Amersfoort, 23 September 1913.Aan de Gereformeerde Kerk te Leiden.Geliefde gemeente!Door dezen kom ik als oud-collega aan de redactie in de Kerkbode een plaatsje, dat mij zeker niet zal worden geweigerd, verzoeken, om u hartelijk dank te zeggen voor de vele bewijzen van belangstelling, op mijn verjaardag uit uw midden ontvangen, en tegelijk u de inlichtingen te geven, die door zoovelen gewenscht worden, over mijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid.Evenalsof ik nog in uw midden in- en uitging, hebben velen mij verrast met de hartelijkste blijken hunner blijvende, ik zou haast zeggen, hunner toenemende genegenheid, met hunne vriendelijke troostwoorden mijne ziel verkwikt. Zwaar is mijn tegenwoordige beproeving, maar te midden mijner smart kan ik wel weenen van blijdschap en dankbaarheid voor de groote genade, die de Heere ons schenkt in zoo heerlijke oefening van de gemeenschap der heiligen. Gaarne antwoordde ik ieder in 't bijzonder. Dit is mij echter onmogelijk. Laat ik dus door dezen aan allen, die mij zoo innig verblijdden, daarvoor mijn diepgevoelden dank mogen betuigen.Wat mijn lichamelijken toestand betreft, deze is ook thans nog niet zonder bezwaar. Toch heb ik goede hope,dat ik onder des Heeren zegen op de middelen geheel zal mogen herstellen.En indien het anders mocht wezen, des Heeren wil, die toch alleen wijs, goed en heilig is, geschiede.Toen ik kort geleden dacht, dat mijn leven spoedig zou worden afgesneden, was de gedachte van sterven mij o zoo zoet. Mijn leven is met Christus verborgen in God. Door Jezus' dierbaar bloed gewasschen, de zaligheid te mogen ingaan, naar huis te gaan, waarheen mijn hart dorst als 't hert naar de stroomen, van alle zonden en ellenden voor eeuwig ontslagen te zijn, den Heere te zien, in Zijne heerlijkheid te mogen deelen, alzóó ontbonden te zijn en met Christus te wezen, het is en blijft mij verreweg het beste.Doch op aarde kan nog een werk gedaan worden, dat in den hemel niet kan worden verricht. In den hemel zijn geen ellendigen, die nog moeten worden terechtgebracht. Alleen op aarde kan, ook aan de diepst gezonkenen, 't dierbaar Evangelie des kruises worden gebracht. Ik heb mij voorgesteld dit werk thans te beginnen onder voogdij- en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen. Het is altijd één der idealen van mijn leven geweest, zulk werk te mogen doen. En 't was mij zeker een pijnlijke gedachte, toen ik mij een oogenblik voorstelde, dat ik in 't midden mijner jaren en terwijl ik dit werk stond aan te vangen, door den dood uit het leven zou worden weggerukt. Daarom begeer ik zeer, dat de Heere nog dagen tot mijne levensdagen wil voegen. En ik verzoek dringend, dat allen blijven bidden en smeeken, dat de Heere mij nog ettelijke jaren wil sparen.Maar ik verzoek er uitdrukkelijk bij, dat aan de bede steeds worde toegevoegd: „Heere, Uw wil geschiede!” Wat de Heere doet, is wèl gedaan, hoe 't ook ga. Zeker,donker, diep en ondoorgrondelijk zijn menigmalen de wegen Gods. Maar wat wij nu niet verstaan, zullen wij nadezen verstaan. Hoe moeielijk was 't gansche leven van Jeremia? Werd een Johannes de Dooper niet in het midden zijner jaren weggenomen? Moest een Paulus niet betuigen: „Ik sterf alle dagen!” Voor 't vleesch is dit alles onbegrijpelijk; maar bij het licht des Heiligen Geestes wordt Gods grootheid juist in deze diepe leidingen 't best gezien. Daarom, geliefden, vragen wij dan maar veel genade, dat onze wil verslonden moge wezen in des Heeren wil!En wanneer 't den Heere mag behagen, mij te herstellen, en mij, geheel genezen, aan mijn grooten arbeid te geven, o hoe zal ik dan Zijn Naam loven voor deze pijnlijke maar kostelijke inleiding tot mijn werk. Deze zware beproeving heeft mij nader tot den Heere gebracht; alleen nabij Hem is 't goed, is 't zalig en heerlijk; als Elia voor Zijn aangezicht staande, staan wij met macht en gezag om des Heeren werk te doen.En hiermede, geliefde gemeente, heb ik u een blik in mijn zieleleven gegeven. Ik deed dit, omdat ik weet, hoe aangenaam het u is, te hooren van de genade, die de Heere aan een beproefden mede-zondaar schenkt; en omdat ik weet, dat ook dit schrijven aan velen beproefden in uw midden tot vertroosting kan zijn. Stelle de Heere 't daartoe nog ten zegen, en verblijde Hij ons door Zijne groote daden!In Christus uw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 1 October 1913.Geliefde gemeente!Uwe liefde en belangstelling kennend, weet ik, dat ik u een genoegen doe, wanneer ik u door middel van de Kerkbode schrijf, hoe ik thans vaar.Laat ik beginnen, u mede te deelen, dat mij thans de volle waarheid omtrent mijne krankheid is gezegd. Men heeft deze te goeder trouw voor mij verzwegen. Men vreesde, dat ik mogelijk plotseling door verstikking kon sterven, wanneer men mij de naakte werkelijkheid openbaarde. IJdele vrees! Te midden van al mijne zonden en ellenden is 't steeds door des Heeren dierbare genade de diepste behoefte mijns harten geweest, in leven en sterven Hem te verheerlijken. Rustig als een kind op den moederschoot heb ik de tijding aangehoord. Geen oogenblik ben ik sinds dien geschokt. O, wat is 't toch zalig en heerlijk, te mogen weten, in leven en sterven het eigendom des Heeren te zijn!Door den hooggeschatten professor Korteweg, die voor mij doet wat maar in zijn vermogen is en dien ik daarvoor niet genoeg kan danken, was mij in overleg met mijn huisdokter uit Amersfoort aangeraden, naar Heidelberg te gaan, en in hetCzerny's Institut für Krebskranken, d. i. de instelling voor kankerlijders van prof.Czerny, genezing te zoeken.Zaterdagavond 27 September kwam daarop een vriend bij mij, die mij een som gelds overhandigde, mij dwong deze aan te nemen, en die mij daardoor in staat stelde althans voor acht dagen met mijn vrouw naar Heidelberg te gaan. Ik kon niet anders doen dan dit geschenk aanvaarden, en deed 't dankbaar.Zóó zijn wij dan Maandagmorgen 29 September 's morgens half tien uit Amersfoort vertrokken.Ds. Teerink en mijn vriend en mede-directeur, de heer Wilbrink, deden mijn vrouw en mij uitgeleide.Ternauwernood had de trein zich in beweging gesteld, of wij sloten beiden onze oogen, en begaven ons in stil gebed tot den Heere. Met stille berusting in Zijnen wil, zonder ijdele hope op een broos leven, maar doende, wat ik tegenover mijn vrouw, de kinderen en de stichtingen, waaraan ik hoopte te arbeiden, verplicht ben, ging ik op reis, in 't stil vertrouwen, dat de God der wonderen en der middelen ook dit middel nog zegenen kan. Hij doet een afgesnedene zaak op aarde. Niets is Hem te wonderlijk. Als David te Ziklag sterkte ik mij alzoo in den Heere mijnen God.Ongemerkt waren wij spoedig aan de grenzen gekomen, en gingen na 't douanenonderzoek verder.O, wat was alles heerlijk rondom ons! Van Keulen tot Mainz spoorden we langs den Rijn, door een der schoonste deelen van Duitschland. In de strakke lucht teekende zich ieder blad, iedere lijn, iedere kromming scherp af. Tegelijk hing over de bergen een zeer dunne nevel. Het was een feesture der schepping. Het was alsof de natuur al haar weelde over 't aardrijk had uitgegoten. Zij was als een schoone bruid, die met doorzichtig sluiergaas haar schoonheid nog meer ontdekt dan bedekt.Aan alle stations was 't vol van uitgaande menschen. En te midden van dezen bevonden ook wij ons; ik, die 't vonnis des doods in mijn vleesch droeg, mijn vrouw, wier schoonste uitzichten nagenoeg vernietigd waren.Toch was ik die gelukkigste van allen. Ik stelde mij voor, wat 't moest zijn, in mijn geval zonder geloof zulk een reis te moeten maken. En nu was 't met mij zoo geheel anders. De Heere geeft mij een levend en krachtig geloof. De schoonheid der schepping deed mij telkens opzien naar de schoonheid van den hemel, die mij wacht.Van Frankfurt naar Heidelberg spoorden wij door een heerlijk oord. Ik stond achter in den trein, en had 't schoonste uitzicht. En nu was 't mij, alsof mijn lieve God tot mij sprak: „Kind, ook dit is alles voor u en van u!” Wonderbaar, wonderbaar sterkt mij de Heere. Zwaar is mijne beproeving; maar als de kinderen Israëls ga ik door 't geloof droogvoets door deze zee. Links en rechts staan de wateren; maar zij raken ons niet aan.Half tien 's avonds kwamen wij in Heidelberg aan, en wij waren beiden, o wonder, nagenoeg nog even frisch als toen wij 's morgens afreden.Dinsdagmorgen 30 September ben ik dadelijk naar 't Instituut gegaan. Vreeselijke aanblik! Rondom mij niet anders dan kankerlijders, de een meer, de ander minder geteekend. Menschen van allerlei taal en tong. En onder dezen ook wij samen, mijn vrouw en ik; want mijn vrouw vergezelt mij overal.Heden, Woensdagmorgen ben ik al dadelijk in behandeling genomen. Moge de Heere er Zijn onmisbaren zegen op gebieden, en ons nog verblijden door Zijne groote daden! Wij gaan voort ons te sterken in Hem. Geliefde gemeente, steun ons met uw gebed in dezen nood en strijd! De Heere zij met u allen, inzonderheid met de bedroefden en zwaarbeproefden! Richte Hij ook Ds. Roorda spoedig op, en geve Hij na lijden heerlijk verblijden in Zijn grooten Naam!Uw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 8 October 1913.Geliefde gemeente!Zijt ge ons ver van 't oog, maar nabij voor 't hart, wij vertrouwen, dat dit bij u te onzen opzichte precies hetzelfde is, en dat nader bericht van ons u niet onwelkom zal zijn.Geven wij u eerst een korte beschrijving van de stad, waarin wij thans vertoeven.Heidelberg is een der oudste steden van Duitschland, schilderachtig aan de beide oevers van den Heidelberg gelegen, in een halven cirkel door hooge, groene, soms blauwende bergen omgeven, voor een groot deel tegen de hellingen dier bergen gebouwd, en 't behoort alzoo tot de schoone steden, waaraan Duitschland zoo rijk is.Vroeger was 't de hoofdstad van de Paltz, was dit kleine land van eeuw tot eeuw 't tooneel van oorlog en verwoesting. In den dertigjarigen oorlog heeftTillyde stad uitgemoord. Daarna gaf Lodewijk XIV op zijn terugtocht uit Holland aan zijn wreeden veldheerMéracbevel: „Verbrand de Paltz!” Maar al te getrouw werd dit bevel uitgevoerd. Van geheel Heidelberg bleef alléén één kerk en één huis over. Daarna weder opgebouwd, werd 't ook in den revolutietijd weer geteisterd.Thans is Heidelberg met de Paltz bij 't groothertogdomBadengevoegd. Vooral in de laatste vijftien jaren is de stad sterk vooruitgegaan. Vooral tegenwoordig is Heidelberg zeer gezocht door schilders en kunstenaars, dichters en denkers. EnVon Scheffel, de dichter van Heidelberg, slingerde haar den lauwerkrans om de slapen:Oud Heidelberg, zoo fijn,Gij stad, aan eere rijk,Aan Heidelberg en aan Rijn,Geen andere stad is u gelijk!In deze stad is ook de beroemde universiteit, die vooral 's zomers door de studenten zeer gezocht wordt. De bekende Kuno Fischer onderwees hier wijsbegeerte. En de voornaamste van allen is ongetwijfeldExcellenz Geheimrat, Prof. v. Czerny, de stichter van 'tSamariterhausof het huis der Samaritanen. Deze man is de eenvoud zelf, een geneesheer bij de gratie Gods, een man, zooals ik mij Boerhaave zou denken. Een groot deel van zijn aanzienlijk vermogen heeft hij gegeven voor zijn stichting. En in deze stichting is nu ook gevestigd het instituut voor kankerlijders, waaraan tal van groote geleerden zijn verbonden.Zooals ik u reeds schreef, komen van alle oorden der wereld de ellendigen hier. Acht dagen achter elkander ben ik nu behandeld geworden, en elken dag ziet men weer nieuwe gezichten. Gedurende deze acht dagen ben ik behalve Zondag elken dag ingespoten met enzytol en om den anderen dag gedurende twintig minuten belicht met Röntgen-stralen. De inspuiting dient voor de vernieuwing van 't bloed, de bestraling voor de dooding der ziektekiemen.De aanvankelijke resultaten zijn, den Heere zij dank, reeds merkbaar. Van tevoren waren mijn tong en kaak stijf en was er vaak een dichtzuiging in den mond, alsof zij mij dreigde den adem af te snijden. Met zorg ging ik 's morgens den dag, met nog grooter zorg 's avonds den nacht tegemoet, al verzweeg ik mijn vrees zorgvuldig om geen noodelooze onrust te wekken. Thans is dit reeds anders geworden. Er komt meer beweging in tong en kaak, en ik gevoel mij gemakkelijker. Natuurlijk is onze vreugde over dezen aanvankelijken zegen een verheuging met beving, al dankt al wat in ons is den Heere voor deze overrijke, onverdiende gunst. Mijne ziekte was tot dusver echter zoo rijk aan kleine verrassingen engroote teleurstellingen, dat wij ons in onze blijdschap matigen.De kuur, die ik thans onderga, duurt drie of vier weken. Mij is thans evenwel reeds bericht, dat ik van vijf tot acht December een duurzame bestraling met radium zal ondergaan. Ik word dan dag en nacht afgezonderd en altijd door bestraald. Dit zal dus de hoofdkuur zijn. Een heele onderneming. Maar: „huid om huid, al wat een mensch heeft, zal hij geven voor zijn leven!” Dit doe ik dan ook gaarne, in de stille hope op den rijken zegen Gods. O, mocht de Heere mij nog eens oprichten! Mocht ik dan blijvende en dubbele genade van Hem ontvangen! Hoe zou ik dan als uit de dooden opgestaan. Zijn lof weder Zijn volk vertellen! Het is mij, alsof ik Hiskia voor mij zie, en alsof ik hem dan na zal zeggen: „De levende de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uwe waarheid bekendmaken!” Als een werkelijke vader hoop ik dan in 't midden van mijn kinderen te Achteveld te staan, om hen te wijzen op Hem, Die in Jezus onze Vader is, en Die vaderlijk kastijdt, maar ook zoo vaderlijk zorgt.Zondag hebben we samen gekerkt in de kapel van 'tDiaconessenhuisalhier. We hoorden er een heerlijke preek van ds.Kammererover Hebr. 10: 19–25. Hij sprak over den geopenden hemel, en waartoe deze roept. Zijn woord was eenvoudig, vertroostend en zeer getrouw. Bij 't laatste vers merkte hij op: hierbij zijn wij tegenwoordig in grooten nood. Hoe kunnen wij zeggen: „houdt u aan de Kerk”, wanneer de Kerk de leugen brengt, 't anti-christendom predikt. Wie kan dit met een goed geweten doen? Heel de dienst was zeer stichtelijk. Wanneer er gezongen werd, of Gods Woord gelezen werd, ging heel de gemeente eerbiedig staan. Ook de voorlezing van den tekst wordt door mannen en vrouwen staande aangehoord.Heerlijk vond ik ook het gezang. De geestelijke liederen werden vleugelen, waarop mijn ziel opsteeg tot den Heere. Vooral in 't slotvers ging ik geheel en al op:„Herr unser Gott, dich loben wir,Herr unser Gott, wir danken dirDie Feier dieser Stunde.O dir sei unsre Lebenszeit,Die uns noch übrig is, geweihtIn einem ew'gen Bunde.Hilf uns kampfen,Bis zum Sterben,Dasz als ErbenZu den Höhen,Einst wir siegend aufwärts gehen!”Dat wil zeggen:Heere onze God, U loven wij,Heere onze God, wij danken UDe viering van dit uur.O, U zij onze levenstijd,Die ons nog rest, gewijdTot eeuwigblijvenden bond!Help ons worst'len,Tot aan 't sterven,Opdat we als ervenTot de hoogtenOverwinnend opwaarts stijgen!Door alles tezamen waren wij zóó gesterkt, dat wij Maandag den moed namen, iets van de schoone stad te gaan zien. Wij werden begeleid door een jeugdige, Christelijke weduwe, die zelve reeds veel ervaren heeft, met wie wij hier kennis maakten, en die zich aanbood, ons,zoolang wij hier zouden zijn, als gids te dienen. Onder haar geleide gingen wij naar 't oude Heidelberger slot, waar ook eens Frederik III, de vrome, woonde, en waarvan de muren en torens nog staan. Welk een schoonheid boven op één der bergen! Welk een schoonheid, dat oude reuzen-kunstwerk, overal met goudbruin klimop begroeid, en dan die heerlijke hangende tuinen! Het was ons, alsof we een oogenblik in een tooverland waren. Vooral toen we gebracht werden op een plek, van waar we 't gezicht hadden op de stad, op den Heidelberg, op de bergen rondom, op de vlakte in de verte. We zagen alles in de heerlijke herfstbelichting. Subtiele schoonheid! Ik herinner mij niet ooit zoo iets fraais te hebben aanschouwd. Ik kan 't niet beter weergeven dan in de woorden van den Heidelberger dichterVon Scheffel:„Der Himmel hat die Erde geküsset!”De hemel heeft de aarde gekust!En hier woonde nu eenmaal Frederik III, de man, die den Catechismus deed opstellen. In deze tuinen wandelde hij met Olevianus en Ursinus, en spraken zij tezamen over den eenigen troost in leven en in sterven. Onwillekeurig denkt men hierbij aan den man, die ook zulk een heerlijk goed bewoonde. Zijn predikant zeide tot hem: „Mijnheer, dit zijn de dingen, die ons aan de aarde binden!” „Neen, dominee”, was zijn antwoord, „ditmaal hebt ge 't mis, dit zijn de dingen, die ons naar den hemel doen verlangen!”Moge dit ook met ons zóó zijn en blijven, geliefde gemeente!Laat 't beste dezer aarde ons steeds meer doen verlangen naar 't Allerbeste! „Zalig zijn zij, die het heimwee hebben; zij komen eenmaal thuis!” Velen ook uit uw midden zijn ons daarheen reeds voorgegaan. Vroeg oflaat zullen ook wij moeten volgen. Moge 't zijn in dit eeuwig en zalig Tehuis, waar alle tranen worden afgewischt!Met vriendelijke groeten van ons beiden,Uw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 14 October 1913.Geliefde gemeente!Voorzooveel mij dit mogelijk zal zijn, voldoe ik gaarne aan 't verzoek, dat tot mij kwam, met 't zenden mijner brieven aan de Kerkbode door te gaan.Veel zou ik u nog kunnen schrijven over de merkwaardige stad, waar wij thans vertoeven, en de heerlijke landstreek, waarvan zij het middelpunt vormt. Ditmaal bepaal ik mij echter tot de Universiteit.De stad telt ongeveer 50000 inwoners, aan de Universiteit zijn in den regel ongeveer 2200 studenten ingeschreven; het spreekt van zelf, dat bij zoodanige verhouding de Universiteit de zon dezer stad is, helaas, door de aan de hoogescholen heerschende zeden, ook haar moeras.De meest beroemde mannen zijn in den loop der eeuwen aan haar verbonden geweest.Van de velen noem ik slechts de meest bekenden, de Godgeleerden:Reuchlin, Coccejus, Hitzig, Umbreit, Ullmann, Rothe, de juristen:Pufendorff, Bluntschli, Windscheid, de wijsgeeren:Hegel, Fischer, Zeller. Namen, die aan alle Nederlandsche studenten overbekend zijn.Geen hoogeschool heeft ongetwijfeld zulk een veelbewogen geschiedenis achter zich als deze. Zij heeft in sterke mate de toepassing ondervonden van de heerschappij van 't territoriale stelsel, waarvan de grondregel is: „Wie heeris van 't land, zet den Godsdienst naar zijn hand!” Was de overheid Luthersch, dan was de universiteit 't ook; was zij Gereformeerd, de hoogeschool evenzoo.Na den dood van Calvijn, onderFrederikIII, was Heidelberg om haar Gereformeerde universiteit het Genève van Duitschland. Spoedig daarop kwam de hoogeschool door verandering van vorstenhuizen in handen der Jezuïeten. De prachtige universitaire bibliotheek, die de kostbaarste handschriften bevatte, werd zelfs naar Rome gevoerd. Tegenwoordig is de regeeringprotestantsch-evangelisch-liberaal met een gemoedelijk godsdienstig tintje, de universiteit is 't in hoofdzaak ook.Thans zijn in de theologische faculteit ruim 80, in de juridische ruim 580, de medische ruim 550, de philosophische ruim 610 en de natuurwetenschappelijke ruim 380 ingeschreven. Met de philosophische staat dus de medische faculteit bovenaan.De laatste telt hier tal van klinieken, die nagenoeg alle huis aan huis, soms paleis aan paleis, naast elkander liggen. Vandaar elken morgen die treurige optocht van allerlei lijders, armen en rijken, geringen en voornamen, sommigen in landauers, anderen op krukken of tusschen bloedverwanten of vrienden gesteund, in éénzelfde straat.Toen wij ons de eerste maal als vreemdelingen, die hier hulp moesten komen zoeken, onder deze ellendigen bevonden, was 't ons een oogenblik, alsof wij door den grond zouden gaan. Spoedig stonden wij echter voor het Instituut vanCzerny. Daar lazen wij den naam: „Samariterhaus!” of huis van Samaritanen. En ik kan u niet zeggen, welken troost wij beiden uit dezen naam ontvingen. Alzoo dachten wij: Wat de professoren en doctoren hier ook belijden, deze naam zegt ons, door welke gedachte zij worden geleid, deze naam zegt ons, dat zij althans wetenschappelijk en ambtelijk worden geinspireerddoor den Geest van den medelijdenden Hoogepriester, Die eenmaal de heerlijke gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan sprak. De Heere zond ons dezen naam als een lichtende ster op ons zoo moeilijk en donker pad.Meer echter nog dan door den schoonen naam van dit huis zijn wij vertroost geworden door de heerlijke mededeeling, dat in zoovele gezinnen en gemeenten onze nood in 't gebed wordt gedacht. Juist wanneer de ziel veel van den Heere geniet, heeft zij in donkeren weg de diepste behoefte aan de sympathie van 't volk van God. Al is men dan in den vreemde, men voelt zich lid van 't groote gezin van Gods Huis, waarin 't eene lid met 't andere medelijdt. Voorbede is wel de heerlijkste uiting van dit medeleven. O, wat is 't ons groot, dat wij waardig geacht worden, door 't volk van God voor den Troon der genade te worden gedacht! En die gebeden zullen verhoord worden! Des Heeren Naam is Ontfermer, is Hoorder der gebeden, en zooals Zijn Naam is, is Zijn Wezen. Hetzij ik gespaard worde, hetzij ik worde weggenomen, de Heere zal het wèl maken.Heerlijke wetenschap!Schijnbaar, voor 't oog der wereld, voor 't vleeschelijk gevoel is mijn lot tragisch. Met de grootste idealen ging ik 't leven in; maar nu eens door eigen zonde en schuld, dan weer door zware Goddelijke beproeving, zonk mijn schip in den regel vlak voor de haven. Het was, alsof de Heere ook aan mij bevestigde, wat Hij tot Baruch sprak: „Wat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit!”Toen ik de laatste maal op Achteveld was, waren de gebouwen der stichting nagenoeg gereed, en was juist de vlag op mijn woning geheschen, ten teeken dat ook deze onder de kap was. Maar ook nu scheen 't weer tezullen worden: „En Mozes zag het land van verre!”Toch klaag ik allerminst, dan alleen over mijn zonde en schuld, maar roem in het welbehagen Gods. Midden door mijne zonde en ellende loopt de blinkende weg van Gods vrije en trouwhoudende genade. Juist door mijne beproevingen bracht de Heere mij steeds nader tot Zich. Evenals bij de Emmausgangers is de Heere met Zijn Genade en Geest bij mij tegenwoordig. Ja in den zevenmaal heeter gestookten beproevingsoven doet de Heere Zijn heerlijke aanwezigheid des te duidelijker merken. Daarom gloeit ook mijn hart somwijlen van liefde voor het Vleeschgeworden Woord, dat Zijn liefdewonderen tot onze verlossing wrocht, en mij het zegel van Zijn Geest wilde schenken.Nu geniet ik, wat ik reeds van mijn kindsheid af heb begeerd. Zoo ver mijn heugenis reikt, heeft de vraag mij beziggehouden: „Wat is er toch achter deze zienlijke wereld?” Opgegroeid in een moderne omgeving, kreeg ik voor den honger mijner ziel slechts steenen voor brood, zoodat ik reeds als kind soms der wanhoop nabij was. Maar de Heere waakte. Door Zijn voorzienig bestel op een Christelijke kostschool gekomen, maakte ik daar kennis met Bunyan, en kreeg ik het eerste licht voor mijn ziel. Student geworden, ging ik dan ook zoo spoedig mogelijk naar de Vrije Universiteit, hopende, dat daar de kathedraal van het Christelijk denken mij zou worden ontsloten. En mijn verwachting werd wel overtroffen, maar niet teleurgesteld.Helaas, dat hart en geweten geen gelijken tred hielden met toenemend Christelijk weten. Gelukkig, dat ik Romeinen VII leerde kennen. En de Heere zette Zijn arbeid voort. Door des Heeren heiligende genade gaan hart en geweten met Christelijk weten hand aan hand. En dit doet mij soms met heimwee naar boven zien.„Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben”.Niettemin begeer ik ook vurig hier des Heeren werk nog te mogen doen. Immers: „En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde”. Ook op aarde zijn wij geen weezen. Het geloof blijft, het geloof, dat zulk een vaste grond is der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. De hope blijft, de liefelijke hope, die zich reeds van tevoren in de toekomende dingen verblijdt. En de liefde blijft, de liefde, die de voorsmaak is van de zaligheid en heerlijkheid des hemels.Die liefde doet mij innig wenschen, nog eens, als uit de dooden opgestaan, velen ten zegen te mogen zijn. Daarom, geliefde gemeente, ga voort met uw bidden, pleiten, smeeken, waarvoor ik u zeer dank! Verblijde de Heere ons nog door Zijne groote daden.Op dit oogenblik is mijn toestand stationair, misschien in langzamen vooruitgang. Voor 't eerst heb ik gisteren en vandaag andere dan vloeibare spijzen kunnen gebruiken. Evenals de tuberculosebehandeling schijnt echter ook deze zeer langzaam te gaan. Vele patiënten moeten zelfs drie à vier maal terugkomen. Maar de uitkomsten zijn bij sommigen dan ook verrassend. Verleden week zag ik een grijsaard, die juist van den hoogleeraar terugkwam. Zijn hals was zóó gekerfd, alsof deze eenige malen was afgesneden geweest. Zijn stem was nog heesch. Maar de wonden waren geheel genezen. De hoogleeraar had hem juist voor geheel genezen verklaard van zwaar kankerlijden. Met van vreugde stralende oogen kwam hij aan de arm zijner dochter de wachtzaal binnen, met heesche stem roepende: „genezen, genezen!” Natuurlijkfeliciteerde ik hem zeer hartelijk. Den volgenden dag ontmoette mijn vrouw hen op straat, terwijl zij vol blijdschap naar den trein en huiswaarts togen. Zij hielden mijn vrouw nog staande, spraken haar moed in en besloten: „Einen schönen Grüsz für Ihren Mann!” Een hartelijken groet voor uw man! Dat wij eenmaal deelgenooten ook voor deze vreugde mogen vinden! Verheerlijke de Heere daartoe aan ons Zijne barmhartigheid! Moge Hij diezelfde goedertierenheid ook bewijzen aan ds. Roorda! Verheuge de Heere ook u, naar de mate Hij u nu beproeft!Uw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 21 October 1913.Geliefde gemeente!Zaterdag jl. werd ook hier onder begunstiging van het allermooiste weer herdenking van den Volkerenslag bij Leipzig gevierd.'s Morgens hing er een dikke nevel; maar tegen tien uur trok de damp voor dezonnestralenop. Heerlijk gezicht, de ontsluiering der bergen, der villa's, blinkend in de zonnestralen van den Heidelberg, schitterend als kristal! Het geheel was een openbaring van schoonheid, die ge een poos met groote oogen aanziet, om haar als schilderstuk vast te nagelen in uw geheugen, en later in sombere dagen als een heerlijk visioen in uw geheugen terug te roepen.Natuurlijk had de hoofdviering van 't groote feest te Leipzig zelve plaats. Daar was de keizer met de bondsvorsten om 't groote „Denkmal” te onthullen. Geen wonder, dat men vooral hier zooveel werk maakt van deviering van dit feest. In de velden van Leipzig is de hoeksteen gelegd van Duitschlands latere grootheid. Een eeuw lang is daarop voortgebouwd, en 't resultaat is thans te zien. Het eens verdeelde en vernederde Duitsche volk heeft thans de eerste stem in den raad der volken.Wel zijn er donkere wolken. Duitschland is gevreesd, maar ook benijd en gehaat, en 't volk leeft sterk onder den indruk van een komenden oorlog. „Aber wenn der Krieg kommt”, „maar wanneer de oorlog komt”, is een uitdrukking, die nogal eens gebezigd wordt. Ge spreekt met een moeder over de toekomst van haar zoon. Hoog geeft zij op van haar gespannen verwachting. Plotseling betrekt haar gelaat. „Aber wenn der Krieg kommt,” en met zorg staart haar blik op haar kind.In Heidelberg werd 't groote feest zeer kalm gevierd, en wij hebben er uit den aard der zaak nagenoeg niets van gezien.Zondagmorgen zijn we ter kerk gegaan, niet in Heidelberg, maar inHandschuhsheim, een dorp, dat ongeveer een kwartier van Heidelberg ligt, en dat thans bij de stad is geannexeerd, maar nog geheel dorpsch is ingericht. Het is een welvarende plaats van ongeveer 4000 inwoners, die in den reformatietijd een rol van beteekenis speelde. De bevolking leeft er van wijn- en ooftbouw. Jaarlijks worden er voor honderd duizend gulden kersen verhandeld, en reeds in Mei komen kooplieden uit Hamburg hier hunne opkoopen doen. Er is een zeer oude kerk, die vroeger, gelijk men dat hier noemt,Simultankirchewas, d.w.z. door Roomschen en Protestanten tegelijk gebruikt werd, bijv.'s morgensdoor de Protestanten en 's middags door de Roomschen, of omgekeerd. Thans is dit oude kerkje aan de Roomschen gegeven, en de Evangelischen hebben een nieuw kerkgebouw gekregen, een prachtwerk in gemoderniseerden Gothischen stijl.Daarheen trokken wij Zondagmorgen op, en bij 't binnentreden kwamen we al dadelijk in de rechte stemming. Welk een prachtkerk! Welk een schoone ornamentiek! Vlak voor ons zagen we dadelijk 't koor, hemelsblauw met groote gouden starren. Links en rechts prachtige friesen in kleuren als van koperdruk.De kerk was geheel gevuld. Geen gepraat. Geen gefluister zelfs. Alles was muisstil. Op onze teenen liepen we zoo ver mogelijk naar voren om een goede plaats te krijgen; en daar zaten we spoedig heel gezellig midden onder de wijnboeren en boerinnen, allen eenvoudige, maar welgestelde en zeer intelligente menschen.Met een prachtig voorspel begon de dienst, en nu zong de gemeente de Ambrosiaansche berijming van den 75en Psalm, 't „Wij loven U, o God!” Een oogenblik wist ik niet, waar ik was. Geweldig en toch harmonisch, machtig en doordringend klonk de zang, waarin de helden-baryton en de vrouwen-sopraan elkander steunden. En de gedachte vloog mij door de ziel: „Neen, een volk, dat zóó zingt, kan niet ondergaan”.Middelerwijl had de Pastor zijn plaats ingenomen op 't podium vóór den preekstoel. De gansche gemeente, die staande gezongen had, bleef staan. Plechtig las hij haar voor Ps. 118: 14–29. Wanneer ge deze woorden naleest, zult ge begrijpen, hoe deze voorlezing mij tot in 't diepst der ziel aangreep.Na 't gebed beklom hij den kansel, en sprak uit 't lied van Mozes, Exodus 15: 1–6. De grondgedachte van zijn prediking was: de oorlog is een groote verwoester, de oorlog is ook een groote opvoeder. Hij is een groote verwoester. Tot duren prijs heeft Duitschland zijn vrijheid heroverd. Honderd zestig duizend lijken dekten aan den laatsten avond van den veldslag den bodem. Maar hij is ook een groote opvoeder. Vóór de Napoleontische verdrukkingrekende men in Duitschland niet meer met God. In den oorlog, vooral bij dezen veldslag werd het anders. Vijfhonderd duizend mannen vielen elkander hier aan. Wie zal de overwinning wegdragen? De evenaar schommelt in 't huisje. Aan het einde van den slag moet de overwinnaar zeggen: „God heeft mij de zege gegeven.” Moet de overwonnene erkennen: „God heeft over mij gericht geoefend!”Rijk is de zegen, dien ik wederom van deze prediking voor mijne ziel heb weggedragen. Ik ben thans drie weken in behandeling, en 't einde van de eerste kuur is gekomen. Een geweldige vijand, de doodsvijand huist in mijn lichaam. Reeds triomfeert hij. Maar nu wordt hij elken dag opnieuw aangevallen door nieuwe middelen, die de Almachtige heeft gegeven. Wie zal de overwinning behalen? De overmachtige vijand? Of zijn krachtige bestrijder? Dit hangt alleen af van 't welbehagen van den Heere Zebaôth. Als Mozes in den slag tegen Amelek, hef ik dan ook tot Hem gedurig de hand biddend op. En 't is mij tot zulk een rijken troost te mogen weten, dat gij en zoowelen als Aäron en Hur mij steunt in dezen geweldigen strijd.Wat 't resultaat van de behandeling is, kan ik uit den aard der zaak nu nog niet mededeelen. Ik sta nog midden in den strijd. Morgen 22 October hoop ik weer naar Amersfoort te gaan. 20 November moet ik dan terugkomen naar Heidelberg en er tot 8 December blijven. Eerst dan kan een voorloopig resultaat worden opgemaakt. Gaarne zou ik u gedurende de vier weken, dat ik 't vaderland verlaten heb eens opzoeken, om zoovelen als mogelijk is nog de hand te drukken. Maar mijn lichaam moet volstrekte rust hebben. De behandeling, die ik onderging, moet na- en doorwerken, en ik moet mij sterken voor de tweede kuur, die nog krachtiger aanpakt.Het is en blijft dus biddende wachttijd!Maar daarom dan ook zoo heerlijke wachttijd!Meer dan ooit leer ik thans de heerlijke deugden Gods kennen. Zijn Almacht, die beide de krankheden en de geneesmiddelen schept. Zijn wijsheid, die den mensch doet zoeken naar de middelen; maar dan ook op dit gebied bevestigt: „Die zoekt, zal vinden!” O, wanneer ge hier in deze laboratoria rondkijkt, staat ge verslagen over de wonderen der schepping. Voorts de Goddelijke heiligheid, die de krankheden gebruikt om te kastijden en te louteren. Maar ook Zijn rechtvaardigheid. De Schrift spreekt van een „kauwen der tonge.”Die vreeselijke uitdrukking, ik heb haar eenigemate leeren verstaan, en 't is mij een diepe behoefte geworden: „Och mocht ik mij toch maar recht diep verootmoedigen over mijne zonden, waardoor ik mij niet alleen alle tijdelijke, maar ook alle eeuwige straffen heb waardig gemaakt!” Maar ook zijne rijke, zijne heerlijke genade, die om de kruis- en zoenverdiensten van Jezus volkomen vergeeft. En ook die liefelijke Goddelijke barmhartigheid, waardoor Hij met ontferming bewogen is over mijne ellende. O, wat heeft ook die Goddelijke barmhartigheid mij vertroost! Toen ik een kind was, vleide ik wel 't hoofd tegen de borst mijner moeder, als ik wat van haar begeerde, en o met wat goede moederoogen zag ze mij dan aan! Maar wat is de moederliefde nog bij de ontfermingen Gods? O, wat is 't heerlijk, zich in die Goddelijke barmhartigheid en goedertierenheid in te wikkelen en te schreien: „Och Heere, erbarm U over mijne ellende.”'t Is zoo volkomen waar, wat een Duitsch versje zegt:Wer glaubt, der ist grosz und reich,Er hat Gott und Himmelreich!Wer glaubt, der ist klein und arm,Und schreit nur: „Gott erbarm!”Dit is:Wie gelooft, die is groot en rijk,Hij heeft God en hemelrijk!Wie gelooft, die is klein en arm,Hij roept slechts: „Dat de Heere Zich erbarm!”„Heere, erbarm U!” Geliefde gemeente, laat dat onze, ook uwe bede blijven! Laat 't uw bede blijven voor uwen leeraar, die mede zoo zwaar door des Heeren Hand is bezocht. Laat 't óók uwe bede blijven vooruw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 30 October 1913.Geliefde gemeente!Na een goede kuur en een voorspoedige reis ben ik verleden week Woensdag met mijn vrouw te Amersfoort aangekomen. We vonden thuis alles wel, en ons hart vloeit thans over van dankbaarheid aan den Heere, Die ons in moeilijke dagen zóó nabij is geweest; van dankbaarheid aan allen, die met ons hebben medegeleefd, ons hebben verkwikt met hunne brieven, ons hebben gedacht in hunne gebeden; van dankbaarheid ook aan degenen, die mij in Heidelberg hebben behandeld. Welk een voortreffelijke geest heerscht in datSamariterhaus! De professoren en doctoren zijn er vaders, zusters, moeders voor depatiënten; armen en rijken, geringen en voornamen worden er met dezelfde welwillendheid behandeld. De naam „Samariterhaus” vertolkt volkomen wat dit huis is!Onze terugreis was weer even mooi als de heenreis. De wijnstokken en 't geboomte op de bergen hadden hun schoonste najaarskleed aangetrokken. Welk een tinteling van kleuren, waarin het goudbruin de boventoon voerde!Welke spelingen van het licht! Deze October-maand is wel inzonderheid de maand der schilders.Ook hier in Amersfoort is de natuur al weer even schoon. Alléén nu en dan steekt de stormwind op, die de toppen der boomen geheel ontbladert, en op de vleugelen van het windgeruisch en 't bladerengeritsel komt een klaagzang: „Sic transit gloria mundi!” „Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!”Treffende prediking, die daarin ligt, en die door wijlen Van Oosterzee in zijn bekende dichtregelen eens zoo aandoenlijk werd vertolkt:De dood heeft mij een brief geschreven,Ik las hem op het dorrend blad,Dat door den stormwind voortgedreven,Op 't vensterglas heeft post gevat.Het is nu ongeveer een jaar geleden, dat ik deze dichtregelen 't eerst las. Het was op mijn studeerkamer te Leiden. De stormwind joeg de bladeren van de kastanjeboomen in mijn tuin tegen de glazen, en tikkend vloog 't eene blad na 't andere er tegen op, alsof ze alle mijn aandacht kwamen vragen. De woonden van dit vers sloegen aan. Een gansch nieuwe gedachte vatte de teugels op in mijn zieleleven. Hoe zoet de gedachte van den dood mij ook was, toch had ik steeds zijn dag verre gesteld. Ik had mij een levensprogram gesteld, dat zou ik eerst rustig afwerken en dan zou de Heere mij komen oproepen. Nu leerde ik verstaan, dat de Heere ook mij plotseling uit het midden van mijn werk zou kunnen oproepen, gelijk Hij reeds zoo velen had gedaan. Ik dacht aan Kruijswijk, den krachtigen werker, die in weinige dagen midden uit een arbeidzaam leven en uit het midden van een talrijk gezin werd weggerukt; aan een Oranje, den hoogbegaafdenprediker, die na een langdurige ziekte mede werd weggenomen. Toen mij geopenbaard werd, wat mij scheelde, dacht ik dan ook niet anders, of ook tot mij kwam nu de Goddelijke sprake als tot Hiskia: „Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven”. Hoeveel goeds mij ook van hetCzerny'sche Instituut werd gezegd, ik kon weinig denken, dat ik daar nog genezing zou vinden. Uit plichtsgevoel ging ik er heen. Op de heenreis dacht ik in den trein telkens aan Frederik III, Duitschlands keizer, die ongeveer op gelijken leeftijd dezelfde kwaal kreeg. Slechts een klein gedeelte van 't rijk, waarover hij den schepter voerde, zag ik. Doch hoe kort heeft hij slechts over 't groote en krachtige rijk geregeerd. In 1888 stierf zijn vader, Keizer Wilhelm I. Aller oogen waren gevestigd op den veelbelovenden nieuwen keizer, wiens naam in 1870 in één adem met dien van eenVon Moltkeen eenVon Bismarckwerd genoemd. Terstond openbaarde zich echter de kwaal. Geregeerd heeft hij eigenlijk niet. Zijn regeering van twee maanden was een tijd van zwaar lijden, en in korten tijd werd hij ten grave gesleept. Indien bij één vorstelijk sterfbed, dan gold wel bij dit: „Sic transit gloria mundi!” „Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!” Voor 's keizers ziekte was toen geen middel bekend.Maar zie, na dien tijd heeft de Heere in de wetenschap de ontdekking der therapeutische Röntgenbehandeling gegeven, waardoor sommige kankerziekten met vrucht worden bestreden. Zou de Heere ook mij daardoor nog willen herstellen? Een oogenblik opende zich als in de verte een deurtje, en blikte de hope mij even aan. In alle kerken in Nederland werd gebeden, werd vurig gebeden. En zie, de God der wonderen en der middelen heeft aanvankelijk rijken zegen geschonken. De nawerking en doorwerking is thans boven verwachting goed. Mijn vrouw enik kunnen geen woorden vinden om den Heere voor dezen aanvankelijken wonderbaren zegen te danken, waar de Heere aan kleinen schenkt, wat Hij vroeger aan grooten heeft onthouden.Natuurlijk weet ik zeer goed, dat ook nu nog allerlei complicaties kunnen intreden, en dan is 't in weinig dagen of maanden afgeloopen. Maar ook dan geen nood! Mijn leven is in des Heeren Hand en daarin volkomen veilig. Zijn Vaderhand voert mij dan in de heerlijkheid, waarvan geen „sic transit gloria”, „zoo gaat de heerlijkheid voorbij”, kan worden gezegd.Naar die heerlijkheid wijst mij ook wederom 't dorrend blad. Zie 't aan, in zijn schoone goudbruine kleur!Al 't vergankelijke is gelijkenis van 't onvergankelijke. Het zienlijke is niet blijvend, 't onzienlijke blijft eeuwig; maar daarom is 't zienlijke niet waardeloos. Integendeel, al 't zienlijke heeft de roeping om naar boven, naar de onzienlijke dingen te wijzen. Vooral van de heerlijke dingen dezer aarde, van 't licht, van de kleuren, van de bloemen, van de edelgesteenten gaat een sprake uit, die ons toeroept: „Sursum corda!” „De harten naar boven!” Daar is het eeuwige licht! Daar zijn de wuivende palmen! De straten van goud! De perelen poorten! De blinkende kleuren!Nog eens, zie 't aan, 't afgevallen blad in zijn schoone goudbruine kleur!Het goud is de kleur der glorie, der heerlijkheid, der hemelen.Het bruin is rood met zwart gemengd. Het rood, de kleur der liefde. Het zwart, de kleur van den dood. Het bruin spreekt van een liefde tot den dood.Het goudbruin wijst naar boven, naar de heerlijkheid, naar de eeuwige liefde. En ditzelfde blad, dat ons de vergankelijkheid predikt, wijst ons in zijn vergaan nog naarboven, naar de onvergankelijke heerlijkheid en liefde in de onzienlijke wereld.O wat schoone symboliek is er toch in de schepping Gods!Daarvan heeft de Heere ook gebruik gemaakt bij de instelling des Heiligen Avondmaals.Den eersten Zondag, dat wij hier waren, waren wij in de gelegenheid daaraan deel te nemen, en niet gaarne laat ik dit voorbijgaan. Het Heilig Avondmaal is mij altijd de liefste plek op aarde geweest. Dan zeg ik altijd bij mij zelven: „Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus liegt niet!” Hij heeft alles volbracht. Hij heeft al de Schriften vervuld. Hij heeft de volkomen zaligheid verworven. En tot teeken en zegel daarvan schenkt Hij mij nu dit brood, als teeken en zegel van Zijn verbroken vleesch; den drinkbeker, als teeken en zegel van Zijn vergoten bloed. O, welke onderpanden van heerlijke liefde, van liefde tot in den dood, van eeuwige liefde aan gansch onwaardigen. Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus liegt niet. En meer dan door een engelverschijning of hemelstem word ik dan door deze eenvoudige teekenen gesterkt in mijn Christelijk geloof, dat mij zulk een rijken troost doet genieten.O, waar zal ik beginnen, waar zal ik eindigen, om des Heeren lof groot te maken? Ik zou den 116en psalm wel willen uitjubelen!Geliefde gemeente, geve ons de Heere, dat we in een dankstond nog eens Zijn Naam samen mogen grootmaken!Wees daartoe den Heere bevolen door
Amersfoort, 23 September 1913.
Aan de Gereformeerde Kerk te Leiden.
Geliefde gemeente!
Door dezen kom ik als oud-collega aan de redactie in de Kerkbode een plaatsje, dat mij zeker niet zal worden geweigerd, verzoeken, om u hartelijk dank te zeggen voor de vele bewijzen van belangstelling, op mijn verjaardag uit uw midden ontvangen, en tegelijk u de inlichtingen te geven, die door zoovelen gewenscht worden, over mijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid.
Evenalsof ik nog in uw midden in- en uitging, hebben velen mij verrast met de hartelijkste blijken hunner blijvende, ik zou haast zeggen, hunner toenemende genegenheid, met hunne vriendelijke troostwoorden mijne ziel verkwikt. Zwaar is mijn tegenwoordige beproeving, maar te midden mijner smart kan ik wel weenen van blijdschap en dankbaarheid voor de groote genade, die de Heere ons schenkt in zoo heerlijke oefening van de gemeenschap der heiligen. Gaarne antwoordde ik ieder in 't bijzonder. Dit is mij echter onmogelijk. Laat ik dus door dezen aan allen, die mij zoo innig verblijdden, daarvoor mijn diepgevoelden dank mogen betuigen.
Wat mijn lichamelijken toestand betreft, deze is ook thans nog niet zonder bezwaar. Toch heb ik goede hope,dat ik onder des Heeren zegen op de middelen geheel zal mogen herstellen.
En indien het anders mocht wezen, des Heeren wil, die toch alleen wijs, goed en heilig is, geschiede.
Toen ik kort geleden dacht, dat mijn leven spoedig zou worden afgesneden, was de gedachte van sterven mij o zoo zoet. Mijn leven is met Christus verborgen in God. Door Jezus' dierbaar bloed gewasschen, de zaligheid te mogen ingaan, naar huis te gaan, waarheen mijn hart dorst als 't hert naar de stroomen, van alle zonden en ellenden voor eeuwig ontslagen te zijn, den Heere te zien, in Zijne heerlijkheid te mogen deelen, alzóó ontbonden te zijn en met Christus te wezen, het is en blijft mij verreweg het beste.
Doch op aarde kan nog een werk gedaan worden, dat in den hemel niet kan worden verricht. In den hemel zijn geen ellendigen, die nog moeten worden terechtgebracht. Alleen op aarde kan, ook aan de diepst gezonkenen, 't dierbaar Evangelie des kruises worden gebracht. Ik heb mij voorgesteld dit werk thans te beginnen onder voogdij- en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen. Het is altijd één der idealen van mijn leven geweest, zulk werk te mogen doen. En 't was mij zeker een pijnlijke gedachte, toen ik mij een oogenblik voorstelde, dat ik in 't midden mijner jaren en terwijl ik dit werk stond aan te vangen, door den dood uit het leven zou worden weggerukt. Daarom begeer ik zeer, dat de Heere nog dagen tot mijne levensdagen wil voegen. En ik verzoek dringend, dat allen blijven bidden en smeeken, dat de Heere mij nog ettelijke jaren wil sparen.
Maar ik verzoek er uitdrukkelijk bij, dat aan de bede steeds worde toegevoegd: „Heere, Uw wil geschiede!” Wat de Heere doet, is wèl gedaan, hoe 't ook ga. Zeker,donker, diep en ondoorgrondelijk zijn menigmalen de wegen Gods. Maar wat wij nu niet verstaan, zullen wij nadezen verstaan. Hoe moeielijk was 't gansche leven van Jeremia? Werd een Johannes de Dooper niet in het midden zijner jaren weggenomen? Moest een Paulus niet betuigen: „Ik sterf alle dagen!” Voor 't vleesch is dit alles onbegrijpelijk; maar bij het licht des Heiligen Geestes wordt Gods grootheid juist in deze diepe leidingen 't best gezien. Daarom, geliefden, vragen wij dan maar veel genade, dat onze wil verslonden moge wezen in des Heeren wil!
En wanneer 't den Heere mag behagen, mij te herstellen, en mij, geheel genezen, aan mijn grooten arbeid te geven, o hoe zal ik dan Zijn Naam loven voor deze pijnlijke maar kostelijke inleiding tot mijn werk. Deze zware beproeving heeft mij nader tot den Heere gebracht; alleen nabij Hem is 't goed, is 't zalig en heerlijk; als Elia voor Zijn aangezicht staande, staan wij met macht en gezag om des Heeren werk te doen.
En hiermede, geliefde gemeente, heb ik u een blik in mijn zieleleven gegeven. Ik deed dit, omdat ik weet, hoe aangenaam het u is, te hooren van de genade, die de Heere aan een beproefden mede-zondaar schenkt; en omdat ik weet, dat ook dit schrijven aan velen beproefden in uw midden tot vertroosting kan zijn. Stelle de Heere 't daartoe nog ten zegen, en verblijde Hij ons door Zijne groote daden!
In Christus uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 1 October 1913.
Geliefde gemeente!
Uwe liefde en belangstelling kennend, weet ik, dat ik u een genoegen doe, wanneer ik u door middel van de Kerkbode schrijf, hoe ik thans vaar.
Laat ik beginnen, u mede te deelen, dat mij thans de volle waarheid omtrent mijne krankheid is gezegd. Men heeft deze te goeder trouw voor mij verzwegen. Men vreesde, dat ik mogelijk plotseling door verstikking kon sterven, wanneer men mij de naakte werkelijkheid openbaarde. IJdele vrees! Te midden van al mijne zonden en ellenden is 't steeds door des Heeren dierbare genade de diepste behoefte mijns harten geweest, in leven en sterven Hem te verheerlijken. Rustig als een kind op den moederschoot heb ik de tijding aangehoord. Geen oogenblik ben ik sinds dien geschokt. O, wat is 't toch zalig en heerlijk, te mogen weten, in leven en sterven het eigendom des Heeren te zijn!
Door den hooggeschatten professor Korteweg, die voor mij doet wat maar in zijn vermogen is en dien ik daarvoor niet genoeg kan danken, was mij in overleg met mijn huisdokter uit Amersfoort aangeraden, naar Heidelberg te gaan, en in hetCzerny's Institut für Krebskranken, d. i. de instelling voor kankerlijders van prof.Czerny, genezing te zoeken.
Zaterdagavond 27 September kwam daarop een vriend bij mij, die mij een som gelds overhandigde, mij dwong deze aan te nemen, en die mij daardoor in staat stelde althans voor acht dagen met mijn vrouw naar Heidelberg te gaan. Ik kon niet anders doen dan dit geschenk aanvaarden, en deed 't dankbaar.
Zóó zijn wij dan Maandagmorgen 29 September 's morgens half tien uit Amersfoort vertrokken.Ds. Teerink en mijn vriend en mede-directeur, de heer Wilbrink, deden mijn vrouw en mij uitgeleide.
Ternauwernood had de trein zich in beweging gesteld, of wij sloten beiden onze oogen, en begaven ons in stil gebed tot den Heere. Met stille berusting in Zijnen wil, zonder ijdele hope op een broos leven, maar doende, wat ik tegenover mijn vrouw, de kinderen en de stichtingen, waaraan ik hoopte te arbeiden, verplicht ben, ging ik op reis, in 't stil vertrouwen, dat de God der wonderen en der middelen ook dit middel nog zegenen kan. Hij doet een afgesnedene zaak op aarde. Niets is Hem te wonderlijk. Als David te Ziklag sterkte ik mij alzoo in den Heere mijnen God.
Ongemerkt waren wij spoedig aan de grenzen gekomen, en gingen na 't douanenonderzoek verder.
O, wat was alles heerlijk rondom ons! Van Keulen tot Mainz spoorden we langs den Rijn, door een der schoonste deelen van Duitschland. In de strakke lucht teekende zich ieder blad, iedere lijn, iedere kromming scherp af. Tegelijk hing over de bergen een zeer dunne nevel. Het was een feesture der schepping. Het was alsof de natuur al haar weelde over 't aardrijk had uitgegoten. Zij was als een schoone bruid, die met doorzichtig sluiergaas haar schoonheid nog meer ontdekt dan bedekt.
Aan alle stations was 't vol van uitgaande menschen. En te midden van dezen bevonden ook wij ons; ik, die 't vonnis des doods in mijn vleesch droeg, mijn vrouw, wier schoonste uitzichten nagenoeg vernietigd waren.
Toch was ik die gelukkigste van allen. Ik stelde mij voor, wat 't moest zijn, in mijn geval zonder geloof zulk een reis te moeten maken. En nu was 't met mij zoo geheel anders. De Heere geeft mij een levend en krachtig geloof. De schoonheid der schepping deed mij telkens opzien naar de schoonheid van den hemel, die mij wacht.Van Frankfurt naar Heidelberg spoorden wij door een heerlijk oord. Ik stond achter in den trein, en had 't schoonste uitzicht. En nu was 't mij, alsof mijn lieve God tot mij sprak: „Kind, ook dit is alles voor u en van u!” Wonderbaar, wonderbaar sterkt mij de Heere. Zwaar is mijne beproeving; maar als de kinderen Israëls ga ik door 't geloof droogvoets door deze zee. Links en rechts staan de wateren; maar zij raken ons niet aan.
Half tien 's avonds kwamen wij in Heidelberg aan, en wij waren beiden, o wonder, nagenoeg nog even frisch als toen wij 's morgens afreden.
Dinsdagmorgen 30 September ben ik dadelijk naar 't Instituut gegaan. Vreeselijke aanblik! Rondom mij niet anders dan kankerlijders, de een meer, de ander minder geteekend. Menschen van allerlei taal en tong. En onder dezen ook wij samen, mijn vrouw en ik; want mijn vrouw vergezelt mij overal.
Heden, Woensdagmorgen ben ik al dadelijk in behandeling genomen. Moge de Heere er Zijn onmisbaren zegen op gebieden, en ons nog verblijden door Zijne groote daden! Wij gaan voort ons te sterken in Hem. Geliefde gemeente, steun ons met uw gebed in dezen nood en strijd! De Heere zij met u allen, inzonderheid met de bedroefden en zwaarbeproefden! Richte Hij ook Ds. Roorda spoedig op, en geve Hij na lijden heerlijk verblijden in Zijn grooten Naam!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 8 October 1913.
Geliefde gemeente!
Zijt ge ons ver van 't oog, maar nabij voor 't hart, wij vertrouwen, dat dit bij u te onzen opzichte precies hetzelfde is, en dat nader bericht van ons u niet onwelkom zal zijn.
Geven wij u eerst een korte beschrijving van de stad, waarin wij thans vertoeven.
Heidelberg is een der oudste steden van Duitschland, schilderachtig aan de beide oevers van den Heidelberg gelegen, in een halven cirkel door hooge, groene, soms blauwende bergen omgeven, voor een groot deel tegen de hellingen dier bergen gebouwd, en 't behoort alzoo tot de schoone steden, waaraan Duitschland zoo rijk is.
Vroeger was 't de hoofdstad van de Paltz, was dit kleine land van eeuw tot eeuw 't tooneel van oorlog en verwoesting. In den dertigjarigen oorlog heeftTillyde stad uitgemoord. Daarna gaf Lodewijk XIV op zijn terugtocht uit Holland aan zijn wreeden veldheerMéracbevel: „Verbrand de Paltz!” Maar al te getrouw werd dit bevel uitgevoerd. Van geheel Heidelberg bleef alléén één kerk en één huis over. Daarna weder opgebouwd, werd 't ook in den revolutietijd weer geteisterd.
Thans is Heidelberg met de Paltz bij 't groothertogdomBadengevoegd. Vooral in de laatste vijftien jaren is de stad sterk vooruitgegaan. Vooral tegenwoordig is Heidelberg zeer gezocht door schilders en kunstenaars, dichters en denkers. EnVon Scheffel, de dichter van Heidelberg, slingerde haar den lauwerkrans om de slapen:
Oud Heidelberg, zoo fijn,Gij stad, aan eere rijk,Aan Heidelberg en aan Rijn,Geen andere stad is u gelijk!
Oud Heidelberg, zoo fijn,Gij stad, aan eere rijk,Aan Heidelberg en aan Rijn,Geen andere stad is u gelijk!
In deze stad is ook de beroemde universiteit, die vooral 's zomers door de studenten zeer gezocht wordt. De bekende Kuno Fischer onderwees hier wijsbegeerte. En de voornaamste van allen is ongetwijfeldExcellenz Geheimrat, Prof. v. Czerny, de stichter van 'tSamariterhausof het huis der Samaritanen. Deze man is de eenvoud zelf, een geneesheer bij de gratie Gods, een man, zooals ik mij Boerhaave zou denken. Een groot deel van zijn aanzienlijk vermogen heeft hij gegeven voor zijn stichting. En in deze stichting is nu ook gevestigd het instituut voor kankerlijders, waaraan tal van groote geleerden zijn verbonden.
Zooals ik u reeds schreef, komen van alle oorden der wereld de ellendigen hier. Acht dagen achter elkander ben ik nu behandeld geworden, en elken dag ziet men weer nieuwe gezichten. Gedurende deze acht dagen ben ik behalve Zondag elken dag ingespoten met enzytol en om den anderen dag gedurende twintig minuten belicht met Röntgen-stralen. De inspuiting dient voor de vernieuwing van 't bloed, de bestraling voor de dooding der ziektekiemen.
De aanvankelijke resultaten zijn, den Heere zij dank, reeds merkbaar. Van tevoren waren mijn tong en kaak stijf en was er vaak een dichtzuiging in den mond, alsof zij mij dreigde den adem af te snijden. Met zorg ging ik 's morgens den dag, met nog grooter zorg 's avonds den nacht tegemoet, al verzweeg ik mijn vrees zorgvuldig om geen noodelooze onrust te wekken. Thans is dit reeds anders geworden. Er komt meer beweging in tong en kaak, en ik gevoel mij gemakkelijker. Natuurlijk is onze vreugde over dezen aanvankelijken zegen een verheuging met beving, al dankt al wat in ons is den Heere voor deze overrijke, onverdiende gunst. Mijne ziekte was tot dusver echter zoo rijk aan kleine verrassingen engroote teleurstellingen, dat wij ons in onze blijdschap matigen.
De kuur, die ik thans onderga, duurt drie of vier weken. Mij is thans evenwel reeds bericht, dat ik van vijf tot acht December een duurzame bestraling met radium zal ondergaan. Ik word dan dag en nacht afgezonderd en altijd door bestraald. Dit zal dus de hoofdkuur zijn. Een heele onderneming. Maar: „huid om huid, al wat een mensch heeft, zal hij geven voor zijn leven!” Dit doe ik dan ook gaarne, in de stille hope op den rijken zegen Gods. O, mocht de Heere mij nog eens oprichten! Mocht ik dan blijvende en dubbele genade van Hem ontvangen! Hoe zou ik dan als uit de dooden opgestaan. Zijn lof weder Zijn volk vertellen! Het is mij, alsof ik Hiskia voor mij zie, en alsof ik hem dan na zal zeggen: „De levende de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uwe waarheid bekendmaken!” Als een werkelijke vader hoop ik dan in 't midden van mijn kinderen te Achteveld te staan, om hen te wijzen op Hem, Die in Jezus onze Vader is, en Die vaderlijk kastijdt, maar ook zoo vaderlijk zorgt.
Zondag hebben we samen gekerkt in de kapel van 'tDiaconessenhuisalhier. We hoorden er een heerlijke preek van ds.Kammererover Hebr. 10: 19–25. Hij sprak over den geopenden hemel, en waartoe deze roept. Zijn woord was eenvoudig, vertroostend en zeer getrouw. Bij 't laatste vers merkte hij op: hierbij zijn wij tegenwoordig in grooten nood. Hoe kunnen wij zeggen: „houdt u aan de Kerk”, wanneer de Kerk de leugen brengt, 't anti-christendom predikt. Wie kan dit met een goed geweten doen? Heel de dienst was zeer stichtelijk. Wanneer er gezongen werd, of Gods Woord gelezen werd, ging heel de gemeente eerbiedig staan. Ook de voorlezing van den tekst wordt door mannen en vrouwen staande aangehoord.Heerlijk vond ik ook het gezang. De geestelijke liederen werden vleugelen, waarop mijn ziel opsteeg tot den Heere. Vooral in 't slotvers ging ik geheel en al op:
„Herr unser Gott, dich loben wir,Herr unser Gott, wir danken dirDie Feier dieser Stunde.O dir sei unsre Lebenszeit,Die uns noch übrig is, geweihtIn einem ew'gen Bunde.Hilf uns kampfen,Bis zum Sterben,Dasz als ErbenZu den Höhen,Einst wir siegend aufwärts gehen!”
„Herr unser Gott, dich loben wir,Herr unser Gott, wir danken dirDie Feier dieser Stunde.O dir sei unsre Lebenszeit,Die uns noch übrig is, geweihtIn einem ew'gen Bunde.Hilf uns kampfen,Bis zum Sterben,Dasz als ErbenZu den Höhen,Einst wir siegend aufwärts gehen!”
Dat wil zeggen:
Heere onze God, U loven wij,Heere onze God, wij danken UDe viering van dit uur.O, U zij onze levenstijd,Die ons nog rest, gewijdTot eeuwigblijvenden bond!Help ons worst'len,Tot aan 't sterven,Opdat we als ervenTot de hoogtenOverwinnend opwaarts stijgen!
Heere onze God, U loven wij,Heere onze God, wij danken UDe viering van dit uur.O, U zij onze levenstijd,Die ons nog rest, gewijdTot eeuwigblijvenden bond!Help ons worst'len,Tot aan 't sterven,Opdat we als ervenTot de hoogtenOverwinnend opwaarts stijgen!
Door alles tezamen waren wij zóó gesterkt, dat wij Maandag den moed namen, iets van de schoone stad te gaan zien. Wij werden begeleid door een jeugdige, Christelijke weduwe, die zelve reeds veel ervaren heeft, met wie wij hier kennis maakten, en die zich aanbood, ons,zoolang wij hier zouden zijn, als gids te dienen. Onder haar geleide gingen wij naar 't oude Heidelberger slot, waar ook eens Frederik III, de vrome, woonde, en waarvan de muren en torens nog staan. Welk een schoonheid boven op één der bergen! Welk een schoonheid, dat oude reuzen-kunstwerk, overal met goudbruin klimop begroeid, en dan die heerlijke hangende tuinen! Het was ons, alsof we een oogenblik in een tooverland waren. Vooral toen we gebracht werden op een plek, van waar we 't gezicht hadden op de stad, op den Heidelberg, op de bergen rondom, op de vlakte in de verte. We zagen alles in de heerlijke herfstbelichting. Subtiele schoonheid! Ik herinner mij niet ooit zoo iets fraais te hebben aanschouwd. Ik kan 't niet beter weergeven dan in de woorden van den Heidelberger dichterVon Scheffel:
„Der Himmel hat die Erde geküsset!”De hemel heeft de aarde gekust!
„Der Himmel hat die Erde geküsset!”De hemel heeft de aarde gekust!
En hier woonde nu eenmaal Frederik III, de man, die den Catechismus deed opstellen. In deze tuinen wandelde hij met Olevianus en Ursinus, en spraken zij tezamen over den eenigen troost in leven en in sterven. Onwillekeurig denkt men hierbij aan den man, die ook zulk een heerlijk goed bewoonde. Zijn predikant zeide tot hem: „Mijnheer, dit zijn de dingen, die ons aan de aarde binden!” „Neen, dominee”, was zijn antwoord, „ditmaal hebt ge 't mis, dit zijn de dingen, die ons naar den hemel doen verlangen!”
Moge dit ook met ons zóó zijn en blijven, geliefde gemeente!
Laat 't beste dezer aarde ons steeds meer doen verlangen naar 't Allerbeste! „Zalig zijn zij, die het heimwee hebben; zij komen eenmaal thuis!” Velen ook uit uw midden zijn ons daarheen reeds voorgegaan. Vroeg oflaat zullen ook wij moeten volgen. Moge 't zijn in dit eeuwig en zalig Tehuis, waar alle tranen worden afgewischt!
Met vriendelijke groeten van ons beiden,
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 14 October 1913.
Geliefde gemeente!
Voorzooveel mij dit mogelijk zal zijn, voldoe ik gaarne aan 't verzoek, dat tot mij kwam, met 't zenden mijner brieven aan de Kerkbode door te gaan.
Veel zou ik u nog kunnen schrijven over de merkwaardige stad, waar wij thans vertoeven, en de heerlijke landstreek, waarvan zij het middelpunt vormt. Ditmaal bepaal ik mij echter tot de Universiteit.
De stad telt ongeveer 50000 inwoners, aan de Universiteit zijn in den regel ongeveer 2200 studenten ingeschreven; het spreekt van zelf, dat bij zoodanige verhouding de Universiteit de zon dezer stad is, helaas, door de aan de hoogescholen heerschende zeden, ook haar moeras.
De meest beroemde mannen zijn in den loop der eeuwen aan haar verbonden geweest.
Van de velen noem ik slechts de meest bekenden, de Godgeleerden:Reuchlin, Coccejus, Hitzig, Umbreit, Ullmann, Rothe, de juristen:Pufendorff, Bluntschli, Windscheid, de wijsgeeren:Hegel, Fischer, Zeller. Namen, die aan alle Nederlandsche studenten overbekend zijn.
Geen hoogeschool heeft ongetwijfeld zulk een veelbewogen geschiedenis achter zich als deze. Zij heeft in sterke mate de toepassing ondervonden van de heerschappij van 't territoriale stelsel, waarvan de grondregel is: „Wie heeris van 't land, zet den Godsdienst naar zijn hand!” Was de overheid Luthersch, dan was de universiteit 't ook; was zij Gereformeerd, de hoogeschool evenzoo.
Na den dood van Calvijn, onderFrederikIII, was Heidelberg om haar Gereformeerde universiteit het Genève van Duitschland. Spoedig daarop kwam de hoogeschool door verandering van vorstenhuizen in handen der Jezuïeten. De prachtige universitaire bibliotheek, die de kostbaarste handschriften bevatte, werd zelfs naar Rome gevoerd. Tegenwoordig is de regeeringprotestantsch-evangelisch-liberaal met een gemoedelijk godsdienstig tintje, de universiteit is 't in hoofdzaak ook.
Thans zijn in de theologische faculteit ruim 80, in de juridische ruim 580, de medische ruim 550, de philosophische ruim 610 en de natuurwetenschappelijke ruim 380 ingeschreven. Met de philosophische staat dus de medische faculteit bovenaan.
De laatste telt hier tal van klinieken, die nagenoeg alle huis aan huis, soms paleis aan paleis, naast elkander liggen. Vandaar elken morgen die treurige optocht van allerlei lijders, armen en rijken, geringen en voornamen, sommigen in landauers, anderen op krukken of tusschen bloedverwanten of vrienden gesteund, in éénzelfde straat.
Toen wij ons de eerste maal als vreemdelingen, die hier hulp moesten komen zoeken, onder deze ellendigen bevonden, was 't ons een oogenblik, alsof wij door den grond zouden gaan. Spoedig stonden wij echter voor het Instituut vanCzerny. Daar lazen wij den naam: „Samariterhaus!” of huis van Samaritanen. En ik kan u niet zeggen, welken troost wij beiden uit dezen naam ontvingen. Alzoo dachten wij: Wat de professoren en doctoren hier ook belijden, deze naam zegt ons, door welke gedachte zij worden geleid, deze naam zegt ons, dat zij althans wetenschappelijk en ambtelijk worden geinspireerddoor den Geest van den medelijdenden Hoogepriester, Die eenmaal de heerlijke gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan sprak. De Heere zond ons dezen naam als een lichtende ster op ons zoo moeilijk en donker pad.
Meer echter nog dan door den schoonen naam van dit huis zijn wij vertroost geworden door de heerlijke mededeeling, dat in zoovele gezinnen en gemeenten onze nood in 't gebed wordt gedacht. Juist wanneer de ziel veel van den Heere geniet, heeft zij in donkeren weg de diepste behoefte aan de sympathie van 't volk van God. Al is men dan in den vreemde, men voelt zich lid van 't groote gezin van Gods Huis, waarin 't eene lid met 't andere medelijdt. Voorbede is wel de heerlijkste uiting van dit medeleven. O, wat is 't ons groot, dat wij waardig geacht worden, door 't volk van God voor den Troon der genade te worden gedacht! En die gebeden zullen verhoord worden! Des Heeren Naam is Ontfermer, is Hoorder der gebeden, en zooals Zijn Naam is, is Zijn Wezen. Hetzij ik gespaard worde, hetzij ik worde weggenomen, de Heere zal het wèl maken.
Heerlijke wetenschap!
Schijnbaar, voor 't oog der wereld, voor 't vleeschelijk gevoel is mijn lot tragisch. Met de grootste idealen ging ik 't leven in; maar nu eens door eigen zonde en schuld, dan weer door zware Goddelijke beproeving, zonk mijn schip in den regel vlak voor de haven. Het was, alsof de Heere ook aan mij bevestigde, wat Hij tot Baruch sprak: „Wat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit!”
Toen ik de laatste maal op Achteveld was, waren de gebouwen der stichting nagenoeg gereed, en was juist de vlag op mijn woning geheschen, ten teeken dat ook deze onder de kap was. Maar ook nu scheen 't weer tezullen worden: „En Mozes zag het land van verre!”
Toch klaag ik allerminst, dan alleen over mijn zonde en schuld, maar roem in het welbehagen Gods. Midden door mijne zonde en ellende loopt de blinkende weg van Gods vrije en trouwhoudende genade. Juist door mijne beproevingen bracht de Heere mij steeds nader tot Zich. Evenals bij de Emmausgangers is de Heere met Zijn Genade en Geest bij mij tegenwoordig. Ja in den zevenmaal heeter gestookten beproevingsoven doet de Heere Zijn heerlijke aanwezigheid des te duidelijker merken. Daarom gloeit ook mijn hart somwijlen van liefde voor het Vleeschgeworden Woord, dat Zijn liefdewonderen tot onze verlossing wrocht, en mij het zegel van Zijn Geest wilde schenken.
Nu geniet ik, wat ik reeds van mijn kindsheid af heb begeerd. Zoo ver mijn heugenis reikt, heeft de vraag mij beziggehouden: „Wat is er toch achter deze zienlijke wereld?” Opgegroeid in een moderne omgeving, kreeg ik voor den honger mijner ziel slechts steenen voor brood, zoodat ik reeds als kind soms der wanhoop nabij was. Maar de Heere waakte. Door Zijn voorzienig bestel op een Christelijke kostschool gekomen, maakte ik daar kennis met Bunyan, en kreeg ik het eerste licht voor mijn ziel. Student geworden, ging ik dan ook zoo spoedig mogelijk naar de Vrije Universiteit, hopende, dat daar de kathedraal van het Christelijk denken mij zou worden ontsloten. En mijn verwachting werd wel overtroffen, maar niet teleurgesteld.
Helaas, dat hart en geweten geen gelijken tred hielden met toenemend Christelijk weten. Gelukkig, dat ik Romeinen VII leerde kennen. En de Heere zette Zijn arbeid voort. Door des Heeren heiligende genade gaan hart en geweten met Christelijk weten hand aan hand. En dit doet mij soms met heimwee naar boven zien.„Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben”.
Niettemin begeer ik ook vurig hier des Heeren werk nog te mogen doen. Immers: „En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde”. Ook op aarde zijn wij geen weezen. Het geloof blijft, het geloof, dat zulk een vaste grond is der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. De hope blijft, de liefelijke hope, die zich reeds van tevoren in de toekomende dingen verblijdt. En de liefde blijft, de liefde, die de voorsmaak is van de zaligheid en heerlijkheid des hemels.
Die liefde doet mij innig wenschen, nog eens, als uit de dooden opgestaan, velen ten zegen te mogen zijn. Daarom, geliefde gemeente, ga voort met uw bidden, pleiten, smeeken, waarvoor ik u zeer dank! Verblijde de Heere ons nog door Zijne groote daden.
Op dit oogenblik is mijn toestand stationair, misschien in langzamen vooruitgang. Voor 't eerst heb ik gisteren en vandaag andere dan vloeibare spijzen kunnen gebruiken. Evenals de tuberculosebehandeling schijnt echter ook deze zeer langzaam te gaan. Vele patiënten moeten zelfs drie à vier maal terugkomen. Maar de uitkomsten zijn bij sommigen dan ook verrassend. Verleden week zag ik een grijsaard, die juist van den hoogleeraar terugkwam. Zijn hals was zóó gekerfd, alsof deze eenige malen was afgesneden geweest. Zijn stem was nog heesch. Maar de wonden waren geheel genezen. De hoogleeraar had hem juist voor geheel genezen verklaard van zwaar kankerlijden. Met van vreugde stralende oogen kwam hij aan de arm zijner dochter de wachtzaal binnen, met heesche stem roepende: „genezen, genezen!” Natuurlijkfeliciteerde ik hem zeer hartelijk. Den volgenden dag ontmoette mijn vrouw hen op straat, terwijl zij vol blijdschap naar den trein en huiswaarts togen. Zij hielden mijn vrouw nog staande, spraken haar moed in en besloten: „Einen schönen Grüsz für Ihren Mann!” Een hartelijken groet voor uw man! Dat wij eenmaal deelgenooten ook voor deze vreugde mogen vinden! Verheerlijke de Heere daartoe aan ons Zijne barmhartigheid! Moge Hij diezelfde goedertierenheid ook bewijzen aan ds. Roorda! Verheuge de Heere ook u, naar de mate Hij u nu beproeft!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 21 October 1913.
Geliefde gemeente!
Zaterdag jl. werd ook hier onder begunstiging van het allermooiste weer herdenking van den Volkerenslag bij Leipzig gevierd.
's Morgens hing er een dikke nevel; maar tegen tien uur trok de damp voor dezonnestralenop. Heerlijk gezicht, de ontsluiering der bergen, der villa's, blinkend in de zonnestralen van den Heidelberg, schitterend als kristal! Het geheel was een openbaring van schoonheid, die ge een poos met groote oogen aanziet, om haar als schilderstuk vast te nagelen in uw geheugen, en later in sombere dagen als een heerlijk visioen in uw geheugen terug te roepen.
Natuurlijk had de hoofdviering van 't groote feest te Leipzig zelve plaats. Daar was de keizer met de bondsvorsten om 't groote „Denkmal” te onthullen. Geen wonder, dat men vooral hier zooveel werk maakt van deviering van dit feest. In de velden van Leipzig is de hoeksteen gelegd van Duitschlands latere grootheid. Een eeuw lang is daarop voortgebouwd, en 't resultaat is thans te zien. Het eens verdeelde en vernederde Duitsche volk heeft thans de eerste stem in den raad der volken.
Wel zijn er donkere wolken. Duitschland is gevreesd, maar ook benijd en gehaat, en 't volk leeft sterk onder den indruk van een komenden oorlog. „Aber wenn der Krieg kommt”, „maar wanneer de oorlog komt”, is een uitdrukking, die nogal eens gebezigd wordt. Ge spreekt met een moeder over de toekomst van haar zoon. Hoog geeft zij op van haar gespannen verwachting. Plotseling betrekt haar gelaat. „Aber wenn der Krieg kommt,” en met zorg staart haar blik op haar kind.
In Heidelberg werd 't groote feest zeer kalm gevierd, en wij hebben er uit den aard der zaak nagenoeg niets van gezien.
Zondagmorgen zijn we ter kerk gegaan, niet in Heidelberg, maar inHandschuhsheim, een dorp, dat ongeveer een kwartier van Heidelberg ligt, en dat thans bij de stad is geannexeerd, maar nog geheel dorpsch is ingericht. Het is een welvarende plaats van ongeveer 4000 inwoners, die in den reformatietijd een rol van beteekenis speelde. De bevolking leeft er van wijn- en ooftbouw. Jaarlijks worden er voor honderd duizend gulden kersen verhandeld, en reeds in Mei komen kooplieden uit Hamburg hier hunne opkoopen doen. Er is een zeer oude kerk, die vroeger, gelijk men dat hier noemt,Simultankirchewas, d.w.z. door Roomschen en Protestanten tegelijk gebruikt werd, bijv.'s morgensdoor de Protestanten en 's middags door de Roomschen, of omgekeerd. Thans is dit oude kerkje aan de Roomschen gegeven, en de Evangelischen hebben een nieuw kerkgebouw gekregen, een prachtwerk in gemoderniseerden Gothischen stijl.
Daarheen trokken wij Zondagmorgen op, en bij 't binnentreden kwamen we al dadelijk in de rechte stemming. Welk een prachtkerk! Welk een schoone ornamentiek! Vlak voor ons zagen we dadelijk 't koor, hemelsblauw met groote gouden starren. Links en rechts prachtige friesen in kleuren als van koperdruk.
De kerk was geheel gevuld. Geen gepraat. Geen gefluister zelfs. Alles was muisstil. Op onze teenen liepen we zoo ver mogelijk naar voren om een goede plaats te krijgen; en daar zaten we spoedig heel gezellig midden onder de wijnboeren en boerinnen, allen eenvoudige, maar welgestelde en zeer intelligente menschen.
Met een prachtig voorspel begon de dienst, en nu zong de gemeente de Ambrosiaansche berijming van den 75en Psalm, 't „Wij loven U, o God!” Een oogenblik wist ik niet, waar ik was. Geweldig en toch harmonisch, machtig en doordringend klonk de zang, waarin de helden-baryton en de vrouwen-sopraan elkander steunden. En de gedachte vloog mij door de ziel: „Neen, een volk, dat zóó zingt, kan niet ondergaan”.
Middelerwijl had de Pastor zijn plaats ingenomen op 't podium vóór den preekstoel. De gansche gemeente, die staande gezongen had, bleef staan. Plechtig las hij haar voor Ps. 118: 14–29. Wanneer ge deze woorden naleest, zult ge begrijpen, hoe deze voorlezing mij tot in 't diepst der ziel aangreep.
Na 't gebed beklom hij den kansel, en sprak uit 't lied van Mozes, Exodus 15: 1–6. De grondgedachte van zijn prediking was: de oorlog is een groote verwoester, de oorlog is ook een groote opvoeder. Hij is een groote verwoester. Tot duren prijs heeft Duitschland zijn vrijheid heroverd. Honderd zestig duizend lijken dekten aan den laatsten avond van den veldslag den bodem. Maar hij is ook een groote opvoeder. Vóór de Napoleontische verdrukkingrekende men in Duitschland niet meer met God. In den oorlog, vooral bij dezen veldslag werd het anders. Vijfhonderd duizend mannen vielen elkander hier aan. Wie zal de overwinning wegdragen? De evenaar schommelt in 't huisje. Aan het einde van den slag moet de overwinnaar zeggen: „God heeft mij de zege gegeven.” Moet de overwonnene erkennen: „God heeft over mij gericht geoefend!”
Rijk is de zegen, dien ik wederom van deze prediking voor mijne ziel heb weggedragen. Ik ben thans drie weken in behandeling, en 't einde van de eerste kuur is gekomen. Een geweldige vijand, de doodsvijand huist in mijn lichaam. Reeds triomfeert hij. Maar nu wordt hij elken dag opnieuw aangevallen door nieuwe middelen, die de Almachtige heeft gegeven. Wie zal de overwinning behalen? De overmachtige vijand? Of zijn krachtige bestrijder? Dit hangt alleen af van 't welbehagen van den Heere Zebaôth. Als Mozes in den slag tegen Amelek, hef ik dan ook tot Hem gedurig de hand biddend op. En 't is mij tot zulk een rijken troost te mogen weten, dat gij en zoowelen als Aäron en Hur mij steunt in dezen geweldigen strijd.
Wat 't resultaat van de behandeling is, kan ik uit den aard der zaak nu nog niet mededeelen. Ik sta nog midden in den strijd. Morgen 22 October hoop ik weer naar Amersfoort te gaan. 20 November moet ik dan terugkomen naar Heidelberg en er tot 8 December blijven. Eerst dan kan een voorloopig resultaat worden opgemaakt. Gaarne zou ik u gedurende de vier weken, dat ik 't vaderland verlaten heb eens opzoeken, om zoovelen als mogelijk is nog de hand te drukken. Maar mijn lichaam moet volstrekte rust hebben. De behandeling, die ik onderging, moet na- en doorwerken, en ik moet mij sterken voor de tweede kuur, die nog krachtiger aanpakt.
Het is en blijft dus biddende wachttijd!
Maar daarom dan ook zoo heerlijke wachttijd!
Meer dan ooit leer ik thans de heerlijke deugden Gods kennen. Zijn Almacht, die beide de krankheden en de geneesmiddelen schept. Zijn wijsheid, die den mensch doet zoeken naar de middelen; maar dan ook op dit gebied bevestigt: „Die zoekt, zal vinden!” O, wanneer ge hier in deze laboratoria rondkijkt, staat ge verslagen over de wonderen der schepping. Voorts de Goddelijke heiligheid, die de krankheden gebruikt om te kastijden en te louteren. Maar ook Zijn rechtvaardigheid. De Schrift spreekt van een „kauwen der tonge.”
Die vreeselijke uitdrukking, ik heb haar eenigemate leeren verstaan, en 't is mij een diepe behoefte geworden: „Och mocht ik mij toch maar recht diep verootmoedigen over mijne zonden, waardoor ik mij niet alleen alle tijdelijke, maar ook alle eeuwige straffen heb waardig gemaakt!” Maar ook zijne rijke, zijne heerlijke genade, die om de kruis- en zoenverdiensten van Jezus volkomen vergeeft. En ook die liefelijke Goddelijke barmhartigheid, waardoor Hij met ontferming bewogen is over mijne ellende. O, wat heeft ook die Goddelijke barmhartigheid mij vertroost! Toen ik een kind was, vleide ik wel 't hoofd tegen de borst mijner moeder, als ik wat van haar begeerde, en o met wat goede moederoogen zag ze mij dan aan! Maar wat is de moederliefde nog bij de ontfermingen Gods? O, wat is 't heerlijk, zich in die Goddelijke barmhartigheid en goedertierenheid in te wikkelen en te schreien: „Och Heere, erbarm U over mijne ellende.”
't Is zoo volkomen waar, wat een Duitsch versje zegt:
Wer glaubt, der ist grosz und reich,Er hat Gott und Himmelreich!Wer glaubt, der ist klein und arm,Und schreit nur: „Gott erbarm!”
Wer glaubt, der ist grosz und reich,Er hat Gott und Himmelreich!Wer glaubt, der ist klein und arm,Und schreit nur: „Gott erbarm!”
Dit is:
Wie gelooft, die is groot en rijk,Hij heeft God en hemelrijk!Wie gelooft, die is klein en arm,Hij roept slechts: „Dat de Heere Zich erbarm!”
Wie gelooft, die is groot en rijk,Hij heeft God en hemelrijk!Wie gelooft, die is klein en arm,Hij roept slechts: „Dat de Heere Zich erbarm!”
„Heere, erbarm U!” Geliefde gemeente, laat dat onze, ook uwe bede blijven! Laat 't uw bede blijven voor uwen leeraar, die mede zoo zwaar door des Heeren Hand is bezocht. Laat 't óók uwe bede blijven voor
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 30 October 1913.
Geliefde gemeente!
Na een goede kuur en een voorspoedige reis ben ik verleden week Woensdag met mijn vrouw te Amersfoort aangekomen. We vonden thuis alles wel, en ons hart vloeit thans over van dankbaarheid aan den Heere, Die ons in moeilijke dagen zóó nabij is geweest; van dankbaarheid aan allen, die met ons hebben medegeleefd, ons hebben verkwikt met hunne brieven, ons hebben gedacht in hunne gebeden; van dankbaarheid ook aan degenen, die mij in Heidelberg hebben behandeld. Welk een voortreffelijke geest heerscht in datSamariterhaus! De professoren en doctoren zijn er vaders, zusters, moeders voor depatiënten; armen en rijken, geringen en voornamen worden er met dezelfde welwillendheid behandeld. De naam „Samariterhaus” vertolkt volkomen wat dit huis is!
Onze terugreis was weer even mooi als de heenreis. De wijnstokken en 't geboomte op de bergen hadden hun schoonste najaarskleed aangetrokken. Welk een tinteling van kleuren, waarin het goudbruin de boventoon voerde!Welke spelingen van het licht! Deze October-maand is wel inzonderheid de maand der schilders.
Ook hier in Amersfoort is de natuur al weer even schoon. Alléén nu en dan steekt de stormwind op, die de toppen der boomen geheel ontbladert, en op de vleugelen van het windgeruisch en 't bladerengeritsel komt een klaagzang: „Sic transit gloria mundi!” „Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!”
Treffende prediking, die daarin ligt, en die door wijlen Van Oosterzee in zijn bekende dichtregelen eens zoo aandoenlijk werd vertolkt:
De dood heeft mij een brief geschreven,Ik las hem op het dorrend blad,Dat door den stormwind voortgedreven,Op 't vensterglas heeft post gevat.
De dood heeft mij een brief geschreven,Ik las hem op het dorrend blad,Dat door den stormwind voortgedreven,Op 't vensterglas heeft post gevat.
Het is nu ongeveer een jaar geleden, dat ik deze dichtregelen 't eerst las. Het was op mijn studeerkamer te Leiden. De stormwind joeg de bladeren van de kastanjeboomen in mijn tuin tegen de glazen, en tikkend vloog 't eene blad na 't andere er tegen op, alsof ze alle mijn aandacht kwamen vragen. De woonden van dit vers sloegen aan. Een gansch nieuwe gedachte vatte de teugels op in mijn zieleleven. Hoe zoet de gedachte van den dood mij ook was, toch had ik steeds zijn dag verre gesteld. Ik had mij een levensprogram gesteld, dat zou ik eerst rustig afwerken en dan zou de Heere mij komen oproepen. Nu leerde ik verstaan, dat de Heere ook mij plotseling uit het midden van mijn werk zou kunnen oproepen, gelijk Hij reeds zoo velen had gedaan. Ik dacht aan Kruijswijk, den krachtigen werker, die in weinige dagen midden uit een arbeidzaam leven en uit het midden van een talrijk gezin werd weggerukt; aan een Oranje, den hoogbegaafdenprediker, die na een langdurige ziekte mede werd weggenomen. Toen mij geopenbaard werd, wat mij scheelde, dacht ik dan ook niet anders, of ook tot mij kwam nu de Goddelijke sprake als tot Hiskia: „Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven”. Hoeveel goeds mij ook van hetCzerny'sche Instituut werd gezegd, ik kon weinig denken, dat ik daar nog genezing zou vinden. Uit plichtsgevoel ging ik er heen. Op de heenreis dacht ik in den trein telkens aan Frederik III, Duitschlands keizer, die ongeveer op gelijken leeftijd dezelfde kwaal kreeg. Slechts een klein gedeelte van 't rijk, waarover hij den schepter voerde, zag ik. Doch hoe kort heeft hij slechts over 't groote en krachtige rijk geregeerd. In 1888 stierf zijn vader, Keizer Wilhelm I. Aller oogen waren gevestigd op den veelbelovenden nieuwen keizer, wiens naam in 1870 in één adem met dien van eenVon Moltkeen eenVon Bismarckwerd genoemd. Terstond openbaarde zich echter de kwaal. Geregeerd heeft hij eigenlijk niet. Zijn regeering van twee maanden was een tijd van zwaar lijden, en in korten tijd werd hij ten grave gesleept. Indien bij één vorstelijk sterfbed, dan gold wel bij dit: „Sic transit gloria mundi!” „Zoo gaat de heerlijkheid dezer wereld voorbij!” Voor 's keizers ziekte was toen geen middel bekend.
Maar zie, na dien tijd heeft de Heere in de wetenschap de ontdekking der therapeutische Röntgenbehandeling gegeven, waardoor sommige kankerziekten met vrucht worden bestreden. Zou de Heere ook mij daardoor nog willen herstellen? Een oogenblik opende zich als in de verte een deurtje, en blikte de hope mij even aan. In alle kerken in Nederland werd gebeden, werd vurig gebeden. En zie, de God der wonderen en der middelen heeft aanvankelijk rijken zegen geschonken. De nawerking en doorwerking is thans boven verwachting goed. Mijn vrouw enik kunnen geen woorden vinden om den Heere voor dezen aanvankelijken wonderbaren zegen te danken, waar de Heere aan kleinen schenkt, wat Hij vroeger aan grooten heeft onthouden.
Natuurlijk weet ik zeer goed, dat ook nu nog allerlei complicaties kunnen intreden, en dan is 't in weinig dagen of maanden afgeloopen. Maar ook dan geen nood! Mijn leven is in des Heeren Hand en daarin volkomen veilig. Zijn Vaderhand voert mij dan in de heerlijkheid, waarvan geen „sic transit gloria”, „zoo gaat de heerlijkheid voorbij”, kan worden gezegd.
Naar die heerlijkheid wijst mij ook wederom 't dorrend blad. Zie 't aan, in zijn schoone goudbruine kleur!
Al 't vergankelijke is gelijkenis van 't onvergankelijke. Het zienlijke is niet blijvend, 't onzienlijke blijft eeuwig; maar daarom is 't zienlijke niet waardeloos. Integendeel, al 't zienlijke heeft de roeping om naar boven, naar de onzienlijke dingen te wijzen. Vooral van de heerlijke dingen dezer aarde, van 't licht, van de kleuren, van de bloemen, van de edelgesteenten gaat een sprake uit, die ons toeroept: „Sursum corda!” „De harten naar boven!” Daar is het eeuwige licht! Daar zijn de wuivende palmen! De straten van goud! De perelen poorten! De blinkende kleuren!
Nog eens, zie 't aan, 't afgevallen blad in zijn schoone goudbruine kleur!
Het goud is de kleur der glorie, der heerlijkheid, der hemelen.
Het bruin is rood met zwart gemengd. Het rood, de kleur der liefde. Het zwart, de kleur van den dood. Het bruin spreekt van een liefde tot den dood.
Het goudbruin wijst naar boven, naar de heerlijkheid, naar de eeuwige liefde. En ditzelfde blad, dat ons de vergankelijkheid predikt, wijst ons in zijn vergaan nog naarboven, naar de onvergankelijke heerlijkheid en liefde in de onzienlijke wereld.
O wat schoone symboliek is er toch in de schepping Gods!
Daarvan heeft de Heere ook gebruik gemaakt bij de instelling des Heiligen Avondmaals.
Den eersten Zondag, dat wij hier waren, waren wij in de gelegenheid daaraan deel te nemen, en niet gaarne laat ik dit voorbijgaan. Het Heilig Avondmaal is mij altijd de liefste plek op aarde geweest. Dan zeg ik altijd bij mij zelven: „Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus liegt niet!” Hij heeft alles volbracht. Hij heeft al de Schriften vervuld. Hij heeft de volkomen zaligheid verworven. En tot teeken en zegel daarvan schenkt Hij mij nu dit brood, als teeken en zegel van Zijn verbroken vleesch; den drinkbeker, als teeken en zegel van Zijn vergoten bloed. O, welke onderpanden van heerlijke liefde, van liefde tot in den dood, van eeuwige liefde aan gansch onwaardigen. Neen, Gods Woord liegt niet! Neen, Jezus liegt niet. En meer dan door een engelverschijning of hemelstem word ik dan door deze eenvoudige teekenen gesterkt in mijn Christelijk geloof, dat mij zulk een rijken troost doet genieten.
O, waar zal ik beginnen, waar zal ik eindigen, om des Heeren lof groot te maken? Ik zou den 116en psalm wel willen uitjubelen!
Geliefde gemeente, geve ons de Heere, dat we in een dankstond nog eens Zijn Naam samen mogen grootmaken!
Wees daartoe den Heere bevolen door