Het Eerste Levensboek.

Het Eerste Levensboek.I.Het kasteel van “meneer den b’ron” stond boven op een mooi-begroeiden heuvel, vlak tegenover het kasteel van “meneer de groave” dat zich insgelijks verhief boven op een mooi-begroeiden heuvel. Daaronder en daartusschen lag het dal, met het dorpje en de zacht door groene weilanden heen kronkelende rivier.Het kasteel van “meneer de groave” was grooter en grootscher dan het kasteel van “meneer den b’ron”. Het had ouderwetsche koepels en torens met kanteelen en spiegelde zijn statige schoonheid in een der breede bochten van het stille water. Maar het minder grandioos kasteel van “meneer den b’ron” was toch pittoresker gelegen: het heuveltje waarop het stond was ietwat hooger dan de andere heuvel; het zicht van daar uit ontvouwdezich ruimer en mooier over de gansche streek; en vrij dicht bij, als ’t ware er bij behoorend, stond een oude, oude, houten molen: een molen uit de middeleeuwen, gansch grijs en gansch verweerd, en die bij gunstig weer nog werkte, als een aartsvader die zijn knokkelige ledematen in beweging houdt om frisch te blijven.Daaronder lag het dorpje, en ’t heette “Meulegem”. Heel héél oude papieren, die vergeeld en half vergaan lagen op den zolder van ’t gemeentehuis getuigden ervan, dat de molen al lange jaren bestond vóór het dorpje, waaraan hij zijn naam had gegeven. De huizen, het kerkje, de kasteelen, dat was alles veel later gekomen. Maar de bewoners wisten daar niets of slechts weinig van af. Meulegem veranderde niet: wat hun ouders en hun voorouders gekend hadden bestond nog als vroeger en niets noemenswaard was er ooit bijgekomen. ’t Leek wel of Meulegem zoo ineens, op één dag, kant en klaar was neergezet en voorbestemd om altijd zoo te blijven.Er was maar één straat. Zij kwam, als steenweg, kronkelend uit de velden en de bosschen en werd eerst dorpskom tusschen twee herbergen: het “Vosken” en de “Nachtegaal”. Het Vosken en de Nachtegaal waren als twee vooruitgeschoven posten,die, elk op zijn manier, sprekend door hun uithangbord, den vreemden bezoeker begroetten. De bruingekleurde vos met zijn enormen staart en schittervalsche oogen, scheen je toe te roepen “Pas op, ’t is hier niet pluis!” Maar de nachtegaal, die kweelend, met fijn, open bekje op een larixboompje zat geschilderd, deed duidelijk zijn best om den ongunstigen indruk van zijn overbuurman uit te wisschen en zong den vreemdeling zoet-streelend toe: “Kom maar gerust, het is hier aller-liefelijkst.”En de nachtegaal had gelijk. Rechts en links vertoonden zich weldra pittoreske huisjes, met bloementuintjes langs de lichtgekleurde geveltjes: hier een klein boerderijtje, lachend in de zon, daar een oud geveltje met overhangend stroodak en gekleurde luikjes: en zoo geraakte men tot aan de kleine dorpplaats, die eigenlijk niets anders was dan een verbreeding van den straatweg: het witgekalkt, ouderwetsch kerkje met zijn kerkhof, enkele winkeltjes en herbergjes, een popperig gemeentehuisje, een nog al mooie pastorie, en daarachter ’t park en het kasteel van den “b’ron” en den ouden, houten molen op den liefelijk-begroeiden heuvel. Even voorbij de kerk ontrolde zich een prachtig vergezicht van weiland en rivier, met als achtergrond het kasteel van meneer de “groave”.En ’t was alsof de twee mooie buitens, met hun uitgestrekte tuinen ieder op een heuvel, elkaar als twee bezielde, solidaire wezens over die wijde ruimte aankeken.Soms zei de baron tot den graaf: “Wat staat je kasteel daar toch mooi, met zijn koepels en torens en boomen weerspiegeld in ’t water!” Maar de graaf kon niet anders dan antwoorden: “Je weet niet hoe poëtisch en hoe schilderachtig dat oud molentje daar boven ’t kerkje op zijn heuvel staat te draaien!”De graaf en de baron kenden elkaar om zoo te zeggen sinds zij op de wereld kwamen en hun beide familiën waren intiem met elkander bevriend. Vóór het kasteel van den graaf lag aan beide oevers der rivier een schuitje, en daarmee staken de familiën over om elkaar te bezoeken en gingen verder te voet door de weiden. De graaf had een dochter en de baron had een zoon, en samen speelden zij veel spelletjes waarvoor twee kinderen noodig waren.De graaf en de baron waren de machtig-rijke, maar niet hardvochtige heerschers over ’t nederig dorpje. Alles was van hen: de landen, de boerderijen, de huizen; doch zij waren geen tyrannen: zij heerschten rustig en beschermend zelfs, tevredenals alles goed ging in de gemeente en niemand hen dwarsboomde.Alles ging goed wanneer eenieder bijtijds zijn pachten betaalde, geen politieken strijd in ’t dorp verwekte, geregeld naar de kerk ging en verder aan beide voorname families den noodigen eerbied bewees. De baron was burgemeester der gemeente, omdat hij meer verstand had van bestuurszaken dan de graaf, maar ware de baron dat niet geweest, dan zou de graaf het wel geworden zijn, omdat het nu eenmaal wenschelijk is, dat òf een graaf, òf een baron, als die er zijn, deze waardigheid op een dorp bekleedt.De menschen leefden klein en nederig, maar niet ongelukkig, onder die heerschappij, en als het ware in de schaduw van de twee regeerende kasteelen. Misschien hadden zij wel, diep in hun binnenste, een vagen drang naar meer vrijheid; misschien voelden zij, onbewust, een benauwende drukking, welke uitging van die machtige kasteelen en kregen zij ook wel den indruk, dat men ruimer ademde in dorpen waar er geen kasteelen waren; maar dat uitte zich toch nooit in klachten of verzuchtingen, dat lag stil in hen, als iets dat bij hun leven hoorde en niet kon veranderd worden. Feitelijk was er op Meulegem een andere atmosfeeren zagen de menschen er ook anders uit, dan in dorpen die geen kasteelen hadden. Het was als iets onzichtbaars en toch alomtegenwoordigs, dat in voortdurende drukking over alles hing. De brouwer, de stoker, de steenkoolhandelaar en kruidenier waren er andere menschen dan hun confraters uit ’t omliggende. De dorpsschoolmeester was een ander mensch en ook de gemeente-secretaris was een ander mensch. Zelfs de kleine kinderen waren anders. Het uitgaan van de school te Meulegem was verschillend met het uitgaan van de school in andere dorpen; en iets wat de gansche bevolking kenmerkte en algemeen bekend was in den omtrek, was dat zij allen, jong en oud, er eenigszins gebogen liepen, alsof een last hen op de schouders drukte. Het was spreekwoordelijk in de streek: wanneer iemand zich niet goed recht hield, zei men, ietwat geringschattend-spottend:—Komt ge misschien van Meulegem?En de eenige, behalve de leden der twee adellijke families, die daar niet van Meulegem kwam, was meneer de pastoor, die er glunderde en tierde en regeerde, één met den graaf en den baron, de geestelijke almacht naast en zelfs boven de wereldlijke, want èn de graaf, èn de baron behandeldenhem als een gelijke en wel eens als een meerdere, die altijd met hen samenwerkte tot het vast-onwankelbaar instandhouden van wat door lange jaren van overgeleverde traditie “het” leven zelf van Meulegem geworden was.II.Aan dat leven-van-Meulegem konden slechts dezen ontsnappen, welke er zich van verwijderden, en daartoe behoorden de jonge koewachtertjes, die den ganschen dag met hun beesten in de vrije weide waren.De koeien graasden rustig alom in het groen, en van verre waren ’t als groote, langzaam zich groepeerende en voortbewegende bloemen, nu eens helder verlicht in de zon, dan weer verkleurloosd en verwazigd, wanneer wolken-schaduwen zich wijd over de wei uitspreidden. Als groote, witte schepen dreven die wolken in de blauwe lucht. Van hoog en verre kwamen zij uit het azuren zuiden aangewaaid en ’t was alsof enorme grauwe zeilen meteen over de groene weiland-zee neerstreken. Het gras werd dof, de boomen versomberden,de koetjes smolten weg in nevelgrijs. Maar ginds laag aan den einder tintelde weldra een goudzoom op, het werd een vlek, een plas, een meer, een oceaan van goud; de logge, grauwe wolkenzeilen schenen er, als bang, voor weg te vluchten, de even uitgewischte koetjes fleurden opnieuw als eigenaardige, groote bloemen op en spoedig was ’t weer alles licht en leven, wijd over het blijde, groene zomerland, onder den wijden, blijden, blauwen hemel.In de koele schaduw, onder het zacht wuivend en suizend bladerengewelf van een trosje hooge populieren, die daar als een eilandje van veilige gezelligheid, midden in de uitgestrekte weilanden tusschen de twee kasteelen stonden, speelden de jonge koewachtertjes een groot gedeelte van den dag allerlei koewachtersspelletjes, slechts met verstrooide oogen wakend op hun wijze, kalme beesten, die aldoor, áldoor graasden en hun waakzaamheid bijna niet noodig hadden.Zij klauterden in de populieren en roofden er de vogelnesten; zij liepen in de wei en vingen er kikkers, die zij dan vilden en in houtvuur lieten braden; of zij speelden gewoon met knikkers en dobbelden om centen, wat wel eens gekrakeel enruzie gaf. ’t Was soms net een bende jonge spreeuwen, die zich kwetterend en kwebbelend ergens laat neervallen. Andermalen, bij mooi, warm weer, als er niemand van de kasteelbewoners in aantocht was, kleedden zij zich spiernaakt uit en gingen zwemmen in de rivier, en dikwijls zongen zij hun jubelend opgalmend “alahoe! alahoe!” onder het luid klappen met hun “dzjakken.” Hun eten en drinken hadden zij in een zakje en een kruikje met zich mee en feitelijk bestond hun eenige ernstige en verantwoordelijke taak in het dagelijks heen en weer loodsen der koeien, die ’s ochtends en ’s avonds moesten overzwemmen, bij den overzet van ’t dorpje.Dat was telkens een druk-levendig gedoe en ’t ging gepaard met heel wat zweepgeklap en schrille kreten. Ze konden ook zoo teuten, die koeien, voornamelijk bij het terugkeeren. Altijd hadden zij nog op ’t laatste oogenblik wat langs den oever op te knabbelen, terwijl ze toch den ganschen dag niets anders deden dan zich dik grazen. Ware ’t niet geweest dat Blesse, boer Galle’s wijze, bonte koe, toch eindelijk het goede voorbeeld gaf, nooit waren zij erover gekomen. Want eerst nadat Blesse met een weerspannig gebulk ’t water was ingegaan, wilden de andere, allen te gelijk dan, volgen. Dekoewachtertjes dreven met het overzetbootje mee over, en van daaruit schreeuwden en zweepklapten zij naar hun zwemmende beesten: “Bloare, gie deugeniete, wilt-e ne kier op ou ploatse blijven! Sterre, gie vuilkonte, goat ou muil hêwen!” tot zij er mee aan den overkant kwamen, waar de troep dan moest gescheiden worden. Er waren steeds enkele achterblijvers, de koewachtertjes gilden zich heesch en gooiden er naar met aardkluiten, maar eindelijk zwommen ook de laatsten over, het zware lijf gansch onder, den snuivenden snoet boven ’t water, de oogen wreed blikkerend, de horens als twee scherpe, dorre takken uit de kolken opgeprikt. ’t Bootje werd tot den volgenden ochtend vastgemeerd en met hun druipende beesten vertrokken de koewachtertjes zingend, roepend, fluitend en zweepklappend, elk naar zijn afzonderlijke hoeve.III.Er waren in ’t geheel zeven koewachtertjes, en onder die zeven was er een, zeer verschillend van de anderen.Dat was Fonske, het koeiertje van boer Monteyne.Hij was elf jaar oud en had een eigenaardig snoetje, mager, stil en schuchter, met kleine, weemoedige oogjes. Hij deed niet mee aan ’t ruwe vogelnesten-rooven noch aan ’t wreede kikkers-villen, maar in zijn lange, vrije uren zat hij graag alleen onder het lommer van de populieren en krabbelde daar teekeningjes, met een potlood op een stuk papier. Hij teekende de koeien uit, hij teekende de boomen, den ouden molen en de twee kasteelen; hij probeerde zelfs zijn kameraadjes uit te teekenen, als deze maar even voor hem wilden stilzitten.Maar dit was moeilijk te verkrijgen. De andere koewachtertjes lachten hem uit met zijn teekenmanie en beschouwden hem zoowat als een half-onnoozele suffer. Zij kwamen gekscherend om hem staan, duwden elkaar in de zij, hadden dolle pret bij iedere spot-bemerking, die de een of ander waagde. Toch molesteerden zij hem niet bepaald; en naarmate Fonske handiger werd in zijn oefeningen, ontwaakte zelfs een zekere belangstelling bij hen en vonden zij er een opgewekt genoegen in de voorwerpen, beesten of wezens die Fonske geteekend had naar de werkelijkheid te herkennen. Met den molen, ’t kasteel van meneer den baron of ’t kasteel van meneer den graaf gaf dat natuurlijk geen moeite; maar toen zij op een middag duidelijk Blesse herkenden, die altijd vóór de anderen in ’t water ging, en, naast Blesse, al zoo duidelijk herkenbaar, Rietje Koarelkes, die er met zijn zweep achterna zat, toen voelden zij voor ’t eerst een soort ontzag voor Fonske en was het als om strijd dat zij nu allen hun portret door hem wilden laten maken.Erger nog was het, toen Fonske eens met een kleurendoosje,—een zoogenaamd “virfbaksken”—, dat hij in een winkeltje van ’t dorp gekocht had, kwam aanzetten, en me daar waarachtig, als eenechte schilder, zijn teekeningen begon te kleuren. Nu gold het heelemaal geen lachen of spotten meer: de wei werd prachtig groen, de hemel glanzend blauw en op zijn heuvel stond het rood-gewiekte molentje te draaien, terwijl ’t kasteel van den baron zóó duidelijk onder zijn hooge boomen uitkwam, dat men iedere deur en ieder raam en in ieder raam elk vensterruitje kon tellen. Ook Rietje Koarelkes en zijn Blesse werden gekleurd; en dàt meesterstuk vestigde wel beslist Fonske’s roem onder de koewachtertjes: Rietje had een scheel oog en veel gele sproeten in ’t gezicht, die er allemaal op gestippeld stonden; en de bruine en witte vlekken op Blesse’s huid waren precies uitgemeten en uitgerekend, terwijl haar linker horen, een weinig afgeknot, juist zooveel korter en stomper op de schilderij leek als dat in werkelijkheid het geval was. Alle handen te gelijk strekten zich gretig naar de schilderijtjes uit, al de koewachtertjes smeekten om die te mogen hebben; en Fonske, die Rietje Koarelkes ’t zijne cadeau gaf, beloofde ook aan al de andere makkertjes hun schilderij te zullen maken.IV.Zoo zat Fonske op een zachten zomermiddag eens alleen te schilderen. De andere koewachtertjes waren verder in de wei, bezig met kikkers vangen en niets stoorde hem in het vlijtig genot, waarin hij gansch verdiept zat. Fonske schilderde het landschap: het weiland met de koeien, een hooibergje, en in de verte het kasteel met ’t molentje.Het was een volmaakt-mooie dag, zoo rustig-vast in zijn glansrijke schoonheid, alsof het nooit anders geweest was en altijd zoo zou blijven. ’t Was of de gansche natuur in haar eigen rijke innigheid lag te genieten. De kort-gegraasde wei strekte zich tengergroen ver-uit achter de lange schaduwstreep der hooge populieren, in den blauwen hemel hingen witte wolkjes, die nauwelijks schenen voort te drijven en ’t diepe water sliep tusschenzijn bloeiende oevers, waar de fijne karrekiet zoo landelijk en zoo zoet in het riet zat te kweelen.Fonske werkte. Zijn hoofdje stond scheef en zijn wenkbrauwen fronsten zich van de inspanning. Hij voelde dat het stuk karton waarop hij schilderde te klein was voor het vele dat hij erop weer wou geven en ’t speet hem zoo dat hij geen grooter had genomen. Het molentje, dat nu zoo rustig met gekruiste wieken op zijn heuvel stond, kon er beslist niet bij, en dat maakte Fonske verdrietig, want juist het molentje was wel het mooiste van het gansche tafereel. Zou hij er morgen nog geen stuk langs boven kunnen aanplakken? Hij bewoog het schilderij op en neer, hield het met gestrekte armen vóór zich uit, keek in de verte naar het molentje en praktizeerde en peinsde: hij kon het met zichzelf niet eens worden en aarzelde en tobde; hij lei het ding eindelijk zuchtend neer en wilde opstaan, toen iets ongewoons, dat hij als ’t ware achter zich had voelen naderen, hem plotseling het hoofd deed omwenden.Hij schrikte hevig en zijn rechterhand ging in instinctmatig groeten naar de plaats waar op zijn verkleurd stoppelhoofd zijn pet had moeten zitten. Vlak naast hem waren, ongemerkt, twee jonge dames verschenen: mejonkvrouw Elvire, hetdochtertje van den graaf, met haar engelsche gouvernante.—Doe moar veurt; woarom ’n doeje nie veurt? zei het jong meisje aanmoedigend, met een zoeten glimlach.Zij stond voor Fonske, geheel in ’t wit gekleed, het zacht gezicht met levendige, donkere oogen warmbruin-verbrand van zonnegloed onder een gelen, strooien hoed met roode en blauwe bloemen en haar blikken weken niet van ’t schilderij, dat Fonske in zijn ontzetting scheef over het gras had neergegooid. Fonske kende haar wel, hij wist dat zij ook schilderde, onder de leiding van een meester; en nu bleef hij daar met neergeslagen oogen roerloos van ontroering staan alsof hij iets misdreven had, dat niet meer goed te maken was. Maar zacht en lief klonk weer haar stem: “Mag ik het ne keer zien?” en Fonske bukte zich sprakeloos, raapte zijn schilderij op, en gaf het haar.Zij ging er enkele passen mee op zij staan, door haar gouvernante gevolgd. Samen spraken zij even vlug in een voor Fonske onverstaanbare taal. Toen kwam het meisje met het schilderij weer naar hem toe en vroeg heel ernstig, met naïef-groote oogen:—Wie het er ou da geleerd?—Niemand, fluisterde Fonske, de oogen ten gronde.—Hèt-e gij dat amoal uit ou eigen gedoan?—Joajik, schuchterde Fonske.—Hoe heet-e gij?—Fonske.—Fonske wie?—Fonske Vermoare.—Van woar zij-de?—Van Meulegem.—Hèt-e nog meer van die schilderijtjes?Fonske knikte.—Hoevele nog wel?—’n Stik of zeven of achte.—Woar zijn ze?—Thuis.—Keunt-e ze mij nie ne keer teugen?Fonske zweeg, wist niets te antwoorden.—Zoe-de ze morgen nie ne keer willen meebrijngen?Fonske knikte.—En zoe ’k dit nou ne keer meugen meenemen, om aan mijne meester te loate zien?Fonske knikte. Hij knikte herhaaldelijk en zijn benauwd gezichtje scheen weer op te leven.Opnieuw wisselde het jong meisje vlug eenige woorden in een vreemde taal met haar gouvernante, aan wie ze ’t schilderij overhandigde. De gouvernante tastte in een zakje, dat zij aan den arm droeg, haalde er een zilverstukje uit, stak het Fonske toe.—O nie nie, ieffreiwe, schudde Fonske doodsverlegen het hoofd.—Toe toe, ge moet! drong het kasteelmeisje aan. En Fonske gehoorzaamde.—Tot morgen, nie woar, hier aan dezelfde ure, mee al ’t geen da ge geschilderd hèt! ’K zal vroagen of de miester meekomt, riep ze nog onder het weggaan.En Fonske knikte sprakeloos-toestemmend.Hij zag ze vertrekken. De gouvernante, in ’t groen gekleed, droeg zijn schilderij onder den arm. En mejonkvrouw Elvire, gansch in ’t wit, de losse bruine haren glanzend-golvend onder den bloemenhoed over haar schouders, had den vrijen arm der gouvernante vastgegrepen en scheen te jubelen en te juichen, alsof haar een buitengewoon groot pleizier was overkomen. Zij gingen naar ’t kasteel van den baron toe, slank als twee jeugdige, slank-stengelige bloemen: een groene en een witte, in de weelde-harmonie van ’t zomerlandschap. En Fonske, roerloos op den grasrand, in de schaduw der zacht-suizelendepopulieren, begreep vagelijk, dat er iets gewichtigs in zijn leven was gebeurd, zonder dat hij ook kon voorgevoelen of het iets goeds of iets ongunstigs was voor hem. Alleen dìt voelde hij: dat een van de almachtige kasteelen, die daar al de menschen en de gansche streek beheerschten, zich iets van zijn levenslot had aangetrokken, en er mee doen kon wat het wilde.De andere koewachtertjes, die van verre de ontmoeting zagen, hadden hun spelen gestaakt en wachtten, roerloos in een groepje, tot de jonkvrouw met haar gouvernante onder de hooge boomen van ’t kasteel verdwenen was. Toen namen zij allen te gelijk hun aanloop en bestormden Fonske met hartstochtelijke vragen.V.Den volgenden namiddag, lang vóór het gestelde uur, kwam Fonske met zijn schilderijen aan. Ook al de andere koewachtertjes waren reeds op hun post en vroegen dringend om het werk nog eens te mogen zien.—Nie g’, zeg ik ulder! antwoordde Fonske stug en kitteloorig. En hij bleef halsstarrig-wakend bij zijn spullen staan, den blik gevestigd op ’t kasteel vanwaar de jonkvrouw met haar meester komen moest.Daar kwamen zij. De koewachtertjes merkten ’t van verre en riepen ’t naar Fonske:—Ze zijn doar!Fonske zag een groep van vier personen ’t grafelijk kasteel verlaten en naar de rivier toe komen. Hij herkende reeds op een afstand jonkvrouw Elvirein ’t wit, met haar groene, engelsche gouvernante; maar de twee heeren die de meisjes vergezelden wist hij niet zoo dadelijk te noemen, en toen hij ’t eindelijk zag neep hem de schrik om ’t hart: ’t was de oude graaf zelf, vergezeld van jonkvrouw Elvire’s meester. De koewachtertjes, allen in een groepje op een afstand, met hun zweepen in de hand, riepen het nog eens halfluid naar Fonske, met als ’t ware schrikbevangen stemmen:—De groaf es d’er euk bij!De groep stapte in het schuitje en de groene Engelsche, roeide hen met een paar flinke riemslagen over. Fonske, steeds roerloos naast zijn schilderijen onder ’t trosje populieren, hoorde de aan wal getrokken ketting rinkelen, zag de deftige partij uitstappen. Maar een der koewachtertjes, die zich even naar den overkant der weilanden had omgekeerd, kromp plotseling als van benauwing in elkaar en schreeuwde in ondertoon naar Fonske toe:—Fons, den b’ron komt ginter euk, mee menier Gaëtan.Als onder een schok keerden, èn Fonske, èn al de andere koewachtertjes zich om en daar zagen zij werkelijk ook meneer de baron aankomen, met zijn zoon Gaëtan. Die herkenden zij allenwel terstond en duidelijk, ofschoon zij nog op ruimen afstand waren: meneer den baron liep op waggelende o-beenen, zoo dat men ’t landschap er doorheen zag en meneer Gaëtan was een lange, magere slungel, met afzakkende schouders en een hoofd dat als te zwaar voorover hing op zijn gebogen, dunnen hals. ’t Was zeker een afspraak: de beide families waren nieuwsgierig om het door jonkvrouw Elvire ontdekte wonder te aanschouwen en kwamen op ’t gestelde uur naar de plaats der bijeenkomst.De koewachtertjes drongen nog wat verder op zij tot een groepje van strak-stille gezichtjes met piekige haren, dat zich niet meer bewoog; en Fonske bukte voorover naar zijn schilderijen en plaatste die tegen een boomstam.—Goên dag, klonk het vriendelijk achter zijn rug.Fonske keerde zich om. Vóór hem stond lief-glimlachend jonkvrouw Elvire met haar gouvernante en op vier passen afstand volgde menier de groave met den teekenmeester. Fonske schetste een groet met de hand naar zijn hoofd alsof daarop een pet stond en sloeg dan dadelijk weer schuw-bedeesd en onbewegelijk den blik ten gronde.—Voyez, papa, voyez monsieur Wattenberg!riep het jong meisje, opgewonden naar de teekeningen loopend.—Haha,les chefs-d’oeuvre! glimlachte de graaf, zijn dochtertje volgend.Hij had een fijn gezicht, bruingebrand door buitenlucht en zon, met lange, witte snor en heel lichtblauwe oogen, die een slimleuke uitdrukking hadden. Zijn linkerbeen was ietwat stram, zoodat hij licht hinkte en steunde op een stok, wat overigens niets schaadde aan zijn wel echt aristocratisch voorkomen. De teekenmeester van zijn dochtertje, burgerlijk-correct, met vollen baard en iets plechtigs-gespannen in zijn gansche houding, vergezelde hem met afgemeten passen.—Voyez, monsieur Wattenberg, n’est-ce pas que c’est beau!riep juichend het jong meisje, een der schilderijtjes tegen den boomstam omkeerend. Maar het dingetje gleed schuins omlaag, nog vóór de meester goed kon kijken en de groene Engelsche bukte zich met een angstig “aoh” spoedig neer om het weer overeind te zetten.De meester keek, sprakeloos-wenkbrauwfronsend, met de linkerhand aan zijn kin. Fonske zelf stond heelemaal op zij, als ’t ware in de zaak niet betrokken en even verder vormden de koewachtertjes een absoluut-roerloos groepje, allen met star-rondeoogen van gespannen aandacht, den zweepstok onbewegelijk naast de morsig-bloote voetjes, de bijna wit-verkleurde haren als een boschje kortgeknipte stoppelhalmen glinsterend in de zon.Meneer Wattenberg knikte heel eventjes goedkeurend met het hoofd en scheen op ’t punt zeer deftig iets te zeggen, maar juist kwamen meneer de baron en meneer Gaëtan binnen bereik en dat leidde voor een oogenblik de belangstelling af.—C’est donc vrai qu’Elvire a découvert un petit génie?vroeg ietwat ongeloovig-schertsend de baron, terwijl hij, warm en amechtig van het loopen, met een laatste waggeling zijner o-beenen, tusschen welks open ruimte zich even een stuk van het landschap vertoonde, onder het frissche lommer der populieren verscheen.—Il parait, l’exposition allait justement commencer, glimlachte de graaf, zijn ouden vriend de hand drukkend.De baron was wellicht niet ouder dan de graaf, maar zijn nóg moeilijker loopen deed hem ouder schijnen. Hij droeg een vollen baard, die grijsde en de uitdrukking zijner zeer groote en ietwat uitpuilende oogen had iets angstigs en benauwends, als van iemand die voortdurend naar zijn adem snakt. Zijn zoon, een hoofd langer dan hij, waseen donker Mephisto-type, met een beginnend zwart snorretje en zeer nauw-gespleten zwarte oogen, die nooit heelemaal frank de menschen en de dingen aankeken. Zijn glimlach had iets grijnzends en zijn glimmend haar was tot achter in den nek gescheiden door een griezelig blauw-witte spleet, welke de boeren in ’t geniep zijn “luizenboulevard” noemden. Dikwijls werd door de menschen in het dorp beweerd en voorspeld, dat meneer Gaëtan later met jonkvrouw Elvire zou trouwen. Het heette dat het om zoo te zeggen al van in hun wieg door de beide families aldus geschikt was en de menschen zeiden ook dat het een heel mooi paar zou zijn, omdat zij op elkander leken.Er was misschien wel iets van aan. Jonkvrouw Elvire leek op meneer Gaëtan, maar zooals iets heel moois en liefs op iets ongunstigs en onaangenaams kan lijken. Jonkvrouw Elvire had ook donkere haren en oogen, maar zoo zacht en zoo open van uitdrukking. Haar teint was bleek als dat van meneer Gaëtan, maar van een donzig-fluweelen matheid, een matheid om heel zacht te aaien en te streelen, iets als een wasem, dien men nauwelijks durft aan te raken. En instinctmatig voelden de menschen voor jonkvrouw Elvire een uitgesproken en verteederde genegenheid, envoor meneer Gaëtan, ondanks hun eerbied, iets van benauwd ontzag en intuïtief-verwijderende angstigheid.Meneer Wattenberg groette nederig-diep den baron en zijn zoon en toen kwamen zij weer allen om de uitgestalde schilderijtjes staan. Meneer Wattenberg schoof er dadelijk een drietal op zij, die volgens hem in het geheel geen waarde hadden. Maar twee nam hij er uit: een panoramisch landschap van een deel der streek en een ander dat den terugtocht van de koeien met de zweep-klappende koewachtertjes voorstelde; en daarover hoofdknikte hij goedkeurend, en gaf, doctoraal-gewichtig, in het Fransch, uitvoerige explicaties.Stil van gretige belangstelling ving jonkvrouw Elvire al zijn woorden op. Waar hij prees tintelden haar naïeve kinderoogen van blijmoedige geestdrift; waar hij meende te moeten afkeuren kwam er iets gelaten-droevigs over haar matbleek gezichtje, als van teleurgestelde, frissche illuzie. Ook de anderen zagen nieuwsgierig-zwijgend toe: de groene Engelsche met glimlachenden tandenmond en vreemde uitroepingen van verrassing, de beide oude heeren ietwat sceptisch op hun hoede en meneer Gaëtan met zijn Mephisto-grijnslach, de nauw-gespleten, donkere oogen telkens van deschilderijtjes afgeleid naar Elvire en meer nog naar de Engelsche, die hij met heimelijk-geboeide aandacht nauwkeurig scheen op te nemen en te ontleden. Fonske was heelemaal op den achtergrond geraakt en scheen om zoo te zeggen vergeten; en de groep der koewachtertjes verroerde niet, pal van spannende verwachting, dicht op elkaar getroppeld met hun vuile, naakte beentjes en hun blonde, bloote kopjes, als een trosje jonge, dichtgeplante boompjes, roerloos rechtop tierend in de glinsterende zon.Eindelijk keerde meneer Wattenberg zich om en kwam naar Fonske toe.—Hedde gij goeste van veurt te leeren schilderen, manneken? vroeg hij:—Joajik, meniere, antwoordde Fonske even schuw-opkijkend en dadelijk weer de oogen neerslaande.—Zoe-de gij iedere zondag nuchtijnk in de stad noar de teekenlesse wille goan!—Os ik mage van moeder, knikte Fonske.—Ge zil meugen, menier de groave zal ’t aan ou moeder vroagen en ouën trein betoalen.Fonske knikte, zwijgend.—Hoe êwd zijt-e gij?—Twoalf joar.—Hèt-e nog broerkes of zusterkes?Fonske schudde ’t hoofd.—Hawèl, ’t es goed, besloot de meester. Zegt aan ou moeder, da menier de groave heur morgen zal kome spreken. En ondertusschen meugt-e veurt tiekenen en schilderen os ge tijd hêt, en ieder weeke zal ik mee mejonkvreiw Elvire ou wirk komen noarzien. Verstoan, manneken?Of Fonske het verstaan had! En of ook al de koewachtertjes het verstaan hadden! Fonske vond geen woorden om te danken en kon alleen maar schuchter met het hoofd knikken, doch al zijn kameraadjes keken hem met groote oogen van heimelijk-afgunstige bewondering aan.Jonkvrouw Elvire kwam naar hem toe.—Zij-de nie blije? juichte zij met stralende oogen.—O joa ik, mejonkvreiwe, os ik moar ’n mag van moeder, antwoordde Fonske met een vuurkleur.—Is n’t he nice!streelde de Engelsche met verteederden glimlach.—Hedde gij dat allemoal alliene gedoan? vroeg hem nu ook meneer Gaëtan met zijn griezeligen, donkeren gezichtsgrijns. Maar hij luisterde niet eens naar Fonske’s antwoord; hij keerde hem den rug toe en begon in vreemde taal gekheid te maken tegen Elvire en de Engelsche, die hij aan ’t lachen wist te brengen.Benauwd keek Fonske op, als vreesde hij, dat er om hem gelachen werd. De koewachtertjes, steeds roerloos in hun dichte groepje, keken naar meneer Gaëtan’s achterhoofd, naar zijn blauw-witten “luizenboulevard” tusschen het glimmend-weggestreken donker haar. Er was er een, die even het woord durfde fluisteren; doch met een vermanend “zwijg, gie loeder” werd hij onzacht door de anderen den mond dicht gestompt.Meneer de graaf en meneer de baron, nog even in gesprek met meneer Wattenberg, hadden zich langzaam omgekeerd. De zaak was afgehandeld. Elvire zou als een verwend kindje haar zin krijgen met Fonske; men zou het althans voor een tijdje probeeren; en reeds spraken zij over andere dingen, over de aanstaande opening der jacht en over enkele belangen der gemeente in verband met hun persoonlijke belangen.Zij namen afscheid. Elvire en de Engelsche, gelukkig over het welslagen van hun plannetje, gingen niet weg zonder Fonske de hand te drukken. Ook de meester kwam nog eens bij hem en wakkerde hem aan om vooral goed te leeren teekenen. Meneer Gaëtan ging met den graaf en met de meisjes mee en meneer de baron keerde heel alleen, over de uitgestrektheid van het weiland, licht-schommelendop zijn o-beenen, naar zijn kasteel terug.In stilte waren de koewachtertjes weer bij Fonske gekomen, die hen nu zijn schilderijen liet bekijken. Zij drongen en stompten elkaar om goed te zien en wisselden hun indrukken.—Ge’n zil nie meugen van ou moeder, meende Feelke Brouwers.—Hij zal van eigen meugen, os de groave wilt! verzekerde Rietje Koarelkes. En hij zal rijke worden euk.Fonske zei niets, pakte zijn schilderijtjes bij elkaar.—Os hij rijke wordt moet hij ons trekteeren! besprak Mielke Katoor.—En zijn hoar in ne luizen-boulevard kammen! proestlachte eensklaps Dolfke van de Wiele.—Zwijg, gie loeder! riepen al de anderen met verschrikte oogen naar het grafelijk kasteel omkijkend.—Lach gulder moar, hij es hij den besten. ’K wensche dat de jonkvreiwe mij euk noar de tiekenschole liet goan, besloot Rietje Koarelkes.Maar al de anderen lachten Rietje vierkant uit. Wat had die verstand van teekenen! Hij kon nog niet eens goed zijn naam zetten op school.Even kregen zij ruzie daarover. Scheldende monden snauwden elkaar bijtend toe en de verkleurdepiekharen schenen dreigend overeind te rijzen. Het duurde maar een oogenblik. Alles kwam tot bedaren en weldra verspreidden de koewachtertjes zich joelend en zingend en zweepklappend over de groene uitgestrektheid van het met rustig-grazend vee bebloemde weilandschap.VI.Den volgenden zondag toog Fonske voor het eerst ter stad naar de teekenschool. Alles was vooruit geregeld door tusschenkomst van den graaf, den baron en meneer Wattenberg; doch daar Fonske hoegenaamd den weg niet kende in de stad, was de baron-burgemeester op het eigenaardig idee gekomen hem daarheen door den dorpsveldwachter te doen begeleiden.Dat maakte wel een vreemden indruk en de andere leerlingen keken zeer verbaasd en ietwat spottend op. Dat schuchtere Fonske naast dien veldwachter in uniform met zijn rooden neus, leek bijna op een aangehouden landloopertje dat naar de gerechtszaal wordt gebracht. Maar meneer Wattenberg was op voorhand gewaarschuwd; hij nam Fonske in ontvangst en stelde hem aan dendirecteur der teeken-academie voor; en dadelijk werd het kind een plaats aangewezen en hem ’t pleistermodel getoond, dat hij moest uitteekenen.Die heeren waren uiterst vriendelijk voor hem, wat niet belette, dat hij zich daar zeer vreemd en ontredderd voelde. Hij was er een der heel zeldzame leerlingen van ’t platteland, en een der allerjongste ook; hij kreeg terstond den indruk alsof al die anderen ongeloofelijk knap waren en hij zelf zoo goed als niemendal nog kende. Zij waren anders en mooier gekleed dan hij; zij bewogen zich daar volkomen ongegeneerd en vrij alsof ze ’r thuis waren, en zij spraken ook een andere taal: het dialekt der stad en ook veel Fransch, waarvan Fonske geen enkel woord verstond. Het kwam hem daarbij voor dat ze hem af en toe minachtend aankeken en bedekt-gichelend over hem fluisterden en dat maakte hem nog veel schuwer en bedeesder. Zijn eenige toevlucht was het vriendelijk gezicht van den meester, naar wiens uitleggingen hij met roerlooze aandacht luisterde en hij spande zich in met uiterste kracht om althans zijn werk goed af te maken.Maar ’t ging niet makkelijk. Het was zoo heel anders dan wat hij gewend was. Die doode, kleurlooze klomp, dien hij moest conterfeiten, die benauwdezaal vol leerlingen, dat triestig licht door matte glazen, alles belemmerde en ontzenuwde het eenzaam, droomerig natuurkind, gewend aan zon en vrije ruimte, en hij had het wanhopig gevoel daar nooit te zullen aarden en er nooit iets goeds te kunnen voortbrengen.Toch was de meester, die vóór het einde van de les even kwam kijken, over zijn werk niet ontevreden. Hij klopte hem bemoedigend op het tenger schoudertje en gaf hem zacht enkele nuttige wenken. Fonske aanhoorde die als een orakel; hij voelde zich iets minder hopeloos-ontredderd, maar o, nog zoo verre, dacht hij, van wat al die anderen zoo gemakkelijk schenen te bereiken. Had hij den goedigen meester maar voortdurend naast zich kunnen houden! Maar zoodra de meester weg was besloop hem weer het besef zijner ellendige zwakheid en het gevoel zijner absolute eenzaamheid midden in een vreemd-hostiele omgeving. Het uur van eindigen klonk hem als een verlossing in de ooren en bijna als een schuldige verliet hij het gebouw, stil-wegsluipend tusschen al die sterkeren en zelfbewusten, wier spottend-minachtende blikken hij zijn schuwe aftocht voelde vergezellen.Gedurende de korte terugreis in den trein vermande hij zich. Hij wist wel dat de kameraadjeshem in opgewonden nieuwsgierigheid bij het kleine dorpsstation zouden afwachten en hij wilde toch vooral zijn teleurstelling niet laten blijken. Het speet hem dat hij zijn teekengerei ginds had moeten achterlaten. Zoo’n portefeuille onder den arm, dat had hem een houding gegeven. Maar de trein zelf, waaruit de makkertjes hem zagen stappen, dat gaf ook al prestige en hij wist zich toch wel goed en flink te houden en antwoordde op het hartstochtelijk kruisvuur van vragen, dat hij het heerlijk had gevonden op de teeken-academie, dat het er zoo groot en ruim was, dat er zoo ontelbaar veel leerlingen waren en dat hij er zulke prachtige dingen gezien had.Stoetsgewijze, als voor een jeugdige held die wordt ingehaald, gingen de bewonderende koewachtertjes met hem mee. En thuis, bij zijn moeder, wachtte hem een verrassing, die al het teleurstellende van den ochtend weer goed maakte en hem een geluk bezorgde, dat dagen en dagen bleef duren: in zijn afwezigheid was jonkvrouw Elvire daar met haar gouvernante geweest en had iets voor hem afgegeven: een pracht van een verfdoos en een album met schilderpapier, iets zóó moois, dat het juichend kind zelfs niet vermoedde, dat het op de wereld bestond.Hij kreeg een kleur als vuur, hij loosde zuchten, lange, lange zuchten van bijna verschrikte verrukking en plotseling losten zich de àl te machtige emoties van dien dag in tranen op: hij schreide van plezier, hij schreide als een onnoozel, zwak, klein kind, dat zijn ontroering kan beheerschen noch verbergen.Dienzelfden middag, in de zachte, zoete zon, beklom hij met zijn album en zijn prachtdoos den molenberg en ging aan ’t schilderen. Hij schilderde van verre ’t grafelijk kasteel uit, ’t kasteel van zijne weldoenster, met rivier en park en weiden. Hij wilde ’t schilderen voor de jonkvrouw, in dankbare herinnering van hare groote goedheid en hij schilderde ’t met een soort van veneratie en van liefde, die gansch zijn tenger wezentje als van koorts deed beven.Eenzaam zat hij daar, zoo klein en eenzaam vóór het heerlijk tafereel van weidsche pracht, half verscholen onder heesters-schaduw op den stillen heuvel, naast den gekruiswiekten, ouden molen in bespiegelende zondagsrust en met hoog en wijd over zich heen de blauwe hemelkoepel en de zilverwitte wolken. De uren vervlogen, geen mensch wist dat hij daar zat en kwam hem storen en de volheid van zijn zoet geluk drong in hem als eenzegen en als een schat van weelde en bescherming. Hij voelde zich rijk in zijn armoede, groot in zijn nederigheid, hij voelde een geluk dat hij niet kon bevatten, maar dat hem, klein kind, als ’t ware de gansche wereld ten geschenke gaf.VII.De volgende zondagen ging het Fonske niet meer zoo benauwd op teeken-academie. Hij raakte langzamerhand gewend aan den omgang met zijn mede-leerlingen en deze wenden ook aan hem. Maar schuw-ondergeschikt bleef hij zich in den grond van zijn wezen toch voelen, omdat al die anderen zooveel wisten dat hij nog niet kende en zoo stevig midden in een leven stonden, waaraan hij vreemd bleef. Had hij maar een beetje Fransch gekend, de taal die zij voortdurend onder elkander spraken en die hen wegen scheen te openen, welke voor hem gesloten bleven! ’t Was of ze daardoor alleen tot een anderen, hoogeren stand behoorden, bijna tot den stand van den graaf en van jonkvrouw Elvire. Verder kon hij wel met hen mee, voelde zich niet minder in bekwaamheid voor de teekenkunst.De meesters waren zeer tevreden; hij werkte gemakkelijk en maakte vooruitgang, hoewel hem telkens iets belemmerde dat de ontplooiing van zijn jonge, frissche kracht begrensde. Dat zat hem in het doodsche van die groote, duffe zaal vol leerlingen, in het krijtachtig-levenlooze van die pleisteren modellen, in dat egaal, grijs-matte licht waarin niets scheen te trillen noch te fleuren. Hij kòn er niet met liefde werken; hij wrocht er uit plicht, omdat men hem gezegd had dat het zoo moest, en hij bewaarde al zijn gloed en voelde al zijn genot slechts in de vrije ruimte der frissche en zonnige natuur, waar hij, als vroeger, al zijn beschikbare uurtjes ging slijten. ’t Kasteel had hij afgemaakt en aan jonkvrouw Elvire uit dankbaarheid ten geschenke gegeven; en ’t meisje was verrukt geweest, en ook meneer Wattenberg had hem zijn lof niet onthouden en zelfs met eigen hand eenige correcties aan zijn werkje toegebracht.Het trosje hooge populieren, eenzaam wuivend en suizend in de groene uitgestrektheid van de weilanden tusschen de twee regeerende kasteelen, was en bleef Fonske’s lievelingsplek, waar hij om zoo te zeggen het middenpunt van zijn gansche leventje voelde. Daar was hij in zijn element, daarwas hij zichzelf, klein tusschen al dat groote, maar gelukkig-klein, omdat hij daar thuis was en zich in zijn nietigheid beschermd voelde. Hij leefde als het ware iets mee in ’t leven van de twee kasteelen, heel dikwijls kwamen de jonkvrouw en haar meester naar hem kijken en nu stelde hij ook een belang dat hij vroeger niet kende in ’t heen en weer bezoek tusschen de bewoners der beide landgoederen.Eigenaardig was het hoe zijn jong, ontvankelijk gemoed telkens verschillend reageerde op iedere verschijning van de verschillende bewoners. De jonkvrouw en haar gouvernante, dat was als de zon, die stralend en koesterend naar hem toe kwam. Het gaf hem een warme kleur van emotie, alsof hij werkelijk een gloed van buiten af tegen zijn wangen voelde. Meneer Gaëtan, daarentegen, was als de nacht, die tot hem naderde. Hij was er bang voor en hij griezelde ervan, als voor iemand die hem kwaad zou kunnen doen. Ook voor den graaf was hij bang, maar op heel andere wijze. Hij vreesde zijn fijne, peilende spot-oogen, alsof de graaf hem heelemaal doorzag en ontdekte dat er feitelijk niets in hem zat; en alleen de komst van den baron gaf hem in ’t geheel geen ontroering, wellicht omdat zijn aandacht geheelen al was afgeleid en in beslag genomen door het vreemde waggel-loopen van den ouden man. Fonske beschouwde dat reeds onbewust met schildersoogen, het boeide hem als iets, dat hij zou willen nateekenen en hij vond het zoo grappig, dat telkens tusschen die schommelende o-beenen een stuk van het landschap verscheen: nu eens een hoekje wei met een grazende koe, dan weer een ver zeiltje op de rivier, een zeiltje, dat zoo eigenaardig heen en weer scheen te dobberen, waggelend als een zeescheepje tusschen het waggel-loopen van ’t barontje, die het met zich scheen mee te trekken. Eens, op een stillen middag, begon hij zoo iets uit het geheugen te teekenen. Hij had er innig-dolle pret om in zichzelf, want het was goed en het leek, maar hij wachtte zich wel het aan de makkertjes te laten zien; hij verscheurde ’t haastig toen hij hen joelend zag aankomen en op zijn bleek, als naar gewoonte ietwat stroef gezichtje was zelfs geen zweem van zijn vluchtige, ondeugende oolijkheid meer te bespeuren.

Het Eerste Levensboek.I.Het kasteel van “meneer den b’ron” stond boven op een mooi-begroeiden heuvel, vlak tegenover het kasteel van “meneer de groave” dat zich insgelijks verhief boven op een mooi-begroeiden heuvel. Daaronder en daartusschen lag het dal, met het dorpje en de zacht door groene weilanden heen kronkelende rivier.Het kasteel van “meneer de groave” was grooter en grootscher dan het kasteel van “meneer den b’ron”. Het had ouderwetsche koepels en torens met kanteelen en spiegelde zijn statige schoonheid in een der breede bochten van het stille water. Maar het minder grandioos kasteel van “meneer den b’ron” was toch pittoresker gelegen: het heuveltje waarop het stond was ietwat hooger dan de andere heuvel; het zicht van daar uit ontvouwdezich ruimer en mooier over de gansche streek; en vrij dicht bij, als ’t ware er bij behoorend, stond een oude, oude, houten molen: een molen uit de middeleeuwen, gansch grijs en gansch verweerd, en die bij gunstig weer nog werkte, als een aartsvader die zijn knokkelige ledematen in beweging houdt om frisch te blijven.Daaronder lag het dorpje, en ’t heette “Meulegem”. Heel héél oude papieren, die vergeeld en half vergaan lagen op den zolder van ’t gemeentehuis getuigden ervan, dat de molen al lange jaren bestond vóór het dorpje, waaraan hij zijn naam had gegeven. De huizen, het kerkje, de kasteelen, dat was alles veel later gekomen. Maar de bewoners wisten daar niets of slechts weinig van af. Meulegem veranderde niet: wat hun ouders en hun voorouders gekend hadden bestond nog als vroeger en niets noemenswaard was er ooit bijgekomen. ’t Leek wel of Meulegem zoo ineens, op één dag, kant en klaar was neergezet en voorbestemd om altijd zoo te blijven.Er was maar één straat. Zij kwam, als steenweg, kronkelend uit de velden en de bosschen en werd eerst dorpskom tusschen twee herbergen: het “Vosken” en de “Nachtegaal”. Het Vosken en de Nachtegaal waren als twee vooruitgeschoven posten,die, elk op zijn manier, sprekend door hun uithangbord, den vreemden bezoeker begroetten. De bruingekleurde vos met zijn enormen staart en schittervalsche oogen, scheen je toe te roepen “Pas op, ’t is hier niet pluis!” Maar de nachtegaal, die kweelend, met fijn, open bekje op een larixboompje zat geschilderd, deed duidelijk zijn best om den ongunstigen indruk van zijn overbuurman uit te wisschen en zong den vreemdeling zoet-streelend toe: “Kom maar gerust, het is hier aller-liefelijkst.”En de nachtegaal had gelijk. Rechts en links vertoonden zich weldra pittoreske huisjes, met bloementuintjes langs de lichtgekleurde geveltjes: hier een klein boerderijtje, lachend in de zon, daar een oud geveltje met overhangend stroodak en gekleurde luikjes: en zoo geraakte men tot aan de kleine dorpplaats, die eigenlijk niets anders was dan een verbreeding van den straatweg: het witgekalkt, ouderwetsch kerkje met zijn kerkhof, enkele winkeltjes en herbergjes, een popperig gemeentehuisje, een nog al mooie pastorie, en daarachter ’t park en het kasteel van den “b’ron” en den ouden, houten molen op den liefelijk-begroeiden heuvel. Even voorbij de kerk ontrolde zich een prachtig vergezicht van weiland en rivier, met als achtergrond het kasteel van meneer de “groave”.En ’t was alsof de twee mooie buitens, met hun uitgestrekte tuinen ieder op een heuvel, elkaar als twee bezielde, solidaire wezens over die wijde ruimte aankeken.Soms zei de baron tot den graaf: “Wat staat je kasteel daar toch mooi, met zijn koepels en torens en boomen weerspiegeld in ’t water!” Maar de graaf kon niet anders dan antwoorden: “Je weet niet hoe poëtisch en hoe schilderachtig dat oud molentje daar boven ’t kerkje op zijn heuvel staat te draaien!”De graaf en de baron kenden elkaar om zoo te zeggen sinds zij op de wereld kwamen en hun beide familiën waren intiem met elkander bevriend. Vóór het kasteel van den graaf lag aan beide oevers der rivier een schuitje, en daarmee staken de familiën over om elkaar te bezoeken en gingen verder te voet door de weiden. De graaf had een dochter en de baron had een zoon, en samen speelden zij veel spelletjes waarvoor twee kinderen noodig waren.De graaf en de baron waren de machtig-rijke, maar niet hardvochtige heerschers over ’t nederig dorpje. Alles was van hen: de landen, de boerderijen, de huizen; doch zij waren geen tyrannen: zij heerschten rustig en beschermend zelfs, tevredenals alles goed ging in de gemeente en niemand hen dwarsboomde.Alles ging goed wanneer eenieder bijtijds zijn pachten betaalde, geen politieken strijd in ’t dorp verwekte, geregeld naar de kerk ging en verder aan beide voorname families den noodigen eerbied bewees. De baron was burgemeester der gemeente, omdat hij meer verstand had van bestuurszaken dan de graaf, maar ware de baron dat niet geweest, dan zou de graaf het wel geworden zijn, omdat het nu eenmaal wenschelijk is, dat òf een graaf, òf een baron, als die er zijn, deze waardigheid op een dorp bekleedt.De menschen leefden klein en nederig, maar niet ongelukkig, onder die heerschappij, en als het ware in de schaduw van de twee regeerende kasteelen. Misschien hadden zij wel, diep in hun binnenste, een vagen drang naar meer vrijheid; misschien voelden zij, onbewust, een benauwende drukking, welke uitging van die machtige kasteelen en kregen zij ook wel den indruk, dat men ruimer ademde in dorpen waar er geen kasteelen waren; maar dat uitte zich toch nooit in klachten of verzuchtingen, dat lag stil in hen, als iets dat bij hun leven hoorde en niet kon veranderd worden. Feitelijk was er op Meulegem een andere atmosfeeren zagen de menschen er ook anders uit, dan in dorpen die geen kasteelen hadden. Het was als iets onzichtbaars en toch alomtegenwoordigs, dat in voortdurende drukking over alles hing. De brouwer, de stoker, de steenkoolhandelaar en kruidenier waren er andere menschen dan hun confraters uit ’t omliggende. De dorpsschoolmeester was een ander mensch en ook de gemeente-secretaris was een ander mensch. Zelfs de kleine kinderen waren anders. Het uitgaan van de school te Meulegem was verschillend met het uitgaan van de school in andere dorpen; en iets wat de gansche bevolking kenmerkte en algemeen bekend was in den omtrek, was dat zij allen, jong en oud, er eenigszins gebogen liepen, alsof een last hen op de schouders drukte. Het was spreekwoordelijk in de streek: wanneer iemand zich niet goed recht hield, zei men, ietwat geringschattend-spottend:—Komt ge misschien van Meulegem?En de eenige, behalve de leden der twee adellijke families, die daar niet van Meulegem kwam, was meneer de pastoor, die er glunderde en tierde en regeerde, één met den graaf en den baron, de geestelijke almacht naast en zelfs boven de wereldlijke, want èn de graaf, èn de baron behandeldenhem als een gelijke en wel eens als een meerdere, die altijd met hen samenwerkte tot het vast-onwankelbaar instandhouden van wat door lange jaren van overgeleverde traditie “het” leven zelf van Meulegem geworden was.

Het kasteel van “meneer den b’ron” stond boven op een mooi-begroeiden heuvel, vlak tegenover het kasteel van “meneer de groave” dat zich insgelijks verhief boven op een mooi-begroeiden heuvel. Daaronder en daartusschen lag het dal, met het dorpje en de zacht door groene weilanden heen kronkelende rivier.

Het kasteel van “meneer de groave” was grooter en grootscher dan het kasteel van “meneer den b’ron”. Het had ouderwetsche koepels en torens met kanteelen en spiegelde zijn statige schoonheid in een der breede bochten van het stille water. Maar het minder grandioos kasteel van “meneer den b’ron” was toch pittoresker gelegen: het heuveltje waarop het stond was ietwat hooger dan de andere heuvel; het zicht van daar uit ontvouwdezich ruimer en mooier over de gansche streek; en vrij dicht bij, als ’t ware er bij behoorend, stond een oude, oude, houten molen: een molen uit de middeleeuwen, gansch grijs en gansch verweerd, en die bij gunstig weer nog werkte, als een aartsvader die zijn knokkelige ledematen in beweging houdt om frisch te blijven.

Daaronder lag het dorpje, en ’t heette “Meulegem”. Heel héél oude papieren, die vergeeld en half vergaan lagen op den zolder van ’t gemeentehuis getuigden ervan, dat de molen al lange jaren bestond vóór het dorpje, waaraan hij zijn naam had gegeven. De huizen, het kerkje, de kasteelen, dat was alles veel later gekomen. Maar de bewoners wisten daar niets of slechts weinig van af. Meulegem veranderde niet: wat hun ouders en hun voorouders gekend hadden bestond nog als vroeger en niets noemenswaard was er ooit bijgekomen. ’t Leek wel of Meulegem zoo ineens, op één dag, kant en klaar was neergezet en voorbestemd om altijd zoo te blijven.

Er was maar één straat. Zij kwam, als steenweg, kronkelend uit de velden en de bosschen en werd eerst dorpskom tusschen twee herbergen: het “Vosken” en de “Nachtegaal”. Het Vosken en de Nachtegaal waren als twee vooruitgeschoven posten,die, elk op zijn manier, sprekend door hun uithangbord, den vreemden bezoeker begroetten. De bruingekleurde vos met zijn enormen staart en schittervalsche oogen, scheen je toe te roepen “Pas op, ’t is hier niet pluis!” Maar de nachtegaal, die kweelend, met fijn, open bekje op een larixboompje zat geschilderd, deed duidelijk zijn best om den ongunstigen indruk van zijn overbuurman uit te wisschen en zong den vreemdeling zoet-streelend toe: “Kom maar gerust, het is hier aller-liefelijkst.”

En de nachtegaal had gelijk. Rechts en links vertoonden zich weldra pittoreske huisjes, met bloementuintjes langs de lichtgekleurde geveltjes: hier een klein boerderijtje, lachend in de zon, daar een oud geveltje met overhangend stroodak en gekleurde luikjes: en zoo geraakte men tot aan de kleine dorpplaats, die eigenlijk niets anders was dan een verbreeding van den straatweg: het witgekalkt, ouderwetsch kerkje met zijn kerkhof, enkele winkeltjes en herbergjes, een popperig gemeentehuisje, een nog al mooie pastorie, en daarachter ’t park en het kasteel van den “b’ron” en den ouden, houten molen op den liefelijk-begroeiden heuvel. Even voorbij de kerk ontrolde zich een prachtig vergezicht van weiland en rivier, met als achtergrond het kasteel van meneer de “groave”.En ’t was alsof de twee mooie buitens, met hun uitgestrekte tuinen ieder op een heuvel, elkaar als twee bezielde, solidaire wezens over die wijde ruimte aankeken.

Soms zei de baron tot den graaf: “Wat staat je kasteel daar toch mooi, met zijn koepels en torens en boomen weerspiegeld in ’t water!” Maar de graaf kon niet anders dan antwoorden: “Je weet niet hoe poëtisch en hoe schilderachtig dat oud molentje daar boven ’t kerkje op zijn heuvel staat te draaien!”

De graaf en de baron kenden elkaar om zoo te zeggen sinds zij op de wereld kwamen en hun beide familiën waren intiem met elkander bevriend. Vóór het kasteel van den graaf lag aan beide oevers der rivier een schuitje, en daarmee staken de familiën over om elkaar te bezoeken en gingen verder te voet door de weiden. De graaf had een dochter en de baron had een zoon, en samen speelden zij veel spelletjes waarvoor twee kinderen noodig waren.

De graaf en de baron waren de machtig-rijke, maar niet hardvochtige heerschers over ’t nederig dorpje. Alles was van hen: de landen, de boerderijen, de huizen; doch zij waren geen tyrannen: zij heerschten rustig en beschermend zelfs, tevredenals alles goed ging in de gemeente en niemand hen dwarsboomde.

Alles ging goed wanneer eenieder bijtijds zijn pachten betaalde, geen politieken strijd in ’t dorp verwekte, geregeld naar de kerk ging en verder aan beide voorname families den noodigen eerbied bewees. De baron was burgemeester der gemeente, omdat hij meer verstand had van bestuurszaken dan de graaf, maar ware de baron dat niet geweest, dan zou de graaf het wel geworden zijn, omdat het nu eenmaal wenschelijk is, dat òf een graaf, òf een baron, als die er zijn, deze waardigheid op een dorp bekleedt.

De menschen leefden klein en nederig, maar niet ongelukkig, onder die heerschappij, en als het ware in de schaduw van de twee regeerende kasteelen. Misschien hadden zij wel, diep in hun binnenste, een vagen drang naar meer vrijheid; misschien voelden zij, onbewust, een benauwende drukking, welke uitging van die machtige kasteelen en kregen zij ook wel den indruk, dat men ruimer ademde in dorpen waar er geen kasteelen waren; maar dat uitte zich toch nooit in klachten of verzuchtingen, dat lag stil in hen, als iets dat bij hun leven hoorde en niet kon veranderd worden. Feitelijk was er op Meulegem een andere atmosfeeren zagen de menschen er ook anders uit, dan in dorpen die geen kasteelen hadden. Het was als iets onzichtbaars en toch alomtegenwoordigs, dat in voortdurende drukking over alles hing. De brouwer, de stoker, de steenkoolhandelaar en kruidenier waren er andere menschen dan hun confraters uit ’t omliggende. De dorpsschoolmeester was een ander mensch en ook de gemeente-secretaris was een ander mensch. Zelfs de kleine kinderen waren anders. Het uitgaan van de school te Meulegem was verschillend met het uitgaan van de school in andere dorpen; en iets wat de gansche bevolking kenmerkte en algemeen bekend was in den omtrek, was dat zij allen, jong en oud, er eenigszins gebogen liepen, alsof een last hen op de schouders drukte. Het was spreekwoordelijk in de streek: wanneer iemand zich niet goed recht hield, zei men, ietwat geringschattend-spottend:

—Komt ge misschien van Meulegem?

En de eenige, behalve de leden der twee adellijke families, die daar niet van Meulegem kwam, was meneer de pastoor, die er glunderde en tierde en regeerde, één met den graaf en den baron, de geestelijke almacht naast en zelfs boven de wereldlijke, want èn de graaf, èn de baron behandeldenhem als een gelijke en wel eens als een meerdere, die altijd met hen samenwerkte tot het vast-onwankelbaar instandhouden van wat door lange jaren van overgeleverde traditie “het” leven zelf van Meulegem geworden was.

II.Aan dat leven-van-Meulegem konden slechts dezen ontsnappen, welke er zich van verwijderden, en daartoe behoorden de jonge koewachtertjes, die den ganschen dag met hun beesten in de vrije weide waren.De koeien graasden rustig alom in het groen, en van verre waren ’t als groote, langzaam zich groepeerende en voortbewegende bloemen, nu eens helder verlicht in de zon, dan weer verkleurloosd en verwazigd, wanneer wolken-schaduwen zich wijd over de wei uitspreidden. Als groote, witte schepen dreven die wolken in de blauwe lucht. Van hoog en verre kwamen zij uit het azuren zuiden aangewaaid en ’t was alsof enorme grauwe zeilen meteen over de groene weiland-zee neerstreken. Het gras werd dof, de boomen versomberden,de koetjes smolten weg in nevelgrijs. Maar ginds laag aan den einder tintelde weldra een goudzoom op, het werd een vlek, een plas, een meer, een oceaan van goud; de logge, grauwe wolkenzeilen schenen er, als bang, voor weg te vluchten, de even uitgewischte koetjes fleurden opnieuw als eigenaardige, groote bloemen op en spoedig was ’t weer alles licht en leven, wijd over het blijde, groene zomerland, onder den wijden, blijden, blauwen hemel.In de koele schaduw, onder het zacht wuivend en suizend bladerengewelf van een trosje hooge populieren, die daar als een eilandje van veilige gezelligheid, midden in de uitgestrekte weilanden tusschen de twee kasteelen stonden, speelden de jonge koewachtertjes een groot gedeelte van den dag allerlei koewachtersspelletjes, slechts met verstrooide oogen wakend op hun wijze, kalme beesten, die aldoor, áldoor graasden en hun waakzaamheid bijna niet noodig hadden.Zij klauterden in de populieren en roofden er de vogelnesten; zij liepen in de wei en vingen er kikkers, die zij dan vilden en in houtvuur lieten braden; of zij speelden gewoon met knikkers en dobbelden om centen, wat wel eens gekrakeel enruzie gaf. ’t Was soms net een bende jonge spreeuwen, die zich kwetterend en kwebbelend ergens laat neervallen. Andermalen, bij mooi, warm weer, als er niemand van de kasteelbewoners in aantocht was, kleedden zij zich spiernaakt uit en gingen zwemmen in de rivier, en dikwijls zongen zij hun jubelend opgalmend “alahoe! alahoe!” onder het luid klappen met hun “dzjakken.” Hun eten en drinken hadden zij in een zakje en een kruikje met zich mee en feitelijk bestond hun eenige ernstige en verantwoordelijke taak in het dagelijks heen en weer loodsen der koeien, die ’s ochtends en ’s avonds moesten overzwemmen, bij den overzet van ’t dorpje.Dat was telkens een druk-levendig gedoe en ’t ging gepaard met heel wat zweepgeklap en schrille kreten. Ze konden ook zoo teuten, die koeien, voornamelijk bij het terugkeeren. Altijd hadden zij nog op ’t laatste oogenblik wat langs den oever op te knabbelen, terwijl ze toch den ganschen dag niets anders deden dan zich dik grazen. Ware ’t niet geweest dat Blesse, boer Galle’s wijze, bonte koe, toch eindelijk het goede voorbeeld gaf, nooit waren zij erover gekomen. Want eerst nadat Blesse met een weerspannig gebulk ’t water was ingegaan, wilden de andere, allen te gelijk dan, volgen. Dekoewachtertjes dreven met het overzetbootje mee over, en van daaruit schreeuwden en zweepklapten zij naar hun zwemmende beesten: “Bloare, gie deugeniete, wilt-e ne kier op ou ploatse blijven! Sterre, gie vuilkonte, goat ou muil hêwen!” tot zij er mee aan den overkant kwamen, waar de troep dan moest gescheiden worden. Er waren steeds enkele achterblijvers, de koewachtertjes gilden zich heesch en gooiden er naar met aardkluiten, maar eindelijk zwommen ook de laatsten over, het zware lijf gansch onder, den snuivenden snoet boven ’t water, de oogen wreed blikkerend, de horens als twee scherpe, dorre takken uit de kolken opgeprikt. ’t Bootje werd tot den volgenden ochtend vastgemeerd en met hun druipende beesten vertrokken de koewachtertjes zingend, roepend, fluitend en zweepklappend, elk naar zijn afzonderlijke hoeve.

Aan dat leven-van-Meulegem konden slechts dezen ontsnappen, welke er zich van verwijderden, en daartoe behoorden de jonge koewachtertjes, die den ganschen dag met hun beesten in de vrije weide waren.

De koeien graasden rustig alom in het groen, en van verre waren ’t als groote, langzaam zich groepeerende en voortbewegende bloemen, nu eens helder verlicht in de zon, dan weer verkleurloosd en verwazigd, wanneer wolken-schaduwen zich wijd over de wei uitspreidden. Als groote, witte schepen dreven die wolken in de blauwe lucht. Van hoog en verre kwamen zij uit het azuren zuiden aangewaaid en ’t was alsof enorme grauwe zeilen meteen over de groene weiland-zee neerstreken. Het gras werd dof, de boomen versomberden,de koetjes smolten weg in nevelgrijs. Maar ginds laag aan den einder tintelde weldra een goudzoom op, het werd een vlek, een plas, een meer, een oceaan van goud; de logge, grauwe wolkenzeilen schenen er, als bang, voor weg te vluchten, de even uitgewischte koetjes fleurden opnieuw als eigenaardige, groote bloemen op en spoedig was ’t weer alles licht en leven, wijd over het blijde, groene zomerland, onder den wijden, blijden, blauwen hemel.

In de koele schaduw, onder het zacht wuivend en suizend bladerengewelf van een trosje hooge populieren, die daar als een eilandje van veilige gezelligheid, midden in de uitgestrekte weilanden tusschen de twee kasteelen stonden, speelden de jonge koewachtertjes een groot gedeelte van den dag allerlei koewachtersspelletjes, slechts met verstrooide oogen wakend op hun wijze, kalme beesten, die aldoor, áldoor graasden en hun waakzaamheid bijna niet noodig hadden.

Zij klauterden in de populieren en roofden er de vogelnesten; zij liepen in de wei en vingen er kikkers, die zij dan vilden en in houtvuur lieten braden; of zij speelden gewoon met knikkers en dobbelden om centen, wat wel eens gekrakeel enruzie gaf. ’t Was soms net een bende jonge spreeuwen, die zich kwetterend en kwebbelend ergens laat neervallen. Andermalen, bij mooi, warm weer, als er niemand van de kasteelbewoners in aantocht was, kleedden zij zich spiernaakt uit en gingen zwemmen in de rivier, en dikwijls zongen zij hun jubelend opgalmend “alahoe! alahoe!” onder het luid klappen met hun “dzjakken.” Hun eten en drinken hadden zij in een zakje en een kruikje met zich mee en feitelijk bestond hun eenige ernstige en verantwoordelijke taak in het dagelijks heen en weer loodsen der koeien, die ’s ochtends en ’s avonds moesten overzwemmen, bij den overzet van ’t dorpje.

Dat was telkens een druk-levendig gedoe en ’t ging gepaard met heel wat zweepgeklap en schrille kreten. Ze konden ook zoo teuten, die koeien, voornamelijk bij het terugkeeren. Altijd hadden zij nog op ’t laatste oogenblik wat langs den oever op te knabbelen, terwijl ze toch den ganschen dag niets anders deden dan zich dik grazen. Ware ’t niet geweest dat Blesse, boer Galle’s wijze, bonte koe, toch eindelijk het goede voorbeeld gaf, nooit waren zij erover gekomen. Want eerst nadat Blesse met een weerspannig gebulk ’t water was ingegaan, wilden de andere, allen te gelijk dan, volgen. Dekoewachtertjes dreven met het overzetbootje mee over, en van daaruit schreeuwden en zweepklapten zij naar hun zwemmende beesten: “Bloare, gie deugeniete, wilt-e ne kier op ou ploatse blijven! Sterre, gie vuilkonte, goat ou muil hêwen!” tot zij er mee aan den overkant kwamen, waar de troep dan moest gescheiden worden. Er waren steeds enkele achterblijvers, de koewachtertjes gilden zich heesch en gooiden er naar met aardkluiten, maar eindelijk zwommen ook de laatsten over, het zware lijf gansch onder, den snuivenden snoet boven ’t water, de oogen wreed blikkerend, de horens als twee scherpe, dorre takken uit de kolken opgeprikt. ’t Bootje werd tot den volgenden ochtend vastgemeerd en met hun druipende beesten vertrokken de koewachtertjes zingend, roepend, fluitend en zweepklappend, elk naar zijn afzonderlijke hoeve.

III.Er waren in ’t geheel zeven koewachtertjes, en onder die zeven was er een, zeer verschillend van de anderen.Dat was Fonske, het koeiertje van boer Monteyne.Hij was elf jaar oud en had een eigenaardig snoetje, mager, stil en schuchter, met kleine, weemoedige oogjes. Hij deed niet mee aan ’t ruwe vogelnesten-rooven noch aan ’t wreede kikkers-villen, maar in zijn lange, vrije uren zat hij graag alleen onder het lommer van de populieren en krabbelde daar teekeningjes, met een potlood op een stuk papier. Hij teekende de koeien uit, hij teekende de boomen, den ouden molen en de twee kasteelen; hij probeerde zelfs zijn kameraadjes uit te teekenen, als deze maar even voor hem wilden stilzitten.Maar dit was moeilijk te verkrijgen. De andere koewachtertjes lachten hem uit met zijn teekenmanie en beschouwden hem zoowat als een half-onnoozele suffer. Zij kwamen gekscherend om hem staan, duwden elkaar in de zij, hadden dolle pret bij iedere spot-bemerking, die de een of ander waagde. Toch molesteerden zij hem niet bepaald; en naarmate Fonske handiger werd in zijn oefeningen, ontwaakte zelfs een zekere belangstelling bij hen en vonden zij er een opgewekt genoegen in de voorwerpen, beesten of wezens die Fonske geteekend had naar de werkelijkheid te herkennen. Met den molen, ’t kasteel van meneer den baron of ’t kasteel van meneer den graaf gaf dat natuurlijk geen moeite; maar toen zij op een middag duidelijk Blesse herkenden, die altijd vóór de anderen in ’t water ging, en, naast Blesse, al zoo duidelijk herkenbaar, Rietje Koarelkes, die er met zijn zweep achterna zat, toen voelden zij voor ’t eerst een soort ontzag voor Fonske en was het als om strijd dat zij nu allen hun portret door hem wilden laten maken.Erger nog was het, toen Fonske eens met een kleurendoosje,—een zoogenaamd “virfbaksken”—, dat hij in een winkeltje van ’t dorp gekocht had, kwam aanzetten, en me daar waarachtig, als eenechte schilder, zijn teekeningen begon te kleuren. Nu gold het heelemaal geen lachen of spotten meer: de wei werd prachtig groen, de hemel glanzend blauw en op zijn heuvel stond het rood-gewiekte molentje te draaien, terwijl ’t kasteel van den baron zóó duidelijk onder zijn hooge boomen uitkwam, dat men iedere deur en ieder raam en in ieder raam elk vensterruitje kon tellen. Ook Rietje Koarelkes en zijn Blesse werden gekleurd; en dàt meesterstuk vestigde wel beslist Fonske’s roem onder de koewachtertjes: Rietje had een scheel oog en veel gele sproeten in ’t gezicht, die er allemaal op gestippeld stonden; en de bruine en witte vlekken op Blesse’s huid waren precies uitgemeten en uitgerekend, terwijl haar linker horen, een weinig afgeknot, juist zooveel korter en stomper op de schilderij leek als dat in werkelijkheid het geval was. Alle handen te gelijk strekten zich gretig naar de schilderijtjes uit, al de koewachtertjes smeekten om die te mogen hebben; en Fonske, die Rietje Koarelkes ’t zijne cadeau gaf, beloofde ook aan al de andere makkertjes hun schilderij te zullen maken.

Er waren in ’t geheel zeven koewachtertjes, en onder die zeven was er een, zeer verschillend van de anderen.

Dat was Fonske, het koeiertje van boer Monteyne.

Hij was elf jaar oud en had een eigenaardig snoetje, mager, stil en schuchter, met kleine, weemoedige oogjes. Hij deed niet mee aan ’t ruwe vogelnesten-rooven noch aan ’t wreede kikkers-villen, maar in zijn lange, vrije uren zat hij graag alleen onder het lommer van de populieren en krabbelde daar teekeningjes, met een potlood op een stuk papier. Hij teekende de koeien uit, hij teekende de boomen, den ouden molen en de twee kasteelen; hij probeerde zelfs zijn kameraadjes uit te teekenen, als deze maar even voor hem wilden stilzitten.

Maar dit was moeilijk te verkrijgen. De andere koewachtertjes lachten hem uit met zijn teekenmanie en beschouwden hem zoowat als een half-onnoozele suffer. Zij kwamen gekscherend om hem staan, duwden elkaar in de zij, hadden dolle pret bij iedere spot-bemerking, die de een of ander waagde. Toch molesteerden zij hem niet bepaald; en naarmate Fonske handiger werd in zijn oefeningen, ontwaakte zelfs een zekere belangstelling bij hen en vonden zij er een opgewekt genoegen in de voorwerpen, beesten of wezens die Fonske geteekend had naar de werkelijkheid te herkennen. Met den molen, ’t kasteel van meneer den baron of ’t kasteel van meneer den graaf gaf dat natuurlijk geen moeite; maar toen zij op een middag duidelijk Blesse herkenden, die altijd vóór de anderen in ’t water ging, en, naast Blesse, al zoo duidelijk herkenbaar, Rietje Koarelkes, die er met zijn zweep achterna zat, toen voelden zij voor ’t eerst een soort ontzag voor Fonske en was het als om strijd dat zij nu allen hun portret door hem wilden laten maken.

Erger nog was het, toen Fonske eens met een kleurendoosje,—een zoogenaamd “virfbaksken”—, dat hij in een winkeltje van ’t dorp gekocht had, kwam aanzetten, en me daar waarachtig, als eenechte schilder, zijn teekeningen begon te kleuren. Nu gold het heelemaal geen lachen of spotten meer: de wei werd prachtig groen, de hemel glanzend blauw en op zijn heuvel stond het rood-gewiekte molentje te draaien, terwijl ’t kasteel van den baron zóó duidelijk onder zijn hooge boomen uitkwam, dat men iedere deur en ieder raam en in ieder raam elk vensterruitje kon tellen. Ook Rietje Koarelkes en zijn Blesse werden gekleurd; en dàt meesterstuk vestigde wel beslist Fonske’s roem onder de koewachtertjes: Rietje had een scheel oog en veel gele sproeten in ’t gezicht, die er allemaal op gestippeld stonden; en de bruine en witte vlekken op Blesse’s huid waren precies uitgemeten en uitgerekend, terwijl haar linker horen, een weinig afgeknot, juist zooveel korter en stomper op de schilderij leek als dat in werkelijkheid het geval was. Alle handen te gelijk strekten zich gretig naar de schilderijtjes uit, al de koewachtertjes smeekten om die te mogen hebben; en Fonske, die Rietje Koarelkes ’t zijne cadeau gaf, beloofde ook aan al de andere makkertjes hun schilderij te zullen maken.

IV.Zoo zat Fonske op een zachten zomermiddag eens alleen te schilderen. De andere koewachtertjes waren verder in de wei, bezig met kikkers vangen en niets stoorde hem in het vlijtig genot, waarin hij gansch verdiept zat. Fonske schilderde het landschap: het weiland met de koeien, een hooibergje, en in de verte het kasteel met ’t molentje.Het was een volmaakt-mooie dag, zoo rustig-vast in zijn glansrijke schoonheid, alsof het nooit anders geweest was en altijd zoo zou blijven. ’t Was of de gansche natuur in haar eigen rijke innigheid lag te genieten. De kort-gegraasde wei strekte zich tengergroen ver-uit achter de lange schaduwstreep der hooge populieren, in den blauwen hemel hingen witte wolkjes, die nauwelijks schenen voort te drijven en ’t diepe water sliep tusschenzijn bloeiende oevers, waar de fijne karrekiet zoo landelijk en zoo zoet in het riet zat te kweelen.Fonske werkte. Zijn hoofdje stond scheef en zijn wenkbrauwen fronsten zich van de inspanning. Hij voelde dat het stuk karton waarop hij schilderde te klein was voor het vele dat hij erop weer wou geven en ’t speet hem zoo dat hij geen grooter had genomen. Het molentje, dat nu zoo rustig met gekruiste wieken op zijn heuvel stond, kon er beslist niet bij, en dat maakte Fonske verdrietig, want juist het molentje was wel het mooiste van het gansche tafereel. Zou hij er morgen nog geen stuk langs boven kunnen aanplakken? Hij bewoog het schilderij op en neer, hield het met gestrekte armen vóór zich uit, keek in de verte naar het molentje en praktizeerde en peinsde: hij kon het met zichzelf niet eens worden en aarzelde en tobde; hij lei het ding eindelijk zuchtend neer en wilde opstaan, toen iets ongewoons, dat hij als ’t ware achter zich had voelen naderen, hem plotseling het hoofd deed omwenden.Hij schrikte hevig en zijn rechterhand ging in instinctmatig groeten naar de plaats waar op zijn verkleurd stoppelhoofd zijn pet had moeten zitten. Vlak naast hem waren, ongemerkt, twee jonge dames verschenen: mejonkvrouw Elvire, hetdochtertje van den graaf, met haar engelsche gouvernante.—Doe moar veurt; woarom ’n doeje nie veurt? zei het jong meisje aanmoedigend, met een zoeten glimlach.Zij stond voor Fonske, geheel in ’t wit gekleed, het zacht gezicht met levendige, donkere oogen warmbruin-verbrand van zonnegloed onder een gelen, strooien hoed met roode en blauwe bloemen en haar blikken weken niet van ’t schilderij, dat Fonske in zijn ontzetting scheef over het gras had neergegooid. Fonske kende haar wel, hij wist dat zij ook schilderde, onder de leiding van een meester; en nu bleef hij daar met neergeslagen oogen roerloos van ontroering staan alsof hij iets misdreven had, dat niet meer goed te maken was. Maar zacht en lief klonk weer haar stem: “Mag ik het ne keer zien?” en Fonske bukte zich sprakeloos, raapte zijn schilderij op, en gaf het haar.Zij ging er enkele passen mee op zij staan, door haar gouvernante gevolgd. Samen spraken zij even vlug in een voor Fonske onverstaanbare taal. Toen kwam het meisje met het schilderij weer naar hem toe en vroeg heel ernstig, met naïef-groote oogen:—Wie het er ou da geleerd?—Niemand, fluisterde Fonske, de oogen ten gronde.—Hèt-e gij dat amoal uit ou eigen gedoan?—Joajik, schuchterde Fonske.—Hoe heet-e gij?—Fonske.—Fonske wie?—Fonske Vermoare.—Van woar zij-de?—Van Meulegem.—Hèt-e nog meer van die schilderijtjes?Fonske knikte.—Hoevele nog wel?—’n Stik of zeven of achte.—Woar zijn ze?—Thuis.—Keunt-e ze mij nie ne keer teugen?Fonske zweeg, wist niets te antwoorden.—Zoe-de ze morgen nie ne keer willen meebrijngen?Fonske knikte.—En zoe ’k dit nou ne keer meugen meenemen, om aan mijne meester te loate zien?Fonske knikte. Hij knikte herhaaldelijk en zijn benauwd gezichtje scheen weer op te leven.Opnieuw wisselde het jong meisje vlug eenige woorden in een vreemde taal met haar gouvernante, aan wie ze ’t schilderij overhandigde. De gouvernante tastte in een zakje, dat zij aan den arm droeg, haalde er een zilverstukje uit, stak het Fonske toe.—O nie nie, ieffreiwe, schudde Fonske doodsverlegen het hoofd.—Toe toe, ge moet! drong het kasteelmeisje aan. En Fonske gehoorzaamde.—Tot morgen, nie woar, hier aan dezelfde ure, mee al ’t geen da ge geschilderd hèt! ’K zal vroagen of de miester meekomt, riep ze nog onder het weggaan.En Fonske knikte sprakeloos-toestemmend.Hij zag ze vertrekken. De gouvernante, in ’t groen gekleed, droeg zijn schilderij onder den arm. En mejonkvrouw Elvire, gansch in ’t wit, de losse bruine haren glanzend-golvend onder den bloemenhoed over haar schouders, had den vrijen arm der gouvernante vastgegrepen en scheen te jubelen en te juichen, alsof haar een buitengewoon groot pleizier was overkomen. Zij gingen naar ’t kasteel van den baron toe, slank als twee jeugdige, slank-stengelige bloemen: een groene en een witte, in de weelde-harmonie van ’t zomerlandschap. En Fonske, roerloos op den grasrand, in de schaduw der zacht-suizelendepopulieren, begreep vagelijk, dat er iets gewichtigs in zijn leven was gebeurd, zonder dat hij ook kon voorgevoelen of het iets goeds of iets ongunstigs was voor hem. Alleen dìt voelde hij: dat een van de almachtige kasteelen, die daar al de menschen en de gansche streek beheerschten, zich iets van zijn levenslot had aangetrokken, en er mee doen kon wat het wilde.De andere koewachtertjes, die van verre de ontmoeting zagen, hadden hun spelen gestaakt en wachtten, roerloos in een groepje, tot de jonkvrouw met haar gouvernante onder de hooge boomen van ’t kasteel verdwenen was. Toen namen zij allen te gelijk hun aanloop en bestormden Fonske met hartstochtelijke vragen.

Zoo zat Fonske op een zachten zomermiddag eens alleen te schilderen. De andere koewachtertjes waren verder in de wei, bezig met kikkers vangen en niets stoorde hem in het vlijtig genot, waarin hij gansch verdiept zat. Fonske schilderde het landschap: het weiland met de koeien, een hooibergje, en in de verte het kasteel met ’t molentje.

Het was een volmaakt-mooie dag, zoo rustig-vast in zijn glansrijke schoonheid, alsof het nooit anders geweest was en altijd zoo zou blijven. ’t Was of de gansche natuur in haar eigen rijke innigheid lag te genieten. De kort-gegraasde wei strekte zich tengergroen ver-uit achter de lange schaduwstreep der hooge populieren, in den blauwen hemel hingen witte wolkjes, die nauwelijks schenen voort te drijven en ’t diepe water sliep tusschenzijn bloeiende oevers, waar de fijne karrekiet zoo landelijk en zoo zoet in het riet zat te kweelen.

Fonske werkte. Zijn hoofdje stond scheef en zijn wenkbrauwen fronsten zich van de inspanning. Hij voelde dat het stuk karton waarop hij schilderde te klein was voor het vele dat hij erop weer wou geven en ’t speet hem zoo dat hij geen grooter had genomen. Het molentje, dat nu zoo rustig met gekruiste wieken op zijn heuvel stond, kon er beslist niet bij, en dat maakte Fonske verdrietig, want juist het molentje was wel het mooiste van het gansche tafereel. Zou hij er morgen nog geen stuk langs boven kunnen aanplakken? Hij bewoog het schilderij op en neer, hield het met gestrekte armen vóór zich uit, keek in de verte naar het molentje en praktizeerde en peinsde: hij kon het met zichzelf niet eens worden en aarzelde en tobde; hij lei het ding eindelijk zuchtend neer en wilde opstaan, toen iets ongewoons, dat hij als ’t ware achter zich had voelen naderen, hem plotseling het hoofd deed omwenden.

Hij schrikte hevig en zijn rechterhand ging in instinctmatig groeten naar de plaats waar op zijn verkleurd stoppelhoofd zijn pet had moeten zitten. Vlak naast hem waren, ongemerkt, twee jonge dames verschenen: mejonkvrouw Elvire, hetdochtertje van den graaf, met haar engelsche gouvernante.

—Doe moar veurt; woarom ’n doeje nie veurt? zei het jong meisje aanmoedigend, met een zoeten glimlach.

Zij stond voor Fonske, geheel in ’t wit gekleed, het zacht gezicht met levendige, donkere oogen warmbruin-verbrand van zonnegloed onder een gelen, strooien hoed met roode en blauwe bloemen en haar blikken weken niet van ’t schilderij, dat Fonske in zijn ontzetting scheef over het gras had neergegooid. Fonske kende haar wel, hij wist dat zij ook schilderde, onder de leiding van een meester; en nu bleef hij daar met neergeslagen oogen roerloos van ontroering staan alsof hij iets misdreven had, dat niet meer goed te maken was. Maar zacht en lief klonk weer haar stem: “Mag ik het ne keer zien?” en Fonske bukte zich sprakeloos, raapte zijn schilderij op, en gaf het haar.

Zij ging er enkele passen mee op zij staan, door haar gouvernante gevolgd. Samen spraken zij even vlug in een voor Fonske onverstaanbare taal. Toen kwam het meisje met het schilderij weer naar hem toe en vroeg heel ernstig, met naïef-groote oogen:

—Wie het er ou da geleerd?

—Niemand, fluisterde Fonske, de oogen ten gronde.

—Hèt-e gij dat amoal uit ou eigen gedoan?

—Joajik, schuchterde Fonske.

—Hoe heet-e gij?

—Fonske.

—Fonske wie?

—Fonske Vermoare.

—Van woar zij-de?

—Van Meulegem.

—Hèt-e nog meer van die schilderijtjes?

Fonske knikte.

—Hoevele nog wel?

—’n Stik of zeven of achte.

—Woar zijn ze?

—Thuis.

—Keunt-e ze mij nie ne keer teugen?

Fonske zweeg, wist niets te antwoorden.

—Zoe-de ze morgen nie ne keer willen meebrijngen?

Fonske knikte.

—En zoe ’k dit nou ne keer meugen meenemen, om aan mijne meester te loate zien?

Fonske knikte. Hij knikte herhaaldelijk en zijn benauwd gezichtje scheen weer op te leven.

Opnieuw wisselde het jong meisje vlug eenige woorden in een vreemde taal met haar gouvernante, aan wie ze ’t schilderij overhandigde. De gouvernante tastte in een zakje, dat zij aan den arm droeg, haalde er een zilverstukje uit, stak het Fonske toe.

—O nie nie, ieffreiwe, schudde Fonske doodsverlegen het hoofd.

—Toe toe, ge moet! drong het kasteelmeisje aan. En Fonske gehoorzaamde.

—Tot morgen, nie woar, hier aan dezelfde ure, mee al ’t geen da ge geschilderd hèt! ’K zal vroagen of de miester meekomt, riep ze nog onder het weggaan.

En Fonske knikte sprakeloos-toestemmend.

Hij zag ze vertrekken. De gouvernante, in ’t groen gekleed, droeg zijn schilderij onder den arm. En mejonkvrouw Elvire, gansch in ’t wit, de losse bruine haren glanzend-golvend onder den bloemenhoed over haar schouders, had den vrijen arm der gouvernante vastgegrepen en scheen te jubelen en te juichen, alsof haar een buitengewoon groot pleizier was overkomen. Zij gingen naar ’t kasteel van den baron toe, slank als twee jeugdige, slank-stengelige bloemen: een groene en een witte, in de weelde-harmonie van ’t zomerlandschap. En Fonske, roerloos op den grasrand, in de schaduw der zacht-suizelendepopulieren, begreep vagelijk, dat er iets gewichtigs in zijn leven was gebeurd, zonder dat hij ook kon voorgevoelen of het iets goeds of iets ongunstigs was voor hem. Alleen dìt voelde hij: dat een van de almachtige kasteelen, die daar al de menschen en de gansche streek beheerschten, zich iets van zijn levenslot had aangetrokken, en er mee doen kon wat het wilde.

De andere koewachtertjes, die van verre de ontmoeting zagen, hadden hun spelen gestaakt en wachtten, roerloos in een groepje, tot de jonkvrouw met haar gouvernante onder de hooge boomen van ’t kasteel verdwenen was. Toen namen zij allen te gelijk hun aanloop en bestormden Fonske met hartstochtelijke vragen.

V.Den volgenden namiddag, lang vóór het gestelde uur, kwam Fonske met zijn schilderijen aan. Ook al de andere koewachtertjes waren reeds op hun post en vroegen dringend om het werk nog eens te mogen zien.—Nie g’, zeg ik ulder! antwoordde Fonske stug en kitteloorig. En hij bleef halsstarrig-wakend bij zijn spullen staan, den blik gevestigd op ’t kasteel vanwaar de jonkvrouw met haar meester komen moest.Daar kwamen zij. De koewachtertjes merkten ’t van verre en riepen ’t naar Fonske:—Ze zijn doar!Fonske zag een groep van vier personen ’t grafelijk kasteel verlaten en naar de rivier toe komen. Hij herkende reeds op een afstand jonkvrouw Elvirein ’t wit, met haar groene, engelsche gouvernante; maar de twee heeren die de meisjes vergezelden wist hij niet zoo dadelijk te noemen, en toen hij ’t eindelijk zag neep hem de schrik om ’t hart: ’t was de oude graaf zelf, vergezeld van jonkvrouw Elvire’s meester. De koewachtertjes, allen in een groepje op een afstand, met hun zweepen in de hand, riepen het nog eens halfluid naar Fonske, met als ’t ware schrikbevangen stemmen:—De groaf es d’er euk bij!De groep stapte in het schuitje en de groene Engelsche, roeide hen met een paar flinke riemslagen over. Fonske, steeds roerloos naast zijn schilderijen onder ’t trosje populieren, hoorde de aan wal getrokken ketting rinkelen, zag de deftige partij uitstappen. Maar een der koewachtertjes, die zich even naar den overkant der weilanden had omgekeerd, kromp plotseling als van benauwing in elkaar en schreeuwde in ondertoon naar Fonske toe:—Fons, den b’ron komt ginter euk, mee menier Gaëtan.Als onder een schok keerden, èn Fonske, èn al de andere koewachtertjes zich om en daar zagen zij werkelijk ook meneer de baron aankomen, met zijn zoon Gaëtan. Die herkenden zij allenwel terstond en duidelijk, ofschoon zij nog op ruimen afstand waren: meneer den baron liep op waggelende o-beenen, zoo dat men ’t landschap er doorheen zag en meneer Gaëtan was een lange, magere slungel, met afzakkende schouders en een hoofd dat als te zwaar voorover hing op zijn gebogen, dunnen hals. ’t Was zeker een afspraak: de beide families waren nieuwsgierig om het door jonkvrouw Elvire ontdekte wonder te aanschouwen en kwamen op ’t gestelde uur naar de plaats der bijeenkomst.De koewachtertjes drongen nog wat verder op zij tot een groepje van strak-stille gezichtjes met piekige haren, dat zich niet meer bewoog; en Fonske bukte voorover naar zijn schilderijen en plaatste die tegen een boomstam.—Goên dag, klonk het vriendelijk achter zijn rug.Fonske keerde zich om. Vóór hem stond lief-glimlachend jonkvrouw Elvire met haar gouvernante en op vier passen afstand volgde menier de groave met den teekenmeester. Fonske schetste een groet met de hand naar zijn hoofd alsof daarop een pet stond en sloeg dan dadelijk weer schuw-bedeesd en onbewegelijk den blik ten gronde.—Voyez, papa, voyez monsieur Wattenberg!riep het jong meisje, opgewonden naar de teekeningen loopend.—Haha,les chefs-d’oeuvre! glimlachte de graaf, zijn dochtertje volgend.Hij had een fijn gezicht, bruingebrand door buitenlucht en zon, met lange, witte snor en heel lichtblauwe oogen, die een slimleuke uitdrukking hadden. Zijn linkerbeen was ietwat stram, zoodat hij licht hinkte en steunde op een stok, wat overigens niets schaadde aan zijn wel echt aristocratisch voorkomen. De teekenmeester van zijn dochtertje, burgerlijk-correct, met vollen baard en iets plechtigs-gespannen in zijn gansche houding, vergezelde hem met afgemeten passen.—Voyez, monsieur Wattenberg, n’est-ce pas que c’est beau!riep juichend het jong meisje, een der schilderijtjes tegen den boomstam omkeerend. Maar het dingetje gleed schuins omlaag, nog vóór de meester goed kon kijken en de groene Engelsche bukte zich met een angstig “aoh” spoedig neer om het weer overeind te zetten.De meester keek, sprakeloos-wenkbrauwfronsend, met de linkerhand aan zijn kin. Fonske zelf stond heelemaal op zij, als ’t ware in de zaak niet betrokken en even verder vormden de koewachtertjes een absoluut-roerloos groepje, allen met star-rondeoogen van gespannen aandacht, den zweepstok onbewegelijk naast de morsig-bloote voetjes, de bijna wit-verkleurde haren als een boschje kortgeknipte stoppelhalmen glinsterend in de zon.Meneer Wattenberg knikte heel eventjes goedkeurend met het hoofd en scheen op ’t punt zeer deftig iets te zeggen, maar juist kwamen meneer de baron en meneer Gaëtan binnen bereik en dat leidde voor een oogenblik de belangstelling af.—C’est donc vrai qu’Elvire a découvert un petit génie?vroeg ietwat ongeloovig-schertsend de baron, terwijl hij, warm en amechtig van het loopen, met een laatste waggeling zijner o-beenen, tusschen welks open ruimte zich even een stuk van het landschap vertoonde, onder het frissche lommer der populieren verscheen.—Il parait, l’exposition allait justement commencer, glimlachte de graaf, zijn ouden vriend de hand drukkend.De baron was wellicht niet ouder dan de graaf, maar zijn nóg moeilijker loopen deed hem ouder schijnen. Hij droeg een vollen baard, die grijsde en de uitdrukking zijner zeer groote en ietwat uitpuilende oogen had iets angstigs en benauwends, als van iemand die voortdurend naar zijn adem snakt. Zijn zoon, een hoofd langer dan hij, waseen donker Mephisto-type, met een beginnend zwart snorretje en zeer nauw-gespleten zwarte oogen, die nooit heelemaal frank de menschen en de dingen aankeken. Zijn glimlach had iets grijnzends en zijn glimmend haar was tot achter in den nek gescheiden door een griezelig blauw-witte spleet, welke de boeren in ’t geniep zijn “luizenboulevard” noemden. Dikwijls werd door de menschen in het dorp beweerd en voorspeld, dat meneer Gaëtan later met jonkvrouw Elvire zou trouwen. Het heette dat het om zoo te zeggen al van in hun wieg door de beide families aldus geschikt was en de menschen zeiden ook dat het een heel mooi paar zou zijn, omdat zij op elkander leken.Er was misschien wel iets van aan. Jonkvrouw Elvire leek op meneer Gaëtan, maar zooals iets heel moois en liefs op iets ongunstigs en onaangenaams kan lijken. Jonkvrouw Elvire had ook donkere haren en oogen, maar zoo zacht en zoo open van uitdrukking. Haar teint was bleek als dat van meneer Gaëtan, maar van een donzig-fluweelen matheid, een matheid om heel zacht te aaien en te streelen, iets als een wasem, dien men nauwelijks durft aan te raken. En instinctmatig voelden de menschen voor jonkvrouw Elvire een uitgesproken en verteederde genegenheid, envoor meneer Gaëtan, ondanks hun eerbied, iets van benauwd ontzag en intuïtief-verwijderende angstigheid.Meneer Wattenberg groette nederig-diep den baron en zijn zoon en toen kwamen zij weer allen om de uitgestalde schilderijtjes staan. Meneer Wattenberg schoof er dadelijk een drietal op zij, die volgens hem in het geheel geen waarde hadden. Maar twee nam hij er uit: een panoramisch landschap van een deel der streek en een ander dat den terugtocht van de koeien met de zweep-klappende koewachtertjes voorstelde; en daarover hoofdknikte hij goedkeurend, en gaf, doctoraal-gewichtig, in het Fransch, uitvoerige explicaties.Stil van gretige belangstelling ving jonkvrouw Elvire al zijn woorden op. Waar hij prees tintelden haar naïeve kinderoogen van blijmoedige geestdrift; waar hij meende te moeten afkeuren kwam er iets gelaten-droevigs over haar matbleek gezichtje, als van teleurgestelde, frissche illuzie. Ook de anderen zagen nieuwsgierig-zwijgend toe: de groene Engelsche met glimlachenden tandenmond en vreemde uitroepingen van verrassing, de beide oude heeren ietwat sceptisch op hun hoede en meneer Gaëtan met zijn Mephisto-grijnslach, de nauw-gespleten, donkere oogen telkens van deschilderijtjes afgeleid naar Elvire en meer nog naar de Engelsche, die hij met heimelijk-geboeide aandacht nauwkeurig scheen op te nemen en te ontleden. Fonske was heelemaal op den achtergrond geraakt en scheen om zoo te zeggen vergeten; en de groep der koewachtertjes verroerde niet, pal van spannende verwachting, dicht op elkaar getroppeld met hun vuile, naakte beentjes en hun blonde, bloote kopjes, als een trosje jonge, dichtgeplante boompjes, roerloos rechtop tierend in de glinsterende zon.Eindelijk keerde meneer Wattenberg zich om en kwam naar Fonske toe.—Hedde gij goeste van veurt te leeren schilderen, manneken? vroeg hij:—Joajik, meniere, antwoordde Fonske even schuw-opkijkend en dadelijk weer de oogen neerslaande.—Zoe-de gij iedere zondag nuchtijnk in de stad noar de teekenlesse wille goan!—Os ik mage van moeder, knikte Fonske.—Ge zil meugen, menier de groave zal ’t aan ou moeder vroagen en ouën trein betoalen.Fonske knikte, zwijgend.—Hoe êwd zijt-e gij?—Twoalf joar.—Hèt-e nog broerkes of zusterkes?Fonske schudde ’t hoofd.—Hawèl, ’t es goed, besloot de meester. Zegt aan ou moeder, da menier de groave heur morgen zal kome spreken. En ondertusschen meugt-e veurt tiekenen en schilderen os ge tijd hêt, en ieder weeke zal ik mee mejonkvreiw Elvire ou wirk komen noarzien. Verstoan, manneken?Of Fonske het verstaan had! En of ook al de koewachtertjes het verstaan hadden! Fonske vond geen woorden om te danken en kon alleen maar schuchter met het hoofd knikken, doch al zijn kameraadjes keken hem met groote oogen van heimelijk-afgunstige bewondering aan.Jonkvrouw Elvire kwam naar hem toe.—Zij-de nie blije? juichte zij met stralende oogen.—O joa ik, mejonkvreiwe, os ik moar ’n mag van moeder, antwoordde Fonske met een vuurkleur.—Is n’t he nice!streelde de Engelsche met verteederden glimlach.—Hedde gij dat allemoal alliene gedoan? vroeg hem nu ook meneer Gaëtan met zijn griezeligen, donkeren gezichtsgrijns. Maar hij luisterde niet eens naar Fonske’s antwoord; hij keerde hem den rug toe en begon in vreemde taal gekheid te maken tegen Elvire en de Engelsche, die hij aan ’t lachen wist te brengen.Benauwd keek Fonske op, als vreesde hij, dat er om hem gelachen werd. De koewachtertjes, steeds roerloos in hun dichte groepje, keken naar meneer Gaëtan’s achterhoofd, naar zijn blauw-witten “luizenboulevard” tusschen het glimmend-weggestreken donker haar. Er was er een, die even het woord durfde fluisteren; doch met een vermanend “zwijg, gie loeder” werd hij onzacht door de anderen den mond dicht gestompt.Meneer de graaf en meneer de baron, nog even in gesprek met meneer Wattenberg, hadden zich langzaam omgekeerd. De zaak was afgehandeld. Elvire zou als een verwend kindje haar zin krijgen met Fonske; men zou het althans voor een tijdje probeeren; en reeds spraken zij over andere dingen, over de aanstaande opening der jacht en over enkele belangen der gemeente in verband met hun persoonlijke belangen.Zij namen afscheid. Elvire en de Engelsche, gelukkig over het welslagen van hun plannetje, gingen niet weg zonder Fonske de hand te drukken. Ook de meester kwam nog eens bij hem en wakkerde hem aan om vooral goed te leeren teekenen. Meneer Gaëtan ging met den graaf en met de meisjes mee en meneer de baron keerde heel alleen, over de uitgestrektheid van het weiland, licht-schommelendop zijn o-beenen, naar zijn kasteel terug.In stilte waren de koewachtertjes weer bij Fonske gekomen, die hen nu zijn schilderijen liet bekijken. Zij drongen en stompten elkaar om goed te zien en wisselden hun indrukken.—Ge’n zil nie meugen van ou moeder, meende Feelke Brouwers.—Hij zal van eigen meugen, os de groave wilt! verzekerde Rietje Koarelkes. En hij zal rijke worden euk.Fonske zei niets, pakte zijn schilderijtjes bij elkaar.—Os hij rijke wordt moet hij ons trekteeren! besprak Mielke Katoor.—En zijn hoar in ne luizen-boulevard kammen! proestlachte eensklaps Dolfke van de Wiele.—Zwijg, gie loeder! riepen al de anderen met verschrikte oogen naar het grafelijk kasteel omkijkend.—Lach gulder moar, hij es hij den besten. ’K wensche dat de jonkvreiwe mij euk noar de tiekenschole liet goan, besloot Rietje Koarelkes.Maar al de anderen lachten Rietje vierkant uit. Wat had die verstand van teekenen! Hij kon nog niet eens goed zijn naam zetten op school.Even kregen zij ruzie daarover. Scheldende monden snauwden elkaar bijtend toe en de verkleurdepiekharen schenen dreigend overeind te rijzen. Het duurde maar een oogenblik. Alles kwam tot bedaren en weldra verspreidden de koewachtertjes zich joelend en zingend en zweepklappend over de groene uitgestrektheid van het met rustig-grazend vee bebloemde weilandschap.

Den volgenden namiddag, lang vóór het gestelde uur, kwam Fonske met zijn schilderijen aan. Ook al de andere koewachtertjes waren reeds op hun post en vroegen dringend om het werk nog eens te mogen zien.

—Nie g’, zeg ik ulder! antwoordde Fonske stug en kitteloorig. En hij bleef halsstarrig-wakend bij zijn spullen staan, den blik gevestigd op ’t kasteel vanwaar de jonkvrouw met haar meester komen moest.

Daar kwamen zij. De koewachtertjes merkten ’t van verre en riepen ’t naar Fonske:

—Ze zijn doar!

Fonske zag een groep van vier personen ’t grafelijk kasteel verlaten en naar de rivier toe komen. Hij herkende reeds op een afstand jonkvrouw Elvirein ’t wit, met haar groene, engelsche gouvernante; maar de twee heeren die de meisjes vergezelden wist hij niet zoo dadelijk te noemen, en toen hij ’t eindelijk zag neep hem de schrik om ’t hart: ’t was de oude graaf zelf, vergezeld van jonkvrouw Elvire’s meester. De koewachtertjes, allen in een groepje op een afstand, met hun zweepen in de hand, riepen het nog eens halfluid naar Fonske, met als ’t ware schrikbevangen stemmen:

—De groaf es d’er euk bij!

De groep stapte in het schuitje en de groene Engelsche, roeide hen met een paar flinke riemslagen over. Fonske, steeds roerloos naast zijn schilderijen onder ’t trosje populieren, hoorde de aan wal getrokken ketting rinkelen, zag de deftige partij uitstappen. Maar een der koewachtertjes, die zich even naar den overkant der weilanden had omgekeerd, kromp plotseling als van benauwing in elkaar en schreeuwde in ondertoon naar Fonske toe:

—Fons, den b’ron komt ginter euk, mee menier Gaëtan.

Als onder een schok keerden, èn Fonske, èn al de andere koewachtertjes zich om en daar zagen zij werkelijk ook meneer de baron aankomen, met zijn zoon Gaëtan. Die herkenden zij allenwel terstond en duidelijk, ofschoon zij nog op ruimen afstand waren: meneer den baron liep op waggelende o-beenen, zoo dat men ’t landschap er doorheen zag en meneer Gaëtan was een lange, magere slungel, met afzakkende schouders en een hoofd dat als te zwaar voorover hing op zijn gebogen, dunnen hals. ’t Was zeker een afspraak: de beide families waren nieuwsgierig om het door jonkvrouw Elvire ontdekte wonder te aanschouwen en kwamen op ’t gestelde uur naar de plaats der bijeenkomst.

De koewachtertjes drongen nog wat verder op zij tot een groepje van strak-stille gezichtjes met piekige haren, dat zich niet meer bewoog; en Fonske bukte voorover naar zijn schilderijen en plaatste die tegen een boomstam.

—Goên dag, klonk het vriendelijk achter zijn rug.

Fonske keerde zich om. Vóór hem stond lief-glimlachend jonkvrouw Elvire met haar gouvernante en op vier passen afstand volgde menier de groave met den teekenmeester. Fonske schetste een groet met de hand naar zijn hoofd alsof daarop een pet stond en sloeg dan dadelijk weer schuw-bedeesd en onbewegelijk den blik ten gronde.

—Voyez, papa, voyez monsieur Wattenberg!riep het jong meisje, opgewonden naar de teekeningen loopend.

—Haha,les chefs-d’oeuvre! glimlachte de graaf, zijn dochtertje volgend.

Hij had een fijn gezicht, bruingebrand door buitenlucht en zon, met lange, witte snor en heel lichtblauwe oogen, die een slimleuke uitdrukking hadden. Zijn linkerbeen was ietwat stram, zoodat hij licht hinkte en steunde op een stok, wat overigens niets schaadde aan zijn wel echt aristocratisch voorkomen. De teekenmeester van zijn dochtertje, burgerlijk-correct, met vollen baard en iets plechtigs-gespannen in zijn gansche houding, vergezelde hem met afgemeten passen.

—Voyez, monsieur Wattenberg, n’est-ce pas que c’est beau!riep juichend het jong meisje, een der schilderijtjes tegen den boomstam omkeerend. Maar het dingetje gleed schuins omlaag, nog vóór de meester goed kon kijken en de groene Engelsche bukte zich met een angstig “aoh” spoedig neer om het weer overeind te zetten.

De meester keek, sprakeloos-wenkbrauwfronsend, met de linkerhand aan zijn kin. Fonske zelf stond heelemaal op zij, als ’t ware in de zaak niet betrokken en even verder vormden de koewachtertjes een absoluut-roerloos groepje, allen met star-rondeoogen van gespannen aandacht, den zweepstok onbewegelijk naast de morsig-bloote voetjes, de bijna wit-verkleurde haren als een boschje kortgeknipte stoppelhalmen glinsterend in de zon.

Meneer Wattenberg knikte heel eventjes goedkeurend met het hoofd en scheen op ’t punt zeer deftig iets te zeggen, maar juist kwamen meneer de baron en meneer Gaëtan binnen bereik en dat leidde voor een oogenblik de belangstelling af.

—C’est donc vrai qu’Elvire a découvert un petit génie?vroeg ietwat ongeloovig-schertsend de baron, terwijl hij, warm en amechtig van het loopen, met een laatste waggeling zijner o-beenen, tusschen welks open ruimte zich even een stuk van het landschap vertoonde, onder het frissche lommer der populieren verscheen.

—Il parait, l’exposition allait justement commencer, glimlachte de graaf, zijn ouden vriend de hand drukkend.

De baron was wellicht niet ouder dan de graaf, maar zijn nóg moeilijker loopen deed hem ouder schijnen. Hij droeg een vollen baard, die grijsde en de uitdrukking zijner zeer groote en ietwat uitpuilende oogen had iets angstigs en benauwends, als van iemand die voortdurend naar zijn adem snakt. Zijn zoon, een hoofd langer dan hij, waseen donker Mephisto-type, met een beginnend zwart snorretje en zeer nauw-gespleten zwarte oogen, die nooit heelemaal frank de menschen en de dingen aankeken. Zijn glimlach had iets grijnzends en zijn glimmend haar was tot achter in den nek gescheiden door een griezelig blauw-witte spleet, welke de boeren in ’t geniep zijn “luizenboulevard” noemden. Dikwijls werd door de menschen in het dorp beweerd en voorspeld, dat meneer Gaëtan later met jonkvrouw Elvire zou trouwen. Het heette dat het om zoo te zeggen al van in hun wieg door de beide families aldus geschikt was en de menschen zeiden ook dat het een heel mooi paar zou zijn, omdat zij op elkander leken.

Er was misschien wel iets van aan. Jonkvrouw Elvire leek op meneer Gaëtan, maar zooals iets heel moois en liefs op iets ongunstigs en onaangenaams kan lijken. Jonkvrouw Elvire had ook donkere haren en oogen, maar zoo zacht en zoo open van uitdrukking. Haar teint was bleek als dat van meneer Gaëtan, maar van een donzig-fluweelen matheid, een matheid om heel zacht te aaien en te streelen, iets als een wasem, dien men nauwelijks durft aan te raken. En instinctmatig voelden de menschen voor jonkvrouw Elvire een uitgesproken en verteederde genegenheid, envoor meneer Gaëtan, ondanks hun eerbied, iets van benauwd ontzag en intuïtief-verwijderende angstigheid.

Meneer Wattenberg groette nederig-diep den baron en zijn zoon en toen kwamen zij weer allen om de uitgestalde schilderijtjes staan. Meneer Wattenberg schoof er dadelijk een drietal op zij, die volgens hem in het geheel geen waarde hadden. Maar twee nam hij er uit: een panoramisch landschap van een deel der streek en een ander dat den terugtocht van de koeien met de zweep-klappende koewachtertjes voorstelde; en daarover hoofdknikte hij goedkeurend, en gaf, doctoraal-gewichtig, in het Fransch, uitvoerige explicaties.

Stil van gretige belangstelling ving jonkvrouw Elvire al zijn woorden op. Waar hij prees tintelden haar naïeve kinderoogen van blijmoedige geestdrift; waar hij meende te moeten afkeuren kwam er iets gelaten-droevigs over haar matbleek gezichtje, als van teleurgestelde, frissche illuzie. Ook de anderen zagen nieuwsgierig-zwijgend toe: de groene Engelsche met glimlachenden tandenmond en vreemde uitroepingen van verrassing, de beide oude heeren ietwat sceptisch op hun hoede en meneer Gaëtan met zijn Mephisto-grijnslach, de nauw-gespleten, donkere oogen telkens van deschilderijtjes afgeleid naar Elvire en meer nog naar de Engelsche, die hij met heimelijk-geboeide aandacht nauwkeurig scheen op te nemen en te ontleden. Fonske was heelemaal op den achtergrond geraakt en scheen om zoo te zeggen vergeten; en de groep der koewachtertjes verroerde niet, pal van spannende verwachting, dicht op elkaar getroppeld met hun vuile, naakte beentjes en hun blonde, bloote kopjes, als een trosje jonge, dichtgeplante boompjes, roerloos rechtop tierend in de glinsterende zon.

Eindelijk keerde meneer Wattenberg zich om en kwam naar Fonske toe.

—Hedde gij goeste van veurt te leeren schilderen, manneken? vroeg hij:

—Joajik, meniere, antwoordde Fonske even schuw-opkijkend en dadelijk weer de oogen neerslaande.

—Zoe-de gij iedere zondag nuchtijnk in de stad noar de teekenlesse wille goan!

—Os ik mage van moeder, knikte Fonske.

—Ge zil meugen, menier de groave zal ’t aan ou moeder vroagen en ouën trein betoalen.

Fonske knikte, zwijgend.

—Hoe êwd zijt-e gij?

—Twoalf joar.

—Hèt-e nog broerkes of zusterkes?

Fonske schudde ’t hoofd.

—Hawèl, ’t es goed, besloot de meester. Zegt aan ou moeder, da menier de groave heur morgen zal kome spreken. En ondertusschen meugt-e veurt tiekenen en schilderen os ge tijd hêt, en ieder weeke zal ik mee mejonkvreiw Elvire ou wirk komen noarzien. Verstoan, manneken?

Of Fonske het verstaan had! En of ook al de koewachtertjes het verstaan hadden! Fonske vond geen woorden om te danken en kon alleen maar schuchter met het hoofd knikken, doch al zijn kameraadjes keken hem met groote oogen van heimelijk-afgunstige bewondering aan.

Jonkvrouw Elvire kwam naar hem toe.

—Zij-de nie blije? juichte zij met stralende oogen.

—O joa ik, mejonkvreiwe, os ik moar ’n mag van moeder, antwoordde Fonske met een vuurkleur.

—Is n’t he nice!streelde de Engelsche met verteederden glimlach.

—Hedde gij dat allemoal alliene gedoan? vroeg hem nu ook meneer Gaëtan met zijn griezeligen, donkeren gezichtsgrijns. Maar hij luisterde niet eens naar Fonske’s antwoord; hij keerde hem den rug toe en begon in vreemde taal gekheid te maken tegen Elvire en de Engelsche, die hij aan ’t lachen wist te brengen.

Benauwd keek Fonske op, als vreesde hij, dat er om hem gelachen werd. De koewachtertjes, steeds roerloos in hun dichte groepje, keken naar meneer Gaëtan’s achterhoofd, naar zijn blauw-witten “luizenboulevard” tusschen het glimmend-weggestreken donker haar. Er was er een, die even het woord durfde fluisteren; doch met een vermanend “zwijg, gie loeder” werd hij onzacht door de anderen den mond dicht gestompt.

Meneer de graaf en meneer de baron, nog even in gesprek met meneer Wattenberg, hadden zich langzaam omgekeerd. De zaak was afgehandeld. Elvire zou als een verwend kindje haar zin krijgen met Fonske; men zou het althans voor een tijdje probeeren; en reeds spraken zij over andere dingen, over de aanstaande opening der jacht en over enkele belangen der gemeente in verband met hun persoonlijke belangen.

Zij namen afscheid. Elvire en de Engelsche, gelukkig over het welslagen van hun plannetje, gingen niet weg zonder Fonske de hand te drukken. Ook de meester kwam nog eens bij hem en wakkerde hem aan om vooral goed te leeren teekenen. Meneer Gaëtan ging met den graaf en met de meisjes mee en meneer de baron keerde heel alleen, over de uitgestrektheid van het weiland, licht-schommelendop zijn o-beenen, naar zijn kasteel terug.

In stilte waren de koewachtertjes weer bij Fonske gekomen, die hen nu zijn schilderijen liet bekijken. Zij drongen en stompten elkaar om goed te zien en wisselden hun indrukken.

—Ge’n zil nie meugen van ou moeder, meende Feelke Brouwers.

—Hij zal van eigen meugen, os de groave wilt! verzekerde Rietje Koarelkes. En hij zal rijke worden euk.

Fonske zei niets, pakte zijn schilderijtjes bij elkaar.

—Os hij rijke wordt moet hij ons trekteeren! besprak Mielke Katoor.

—En zijn hoar in ne luizen-boulevard kammen! proestlachte eensklaps Dolfke van de Wiele.

—Zwijg, gie loeder! riepen al de anderen met verschrikte oogen naar het grafelijk kasteel omkijkend.

—Lach gulder moar, hij es hij den besten. ’K wensche dat de jonkvreiwe mij euk noar de tiekenschole liet goan, besloot Rietje Koarelkes.

Maar al de anderen lachten Rietje vierkant uit. Wat had die verstand van teekenen! Hij kon nog niet eens goed zijn naam zetten op school.

Even kregen zij ruzie daarover. Scheldende monden snauwden elkaar bijtend toe en de verkleurdepiekharen schenen dreigend overeind te rijzen. Het duurde maar een oogenblik. Alles kwam tot bedaren en weldra verspreidden de koewachtertjes zich joelend en zingend en zweepklappend over de groene uitgestrektheid van het met rustig-grazend vee bebloemde weilandschap.

VI.Den volgenden zondag toog Fonske voor het eerst ter stad naar de teekenschool. Alles was vooruit geregeld door tusschenkomst van den graaf, den baron en meneer Wattenberg; doch daar Fonske hoegenaamd den weg niet kende in de stad, was de baron-burgemeester op het eigenaardig idee gekomen hem daarheen door den dorpsveldwachter te doen begeleiden.Dat maakte wel een vreemden indruk en de andere leerlingen keken zeer verbaasd en ietwat spottend op. Dat schuchtere Fonske naast dien veldwachter in uniform met zijn rooden neus, leek bijna op een aangehouden landloopertje dat naar de gerechtszaal wordt gebracht. Maar meneer Wattenberg was op voorhand gewaarschuwd; hij nam Fonske in ontvangst en stelde hem aan dendirecteur der teeken-academie voor; en dadelijk werd het kind een plaats aangewezen en hem ’t pleistermodel getoond, dat hij moest uitteekenen.Die heeren waren uiterst vriendelijk voor hem, wat niet belette, dat hij zich daar zeer vreemd en ontredderd voelde. Hij was er een der heel zeldzame leerlingen van ’t platteland, en een der allerjongste ook; hij kreeg terstond den indruk alsof al die anderen ongeloofelijk knap waren en hij zelf zoo goed als niemendal nog kende. Zij waren anders en mooier gekleed dan hij; zij bewogen zich daar volkomen ongegeneerd en vrij alsof ze ’r thuis waren, en zij spraken ook een andere taal: het dialekt der stad en ook veel Fransch, waarvan Fonske geen enkel woord verstond. Het kwam hem daarbij voor dat ze hem af en toe minachtend aankeken en bedekt-gichelend over hem fluisterden en dat maakte hem nog veel schuwer en bedeesder. Zijn eenige toevlucht was het vriendelijk gezicht van den meester, naar wiens uitleggingen hij met roerlooze aandacht luisterde en hij spande zich in met uiterste kracht om althans zijn werk goed af te maken.Maar ’t ging niet makkelijk. Het was zoo heel anders dan wat hij gewend was. Die doode, kleurlooze klomp, dien hij moest conterfeiten, die benauwdezaal vol leerlingen, dat triestig licht door matte glazen, alles belemmerde en ontzenuwde het eenzaam, droomerig natuurkind, gewend aan zon en vrije ruimte, en hij had het wanhopig gevoel daar nooit te zullen aarden en er nooit iets goeds te kunnen voortbrengen.Toch was de meester, die vóór het einde van de les even kwam kijken, over zijn werk niet ontevreden. Hij klopte hem bemoedigend op het tenger schoudertje en gaf hem zacht enkele nuttige wenken. Fonske aanhoorde die als een orakel; hij voelde zich iets minder hopeloos-ontredderd, maar o, nog zoo verre, dacht hij, van wat al die anderen zoo gemakkelijk schenen te bereiken. Had hij den goedigen meester maar voortdurend naast zich kunnen houden! Maar zoodra de meester weg was besloop hem weer het besef zijner ellendige zwakheid en het gevoel zijner absolute eenzaamheid midden in een vreemd-hostiele omgeving. Het uur van eindigen klonk hem als een verlossing in de ooren en bijna als een schuldige verliet hij het gebouw, stil-wegsluipend tusschen al die sterkeren en zelfbewusten, wier spottend-minachtende blikken hij zijn schuwe aftocht voelde vergezellen.Gedurende de korte terugreis in den trein vermande hij zich. Hij wist wel dat de kameraadjeshem in opgewonden nieuwsgierigheid bij het kleine dorpsstation zouden afwachten en hij wilde toch vooral zijn teleurstelling niet laten blijken. Het speet hem dat hij zijn teekengerei ginds had moeten achterlaten. Zoo’n portefeuille onder den arm, dat had hem een houding gegeven. Maar de trein zelf, waaruit de makkertjes hem zagen stappen, dat gaf ook al prestige en hij wist zich toch wel goed en flink te houden en antwoordde op het hartstochtelijk kruisvuur van vragen, dat hij het heerlijk had gevonden op de teeken-academie, dat het er zoo groot en ruim was, dat er zoo ontelbaar veel leerlingen waren en dat hij er zulke prachtige dingen gezien had.Stoetsgewijze, als voor een jeugdige held die wordt ingehaald, gingen de bewonderende koewachtertjes met hem mee. En thuis, bij zijn moeder, wachtte hem een verrassing, die al het teleurstellende van den ochtend weer goed maakte en hem een geluk bezorgde, dat dagen en dagen bleef duren: in zijn afwezigheid was jonkvrouw Elvire daar met haar gouvernante geweest en had iets voor hem afgegeven: een pracht van een verfdoos en een album met schilderpapier, iets zóó moois, dat het juichend kind zelfs niet vermoedde, dat het op de wereld bestond.Hij kreeg een kleur als vuur, hij loosde zuchten, lange, lange zuchten van bijna verschrikte verrukking en plotseling losten zich de àl te machtige emoties van dien dag in tranen op: hij schreide van plezier, hij schreide als een onnoozel, zwak, klein kind, dat zijn ontroering kan beheerschen noch verbergen.Dienzelfden middag, in de zachte, zoete zon, beklom hij met zijn album en zijn prachtdoos den molenberg en ging aan ’t schilderen. Hij schilderde van verre ’t grafelijk kasteel uit, ’t kasteel van zijne weldoenster, met rivier en park en weiden. Hij wilde ’t schilderen voor de jonkvrouw, in dankbare herinnering van hare groote goedheid en hij schilderde ’t met een soort van veneratie en van liefde, die gansch zijn tenger wezentje als van koorts deed beven.Eenzaam zat hij daar, zoo klein en eenzaam vóór het heerlijk tafereel van weidsche pracht, half verscholen onder heesters-schaduw op den stillen heuvel, naast den gekruiswiekten, ouden molen in bespiegelende zondagsrust en met hoog en wijd over zich heen de blauwe hemelkoepel en de zilverwitte wolken. De uren vervlogen, geen mensch wist dat hij daar zat en kwam hem storen en de volheid van zijn zoet geluk drong in hem als eenzegen en als een schat van weelde en bescherming. Hij voelde zich rijk in zijn armoede, groot in zijn nederigheid, hij voelde een geluk dat hij niet kon bevatten, maar dat hem, klein kind, als ’t ware de gansche wereld ten geschenke gaf.

Den volgenden zondag toog Fonske voor het eerst ter stad naar de teekenschool. Alles was vooruit geregeld door tusschenkomst van den graaf, den baron en meneer Wattenberg; doch daar Fonske hoegenaamd den weg niet kende in de stad, was de baron-burgemeester op het eigenaardig idee gekomen hem daarheen door den dorpsveldwachter te doen begeleiden.

Dat maakte wel een vreemden indruk en de andere leerlingen keken zeer verbaasd en ietwat spottend op. Dat schuchtere Fonske naast dien veldwachter in uniform met zijn rooden neus, leek bijna op een aangehouden landloopertje dat naar de gerechtszaal wordt gebracht. Maar meneer Wattenberg was op voorhand gewaarschuwd; hij nam Fonske in ontvangst en stelde hem aan dendirecteur der teeken-academie voor; en dadelijk werd het kind een plaats aangewezen en hem ’t pleistermodel getoond, dat hij moest uitteekenen.

Die heeren waren uiterst vriendelijk voor hem, wat niet belette, dat hij zich daar zeer vreemd en ontredderd voelde. Hij was er een der heel zeldzame leerlingen van ’t platteland, en een der allerjongste ook; hij kreeg terstond den indruk alsof al die anderen ongeloofelijk knap waren en hij zelf zoo goed als niemendal nog kende. Zij waren anders en mooier gekleed dan hij; zij bewogen zich daar volkomen ongegeneerd en vrij alsof ze ’r thuis waren, en zij spraken ook een andere taal: het dialekt der stad en ook veel Fransch, waarvan Fonske geen enkel woord verstond. Het kwam hem daarbij voor dat ze hem af en toe minachtend aankeken en bedekt-gichelend over hem fluisterden en dat maakte hem nog veel schuwer en bedeesder. Zijn eenige toevlucht was het vriendelijk gezicht van den meester, naar wiens uitleggingen hij met roerlooze aandacht luisterde en hij spande zich in met uiterste kracht om althans zijn werk goed af te maken.

Maar ’t ging niet makkelijk. Het was zoo heel anders dan wat hij gewend was. Die doode, kleurlooze klomp, dien hij moest conterfeiten, die benauwdezaal vol leerlingen, dat triestig licht door matte glazen, alles belemmerde en ontzenuwde het eenzaam, droomerig natuurkind, gewend aan zon en vrije ruimte, en hij had het wanhopig gevoel daar nooit te zullen aarden en er nooit iets goeds te kunnen voortbrengen.

Toch was de meester, die vóór het einde van de les even kwam kijken, over zijn werk niet ontevreden. Hij klopte hem bemoedigend op het tenger schoudertje en gaf hem zacht enkele nuttige wenken. Fonske aanhoorde die als een orakel; hij voelde zich iets minder hopeloos-ontredderd, maar o, nog zoo verre, dacht hij, van wat al die anderen zoo gemakkelijk schenen te bereiken. Had hij den goedigen meester maar voortdurend naast zich kunnen houden! Maar zoodra de meester weg was besloop hem weer het besef zijner ellendige zwakheid en het gevoel zijner absolute eenzaamheid midden in een vreemd-hostiele omgeving. Het uur van eindigen klonk hem als een verlossing in de ooren en bijna als een schuldige verliet hij het gebouw, stil-wegsluipend tusschen al die sterkeren en zelfbewusten, wier spottend-minachtende blikken hij zijn schuwe aftocht voelde vergezellen.

Gedurende de korte terugreis in den trein vermande hij zich. Hij wist wel dat de kameraadjeshem in opgewonden nieuwsgierigheid bij het kleine dorpsstation zouden afwachten en hij wilde toch vooral zijn teleurstelling niet laten blijken. Het speet hem dat hij zijn teekengerei ginds had moeten achterlaten. Zoo’n portefeuille onder den arm, dat had hem een houding gegeven. Maar de trein zelf, waaruit de makkertjes hem zagen stappen, dat gaf ook al prestige en hij wist zich toch wel goed en flink te houden en antwoordde op het hartstochtelijk kruisvuur van vragen, dat hij het heerlijk had gevonden op de teeken-academie, dat het er zoo groot en ruim was, dat er zoo ontelbaar veel leerlingen waren en dat hij er zulke prachtige dingen gezien had.

Stoetsgewijze, als voor een jeugdige held die wordt ingehaald, gingen de bewonderende koewachtertjes met hem mee. En thuis, bij zijn moeder, wachtte hem een verrassing, die al het teleurstellende van den ochtend weer goed maakte en hem een geluk bezorgde, dat dagen en dagen bleef duren: in zijn afwezigheid was jonkvrouw Elvire daar met haar gouvernante geweest en had iets voor hem afgegeven: een pracht van een verfdoos en een album met schilderpapier, iets zóó moois, dat het juichend kind zelfs niet vermoedde, dat het op de wereld bestond.

Hij kreeg een kleur als vuur, hij loosde zuchten, lange, lange zuchten van bijna verschrikte verrukking en plotseling losten zich de àl te machtige emoties van dien dag in tranen op: hij schreide van plezier, hij schreide als een onnoozel, zwak, klein kind, dat zijn ontroering kan beheerschen noch verbergen.

Dienzelfden middag, in de zachte, zoete zon, beklom hij met zijn album en zijn prachtdoos den molenberg en ging aan ’t schilderen. Hij schilderde van verre ’t grafelijk kasteel uit, ’t kasteel van zijne weldoenster, met rivier en park en weiden. Hij wilde ’t schilderen voor de jonkvrouw, in dankbare herinnering van hare groote goedheid en hij schilderde ’t met een soort van veneratie en van liefde, die gansch zijn tenger wezentje als van koorts deed beven.

Eenzaam zat hij daar, zoo klein en eenzaam vóór het heerlijk tafereel van weidsche pracht, half verscholen onder heesters-schaduw op den stillen heuvel, naast den gekruiswiekten, ouden molen in bespiegelende zondagsrust en met hoog en wijd over zich heen de blauwe hemelkoepel en de zilverwitte wolken. De uren vervlogen, geen mensch wist dat hij daar zat en kwam hem storen en de volheid van zijn zoet geluk drong in hem als eenzegen en als een schat van weelde en bescherming. Hij voelde zich rijk in zijn armoede, groot in zijn nederigheid, hij voelde een geluk dat hij niet kon bevatten, maar dat hem, klein kind, als ’t ware de gansche wereld ten geschenke gaf.

VII.De volgende zondagen ging het Fonske niet meer zoo benauwd op teeken-academie. Hij raakte langzamerhand gewend aan den omgang met zijn mede-leerlingen en deze wenden ook aan hem. Maar schuw-ondergeschikt bleef hij zich in den grond van zijn wezen toch voelen, omdat al die anderen zooveel wisten dat hij nog niet kende en zoo stevig midden in een leven stonden, waaraan hij vreemd bleef. Had hij maar een beetje Fransch gekend, de taal die zij voortdurend onder elkander spraken en die hen wegen scheen te openen, welke voor hem gesloten bleven! ’t Was of ze daardoor alleen tot een anderen, hoogeren stand behoorden, bijna tot den stand van den graaf en van jonkvrouw Elvire. Verder kon hij wel met hen mee, voelde zich niet minder in bekwaamheid voor de teekenkunst.De meesters waren zeer tevreden; hij werkte gemakkelijk en maakte vooruitgang, hoewel hem telkens iets belemmerde dat de ontplooiing van zijn jonge, frissche kracht begrensde. Dat zat hem in het doodsche van die groote, duffe zaal vol leerlingen, in het krijtachtig-levenlooze van die pleisteren modellen, in dat egaal, grijs-matte licht waarin niets scheen te trillen noch te fleuren. Hij kòn er niet met liefde werken; hij wrocht er uit plicht, omdat men hem gezegd had dat het zoo moest, en hij bewaarde al zijn gloed en voelde al zijn genot slechts in de vrije ruimte der frissche en zonnige natuur, waar hij, als vroeger, al zijn beschikbare uurtjes ging slijten. ’t Kasteel had hij afgemaakt en aan jonkvrouw Elvire uit dankbaarheid ten geschenke gegeven; en ’t meisje was verrukt geweest, en ook meneer Wattenberg had hem zijn lof niet onthouden en zelfs met eigen hand eenige correcties aan zijn werkje toegebracht.Het trosje hooge populieren, eenzaam wuivend en suizend in de groene uitgestrektheid van de weilanden tusschen de twee regeerende kasteelen, was en bleef Fonske’s lievelingsplek, waar hij om zoo te zeggen het middenpunt van zijn gansche leventje voelde. Daar was hij in zijn element, daarwas hij zichzelf, klein tusschen al dat groote, maar gelukkig-klein, omdat hij daar thuis was en zich in zijn nietigheid beschermd voelde. Hij leefde als het ware iets mee in ’t leven van de twee kasteelen, heel dikwijls kwamen de jonkvrouw en haar meester naar hem kijken en nu stelde hij ook een belang dat hij vroeger niet kende in ’t heen en weer bezoek tusschen de bewoners der beide landgoederen.Eigenaardig was het hoe zijn jong, ontvankelijk gemoed telkens verschillend reageerde op iedere verschijning van de verschillende bewoners. De jonkvrouw en haar gouvernante, dat was als de zon, die stralend en koesterend naar hem toe kwam. Het gaf hem een warme kleur van emotie, alsof hij werkelijk een gloed van buiten af tegen zijn wangen voelde. Meneer Gaëtan, daarentegen, was als de nacht, die tot hem naderde. Hij was er bang voor en hij griezelde ervan, als voor iemand die hem kwaad zou kunnen doen. Ook voor den graaf was hij bang, maar op heel andere wijze. Hij vreesde zijn fijne, peilende spot-oogen, alsof de graaf hem heelemaal doorzag en ontdekte dat er feitelijk niets in hem zat; en alleen de komst van den baron gaf hem in ’t geheel geen ontroering, wellicht omdat zijn aandacht geheelen al was afgeleid en in beslag genomen door het vreemde waggel-loopen van den ouden man. Fonske beschouwde dat reeds onbewust met schildersoogen, het boeide hem als iets, dat hij zou willen nateekenen en hij vond het zoo grappig, dat telkens tusschen die schommelende o-beenen een stuk van het landschap verscheen: nu eens een hoekje wei met een grazende koe, dan weer een ver zeiltje op de rivier, een zeiltje, dat zoo eigenaardig heen en weer scheen te dobberen, waggelend als een zeescheepje tusschen het waggel-loopen van ’t barontje, die het met zich scheen mee te trekken. Eens, op een stillen middag, begon hij zoo iets uit het geheugen te teekenen. Hij had er innig-dolle pret om in zichzelf, want het was goed en het leek, maar hij wachtte zich wel het aan de makkertjes te laten zien; hij verscheurde ’t haastig toen hij hen joelend zag aankomen en op zijn bleek, als naar gewoonte ietwat stroef gezichtje was zelfs geen zweem van zijn vluchtige, ondeugende oolijkheid meer te bespeuren.

De volgende zondagen ging het Fonske niet meer zoo benauwd op teeken-academie. Hij raakte langzamerhand gewend aan den omgang met zijn mede-leerlingen en deze wenden ook aan hem. Maar schuw-ondergeschikt bleef hij zich in den grond van zijn wezen toch voelen, omdat al die anderen zooveel wisten dat hij nog niet kende en zoo stevig midden in een leven stonden, waaraan hij vreemd bleef. Had hij maar een beetje Fransch gekend, de taal die zij voortdurend onder elkander spraken en die hen wegen scheen te openen, welke voor hem gesloten bleven! ’t Was of ze daardoor alleen tot een anderen, hoogeren stand behoorden, bijna tot den stand van den graaf en van jonkvrouw Elvire. Verder kon hij wel met hen mee, voelde zich niet minder in bekwaamheid voor de teekenkunst.De meesters waren zeer tevreden; hij werkte gemakkelijk en maakte vooruitgang, hoewel hem telkens iets belemmerde dat de ontplooiing van zijn jonge, frissche kracht begrensde. Dat zat hem in het doodsche van die groote, duffe zaal vol leerlingen, in het krijtachtig-levenlooze van die pleisteren modellen, in dat egaal, grijs-matte licht waarin niets scheen te trillen noch te fleuren. Hij kòn er niet met liefde werken; hij wrocht er uit plicht, omdat men hem gezegd had dat het zoo moest, en hij bewaarde al zijn gloed en voelde al zijn genot slechts in de vrije ruimte der frissche en zonnige natuur, waar hij, als vroeger, al zijn beschikbare uurtjes ging slijten. ’t Kasteel had hij afgemaakt en aan jonkvrouw Elvire uit dankbaarheid ten geschenke gegeven; en ’t meisje was verrukt geweest, en ook meneer Wattenberg had hem zijn lof niet onthouden en zelfs met eigen hand eenige correcties aan zijn werkje toegebracht.

Het trosje hooge populieren, eenzaam wuivend en suizend in de groene uitgestrektheid van de weilanden tusschen de twee regeerende kasteelen, was en bleef Fonske’s lievelingsplek, waar hij om zoo te zeggen het middenpunt van zijn gansche leventje voelde. Daar was hij in zijn element, daarwas hij zichzelf, klein tusschen al dat groote, maar gelukkig-klein, omdat hij daar thuis was en zich in zijn nietigheid beschermd voelde. Hij leefde als het ware iets mee in ’t leven van de twee kasteelen, heel dikwijls kwamen de jonkvrouw en haar meester naar hem kijken en nu stelde hij ook een belang dat hij vroeger niet kende in ’t heen en weer bezoek tusschen de bewoners der beide landgoederen.

Eigenaardig was het hoe zijn jong, ontvankelijk gemoed telkens verschillend reageerde op iedere verschijning van de verschillende bewoners. De jonkvrouw en haar gouvernante, dat was als de zon, die stralend en koesterend naar hem toe kwam. Het gaf hem een warme kleur van emotie, alsof hij werkelijk een gloed van buiten af tegen zijn wangen voelde. Meneer Gaëtan, daarentegen, was als de nacht, die tot hem naderde. Hij was er bang voor en hij griezelde ervan, als voor iemand die hem kwaad zou kunnen doen. Ook voor den graaf was hij bang, maar op heel andere wijze. Hij vreesde zijn fijne, peilende spot-oogen, alsof de graaf hem heelemaal doorzag en ontdekte dat er feitelijk niets in hem zat; en alleen de komst van den baron gaf hem in ’t geheel geen ontroering, wellicht omdat zijn aandacht geheelen al was afgeleid en in beslag genomen door het vreemde waggel-loopen van den ouden man. Fonske beschouwde dat reeds onbewust met schildersoogen, het boeide hem als iets, dat hij zou willen nateekenen en hij vond het zoo grappig, dat telkens tusschen die schommelende o-beenen een stuk van het landschap verscheen: nu eens een hoekje wei met een grazende koe, dan weer een ver zeiltje op de rivier, een zeiltje, dat zoo eigenaardig heen en weer scheen te dobberen, waggelend als een zeescheepje tusschen het waggel-loopen van ’t barontje, die het met zich scheen mee te trekken. Eens, op een stillen middag, begon hij zoo iets uit het geheugen te teekenen. Hij had er innig-dolle pret om in zichzelf, want het was goed en het leek, maar hij wachtte zich wel het aan de makkertjes te laten zien; hij verscheurde ’t haastig toen hij hen joelend zag aankomen en op zijn bleek, als naar gewoonte ietwat stroef gezichtje was zelfs geen zweem van zijn vluchtige, ondeugende oolijkheid meer te bespeuren.


Back to IndexNext