Chapter 3

uw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 6 November 1913.Geliefde gemeente!Hoewel ik deze week weinig nieuws met betrekking tot mijn toestand te schrijven heb, maak ik toch gaarne gebruik van de gelegenheid, die mij de Kerkbode voortdurend verleent, omdat mij daardoor de gelegenheid geboden wordt, Gods groote daden als in het midden der gemeente te vertellen.Ik ben nu veertien dagen thuis, en als ik terugzie op hetgeen achter mij is, is 't mij als een droom. Maar geen droom is, wat God in die dagen wrocht.Laat ik 't u mogen verhalen.Ik begin daartoe met een woord van Paulus. De heilige apostel schrijft Fil. 1: 23 en 24: „Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste; maar in het vleesch te blijven is noodiger om uwentwil”.Ik heb deze gesteldheid van den apostel-pelgrim weleens vergeleken bij die eener vrouw en moeder, wier man naar Amerika trok, maar die zelve nog met haar kinderen in het vaderland is gebleven. Haar man schrijft haar, dat zij over moet komen, maar haar kinderen voorloopig in Nederland bij de familie moet achterlaten, opdat zij eerst een goede Hollandsche opvoeding verkrijgen, voordat ook zij naar de nieuwe wereld verhuizen.Denkt deze vrouw aan haar man, dan begeert zij vleugelen, om naar 't verre land te snellen. Ziet zij evenwel op haar kinderen, dan voelt zij zich nog aan den vaderlandschen bodem als vastgenageld.Zóó was 't ook met Paulus. Verhief hij zijn hart tot den Heere in den hemel, dan begeerde hij niets liever dan den marteldood te sterven. Zag hij op de gemeente, dan verlangdezijn ziel naar leven en vrijheid, om haar het Evangelie te mogen verkondigen. En door des Heeren rijke en vrije genade stemt ook mijne ziel hiermede ten volle overeen.Ik was dezen zomer dan ook zoo dankbaar, toen ik meende, dat ik langzaam vooruitging, en spoedig mijn heerlijken arbeid zou mogen hervatten, of liever eigenlijk eerst recht zou beginnen, hoe zoet mij steeds de gedachte der ontbinding en eeuwige verlossing ook ware. Ik voelde wel, dat ik ernstig krank was; ik leed, vooral 's nachts, soms onnoemelijke pijnen. Maar ik meende, dat dit een crisis was, die ik moest doormaken, en dat ik daarna geheel herstellen zou. Ik had mijn hoop op de Röntgen-bestraling gebouwd, en dacht niet anders, of ik zou daardoor als door een van den Heere geschonken middel weldra geheel genezen, hoewel mijn eigenlijke kwaal gaandeweg erger werd.Dit duurde tot Donderdag 25 September. Dien dag vergeet ik nimmer! Ik zou op dien datum naar Almelo gaan, om daar voor de Stichting te werken. Vooraf ging ik echter even bij den dokter aan, die aan den hoogleeraar om nader advies had geschreven, en dit had ontvangen. Op weg naar 't station ging ik even bij den geneesheer aan, om dit advies te vernemen.Toen deelde mij de dokter kort en goed mede, dat volgens den professor en hemzelven de Röntgen-bestraling zooals deze in ons land werd toegediend, mij niets verder zou brengen, en dat er voor mij nog maar één weg van ontkoming was: in 't Instituut van prof.Czernyte Heidelberg.Daar stond ik. Het eenige middel, waarop ik mijn hope had gebouwd, was mij ontnomen. Heidelberg leek mij onbereikbaar. In 't vaderland was ik opgegeven. Het buitenland scheen voor mij gesloten.Toch heb ik geen oogenblik gewankeld, de Heere heeftmij steeds bij al mijne beproevingen een groote genade geschonken. Ik heb steeds in toepassing mogen brengen, wat een cadet op een militair examen anwoordde. Hem werd gevraagd, wat hij doen zou, wanneer zijn regiment, in 't front door de infanterie, in den rug door de artillerie, links en rechts door de cavalerie werd aangevallen. Ik zou commandeeren, zoo luidde zijn antwoord: „Mannen, knielt, bidt!” Ditzelfde zeide ik steeds tot mijne ziel in elken grooten nood. De zwaarste rampen brachten mij altijd als in de onmiddellijke gemeenschap Gods, omdat ik mij vasthield aan Hem als ziende den Onzienlijke, en in de grootste smarten had ik dan de hoogste vreugde.Zoo ging 't ook dezen dag.Een oogenblik overwoog ik, wat mij te doen stond, naar huis te gaan, of door te gaan. Ik besloot mijn reis voort te zetten, en onderweg den Heere aan te roepen, om dan straks meer gesterkt thuis te komen.Ge kunt u voorstellen, hoe ik op dien dag door de straten van Almelo liep. Ik was als een schip zonder roer in den nood der baren, en gedurig gingen mijne noodkreten op tot den Heere.Het was markt in Almelo, en zeer druk op straat. Ik was midden in de drukte. Een oogenblik was 't mij nu, alsof de Heere een kring om mij hem trok. Ik zag niemand meer. Door 't geloof wonend in mijn hart, openbaarde de Heere Zich in mij door Zijnen Heiligen Geest om mij met kracht te versterken. Het was mij, of Hij mij van binnen in mijn hart teeder de hand drukte, en tot mij zeide: „Nu alles is afgesneden, nu zal Ik voor u zorgen!”Ik kan niet beschrijven, hoe zalig, hoe veilig, hoe rustig ik mij nu gevoelde. Op zulke oogenblikken is werkelijk van toepassing, wat Jean Paul zoo schoon schreef:„Wie auch die Zeit vor dir vorüber fliege, die Gegenwart ist deine Ewigkeit!” „Hoe de tijd voor u ook voorbijsnelle, het is heden uwe eeuwigheid, en dit verlaat u nooit!”Zulk een oogenblik, zulk een heden komt uit de eeuwigheid en geeft eeuwigheids-gevoel in het hart. Het licht, dat dan in de ziel schijnt, mag nu en dan door wolken worden verdonkerd, de zon blijft, de wolken verdwijnen, die zon is een eeuwige zon. Welke zaligheid doorstroomde dan ook in die oogenblikken mijne ziel! Wat voelde ik mij veilig en rustig in de eeuwige armen van den Koning van 't heelal.Op 't zelfde oogenblik, dat de Heere mij aldus in Almelo sterkte, was de dokter bij mijn vrouw, om haar de gansche verschrikkende werkelijkheid te onthullen. Door den Heere kennelijk gesterkt, droeg zij dien slag als een heldin. Ziedaar reeds de eerste bevestiging van wat de Heere beloofde!Nadat ik in Almelo mijn zaken had afgedaan, ging ik naar huis, met de bedoeling om mijn vrouw deelgenoot te maken van wat de dokter mij had gezegd, en met haar verder te beramen, wat ons nu te doen stond. Ik had reeds mijn plan gemaakt. Ik wil 't maar niet meedeelen. Het is niet uitgevoerd, want de Heere had anders gezorgd.Thuis gekomen vermoedde ik weinig, dat al mijn huisgenooten reeds meer wisten dan ik kon mededeelen. Mijn vrouw hoorde mij aan zonder te ontstellen. Ik had niet veel tijd hierover na te denken. Binnen weinige minuten kwam een vriend binnen, die mij mededeelde, dat ik naar Heidelberg moest, en dat hij voor alles zorgen zou. Wat was geschied? Eenige dagen tevoren had hij mij met den dokter ontmoet. De dokter begreep, dat hij belang in mij stelde, ontbood hem buiten mijn weten ten zijnent, en in weinige dagen werden door hen samen de voorbereidende maatregelen voor mijn vertrek getroffen. Zaterdag 27 September werd ook mij nu de werkelijkheid mijner ziekte medegedeeld. Maandag 29 September zaten wij reeds in den trein naar Heidelberg. Wat in ons land nietverkregen kon worden, is daar bereikt; het uitwendig kankergezwel is nagenoeg geheel verdwenen. Alleen de tong zit aan de achterzijde nog met zweertjes. De bedoeling van de tweede kuur is, om dan vooral de tong aan te vatten. Ook voor die tweede reis is alles al weer bijeen, of nagenoeg bijeen. Heeft de Heere nu woord gehouden, of niet? Heeft de Heere gezorgd, of heeft Hij niet gezorgd?Geliefde gemeente, ik hoop met u nog eens te zingen:Zalig hij, die in dit levenJakobs God ter hulpe heeft;Hij, die door den nood gedreven,Zich tot Hem om troost begeeft,Die zijn hoop in 't hachlijkst lotVestigt op den Heer, zijn God!Zoo is het!Wat hoop ik nu voor de toekomst?Ik heb tegenover den Heere geen enkel recht, en ik maak geen enkele aanspraak op één seconde levens. Dit ligt in mijn oude natuur geheel verbeurd. En wanneer de Heere mij heden nog wegnam, zou ik moeten zeggen: „Heere, Gij hebt woord gehouden! Gij, die machtig zijt, om meer dan overvloedig te doen, boven ons bidden en boven ons denken, Gij hebt werkelijk boven bidden en denken aan mij welgedaan!”Toch heb ik in hetgeen de Heere beloofde en deed, een krachtigen pleitgrond om bij Hem aan te houden, en te zeggen: „Heere, Gij zijt de Getrouwe”.Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht,Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven:Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;Al 'tgeen uw mond aan mij had toegezegdGaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.Bij Gods troon pleit ik ook om genezing. Maar ik doe dit met volkomen onderwerping van mijn wil aan des Heeren wil, die alleen goed, wijs en heilig is.Zoo blijf ik een volkomen troost genieten.En waarom ik u dit nu mededeel?Waarom anders dan om u aan te sporen, uw gansche lot in des Heeren hand te bestellen. Niemand weet, wat hem boven 't hoofd hangt. Wie zou voor een jaar gezegd hebben, dat dit dreigend kwaad boven mij zou worden opgehangen? Maar wat ook gebeure, „die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen”. Niemand behoeft bij den Heere verontschuldiging te maken, dat ook hij komt. Niemand behoeft te vreezen, dat hij zal worden afgewezen. Het hartelijkst welkom, de grootste rijkdom van genade is van tevoren zeker. Moge dit schrijven u opwekken u voor ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid, in Gods hand te bestellen; ik zal er geen spijt van hebben, dat ik wat geleden heb, en het is u dan tot eeuwig heil geweest.Moge dit zoo zijn!Dit wenscht u hartelijkUw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 12 November 1913.Geliefde gemeente!Hoewel 't eenigszins moeielijk gaat, zend ik U toch ook ditmaal mijn brief.Mijn vertrek is acht dagen vervroegd, zoodat ik in plaats van de volgende week reeds morgen D.V. naar Heidelberg ga. Dit geeft bijzondere drukte. Toch neem ik er den tijd af U nog even te schrijven.Mijn vervroegd vertrek en de bloote mededeeling daarvan zouden allicht eenige ongerustheid bij u kunnen verwekken. Daarvoor is echter geen reden. Terwijl 't gezwel in den hals, dat de oorzaak der kwaal is, nagenoeg geheel verdwijnt, is de dikte op de tong een weinig teruggekomen. Volgens den geneesheer kan dit een onschuldige oorzaak hebben. 't Kan echter ook zijn, dat de kwaal, die op de ééne plaats verdwijnt, op een andere plek een voedingsbodem zoekt. In dit laatste geval is 't noodig, dat zij ook daar zoo spoedig en zoo krachtig mogelijk worde aangevat. De vervroeging der afreis is dus een maatregel van groote voorzichtigheid.Tot 't vertrek gereed, zie ik met groote dankbaarheid terug op hetgeen de Heere mij hier, ook in natuurlijk opzicht, geschonken heeft. Het najaar vergoedt aan schoone dagen ruimschoots, wat de zomer onthield, en vooral door een kranke, die de buitenlucht genieten mag, wordt dit hoogelijk gewaardeerd.Wat ik genoten heb in de schoone plantsoenen alhier! Heele poozen kon ik staan te turen voor reuzenboomen, die hier prijken, met hun geweldig zwart-groene, of grijs-groene stammen, hun dun, teeder najaarsloover, varieerend in tint, van licht-groen en goudgeel tot goudbruin. In de grilligste vormen slingeren zich de zwarte takken dooreen. Als met betraand oog giet de najaarszon haar glimmende straaltjes neder, die spelen op 't vochtig blad. Ieder dier boomen is een wonderstuk van schoonheid, een pracht-uitgave van de werken Gods. Menigmaal kwam de gedachte bij mij op: wanneer er al dit moois is, en er denkende menschelijke geest is, die dit schoon in zich opneemt, 't geniet, 't eet en drinkt, dan moet er zijn de Eeuwige Geest, die dit alles formeerde, de Kunstenaar en Bouwmeester van 't gansch heelal, die als Bouwmeester bovenal ook Kunstenaar is! En uit het Woord van Godjubelde mij dan tegen wat de dichter van den 50en psalm zingt:„Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende”.Neen in Sion staat geen altaar van den Onbekenden God. „God is bekend in Juda”. In den tempel, in het altaar, in den priesterdienst, in de rollen der profeten, bovenal in de zending en overgave van Zijnen lieven Zoon tot onze eeuwige verlossing verschijnt onze God blinkende; blinkende in den glans en gloed zijner drievuldige heiligheid.Welk een onderscheid dan ook tusschen de openbaring Gods en hetgeen de heidenen van hun goden fabelen. De goden der heidenen zijn geidealiseerde menschen, die nochtans als de grootste deugnieten dezer aarde elkander beliegen en bedriegen.Onze God is de Driemaalheilige. Heilig in Zijn woning; er komt niet binnen, wat verontreinigt. Heiligheid is het sieraad van Zijn Sion op aarde. Algeheele levenswijding en heiliging is de dure roeping van Zijn volk op aarde.Dit verkondigt de Heere in dezen psalm aan Zijn gunstgenooten, die zijn verbond maken met offeranden. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij niet gelijk de heidensche goden als een bedelaar komt; want Zijns is de aarde en haar volheid. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij van zijn gunstgenooten bovenal de offerande van hun gansche leven vraagt.Daarom wijst Hij uit Zijn gemeenschap de goddeloozen, die Zijne woorden achter hunnen rug werpen; degenen, die deelen met de dieven, die deelgenooten der overspelers zijn, en lastering spreken tegen den zoon hunner moeder. Niet zonder reden noemt de Heere juist dezen bij name: geldmakerij, overspel, en bevechten van elkander met het zwaard van den laster zijn steeds de hoofdzonden in tijdenvan verval. Alle deze zondaren dreigt de Heere met het vuur van zijn toorn. Alleen dengenen, die hun weg wel aanstellen, zal de Heere Zijn heil doen zien.En waar moeten dan blijven, die hun weg niet wel hebben aangesteld? Die met de dieven deelden, deelgenooten werden van de overspelers, tegen hun broeders lasterden, of wellicht nog erger deden?Op deze vraag geeft het antwoord de volgende psalm, de 51ste psalm, de bekende hemelladder, waarmede reeds menigeen uit diepen val werd opgericht, de psalm van 't verbroken hart; de psalm, waarin David betuigt: „De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten!”Een gebroken hart!Maar welke beteekenis kan dit hebben in de oogen Gods?Welke waarde heeft iets, dat gebroken is!Ge hebt een kostbare vaas. Ze breekt in duizend stukken. Weg is uw vaas; weg is al haar waarde. Wat beteekent de kostbaarste vaas bij 't meest gewone menschenhart? En welke waarde kan 't gebroken menschenhart hebben in de oogen des Heeren?Welke waarde?Vraag dit aan de heilige engelen, die hun harpen stemmen wanneer zij zien, dat dit groote werk des Heiligen Geestes, dit wonderwerk der verbreking des harten, aan een arm zondaar wordt gewrocht! Of liever nog, vraag dit aan een David, een Manasse, een Petrus, een Paulus, hoe zalig zij 't hebben ervaren, dat de Heere woont nabij de gebrokenen van hart en de verslagenen van geest! Vooral Paulus is in dezen een merkwaardig voorbeeld. Na zijn bekeering heeft hij door genade steeds zijn weg aangesteld. Hoe bitter klaagt hij nochtans in RomeinenZeven over de kracht der inwonende zonde! Romeinen Zeven is de 51ste psalm van Paulus!Hoort hem daarin ten slotte klagen: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”Beter dan ooit kan ik thans deze beeldspraak van Paulus verstaan. Iemand, die dit niet ondervindt, weet niet wat 't zegt: overigens zich gezond te gevoelen, maar dan gevangen te zitten in de omklemming eener doodelijke krankheid, die U op den grond werpt, en met grimmig gelaat 't mes dreigend boven u zwaait! O 't is een vreeselijke krankheid waaraan ik lijd, en waarvan alleen de naam reeds doet sidderen!En toch wat beteekent deze schrikkelijke lichamelijke bezoeking nog bij het zedelijk kwaad der zonde? De zonde is 't vreeselijke zwarte hoofdstuk der menschelijke historie. Alle ellende van ouders, kinderen, gezinnen, geslachten, volken, alle vreeselijkst denkbare krankheden behooren tot dit zwarte hoofdstuk. Tot dit hoofdstuk behoort ook het lijden van 't arme kind van God, dat naar de gemeenschap met den Driemaalheilige dorst, maar in die gemeenschapsoefening telkens belemmerd wordt door de schrikkelijke macht der inwonende zonde, en die luide klaagt: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”Zalig, driewerf zalig, wie, in welke ellende ook, alzoo meer over de zonde dan over de ellende, die 't vruchtgevolg der zonde is, leert klagen! Want hoort het, naarmate Paulus dieper klaagt, roemt hij luider: „Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere!”„Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende”; blinkende in de heiligheid van 't verlossingswerk, dat Hij in Christus wrocht. Want alzoo heilig is Gods toorn tegen de zonde, dat Hij haar, liever dan dat Hij haar ongestraft liet blijven, gestraft heeft aan ZijnEeniggeboren Zoon. Maar daarom is dit verlossingswerk dan ook een volkomen werk. Is aan onze zijde altijd alles verloren, aan Jezus' zijde is voor den grootsten der zondaren altijd alles behouden. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Hij heiligt door Zijn Geest, zoodat wij in beginsel over de kracht der inwonende zonde triomfeeren. Hij legt de roemtaal op de lippen: „Zou is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.”Ja, wilt ge de waarde zien van 't gebroken hart, vergelijk dan Romeinen 8 met Romeinen 7. Is Romeinen 7 de 51e Psalm, Romeinen 8 is het Hooglied van 't Nieuwe Testament, gezongen door denzelfden man, die in Romeinen 7 uit zijn gebroken hart klaagt over de kracht zijner inwonende verdorvenheid. In Romeinen 8 roemt hij in de hoogste en verhevenste goederen des Nieuwen Testaments, in de leiding, in het getuigenis, in de voorbede des Heiligen Geestes. Hij verheugt er zich in, dat allen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede. Hij, die zichzelven het meest beschuldigt, daagt al zijn beschuldigers uit, en zegt: „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?” Hij besluit met de jubelende tonen: „Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere”.Geliefde gemeente, terwijl ik dit schrijf, is 't mijne bede dan ook, dat de Heere mij bij mijn nieuwe reis dien grooten schat van 't verbroken hart, dat meer over de zonde dan over de ellende klaagt, slechts medegeve. Hoe 't dan ook ga, dan gaat 't altijd goed. Dit is 't wat ik een iegelijk uwer ook van harte toebid.De FranschmanBordeauxschreef een boek, dat den titel voert: „la peur de vivre”, „de vrees om te leven”. In een inleiding op dit boek verwijtRéné Doumicaan het Fransche volk, dat zij alleen zichzelven zoeken. Van ondernemingsgeest, van offervaardigheid voor anderen is bij velen geen sprake meer. De meesten jagen enkel naar geld. De wellusten worden onbeschaamd gediend. De een trapt den ander om zelf te stijgen. Zij hebben 't hoogste woord, wanneer alles voor den wind gaat. Maar wanneer de rampen komen, zitten zij is een hoekje te sidderen en te vloeken. Ze hebben een vrees voor het werkelijke leven, met al zijn verantwoordelijkheid, met al zijn eischen. Zij hebben alléén de zonde lief, en beven voor alle ellende. Begint deze maar even te drukken, dan werpen velen zulk een leven als geheel waardeloos in den zelfmoord weg.Hoe vreeselijk is de dienst der zonde!Geliefden, dat we haar mogen haten, vlieden, mijden! Dat we met al onze zonden steeds aan de voeten van Jezus komen! Dat we de reiniging zoeken van alle besmetting des vleesches en des geestes door Zijn bloed en door Zijn Geest! Dan smaken we de rechte zoetheid van het werkelijke leven, zelfs temidden van alle uitwendige ellende, hoe zwaar deze ook drukken moge, en zingt onze ziel als de nachtegaal haar schoonste lied in den donkersten nacht.Hiermede wil ik thans besluiten, ons beiden wederom aan uwe voorbede aanbevelend.Uw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 19 November 1913.Geliefde gemeente!Donderdag 13 November zijn we dan weer naar Heidelberg vertrokken. Ds. en Mevr. Teerink deden ons weer uitgeleide aan 't station.Het weer was zeer onstuimig. Grauwe, regenzwangere wolken zwierden langs het zwerk, en zagen dreigend op ons neer.Was 't buiten somber, van binnen scheen de zon van Gods vriendelijke gunst. Ik had den nacht rustig geslapen, en terstond bij 't ontwaken verkwikte de Heere me door allerlei troostwoorden: „Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst geef”; „Roep mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren”; „Zij zullen met vreugde uittrekken, en met vrede voortgeleid worden”. Hoewel 't mijn stelregel niet is, wanneer mij dergelijke troostwoorden invallen, deze dadelijk als bijzondere beloften te beschouwen, zoo kan ik toch niet nalaten te eten, wanneer de Heere aldus de tafel voor mijn aangezicht komt toerichten. Ik gevoelde mij dus verkwikt en versterkt, en we gingen wederom met goeden moed op reis.Na een rit van ongeveer vier uren, bereikten we eindelijk Keulen, en stapten we weer in den trein naar Mannheim. Spoedig waren we nu weer aan den heerlijken Rijnoever, waar de trein ruim drie uren achtereen tusschen hooge bergen doorstoomt.Ik had mij voorgesteld, nu eens een natuurverschijnsel te zien, waarvan ik vroeger wel de beschrijving had gelezen: dat ravenzwarte wolken in wilde vaart over de bergen vegen. Het weer was echter intusschen opgeklaard, de lucht was lichtblauw, en witte wolken stonden als drommen aan den hemel.Na een voorspoedige reis kwamen we 's avonds half-achtwelgemoed in Heidelberg aan. Den volgenden morgen werd ik dadelijk onderzocht door de beide professorenCzernyenWerner. O, wat was 't me weer goed weer bij deze beide mannen te zijn! Beide mannen zijn ware priesters der wetenschap, rechte geneesheeren bij de gratie Gods, gedreven door de heilige aandrift om menschen van den dood te redden. Exc. prof.Czernyis daarbij niet alleen een priester, maar evenalsPasteurte Parijs, enKortte Berlijn, ook een vorst. Uit binnen- en buitenland vloeide hem in korten tijd één millioen Mark toe, om 'tSamariterhaus, 't huis van barmhartigheid, te grondvesten, waarin allerlei ellendigen behandeld worden.Prof.Werneris een man met Duitsch-militaire houding, snelle bewegingen, aangename manieren, sympathieke oogen, een stem van muziek, en daarbij de vriendelijkheid en goedheid zelve. Met de grootste zorg heeft hij mij de vorige maal nagegaan, en ook nu weer werd ik met de grootste nauwkeurigheid onderzocht. Dit onderzoek scheen de beide heeren nogal tot tevredenheid te stemmen. Volgens prof.Wernerben ik een van de ernstigste patiënten, maar ben ik ook zoo sterk vooruitgegaan, dat er thans goede hope is.O, wat is de Heere goed! Hoe krachtig heeft Hij tot hiertoe Zijne heerlijke trouw aan mij bevestigd! Hij heeft mij daardoor in staat gesteld, ook anderen te troosten.Toen wij voor de eerste maal weer in de wachtkamer kwamen, troffen wij daar ook Hollanders aan. Spoedig waren wij met elkander in kennis. Drie hunner waren naar Heidelberg gegaan, omdat zij in de bladen van mijn behandeling alhier gelezen hadden. Weldra bezochten wij hen dan ook, om hun een woord van troost toe te spreken.Bij chirurgische behandeling heeft men spoedig een resultaat, hetzij dan ten goede of ten kwade. Bij de geneeskundigebehandeling, die hier in den regel wordt gevolgd, is dit anders. De inspuitingen met enzytol en de Röntgen-bestralingen pakken 't lichaam wel sterk aan; maar men weet niet, wat in 't lichaam zelf plaats heeft. Nu voelt men zich zus, dan weer zoo, en moet geduldig afwachten. Dit maakt vooral in den beginne wel eens ongeduldig en moedeloos. Men wil zoo gaarne dadelijk een resultaat, en liefst een verrassend resultaat zien, terwijl dit eerst later komt. Ik kon hen hierop uit mijn ervaring wijzen, en hen aansporen, 't oog naar boven te slaan, en de hulpe te verwachten van den God der middelen en der wonderen. Op deze wijze kan ik dus ook hier mijn arbeid voortzetten.Zondagmorgen gingen we weer ter kerk in de prachtigeFriedenskircheteHandschuhsheim. Het was dien dag juist oogst- en dankfeest. De uitwendige symbolen daarvan waren op echt Duitsche wijze met kwistige hand in de kerk aangebracht. Preekstoel en koor waren met klimop en wijnranken bewonden. In 't koor prijkten op een groote tafel kristallijnen schalen met zilveren voeten, deze schalen waren hoogop met blinkende appelen gevuld. Ik heb begrepen, dat deze na den dienst aan de kinderen werden uitgedeeld. Het kleine grut kwam althans terstond na afloop van den dienst in grooten getale de kerk binnen.De predikant koos als tekst zijner rede, Psalm 118: 15–18. Krachtig wekte hij de gemeente op bij de resultaten van den oogst naar boven te zien op Hem, van Wien alle dingen afhankelijk zijn. Vooral de wijn- en ooftbouw schijnen dit jaar vele teleurstellingen te hebben gehad. Dit gaf den leeraar aanleiding om de paradox uit te spreken, dat wij vooral in slechte jaren den Heere niet 't minste moeten danken. Hij bewees deze schijnstrijdige stelling met de juiste opmerking, dat wij eerst indagen van krankheid de gezondheid recht leeren waardeeren, en alzoo ook in jaren van teleurstelling niet alleen voor de tegenwoordige, maar ook voor de vroegere zegeningen Gods den Heere recht leeren danken. Bovendien, op een dankdag behoeven wij niet alleen te danken, maar mogen wij ook bidden tot Hem, die sprak: „De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen, die Hem aanroepen in der waarheid.” Laten we 't doen in 't besef, dat wij alles hebben verbeurd. Laten wij 't doen in waar geloof. In der waarheid.Deze heerlijke preek geeft mij wederom stof tot veel denken.Wanneer ik hetgeen ik heb verdiend vergelijk met hetgeen de Heere mij thans oplegt, och, wat heb ik dan nog stof tot danken. Tot danken aan Hem, van Wien de dichter van den 103en psalm jubelt, en van Wien mijne ziel 't meejubelt: „Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.”Ik maak een tweede vergelijking, en weeg, wat ik door mijne zonde heb verdiend, af tegenover den rijkdom van weldaden, waarmede de Heere mij vooral in deze dagen omringt. Dan gaat 't mij wederom als den dichter van den 103en psalm. De zegeningen Gods worden als een heerlijke tempel voor mij, en in 't midden daarvan roep ik als een beweldadigde tollenaar uit: „Loof den Heere,mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne weldaden”.Ik maak een derde vergelijking. Ik denk aan 't geen ik mij door mijne zonden heb waardig gemaakt, en vestig dan 't oog op 't lijden van den Heiland, die onschuldig zoo nameloos veel leed voor schuldigen, om voor dezen een eeuwig behoud te verwerven. Ik lees tegenwoordig bijna dagelijks in 't schoone hoekje van Thomas àKempis: „Meditatiën over het leven van Christus.” Welk een beschaming, maar ook welk een troost ontvangt mijn ziel dan vooral uit de overdenking van Jezus' heilig lijden en sterven!Ik maak nog een vergelijking, en plaats datgene, wat ik door mijn zonde heb verdiend tegenover datgene wat de Heiland voor mij heeft verworven. En dan roep ik als de dichter van den 103en psalm hemel en aarde op tot een machtig koorgezang, om den Heere te loven, en zeg daarbij tot mijne ziel: „En gij, mijn ziel, looft gij Hem bovenal!”Maar dit volmaakt danken zal eerst in de eeuwigheid zijn. O heerlijke eeuwigheid! Gij verzacht alle lijden dezer aarde, dat als een druppel in een oceaan verzinkt!Beproefden, laat ons maar veel deze vergelijkingen maken, en wij leeren God in alles danken. In alles, zelfs in de zwaarste beproevingen!Laat ik u ten slotte nog een aangename ontmoeting mededeelen, die we hier hadden. Op de tafel in de wachtkamer zag ik een blaadje liggen, dat den titel voerde: „Lebensfragen beantwortet für moderne Menschen.” „Levensvragen, voor moderne menschen beantwoord.”Twee onderwerpen werden daarin behandeld: „Wereldbeschouwing en zedelijkheid,” en „Hoe iemand van zijn angst verlost wordt.” Een uitnemend geschreven blaadje, dat als model kan dienen voor allen, die onder de hoogere standen willen evangeliseeren. In een andere wachtkamer vond ik een traktaatje, nog inniger geschreven. In korte stukjes werden daarin de volgende onderwerpen besproken: Waarom moet ik lijden? Uwe droefenissen en moeilijkheden. Een slapelooze nacht. Hoe verhoort God onze gebeden? Hiernamaals! Een probaat middel.Het eene stukje is nog al stichtelijker dan 't andere, en alle tezamen vertroosten mij zeer. Natuurlijk dacht ikdadelijk: Ik moet zien, welke hand deze daar heeft gelegd. Spoedig was zij ondekt: een dame uit Barmen, een allervriendelijkste verschijning, een lijderes, met de vreugde der Christelijke hope in 't zielvol oog. Dadelijk stelden we ons aan haar voor, en dankten haar voor haar arbeid. „Ach, was haar antwoord, 't geeft zoo weinig!” Ik was blijde haar terstond 't tegendeel te kunnen verzekeren, en haar te zeggen, hoe haar traktaatje mij verkwikt had. Ik voegde er bij, dat ik een stukje vertalen zou, en naar Holland zenden. „Wie weet, hoe velen in Holland er door vertroost zullen worden. Zoo brengt uw arbeid menigmaal zegen, zonder dat u 't zelve merkt.”Het spreekt vanzelf, dat mijn vrouw en ik dadelijk dikke vrienden met haar werden.Ik vervul thans mijn belofte, en vertaal ten slotte 't kleinste stukje, opdat mijn brief niet te groot worde.„Hoe verhoort God onze gebeden?”„Het is den Heere om onze bevestiging en opvoeding te doen en niet in de eerste plaats om het effenen der wegen, om het drogen der tranen. Merken we dit toch goed op, wanneer we in nood bidden: „Heere help ons, wij vergaan!” Laten wij nooit meenen, dat Hij ons alleen dan verhoord, wanneer Hij op eenmaal de smarten wegneemt en effen baan maakt. De Heere kan ook alzoo en beter verhooren, wanneer Hij ons kracht geeft tot dragen, en wij in den smeltoven gelouterd, voor Zijn dienst meer geschikt gemaakt, meer naar Christus' beeld hervormd en voor de eeuwige heerlijkheid rijper gemaakt worden.”Moge werkelijkheid worden, wat ik zei, en ook dit nog velen ten zegen zijn.Ons wederom in uwe gebeden aanbevelend, blijf ikUw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 25 November 1913.Geliefde gemeente!Vanaf 16 November ben ik tot op heden elken dag geregeld behandeld, behalve Zaterdag 22 November. Op dien dag was 't de Diës der Universiteit, en ieder Leidenaar weet, wat dit voor een academiestad beteekent.Aan den avond van dien dag maakte ik een kleine wandeling naarHandschuhsheim, dat mij langzamerhand lief is geworden, niet alleen om zijn schilderachtige ligging maar ook om zijn voortreffelijk kerkelijk leven.Handschuhsheimis de Sionsburcht van Heidelberg.Het was een prachtige stille avond. Het gewoel van Oud-Heidelberg lag ver achter mij. Ik was de eenige wandelaar op deLandstrasse. Rechts hief de bergketen haar ruige, bultige ruggen omhoog. Links strekte het Heidelbergdal zich uit. Rondom mij flonkerden de gloeilichtjes als sterren op aarde. Een oogenblik later begon de klok vanHandschuhsheimhaar volle, statige tonen door de bergen en over de vlakte te beieren. Het zou den volgenden dag nationale boete- en bededag zijn. Deze werd nu ingeluid.Toen overviel mij een heimwee naar den ouden tijd, naar den tijd van Frederik III, van Ursinus en Olevianus, naar den tijd, toen het waarachtig Christendom in het publieke leven den boventoon voerde. Ik had juist de woorden gelezen, die Minister Pleijte in onze Tweede Kamer over de verhouding van den Javaan tot den Islam gesproken had. „Voor den Javaan is de Islam niet alleen zijn Godsdienst, maar zijn alles!” Ik dacht toen dadelijk: „Maar is onze verhouding tot het Christendom een andere?” Neen, de liberalen hebben 't nooit begrepen. Maar met meer recht dan de Islam voor den Javaan, is het Christendom voor ons Christenen meer dan een Godsdienst,het is ons alles. Dat was 't voor een Frederik III en zijn trouwe geestelijke lijfstaffieren. Dit was het voor de helden, die toen in Nederland in den strijd om 't behoud van het ware Christendom alles voor alles gaven. Welk een kostelijke tijd, toen zulke mannen in het publieke leven den toon aangaven!Helaas, 't werd spoedig anders. Het talent, het genie, de wetenschap, de kunst werden de goden der eeuw, de cultuur en nog eens de cultuur werd de Godsdienst van den tijd, uitwendige beschaving ging verre boven wedergeboorte en bekeering. Pelagius werd wederom de leeraar der volken. Luther, Calvijn, Augustinus, in naam geëerd, werden in de werkelijkheid afgedankt. En thans is 't zoover gekomen, dat de ware religie in 't leven als een onnutte dienstmaagd ter deure is uitgewezen.Oogenschijnlijk is dit geen verlies. Sinds de mensch den hemel uit 't oog verloor, begon hij zich immers meer aan de aarde te wijden. En met welke resultaten? Met recht spreekt men van de wonderen der techniek. Steden en dorpen breiden zich uit, en worden steeds fraaier. Achterhoeken zijn er niet meer. Alles krijgt op de een of andere wijze aansluiting aan 't wereldverkeer. Aan ieder wordt langzamerhand een plaats ingeruimd aan den welgevulden disch der culturen.Vooral in een stad als Heidelberg valt voor den mensch der wereld zooveel te genieten. Concerten, schouwspelen, lezingen van ongeloofsapostelen, 't is elken avond wat anders, en soms van alles tegelijk.Maar in dit schijnbaar schoone levensconcert klinkt één schrikkelijke wanklank, en dit is de dood! Op de kermis der ijdelheid schrijdt één boetprediker voort, dien niemand kan keeren: de dood! En ook hij kondigt in statige, volle tonen zijn komst den menschen aan: in het klokgelui der zware krankheid....Ik keerde van mijn wandeling naar huis, en ging voor 't open venster staan om naar de zilveren tonen der boeteklok te luisteren, en ik dacht, hoe 't mij nu zou zijn, wanneer ik den Heiland niet kende als mijn Eén en mijn Al. Nu ben ik in al mijn lijden overgelukkig. Hij heeft reeds vroeger de boeteklok in mijn ziel doen klinken. Hij heeftZijnMiddelaarsliefde aan mij geopenbaard, Hij heeft mij laten zien, waarom ik moet lijden.Waarom ik moet lijden? O, laat ik 't u zeggen met de dichterlijke woorden vanCarolina Rhiem, die ik afschrijf uit het traktaatje, waarvan ik reeds een vorig maal melding maakte.„Wat hebt Gij mij te zeggen,Mijn Meester daar omhoog?”Zoo wil ik weder vragenTot ik Uw heil versta.Waarom hebt Gij gestuitOpnieuw nu mijnen loop?O, zeg mij toch het antwoord,Ik wachte stil daarop.Mijn kind, Ik moest u leidenHierheen in deez' woestijn,Om met u te sprekenOp deze stille plaats.In al 't verwarde drijvenDer onrust om u heen,Daar kondet gij mijn stemmeNiet hooren, neen o neen!Gij waart in gevaren,Die gij niet hebt vermoed,En hoordet niet mijn roepen,Dat zacht u heeft gemaand.Zoo moest Ik „halt” gebieden,En nu door deze smartUit het gewoel u trekkenHeel na aan mijn hart.Nu zie Mij eens in d'oogenEn ga niet weder weg.Geloof nu Mijne liefdeEn hoor naar Mijn Woord!Buig u nu geduldigOok onder Mijne tucht,Opdat Ik u kan reikenDes Geestes zoete vrucht!***Nu heb ik U verstaan,Mijn Meester en mijn Vriend,En wil verheugd U dankenDat Gij zoo trouw 't meendet.Nu wil ik in de stilteBij U ter schole gaanEn U in Uwe schoonheid,Mijn Koning, gadeslaan!O ja, mijn beproeving is een ware woestijn voor mij. Maar de woestijn, de plaats der eenzaamheid en des doods, is ook de plaats, waar de hemel zich helder boven ons hoofd welft, waar we met den Heere en met onszelven alléén zijn, waar 't oog naar boven en naar binnen geslagen wordt. De woestijn is de tempel, waar de tollenaar zijn bede opzendt tot zijn God, waar de Heere Zich in al Zijn lieflijkheid aan de ziel openbaart, waar Hij de hope in de ziele verlevendigt op 't hemelsche Kanaän, waar niemand zegt: „ik ben krank!” O, heerlijke woestijn, waar de Heere alzoo de wolk- en vuurkolom zijner bijzondere tegenwoordigheid uitbreidt over de ziel. Ik benovergelukkig, en ook uit mijn hart klinkt de lofzang tot dien Heere: „Gij hebt mij meer vreugde in mijn hart gegeven dan ten tijde wanneer hunlieder koren en most vermenigvuldigd zijn!”Met groote blijdschap gingen we dan ook Zondagmorgen naar 't bedehuis.Ditmaal gingen we weer naar de kapel van het Diaconessenhuis, waar de bekende pastorSamuel Kelleruit Freiburg zou preeken. Hij is hier gekomen om evangelische voordrachten te houden. Zondagsavonds zou hij spreken over „die Heimkehr Gottes,” Maandag over „den omgang met mijzelven,” Dinsdag over „vrije liefde en werkelijk huwelijk,” Woensdag over „moderne oplossingen van het sexueele vraagstuk,” Donderdag „over den inzet der ziel,” en Vrijdagavond „over de toekomst van het Christendom.” Daarbij houdt hij echter elken dag een bijbellezing, en preekt Zondagmorgen in de kapel.Tot mijn leedwezen kan ik de avondvoordrachten niet bijwonen. Ik ga nog steeds gestadig en krachtig vooruit. Natuurlijk verschilt de ééne dag zeer van den anderen. Maar tot roem van des Heeren wonderbare goedheid mag ik U mededeelen, dat ik mij steeds krachtiger ga gevoelen. Toch mag ik mij nog niet wagen aan drukke avondbijeenkomsten, waar drie à vier duizend menschen samenkomen.Daarom verheugde 't mij temeer, dat ik hem Zondagmorgen mocht hooren.Welk een verschijning! Een man, als uit een rots gehouwen, met grijzen haardos, waarvan blijkbaar nog niet één haar is uitgevallen, een blozend gelaat, een stem van metaal.Hij nam tot tekst Openb. 2: 2–5.Er bestaat een boetedag-gevaar, zoo begon hij. Het gevaar, dat we vandaag de massieve, grove volkszondenhekelen, onszelven als farizeërs oprichten in onze banken, en van onze hoogte op dit gespuis neerzien. In dat gevaar mogen wij ons niet begeven. Wij hebben gezondigd, en moeten schuldenaren worden; daarom koos ik dezen tekst. Wij moeten ons door den Heere laten berispen; maar mogen ons eerst door Hem laten prijzen. „Ik weet uwe werken,” zegt de Heere. De wereld neemt van onze Christelijke werken op allerlei gebied geen notitie. Het is ons genoeg, dat de Heere zegt: „Ik weet!”Máár.... één groot ding heeft de Heere tegen ons, dat wij onze eerste liefde hebben verlaten. De Heere gaf u een lentetijd; de lente ging; maar de zomer kwam niet. In plaats van den berg van 't Christelijk leven te bestijgen, hebt ge u neergezet op de mistbank uwer bekeering. Waarom wilt gij ook van niets hooren dan van bekeering, en zegt dan voldaan: „deze heb ik, en meer heb ik niet noodig!” Maar zóó zijt ge verachterd in de genade!Op die wijze ging hij voort. Ik kan U niet alles uitschrijven, daar mijn brief anders te lang wordt. 't Was een krachtig woord, dat de harten en gewetens aangreep.Jammer, dat de Hollanders, die hier zijn, over 't gemeen 't Duitsch niet machtig zijn, en de prediking niet kunnen volgen. Er zijn er hier nu wel een vijftien. We vullen de halve wachtkamer.Ik ben ook nog niet zoover, dat ik voor hen kan preeken. Over een uur worden mij twee scherpe kiezen getrokken, die mij in 't spreken zeer belemmeren. Misschien dat 't dan beter wordt. Ik moet thans eindigen, om mij weer onder behandeling te stellen. Blijft ons gedenken voor den Troon der Genade bij Hem, die wonderlijk is van raad en groot van daad. Weest tezamen den Heere bevolen vanuw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 3 December 1913.Geliefde Gemeente!„Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren!” „Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst geef!” In de dagen, die thans achter mij liggen, heeft de Heere deze heerlijke waarheden wederom op zoo treffende wijze vervuld.Ik heb moeilijke dagen doorgemaakt. Vooral de dag, waarop ik u verleden week mijn brief zond, was een gewichtige dag. Op één dag moest ik toen om 10 uur worden ingespoten en om 11 uur worden belicht, terwijl me om 1 uur twee scherpe tandwortels en één kies moesten worden getrokken.Ik behoef u niet te zeggen, dat vooral de laatste operatie, in een pijnlijken mond, dien men ternauwernood kan openen, en waarin de dokter de tang nauwelijks bewegen kan, terwijl aan de kaak nog altijd een rest van een kankerknobbel zit, een zeer pijnlijke kunstbewerking is. Van verdooving kon geen sprake zijn. Ik zag er wel wat tegen op; maar de noodzakelijkheid legde aan alle innerlijke tegenspraak het zwijgen op.Voordat ik van huis ging, las ik den 38sten psalm. Helder stelde ik mij de verootmoedigende waarheid voor den geest, dat alle ellende 't vruchtgevolg der zonde is. Daarop wandelde ik alléén naar 'tSamariterhaus. Mijn vrouw, voor wie de afstand te ver is, gaat in den regel met de tram. Onderweg stelde ik mij voor oogen, wat de Heiland aan het kruis heeft geleden, zes uren achteréén, hangende aan een drietal spijkers. Hij, Onschuldige voor de schuldigen. „Heere”, zeide ik in mijzelven, „daar hebt Gij ook mijne krankheden op U genomen”. Deze overdenking gaf mij rijken troost. Ik leerde mij schamen voor mijn vrees voor pijn. Welgemoed ging ik 'tSamariterhausbinnen, onderging 't één na 't ander, en kon in de tusschentijden mijn brief aan u voltooien en verzenden.Ik zal u geen beschrijving geven van de laatste operatie. De ééne tang na de andere werd als onbruikbaar terzijde gelegd. Eindelijk lukte de bewerking. De minuten van pijn waren als een droom voorbij gevlogen; en mijn ziel jubelde dankende den Heere tegemoet, Die mij zoo krachtig had gesterkt.Prof.Werner, de dokter van dienst, eveneens een sympathieke persoonlijkheid, bijgestaan door een zeer medelijdende zuster, voltooide 't werk. We waren allen even blij, toen de zaak was afgeloopen. Ik kan deze menschen niet genoeg danken voor hetgeen ook zij voor mij zijn.Ik had nu veel verlichting gekregen; maar aan het einde der week volgden weer een paar moeilijke dagen. Ik kreeg gedurig bloeding in den mond met eenige koorts. Ik leed veel pijn, en moest een paar dagen het bed houden.Alzoo nederliggend, hield ik mij bezig met de overdenking van 't lijden van onzen dierbaren Heiland en volgde ik Hem van Zijn Krib tot Zijn Kruis. Ik stelde mij den heerlijken Kerstnacht voor oogen, waarin 't Vleeschgeworden Woord nederlag in de kribbe; ik dacht aan den heerlijken engelenzang, aan 't bezoek der herders en der wijzen; maar ook wederom aan de vervolging door Herodes. Neen, 't kindeke Jezus mocht niet spelen op een der straten van Israël; 't scherpe zwaard dreigde reeds dadelijk 't onschuldige Kind; als een balling moest Hij, nog zóó jong, in den vreemde zwerven. Op deze wijze ging ik de omwandeling en 't lijden van den Heiland na. Dan weer stelde ik mij de vreugden des hemels voor: wat het zijn zal, in de eeuwige rust te zijn,van alle zonde en ellende ontslagen te zijn! Maar deze rust zal niet zijn als de rust van den slaap; neen, zij zal wezen en geheel vervuld zijn met den Heiligen Geest, in de heerlijke extase der heerlijke vreugde. O, met welke vreugde zullen de zaligen wandelen op de gouden straten van het hemelsche Jeruzalem, onder de wuivende palmen van 't heerlijk paradijs, elkander herkennende, elkander leerende kennen, om samen den Heere groot te maken in den volmaakten lofzang, die als een stemme veler wateren door de wijde hemelen ruischt! Met welk een blijdschap zullen zij den verheerlijkten Heiland zelven zien, die voor ons aan 't Kruis heeft gehangen, en die daar nu de Zijnen rondom Zich verzamelt! Hoe zal Hij ons dan aanzien? Niet met een blik, zooals Hij Petrus aanzag in de Kájafaszaal; maar met een oog, waaruit de verzadiging Zijner vreugde spreekt daarover, dat nu vervuld is, wat Hij bad: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid mogen zien, die Ik bij U had vóór de grondlegging der wereld.” Ja, welk een verzadiging van vreugde zal het voor ons wezen, in 't Vaderhuis te zijn; bij God, den Vader, voor eeuwig thuis te zijn; nu alle dingen te weten, zonder dat die kennis ons eenige studie kost, en aan dit volmaakte kennen de stof te ontleenen tot Gods eeuwigen lof en prijs!Het was mij goed, alzoo verdrukt te zijn, en in mijn druk zoo tot den Heere te worden uitgedreven.En.... Hij gaf met de verdrukking zulk een verrassende uitkomst. Maandagmorgen voelde ik mij geheel hersteld. De voorbijgaande ongesteldheid had uitgewoed. En nu voelde ik eerst recht, hoeveel ik gedurende deze kuur weer was vooruitgegaan.'s Middags maakte ik een bezoek bij Prof.Werner, om met hem over mijn toestand te spreken. Hij was nunog meer voldaan dan aan 't einde der eerste kuur. Niet alleen uitwendig, maar ook inwendig was 't kankergezwel zelfs gedurende de kuur snel afgenomen. Met de tong, zeide hij, zou 't iets langzamer gaan, hoewel ook deze aanmerkelijk beter is geworden. In Januari moet ik, zoo de Heere wil, voor een derde kuur terugkomen; en wanneer ik daarin even voorspoedig ben als in de beide eerste, bestaat er welgegronde hope, dat ik Februari of Maart mijn werk weer mag opvatten.Mocht dit eens waarheid worden!Zal ik dan tevergeefs geleden hebben dat zware lijden, dat gevoerd worden langs dood en graf, wat ik nu heb doorgemaakt?In 't Badensch kerkelijk gezangboek is een heerlijk vers:

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 6 November 1913.

Geliefde gemeente!

Hoewel ik deze week weinig nieuws met betrekking tot mijn toestand te schrijven heb, maak ik toch gaarne gebruik van de gelegenheid, die mij de Kerkbode voortdurend verleent, omdat mij daardoor de gelegenheid geboden wordt, Gods groote daden als in het midden der gemeente te vertellen.

Ik ben nu veertien dagen thuis, en als ik terugzie op hetgeen achter mij is, is 't mij als een droom. Maar geen droom is, wat God in die dagen wrocht.

Laat ik 't u mogen verhalen.

Ik begin daartoe met een woord van Paulus. De heilige apostel schrijft Fil. 1: 23 en 24: „Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste; maar in het vleesch te blijven is noodiger om uwentwil”.

Ik heb deze gesteldheid van den apostel-pelgrim weleens vergeleken bij die eener vrouw en moeder, wier man naar Amerika trok, maar die zelve nog met haar kinderen in het vaderland is gebleven. Haar man schrijft haar, dat zij over moet komen, maar haar kinderen voorloopig in Nederland bij de familie moet achterlaten, opdat zij eerst een goede Hollandsche opvoeding verkrijgen, voordat ook zij naar de nieuwe wereld verhuizen.

Denkt deze vrouw aan haar man, dan begeert zij vleugelen, om naar 't verre land te snellen. Ziet zij evenwel op haar kinderen, dan voelt zij zich nog aan den vaderlandschen bodem als vastgenageld.

Zóó was 't ook met Paulus. Verhief hij zijn hart tot den Heere in den hemel, dan begeerde hij niets liever dan den marteldood te sterven. Zag hij op de gemeente, dan verlangdezijn ziel naar leven en vrijheid, om haar het Evangelie te mogen verkondigen. En door des Heeren rijke en vrije genade stemt ook mijne ziel hiermede ten volle overeen.

Ik was dezen zomer dan ook zoo dankbaar, toen ik meende, dat ik langzaam vooruitging, en spoedig mijn heerlijken arbeid zou mogen hervatten, of liever eigenlijk eerst recht zou beginnen, hoe zoet mij steeds de gedachte der ontbinding en eeuwige verlossing ook ware. Ik voelde wel, dat ik ernstig krank was; ik leed, vooral 's nachts, soms onnoemelijke pijnen. Maar ik meende, dat dit een crisis was, die ik moest doormaken, en dat ik daarna geheel herstellen zou. Ik had mijn hoop op de Röntgen-bestraling gebouwd, en dacht niet anders, of ik zou daardoor als door een van den Heere geschonken middel weldra geheel genezen, hoewel mijn eigenlijke kwaal gaandeweg erger werd.

Dit duurde tot Donderdag 25 September. Dien dag vergeet ik nimmer! Ik zou op dien datum naar Almelo gaan, om daar voor de Stichting te werken. Vooraf ging ik echter even bij den dokter aan, die aan den hoogleeraar om nader advies had geschreven, en dit had ontvangen. Op weg naar 't station ging ik even bij den geneesheer aan, om dit advies te vernemen.

Toen deelde mij de dokter kort en goed mede, dat volgens den professor en hemzelven de Röntgen-bestraling zooals deze in ons land werd toegediend, mij niets verder zou brengen, en dat er voor mij nog maar één weg van ontkoming was: in 't Instituut van prof.Czernyte Heidelberg.

Daar stond ik. Het eenige middel, waarop ik mijn hope had gebouwd, was mij ontnomen. Heidelberg leek mij onbereikbaar. In 't vaderland was ik opgegeven. Het buitenland scheen voor mij gesloten.

Toch heb ik geen oogenblik gewankeld, de Heere heeftmij steeds bij al mijne beproevingen een groote genade geschonken. Ik heb steeds in toepassing mogen brengen, wat een cadet op een militair examen anwoordde. Hem werd gevraagd, wat hij doen zou, wanneer zijn regiment, in 't front door de infanterie, in den rug door de artillerie, links en rechts door de cavalerie werd aangevallen. Ik zou commandeeren, zoo luidde zijn antwoord: „Mannen, knielt, bidt!” Ditzelfde zeide ik steeds tot mijne ziel in elken grooten nood. De zwaarste rampen brachten mij altijd als in de onmiddellijke gemeenschap Gods, omdat ik mij vasthield aan Hem als ziende den Onzienlijke, en in de grootste smarten had ik dan de hoogste vreugde.

Zoo ging 't ook dezen dag.

Een oogenblik overwoog ik, wat mij te doen stond, naar huis te gaan, of door te gaan. Ik besloot mijn reis voort te zetten, en onderweg den Heere aan te roepen, om dan straks meer gesterkt thuis te komen.

Ge kunt u voorstellen, hoe ik op dien dag door de straten van Almelo liep. Ik was als een schip zonder roer in den nood der baren, en gedurig gingen mijne noodkreten op tot den Heere.

Het was markt in Almelo, en zeer druk op straat. Ik was midden in de drukte. Een oogenblik was 't mij nu, alsof de Heere een kring om mij hem trok. Ik zag niemand meer. Door 't geloof wonend in mijn hart, openbaarde de Heere Zich in mij door Zijnen Heiligen Geest om mij met kracht te versterken. Het was mij, of Hij mij van binnen in mijn hart teeder de hand drukte, en tot mij zeide: „Nu alles is afgesneden, nu zal Ik voor u zorgen!”

Ik kan niet beschrijven, hoe zalig, hoe veilig, hoe rustig ik mij nu gevoelde. Op zulke oogenblikken is werkelijk van toepassing, wat Jean Paul zoo schoon schreef:

„Wie auch die Zeit vor dir vorüber fliege, die Gegenwart ist deine Ewigkeit!” „Hoe de tijd voor u ook voorbijsnelle, het is heden uwe eeuwigheid, en dit verlaat u nooit!”

Zulk een oogenblik, zulk een heden komt uit de eeuwigheid en geeft eeuwigheids-gevoel in het hart. Het licht, dat dan in de ziel schijnt, mag nu en dan door wolken worden verdonkerd, de zon blijft, de wolken verdwijnen, die zon is een eeuwige zon. Welke zaligheid doorstroomde dan ook in die oogenblikken mijne ziel! Wat voelde ik mij veilig en rustig in de eeuwige armen van den Koning van 't heelal.

Op 't zelfde oogenblik, dat de Heere mij aldus in Almelo sterkte, was de dokter bij mijn vrouw, om haar de gansche verschrikkende werkelijkheid te onthullen. Door den Heere kennelijk gesterkt, droeg zij dien slag als een heldin. Ziedaar reeds de eerste bevestiging van wat de Heere beloofde!

Nadat ik in Almelo mijn zaken had afgedaan, ging ik naar huis, met de bedoeling om mijn vrouw deelgenoot te maken van wat de dokter mij had gezegd, en met haar verder te beramen, wat ons nu te doen stond. Ik had reeds mijn plan gemaakt. Ik wil 't maar niet meedeelen. Het is niet uitgevoerd, want de Heere had anders gezorgd.

Thuis gekomen vermoedde ik weinig, dat al mijn huisgenooten reeds meer wisten dan ik kon mededeelen. Mijn vrouw hoorde mij aan zonder te ontstellen. Ik had niet veel tijd hierover na te denken. Binnen weinige minuten kwam een vriend binnen, die mij mededeelde, dat ik naar Heidelberg moest, en dat hij voor alles zorgen zou. Wat was geschied? Eenige dagen tevoren had hij mij met den dokter ontmoet. De dokter begreep, dat hij belang in mij stelde, ontbood hem buiten mijn weten ten zijnent, en in weinige dagen werden door hen samen de voorbereidende maatregelen voor mijn vertrek getroffen. Zaterdag 27 September werd ook mij nu de werkelijkheid mijner ziekte medegedeeld. Maandag 29 September zaten wij reeds in den trein naar Heidelberg. Wat in ons land nietverkregen kon worden, is daar bereikt; het uitwendig kankergezwel is nagenoeg geheel verdwenen. Alleen de tong zit aan de achterzijde nog met zweertjes. De bedoeling van de tweede kuur is, om dan vooral de tong aan te vatten. Ook voor die tweede reis is alles al weer bijeen, of nagenoeg bijeen. Heeft de Heere nu woord gehouden, of niet? Heeft de Heere gezorgd, of heeft Hij niet gezorgd?

Geliefde gemeente, ik hoop met u nog eens te zingen:

Zalig hij, die in dit levenJakobs God ter hulpe heeft;Hij, die door den nood gedreven,Zich tot Hem om troost begeeft,Die zijn hoop in 't hachlijkst lotVestigt op den Heer, zijn God!

Zalig hij, die in dit levenJakobs God ter hulpe heeft;Hij, die door den nood gedreven,Zich tot Hem om troost begeeft,Die zijn hoop in 't hachlijkst lotVestigt op den Heer, zijn God!

Zoo is het!

Wat hoop ik nu voor de toekomst?

Ik heb tegenover den Heere geen enkel recht, en ik maak geen enkele aanspraak op één seconde levens. Dit ligt in mijn oude natuur geheel verbeurd. En wanneer de Heere mij heden nog wegnam, zou ik moeten zeggen: „Heere, Gij hebt woord gehouden! Gij, die machtig zijt, om meer dan overvloedig te doen, boven ons bidden en boven ons denken, Gij hebt werkelijk boven bidden en denken aan mij welgedaan!”

Toch heb ik in hetgeen de Heere beloofde en deed, een krachtigen pleitgrond om bij Hem aan te houden, en te zeggen: „Heere, Gij zijt de Getrouwe”.

Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht,Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven:Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;Al 'tgeen uw mond aan mij had toegezegdGaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht,Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven:Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;Al 'tgeen uw mond aan mij had toegezegdGaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

Bij Gods troon pleit ik ook om genezing. Maar ik doe dit met volkomen onderwerping van mijn wil aan des Heeren wil, die alleen goed, wijs en heilig is.

Zoo blijf ik een volkomen troost genieten.

En waarom ik u dit nu mededeel?

Waarom anders dan om u aan te sporen, uw gansche lot in des Heeren hand te bestellen. Niemand weet, wat hem boven 't hoofd hangt. Wie zou voor een jaar gezegd hebben, dat dit dreigend kwaad boven mij zou worden opgehangen? Maar wat ook gebeure, „die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen”. Niemand behoeft bij den Heere verontschuldiging te maken, dat ook hij komt. Niemand behoeft te vreezen, dat hij zal worden afgewezen. Het hartelijkst welkom, de grootste rijkdom van genade is van tevoren zeker. Moge dit schrijven u opwekken u voor ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid, in Gods hand te bestellen; ik zal er geen spijt van hebben, dat ik wat geleden heb, en het is u dan tot eeuwig heil geweest.

Moge dit zoo zijn!

Dit wenscht u hartelijk

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 12 November 1913.

Geliefde gemeente!

Hoewel 't eenigszins moeielijk gaat, zend ik U toch ook ditmaal mijn brief.

Mijn vertrek is acht dagen vervroegd, zoodat ik in plaats van de volgende week reeds morgen D.V. naar Heidelberg ga. Dit geeft bijzondere drukte. Toch neem ik er den tijd af U nog even te schrijven.

Mijn vervroegd vertrek en de bloote mededeeling daarvan zouden allicht eenige ongerustheid bij u kunnen verwekken. Daarvoor is echter geen reden. Terwijl 't gezwel in den hals, dat de oorzaak der kwaal is, nagenoeg geheel verdwijnt, is de dikte op de tong een weinig teruggekomen. Volgens den geneesheer kan dit een onschuldige oorzaak hebben. 't Kan echter ook zijn, dat de kwaal, die op de ééne plaats verdwijnt, op een andere plek een voedingsbodem zoekt. In dit laatste geval is 't noodig, dat zij ook daar zoo spoedig en zoo krachtig mogelijk worde aangevat. De vervroeging der afreis is dus een maatregel van groote voorzichtigheid.

Tot 't vertrek gereed, zie ik met groote dankbaarheid terug op hetgeen de Heere mij hier, ook in natuurlijk opzicht, geschonken heeft. Het najaar vergoedt aan schoone dagen ruimschoots, wat de zomer onthield, en vooral door een kranke, die de buitenlucht genieten mag, wordt dit hoogelijk gewaardeerd.

Wat ik genoten heb in de schoone plantsoenen alhier! Heele poozen kon ik staan te turen voor reuzenboomen, die hier prijken, met hun geweldig zwart-groene, of grijs-groene stammen, hun dun, teeder najaarsloover, varieerend in tint, van licht-groen en goudgeel tot goudbruin. In de grilligste vormen slingeren zich de zwarte takken dooreen. Als met betraand oog giet de najaarszon haar glimmende straaltjes neder, die spelen op 't vochtig blad. Ieder dier boomen is een wonderstuk van schoonheid, een pracht-uitgave van de werken Gods. Menigmaal kwam de gedachte bij mij op: wanneer er al dit moois is, en er denkende menschelijke geest is, die dit schoon in zich opneemt, 't geniet, 't eet en drinkt, dan moet er zijn de Eeuwige Geest, die dit alles formeerde, de Kunstenaar en Bouwmeester van 't gansch heelal, die als Bouwmeester bovenal ook Kunstenaar is! En uit het Woord van Godjubelde mij dan tegen wat de dichter van den 50en psalm zingt:

„Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende”.

Neen in Sion staat geen altaar van den Onbekenden God. „God is bekend in Juda”. In den tempel, in het altaar, in den priesterdienst, in de rollen der profeten, bovenal in de zending en overgave van Zijnen lieven Zoon tot onze eeuwige verlossing verschijnt onze God blinkende; blinkende in den glans en gloed zijner drievuldige heiligheid.

Welk een onderscheid dan ook tusschen de openbaring Gods en hetgeen de heidenen van hun goden fabelen. De goden der heidenen zijn geidealiseerde menschen, die nochtans als de grootste deugnieten dezer aarde elkander beliegen en bedriegen.

Onze God is de Driemaalheilige. Heilig in Zijn woning; er komt niet binnen, wat verontreinigt. Heiligheid is het sieraad van Zijn Sion op aarde. Algeheele levenswijding en heiliging is de dure roeping van Zijn volk op aarde.

Dit verkondigt de Heere in dezen psalm aan Zijn gunstgenooten, die zijn verbond maken met offeranden. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij niet gelijk de heidensche goden als een bedelaar komt; want Zijns is de aarde en haar volheid. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij van zijn gunstgenooten bovenal de offerande van hun gansche leven vraagt.

Daarom wijst Hij uit Zijn gemeenschap de goddeloozen, die Zijne woorden achter hunnen rug werpen; degenen, die deelen met de dieven, die deelgenooten der overspelers zijn, en lastering spreken tegen den zoon hunner moeder. Niet zonder reden noemt de Heere juist dezen bij name: geldmakerij, overspel, en bevechten van elkander met het zwaard van den laster zijn steeds de hoofdzonden in tijdenvan verval. Alle deze zondaren dreigt de Heere met het vuur van zijn toorn. Alleen dengenen, die hun weg wel aanstellen, zal de Heere Zijn heil doen zien.

En waar moeten dan blijven, die hun weg niet wel hebben aangesteld? Die met de dieven deelden, deelgenooten werden van de overspelers, tegen hun broeders lasterden, of wellicht nog erger deden?

Op deze vraag geeft het antwoord de volgende psalm, de 51ste psalm, de bekende hemelladder, waarmede reeds menigeen uit diepen val werd opgericht, de psalm van 't verbroken hart; de psalm, waarin David betuigt: „De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten!”

Een gebroken hart!

Maar welke beteekenis kan dit hebben in de oogen Gods?

Welke waarde heeft iets, dat gebroken is!

Ge hebt een kostbare vaas. Ze breekt in duizend stukken. Weg is uw vaas; weg is al haar waarde. Wat beteekent de kostbaarste vaas bij 't meest gewone menschenhart? En welke waarde kan 't gebroken menschenhart hebben in de oogen des Heeren?

Welke waarde?

Vraag dit aan de heilige engelen, die hun harpen stemmen wanneer zij zien, dat dit groote werk des Heiligen Geestes, dit wonderwerk der verbreking des harten, aan een arm zondaar wordt gewrocht! Of liever nog, vraag dit aan een David, een Manasse, een Petrus, een Paulus, hoe zalig zij 't hebben ervaren, dat de Heere woont nabij de gebrokenen van hart en de verslagenen van geest! Vooral Paulus is in dezen een merkwaardig voorbeeld. Na zijn bekeering heeft hij door genade steeds zijn weg aangesteld. Hoe bitter klaagt hij nochtans in RomeinenZeven over de kracht der inwonende zonde! Romeinen Zeven is de 51ste psalm van Paulus!

Hoort hem daarin ten slotte klagen: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”

Beter dan ooit kan ik thans deze beeldspraak van Paulus verstaan. Iemand, die dit niet ondervindt, weet niet wat 't zegt: overigens zich gezond te gevoelen, maar dan gevangen te zitten in de omklemming eener doodelijke krankheid, die U op den grond werpt, en met grimmig gelaat 't mes dreigend boven u zwaait! O 't is een vreeselijke krankheid waaraan ik lijd, en waarvan alleen de naam reeds doet sidderen!

En toch wat beteekent deze schrikkelijke lichamelijke bezoeking nog bij het zedelijk kwaad der zonde? De zonde is 't vreeselijke zwarte hoofdstuk der menschelijke historie. Alle ellende van ouders, kinderen, gezinnen, geslachten, volken, alle vreeselijkst denkbare krankheden behooren tot dit zwarte hoofdstuk. Tot dit hoofdstuk behoort ook het lijden van 't arme kind van God, dat naar de gemeenschap met den Driemaalheilige dorst, maar in die gemeenschapsoefening telkens belemmerd wordt door de schrikkelijke macht der inwonende zonde, en die luide klaagt: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”

Zalig, driewerf zalig, wie, in welke ellende ook, alzoo meer over de zonde dan over de ellende, die 't vruchtgevolg der zonde is, leert klagen! Want hoort het, naarmate Paulus dieper klaagt, roemt hij luider: „Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere!”

„Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende”; blinkende in de heiligheid van 't verlossingswerk, dat Hij in Christus wrocht. Want alzoo heilig is Gods toorn tegen de zonde, dat Hij haar, liever dan dat Hij haar ongestraft liet blijven, gestraft heeft aan ZijnEeniggeboren Zoon. Maar daarom is dit verlossingswerk dan ook een volkomen werk. Is aan onze zijde altijd alles verloren, aan Jezus' zijde is voor den grootsten der zondaren altijd alles behouden. Zijn bloed reinigt van alle zonden. Hij heiligt door Zijn Geest, zoodat wij in beginsel over de kracht der inwonende zonde triomfeeren. Hij legt de roemtaal op de lippen: „Zou is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.”

Ja, wilt ge de waarde zien van 't gebroken hart, vergelijk dan Romeinen 8 met Romeinen 7. Is Romeinen 7 de 51e Psalm, Romeinen 8 is het Hooglied van 't Nieuwe Testament, gezongen door denzelfden man, die in Romeinen 7 uit zijn gebroken hart klaagt over de kracht zijner inwonende verdorvenheid. In Romeinen 8 roemt hij in de hoogste en verhevenste goederen des Nieuwen Testaments, in de leiding, in het getuigenis, in de voorbede des Heiligen Geestes. Hij verheugt er zich in, dat allen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede. Hij, die zichzelven het meest beschuldigt, daagt al zijn beschuldigers uit, en zegt: „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?” Hij besluit met de jubelende tonen: „Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere”.

Geliefde gemeente, terwijl ik dit schrijf, is 't mijne bede dan ook, dat de Heere mij bij mijn nieuwe reis dien grooten schat van 't verbroken hart, dat meer over de zonde dan over de ellende klaagt, slechts medegeve. Hoe 't dan ook ga, dan gaat 't altijd goed. Dit is 't wat ik een iegelijk uwer ook van harte toebid.

De FranschmanBordeauxschreef een boek, dat den titel voert: „la peur de vivre”, „de vrees om te leven”. In een inleiding op dit boek verwijtRéné Doumicaan het Fransche volk, dat zij alleen zichzelven zoeken. Van ondernemingsgeest, van offervaardigheid voor anderen is bij velen geen sprake meer. De meesten jagen enkel naar geld. De wellusten worden onbeschaamd gediend. De een trapt den ander om zelf te stijgen. Zij hebben 't hoogste woord, wanneer alles voor den wind gaat. Maar wanneer de rampen komen, zitten zij is een hoekje te sidderen en te vloeken. Ze hebben een vrees voor het werkelijke leven, met al zijn verantwoordelijkheid, met al zijn eischen. Zij hebben alléén de zonde lief, en beven voor alle ellende. Begint deze maar even te drukken, dan werpen velen zulk een leven als geheel waardeloos in den zelfmoord weg.

Hoe vreeselijk is de dienst der zonde!

Geliefden, dat we haar mogen haten, vlieden, mijden! Dat we met al onze zonden steeds aan de voeten van Jezus komen! Dat we de reiniging zoeken van alle besmetting des vleesches en des geestes door Zijn bloed en door Zijn Geest! Dan smaken we de rechte zoetheid van het werkelijke leven, zelfs temidden van alle uitwendige ellende, hoe zwaar deze ook drukken moge, en zingt onze ziel als de nachtegaal haar schoonste lied in den donkersten nacht.

Hiermede wil ik thans besluiten, ons beiden wederom aan uwe voorbede aanbevelend.

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 19 November 1913.

Geliefde gemeente!

Donderdag 13 November zijn we dan weer naar Heidelberg vertrokken. Ds. en Mevr. Teerink deden ons weer uitgeleide aan 't station.Het weer was zeer onstuimig. Grauwe, regenzwangere wolken zwierden langs het zwerk, en zagen dreigend op ons neer.

Was 't buiten somber, van binnen scheen de zon van Gods vriendelijke gunst. Ik had den nacht rustig geslapen, en terstond bij 't ontwaken verkwikte de Heere me door allerlei troostwoorden: „Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst geef”; „Roep mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren”; „Zij zullen met vreugde uittrekken, en met vrede voortgeleid worden”. Hoewel 't mijn stelregel niet is, wanneer mij dergelijke troostwoorden invallen, deze dadelijk als bijzondere beloften te beschouwen, zoo kan ik toch niet nalaten te eten, wanneer de Heere aldus de tafel voor mijn aangezicht komt toerichten. Ik gevoelde mij dus verkwikt en versterkt, en we gingen wederom met goeden moed op reis.

Na een rit van ongeveer vier uren, bereikten we eindelijk Keulen, en stapten we weer in den trein naar Mannheim. Spoedig waren we nu weer aan den heerlijken Rijnoever, waar de trein ruim drie uren achtereen tusschen hooge bergen doorstoomt.

Ik had mij voorgesteld, nu eens een natuurverschijnsel te zien, waarvan ik vroeger wel de beschrijving had gelezen: dat ravenzwarte wolken in wilde vaart over de bergen vegen. Het weer was echter intusschen opgeklaard, de lucht was lichtblauw, en witte wolken stonden als drommen aan den hemel.

Na een voorspoedige reis kwamen we 's avonds half-achtwelgemoed in Heidelberg aan. Den volgenden morgen werd ik dadelijk onderzocht door de beide professorenCzernyenWerner. O, wat was 't me weer goed weer bij deze beide mannen te zijn! Beide mannen zijn ware priesters der wetenschap, rechte geneesheeren bij de gratie Gods, gedreven door de heilige aandrift om menschen van den dood te redden. Exc. prof.Czernyis daarbij niet alleen een priester, maar evenalsPasteurte Parijs, enKortte Berlijn, ook een vorst. Uit binnen- en buitenland vloeide hem in korten tijd één millioen Mark toe, om 'tSamariterhaus, 't huis van barmhartigheid, te grondvesten, waarin allerlei ellendigen behandeld worden.

Prof.Werneris een man met Duitsch-militaire houding, snelle bewegingen, aangename manieren, sympathieke oogen, een stem van muziek, en daarbij de vriendelijkheid en goedheid zelve. Met de grootste zorg heeft hij mij de vorige maal nagegaan, en ook nu weer werd ik met de grootste nauwkeurigheid onderzocht. Dit onderzoek scheen de beide heeren nogal tot tevredenheid te stemmen. Volgens prof.Wernerben ik een van de ernstigste patiënten, maar ben ik ook zoo sterk vooruitgegaan, dat er thans goede hope is.

O, wat is de Heere goed! Hoe krachtig heeft Hij tot hiertoe Zijne heerlijke trouw aan mij bevestigd! Hij heeft mij daardoor in staat gesteld, ook anderen te troosten.

Toen wij voor de eerste maal weer in de wachtkamer kwamen, troffen wij daar ook Hollanders aan. Spoedig waren wij met elkander in kennis. Drie hunner waren naar Heidelberg gegaan, omdat zij in de bladen van mijn behandeling alhier gelezen hadden. Weldra bezochten wij hen dan ook, om hun een woord van troost toe te spreken.

Bij chirurgische behandeling heeft men spoedig een resultaat, hetzij dan ten goede of ten kwade. Bij de geneeskundigebehandeling, die hier in den regel wordt gevolgd, is dit anders. De inspuitingen met enzytol en de Röntgen-bestralingen pakken 't lichaam wel sterk aan; maar men weet niet, wat in 't lichaam zelf plaats heeft. Nu voelt men zich zus, dan weer zoo, en moet geduldig afwachten. Dit maakt vooral in den beginne wel eens ongeduldig en moedeloos. Men wil zoo gaarne dadelijk een resultaat, en liefst een verrassend resultaat zien, terwijl dit eerst later komt. Ik kon hen hierop uit mijn ervaring wijzen, en hen aansporen, 't oog naar boven te slaan, en de hulpe te verwachten van den God der middelen en der wonderen. Op deze wijze kan ik dus ook hier mijn arbeid voortzetten.

Zondagmorgen gingen we weer ter kerk in de prachtigeFriedenskircheteHandschuhsheim. Het was dien dag juist oogst- en dankfeest. De uitwendige symbolen daarvan waren op echt Duitsche wijze met kwistige hand in de kerk aangebracht. Preekstoel en koor waren met klimop en wijnranken bewonden. In 't koor prijkten op een groote tafel kristallijnen schalen met zilveren voeten, deze schalen waren hoogop met blinkende appelen gevuld. Ik heb begrepen, dat deze na den dienst aan de kinderen werden uitgedeeld. Het kleine grut kwam althans terstond na afloop van den dienst in grooten getale de kerk binnen.

De predikant koos als tekst zijner rede, Psalm 118: 15–18. Krachtig wekte hij de gemeente op bij de resultaten van den oogst naar boven te zien op Hem, van Wien alle dingen afhankelijk zijn. Vooral de wijn- en ooftbouw schijnen dit jaar vele teleurstellingen te hebben gehad. Dit gaf den leeraar aanleiding om de paradox uit te spreken, dat wij vooral in slechte jaren den Heere niet 't minste moeten danken. Hij bewees deze schijnstrijdige stelling met de juiste opmerking, dat wij eerst indagen van krankheid de gezondheid recht leeren waardeeren, en alzoo ook in jaren van teleurstelling niet alleen voor de tegenwoordige, maar ook voor de vroegere zegeningen Gods den Heere recht leeren danken. Bovendien, op een dankdag behoeven wij niet alleen te danken, maar mogen wij ook bidden tot Hem, die sprak: „De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen, die Hem aanroepen in der waarheid.” Laten we 't doen in 't besef, dat wij alles hebben verbeurd. Laten wij 't doen in waar geloof. In der waarheid.

Deze heerlijke preek geeft mij wederom stof tot veel denken.

Wanneer ik hetgeen ik heb verdiend vergelijk met hetgeen de Heere mij thans oplegt, och, wat heb ik dan nog stof tot danken. Tot danken aan Hem, van Wien de dichter van den 103en psalm jubelt, en van Wien mijne ziel 't meejubelt: „Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.”

Ik maak een tweede vergelijking, en weeg, wat ik door mijne zonde heb verdiend, af tegenover den rijkdom van weldaden, waarmede de Heere mij vooral in deze dagen omringt. Dan gaat 't mij wederom als den dichter van den 103en psalm. De zegeningen Gods worden als een heerlijke tempel voor mij, en in 't midden daarvan roep ik als een beweldadigde tollenaar uit: „Loof den Heere,mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne weldaden”.

Ik maak een derde vergelijking. Ik denk aan 't geen ik mij door mijne zonden heb waardig gemaakt, en vestig dan 't oog op 't lijden van den Heiland, die onschuldig zoo nameloos veel leed voor schuldigen, om voor dezen een eeuwig behoud te verwerven. Ik lees tegenwoordig bijna dagelijks in 't schoone hoekje van Thomas àKempis: „Meditatiën over het leven van Christus.” Welk een beschaming, maar ook welk een troost ontvangt mijn ziel dan vooral uit de overdenking van Jezus' heilig lijden en sterven!

Ik maak nog een vergelijking, en plaats datgene, wat ik door mijn zonde heb verdiend tegenover datgene wat de Heiland voor mij heeft verworven. En dan roep ik als de dichter van den 103en psalm hemel en aarde op tot een machtig koorgezang, om den Heere te loven, en zeg daarbij tot mijne ziel: „En gij, mijn ziel, looft gij Hem bovenal!”

Maar dit volmaakt danken zal eerst in de eeuwigheid zijn. O heerlijke eeuwigheid! Gij verzacht alle lijden dezer aarde, dat als een druppel in een oceaan verzinkt!

Beproefden, laat ons maar veel deze vergelijkingen maken, en wij leeren God in alles danken. In alles, zelfs in de zwaarste beproevingen!

Laat ik u ten slotte nog een aangename ontmoeting mededeelen, die we hier hadden. Op de tafel in de wachtkamer zag ik een blaadje liggen, dat den titel voerde: „Lebensfragen beantwortet für moderne Menschen.” „Levensvragen, voor moderne menschen beantwoord.”

Twee onderwerpen werden daarin behandeld: „Wereldbeschouwing en zedelijkheid,” en „Hoe iemand van zijn angst verlost wordt.” Een uitnemend geschreven blaadje, dat als model kan dienen voor allen, die onder de hoogere standen willen evangeliseeren. In een andere wachtkamer vond ik een traktaatje, nog inniger geschreven. In korte stukjes werden daarin de volgende onderwerpen besproken: Waarom moet ik lijden? Uwe droefenissen en moeilijkheden. Een slapelooze nacht. Hoe verhoort God onze gebeden? Hiernamaals! Een probaat middel.

Het eene stukje is nog al stichtelijker dan 't andere, en alle tezamen vertroosten mij zeer. Natuurlijk dacht ikdadelijk: Ik moet zien, welke hand deze daar heeft gelegd. Spoedig was zij ondekt: een dame uit Barmen, een allervriendelijkste verschijning, een lijderes, met de vreugde der Christelijke hope in 't zielvol oog. Dadelijk stelden we ons aan haar voor, en dankten haar voor haar arbeid. „Ach, was haar antwoord, 't geeft zoo weinig!” Ik was blijde haar terstond 't tegendeel te kunnen verzekeren, en haar te zeggen, hoe haar traktaatje mij verkwikt had. Ik voegde er bij, dat ik een stukje vertalen zou, en naar Holland zenden. „Wie weet, hoe velen in Holland er door vertroost zullen worden. Zoo brengt uw arbeid menigmaal zegen, zonder dat u 't zelve merkt.”

Het spreekt vanzelf, dat mijn vrouw en ik dadelijk dikke vrienden met haar werden.

Ik vervul thans mijn belofte, en vertaal ten slotte 't kleinste stukje, opdat mijn brief niet te groot worde.

„Hoe verhoort God onze gebeden?”

„Het is den Heere om onze bevestiging en opvoeding te doen en niet in de eerste plaats om het effenen der wegen, om het drogen der tranen. Merken we dit toch goed op, wanneer we in nood bidden: „Heere help ons, wij vergaan!” Laten wij nooit meenen, dat Hij ons alleen dan verhoord, wanneer Hij op eenmaal de smarten wegneemt en effen baan maakt. De Heere kan ook alzoo en beter verhooren, wanneer Hij ons kracht geeft tot dragen, en wij in den smeltoven gelouterd, voor Zijn dienst meer geschikt gemaakt, meer naar Christus' beeld hervormd en voor de eeuwige heerlijkheid rijper gemaakt worden.”

Moge werkelijkheid worden, wat ik zei, en ook dit nog velen ten zegen zijn.

Ons wederom in uwe gebeden aanbevelend, blijf ik

Uw u liefhebbende oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 25 November 1913.

Geliefde gemeente!

Vanaf 16 November ben ik tot op heden elken dag geregeld behandeld, behalve Zaterdag 22 November. Op dien dag was 't de Diës der Universiteit, en ieder Leidenaar weet, wat dit voor een academiestad beteekent.

Aan den avond van dien dag maakte ik een kleine wandeling naarHandschuhsheim, dat mij langzamerhand lief is geworden, niet alleen om zijn schilderachtige ligging maar ook om zijn voortreffelijk kerkelijk leven.Handschuhsheimis de Sionsburcht van Heidelberg.

Het was een prachtige stille avond. Het gewoel van Oud-Heidelberg lag ver achter mij. Ik was de eenige wandelaar op deLandstrasse. Rechts hief de bergketen haar ruige, bultige ruggen omhoog. Links strekte het Heidelbergdal zich uit. Rondom mij flonkerden de gloeilichtjes als sterren op aarde. Een oogenblik later begon de klok vanHandschuhsheimhaar volle, statige tonen door de bergen en over de vlakte te beieren. Het zou den volgenden dag nationale boete- en bededag zijn. Deze werd nu ingeluid.

Toen overviel mij een heimwee naar den ouden tijd, naar den tijd van Frederik III, van Ursinus en Olevianus, naar den tijd, toen het waarachtig Christendom in het publieke leven den boventoon voerde. Ik had juist de woorden gelezen, die Minister Pleijte in onze Tweede Kamer over de verhouding van den Javaan tot den Islam gesproken had. „Voor den Javaan is de Islam niet alleen zijn Godsdienst, maar zijn alles!” Ik dacht toen dadelijk: „Maar is onze verhouding tot het Christendom een andere?” Neen, de liberalen hebben 't nooit begrepen. Maar met meer recht dan de Islam voor den Javaan, is het Christendom voor ons Christenen meer dan een Godsdienst,het is ons alles. Dat was 't voor een Frederik III en zijn trouwe geestelijke lijfstaffieren. Dit was het voor de helden, die toen in Nederland in den strijd om 't behoud van het ware Christendom alles voor alles gaven. Welk een kostelijke tijd, toen zulke mannen in het publieke leven den toon aangaven!

Helaas, 't werd spoedig anders. Het talent, het genie, de wetenschap, de kunst werden de goden der eeuw, de cultuur en nog eens de cultuur werd de Godsdienst van den tijd, uitwendige beschaving ging verre boven wedergeboorte en bekeering. Pelagius werd wederom de leeraar der volken. Luther, Calvijn, Augustinus, in naam geëerd, werden in de werkelijkheid afgedankt. En thans is 't zoover gekomen, dat de ware religie in 't leven als een onnutte dienstmaagd ter deure is uitgewezen.

Oogenschijnlijk is dit geen verlies. Sinds de mensch den hemel uit 't oog verloor, begon hij zich immers meer aan de aarde te wijden. En met welke resultaten? Met recht spreekt men van de wonderen der techniek. Steden en dorpen breiden zich uit, en worden steeds fraaier. Achterhoeken zijn er niet meer. Alles krijgt op de een of andere wijze aansluiting aan 't wereldverkeer. Aan ieder wordt langzamerhand een plaats ingeruimd aan den welgevulden disch der culturen.

Vooral in een stad als Heidelberg valt voor den mensch der wereld zooveel te genieten. Concerten, schouwspelen, lezingen van ongeloofsapostelen, 't is elken avond wat anders, en soms van alles tegelijk.

Maar in dit schijnbaar schoone levensconcert klinkt één schrikkelijke wanklank, en dit is de dood! Op de kermis der ijdelheid schrijdt één boetprediker voort, dien niemand kan keeren: de dood! En ook hij kondigt in statige, volle tonen zijn komst den menschen aan: in het klokgelui der zware krankheid....

Ik keerde van mijn wandeling naar huis, en ging voor 't open venster staan om naar de zilveren tonen der boeteklok te luisteren, en ik dacht, hoe 't mij nu zou zijn, wanneer ik den Heiland niet kende als mijn Eén en mijn Al. Nu ben ik in al mijn lijden overgelukkig. Hij heeft reeds vroeger de boeteklok in mijn ziel doen klinken. Hij heeftZijnMiddelaarsliefde aan mij geopenbaard, Hij heeft mij laten zien, waarom ik moet lijden.

Waarom ik moet lijden? O, laat ik 't u zeggen met de dichterlijke woorden vanCarolina Rhiem, die ik afschrijf uit het traktaatje, waarvan ik reeds een vorig maal melding maakte.

„Wat hebt Gij mij te zeggen,Mijn Meester daar omhoog?”Zoo wil ik weder vragenTot ik Uw heil versta.Waarom hebt Gij gestuitOpnieuw nu mijnen loop?O, zeg mij toch het antwoord,Ik wachte stil daarop.Mijn kind, Ik moest u leidenHierheen in deez' woestijn,Om met u te sprekenOp deze stille plaats.In al 't verwarde drijvenDer onrust om u heen,Daar kondet gij mijn stemmeNiet hooren, neen o neen!Gij waart in gevaren,Die gij niet hebt vermoed,En hoordet niet mijn roepen,Dat zacht u heeft gemaand.Zoo moest Ik „halt” gebieden,En nu door deze smartUit het gewoel u trekkenHeel na aan mijn hart.Nu zie Mij eens in d'oogenEn ga niet weder weg.Geloof nu Mijne liefdeEn hoor naar Mijn Woord!Buig u nu geduldigOok onder Mijne tucht,Opdat Ik u kan reikenDes Geestes zoete vrucht!***Nu heb ik U verstaan,Mijn Meester en mijn Vriend,En wil verheugd U dankenDat Gij zoo trouw 't meendet.Nu wil ik in de stilteBij U ter schole gaanEn U in Uwe schoonheid,Mijn Koning, gadeslaan!

„Wat hebt Gij mij te zeggen,Mijn Meester daar omhoog?”Zoo wil ik weder vragenTot ik Uw heil versta.Waarom hebt Gij gestuitOpnieuw nu mijnen loop?O, zeg mij toch het antwoord,Ik wachte stil daarop.

Mijn kind, Ik moest u leidenHierheen in deez' woestijn,Om met u te sprekenOp deze stille plaats.In al 't verwarde drijvenDer onrust om u heen,Daar kondet gij mijn stemmeNiet hooren, neen o neen!

Gij waart in gevaren,Die gij niet hebt vermoed,En hoordet niet mijn roepen,Dat zacht u heeft gemaand.Zoo moest Ik „halt” gebieden,En nu door deze smartUit het gewoel u trekkenHeel na aan mijn hart.

Nu zie Mij eens in d'oogenEn ga niet weder weg.Geloof nu Mijne liefdeEn hoor naar Mijn Woord!Buig u nu geduldigOok onder Mijne tucht,Opdat Ik u kan reikenDes Geestes zoete vrucht!

***

Nu heb ik U verstaan,Mijn Meester en mijn Vriend,En wil verheugd U dankenDat Gij zoo trouw 't meendet.Nu wil ik in de stilteBij U ter schole gaanEn U in Uwe schoonheid,Mijn Koning, gadeslaan!

O ja, mijn beproeving is een ware woestijn voor mij. Maar de woestijn, de plaats der eenzaamheid en des doods, is ook de plaats, waar de hemel zich helder boven ons hoofd welft, waar we met den Heere en met onszelven alléén zijn, waar 't oog naar boven en naar binnen geslagen wordt. De woestijn is de tempel, waar de tollenaar zijn bede opzendt tot zijn God, waar de Heere Zich in al Zijn lieflijkheid aan de ziel openbaart, waar Hij de hope in de ziele verlevendigt op 't hemelsche Kanaän, waar niemand zegt: „ik ben krank!” O, heerlijke woestijn, waar de Heere alzoo de wolk- en vuurkolom zijner bijzondere tegenwoordigheid uitbreidt over de ziel. Ik benovergelukkig, en ook uit mijn hart klinkt de lofzang tot dien Heere: „Gij hebt mij meer vreugde in mijn hart gegeven dan ten tijde wanneer hunlieder koren en most vermenigvuldigd zijn!”

Met groote blijdschap gingen we dan ook Zondagmorgen naar 't bedehuis.

Ditmaal gingen we weer naar de kapel van het Diaconessenhuis, waar de bekende pastorSamuel Kelleruit Freiburg zou preeken. Hij is hier gekomen om evangelische voordrachten te houden. Zondagsavonds zou hij spreken over „die Heimkehr Gottes,” Maandag over „den omgang met mijzelven,” Dinsdag over „vrije liefde en werkelijk huwelijk,” Woensdag over „moderne oplossingen van het sexueele vraagstuk,” Donderdag „over den inzet der ziel,” en Vrijdagavond „over de toekomst van het Christendom.” Daarbij houdt hij echter elken dag een bijbellezing, en preekt Zondagmorgen in de kapel.

Tot mijn leedwezen kan ik de avondvoordrachten niet bijwonen. Ik ga nog steeds gestadig en krachtig vooruit. Natuurlijk verschilt de ééne dag zeer van den anderen. Maar tot roem van des Heeren wonderbare goedheid mag ik U mededeelen, dat ik mij steeds krachtiger ga gevoelen. Toch mag ik mij nog niet wagen aan drukke avondbijeenkomsten, waar drie à vier duizend menschen samenkomen.

Daarom verheugde 't mij temeer, dat ik hem Zondagmorgen mocht hooren.

Welk een verschijning! Een man, als uit een rots gehouwen, met grijzen haardos, waarvan blijkbaar nog niet één haar is uitgevallen, een blozend gelaat, een stem van metaal.

Hij nam tot tekst Openb. 2: 2–5.

Er bestaat een boetedag-gevaar, zoo begon hij. Het gevaar, dat we vandaag de massieve, grove volkszondenhekelen, onszelven als farizeërs oprichten in onze banken, en van onze hoogte op dit gespuis neerzien. In dat gevaar mogen wij ons niet begeven. Wij hebben gezondigd, en moeten schuldenaren worden; daarom koos ik dezen tekst. Wij moeten ons door den Heere laten berispen; maar mogen ons eerst door Hem laten prijzen. „Ik weet uwe werken,” zegt de Heere. De wereld neemt van onze Christelijke werken op allerlei gebied geen notitie. Het is ons genoeg, dat de Heere zegt: „Ik weet!”

Máár.... één groot ding heeft de Heere tegen ons, dat wij onze eerste liefde hebben verlaten. De Heere gaf u een lentetijd; de lente ging; maar de zomer kwam niet. In plaats van den berg van 't Christelijk leven te bestijgen, hebt ge u neergezet op de mistbank uwer bekeering. Waarom wilt gij ook van niets hooren dan van bekeering, en zegt dan voldaan: „deze heb ik, en meer heb ik niet noodig!” Maar zóó zijt ge verachterd in de genade!

Op die wijze ging hij voort. Ik kan U niet alles uitschrijven, daar mijn brief anders te lang wordt. 't Was een krachtig woord, dat de harten en gewetens aangreep.

Jammer, dat de Hollanders, die hier zijn, over 't gemeen 't Duitsch niet machtig zijn, en de prediking niet kunnen volgen. Er zijn er hier nu wel een vijftien. We vullen de halve wachtkamer.

Ik ben ook nog niet zoover, dat ik voor hen kan preeken. Over een uur worden mij twee scherpe kiezen getrokken, die mij in 't spreken zeer belemmeren. Misschien dat 't dan beter wordt. Ik moet thans eindigen, om mij weer onder behandeling te stellen. Blijft ons gedenken voor den Troon der Genade bij Hem, die wonderlijk is van raad en groot van daad. Weest tezamen den Heere bevolen van

uw u liefhebbenden oud-leeraar,

R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 3 December 1913.

Geliefde Gemeente!

„Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren!” „Ik ben 't, die met de verdrukking de uitkomst geef!” In de dagen, die thans achter mij liggen, heeft de Heere deze heerlijke waarheden wederom op zoo treffende wijze vervuld.

Ik heb moeilijke dagen doorgemaakt. Vooral de dag, waarop ik u verleden week mijn brief zond, was een gewichtige dag. Op één dag moest ik toen om 10 uur worden ingespoten en om 11 uur worden belicht, terwijl me om 1 uur twee scherpe tandwortels en één kies moesten worden getrokken.

Ik behoef u niet te zeggen, dat vooral de laatste operatie, in een pijnlijken mond, dien men ternauwernood kan openen, en waarin de dokter de tang nauwelijks bewegen kan, terwijl aan de kaak nog altijd een rest van een kankerknobbel zit, een zeer pijnlijke kunstbewerking is. Van verdooving kon geen sprake zijn. Ik zag er wel wat tegen op; maar de noodzakelijkheid legde aan alle innerlijke tegenspraak het zwijgen op.

Voordat ik van huis ging, las ik den 38sten psalm. Helder stelde ik mij de verootmoedigende waarheid voor den geest, dat alle ellende 't vruchtgevolg der zonde is. Daarop wandelde ik alléén naar 'tSamariterhaus. Mijn vrouw, voor wie de afstand te ver is, gaat in den regel met de tram. Onderweg stelde ik mij voor oogen, wat de Heiland aan het kruis heeft geleden, zes uren achteréén, hangende aan een drietal spijkers. Hij, Onschuldige voor de schuldigen. „Heere”, zeide ik in mijzelven, „daar hebt Gij ook mijne krankheden op U genomen”. Deze overdenking gaf mij rijken troost. Ik leerde mij schamen voor mijn vrees voor pijn. Welgemoed ging ik 'tSamariterhausbinnen, onderging 't één na 't ander, en kon in de tusschentijden mijn brief aan u voltooien en verzenden.

Ik zal u geen beschrijving geven van de laatste operatie. De ééne tang na de andere werd als onbruikbaar terzijde gelegd. Eindelijk lukte de bewerking. De minuten van pijn waren als een droom voorbij gevlogen; en mijn ziel jubelde dankende den Heere tegemoet, Die mij zoo krachtig had gesterkt.

Prof.Werner, de dokter van dienst, eveneens een sympathieke persoonlijkheid, bijgestaan door een zeer medelijdende zuster, voltooide 't werk. We waren allen even blij, toen de zaak was afgeloopen. Ik kan deze menschen niet genoeg danken voor hetgeen ook zij voor mij zijn.

Ik had nu veel verlichting gekregen; maar aan het einde der week volgden weer een paar moeilijke dagen. Ik kreeg gedurig bloeding in den mond met eenige koorts. Ik leed veel pijn, en moest een paar dagen het bed houden.

Alzoo nederliggend, hield ik mij bezig met de overdenking van 't lijden van onzen dierbaren Heiland en volgde ik Hem van Zijn Krib tot Zijn Kruis. Ik stelde mij den heerlijken Kerstnacht voor oogen, waarin 't Vleeschgeworden Woord nederlag in de kribbe; ik dacht aan den heerlijken engelenzang, aan 't bezoek der herders en der wijzen; maar ook wederom aan de vervolging door Herodes. Neen, 't kindeke Jezus mocht niet spelen op een der straten van Israël; 't scherpe zwaard dreigde reeds dadelijk 't onschuldige Kind; als een balling moest Hij, nog zóó jong, in den vreemde zwerven. Op deze wijze ging ik de omwandeling en 't lijden van den Heiland na. Dan weer stelde ik mij de vreugden des hemels voor: wat het zijn zal, in de eeuwige rust te zijn,van alle zonde en ellende ontslagen te zijn! Maar deze rust zal niet zijn als de rust van den slaap; neen, zij zal wezen en geheel vervuld zijn met den Heiligen Geest, in de heerlijke extase der heerlijke vreugde. O, met welke vreugde zullen de zaligen wandelen op de gouden straten van het hemelsche Jeruzalem, onder de wuivende palmen van 't heerlijk paradijs, elkander herkennende, elkander leerende kennen, om samen den Heere groot te maken in den volmaakten lofzang, die als een stemme veler wateren door de wijde hemelen ruischt! Met welk een blijdschap zullen zij den verheerlijkten Heiland zelven zien, die voor ons aan 't Kruis heeft gehangen, en die daar nu de Zijnen rondom Zich verzamelt! Hoe zal Hij ons dan aanzien? Niet met een blik, zooals Hij Petrus aanzag in de Kájafaszaal; maar met een oog, waaruit de verzadiging Zijner vreugde spreekt daarover, dat nu vervuld is, wat Hij bad: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid mogen zien, die Ik bij U had vóór de grondlegging der wereld.” Ja, welk een verzadiging van vreugde zal het voor ons wezen, in 't Vaderhuis te zijn; bij God, den Vader, voor eeuwig thuis te zijn; nu alle dingen te weten, zonder dat die kennis ons eenige studie kost, en aan dit volmaakte kennen de stof te ontleenen tot Gods eeuwigen lof en prijs!

Het was mij goed, alzoo verdrukt te zijn, en in mijn druk zoo tot den Heere te worden uitgedreven.

En.... Hij gaf met de verdrukking zulk een verrassende uitkomst. Maandagmorgen voelde ik mij geheel hersteld. De voorbijgaande ongesteldheid had uitgewoed. En nu voelde ik eerst recht, hoeveel ik gedurende deze kuur weer was vooruitgegaan.

's Middags maakte ik een bezoek bij Prof.Werner, om met hem over mijn toestand te spreken. Hij was nunog meer voldaan dan aan 't einde der eerste kuur. Niet alleen uitwendig, maar ook inwendig was 't kankergezwel zelfs gedurende de kuur snel afgenomen. Met de tong, zeide hij, zou 't iets langzamer gaan, hoewel ook deze aanmerkelijk beter is geworden. In Januari moet ik, zoo de Heere wil, voor een derde kuur terugkomen; en wanneer ik daarin even voorspoedig ben als in de beide eerste, bestaat er welgegronde hope, dat ik Februari of Maart mijn werk weer mag opvatten.

Mocht dit eens waarheid worden!

Zal ik dan tevergeefs geleden hebben dat zware lijden, dat gevoerd worden langs dood en graf, wat ik nu heb doorgemaakt?

In 't Badensch kerkelijk gezangboek is een heerlijk vers:


Back to IndexNext