VIII.Doch langzaam aan begon de rijke, gouden zomer tot het bruine bronskleed van den herfst te tanen en de dagen werden korter en de nachten koel. Weldra woeien de dorre bladeren als zwermen verschrikte vogels uit de hooge kruinen weg, of droppelden in stille, gele tranen neer, heel langzaam, een voor een, met zuchtgeritsel door de naakte twijgen.Al spoedig zouden de koeien voor den ganschen winter uit de weide worden weggehaald. Al spoedig ook zouden de regeerende kasteelen, thans nog zoo trotsch in luisterrijke najaarspracht boven op hun heuvel, voor maanden lang gesloten en verlaten worden. En de vroolijk-joelende koewachtertjes zouden uit elkaar gaan en zooals kouwelijke winterbeestjes voor elkaar verdwijnen, de een hier,de andere daar, verwijderd en onzichtbaar voor elkander, totdat de zachte lenteluwte hen weer bijeenbracht. Zij zaten ’s winters op de verre boerderijen, in mist en slijk en regen, of zij hielpen in de stille, leemen hutjes zwingelen het vlas der rijke zomeroogsten, bij het eentonig snorren van den tredmolen, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, in kou, en stof, en grijzigheid.En hij was wel steeds vooruit bekend in ’t dorp, de afscheidsdag van de regeerende kasteelen. Mevrouw de gravin ging rond, en mevrouw de barones ging rond, tot in de verste arme huisjes, en overal gaven zij iets, als hulp en onderstand voor den langen, guren winter.Fonske wist het al dagen te voren: mevrouw de gravin was reeds bij de ouders van Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers geweest en mevrouw de barones bij die van Mielke Katoor en Dolfke van de Wiele, en hij twijfelde niet of ook bij zijn moeder zou weldra iemand komen.En er kwam iemand! Er kwam, zooals Fonske wel had durven hopen en verwachten, jonkvrouw Elvire met haar gouvernante.Fonske was thuis toen zij kwamen. ’t Was op een grijzen November-ochtend en zij stonden daarineens voor ’t kleingeruite raampje, waardoor zij even aarzelend naar binnen keken.—Toe, Fons, doe open, ze zijn daar! riep de moeder gejaagd.Fonske ging haastig open doen en de twee meisjes traden binnen.De Engelsche kende tè weinig Vlaamsch om met de menschen een gesprek te kunnen voeren en daarom nam de jonkvrouw zelve het woord.Zij stak de hand uit naar een pakje, dat de gouvernante droeg, en gaf het met een aarzelend-bedeesden glimlach aan de moeder:—As ’t ou blieft, vreiwe, dat es veur de winter.—O, merci, mejonkvreiwe, ge zij wel bedankt, wel duuzen keers bedankt. Zet ou, mejonkvreiwe, zet ou, ieffreiwe. En zij bood stoelen aan.Het meisje en de gouvernante gingen zitten. De Engelsche glimlachte zwijgend, met schitterenden tandenmond; jonkvrouw Elvire keek naar Fonske, die bij het raampje had zitten te teekenen.—Goat ’t goed? vroeg ze zacht.—Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske, schuchter-blozend.—Zij-de aan iets nieuws bezig?—’K tiekene ’t meuleken uit, van hier.—Mag ik ne keer zien? glimlachte zoet het meisje.Fonske liet het haar zien.—’t Es scheune, zei ze. En ook de Engelsche kwam kijken en glimlachte met een dweeperig “very nice indeed”.De moeder, die met het pakje door een binnendeur verdwenen was, kwam gansch ontroerd weer in ’t armoedig keukentje. Zij had tranen in haar oogen, zij vatte alle bei ’s jong meisjes handen, boog bijna knielend tot haar neer en stamelde bevend:—O, mejonkvreiwe, wa zij-je toch goed, zeuveel scheune, woarme klieren en zeuveel geld, mejonkvreiwe. Es dat toch amoal wel veur ons, mejonkvreiwe? Hedde gij ou somwijlen nie gemist? O, mejonkvreiwe, Fons moe ou toch ’n heule greute scheune schilderijnge moaken en ik zal heul de winter ’s morgens en ’s oavens veur ou bidden.Het jeugdig kasteelmeisje bloosde gegeneerd. Schuchter keek zij op naar Fonske, die vuurrood, met stroef gezichtje voor haar stond, als schaamde zij zich voor de tè rijke aalmoes, die ze daar gebracht had. Er heerschte iets onuitgedrukt-benauwends tusschen de twee kinderen. Er was toenadering van zachtheid en genegenheid, en meteen was er een afstand als een afgrond, de onoverschrijdbare kloof tusschen armoede en rijkdom.’t Meisje was opgestaan. Zij stond daar even, penibel glimlachend, alsof zij iets verkeerds had gedaan. Zoo mooi van frissche jeugd en weelde, tegenover Fonske, die halsstarrig zijn blikken ten gronde hield geslagen. Toen stak zij hem tot afscheid een bevend handje toe. Fonske merkte ’t niet. Zij kwam een stapje nader en meteen zag zij stille tranen over ’s knaapjes wangen rollen. Schrikkend trok zij zich terug.De moeder bromde:—Fons, gie loeder, zie-je gij niet da mejonkvreiw ou ’n hand wil geven.Bevend en gedwee stak Fonske zijn hand uit en het jong meisje drukte die vlug en zenuwachtig. Maar Fonske keek haar zelfs niet aan. Heel stil rolden aldoor de tranen over zijn roode wangetjes, tranen zoo helder en zoo zuiver als de kristallen droppeltjes van een levende bron.Zij waren weg. ’t Deurtje was dichtgeslagen en even werd het kleingeruite raampje door twee voorbijzwevende schaduwen verduisterd.’t Was gedaan. Nu zou alleen, voor maanden lang, de droeve, grijze winter heerschen.IX.Niet steeds keerden al de jonge koewachtertjes, na den langen winter in de verre boerderijen, met het herleven van de lente, in de vrije, frissche weilanden terug. Zij werden jonge mannen en het harde sjouwersleven eischte hen op. Voor altijd moest vaarwel worden gezegd aan de onbezorgde vrijheid in de gezonde, heerlijke natuur. Zij kregen een spade of een vork te hanteeren in plaats van de koewachterszweep; zij werden mesters, delvers, ploegers of vertrokken reeds vóór ’t vroege daglicht naar de groote stadsfabrieken, waaruit zij eerst met ’t sombergrauwe van de schemering terugkeerden. Geen buitelsprongen meer, geen kikkers vangen, geen joelend alahoe-geroep in ’t galmend knallen van de zweepen: zij kregen ernstige gezichten, gezichten van vermoeienis en vroegtijdigezorg; en hun aardige kindernaampjes: Rietje, Pierke, Feelke veranderden in ’t hardklinkende en stugge: Riek, Pier, Feel.Voor Fonske zou die tijd nu ook wel heel gauw komen. Nog één zomer en hij zou ook door ’t harde leven wordenopgeëischt.Zijn moeder had er reeds veel en lang over nagedacht en er ook met hem over gesproken. Fonske had gedwee het hoofd gebukt: hij wist wel dat het moest. Alleen de vraag wàt hij zou worden, was nog niet vast bepaald. Voor zwaar boerenwerk was hij te zwak; van arbeid in de groote stadsfabrieken—wreede gevangenissen van gedruisch en stof en stoom—had hij een gruwel; het eenige wat hem aantrok was een nuttig bedrijf in de richting waar zijn fantaisie zich had ontwikkeld: het schilderen.Hij wilde schilder worden. Maar huisschilder, natuurlijk, om voor zichzelf en voor zijn moeder aan het dagelijksch brood te komen. Het andere, ’t kunstschilderen, dat was een droom, een illuzie, die zeker ook wel kon verwezenlijkt worden, dank zij de liefelijke goedheid van jonkvrouw Elvire en haar ouders, maar slechts als uitspanning, ’s zondags en in zijn schaarsche vrije uren. Eén enkele, laatste zomer van vrijheid zou hij dus noggenieten, en in dat vooruitzicht leefde hij met veilig troostgevoel, toen zich onverwacht een gelegenheid voordeed, die het onvermijdelijke eensklaps kwam bespoedigen.Op een ochtend klopte Van Belleghem, de dorpshuisschilder, bij Fonske’s moeder aan. Na wat heen en weer gepraat over andere dingen, kwam hij met zijn voorstel voor den dag: dat hij een jong helpertje kon gebruiken en of hij Fonske daarvoor zou kunnen krijgen.Eerst had de moeder, zoo onverhoeds gepakt, wel eenige aarzeling. Maar Van Belleghem zei haar hoeveel hij ’t jongetje al dadelijk zou geven en dat was zooveel meer dan wat hij als koewachtertje kon verdienen, dat zij al spoedig toesloeg. ’t Was ook immers wat Fonske verlangde; het eenige wat hij er bij inschoot was zijn laatste, vrije zomer; maar een jaar vroeger of later moest het toch zoo eindigen en nog eens zei moeder ja, terwijl Van Belleghem, tot sluiten van ’t accoord, zijn hand uitstak en met een slag die in de hare klapte.Dat nieuws hoorde Fonske toen hij ’s avonds van zijn werk bij boer Monteijne thuiskwam. Eerst was hij grenzeloos bedroefd. Hij schreide om zijn nu verbeurden, laatsten, vrijen zomer en om het verlies van alles wat daarmee gepaardging. Het zou ineens voor hem een zoo geheel ander leven worden; het was de plotselinge en onverwachte dood van al zijn liefste illuzies; hij zou niet meer in volle vrijheid mogen schilderen in de heerlijke ruimte der weilanden; hij zou jonkvrouw Elvire niet meer heen en weer zien gaan; hij zou niet meer van verre kunnen meeleven iets van het heerlijk bestaan der twee regeerende kasteelen!Dat was de harde dwang van ’t noodlot, de nooddwang van den arme, die plotseling zoo zwaar op hem werd neergedrukt. Hij moest, omdat hij arm was! Moeder poogde hem te troosten met het lokaas van het mooie geld, dat hij nu reeds verdienen zou; maar moeder zelve was bedroefd zonder juist te weten waarom ze dat was: ook moeder had het nu liefst nog anders gewild, doch de kans was er en mocht niet ontsnappen; en dat begrepen zij eindelijk alle twee en legden zich gedwee bij het onvermijdelijk noodlot neer.Drie dagen later stond Fonske, van den hals tot de voeten met een witten kiel bedekt, kleintjes en droevig en mager naast den zwaar-dikken, ook ten voeten uit gewitkielden Van Belleghem, de binnenportaaldeur van de “Warande”, een der dorpsherbergen te beschilderen.X.’s Winters sliepen de kasteelen, als twee groote, deftig-stugge wezens, ongestoord in hun voorname rust. Zij keken norsch, met doffe oogen van gesloten luiken, elkander over de verlaten uitgestrektheid van de weiden aan, en om hun doode praal was geen bekoring noch mysterie meer. De najaarsstormen waren met de laatste bladeren weggevlogen en alles leek nu ijl en klein en kil en nuchter. Somtijds, wanneer een zonnestraaltje vluchtig door de nevelsluiers brak, scheen alles voor een oogenblik frischlevend op te fleuren: het gras schitterde, de naakte twijgjes trillerden, en zelfs de doffe muren en kanteelen schenen even, met een koesterend zonnelachje uit hun winterslaap te ontwaken; maar dadelijk trokken zich weer de grijze sluiers dicht enhun doodsche, stille kleurloosheid bedekte alles.De menschen uit het dorpje schoven daar omheen als schaduwen voorbij. Zelfs in hun winter-eenzaamheid regeerden de kasteelen. Het galmend schot van een koddebeier, het zwaar geblaf der waak- en jachthonden, een bel die ergens klonk, waren als zooveel getuigenissen van de geheime, groote macht, die daar, zelfs in de afwezigheid der meesters, nog tastbaar heerschte. De géést van de kasteelen bleef aldoor regeeren, als gold het een natuurkracht.Maar met de lente kwam ontwaking en de menschen wachtten, in een soort angstig verlangen, op de terugkomst hunner traditioneele heerschers. Waar zaten zij den ganschen, langen winter? In hun prachtige paleis-huizen der hoofdstad; of ergens ver op reis, in warme, vreemde landen? De menschen wisten ’t niet, maar het mysterie verhoogde het prestige en de terugkomst werd verbeid als een telkens nieuwe openbaring.Weldra opende de kasteelen hun zoolang stug-gesloten ooge-luiken. Er werd geverfd, geboend, gewasschen; er heerschte heen-en-weer geloop, gerij, bedrijvigheid, en op een ochtend waren de heeren daar terug, als lentevogels na de winterdoodschheid. Zij kwamen terug in ’t heerlijkstegetijde van het gansche jaar, met de ontluikende blaadjes op de heesters, met het lente-geroep van den koekoek in de blauw-wazige verten, met de wegschietende zilverschichtjes van de visschen in het water, met de verkwikkende geuren van alles wat herleefde en bloeide, met de zachte weelde van de vette koeien in de malsche wei, waar zij zich als groote, zware bloemen langzaam in den zonneglans bewogen, terwijl de jolige koewachtertjes, ravottend, onder ’t trosje hooge populieren, in wild gestoei hun lentevreugd uitjubelden.Fonske, helaas, was er nu niet meer bij. Fonske, naast Van Belleghem op een hooge ladder, was bezig, onder toezicht van den rentmeester, met de venster-kozijnen van het grafelijk kasteel te verven.Welke van al die ontelbare ramen zouden wel deze van jonkvrouw Elvire’s kamer zijn? Daar dacht Fonske voortdurend aan zonder het iemand te durven vragen, en meteen vroeg hij zich vol angstige benauwing af, wat jonkvrouw Elvire wel zou zeggen, als ze hem daar bezig vond. Hij hoopte maar, zonder te weten waarom hij het hoopte dat hij er vóór haar komst reeds weg zou zijn.Doch dat gebeurde niet. Op een ochtend, juist den laatsten dagdat zij er werkten, kwam derentmeester met groote gejaagdheid den terugkeer der familie aankondigen. Van Belleghem en Fonske moesten zich nu maar razend haasten, zien dat ze klaar kwamen; maar ondanks al hun ijver kregen zij toch niet heelemaal gedaan en Fonske stond nog boven op den ladder, toen de groote auto van den graaf, volgeladen met valiezen, het erf opreed.De dienstboden waren er reeds in den ochtend aangeland en kwamen hun meesters groeten; de rentmeester stond, diep buigend, met zijn hoed in de hand, de tuinlui en de koddebeiers hielden zich eerbiedig op een afstand.Fonske, bevend en blozend zonder te durven neerkijken, borstelde maar ijverig voort, stil hopend, dat hij niet opgemerkt zou worden; maar de graaf, nauwelijks uit den wagen gestegen, keek dadelijk naar de ladders op en vroeg verwonderd aan den rentmeester hoe het kwam dat de ververs nog niet weg waren. Zijn vraag wekte ook de aandacht van mevrouw de gravin, van jonkvrouw Elvire, en de Engelsche, en op haar beurt keken zij omhoog en zagen en herkenden Fonske.—Is dat wel Fonske! riep het jong meisje verbaasd.Fonske, zijn naam hoorend, greep naar zijn petom te groeten. Maar in zijn ontroering deed hij ’t zoo onhandig, dat de verfborstel van tusschen zijn vingers wegglipte en met een spat op den grond viel.—Och Hiere! kreet Fonske en haastte zich den ladder af.Daar stond hij vlak vóór zijn jonge beschermster. Vuurrood, met schuwe-schaamte-oogen, keek hij haar even aan en sloeg dan weer den blik ten gronde.—Moar Fonske, zij-de gij virrewoare geworden? vroeg jonkvrouw Elvire. En in den klank van haar stem lag als ’t ware iets van teleurstelling, terwijl zij hem, met vervreemde oogen, van het hoofd tot de voeten opnam.—Joajik, mejonkvreiwe, schuchterde Fonske.—En goat-e gij noar de tiekenschole nie mier?—Toettoet, mejonkvreiwe, alle zondagnuchtijngen.—What a pity!jammerde halfluid de stem van de Engelsche.Fonske stond daar, roerloos, met zijn bekladde handjes, tusschen welks vingeren den opgeraapten borstel beefde. Hij had wel kunnen schreien, zonder te weten waarom. Hij keek nog eens bedeesd de jonkvrouw aan en vond haar zóó veranderd,dat hij haar haast niet herkende. ’t Was of daar iemand anders vóór hem stond. In die enkele maanden had ze zich bijna tot volwassen vrouw ontwikkeld. Haar haren waren opgestoken, zij droeg geen korte japon meer en zelfs de uitdrukking van haar gezicht scheen anders: nog altijd lief en mooi; mooier, véél mooier zelfs dan ’t jaar te voren, maar ook ernstiger, strakker, verder van hem af als ’t ware. Fonske voelde instinctmatig dien plotselingen afstand van verwijdering, dat werk van de afwezigheid en ’t maakte hem nog bedeesder, het stolde als ’t ware zijn ziel in zijn binnenste.—G’ hèt toch nog geschilderd, hoop ik? vroeg ze na een poos en bekeek hem even weer met een glimlach zoo innemend-vriendelijk als vroeger.—O joa joajik, mejonkvreiwe, haastte Fonske zich te antwoorden.—Hawèl, ge moet veurt doen, zilde; ’k zal ne keer kome kijken. Goên dag, glimlachte zij heel lief, en volgde haar ouders en de Engelsche in het kasteel.Met zwakke beentjes klom Fonske weer den ladder op. Het duizelde vóór zijn oogen en even moest hij zich goed vasthouden.—Toe, Fons, hoast ou, da we gedoan hèt, vermaande Van Belleghem.—Joa, boas, zei Fonske en ging vlijtig weer aan ’t borstelen.Achter het raam waar hij werkte, zag hij eensklaps gestalten heen en weer bewegen, binnen in de kamer. Fluks herkende hij jonkvrouw Elvire en de Engelsche en twee knechts, die een koffer boven sleepten. Hij zag de jonkvrouw haar manteltje uittrekken. O! ’t was dus haar kamer, waaraan hij werkte!Hij zag het meisje even roerloos staan en in zijn richting kijken. Toen zei ze iets tot de Engelsche, die naar het venster toe kwam. Zij knikte van achter de ruit naar Fonske en glimlachte met al haar tanden, en meteen liet ze ’t ratelend rolgordijn neer.Fonske trilde even, alsof hij schrikte van het plots geluid. Hij had het gevoel van iemand, die iets onbescheidens heeft gedaan en tot straf de deur vóór zijn neus dicht krijgt.XI.Naarmate de koewachtertjes ouder en grooter werden en een voor een het vrije leven van de wei moesten vaarwel zeggen, werd, met hun werkkring, ook de aard van hun vermaken anders. Velen bezochten reeds ’s zondags de herbergen, speelden biljart of kaart, dronken bier en jenever en keken naar de meisjes.Rietje Koarelkes was al flink aan ’t vrijen met Emeranske Casteel; Feelke Brouwers liep achter Mietje Pruime en Miel Katoor en Dolfke van de Wiele zag men meestal in de buurt van Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu. Alleen Fonske had nog niemand.Fonske had niemand, maar wel was er iemand, naar de andere kereltjes althans beweerden, die heel graag Fonske had gewild, en dat was niemandminder dan Lisatje Van Belleghem, het veertienjarig dochtertje van Fonske’s eigen baas.Lisatje Van Belleghem had een fijn en zacht gezichtje, frisch wit en roze, met golvende blonde haren en mooi-lichtblauwe oogen, blauw als de bloempjes van het vlas in Juni-weelde. Haar glimlach was zoet en bekoorlijk en zij had mooie witte tandjes, die eigenaardig konden blinken als zij glimlachte. Lisatje hielp haar moeder in huis en in het ververswinkeltje en uit háár hand was het, dat Fonske zijn eerste “virfbakske” gekocht had.Uit den aard zelf van de betrekking, die Fonske bij Van Belleghem vervulde, moest hij er dikwijls aan huis komen. Hij gebruikte er dan ook meestal het middagmaal en als ’t wat laat werd met hun werk, ook wel eens het avondeten. Dan werd hij door Lisatje bediend en ’t meisje zette hem gewoonlijk borden voor alsof hij uitgehongerd was. Hij moest telkens voor de te milde hoeveelheid bedanken, maar telkens ook drong Lisatje zóó vriendelijk, met zulk een innemenden glimlach van haar bloeme-oogjes en haar schittertandjes aan, dat Fonske dikwijls meer verorberde dan hij wel lust had, om haar geen verdriet aan te doen.’s Zondags, als Fonske naar den trein ging om in de stad zijn teekenles te nemen, was hethoogst zelden als Lisatje hem onderweg naar het station niet ontmoette, en ook bij zijn terugkomst, stond zij doorgaans op den drempel van haar huisje, waar hij voorbij moest, de frissche lucht te genieten. Rietje, Feelke, Dolfke, Mielke hadden dat alles al lang in de gaten evenals Emeranske, Mietje, Elodie en Pharaïlde, en allen lachten en gekten er om: alleen Fonske merkte daar niets van, of was met andere gedachten bezig. Fonske teekende en schilderde aanhoudend in zijn schaarsche, vrije uren, met trillend-gespannen hartstocht, als werkend voor een doel dat niemand anders kende; en, wijl hij de sympathie van het meisje wel voelde, zonder den aard daarvan te vermoeden, liet hij haar af en toe zijn schilderingen zien en juichte inwendig van genot, wanneer zij die, met van eerbiedige bewondering in elkaar geslagen handen “zeu scheune, o, toch zeu scheune” vond.Fonske was daar zoo gelukkig door, dat hij haar eens beloofde haar portret te zullen maken, wat Lisatje tranen van ontroerde dankbaarheid in de mooie blauwe-bloemenoogjes bracht.XII.Het duurde wel een heele tijd vooraleer jonkvrouw Elvire haar belofte naar Fonske’s werk te komen kijken, volbracht.Het was reeds volop zomer en al heel dikwijls had Fonske het jong meisje met haar gouvernante, of in gezelschap van meneer Gaëtan en den baron, van het eene kasteel naar ’t ander door de weiden heen zien loopen, zonder dat zij ooit bij hem aankwam. Telkens vroeg hij ’s avonds, bij zijn thuiskomst, gejaagd aan zijn moeder: “Hè jonkvreiw Elvire hier nog nie geweest?” Telkens moest moeder hem met het spijtig: “nien z’ jongen, nog niet” teleurstellen.Fonske werd er droevig en neerslachtig onder. Het kwelde hem, het wierp een schaduw over zijn gansche leven: jonkvrouw Elvire zag nietmeer naar hem om; jonkvrouw Elvire had hem vergeten. En daar was niets aan te doen, hij kon toch zelf niet naar haar toegaan als zij het niet verlangde; en Fonske leed in stilte en begon te wanhopen, toen eensklaps, op een zondag-namiddag, terwijl hij in Van Belleghem’s huis bezig was met Lisatje’s portret te schilderen, zijn moeder, vergezeld van jonkvrouw Elvire en haar gouvernante, daar buiten vóór het raam verschenen.—Och Hiere! schrikte Fonske. En de penseelen vielen uit zijn hand, net zooals weken te voren den kladborstel gevallen was.—Zóen ze binnen komen! riep met een angststem Lisatje, die dadelijk opgesprongen was.Maar ze waren reeds binnen. “Kijk, zie, mejonkvreiwe, hier zit hij” riep Fonske’s moeder, de beide jonge dames voorloodsend.—Derangeeren we niet? vroeg het kasteelmeisje met haar vriendelijksten glimlach. En zij knikte minzaam naar Lisatje, terwijl de Engelsche verrukt uitriep:—Oh! what a beauty!Fonske was opgestaan, geheel en al ontsteld door het voornaam bezoek. Hij had een kleur als vuur en kon nauwelijks met enkele, korte zinnetjesde belangstellende vragen van het jong meisje beantwoorden. Zij keek naar het portret, vond het heel mooi, keek dan ook lang en strak naar Lisatje, als wou zij haar geheel ontleden.—Es dat ’n vriendinneke van u? vroeg zij eindelijk met een raadselachtigen glimlach.—O nie nien ’t, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske zonder na te denken, met een soort gejaagde onhandigheid. En weer kreeg hij een vuurkleur zonder te weten waarom. Even keek hij op naar Lisatje, die dadelijk, als ’t ware boos, den blik van hem afwendde.—Woarom niet? hernam jonkvrouw Elvire. Ge schildert heur zeu scheune.En weer keek zij vol aandacht het jong meisje aan en wisselde enkele woorden in vreemde taal met haar gouvernante.—’t Es de dochter van Van Belleghem, mijn miester, antwoordde onderdanig Fonske.—Joa ’t, mejonkvreiwe, ’t es lijk of hij zegt, meende Fonske’s moeder gewichtig te moeten beamen.Een deur ging open en Van Belleghem kwam binnen: groot, dik, rood, met zwarte snor en opgeblazen kop, die van heel wat zondag-borreltjes en potjes bier scheen te getuigen. Hij had een platte, zwarte pet op met verlakte klep, die hijeven afnam om te groeten en hij riep dadelijk vet-lachend, op familiairen toon:—Da es nen artiest, e-woar, mejonkvreiwe! Hij zal nog moeten eindigen mee ’t expezeeren!En hij lachte heel hard om zijn buitengewoon-geestig gezegde.Jonkvrouw Elvire en de Engelsche lachten maar heel zwakjes tegen. Zij voelden blijkbaar iets hinderlijks in de aanwezigheid van den triviaal-dikken kladpotter. Zij wisselden halfluid enkele woorden in hun vreemde taal en jonkvrouw Elvire vroeg aan Fonske:—Kan ik euk ou ander werk ne keer zien, dat thuis es?—Joa joa g’ mejonkvreiwe, antwoordde Fonske; en hij was dadelijk bereid haar te vergezellen. ’K zal weere komen om ’t hier op te kuischen, zei hij tot Lisatje.Lisatje gaf geen antwoord. Zij stond rood-gegeneerd naast den muur en in haar mooie blauwe-bloemen-oogjes glom als een natte gloed van droeve spijtigheid.—Goên dag, groette haar minzaam jonkvrouw Elvire, en ook de Engelsche groette innemend, met vollen tanden-glimlach; maar in Lisatje’s benauwden wedergroet verkropte haast een snikje.Zij zag, als ’t ware hunkerend, het drietal buiten vóór het raam passeeren. Fonske keerde zich instinctmatig half om en zag haar ook, maar dadelijk trok ze zich weg, als wilde zij hem niet meer zien.Toen Fonske na een uur in ’t huisje van Van Belleghem terug kwam om voort aan Lisatje’s portret te werken, was ’t meisje nergens te vinden. Het heele schilderrommeltje stond daar nog onaangeroerd en Van Belleghem noch zijn vrouw wisten waar hun dochter was. Van Belleghem ging op den achterdrempel staan en riep met zijn grove, zware stem naar achter in het tuintje:—Hei, Liza, woar zit-e dan?—Hier, klonk zacht een zwak stemmetje.—Ge moet binnen komen, Fons es doar weere.Maar Lisatje kwam niet.—Wa steekt ze zij in heur heufd! pruttelde de moeder. Toe, Fons, goa zelve ne kier zien.Schoorvoetend ging Fonske ’t tuintje in. Het was een heel klein tuintje, een paadje tusschen palmboompjes en klapbes-struiken, met aan het eind een bloemenpriëeltje. In dat priëeltje zat Lisatje heel alleen op een bank, met den rug halvelings naar Fonske toegekeerd.—Lisatje, wilt-e weere komen poseeren? vroeg hij zacht.—Nien ik, hoofdschudde zij kortaf.Hij stond daar even, roerloos en bedremmeld.—Woarom niet? vroeg hij eindelijk.—Dóáromme!Hij begreep er niets van. Wat had hij haar nu toch misdaan!—Toe, kom, streelde hij vleierig.—Nien ik, zeg ik ou! beet zij hem eenklaps vinnig toe; en draaide een boos gezicht naar hem om, dat gansch betraand was.—Oo! schrikte hij, stil achteruit-wijkend.En meteen begreep hij,.... begreep in angstvolle ontzetting dàt, wat Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers en Mietje Pruime en Pharaïlde Van Rompu en al de anderen al sinds maanden lang begrepen hadden.XIII.Drie jaar waren verloopen. Fonske werd nu zeventien. Hij was lang uitgegroeid en mager opgeschoten, en een fijn, bruin snorretje beschaduwde zijn bovenlip, maar verder droeg zijn smal gezichtje nog altijd iets van die schuchtere, weemoedig-getrokken uitdrukking der kinderjaren, alsof vroeg verdriet en stille armoede er een onuitwischbaren stempel op hadden gegrift.Om hem heen ging ’t leven den gewonen gang, waarin het nu eenmaal scheen vastgegroeid. Steeds leefde hij alleen met zijn moeder in het kleine dorpshuisje, steeds ging hij werken bij en met Van Belleghem, steeds trok hij iederen zondagochtend naar de teeken-academie in de stad, en steeds ook kwamen met de lente en vertrokken met den winter de bewoners der regeerendekasteelen. Meneer de graaf hinkte wat aristocratisch-stijver op zijn stokje, meneer de baron opende een steeds ruimer uitzicht over ’t groene wei-landschap tusschen zijn waggelende o-beenen; en meneer Gaëtan, heel lang en slank geworden, droeg nog steeds zijn griezelig-weggekamden “boulevard” op ’t zwarte achterhoofd en beoefende verder velerlei sporten: jagen, paardrijden, automobielen, het laatste dikwijls in gezelschap van jonkvrouw Elvire en haar engelsche gouvernante.Van jonkvrouw Elvire kreeg Fonske af en toe nog eens bezoek. Het meisje, dat nu een mooie, jonge dame was geworden, bleef belang stellen in haar beschermeling, doch haar jeugdige geestdrift van den eersten zomer, toen ze zijn talent ontdekt had, was toch nooit teruggekomen. Sinds den dag, dat ze Fonske gezien had, in kladpotterskiel op den ladder aan ’t kasteel, was er iets in haar bejegening veranderd, alsof zij pas dan had gevoeld een afstand, die niet mocht overschreden worden.In de eerste tijden had Fonske sterk daaronder geleden. Voor hem toch had die verandering geen reden van bestaan, al voelde hij ook instinctmatig wel, dat die verhouding juist de eenig mogelijke was tusschen hem en een meisje van haar stand. Hij had er soms ’s nachts in zijn bed om geschreiden dat onbevredigd gevoel tegenover jonkvrouw Elvire had hem ook bestendig de zachte genegenheid doen verwaarloozen van Lisatje, die na haar eerste en eenige pruilbui, weer dadelijk zoo lief-toeschietelijk naar hem toegekomen was. Iets van verbitterde teleurstelling was diep op den bodem van zijn zieltje blijven liggen; en, zonder dat hij ’t zelf vermoedde, hadden de jaren en het ontwikkelingsproces van zijn groeiend leven, dat pijnlijk gevoel scherp in hem wakker gehouden. De minste aanraking van ’t teeder onderwerp deed de zieke snaar weer trillen, en hoe meer ze trilde, hoe meer het heimelijk leed, door allerhande bijoorzaken onderhouden en gevoed, zijn angel in de wond omkeerde.Een van die bij-oorzaken, een der scherpste en gevoeligste, kwam van buiten af op hem inwerken. In den loop der jaren had hij van lieverlede inniger aanraking gekregen met enkele leerlingen der teeken-academie, en wel voornamelijk met twee: Florimond Brandt en Sylvain Van Wetering.Zij waren alle bei zoowat anderhalf jaar ouder dan Fonske. Sylvain had reeds schilderijen op tentoonstellingen geplaatst gekregen en verkocht; en Florimond, die als aspirant-beeldhouwer was begonnen, scheen langzamerhand een kentering inde uiting van zijn kunstgevoel te volgen, en was bepaald op weg om dichter en schrijver te worden. Beiden waren geboren stedelingen. Florimond’s ouders hielden een klein handeltje en de vader van Sylvain was klerk bij een notaris.Het waren twee eigenaardige typen: Florimond, een en al uitbundigheid; Sylvain geconcentreerd en stug. Twee contrasten, ieder op zichzelf heel sterk-individuëel, en beiden een onbewust-krachtigen invloed uitoefenend op Fonske, die met een soort bewonderende vereering naar hen opzag.Reeds hun uiterlijk boezemde ’t eenvoudig kind van ’t platteland zulk een ontzag in. Zij waren alle twee een hoofd langer dan Fonske, sterk en flink als echte mannen, met oogen vol zelfvertrouwen en een baard, dien zij maar lieten groeien: blond bij Florimond, bruin bij Sylvain. Hun geest, hun ideeën, waren als de uiting zelve van hun fyziek wezen. Alles bij hen klonk affirmatief-beslist, sterk voor of sterk tegen iets, zonder toegevendheid noch middelmaat. Er waren geen vraagstukken, op welk gebied ook, waar ze geen verstand van hadden en waarvoor ze niet dadelijk de oplossing vonden. Zij wisten het en transigeerden nooit; ’t was zoo en niet anders, en wie dat niet aannam was minder dan niets en had geen redenvan bestaan. In een paar dozijn droge woorden brak Sylvain de gansche teeken-academie af en bouwde een nieuwe, onaantastelijke kunstleer op; met enkele grootzwaaiende gebaren haalde Florimond beeldhouwkunst, poëzie, litteratuur en tooneel omver en rees zelf, als een jonge Titan, op de puinen daarvan in de plaats. Zoo had Fonske hen dikwijls bezig gehoord, de een exuberant en praterig, de andere koel en stil, en zoolang had hij in bewondering naar hen staan gapen, tot zij hem eindelijk opgemerkt en, door zijn stille vereering gevleid, eenigszins in hun midden opgenomen hadden.Zij toonden belang in hem te stellen en hadden gevraagd wie hij was en hoe hij op de teekenacademie was gekomen.Fonske, met kleurende wangen, vertelde hun van den graaf, en van den baron, en van jonkvrouw Elvire, en van meneer Wattenberg. Bij het hooren van dezen naam schimpten zij vinnig: dat was een uil, een ploert, een vent van niks, maar de bescherming van den graaf en zijn dochter stemde de twee intransigante estheten tot grondiger nadenken, en weldra uitte de prater van het tweetal, zijn ideeën over het geval en wat er van kon komen.—De kunst, zei hij, stond boven alles. Dat washet hoogste en eigenlijk het eenigste. Al het overige was niets, bestond niet. Fonske, als schilder met talent,—en dat zou hij worden—stond hooger, duizend maal hooger dan de graaf, en de baron, en de jonker, en de jonkvrouw. Maar Fonske was arm en dat maakte hem ondergeschikt. Hij moest dus, als het kon, zien rijk te worden. Zij allen, artiesten, moesten trachten rijk te worden, hadden het recht en zelfs den plicht zoo spoedig mogelijk rijk te worden, omdat rijkdom vrijheid was en vrijheid, volle, onbezorgde en onbegrensde vrijheid onontbeerlijk voor ’t ontbloeien van de kunst. En in Fons’ speciaal geval was de weg zeer eenvoudig en zeer helder aangewezen: de jonkvrouw was rijk, zij had zich voor hemgeïnteresseerd, hem onder haar bescherming genomen: hij moest het er dus maar op aanleggen om haar zoo spoedig mogelijk tot de zijne te maken. Nog eens: Hij was in niets haar mindere; wel integendeel in alles haar meerdere, behalve in ’t fortuin. De jonkvrouw mocht zich zeer gelukkig achten als ze door haar geld, door haar ellendig geld, later een groot kunstenaar tot echtgenoot kon hebben.Fonske luisterde vreemd op, en vroeg zich even af, of die twee hem soms voor den gek hielden. Doch neen, in ’t geheel niet, zij waren volkomenernstig; de stille beaamde met gewichtig hoofdgeknik de woorden van den prater, en beweerde in een paar korte zinnen, dat zulke dingen veel gebeurden, dat er ontelbare voorbeelden van waren.Vol van tegenstrijdige gedachten en gewaarwordingen ging Fonske dan naar huis en bespiegelde tot in ’t oneindige de mogelijkheid van de hem voorgetooverde illuzie. Dat leek hem alles wel bereikbaar en gemakkelijk zoolang hij ginds in de stad was en de moed-ingevende, opbeurende woorden van Florimond en van Sylvain aanhoorde, maar hier, in ’t nederig dorpje waar eigenlijk iedereen gebukt ging, en vooral in het armoedig huisje van zijn moeder, zoo zwak en klein, onder de wel-beschermende, maar tevens benauwende schaduw der twee machtige, regeerende kasteelen, hier leek het plotseling weer domme waan en onzin, en de jongen werd boos op zichzelf, dat hij ook maar één enkel oogenblik ernstig zulk een ongerijmde hersenschim kon koesteren. Hij schudde ’t als een gekheid van zich af, hij wilde er niet meer aan denken, hij wilde aan niets meer denken dan aan zijn kunst, die hem meer en meer in beslag nam en waaraan hij tot de laatste minuutjes van zijn zoo zeldzame vrije uren opofferde.XIV.Hij maakte vorderingen. Hij voelde zelf dat hij vorderingen maakte en dat gevoel vervulde hem met kracht en moed. Eens had jonkvrouw Elvire hem iets van haar eigen werk getoond en zóó vast en zeker en toch zonder eenigen overmoed wist hij, dat het zijne daar nu reeds verre boven stond, dat dit vluchtig bewustzijn, althans in iets haar meerdere te zijn, hem dagen lang troost had gegeven. Hij wist het, hij wist het met de volste zekerheid; en niet alleen hij, maar ook zij zelve had het gevoeld, want zij had hem gezegd:—Gij keunt dat al veel beter als ik, Alfons.Alfons! Zij noemde hem nu niet meer Fonske, gelijk vroeger, maar gaf hem zijn vollen naam. Zij sprak tot hem als tot een man, en, waar zij over kunst sprak, als tot een gelijke en weldraals tot een meerdere. Een gelijke! Zou het dan toch mogelijk zijn wat Florimond en Sylvain hem steeds met kracht bleven voorspiegelen! Als kunstenaar, ja, maar verder!.... Had hij maar de kennis, de wetenschap, de instructie, de manieren, en ook het onverstoorbaar zelfvertrouwen en aplomb van zijn twee vrienden; maar daar had hij niets van, helaas! hij wist niets, hij kende nog niet eens enkele woorden Fransch—de taal die zij gewoonlijk sprak—en hoe knapper hij werd in zijn kunst, hoe dieper en schrijnender voelde hij alles wat hem nog zoozeer ontbrak aan verdere opleiding.Kon hij althans maar een beetje Fransch, om niet altijd in zijn plat vlaamsch dialekt met haar te moeten spreken! Maar wie zou het hem leeren? Hij piekerde daarover, hij dacht er halve nachten over na en voelde zich radeloos-ongelukkig. Dat kwam hem ineens als een alles-overwegende hoofdzaak voor. Dat hij arm was, dat hij laag werk moest verrichten om aan zijn brood te komen, dat hij met zijn moeder in een hutje woonde, dat alles leek hem niets, vergeleken bij het groote euvel, dat hij geen enkel woord Fransch kon spreken. En eens, in den nood van zijn ontreddering, bekende hij ’t aan Florimond en aan Sylvain:—’t Zoe meschien meugelijk zijn, da ’k moar ’n beetse Fransch kon.—Leert heur vloamsch! antwoordde Florimond, die een vurig vlaamsch-gezinde was.—Da kan ze, zuchtte Fonske.Florimond keek hem strak aan, met glimlachenden mond en schitterende oogen, als in geestdriftig nadenken.—Hawél, weet-e watte: ’k zal ou Fransch leeren.Fonske sprong van blijdschap op.—O! da-ge dá wilde doen! Da-ge dá wilde doen! smeekte hij als in een vrome bede.XV.En het gebeurde. Elken zondag, na de teekenles, nam Florimond, de heetgebakerde, hartstochtelijke flamingant, die het Fransch goed kon maar onverzoenlijk haatte, Fons mee naar huis en gaf hem fransche les. Fonske schoot er wel zijn middagmaal bij in, maar wat kon het hem schelen: hij leerde Fransch!De eerste keeren waren pijnlijk. Fonske wanhoopte of het wel ooit zou gaan. Maar hij wilde met een stugge energie en eindelijk ging het een beetje. Weldra kon hij sommige dingen in de courant lezen en een elementair gesprek voeren.Maar behalve ’t speciale doel waarvoor het buitenkind zich wenschte te ontwikkelen, deed de groeiende kennis in hem ook van lieverlede een gansche wereld van onbekende emoties en verlangensontwaken. Hij voelde reeds den invloed der beschaving in haar duizenden vertakkingen en ’t was hem als een telkens nieuwe openbaring, als de kennismaking met een tooverwereld waar hij ’t wonderkind van was. Wat was het leven anders dan ’t geen hij tot nog toe op zijn dorpje kende! Wat was ’t oneindig rijker en veelzijdiger! En, de algemeene verschijnselen tot zijn eigen bestaan terugbrengend, dacht hij aan ’t geen er noodzakelijkerwijze in moest veranderen om hem eenigszins op het peil te brengen, waar hij zich, althans voorloopig, wenschte te handhaven. Hij moest andere, meer steedsche kleeren dragen; hij moest het minderwaardig werk, bij Van Belleghem, zoo spoedig mogelijk verlaten om zich, zoo veel en zoo uitsluitend als ’t maar kon, enkel aan zijn kunst te wijden; en eindelijk moest hij zijn moeder zien te bewegen om zich ook netter en fatsoenlijker te kleeden en een andere, ruimere, ietwat deftiger woning te betrekken. Maar voor dat alles was geld—en nog wel tamelijk veel geld—noodig; en hoe zou hij daar aan geraken?Naarmate zijn betrekkingen met Florimond en Sylvain intiemer werden, drong hij ook wat dieper tot hun eigen leven door en kwam er van zelf toe hun voorbeeld eenigszins te volgen. Dat warenkrachtige modellen, van wie een sterken invloed en een vast vertrouwen uitging. Sylvain had weer een schilderijtje verkocht en van Florimond waren verzen opgenomen in een tijdschrift dat betaalde; zij hadden beiden geld op zak; en Fonske, door zijn sterk verlangen en den nood gedwongen, nam eindelijk al zijn moed bij elkaar en vroeg eens aan Sylvain:—Keunt-e mij euk nie ne keer aan azeu ne keuper helpen?Nog al verbaasd en misschien wel een ietsje geërgerd over Fonske’s durf, keek Sylvain naar hem op. Maar meteen voelde hij zich gevleid dat het buitenkind zoo nederig zijn hulp inriep, en, na een oogenblikje aarzeling, antwoordde hij, flegmatisch-kortaf, als naar gewoonte:—Misschien. Hèt-e wat?—Joa joajik, verzekerde Fonske.Tot nog toe hadden de beide estheten zich eigenlijk niet geïnteresseerd voor wat Fonske, buiten de academie-lessen om, al of niet aan teekenen en schilderen presteerde. Evenmin hadden zij eenig verlangen getoond om te weten waar hij woonde of kennis met zijn omgeving te maken. Nu leek het hen echter wel leuk om daar eens heen te gaan en op een mooien zondagmiddag werd het plan ten uitvoer gebracht.Na iets gebruikt te hebben in een restauratie—ook al weer een ontroerende nieuwigheid voor Fonske, waar hij zich voorzeker nooit alleen zou gewaagd hebben,—haalden zij den trein en stapten een half uurtje later bij het klein stationnetje Meulegem af.Fonske had vooruit zijn moeder gewaarschuwd. Zij zou zich op haar uiterst-best-mogelijk aankleeden en het armoedig huisje zou er zoo weinig armoedig en zoo netjes uitzien als het maar kon.’t Was geen geringe emotie voor Fonske, toen hij zoo tusschen zijn twee voorname vrienden den weg naar ’t dorp opwandelde. Zij droegen breedgerande, zwarte deukhoeden op hun wilde haren en hadden elk een zwaren knuppel mee, alsof ze zich aan een aanranding verwachtten. Zij waren echte stadsmenschen, die nooit naar buiten kwamen en zij stelden Fons al dadelijk de gekste vragen over wat zij op het land bemerkten.Hun verschijning maakte ophef. Die langen haren, die groote hoeden, die wild-groeiende baarden, ’t was alles heel ongewoon op Meulegem; de deuren vlogen in ’t voorbijgaan open en Fonske hoorde duidelijk genoeg de onbehouden-nieuwsgierige uitroepingen:—Wie zijn datte? Mee wie leupt Fons Vermoare doar? Ha da zijn zeker zotten!Florimond glimlachte, zeer uit de hoogte:—De naturellen ’n zijn hier nie geweune van meinschen te zien, geleuf ik!Eigenlijk schaamde Fons zich een beetje, èn over ’t eigenaardig uiterlijk van zijn twee vrienden, dat niet paste in die omgeving, èn over de opdringerige onbescheidenheid zijner mede-dorpelingen. Vóór het “Vosken” onder andere, waar Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers met nog twee andere jonge boerenkinkels aan het bolspel waren, ging het er wel wat erg toe. Zij staakten hun spel om met gapende monden en oogen te kijken en Feelke riep brutaal-luid terwijl ze voorbijtrokken:—Fon, .... verdome, .... wa ès da? Mee wie leupt-e gij doar?Fons gaf geen antwoord, maar achter hun rug ging een hoongebrul op, gevolgd door hevig schaterlachen.—’t Zijn hier nog wilden, glimlachte kalm Sylvain.Fonske was maar blij dat ze al spoedig aan zijn huisje waren.—Welgekomen, meniers, welgekomen! groette Fonske’s moeder, hen nederig op haar drempel te gemoet komend.Zij namen even hun geweldige flaphoeden af en groetten haar als “madam”.—Tut tut tut, madam, Noem gulder mij “vreiwe” meniers. We ’n zijn wij moar simpele wirkmeinschen, meniers. Kom binnen as ’t ulder blieft.Zij traden binnen, hun hooge gestalten onder ’t laag deurgewelf buigend.Fonske leidde hen in ’t slaapvertrek, liet hun daar zijn schilderijen zien.—Dàt es slecht! riepdadelijk, op categorischen toon, Florimond, naar een doek waarop ’t kasteel stond afgebeeld, wijzend.Sylvain, sprakeloos, hoofdknikte beamend. Fonske voelde zich pijnlijk te leur gesteld.—Menier Wattenberg vond het pertan1goed, waagde hij schuchter.Dat deed de anderen opspringen.—Dat es wel ’t duidelijkst bewijs dat ’t niet ’n deugt! triomfeerde Florimond. En Sylvain, vol minachting glimlachend, beaamde nogmaals met een zwijgend hoofdgeknik.Andere doeken werden getoond.—Dàt es goed, zie, dàt es goed! riep Florimond een landschapje ter hand nemend. En, op een spottoon:—Wat hè menier Wattenberg dóarvan gezeid?—Hij ’n hè ’t nie gezien, antwoordde Fonske.—Dìt es goed, dìt is nog veel beter, zei nu op zijn beurt, in kalme woorden, Sylvain, een lijstje uit den stapel nemend. En hij ging er mee bij ’t raampje staan.’t Was ’t conterfeitsel van Lisatje Van Belleghem. Zonder het zelf te weten had Fonske er iets werkelijk-aardigs van gemaakt. Hij had het jong meisje de profil geschilderd, tegen het licht van een kleingeruit raampje, dat uitzicht op een bloementuintje had. En het frisch wangetje, het mooi-omschaduwd bloemen-oogje, het zuiver voorhoofdje en heel het fijn profiel met blonde haren, alles kwam in zachte harmonie van lijn en kleuren overeen met de omgeving: ’t was of het knap gezichtje midden in de bloemen stond, zelf bloem onder de bloemen, met iets van zalige verrukking om de half-ontsloten lippen, alsof het heerlijke geuren inademde. Nu kon ook Florimond niets anders dan juichend goedkeuren; zij gingen alle twee bij ’t venster nauwkeurig de details ontleden en toen keerden zij zich met een oolijk lachje naar Fons om en vroegen hem of dat een meisje uit het dorp was.—Joajoa ’t, antwoordde Fons, ’t es LisatjeVan Belleghem, ’t dochterke van mijnen boas.—’t Es spijtig da z’in de stad nie ’n weunt, ’k zoe euk ne kier heur portret moaken, zei Sylvain. En weer lachte hij ondeugend.Fonske ging daar niet verder op door, maar de toon van zijn vrienden over Lisatje beviel hem maar half. ’t Was eenigszins alsof de hand werd geslagen aan iets dat hem alleen toebehoorde. Hij voelde iets als een heel klein beetje jaloezie; en meteen kreeg Lisatje voor hem een beteekenis die ze totnogtoe niet had. Hij nam het schilderij en stopte het weg; liet andere dingen zien.Zij vonden nog twee of drie stukken goed en al het overige onvoorwaardelijk prullen, en Sylvain besloot dat hij die enkele doeken zou meenemen en ze aan zijn kunstverkooper laten zien. Hij hoopte wel, dat hij er twee of drie van de hand zou kunnen doen. Fonske was al bij voorbaat dankbaar-tevreden.Toen was er daar in ’t huisje niets meer te bekijken en nu verlangden zij den tijd dien zij nog over hadden te gebruiken om iets van het dorp en de omgeving te zien.—We zillen op de Meulenberg goan, zei Fonske. Van doar uit zie-je alles.Zij gingen.Fonske leidde hen eerst tusschen de enkele huizen van ’t dorpje, waar alweer de menschen zeer nieuwsgierig op hun drempel kwamen kijken. Enkelen groetten met diepe buiging, uit slaafsche gewoonte hun heeren te groeten, maar de meeste deden het niet, gedeeltelijk omdat Fons er bij was, maar ook wel alsof zij instinctmatig voelden, dat het hier geen echte heeren gold, zooals zij die gewend waren. Toen zij voorbij het huis van Van Belleghem kwamen was Fons eigenlijk blij dat daar niemand op den drempel stond en hij zei hun ook maar niet, dat Lisatje daar woonde. Langs een smal, stijgend paadje, tusschen twee, dicht met kreupelhout begroeide zandheuvels, bracht hij hen boven op den molenberg.Daar strekte zich een heerlijk zicht van urenwijde ruimte uit. En ’t was zóó onverwacht, daar midden in het vlakke Vlaanderen, dat zelfs aan de twee stedelingen, vrij ongevoelig voor natuurschoon, een kreet van verraste bewondering ontsnapte.Het gansche land lag er onder hun voeten, met bosschen, bouwland, weiden en rivier, in doezelige golvingen wegdeinend naar de blauwachtige heuvelverten, alsof een goede reus met groote, zachte hand in liefdevol gebaar over de wijde streek had heengeaaid. Hier had hij een glinsterendenzilverkronkel der rivier getrokken, dáár had hij een donker bosch geplant, ginds verder nog het tintlend goud der oogstvelden gestrooid, en alles als het ware overgoten met een heilig-stille atmosfeer van zoete rust. Het nietig dorpje, met zijn spits kerktorentje, dat daar vlak onder lag, was als een nestje van geluk en poëzie; de oude, grijze molen stond met naakt-gekruiste wieken in zijn eenzaamheid te droomen en heel in het verschiet, heel licht en nauwelijks zichtbaar boven de eindelooze, dichte deining van de donkere boomenkruinen heen, verrezen de hooge torens van de verre stad, ijl als lichtbakens over de wijde uitgestrektheid van een zee.Fonske, trotsch dat ze zijn streek zoo mooi vonden, wees hun de twee kasteelen: ’t kasteel van “menier denb’ron,” ’t kasteel van “menier de groave”.—Zeu ’t es doar da ze weunt? glimlachte Florimond naar de koepels en de torens wijzend.Fonske kreeg een kleur.—Joa ’t, knikte hij met inspanning.—Hawèl, ik hier, en gij doar, Sylvain, schertste Florimond, om beurt naar de twee kasteelen wijzend, da zoe mij goan. En ou?Sylvain grinnikte dat hij er niets tegen op had,maar dat er toch ook wel een plaatsje voor Fons en de jonkvrouw moest openhouden worden.Zij gingen daar een tijd op door, tot stille ergernis van Fonske, die dat alles wel misplaatst vond; en eindelijk drukten zij ’t verlangen uit, althans één van die twee kasteelen, het mooiste, waar Fons later zou wonen, van dichtbij te zien.Fonske kon niet anders dan er hen heen brengen.Zij huppelden vlug den molenberg af, liepen dwars door het dorp, kwamen in de weide.—Wa veur ’n biest es dat! riep eensklaps Sylvain, angstig op zij springend.Nu kon Fonske ook eens hartelijk met hem lachen.—Zij-je gij schouw van nen oakpuit2! spotte hij.Sylvain had blijkbaar nog nooit een kikker gezien. Met aandachtig wantrouwen ging hij ’t beest nauwkeuriger opnemen, telkens weer ’n beetje schrikkend bij iederen wipsprong. Florimond, die wél eens kikkers had gezien, lachte hem vierkant uit.—’K ben d’r vies van, griezelde Sylvain met opgekrulde bovenlip.In kalme nieuwsgierigheid kwamen nu ook de koeien op hen af. Zij stapten loom en breed overde wei en bulkten. De beide stedelingen bleven staan en hielden hun knuppels in de hoogte.—’t Zijn stieren! riep Sylvain.Fonske moest schaterlachen, ging naar de koeien toe, klopte hen pletsend op de schoften:—Ala, Bloare, ala, Blesse, uit de wig!—’K ’n zoe buiten toch nie keune weunen, verzekerde Sylvain.Zij kwamen bij de rivier en stonden vóór ’t kasteel, Fonske vol overgeërfd ontzag, de beide stedelingen met iets superieur-schimpends in de oogen.—’t Ziet er parvenu-achtig uit, beweerde Florimond; en Sylvain hoofdknikte, sprakeloos beamend. Fonske begreep het woord wel niet, maar voelde een afkeuring.Florimond ging naar het bootje toe, dat aan den oever lag.—O! ge ’n meug niet! schrikte Fonske, ’t es ’t beutse van ’t kastiel.—’t Beutse van ’t kastiel! riep Florimond verbaasd. En ’t ligt hier in de wei!—’t Es gelijk, ’t es ’t beutse van de groave, doar ’n mag niemand mee voaren! verzekerde Fonske.—Hoe komen de meinschen dan over ’t woater? ergerde zich Florimond.—Ginder, ’n endeke verder, aan den overzet van boerke Floncke, zei Fonske.Zij volgden de rivier tot aan den overzet van boerke Floncke, waar, op hun geroep, een stevig-knappe meid hen met een bootje naar den anderen oever bracht. Zij liepen dwars door boerke’s hof; de beide stedelingen even neus-dichthoudend voor een scherp-riekende mestvaalt en kwamen weldra in een lange, prachtige beukendreef, de dreef van het kasteel.Fonske vond het niet bepaald prettig daar met zijn twee voorname vrienden te loopen. Eigenlijk achtte hij hen beter geschikt voor de stad dan voor buiten en ’t speet hem wel een beetje dat hij ze naar Meulegem had meegenomen. Zij bewonderden zoo weinig wat hijzelf zijn leven lang had leeren waardeeren en vereeren, en hij wist niet goed of hij wel verheugd dan bang moest zijn voor een mogelijke ontmoeting met jonkvrouw Elvire of een der andere adelijke familieleden. Terwijl hij dat in zichzelf overwoog werd het gesnor van een automobiel hoorbaar en door ’t kasteelhek kwam de welbekende, grafelijke auto aangereden.Fonske kreeg een vuurkleur en trok zenuwachtig zijn vrienden bij de mouw.—Z’ es doar! kreet hij dof.De twee estheten drongen op zij. Zij maakten front naar den weg en bleven onbeweeglijk staan, als palen. Heel langzaam kwam de open auto aangereden. Aan ’t stuur zat meneer Gaëtan, naast hem jonkvrouw Elvire en in den achterwagen de Engelsche, die glimlachte met bloote tanden.Fonske nam zijn hoedje af en groette met diep-nederige buiging. Hij kreeg een minzaam knikje, toch een beetje als van verre, terug. Toen vertrok ’t gezicht der jonkvrouw plotseling als van ontstemde verwondering en in het snorren van den motor keek zij met hautaine strakheid naar de twee groote flaphoeden en de wilde baarden. De estheten hadden geen lid verroerd. In arrogant-stugge houding namen zij het meisje vrijpostig op en keken ook den jonker met zijn “boulevard” na. ’t Was zóó gewild en vlug-vijandig, dat Fonske ervan schrikte. Met een grijnslach van minachting keerden zij zich in ’t opgejaagde stof der auto om, en Florimond zei tot Sylvain:—Ik ’n zoe ze nie moeten hén. En gij?Sprakeloos-grinnikend schudde Sylvain het hoofd. Neen, hij ook niet.—Wa veur nen ignobele crétin es dat, die nevens heur zit? vroeg Florimond aan Fonske.—Menier Gaëtan, de zeune van menier denb’ron, antwoordde Fonske, die maar half begreep.—Es dat heur lief?De ruwe woorden troffen Fonske als een kaakslag. Nog nooit had hij iemand zoo oneerbiedig over hun traditioneele heerschers hooren spreken. Het deed hem pijn en het maakte hem nijdig. Hij gaf geen antwoord. En toch,.... diep in zijn binnenste, voelde hij een soort ontzag voor die twee flinke kerels, die zoo maar raak, en zonder vrees, de geduchte dorpsafgoden van hun voetstuk durfden gooien. Het was een kracht welke hij niet bezat; een vrijheid, en daardoor een waardigheid, hoe ruw ook, die steun gaf aan hun leven. Zij hadden niet gegroet, zij hadden niet het hoofd gebogen, zij kenden schuwheid noch ontzag, zij voelden zich niets minder, wel het tegendeel, dan die machtigen en rijken, en Fonske onderging, in weerwil van zichzelf, een soort van afgunstigen eerbied voor een durf en kranigheid, die hij wel nooit bezitten zou.Langzaam keerden zij naar ’t dorp terug: de zon ging onder in oranje glorie en de stille populieren wierpen lang hun dwarsche schaduwvlekken over ’t glinstergroene weiland. Het dorpje lag zich als ’t ware te spiegelen in avondluister en ’t roomigvee, door de koewachtertjes opgedreven, stond roerloos-wachtend bij den oever der rivier, als met goud omgoten.De twee regeerende kasteelen op hun heuvel, keken elkaar met schitter-ruiten aan. Het was alsof ze alle twee, in rijk genieten, elkander’s pracht en macht bewonderden. Zij heerschten, men zag ze voelbaar heerschen over ’t gansche land, en zelfs de twee teugellooze en vrijgevochten estheten werden iets als een benauwende drukking gewaar, want Florimond zei tot Sylvain terwijl hij naar de beide imposante buitens wees:—Dà zoe hier weg moeien, dà stoort.Zij kwamen weer in ’t dorpje. Op elken drempel zaten nu de menschen van de zachte avondfrischheid te genieten; en reeds van verre zag Fons Lisatje met haar moeder staan, vóór ’t huisje van Van Belleghem. Hij hoopte maar dat zijn vrienden het meisje niet zouden opmerken, maar het liep mis: Sylvain ontdekte haar dadelijk, bleef staan, en zei glimlachend:—Dat es ’t scheun meiske van ’t portret.—Verdeeke joa ’t, riep Florimond. Ala, Fons, presenteert ons ne keer.Met tegenzin, hoog kleurend en gegeneerd, voldeed Fonske aan ’t verzoek:—Lisatje, da zijn tweeë van mijn kameroaden uit de tiekenschole.—W’hèn ou portret gezien mademoiselle, ’t es scheune, zilde, zei Florimond met stralende oogen.—Es ’t woar, meniere; glimlachte ’t meisje schuchter den blik neerslaande.—Moar ’t origineel es nóg scheunder, complimenteerde Sylvain.Lisatje, die maar half begreep, keek nog bedeesder even op en sloeg de oogen dadelijk weer neer. Fonske beet op zijn lippen, inwendig spijtig en geërgerd, en hij voelde weer een diep-priemend steekje van vluchtige jaloezie, alsof aan iets getornd werd, waar hij alleen recht op had. De moeder bleef stijf en vagelijk-wantrouwend naast den muur staan; Van Belleghem, opgeblazen-dik en rood, verscheen in de deurpost, die hij geheel vulde, en tikte even aan zijn glimmend petvizier.De twee estheten namen hun flaphoeden af en groetten tot afscheid. Fonske zei “tot morgen” aan Van Belleghem en keek Lisatje strak en glinsterend in de oogen aan. Hij zou zijn vrienden op het dorp maar niet meer nooden. Hij was wel niet verliefd op Lisatje, maar—hij wist niet waarom—hij had toch niet gaarne gezien, dat een van die twee op haar ging verlieven.Beiden waren hoogst verrukt van Lisatje. Zij hielden daar een betoog, midden op de straat, over ’s meisje’s frissche schoonheid, die voor Fonske als een openbaring klonk. Met zulke oogen had hij haar toch nooit aanschouwd. Zij vonden haar tienmaal, honderdmaal, duizendmaal mooier dan de jonkvrouw en begrepen niet hoe Fonske dat ook niet zag en voelde. Zij zouden niet aarzelen. Al was de jonkvrouw nog zoo rijk, honderdmaal, duizendmaal zouden zij de voorkeur aan Lisatje geven. ’t Gaf Fonske een gevoel van troost, gemengd met wrevel.In Fonske’s huis pakten zij de schilderijen bij elkaar. Sylvain koos er vijf uit, waaronder het portret van Lisatje. Fonske had dit laatste nu veel liever bij zich gehouden, maar dorst Sylvain, die hem wellicht aan koopers zou helpen, niet mishagen. Hij droeg het pak en vergezelde hen naar het station.Onderweg kwamen zij meneer den pastoor tegen. Fonske nam haastig zijn hoed af en groette zoo nederig en zoo diep als hij mejonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan had gegroet. De twee estheten, daarentegen, namen in ’t minst geen notitie van den geestelijke. Fonske was er gansch ontsteld van, want meneer de pastoor was geen minderemacht dan meneer de graaf of meneer de baron en hij vreesde strenge verwijten, dat hij in slecht gezelschap verkeerde. Meneer de pastoor had héél verbaasd en zelfs héél boos naar zijn twee gezellen opgekeken.—Saleweert-e gulder de pàsters niet? kon Fonske niet nalaten gansch ontdaan te vragen.—Den dienen die doar veurbij gekomen es? vroeg Florimond minachtend uit de hoogte. We ’n kennen hem niet.—’t Es menier de pàster van Meulegem, antwoordde Fonske vol benauwd ontzag.—Al was ie-hij de Paus, we ’n kennen hem niet, zei Sylvain smalend.—Hoe durven ze toch! dacht Fonske. En weer voelde hij, in een mengsel van angst en bewonderende afgunst, bij hen die sterkende kracht, dien waardigheidstrots tegenover machtigen en rijken, welke hem zoo zeer ontbraken.Op het perron van ’t stationnetje namen zij van elkander afscheid. Sylvain beloofde vast reeds den volgenden ochtend met de schilderijen bij zijn kooper aan te gaan en hoopte wel dat hij over weinige dagen Fonske eenig gunstig bericht zou kunnen zenden.Den volgenden ochtend—Fonske was bezigaan wat decoratiewerk in het gemeentehuis—klopte de daar langs komende postbode op een der ramen om zijn aandacht te wekken.—Fons, vroeg hij, toen de jonge man met zijn borstel in de hand naar buiten kwam, het-e gij gisteren oavond ou schilderijen in den trein nie loate stoan?Fonske schrikte geweldig.—Mijn schilderijen! Ha ’k hé ze meegegeven aan iene van mijn kameroaden!—Hawèl, den dienen hé ze vergeten stoan, zei de postbode. Gelukkig hét de conducteur ze gevonden en, omdat hij ou kent, hè z’ hij weere noarMeulegemmeegebrocht. Ze stoan in de stoassie.Fonske liet vallen wat viel en holde wanhopig naar huis toe.Juist kwam zijn moeder hem gansch ontsteld te gemoet, met een blauw papiertje in de hand.—Och Hiere, Fons, ’n dépêche! Wa mag da zijn!’t Was van Sylvain. Hij maakte excuses, had gelukkig vernomen dat de schilderijen weer naar Meulegem waren, vroeg onmiddellijk terugzending aan zijn adres.Drie dagen later ontving Fonske een tweede telegram:“Vier schilderijen verkocht samen driehonderd vijf en zeventig frank.”’t Was of Fonske eensklaps gek werd. Hij sprong letterlijk op van geluk, hij danste van geluk en kwam met ’t blauw papiertje naar zijn moeder toegeloopen, luid-jubelend.—Moeder! moeder! ’t ’n es niet te geleuven! Vier schilderijen verkocht veur drei honderd vijf en tsjeventig fran! moeder, moeder, we zijn rijke!1Pourtant.2Kikvorsch.
VIII.Doch langzaam aan begon de rijke, gouden zomer tot het bruine bronskleed van den herfst te tanen en de dagen werden korter en de nachten koel. Weldra woeien de dorre bladeren als zwermen verschrikte vogels uit de hooge kruinen weg, of droppelden in stille, gele tranen neer, heel langzaam, een voor een, met zuchtgeritsel door de naakte twijgen.Al spoedig zouden de koeien voor den ganschen winter uit de weide worden weggehaald. Al spoedig ook zouden de regeerende kasteelen, thans nog zoo trotsch in luisterrijke najaarspracht boven op hun heuvel, voor maanden lang gesloten en verlaten worden. En de vroolijk-joelende koewachtertjes zouden uit elkaar gaan en zooals kouwelijke winterbeestjes voor elkaar verdwijnen, de een hier,de andere daar, verwijderd en onzichtbaar voor elkander, totdat de zachte lenteluwte hen weer bijeenbracht. Zij zaten ’s winters op de verre boerderijen, in mist en slijk en regen, of zij hielpen in de stille, leemen hutjes zwingelen het vlas der rijke zomeroogsten, bij het eentonig snorren van den tredmolen, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, in kou, en stof, en grijzigheid.En hij was wel steeds vooruit bekend in ’t dorp, de afscheidsdag van de regeerende kasteelen. Mevrouw de gravin ging rond, en mevrouw de barones ging rond, tot in de verste arme huisjes, en overal gaven zij iets, als hulp en onderstand voor den langen, guren winter.Fonske wist het al dagen te voren: mevrouw de gravin was reeds bij de ouders van Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers geweest en mevrouw de barones bij die van Mielke Katoor en Dolfke van de Wiele, en hij twijfelde niet of ook bij zijn moeder zou weldra iemand komen.En er kwam iemand! Er kwam, zooals Fonske wel had durven hopen en verwachten, jonkvrouw Elvire met haar gouvernante.Fonske was thuis toen zij kwamen. ’t Was op een grijzen November-ochtend en zij stonden daarineens voor ’t kleingeruite raampje, waardoor zij even aarzelend naar binnen keken.—Toe, Fons, doe open, ze zijn daar! riep de moeder gejaagd.Fonske ging haastig open doen en de twee meisjes traden binnen.De Engelsche kende tè weinig Vlaamsch om met de menschen een gesprek te kunnen voeren en daarom nam de jonkvrouw zelve het woord.Zij stak de hand uit naar een pakje, dat de gouvernante droeg, en gaf het met een aarzelend-bedeesden glimlach aan de moeder:—As ’t ou blieft, vreiwe, dat es veur de winter.—O, merci, mejonkvreiwe, ge zij wel bedankt, wel duuzen keers bedankt. Zet ou, mejonkvreiwe, zet ou, ieffreiwe. En zij bood stoelen aan.Het meisje en de gouvernante gingen zitten. De Engelsche glimlachte zwijgend, met schitterenden tandenmond; jonkvrouw Elvire keek naar Fonske, die bij het raampje had zitten te teekenen.—Goat ’t goed? vroeg ze zacht.—Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske, schuchter-blozend.—Zij-de aan iets nieuws bezig?—’K tiekene ’t meuleken uit, van hier.—Mag ik ne keer zien? glimlachte zoet het meisje.Fonske liet het haar zien.—’t Es scheune, zei ze. En ook de Engelsche kwam kijken en glimlachte met een dweeperig “very nice indeed”.De moeder, die met het pakje door een binnendeur verdwenen was, kwam gansch ontroerd weer in ’t armoedig keukentje. Zij had tranen in haar oogen, zij vatte alle bei ’s jong meisjes handen, boog bijna knielend tot haar neer en stamelde bevend:—O, mejonkvreiwe, wa zij-je toch goed, zeuveel scheune, woarme klieren en zeuveel geld, mejonkvreiwe. Es dat toch amoal wel veur ons, mejonkvreiwe? Hedde gij ou somwijlen nie gemist? O, mejonkvreiwe, Fons moe ou toch ’n heule greute scheune schilderijnge moaken en ik zal heul de winter ’s morgens en ’s oavens veur ou bidden.Het jeugdig kasteelmeisje bloosde gegeneerd. Schuchter keek zij op naar Fonske, die vuurrood, met stroef gezichtje voor haar stond, als schaamde zij zich voor de tè rijke aalmoes, die ze daar gebracht had. Er heerschte iets onuitgedrukt-benauwends tusschen de twee kinderen. Er was toenadering van zachtheid en genegenheid, en meteen was er een afstand als een afgrond, de onoverschrijdbare kloof tusschen armoede en rijkdom.’t Meisje was opgestaan. Zij stond daar even, penibel glimlachend, alsof zij iets verkeerds had gedaan. Zoo mooi van frissche jeugd en weelde, tegenover Fonske, die halsstarrig zijn blikken ten gronde hield geslagen. Toen stak zij hem tot afscheid een bevend handje toe. Fonske merkte ’t niet. Zij kwam een stapje nader en meteen zag zij stille tranen over ’s knaapjes wangen rollen. Schrikkend trok zij zich terug.De moeder bromde:—Fons, gie loeder, zie-je gij niet da mejonkvreiw ou ’n hand wil geven.Bevend en gedwee stak Fonske zijn hand uit en het jong meisje drukte die vlug en zenuwachtig. Maar Fonske keek haar zelfs niet aan. Heel stil rolden aldoor de tranen over zijn roode wangetjes, tranen zoo helder en zoo zuiver als de kristallen droppeltjes van een levende bron.Zij waren weg. ’t Deurtje was dichtgeslagen en even werd het kleingeruite raampje door twee voorbijzwevende schaduwen verduisterd.’t Was gedaan. Nu zou alleen, voor maanden lang, de droeve, grijze winter heerschen.
Doch langzaam aan begon de rijke, gouden zomer tot het bruine bronskleed van den herfst te tanen en de dagen werden korter en de nachten koel. Weldra woeien de dorre bladeren als zwermen verschrikte vogels uit de hooge kruinen weg, of droppelden in stille, gele tranen neer, heel langzaam, een voor een, met zuchtgeritsel door de naakte twijgen.
Al spoedig zouden de koeien voor den ganschen winter uit de weide worden weggehaald. Al spoedig ook zouden de regeerende kasteelen, thans nog zoo trotsch in luisterrijke najaarspracht boven op hun heuvel, voor maanden lang gesloten en verlaten worden. En de vroolijk-joelende koewachtertjes zouden uit elkaar gaan en zooals kouwelijke winterbeestjes voor elkaar verdwijnen, de een hier,de andere daar, verwijderd en onzichtbaar voor elkander, totdat de zachte lenteluwte hen weer bijeenbracht. Zij zaten ’s winters op de verre boerderijen, in mist en slijk en regen, of zij hielpen in de stille, leemen hutjes zwingelen het vlas der rijke zomeroogsten, bij het eentonig snorren van den tredmolen, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, in kou, en stof, en grijzigheid.
En hij was wel steeds vooruit bekend in ’t dorp, de afscheidsdag van de regeerende kasteelen. Mevrouw de gravin ging rond, en mevrouw de barones ging rond, tot in de verste arme huisjes, en overal gaven zij iets, als hulp en onderstand voor den langen, guren winter.
Fonske wist het al dagen te voren: mevrouw de gravin was reeds bij de ouders van Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers geweest en mevrouw de barones bij die van Mielke Katoor en Dolfke van de Wiele, en hij twijfelde niet of ook bij zijn moeder zou weldra iemand komen.
En er kwam iemand! Er kwam, zooals Fonske wel had durven hopen en verwachten, jonkvrouw Elvire met haar gouvernante.
Fonske was thuis toen zij kwamen. ’t Was op een grijzen November-ochtend en zij stonden daarineens voor ’t kleingeruite raampje, waardoor zij even aarzelend naar binnen keken.
—Toe, Fons, doe open, ze zijn daar! riep de moeder gejaagd.
Fonske ging haastig open doen en de twee meisjes traden binnen.
De Engelsche kende tè weinig Vlaamsch om met de menschen een gesprek te kunnen voeren en daarom nam de jonkvrouw zelve het woord.
Zij stak de hand uit naar een pakje, dat de gouvernante droeg, en gaf het met een aarzelend-bedeesden glimlach aan de moeder:
—As ’t ou blieft, vreiwe, dat es veur de winter.
—O, merci, mejonkvreiwe, ge zij wel bedankt, wel duuzen keers bedankt. Zet ou, mejonkvreiwe, zet ou, ieffreiwe. En zij bood stoelen aan.
Het meisje en de gouvernante gingen zitten. De Engelsche glimlachte zwijgend, met schitterenden tandenmond; jonkvrouw Elvire keek naar Fonske, die bij het raampje had zitten te teekenen.
—Goat ’t goed? vroeg ze zacht.
—Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske, schuchter-blozend.
—Zij-de aan iets nieuws bezig?
—’K tiekene ’t meuleken uit, van hier.
—Mag ik ne keer zien? glimlachte zoet het meisje.
Fonske liet het haar zien.
—’t Es scheune, zei ze. En ook de Engelsche kwam kijken en glimlachte met een dweeperig “very nice indeed”.
De moeder, die met het pakje door een binnendeur verdwenen was, kwam gansch ontroerd weer in ’t armoedig keukentje. Zij had tranen in haar oogen, zij vatte alle bei ’s jong meisjes handen, boog bijna knielend tot haar neer en stamelde bevend:
—O, mejonkvreiwe, wa zij-je toch goed, zeuveel scheune, woarme klieren en zeuveel geld, mejonkvreiwe. Es dat toch amoal wel veur ons, mejonkvreiwe? Hedde gij ou somwijlen nie gemist? O, mejonkvreiwe, Fons moe ou toch ’n heule greute scheune schilderijnge moaken en ik zal heul de winter ’s morgens en ’s oavens veur ou bidden.
Het jeugdig kasteelmeisje bloosde gegeneerd. Schuchter keek zij op naar Fonske, die vuurrood, met stroef gezichtje voor haar stond, als schaamde zij zich voor de tè rijke aalmoes, die ze daar gebracht had. Er heerschte iets onuitgedrukt-benauwends tusschen de twee kinderen. Er was toenadering van zachtheid en genegenheid, en meteen was er een afstand als een afgrond, de onoverschrijdbare kloof tusschen armoede en rijkdom.
’t Meisje was opgestaan. Zij stond daar even, penibel glimlachend, alsof zij iets verkeerds had gedaan. Zoo mooi van frissche jeugd en weelde, tegenover Fonske, die halsstarrig zijn blikken ten gronde hield geslagen. Toen stak zij hem tot afscheid een bevend handje toe. Fonske merkte ’t niet. Zij kwam een stapje nader en meteen zag zij stille tranen over ’s knaapjes wangen rollen. Schrikkend trok zij zich terug.
De moeder bromde:
—Fons, gie loeder, zie-je gij niet da mejonkvreiw ou ’n hand wil geven.
Bevend en gedwee stak Fonske zijn hand uit en het jong meisje drukte die vlug en zenuwachtig. Maar Fonske keek haar zelfs niet aan. Heel stil rolden aldoor de tranen over zijn roode wangetjes, tranen zoo helder en zoo zuiver als de kristallen droppeltjes van een levende bron.
Zij waren weg. ’t Deurtje was dichtgeslagen en even werd het kleingeruite raampje door twee voorbijzwevende schaduwen verduisterd.
’t Was gedaan. Nu zou alleen, voor maanden lang, de droeve, grijze winter heerschen.
IX.Niet steeds keerden al de jonge koewachtertjes, na den langen winter in de verre boerderijen, met het herleven van de lente, in de vrije, frissche weilanden terug. Zij werden jonge mannen en het harde sjouwersleven eischte hen op. Voor altijd moest vaarwel worden gezegd aan de onbezorgde vrijheid in de gezonde, heerlijke natuur. Zij kregen een spade of een vork te hanteeren in plaats van de koewachterszweep; zij werden mesters, delvers, ploegers of vertrokken reeds vóór ’t vroege daglicht naar de groote stadsfabrieken, waaruit zij eerst met ’t sombergrauwe van de schemering terugkeerden. Geen buitelsprongen meer, geen kikkers vangen, geen joelend alahoe-geroep in ’t galmend knallen van de zweepen: zij kregen ernstige gezichten, gezichten van vermoeienis en vroegtijdigezorg; en hun aardige kindernaampjes: Rietje, Pierke, Feelke veranderden in ’t hardklinkende en stugge: Riek, Pier, Feel.Voor Fonske zou die tijd nu ook wel heel gauw komen. Nog één zomer en hij zou ook door ’t harde leven wordenopgeëischt.Zijn moeder had er reeds veel en lang over nagedacht en er ook met hem over gesproken. Fonske had gedwee het hoofd gebukt: hij wist wel dat het moest. Alleen de vraag wàt hij zou worden, was nog niet vast bepaald. Voor zwaar boerenwerk was hij te zwak; van arbeid in de groote stadsfabrieken—wreede gevangenissen van gedruisch en stof en stoom—had hij een gruwel; het eenige wat hem aantrok was een nuttig bedrijf in de richting waar zijn fantaisie zich had ontwikkeld: het schilderen.Hij wilde schilder worden. Maar huisschilder, natuurlijk, om voor zichzelf en voor zijn moeder aan het dagelijksch brood te komen. Het andere, ’t kunstschilderen, dat was een droom, een illuzie, die zeker ook wel kon verwezenlijkt worden, dank zij de liefelijke goedheid van jonkvrouw Elvire en haar ouders, maar slechts als uitspanning, ’s zondags en in zijn schaarsche vrije uren. Eén enkele, laatste zomer van vrijheid zou hij dus noggenieten, en in dat vooruitzicht leefde hij met veilig troostgevoel, toen zich onverwacht een gelegenheid voordeed, die het onvermijdelijke eensklaps kwam bespoedigen.Op een ochtend klopte Van Belleghem, de dorpshuisschilder, bij Fonske’s moeder aan. Na wat heen en weer gepraat over andere dingen, kwam hij met zijn voorstel voor den dag: dat hij een jong helpertje kon gebruiken en of hij Fonske daarvoor zou kunnen krijgen.Eerst had de moeder, zoo onverhoeds gepakt, wel eenige aarzeling. Maar Van Belleghem zei haar hoeveel hij ’t jongetje al dadelijk zou geven en dat was zooveel meer dan wat hij als koewachtertje kon verdienen, dat zij al spoedig toesloeg. ’t Was ook immers wat Fonske verlangde; het eenige wat hij er bij inschoot was zijn laatste, vrije zomer; maar een jaar vroeger of later moest het toch zoo eindigen en nog eens zei moeder ja, terwijl Van Belleghem, tot sluiten van ’t accoord, zijn hand uitstak en met een slag die in de hare klapte.Dat nieuws hoorde Fonske toen hij ’s avonds van zijn werk bij boer Monteijne thuiskwam. Eerst was hij grenzeloos bedroefd. Hij schreide om zijn nu verbeurden, laatsten, vrijen zomer en om het verlies van alles wat daarmee gepaardging. Het zou ineens voor hem een zoo geheel ander leven worden; het was de plotselinge en onverwachte dood van al zijn liefste illuzies; hij zou niet meer in volle vrijheid mogen schilderen in de heerlijke ruimte der weilanden; hij zou jonkvrouw Elvire niet meer heen en weer zien gaan; hij zou niet meer van verre kunnen meeleven iets van het heerlijk bestaan der twee regeerende kasteelen!Dat was de harde dwang van ’t noodlot, de nooddwang van den arme, die plotseling zoo zwaar op hem werd neergedrukt. Hij moest, omdat hij arm was! Moeder poogde hem te troosten met het lokaas van het mooie geld, dat hij nu reeds verdienen zou; maar moeder zelve was bedroefd zonder juist te weten waarom ze dat was: ook moeder had het nu liefst nog anders gewild, doch de kans was er en mocht niet ontsnappen; en dat begrepen zij eindelijk alle twee en legden zich gedwee bij het onvermijdelijk noodlot neer.Drie dagen later stond Fonske, van den hals tot de voeten met een witten kiel bedekt, kleintjes en droevig en mager naast den zwaar-dikken, ook ten voeten uit gewitkielden Van Belleghem, de binnenportaaldeur van de “Warande”, een der dorpsherbergen te beschilderen.
Niet steeds keerden al de jonge koewachtertjes, na den langen winter in de verre boerderijen, met het herleven van de lente, in de vrije, frissche weilanden terug. Zij werden jonge mannen en het harde sjouwersleven eischte hen op. Voor altijd moest vaarwel worden gezegd aan de onbezorgde vrijheid in de gezonde, heerlijke natuur. Zij kregen een spade of een vork te hanteeren in plaats van de koewachterszweep; zij werden mesters, delvers, ploegers of vertrokken reeds vóór ’t vroege daglicht naar de groote stadsfabrieken, waaruit zij eerst met ’t sombergrauwe van de schemering terugkeerden. Geen buitelsprongen meer, geen kikkers vangen, geen joelend alahoe-geroep in ’t galmend knallen van de zweepen: zij kregen ernstige gezichten, gezichten van vermoeienis en vroegtijdigezorg; en hun aardige kindernaampjes: Rietje, Pierke, Feelke veranderden in ’t hardklinkende en stugge: Riek, Pier, Feel.
Voor Fonske zou die tijd nu ook wel heel gauw komen. Nog één zomer en hij zou ook door ’t harde leven wordenopgeëischt.
Zijn moeder had er reeds veel en lang over nagedacht en er ook met hem over gesproken. Fonske had gedwee het hoofd gebukt: hij wist wel dat het moest. Alleen de vraag wàt hij zou worden, was nog niet vast bepaald. Voor zwaar boerenwerk was hij te zwak; van arbeid in de groote stadsfabrieken—wreede gevangenissen van gedruisch en stof en stoom—had hij een gruwel; het eenige wat hem aantrok was een nuttig bedrijf in de richting waar zijn fantaisie zich had ontwikkeld: het schilderen.
Hij wilde schilder worden. Maar huisschilder, natuurlijk, om voor zichzelf en voor zijn moeder aan het dagelijksch brood te komen. Het andere, ’t kunstschilderen, dat was een droom, een illuzie, die zeker ook wel kon verwezenlijkt worden, dank zij de liefelijke goedheid van jonkvrouw Elvire en haar ouders, maar slechts als uitspanning, ’s zondags en in zijn schaarsche vrije uren. Eén enkele, laatste zomer van vrijheid zou hij dus noggenieten, en in dat vooruitzicht leefde hij met veilig troostgevoel, toen zich onverwacht een gelegenheid voordeed, die het onvermijdelijke eensklaps kwam bespoedigen.
Op een ochtend klopte Van Belleghem, de dorpshuisschilder, bij Fonske’s moeder aan. Na wat heen en weer gepraat over andere dingen, kwam hij met zijn voorstel voor den dag: dat hij een jong helpertje kon gebruiken en of hij Fonske daarvoor zou kunnen krijgen.
Eerst had de moeder, zoo onverhoeds gepakt, wel eenige aarzeling. Maar Van Belleghem zei haar hoeveel hij ’t jongetje al dadelijk zou geven en dat was zooveel meer dan wat hij als koewachtertje kon verdienen, dat zij al spoedig toesloeg. ’t Was ook immers wat Fonske verlangde; het eenige wat hij er bij inschoot was zijn laatste, vrije zomer; maar een jaar vroeger of later moest het toch zoo eindigen en nog eens zei moeder ja, terwijl Van Belleghem, tot sluiten van ’t accoord, zijn hand uitstak en met een slag die in de hare klapte.
Dat nieuws hoorde Fonske toen hij ’s avonds van zijn werk bij boer Monteijne thuiskwam. Eerst was hij grenzeloos bedroefd. Hij schreide om zijn nu verbeurden, laatsten, vrijen zomer en om het verlies van alles wat daarmee gepaardging. Het zou ineens voor hem een zoo geheel ander leven worden; het was de plotselinge en onverwachte dood van al zijn liefste illuzies; hij zou niet meer in volle vrijheid mogen schilderen in de heerlijke ruimte der weilanden; hij zou jonkvrouw Elvire niet meer heen en weer zien gaan; hij zou niet meer van verre kunnen meeleven iets van het heerlijk bestaan der twee regeerende kasteelen!
Dat was de harde dwang van ’t noodlot, de nooddwang van den arme, die plotseling zoo zwaar op hem werd neergedrukt. Hij moest, omdat hij arm was! Moeder poogde hem te troosten met het lokaas van het mooie geld, dat hij nu reeds verdienen zou; maar moeder zelve was bedroefd zonder juist te weten waarom ze dat was: ook moeder had het nu liefst nog anders gewild, doch de kans was er en mocht niet ontsnappen; en dat begrepen zij eindelijk alle twee en legden zich gedwee bij het onvermijdelijk noodlot neer.
Drie dagen later stond Fonske, van den hals tot de voeten met een witten kiel bedekt, kleintjes en droevig en mager naast den zwaar-dikken, ook ten voeten uit gewitkielden Van Belleghem, de binnenportaaldeur van de “Warande”, een der dorpsherbergen te beschilderen.
X.’s Winters sliepen de kasteelen, als twee groote, deftig-stugge wezens, ongestoord in hun voorname rust. Zij keken norsch, met doffe oogen van gesloten luiken, elkander over de verlaten uitgestrektheid van de weiden aan, en om hun doode praal was geen bekoring noch mysterie meer. De najaarsstormen waren met de laatste bladeren weggevlogen en alles leek nu ijl en klein en kil en nuchter. Somtijds, wanneer een zonnestraaltje vluchtig door de nevelsluiers brak, scheen alles voor een oogenblik frischlevend op te fleuren: het gras schitterde, de naakte twijgjes trillerden, en zelfs de doffe muren en kanteelen schenen even, met een koesterend zonnelachje uit hun winterslaap te ontwaken; maar dadelijk trokken zich weer de grijze sluiers dicht enhun doodsche, stille kleurloosheid bedekte alles.De menschen uit het dorpje schoven daar omheen als schaduwen voorbij. Zelfs in hun winter-eenzaamheid regeerden de kasteelen. Het galmend schot van een koddebeier, het zwaar geblaf der waak- en jachthonden, een bel die ergens klonk, waren als zooveel getuigenissen van de geheime, groote macht, die daar, zelfs in de afwezigheid der meesters, nog tastbaar heerschte. De géést van de kasteelen bleef aldoor regeeren, als gold het een natuurkracht.Maar met de lente kwam ontwaking en de menschen wachtten, in een soort angstig verlangen, op de terugkomst hunner traditioneele heerschers. Waar zaten zij den ganschen, langen winter? In hun prachtige paleis-huizen der hoofdstad; of ergens ver op reis, in warme, vreemde landen? De menschen wisten ’t niet, maar het mysterie verhoogde het prestige en de terugkomst werd verbeid als een telkens nieuwe openbaring.Weldra opende de kasteelen hun zoolang stug-gesloten ooge-luiken. Er werd geverfd, geboend, gewasschen; er heerschte heen-en-weer geloop, gerij, bedrijvigheid, en op een ochtend waren de heeren daar terug, als lentevogels na de winterdoodschheid. Zij kwamen terug in ’t heerlijkstegetijde van het gansche jaar, met de ontluikende blaadjes op de heesters, met het lente-geroep van den koekoek in de blauw-wazige verten, met de wegschietende zilverschichtjes van de visschen in het water, met de verkwikkende geuren van alles wat herleefde en bloeide, met de zachte weelde van de vette koeien in de malsche wei, waar zij zich als groote, zware bloemen langzaam in den zonneglans bewogen, terwijl de jolige koewachtertjes, ravottend, onder ’t trosje hooge populieren, in wild gestoei hun lentevreugd uitjubelden.Fonske, helaas, was er nu niet meer bij. Fonske, naast Van Belleghem op een hooge ladder, was bezig, onder toezicht van den rentmeester, met de venster-kozijnen van het grafelijk kasteel te verven.Welke van al die ontelbare ramen zouden wel deze van jonkvrouw Elvire’s kamer zijn? Daar dacht Fonske voortdurend aan zonder het iemand te durven vragen, en meteen vroeg hij zich vol angstige benauwing af, wat jonkvrouw Elvire wel zou zeggen, als ze hem daar bezig vond. Hij hoopte maar, zonder te weten waarom hij het hoopte dat hij er vóór haar komst reeds weg zou zijn.Doch dat gebeurde niet. Op een ochtend, juist den laatsten dagdat zij er werkten, kwam derentmeester met groote gejaagdheid den terugkeer der familie aankondigen. Van Belleghem en Fonske moesten zich nu maar razend haasten, zien dat ze klaar kwamen; maar ondanks al hun ijver kregen zij toch niet heelemaal gedaan en Fonske stond nog boven op den ladder, toen de groote auto van den graaf, volgeladen met valiezen, het erf opreed.De dienstboden waren er reeds in den ochtend aangeland en kwamen hun meesters groeten; de rentmeester stond, diep buigend, met zijn hoed in de hand, de tuinlui en de koddebeiers hielden zich eerbiedig op een afstand.Fonske, bevend en blozend zonder te durven neerkijken, borstelde maar ijverig voort, stil hopend, dat hij niet opgemerkt zou worden; maar de graaf, nauwelijks uit den wagen gestegen, keek dadelijk naar de ladders op en vroeg verwonderd aan den rentmeester hoe het kwam dat de ververs nog niet weg waren. Zijn vraag wekte ook de aandacht van mevrouw de gravin, van jonkvrouw Elvire, en de Engelsche, en op haar beurt keken zij omhoog en zagen en herkenden Fonske.—Is dat wel Fonske! riep het jong meisje verbaasd.Fonske, zijn naam hoorend, greep naar zijn petom te groeten. Maar in zijn ontroering deed hij ’t zoo onhandig, dat de verfborstel van tusschen zijn vingers wegglipte en met een spat op den grond viel.—Och Hiere! kreet Fonske en haastte zich den ladder af.Daar stond hij vlak vóór zijn jonge beschermster. Vuurrood, met schuwe-schaamte-oogen, keek hij haar even aan en sloeg dan weer den blik ten gronde.—Moar Fonske, zij-de gij virrewoare geworden? vroeg jonkvrouw Elvire. En in den klank van haar stem lag als ’t ware iets van teleurstelling, terwijl zij hem, met vervreemde oogen, van het hoofd tot de voeten opnam.—Joajik, mejonkvreiwe, schuchterde Fonske.—En goat-e gij noar de tiekenschole nie mier?—Toettoet, mejonkvreiwe, alle zondagnuchtijngen.—What a pity!jammerde halfluid de stem van de Engelsche.Fonske stond daar, roerloos, met zijn bekladde handjes, tusschen welks vingeren den opgeraapten borstel beefde. Hij had wel kunnen schreien, zonder te weten waarom. Hij keek nog eens bedeesd de jonkvrouw aan en vond haar zóó veranderd,dat hij haar haast niet herkende. ’t Was of daar iemand anders vóór hem stond. In die enkele maanden had ze zich bijna tot volwassen vrouw ontwikkeld. Haar haren waren opgestoken, zij droeg geen korte japon meer en zelfs de uitdrukking van haar gezicht scheen anders: nog altijd lief en mooi; mooier, véél mooier zelfs dan ’t jaar te voren, maar ook ernstiger, strakker, verder van hem af als ’t ware. Fonske voelde instinctmatig dien plotselingen afstand van verwijdering, dat werk van de afwezigheid en ’t maakte hem nog bedeesder, het stolde als ’t ware zijn ziel in zijn binnenste.—G’ hèt toch nog geschilderd, hoop ik? vroeg ze na een poos en bekeek hem even weer met een glimlach zoo innemend-vriendelijk als vroeger.—O joa joajik, mejonkvreiwe, haastte Fonske zich te antwoorden.—Hawèl, ge moet veurt doen, zilde; ’k zal ne keer kome kijken. Goên dag, glimlachte zij heel lief, en volgde haar ouders en de Engelsche in het kasteel.Met zwakke beentjes klom Fonske weer den ladder op. Het duizelde vóór zijn oogen en even moest hij zich goed vasthouden.—Toe, Fons, hoast ou, da we gedoan hèt, vermaande Van Belleghem.—Joa, boas, zei Fonske en ging vlijtig weer aan ’t borstelen.Achter het raam waar hij werkte, zag hij eensklaps gestalten heen en weer bewegen, binnen in de kamer. Fluks herkende hij jonkvrouw Elvire en de Engelsche en twee knechts, die een koffer boven sleepten. Hij zag de jonkvrouw haar manteltje uittrekken. O! ’t was dus haar kamer, waaraan hij werkte!Hij zag het meisje even roerloos staan en in zijn richting kijken. Toen zei ze iets tot de Engelsche, die naar het venster toe kwam. Zij knikte van achter de ruit naar Fonske en glimlachte met al haar tanden, en meteen liet ze ’t ratelend rolgordijn neer.Fonske trilde even, alsof hij schrikte van het plots geluid. Hij had het gevoel van iemand, die iets onbescheidens heeft gedaan en tot straf de deur vóór zijn neus dicht krijgt.
’s Winters sliepen de kasteelen, als twee groote, deftig-stugge wezens, ongestoord in hun voorname rust. Zij keken norsch, met doffe oogen van gesloten luiken, elkander over de verlaten uitgestrektheid van de weiden aan, en om hun doode praal was geen bekoring noch mysterie meer. De najaarsstormen waren met de laatste bladeren weggevlogen en alles leek nu ijl en klein en kil en nuchter. Somtijds, wanneer een zonnestraaltje vluchtig door de nevelsluiers brak, scheen alles voor een oogenblik frischlevend op te fleuren: het gras schitterde, de naakte twijgjes trillerden, en zelfs de doffe muren en kanteelen schenen even, met een koesterend zonnelachje uit hun winterslaap te ontwaken; maar dadelijk trokken zich weer de grijze sluiers dicht enhun doodsche, stille kleurloosheid bedekte alles.
De menschen uit het dorpje schoven daar omheen als schaduwen voorbij. Zelfs in hun winter-eenzaamheid regeerden de kasteelen. Het galmend schot van een koddebeier, het zwaar geblaf der waak- en jachthonden, een bel die ergens klonk, waren als zooveel getuigenissen van de geheime, groote macht, die daar, zelfs in de afwezigheid der meesters, nog tastbaar heerschte. De géést van de kasteelen bleef aldoor regeeren, als gold het een natuurkracht.
Maar met de lente kwam ontwaking en de menschen wachtten, in een soort angstig verlangen, op de terugkomst hunner traditioneele heerschers. Waar zaten zij den ganschen, langen winter? In hun prachtige paleis-huizen der hoofdstad; of ergens ver op reis, in warme, vreemde landen? De menschen wisten ’t niet, maar het mysterie verhoogde het prestige en de terugkomst werd verbeid als een telkens nieuwe openbaring.
Weldra opende de kasteelen hun zoolang stug-gesloten ooge-luiken. Er werd geverfd, geboend, gewasschen; er heerschte heen-en-weer geloop, gerij, bedrijvigheid, en op een ochtend waren de heeren daar terug, als lentevogels na de winterdoodschheid. Zij kwamen terug in ’t heerlijkstegetijde van het gansche jaar, met de ontluikende blaadjes op de heesters, met het lente-geroep van den koekoek in de blauw-wazige verten, met de wegschietende zilverschichtjes van de visschen in het water, met de verkwikkende geuren van alles wat herleefde en bloeide, met de zachte weelde van de vette koeien in de malsche wei, waar zij zich als groote, zware bloemen langzaam in den zonneglans bewogen, terwijl de jolige koewachtertjes, ravottend, onder ’t trosje hooge populieren, in wild gestoei hun lentevreugd uitjubelden.
Fonske, helaas, was er nu niet meer bij. Fonske, naast Van Belleghem op een hooge ladder, was bezig, onder toezicht van den rentmeester, met de venster-kozijnen van het grafelijk kasteel te verven.
Welke van al die ontelbare ramen zouden wel deze van jonkvrouw Elvire’s kamer zijn? Daar dacht Fonske voortdurend aan zonder het iemand te durven vragen, en meteen vroeg hij zich vol angstige benauwing af, wat jonkvrouw Elvire wel zou zeggen, als ze hem daar bezig vond. Hij hoopte maar, zonder te weten waarom hij het hoopte dat hij er vóór haar komst reeds weg zou zijn.
Doch dat gebeurde niet. Op een ochtend, juist den laatsten dagdat zij er werkten, kwam derentmeester met groote gejaagdheid den terugkeer der familie aankondigen. Van Belleghem en Fonske moesten zich nu maar razend haasten, zien dat ze klaar kwamen; maar ondanks al hun ijver kregen zij toch niet heelemaal gedaan en Fonske stond nog boven op den ladder, toen de groote auto van den graaf, volgeladen met valiezen, het erf opreed.
De dienstboden waren er reeds in den ochtend aangeland en kwamen hun meesters groeten; de rentmeester stond, diep buigend, met zijn hoed in de hand, de tuinlui en de koddebeiers hielden zich eerbiedig op een afstand.
Fonske, bevend en blozend zonder te durven neerkijken, borstelde maar ijverig voort, stil hopend, dat hij niet opgemerkt zou worden; maar de graaf, nauwelijks uit den wagen gestegen, keek dadelijk naar de ladders op en vroeg verwonderd aan den rentmeester hoe het kwam dat de ververs nog niet weg waren. Zijn vraag wekte ook de aandacht van mevrouw de gravin, van jonkvrouw Elvire, en de Engelsche, en op haar beurt keken zij omhoog en zagen en herkenden Fonske.
—Is dat wel Fonske! riep het jong meisje verbaasd.
Fonske, zijn naam hoorend, greep naar zijn petom te groeten. Maar in zijn ontroering deed hij ’t zoo onhandig, dat de verfborstel van tusschen zijn vingers wegglipte en met een spat op den grond viel.
—Och Hiere! kreet Fonske en haastte zich den ladder af.
Daar stond hij vlak vóór zijn jonge beschermster. Vuurrood, met schuwe-schaamte-oogen, keek hij haar even aan en sloeg dan weer den blik ten gronde.
—Moar Fonske, zij-de gij virrewoare geworden? vroeg jonkvrouw Elvire. En in den klank van haar stem lag als ’t ware iets van teleurstelling, terwijl zij hem, met vervreemde oogen, van het hoofd tot de voeten opnam.
—Joajik, mejonkvreiwe, schuchterde Fonske.
—En goat-e gij noar de tiekenschole nie mier?
—Toettoet, mejonkvreiwe, alle zondagnuchtijngen.
—What a pity!jammerde halfluid de stem van de Engelsche.
Fonske stond daar, roerloos, met zijn bekladde handjes, tusschen welks vingeren den opgeraapten borstel beefde. Hij had wel kunnen schreien, zonder te weten waarom. Hij keek nog eens bedeesd de jonkvrouw aan en vond haar zóó veranderd,dat hij haar haast niet herkende. ’t Was of daar iemand anders vóór hem stond. In die enkele maanden had ze zich bijna tot volwassen vrouw ontwikkeld. Haar haren waren opgestoken, zij droeg geen korte japon meer en zelfs de uitdrukking van haar gezicht scheen anders: nog altijd lief en mooi; mooier, véél mooier zelfs dan ’t jaar te voren, maar ook ernstiger, strakker, verder van hem af als ’t ware. Fonske voelde instinctmatig dien plotselingen afstand van verwijdering, dat werk van de afwezigheid en ’t maakte hem nog bedeesder, het stolde als ’t ware zijn ziel in zijn binnenste.
—G’ hèt toch nog geschilderd, hoop ik? vroeg ze na een poos en bekeek hem even weer met een glimlach zoo innemend-vriendelijk als vroeger.
—O joa joajik, mejonkvreiwe, haastte Fonske zich te antwoorden.
—Hawèl, ge moet veurt doen, zilde; ’k zal ne keer kome kijken. Goên dag, glimlachte zij heel lief, en volgde haar ouders en de Engelsche in het kasteel.
Met zwakke beentjes klom Fonske weer den ladder op. Het duizelde vóór zijn oogen en even moest hij zich goed vasthouden.
—Toe, Fons, hoast ou, da we gedoan hèt, vermaande Van Belleghem.
—Joa, boas, zei Fonske en ging vlijtig weer aan ’t borstelen.
Achter het raam waar hij werkte, zag hij eensklaps gestalten heen en weer bewegen, binnen in de kamer. Fluks herkende hij jonkvrouw Elvire en de Engelsche en twee knechts, die een koffer boven sleepten. Hij zag de jonkvrouw haar manteltje uittrekken. O! ’t was dus haar kamer, waaraan hij werkte!
Hij zag het meisje even roerloos staan en in zijn richting kijken. Toen zei ze iets tot de Engelsche, die naar het venster toe kwam. Zij knikte van achter de ruit naar Fonske en glimlachte met al haar tanden, en meteen liet ze ’t ratelend rolgordijn neer.
Fonske trilde even, alsof hij schrikte van het plots geluid. Hij had het gevoel van iemand, die iets onbescheidens heeft gedaan en tot straf de deur vóór zijn neus dicht krijgt.
XI.Naarmate de koewachtertjes ouder en grooter werden en een voor een het vrije leven van de wei moesten vaarwel zeggen, werd, met hun werkkring, ook de aard van hun vermaken anders. Velen bezochten reeds ’s zondags de herbergen, speelden biljart of kaart, dronken bier en jenever en keken naar de meisjes.Rietje Koarelkes was al flink aan ’t vrijen met Emeranske Casteel; Feelke Brouwers liep achter Mietje Pruime en Miel Katoor en Dolfke van de Wiele zag men meestal in de buurt van Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu. Alleen Fonske had nog niemand.Fonske had niemand, maar wel was er iemand, naar de andere kereltjes althans beweerden, die heel graag Fonske had gewild, en dat was niemandminder dan Lisatje Van Belleghem, het veertienjarig dochtertje van Fonske’s eigen baas.Lisatje Van Belleghem had een fijn en zacht gezichtje, frisch wit en roze, met golvende blonde haren en mooi-lichtblauwe oogen, blauw als de bloempjes van het vlas in Juni-weelde. Haar glimlach was zoet en bekoorlijk en zij had mooie witte tandjes, die eigenaardig konden blinken als zij glimlachte. Lisatje hielp haar moeder in huis en in het ververswinkeltje en uit háár hand was het, dat Fonske zijn eerste “virfbakske” gekocht had.Uit den aard zelf van de betrekking, die Fonske bij Van Belleghem vervulde, moest hij er dikwijls aan huis komen. Hij gebruikte er dan ook meestal het middagmaal en als ’t wat laat werd met hun werk, ook wel eens het avondeten. Dan werd hij door Lisatje bediend en ’t meisje zette hem gewoonlijk borden voor alsof hij uitgehongerd was. Hij moest telkens voor de te milde hoeveelheid bedanken, maar telkens ook drong Lisatje zóó vriendelijk, met zulk een innemenden glimlach van haar bloeme-oogjes en haar schittertandjes aan, dat Fonske dikwijls meer verorberde dan hij wel lust had, om haar geen verdriet aan te doen.’s Zondags, als Fonske naar den trein ging om in de stad zijn teekenles te nemen, was hethoogst zelden als Lisatje hem onderweg naar het station niet ontmoette, en ook bij zijn terugkomst, stond zij doorgaans op den drempel van haar huisje, waar hij voorbij moest, de frissche lucht te genieten. Rietje, Feelke, Dolfke, Mielke hadden dat alles al lang in de gaten evenals Emeranske, Mietje, Elodie en Pharaïlde, en allen lachten en gekten er om: alleen Fonske merkte daar niets van, of was met andere gedachten bezig. Fonske teekende en schilderde aanhoudend in zijn schaarsche, vrije uren, met trillend-gespannen hartstocht, als werkend voor een doel dat niemand anders kende; en, wijl hij de sympathie van het meisje wel voelde, zonder den aard daarvan te vermoeden, liet hij haar af en toe zijn schilderingen zien en juichte inwendig van genot, wanneer zij die, met van eerbiedige bewondering in elkaar geslagen handen “zeu scheune, o, toch zeu scheune” vond.Fonske was daar zoo gelukkig door, dat hij haar eens beloofde haar portret te zullen maken, wat Lisatje tranen van ontroerde dankbaarheid in de mooie blauwe-bloemenoogjes bracht.
Naarmate de koewachtertjes ouder en grooter werden en een voor een het vrije leven van de wei moesten vaarwel zeggen, werd, met hun werkkring, ook de aard van hun vermaken anders. Velen bezochten reeds ’s zondags de herbergen, speelden biljart of kaart, dronken bier en jenever en keken naar de meisjes.
Rietje Koarelkes was al flink aan ’t vrijen met Emeranske Casteel; Feelke Brouwers liep achter Mietje Pruime en Miel Katoor en Dolfke van de Wiele zag men meestal in de buurt van Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu. Alleen Fonske had nog niemand.
Fonske had niemand, maar wel was er iemand, naar de andere kereltjes althans beweerden, die heel graag Fonske had gewild, en dat was niemandminder dan Lisatje Van Belleghem, het veertienjarig dochtertje van Fonske’s eigen baas.
Lisatje Van Belleghem had een fijn en zacht gezichtje, frisch wit en roze, met golvende blonde haren en mooi-lichtblauwe oogen, blauw als de bloempjes van het vlas in Juni-weelde. Haar glimlach was zoet en bekoorlijk en zij had mooie witte tandjes, die eigenaardig konden blinken als zij glimlachte. Lisatje hielp haar moeder in huis en in het ververswinkeltje en uit háár hand was het, dat Fonske zijn eerste “virfbakske” gekocht had.
Uit den aard zelf van de betrekking, die Fonske bij Van Belleghem vervulde, moest hij er dikwijls aan huis komen. Hij gebruikte er dan ook meestal het middagmaal en als ’t wat laat werd met hun werk, ook wel eens het avondeten. Dan werd hij door Lisatje bediend en ’t meisje zette hem gewoonlijk borden voor alsof hij uitgehongerd was. Hij moest telkens voor de te milde hoeveelheid bedanken, maar telkens ook drong Lisatje zóó vriendelijk, met zulk een innemenden glimlach van haar bloeme-oogjes en haar schittertandjes aan, dat Fonske dikwijls meer verorberde dan hij wel lust had, om haar geen verdriet aan te doen.
’s Zondags, als Fonske naar den trein ging om in de stad zijn teekenles te nemen, was hethoogst zelden als Lisatje hem onderweg naar het station niet ontmoette, en ook bij zijn terugkomst, stond zij doorgaans op den drempel van haar huisje, waar hij voorbij moest, de frissche lucht te genieten. Rietje, Feelke, Dolfke, Mielke hadden dat alles al lang in de gaten evenals Emeranske, Mietje, Elodie en Pharaïlde, en allen lachten en gekten er om: alleen Fonske merkte daar niets van, of was met andere gedachten bezig. Fonske teekende en schilderde aanhoudend in zijn schaarsche, vrije uren, met trillend-gespannen hartstocht, als werkend voor een doel dat niemand anders kende; en, wijl hij de sympathie van het meisje wel voelde, zonder den aard daarvan te vermoeden, liet hij haar af en toe zijn schilderingen zien en juichte inwendig van genot, wanneer zij die, met van eerbiedige bewondering in elkaar geslagen handen “zeu scheune, o, toch zeu scheune” vond.
Fonske was daar zoo gelukkig door, dat hij haar eens beloofde haar portret te zullen maken, wat Lisatje tranen van ontroerde dankbaarheid in de mooie blauwe-bloemenoogjes bracht.
XII.Het duurde wel een heele tijd vooraleer jonkvrouw Elvire haar belofte naar Fonske’s werk te komen kijken, volbracht.Het was reeds volop zomer en al heel dikwijls had Fonske het jong meisje met haar gouvernante, of in gezelschap van meneer Gaëtan en den baron, van het eene kasteel naar ’t ander door de weiden heen zien loopen, zonder dat zij ooit bij hem aankwam. Telkens vroeg hij ’s avonds, bij zijn thuiskomst, gejaagd aan zijn moeder: “Hè jonkvreiw Elvire hier nog nie geweest?” Telkens moest moeder hem met het spijtig: “nien z’ jongen, nog niet” teleurstellen.Fonske werd er droevig en neerslachtig onder. Het kwelde hem, het wierp een schaduw over zijn gansche leven: jonkvrouw Elvire zag nietmeer naar hem om; jonkvrouw Elvire had hem vergeten. En daar was niets aan te doen, hij kon toch zelf niet naar haar toegaan als zij het niet verlangde; en Fonske leed in stilte en begon te wanhopen, toen eensklaps, op een zondag-namiddag, terwijl hij in Van Belleghem’s huis bezig was met Lisatje’s portret te schilderen, zijn moeder, vergezeld van jonkvrouw Elvire en haar gouvernante, daar buiten vóór het raam verschenen.—Och Hiere! schrikte Fonske. En de penseelen vielen uit zijn hand, net zooals weken te voren den kladborstel gevallen was.—Zóen ze binnen komen! riep met een angststem Lisatje, die dadelijk opgesprongen was.Maar ze waren reeds binnen. “Kijk, zie, mejonkvreiwe, hier zit hij” riep Fonske’s moeder, de beide jonge dames voorloodsend.—Derangeeren we niet? vroeg het kasteelmeisje met haar vriendelijksten glimlach. En zij knikte minzaam naar Lisatje, terwijl de Engelsche verrukt uitriep:—Oh! what a beauty!Fonske was opgestaan, geheel en al ontsteld door het voornaam bezoek. Hij had een kleur als vuur en kon nauwelijks met enkele, korte zinnetjesde belangstellende vragen van het jong meisje beantwoorden. Zij keek naar het portret, vond het heel mooi, keek dan ook lang en strak naar Lisatje, als wou zij haar geheel ontleden.—Es dat ’n vriendinneke van u? vroeg zij eindelijk met een raadselachtigen glimlach.—O nie nien ’t, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske zonder na te denken, met een soort gejaagde onhandigheid. En weer kreeg hij een vuurkleur zonder te weten waarom. Even keek hij op naar Lisatje, die dadelijk, als ’t ware boos, den blik van hem afwendde.—Woarom niet? hernam jonkvrouw Elvire. Ge schildert heur zeu scheune.En weer keek zij vol aandacht het jong meisje aan en wisselde enkele woorden in vreemde taal met haar gouvernante.—’t Es de dochter van Van Belleghem, mijn miester, antwoordde onderdanig Fonske.—Joa ’t, mejonkvreiwe, ’t es lijk of hij zegt, meende Fonske’s moeder gewichtig te moeten beamen.Een deur ging open en Van Belleghem kwam binnen: groot, dik, rood, met zwarte snor en opgeblazen kop, die van heel wat zondag-borreltjes en potjes bier scheen te getuigen. Hij had een platte, zwarte pet op met verlakte klep, die hijeven afnam om te groeten en hij riep dadelijk vet-lachend, op familiairen toon:—Da es nen artiest, e-woar, mejonkvreiwe! Hij zal nog moeten eindigen mee ’t expezeeren!En hij lachte heel hard om zijn buitengewoon-geestig gezegde.Jonkvrouw Elvire en de Engelsche lachten maar heel zwakjes tegen. Zij voelden blijkbaar iets hinderlijks in de aanwezigheid van den triviaal-dikken kladpotter. Zij wisselden halfluid enkele woorden in hun vreemde taal en jonkvrouw Elvire vroeg aan Fonske:—Kan ik euk ou ander werk ne keer zien, dat thuis es?—Joa joa g’ mejonkvreiwe, antwoordde Fonske; en hij was dadelijk bereid haar te vergezellen. ’K zal weere komen om ’t hier op te kuischen, zei hij tot Lisatje.Lisatje gaf geen antwoord. Zij stond rood-gegeneerd naast den muur en in haar mooie blauwe-bloemen-oogjes glom als een natte gloed van droeve spijtigheid.—Goên dag, groette haar minzaam jonkvrouw Elvire, en ook de Engelsche groette innemend, met vollen tanden-glimlach; maar in Lisatje’s benauwden wedergroet verkropte haast een snikje.Zij zag, als ’t ware hunkerend, het drietal buiten vóór het raam passeeren. Fonske keerde zich instinctmatig half om en zag haar ook, maar dadelijk trok ze zich weg, als wilde zij hem niet meer zien.Toen Fonske na een uur in ’t huisje van Van Belleghem terug kwam om voort aan Lisatje’s portret te werken, was ’t meisje nergens te vinden. Het heele schilderrommeltje stond daar nog onaangeroerd en Van Belleghem noch zijn vrouw wisten waar hun dochter was. Van Belleghem ging op den achterdrempel staan en riep met zijn grove, zware stem naar achter in het tuintje:—Hei, Liza, woar zit-e dan?—Hier, klonk zacht een zwak stemmetje.—Ge moet binnen komen, Fons es doar weere.Maar Lisatje kwam niet.—Wa steekt ze zij in heur heufd! pruttelde de moeder. Toe, Fons, goa zelve ne kier zien.Schoorvoetend ging Fonske ’t tuintje in. Het was een heel klein tuintje, een paadje tusschen palmboompjes en klapbes-struiken, met aan het eind een bloemenpriëeltje. In dat priëeltje zat Lisatje heel alleen op een bank, met den rug halvelings naar Fonske toegekeerd.—Lisatje, wilt-e weere komen poseeren? vroeg hij zacht.—Nien ik, hoofdschudde zij kortaf.Hij stond daar even, roerloos en bedremmeld.—Woarom niet? vroeg hij eindelijk.—Dóáromme!Hij begreep er niets van. Wat had hij haar nu toch misdaan!—Toe, kom, streelde hij vleierig.—Nien ik, zeg ik ou! beet zij hem eenklaps vinnig toe; en draaide een boos gezicht naar hem om, dat gansch betraand was.—Oo! schrikte hij, stil achteruit-wijkend.En meteen begreep hij,.... begreep in angstvolle ontzetting dàt, wat Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers en Mietje Pruime en Pharaïlde Van Rompu en al de anderen al sinds maanden lang begrepen hadden.
Het duurde wel een heele tijd vooraleer jonkvrouw Elvire haar belofte naar Fonske’s werk te komen kijken, volbracht.
Het was reeds volop zomer en al heel dikwijls had Fonske het jong meisje met haar gouvernante, of in gezelschap van meneer Gaëtan en den baron, van het eene kasteel naar ’t ander door de weiden heen zien loopen, zonder dat zij ooit bij hem aankwam. Telkens vroeg hij ’s avonds, bij zijn thuiskomst, gejaagd aan zijn moeder: “Hè jonkvreiw Elvire hier nog nie geweest?” Telkens moest moeder hem met het spijtig: “nien z’ jongen, nog niet” teleurstellen.
Fonske werd er droevig en neerslachtig onder. Het kwelde hem, het wierp een schaduw over zijn gansche leven: jonkvrouw Elvire zag nietmeer naar hem om; jonkvrouw Elvire had hem vergeten. En daar was niets aan te doen, hij kon toch zelf niet naar haar toegaan als zij het niet verlangde; en Fonske leed in stilte en begon te wanhopen, toen eensklaps, op een zondag-namiddag, terwijl hij in Van Belleghem’s huis bezig was met Lisatje’s portret te schilderen, zijn moeder, vergezeld van jonkvrouw Elvire en haar gouvernante, daar buiten vóór het raam verschenen.
—Och Hiere! schrikte Fonske. En de penseelen vielen uit zijn hand, net zooals weken te voren den kladborstel gevallen was.
—Zóen ze binnen komen! riep met een angststem Lisatje, die dadelijk opgesprongen was.
Maar ze waren reeds binnen. “Kijk, zie, mejonkvreiwe, hier zit hij” riep Fonske’s moeder, de beide jonge dames voorloodsend.
—Derangeeren we niet? vroeg het kasteelmeisje met haar vriendelijksten glimlach. En zij knikte minzaam naar Lisatje, terwijl de Engelsche verrukt uitriep:
—Oh! what a beauty!
Fonske was opgestaan, geheel en al ontsteld door het voornaam bezoek. Hij had een kleur als vuur en kon nauwelijks met enkele, korte zinnetjesde belangstellende vragen van het jong meisje beantwoorden. Zij keek naar het portret, vond het heel mooi, keek dan ook lang en strak naar Lisatje, als wou zij haar geheel ontleden.
—Es dat ’n vriendinneke van u? vroeg zij eindelijk met een raadselachtigen glimlach.
—O nie nien ’t, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske zonder na te denken, met een soort gejaagde onhandigheid. En weer kreeg hij een vuurkleur zonder te weten waarom. Even keek hij op naar Lisatje, die dadelijk, als ’t ware boos, den blik van hem afwendde.
—Woarom niet? hernam jonkvrouw Elvire. Ge schildert heur zeu scheune.
En weer keek zij vol aandacht het jong meisje aan en wisselde enkele woorden in vreemde taal met haar gouvernante.
—’t Es de dochter van Van Belleghem, mijn miester, antwoordde onderdanig Fonske.
—Joa ’t, mejonkvreiwe, ’t es lijk of hij zegt, meende Fonske’s moeder gewichtig te moeten beamen.
Een deur ging open en Van Belleghem kwam binnen: groot, dik, rood, met zwarte snor en opgeblazen kop, die van heel wat zondag-borreltjes en potjes bier scheen te getuigen. Hij had een platte, zwarte pet op met verlakte klep, die hijeven afnam om te groeten en hij riep dadelijk vet-lachend, op familiairen toon:
—Da es nen artiest, e-woar, mejonkvreiwe! Hij zal nog moeten eindigen mee ’t expezeeren!
En hij lachte heel hard om zijn buitengewoon-geestig gezegde.
Jonkvrouw Elvire en de Engelsche lachten maar heel zwakjes tegen. Zij voelden blijkbaar iets hinderlijks in de aanwezigheid van den triviaal-dikken kladpotter. Zij wisselden halfluid enkele woorden in hun vreemde taal en jonkvrouw Elvire vroeg aan Fonske:
—Kan ik euk ou ander werk ne keer zien, dat thuis es?
—Joa joa g’ mejonkvreiwe, antwoordde Fonske; en hij was dadelijk bereid haar te vergezellen. ’K zal weere komen om ’t hier op te kuischen, zei hij tot Lisatje.
Lisatje gaf geen antwoord. Zij stond rood-gegeneerd naast den muur en in haar mooie blauwe-bloemen-oogjes glom als een natte gloed van droeve spijtigheid.
—Goên dag, groette haar minzaam jonkvrouw Elvire, en ook de Engelsche groette innemend, met vollen tanden-glimlach; maar in Lisatje’s benauwden wedergroet verkropte haast een snikje.
Zij zag, als ’t ware hunkerend, het drietal buiten vóór het raam passeeren. Fonske keerde zich instinctmatig half om en zag haar ook, maar dadelijk trok ze zich weg, als wilde zij hem niet meer zien.
Toen Fonske na een uur in ’t huisje van Van Belleghem terug kwam om voort aan Lisatje’s portret te werken, was ’t meisje nergens te vinden. Het heele schilderrommeltje stond daar nog onaangeroerd en Van Belleghem noch zijn vrouw wisten waar hun dochter was. Van Belleghem ging op den achterdrempel staan en riep met zijn grove, zware stem naar achter in het tuintje:
—Hei, Liza, woar zit-e dan?
—Hier, klonk zacht een zwak stemmetje.
—Ge moet binnen komen, Fons es doar weere.
Maar Lisatje kwam niet.
—Wa steekt ze zij in heur heufd! pruttelde de moeder. Toe, Fons, goa zelve ne kier zien.
Schoorvoetend ging Fonske ’t tuintje in. Het was een heel klein tuintje, een paadje tusschen palmboompjes en klapbes-struiken, met aan het eind een bloemenpriëeltje. In dat priëeltje zat Lisatje heel alleen op een bank, met den rug halvelings naar Fonske toegekeerd.
—Lisatje, wilt-e weere komen poseeren? vroeg hij zacht.
—Nien ik, hoofdschudde zij kortaf.
Hij stond daar even, roerloos en bedremmeld.
—Woarom niet? vroeg hij eindelijk.
—Dóáromme!
Hij begreep er niets van. Wat had hij haar nu toch misdaan!
—Toe, kom, streelde hij vleierig.
—Nien ik, zeg ik ou! beet zij hem eenklaps vinnig toe; en draaide een boos gezicht naar hem om, dat gansch betraand was.
—Oo! schrikte hij, stil achteruit-wijkend.
En meteen begreep hij,.... begreep in angstvolle ontzetting dàt, wat Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers en Mietje Pruime en Pharaïlde Van Rompu en al de anderen al sinds maanden lang begrepen hadden.
XIII.Drie jaar waren verloopen. Fonske werd nu zeventien. Hij was lang uitgegroeid en mager opgeschoten, en een fijn, bruin snorretje beschaduwde zijn bovenlip, maar verder droeg zijn smal gezichtje nog altijd iets van die schuchtere, weemoedig-getrokken uitdrukking der kinderjaren, alsof vroeg verdriet en stille armoede er een onuitwischbaren stempel op hadden gegrift.Om hem heen ging ’t leven den gewonen gang, waarin het nu eenmaal scheen vastgegroeid. Steeds leefde hij alleen met zijn moeder in het kleine dorpshuisje, steeds ging hij werken bij en met Van Belleghem, steeds trok hij iederen zondagochtend naar de teeken-academie in de stad, en steeds ook kwamen met de lente en vertrokken met den winter de bewoners der regeerendekasteelen. Meneer de graaf hinkte wat aristocratisch-stijver op zijn stokje, meneer de baron opende een steeds ruimer uitzicht over ’t groene wei-landschap tusschen zijn waggelende o-beenen; en meneer Gaëtan, heel lang en slank geworden, droeg nog steeds zijn griezelig-weggekamden “boulevard” op ’t zwarte achterhoofd en beoefende verder velerlei sporten: jagen, paardrijden, automobielen, het laatste dikwijls in gezelschap van jonkvrouw Elvire en haar engelsche gouvernante.Van jonkvrouw Elvire kreeg Fonske af en toe nog eens bezoek. Het meisje, dat nu een mooie, jonge dame was geworden, bleef belang stellen in haar beschermeling, doch haar jeugdige geestdrift van den eersten zomer, toen ze zijn talent ontdekt had, was toch nooit teruggekomen. Sinds den dag, dat ze Fonske gezien had, in kladpotterskiel op den ladder aan ’t kasteel, was er iets in haar bejegening veranderd, alsof zij pas dan had gevoeld een afstand, die niet mocht overschreden worden.In de eerste tijden had Fonske sterk daaronder geleden. Voor hem toch had die verandering geen reden van bestaan, al voelde hij ook instinctmatig wel, dat die verhouding juist de eenig mogelijke was tusschen hem en een meisje van haar stand. Hij had er soms ’s nachts in zijn bed om geschreiden dat onbevredigd gevoel tegenover jonkvrouw Elvire had hem ook bestendig de zachte genegenheid doen verwaarloozen van Lisatje, die na haar eerste en eenige pruilbui, weer dadelijk zoo lief-toeschietelijk naar hem toegekomen was. Iets van verbitterde teleurstelling was diep op den bodem van zijn zieltje blijven liggen; en, zonder dat hij ’t zelf vermoedde, hadden de jaren en het ontwikkelingsproces van zijn groeiend leven, dat pijnlijk gevoel scherp in hem wakker gehouden. De minste aanraking van ’t teeder onderwerp deed de zieke snaar weer trillen, en hoe meer ze trilde, hoe meer het heimelijk leed, door allerhande bijoorzaken onderhouden en gevoed, zijn angel in de wond omkeerde.Een van die bij-oorzaken, een der scherpste en gevoeligste, kwam van buiten af op hem inwerken. In den loop der jaren had hij van lieverlede inniger aanraking gekregen met enkele leerlingen der teeken-academie, en wel voornamelijk met twee: Florimond Brandt en Sylvain Van Wetering.Zij waren alle bei zoowat anderhalf jaar ouder dan Fonske. Sylvain had reeds schilderijen op tentoonstellingen geplaatst gekregen en verkocht; en Florimond, die als aspirant-beeldhouwer was begonnen, scheen langzamerhand een kentering inde uiting van zijn kunstgevoel te volgen, en was bepaald op weg om dichter en schrijver te worden. Beiden waren geboren stedelingen. Florimond’s ouders hielden een klein handeltje en de vader van Sylvain was klerk bij een notaris.Het waren twee eigenaardige typen: Florimond, een en al uitbundigheid; Sylvain geconcentreerd en stug. Twee contrasten, ieder op zichzelf heel sterk-individuëel, en beiden een onbewust-krachtigen invloed uitoefenend op Fonske, die met een soort bewonderende vereering naar hen opzag.Reeds hun uiterlijk boezemde ’t eenvoudig kind van ’t platteland zulk een ontzag in. Zij waren alle twee een hoofd langer dan Fonske, sterk en flink als echte mannen, met oogen vol zelfvertrouwen en een baard, dien zij maar lieten groeien: blond bij Florimond, bruin bij Sylvain. Hun geest, hun ideeën, waren als de uiting zelve van hun fyziek wezen. Alles bij hen klonk affirmatief-beslist, sterk voor of sterk tegen iets, zonder toegevendheid noch middelmaat. Er waren geen vraagstukken, op welk gebied ook, waar ze geen verstand van hadden en waarvoor ze niet dadelijk de oplossing vonden. Zij wisten het en transigeerden nooit; ’t was zoo en niet anders, en wie dat niet aannam was minder dan niets en had geen redenvan bestaan. In een paar dozijn droge woorden brak Sylvain de gansche teeken-academie af en bouwde een nieuwe, onaantastelijke kunstleer op; met enkele grootzwaaiende gebaren haalde Florimond beeldhouwkunst, poëzie, litteratuur en tooneel omver en rees zelf, als een jonge Titan, op de puinen daarvan in de plaats. Zoo had Fonske hen dikwijls bezig gehoord, de een exuberant en praterig, de andere koel en stil, en zoolang had hij in bewondering naar hen staan gapen, tot zij hem eindelijk opgemerkt en, door zijn stille vereering gevleid, eenigszins in hun midden opgenomen hadden.Zij toonden belang in hem te stellen en hadden gevraagd wie hij was en hoe hij op de teekenacademie was gekomen.Fonske, met kleurende wangen, vertelde hun van den graaf, en van den baron, en van jonkvrouw Elvire, en van meneer Wattenberg. Bij het hooren van dezen naam schimpten zij vinnig: dat was een uil, een ploert, een vent van niks, maar de bescherming van den graaf en zijn dochter stemde de twee intransigante estheten tot grondiger nadenken, en weldra uitte de prater van het tweetal, zijn ideeën over het geval en wat er van kon komen.—De kunst, zei hij, stond boven alles. Dat washet hoogste en eigenlijk het eenigste. Al het overige was niets, bestond niet. Fonske, als schilder met talent,—en dat zou hij worden—stond hooger, duizend maal hooger dan de graaf, en de baron, en de jonker, en de jonkvrouw. Maar Fonske was arm en dat maakte hem ondergeschikt. Hij moest dus, als het kon, zien rijk te worden. Zij allen, artiesten, moesten trachten rijk te worden, hadden het recht en zelfs den plicht zoo spoedig mogelijk rijk te worden, omdat rijkdom vrijheid was en vrijheid, volle, onbezorgde en onbegrensde vrijheid onontbeerlijk voor ’t ontbloeien van de kunst. En in Fons’ speciaal geval was de weg zeer eenvoudig en zeer helder aangewezen: de jonkvrouw was rijk, zij had zich voor hemgeïnteresseerd, hem onder haar bescherming genomen: hij moest het er dus maar op aanleggen om haar zoo spoedig mogelijk tot de zijne te maken. Nog eens: Hij was in niets haar mindere; wel integendeel in alles haar meerdere, behalve in ’t fortuin. De jonkvrouw mocht zich zeer gelukkig achten als ze door haar geld, door haar ellendig geld, later een groot kunstenaar tot echtgenoot kon hebben.Fonske luisterde vreemd op, en vroeg zich even af, of die twee hem soms voor den gek hielden. Doch neen, in ’t geheel niet, zij waren volkomenernstig; de stille beaamde met gewichtig hoofdgeknik de woorden van den prater, en beweerde in een paar korte zinnen, dat zulke dingen veel gebeurden, dat er ontelbare voorbeelden van waren.Vol van tegenstrijdige gedachten en gewaarwordingen ging Fonske dan naar huis en bespiegelde tot in ’t oneindige de mogelijkheid van de hem voorgetooverde illuzie. Dat leek hem alles wel bereikbaar en gemakkelijk zoolang hij ginds in de stad was en de moed-ingevende, opbeurende woorden van Florimond en van Sylvain aanhoorde, maar hier, in ’t nederig dorpje waar eigenlijk iedereen gebukt ging, en vooral in het armoedig huisje van zijn moeder, zoo zwak en klein, onder de wel-beschermende, maar tevens benauwende schaduw der twee machtige, regeerende kasteelen, hier leek het plotseling weer domme waan en onzin, en de jongen werd boos op zichzelf, dat hij ook maar één enkel oogenblik ernstig zulk een ongerijmde hersenschim kon koesteren. Hij schudde ’t als een gekheid van zich af, hij wilde er niet meer aan denken, hij wilde aan niets meer denken dan aan zijn kunst, die hem meer en meer in beslag nam en waaraan hij tot de laatste minuutjes van zijn zoo zeldzame vrije uren opofferde.
Drie jaar waren verloopen. Fonske werd nu zeventien. Hij was lang uitgegroeid en mager opgeschoten, en een fijn, bruin snorretje beschaduwde zijn bovenlip, maar verder droeg zijn smal gezichtje nog altijd iets van die schuchtere, weemoedig-getrokken uitdrukking der kinderjaren, alsof vroeg verdriet en stille armoede er een onuitwischbaren stempel op hadden gegrift.
Om hem heen ging ’t leven den gewonen gang, waarin het nu eenmaal scheen vastgegroeid. Steeds leefde hij alleen met zijn moeder in het kleine dorpshuisje, steeds ging hij werken bij en met Van Belleghem, steeds trok hij iederen zondagochtend naar de teeken-academie in de stad, en steeds ook kwamen met de lente en vertrokken met den winter de bewoners der regeerendekasteelen. Meneer de graaf hinkte wat aristocratisch-stijver op zijn stokje, meneer de baron opende een steeds ruimer uitzicht over ’t groene wei-landschap tusschen zijn waggelende o-beenen; en meneer Gaëtan, heel lang en slank geworden, droeg nog steeds zijn griezelig-weggekamden “boulevard” op ’t zwarte achterhoofd en beoefende verder velerlei sporten: jagen, paardrijden, automobielen, het laatste dikwijls in gezelschap van jonkvrouw Elvire en haar engelsche gouvernante.
Van jonkvrouw Elvire kreeg Fonske af en toe nog eens bezoek. Het meisje, dat nu een mooie, jonge dame was geworden, bleef belang stellen in haar beschermeling, doch haar jeugdige geestdrift van den eersten zomer, toen ze zijn talent ontdekt had, was toch nooit teruggekomen. Sinds den dag, dat ze Fonske gezien had, in kladpotterskiel op den ladder aan ’t kasteel, was er iets in haar bejegening veranderd, alsof zij pas dan had gevoeld een afstand, die niet mocht overschreden worden.
In de eerste tijden had Fonske sterk daaronder geleden. Voor hem toch had die verandering geen reden van bestaan, al voelde hij ook instinctmatig wel, dat die verhouding juist de eenig mogelijke was tusschen hem en een meisje van haar stand. Hij had er soms ’s nachts in zijn bed om geschreiden dat onbevredigd gevoel tegenover jonkvrouw Elvire had hem ook bestendig de zachte genegenheid doen verwaarloozen van Lisatje, die na haar eerste en eenige pruilbui, weer dadelijk zoo lief-toeschietelijk naar hem toegekomen was. Iets van verbitterde teleurstelling was diep op den bodem van zijn zieltje blijven liggen; en, zonder dat hij ’t zelf vermoedde, hadden de jaren en het ontwikkelingsproces van zijn groeiend leven, dat pijnlijk gevoel scherp in hem wakker gehouden. De minste aanraking van ’t teeder onderwerp deed de zieke snaar weer trillen, en hoe meer ze trilde, hoe meer het heimelijk leed, door allerhande bijoorzaken onderhouden en gevoed, zijn angel in de wond omkeerde.
Een van die bij-oorzaken, een der scherpste en gevoeligste, kwam van buiten af op hem inwerken. In den loop der jaren had hij van lieverlede inniger aanraking gekregen met enkele leerlingen der teeken-academie, en wel voornamelijk met twee: Florimond Brandt en Sylvain Van Wetering.
Zij waren alle bei zoowat anderhalf jaar ouder dan Fonske. Sylvain had reeds schilderijen op tentoonstellingen geplaatst gekregen en verkocht; en Florimond, die als aspirant-beeldhouwer was begonnen, scheen langzamerhand een kentering inde uiting van zijn kunstgevoel te volgen, en was bepaald op weg om dichter en schrijver te worden. Beiden waren geboren stedelingen. Florimond’s ouders hielden een klein handeltje en de vader van Sylvain was klerk bij een notaris.
Het waren twee eigenaardige typen: Florimond, een en al uitbundigheid; Sylvain geconcentreerd en stug. Twee contrasten, ieder op zichzelf heel sterk-individuëel, en beiden een onbewust-krachtigen invloed uitoefenend op Fonske, die met een soort bewonderende vereering naar hen opzag.
Reeds hun uiterlijk boezemde ’t eenvoudig kind van ’t platteland zulk een ontzag in. Zij waren alle twee een hoofd langer dan Fonske, sterk en flink als echte mannen, met oogen vol zelfvertrouwen en een baard, dien zij maar lieten groeien: blond bij Florimond, bruin bij Sylvain. Hun geest, hun ideeën, waren als de uiting zelve van hun fyziek wezen. Alles bij hen klonk affirmatief-beslist, sterk voor of sterk tegen iets, zonder toegevendheid noch middelmaat. Er waren geen vraagstukken, op welk gebied ook, waar ze geen verstand van hadden en waarvoor ze niet dadelijk de oplossing vonden. Zij wisten het en transigeerden nooit; ’t was zoo en niet anders, en wie dat niet aannam was minder dan niets en had geen redenvan bestaan. In een paar dozijn droge woorden brak Sylvain de gansche teeken-academie af en bouwde een nieuwe, onaantastelijke kunstleer op; met enkele grootzwaaiende gebaren haalde Florimond beeldhouwkunst, poëzie, litteratuur en tooneel omver en rees zelf, als een jonge Titan, op de puinen daarvan in de plaats. Zoo had Fonske hen dikwijls bezig gehoord, de een exuberant en praterig, de andere koel en stil, en zoolang had hij in bewondering naar hen staan gapen, tot zij hem eindelijk opgemerkt en, door zijn stille vereering gevleid, eenigszins in hun midden opgenomen hadden.
Zij toonden belang in hem te stellen en hadden gevraagd wie hij was en hoe hij op de teekenacademie was gekomen.
Fonske, met kleurende wangen, vertelde hun van den graaf, en van den baron, en van jonkvrouw Elvire, en van meneer Wattenberg. Bij het hooren van dezen naam schimpten zij vinnig: dat was een uil, een ploert, een vent van niks, maar de bescherming van den graaf en zijn dochter stemde de twee intransigante estheten tot grondiger nadenken, en weldra uitte de prater van het tweetal, zijn ideeën over het geval en wat er van kon komen.
—De kunst, zei hij, stond boven alles. Dat washet hoogste en eigenlijk het eenigste. Al het overige was niets, bestond niet. Fonske, als schilder met talent,—en dat zou hij worden—stond hooger, duizend maal hooger dan de graaf, en de baron, en de jonker, en de jonkvrouw. Maar Fonske was arm en dat maakte hem ondergeschikt. Hij moest dus, als het kon, zien rijk te worden. Zij allen, artiesten, moesten trachten rijk te worden, hadden het recht en zelfs den plicht zoo spoedig mogelijk rijk te worden, omdat rijkdom vrijheid was en vrijheid, volle, onbezorgde en onbegrensde vrijheid onontbeerlijk voor ’t ontbloeien van de kunst. En in Fons’ speciaal geval was de weg zeer eenvoudig en zeer helder aangewezen: de jonkvrouw was rijk, zij had zich voor hemgeïnteresseerd, hem onder haar bescherming genomen: hij moest het er dus maar op aanleggen om haar zoo spoedig mogelijk tot de zijne te maken. Nog eens: Hij was in niets haar mindere; wel integendeel in alles haar meerdere, behalve in ’t fortuin. De jonkvrouw mocht zich zeer gelukkig achten als ze door haar geld, door haar ellendig geld, later een groot kunstenaar tot echtgenoot kon hebben.
Fonske luisterde vreemd op, en vroeg zich even af, of die twee hem soms voor den gek hielden. Doch neen, in ’t geheel niet, zij waren volkomenernstig; de stille beaamde met gewichtig hoofdgeknik de woorden van den prater, en beweerde in een paar korte zinnen, dat zulke dingen veel gebeurden, dat er ontelbare voorbeelden van waren.
Vol van tegenstrijdige gedachten en gewaarwordingen ging Fonske dan naar huis en bespiegelde tot in ’t oneindige de mogelijkheid van de hem voorgetooverde illuzie. Dat leek hem alles wel bereikbaar en gemakkelijk zoolang hij ginds in de stad was en de moed-ingevende, opbeurende woorden van Florimond en van Sylvain aanhoorde, maar hier, in ’t nederig dorpje waar eigenlijk iedereen gebukt ging, en vooral in het armoedig huisje van zijn moeder, zoo zwak en klein, onder de wel-beschermende, maar tevens benauwende schaduw der twee machtige, regeerende kasteelen, hier leek het plotseling weer domme waan en onzin, en de jongen werd boos op zichzelf, dat hij ook maar één enkel oogenblik ernstig zulk een ongerijmde hersenschim kon koesteren. Hij schudde ’t als een gekheid van zich af, hij wilde er niet meer aan denken, hij wilde aan niets meer denken dan aan zijn kunst, die hem meer en meer in beslag nam en waaraan hij tot de laatste minuutjes van zijn zoo zeldzame vrije uren opofferde.
XIV.Hij maakte vorderingen. Hij voelde zelf dat hij vorderingen maakte en dat gevoel vervulde hem met kracht en moed. Eens had jonkvrouw Elvire hem iets van haar eigen werk getoond en zóó vast en zeker en toch zonder eenigen overmoed wist hij, dat het zijne daar nu reeds verre boven stond, dat dit vluchtig bewustzijn, althans in iets haar meerdere te zijn, hem dagen lang troost had gegeven. Hij wist het, hij wist het met de volste zekerheid; en niet alleen hij, maar ook zij zelve had het gevoeld, want zij had hem gezegd:—Gij keunt dat al veel beter als ik, Alfons.Alfons! Zij noemde hem nu niet meer Fonske, gelijk vroeger, maar gaf hem zijn vollen naam. Zij sprak tot hem als tot een man, en, waar zij over kunst sprak, als tot een gelijke en weldraals tot een meerdere. Een gelijke! Zou het dan toch mogelijk zijn wat Florimond en Sylvain hem steeds met kracht bleven voorspiegelen! Als kunstenaar, ja, maar verder!.... Had hij maar de kennis, de wetenschap, de instructie, de manieren, en ook het onverstoorbaar zelfvertrouwen en aplomb van zijn twee vrienden; maar daar had hij niets van, helaas! hij wist niets, hij kende nog niet eens enkele woorden Fransch—de taal die zij gewoonlijk sprak—en hoe knapper hij werd in zijn kunst, hoe dieper en schrijnender voelde hij alles wat hem nog zoozeer ontbrak aan verdere opleiding.Kon hij althans maar een beetje Fransch, om niet altijd in zijn plat vlaamsch dialekt met haar te moeten spreken! Maar wie zou het hem leeren? Hij piekerde daarover, hij dacht er halve nachten over na en voelde zich radeloos-ongelukkig. Dat kwam hem ineens als een alles-overwegende hoofdzaak voor. Dat hij arm was, dat hij laag werk moest verrichten om aan zijn brood te komen, dat hij met zijn moeder in een hutje woonde, dat alles leek hem niets, vergeleken bij het groote euvel, dat hij geen enkel woord Fransch kon spreken. En eens, in den nood van zijn ontreddering, bekende hij ’t aan Florimond en aan Sylvain:—’t Zoe meschien meugelijk zijn, da ’k moar ’n beetse Fransch kon.—Leert heur vloamsch! antwoordde Florimond, die een vurig vlaamsch-gezinde was.—Da kan ze, zuchtte Fonske.Florimond keek hem strak aan, met glimlachenden mond en schitterende oogen, als in geestdriftig nadenken.—Hawél, weet-e watte: ’k zal ou Fransch leeren.Fonske sprong van blijdschap op.—O! da-ge dá wilde doen! Da-ge dá wilde doen! smeekte hij als in een vrome bede.
Hij maakte vorderingen. Hij voelde zelf dat hij vorderingen maakte en dat gevoel vervulde hem met kracht en moed. Eens had jonkvrouw Elvire hem iets van haar eigen werk getoond en zóó vast en zeker en toch zonder eenigen overmoed wist hij, dat het zijne daar nu reeds verre boven stond, dat dit vluchtig bewustzijn, althans in iets haar meerdere te zijn, hem dagen lang troost had gegeven. Hij wist het, hij wist het met de volste zekerheid; en niet alleen hij, maar ook zij zelve had het gevoeld, want zij had hem gezegd:
—Gij keunt dat al veel beter als ik, Alfons.
Alfons! Zij noemde hem nu niet meer Fonske, gelijk vroeger, maar gaf hem zijn vollen naam. Zij sprak tot hem als tot een man, en, waar zij over kunst sprak, als tot een gelijke en weldraals tot een meerdere. Een gelijke! Zou het dan toch mogelijk zijn wat Florimond en Sylvain hem steeds met kracht bleven voorspiegelen! Als kunstenaar, ja, maar verder!.... Had hij maar de kennis, de wetenschap, de instructie, de manieren, en ook het onverstoorbaar zelfvertrouwen en aplomb van zijn twee vrienden; maar daar had hij niets van, helaas! hij wist niets, hij kende nog niet eens enkele woorden Fransch—de taal die zij gewoonlijk sprak—en hoe knapper hij werd in zijn kunst, hoe dieper en schrijnender voelde hij alles wat hem nog zoozeer ontbrak aan verdere opleiding.
Kon hij althans maar een beetje Fransch, om niet altijd in zijn plat vlaamsch dialekt met haar te moeten spreken! Maar wie zou het hem leeren? Hij piekerde daarover, hij dacht er halve nachten over na en voelde zich radeloos-ongelukkig. Dat kwam hem ineens als een alles-overwegende hoofdzaak voor. Dat hij arm was, dat hij laag werk moest verrichten om aan zijn brood te komen, dat hij met zijn moeder in een hutje woonde, dat alles leek hem niets, vergeleken bij het groote euvel, dat hij geen enkel woord Fransch kon spreken. En eens, in den nood van zijn ontreddering, bekende hij ’t aan Florimond en aan Sylvain:
—’t Zoe meschien meugelijk zijn, da ’k moar ’n beetse Fransch kon.
—Leert heur vloamsch! antwoordde Florimond, die een vurig vlaamsch-gezinde was.
—Da kan ze, zuchtte Fonske.
Florimond keek hem strak aan, met glimlachenden mond en schitterende oogen, als in geestdriftig nadenken.
—Hawél, weet-e watte: ’k zal ou Fransch leeren.
Fonske sprong van blijdschap op.
—O! da-ge dá wilde doen! Da-ge dá wilde doen! smeekte hij als in een vrome bede.
XV.En het gebeurde. Elken zondag, na de teekenles, nam Florimond, de heetgebakerde, hartstochtelijke flamingant, die het Fransch goed kon maar onverzoenlijk haatte, Fons mee naar huis en gaf hem fransche les. Fonske schoot er wel zijn middagmaal bij in, maar wat kon het hem schelen: hij leerde Fransch!De eerste keeren waren pijnlijk. Fonske wanhoopte of het wel ooit zou gaan. Maar hij wilde met een stugge energie en eindelijk ging het een beetje. Weldra kon hij sommige dingen in de courant lezen en een elementair gesprek voeren.Maar behalve ’t speciale doel waarvoor het buitenkind zich wenschte te ontwikkelen, deed de groeiende kennis in hem ook van lieverlede een gansche wereld van onbekende emoties en verlangensontwaken. Hij voelde reeds den invloed der beschaving in haar duizenden vertakkingen en ’t was hem als een telkens nieuwe openbaring, als de kennismaking met een tooverwereld waar hij ’t wonderkind van was. Wat was het leven anders dan ’t geen hij tot nog toe op zijn dorpje kende! Wat was ’t oneindig rijker en veelzijdiger! En, de algemeene verschijnselen tot zijn eigen bestaan terugbrengend, dacht hij aan ’t geen er noodzakelijkerwijze in moest veranderen om hem eenigszins op het peil te brengen, waar hij zich, althans voorloopig, wenschte te handhaven. Hij moest andere, meer steedsche kleeren dragen; hij moest het minderwaardig werk, bij Van Belleghem, zoo spoedig mogelijk verlaten om zich, zoo veel en zoo uitsluitend als ’t maar kon, enkel aan zijn kunst te wijden; en eindelijk moest hij zijn moeder zien te bewegen om zich ook netter en fatsoenlijker te kleeden en een andere, ruimere, ietwat deftiger woning te betrekken. Maar voor dat alles was geld—en nog wel tamelijk veel geld—noodig; en hoe zou hij daar aan geraken?Naarmate zijn betrekkingen met Florimond en Sylvain intiemer werden, drong hij ook wat dieper tot hun eigen leven door en kwam er van zelf toe hun voorbeeld eenigszins te volgen. Dat warenkrachtige modellen, van wie een sterken invloed en een vast vertrouwen uitging. Sylvain had weer een schilderijtje verkocht en van Florimond waren verzen opgenomen in een tijdschrift dat betaalde; zij hadden beiden geld op zak; en Fonske, door zijn sterk verlangen en den nood gedwongen, nam eindelijk al zijn moed bij elkaar en vroeg eens aan Sylvain:—Keunt-e mij euk nie ne keer aan azeu ne keuper helpen?Nog al verbaasd en misschien wel een ietsje geërgerd over Fonske’s durf, keek Sylvain naar hem op. Maar meteen voelde hij zich gevleid dat het buitenkind zoo nederig zijn hulp inriep, en, na een oogenblikje aarzeling, antwoordde hij, flegmatisch-kortaf, als naar gewoonte:—Misschien. Hèt-e wat?—Joa joajik, verzekerde Fonske.Tot nog toe hadden de beide estheten zich eigenlijk niet geïnteresseerd voor wat Fonske, buiten de academie-lessen om, al of niet aan teekenen en schilderen presteerde. Evenmin hadden zij eenig verlangen getoond om te weten waar hij woonde of kennis met zijn omgeving te maken. Nu leek het hen echter wel leuk om daar eens heen te gaan en op een mooien zondagmiddag werd het plan ten uitvoer gebracht.Na iets gebruikt te hebben in een restauratie—ook al weer een ontroerende nieuwigheid voor Fonske, waar hij zich voorzeker nooit alleen zou gewaagd hebben,—haalden zij den trein en stapten een half uurtje later bij het klein stationnetje Meulegem af.Fonske had vooruit zijn moeder gewaarschuwd. Zij zou zich op haar uiterst-best-mogelijk aankleeden en het armoedig huisje zou er zoo weinig armoedig en zoo netjes uitzien als het maar kon.’t Was geen geringe emotie voor Fonske, toen hij zoo tusschen zijn twee voorname vrienden den weg naar ’t dorp opwandelde. Zij droegen breedgerande, zwarte deukhoeden op hun wilde haren en hadden elk een zwaren knuppel mee, alsof ze zich aan een aanranding verwachtten. Zij waren echte stadsmenschen, die nooit naar buiten kwamen en zij stelden Fons al dadelijk de gekste vragen over wat zij op het land bemerkten.Hun verschijning maakte ophef. Die langen haren, die groote hoeden, die wild-groeiende baarden, ’t was alles heel ongewoon op Meulegem; de deuren vlogen in ’t voorbijgaan open en Fonske hoorde duidelijk genoeg de onbehouden-nieuwsgierige uitroepingen:—Wie zijn datte? Mee wie leupt Fons Vermoare doar? Ha da zijn zeker zotten!Florimond glimlachte, zeer uit de hoogte:—De naturellen ’n zijn hier nie geweune van meinschen te zien, geleuf ik!Eigenlijk schaamde Fons zich een beetje, èn over ’t eigenaardig uiterlijk van zijn twee vrienden, dat niet paste in die omgeving, èn over de opdringerige onbescheidenheid zijner mede-dorpelingen. Vóór het “Vosken” onder andere, waar Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers met nog twee andere jonge boerenkinkels aan het bolspel waren, ging het er wel wat erg toe. Zij staakten hun spel om met gapende monden en oogen te kijken en Feelke riep brutaal-luid terwijl ze voorbijtrokken:—Fon, .... verdome, .... wa ès da? Mee wie leupt-e gij doar?Fons gaf geen antwoord, maar achter hun rug ging een hoongebrul op, gevolgd door hevig schaterlachen.—’t Zijn hier nog wilden, glimlachte kalm Sylvain.Fonske was maar blij dat ze al spoedig aan zijn huisje waren.—Welgekomen, meniers, welgekomen! groette Fonske’s moeder, hen nederig op haar drempel te gemoet komend.Zij namen even hun geweldige flaphoeden af en groetten haar als “madam”.—Tut tut tut, madam, Noem gulder mij “vreiwe” meniers. We ’n zijn wij moar simpele wirkmeinschen, meniers. Kom binnen as ’t ulder blieft.Zij traden binnen, hun hooge gestalten onder ’t laag deurgewelf buigend.Fonske leidde hen in ’t slaapvertrek, liet hun daar zijn schilderijen zien.—Dàt es slecht! riepdadelijk, op categorischen toon, Florimond, naar een doek waarop ’t kasteel stond afgebeeld, wijzend.Sylvain, sprakeloos, hoofdknikte beamend. Fonske voelde zich pijnlijk te leur gesteld.—Menier Wattenberg vond het pertan1goed, waagde hij schuchter.Dat deed de anderen opspringen.—Dat es wel ’t duidelijkst bewijs dat ’t niet ’n deugt! triomfeerde Florimond. En Sylvain, vol minachting glimlachend, beaamde nogmaals met een zwijgend hoofdgeknik.Andere doeken werden getoond.—Dàt es goed, zie, dàt es goed! riep Florimond een landschapje ter hand nemend. En, op een spottoon:—Wat hè menier Wattenberg dóarvan gezeid?—Hij ’n hè ’t nie gezien, antwoordde Fonske.—Dìt es goed, dìt is nog veel beter, zei nu op zijn beurt, in kalme woorden, Sylvain, een lijstje uit den stapel nemend. En hij ging er mee bij ’t raampje staan.’t Was ’t conterfeitsel van Lisatje Van Belleghem. Zonder het zelf te weten had Fonske er iets werkelijk-aardigs van gemaakt. Hij had het jong meisje de profil geschilderd, tegen het licht van een kleingeruit raampje, dat uitzicht op een bloementuintje had. En het frisch wangetje, het mooi-omschaduwd bloemen-oogje, het zuiver voorhoofdje en heel het fijn profiel met blonde haren, alles kwam in zachte harmonie van lijn en kleuren overeen met de omgeving: ’t was of het knap gezichtje midden in de bloemen stond, zelf bloem onder de bloemen, met iets van zalige verrukking om de half-ontsloten lippen, alsof het heerlijke geuren inademde. Nu kon ook Florimond niets anders dan juichend goedkeuren; zij gingen alle twee bij ’t venster nauwkeurig de details ontleden en toen keerden zij zich met een oolijk lachje naar Fons om en vroegen hem of dat een meisje uit het dorp was.—Joajoa ’t, antwoordde Fons, ’t es LisatjeVan Belleghem, ’t dochterke van mijnen boas.—’t Es spijtig da z’in de stad nie ’n weunt, ’k zoe euk ne kier heur portret moaken, zei Sylvain. En weer lachte hij ondeugend.Fonske ging daar niet verder op door, maar de toon van zijn vrienden over Lisatje beviel hem maar half. ’t Was eenigszins alsof de hand werd geslagen aan iets dat hem alleen toebehoorde. Hij voelde iets als een heel klein beetje jaloezie; en meteen kreeg Lisatje voor hem een beteekenis die ze totnogtoe niet had. Hij nam het schilderij en stopte het weg; liet andere dingen zien.Zij vonden nog twee of drie stukken goed en al het overige onvoorwaardelijk prullen, en Sylvain besloot dat hij die enkele doeken zou meenemen en ze aan zijn kunstverkooper laten zien. Hij hoopte wel, dat hij er twee of drie van de hand zou kunnen doen. Fonske was al bij voorbaat dankbaar-tevreden.Toen was er daar in ’t huisje niets meer te bekijken en nu verlangden zij den tijd dien zij nog over hadden te gebruiken om iets van het dorp en de omgeving te zien.—We zillen op de Meulenberg goan, zei Fonske. Van doar uit zie-je alles.Zij gingen.Fonske leidde hen eerst tusschen de enkele huizen van ’t dorpje, waar alweer de menschen zeer nieuwsgierig op hun drempel kwamen kijken. Enkelen groetten met diepe buiging, uit slaafsche gewoonte hun heeren te groeten, maar de meeste deden het niet, gedeeltelijk omdat Fons er bij was, maar ook wel alsof zij instinctmatig voelden, dat het hier geen echte heeren gold, zooals zij die gewend waren. Toen zij voorbij het huis van Van Belleghem kwamen was Fons eigenlijk blij dat daar niemand op den drempel stond en hij zei hun ook maar niet, dat Lisatje daar woonde. Langs een smal, stijgend paadje, tusschen twee, dicht met kreupelhout begroeide zandheuvels, bracht hij hen boven op den molenberg.Daar strekte zich een heerlijk zicht van urenwijde ruimte uit. En ’t was zóó onverwacht, daar midden in het vlakke Vlaanderen, dat zelfs aan de twee stedelingen, vrij ongevoelig voor natuurschoon, een kreet van verraste bewondering ontsnapte.Het gansche land lag er onder hun voeten, met bosschen, bouwland, weiden en rivier, in doezelige golvingen wegdeinend naar de blauwachtige heuvelverten, alsof een goede reus met groote, zachte hand in liefdevol gebaar over de wijde streek had heengeaaid. Hier had hij een glinsterendenzilverkronkel der rivier getrokken, dáár had hij een donker bosch geplant, ginds verder nog het tintlend goud der oogstvelden gestrooid, en alles als het ware overgoten met een heilig-stille atmosfeer van zoete rust. Het nietig dorpje, met zijn spits kerktorentje, dat daar vlak onder lag, was als een nestje van geluk en poëzie; de oude, grijze molen stond met naakt-gekruiste wieken in zijn eenzaamheid te droomen en heel in het verschiet, heel licht en nauwelijks zichtbaar boven de eindelooze, dichte deining van de donkere boomenkruinen heen, verrezen de hooge torens van de verre stad, ijl als lichtbakens over de wijde uitgestrektheid van een zee.Fonske, trotsch dat ze zijn streek zoo mooi vonden, wees hun de twee kasteelen: ’t kasteel van “menier denb’ron,” ’t kasteel van “menier de groave”.—Zeu ’t es doar da ze weunt? glimlachte Florimond naar de koepels en de torens wijzend.Fonske kreeg een kleur.—Joa ’t, knikte hij met inspanning.—Hawèl, ik hier, en gij doar, Sylvain, schertste Florimond, om beurt naar de twee kasteelen wijzend, da zoe mij goan. En ou?Sylvain grinnikte dat hij er niets tegen op had,maar dat er toch ook wel een plaatsje voor Fons en de jonkvrouw moest openhouden worden.Zij gingen daar een tijd op door, tot stille ergernis van Fonske, die dat alles wel misplaatst vond; en eindelijk drukten zij ’t verlangen uit, althans één van die twee kasteelen, het mooiste, waar Fons later zou wonen, van dichtbij te zien.Fonske kon niet anders dan er hen heen brengen.Zij huppelden vlug den molenberg af, liepen dwars door het dorp, kwamen in de weide.—Wa veur ’n biest es dat! riep eensklaps Sylvain, angstig op zij springend.Nu kon Fonske ook eens hartelijk met hem lachen.—Zij-je gij schouw van nen oakpuit2! spotte hij.Sylvain had blijkbaar nog nooit een kikker gezien. Met aandachtig wantrouwen ging hij ’t beest nauwkeuriger opnemen, telkens weer ’n beetje schrikkend bij iederen wipsprong. Florimond, die wél eens kikkers had gezien, lachte hem vierkant uit.—’K ben d’r vies van, griezelde Sylvain met opgekrulde bovenlip.In kalme nieuwsgierigheid kwamen nu ook de koeien op hen af. Zij stapten loom en breed overde wei en bulkten. De beide stedelingen bleven staan en hielden hun knuppels in de hoogte.—’t Zijn stieren! riep Sylvain.Fonske moest schaterlachen, ging naar de koeien toe, klopte hen pletsend op de schoften:—Ala, Bloare, ala, Blesse, uit de wig!—’K ’n zoe buiten toch nie keune weunen, verzekerde Sylvain.Zij kwamen bij de rivier en stonden vóór ’t kasteel, Fonske vol overgeërfd ontzag, de beide stedelingen met iets superieur-schimpends in de oogen.—’t Ziet er parvenu-achtig uit, beweerde Florimond; en Sylvain hoofdknikte, sprakeloos beamend. Fonske begreep het woord wel niet, maar voelde een afkeuring.Florimond ging naar het bootje toe, dat aan den oever lag.—O! ge ’n meug niet! schrikte Fonske, ’t es ’t beutse van ’t kastiel.—’t Beutse van ’t kastiel! riep Florimond verbaasd. En ’t ligt hier in de wei!—’t Es gelijk, ’t es ’t beutse van de groave, doar ’n mag niemand mee voaren! verzekerde Fonske.—Hoe komen de meinschen dan over ’t woater? ergerde zich Florimond.—Ginder, ’n endeke verder, aan den overzet van boerke Floncke, zei Fonske.Zij volgden de rivier tot aan den overzet van boerke Floncke, waar, op hun geroep, een stevig-knappe meid hen met een bootje naar den anderen oever bracht. Zij liepen dwars door boerke’s hof; de beide stedelingen even neus-dichthoudend voor een scherp-riekende mestvaalt en kwamen weldra in een lange, prachtige beukendreef, de dreef van het kasteel.Fonske vond het niet bepaald prettig daar met zijn twee voorname vrienden te loopen. Eigenlijk achtte hij hen beter geschikt voor de stad dan voor buiten en ’t speet hem wel een beetje dat hij ze naar Meulegem had meegenomen. Zij bewonderden zoo weinig wat hijzelf zijn leven lang had leeren waardeeren en vereeren, en hij wist niet goed of hij wel verheugd dan bang moest zijn voor een mogelijke ontmoeting met jonkvrouw Elvire of een der andere adelijke familieleden. Terwijl hij dat in zichzelf overwoog werd het gesnor van een automobiel hoorbaar en door ’t kasteelhek kwam de welbekende, grafelijke auto aangereden.Fonske kreeg een vuurkleur en trok zenuwachtig zijn vrienden bij de mouw.—Z’ es doar! kreet hij dof.De twee estheten drongen op zij. Zij maakten front naar den weg en bleven onbeweeglijk staan, als palen. Heel langzaam kwam de open auto aangereden. Aan ’t stuur zat meneer Gaëtan, naast hem jonkvrouw Elvire en in den achterwagen de Engelsche, die glimlachte met bloote tanden.Fonske nam zijn hoedje af en groette met diep-nederige buiging. Hij kreeg een minzaam knikje, toch een beetje als van verre, terug. Toen vertrok ’t gezicht der jonkvrouw plotseling als van ontstemde verwondering en in het snorren van den motor keek zij met hautaine strakheid naar de twee groote flaphoeden en de wilde baarden. De estheten hadden geen lid verroerd. In arrogant-stugge houding namen zij het meisje vrijpostig op en keken ook den jonker met zijn “boulevard” na. ’t Was zóó gewild en vlug-vijandig, dat Fonske ervan schrikte. Met een grijnslach van minachting keerden zij zich in ’t opgejaagde stof der auto om, en Florimond zei tot Sylvain:—Ik ’n zoe ze nie moeten hén. En gij?Sprakeloos-grinnikend schudde Sylvain het hoofd. Neen, hij ook niet.—Wa veur nen ignobele crétin es dat, die nevens heur zit? vroeg Florimond aan Fonske.—Menier Gaëtan, de zeune van menier denb’ron, antwoordde Fonske, die maar half begreep.—Es dat heur lief?De ruwe woorden troffen Fonske als een kaakslag. Nog nooit had hij iemand zoo oneerbiedig over hun traditioneele heerschers hooren spreken. Het deed hem pijn en het maakte hem nijdig. Hij gaf geen antwoord. En toch,.... diep in zijn binnenste, voelde hij een soort ontzag voor die twee flinke kerels, die zoo maar raak, en zonder vrees, de geduchte dorpsafgoden van hun voetstuk durfden gooien. Het was een kracht welke hij niet bezat; een vrijheid, en daardoor een waardigheid, hoe ruw ook, die steun gaf aan hun leven. Zij hadden niet gegroet, zij hadden niet het hoofd gebogen, zij kenden schuwheid noch ontzag, zij voelden zich niets minder, wel het tegendeel, dan die machtigen en rijken, en Fonske onderging, in weerwil van zichzelf, een soort van afgunstigen eerbied voor een durf en kranigheid, die hij wel nooit bezitten zou.Langzaam keerden zij naar ’t dorp terug: de zon ging onder in oranje glorie en de stille populieren wierpen lang hun dwarsche schaduwvlekken over ’t glinstergroene weiland. Het dorpje lag zich als ’t ware te spiegelen in avondluister en ’t roomigvee, door de koewachtertjes opgedreven, stond roerloos-wachtend bij den oever der rivier, als met goud omgoten.De twee regeerende kasteelen op hun heuvel, keken elkaar met schitter-ruiten aan. Het was alsof ze alle twee, in rijk genieten, elkander’s pracht en macht bewonderden. Zij heerschten, men zag ze voelbaar heerschen over ’t gansche land, en zelfs de twee teugellooze en vrijgevochten estheten werden iets als een benauwende drukking gewaar, want Florimond zei tot Sylvain terwijl hij naar de beide imposante buitens wees:—Dà zoe hier weg moeien, dà stoort.Zij kwamen weer in ’t dorpje. Op elken drempel zaten nu de menschen van de zachte avondfrischheid te genieten; en reeds van verre zag Fons Lisatje met haar moeder staan, vóór ’t huisje van Van Belleghem. Hij hoopte maar dat zijn vrienden het meisje niet zouden opmerken, maar het liep mis: Sylvain ontdekte haar dadelijk, bleef staan, en zei glimlachend:—Dat es ’t scheun meiske van ’t portret.—Verdeeke joa ’t, riep Florimond. Ala, Fons, presenteert ons ne keer.Met tegenzin, hoog kleurend en gegeneerd, voldeed Fonske aan ’t verzoek:—Lisatje, da zijn tweeë van mijn kameroaden uit de tiekenschole.—W’hèn ou portret gezien mademoiselle, ’t es scheune, zilde, zei Florimond met stralende oogen.—Es ’t woar, meniere; glimlachte ’t meisje schuchter den blik neerslaande.—Moar ’t origineel es nóg scheunder, complimenteerde Sylvain.Lisatje, die maar half begreep, keek nog bedeesder even op en sloeg de oogen dadelijk weer neer. Fonske beet op zijn lippen, inwendig spijtig en geërgerd, en hij voelde weer een diep-priemend steekje van vluchtige jaloezie, alsof aan iets getornd werd, waar hij alleen recht op had. De moeder bleef stijf en vagelijk-wantrouwend naast den muur staan; Van Belleghem, opgeblazen-dik en rood, verscheen in de deurpost, die hij geheel vulde, en tikte even aan zijn glimmend petvizier.De twee estheten namen hun flaphoeden af en groetten tot afscheid. Fonske zei “tot morgen” aan Van Belleghem en keek Lisatje strak en glinsterend in de oogen aan. Hij zou zijn vrienden op het dorp maar niet meer nooden. Hij was wel niet verliefd op Lisatje, maar—hij wist niet waarom—hij had toch niet gaarne gezien, dat een van die twee op haar ging verlieven.Beiden waren hoogst verrukt van Lisatje. Zij hielden daar een betoog, midden op de straat, over ’s meisje’s frissche schoonheid, die voor Fonske als een openbaring klonk. Met zulke oogen had hij haar toch nooit aanschouwd. Zij vonden haar tienmaal, honderdmaal, duizendmaal mooier dan de jonkvrouw en begrepen niet hoe Fonske dat ook niet zag en voelde. Zij zouden niet aarzelen. Al was de jonkvrouw nog zoo rijk, honderdmaal, duizendmaal zouden zij de voorkeur aan Lisatje geven. ’t Gaf Fonske een gevoel van troost, gemengd met wrevel.In Fonske’s huis pakten zij de schilderijen bij elkaar. Sylvain koos er vijf uit, waaronder het portret van Lisatje. Fonske had dit laatste nu veel liever bij zich gehouden, maar dorst Sylvain, die hem wellicht aan koopers zou helpen, niet mishagen. Hij droeg het pak en vergezelde hen naar het station.Onderweg kwamen zij meneer den pastoor tegen. Fonske nam haastig zijn hoed af en groette zoo nederig en zoo diep als hij mejonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan had gegroet. De twee estheten, daarentegen, namen in ’t minst geen notitie van den geestelijke. Fonske was er gansch ontsteld van, want meneer de pastoor was geen minderemacht dan meneer de graaf of meneer de baron en hij vreesde strenge verwijten, dat hij in slecht gezelschap verkeerde. Meneer de pastoor had héél verbaasd en zelfs héél boos naar zijn twee gezellen opgekeken.—Saleweert-e gulder de pàsters niet? kon Fonske niet nalaten gansch ontdaan te vragen.—Den dienen die doar veurbij gekomen es? vroeg Florimond minachtend uit de hoogte. We ’n kennen hem niet.—’t Es menier de pàster van Meulegem, antwoordde Fonske vol benauwd ontzag.—Al was ie-hij de Paus, we ’n kennen hem niet, zei Sylvain smalend.—Hoe durven ze toch! dacht Fonske. En weer voelde hij, in een mengsel van angst en bewonderende afgunst, bij hen die sterkende kracht, dien waardigheidstrots tegenover machtigen en rijken, welke hem zoo zeer ontbraken.Op het perron van ’t stationnetje namen zij van elkander afscheid. Sylvain beloofde vast reeds den volgenden ochtend met de schilderijen bij zijn kooper aan te gaan en hoopte wel dat hij over weinige dagen Fonske eenig gunstig bericht zou kunnen zenden.Den volgenden ochtend—Fonske was bezigaan wat decoratiewerk in het gemeentehuis—klopte de daar langs komende postbode op een der ramen om zijn aandacht te wekken.—Fons, vroeg hij, toen de jonge man met zijn borstel in de hand naar buiten kwam, het-e gij gisteren oavond ou schilderijen in den trein nie loate stoan?Fonske schrikte geweldig.—Mijn schilderijen! Ha ’k hé ze meegegeven aan iene van mijn kameroaden!—Hawèl, den dienen hé ze vergeten stoan, zei de postbode. Gelukkig hét de conducteur ze gevonden en, omdat hij ou kent, hè z’ hij weere noarMeulegemmeegebrocht. Ze stoan in de stoassie.Fonske liet vallen wat viel en holde wanhopig naar huis toe.Juist kwam zijn moeder hem gansch ontsteld te gemoet, met een blauw papiertje in de hand.—Och Hiere, Fons, ’n dépêche! Wa mag da zijn!’t Was van Sylvain. Hij maakte excuses, had gelukkig vernomen dat de schilderijen weer naar Meulegem waren, vroeg onmiddellijk terugzending aan zijn adres.Drie dagen later ontving Fonske een tweede telegram:“Vier schilderijen verkocht samen driehonderd vijf en zeventig frank.”’t Was of Fonske eensklaps gek werd. Hij sprong letterlijk op van geluk, hij danste van geluk en kwam met ’t blauw papiertje naar zijn moeder toegeloopen, luid-jubelend.—Moeder! moeder! ’t ’n es niet te geleuven! Vier schilderijen verkocht veur drei honderd vijf en tsjeventig fran! moeder, moeder, we zijn rijke!1Pourtant.2Kikvorsch.
En het gebeurde. Elken zondag, na de teekenles, nam Florimond, de heetgebakerde, hartstochtelijke flamingant, die het Fransch goed kon maar onverzoenlijk haatte, Fons mee naar huis en gaf hem fransche les. Fonske schoot er wel zijn middagmaal bij in, maar wat kon het hem schelen: hij leerde Fransch!
De eerste keeren waren pijnlijk. Fonske wanhoopte of het wel ooit zou gaan. Maar hij wilde met een stugge energie en eindelijk ging het een beetje. Weldra kon hij sommige dingen in de courant lezen en een elementair gesprek voeren.
Maar behalve ’t speciale doel waarvoor het buitenkind zich wenschte te ontwikkelen, deed de groeiende kennis in hem ook van lieverlede een gansche wereld van onbekende emoties en verlangensontwaken. Hij voelde reeds den invloed der beschaving in haar duizenden vertakkingen en ’t was hem als een telkens nieuwe openbaring, als de kennismaking met een tooverwereld waar hij ’t wonderkind van was. Wat was het leven anders dan ’t geen hij tot nog toe op zijn dorpje kende! Wat was ’t oneindig rijker en veelzijdiger! En, de algemeene verschijnselen tot zijn eigen bestaan terugbrengend, dacht hij aan ’t geen er noodzakelijkerwijze in moest veranderen om hem eenigszins op het peil te brengen, waar hij zich, althans voorloopig, wenschte te handhaven. Hij moest andere, meer steedsche kleeren dragen; hij moest het minderwaardig werk, bij Van Belleghem, zoo spoedig mogelijk verlaten om zich, zoo veel en zoo uitsluitend als ’t maar kon, enkel aan zijn kunst te wijden; en eindelijk moest hij zijn moeder zien te bewegen om zich ook netter en fatsoenlijker te kleeden en een andere, ruimere, ietwat deftiger woning te betrekken. Maar voor dat alles was geld—en nog wel tamelijk veel geld—noodig; en hoe zou hij daar aan geraken?
Naarmate zijn betrekkingen met Florimond en Sylvain intiemer werden, drong hij ook wat dieper tot hun eigen leven door en kwam er van zelf toe hun voorbeeld eenigszins te volgen. Dat warenkrachtige modellen, van wie een sterken invloed en een vast vertrouwen uitging. Sylvain had weer een schilderijtje verkocht en van Florimond waren verzen opgenomen in een tijdschrift dat betaalde; zij hadden beiden geld op zak; en Fonske, door zijn sterk verlangen en den nood gedwongen, nam eindelijk al zijn moed bij elkaar en vroeg eens aan Sylvain:
—Keunt-e mij euk nie ne keer aan azeu ne keuper helpen?
Nog al verbaasd en misschien wel een ietsje geërgerd over Fonske’s durf, keek Sylvain naar hem op. Maar meteen voelde hij zich gevleid dat het buitenkind zoo nederig zijn hulp inriep, en, na een oogenblikje aarzeling, antwoordde hij, flegmatisch-kortaf, als naar gewoonte:
—Misschien. Hèt-e wat?
—Joa joajik, verzekerde Fonske.
Tot nog toe hadden de beide estheten zich eigenlijk niet geïnteresseerd voor wat Fonske, buiten de academie-lessen om, al of niet aan teekenen en schilderen presteerde. Evenmin hadden zij eenig verlangen getoond om te weten waar hij woonde of kennis met zijn omgeving te maken. Nu leek het hen echter wel leuk om daar eens heen te gaan en op een mooien zondagmiddag werd het plan ten uitvoer gebracht.
Na iets gebruikt te hebben in een restauratie—ook al weer een ontroerende nieuwigheid voor Fonske, waar hij zich voorzeker nooit alleen zou gewaagd hebben,—haalden zij den trein en stapten een half uurtje later bij het klein stationnetje Meulegem af.
Fonske had vooruit zijn moeder gewaarschuwd. Zij zou zich op haar uiterst-best-mogelijk aankleeden en het armoedig huisje zou er zoo weinig armoedig en zoo netjes uitzien als het maar kon.
’t Was geen geringe emotie voor Fonske, toen hij zoo tusschen zijn twee voorname vrienden den weg naar ’t dorp opwandelde. Zij droegen breedgerande, zwarte deukhoeden op hun wilde haren en hadden elk een zwaren knuppel mee, alsof ze zich aan een aanranding verwachtten. Zij waren echte stadsmenschen, die nooit naar buiten kwamen en zij stelden Fons al dadelijk de gekste vragen over wat zij op het land bemerkten.
Hun verschijning maakte ophef. Die langen haren, die groote hoeden, die wild-groeiende baarden, ’t was alles heel ongewoon op Meulegem; de deuren vlogen in ’t voorbijgaan open en Fonske hoorde duidelijk genoeg de onbehouden-nieuwsgierige uitroepingen:
—Wie zijn datte? Mee wie leupt Fons Vermoare doar? Ha da zijn zeker zotten!
Florimond glimlachte, zeer uit de hoogte:
—De naturellen ’n zijn hier nie geweune van meinschen te zien, geleuf ik!
Eigenlijk schaamde Fons zich een beetje, èn over ’t eigenaardig uiterlijk van zijn twee vrienden, dat niet paste in die omgeving, èn over de opdringerige onbescheidenheid zijner mede-dorpelingen. Vóór het “Vosken” onder andere, waar Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers met nog twee andere jonge boerenkinkels aan het bolspel waren, ging het er wel wat erg toe. Zij staakten hun spel om met gapende monden en oogen te kijken en Feelke riep brutaal-luid terwijl ze voorbijtrokken:
—Fon, .... verdome, .... wa ès da? Mee wie leupt-e gij doar?
Fons gaf geen antwoord, maar achter hun rug ging een hoongebrul op, gevolgd door hevig schaterlachen.
—’t Zijn hier nog wilden, glimlachte kalm Sylvain.
Fonske was maar blij dat ze al spoedig aan zijn huisje waren.
—Welgekomen, meniers, welgekomen! groette Fonske’s moeder, hen nederig op haar drempel te gemoet komend.
Zij namen even hun geweldige flaphoeden af en groetten haar als “madam”.
—Tut tut tut, madam, Noem gulder mij “vreiwe” meniers. We ’n zijn wij moar simpele wirkmeinschen, meniers. Kom binnen as ’t ulder blieft.
Zij traden binnen, hun hooge gestalten onder ’t laag deurgewelf buigend.
Fonske leidde hen in ’t slaapvertrek, liet hun daar zijn schilderijen zien.
—Dàt es slecht! riepdadelijk, op categorischen toon, Florimond, naar een doek waarop ’t kasteel stond afgebeeld, wijzend.
Sylvain, sprakeloos, hoofdknikte beamend. Fonske voelde zich pijnlijk te leur gesteld.
—Menier Wattenberg vond het pertan1goed, waagde hij schuchter.
Dat deed de anderen opspringen.
—Dat es wel ’t duidelijkst bewijs dat ’t niet ’n deugt! triomfeerde Florimond. En Sylvain, vol minachting glimlachend, beaamde nogmaals met een zwijgend hoofdgeknik.
Andere doeken werden getoond.
—Dàt es goed, zie, dàt es goed! riep Florimond een landschapje ter hand nemend. En, op een spottoon:
—Wat hè menier Wattenberg dóarvan gezeid?
—Hij ’n hè ’t nie gezien, antwoordde Fonske.
—Dìt es goed, dìt is nog veel beter, zei nu op zijn beurt, in kalme woorden, Sylvain, een lijstje uit den stapel nemend. En hij ging er mee bij ’t raampje staan.
’t Was ’t conterfeitsel van Lisatje Van Belleghem. Zonder het zelf te weten had Fonske er iets werkelijk-aardigs van gemaakt. Hij had het jong meisje de profil geschilderd, tegen het licht van een kleingeruit raampje, dat uitzicht op een bloementuintje had. En het frisch wangetje, het mooi-omschaduwd bloemen-oogje, het zuiver voorhoofdje en heel het fijn profiel met blonde haren, alles kwam in zachte harmonie van lijn en kleuren overeen met de omgeving: ’t was of het knap gezichtje midden in de bloemen stond, zelf bloem onder de bloemen, met iets van zalige verrukking om de half-ontsloten lippen, alsof het heerlijke geuren inademde. Nu kon ook Florimond niets anders dan juichend goedkeuren; zij gingen alle twee bij ’t venster nauwkeurig de details ontleden en toen keerden zij zich met een oolijk lachje naar Fons om en vroegen hem of dat een meisje uit het dorp was.
—Joajoa ’t, antwoordde Fons, ’t es LisatjeVan Belleghem, ’t dochterke van mijnen boas.
—’t Es spijtig da z’in de stad nie ’n weunt, ’k zoe euk ne kier heur portret moaken, zei Sylvain. En weer lachte hij ondeugend.
Fonske ging daar niet verder op door, maar de toon van zijn vrienden over Lisatje beviel hem maar half. ’t Was eenigszins alsof de hand werd geslagen aan iets dat hem alleen toebehoorde. Hij voelde iets als een heel klein beetje jaloezie; en meteen kreeg Lisatje voor hem een beteekenis die ze totnogtoe niet had. Hij nam het schilderij en stopte het weg; liet andere dingen zien.
Zij vonden nog twee of drie stukken goed en al het overige onvoorwaardelijk prullen, en Sylvain besloot dat hij die enkele doeken zou meenemen en ze aan zijn kunstverkooper laten zien. Hij hoopte wel, dat hij er twee of drie van de hand zou kunnen doen. Fonske was al bij voorbaat dankbaar-tevreden.
Toen was er daar in ’t huisje niets meer te bekijken en nu verlangden zij den tijd dien zij nog over hadden te gebruiken om iets van het dorp en de omgeving te zien.
—We zillen op de Meulenberg goan, zei Fonske. Van doar uit zie-je alles.
Zij gingen.
Fonske leidde hen eerst tusschen de enkele huizen van ’t dorpje, waar alweer de menschen zeer nieuwsgierig op hun drempel kwamen kijken. Enkelen groetten met diepe buiging, uit slaafsche gewoonte hun heeren te groeten, maar de meeste deden het niet, gedeeltelijk omdat Fons er bij was, maar ook wel alsof zij instinctmatig voelden, dat het hier geen echte heeren gold, zooals zij die gewend waren. Toen zij voorbij het huis van Van Belleghem kwamen was Fons eigenlijk blij dat daar niemand op den drempel stond en hij zei hun ook maar niet, dat Lisatje daar woonde. Langs een smal, stijgend paadje, tusschen twee, dicht met kreupelhout begroeide zandheuvels, bracht hij hen boven op den molenberg.
Daar strekte zich een heerlijk zicht van urenwijde ruimte uit. En ’t was zóó onverwacht, daar midden in het vlakke Vlaanderen, dat zelfs aan de twee stedelingen, vrij ongevoelig voor natuurschoon, een kreet van verraste bewondering ontsnapte.
Het gansche land lag er onder hun voeten, met bosschen, bouwland, weiden en rivier, in doezelige golvingen wegdeinend naar de blauwachtige heuvelverten, alsof een goede reus met groote, zachte hand in liefdevol gebaar over de wijde streek had heengeaaid. Hier had hij een glinsterendenzilverkronkel der rivier getrokken, dáár had hij een donker bosch geplant, ginds verder nog het tintlend goud der oogstvelden gestrooid, en alles als het ware overgoten met een heilig-stille atmosfeer van zoete rust. Het nietig dorpje, met zijn spits kerktorentje, dat daar vlak onder lag, was als een nestje van geluk en poëzie; de oude, grijze molen stond met naakt-gekruiste wieken in zijn eenzaamheid te droomen en heel in het verschiet, heel licht en nauwelijks zichtbaar boven de eindelooze, dichte deining van de donkere boomenkruinen heen, verrezen de hooge torens van de verre stad, ijl als lichtbakens over de wijde uitgestrektheid van een zee.
Fonske, trotsch dat ze zijn streek zoo mooi vonden, wees hun de twee kasteelen: ’t kasteel van “menier denb’ron,” ’t kasteel van “menier de groave”.
—Zeu ’t es doar da ze weunt? glimlachte Florimond naar de koepels en de torens wijzend.
Fonske kreeg een kleur.
—Joa ’t, knikte hij met inspanning.
—Hawèl, ik hier, en gij doar, Sylvain, schertste Florimond, om beurt naar de twee kasteelen wijzend, da zoe mij goan. En ou?
Sylvain grinnikte dat hij er niets tegen op had,maar dat er toch ook wel een plaatsje voor Fons en de jonkvrouw moest openhouden worden.
Zij gingen daar een tijd op door, tot stille ergernis van Fonske, die dat alles wel misplaatst vond; en eindelijk drukten zij ’t verlangen uit, althans één van die twee kasteelen, het mooiste, waar Fons later zou wonen, van dichtbij te zien.
Fonske kon niet anders dan er hen heen brengen.
Zij huppelden vlug den molenberg af, liepen dwars door het dorp, kwamen in de weide.
—Wa veur ’n biest es dat! riep eensklaps Sylvain, angstig op zij springend.
Nu kon Fonske ook eens hartelijk met hem lachen.
—Zij-je gij schouw van nen oakpuit2! spotte hij.
Sylvain had blijkbaar nog nooit een kikker gezien. Met aandachtig wantrouwen ging hij ’t beest nauwkeuriger opnemen, telkens weer ’n beetje schrikkend bij iederen wipsprong. Florimond, die wél eens kikkers had gezien, lachte hem vierkant uit.
—’K ben d’r vies van, griezelde Sylvain met opgekrulde bovenlip.
In kalme nieuwsgierigheid kwamen nu ook de koeien op hen af. Zij stapten loom en breed overde wei en bulkten. De beide stedelingen bleven staan en hielden hun knuppels in de hoogte.
—’t Zijn stieren! riep Sylvain.
Fonske moest schaterlachen, ging naar de koeien toe, klopte hen pletsend op de schoften:
—Ala, Bloare, ala, Blesse, uit de wig!
—’K ’n zoe buiten toch nie keune weunen, verzekerde Sylvain.
Zij kwamen bij de rivier en stonden vóór ’t kasteel, Fonske vol overgeërfd ontzag, de beide stedelingen met iets superieur-schimpends in de oogen.
—’t Ziet er parvenu-achtig uit, beweerde Florimond; en Sylvain hoofdknikte, sprakeloos beamend. Fonske begreep het woord wel niet, maar voelde een afkeuring.
Florimond ging naar het bootje toe, dat aan den oever lag.
—O! ge ’n meug niet! schrikte Fonske, ’t es ’t beutse van ’t kastiel.
—’t Beutse van ’t kastiel! riep Florimond verbaasd. En ’t ligt hier in de wei!
—’t Es gelijk, ’t es ’t beutse van de groave, doar ’n mag niemand mee voaren! verzekerde Fonske.
—Hoe komen de meinschen dan over ’t woater? ergerde zich Florimond.
—Ginder, ’n endeke verder, aan den overzet van boerke Floncke, zei Fonske.
Zij volgden de rivier tot aan den overzet van boerke Floncke, waar, op hun geroep, een stevig-knappe meid hen met een bootje naar den anderen oever bracht. Zij liepen dwars door boerke’s hof; de beide stedelingen even neus-dichthoudend voor een scherp-riekende mestvaalt en kwamen weldra in een lange, prachtige beukendreef, de dreef van het kasteel.
Fonske vond het niet bepaald prettig daar met zijn twee voorname vrienden te loopen. Eigenlijk achtte hij hen beter geschikt voor de stad dan voor buiten en ’t speet hem wel een beetje dat hij ze naar Meulegem had meegenomen. Zij bewonderden zoo weinig wat hijzelf zijn leven lang had leeren waardeeren en vereeren, en hij wist niet goed of hij wel verheugd dan bang moest zijn voor een mogelijke ontmoeting met jonkvrouw Elvire of een der andere adelijke familieleden. Terwijl hij dat in zichzelf overwoog werd het gesnor van een automobiel hoorbaar en door ’t kasteelhek kwam de welbekende, grafelijke auto aangereden.
Fonske kreeg een vuurkleur en trok zenuwachtig zijn vrienden bij de mouw.
—Z’ es doar! kreet hij dof.
De twee estheten drongen op zij. Zij maakten front naar den weg en bleven onbeweeglijk staan, als palen. Heel langzaam kwam de open auto aangereden. Aan ’t stuur zat meneer Gaëtan, naast hem jonkvrouw Elvire en in den achterwagen de Engelsche, die glimlachte met bloote tanden.
Fonske nam zijn hoedje af en groette met diep-nederige buiging. Hij kreeg een minzaam knikje, toch een beetje als van verre, terug. Toen vertrok ’t gezicht der jonkvrouw plotseling als van ontstemde verwondering en in het snorren van den motor keek zij met hautaine strakheid naar de twee groote flaphoeden en de wilde baarden. De estheten hadden geen lid verroerd. In arrogant-stugge houding namen zij het meisje vrijpostig op en keken ook den jonker met zijn “boulevard” na. ’t Was zóó gewild en vlug-vijandig, dat Fonske ervan schrikte. Met een grijnslach van minachting keerden zij zich in ’t opgejaagde stof der auto om, en Florimond zei tot Sylvain:
—Ik ’n zoe ze nie moeten hén. En gij?
Sprakeloos-grinnikend schudde Sylvain het hoofd. Neen, hij ook niet.
—Wa veur nen ignobele crétin es dat, die nevens heur zit? vroeg Florimond aan Fonske.
—Menier Gaëtan, de zeune van menier denb’ron, antwoordde Fonske, die maar half begreep.
—Es dat heur lief?
De ruwe woorden troffen Fonske als een kaakslag. Nog nooit had hij iemand zoo oneerbiedig over hun traditioneele heerschers hooren spreken. Het deed hem pijn en het maakte hem nijdig. Hij gaf geen antwoord. En toch,.... diep in zijn binnenste, voelde hij een soort ontzag voor die twee flinke kerels, die zoo maar raak, en zonder vrees, de geduchte dorpsafgoden van hun voetstuk durfden gooien. Het was een kracht welke hij niet bezat; een vrijheid, en daardoor een waardigheid, hoe ruw ook, die steun gaf aan hun leven. Zij hadden niet gegroet, zij hadden niet het hoofd gebogen, zij kenden schuwheid noch ontzag, zij voelden zich niets minder, wel het tegendeel, dan die machtigen en rijken, en Fonske onderging, in weerwil van zichzelf, een soort van afgunstigen eerbied voor een durf en kranigheid, die hij wel nooit bezitten zou.
Langzaam keerden zij naar ’t dorp terug: de zon ging onder in oranje glorie en de stille populieren wierpen lang hun dwarsche schaduwvlekken over ’t glinstergroene weiland. Het dorpje lag zich als ’t ware te spiegelen in avondluister en ’t roomigvee, door de koewachtertjes opgedreven, stond roerloos-wachtend bij den oever der rivier, als met goud omgoten.
De twee regeerende kasteelen op hun heuvel, keken elkaar met schitter-ruiten aan. Het was alsof ze alle twee, in rijk genieten, elkander’s pracht en macht bewonderden. Zij heerschten, men zag ze voelbaar heerschen over ’t gansche land, en zelfs de twee teugellooze en vrijgevochten estheten werden iets als een benauwende drukking gewaar, want Florimond zei tot Sylvain terwijl hij naar de beide imposante buitens wees:
—Dà zoe hier weg moeien, dà stoort.
Zij kwamen weer in ’t dorpje. Op elken drempel zaten nu de menschen van de zachte avondfrischheid te genieten; en reeds van verre zag Fons Lisatje met haar moeder staan, vóór ’t huisje van Van Belleghem. Hij hoopte maar dat zijn vrienden het meisje niet zouden opmerken, maar het liep mis: Sylvain ontdekte haar dadelijk, bleef staan, en zei glimlachend:
—Dat es ’t scheun meiske van ’t portret.
—Verdeeke joa ’t, riep Florimond. Ala, Fons, presenteert ons ne keer.
Met tegenzin, hoog kleurend en gegeneerd, voldeed Fonske aan ’t verzoek:
—Lisatje, da zijn tweeë van mijn kameroaden uit de tiekenschole.
—W’hèn ou portret gezien mademoiselle, ’t es scheune, zilde, zei Florimond met stralende oogen.
—Es ’t woar, meniere; glimlachte ’t meisje schuchter den blik neerslaande.
—Moar ’t origineel es nóg scheunder, complimenteerde Sylvain.
Lisatje, die maar half begreep, keek nog bedeesder even op en sloeg de oogen dadelijk weer neer. Fonske beet op zijn lippen, inwendig spijtig en geërgerd, en hij voelde weer een diep-priemend steekje van vluchtige jaloezie, alsof aan iets getornd werd, waar hij alleen recht op had. De moeder bleef stijf en vagelijk-wantrouwend naast den muur staan; Van Belleghem, opgeblazen-dik en rood, verscheen in de deurpost, die hij geheel vulde, en tikte even aan zijn glimmend petvizier.
De twee estheten namen hun flaphoeden af en groetten tot afscheid. Fonske zei “tot morgen” aan Van Belleghem en keek Lisatje strak en glinsterend in de oogen aan. Hij zou zijn vrienden op het dorp maar niet meer nooden. Hij was wel niet verliefd op Lisatje, maar—hij wist niet waarom—hij had toch niet gaarne gezien, dat een van die twee op haar ging verlieven.
Beiden waren hoogst verrukt van Lisatje. Zij hielden daar een betoog, midden op de straat, over ’s meisje’s frissche schoonheid, die voor Fonske als een openbaring klonk. Met zulke oogen had hij haar toch nooit aanschouwd. Zij vonden haar tienmaal, honderdmaal, duizendmaal mooier dan de jonkvrouw en begrepen niet hoe Fonske dat ook niet zag en voelde. Zij zouden niet aarzelen. Al was de jonkvrouw nog zoo rijk, honderdmaal, duizendmaal zouden zij de voorkeur aan Lisatje geven. ’t Gaf Fonske een gevoel van troost, gemengd met wrevel.
In Fonske’s huis pakten zij de schilderijen bij elkaar. Sylvain koos er vijf uit, waaronder het portret van Lisatje. Fonske had dit laatste nu veel liever bij zich gehouden, maar dorst Sylvain, die hem wellicht aan koopers zou helpen, niet mishagen. Hij droeg het pak en vergezelde hen naar het station.
Onderweg kwamen zij meneer den pastoor tegen. Fonske nam haastig zijn hoed af en groette zoo nederig en zoo diep als hij mejonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan had gegroet. De twee estheten, daarentegen, namen in ’t minst geen notitie van den geestelijke. Fonske was er gansch ontsteld van, want meneer de pastoor was geen minderemacht dan meneer de graaf of meneer de baron en hij vreesde strenge verwijten, dat hij in slecht gezelschap verkeerde. Meneer de pastoor had héél verbaasd en zelfs héél boos naar zijn twee gezellen opgekeken.
—Saleweert-e gulder de pàsters niet? kon Fonske niet nalaten gansch ontdaan te vragen.
—Den dienen die doar veurbij gekomen es? vroeg Florimond minachtend uit de hoogte. We ’n kennen hem niet.
—’t Es menier de pàster van Meulegem, antwoordde Fonske vol benauwd ontzag.
—Al was ie-hij de Paus, we ’n kennen hem niet, zei Sylvain smalend.
—Hoe durven ze toch! dacht Fonske. En weer voelde hij, in een mengsel van angst en bewonderende afgunst, bij hen die sterkende kracht, dien waardigheidstrots tegenover machtigen en rijken, welke hem zoo zeer ontbraken.
Op het perron van ’t stationnetje namen zij van elkander afscheid. Sylvain beloofde vast reeds den volgenden ochtend met de schilderijen bij zijn kooper aan te gaan en hoopte wel dat hij over weinige dagen Fonske eenig gunstig bericht zou kunnen zenden.
Den volgenden ochtend—Fonske was bezigaan wat decoratiewerk in het gemeentehuis—klopte de daar langs komende postbode op een der ramen om zijn aandacht te wekken.
—Fons, vroeg hij, toen de jonge man met zijn borstel in de hand naar buiten kwam, het-e gij gisteren oavond ou schilderijen in den trein nie loate stoan?
Fonske schrikte geweldig.
—Mijn schilderijen! Ha ’k hé ze meegegeven aan iene van mijn kameroaden!
—Hawèl, den dienen hé ze vergeten stoan, zei de postbode. Gelukkig hét de conducteur ze gevonden en, omdat hij ou kent, hè z’ hij weere noarMeulegemmeegebrocht. Ze stoan in de stoassie.
Fonske liet vallen wat viel en holde wanhopig naar huis toe.
Juist kwam zijn moeder hem gansch ontsteld te gemoet, met een blauw papiertje in de hand.
—Och Hiere, Fons, ’n dépêche! Wa mag da zijn!
’t Was van Sylvain. Hij maakte excuses, had gelukkig vernomen dat de schilderijen weer naar Meulegem waren, vroeg onmiddellijk terugzending aan zijn adres.
Drie dagen later ontving Fonske een tweede telegram:
“Vier schilderijen verkocht samen driehonderd vijf en zeventig frank.”
’t Was of Fonske eensklaps gek werd. Hij sprong letterlijk op van geluk, hij danste van geluk en kwam met ’t blauw papiertje naar zijn moeder toegeloopen, luid-jubelend.
—Moeder! moeder! ’t ’n es niet te geleuven! Vier schilderijen verkocht veur drei honderd vijf en tsjeventig fran! moeder, moeder, we zijn rijke!
1Pourtant.2Kikvorsch.
1Pourtant.
2Kikvorsch.