt.Terwijl de tot nog toe besproken bannelingen vrij zijn in hun bedrijf, worden de zware misdadigers tot den arbeid in de mijnen[456]gedwongen. Omtrent Nertschinsk, alwaar 4000 dier ongelukkigen werkzaam zijn, welk aantal nagenoeg stationair blijft, heeft de tegenwoordige hoofdingenieur van het domein, Generaalvon Eichwald, ons uitvoerig ingelicht. Wat de misdadigers zelf aangaat, komt datgene, wat ik vernam, kortelijk op het volgende neêr:Alle, tot den mijnarbeid veroordeelde bannelingen worden, aan de voeten geboeid, ingeleverd en met deze ketenen beladen verrichten zij hetzelfde werk als de vrije mijnwerkers. De verstandige mijnopzichter onder wiens bevelen en opzicht zij werken, behandelt hen reeds ter wille van zijn eigen leven en dat der zijnen menschelijk; want hij heeft geen dienstpersoneel, talrijk genoeg om een eventueel oproer te bedwingen. De misdaad van den veroordeelde is hem bekend; hij vraagt dus niet naar het verleden. Na eenigen tijd storten de meeste misdadigers uit eigen beweging hun hart voor hem uit, en smeeken hem om verzachting van straf. Ook deze misdadigers mochten hun gezin medenemen, of, indien zij ongehuwd zijn, staat het hun vrij eene vrouw te kiezen. Staat hij op deze wijze nog met de maatschappij in betrekking, dan ontwaakt dikwijls, zeer dikwijls zelfs, het geweten; hij krijgt berouw en met dit berouw vat de hoop post in zijn boezem, en op de hoop volgt het voornemen het gebeurde in de vergetelheid te begraven. Hij werkt een of een paar jaren in boeien, gedraagt zich goed en wekt vertrouwen. Zijn opzichter bevrijdt hem van de boeien. Hij blijft zijn voornemen getrouw, arbeidt vlijtig door en begint voor zijn gezin te zorgen. Dat gezin bindt hem aan het aanvankelijk zoo onuitsprekelijk gevreesde vreemde land; dit blijkt beter te zijn dan het gerucht meldt; hij begint tevreden te worden. Nu is het rechte oogenblik gekomen om hem aan de menschheid terug te geven. De ambtenaar schrijft hem op als kolonist. Jaren zijn verloopen sedert hij de misdaad beging; deze staat voor zijn geest als een booze droom. Voor zich ziet hij een wordende boerenhoeve, achter zich de boeien. De geboorteplaats is hem vreemd geworden, met het vreemde land is hij verzoend. Hij wordt boer, arbeidt, komt vooruit, en sterft als een verbeterd mensch. Met dit oogenblik herkrijgen ook zijn kinderen hunne vrijheid, en vrije Siberische burgers bebouwen voortaan het hun door de regeering geschonken stuk gronds. Dit is geen verdichting, maar werkelijkheid.Zeer zeker, niet ieder misdadiger schikt zich in zijn lot. Vol wrok tegen dit lot en de menschheid, ontevreden met alles en allen, onwillig tot den arbeid, misschien ook door heimweê gekweld, althans zuchtende[457]naar vrijheid, vindt de een den ander en beiden zijn op de vlucht bedacht. Weken, maanden, jaren achtereen loeren zij op het gunstige oogenblik; de een maakt den ander nauwkeurig en bij herhaling bekend met zijn geheelen levensloop, schildert hem tot in de kleinste bijzonderheden het dorp, waar hij heeft gewoond, de streek, het huis zijner kindsche jaren, noemt hem al de namen zijner bloedverwanten, van alle dorpsbewoners, die der naburige dorpen, de naaste steden, vergeet niets en prent alles diep in het geheugen zijns kameraads; want hij wil dien naam en die afkomst zich toeëigenen, om in geval hij gevat mocht worden, daarmede de herkenning te bemoeilijken. De ander doet hetzelfde. Een smid wordt voor het plan gewonnen, mede tot de vlucht overgehaald, of anders een of ander werktuig opgespoord, waarmede men de boeien kan verbreken. De lente is tot waarheid geworden, de dag der ontvluchting breekt aan; bij de bestaande inrichting der bergwerken valt het gemakkelijk, ja zeer gemakkelijk, ongezien te ontkomen en eenige uren onopgemerkt te blijven. Is het bosch bereikt, dan zijn de vluchtelingen voor het weder opvangen genoegzaam beveiligd, maar daarom nog niet vrij van alle gevaar. Want de inboorling van dit land, de Toengoes of Jakoet, die stroopend door de bosschen trekt, wordt dikwijls verleid door de pels, die beter is dan de zijne, en een zeker treffende kogel maakt zonder gewetenswroeging, ter wille van dien pels, een eind aan een menschenleven. Zulke omstandigheden niet medegerekend, ontmoet de vluchteling zelden hinderpalen.Ieder Siberiër zal uit een hem ingeschapen gevoel van goedhartigheid, of uit een verkeerd toegepast medelijden, wellicht ook uit vrees of traagheid, den vluchteling eerder helpen dan hem tegenhouden. In alle, ten minste in vele aan den weg gelegen dorpen, plaatsen de boeren om de beurt een grooten pot met melk en leggen ze een goed stuk brood, soms ook een stuk vleesch achter een geopend venster, opdat de in den nacht door het dorp trekkende vluchteling voedsel vinde en hij niet zal genoodzaakt worden zijn toevlucht tot stelen te nemen. Zoolang hij zich tevreden stelt met het hem vrijwillig gegevene, zoolang hij smeekend of bedelend vraagt, zich echter onthoudt van alle ongerechtigheid, niet steelt of rooft, knijpt zelfs de burgemeester de oogen dicht, wanneer er ’s nachts onbekende lieden door het dorp reizen en het voor de „ongelukkigen” bestemde voedsel tot zich nemen, of in de steeds warme, eenzaam gelegen badkamer[458]nachtrust zoeken en vinden. En wanneer een „ongelukkige” op den klaar lichten dag mocht bedelen, verraden doet men hem niet; en wanneer dezelfde „ongelukkige” om een paardetuig vraagt—weigeren zal men hem ook dit niet, zoo men er nog een te veel heeft. Wat hij met dat tuig wil, men weet het. Daar buiten het dorp weiden de paarden, in weêrwil van wolven en beren, zonder eenig toezicht. De vluchteling gaat naar de kudde, werpt een fermen hengst het tuig over den kop, springt op den breeden rug en draaft lustig weg.DE VLUCHT VAN EEN BANNELING.DE VLUCHT VAN EEN BANNELING.„Nikolai Alexandrowitsch,” meldt iemand den eigenaar des paards, „zooeven is een ongelukkige met uw beste ros doorgegaan; hij rijdt den weg op naar Romanowskaja; zullen wij hem nazetten?”[459]„„Nitschewo”” antwoordt Nikolai, „„paardje zal wel weêr terugkomen. Het zal een ongelukkige geweest zijn. Laat hem rijden.””Paardje komt ook zeker weêr terug, want op de weide achter Romanowskaja heeft hij het tegen een ander verruild en rijdt hierop verder, terwijl het eerste paard op welbekende wegen huiswaarts draaft.Op deze wijze geholpen, bereiken negentig van de honderd bannelingen Tjoemen, Perm en zelfs Kasan. Waren zij beter bereisd, hadden zij eenige aardrijkskundige kennis, reisden zij niet altijd langs dezelfde wegen, waarop zij uit Rusland naar Siberië trokken, weder naar hun woonplaats terug, zij zouden, zoo niet altijd, toch in de meeste gevallen hun doel bereiken. Te Tjoemen, Perm en Kasan echter vangt men meest alle vluchtelingen weêr op. En al mocht ook hij, die zijn naam tegen dien van een ander verwisselde, niet uit zijn rol vallen, en al mocht ook een ander op de hem voorgelegde vraag slechts dit ééne antwoord geven: „Ik weet het niet,” noch het een, noch het ander onttrekt hem aan het eindvonnis: terug naar Siberië! terwijl hij nog stokslagen meteen ontvangt, als straf elken achterhaalden vluchteling opgelegd. Hij reist langs denzelfden weg, dien hij als gevonnisde reeds eenmaal bereisde, naar Siberië terug, om wellicht reeds spoedig na zijne aankomst op nieuwe vluchtplannen te zinnen en deze te volvoeren. Er zijn bannelingen, die tot zesmalen toe op deze wijze door Siberië zijn getrokken.Spoediger dan zulke onverbeterlijke vluchtelingen eindigen dezoodanigen hun loopbaan, die zich onderweg laten verleiden om te stelen of andere misdaden te plegen. In zulke gevallen verkeert de goedmoedigheid van den gezeten boer in wraakzucht. Alle eigenaren vereenigen zich om den misdadiger te vervolgen, en deze is verloren, tenzij een toeval hem redt. Wordt hij gegrepen, niets redt hem van een smartelijken dood. Dan wordt er een lijk gevonden, aan ’t welk geen uitwendige kenteekenen van een gewelddadigen dood zijn te vinden. Men begraaft het lijk, geeft aan de overheid kennis van een en ander en deze meldt zulks verder aan den Gouverneur, de laatste weder aan den Gouverneur-Generaal. Het overschot van den misdadiger, die der volkswoede ten offer viel, is echter reeds in ontbinding overgegaan nog vóór de distriktsarts zou kunnen verschijnen, gesteld dat hij verschijnen wil. Wien de wraak trof blijft onbekend. Op deze wijze, maar niet op last der regeering, verdwijnt thans nog menig banneling, omtrent wiens uiteinde niemand iets weet mede te deelen, de overheid zelfs geen licht[460]kan verschaffen. Ieder banneling echter weet welk lot hem wacht, zoo hij in Siberië als vluchteling steelt of andere misdaden bedrijft. En daarom leeft men hier, te midden van duizenden misdadigers, even veilig als ergens ter wereld, en in elk geval veiliger dan in onze door het uitvaagsel der menschheid verpeste groote steden.Ik heb getracht een getrouw beeld te ontwerpen van de tegenwoordige toestanden, of liever gelijk deze in 1876 waren. Ik heb noch willen verzachten, noch willen verbloemen. Verbanning naar Siberië is en blijft eene straf, eene zware straf. En die straf drukt te zwaarder, naarmate men meer ontwikkeld en beschaafd is, en zij zal in de oogen van den ontwikkelde steeds en immer eene vreeselijke straf blijven. Maar verbanning naar Siberië mag ook niets anders zijn dan straf en moet den ontwikkelde harder treffen dan den niet ontwikkelde. Over de rechtmatigheid van dezen grondregel kan men het oneens zijn, maar hij valt toch niet geheel en al te loochenen. Men kan echter over het lot der Siberische bannelingen eerst dan een rechtvaardig oordeel vellen, wanneer men het vergelijkt met dat van onze misdadigers.Wat wordt er van de ongelukkigen, die onze gevangenissen bevolken? Wat wordt er van hun gezin, hunne vrouw en kinderen? Wat is de toekomst van den misdadiger, wanneer hij de gevangenis verlaten heeft; en welke vooruitzichten heeft hij dan?Het antwoord op deze vragen moge hij geven, die met de toestanden elders in Europa vertrouwd is.Vergelijkt men het lot, dat onze misdadigers staat te wachten, met dat der Siberische bannelingen, dan kan de slotsom niet twijfelachtig zijn. Ieder ware menschenvriend zal moeten instemmen met den wensch, die bij mij in het verre Oosten is opgekomen en die mij sedert niet weder verlaten heeft: „Hadden ook wij een Siberië; het zou beter zijn voor onze misdadigers en ons zelf!”[461]

[Inhoud]XVI.DE KOLONISTEN EN BANNELINGEN VAN SIBERIË.Wie in Siberië niets dan ééne groote gevangenis ziet, dwaalt evenzeer als hij, die dit land beschouwt als ééne onmetelijke ijswoestijn. Wel zendt Rusland ieder jaar duizenden misdadigers of veroordeelden naar Siberië, en wel trekken deze, zoolang zij onderweg zijn, van de eene gevangenis naar de andere; wel zijn de zoodanigen, die zware misdrijven tegen lijf en leven, bezittingen en eigendommen te boeten hebben, zoolang zij gedwongen in Siberië verblijf houden, niet vrij,—maar het kleinste getal van alle misdadigers bevindt zich,zoolang hun straftijd duurt, in werkelijke gevangenschap, en ieder is bij machte door zijn gedrag die gevangenschap meer dragelijk te maken, zelfs zich er van te bevrijden, en dus weldaden te genieten, gelijk aan de bewoners onzer tuchthuizen en gevangenissen niet ten deel valt. Uitgestrekte deelen van het ontzaglijk gebied, dat aan den Russischen scepter onderworpen werd, geheele landen zijn overigens nimmer verbanningsoorden geweest en zullen wel altijd van het bezoek der gedwongen reizigers verschoond blijven, welke laatsten grootere onaangenaamheden, ja zelfs kwellingen onder de bevolking brengen, dan zij zelven te dulden hebben. Langs dezelfde wegen, die vroeger niet dan onder zuchten afgelegd werden, trekken heden ten dage vrije lieden, die in het verre oosten op lotsverbetering hopen. Aan de gedwongen kolonisten sluiten zich anderen aan, die uit eigen beweging derwaarts trekken, en wel naar oorden, die langen tijd in den slechtsten reuk stonden als de meest ongastvrije landen der geheele aarde. Een nieuwe tijd is voor Siberië aangebroken, want de verblinde vrees maakt allengs plaats voor meer verlichte kennis, ook bij zulke personen, die overigens meer toegankelijk zijn voor de eerste dan voor de laatste. De heerschende denkbeelden omtrent Siberië zijn te wijten aan de schriftelijke en mondelinge berichten van ontwikkelde bannelingen, dus van lieden, die de vaste bewoner van Siberië „ongelukkigen” noemt en ook als zoodanig[436]behandelt. Die berichten zijn wel is waar niet zoo geheel bezijden de waarheid, doch voor het grootste deel toch onjuist. Het ongeluk maakt lichaam en ziel blind, en berooft ons van de onbevangenheid, die de eenige grondslag mag en kan zijn van eene richtige beoordeeling van toestanden. De toestanden nu in Siberië zijn veel beter dan men meent, beter zelfs dan in menige bergstreek van Duitschland. In Siberië is de strijd des levens volstrekt niet hard. Gebrek in den eigenlijken zin des woords, ontbering van het noodzakelijke tot onderhoud des lichaams, zijn hier onbekende zaken, en treffen in elk geval slechts hem, die wegens ziekte of andere ongevallen niet in staat is tot werken. Vergeleken met het lot, dat menigen armen Duitschen bergbewoner gedurende zijn geheele leven is opgelegd, die bijna nimmer als overwinnaar uit den strijd des levens te voorschijn treedt, is zelfs het lot van den Siberischen banneling nog vaak benijdenswaardig. Ontbering vindt men ook in Siberië, maar meer in geestelijken dan in lichamelijken zin; wie slechts de aarde bewerkt, vindt daar meer dan hij noodig heeft, en wie haar, de voedster, ontrouw is geworden, en de een of andere daar inheemsche bezigheid koos, dien ook brengt de eerlijke handenarbeid vrij zeker evenveel winst op als de aarde. Zoo zijn de tegenwoordige toestanden, met onbevooroordeeld oog aanschouwd.Ik heb getracht een zoo getrouw mogelijk beeld te ontwerpen van de levensomstandigheden der bewoners van het door mij bereisde deel van Siberië. Ik ben nedergedaald in de laagste diepten der menschelijke ellende, en heb mij vermeid in de zonnige hoogten van alle denkbaar geluk; ik heb verkeerd met moordenaars, straatroovers, brandstichters, dieven, bedriegers, oproerlingen en samenzweerders, met visschers en jagers, herders en boeren, kooplieden en industrieelen, met heeren en knechten, rijken en armen, met wetenschappelijke lieden en ongeletterden, met beambten en rechters, tevredenen en ontevredenen, begeerende menschen en zij die niets meer wenschten, en zulks om mijn waarnemingen te bevestigen, mijne opmerkingen te vermeerderen, mijne besluiten te toetsen, mijne verkeerde opvattingen te verbeteren; ik heb de veiligheidsbeambten ondervraagd naar het lot der bannelingen, en bij de bannelingen zelf inlichtingen ingewonnen omtrent hun toestand; ik heb de misdadigers in hunne gevangenissen opgezocht en ook daarbuiten gadegeslagen; ik heb met boeren, industrieelen, handwerkslieden en kolonisten gesprekken gevoerd, wanneer en waar ik slechts gelegenheid vond; ik heb de inlichtingen, welke ik van deze lieden ontving,[437]vergeleken met die der regeeringsbeambten; ik geloof dan ook, dat ik zooveel ben te weten gekomen als, de snelheid en den korten duur onzer reis in aanmerking genomen, maar eenigszins mogelijk was. In elk geval heb ik zooveel stof verzameld, dat ik mij op mijn eigen ervaringen kan verlaten, wanneer ik mij gereed maak een vluchtig geteekend levensbeeld te schetsen van de bannelingen van Siberië. Mijne schilderij zal wel niet geheel vrij van onnauwkeurigheden zijn, maar in ’t algemeen de uitdrukking mogen heeten van een billijk oordeel.Afgezien van de regeeringsbeambten, de soldaten en ondernemende industrieelen, voornamelijk kooplieden, bestond de aanvoer, dien Siberië uit Rusland ontving, tot in het jaar 1861 uitsluitend uit onvrijwillige verhuizers: lijfeigenen des keizers, die in de bergwerken van den Czar, en misdadigers, die, althans voor een deel, naar de bergwerken van den Staat werden gezonden. Met de opheffing der lijfeigenschap, die eene diep ingrijpende verandering in de sociale toestanden ten gevolge had, dieper dan men aanvankelijk geloofde en nog tegenwoordig inziet, droogde de eerstgenoemde bron als met een tooverslag op. Millioenen menschen werden op het woord van hun zachtmoedigen, groothartigen gebieder vrij; duizenden hunner verlieten de bergwerken en wendden zich naar de vruchtbare aarde, die zij tot nu toe als slaven hadden bewerkt, zoodat de bergwerken, althans die van den Czar, van stonden aan leeg liepen en nu nog onder de gevolgen lijden. Maar het groote kroongoed Altaï werd tevens verrijkt met een nieuw element, dat daaraan tot nog toe vreemd was gebleven, n.l. met een vrijen boerenstand, wel is waar zonder erfelijk landbezit, maar toch vrije boeren van het rijke land, voor en in de plaats van zijne tot nog toe daar wonende kolonisten. De opheffing der lijfeigenschap veranderde evenwel ook den toestand dier Siberische landstreken, die tot op dezen tijd hoofdzakelijk door veroordeelden waren bevolkt geworden, daar het voortaan mogelijk werd ook hier een vrijen boerenstand te vormen. Op deze plaatsen evenwel schijnt de voortdurende toevoer eer belemmerend dan voordeelig gewerkt te hebben; want het meerendeel der veroordeelden, die naar de reeds bevolkte gedeelten des lands gezonden werden, brengt voortdurend onrust onder de gezeten bevolking, en daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat bedoelde landstreken minder vooruit zijn gegaan dan het kroondomein Altaï, dat steeds verschoond is gebleven van bannelingen en hiervan ook wel altijd verschoond zal blijven, zoolang Altaï althans keizerlijk domein blijft.[438]Daarentegen trekken tegenwoordig gedurig nieuwe scharen verhuislustigen derwaarts, en neemt de bevolking in Altaï sneller in bloei toe dan in de overige landen van Siberië.Het is een prachtig stuk lands, dit domein Altaï, en in zoo verre ook een opmerkelijk land, omdat het het grootste is, dat ergens ter wereld gevonden wordt. De vlakke inhoud toch bedraagt in ronde cijfers 400.000 vierkante wersten, of ongeveer 8000 vierk. geogr. mijlen. Het sluit gebergten en vlakke landen in zich, bergland en heuvelland; het ligt tusschen bevaarbare rivieren en dezulke, die met weinig moeite bevaarbaar kunnen gemaakt worden; het bevat nog altijd groote, rentegevende bosschen en in ’t algemeen onmetelijke rijkdommen zoowel onder als boven den grond. Niet minder dan 830 verschillende ertsbeddingen kent men binnen zijn gebied, niet gerekend de overige 270 vindplaatsen, die nog nimmer nader onderzocht werden. Men wandelt in het kroondomein Altaï letterlijk op goud en zilver; want goudhoudende zilverertsen, lood, koper en ijzer, doordringen in een aantal, meest bouwwaardige aderen de bergen, terwijl de rivieren stofgoud afvoeren. Een steenkolenbedding van nog onbekende uitgestrektheid, die hier en daar van 6 tot 8 meter dikte bezit, strekt zich bovendien nog onder een groot gedeelte des lands uit; te oordeelen naar de samenstelling der aan de oppervlakte gelegen gesteenten, mag men aannemen, dat men in het noorden van het kroondomein op één groot steenkolenbekken wandelt. En toch moet men den waren rijkdom van Altaï niet in deze onderaardsche schatten zoeken, maar in den vetten en vruchtbaren grond. Deze bedekt geheele gebergten en hoogvlakten, en waar de bouwaarde in de rivierdalen en laagvlakten bijeengespoeld werd, heeft zij soms een dikte van anderhalven meter. Bevallige, deels majestueuse bergstreken wisselen af met liefelijke, heuvelachtige landschappen en zacht golvende vlakten, die vooral bij de boeren het meest gezocht zijn, steppen met vruchtbare, door een riviertje of beekje doorsneden vlakten, bosschen met welig groeiend hoog zoowel als laag geboomte en parkachtig ingedeeld hout. Een wel is waar niet zacht, maar toch geenszins onverdragelijk klimaat maakt overal eene rentegevende ontginning mogelijk van dien vruchtbaren, grootendeels nog maagdelijken bodem. Het jaar is afgedeeld in een heeten, bijna altijd voortdurenden zomer van vier maanden, in een strengen, onafgebroken winter van vier maanden, in twee natte, koude, onbestendige voorjaarsmaanden en evenveel herfstmaanden van gelijke gesteldheid; en alhoewel de gemiddelde[439]warmte van het goede deel des jaars niet toereikend is om de druiven te doen rijpen, al onze gewone korensoorten gedijen er voortreffelijk, terwijl in de zuidelijke distrikten van het kroondomein zelfs de meloen tot rijpheid komt.Zoo ziet het land er uit, dat reeds meer dan twee menschenleeftijden verschoond is gebleven van verbannen misdadigers en waar heden ten dage kolonisten zijn gezeteld, die men zou wenschen, dat in matig aantal ook in geheel overig Zuid-Siberië, dat niet minder rijk en vruchtbaar is, werden gevonden. Zij laten zich wel is waar niet vergelijken bijonzeerfgezeten boeren, deze landbouwers van het kroondomein Altaï, maar zij hebben het oneindig beter dan de gewone Russische boer. Men ziet het hun aan, dat hunne ouders en grootouders de lijfeigenen zijn geweest van den grootsten en hoogsten heer des Rijks, maar geenszins de slaven van eenen machteloozen en om deze reden eene onbepaalde onderdanigheid eischenden gebieder; men kan bij iedere gelegenheid opmerken hoe het gemis van erfelijk grondbezit hen in geenerlei opzicht gehinderd heeft welvarend te worden, d.w.z. meer te verdienen, dan zij noodig hadden en nu nog noodig hebben.Het lot der bewoners van Altaï was van af den tijd, dat het kroongoed tot eigendom des keizers werd verklaard, een betrekkelijk gunstig, om niet te zeggen een gelukkig lot. Tot de opheffing der lijfeigenschap waren zij zonder eenige uitzondering bij den bergbouw in dienst of althans middellijk daarvoor bedrijvig. Zij, die niet in de mijnen zelf werkten, moesten hout vellen en verkolen, anderen moesten de houtskolen naar de smelthutten brengen, wederom anderen het erts vervoeren. Met de toename der bevolking werd de druk der heerendiensten steeds minder. Omstreeks het midden dezer eeuw kon men reeds over zooveel krachten beschikken, dat de arbeid voor den keizer tot ééne maand in het jaar beperkt werd, alhoewel onder deze voorwaarde, dat ieder leenplichtige een paard moest leveren. De weg, dien de arbeider met dit paard had af te leggen, werd naar deszelfs lengte berekend. Als vergoeding voor de afwezigheid van huis en hof ontving ieder arbeider 75½ kopeken voor den tijd zijns arbeids. Behalve deze weinig beteekenende belooning had echter ieder mijnwerker het recht, van ’s keizers land zooveel grond te bebouwen als hij kon, dit te doen naar eigen goedvinden, en bovendien in ’s keizers bosschen zooveel hout te vellen als hij voor het bouwen zijner woning en voor brandstof noodig had. Belasting had hij niet te betalen. Het aantal arbeiders, dat een dorp[440]moest leveren, richtte zich naar het zielental; de verdeeling der heerendiensten geschiedde door de leden der gemeente zelf.Minder gemakkelijk was het werk, dat de mijnwerkers hadden te verrichten. Zij werden, even gelijk elders de soldaten, uit de dorpen en steden van het kroongoed gerecruteerd, in elk opzicht als soldaten behandeld en eerst na vijf en twintigjarigen diensttijd vrij verklaard. Men verdeelde hen in twee groepen; in de eigenlijke mijnwerkers, die in de ontgonnen groeven afdaalden, en in bergwerkers, die telken jare eene bepaalde, hun aangewezen dienstverrichting binnen een hunzelf overgelaten tijd hadden te volbrengen. Dezen maakten de kolenbranders, houthakkers, metselaars, voerlieden enz. uit, en ontvingen, eens voorgoed, jaarlijks veertien roebel loon. Was de opgedragen taak af, dan waren zij voor ’t overige gedeelte van het jaar vrij en mochten dan doen wat zij wilden. De mijnwerkers daarentegen bleven jaar in, jaar uit in dienst. Zij werkten eene week lang des daags, de volgende week des nachts, hadden elken dag twaalf uren te werken en kregen de derde week vrij. Al naar zijn bekwaamheid ontving ieder mijnwerker ter bekostiging zijner, tegen geld te betalen uitgaven, jaarlijks van zes tot twaalf roebel loon, daarenboven elke maand twee pud meel voor zijn persoonlijke voeding, even zooveel voor zijne vrouw en één pud voor ieder zijner kinderen. Land te bebouwen, vee te fokken, zoo veel hij kon of wilde, dit alles was geoorloofd. Zijne zoons moesten van hun zevende tot hun twaalfde jaar de school bezoeken; van dien tijd af werden zij gedwongen tot hun achttiende jaar als bergknapen zekere diensten te verrichten en ontvingen daarvoor eerst één, later twee roebel belooning per jaar. Had de knaap zijn achttiende jaar bereikt, dan begon zijn dienst in de mijnen.Op den 1enMei 1861, den dag der vrijmaking van alle lijfeigenen in het Russische Rijk, telde men in het kroondomein Altaï 145639 mannelijke zielen, van welke 25267 als mijnwerkers en huttenarbeiders in dienst waren. Zij werden niet allen op denzelfden dag, maar in het tijdsverloop van twee jaren van hun verplichtingen ontslagen. Niet minder dan 12626 verlieten nu de mijnen, om in de vaderlijke dorpen terug te keeren en hier het landbouwbedrijf uit te te oefenen; de anderen bleven in de bergwerken als vrije arbeiders.HUISWAARTS KEERENDE BERGLIEDEN IN ALTAÏ.HUISWAARTS KEERENDE BERGLIEDEN INALTAÏ.Ik geloof niet te dwalen, wanneer ik beweer, dat de geregelde toestanden, die men in het kroondomein veel meer aantreft dan elders, waar ook in westelijk Siberië, toe te schrijven zijn aan dat verleden.[441]De ouders en voorouders der hedendaagsche bevolking van het keizerlijk domein hebben zich, in weêrwil hunner onvrijheid, nimmer onderdrukt of gedrukt gevoeld. Zij waren lijfeigenen, maar die van den heer en gebieder des lands, van dat groote land, in hetwelk de wieg hunner vaderen had gestaan. Zij waren gedwongen voor hunnen heer en meester te werken, en hunne zonen bijna een menschenleeftijd lang in den dienst diens meesters te stellen; maar die heer was de keizer, een bijna goddelijk wezen in hunne oogen. Daarvoor voedde hen de keizer, bevrijdde hij hen van alle lasten van andere staatsburgers, en veroorloofde hij hun zijn land te bebouwen, en daaruit te halen, wat er uit te halen viel; hij verhinderde hen niet welvarend te worden, hij[442]beschermde hen zooveel mogelijk tegen verdrukking door onrechtvaardige ambtenaren en hij werd nog bovendien de weldoener hunner kinderen, door althans een gedeelte te dwingen de school te bezoeken. De beambten, die over hen gesteld waren, hadden hoogere beschaving dan alle andere in dienst der kroon staande lieden; de meesten hadden in Duitschland gestudeerd, waren zelfs voor een goed deel van Duitsche afkomst en voerden, zoo niet Duitsche zeden, toch verlichte denkwijzen in een land in, dat zij in naam des keizers bestuurden. Nog heden is Barnaul, de hoofdstad van het kroondomein, een brandpunt van beschaving, gelijk Siberië geen tweede heeft aan te wijzen; in den tijd van den hoogsten bloei des mijnwezens was Barnaul ontegenzeggelijk de geestelijke hoofdstad van geheel Midden- en Noord-Azië en het van hier uitstralende licht verspreidde des te helderder glans, omdat het in alle bergplaatsen brandpunten vond, die dat licht steeds verder hielpen verspreiden. Zoo nam reeds in vroeger tijd het kroondomein eene bevoorrechte plaats in onder de landen van Siberië.Het is wellicht nimmer een opzettelijk doel van het bestuur des kroondomeins geweest, om den boerenstand vooruit te helpen; tot aan de opheffing der lijfeigenschap zag men in het landbouwbedrijf slechts een middel om den bergbouw te bevorderen. Deze tijden zijn veranderd. Sedert den dag, dat de lijfeigenen tot vrije mannen werden verklaard, is de bergbouw in gelijke mate achteruitgegaan als de landbouw is gaan bloeien. Men heeft nog niet kunnen besluiten om den ouden sleur te laten varen, maar moet die nalatigheid dan ook met zulke hooge sommen betalen, dat de zuivere winst van het mijnwezen tot een minimum is gedaald. Het eenig afdoende middel om verbetering te brengen in den bestaanden toestand zou daarin gelegen zijn, dat men de mijnen liet exploiteeren door energieke ondernemers; maar dit middel heeft men, wel is waar, wel in overweging genomen, maar nog geenszins tot feit doen worden. Vrije beschikking over den grond, zoover de ploeg er in doordringt, was van oudsher gebruikelijk en zulks is eenigermate zelfs recht van gewoonte geworden. Wel bezit niemand in het kroondomein, wij merkten het reeds op, den grond, dien hij bebouwt en waarop zijn huis staat; alles behoort den keizer, en wat des keizers is, is ook, volgens de meening der boeren, het eigendom van „onzen lieven Heer” en deze laatste staat gaarne aan iederen geloovige toe daarvan gebruik te maken. In werkelijkheid heft het domeinbestuur jaarlijks van iedere in bouwland omgezette hektare veertig[443]kopeken pacht; al te streng gaat men hierbij evenwel niet te werk en de boer zijnerzijds voelt evenmin groote verplichting het daarmede heel nauw te nemen. Zoo bebouwt in werkelijkheid elke boer zooveel land als hem lust en hij neemt dit waar hij wil.Men laat den tegenwoordigen boer van het kroondomein slechts recht wedervaren, wanneer men hem afschildert als een goed gebouwden, opgewekten, bekwamen, fatsoenlijken, leergragen, gastvrijen, goedaardigen en barmhartigen man; men zegt ook niet te veel, wanneer men hem welvaart en een hieruit voortspruitend gevoel van eigenwaarde, zelfs zekeren vrijheidszin toekent. Zijn voorkomen getuigt van meer vrijheid en is minder deemoedig dan dat van den Russischen boer. Hij is beleefd en voorkomend, onderdanig en daardoor gemakkelijk te leiden, maar toch niet slaafsch en kruipend, zoodat hij op den vreemdeling geen ongunstigen indruk maakt. Maar ook hij bezit al die eigenschappen, die wij gewoonlijk boerenluimen noemen en nog andere, die den eersten gunstigen indruk aanmerkelijk verzwakken. Niettegenstaande hij meer gelegenheid had om onderwijs te ontvangen dan alle andere Siberiërs van zijn stand, staat de school bij hem in kwaden reuk. Hij is strenggeloovig en zou voor de kerk alles weggeven, wat hij bezit, maar ziet in de school eene inrichting, die den mensch slechter maakt in plaats van hem te beschaven. In herinnering aan de vroegere toestanden, die zeker veel te wenschen overlieten, nog gedachtig aan de tijden toen oude, uitgediende soldaten den scepter in de school zwaaiden en zich niet schaamden de hun toevertrouwde scholieren snaps te laten halen, en hen in dronkenschap dikwijls te mishandelen, is hij ongemeen wantrouwend omtrent alles, wat met de school in betrekking staat; bovendien hangt hij, naar boerenaard, zeer aan het oude en is van oordeel, dat meer kennis dan hijzelf bezit, voor zijn kinderen nadeelig zou zijn, en van deze meening is hij niet af te brengen. Hij staat dus nog op een vrij lagen trap van beschaving. Bij uitzondering verstaat hij de schrijfkunst en onder alle omstandigheden beschouwt hij boeken als geheel nuttelooze zaken. Des te sterker steunpilaar is hij van het bijgeloof, dat zijne kerk steunt en doet bloeien. Hij kent meestentijds de namen der maanden niet, die der heiligen en der feestdagen evenwel des te beter. God en de heiligen, aartsengelen en duivels, dood, hemel en hel houden hem bijna uitsluitend bezig. Men kan hem niet zoozeer licht te bevredigen noemen, maar wel beweren, dat hij onverbeterlijk tevreden is. Meer dan hij noodig heeft om te leven wenscht hij niet,[444]zoodat hij dan ook niet meer werkt dan hij bepaald moet. Maar noch zijn pachthoeve, noch zijn akker, die hij het zijne noemt, kan hem groot genoeg, zijn huisgezin, noch veestapel te talrijk zijn.„Hoe gaat het u hier?” vroeg ik eens, met behulp van den tolk, aan een der oudsten des dorps, dien ik onderweg in mijn wagen had genomen.„„God verdraagt nog onze zonden,”” was het antwoord.„Zijn uwe vrouwen goed, u trouw, genegen en behulpzaam?”„„Er zijn goeden en slechten.””„Zijn uwe kinderen gehoorzaam en geven zij u vreugde?”„„Wij hebben niet over hen te klagen.””„Is het land, dat gij bebouwt vruchtbaar en levert het goede oogsten op?”„„Wanneer wij tienmaal meer inoogsten dan wij gezaaid hebben zijn wij reeds tevreden.””„Groeit uw vee goed?”„„Wij zijn tevreden.””„Hoeveel paarden bezit gij?”„„Twee en dertig; misschien ook wel vijf en dertig.””„Hoeveel paarden gebruikt gij bij den arbeid?”„„Acht à tien, nu en dan twaalf.””„Dus fokt gij de anderen aan om ze te verkoopen?”„„Somtijds verkoop ik er een.””„En wat doet gij met de anderen?”„„Nitschewo.””„Hoeveel runderen en schapen bezit gij?”„„Dat weet ik niet. Mijne vrouw zorgt voor de koeien, schapen en zwijnen.””„Hebt gij veel belasting te betalen?”„„Ik ben tevreden.””„Hebt gij u over een of ander te beklagen?”„„Ik ben tevreden.””„Gij hebt dus over niets te klagen, en alles is hier goed?”„„Neen, niet alles; ik heb eene klacht.””„Welke?”„„Het wordt ongezellig in het land!””„Ongezellig, wat beteekent dit?”„„Nu ja, het wordt ons te klein.””„Te klein, in hoeverre?”[445]„„Och, de dorpen schieten overal uit den grond op als paddestoelen. Men kan zich niet meer roeren en weet niet meer, waar zijn akkers aan te leggen. Indien ik niet te oud ware, ik was reeds lang verhuisd.””„De dorpen schieten als paddenstoelen uit den grond? Waar? Ik zie geen enkel dorp. Hoe ver ligt het naaste dorp van het uwe verwijderd?”„„Vijftien werst.””Zoo spreekt, denkt en oordeelt de boer van het kroondomein. Het groote land is hem niet groot genoeg, en toch zou het twintigste gedeelte van de hoeveelheid, waarover hij naar goedvinden beschikt, genoeg voor hem zijn, indien hij het slechts beter bebouwde. Want de grond is zoo vruchtbaar, dat de geringste moeite in ruime mate beloond wordt. Valt een enkele maal de oogst tegen alle verwachting niet zoo goed uit als gewoonlijk, komt het gebrek de plaats van den overvloed bij hem vervangen, dan beschouwt de boer zulks niet als een natuurlijk gevolg zijner luiheid, maar als een beschikking Gods, als een straf voor zijn zonden.In werkelijkheid gaat het hem, in weerwil van al zijn zonden, bijzonder goed, en hij had meer reden om van eene belooning zijner zonden te spreken. Want niet het gebrek, maar de overvloed benauwt hem. Van regeeringswege wordt aan iederen boer vijftien hektaren van het beste land, in den regel naar eigen keus, voor iedere mannelijke ziel van zijn huisgezin toebedeeld; daar echter van de honderd duizend vierkante werst van het domein tot aan het jaar 1876 slechtstweehonderd en vier en dertig duizendbewoond waren, komt het er nog heden niet op aan, dat elke boer zich meer toeëigent dan hem toekomt, dan wel of hij zich tevreden stelt met zijn wettig deel. Enkele families gebruiken niet minder dan twaalf- tot vijftienhonderd hektaren en het is hun geheel onverschillig of zij het daarvoor benoodigde aantal paarden of nog twintig of dertig daarboven voeden. In werkelijkheid geschiedt het niet zelden, dat de overtollige huisdieren den boeren van het kroongoed van eene zware zorg bevrijden, van de zorg n.l. den hun geworden zegen, dien zij ten gevolge der uiterst gebrekkige verkeersmiddelen niet te gelde kunnen maken, op te gebruiken. In een land, in welks hoofdstad onder gewone omstandigheden het pud of zestien kilogram roggemeel niet meer dan 30 cents, het pud tarwemeel niet meer dan 48 cents, het pud ossenvleesch in[446]den winter hoogstens 72 cents, een schaap ƒ 2.40, een gespeend kalf ƒ 6, een varken ƒ 4.80, een uitstekend paard zelden meer dan ƒ 60 van ons geld kost, drukt elke goede oogst de prijzen dermate, dat de buitengewone zegen in een last verkeert. Wanneer de boer van het kroondomein voor 100K.G.koren niet meer dan 72 cents van ons geld kan verkrijgen, dan wordt hem, die buitendien niet meer werkt dan even noodig is, de vlegel al te zwaar in de hand, de zegen volgens zijn bekrompen begrippen tot een vloek.Deze, nu nog bestaande toestanden geven meteen eene verklaring van de meeste ondeugden, ook van de deugden onzer kolonisten; hun traagheid, hunne nu en dan walging wekkende tevredenheid, hunne onverschilligheid tegenover verliezen, hunne mildheid jegens behoeftigen en barmhartigheid jegens ongelukkigen. Eveneens begrijpen wij nu het allen Siberiërs eigen streven om het aantal bewoners eener plaats zooveel mogelijk te vermeerderen. Het groote land heeft als het ware menschenhonger. Ieder Siberiër beschouwt daarom met welgevallen zijn talrijk huisgezin; en daarom bestaat er in geheel Siberië geen vondelingshuis. Waartoe dit? Iedere vrouw, die meent, dat zij haar kind niet zou kunnen voeden, of van hetzelve wenscht ontslagen te worden, vindt gewillige afnemers voor het kleine wezen.„Geef maar hier,” zegt de boer tot zulk eene onnatuurlijke moeder, „geef maar hier; ik zal ’t wel groot brengen,” en zijn gezicht staat daarbij zoo vroolijk, alsof hem een veulen geboren werd. In vroeger dagen, toen de bevolking nog veel geringer was dan thans, huwelijkte men de nog niet volwassen of pas volwassen kinderen reeds uit, ten einde hun zoo spoedig mogelijk oudervreugde deelachtig te doen worden en arbeiders te kweeken; tegenwoordig trouwen de jongelingen gewoonlijk niet voor hun 18ejaar, maar zoo mogelijk met oudere meisjes, die hoop geven op een zoo spoedig mogelijken kinderzegen, terwijl de ouders des bruidegoms zeer gaarne de meisjes behulpzaam zijn in het hengelen naar een huwbaar jongeling.En om te bewijzen, dat ook de romantiek niet ontbreekt bij de boeren van het Altaï-domein, wil ik hier vermelden, dat geheime huwelijken zelfs in dit land niet zeldzaam zijn en dat almede een van liefde brandend jongeling zich soms niet ontziet het voorwerp zijner aanbidding te schaken. Het laatste geschiedt evenwel meestal met volkomen goedkeuring van alle belanghebbenden, dus ook van de wederzijdsche ouders—want in dit geval spaart men de kosten van eene bruiloft,[447]in casu van den brandewijn. Op een bruiloft toch is het een algemeen gebruik alle dorpsbewoners te onthalen, vooral op de noodige hoeveelheid geestrijk vocht! Het spreekt vanzelf, dat ook in het kroondomein de liefde alle bezwaren, zelfs de tegenkanting der ouders, weet te overwinnen. Het meisje is, gelijk alle meisjes op dit wereldrond, zeer spoedig voor den schaaklustigen jongen gewonnen, en een heilig dienaar der kerk is tegen eene meer dan gewone belooning gaarne te bewegen het trouwformulier er over uit te spreken—alleen de vertoornde ouders zijn niet zoo licht te verzoenen. De moeder vervloekt hare dochter, de vader zijn zoon; beiden bezweren bij alle Heiligen de ondeugende kinderen nooit weer terug te willen zien:„En de Hemel, steeds genadig,Hoort ook zulks met groot geduld.”Toch komt de verandering in deze gezindheid niet van boven, maar een onweêrstaanbaar toovermiddel werkt eindelijk de verzoening uit: „snaps” wordt dit toovermiddel genoemd bij die menschen, welke Duitschlands grond, Woetki bij hen, die Ruslands heilige aarde bewonen. Zoodra de schoonvader drinkt heeft de jonge echtgenoot het pleidooi gewonnen; want mama schoonmoeder drinkt mede, en de foeselhoudende nektar verweekt ook het hardvochtige hart der laatste. Verschijnen dan, als het ware toevallig, nog eenige vrienden op het tooneel, ook deze worden niet teruggewezen en drinken dapper ter eere der verzoening mede; de nu gemaakte kosten toch, zijn in elk geval nog veel geringer dan wanneer het geheele dorp den zegen des hemels voor het jonge paar, al drinkende, had helpen afsmeeken. Wie zou nu nog kunnen loochenen dat de liefde, de reine, heilige liefde zelfs een boerenjongen uit het Altaïgebergte vindingrijk maakt.Een bruidsschat ontvangt het meisje van het kroondomein niet; integendeel, haar moeder verlangt van den bruidegom een geschenk, en eischt dit zelfs, naar vrouwenaard, dikwijls onder huilen en schreien. Slechts wanneer bijzondere omstandigheden in ’t spel zijn, wanneer b.v. op den morgen na de bruiloft, de gasten het bruidshemd, dat zij wenschten te zien, niet overeenkomstig hun verwachtingen vinden, gebeurt wel eens het tegendeel. De verstandige en ervaren schoonpapa bedient zich in dergelijke gevallen van het beproefde toovermiddel, brengt een behoorlijk aantal, vooraf reeds, voorzichtigheidshalve gereed gehouden flesschen te voorschijn, belooft den vertoornden of althans[448]mopperenden schoonzoon een veulen, een os, eenige varkens, enz. De geesten worden rustiger, de verzoening is getroffen.OP WEG NAAR SIBERIË.OP WEG NAAR SIBERIË.Waarom ook zou de bruidegom toornen? Anderen is het eveneens gegaan en de toekomst kan veel goed maken. Vadervreugde kan immers ook onder niet regelmatige omstandigheden zijn deel worden; vadervreugde echter blijft het. Want broodzorgen behoeft ook het armste paartje niet te hebben, als het slechts de handen wil roeren; men helpt het gaarne aan dit en dat, en wanneer de zoo barmhartige hemel slechts eenige jaren matig wil zijn met het uitstorten van zijn zegen, wanneer koorn en vee een redelijken prijs behouden, dan sieren ongetwijfeld na weinig tijds theepotten en schoteltjes een hoektafeltje, zijden dekens het groote twee-slaapsbed, schitterende heiligen-beeldjes den rechter achterhoek, en boven alle beschrijving schoone schilderijen, voorstellende jachten op leeuwen, tijgers, beren, wolven, olifanten, herten en krokodillen de wanden der in geen gegoed boerenhuis ontbrekende, rein en netjes gehouden „mooie kamer.”Een weinig hiervan afwijkend huiselijk leven kan ook het deel worden van alle bannelingen, die naar Siberië „gezonden” worden, voor den een iets vroeger, voor den ander wat later, indien zij slechts zulk een huiselijk levenbegeeren, lang genoeg leven en eenigszins door de fortuin begunstigd worden. Ik heb in Siberië andere denkbeelden over de bannelingen gekregen dan ik koesterde vóór ik Siberië bezocht; ik doe echter vooraf opmerken, dat ik niet tot hen behoor, die meer hart schijnen te hebben voor moordenaars, roovers, brandstichters, dieven of dergelijk gespuis dan voor een vlijtigen huisvader, die in ’t zweet zijns aanschijns het brood voor eene talrijke familie tracht te verdienen, en dat ik mij tot nog toe niet heb kunnen verheffen tot de hoogte van hen, die elke straf willen verminderen, elke gevangenschap verzachten.Elk jaar worden gemiddeld 15000 menschen naar Siberië „gezonden,” gelijk de gewone uitdrukking luidt. Zware misdadigers worden levenslang, minder zware voor een aantal jaren verbannen. Over de gestrengheid en de gebreken van het Russische wetboek spreek ik hier niet; dat daarin de doodstraf voorkomt als slechts toepasselijk op de zwaarste en zeer zeldzaam voorkomende misdaden is zeker geen bewijs voor de hardheid van genoemd wetboek; het ergste is wel, dat zoodanige bannelingen, die wegens staatkundige misdrijven werden veroordeeld, onderweg en dikwijls ook in Siberië op dezelfde wijze behandeld worden als de gemeenste misdadigers.[449]De tot verbanning veroordeelde wordt allereerst van de gevangenis der provinciestad naar die van de gouvernements hoofdstad overgebracht en daarna met den spoortrein, of een gewonen boerenwagen naar Nischni-Nowgorod, Kasan of Perm gezonden. Of men in den tegenwoordigen tijd op voetreizen de misdadigers nog twee aan twee aan een langen keten klinkt en ze noodzaakt dien keten gedurende de geheele reis te dragen, weet ik niet; gezien heb ik zulks nooit en ik ben ook vast overtuigd, dat de bekende zachtaardigheid van den overleden keizer deze oude barbaarsche handelwijs niet gedoogd zou hebben. In de genoemde steden, ook in Tjoemen en Tobolsk bevinden zich ruime doorgangsgevangenissen; onderweg, op alle, tengevolge van het bouwen van een daarmede parallel loopenden spoorweg nog niet verlaten wegen, minder ruime gebouwen, ter opsluiting van de daar den nacht doorbrengende bannelingen. In zooverre dit niet noodzakelijk is worden dezen nimmer gedwongen te voet te gaan, maar door middel van spoorwegen, wagens en stoombooten naar de plaats van bestemming getransporteerd; b.v. van Nischni-Nowgorod of Kasan naar Perm, van Tjoemen uit op de Thoera, Tobolsk, Irtysch, Ob en Tom naar Tomsk. De gevangenissen zijn eenvoudige, maar vrij zindelijke, de daarmede samenhangende, maar op voldoende wijze afgescheiden hospitalen voorbeeldig ingerichte gebouwen, de rivierbooten zeer lange, twee verdiepingen bevattende schepen, die men het best zou kunnen vergelijken bij reusachtige, drijvende kooien, daar de geheele bovenverdieping in het midden, evenals eene vogelkooi, van tralies is voorzien. Elk dier booten, door een stoomschip gesleept, bevat ruimte voor zeshonderd personen, daarenboven een groote keuken, een ziekenzaal, eene kleine apotheek, en tevens afzonderlijke vertrekken voor de bemanning en de begeleidende soldaten. Tusschen Perm en Tjoemen rijden wagens, die eveneens op vogelkooien gelijken en voor het vervoer van de gevaarlijkste misdadigers dienen.Elke banneling ontvangt van regeeringswege een zwaren, grijzen wollen mantel, waarop aan de rugzij een vierkant, al naar den aard van het misdrijf, of liever van de straf, verschillend gekleurd stuk laken is vastgehecht. Hierdoor worden de soldaten, voor zooveel noodig, ingelicht omtrent de personen, over wie zij het toezicht hebben. Iedere „ongelukkige” ontvangt dagelijks tien, is hij van beteren stand vijftien, maar bij langduriger gevangenschap zeven, somtijds vijftien kopeken voor de aanschaffing van zijn voedsel. Deze som is zoo[450]ruim berekend, dat men met eenig overleg daarvoor alle noodzakelijke levensbehoeften kan koopen, ofschoon nog daarenboven iederen dag, de vasten alleen uitgezonderd, aan elken persoon drie kwart pond vleesch wordt uitgereikt. Indien de vrouw en de kinderen de veroordeelden vergezellen, dan ontvangen deze een gelijke som. Bijverdiensten zijn geoorloofd; het door werken of bedelen gewonnen geld vloeit, alhoewel niet altijd ongedeeld, in den zak van den veroordeelde, soms ook wel in den vorm van woettki door zijn keelgat.Zooeven merkte ik op, dat de vrouw en kinderen den veroordeelde mogen vergezellen; ik moet er nog bijvoegen, dat zulks in den regel ook geschiedt. De veroordeeling tot een gestrenge straf, ingevolge van een zwaar misdrijf, levert ook in Rusland een voldoenden grond op om echtscheiding aan te vragen; het staat dus iedere vrouw vrij om haar man in de verbanning te volgen, of thuis te blijven. Zelfs de kinderen boven de 14 jaren hebben het recht voor zich te beslissen, of zij met hunne, naar Siberië trekkende ouders willen meêreizen of niet. Maar de regeering ziet het gaarne, dat vrouw en kind den veroordeelde volgen, werkt zulks op alle mogelijke wijzen in de hand, en houdt zich tevens ernstig onledig met de vraag, in hoeverre de moeilijkheden en onaangenaamheden, aan de reis verbonden, kunnen worden verminderd.Dat deze onder alle omstandigheden drukkend zijn, kan niet geloochend worden; zoo ijselijk evenwel, als zij ons afgeschilderd worden, zijn ze niet. Alleen de allerzwaarste misdadigers worden geboeid naar de plaats van bestemming vervoerd; de anderen genieten meer vrijheden dan onze veroordeelden.Het ellendigst is de reis, wanneer deze op stoombooten of op door deze gesleepte schepen moet worden afgelegd. De bannelingen en hunne gezinnen worden samen in ééne ruimte opgesloten; de gevolgen dezer handelwijs zijn uitspattingen van allerlei aard, waaronder zulke, die moeilijk nader te beschrijven zijn, en deels niet voorkomen kunnen worden, of waarop niet genoegzaam gelet wordt. De slimme dief besteelt den minder schranderen beroepsbroeder, de sterkere overmant den zwakkere; men snijdt de zolen van de laarzen der slapenden, om zich de hier wellicht verborgen banknoten toe te eigenen; de onverbeterlijke zondaar doet den berouwhebbenden wankelen of bederft dengene, bij wien nog hoop bestond op verbetering, in den grond. Wel is waar worden thans de mannelijke en vrouwelijke misdadigers[451]onderweg gescheiden, maar de familieleden blijven bij hun hoofd, en nu loopen de vrouwen en dochters der bannelingen gedurende de reis bestendig gevaar, al moge men zooveel mogelijk trachten zulks te beletten. Daarentegen wordt de reis door middel van stoomschepen ook wederom aanmerkelijk verkort, zoodat de nog niet geheel bedorvenen, en zoo ook de vrije, niet veroordeelde bannelingen te eerder aan die heillooze invloeden worden onttrokken. Bezwaarlijker echter, ofschoon minder gevaarlijk voor de nog niet geheel bedorven veroordeelden, is de reis te land. Een Russische boerenwagen, op Russische wegen, en gereden door Russische, bijna onafgebroken in galop voorthollende paarden, is voorzeker naar onze begrippen een martelwerktuig, maar niet voor de Russen uit den geringen stand, die van hunne jeugd af aan geen beter voertuigen of wegen gewoon waren. De banneling moet, wel is waar, zich hier tevreden stellen met een kleiner plaatsje dan de boer, wanneer deze met zijn gezin uit rijden gaat, daar de wagen vol geladen wordt met zes tot acht personen, maar ook de koetsier en mederijdende soldaat hebben het niet beter dan de veroordeelde; alleen de zware misdadiger maakt daarop eene uitzondering; diens ketens klinken ons bij zulk een rit alleronaangenaamst in de ooren. Een banneling uit den beschaafden stand, b.v. een wegens politiek misdrijf veroordeelde, heeft het natuurlijk vreeselijk te verantwoorden en hij is volkomen in zijn recht, wanneer hij deze reis met de zwartste kleuren afschildert, maar de plaatselijke gesteldheden en landsgewoonten in acht genomen, verliest deze gedwongen verhuizing althans iets van den vloek der wreedheid, die op haar kleeft. En wat eindelijk de voetreizen betreft, deze vinden vooreerst nooit in den winter plaats, worden slechts van krachtige mannen, die kunnen loopen, geëischt, strekken zich over geen langer dagmarschen uit dan veertig werst, en worden om den derden dag met een rustdag in de aan den weg gelegen gevangenis afgewisseld. Ook de soldaat moet alweder te voet gaan, maar deze heeft nog buitendien op de bannelingen te letten en is voor hen verantwoordelijk, zoodat hij het zwaarder heeft dan deze. Even veel gewicht als de moordenaar aan zijn ketens heeft mede te slepen, moet de soldaat torschen aan zijn wapens, pakkage en ammunitie. En de laatste is een trouw dienaar van den staat, de eerste een uitvaagsel der maatschappij.Onrechtvaardig is en blijft het, dat een uit hoogere standen ontsproten en wegens een gemeen misdrijf veroordeelde banneling,[452]indien hij zulks uit eigen middelen of die van anderen kan bekostigen, anders wordt behandeld dan een voor hetzelfde misdrijf veroordeelde uit den geringen stand; aan eerstgenoemden veroorlooft men, onder geleide van twee, voor hunne heen- en terugreis door hem te betalen kozakken, op eene wijze gelijk hij zelf wenscht en dus zoo gemakkelijk mogelijk, naar de plaats zijner verbanning te trekken.Wordt zulks door iederen onbevooroordeelden Rus of Siberiër als eene ongerechtigheid gebrandmerkt, en de waarheid er van onbewimpeld erkend, aan den anderen kant is het even waar dat er van mishandeling der getransporteerden van de zijde der met de overbrenging en bewaking belaste beambten van hoogeren of lageren rang, gelijk door de bannelingen zelf wordt erkend, geen sprake is. Het komt wel eens voor, dat oproerige bannelingen onderweg worden doodgeschoten of op andere wijs voor altijd onschadelijk gemaakt, maar zulke voorvallen behooren tot de grootste zeldzaamheden en zijn noodzakelijke uitvloeisels der omstandigheden, terwijl dit middel dan eerst wordt toegepast als alle andere maatregelen onvoldoende blijken te zijn. De Rus is uit zijn aard niet wreed zooals de Spanjaard, Turk, Griek of Zuid-Slavoniër; veeleer, uit een kwalijk begrepen gevoel van barmhartigheid, soms uit traagheid, te zacht dan te hard; hij spant wel eens mensch en dier boven hun krachten in, maar ze voor zijn vermaak met opzet martelen, dit doet hij nooit. Reeds uit den naam, aan alle bannelingen gegeven, „ongelukkigen” spreekt genoegzaam een diep gevoel des volks, en met dit gevoel van barmhartigheid houdt iedereen rekening, de soldaat en veiligheidsbeambte, de opzichter der gevangenissen en de gevangenbewaarder. Dat sommige onverbeterlijke booswichten zelfs het vroomste lamsgeduld kunnen prikkelen en in flikkerenden toorn veranderen, is te begrijpen; dat eervergeten kantoorklerken op de verbanningsplaatsen zich zelfs het ongeluk schatplichtig maken om in ’t bezit van meer geld te geraken dan de Staat hun aan jaarweddeuitbetaalt, werd mij door bannelingen medegedeeld; dat de ter verbanning veroordeelde opstandelingen van de laatste Poolsche revolutie strenger door de hen begeleidende Russische soldaten werden behandeld dan andere bannelingen, ja zelfs met onverbiddelijke gestrengheid, heeft een gewezen scherprechter, die mij zijne levensgeschiedenis door bemiddeling van een tolk moest verhalen, geklaagd. Voor zulke buitensporigheden de tegenwoordige regeering verantwoordelijk te stellen, gelijk nog altijd geschiedt, haar eeuwige barbaarschheid toe te schrijven, en bestendig[453]van den knoet te spreken, die reeds sedert jaren is afgeschaft, onze oostelijke buren in ’t algemeen als barbaren af te schilderen, dit is eenvoudig zinneloos, omdat zulks in alle opzichten een logen is.Alle vigeerende wetten, verordeningen en inrichtingen bewijzen, dat de regeering op de meest welwillende wijze voor de bannelingen zorgt en zooveel mogelijk er op bedacht is hun lot te verzachten, terwijl iedereen in de gelegenheid wordt gesteld hierin vroeger of later verbetering te brengen. Zoo is het streng verboden de bannelingen met onrechtmatige hardheid te behandelen, en wie dit gebod overtreedt wordt streng gestraft; hun iets op onrechtmatige wijze te onthouden geldt voor een zware misdaad. Overal heerscht het streven de straf te verzachten, zoodra zulks maar eenigszins kan, den veroordeelde aan de menschelijke maatschappij terug te geven, zoodra zulks mogelijk is. Maar men helpt alleen hem, die dit verdient, niet dengene, die beterschap huichelt. Want men fokt in Siberië geen huichelaars, zooals in onze gevangenissen. De bij ons maar al te veel gebruikelijke, walgingwekkende zucht om van de veroordeelden „vromen” te maken, kennen de Russen niet, omdat het in hunne oogen iets is, wat vanzelf spreekt, dat ieder de kerk en de „lieve heiligen” eert en acht, op zijn tijd vast en in ’t algemeen dat doet, hetgeen de in uiterlijke vormen opgaande kerk eischt. Men pakt er het kwaad bij de juiste plaats aan en verkrijgt uitkomsten, die wij de Russen zouden kunnen benijden, of liever benijden moesten.Van de vijftien duizend bannelingen worden telken jare slechts duizend aan de bergwerken overgedragen, terwijl de anderen op verschillende gouvernementen worden ingedeeld of, gelijk het heet, ter kolonisatie verwezen. In de groote gevangenissen scheidt men niet alleen de mannen van de vrouwen, maar ook Christenen, Joden en Mohamedanen; bij de kolonisatie let men eveneens op het geloof. Zoodra de tot eene lichte straf veroordeelde misdadiger de hem aangewezen plaats bereikt heeft, verkrijgt hij van de regeering als laatste gift een woonbewijs, en van nu af mag hij elk eerlijk beroep ongehinderd uitoefenen, niet evenwel zonder toestemming der overheid van het distrikt, waar hij behoort, terwijl hij evenmin het dorp van zijn verblijf mag verlaten, weshalve hij dan ook voortdurend onder politie-toezicht is geplaatst.Waarom hij verbannen werd, over zijn vroeger leven wordt niet gesproken, althans niet met een kwalijk gemeend doel, want „in ’t huis van den gehangene spreekt men niet over den strop.” De bevolking,[454]waaronder hij leeft, stamt ook van zulke „ongelukkigen” af, of bestaat er nog gedeeltelijk uit; en de weinige vrije kolonisten voegen zich naar de zeden en gewoonten der overige Siberiërs. Men helpt de „ongelukkigen” op eene wettige, soms niet eens in alles te rechtvaardigen wijze. Reeds in de algemeene gevangenissen richt men werkplaatsen op, ten einde vlijtige, arbeidzame bannelingen gelegenheid te geven iets uit te voeren; buitendien tracht men door schoolonderwijs het opkomend geslacht in goede banen te leiden, of trekt zich het lot der door de bannelingen achtergelaten weezen met zulk eene opoffering van tijd en geld, met zulk eene waarlijk edele menschlievendheid aan, dat slechts hij, die met blindheid geslagen is, zulke lichtpunten niet ziet, slechts een moedwillig stomme daarvan niet spreken wil. In de gevangenis van Tjoemen bezochten wij de school, alwaar een pope onderricht gaf aan de kinderen van Christenen, Joden en Tataren; het was een verkwikkelijk schouwspel dien langlokkigen, gebaarden, ofschoon nog jeugdigen pope, met zijn Christus-voorkomen, te zien werken. De kinderen der Joden en Tataren moesten, wel is waar, even zoo goed als de Christenkinderen den katechismus der rechtzinnige kerk leeren en opzeggen, en eene stille hoop, dezen of genen der eersten voor het Christendom te winnen, zal wel het hart van den pope hebben vervuld, maar wat beteekent de schade, welke katechismus of pope zou hebben kunnen te weeg brengen, vergeleken bij het nuttige doel, dat men nastreefde? De knapen leerden door den katechismus Russisch lezen, zij leerden nog schrijven en rekenen bovendien, en dit was de hoofdzaak. In datzelfde Tjoemen bezochten wij het door een rijke dame gestichte en ook door haar bestuurde en grootendeels onderhouden weeshuis voor de kinderen van onderweg of in de stadsgevangenis gestorven bannelingen; eene modelinrichting in den uitgestrektsten zin des woords, met vroolijke kindergezichtjes, fraaie leer- en slaapzalen, werk- en speelplaatsen, een klein tooneel met toebehoor; hier zagen wij een werk van barmhartige liefde, waaraan wel niemand den hoogsten eerbied kon ontzeggen. Maar wij zouden nog meer leeren kennen.Te Tjoemen, Omsk, Tobolsk en niet alleen in de steden, maar in de beide betreffende gouvernementen verkeerden wij voortdurend met bannelingen, meerendeels licht veroordeelden, dieven, bedriegers, gauwdieven, landloopers en dergelijk volkje, tevens met oproerige Polen en andere opstandelingen. De direkteur der Bank, die ons gastvrij ontving, was een tot twaalfjarige verbanning veroordeelde Poolsche opstandeling;[455]de schrijnwerker, bij wien wij kisten bestelden, had de post bestolen, de koetsier, die ons reed, had een zwaren diefstal op zijn geweten, de kellner, die ons bediende, had een gast in het hotel bestolen, de vriendelijke man uit Riga, die ons bij ’t overtrekken der Irtysch zoo trouw had bijgestaan, had een officiëel stuk vervalscht,Goldmacher, mijn oppasser te Obdorsk, had Russische meisjes aan Turksche harems verkocht; het meisje, dat onze kamer schoonmaakte, had haar kind vermoord, de apotheker te Omsk, had, naar men ons vertelde, zich met kwade bedoelingen vergist en vergiften toegediend, enz. Wij zagen eindelijk in alle menschen misdadigers, en wij behoefden ons slechts naar een dienaar des gerechts te begeven om te hooren, dat al die achtingswaardige lieden, waarmede wij in aanraking kwamen, kooplieden, notarissen, photografen, tooneelspelers niet uitgezonderd, valsche munters, oplichters, bedriegers enz. waren geweest. En toch, ieder hunner verdiende hier zijn brood, soms meer dan dit, en menigeen, die niet herkend wilde worden, had men niet ongestraft naar zijn verleden kunnen vragen, omdat hij hiermede voor goed gebroken had. Dat een banneling, een gewezen misdadiger zulks kan, dankt hij uitsluitend aan zijne medeburgers en aan de regeering, die het goede voornemen om een nieuw leven te beginnen, naar vermogen bevordert. Men geeft een ieder, die werken wil, werk, zonder van wantrouwen blijk te geven, neemt hem zonder vrees in zijn dienst, gebruikt den voormaligen dief als knecht, koetsier of kok, de kindermoordenares als kindermeid, den veroordeelden handwerksman, waar men hem noodig heeft. En men verzekert, dat het slechts zelden voorkomt, dat men berouw over deze handelwijs moet gevoelen. Zoo wordt menig misdadiger aan de menschelijke maatschappij teruggegeven, tot een niet meer gevaarlijk staatsburger, en de vloek der zonde reikt hier niet tot in het vierde, maar soms niet eens tot het tweede lid. Wat bij ons zoo goed als niet mogelijk is, is in Siberië mogelijk; daar maakt men van een misdadiger een mensch. Dat zulks niet altijd gelukt, dat er ook in Rusland evengoed als bij ons onverbeterlijken zijn, zal geen Siberiër ontkennen, maar het is een opmerkelijk feit, dat in Siberië de door zijne gemeente uitgeworpen landlooper veel gemakkelijker tot een misdadiger wordt, dan dat de gestrafte misdadiger in vroegere zonden terugvalt.Terwijl de tot nog toe besproken bannelingen vrij zijn in hun bedrijf, worden de zware misdadigers tot den arbeid in de mijnen[456]gedwongen. Omtrent Nertschinsk, alwaar 4000 dier ongelukkigen werkzaam zijn, welk aantal nagenoeg stationair blijft, heeft de tegenwoordige hoofdingenieur van het domein, Generaalvon Eichwald, ons uitvoerig ingelicht. Wat de misdadigers zelf aangaat, komt datgene, wat ik vernam, kortelijk op het volgende neêr:Alle, tot den mijnarbeid veroordeelde bannelingen worden, aan de voeten geboeid, ingeleverd en met deze ketenen beladen verrichten zij hetzelfde werk als de vrije mijnwerkers. De verstandige mijnopzichter onder wiens bevelen en opzicht zij werken, behandelt hen reeds ter wille van zijn eigen leven en dat der zijnen menschelijk; want hij heeft geen dienstpersoneel, talrijk genoeg om een eventueel oproer te bedwingen. De misdaad van den veroordeelde is hem bekend; hij vraagt dus niet naar het verleden. Na eenigen tijd storten de meeste misdadigers uit eigen beweging hun hart voor hem uit, en smeeken hem om verzachting van straf. Ook deze misdadigers mochten hun gezin medenemen, of, indien zij ongehuwd zijn, staat het hun vrij eene vrouw te kiezen. Staat hij op deze wijze nog met de maatschappij in betrekking, dan ontwaakt dikwijls, zeer dikwijls zelfs, het geweten; hij krijgt berouw en met dit berouw vat de hoop post in zijn boezem, en op de hoop volgt het voornemen het gebeurde in de vergetelheid te begraven. Hij werkt een of een paar jaren in boeien, gedraagt zich goed en wekt vertrouwen. Zijn opzichter bevrijdt hem van de boeien. Hij blijft zijn voornemen getrouw, arbeidt vlijtig door en begint voor zijn gezin te zorgen. Dat gezin bindt hem aan het aanvankelijk zoo onuitsprekelijk gevreesde vreemde land; dit blijkt beter te zijn dan het gerucht meldt; hij begint tevreden te worden. Nu is het rechte oogenblik gekomen om hem aan de menschheid terug te geven. De ambtenaar schrijft hem op als kolonist. Jaren zijn verloopen sedert hij de misdaad beging; deze staat voor zijn geest als een booze droom. Voor zich ziet hij een wordende boerenhoeve, achter zich de boeien. De geboorteplaats is hem vreemd geworden, met het vreemde land is hij verzoend. Hij wordt boer, arbeidt, komt vooruit, en sterft als een verbeterd mensch. Met dit oogenblik herkrijgen ook zijn kinderen hunne vrijheid, en vrije Siberische burgers bebouwen voortaan het hun door de regeering geschonken stuk gronds. Dit is geen verdichting, maar werkelijkheid.Zeer zeker, niet ieder misdadiger schikt zich in zijn lot. Vol wrok tegen dit lot en de menschheid, ontevreden met alles en allen, onwillig tot den arbeid, misschien ook door heimweê gekweld, althans zuchtende[457]naar vrijheid, vindt de een den ander en beiden zijn op de vlucht bedacht. Weken, maanden, jaren achtereen loeren zij op het gunstige oogenblik; de een maakt den ander nauwkeurig en bij herhaling bekend met zijn geheelen levensloop, schildert hem tot in de kleinste bijzonderheden het dorp, waar hij heeft gewoond, de streek, het huis zijner kindsche jaren, noemt hem al de namen zijner bloedverwanten, van alle dorpsbewoners, die der naburige dorpen, de naaste steden, vergeet niets en prent alles diep in het geheugen zijns kameraads; want hij wil dien naam en die afkomst zich toeëigenen, om in geval hij gevat mocht worden, daarmede de herkenning te bemoeilijken. De ander doet hetzelfde. Een smid wordt voor het plan gewonnen, mede tot de vlucht overgehaald, of anders een of ander werktuig opgespoord, waarmede men de boeien kan verbreken. De lente is tot waarheid geworden, de dag der ontvluchting breekt aan; bij de bestaande inrichting der bergwerken valt het gemakkelijk, ja zeer gemakkelijk, ongezien te ontkomen en eenige uren onopgemerkt te blijven. Is het bosch bereikt, dan zijn de vluchtelingen voor het weder opvangen genoegzaam beveiligd, maar daarom nog niet vrij van alle gevaar. Want de inboorling van dit land, de Toengoes of Jakoet, die stroopend door de bosschen trekt, wordt dikwijls verleid door de pels, die beter is dan de zijne, en een zeker treffende kogel maakt zonder gewetenswroeging, ter wille van dien pels, een eind aan een menschenleven. Zulke omstandigheden niet medegerekend, ontmoet de vluchteling zelden hinderpalen.Ieder Siberiër zal uit een hem ingeschapen gevoel van goedhartigheid, of uit een verkeerd toegepast medelijden, wellicht ook uit vrees of traagheid, den vluchteling eerder helpen dan hem tegenhouden. In alle, ten minste in vele aan den weg gelegen dorpen, plaatsen de boeren om de beurt een grooten pot met melk en leggen ze een goed stuk brood, soms ook een stuk vleesch achter een geopend venster, opdat de in den nacht door het dorp trekkende vluchteling voedsel vinde en hij niet zal genoodzaakt worden zijn toevlucht tot stelen te nemen. Zoolang hij zich tevreden stelt met het hem vrijwillig gegevene, zoolang hij smeekend of bedelend vraagt, zich echter onthoudt van alle ongerechtigheid, niet steelt of rooft, knijpt zelfs de burgemeester de oogen dicht, wanneer er ’s nachts onbekende lieden door het dorp reizen en het voor de „ongelukkigen” bestemde voedsel tot zich nemen, of in de steeds warme, eenzaam gelegen badkamer[458]nachtrust zoeken en vinden. En wanneer een „ongelukkige” op den klaar lichten dag mocht bedelen, verraden doet men hem niet; en wanneer dezelfde „ongelukkige” om een paardetuig vraagt—weigeren zal men hem ook dit niet, zoo men er nog een te veel heeft. Wat hij met dat tuig wil, men weet het. Daar buiten het dorp weiden de paarden, in weêrwil van wolven en beren, zonder eenig toezicht. De vluchteling gaat naar de kudde, werpt een fermen hengst het tuig over den kop, springt op den breeden rug en draaft lustig weg.DE VLUCHT VAN EEN BANNELING.DE VLUCHT VAN EEN BANNELING.„Nikolai Alexandrowitsch,” meldt iemand den eigenaar des paards, „zooeven is een ongelukkige met uw beste ros doorgegaan; hij rijdt den weg op naar Romanowskaja; zullen wij hem nazetten?”[459]„„Nitschewo”” antwoordt Nikolai, „„paardje zal wel weêr terugkomen. Het zal een ongelukkige geweest zijn. Laat hem rijden.””Paardje komt ook zeker weêr terug, want op de weide achter Romanowskaja heeft hij het tegen een ander verruild en rijdt hierop verder, terwijl het eerste paard op welbekende wegen huiswaarts draaft.Op deze wijze geholpen, bereiken negentig van de honderd bannelingen Tjoemen, Perm en zelfs Kasan. Waren zij beter bereisd, hadden zij eenige aardrijkskundige kennis, reisden zij niet altijd langs dezelfde wegen, waarop zij uit Rusland naar Siberië trokken, weder naar hun woonplaats terug, zij zouden, zoo niet altijd, toch in de meeste gevallen hun doel bereiken. Te Tjoemen, Perm en Kasan echter vangt men meest alle vluchtelingen weêr op. En al mocht ook hij, die zijn naam tegen dien van een ander verwisselde, niet uit zijn rol vallen, en al mocht ook een ander op de hem voorgelegde vraag slechts dit ééne antwoord geven: „Ik weet het niet,” noch het een, noch het ander onttrekt hem aan het eindvonnis: terug naar Siberië! terwijl hij nog stokslagen meteen ontvangt, als straf elken achterhaalden vluchteling opgelegd. Hij reist langs denzelfden weg, dien hij als gevonnisde reeds eenmaal bereisde, naar Siberië terug, om wellicht reeds spoedig na zijne aankomst op nieuwe vluchtplannen te zinnen en deze te volvoeren. Er zijn bannelingen, die tot zesmalen toe op deze wijze door Siberië zijn getrokken.Spoediger dan zulke onverbeterlijke vluchtelingen eindigen dezoodanigen hun loopbaan, die zich onderweg laten verleiden om te stelen of andere misdaden te plegen. In zulke gevallen verkeert de goedmoedigheid van den gezeten boer in wraakzucht. Alle eigenaren vereenigen zich om den misdadiger te vervolgen, en deze is verloren, tenzij een toeval hem redt. Wordt hij gegrepen, niets redt hem van een smartelijken dood. Dan wordt er een lijk gevonden, aan ’t welk geen uitwendige kenteekenen van een gewelddadigen dood zijn te vinden. Men begraaft het lijk, geeft aan de overheid kennis van een en ander en deze meldt zulks verder aan den Gouverneur, de laatste weder aan den Gouverneur-Generaal. Het overschot van den misdadiger, die der volkswoede ten offer viel, is echter reeds in ontbinding overgegaan nog vóór de distriktsarts zou kunnen verschijnen, gesteld dat hij verschijnen wil. Wien de wraak trof blijft onbekend. Op deze wijze, maar niet op last der regeering, verdwijnt thans nog menig banneling, omtrent wiens uiteinde niemand iets weet mede te deelen, de overheid zelfs geen licht[460]kan verschaffen. Ieder banneling echter weet welk lot hem wacht, zoo hij in Siberië als vluchteling steelt of andere misdaden bedrijft. En daarom leeft men hier, te midden van duizenden misdadigers, even veilig als ergens ter wereld, en in elk geval veiliger dan in onze door het uitvaagsel der menschheid verpeste groote steden.Ik heb getracht een getrouw beeld te ontwerpen van de tegenwoordige toestanden, of liever gelijk deze in 1876 waren. Ik heb noch willen verzachten, noch willen verbloemen. Verbanning naar Siberië is en blijft eene straf, eene zware straf. En die straf drukt te zwaarder, naarmate men meer ontwikkeld en beschaafd is, en zij zal in de oogen van den ontwikkelde steeds en immer eene vreeselijke straf blijven. Maar verbanning naar Siberië mag ook niets anders zijn dan straf en moet den ontwikkelde harder treffen dan den niet ontwikkelde. Over de rechtmatigheid van dezen grondregel kan men het oneens zijn, maar hij valt toch niet geheel en al te loochenen. Men kan echter over het lot der Siberische bannelingen eerst dan een rechtvaardig oordeel vellen, wanneer men het vergelijkt met dat van onze misdadigers.Wat wordt er van de ongelukkigen, die onze gevangenissen bevolken? Wat wordt er van hun gezin, hunne vrouw en kinderen? Wat is de toekomst van den misdadiger, wanneer hij de gevangenis verlaten heeft; en welke vooruitzichten heeft hij dan?Het antwoord op deze vragen moge hij geven, die met de toestanden elders in Europa vertrouwd is.Vergelijkt men het lot, dat onze misdadigers staat te wachten, met dat der Siberische bannelingen, dan kan de slotsom niet twijfelachtig zijn. Ieder ware menschenvriend zal moeten instemmen met den wensch, die bij mij in het verre Oosten is opgekomen en die mij sedert niet weder verlaten heeft: „Hadden ook wij een Siberië; het zou beter zijn voor onze misdadigers en ons zelf!”[461]

XVI.DE KOLONISTEN EN BANNELINGEN VAN SIBERIË.

Wie in Siberië niets dan ééne groote gevangenis ziet, dwaalt evenzeer als hij, die dit land beschouwt als ééne onmetelijke ijswoestijn. Wel zendt Rusland ieder jaar duizenden misdadigers of veroordeelden naar Siberië, en wel trekken deze, zoolang zij onderweg zijn, van de eene gevangenis naar de andere; wel zijn de zoodanigen, die zware misdrijven tegen lijf en leven, bezittingen en eigendommen te boeten hebben, zoolang zij gedwongen in Siberië verblijf houden, niet vrij,—maar het kleinste getal van alle misdadigers bevindt zich,zoolang hun straftijd duurt, in werkelijke gevangenschap, en ieder is bij machte door zijn gedrag die gevangenschap meer dragelijk te maken, zelfs zich er van te bevrijden, en dus weldaden te genieten, gelijk aan de bewoners onzer tuchthuizen en gevangenissen niet ten deel valt. Uitgestrekte deelen van het ontzaglijk gebied, dat aan den Russischen scepter onderworpen werd, geheele landen zijn overigens nimmer verbanningsoorden geweest en zullen wel altijd van het bezoek der gedwongen reizigers verschoond blijven, welke laatsten grootere onaangenaamheden, ja zelfs kwellingen onder de bevolking brengen, dan zij zelven te dulden hebben. Langs dezelfde wegen, die vroeger niet dan onder zuchten afgelegd werden, trekken heden ten dage vrije lieden, die in het verre oosten op lotsverbetering hopen. Aan de gedwongen kolonisten sluiten zich anderen aan, die uit eigen beweging derwaarts trekken, en wel naar oorden, die langen tijd in den slechtsten reuk stonden als de meest ongastvrije landen der geheele aarde. Een nieuwe tijd is voor Siberië aangebroken, want de verblinde vrees maakt allengs plaats voor meer verlichte kennis, ook bij zulke personen, die overigens meer toegankelijk zijn voor de eerste dan voor de laatste. De heerschende denkbeelden omtrent Siberië zijn te wijten aan de schriftelijke en mondelinge berichten van ontwikkelde bannelingen, dus van lieden, die de vaste bewoner van Siberië „ongelukkigen” noemt en ook als zoodanig[436]behandelt. Die berichten zijn wel is waar niet zoo geheel bezijden de waarheid, doch voor het grootste deel toch onjuist. Het ongeluk maakt lichaam en ziel blind, en berooft ons van de onbevangenheid, die de eenige grondslag mag en kan zijn van eene richtige beoordeeling van toestanden. De toestanden nu in Siberië zijn veel beter dan men meent, beter zelfs dan in menige bergstreek van Duitschland. In Siberië is de strijd des levens volstrekt niet hard. Gebrek in den eigenlijken zin des woords, ontbering van het noodzakelijke tot onderhoud des lichaams, zijn hier onbekende zaken, en treffen in elk geval slechts hem, die wegens ziekte of andere ongevallen niet in staat is tot werken. Vergeleken met het lot, dat menigen armen Duitschen bergbewoner gedurende zijn geheele leven is opgelegd, die bijna nimmer als overwinnaar uit den strijd des levens te voorschijn treedt, is zelfs het lot van den Siberischen banneling nog vaak benijdenswaardig. Ontbering vindt men ook in Siberië, maar meer in geestelijken dan in lichamelijken zin; wie slechts de aarde bewerkt, vindt daar meer dan hij noodig heeft, en wie haar, de voedster, ontrouw is geworden, en de een of andere daar inheemsche bezigheid koos, dien ook brengt de eerlijke handenarbeid vrij zeker evenveel winst op als de aarde. Zoo zijn de tegenwoordige toestanden, met onbevooroordeeld oog aanschouwd.Ik heb getracht een zoo getrouw mogelijk beeld te ontwerpen van de levensomstandigheden der bewoners van het door mij bereisde deel van Siberië. Ik ben nedergedaald in de laagste diepten der menschelijke ellende, en heb mij vermeid in de zonnige hoogten van alle denkbaar geluk; ik heb verkeerd met moordenaars, straatroovers, brandstichters, dieven, bedriegers, oproerlingen en samenzweerders, met visschers en jagers, herders en boeren, kooplieden en industrieelen, met heeren en knechten, rijken en armen, met wetenschappelijke lieden en ongeletterden, met beambten en rechters, tevredenen en ontevredenen, begeerende menschen en zij die niets meer wenschten, en zulks om mijn waarnemingen te bevestigen, mijne opmerkingen te vermeerderen, mijne besluiten te toetsen, mijne verkeerde opvattingen te verbeteren; ik heb de veiligheidsbeambten ondervraagd naar het lot der bannelingen, en bij de bannelingen zelf inlichtingen ingewonnen omtrent hun toestand; ik heb de misdadigers in hunne gevangenissen opgezocht en ook daarbuiten gadegeslagen; ik heb met boeren, industrieelen, handwerkslieden en kolonisten gesprekken gevoerd, wanneer en waar ik slechts gelegenheid vond; ik heb de inlichtingen, welke ik van deze lieden ontving,[437]vergeleken met die der regeeringsbeambten; ik geloof dan ook, dat ik zooveel ben te weten gekomen als, de snelheid en den korten duur onzer reis in aanmerking genomen, maar eenigszins mogelijk was. In elk geval heb ik zooveel stof verzameld, dat ik mij op mijn eigen ervaringen kan verlaten, wanneer ik mij gereed maak een vluchtig geteekend levensbeeld te schetsen van de bannelingen van Siberië. Mijne schilderij zal wel niet geheel vrij van onnauwkeurigheden zijn, maar in ’t algemeen de uitdrukking mogen heeten van een billijk oordeel.Afgezien van de regeeringsbeambten, de soldaten en ondernemende industrieelen, voornamelijk kooplieden, bestond de aanvoer, dien Siberië uit Rusland ontving, tot in het jaar 1861 uitsluitend uit onvrijwillige verhuizers: lijfeigenen des keizers, die in de bergwerken van den Czar, en misdadigers, die, althans voor een deel, naar de bergwerken van den Staat werden gezonden. Met de opheffing der lijfeigenschap, die eene diep ingrijpende verandering in de sociale toestanden ten gevolge had, dieper dan men aanvankelijk geloofde en nog tegenwoordig inziet, droogde de eerstgenoemde bron als met een tooverslag op. Millioenen menschen werden op het woord van hun zachtmoedigen, groothartigen gebieder vrij; duizenden hunner verlieten de bergwerken en wendden zich naar de vruchtbare aarde, die zij tot nu toe als slaven hadden bewerkt, zoodat de bergwerken, althans die van den Czar, van stonden aan leeg liepen en nu nog onder de gevolgen lijden. Maar het groote kroongoed Altaï werd tevens verrijkt met een nieuw element, dat daaraan tot nog toe vreemd was gebleven, n.l. met een vrijen boerenstand, wel is waar zonder erfelijk landbezit, maar toch vrije boeren van het rijke land, voor en in de plaats van zijne tot nog toe daar wonende kolonisten. De opheffing der lijfeigenschap veranderde evenwel ook den toestand dier Siberische landstreken, die tot op dezen tijd hoofdzakelijk door veroordeelden waren bevolkt geworden, daar het voortaan mogelijk werd ook hier een vrijen boerenstand te vormen. Op deze plaatsen evenwel schijnt de voortdurende toevoer eer belemmerend dan voordeelig gewerkt te hebben; want het meerendeel der veroordeelden, die naar de reeds bevolkte gedeelten des lands gezonden werden, brengt voortdurend onrust onder de gezeten bevolking, en daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat bedoelde landstreken minder vooruit zijn gegaan dan het kroondomein Altaï, dat steeds verschoond is gebleven van bannelingen en hiervan ook wel altijd verschoond zal blijven, zoolang Altaï althans keizerlijk domein blijft.[438]Daarentegen trekken tegenwoordig gedurig nieuwe scharen verhuislustigen derwaarts, en neemt de bevolking in Altaï sneller in bloei toe dan in de overige landen van Siberië.Het is een prachtig stuk lands, dit domein Altaï, en in zoo verre ook een opmerkelijk land, omdat het het grootste is, dat ergens ter wereld gevonden wordt. De vlakke inhoud toch bedraagt in ronde cijfers 400.000 vierkante wersten, of ongeveer 8000 vierk. geogr. mijlen. Het sluit gebergten en vlakke landen in zich, bergland en heuvelland; het ligt tusschen bevaarbare rivieren en dezulke, die met weinig moeite bevaarbaar kunnen gemaakt worden; het bevat nog altijd groote, rentegevende bosschen en in ’t algemeen onmetelijke rijkdommen zoowel onder als boven den grond. Niet minder dan 830 verschillende ertsbeddingen kent men binnen zijn gebied, niet gerekend de overige 270 vindplaatsen, die nog nimmer nader onderzocht werden. Men wandelt in het kroondomein Altaï letterlijk op goud en zilver; want goudhoudende zilverertsen, lood, koper en ijzer, doordringen in een aantal, meest bouwwaardige aderen de bergen, terwijl de rivieren stofgoud afvoeren. Een steenkolenbedding van nog onbekende uitgestrektheid, die hier en daar van 6 tot 8 meter dikte bezit, strekt zich bovendien nog onder een groot gedeelte des lands uit; te oordeelen naar de samenstelling der aan de oppervlakte gelegen gesteenten, mag men aannemen, dat men in het noorden van het kroondomein op één groot steenkolenbekken wandelt. En toch moet men den waren rijkdom van Altaï niet in deze onderaardsche schatten zoeken, maar in den vetten en vruchtbaren grond. Deze bedekt geheele gebergten en hoogvlakten, en waar de bouwaarde in de rivierdalen en laagvlakten bijeengespoeld werd, heeft zij soms een dikte van anderhalven meter. Bevallige, deels majestueuse bergstreken wisselen af met liefelijke, heuvelachtige landschappen en zacht golvende vlakten, die vooral bij de boeren het meest gezocht zijn, steppen met vruchtbare, door een riviertje of beekje doorsneden vlakten, bosschen met welig groeiend hoog zoowel als laag geboomte en parkachtig ingedeeld hout. Een wel is waar niet zacht, maar toch geenszins onverdragelijk klimaat maakt overal eene rentegevende ontginning mogelijk van dien vruchtbaren, grootendeels nog maagdelijken bodem. Het jaar is afgedeeld in een heeten, bijna altijd voortdurenden zomer van vier maanden, in een strengen, onafgebroken winter van vier maanden, in twee natte, koude, onbestendige voorjaarsmaanden en evenveel herfstmaanden van gelijke gesteldheid; en alhoewel de gemiddelde[439]warmte van het goede deel des jaars niet toereikend is om de druiven te doen rijpen, al onze gewone korensoorten gedijen er voortreffelijk, terwijl in de zuidelijke distrikten van het kroondomein zelfs de meloen tot rijpheid komt.Zoo ziet het land er uit, dat reeds meer dan twee menschenleeftijden verschoond is gebleven van verbannen misdadigers en waar heden ten dage kolonisten zijn gezeteld, die men zou wenschen, dat in matig aantal ook in geheel overig Zuid-Siberië, dat niet minder rijk en vruchtbaar is, werden gevonden. Zij laten zich wel is waar niet vergelijken bijonzeerfgezeten boeren, deze landbouwers van het kroondomein Altaï, maar zij hebben het oneindig beter dan de gewone Russische boer. Men ziet het hun aan, dat hunne ouders en grootouders de lijfeigenen zijn geweest van den grootsten en hoogsten heer des Rijks, maar geenszins de slaven van eenen machteloozen en om deze reden eene onbepaalde onderdanigheid eischenden gebieder; men kan bij iedere gelegenheid opmerken hoe het gemis van erfelijk grondbezit hen in geenerlei opzicht gehinderd heeft welvarend te worden, d.w.z. meer te verdienen, dan zij noodig hadden en nu nog noodig hebben.Het lot der bewoners van Altaï was van af den tijd, dat het kroongoed tot eigendom des keizers werd verklaard, een betrekkelijk gunstig, om niet te zeggen een gelukkig lot. Tot de opheffing der lijfeigenschap waren zij zonder eenige uitzondering bij den bergbouw in dienst of althans middellijk daarvoor bedrijvig. Zij, die niet in de mijnen zelf werkten, moesten hout vellen en verkolen, anderen moesten de houtskolen naar de smelthutten brengen, wederom anderen het erts vervoeren. Met de toename der bevolking werd de druk der heerendiensten steeds minder. Omstreeks het midden dezer eeuw kon men reeds over zooveel krachten beschikken, dat de arbeid voor den keizer tot ééne maand in het jaar beperkt werd, alhoewel onder deze voorwaarde, dat ieder leenplichtige een paard moest leveren. De weg, dien de arbeider met dit paard had af te leggen, werd naar deszelfs lengte berekend. Als vergoeding voor de afwezigheid van huis en hof ontving ieder arbeider 75½ kopeken voor den tijd zijns arbeids. Behalve deze weinig beteekenende belooning had echter ieder mijnwerker het recht, van ’s keizers land zooveel grond te bebouwen als hij kon, dit te doen naar eigen goedvinden, en bovendien in ’s keizers bosschen zooveel hout te vellen als hij voor het bouwen zijner woning en voor brandstof noodig had. Belasting had hij niet te betalen. Het aantal arbeiders, dat een dorp[440]moest leveren, richtte zich naar het zielental; de verdeeling der heerendiensten geschiedde door de leden der gemeente zelf.Minder gemakkelijk was het werk, dat de mijnwerkers hadden te verrichten. Zij werden, even gelijk elders de soldaten, uit de dorpen en steden van het kroongoed gerecruteerd, in elk opzicht als soldaten behandeld en eerst na vijf en twintigjarigen diensttijd vrij verklaard. Men verdeelde hen in twee groepen; in de eigenlijke mijnwerkers, die in de ontgonnen groeven afdaalden, en in bergwerkers, die telken jare eene bepaalde, hun aangewezen dienstverrichting binnen een hunzelf overgelaten tijd hadden te volbrengen. Dezen maakten de kolenbranders, houthakkers, metselaars, voerlieden enz. uit, en ontvingen, eens voorgoed, jaarlijks veertien roebel loon. Was de opgedragen taak af, dan waren zij voor ’t overige gedeelte van het jaar vrij en mochten dan doen wat zij wilden. De mijnwerkers daarentegen bleven jaar in, jaar uit in dienst. Zij werkten eene week lang des daags, de volgende week des nachts, hadden elken dag twaalf uren te werken en kregen de derde week vrij. Al naar zijn bekwaamheid ontving ieder mijnwerker ter bekostiging zijner, tegen geld te betalen uitgaven, jaarlijks van zes tot twaalf roebel loon, daarenboven elke maand twee pud meel voor zijn persoonlijke voeding, even zooveel voor zijne vrouw en één pud voor ieder zijner kinderen. Land te bebouwen, vee te fokken, zoo veel hij kon of wilde, dit alles was geoorloofd. Zijne zoons moesten van hun zevende tot hun twaalfde jaar de school bezoeken; van dien tijd af werden zij gedwongen tot hun achttiende jaar als bergknapen zekere diensten te verrichten en ontvingen daarvoor eerst één, later twee roebel belooning per jaar. Had de knaap zijn achttiende jaar bereikt, dan begon zijn dienst in de mijnen.Op den 1enMei 1861, den dag der vrijmaking van alle lijfeigenen in het Russische Rijk, telde men in het kroondomein Altaï 145639 mannelijke zielen, van welke 25267 als mijnwerkers en huttenarbeiders in dienst waren. Zij werden niet allen op denzelfden dag, maar in het tijdsverloop van twee jaren van hun verplichtingen ontslagen. Niet minder dan 12626 verlieten nu de mijnen, om in de vaderlijke dorpen terug te keeren en hier het landbouwbedrijf uit te te oefenen; de anderen bleven in de bergwerken als vrije arbeiders.HUISWAARTS KEERENDE BERGLIEDEN IN ALTAÏ.HUISWAARTS KEERENDE BERGLIEDEN INALTAÏ.Ik geloof niet te dwalen, wanneer ik beweer, dat de geregelde toestanden, die men in het kroondomein veel meer aantreft dan elders, waar ook in westelijk Siberië, toe te schrijven zijn aan dat verleden.[441]De ouders en voorouders der hedendaagsche bevolking van het keizerlijk domein hebben zich, in weêrwil hunner onvrijheid, nimmer onderdrukt of gedrukt gevoeld. Zij waren lijfeigenen, maar die van den heer en gebieder des lands, van dat groote land, in hetwelk de wieg hunner vaderen had gestaan. Zij waren gedwongen voor hunnen heer en meester te werken, en hunne zonen bijna een menschenleeftijd lang in den dienst diens meesters te stellen; maar die heer was de keizer, een bijna goddelijk wezen in hunne oogen. Daarvoor voedde hen de keizer, bevrijdde hij hen van alle lasten van andere staatsburgers, en veroorloofde hij hun zijn land te bebouwen, en daaruit te halen, wat er uit te halen viel; hij verhinderde hen niet welvarend te worden, hij[442]beschermde hen zooveel mogelijk tegen verdrukking door onrechtvaardige ambtenaren en hij werd nog bovendien de weldoener hunner kinderen, door althans een gedeelte te dwingen de school te bezoeken. De beambten, die over hen gesteld waren, hadden hoogere beschaving dan alle andere in dienst der kroon staande lieden; de meesten hadden in Duitschland gestudeerd, waren zelfs voor een goed deel van Duitsche afkomst en voerden, zoo niet Duitsche zeden, toch verlichte denkwijzen in een land in, dat zij in naam des keizers bestuurden. Nog heden is Barnaul, de hoofdstad van het kroondomein, een brandpunt van beschaving, gelijk Siberië geen tweede heeft aan te wijzen; in den tijd van den hoogsten bloei des mijnwezens was Barnaul ontegenzeggelijk de geestelijke hoofdstad van geheel Midden- en Noord-Azië en het van hier uitstralende licht verspreidde des te helderder glans, omdat het in alle bergplaatsen brandpunten vond, die dat licht steeds verder hielpen verspreiden. Zoo nam reeds in vroeger tijd het kroondomein eene bevoorrechte plaats in onder de landen van Siberië.Het is wellicht nimmer een opzettelijk doel van het bestuur des kroondomeins geweest, om den boerenstand vooruit te helpen; tot aan de opheffing der lijfeigenschap zag men in het landbouwbedrijf slechts een middel om den bergbouw te bevorderen. Deze tijden zijn veranderd. Sedert den dag, dat de lijfeigenen tot vrije mannen werden verklaard, is de bergbouw in gelijke mate achteruitgegaan als de landbouw is gaan bloeien. Men heeft nog niet kunnen besluiten om den ouden sleur te laten varen, maar moet die nalatigheid dan ook met zulke hooge sommen betalen, dat de zuivere winst van het mijnwezen tot een minimum is gedaald. Het eenig afdoende middel om verbetering te brengen in den bestaanden toestand zou daarin gelegen zijn, dat men de mijnen liet exploiteeren door energieke ondernemers; maar dit middel heeft men, wel is waar, wel in overweging genomen, maar nog geenszins tot feit doen worden. Vrije beschikking over den grond, zoover de ploeg er in doordringt, was van oudsher gebruikelijk en zulks is eenigermate zelfs recht van gewoonte geworden. Wel bezit niemand in het kroondomein, wij merkten het reeds op, den grond, dien hij bebouwt en waarop zijn huis staat; alles behoort den keizer, en wat des keizers is, is ook, volgens de meening der boeren, het eigendom van „onzen lieven Heer” en deze laatste staat gaarne aan iederen geloovige toe daarvan gebruik te maken. In werkelijkheid heft het domeinbestuur jaarlijks van iedere in bouwland omgezette hektare veertig[443]kopeken pacht; al te streng gaat men hierbij evenwel niet te werk en de boer zijnerzijds voelt evenmin groote verplichting het daarmede heel nauw te nemen. Zoo bebouwt in werkelijkheid elke boer zooveel land als hem lust en hij neemt dit waar hij wil.Men laat den tegenwoordigen boer van het kroondomein slechts recht wedervaren, wanneer men hem afschildert als een goed gebouwden, opgewekten, bekwamen, fatsoenlijken, leergragen, gastvrijen, goedaardigen en barmhartigen man; men zegt ook niet te veel, wanneer men hem welvaart en een hieruit voortspruitend gevoel van eigenwaarde, zelfs zekeren vrijheidszin toekent. Zijn voorkomen getuigt van meer vrijheid en is minder deemoedig dan dat van den Russischen boer. Hij is beleefd en voorkomend, onderdanig en daardoor gemakkelijk te leiden, maar toch niet slaafsch en kruipend, zoodat hij op den vreemdeling geen ongunstigen indruk maakt. Maar ook hij bezit al die eigenschappen, die wij gewoonlijk boerenluimen noemen en nog andere, die den eersten gunstigen indruk aanmerkelijk verzwakken. Niettegenstaande hij meer gelegenheid had om onderwijs te ontvangen dan alle andere Siberiërs van zijn stand, staat de school bij hem in kwaden reuk. Hij is strenggeloovig en zou voor de kerk alles weggeven, wat hij bezit, maar ziet in de school eene inrichting, die den mensch slechter maakt in plaats van hem te beschaven. In herinnering aan de vroegere toestanden, die zeker veel te wenschen overlieten, nog gedachtig aan de tijden toen oude, uitgediende soldaten den scepter in de school zwaaiden en zich niet schaamden de hun toevertrouwde scholieren snaps te laten halen, en hen in dronkenschap dikwijls te mishandelen, is hij ongemeen wantrouwend omtrent alles, wat met de school in betrekking staat; bovendien hangt hij, naar boerenaard, zeer aan het oude en is van oordeel, dat meer kennis dan hijzelf bezit, voor zijn kinderen nadeelig zou zijn, en van deze meening is hij niet af te brengen. Hij staat dus nog op een vrij lagen trap van beschaving. Bij uitzondering verstaat hij de schrijfkunst en onder alle omstandigheden beschouwt hij boeken als geheel nuttelooze zaken. Des te sterker steunpilaar is hij van het bijgeloof, dat zijne kerk steunt en doet bloeien. Hij kent meestentijds de namen der maanden niet, die der heiligen en der feestdagen evenwel des te beter. God en de heiligen, aartsengelen en duivels, dood, hemel en hel houden hem bijna uitsluitend bezig. Men kan hem niet zoozeer licht te bevredigen noemen, maar wel beweren, dat hij onverbeterlijk tevreden is. Meer dan hij noodig heeft om te leven wenscht hij niet,[444]zoodat hij dan ook niet meer werkt dan hij bepaald moet. Maar noch zijn pachthoeve, noch zijn akker, die hij het zijne noemt, kan hem groot genoeg, zijn huisgezin, noch veestapel te talrijk zijn.„Hoe gaat het u hier?” vroeg ik eens, met behulp van den tolk, aan een der oudsten des dorps, dien ik onderweg in mijn wagen had genomen.„„God verdraagt nog onze zonden,”” was het antwoord.„Zijn uwe vrouwen goed, u trouw, genegen en behulpzaam?”„„Er zijn goeden en slechten.””„Zijn uwe kinderen gehoorzaam en geven zij u vreugde?”„„Wij hebben niet over hen te klagen.””„Is het land, dat gij bebouwt vruchtbaar en levert het goede oogsten op?”„„Wanneer wij tienmaal meer inoogsten dan wij gezaaid hebben zijn wij reeds tevreden.””„Groeit uw vee goed?”„„Wij zijn tevreden.””„Hoeveel paarden bezit gij?”„„Twee en dertig; misschien ook wel vijf en dertig.””„Hoeveel paarden gebruikt gij bij den arbeid?”„„Acht à tien, nu en dan twaalf.””„Dus fokt gij de anderen aan om ze te verkoopen?”„„Somtijds verkoop ik er een.””„En wat doet gij met de anderen?”„„Nitschewo.””„Hoeveel runderen en schapen bezit gij?”„„Dat weet ik niet. Mijne vrouw zorgt voor de koeien, schapen en zwijnen.””„Hebt gij veel belasting te betalen?”„„Ik ben tevreden.””„Hebt gij u over een of ander te beklagen?”„„Ik ben tevreden.””„Gij hebt dus over niets te klagen, en alles is hier goed?”„„Neen, niet alles; ik heb eene klacht.””„Welke?”„„Het wordt ongezellig in het land!””„Ongezellig, wat beteekent dit?”„„Nu ja, het wordt ons te klein.””„Te klein, in hoeverre?”[445]„„Och, de dorpen schieten overal uit den grond op als paddestoelen. Men kan zich niet meer roeren en weet niet meer, waar zijn akkers aan te leggen. Indien ik niet te oud ware, ik was reeds lang verhuisd.””„De dorpen schieten als paddenstoelen uit den grond? Waar? Ik zie geen enkel dorp. Hoe ver ligt het naaste dorp van het uwe verwijderd?”„„Vijftien werst.””Zoo spreekt, denkt en oordeelt de boer van het kroondomein. Het groote land is hem niet groot genoeg, en toch zou het twintigste gedeelte van de hoeveelheid, waarover hij naar goedvinden beschikt, genoeg voor hem zijn, indien hij het slechts beter bebouwde. Want de grond is zoo vruchtbaar, dat de geringste moeite in ruime mate beloond wordt. Valt een enkele maal de oogst tegen alle verwachting niet zoo goed uit als gewoonlijk, komt het gebrek de plaats van den overvloed bij hem vervangen, dan beschouwt de boer zulks niet als een natuurlijk gevolg zijner luiheid, maar als een beschikking Gods, als een straf voor zijn zonden.In werkelijkheid gaat het hem, in weerwil van al zijn zonden, bijzonder goed, en hij had meer reden om van eene belooning zijner zonden te spreken. Want niet het gebrek, maar de overvloed benauwt hem. Van regeeringswege wordt aan iederen boer vijftien hektaren van het beste land, in den regel naar eigen keus, voor iedere mannelijke ziel van zijn huisgezin toebedeeld; daar echter van de honderd duizend vierkante werst van het domein tot aan het jaar 1876 slechtstweehonderd en vier en dertig duizendbewoond waren, komt het er nog heden niet op aan, dat elke boer zich meer toeëigent dan hem toekomt, dan wel of hij zich tevreden stelt met zijn wettig deel. Enkele families gebruiken niet minder dan twaalf- tot vijftienhonderd hektaren en het is hun geheel onverschillig of zij het daarvoor benoodigde aantal paarden of nog twintig of dertig daarboven voeden. In werkelijkheid geschiedt het niet zelden, dat de overtollige huisdieren den boeren van het kroongoed van eene zware zorg bevrijden, van de zorg n.l. den hun geworden zegen, dien zij ten gevolge der uiterst gebrekkige verkeersmiddelen niet te gelde kunnen maken, op te gebruiken. In een land, in welks hoofdstad onder gewone omstandigheden het pud of zestien kilogram roggemeel niet meer dan 30 cents, het pud tarwemeel niet meer dan 48 cents, het pud ossenvleesch in[446]den winter hoogstens 72 cents, een schaap ƒ 2.40, een gespeend kalf ƒ 6, een varken ƒ 4.80, een uitstekend paard zelden meer dan ƒ 60 van ons geld kost, drukt elke goede oogst de prijzen dermate, dat de buitengewone zegen in een last verkeert. Wanneer de boer van het kroondomein voor 100K.G.koren niet meer dan 72 cents van ons geld kan verkrijgen, dan wordt hem, die buitendien niet meer werkt dan even noodig is, de vlegel al te zwaar in de hand, de zegen volgens zijn bekrompen begrippen tot een vloek.Deze, nu nog bestaande toestanden geven meteen eene verklaring van de meeste ondeugden, ook van de deugden onzer kolonisten; hun traagheid, hunne nu en dan walging wekkende tevredenheid, hunne onverschilligheid tegenover verliezen, hunne mildheid jegens behoeftigen en barmhartigheid jegens ongelukkigen. Eveneens begrijpen wij nu het allen Siberiërs eigen streven om het aantal bewoners eener plaats zooveel mogelijk te vermeerderen. Het groote land heeft als het ware menschenhonger. Ieder Siberiër beschouwt daarom met welgevallen zijn talrijk huisgezin; en daarom bestaat er in geheel Siberië geen vondelingshuis. Waartoe dit? Iedere vrouw, die meent, dat zij haar kind niet zou kunnen voeden, of van hetzelve wenscht ontslagen te worden, vindt gewillige afnemers voor het kleine wezen.„Geef maar hier,” zegt de boer tot zulk eene onnatuurlijke moeder, „geef maar hier; ik zal ’t wel groot brengen,” en zijn gezicht staat daarbij zoo vroolijk, alsof hem een veulen geboren werd. In vroeger dagen, toen de bevolking nog veel geringer was dan thans, huwelijkte men de nog niet volwassen of pas volwassen kinderen reeds uit, ten einde hun zoo spoedig mogelijk oudervreugde deelachtig te doen worden en arbeiders te kweeken; tegenwoordig trouwen de jongelingen gewoonlijk niet voor hun 18ejaar, maar zoo mogelijk met oudere meisjes, die hoop geven op een zoo spoedig mogelijken kinderzegen, terwijl de ouders des bruidegoms zeer gaarne de meisjes behulpzaam zijn in het hengelen naar een huwbaar jongeling.En om te bewijzen, dat ook de romantiek niet ontbreekt bij de boeren van het Altaï-domein, wil ik hier vermelden, dat geheime huwelijken zelfs in dit land niet zeldzaam zijn en dat almede een van liefde brandend jongeling zich soms niet ontziet het voorwerp zijner aanbidding te schaken. Het laatste geschiedt evenwel meestal met volkomen goedkeuring van alle belanghebbenden, dus ook van de wederzijdsche ouders—want in dit geval spaart men de kosten van eene bruiloft,[447]in casu van den brandewijn. Op een bruiloft toch is het een algemeen gebruik alle dorpsbewoners te onthalen, vooral op de noodige hoeveelheid geestrijk vocht! Het spreekt vanzelf, dat ook in het kroondomein de liefde alle bezwaren, zelfs de tegenkanting der ouders, weet te overwinnen. Het meisje is, gelijk alle meisjes op dit wereldrond, zeer spoedig voor den schaaklustigen jongen gewonnen, en een heilig dienaar der kerk is tegen eene meer dan gewone belooning gaarne te bewegen het trouwformulier er over uit te spreken—alleen de vertoornde ouders zijn niet zoo licht te verzoenen. De moeder vervloekt hare dochter, de vader zijn zoon; beiden bezweren bij alle Heiligen de ondeugende kinderen nooit weer terug te willen zien:„En de Hemel, steeds genadig,Hoort ook zulks met groot geduld.”Toch komt de verandering in deze gezindheid niet van boven, maar een onweêrstaanbaar toovermiddel werkt eindelijk de verzoening uit: „snaps” wordt dit toovermiddel genoemd bij die menschen, welke Duitschlands grond, Woetki bij hen, die Ruslands heilige aarde bewonen. Zoodra de schoonvader drinkt heeft de jonge echtgenoot het pleidooi gewonnen; want mama schoonmoeder drinkt mede, en de foeselhoudende nektar verweekt ook het hardvochtige hart der laatste. Verschijnen dan, als het ware toevallig, nog eenige vrienden op het tooneel, ook deze worden niet teruggewezen en drinken dapper ter eere der verzoening mede; de nu gemaakte kosten toch, zijn in elk geval nog veel geringer dan wanneer het geheele dorp den zegen des hemels voor het jonge paar, al drinkende, had helpen afsmeeken. Wie zou nu nog kunnen loochenen dat de liefde, de reine, heilige liefde zelfs een boerenjongen uit het Altaïgebergte vindingrijk maakt.Een bruidsschat ontvangt het meisje van het kroondomein niet; integendeel, haar moeder verlangt van den bruidegom een geschenk, en eischt dit zelfs, naar vrouwenaard, dikwijls onder huilen en schreien. Slechts wanneer bijzondere omstandigheden in ’t spel zijn, wanneer b.v. op den morgen na de bruiloft, de gasten het bruidshemd, dat zij wenschten te zien, niet overeenkomstig hun verwachtingen vinden, gebeurt wel eens het tegendeel. De verstandige en ervaren schoonpapa bedient zich in dergelijke gevallen van het beproefde toovermiddel, brengt een behoorlijk aantal, vooraf reeds, voorzichtigheidshalve gereed gehouden flesschen te voorschijn, belooft den vertoornden of althans[448]mopperenden schoonzoon een veulen, een os, eenige varkens, enz. De geesten worden rustiger, de verzoening is getroffen.OP WEG NAAR SIBERIË.OP WEG NAAR SIBERIË.Waarom ook zou de bruidegom toornen? Anderen is het eveneens gegaan en de toekomst kan veel goed maken. Vadervreugde kan immers ook onder niet regelmatige omstandigheden zijn deel worden; vadervreugde echter blijft het. Want broodzorgen behoeft ook het armste paartje niet te hebben, als het slechts de handen wil roeren; men helpt het gaarne aan dit en dat, en wanneer de zoo barmhartige hemel slechts eenige jaren matig wil zijn met het uitstorten van zijn zegen, wanneer koorn en vee een redelijken prijs behouden, dan sieren ongetwijfeld na weinig tijds theepotten en schoteltjes een hoektafeltje, zijden dekens het groote twee-slaapsbed, schitterende heiligen-beeldjes den rechter achterhoek, en boven alle beschrijving schoone schilderijen, voorstellende jachten op leeuwen, tijgers, beren, wolven, olifanten, herten en krokodillen de wanden der in geen gegoed boerenhuis ontbrekende, rein en netjes gehouden „mooie kamer.”Een weinig hiervan afwijkend huiselijk leven kan ook het deel worden van alle bannelingen, die naar Siberië „gezonden” worden, voor den een iets vroeger, voor den ander wat later, indien zij slechts zulk een huiselijk levenbegeeren, lang genoeg leven en eenigszins door de fortuin begunstigd worden. Ik heb in Siberië andere denkbeelden over de bannelingen gekregen dan ik koesterde vóór ik Siberië bezocht; ik doe echter vooraf opmerken, dat ik niet tot hen behoor, die meer hart schijnen te hebben voor moordenaars, roovers, brandstichters, dieven of dergelijk gespuis dan voor een vlijtigen huisvader, die in ’t zweet zijns aanschijns het brood voor eene talrijke familie tracht te verdienen, en dat ik mij tot nog toe niet heb kunnen verheffen tot de hoogte van hen, die elke straf willen verminderen, elke gevangenschap verzachten.Elk jaar worden gemiddeld 15000 menschen naar Siberië „gezonden,” gelijk de gewone uitdrukking luidt. Zware misdadigers worden levenslang, minder zware voor een aantal jaren verbannen. Over de gestrengheid en de gebreken van het Russische wetboek spreek ik hier niet; dat daarin de doodstraf voorkomt als slechts toepasselijk op de zwaarste en zeer zeldzaam voorkomende misdaden is zeker geen bewijs voor de hardheid van genoemd wetboek; het ergste is wel, dat zoodanige bannelingen, die wegens staatkundige misdrijven werden veroordeeld, onderweg en dikwijls ook in Siberië op dezelfde wijze behandeld worden als de gemeenste misdadigers.[449]De tot verbanning veroordeelde wordt allereerst van de gevangenis der provinciestad naar die van de gouvernements hoofdstad overgebracht en daarna met den spoortrein, of een gewonen boerenwagen naar Nischni-Nowgorod, Kasan of Perm gezonden. Of men in den tegenwoordigen tijd op voetreizen de misdadigers nog twee aan twee aan een langen keten klinkt en ze noodzaakt dien keten gedurende de geheele reis te dragen, weet ik niet; gezien heb ik zulks nooit en ik ben ook vast overtuigd, dat de bekende zachtaardigheid van den overleden keizer deze oude barbaarsche handelwijs niet gedoogd zou hebben. In de genoemde steden, ook in Tjoemen en Tobolsk bevinden zich ruime doorgangsgevangenissen; onderweg, op alle, tengevolge van het bouwen van een daarmede parallel loopenden spoorweg nog niet verlaten wegen, minder ruime gebouwen, ter opsluiting van de daar den nacht doorbrengende bannelingen. In zooverre dit niet noodzakelijk is worden dezen nimmer gedwongen te voet te gaan, maar door middel van spoorwegen, wagens en stoombooten naar de plaats van bestemming getransporteerd; b.v. van Nischni-Nowgorod of Kasan naar Perm, van Tjoemen uit op de Thoera, Tobolsk, Irtysch, Ob en Tom naar Tomsk. De gevangenissen zijn eenvoudige, maar vrij zindelijke, de daarmede samenhangende, maar op voldoende wijze afgescheiden hospitalen voorbeeldig ingerichte gebouwen, de rivierbooten zeer lange, twee verdiepingen bevattende schepen, die men het best zou kunnen vergelijken bij reusachtige, drijvende kooien, daar de geheele bovenverdieping in het midden, evenals eene vogelkooi, van tralies is voorzien. Elk dier booten, door een stoomschip gesleept, bevat ruimte voor zeshonderd personen, daarenboven een groote keuken, een ziekenzaal, eene kleine apotheek, en tevens afzonderlijke vertrekken voor de bemanning en de begeleidende soldaten. Tusschen Perm en Tjoemen rijden wagens, die eveneens op vogelkooien gelijken en voor het vervoer van de gevaarlijkste misdadigers dienen.Elke banneling ontvangt van regeeringswege een zwaren, grijzen wollen mantel, waarop aan de rugzij een vierkant, al naar den aard van het misdrijf, of liever van de straf, verschillend gekleurd stuk laken is vastgehecht. Hierdoor worden de soldaten, voor zooveel noodig, ingelicht omtrent de personen, over wie zij het toezicht hebben. Iedere „ongelukkige” ontvangt dagelijks tien, is hij van beteren stand vijftien, maar bij langduriger gevangenschap zeven, somtijds vijftien kopeken voor de aanschaffing van zijn voedsel. Deze som is zoo[450]ruim berekend, dat men met eenig overleg daarvoor alle noodzakelijke levensbehoeften kan koopen, ofschoon nog daarenboven iederen dag, de vasten alleen uitgezonderd, aan elken persoon drie kwart pond vleesch wordt uitgereikt. Indien de vrouw en de kinderen de veroordeelden vergezellen, dan ontvangen deze een gelijke som. Bijverdiensten zijn geoorloofd; het door werken of bedelen gewonnen geld vloeit, alhoewel niet altijd ongedeeld, in den zak van den veroordeelde, soms ook wel in den vorm van woettki door zijn keelgat.Zooeven merkte ik op, dat de vrouw en kinderen den veroordeelde mogen vergezellen; ik moet er nog bijvoegen, dat zulks in den regel ook geschiedt. De veroordeeling tot een gestrenge straf, ingevolge van een zwaar misdrijf, levert ook in Rusland een voldoenden grond op om echtscheiding aan te vragen; het staat dus iedere vrouw vrij om haar man in de verbanning te volgen, of thuis te blijven. Zelfs de kinderen boven de 14 jaren hebben het recht voor zich te beslissen, of zij met hunne, naar Siberië trekkende ouders willen meêreizen of niet. Maar de regeering ziet het gaarne, dat vrouw en kind den veroordeelde volgen, werkt zulks op alle mogelijke wijzen in de hand, en houdt zich tevens ernstig onledig met de vraag, in hoeverre de moeilijkheden en onaangenaamheden, aan de reis verbonden, kunnen worden verminderd.Dat deze onder alle omstandigheden drukkend zijn, kan niet geloochend worden; zoo ijselijk evenwel, als zij ons afgeschilderd worden, zijn ze niet. Alleen de allerzwaarste misdadigers worden geboeid naar de plaats van bestemming vervoerd; de anderen genieten meer vrijheden dan onze veroordeelden.Het ellendigst is de reis, wanneer deze op stoombooten of op door deze gesleepte schepen moet worden afgelegd. De bannelingen en hunne gezinnen worden samen in ééne ruimte opgesloten; de gevolgen dezer handelwijs zijn uitspattingen van allerlei aard, waaronder zulke, die moeilijk nader te beschrijven zijn, en deels niet voorkomen kunnen worden, of waarop niet genoegzaam gelet wordt. De slimme dief besteelt den minder schranderen beroepsbroeder, de sterkere overmant den zwakkere; men snijdt de zolen van de laarzen der slapenden, om zich de hier wellicht verborgen banknoten toe te eigenen; de onverbeterlijke zondaar doet den berouwhebbenden wankelen of bederft dengene, bij wien nog hoop bestond op verbetering, in den grond. Wel is waar worden thans de mannelijke en vrouwelijke misdadigers[451]onderweg gescheiden, maar de familieleden blijven bij hun hoofd, en nu loopen de vrouwen en dochters der bannelingen gedurende de reis bestendig gevaar, al moge men zooveel mogelijk trachten zulks te beletten. Daarentegen wordt de reis door middel van stoomschepen ook wederom aanmerkelijk verkort, zoodat de nog niet geheel bedorvenen, en zoo ook de vrije, niet veroordeelde bannelingen te eerder aan die heillooze invloeden worden onttrokken. Bezwaarlijker echter, ofschoon minder gevaarlijk voor de nog niet geheel bedorven veroordeelden, is de reis te land. Een Russische boerenwagen, op Russische wegen, en gereden door Russische, bijna onafgebroken in galop voorthollende paarden, is voorzeker naar onze begrippen een martelwerktuig, maar niet voor de Russen uit den geringen stand, die van hunne jeugd af aan geen beter voertuigen of wegen gewoon waren. De banneling moet, wel is waar, zich hier tevreden stellen met een kleiner plaatsje dan de boer, wanneer deze met zijn gezin uit rijden gaat, daar de wagen vol geladen wordt met zes tot acht personen, maar ook de koetsier en mederijdende soldaat hebben het niet beter dan de veroordeelde; alleen de zware misdadiger maakt daarop eene uitzondering; diens ketens klinken ons bij zulk een rit alleronaangenaamst in de ooren. Een banneling uit den beschaafden stand, b.v. een wegens politiek misdrijf veroordeelde, heeft het natuurlijk vreeselijk te verantwoorden en hij is volkomen in zijn recht, wanneer hij deze reis met de zwartste kleuren afschildert, maar de plaatselijke gesteldheden en landsgewoonten in acht genomen, verliest deze gedwongen verhuizing althans iets van den vloek der wreedheid, die op haar kleeft. En wat eindelijk de voetreizen betreft, deze vinden vooreerst nooit in den winter plaats, worden slechts van krachtige mannen, die kunnen loopen, geëischt, strekken zich over geen langer dagmarschen uit dan veertig werst, en worden om den derden dag met een rustdag in de aan den weg gelegen gevangenis afgewisseld. Ook de soldaat moet alweder te voet gaan, maar deze heeft nog buitendien op de bannelingen te letten en is voor hen verantwoordelijk, zoodat hij het zwaarder heeft dan deze. Even veel gewicht als de moordenaar aan zijn ketens heeft mede te slepen, moet de soldaat torschen aan zijn wapens, pakkage en ammunitie. En de laatste is een trouw dienaar van den staat, de eerste een uitvaagsel der maatschappij.Onrechtvaardig is en blijft het, dat een uit hoogere standen ontsproten en wegens een gemeen misdrijf veroordeelde banneling,[452]indien hij zulks uit eigen middelen of die van anderen kan bekostigen, anders wordt behandeld dan een voor hetzelfde misdrijf veroordeelde uit den geringen stand; aan eerstgenoemden veroorlooft men, onder geleide van twee, voor hunne heen- en terugreis door hem te betalen kozakken, op eene wijze gelijk hij zelf wenscht en dus zoo gemakkelijk mogelijk, naar de plaats zijner verbanning te trekken.Wordt zulks door iederen onbevooroordeelden Rus of Siberiër als eene ongerechtigheid gebrandmerkt, en de waarheid er van onbewimpeld erkend, aan den anderen kant is het even waar dat er van mishandeling der getransporteerden van de zijde der met de overbrenging en bewaking belaste beambten van hoogeren of lageren rang, gelijk door de bannelingen zelf wordt erkend, geen sprake is. Het komt wel eens voor, dat oproerige bannelingen onderweg worden doodgeschoten of op andere wijs voor altijd onschadelijk gemaakt, maar zulke voorvallen behooren tot de grootste zeldzaamheden en zijn noodzakelijke uitvloeisels der omstandigheden, terwijl dit middel dan eerst wordt toegepast als alle andere maatregelen onvoldoende blijken te zijn. De Rus is uit zijn aard niet wreed zooals de Spanjaard, Turk, Griek of Zuid-Slavoniër; veeleer, uit een kwalijk begrepen gevoel van barmhartigheid, soms uit traagheid, te zacht dan te hard; hij spant wel eens mensch en dier boven hun krachten in, maar ze voor zijn vermaak met opzet martelen, dit doet hij nooit. Reeds uit den naam, aan alle bannelingen gegeven, „ongelukkigen” spreekt genoegzaam een diep gevoel des volks, en met dit gevoel van barmhartigheid houdt iedereen rekening, de soldaat en veiligheidsbeambte, de opzichter der gevangenissen en de gevangenbewaarder. Dat sommige onverbeterlijke booswichten zelfs het vroomste lamsgeduld kunnen prikkelen en in flikkerenden toorn veranderen, is te begrijpen; dat eervergeten kantoorklerken op de verbanningsplaatsen zich zelfs het ongeluk schatplichtig maken om in ’t bezit van meer geld te geraken dan de Staat hun aan jaarweddeuitbetaalt, werd mij door bannelingen medegedeeld; dat de ter verbanning veroordeelde opstandelingen van de laatste Poolsche revolutie strenger door de hen begeleidende Russische soldaten werden behandeld dan andere bannelingen, ja zelfs met onverbiddelijke gestrengheid, heeft een gewezen scherprechter, die mij zijne levensgeschiedenis door bemiddeling van een tolk moest verhalen, geklaagd. Voor zulke buitensporigheden de tegenwoordige regeering verantwoordelijk te stellen, gelijk nog altijd geschiedt, haar eeuwige barbaarschheid toe te schrijven, en bestendig[453]van den knoet te spreken, die reeds sedert jaren is afgeschaft, onze oostelijke buren in ’t algemeen als barbaren af te schilderen, dit is eenvoudig zinneloos, omdat zulks in alle opzichten een logen is.Alle vigeerende wetten, verordeningen en inrichtingen bewijzen, dat de regeering op de meest welwillende wijze voor de bannelingen zorgt en zooveel mogelijk er op bedacht is hun lot te verzachten, terwijl iedereen in de gelegenheid wordt gesteld hierin vroeger of later verbetering te brengen. Zoo is het streng verboden de bannelingen met onrechtmatige hardheid te behandelen, en wie dit gebod overtreedt wordt streng gestraft; hun iets op onrechtmatige wijze te onthouden geldt voor een zware misdaad. Overal heerscht het streven de straf te verzachten, zoodra zulks maar eenigszins kan, den veroordeelde aan de menschelijke maatschappij terug te geven, zoodra zulks mogelijk is. Maar men helpt alleen hem, die dit verdient, niet dengene, die beterschap huichelt. Want men fokt in Siberië geen huichelaars, zooals in onze gevangenissen. De bij ons maar al te veel gebruikelijke, walgingwekkende zucht om van de veroordeelden „vromen” te maken, kennen de Russen niet, omdat het in hunne oogen iets is, wat vanzelf spreekt, dat ieder de kerk en de „lieve heiligen” eert en acht, op zijn tijd vast en in ’t algemeen dat doet, hetgeen de in uiterlijke vormen opgaande kerk eischt. Men pakt er het kwaad bij de juiste plaats aan en verkrijgt uitkomsten, die wij de Russen zouden kunnen benijden, of liever benijden moesten.Van de vijftien duizend bannelingen worden telken jare slechts duizend aan de bergwerken overgedragen, terwijl de anderen op verschillende gouvernementen worden ingedeeld of, gelijk het heet, ter kolonisatie verwezen. In de groote gevangenissen scheidt men niet alleen de mannen van de vrouwen, maar ook Christenen, Joden en Mohamedanen; bij de kolonisatie let men eveneens op het geloof. Zoodra de tot eene lichte straf veroordeelde misdadiger de hem aangewezen plaats bereikt heeft, verkrijgt hij van de regeering als laatste gift een woonbewijs, en van nu af mag hij elk eerlijk beroep ongehinderd uitoefenen, niet evenwel zonder toestemming der overheid van het distrikt, waar hij behoort, terwijl hij evenmin het dorp van zijn verblijf mag verlaten, weshalve hij dan ook voortdurend onder politie-toezicht is geplaatst.Waarom hij verbannen werd, over zijn vroeger leven wordt niet gesproken, althans niet met een kwalijk gemeend doel, want „in ’t huis van den gehangene spreekt men niet over den strop.” De bevolking,[454]waaronder hij leeft, stamt ook van zulke „ongelukkigen” af, of bestaat er nog gedeeltelijk uit; en de weinige vrije kolonisten voegen zich naar de zeden en gewoonten der overige Siberiërs. Men helpt de „ongelukkigen” op eene wettige, soms niet eens in alles te rechtvaardigen wijze. Reeds in de algemeene gevangenissen richt men werkplaatsen op, ten einde vlijtige, arbeidzame bannelingen gelegenheid te geven iets uit te voeren; buitendien tracht men door schoolonderwijs het opkomend geslacht in goede banen te leiden, of trekt zich het lot der door de bannelingen achtergelaten weezen met zulk eene opoffering van tijd en geld, met zulk eene waarlijk edele menschlievendheid aan, dat slechts hij, die met blindheid geslagen is, zulke lichtpunten niet ziet, slechts een moedwillig stomme daarvan niet spreken wil. In de gevangenis van Tjoemen bezochten wij de school, alwaar een pope onderricht gaf aan de kinderen van Christenen, Joden en Tataren; het was een verkwikkelijk schouwspel dien langlokkigen, gebaarden, ofschoon nog jeugdigen pope, met zijn Christus-voorkomen, te zien werken. De kinderen der Joden en Tataren moesten, wel is waar, even zoo goed als de Christenkinderen den katechismus der rechtzinnige kerk leeren en opzeggen, en eene stille hoop, dezen of genen der eersten voor het Christendom te winnen, zal wel het hart van den pope hebben vervuld, maar wat beteekent de schade, welke katechismus of pope zou hebben kunnen te weeg brengen, vergeleken bij het nuttige doel, dat men nastreefde? De knapen leerden door den katechismus Russisch lezen, zij leerden nog schrijven en rekenen bovendien, en dit was de hoofdzaak. In datzelfde Tjoemen bezochten wij het door een rijke dame gestichte en ook door haar bestuurde en grootendeels onderhouden weeshuis voor de kinderen van onderweg of in de stadsgevangenis gestorven bannelingen; eene modelinrichting in den uitgestrektsten zin des woords, met vroolijke kindergezichtjes, fraaie leer- en slaapzalen, werk- en speelplaatsen, een klein tooneel met toebehoor; hier zagen wij een werk van barmhartige liefde, waaraan wel niemand den hoogsten eerbied kon ontzeggen. Maar wij zouden nog meer leeren kennen.Te Tjoemen, Omsk, Tobolsk en niet alleen in de steden, maar in de beide betreffende gouvernementen verkeerden wij voortdurend met bannelingen, meerendeels licht veroordeelden, dieven, bedriegers, gauwdieven, landloopers en dergelijk volkje, tevens met oproerige Polen en andere opstandelingen. De direkteur der Bank, die ons gastvrij ontving, was een tot twaalfjarige verbanning veroordeelde Poolsche opstandeling;[455]de schrijnwerker, bij wien wij kisten bestelden, had de post bestolen, de koetsier, die ons reed, had een zwaren diefstal op zijn geweten, de kellner, die ons bediende, had een gast in het hotel bestolen, de vriendelijke man uit Riga, die ons bij ’t overtrekken der Irtysch zoo trouw had bijgestaan, had een officiëel stuk vervalscht,Goldmacher, mijn oppasser te Obdorsk, had Russische meisjes aan Turksche harems verkocht; het meisje, dat onze kamer schoonmaakte, had haar kind vermoord, de apotheker te Omsk, had, naar men ons vertelde, zich met kwade bedoelingen vergist en vergiften toegediend, enz. Wij zagen eindelijk in alle menschen misdadigers, en wij behoefden ons slechts naar een dienaar des gerechts te begeven om te hooren, dat al die achtingswaardige lieden, waarmede wij in aanraking kwamen, kooplieden, notarissen, photografen, tooneelspelers niet uitgezonderd, valsche munters, oplichters, bedriegers enz. waren geweest. En toch, ieder hunner verdiende hier zijn brood, soms meer dan dit, en menigeen, die niet herkend wilde worden, had men niet ongestraft naar zijn verleden kunnen vragen, omdat hij hiermede voor goed gebroken had. Dat een banneling, een gewezen misdadiger zulks kan, dankt hij uitsluitend aan zijne medeburgers en aan de regeering, die het goede voornemen om een nieuw leven te beginnen, naar vermogen bevordert. Men geeft een ieder, die werken wil, werk, zonder van wantrouwen blijk te geven, neemt hem zonder vrees in zijn dienst, gebruikt den voormaligen dief als knecht, koetsier of kok, de kindermoordenares als kindermeid, den veroordeelden handwerksman, waar men hem noodig heeft. En men verzekert, dat het slechts zelden voorkomt, dat men berouw over deze handelwijs moet gevoelen. Zoo wordt menig misdadiger aan de menschelijke maatschappij teruggegeven, tot een niet meer gevaarlijk staatsburger, en de vloek der zonde reikt hier niet tot in het vierde, maar soms niet eens tot het tweede lid. Wat bij ons zoo goed als niet mogelijk is, is in Siberië mogelijk; daar maakt men van een misdadiger een mensch. Dat zulks niet altijd gelukt, dat er ook in Rusland evengoed als bij ons onverbeterlijken zijn, zal geen Siberiër ontkennen, maar het is een opmerkelijk feit, dat in Siberië de door zijne gemeente uitgeworpen landlooper veel gemakkelijker tot een misdadiger wordt, dan dat de gestrafte misdadiger in vroegere zonden terugvalt.Terwijl de tot nog toe besproken bannelingen vrij zijn in hun bedrijf, worden de zware misdadigers tot den arbeid in de mijnen[456]gedwongen. Omtrent Nertschinsk, alwaar 4000 dier ongelukkigen werkzaam zijn, welk aantal nagenoeg stationair blijft, heeft de tegenwoordige hoofdingenieur van het domein, Generaalvon Eichwald, ons uitvoerig ingelicht. Wat de misdadigers zelf aangaat, komt datgene, wat ik vernam, kortelijk op het volgende neêr:Alle, tot den mijnarbeid veroordeelde bannelingen worden, aan de voeten geboeid, ingeleverd en met deze ketenen beladen verrichten zij hetzelfde werk als de vrije mijnwerkers. De verstandige mijnopzichter onder wiens bevelen en opzicht zij werken, behandelt hen reeds ter wille van zijn eigen leven en dat der zijnen menschelijk; want hij heeft geen dienstpersoneel, talrijk genoeg om een eventueel oproer te bedwingen. De misdaad van den veroordeelde is hem bekend; hij vraagt dus niet naar het verleden. Na eenigen tijd storten de meeste misdadigers uit eigen beweging hun hart voor hem uit, en smeeken hem om verzachting van straf. Ook deze misdadigers mochten hun gezin medenemen, of, indien zij ongehuwd zijn, staat het hun vrij eene vrouw te kiezen. Staat hij op deze wijze nog met de maatschappij in betrekking, dan ontwaakt dikwijls, zeer dikwijls zelfs, het geweten; hij krijgt berouw en met dit berouw vat de hoop post in zijn boezem, en op de hoop volgt het voornemen het gebeurde in de vergetelheid te begraven. Hij werkt een of een paar jaren in boeien, gedraagt zich goed en wekt vertrouwen. Zijn opzichter bevrijdt hem van de boeien. Hij blijft zijn voornemen getrouw, arbeidt vlijtig door en begint voor zijn gezin te zorgen. Dat gezin bindt hem aan het aanvankelijk zoo onuitsprekelijk gevreesde vreemde land; dit blijkt beter te zijn dan het gerucht meldt; hij begint tevreden te worden. Nu is het rechte oogenblik gekomen om hem aan de menschheid terug te geven. De ambtenaar schrijft hem op als kolonist. Jaren zijn verloopen sedert hij de misdaad beging; deze staat voor zijn geest als een booze droom. Voor zich ziet hij een wordende boerenhoeve, achter zich de boeien. De geboorteplaats is hem vreemd geworden, met het vreemde land is hij verzoend. Hij wordt boer, arbeidt, komt vooruit, en sterft als een verbeterd mensch. Met dit oogenblik herkrijgen ook zijn kinderen hunne vrijheid, en vrije Siberische burgers bebouwen voortaan het hun door de regeering geschonken stuk gronds. Dit is geen verdichting, maar werkelijkheid.Zeer zeker, niet ieder misdadiger schikt zich in zijn lot. Vol wrok tegen dit lot en de menschheid, ontevreden met alles en allen, onwillig tot den arbeid, misschien ook door heimweê gekweld, althans zuchtende[457]naar vrijheid, vindt de een den ander en beiden zijn op de vlucht bedacht. Weken, maanden, jaren achtereen loeren zij op het gunstige oogenblik; de een maakt den ander nauwkeurig en bij herhaling bekend met zijn geheelen levensloop, schildert hem tot in de kleinste bijzonderheden het dorp, waar hij heeft gewoond, de streek, het huis zijner kindsche jaren, noemt hem al de namen zijner bloedverwanten, van alle dorpsbewoners, die der naburige dorpen, de naaste steden, vergeet niets en prent alles diep in het geheugen zijns kameraads; want hij wil dien naam en die afkomst zich toeëigenen, om in geval hij gevat mocht worden, daarmede de herkenning te bemoeilijken. De ander doet hetzelfde. Een smid wordt voor het plan gewonnen, mede tot de vlucht overgehaald, of anders een of ander werktuig opgespoord, waarmede men de boeien kan verbreken. De lente is tot waarheid geworden, de dag der ontvluchting breekt aan; bij de bestaande inrichting der bergwerken valt het gemakkelijk, ja zeer gemakkelijk, ongezien te ontkomen en eenige uren onopgemerkt te blijven. Is het bosch bereikt, dan zijn de vluchtelingen voor het weder opvangen genoegzaam beveiligd, maar daarom nog niet vrij van alle gevaar. Want de inboorling van dit land, de Toengoes of Jakoet, die stroopend door de bosschen trekt, wordt dikwijls verleid door de pels, die beter is dan de zijne, en een zeker treffende kogel maakt zonder gewetenswroeging, ter wille van dien pels, een eind aan een menschenleven. Zulke omstandigheden niet medegerekend, ontmoet de vluchteling zelden hinderpalen.Ieder Siberiër zal uit een hem ingeschapen gevoel van goedhartigheid, of uit een verkeerd toegepast medelijden, wellicht ook uit vrees of traagheid, den vluchteling eerder helpen dan hem tegenhouden. In alle, ten minste in vele aan den weg gelegen dorpen, plaatsen de boeren om de beurt een grooten pot met melk en leggen ze een goed stuk brood, soms ook een stuk vleesch achter een geopend venster, opdat de in den nacht door het dorp trekkende vluchteling voedsel vinde en hij niet zal genoodzaakt worden zijn toevlucht tot stelen te nemen. Zoolang hij zich tevreden stelt met het hem vrijwillig gegevene, zoolang hij smeekend of bedelend vraagt, zich echter onthoudt van alle ongerechtigheid, niet steelt of rooft, knijpt zelfs de burgemeester de oogen dicht, wanneer er ’s nachts onbekende lieden door het dorp reizen en het voor de „ongelukkigen” bestemde voedsel tot zich nemen, of in de steeds warme, eenzaam gelegen badkamer[458]nachtrust zoeken en vinden. En wanneer een „ongelukkige” op den klaar lichten dag mocht bedelen, verraden doet men hem niet; en wanneer dezelfde „ongelukkige” om een paardetuig vraagt—weigeren zal men hem ook dit niet, zoo men er nog een te veel heeft. Wat hij met dat tuig wil, men weet het. Daar buiten het dorp weiden de paarden, in weêrwil van wolven en beren, zonder eenig toezicht. De vluchteling gaat naar de kudde, werpt een fermen hengst het tuig over den kop, springt op den breeden rug en draaft lustig weg.DE VLUCHT VAN EEN BANNELING.DE VLUCHT VAN EEN BANNELING.„Nikolai Alexandrowitsch,” meldt iemand den eigenaar des paards, „zooeven is een ongelukkige met uw beste ros doorgegaan; hij rijdt den weg op naar Romanowskaja; zullen wij hem nazetten?”[459]„„Nitschewo”” antwoordt Nikolai, „„paardje zal wel weêr terugkomen. Het zal een ongelukkige geweest zijn. Laat hem rijden.””Paardje komt ook zeker weêr terug, want op de weide achter Romanowskaja heeft hij het tegen een ander verruild en rijdt hierop verder, terwijl het eerste paard op welbekende wegen huiswaarts draaft.Op deze wijze geholpen, bereiken negentig van de honderd bannelingen Tjoemen, Perm en zelfs Kasan. Waren zij beter bereisd, hadden zij eenige aardrijkskundige kennis, reisden zij niet altijd langs dezelfde wegen, waarop zij uit Rusland naar Siberië trokken, weder naar hun woonplaats terug, zij zouden, zoo niet altijd, toch in de meeste gevallen hun doel bereiken. Te Tjoemen, Perm en Kasan echter vangt men meest alle vluchtelingen weêr op. En al mocht ook hij, die zijn naam tegen dien van een ander verwisselde, niet uit zijn rol vallen, en al mocht ook een ander op de hem voorgelegde vraag slechts dit ééne antwoord geven: „Ik weet het niet,” noch het een, noch het ander onttrekt hem aan het eindvonnis: terug naar Siberië! terwijl hij nog stokslagen meteen ontvangt, als straf elken achterhaalden vluchteling opgelegd. Hij reist langs denzelfden weg, dien hij als gevonnisde reeds eenmaal bereisde, naar Siberië terug, om wellicht reeds spoedig na zijne aankomst op nieuwe vluchtplannen te zinnen en deze te volvoeren. Er zijn bannelingen, die tot zesmalen toe op deze wijze door Siberië zijn getrokken.Spoediger dan zulke onverbeterlijke vluchtelingen eindigen dezoodanigen hun loopbaan, die zich onderweg laten verleiden om te stelen of andere misdaden te plegen. In zulke gevallen verkeert de goedmoedigheid van den gezeten boer in wraakzucht. Alle eigenaren vereenigen zich om den misdadiger te vervolgen, en deze is verloren, tenzij een toeval hem redt. Wordt hij gegrepen, niets redt hem van een smartelijken dood. Dan wordt er een lijk gevonden, aan ’t welk geen uitwendige kenteekenen van een gewelddadigen dood zijn te vinden. Men begraaft het lijk, geeft aan de overheid kennis van een en ander en deze meldt zulks verder aan den Gouverneur, de laatste weder aan den Gouverneur-Generaal. Het overschot van den misdadiger, die der volkswoede ten offer viel, is echter reeds in ontbinding overgegaan nog vóór de distriktsarts zou kunnen verschijnen, gesteld dat hij verschijnen wil. Wien de wraak trof blijft onbekend. Op deze wijze, maar niet op last der regeering, verdwijnt thans nog menig banneling, omtrent wiens uiteinde niemand iets weet mede te deelen, de overheid zelfs geen licht[460]kan verschaffen. Ieder banneling echter weet welk lot hem wacht, zoo hij in Siberië als vluchteling steelt of andere misdaden bedrijft. En daarom leeft men hier, te midden van duizenden misdadigers, even veilig als ergens ter wereld, en in elk geval veiliger dan in onze door het uitvaagsel der menschheid verpeste groote steden.Ik heb getracht een getrouw beeld te ontwerpen van de tegenwoordige toestanden, of liever gelijk deze in 1876 waren. Ik heb noch willen verzachten, noch willen verbloemen. Verbanning naar Siberië is en blijft eene straf, eene zware straf. En die straf drukt te zwaarder, naarmate men meer ontwikkeld en beschaafd is, en zij zal in de oogen van den ontwikkelde steeds en immer eene vreeselijke straf blijven. Maar verbanning naar Siberië mag ook niets anders zijn dan straf en moet den ontwikkelde harder treffen dan den niet ontwikkelde. Over de rechtmatigheid van dezen grondregel kan men het oneens zijn, maar hij valt toch niet geheel en al te loochenen. Men kan echter over het lot der Siberische bannelingen eerst dan een rechtvaardig oordeel vellen, wanneer men het vergelijkt met dat van onze misdadigers.Wat wordt er van de ongelukkigen, die onze gevangenissen bevolken? Wat wordt er van hun gezin, hunne vrouw en kinderen? Wat is de toekomst van den misdadiger, wanneer hij de gevangenis verlaten heeft; en welke vooruitzichten heeft hij dan?Het antwoord op deze vragen moge hij geven, die met de toestanden elders in Europa vertrouwd is.Vergelijkt men het lot, dat onze misdadigers staat te wachten, met dat der Siberische bannelingen, dan kan de slotsom niet twijfelachtig zijn. Ieder ware menschenvriend zal moeten instemmen met den wensch, die bij mij in het verre Oosten is opgekomen en die mij sedert niet weder verlaten heeft: „Hadden ook wij een Siberië; het zou beter zijn voor onze misdadigers en ons zelf!”[461]

Wie in Siberië niets dan ééne groote gevangenis ziet, dwaalt evenzeer als hij, die dit land beschouwt als ééne onmetelijke ijswoestijn. Wel zendt Rusland ieder jaar duizenden misdadigers of veroordeelden naar Siberië, en wel trekken deze, zoolang zij onderweg zijn, van de eene gevangenis naar de andere; wel zijn de zoodanigen, die zware misdrijven tegen lijf en leven, bezittingen en eigendommen te boeten hebben, zoolang zij gedwongen in Siberië verblijf houden, niet vrij,—maar het kleinste getal van alle misdadigers bevindt zich,zoolang hun straftijd duurt, in werkelijke gevangenschap, en ieder is bij machte door zijn gedrag die gevangenschap meer dragelijk te maken, zelfs zich er van te bevrijden, en dus weldaden te genieten, gelijk aan de bewoners onzer tuchthuizen en gevangenissen niet ten deel valt. Uitgestrekte deelen van het ontzaglijk gebied, dat aan den Russischen scepter onderworpen werd, geheele landen zijn overigens nimmer verbanningsoorden geweest en zullen wel altijd van het bezoek der gedwongen reizigers verschoond blijven, welke laatsten grootere onaangenaamheden, ja zelfs kwellingen onder de bevolking brengen, dan zij zelven te dulden hebben. Langs dezelfde wegen, die vroeger niet dan onder zuchten afgelegd werden, trekken heden ten dage vrije lieden, die in het verre oosten op lotsverbetering hopen. Aan de gedwongen kolonisten sluiten zich anderen aan, die uit eigen beweging derwaarts trekken, en wel naar oorden, die langen tijd in den slechtsten reuk stonden als de meest ongastvrije landen der geheele aarde. Een nieuwe tijd is voor Siberië aangebroken, want de verblinde vrees maakt allengs plaats voor meer verlichte kennis, ook bij zulke personen, die overigens meer toegankelijk zijn voor de eerste dan voor de laatste. De heerschende denkbeelden omtrent Siberië zijn te wijten aan de schriftelijke en mondelinge berichten van ontwikkelde bannelingen, dus van lieden, die de vaste bewoner van Siberië „ongelukkigen” noemt en ook als zoodanig[436]behandelt. Die berichten zijn wel is waar niet zoo geheel bezijden de waarheid, doch voor het grootste deel toch onjuist. Het ongeluk maakt lichaam en ziel blind, en berooft ons van de onbevangenheid, die de eenige grondslag mag en kan zijn van eene richtige beoordeeling van toestanden. De toestanden nu in Siberië zijn veel beter dan men meent, beter zelfs dan in menige bergstreek van Duitschland. In Siberië is de strijd des levens volstrekt niet hard. Gebrek in den eigenlijken zin des woords, ontbering van het noodzakelijke tot onderhoud des lichaams, zijn hier onbekende zaken, en treffen in elk geval slechts hem, die wegens ziekte of andere ongevallen niet in staat is tot werken. Vergeleken met het lot, dat menigen armen Duitschen bergbewoner gedurende zijn geheele leven is opgelegd, die bijna nimmer als overwinnaar uit den strijd des levens te voorschijn treedt, is zelfs het lot van den Siberischen banneling nog vaak benijdenswaardig. Ontbering vindt men ook in Siberië, maar meer in geestelijken dan in lichamelijken zin; wie slechts de aarde bewerkt, vindt daar meer dan hij noodig heeft, en wie haar, de voedster, ontrouw is geworden, en de een of andere daar inheemsche bezigheid koos, dien ook brengt de eerlijke handenarbeid vrij zeker evenveel winst op als de aarde. Zoo zijn de tegenwoordige toestanden, met onbevooroordeeld oog aanschouwd.

Ik heb getracht een zoo getrouw mogelijk beeld te ontwerpen van de levensomstandigheden der bewoners van het door mij bereisde deel van Siberië. Ik ben nedergedaald in de laagste diepten der menschelijke ellende, en heb mij vermeid in de zonnige hoogten van alle denkbaar geluk; ik heb verkeerd met moordenaars, straatroovers, brandstichters, dieven, bedriegers, oproerlingen en samenzweerders, met visschers en jagers, herders en boeren, kooplieden en industrieelen, met heeren en knechten, rijken en armen, met wetenschappelijke lieden en ongeletterden, met beambten en rechters, tevredenen en ontevredenen, begeerende menschen en zij die niets meer wenschten, en zulks om mijn waarnemingen te bevestigen, mijne opmerkingen te vermeerderen, mijne besluiten te toetsen, mijne verkeerde opvattingen te verbeteren; ik heb de veiligheidsbeambten ondervraagd naar het lot der bannelingen, en bij de bannelingen zelf inlichtingen ingewonnen omtrent hun toestand; ik heb de misdadigers in hunne gevangenissen opgezocht en ook daarbuiten gadegeslagen; ik heb met boeren, industrieelen, handwerkslieden en kolonisten gesprekken gevoerd, wanneer en waar ik slechts gelegenheid vond; ik heb de inlichtingen, welke ik van deze lieden ontving,[437]vergeleken met die der regeeringsbeambten; ik geloof dan ook, dat ik zooveel ben te weten gekomen als, de snelheid en den korten duur onzer reis in aanmerking genomen, maar eenigszins mogelijk was. In elk geval heb ik zooveel stof verzameld, dat ik mij op mijn eigen ervaringen kan verlaten, wanneer ik mij gereed maak een vluchtig geteekend levensbeeld te schetsen van de bannelingen van Siberië. Mijne schilderij zal wel niet geheel vrij van onnauwkeurigheden zijn, maar in ’t algemeen de uitdrukking mogen heeten van een billijk oordeel.

Afgezien van de regeeringsbeambten, de soldaten en ondernemende industrieelen, voornamelijk kooplieden, bestond de aanvoer, dien Siberië uit Rusland ontving, tot in het jaar 1861 uitsluitend uit onvrijwillige verhuizers: lijfeigenen des keizers, die in de bergwerken van den Czar, en misdadigers, die, althans voor een deel, naar de bergwerken van den Staat werden gezonden. Met de opheffing der lijfeigenschap, die eene diep ingrijpende verandering in de sociale toestanden ten gevolge had, dieper dan men aanvankelijk geloofde en nog tegenwoordig inziet, droogde de eerstgenoemde bron als met een tooverslag op. Millioenen menschen werden op het woord van hun zachtmoedigen, groothartigen gebieder vrij; duizenden hunner verlieten de bergwerken en wendden zich naar de vruchtbare aarde, die zij tot nu toe als slaven hadden bewerkt, zoodat de bergwerken, althans die van den Czar, van stonden aan leeg liepen en nu nog onder de gevolgen lijden. Maar het groote kroongoed Altaï werd tevens verrijkt met een nieuw element, dat daaraan tot nog toe vreemd was gebleven, n.l. met een vrijen boerenstand, wel is waar zonder erfelijk landbezit, maar toch vrije boeren van het rijke land, voor en in de plaats van zijne tot nog toe daar wonende kolonisten. De opheffing der lijfeigenschap veranderde evenwel ook den toestand dier Siberische landstreken, die tot op dezen tijd hoofdzakelijk door veroordeelden waren bevolkt geworden, daar het voortaan mogelijk werd ook hier een vrijen boerenstand te vormen. Op deze plaatsen evenwel schijnt de voortdurende toevoer eer belemmerend dan voordeelig gewerkt te hebben; want het meerendeel der veroordeelden, die naar de reeds bevolkte gedeelten des lands gezonden werden, brengt voortdurend onrust onder de gezeten bevolking, en daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat bedoelde landstreken minder vooruit zijn gegaan dan het kroondomein Altaï, dat steeds verschoond is gebleven van bannelingen en hiervan ook wel altijd verschoond zal blijven, zoolang Altaï althans keizerlijk domein blijft.[438]Daarentegen trekken tegenwoordig gedurig nieuwe scharen verhuislustigen derwaarts, en neemt de bevolking in Altaï sneller in bloei toe dan in de overige landen van Siberië.

Het is een prachtig stuk lands, dit domein Altaï, en in zoo verre ook een opmerkelijk land, omdat het het grootste is, dat ergens ter wereld gevonden wordt. De vlakke inhoud toch bedraagt in ronde cijfers 400.000 vierkante wersten, of ongeveer 8000 vierk. geogr. mijlen. Het sluit gebergten en vlakke landen in zich, bergland en heuvelland; het ligt tusschen bevaarbare rivieren en dezulke, die met weinig moeite bevaarbaar kunnen gemaakt worden; het bevat nog altijd groote, rentegevende bosschen en in ’t algemeen onmetelijke rijkdommen zoowel onder als boven den grond. Niet minder dan 830 verschillende ertsbeddingen kent men binnen zijn gebied, niet gerekend de overige 270 vindplaatsen, die nog nimmer nader onderzocht werden. Men wandelt in het kroondomein Altaï letterlijk op goud en zilver; want goudhoudende zilverertsen, lood, koper en ijzer, doordringen in een aantal, meest bouwwaardige aderen de bergen, terwijl de rivieren stofgoud afvoeren. Een steenkolenbedding van nog onbekende uitgestrektheid, die hier en daar van 6 tot 8 meter dikte bezit, strekt zich bovendien nog onder een groot gedeelte des lands uit; te oordeelen naar de samenstelling der aan de oppervlakte gelegen gesteenten, mag men aannemen, dat men in het noorden van het kroondomein op één groot steenkolenbekken wandelt. En toch moet men den waren rijkdom van Altaï niet in deze onderaardsche schatten zoeken, maar in den vetten en vruchtbaren grond. Deze bedekt geheele gebergten en hoogvlakten, en waar de bouwaarde in de rivierdalen en laagvlakten bijeengespoeld werd, heeft zij soms een dikte van anderhalven meter. Bevallige, deels majestueuse bergstreken wisselen af met liefelijke, heuvelachtige landschappen en zacht golvende vlakten, die vooral bij de boeren het meest gezocht zijn, steppen met vruchtbare, door een riviertje of beekje doorsneden vlakten, bosschen met welig groeiend hoog zoowel als laag geboomte en parkachtig ingedeeld hout. Een wel is waar niet zacht, maar toch geenszins onverdragelijk klimaat maakt overal eene rentegevende ontginning mogelijk van dien vruchtbaren, grootendeels nog maagdelijken bodem. Het jaar is afgedeeld in een heeten, bijna altijd voortdurenden zomer van vier maanden, in een strengen, onafgebroken winter van vier maanden, in twee natte, koude, onbestendige voorjaarsmaanden en evenveel herfstmaanden van gelijke gesteldheid; en alhoewel de gemiddelde[439]warmte van het goede deel des jaars niet toereikend is om de druiven te doen rijpen, al onze gewone korensoorten gedijen er voortreffelijk, terwijl in de zuidelijke distrikten van het kroondomein zelfs de meloen tot rijpheid komt.

Zoo ziet het land er uit, dat reeds meer dan twee menschenleeftijden verschoond is gebleven van verbannen misdadigers en waar heden ten dage kolonisten zijn gezeteld, die men zou wenschen, dat in matig aantal ook in geheel overig Zuid-Siberië, dat niet minder rijk en vruchtbaar is, werden gevonden. Zij laten zich wel is waar niet vergelijken bijonzeerfgezeten boeren, deze landbouwers van het kroondomein Altaï, maar zij hebben het oneindig beter dan de gewone Russische boer. Men ziet het hun aan, dat hunne ouders en grootouders de lijfeigenen zijn geweest van den grootsten en hoogsten heer des Rijks, maar geenszins de slaven van eenen machteloozen en om deze reden eene onbepaalde onderdanigheid eischenden gebieder; men kan bij iedere gelegenheid opmerken hoe het gemis van erfelijk grondbezit hen in geenerlei opzicht gehinderd heeft welvarend te worden, d.w.z. meer te verdienen, dan zij noodig hadden en nu nog noodig hebben.

Het lot der bewoners van Altaï was van af den tijd, dat het kroongoed tot eigendom des keizers werd verklaard, een betrekkelijk gunstig, om niet te zeggen een gelukkig lot. Tot de opheffing der lijfeigenschap waren zij zonder eenige uitzondering bij den bergbouw in dienst of althans middellijk daarvoor bedrijvig. Zij, die niet in de mijnen zelf werkten, moesten hout vellen en verkolen, anderen moesten de houtskolen naar de smelthutten brengen, wederom anderen het erts vervoeren. Met de toename der bevolking werd de druk der heerendiensten steeds minder. Omstreeks het midden dezer eeuw kon men reeds over zooveel krachten beschikken, dat de arbeid voor den keizer tot ééne maand in het jaar beperkt werd, alhoewel onder deze voorwaarde, dat ieder leenplichtige een paard moest leveren. De weg, dien de arbeider met dit paard had af te leggen, werd naar deszelfs lengte berekend. Als vergoeding voor de afwezigheid van huis en hof ontving ieder arbeider 75½ kopeken voor den tijd zijns arbeids. Behalve deze weinig beteekenende belooning had echter ieder mijnwerker het recht, van ’s keizers land zooveel grond te bebouwen als hij kon, dit te doen naar eigen goedvinden, en bovendien in ’s keizers bosschen zooveel hout te vellen als hij voor het bouwen zijner woning en voor brandstof noodig had. Belasting had hij niet te betalen. Het aantal arbeiders, dat een dorp[440]moest leveren, richtte zich naar het zielental; de verdeeling der heerendiensten geschiedde door de leden der gemeente zelf.

Minder gemakkelijk was het werk, dat de mijnwerkers hadden te verrichten. Zij werden, even gelijk elders de soldaten, uit de dorpen en steden van het kroongoed gerecruteerd, in elk opzicht als soldaten behandeld en eerst na vijf en twintigjarigen diensttijd vrij verklaard. Men verdeelde hen in twee groepen; in de eigenlijke mijnwerkers, die in de ontgonnen groeven afdaalden, en in bergwerkers, die telken jare eene bepaalde, hun aangewezen dienstverrichting binnen een hunzelf overgelaten tijd hadden te volbrengen. Dezen maakten de kolenbranders, houthakkers, metselaars, voerlieden enz. uit, en ontvingen, eens voorgoed, jaarlijks veertien roebel loon. Was de opgedragen taak af, dan waren zij voor ’t overige gedeelte van het jaar vrij en mochten dan doen wat zij wilden. De mijnwerkers daarentegen bleven jaar in, jaar uit in dienst. Zij werkten eene week lang des daags, de volgende week des nachts, hadden elken dag twaalf uren te werken en kregen de derde week vrij. Al naar zijn bekwaamheid ontving ieder mijnwerker ter bekostiging zijner, tegen geld te betalen uitgaven, jaarlijks van zes tot twaalf roebel loon, daarenboven elke maand twee pud meel voor zijn persoonlijke voeding, even zooveel voor zijne vrouw en één pud voor ieder zijner kinderen. Land te bebouwen, vee te fokken, zoo veel hij kon of wilde, dit alles was geoorloofd. Zijne zoons moesten van hun zevende tot hun twaalfde jaar de school bezoeken; van dien tijd af werden zij gedwongen tot hun achttiende jaar als bergknapen zekere diensten te verrichten en ontvingen daarvoor eerst één, later twee roebel belooning per jaar. Had de knaap zijn achttiende jaar bereikt, dan begon zijn dienst in de mijnen.

Op den 1enMei 1861, den dag der vrijmaking van alle lijfeigenen in het Russische Rijk, telde men in het kroondomein Altaï 145639 mannelijke zielen, van welke 25267 als mijnwerkers en huttenarbeiders in dienst waren. Zij werden niet allen op denzelfden dag, maar in het tijdsverloop van twee jaren van hun verplichtingen ontslagen. Niet minder dan 12626 verlieten nu de mijnen, om in de vaderlijke dorpen terug te keeren en hier het landbouwbedrijf uit te te oefenen; de anderen bleven in de bergwerken als vrije arbeiders.

HUISWAARTS KEERENDE BERGLIEDEN IN ALTAÏ.HUISWAARTS KEERENDE BERGLIEDEN INALTAÏ.

HUISWAARTS KEERENDE BERGLIEDEN INALTAÏ.

Ik geloof niet te dwalen, wanneer ik beweer, dat de geregelde toestanden, die men in het kroondomein veel meer aantreft dan elders, waar ook in westelijk Siberië, toe te schrijven zijn aan dat verleden.[441]De ouders en voorouders der hedendaagsche bevolking van het keizerlijk domein hebben zich, in weêrwil hunner onvrijheid, nimmer onderdrukt of gedrukt gevoeld. Zij waren lijfeigenen, maar die van den heer en gebieder des lands, van dat groote land, in hetwelk de wieg hunner vaderen had gestaan. Zij waren gedwongen voor hunnen heer en meester te werken, en hunne zonen bijna een menschenleeftijd lang in den dienst diens meesters te stellen; maar die heer was de keizer, een bijna goddelijk wezen in hunne oogen. Daarvoor voedde hen de keizer, bevrijdde hij hen van alle lasten van andere staatsburgers, en veroorloofde hij hun zijn land te bebouwen, en daaruit te halen, wat er uit te halen viel; hij verhinderde hen niet welvarend te worden, hij[442]beschermde hen zooveel mogelijk tegen verdrukking door onrechtvaardige ambtenaren en hij werd nog bovendien de weldoener hunner kinderen, door althans een gedeelte te dwingen de school te bezoeken. De beambten, die over hen gesteld waren, hadden hoogere beschaving dan alle andere in dienst der kroon staande lieden; de meesten hadden in Duitschland gestudeerd, waren zelfs voor een goed deel van Duitsche afkomst en voerden, zoo niet Duitsche zeden, toch verlichte denkwijzen in een land in, dat zij in naam des keizers bestuurden. Nog heden is Barnaul, de hoofdstad van het kroondomein, een brandpunt van beschaving, gelijk Siberië geen tweede heeft aan te wijzen; in den tijd van den hoogsten bloei des mijnwezens was Barnaul ontegenzeggelijk de geestelijke hoofdstad van geheel Midden- en Noord-Azië en het van hier uitstralende licht verspreidde des te helderder glans, omdat het in alle bergplaatsen brandpunten vond, die dat licht steeds verder hielpen verspreiden. Zoo nam reeds in vroeger tijd het kroondomein eene bevoorrechte plaats in onder de landen van Siberië.

Het is wellicht nimmer een opzettelijk doel van het bestuur des kroondomeins geweest, om den boerenstand vooruit te helpen; tot aan de opheffing der lijfeigenschap zag men in het landbouwbedrijf slechts een middel om den bergbouw te bevorderen. Deze tijden zijn veranderd. Sedert den dag, dat de lijfeigenen tot vrije mannen werden verklaard, is de bergbouw in gelijke mate achteruitgegaan als de landbouw is gaan bloeien. Men heeft nog niet kunnen besluiten om den ouden sleur te laten varen, maar moet die nalatigheid dan ook met zulke hooge sommen betalen, dat de zuivere winst van het mijnwezen tot een minimum is gedaald. Het eenig afdoende middel om verbetering te brengen in den bestaanden toestand zou daarin gelegen zijn, dat men de mijnen liet exploiteeren door energieke ondernemers; maar dit middel heeft men, wel is waar, wel in overweging genomen, maar nog geenszins tot feit doen worden. Vrije beschikking over den grond, zoover de ploeg er in doordringt, was van oudsher gebruikelijk en zulks is eenigermate zelfs recht van gewoonte geworden. Wel bezit niemand in het kroondomein, wij merkten het reeds op, den grond, dien hij bebouwt en waarop zijn huis staat; alles behoort den keizer, en wat des keizers is, is ook, volgens de meening der boeren, het eigendom van „onzen lieven Heer” en deze laatste staat gaarne aan iederen geloovige toe daarvan gebruik te maken. In werkelijkheid heft het domeinbestuur jaarlijks van iedere in bouwland omgezette hektare veertig[443]kopeken pacht; al te streng gaat men hierbij evenwel niet te werk en de boer zijnerzijds voelt evenmin groote verplichting het daarmede heel nauw te nemen. Zoo bebouwt in werkelijkheid elke boer zooveel land als hem lust en hij neemt dit waar hij wil.

Men laat den tegenwoordigen boer van het kroondomein slechts recht wedervaren, wanneer men hem afschildert als een goed gebouwden, opgewekten, bekwamen, fatsoenlijken, leergragen, gastvrijen, goedaardigen en barmhartigen man; men zegt ook niet te veel, wanneer men hem welvaart en een hieruit voortspruitend gevoel van eigenwaarde, zelfs zekeren vrijheidszin toekent. Zijn voorkomen getuigt van meer vrijheid en is minder deemoedig dan dat van den Russischen boer. Hij is beleefd en voorkomend, onderdanig en daardoor gemakkelijk te leiden, maar toch niet slaafsch en kruipend, zoodat hij op den vreemdeling geen ongunstigen indruk maakt. Maar ook hij bezit al die eigenschappen, die wij gewoonlijk boerenluimen noemen en nog andere, die den eersten gunstigen indruk aanmerkelijk verzwakken. Niettegenstaande hij meer gelegenheid had om onderwijs te ontvangen dan alle andere Siberiërs van zijn stand, staat de school bij hem in kwaden reuk. Hij is strenggeloovig en zou voor de kerk alles weggeven, wat hij bezit, maar ziet in de school eene inrichting, die den mensch slechter maakt in plaats van hem te beschaven. In herinnering aan de vroegere toestanden, die zeker veel te wenschen overlieten, nog gedachtig aan de tijden toen oude, uitgediende soldaten den scepter in de school zwaaiden en zich niet schaamden de hun toevertrouwde scholieren snaps te laten halen, en hen in dronkenschap dikwijls te mishandelen, is hij ongemeen wantrouwend omtrent alles, wat met de school in betrekking staat; bovendien hangt hij, naar boerenaard, zeer aan het oude en is van oordeel, dat meer kennis dan hijzelf bezit, voor zijn kinderen nadeelig zou zijn, en van deze meening is hij niet af te brengen. Hij staat dus nog op een vrij lagen trap van beschaving. Bij uitzondering verstaat hij de schrijfkunst en onder alle omstandigheden beschouwt hij boeken als geheel nuttelooze zaken. Des te sterker steunpilaar is hij van het bijgeloof, dat zijne kerk steunt en doet bloeien. Hij kent meestentijds de namen der maanden niet, die der heiligen en der feestdagen evenwel des te beter. God en de heiligen, aartsengelen en duivels, dood, hemel en hel houden hem bijna uitsluitend bezig. Men kan hem niet zoozeer licht te bevredigen noemen, maar wel beweren, dat hij onverbeterlijk tevreden is. Meer dan hij noodig heeft om te leven wenscht hij niet,[444]zoodat hij dan ook niet meer werkt dan hij bepaald moet. Maar noch zijn pachthoeve, noch zijn akker, die hij het zijne noemt, kan hem groot genoeg, zijn huisgezin, noch veestapel te talrijk zijn.

„Hoe gaat het u hier?” vroeg ik eens, met behulp van den tolk, aan een der oudsten des dorps, dien ik onderweg in mijn wagen had genomen.

„„God verdraagt nog onze zonden,”” was het antwoord.

„Zijn uwe vrouwen goed, u trouw, genegen en behulpzaam?”

„„Er zijn goeden en slechten.””

„Zijn uwe kinderen gehoorzaam en geven zij u vreugde?”

„„Wij hebben niet over hen te klagen.””

„Is het land, dat gij bebouwt vruchtbaar en levert het goede oogsten op?”

„„Wanneer wij tienmaal meer inoogsten dan wij gezaaid hebben zijn wij reeds tevreden.””

„Groeit uw vee goed?”

„„Wij zijn tevreden.””

„Hoeveel paarden bezit gij?”

„„Twee en dertig; misschien ook wel vijf en dertig.””

„Hoeveel paarden gebruikt gij bij den arbeid?”

„„Acht à tien, nu en dan twaalf.””

„Dus fokt gij de anderen aan om ze te verkoopen?”

„„Somtijds verkoop ik er een.””

„En wat doet gij met de anderen?”

„„Nitschewo.””

„Hoeveel runderen en schapen bezit gij?”

„„Dat weet ik niet. Mijne vrouw zorgt voor de koeien, schapen en zwijnen.””

„Hebt gij veel belasting te betalen?”

„„Ik ben tevreden.””

„Hebt gij u over een of ander te beklagen?”

„„Ik ben tevreden.””

„Gij hebt dus over niets te klagen, en alles is hier goed?”

„„Neen, niet alles; ik heb eene klacht.””

„Welke?”

„„Het wordt ongezellig in het land!””

„Ongezellig, wat beteekent dit?”

„„Nu ja, het wordt ons te klein.””

„Te klein, in hoeverre?”[445]

„„Och, de dorpen schieten overal uit den grond op als paddestoelen. Men kan zich niet meer roeren en weet niet meer, waar zijn akkers aan te leggen. Indien ik niet te oud ware, ik was reeds lang verhuisd.””

„De dorpen schieten als paddenstoelen uit den grond? Waar? Ik zie geen enkel dorp. Hoe ver ligt het naaste dorp van het uwe verwijderd?”

„„Vijftien werst.””

Zoo spreekt, denkt en oordeelt de boer van het kroondomein. Het groote land is hem niet groot genoeg, en toch zou het twintigste gedeelte van de hoeveelheid, waarover hij naar goedvinden beschikt, genoeg voor hem zijn, indien hij het slechts beter bebouwde. Want de grond is zoo vruchtbaar, dat de geringste moeite in ruime mate beloond wordt. Valt een enkele maal de oogst tegen alle verwachting niet zoo goed uit als gewoonlijk, komt het gebrek de plaats van den overvloed bij hem vervangen, dan beschouwt de boer zulks niet als een natuurlijk gevolg zijner luiheid, maar als een beschikking Gods, als een straf voor zijn zonden.

In werkelijkheid gaat het hem, in weerwil van al zijn zonden, bijzonder goed, en hij had meer reden om van eene belooning zijner zonden te spreken. Want niet het gebrek, maar de overvloed benauwt hem. Van regeeringswege wordt aan iederen boer vijftien hektaren van het beste land, in den regel naar eigen keus, voor iedere mannelijke ziel van zijn huisgezin toebedeeld; daar echter van de honderd duizend vierkante werst van het domein tot aan het jaar 1876 slechtstweehonderd en vier en dertig duizendbewoond waren, komt het er nog heden niet op aan, dat elke boer zich meer toeëigent dan hem toekomt, dan wel of hij zich tevreden stelt met zijn wettig deel. Enkele families gebruiken niet minder dan twaalf- tot vijftienhonderd hektaren en het is hun geheel onverschillig of zij het daarvoor benoodigde aantal paarden of nog twintig of dertig daarboven voeden. In werkelijkheid geschiedt het niet zelden, dat de overtollige huisdieren den boeren van het kroongoed van eene zware zorg bevrijden, van de zorg n.l. den hun geworden zegen, dien zij ten gevolge der uiterst gebrekkige verkeersmiddelen niet te gelde kunnen maken, op te gebruiken. In een land, in welks hoofdstad onder gewone omstandigheden het pud of zestien kilogram roggemeel niet meer dan 30 cents, het pud tarwemeel niet meer dan 48 cents, het pud ossenvleesch in[446]den winter hoogstens 72 cents, een schaap ƒ 2.40, een gespeend kalf ƒ 6, een varken ƒ 4.80, een uitstekend paard zelden meer dan ƒ 60 van ons geld kost, drukt elke goede oogst de prijzen dermate, dat de buitengewone zegen in een last verkeert. Wanneer de boer van het kroondomein voor 100K.G.koren niet meer dan 72 cents van ons geld kan verkrijgen, dan wordt hem, die buitendien niet meer werkt dan even noodig is, de vlegel al te zwaar in de hand, de zegen volgens zijn bekrompen begrippen tot een vloek.

Deze, nu nog bestaande toestanden geven meteen eene verklaring van de meeste ondeugden, ook van de deugden onzer kolonisten; hun traagheid, hunne nu en dan walging wekkende tevredenheid, hunne onverschilligheid tegenover verliezen, hunne mildheid jegens behoeftigen en barmhartigheid jegens ongelukkigen. Eveneens begrijpen wij nu het allen Siberiërs eigen streven om het aantal bewoners eener plaats zooveel mogelijk te vermeerderen. Het groote land heeft als het ware menschenhonger. Ieder Siberiër beschouwt daarom met welgevallen zijn talrijk huisgezin; en daarom bestaat er in geheel Siberië geen vondelingshuis. Waartoe dit? Iedere vrouw, die meent, dat zij haar kind niet zou kunnen voeden, of van hetzelve wenscht ontslagen te worden, vindt gewillige afnemers voor het kleine wezen.

„Geef maar hier,” zegt de boer tot zulk eene onnatuurlijke moeder, „geef maar hier; ik zal ’t wel groot brengen,” en zijn gezicht staat daarbij zoo vroolijk, alsof hem een veulen geboren werd. In vroeger dagen, toen de bevolking nog veel geringer was dan thans, huwelijkte men de nog niet volwassen of pas volwassen kinderen reeds uit, ten einde hun zoo spoedig mogelijk oudervreugde deelachtig te doen worden en arbeiders te kweeken; tegenwoordig trouwen de jongelingen gewoonlijk niet voor hun 18ejaar, maar zoo mogelijk met oudere meisjes, die hoop geven op een zoo spoedig mogelijken kinderzegen, terwijl de ouders des bruidegoms zeer gaarne de meisjes behulpzaam zijn in het hengelen naar een huwbaar jongeling.

En om te bewijzen, dat ook de romantiek niet ontbreekt bij de boeren van het Altaï-domein, wil ik hier vermelden, dat geheime huwelijken zelfs in dit land niet zeldzaam zijn en dat almede een van liefde brandend jongeling zich soms niet ontziet het voorwerp zijner aanbidding te schaken. Het laatste geschiedt evenwel meestal met volkomen goedkeuring van alle belanghebbenden, dus ook van de wederzijdsche ouders—want in dit geval spaart men de kosten van eene bruiloft,[447]in casu van den brandewijn. Op een bruiloft toch is het een algemeen gebruik alle dorpsbewoners te onthalen, vooral op de noodige hoeveelheid geestrijk vocht! Het spreekt vanzelf, dat ook in het kroondomein de liefde alle bezwaren, zelfs de tegenkanting der ouders, weet te overwinnen. Het meisje is, gelijk alle meisjes op dit wereldrond, zeer spoedig voor den schaaklustigen jongen gewonnen, en een heilig dienaar der kerk is tegen eene meer dan gewone belooning gaarne te bewegen het trouwformulier er over uit te spreken—alleen de vertoornde ouders zijn niet zoo licht te verzoenen. De moeder vervloekt hare dochter, de vader zijn zoon; beiden bezweren bij alle Heiligen de ondeugende kinderen nooit weer terug te willen zien:

„En de Hemel, steeds genadig,Hoort ook zulks met groot geduld.”

„En de Hemel, steeds genadig,

Hoort ook zulks met groot geduld.”

Toch komt de verandering in deze gezindheid niet van boven, maar een onweêrstaanbaar toovermiddel werkt eindelijk de verzoening uit: „snaps” wordt dit toovermiddel genoemd bij die menschen, welke Duitschlands grond, Woetki bij hen, die Ruslands heilige aarde bewonen. Zoodra de schoonvader drinkt heeft de jonge echtgenoot het pleidooi gewonnen; want mama schoonmoeder drinkt mede, en de foeselhoudende nektar verweekt ook het hardvochtige hart der laatste. Verschijnen dan, als het ware toevallig, nog eenige vrienden op het tooneel, ook deze worden niet teruggewezen en drinken dapper ter eere der verzoening mede; de nu gemaakte kosten toch, zijn in elk geval nog veel geringer dan wanneer het geheele dorp den zegen des hemels voor het jonge paar, al drinkende, had helpen afsmeeken. Wie zou nu nog kunnen loochenen dat de liefde, de reine, heilige liefde zelfs een boerenjongen uit het Altaïgebergte vindingrijk maakt.

Een bruidsschat ontvangt het meisje van het kroondomein niet; integendeel, haar moeder verlangt van den bruidegom een geschenk, en eischt dit zelfs, naar vrouwenaard, dikwijls onder huilen en schreien. Slechts wanneer bijzondere omstandigheden in ’t spel zijn, wanneer b.v. op den morgen na de bruiloft, de gasten het bruidshemd, dat zij wenschten te zien, niet overeenkomstig hun verwachtingen vinden, gebeurt wel eens het tegendeel. De verstandige en ervaren schoonpapa bedient zich in dergelijke gevallen van het beproefde toovermiddel, brengt een behoorlijk aantal, vooraf reeds, voorzichtigheidshalve gereed gehouden flesschen te voorschijn, belooft den vertoornden of althans[448]mopperenden schoonzoon een veulen, een os, eenige varkens, enz. De geesten worden rustiger, de verzoening is getroffen.

OP WEG NAAR SIBERIË.OP WEG NAAR SIBERIË.

OP WEG NAAR SIBERIË.

Waarom ook zou de bruidegom toornen? Anderen is het eveneens gegaan en de toekomst kan veel goed maken. Vadervreugde kan immers ook onder niet regelmatige omstandigheden zijn deel worden; vadervreugde echter blijft het. Want broodzorgen behoeft ook het armste paartje niet te hebben, als het slechts de handen wil roeren; men helpt het gaarne aan dit en dat, en wanneer de zoo barmhartige hemel slechts eenige jaren matig wil zijn met het uitstorten van zijn zegen, wanneer koorn en vee een redelijken prijs behouden, dan sieren ongetwijfeld na weinig tijds theepotten en schoteltjes een hoektafeltje, zijden dekens het groote twee-slaapsbed, schitterende heiligen-beeldjes den rechter achterhoek, en boven alle beschrijving schoone schilderijen, voorstellende jachten op leeuwen, tijgers, beren, wolven, olifanten, herten en krokodillen de wanden der in geen gegoed boerenhuis ontbrekende, rein en netjes gehouden „mooie kamer.”

Een weinig hiervan afwijkend huiselijk leven kan ook het deel worden van alle bannelingen, die naar Siberië „gezonden” worden, voor den een iets vroeger, voor den ander wat later, indien zij slechts zulk een huiselijk levenbegeeren, lang genoeg leven en eenigszins door de fortuin begunstigd worden. Ik heb in Siberië andere denkbeelden over de bannelingen gekregen dan ik koesterde vóór ik Siberië bezocht; ik doe echter vooraf opmerken, dat ik niet tot hen behoor, die meer hart schijnen te hebben voor moordenaars, roovers, brandstichters, dieven of dergelijk gespuis dan voor een vlijtigen huisvader, die in ’t zweet zijns aanschijns het brood voor eene talrijke familie tracht te verdienen, en dat ik mij tot nog toe niet heb kunnen verheffen tot de hoogte van hen, die elke straf willen verminderen, elke gevangenschap verzachten.

Elk jaar worden gemiddeld 15000 menschen naar Siberië „gezonden,” gelijk de gewone uitdrukking luidt. Zware misdadigers worden levenslang, minder zware voor een aantal jaren verbannen. Over de gestrengheid en de gebreken van het Russische wetboek spreek ik hier niet; dat daarin de doodstraf voorkomt als slechts toepasselijk op de zwaarste en zeer zeldzaam voorkomende misdaden is zeker geen bewijs voor de hardheid van genoemd wetboek; het ergste is wel, dat zoodanige bannelingen, die wegens staatkundige misdrijven werden veroordeeld, onderweg en dikwijls ook in Siberië op dezelfde wijze behandeld worden als de gemeenste misdadigers.[449]

De tot verbanning veroordeelde wordt allereerst van de gevangenis der provinciestad naar die van de gouvernements hoofdstad overgebracht en daarna met den spoortrein, of een gewonen boerenwagen naar Nischni-Nowgorod, Kasan of Perm gezonden. Of men in den tegenwoordigen tijd op voetreizen de misdadigers nog twee aan twee aan een langen keten klinkt en ze noodzaakt dien keten gedurende de geheele reis te dragen, weet ik niet; gezien heb ik zulks nooit en ik ben ook vast overtuigd, dat de bekende zachtaardigheid van den overleden keizer deze oude barbaarsche handelwijs niet gedoogd zou hebben. In de genoemde steden, ook in Tjoemen en Tobolsk bevinden zich ruime doorgangsgevangenissen; onderweg, op alle, tengevolge van het bouwen van een daarmede parallel loopenden spoorweg nog niet verlaten wegen, minder ruime gebouwen, ter opsluiting van de daar den nacht doorbrengende bannelingen. In zooverre dit niet noodzakelijk is worden dezen nimmer gedwongen te voet te gaan, maar door middel van spoorwegen, wagens en stoombooten naar de plaats van bestemming getransporteerd; b.v. van Nischni-Nowgorod of Kasan naar Perm, van Tjoemen uit op de Thoera, Tobolsk, Irtysch, Ob en Tom naar Tomsk. De gevangenissen zijn eenvoudige, maar vrij zindelijke, de daarmede samenhangende, maar op voldoende wijze afgescheiden hospitalen voorbeeldig ingerichte gebouwen, de rivierbooten zeer lange, twee verdiepingen bevattende schepen, die men het best zou kunnen vergelijken bij reusachtige, drijvende kooien, daar de geheele bovenverdieping in het midden, evenals eene vogelkooi, van tralies is voorzien. Elk dier booten, door een stoomschip gesleept, bevat ruimte voor zeshonderd personen, daarenboven een groote keuken, een ziekenzaal, eene kleine apotheek, en tevens afzonderlijke vertrekken voor de bemanning en de begeleidende soldaten. Tusschen Perm en Tjoemen rijden wagens, die eveneens op vogelkooien gelijken en voor het vervoer van de gevaarlijkste misdadigers dienen.

Elke banneling ontvangt van regeeringswege een zwaren, grijzen wollen mantel, waarop aan de rugzij een vierkant, al naar den aard van het misdrijf, of liever van de straf, verschillend gekleurd stuk laken is vastgehecht. Hierdoor worden de soldaten, voor zooveel noodig, ingelicht omtrent de personen, over wie zij het toezicht hebben. Iedere „ongelukkige” ontvangt dagelijks tien, is hij van beteren stand vijftien, maar bij langduriger gevangenschap zeven, somtijds vijftien kopeken voor de aanschaffing van zijn voedsel. Deze som is zoo[450]ruim berekend, dat men met eenig overleg daarvoor alle noodzakelijke levensbehoeften kan koopen, ofschoon nog daarenboven iederen dag, de vasten alleen uitgezonderd, aan elken persoon drie kwart pond vleesch wordt uitgereikt. Indien de vrouw en de kinderen de veroordeelden vergezellen, dan ontvangen deze een gelijke som. Bijverdiensten zijn geoorloofd; het door werken of bedelen gewonnen geld vloeit, alhoewel niet altijd ongedeeld, in den zak van den veroordeelde, soms ook wel in den vorm van woettki door zijn keelgat.

Zooeven merkte ik op, dat de vrouw en kinderen den veroordeelde mogen vergezellen; ik moet er nog bijvoegen, dat zulks in den regel ook geschiedt. De veroordeeling tot een gestrenge straf, ingevolge van een zwaar misdrijf, levert ook in Rusland een voldoenden grond op om echtscheiding aan te vragen; het staat dus iedere vrouw vrij om haar man in de verbanning te volgen, of thuis te blijven. Zelfs de kinderen boven de 14 jaren hebben het recht voor zich te beslissen, of zij met hunne, naar Siberië trekkende ouders willen meêreizen of niet. Maar de regeering ziet het gaarne, dat vrouw en kind den veroordeelde volgen, werkt zulks op alle mogelijke wijzen in de hand, en houdt zich tevens ernstig onledig met de vraag, in hoeverre de moeilijkheden en onaangenaamheden, aan de reis verbonden, kunnen worden verminderd.

Dat deze onder alle omstandigheden drukkend zijn, kan niet geloochend worden; zoo ijselijk evenwel, als zij ons afgeschilderd worden, zijn ze niet. Alleen de allerzwaarste misdadigers worden geboeid naar de plaats van bestemming vervoerd; de anderen genieten meer vrijheden dan onze veroordeelden.

Het ellendigst is de reis, wanneer deze op stoombooten of op door deze gesleepte schepen moet worden afgelegd. De bannelingen en hunne gezinnen worden samen in ééne ruimte opgesloten; de gevolgen dezer handelwijs zijn uitspattingen van allerlei aard, waaronder zulke, die moeilijk nader te beschrijven zijn, en deels niet voorkomen kunnen worden, of waarop niet genoegzaam gelet wordt. De slimme dief besteelt den minder schranderen beroepsbroeder, de sterkere overmant den zwakkere; men snijdt de zolen van de laarzen der slapenden, om zich de hier wellicht verborgen banknoten toe te eigenen; de onverbeterlijke zondaar doet den berouwhebbenden wankelen of bederft dengene, bij wien nog hoop bestond op verbetering, in den grond. Wel is waar worden thans de mannelijke en vrouwelijke misdadigers[451]onderweg gescheiden, maar de familieleden blijven bij hun hoofd, en nu loopen de vrouwen en dochters der bannelingen gedurende de reis bestendig gevaar, al moge men zooveel mogelijk trachten zulks te beletten. Daarentegen wordt de reis door middel van stoomschepen ook wederom aanmerkelijk verkort, zoodat de nog niet geheel bedorvenen, en zoo ook de vrije, niet veroordeelde bannelingen te eerder aan die heillooze invloeden worden onttrokken. Bezwaarlijker echter, ofschoon minder gevaarlijk voor de nog niet geheel bedorven veroordeelden, is de reis te land. Een Russische boerenwagen, op Russische wegen, en gereden door Russische, bijna onafgebroken in galop voorthollende paarden, is voorzeker naar onze begrippen een martelwerktuig, maar niet voor de Russen uit den geringen stand, die van hunne jeugd af aan geen beter voertuigen of wegen gewoon waren. De banneling moet, wel is waar, zich hier tevreden stellen met een kleiner plaatsje dan de boer, wanneer deze met zijn gezin uit rijden gaat, daar de wagen vol geladen wordt met zes tot acht personen, maar ook de koetsier en mederijdende soldaat hebben het niet beter dan de veroordeelde; alleen de zware misdadiger maakt daarop eene uitzondering; diens ketens klinken ons bij zulk een rit alleronaangenaamst in de ooren. Een banneling uit den beschaafden stand, b.v. een wegens politiek misdrijf veroordeelde, heeft het natuurlijk vreeselijk te verantwoorden en hij is volkomen in zijn recht, wanneer hij deze reis met de zwartste kleuren afschildert, maar de plaatselijke gesteldheden en landsgewoonten in acht genomen, verliest deze gedwongen verhuizing althans iets van den vloek der wreedheid, die op haar kleeft. En wat eindelijk de voetreizen betreft, deze vinden vooreerst nooit in den winter plaats, worden slechts van krachtige mannen, die kunnen loopen, geëischt, strekken zich over geen langer dagmarschen uit dan veertig werst, en worden om den derden dag met een rustdag in de aan den weg gelegen gevangenis afgewisseld. Ook de soldaat moet alweder te voet gaan, maar deze heeft nog buitendien op de bannelingen te letten en is voor hen verantwoordelijk, zoodat hij het zwaarder heeft dan deze. Even veel gewicht als de moordenaar aan zijn ketens heeft mede te slepen, moet de soldaat torschen aan zijn wapens, pakkage en ammunitie. En de laatste is een trouw dienaar van den staat, de eerste een uitvaagsel der maatschappij.

Onrechtvaardig is en blijft het, dat een uit hoogere standen ontsproten en wegens een gemeen misdrijf veroordeelde banneling,[452]indien hij zulks uit eigen middelen of die van anderen kan bekostigen, anders wordt behandeld dan een voor hetzelfde misdrijf veroordeelde uit den geringen stand; aan eerstgenoemden veroorlooft men, onder geleide van twee, voor hunne heen- en terugreis door hem te betalen kozakken, op eene wijze gelijk hij zelf wenscht en dus zoo gemakkelijk mogelijk, naar de plaats zijner verbanning te trekken.

Wordt zulks door iederen onbevooroordeelden Rus of Siberiër als eene ongerechtigheid gebrandmerkt, en de waarheid er van onbewimpeld erkend, aan den anderen kant is het even waar dat er van mishandeling der getransporteerden van de zijde der met de overbrenging en bewaking belaste beambten van hoogeren of lageren rang, gelijk door de bannelingen zelf wordt erkend, geen sprake is. Het komt wel eens voor, dat oproerige bannelingen onderweg worden doodgeschoten of op andere wijs voor altijd onschadelijk gemaakt, maar zulke voorvallen behooren tot de grootste zeldzaamheden en zijn noodzakelijke uitvloeisels der omstandigheden, terwijl dit middel dan eerst wordt toegepast als alle andere maatregelen onvoldoende blijken te zijn. De Rus is uit zijn aard niet wreed zooals de Spanjaard, Turk, Griek of Zuid-Slavoniër; veeleer, uit een kwalijk begrepen gevoel van barmhartigheid, soms uit traagheid, te zacht dan te hard; hij spant wel eens mensch en dier boven hun krachten in, maar ze voor zijn vermaak met opzet martelen, dit doet hij nooit. Reeds uit den naam, aan alle bannelingen gegeven, „ongelukkigen” spreekt genoegzaam een diep gevoel des volks, en met dit gevoel van barmhartigheid houdt iedereen rekening, de soldaat en veiligheidsbeambte, de opzichter der gevangenissen en de gevangenbewaarder. Dat sommige onverbeterlijke booswichten zelfs het vroomste lamsgeduld kunnen prikkelen en in flikkerenden toorn veranderen, is te begrijpen; dat eervergeten kantoorklerken op de verbanningsplaatsen zich zelfs het ongeluk schatplichtig maken om in ’t bezit van meer geld te geraken dan de Staat hun aan jaarweddeuitbetaalt, werd mij door bannelingen medegedeeld; dat de ter verbanning veroordeelde opstandelingen van de laatste Poolsche revolutie strenger door de hen begeleidende Russische soldaten werden behandeld dan andere bannelingen, ja zelfs met onverbiddelijke gestrengheid, heeft een gewezen scherprechter, die mij zijne levensgeschiedenis door bemiddeling van een tolk moest verhalen, geklaagd. Voor zulke buitensporigheden de tegenwoordige regeering verantwoordelijk te stellen, gelijk nog altijd geschiedt, haar eeuwige barbaarschheid toe te schrijven, en bestendig[453]van den knoet te spreken, die reeds sedert jaren is afgeschaft, onze oostelijke buren in ’t algemeen als barbaren af te schilderen, dit is eenvoudig zinneloos, omdat zulks in alle opzichten een logen is.

Alle vigeerende wetten, verordeningen en inrichtingen bewijzen, dat de regeering op de meest welwillende wijze voor de bannelingen zorgt en zooveel mogelijk er op bedacht is hun lot te verzachten, terwijl iedereen in de gelegenheid wordt gesteld hierin vroeger of later verbetering te brengen. Zoo is het streng verboden de bannelingen met onrechtmatige hardheid te behandelen, en wie dit gebod overtreedt wordt streng gestraft; hun iets op onrechtmatige wijze te onthouden geldt voor een zware misdaad. Overal heerscht het streven de straf te verzachten, zoodra zulks maar eenigszins kan, den veroordeelde aan de menschelijke maatschappij terug te geven, zoodra zulks mogelijk is. Maar men helpt alleen hem, die dit verdient, niet dengene, die beterschap huichelt. Want men fokt in Siberië geen huichelaars, zooals in onze gevangenissen. De bij ons maar al te veel gebruikelijke, walgingwekkende zucht om van de veroordeelden „vromen” te maken, kennen de Russen niet, omdat het in hunne oogen iets is, wat vanzelf spreekt, dat ieder de kerk en de „lieve heiligen” eert en acht, op zijn tijd vast en in ’t algemeen dat doet, hetgeen de in uiterlijke vormen opgaande kerk eischt. Men pakt er het kwaad bij de juiste plaats aan en verkrijgt uitkomsten, die wij de Russen zouden kunnen benijden, of liever benijden moesten.

Van de vijftien duizend bannelingen worden telken jare slechts duizend aan de bergwerken overgedragen, terwijl de anderen op verschillende gouvernementen worden ingedeeld of, gelijk het heet, ter kolonisatie verwezen. In de groote gevangenissen scheidt men niet alleen de mannen van de vrouwen, maar ook Christenen, Joden en Mohamedanen; bij de kolonisatie let men eveneens op het geloof. Zoodra de tot eene lichte straf veroordeelde misdadiger de hem aangewezen plaats bereikt heeft, verkrijgt hij van de regeering als laatste gift een woonbewijs, en van nu af mag hij elk eerlijk beroep ongehinderd uitoefenen, niet evenwel zonder toestemming der overheid van het distrikt, waar hij behoort, terwijl hij evenmin het dorp van zijn verblijf mag verlaten, weshalve hij dan ook voortdurend onder politie-toezicht is geplaatst.

Waarom hij verbannen werd, over zijn vroeger leven wordt niet gesproken, althans niet met een kwalijk gemeend doel, want „in ’t huis van den gehangene spreekt men niet over den strop.” De bevolking,[454]waaronder hij leeft, stamt ook van zulke „ongelukkigen” af, of bestaat er nog gedeeltelijk uit; en de weinige vrije kolonisten voegen zich naar de zeden en gewoonten der overige Siberiërs. Men helpt de „ongelukkigen” op eene wettige, soms niet eens in alles te rechtvaardigen wijze. Reeds in de algemeene gevangenissen richt men werkplaatsen op, ten einde vlijtige, arbeidzame bannelingen gelegenheid te geven iets uit te voeren; buitendien tracht men door schoolonderwijs het opkomend geslacht in goede banen te leiden, of trekt zich het lot der door de bannelingen achtergelaten weezen met zulk eene opoffering van tijd en geld, met zulk eene waarlijk edele menschlievendheid aan, dat slechts hij, die met blindheid geslagen is, zulke lichtpunten niet ziet, slechts een moedwillig stomme daarvan niet spreken wil. In de gevangenis van Tjoemen bezochten wij de school, alwaar een pope onderricht gaf aan de kinderen van Christenen, Joden en Tataren; het was een verkwikkelijk schouwspel dien langlokkigen, gebaarden, ofschoon nog jeugdigen pope, met zijn Christus-voorkomen, te zien werken. De kinderen der Joden en Tataren moesten, wel is waar, even zoo goed als de Christenkinderen den katechismus der rechtzinnige kerk leeren en opzeggen, en eene stille hoop, dezen of genen der eersten voor het Christendom te winnen, zal wel het hart van den pope hebben vervuld, maar wat beteekent de schade, welke katechismus of pope zou hebben kunnen te weeg brengen, vergeleken bij het nuttige doel, dat men nastreefde? De knapen leerden door den katechismus Russisch lezen, zij leerden nog schrijven en rekenen bovendien, en dit was de hoofdzaak. In datzelfde Tjoemen bezochten wij het door een rijke dame gestichte en ook door haar bestuurde en grootendeels onderhouden weeshuis voor de kinderen van onderweg of in de stadsgevangenis gestorven bannelingen; eene modelinrichting in den uitgestrektsten zin des woords, met vroolijke kindergezichtjes, fraaie leer- en slaapzalen, werk- en speelplaatsen, een klein tooneel met toebehoor; hier zagen wij een werk van barmhartige liefde, waaraan wel niemand den hoogsten eerbied kon ontzeggen. Maar wij zouden nog meer leeren kennen.

Te Tjoemen, Omsk, Tobolsk en niet alleen in de steden, maar in de beide betreffende gouvernementen verkeerden wij voortdurend met bannelingen, meerendeels licht veroordeelden, dieven, bedriegers, gauwdieven, landloopers en dergelijk volkje, tevens met oproerige Polen en andere opstandelingen. De direkteur der Bank, die ons gastvrij ontving, was een tot twaalfjarige verbanning veroordeelde Poolsche opstandeling;[455]de schrijnwerker, bij wien wij kisten bestelden, had de post bestolen, de koetsier, die ons reed, had een zwaren diefstal op zijn geweten, de kellner, die ons bediende, had een gast in het hotel bestolen, de vriendelijke man uit Riga, die ons bij ’t overtrekken der Irtysch zoo trouw had bijgestaan, had een officiëel stuk vervalscht,Goldmacher, mijn oppasser te Obdorsk, had Russische meisjes aan Turksche harems verkocht; het meisje, dat onze kamer schoonmaakte, had haar kind vermoord, de apotheker te Omsk, had, naar men ons vertelde, zich met kwade bedoelingen vergist en vergiften toegediend, enz. Wij zagen eindelijk in alle menschen misdadigers, en wij behoefden ons slechts naar een dienaar des gerechts te begeven om te hooren, dat al die achtingswaardige lieden, waarmede wij in aanraking kwamen, kooplieden, notarissen, photografen, tooneelspelers niet uitgezonderd, valsche munters, oplichters, bedriegers enz. waren geweest. En toch, ieder hunner verdiende hier zijn brood, soms meer dan dit, en menigeen, die niet herkend wilde worden, had men niet ongestraft naar zijn verleden kunnen vragen, omdat hij hiermede voor goed gebroken had. Dat een banneling, een gewezen misdadiger zulks kan, dankt hij uitsluitend aan zijne medeburgers en aan de regeering, die het goede voornemen om een nieuw leven te beginnen, naar vermogen bevordert. Men geeft een ieder, die werken wil, werk, zonder van wantrouwen blijk te geven, neemt hem zonder vrees in zijn dienst, gebruikt den voormaligen dief als knecht, koetsier of kok, de kindermoordenares als kindermeid, den veroordeelden handwerksman, waar men hem noodig heeft. En men verzekert, dat het slechts zelden voorkomt, dat men berouw over deze handelwijs moet gevoelen. Zoo wordt menig misdadiger aan de menschelijke maatschappij teruggegeven, tot een niet meer gevaarlijk staatsburger, en de vloek der zonde reikt hier niet tot in het vierde, maar soms niet eens tot het tweede lid. Wat bij ons zoo goed als niet mogelijk is, is in Siberië mogelijk; daar maakt men van een misdadiger een mensch. Dat zulks niet altijd gelukt, dat er ook in Rusland evengoed als bij ons onverbeterlijken zijn, zal geen Siberiër ontkennen, maar het is een opmerkelijk feit, dat in Siberië de door zijne gemeente uitgeworpen landlooper veel gemakkelijker tot een misdadiger wordt, dan dat de gestrafte misdadiger in vroegere zonden terugvalt.

Terwijl de tot nog toe besproken bannelingen vrij zijn in hun bedrijf, worden de zware misdadigers tot den arbeid in de mijnen[456]gedwongen. Omtrent Nertschinsk, alwaar 4000 dier ongelukkigen werkzaam zijn, welk aantal nagenoeg stationair blijft, heeft de tegenwoordige hoofdingenieur van het domein, Generaalvon Eichwald, ons uitvoerig ingelicht. Wat de misdadigers zelf aangaat, komt datgene, wat ik vernam, kortelijk op het volgende neêr:

Alle, tot den mijnarbeid veroordeelde bannelingen worden, aan de voeten geboeid, ingeleverd en met deze ketenen beladen verrichten zij hetzelfde werk als de vrije mijnwerkers. De verstandige mijnopzichter onder wiens bevelen en opzicht zij werken, behandelt hen reeds ter wille van zijn eigen leven en dat der zijnen menschelijk; want hij heeft geen dienstpersoneel, talrijk genoeg om een eventueel oproer te bedwingen. De misdaad van den veroordeelde is hem bekend; hij vraagt dus niet naar het verleden. Na eenigen tijd storten de meeste misdadigers uit eigen beweging hun hart voor hem uit, en smeeken hem om verzachting van straf. Ook deze misdadigers mochten hun gezin medenemen, of, indien zij ongehuwd zijn, staat het hun vrij eene vrouw te kiezen. Staat hij op deze wijze nog met de maatschappij in betrekking, dan ontwaakt dikwijls, zeer dikwijls zelfs, het geweten; hij krijgt berouw en met dit berouw vat de hoop post in zijn boezem, en op de hoop volgt het voornemen het gebeurde in de vergetelheid te begraven. Hij werkt een of een paar jaren in boeien, gedraagt zich goed en wekt vertrouwen. Zijn opzichter bevrijdt hem van de boeien. Hij blijft zijn voornemen getrouw, arbeidt vlijtig door en begint voor zijn gezin te zorgen. Dat gezin bindt hem aan het aanvankelijk zoo onuitsprekelijk gevreesde vreemde land; dit blijkt beter te zijn dan het gerucht meldt; hij begint tevreden te worden. Nu is het rechte oogenblik gekomen om hem aan de menschheid terug te geven. De ambtenaar schrijft hem op als kolonist. Jaren zijn verloopen sedert hij de misdaad beging; deze staat voor zijn geest als een booze droom. Voor zich ziet hij een wordende boerenhoeve, achter zich de boeien. De geboorteplaats is hem vreemd geworden, met het vreemde land is hij verzoend. Hij wordt boer, arbeidt, komt vooruit, en sterft als een verbeterd mensch. Met dit oogenblik herkrijgen ook zijn kinderen hunne vrijheid, en vrije Siberische burgers bebouwen voortaan het hun door de regeering geschonken stuk gronds. Dit is geen verdichting, maar werkelijkheid.

Zeer zeker, niet ieder misdadiger schikt zich in zijn lot. Vol wrok tegen dit lot en de menschheid, ontevreden met alles en allen, onwillig tot den arbeid, misschien ook door heimweê gekweld, althans zuchtende[457]naar vrijheid, vindt de een den ander en beiden zijn op de vlucht bedacht. Weken, maanden, jaren achtereen loeren zij op het gunstige oogenblik; de een maakt den ander nauwkeurig en bij herhaling bekend met zijn geheelen levensloop, schildert hem tot in de kleinste bijzonderheden het dorp, waar hij heeft gewoond, de streek, het huis zijner kindsche jaren, noemt hem al de namen zijner bloedverwanten, van alle dorpsbewoners, die der naburige dorpen, de naaste steden, vergeet niets en prent alles diep in het geheugen zijns kameraads; want hij wil dien naam en die afkomst zich toeëigenen, om in geval hij gevat mocht worden, daarmede de herkenning te bemoeilijken. De ander doet hetzelfde. Een smid wordt voor het plan gewonnen, mede tot de vlucht overgehaald, of anders een of ander werktuig opgespoord, waarmede men de boeien kan verbreken. De lente is tot waarheid geworden, de dag der ontvluchting breekt aan; bij de bestaande inrichting der bergwerken valt het gemakkelijk, ja zeer gemakkelijk, ongezien te ontkomen en eenige uren onopgemerkt te blijven. Is het bosch bereikt, dan zijn de vluchtelingen voor het weder opvangen genoegzaam beveiligd, maar daarom nog niet vrij van alle gevaar. Want de inboorling van dit land, de Toengoes of Jakoet, die stroopend door de bosschen trekt, wordt dikwijls verleid door de pels, die beter is dan de zijne, en een zeker treffende kogel maakt zonder gewetenswroeging, ter wille van dien pels, een eind aan een menschenleven. Zulke omstandigheden niet medegerekend, ontmoet de vluchteling zelden hinderpalen.

Ieder Siberiër zal uit een hem ingeschapen gevoel van goedhartigheid, of uit een verkeerd toegepast medelijden, wellicht ook uit vrees of traagheid, den vluchteling eerder helpen dan hem tegenhouden. In alle, ten minste in vele aan den weg gelegen dorpen, plaatsen de boeren om de beurt een grooten pot met melk en leggen ze een goed stuk brood, soms ook een stuk vleesch achter een geopend venster, opdat de in den nacht door het dorp trekkende vluchteling voedsel vinde en hij niet zal genoodzaakt worden zijn toevlucht tot stelen te nemen. Zoolang hij zich tevreden stelt met het hem vrijwillig gegevene, zoolang hij smeekend of bedelend vraagt, zich echter onthoudt van alle ongerechtigheid, niet steelt of rooft, knijpt zelfs de burgemeester de oogen dicht, wanneer er ’s nachts onbekende lieden door het dorp reizen en het voor de „ongelukkigen” bestemde voedsel tot zich nemen, of in de steeds warme, eenzaam gelegen badkamer[458]nachtrust zoeken en vinden. En wanneer een „ongelukkige” op den klaar lichten dag mocht bedelen, verraden doet men hem niet; en wanneer dezelfde „ongelukkige” om een paardetuig vraagt—weigeren zal men hem ook dit niet, zoo men er nog een te veel heeft. Wat hij met dat tuig wil, men weet het. Daar buiten het dorp weiden de paarden, in weêrwil van wolven en beren, zonder eenig toezicht. De vluchteling gaat naar de kudde, werpt een fermen hengst het tuig over den kop, springt op den breeden rug en draaft lustig weg.

DE VLUCHT VAN EEN BANNELING.DE VLUCHT VAN EEN BANNELING.

DE VLUCHT VAN EEN BANNELING.

„Nikolai Alexandrowitsch,” meldt iemand den eigenaar des paards, „zooeven is een ongelukkige met uw beste ros doorgegaan; hij rijdt den weg op naar Romanowskaja; zullen wij hem nazetten?”[459]

„„Nitschewo”” antwoordt Nikolai, „„paardje zal wel weêr terugkomen. Het zal een ongelukkige geweest zijn. Laat hem rijden.””

Paardje komt ook zeker weêr terug, want op de weide achter Romanowskaja heeft hij het tegen een ander verruild en rijdt hierop verder, terwijl het eerste paard op welbekende wegen huiswaarts draaft.

Op deze wijze geholpen, bereiken negentig van de honderd bannelingen Tjoemen, Perm en zelfs Kasan. Waren zij beter bereisd, hadden zij eenige aardrijkskundige kennis, reisden zij niet altijd langs dezelfde wegen, waarop zij uit Rusland naar Siberië trokken, weder naar hun woonplaats terug, zij zouden, zoo niet altijd, toch in de meeste gevallen hun doel bereiken. Te Tjoemen, Perm en Kasan echter vangt men meest alle vluchtelingen weêr op. En al mocht ook hij, die zijn naam tegen dien van een ander verwisselde, niet uit zijn rol vallen, en al mocht ook een ander op de hem voorgelegde vraag slechts dit ééne antwoord geven: „Ik weet het niet,” noch het een, noch het ander onttrekt hem aan het eindvonnis: terug naar Siberië! terwijl hij nog stokslagen meteen ontvangt, als straf elken achterhaalden vluchteling opgelegd. Hij reist langs denzelfden weg, dien hij als gevonnisde reeds eenmaal bereisde, naar Siberië terug, om wellicht reeds spoedig na zijne aankomst op nieuwe vluchtplannen te zinnen en deze te volvoeren. Er zijn bannelingen, die tot zesmalen toe op deze wijze door Siberië zijn getrokken.

Spoediger dan zulke onverbeterlijke vluchtelingen eindigen dezoodanigen hun loopbaan, die zich onderweg laten verleiden om te stelen of andere misdaden te plegen. In zulke gevallen verkeert de goedmoedigheid van den gezeten boer in wraakzucht. Alle eigenaren vereenigen zich om den misdadiger te vervolgen, en deze is verloren, tenzij een toeval hem redt. Wordt hij gegrepen, niets redt hem van een smartelijken dood. Dan wordt er een lijk gevonden, aan ’t welk geen uitwendige kenteekenen van een gewelddadigen dood zijn te vinden. Men begraaft het lijk, geeft aan de overheid kennis van een en ander en deze meldt zulks verder aan den Gouverneur, de laatste weder aan den Gouverneur-Generaal. Het overschot van den misdadiger, die der volkswoede ten offer viel, is echter reeds in ontbinding overgegaan nog vóór de distriktsarts zou kunnen verschijnen, gesteld dat hij verschijnen wil. Wien de wraak trof blijft onbekend. Op deze wijze, maar niet op last der regeering, verdwijnt thans nog menig banneling, omtrent wiens uiteinde niemand iets weet mede te deelen, de overheid zelfs geen licht[460]kan verschaffen. Ieder banneling echter weet welk lot hem wacht, zoo hij in Siberië als vluchteling steelt of andere misdaden bedrijft. En daarom leeft men hier, te midden van duizenden misdadigers, even veilig als ergens ter wereld, en in elk geval veiliger dan in onze door het uitvaagsel der menschheid verpeste groote steden.

Ik heb getracht een getrouw beeld te ontwerpen van de tegenwoordige toestanden, of liever gelijk deze in 1876 waren. Ik heb noch willen verzachten, noch willen verbloemen. Verbanning naar Siberië is en blijft eene straf, eene zware straf. En die straf drukt te zwaarder, naarmate men meer ontwikkeld en beschaafd is, en zij zal in de oogen van den ontwikkelde steeds en immer eene vreeselijke straf blijven. Maar verbanning naar Siberië mag ook niets anders zijn dan straf en moet den ontwikkelde harder treffen dan den niet ontwikkelde. Over de rechtmatigheid van dezen grondregel kan men het oneens zijn, maar hij valt toch niet geheel en al te loochenen. Men kan echter over het lot der Siberische bannelingen eerst dan een rechtvaardig oordeel vellen, wanneer men het vergelijkt met dat van onze misdadigers.

Wat wordt er van de ongelukkigen, die onze gevangenissen bevolken? Wat wordt er van hun gezin, hunne vrouw en kinderen? Wat is de toekomst van den misdadiger, wanneer hij de gevangenis verlaten heeft; en welke vooruitzichten heeft hij dan?

Het antwoord op deze vragen moge hij geven, die met de toestanden elders in Europa vertrouwd is.

Vergelijkt men het lot, dat onze misdadigers staat te wachten, met dat der Siberische bannelingen, dan kan de slotsom niet twijfelachtig zijn. Ieder ware menschenvriend zal moeten instemmen met den wensch, die bij mij in het verre Oosten is opgekomen en die mij sedert niet weder verlaten heeft: „Hadden ook wij een Siberië; het zou beter zijn voor onze misdadigers en ons zelf!”[461]


Back to IndexNext