Die Wege sind oft kromm, und doch gerad,Darauf Du, Herr, die Deinen lässet gehen,Da plegt oft wunder seltsam aus zu sehen,Doch triumphiert zuletzt Dein guter Rat!D. i.De wegen zijn vaakkrom, en tochrecht,Waarop Gij, Heer, Uw kinderen voert,Daar pleegt 't er vaak wonder zeldzaam uit te zien.Toch triumfeertten laatsteUw goede raad!Ja, krom schijnen vaak de wegen, waarop de Heere Zijne kinderen leidt tot het voorgestelde doel!Israël wordt uit Egypte geleid; maar in plaats van dadelijk wonderdadig Kanaän te worden binnengeleid, wordt 't gansche volk in de engten van Pi-Hachirôth oogenschijnlijk dadelijk ten doode gewijd!Aan Jozef wordt verhooging beloofd, en hij wordt in de diepste vernedering weggestooten!David wordt tot koning gezalfd, en de gezalfde des Heeren moet als balling buiten zijn vaderland zwerven, bij de Filistijnen zelfs een schuilplaats zoeken!Kromme wegen!Toch zijn ze recht als een kaars!Aan de Roode Zee wijken op Gods bevel de wateren des doods voor de koningskinderen. Als een rij soldaten staan de wateren aan weerskanten van 't doortrekkend volk. Het is, alsof ze hun zwaarden tegen hun schouder drukken, om den kinderen Israëls militaire eer te bewijzen. Op de Egyptenaren stormen ze in met de scherpte hunner wapenen. En Mozes en Israël zingen 't lied, dat de paaschpsalm der eeuwen, 't lied der eeuwigheid werd!Was Jozef een minder voortreffelijk onderkoning, omdat hij in 't kerkerhol had gezucht, of was hij de rechte man op de rechte plaats om den nood van heel een volk te lenigen?Heeft 't David kwaad gedaan, dat hij een balling was, voordat hij koning werd. Neen, in de ballingschap is de lier gestemd, waarbij de koning voor zijn volk zong; meer nog, is zijn hart gevormd, om een rechte koning te zijn over het arme volk van God.Zal 't mij hinderen in mijn arbeid onder de verwaarloosde jeugd, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen, wanneer ik straks als uit de dooden opgestaan in hun midden mag staan om de groote werken Gods te vertellen?O, mocht 't eens waarheid worden, dat ik in Februari of Maart mijn werk weer mocht opvatten!Bidt, Geliefden, de Heere is de Hoorder der gebeden! Hem is niets te wonderlijk! O, verhoore Hij uwe en onze smeekingen, en verblijde Hij ons door Zijn groote daden!Uw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 9 December 1913.Geliefde gemeente!Wanneer gij dezen ontvangt, hoop ik met mijne vrouw weder in het vaderland te zijn. Woensdag 10 December vertrekken we D.V. 2,19 van hier, en hopen dan 's avonds 10,16 in Amersfoort aan te komen. Donderdag zal wegens de vermoeienis van den vorigen dag 't hoofd wel niet tot schrijven staan. Daarom zend ik dezen brief thans maar wat vroeger af.Het voornaamste wat in de afgeloopen dagen met mij heeft plaats gehad, is de vroeger reeds aangekondigde opsluiting van 5 tot 7 December en de bestraling met mesothorium radium.Behalve operatie worden hier voor de kankerbestrijding in hoofdzaak drie middelen aangewend: 1e. de inspuiting met enzytol, 2e. de Röntgen-bestraling, en 3e. de radium-bestraling.Deze volledigheid teekent de voortreffelijkheid der hier gevolgde methode. Ook in andere steden, als Weenen, Dresden en Parijs wordt de kanker stelselmatig bestreden; maar nergens heeft men het complete stel van middelen, dat men hier gebruikt. Schier nergens heeft men de inspuiting met enzytol, waaraan hier juist zulke groote waarde wordt gehecht. Op de meeste plaatsen heeft men òf Röntgen-bestraling, òf radium-bestraling; doch schier nergens, gelijk hier, beide tegelijk.De voortreffelijkheid der hier gevolgde methode van kanker-behandeling blijkt dan ook wel 't best uit de verrassende uitkomsten. Een Hollandsch dokter, die op onderzoek uit is, deelde mij mede, dat hij nergens de resultaten heeft gezien, die hij hier aanschouwde. We stonden samen bij een man uit Crefeld, die in zijn geboorteplaats voor de tweede maal aan maagkanker was geopereerd.Bij de tweede operatie was de opening echter dadelijk dichtgemaakt; men zag de onmogelijkheid van een tweede operatie in. Deze man kwam hier. Hij vertelde ons, dat de knechten, die hem in 't bad hielpen, tegen elkander zeiden: „Deze kan nog naar Crefeld terug, maar verder niet, anders bezwijkt hij zeker.” Hij maakte nu zijn derde kuur door, had 13 pond aan gewicht gewonnen, maakte zeer groote wandelingen, en zou spoedig verlof krijgen, om te gebruiken, wat hij wilde. De dokter, die naast mij stond, fluisterde mij in 't oor: „in beginsel is hij reeds genezen!”Zóó zijn hier tal van voorbeelden.Vooral de radium-bestraling is echter zeer kostbaar. Het radium is de schoone uitvinding van Madame Curie, een Poolsche van geboorte, met een Fransch professor gehuwd, zelve gedoctoreerd in de chemie, als ik mij niet bedrieg, de éénige vrouw, die ooit op wetenschappelijk gebied een ontdekking deed. Deze vinding plaatste dezeprincesse de scienceevenwel dadelijk in de voorste rijen der grootste geleerden. Zelden is nuttiger uitvinding gedaan dan deze. Het radium wordt tegenwoordig gebruikt voor de genezing van allerlei treurige ziekten, waartegen men vroeger machteloos stond.Maar gelijk ik reeds zeide, 't radium is zeer kostbaar. Vele centenaars grondstof zijn noodig om er een milligram radium uit te bereiden. De grondstof is ook niet in groote hoeveelheden voorhanden. Alzoo gaat de bereiding slechts zeer langzaam voort, en komt op hooge kosten te staan.Vandaar dan ook de opsluiting van de patiënten, die met radium worden bestraald. Ze krijgen voor een groote waarde aan hun lichaam. Ik had bijv. voor een waarde van 63000 Mark of 37800 Gulden aan mijn hals. Stel eens, dat zulke patiënten vrij konden rondloopen! Hoelicht zou iemand in de verzoeking komen, om er mee weg te gaan, of 't weg te stoppen, en te veinzen 't verloren te hebben, om 't later voor een zeer groote waarde aan dezen of genen dokter of kwakzalver te verkoopen!Vrijdagavond zes uur werd de deur van buiten achter mij gegrendeld. Toen kreeg ik eenig idee van 't vreeselijke der cellulaire gevangenis, en ik kan mij begrijpen, dat tegenwoordig velen opstaan, die een andere wijze van straffen voorstaan. Terstond dacht ik ook aanBunyanenRutherford, en stelde mij voor, wat dezen om hun geloof hebben geleden.En toch, hoe goed hebben deze beide mannen 't in de gevangenis gehad, wat was de Heere hun daar nabij! De kerker was hun als een paradijs!Bunyanschreef hier zijn Christenreize, enRutherfordzijn heerlijke brieven.Ook mij wilde de Heere wederom sterken. Acht-en-veertig uren moest ik alzoo gevangen zitten; maar de tijd is omgevlogen. Ik troostte mij vooral met den 9en en 10en Zondag van den Heidelberger Catechismus. Ik hief mijn hart op tot Hem, Die vóór alle dingen is, en door Wien alle dingen zijn. Ik bewonderde Zijn wijsheid, die zulke verborgene krachten in de schepping legde, en dan den naar Gods beeld geschapen, denkenden, menschelijken geest 't vermogen gaf, de meest verborgen geneesmiddelen op te sporen. Ik loofde Zijn goedheid, dat ik 't onwaardeerbaar voorrecht mocht genieten, thans van dit kostbare middel gebruik te maken. Niet minder dankte ik Zijne liefde, dat Hij mij alles, wat Hij mij in den laatsten tijd deed ondervinden, ten goede deed medewerken. Alles bracht mij nader tot Zijnen Eeuwigen Zoon. Jezus werd mij steeds dierbaarder. O Hij, Hij alléén, is mijn Alles, mijn wijsheid, mijn rechtvaardigheid, mijn heiligmaking, mijn verlossing, mijn vreugde, mijn liefde, mijn hope, mijn troost. Ik ken en aanbid dan ook de bedoeling,die de Heere met mijne zware beproeving heeft. Hij zendt ze mij uit liefde, met vaderlijke hand toe, om mij hoelangerzoo meer te louteren. Deze kennis geeft mij geduld in dezen tegenspoed, geeft mij dankbaarheid, wanneer ik eenigen vooruitgang bemerk en geeft mij ook genade om mij met een volkomen vertrouwen voor de toekomst aan den Heere over te geven, wetende, dat niets mij zal scheiden van Zijne liefde in Christus.In dit vertrouwen ga ik dus zonder vreeze de onbekende toekomst in.De hoofdkuur is nu afgeloopen.Wat is 't resultaat?Dit zal nader moeten blijken.Blijf ik, zooals ik nu ben, dan zou ik, zij 't met groot lichamelijk gebrek, mijn arbeid weer kunnen doen. Bij de eerste kuur kwam er een omwenteling ten goede in mijn gestel. Deze is bij de tweede bevestigd.Maar er is meer noodig.Zoolang de kanker nog niet is uitgeroeid, blijft steeds een catastrophe te vreezen.Ik zal dan moeten afwachten, wat de Heere nu verder werkt. Is de nawerking der hoofdkuur goed, dan hoop ik met goeden moed een derde kuur te ondernemen, in de stille hope, dat de Heere dan een volkomene genezing geeft.Zooals Hij doet, zoo is 't echter wèlgedaan.Neemt Hij mij weg, dan hoop ik den God mijn levens, den God van zoo rijke en vrije genade, in mijn sterven te mogen verheerlijken, en zal ik stervend Zijnen goeden Naam nog danken, dat Hij mij door mijn bezoek aan Heidelberg de gelegenheid heeft geschonken, getuigenis af te leggen van de genade, die Hij mij wilde bewijzen. De Heere vergist Zich nimmer; ook in mijn sterven zal Hij dan Zijn naam grootmaken.De eerste leerlingen van de Geneefsche Universiteit werden door Calvijn naar Frankrijk gezonden. Calvijn had zich heel wat voorgesteld van den arbeid dezer beide evangeliepredikers in zijn geliefd geboorteland. Nauwelijks zijn zij echter over de grenzen, of zij worden gevangengenomen en verbrand.Welk een slag voor Calvijn! Slechts voor een korten tijd! Spoedig leerde Calvijn inzien, dat deze beide jonge mannen in hun martelaarsdood krachtiger prediking hadden gedaan, dan zij heel hun leven hadden kunnen houden.In Amerika sterft een jeugdig proponent, en wordt begraven op den dag, dat hij zijn intrede zoude doen. Wijlen Ds. Beuker zou bij de begrafenis de lijkrede houden. Hij begon te zeggen: „Deze jonge man dacht 't evangelie te prediken in de lijdende en strijdende kerk! God heeft wat beters over hem voorzien, hij mag nu aan de heilige engelen Gods verkondigen de veelvuldige wijsheid Gods, in de verlossing der gemeente openbaar”.God rechtvaardigt altijd zijn doen.Nu zien we dat nog niet ten volle.Hoeveel duisters er echter ook zij in 't Godsbestuur, hiervan ben ik zeker, dat 't einde aller dingen de allerheerlijkste Theodicee of rechtvaardiging Gods zal zijn.Hoe de Heere dus ook doe, wat Hij doet, is altijd wijs, heilig en goed.Behaagt 't Hem, mij nog jaren tot mijne levensjaren toe te voegen, dan heb ik de begeerte, dat Hij mij slechts een hemelsch leven geve, opdat ik reeds op aarde den hemel meer en meer mag beginnen.Geliefden, laten wij die genade veel van onzen God bidden! O, wat zal 't ons dan goed zijn, wat zal God in al ons doen verheerlijkt worden, en wat zal ook de wereld dan werkelijk worden jaloersch gemaakt!Eenigen tijd geleden verscheen een werk, dat veel opzien baarde, en dat den titel voerde: „Briefe, die Ihn nicht erreichten!” „Brieven, die hen niet bereikten.”En wie waren die brieven?Dit waren de Christenen. Zij zijn de brieven, die de Heere aan de wereld schrijft, opdat zij uit den wandel der Christenen zullen leeren hun leven te verbeteren.Maar helaas, vele van deze brieven bereiken de menschen der wereld niet.De wereld kan aan vele Christenen niet zien, dat zij werkelijk Christenen zijn.Zulke brieven komen niet aan hun adres, en blijven als onbestelbaar liggen.Neen geliefden, zoo mag 't niet zijn!Laat ons dus om genade bidden, dat wij een waarlijkhemelschleven mogen beginnen! Zegene Hij daartoe voor ons tezamen ook het schrijven dezer brieven!Dit is de hartelijke bede vanuw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 18 December 1913.Geliefde gemeente!Zoo gingen wij dan Woensdag 10 December des namiddags te 2.19 uit Heidelberg naar het vaderland terug. Wij hadden dezen trein gekozen, omdat we dan nergens behoefden over te stappen; inHeidelbergstapten we in, in Amersfoort uit den trein.Spoedig warenwein Mainz, en hadden we wederom den oever van den Rijn bereikt. Dit was nu de vierde maal, dat ik op mijn reizen naar en van Heidelberg langs „den grootvorst van Europa's stroomen” spoorde.Het was nu een kille, vochtige December dag; de herfstbetoovering was geheel geweken; en toch was de Rijn nog schoon! Helder blonk zijn water in de schemering. Wat verschilt 't rivierwater toch van 't zeenat! De zee kan zoo loodkleurig getint zijn; door de bries in beweging gebracht, en wit gekuifd lijken hare wateren zoo recht „wateren des doods”. Heel anders 't rivierwater, inzonderheid 't Rijnwater, dat schier altijd als levend water schittert. Aan weerskanten sprongen de bergen als zwarte, natte reuzen in de invallende duisternis op. Op geregelde afstanden vertoonde zich een Rijndorp of stad, tooverachtig flonkerend in 't electrische licht.Mijn vrouw bleef in haar coupé. Ik ging naar den spijswagen; ik was er de eenige gast; en ging rustig in een hoekje zitten mijmeren.Ik dacht aan de dagen mijner jeugd. De Rijn is de eerste rivier, dien ik leerde kennen. Levendig herinner ik mij, hoe ik als kind met mijn moeder menigmalen van Elst naar Arnhem reed. Vóór de brug spanden we uit; en hoe verheugd liep ik dan aan de hand mijner moeder over de schipbrug bij Arnhem! Hoe gelukkig is de jeugdige mensch, wanneer hij nog aan de hand zijner moeder door 't leven huppelt! En wat heb ik recht veel van de liefde mijner moeder, wier eenige zoon ik was, mogen genieten! In latere donkere dagen, toen mijn verdwaasde hart omdoolde in de afgronden van 't atheïsme, is de gedachte van de liefde mijner moeder één der eerste lichtstralen geweest, waarbij ik uit dieduisternisgeraakte. „Neen,” zoo dacht ik, „die moederliefde is geen gevolg van de verbinding van atomen en moleculen; waar zulke moederliefde is daar moet de Eeuwige Geest zijn, die Eeuwige Liefde is; deze is noodig om iets dergelijks als de moederliefde uit te denken en te scheppen!” Volkomen versta ik dan ook, wat Napoleon antwoordde op de vraag,wat noodig is voor de verhooging van een volk. „Geef ons moeders!” zeide de scherpziende staats- en krijgsman, die eenmaal helaas zoo menig moederhart in rouw heeft gedompeld.Van mijn eigen verleden bracht de Rijn mijn voortwiegelenden gedachtengang op 't prilst verleden van ons volk.Op platboomde vaartuigen voeren eenmaal de Nederduitsche stammen langs den Rijn naar de lage, Nederlandsche gewesten. En zij hadden een goed deel gekozen. Vooral in dat tijdperk der historie, had 't vlakke land meer waarde dan 't gebergte; 't loonde steeds den noesten vlijt van den land- en veeman. Bovendien bouwden onze vaderen de zee. Zij werden de vrachtvaarders van Europa. Een eeuw lang stond ons kleine volk aan de spits der Europeesche cultuur, en was alle andere volken meer dan een eeuw vooruit. Thans is 't anders geworden. Toch kan ook ons volk weer groot worden. Het kan weer groot worden in alles, waarin een klein volk groot kan zijn, wanneer 't moeders heeft, die waarlijk moeder zijn; moeders, als onze koningin-moeder, aan wie ons volk zooveel is verschuldigd. Het kan weer groot worden, bovenal, wanneer 't weer terugkeert tot den God der vaderen. Want dat volk staat waarlijk hoog, hetwelk dicht staat bij God. Laat dit door alle dienaren des Woords, door alle politieke en sociale reformatoren toch diep bij ons volk worden ingeprent! Laten ze den tijd uitkoopen, dewijl de dagen boos zijn! Vooral van dezen arbeid geldt, wat 't latijnsche spreekwoord zegt: „Vita brevis, ars longa”, het leven is kort, de kunst is lang. Zoo spoedig, zoo onverwacht kunnen we aan 't einde van onze loopbaan zijn, en er is zooveel, zoo langdurige arbeid noodig, om goede gedachten bij het volk ingang te doen vinden. Zoo snel kan daartegenover een groot volk zinken.Dit heb ik thans om mij heen gezien onder 't Duitsche volk. Het is een groot volk, dit volk van „denkers en dichters”. En onwillekeurig deed de Rijn mij ook een lange wijle peinzen over dit cultuurvolk onzer eeuw.De Rijn en 't Duitsche volk zijn één.De Rijn is bovenal een Duitsche rivier.Als grootvorst van Europa's stroomen vertoont hij zich vooral in 't Duitsche rijk.En elke Duitscher dweept dan ook met den Rijn.In 't voorjaar ziet de Noordelijke Duitscher al met verlangen heen naar de oevers van den Rijn. De Rijn is zijn waranda, waar hij zijn „Sommerfrische” wil genieten, en nieuwe krachten verzamelen voor den arbeid van heel een jaar.Van Mainz tot Bonn staan boven op de bergen de ruïnen der oude trotsche kasteelen van de vroegere roofridders, die tollen hieven van de schippers van den Rijn. Ieder dezer ruïnen vertegenwoordigt een legende. Op honderdvoudige manier zijn deze legenden en sagen in de Duitsche letterkunde verwerkt. De Rijn is 't bezielend middelpunt der Duitsche literatuur.De Rijn maakt de scheiding tusschen de Germaansche en Romaansche volken. Steeds hebben de Romaansche Franken en Gallen getracht de oevers van den Rijn te bemachtigen. Een korten tijd is dit den Franschen gelukt, onder Lodewijk XIV. De Duitsche vorsten waren na den reformatietijd onderling zeer verdeeld. De Roomsche Duitsche vorstjes zochten hulp bij Lodewijk XIV. Deze maakte daarvan gebruik om Elzas-Lotharingen te annexeeren. Maar steeds heeft de Duitsche geest er op gevlast, deze gewesten terug te krijgen, en daarmede de oevers van den Rijn in zijn bezit te houden. In 1870 is deze wensch vervuld. „Die Wacht am Rhein” was 't volkslied, dat de Duitsche soldaten bezielde. Dit lied issindsdien het volkslied bij uitnemendheid van de Duitsche natie gebleven. Ook nu nog gaat de geheime strijd tusschen de beide erfvijanden, Duitschland en Frankrijk, over de oevers van den Rijn. De Rijn is de polsaderstroom der tegenwoordige Duitsche geschiedenis. En nog staat de Duitsche wacht aan den Rijn sterk. Nog is 't Duitsche volk innerlijk sterker dan 't zichzelf verterend Fransche volk. Maar laten de Duitschers voorzichtig zijn! Laten ze geen Farizeesche blikken over den Rijn werpen, en op 't Fransche volk uit de hoogte nederzien! Want helaas, ook in 't Duitsche volk woekeren de symptonen der verwording, ongeloof, godverzaking en wellust, krachtig voort.Ten slotte richtten zich mijne gedachten op de uitmonding van den Rijn in de wateren der Noordzee. Vermoeid sleept de reus zich voort tusschen de duinen van Katwijk. Door sluizen moet hij geholpen worden om zijn einde te vinden in de wateren der zee. Ook op den Rijn is van toepassing: „Sic transit gloria mundi!” Zoo vergaat de heerlijkheid dezer wereld!Maar vlak vóór zijn uitmonding is de Rijn toch nog schoon. In 't bijzonder dacht ik aan den vredehof „Rijnzicht”, die even buiten Leiden wordt gevonden. Ik dacht aan de velen, die ik mede derwaarts heb uitgedragen naar de rustplaats der dooden. Ik dacht aan de velen, die mij lief en dierbaar blijven, en die daar eenmaal zullen rusten. En de wensch kwam in mij op, hetzij vroeg of laat, daar ook eenmaal mijn graf te mogen vinden.Inmiddels was de trein als voortgevlogen, en bemerkte ik, dat metterdaad de afstanden verdwijnen. Ik zocht mijn coupé weer op, en vond er mijn vrouw in druk gesprek. Binnen enkele uren waren we in Amersfoort, en werden we door onze kinderen en de familie Teerink afgehaald.Welk een vreugde van 't wederzien!En nu? Wat zal 't nu verder zijn?Voordat ik Heidelberg verliet, vroeg ik Prof.Wernernaar 't resultaat van de tweede kuur. Hij antwoordde mij: „Wir haben einen guten Erfolg!” Wij hebben een goed resultaat! In Amersfoort liet ik mij dadelijk onderzoeken door mijn huisdokter, dokter Groneman. Deze constateerde een tendenz tot genezing. Beiden verklaarden echter, dat de genezing van de tong zeer langzaam zou gaan.Welnu, alles is in des Heeren Hand. Ik wacht, en volg.Hoezeer verheug ik mij, dat mijn wachttijd nu valt in den tijd van 't heerlijk Kerstfeest. O, als ik dien naam maar noem, begint mijn hart al te branden. Het Kerstfeest is het feest van het wonder der wonderen. Het eeuwige Woord, de Openbaring des Vaders, het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, het uitgedrukte Beeld Zijner Zelfstandigheid, vleesch, eindig, tijdelijk, broos menschelijk vleesch geworden! Welk verstand zal dit wonder ooit vatten? Wat wonder, dat dit geheel eenig feit het levenwekkend middelpunt, niet alleen van onze Christelijke religie, maar ook van kunst en literatuur is geworden! Wat wonder, dat dit feit de grensstroom werd tusschen twee soorten van menschen: 1e. die uit dit wonder leven, en 2e. die dit wonder verwerpen!En waarom en voor wie werd het Woord vleesch! Neen, al ware de aarde papier, de zee inkt, de grashalmenpennen, en alle engelen vaardige schrijvers, zoo zouden zij 't wonder der eeuwige liefde in de vleeschwording des Woords geschonken, niet kunnen beschrijven!En dan, hoe zalig, hoe heerlijk, in dit wonder der liefde te mogen deelen!O, wat is de moederliefde bij deze liefde van Jezus?Zij iseen beeldvan Zijn liefde.De moederliefde heeft ietssouvereins.De moeder heeft haar kind lief, vóór 't is geboren. Zij omhelst 't straks, hoe 't er ook uit zie. Zij heeft 't te meer lief, wanneer 't zich als een gebrekkig kind openbaart.Ziehier een zwak beeld van Jezus' liefde! Zijne liefde is in waarheidsouverein. Hij wist, hoe mismaakt en doemschuldig wij waren. Nochtans heeft Hij ons zóó liefgehad, dat Hij vleesch werd om onze zonde en schuld te dragen en te boeten.De moederlijke liefde is eentrouweenonveranderlijke liefde. Zij houdt niet op, ook al is 't kind niet zoo, als 't behoort te wezen. Wederom een zwak beeld van Jezus' liefde! Hij keert niet op Zijn schreden terug, wanneer duidelijk uitkomt, wie de mensch is. Jezus'liefde is onveranderlijk en getrouw tot in den dood.De moederoffert zich gaarnevoor haar kind. Zij springt 't na in den vloed. Zij grijpt 't weg voor den klauw van 't wilde dier. Wederom, welk een zwak beeld nog slechts van Jezus' opofferende liefde, die vleesch werd met 't bepaalde doel om Zich voor onze zonde te offeren aan 't Kruis!En deze Jezus is gisteren en heden Dezelfde. Zijne hand, Zijne trouwe liefdehand grijp ik vast. Meer dan een moeder troosten kan, zal Hij mij troosten. Meer dan een moeder zorgen kan, zal Hij voor mij zorgen. O, 't is mij goed, nabij den Heere te zijn, ik zet mijn betrouwen op den Heere Heere, om al Zijn werken te vertellen. Hij zal mij nooit beschamen, maar hoe 't ga, mij door Zijne liefde verblijden. Heere, maak Gij 't dan maar wel, opdat mijn vrouw en ik met Uw volk nog in dit leven U mogen prijzen.Weest allen hartelijk gegroet vanUw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 8 Januari 1914.Geliefde gemeente!In 't menschelijke leven komen oogenblikken voor, die menmomentennoemt. Zulk een gewichtig moment is 't thans voor mij, terwijl ik de pen opneem om U mijn eersten brief in 't nieuwe jaar te schrijven.Vóór ruim drie maanden dachten velen, en spraken 't ook uit, dat ik het einde des jaars wel niet zou halen; ik zou dus om dezen tijd reeds in 't zwijgend graf gelegen hebben.En zie, ik ben er nog. Ik ben nog in 't midden van mijn klein maar bemind gezin, dat voor mij als een paradijs van liefde op aarde is. Er is nog goede hope, dat ik met mijn gezin eerlang op Achteveld zal komen, om daar den grooten arbeid der liefde te beginnen. Ik ben nog in 't midden mijner geestelijke familie, waarvan ik met Groenewegen zing:„Zoete banden, die mij binden.Aan des Heeren lieve volk,”en die mij vooral bij de wisseling des jaars wederom zulke ondubbelzinnige blijken schonken, dat zij met dezelfde gevoelens jegens mij zijn vervuld.Broeders en Zusters, hartelijk, recht hartelijk dank voor uw verkwikkende troostbrieven, ze waren mij als lichtstralen van den hemel op mijn donker en moeilijk pad. Roepen de tegenstellingen in 't leven 't gevoel wakker, o, ik kan beurtelings wel zingen en weenen, terwijl ik dit alles doorleef. Met diep geroerd hart bid ik u dan ook wederkeerig toe, dat de Geest des Vaders en des Zoons, als het zegel der Goddelijke genade, in u aller harte wone. Daarmede hebben we alles! Daarmede roemen we zelfs in de verdrukking, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding,en de bevinding hope, en de hope beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door Zijnen Heiligen Geest, die ons gegeven is!O, hoe lieflijk behaagt 't den Heere, ook mij deze roemtaal op de lippen te leggen! Donker en moeilijk is mijn weg; maar de Heere zet gedurig de geheime kamer Zijner lieflijke gunst open voor mijne ziel, en dan geniet ik, o zoo heerlijk, van de toepassende liefde in God den Heiligen Geest, van de stervende liefde van God den Zoon, van de verkiezende liefde van God den Vader. Nu eens komt de Heere mij met dit, dan weer met dàt troostwoord verkwikken.In de laatste weken heeft Hij mij bijzonder gesterkt met de woorden van Psalm 62: „God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”.Welk een zoeten honing heeft mijn ziel reeds gedurig uit deze woorden gepuurd, welk een versterkende melk daaruit gedronken!Jubel op, mijne ziele! De sterkte is Godes! Kracht in slechte handen is een vloek, in goede handen een zegen. Welk een zegen Gods almachtige Kracht in Gods goede Hand heeft gewrocht, mochten we inzonderheid weer op 't gepasseerde Kerstfeest herdenken. Het scheen onmogelijk, dat de belofte van den Zaligmaker der wereld zou worden vervuld. Davids huis was een afgehouwen tronk, en de gansche wereld scheen eer rijp voor 't gericht dan voor de verlossing. Maar de Heere doet een afgesnedene zaak op aarde. Jubel hoog op, mijn ziel! De sterkte is Godes! Hij heeft terbestemdertijd en plaats den Zaligmaker der wereld geschonken.Het scheen onmogelijk, dat de wereld zulk een Zaligmaker zou aannemen. Voor Hem was nergens plaats.Noch in de hutten der armen, noch in de paleizen der rijken, noch in de synagogen, noch in den tempel, noch in de scholen der wetenschap, noch in de raadzalen des volks. Noch ook in 't hart der zondaars. Maar wat onmogelijk scheen, heeft God gewrocht. Jezus' Naam ruischt heel de wereld door.„God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal, d.i., ik heb dit goed en terdege gehoord:datde sterkte Godes is”.En niet alleen de sterkte is des Heeren. Buig u aanbiddend neder, o mijne ziel, des Heeren sterkte is onafscheidelijk verbonden met Zijne goedertierenheid.Heerlijke gedachte! Sterkte zonder liefde is ruw geweld; liefde zonder kracht is slapheid; liefde en sterkte onverbrekelijk saamgesnoerd, zijn Gode waardig. Zijn liefde toch gebruikt Zijne Almacht, om al Zijn liefdebedoelingen met Zijn volk tot werkelijkheid te maken.Wel schijnt Zijn liefde soms een harde liefde. Niet zelden doet des Heeren liefde Zijnen kinderen in hun leven harde dingen hooren. Sta maar op, vader Jakob, om ons te zeggen, wat uw hart gevoelde, toen gij de harde zaak van Jozefs verdwijning moest vernemen. Wij lezen het wedervaren van een Job, een Jeremia, een Paulus duidelijk in de Schrift; maar ik geloof, dat wij niet ter helfte beseffen, wat deze lieve kinderen Gods hebben geleden.Toch is deze harde liefde juist de echte liefde. Wie de Heere liefheeft, kastijdt Hij tot hun nut, en wat de smeltkroes is voor 't goud, is de beproeving voor Gods volk. Ze ontneemt hun, wat zij moeten missen, verhoogt de waarde en den glans van hun geestelijk leven, en vermeerdert hun genadeloon in de hemelen.„Want”, zoo zingt de psalmist den Heere dankend toe: „Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”.De vergelding wordt hier door den psalmist in verbandgebracht met des Heeren goedertierenheid. Daaruit vloeit voort, dat hij enkel spreekt van 't genadeloon, dat de Heere eenmaal aan Zijn beproefd maar vruchtbaar volk zal schenken.O, hoe groot is dus des Heeren goedertierenheid! Zij werkt eerst 't goede in 't volk van God, en komt daarna dit goede nog met een heerlijk genadeloon kronen.„God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”.Heerlijke woorden!Ge begrijpt dan ook wel, hoe de gedurige overdenking daarvan mijne ziel heeft verkwikt.Ik lees ze nog eens over, en begin van achter af.„Want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”. Gelukkig staat hier niet: „want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn zonden”; want dan was er voor mij geen hope; geen hope vanwege mijn erfelijke en dadelijke zonden, vanwege de zwarte zonden mijner jonkheid, vanwege de nog zwarter zonden van mijn later leven.Neen, maar de Heere wil aan een iegelijk Zijner kinderen vergelden naar zijn werk. Welnu, de Heere weet, wat Hij in mijne ziel heeft gewerkt. Hij kent mijn begeeren, mijn streven. Zeidevon Zinzendorffeenmaal: „Herr Jesu, Du bist meine Passion!”, ik zeg het hem zoo van harte na: „Heere Jezus, Gij zijt mijn Vurig Begeeren!” En evenals deze leidsman der Hernhutters dringt mij de liefde van Christus, om 't heil in Christus aan de meest ellendigen te brengen. Maar dit geeft mij dan ook vrijmoedigheid om ootmoedig aan den Heere te vragen: „Heere, ach, kroon nu dit Uw werk, en geef mij terug aan den arbeid voor voogdij- en regeeringskinderen, voorontslagen gevangenen, zwervers en drankzuchtigen!”Gij begrijpt levendig, lieve broeders en zusters, welk een harde zaak 't voor mij is, dat ik dezen arbeid nu niet kan beginnen, terwijl alle dingen gereed zijn. Des Heeren liefde schijnt ook voor mij zulk een harde liefde. Toch loof ik deze liefde. O, wat heeft zij mij goed gedaan! Ik zing zoo van hartemeêmet den dichter van den 119den psalm:'k Sloeg, eer ik wierd verdrukt, het dwaalspoor in,Maar nu geleerd, houd ik Uw woord en wegen.En bovendien, de Heere handelt met Zijn volk als de landman met zijn land. De boer ploegt en egt niet altijd door; maar als hij 't land alzoo bearbeid heeft, strooit hij zijn zaad uit, en geeft dan zijn land een lange wijle rust. Straks prijkt dit land met vruchtbaar graan. Dit is de vrucht van de harde liefde van den landman voor zijn land. Zoo doet de Heere ook met Zijn volk.Zou ook ik daarop mogen hopen?Zou ik mij nog eens in een algeheel herstel mogen verheugen?De ziekte is zoo vreeselijk. Alleen 't enkele woord „kanker” doet den mensch sidderen.Zal ik nog eens geheel van deze vreeselijke krankheid worden bevrijd, en geheel hersteld, mijn heerlijken arbeid mogen beginnen?Lieve broeders en zusters: „De Heere heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is!”Daarmede troost ik mij.Daarop pleit ik voor des Heeren Aangezicht.En o, laat ik 't u nog eens mogen zeggen, hoe goed 't mij is, in dit gedurig worstelen en smeeken voor den Troon der Genade.Het behaagt den Heere, mij voortdurend een open toegang te schenken in 't gebed. Dit is reeds onuitsprekelijk heerlijk. Ik kan niet beschrijven, wat 't bidden dan is. Ik kan 't niet beter voorstellen dan als een korte wandeling in den hemel.Biddend lig ik dan geknield voor Hem, Die ons gunt, Hem „Vader” te noemen.Ik pleit dan op Zijn oneindige liefde, die Hij openbaarde in de overgave van Zijn Eeniggeboren Zoon. Als Middelaar heeft de Zone Gods niet alléén onze ongerechtigheden, maar ook onze krankheden op Zich genomen. Volkomen verlost Hij ons van al onze zonden en van al onze krankheden bij ons zalig sterven. Maar ook reeds in dit leven wil Hij den psalmtoon op onze lippen leggen: „Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne weldaden. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest.” Ik vraag dan van den Heere, dat Hij om Christus, Zijns lieven Zoons wil, ook mij, niet alleen vergeving der zonden en bekeering des harten, maar ook genezing des lichaams schenke.En omdat ik weet, dat al des Heeren handelingen met mij door Zijn liefde worden bestuurd, kan ik er zoo van ganscher harte bijvoegen: „Maar, lieve Heere, zooals Gij doet, zóó is het goed; Gij geeft toch altijd het beste!”Zoo sterk ik mij dan van dag tot dag, en ik heb 't o zoo goed. Neen, 't nieuwe jaar begint niet donker. De Heere is mijn licht en mijn heil; hoe zou 't dan donker kunnen zijn? Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten. In dit vertrouwen ga ik den nieuwen tijdkring weer in.Morgenochtend hoop ik weer naar Heidelberg te vertrekken voor mijn derde kuur.Mijn adres is dan in 't hôtelMetropol-Monopol. Men kan ook adresseeren aan 'tSamariterhaus.Weest allen hartelijk gegroet en den Heere bevolen, en blijft in uwe gebeden gedenkenuw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 14 Januari 1914.Geliefde gemeente!Al was het donker, guur en somber; al kletterden de regens en als bruiste nu en dan de stormwind; we gingen aan den morgen van den 9en Januari met blijdschap naar 't station, om de groote reis naar Heidelberg weer te ondernemen; vol van dankbaarheid jegens den Heere, Die daartoe den weg geopend had; met stillen dank in 't hart.... ook aan broeders en zusters, die ons in staat wilden stellen, dat wij wederom konden gaan om de zoo noodige voortzetting der genezing te zoeken.Voordat ik van huis ging, had ik mij in den Heere gesterkt door de aandachtige lezing van Ps. 23. Aan den Goeden Herder gaf ik de zorg van mijn huis over; in Zijne Hand stelde ik mijne vrouw en mijzelven, door de spoorwegrampen van de laatste tijden, in binnen- en buitenland, er opnieuw aan herinnerd, aan welke gevaren ook wij wederom onderworpen waren.Als terugbevend voor de guurheid van het weder, doken wij als vanzelf in onze coupé weg. Nu eens pratend, dan weer lezend, dan weer sluimerend, en telkens ook de handen vouwend tot stil gebed, brachten wij den tijd door. En wij slaakten een zucht van verlichting, toen wij 's avonds uitstapten in de beroemde stad, waarvan de dichter zong:Alt-Heidelberg, Du feine,Die Stadt, an Ehren reich,Am Neckar und am Rheine,Keine kommt Ihr gleich!Wat, vrij vertaald, wil zeggen: „Oud Heidelberg, gij, fraaie stad, gij stad, zoo rijk aan eer, zoo schoon gelegen aan de beide rivieren, den Heidelberg en den Rijn; er is geen stad, die bij U in schoonheid haalt!”Voor mij en voor honderden met mij heeft deze stad echter hoogere beteekenis dan die van de schoonste der dochteren van Duitschland. Honderden, ja wellicht duizenden,—want de schaar groeit steeds aan,—hebben met mij in den grootsten nood, in de hoogste spanning van hun leven, hier nog een laatste redmiddel gezocht tegen doodelijke kwaal.O, wanneer die weg naar hetSamariterhauseens spreken kon, wat zou hij hebben te openbaren! In 't oude Venetië was een brug, die men „de brug der zuchten” noemde. Staatsmisdadigers werden over die overdekte brug van 't ééne naar 't andere geleid; en wanneer zij die brug overgingen wisten zij, dat hun vonnis reeds geteekend lag, dat zij over die brug niet zouden terugkeeren, maar op geheimzinnige wijze uit den weg zouden worden geruimd. Geen wonder, dat de menschen, die over deze brug gingen, menigmaal zóó zwaar zuchtten, dat 't beneden op de straat gehoord werd.Ook die weg naarSamariterhausmag wel de weg der zuchten worden genoemd; wie dat pad de eerste maal wandelt, zucht bij zichzelf: „ik ben in mijn eigen land en plaats door de geneesheeren geabandonneerd; wat zal hier de professor zeggen? Zal hij mij nog hoop geven?”De beide professoren zijn hier wijze, voorzichtige, edele mannen. Zij benemen schier niemand de hoop geheel.Eudokia in Rotterdam heette eerst: „gasthuis voor ongeneeslijke zieken!” Toen dit gebouw in gebruik werd genomen, zeide Dr. van Staveren: „Dit opschrift deugt niet, het is in strijd met onze belijdenis; voor God, in wien wij gelooven, is geen ziekte ongeneeslijk!” Terstond is de naam toen ook veranderd in dien van: „Tehuis voor chronische lijders.”Ditzelfde oordeelen ook deze professoren. Maar als wijze en voorzichtige mannen wekken zij ook geen ongegronde verwachtingen. Zij ondernemen den arbeid, en hebben somwijlen resultaten, waarover de geneeskundige wereld verbaasd staat.Van deze uitkomsten hoort de lijder. Er komt hier hoop voor de hopeloozen. De weg der zuchten wordt dan voor velen, wanneer ook zij bij zichzelven goede uitkomsten zien, een pad van jubelende hope.In hoopvolle stemming gingen ook wij Zaterdag 10 Januari 's morgens naar 'tSamariterhaus. Prof.Werneronderzocht mij wederom nauwkeurig. Hij was in de wolken over de resultaten van de radium-bestraling. Deze waren dan ook werkelijk bijzonder groot. In de tong had ook hij natuurlijk meerderen vooruitgang gewenscht. Ook zitten er nog twee harde kliertjes, één op de rechterkaak, de ander bij 't schouderblad.Terstond werd in beraad met een inmiddels verschenen dokter een plan de campagne opgesteld. Ik moet elken dag weer worden ingespoten. In plaats van 20 minuten werd ik nu om den anderen dag 40 minuten met Röntgen-belichting bestraald. Bovendien zal ik, zoo de Heere wil, 15, 16, 21 en 22 Januari van twee uur tot zeven uur inwendig met radium worden bestraald. Ik moet op die dagen vijf uren achtereen een stuk radium met mijn hand tegen de tong houden.'t Is alles pijnlijk en moeilijk. Maar ik ben heel watsterker geworden, en de professor, die uiterst voorzichtig is, durft nu ook wat meer ondernemen.Toch voel ik wel, dat 't me aanpakt. Maar eigenaardig, hoe moeilijker de weg is, hoe rijker de vertroosting wordt. Van nacht lag ik weer een heele poos met pijn wakker. Toen dacht ik: „nu is er toch Eén, Die met mij waakt in dezen stillen, maar moeilijken nacht, de Medelijdende Hoogepriester, Die ter rechterhand Gods is!” Het was mij, alsof Hij van den hemel op mij nederzag, als een moeder, die waakt bij haar lijdend kind. Ik dankte dan ook den Heere, dat Hij met mij waakte, en zeide: „Heere, Gij zendt mij deze pijnen voor mijn best, en ziet tegelijk met het innigste medelijden op mij neer! Gij neemt de pijnen niet weg, maar geeft mij de kracht om deze te dragen! Gij brengt mij door deze pijnen nader tot U als mijn Eénige toevlucht in den hoogsten nood! Gij kunt en wilt mij uit allen nood en dood verlossen!” En zie, eenige minuten later sliep ik zacht in en kreeg ik van mijn Heiland een geschenk, waarvan ik met Jeremia kan zeggen: „En de slaap was mij zoet!”Zalige genieting!Zondagmorgen ben ik naar de kapel van 't Diaconessenhuis geweest. Ik heb er een heerlijke zendingspreek gehoord. Bij leven en welzijn schrijf ik daarover de volgende week. Ik moet mij nu wat bekorten, omdat ik morgen vijf uur met radium moet zitten en mij niet te veel mag inspannen.Ontvangt dus de hartelijke groeten van mijne vrouw en mij. Draagt ons gedurig op. Ge ziet, de Heere hoort het gebed. Hij gedenke ook u.Weest allen dan den Heere bevolen door
Die Wege sind oft kromm, und doch gerad,Darauf Du, Herr, die Deinen lässet gehen,Da plegt oft wunder seltsam aus zu sehen,Doch triumphiert zuletzt Dein guter Rat!
Die Wege sind oft kromm, und doch gerad,Darauf Du, Herr, die Deinen lässet gehen,Da plegt oft wunder seltsam aus zu sehen,Doch triumphiert zuletzt Dein guter Rat!
D. i.
De wegen zijn vaakkrom, en tochrecht,Waarop Gij, Heer, Uw kinderen voert,Daar pleegt 't er vaak wonder zeldzaam uit te zien.Toch triumfeertten laatsteUw goede raad!
De wegen zijn vaakkrom, en tochrecht,Waarop Gij, Heer, Uw kinderen voert,Daar pleegt 't er vaak wonder zeldzaam uit te zien.Toch triumfeertten laatsteUw goede raad!
Ja, krom schijnen vaak de wegen, waarop de Heere Zijne kinderen leidt tot het voorgestelde doel!
Israël wordt uit Egypte geleid; maar in plaats van dadelijk wonderdadig Kanaän te worden binnengeleid, wordt 't gansche volk in de engten van Pi-Hachirôth oogenschijnlijk dadelijk ten doode gewijd!
Aan Jozef wordt verhooging beloofd, en hij wordt in de diepste vernedering weggestooten!
David wordt tot koning gezalfd, en de gezalfde des Heeren moet als balling buiten zijn vaderland zwerven, bij de Filistijnen zelfs een schuilplaats zoeken!
Kromme wegen!
Toch zijn ze recht als een kaars!
Aan de Roode Zee wijken op Gods bevel de wateren des doods voor de koningskinderen. Als een rij soldaten staan de wateren aan weerskanten van 't doortrekkend volk. Het is, alsof ze hun zwaarden tegen hun schouder drukken, om den kinderen Israëls militaire eer te bewijzen. Op de Egyptenaren stormen ze in met de scherpte hunner wapenen. En Mozes en Israël zingen 't lied, dat de paaschpsalm der eeuwen, 't lied der eeuwigheid werd!
Was Jozef een minder voortreffelijk onderkoning, omdat hij in 't kerkerhol had gezucht, of was hij de rechte man op de rechte plaats om den nood van heel een volk te lenigen?
Heeft 't David kwaad gedaan, dat hij een balling was, voordat hij koning werd. Neen, in de ballingschap is de lier gestemd, waarbij de koning voor zijn volk zong; meer nog, is zijn hart gevormd, om een rechte koning te zijn over het arme volk van God.
Zal 't mij hinderen in mijn arbeid onder de verwaarloosde jeugd, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen, wanneer ik straks als uit de dooden opgestaan in hun midden mag staan om de groote werken Gods te vertellen?
O, mocht 't eens waarheid worden, dat ik in Februari of Maart mijn werk weer mocht opvatten!
Bidt, Geliefden, de Heere is de Hoorder der gebeden! Hem is niets te wonderlijk! O, verhoore Hij uwe en onze smeekingen, en verblijde Hij ons door Zijn groote daden!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 9 December 1913.
Geliefde gemeente!
Wanneer gij dezen ontvangt, hoop ik met mijne vrouw weder in het vaderland te zijn. Woensdag 10 December vertrekken we D.V. 2,19 van hier, en hopen dan 's avonds 10,16 in Amersfoort aan te komen. Donderdag zal wegens de vermoeienis van den vorigen dag 't hoofd wel niet tot schrijven staan. Daarom zend ik dezen brief thans maar wat vroeger af.
Het voornaamste wat in de afgeloopen dagen met mij heeft plaats gehad, is de vroeger reeds aangekondigde opsluiting van 5 tot 7 December en de bestraling met mesothorium radium.
Behalve operatie worden hier voor de kankerbestrijding in hoofdzaak drie middelen aangewend: 1e. de inspuiting met enzytol, 2e. de Röntgen-bestraling, en 3e. de radium-bestraling.
Deze volledigheid teekent de voortreffelijkheid der hier gevolgde methode. Ook in andere steden, als Weenen, Dresden en Parijs wordt de kanker stelselmatig bestreden; maar nergens heeft men het complete stel van middelen, dat men hier gebruikt. Schier nergens heeft men de inspuiting met enzytol, waaraan hier juist zulke groote waarde wordt gehecht. Op de meeste plaatsen heeft men òf Röntgen-bestraling, òf radium-bestraling; doch schier nergens, gelijk hier, beide tegelijk.
De voortreffelijkheid der hier gevolgde methode van kanker-behandeling blijkt dan ook wel 't best uit de verrassende uitkomsten. Een Hollandsch dokter, die op onderzoek uit is, deelde mij mede, dat hij nergens de resultaten heeft gezien, die hij hier aanschouwde. We stonden samen bij een man uit Crefeld, die in zijn geboorteplaats voor de tweede maal aan maagkanker was geopereerd.Bij de tweede operatie was de opening echter dadelijk dichtgemaakt; men zag de onmogelijkheid van een tweede operatie in. Deze man kwam hier. Hij vertelde ons, dat de knechten, die hem in 't bad hielpen, tegen elkander zeiden: „Deze kan nog naar Crefeld terug, maar verder niet, anders bezwijkt hij zeker.” Hij maakte nu zijn derde kuur door, had 13 pond aan gewicht gewonnen, maakte zeer groote wandelingen, en zou spoedig verlof krijgen, om te gebruiken, wat hij wilde. De dokter, die naast mij stond, fluisterde mij in 't oor: „in beginsel is hij reeds genezen!”
Zóó zijn hier tal van voorbeelden.
Vooral de radium-bestraling is echter zeer kostbaar. Het radium is de schoone uitvinding van Madame Curie, een Poolsche van geboorte, met een Fransch professor gehuwd, zelve gedoctoreerd in de chemie, als ik mij niet bedrieg, de éénige vrouw, die ooit op wetenschappelijk gebied een ontdekking deed. Deze vinding plaatste dezeprincesse de scienceevenwel dadelijk in de voorste rijen der grootste geleerden. Zelden is nuttiger uitvinding gedaan dan deze. Het radium wordt tegenwoordig gebruikt voor de genezing van allerlei treurige ziekten, waartegen men vroeger machteloos stond.
Maar gelijk ik reeds zeide, 't radium is zeer kostbaar. Vele centenaars grondstof zijn noodig om er een milligram radium uit te bereiden. De grondstof is ook niet in groote hoeveelheden voorhanden. Alzoo gaat de bereiding slechts zeer langzaam voort, en komt op hooge kosten te staan.
Vandaar dan ook de opsluiting van de patiënten, die met radium worden bestraald. Ze krijgen voor een groote waarde aan hun lichaam. Ik had bijv. voor een waarde van 63000 Mark of 37800 Gulden aan mijn hals. Stel eens, dat zulke patiënten vrij konden rondloopen! Hoelicht zou iemand in de verzoeking komen, om er mee weg te gaan, of 't weg te stoppen, en te veinzen 't verloren te hebben, om 't later voor een zeer groote waarde aan dezen of genen dokter of kwakzalver te verkoopen!
Vrijdagavond zes uur werd de deur van buiten achter mij gegrendeld. Toen kreeg ik eenig idee van 't vreeselijke der cellulaire gevangenis, en ik kan mij begrijpen, dat tegenwoordig velen opstaan, die een andere wijze van straffen voorstaan. Terstond dacht ik ook aanBunyanenRutherford, en stelde mij voor, wat dezen om hun geloof hebben geleden.
En toch, hoe goed hebben deze beide mannen 't in de gevangenis gehad, wat was de Heere hun daar nabij! De kerker was hun als een paradijs!Bunyanschreef hier zijn Christenreize, enRutherfordzijn heerlijke brieven.
Ook mij wilde de Heere wederom sterken. Acht-en-veertig uren moest ik alzoo gevangen zitten; maar de tijd is omgevlogen. Ik troostte mij vooral met den 9en en 10en Zondag van den Heidelberger Catechismus. Ik hief mijn hart op tot Hem, Die vóór alle dingen is, en door Wien alle dingen zijn. Ik bewonderde Zijn wijsheid, die zulke verborgene krachten in de schepping legde, en dan den naar Gods beeld geschapen, denkenden, menschelijken geest 't vermogen gaf, de meest verborgen geneesmiddelen op te sporen. Ik loofde Zijn goedheid, dat ik 't onwaardeerbaar voorrecht mocht genieten, thans van dit kostbare middel gebruik te maken. Niet minder dankte ik Zijne liefde, dat Hij mij alles, wat Hij mij in den laatsten tijd deed ondervinden, ten goede deed medewerken. Alles bracht mij nader tot Zijnen Eeuwigen Zoon. Jezus werd mij steeds dierbaarder. O Hij, Hij alléén, is mijn Alles, mijn wijsheid, mijn rechtvaardigheid, mijn heiligmaking, mijn verlossing, mijn vreugde, mijn liefde, mijn hope, mijn troost. Ik ken en aanbid dan ook de bedoeling,die de Heere met mijne zware beproeving heeft. Hij zendt ze mij uit liefde, met vaderlijke hand toe, om mij hoelangerzoo meer te louteren. Deze kennis geeft mij geduld in dezen tegenspoed, geeft mij dankbaarheid, wanneer ik eenigen vooruitgang bemerk en geeft mij ook genade om mij met een volkomen vertrouwen voor de toekomst aan den Heere over te geven, wetende, dat niets mij zal scheiden van Zijne liefde in Christus.
In dit vertrouwen ga ik dus zonder vreeze de onbekende toekomst in.
De hoofdkuur is nu afgeloopen.
Wat is 't resultaat?
Dit zal nader moeten blijken.
Blijf ik, zooals ik nu ben, dan zou ik, zij 't met groot lichamelijk gebrek, mijn arbeid weer kunnen doen. Bij de eerste kuur kwam er een omwenteling ten goede in mijn gestel. Deze is bij de tweede bevestigd.
Maar er is meer noodig.
Zoolang de kanker nog niet is uitgeroeid, blijft steeds een catastrophe te vreezen.
Ik zal dan moeten afwachten, wat de Heere nu verder werkt. Is de nawerking der hoofdkuur goed, dan hoop ik met goeden moed een derde kuur te ondernemen, in de stille hope, dat de Heere dan een volkomene genezing geeft.
Zooals Hij doet, zoo is 't echter wèlgedaan.
Neemt Hij mij weg, dan hoop ik den God mijn levens, den God van zoo rijke en vrije genade, in mijn sterven te mogen verheerlijken, en zal ik stervend Zijnen goeden Naam nog danken, dat Hij mij door mijn bezoek aan Heidelberg de gelegenheid heeft geschonken, getuigenis af te leggen van de genade, die Hij mij wilde bewijzen. De Heere vergist Zich nimmer; ook in mijn sterven zal Hij dan Zijn naam grootmaken.
De eerste leerlingen van de Geneefsche Universiteit werden door Calvijn naar Frankrijk gezonden. Calvijn had zich heel wat voorgesteld van den arbeid dezer beide evangeliepredikers in zijn geliefd geboorteland. Nauwelijks zijn zij echter over de grenzen, of zij worden gevangengenomen en verbrand.
Welk een slag voor Calvijn! Slechts voor een korten tijd! Spoedig leerde Calvijn inzien, dat deze beide jonge mannen in hun martelaarsdood krachtiger prediking hadden gedaan, dan zij heel hun leven hadden kunnen houden.
In Amerika sterft een jeugdig proponent, en wordt begraven op den dag, dat hij zijn intrede zoude doen. Wijlen Ds. Beuker zou bij de begrafenis de lijkrede houden. Hij begon te zeggen: „Deze jonge man dacht 't evangelie te prediken in de lijdende en strijdende kerk! God heeft wat beters over hem voorzien, hij mag nu aan de heilige engelen Gods verkondigen de veelvuldige wijsheid Gods, in de verlossing der gemeente openbaar”.
God rechtvaardigt altijd zijn doen.
Nu zien we dat nog niet ten volle.
Hoeveel duisters er echter ook zij in 't Godsbestuur, hiervan ben ik zeker, dat 't einde aller dingen de allerheerlijkste Theodicee of rechtvaardiging Gods zal zijn.
Hoe de Heere dus ook doe, wat Hij doet, is altijd wijs, heilig en goed.
Behaagt 't Hem, mij nog jaren tot mijne levensjaren toe te voegen, dan heb ik de begeerte, dat Hij mij slechts een hemelsch leven geve, opdat ik reeds op aarde den hemel meer en meer mag beginnen.
Geliefden, laten wij die genade veel van onzen God bidden! O, wat zal 't ons dan goed zijn, wat zal God in al ons doen verheerlijkt worden, en wat zal ook de wereld dan werkelijk worden jaloersch gemaakt!
Eenigen tijd geleden verscheen een werk, dat veel opzien baarde, en dat den titel voerde: „Briefe, die Ihn nicht erreichten!” „Brieven, die hen niet bereikten.”
En wie waren die brieven?
Dit waren de Christenen. Zij zijn de brieven, die de Heere aan de wereld schrijft, opdat zij uit den wandel der Christenen zullen leeren hun leven te verbeteren.
Maar helaas, vele van deze brieven bereiken de menschen der wereld niet.
De wereld kan aan vele Christenen niet zien, dat zij werkelijk Christenen zijn.
Zulke brieven komen niet aan hun adres, en blijven als onbestelbaar liggen.
Neen geliefden, zoo mag 't niet zijn!
Laat ons dus om genade bidden, dat wij een waarlijkhemelschleven mogen beginnen! Zegene Hij daartoe voor ons tezamen ook het schrijven dezer brieven!
Dit is de hartelijke bede van
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 18 December 1913.
Geliefde gemeente!
Zoo gingen wij dan Woensdag 10 December des namiddags te 2.19 uit Heidelberg naar het vaderland terug. Wij hadden dezen trein gekozen, omdat we dan nergens behoefden over te stappen; inHeidelbergstapten we in, in Amersfoort uit den trein.
Spoedig warenwein Mainz, en hadden we wederom den oever van den Rijn bereikt. Dit was nu de vierde maal, dat ik op mijn reizen naar en van Heidelberg langs „den grootvorst van Europa's stroomen” spoorde.
Het was nu een kille, vochtige December dag; de herfstbetoovering was geheel geweken; en toch was de Rijn nog schoon! Helder blonk zijn water in de schemering. Wat verschilt 't rivierwater toch van 't zeenat! De zee kan zoo loodkleurig getint zijn; door de bries in beweging gebracht, en wit gekuifd lijken hare wateren zoo recht „wateren des doods”. Heel anders 't rivierwater, inzonderheid 't Rijnwater, dat schier altijd als levend water schittert. Aan weerskanten sprongen de bergen als zwarte, natte reuzen in de invallende duisternis op. Op geregelde afstanden vertoonde zich een Rijndorp of stad, tooverachtig flonkerend in 't electrische licht.
Mijn vrouw bleef in haar coupé. Ik ging naar den spijswagen; ik was er de eenige gast; en ging rustig in een hoekje zitten mijmeren.
Ik dacht aan de dagen mijner jeugd. De Rijn is de eerste rivier, dien ik leerde kennen. Levendig herinner ik mij, hoe ik als kind met mijn moeder menigmalen van Elst naar Arnhem reed. Vóór de brug spanden we uit; en hoe verheugd liep ik dan aan de hand mijner moeder over de schipbrug bij Arnhem! Hoe gelukkig is de jeugdige mensch, wanneer hij nog aan de hand zijner moeder door 't leven huppelt! En wat heb ik recht veel van de liefde mijner moeder, wier eenige zoon ik was, mogen genieten! In latere donkere dagen, toen mijn verdwaasde hart omdoolde in de afgronden van 't atheïsme, is de gedachte van de liefde mijner moeder één der eerste lichtstralen geweest, waarbij ik uit dieduisternisgeraakte. „Neen,” zoo dacht ik, „die moederliefde is geen gevolg van de verbinding van atomen en moleculen; waar zulke moederliefde is daar moet de Eeuwige Geest zijn, die Eeuwige Liefde is; deze is noodig om iets dergelijks als de moederliefde uit te denken en te scheppen!” Volkomen versta ik dan ook, wat Napoleon antwoordde op de vraag,wat noodig is voor de verhooging van een volk. „Geef ons moeders!” zeide de scherpziende staats- en krijgsman, die eenmaal helaas zoo menig moederhart in rouw heeft gedompeld.
Van mijn eigen verleden bracht de Rijn mijn voortwiegelenden gedachtengang op 't prilst verleden van ons volk.
Op platboomde vaartuigen voeren eenmaal de Nederduitsche stammen langs den Rijn naar de lage, Nederlandsche gewesten. En zij hadden een goed deel gekozen. Vooral in dat tijdperk der historie, had 't vlakke land meer waarde dan 't gebergte; 't loonde steeds den noesten vlijt van den land- en veeman. Bovendien bouwden onze vaderen de zee. Zij werden de vrachtvaarders van Europa. Een eeuw lang stond ons kleine volk aan de spits der Europeesche cultuur, en was alle andere volken meer dan een eeuw vooruit. Thans is 't anders geworden. Toch kan ook ons volk weer groot worden. Het kan weer groot worden in alles, waarin een klein volk groot kan zijn, wanneer 't moeders heeft, die waarlijk moeder zijn; moeders, als onze koningin-moeder, aan wie ons volk zooveel is verschuldigd. Het kan weer groot worden, bovenal, wanneer 't weer terugkeert tot den God der vaderen. Want dat volk staat waarlijk hoog, hetwelk dicht staat bij God. Laat dit door alle dienaren des Woords, door alle politieke en sociale reformatoren toch diep bij ons volk worden ingeprent! Laten ze den tijd uitkoopen, dewijl de dagen boos zijn! Vooral van dezen arbeid geldt, wat 't latijnsche spreekwoord zegt: „Vita brevis, ars longa”, het leven is kort, de kunst is lang. Zoo spoedig, zoo onverwacht kunnen we aan 't einde van onze loopbaan zijn, en er is zooveel, zoo langdurige arbeid noodig, om goede gedachten bij het volk ingang te doen vinden. Zoo snel kan daartegenover een groot volk zinken.
Dit heb ik thans om mij heen gezien onder 't Duitsche volk. Het is een groot volk, dit volk van „denkers en dichters”. En onwillekeurig deed de Rijn mij ook een lange wijle peinzen over dit cultuurvolk onzer eeuw.
De Rijn en 't Duitsche volk zijn één.
De Rijn is bovenal een Duitsche rivier.
Als grootvorst van Europa's stroomen vertoont hij zich vooral in 't Duitsche rijk.
En elke Duitscher dweept dan ook met den Rijn.
In 't voorjaar ziet de Noordelijke Duitscher al met verlangen heen naar de oevers van den Rijn. De Rijn is zijn waranda, waar hij zijn „Sommerfrische” wil genieten, en nieuwe krachten verzamelen voor den arbeid van heel een jaar.
Van Mainz tot Bonn staan boven op de bergen de ruïnen der oude trotsche kasteelen van de vroegere roofridders, die tollen hieven van de schippers van den Rijn. Ieder dezer ruïnen vertegenwoordigt een legende. Op honderdvoudige manier zijn deze legenden en sagen in de Duitsche letterkunde verwerkt. De Rijn is 't bezielend middelpunt der Duitsche literatuur.
De Rijn maakt de scheiding tusschen de Germaansche en Romaansche volken. Steeds hebben de Romaansche Franken en Gallen getracht de oevers van den Rijn te bemachtigen. Een korten tijd is dit den Franschen gelukt, onder Lodewijk XIV. De Duitsche vorsten waren na den reformatietijd onderling zeer verdeeld. De Roomsche Duitsche vorstjes zochten hulp bij Lodewijk XIV. Deze maakte daarvan gebruik om Elzas-Lotharingen te annexeeren. Maar steeds heeft de Duitsche geest er op gevlast, deze gewesten terug te krijgen, en daarmede de oevers van den Rijn in zijn bezit te houden. In 1870 is deze wensch vervuld. „Die Wacht am Rhein” was 't volkslied, dat de Duitsche soldaten bezielde. Dit lied issindsdien het volkslied bij uitnemendheid van de Duitsche natie gebleven. Ook nu nog gaat de geheime strijd tusschen de beide erfvijanden, Duitschland en Frankrijk, over de oevers van den Rijn. De Rijn is de polsaderstroom der tegenwoordige Duitsche geschiedenis. En nog staat de Duitsche wacht aan den Rijn sterk. Nog is 't Duitsche volk innerlijk sterker dan 't zichzelf verterend Fransche volk. Maar laten de Duitschers voorzichtig zijn! Laten ze geen Farizeesche blikken over den Rijn werpen, en op 't Fransche volk uit de hoogte nederzien! Want helaas, ook in 't Duitsche volk woekeren de symptonen der verwording, ongeloof, godverzaking en wellust, krachtig voort.
Ten slotte richtten zich mijne gedachten op de uitmonding van den Rijn in de wateren der Noordzee. Vermoeid sleept de reus zich voort tusschen de duinen van Katwijk. Door sluizen moet hij geholpen worden om zijn einde te vinden in de wateren der zee. Ook op den Rijn is van toepassing: „Sic transit gloria mundi!” Zoo vergaat de heerlijkheid dezer wereld!
Maar vlak vóór zijn uitmonding is de Rijn toch nog schoon. In 't bijzonder dacht ik aan den vredehof „Rijnzicht”, die even buiten Leiden wordt gevonden. Ik dacht aan de velen, die ik mede derwaarts heb uitgedragen naar de rustplaats der dooden. Ik dacht aan de velen, die mij lief en dierbaar blijven, en die daar eenmaal zullen rusten. En de wensch kwam in mij op, hetzij vroeg of laat, daar ook eenmaal mijn graf te mogen vinden.
Inmiddels was de trein als voortgevlogen, en bemerkte ik, dat metterdaad de afstanden verdwijnen. Ik zocht mijn coupé weer op, en vond er mijn vrouw in druk gesprek. Binnen enkele uren waren we in Amersfoort, en werden we door onze kinderen en de familie Teerink afgehaald.
Welk een vreugde van 't wederzien!
En nu? Wat zal 't nu verder zijn?
Voordat ik Heidelberg verliet, vroeg ik Prof.Wernernaar 't resultaat van de tweede kuur. Hij antwoordde mij: „Wir haben einen guten Erfolg!” Wij hebben een goed resultaat! In Amersfoort liet ik mij dadelijk onderzoeken door mijn huisdokter, dokter Groneman. Deze constateerde een tendenz tot genezing. Beiden verklaarden echter, dat de genezing van de tong zeer langzaam zou gaan.
Welnu, alles is in des Heeren Hand. Ik wacht, en volg.
Hoezeer verheug ik mij, dat mijn wachttijd nu valt in den tijd van 't heerlijk Kerstfeest. O, als ik dien naam maar noem, begint mijn hart al te branden. Het Kerstfeest is het feest van het wonder der wonderen. Het eeuwige Woord, de Openbaring des Vaders, het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, het uitgedrukte Beeld Zijner Zelfstandigheid, vleesch, eindig, tijdelijk, broos menschelijk vleesch geworden! Welk verstand zal dit wonder ooit vatten? Wat wonder, dat dit geheel eenig feit het levenwekkend middelpunt, niet alleen van onze Christelijke religie, maar ook van kunst en literatuur is geworden! Wat wonder, dat dit feit de grensstroom werd tusschen twee soorten van menschen: 1e. die uit dit wonder leven, en 2e. die dit wonder verwerpen!
En waarom en voor wie werd het Woord vleesch! Neen, al ware de aarde papier, de zee inkt, de grashalmenpennen, en alle engelen vaardige schrijvers, zoo zouden zij 't wonder der eeuwige liefde in de vleeschwording des Woords geschonken, niet kunnen beschrijven!
En dan, hoe zalig, hoe heerlijk, in dit wonder der liefde te mogen deelen!
O, wat is de moederliefde bij deze liefde van Jezus?
Zij iseen beeldvan Zijn liefde.
De moederliefde heeft ietssouvereins.
De moeder heeft haar kind lief, vóór 't is geboren. Zij omhelst 't straks, hoe 't er ook uit zie. Zij heeft 't te meer lief, wanneer 't zich als een gebrekkig kind openbaart.
Ziehier een zwak beeld van Jezus' liefde! Zijne liefde is in waarheidsouverein. Hij wist, hoe mismaakt en doemschuldig wij waren. Nochtans heeft Hij ons zóó liefgehad, dat Hij vleesch werd om onze zonde en schuld te dragen en te boeten.
De moederlijke liefde is eentrouweenonveranderlijke liefde. Zij houdt niet op, ook al is 't kind niet zoo, als 't behoort te wezen. Wederom een zwak beeld van Jezus' liefde! Hij keert niet op Zijn schreden terug, wanneer duidelijk uitkomt, wie de mensch is. Jezus'liefde is onveranderlijk en getrouw tot in den dood.
De moederoffert zich gaarnevoor haar kind. Zij springt 't na in den vloed. Zij grijpt 't weg voor den klauw van 't wilde dier. Wederom, welk een zwak beeld nog slechts van Jezus' opofferende liefde, die vleesch werd met 't bepaalde doel om Zich voor onze zonde te offeren aan 't Kruis!
En deze Jezus is gisteren en heden Dezelfde. Zijne hand, Zijne trouwe liefdehand grijp ik vast. Meer dan een moeder troosten kan, zal Hij mij troosten. Meer dan een moeder zorgen kan, zal Hij voor mij zorgen. O, 't is mij goed, nabij den Heere te zijn, ik zet mijn betrouwen op den Heere Heere, om al Zijn werken te vertellen. Hij zal mij nooit beschamen, maar hoe 't ga, mij door Zijne liefde verblijden. Heere, maak Gij 't dan maar wel, opdat mijn vrouw en ik met Uw volk nog in dit leven U mogen prijzen.
Weest allen hartelijk gegroet van
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 8 Januari 1914.
Geliefde gemeente!
In 't menschelijke leven komen oogenblikken voor, die menmomentennoemt. Zulk een gewichtig moment is 't thans voor mij, terwijl ik de pen opneem om U mijn eersten brief in 't nieuwe jaar te schrijven.
Vóór ruim drie maanden dachten velen, en spraken 't ook uit, dat ik het einde des jaars wel niet zou halen; ik zou dus om dezen tijd reeds in 't zwijgend graf gelegen hebben.
En zie, ik ben er nog. Ik ben nog in 't midden van mijn klein maar bemind gezin, dat voor mij als een paradijs van liefde op aarde is. Er is nog goede hope, dat ik met mijn gezin eerlang op Achteveld zal komen, om daar den grooten arbeid der liefde te beginnen. Ik ben nog in 't midden mijner geestelijke familie, waarvan ik met Groenewegen zing:
„Zoete banden, die mij binden.Aan des Heeren lieve volk,”
„Zoete banden, die mij binden.Aan des Heeren lieve volk,”
en die mij vooral bij de wisseling des jaars wederom zulke ondubbelzinnige blijken schonken, dat zij met dezelfde gevoelens jegens mij zijn vervuld.
Broeders en Zusters, hartelijk, recht hartelijk dank voor uw verkwikkende troostbrieven, ze waren mij als lichtstralen van den hemel op mijn donker en moeilijk pad. Roepen de tegenstellingen in 't leven 't gevoel wakker, o, ik kan beurtelings wel zingen en weenen, terwijl ik dit alles doorleef. Met diep geroerd hart bid ik u dan ook wederkeerig toe, dat de Geest des Vaders en des Zoons, als het zegel der Goddelijke genade, in u aller harte wone. Daarmede hebben we alles! Daarmede roemen we zelfs in de verdrukking, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding,en de bevinding hope, en de hope beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door Zijnen Heiligen Geest, die ons gegeven is!
O, hoe lieflijk behaagt 't den Heere, ook mij deze roemtaal op de lippen te leggen! Donker en moeilijk is mijn weg; maar de Heere zet gedurig de geheime kamer Zijner lieflijke gunst open voor mijne ziel, en dan geniet ik, o zoo heerlijk, van de toepassende liefde in God den Heiligen Geest, van de stervende liefde van God den Zoon, van de verkiezende liefde van God den Vader. Nu eens komt de Heere mij met dit, dan weer met dàt troostwoord verkwikken.
In de laatste weken heeft Hij mij bijzonder gesterkt met de woorden van Psalm 62: „God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”.
Welk een zoeten honing heeft mijn ziel reeds gedurig uit deze woorden gepuurd, welk een versterkende melk daaruit gedronken!
Jubel op, mijne ziele! De sterkte is Godes! Kracht in slechte handen is een vloek, in goede handen een zegen. Welk een zegen Gods almachtige Kracht in Gods goede Hand heeft gewrocht, mochten we inzonderheid weer op 't gepasseerde Kerstfeest herdenken. Het scheen onmogelijk, dat de belofte van den Zaligmaker der wereld zou worden vervuld. Davids huis was een afgehouwen tronk, en de gansche wereld scheen eer rijp voor 't gericht dan voor de verlossing. Maar de Heere doet een afgesnedene zaak op aarde. Jubel hoog op, mijn ziel! De sterkte is Godes! Hij heeft terbestemdertijd en plaats den Zaligmaker der wereld geschonken.
Het scheen onmogelijk, dat de wereld zulk een Zaligmaker zou aannemen. Voor Hem was nergens plaats.Noch in de hutten der armen, noch in de paleizen der rijken, noch in de synagogen, noch in den tempel, noch in de scholen der wetenschap, noch in de raadzalen des volks. Noch ook in 't hart der zondaars. Maar wat onmogelijk scheen, heeft God gewrocht. Jezus' Naam ruischt heel de wereld door.
„God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal, d.i., ik heb dit goed en terdege gehoord:datde sterkte Godes is”.
En niet alleen de sterkte is des Heeren. Buig u aanbiddend neder, o mijne ziel, des Heeren sterkte is onafscheidelijk verbonden met Zijne goedertierenheid.
Heerlijke gedachte! Sterkte zonder liefde is ruw geweld; liefde zonder kracht is slapheid; liefde en sterkte onverbrekelijk saamgesnoerd, zijn Gode waardig. Zijn liefde toch gebruikt Zijne Almacht, om al Zijn liefdebedoelingen met Zijn volk tot werkelijkheid te maken.
Wel schijnt Zijn liefde soms een harde liefde. Niet zelden doet des Heeren liefde Zijnen kinderen in hun leven harde dingen hooren. Sta maar op, vader Jakob, om ons te zeggen, wat uw hart gevoelde, toen gij de harde zaak van Jozefs verdwijning moest vernemen. Wij lezen het wedervaren van een Job, een Jeremia, een Paulus duidelijk in de Schrift; maar ik geloof, dat wij niet ter helfte beseffen, wat deze lieve kinderen Gods hebben geleden.
Toch is deze harde liefde juist de echte liefde. Wie de Heere liefheeft, kastijdt Hij tot hun nut, en wat de smeltkroes is voor 't goud, is de beproeving voor Gods volk. Ze ontneemt hun, wat zij moeten missen, verhoogt de waarde en den glans van hun geestelijk leven, en vermeerdert hun genadeloon in de hemelen.
„Want”, zoo zingt de psalmist den Heere dankend toe: „Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”.
De vergelding wordt hier door den psalmist in verbandgebracht met des Heeren goedertierenheid. Daaruit vloeit voort, dat hij enkel spreekt van 't genadeloon, dat de Heere eenmaal aan Zijn beproefd maar vruchtbaar volk zal schenken.
O, hoe groot is dus des Heeren goedertierenheid! Zij werkt eerst 't goede in 't volk van God, en komt daarna dit goede nog met een heerlijk genadeloon kronen.
„God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”.
Heerlijke woorden!
Ge begrijpt dan ook wel, hoe de gedurige overdenking daarvan mijne ziel heeft verkwikt.
Ik lees ze nog eens over, en begin van achter af.
„Want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk”. Gelukkig staat hier niet: „want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn zonden”; want dan was er voor mij geen hope; geen hope vanwege mijn erfelijke en dadelijke zonden, vanwege de zwarte zonden mijner jonkheid, vanwege de nog zwarter zonden van mijn later leven.
Neen, maar de Heere wil aan een iegelijk Zijner kinderen vergelden naar zijn werk. Welnu, de Heere weet, wat Hij in mijne ziel heeft gewerkt. Hij kent mijn begeeren, mijn streven. Zeidevon Zinzendorffeenmaal: „Herr Jesu, Du bist meine Passion!”, ik zeg het hem zoo van harte na: „Heere Jezus, Gij zijt mijn Vurig Begeeren!” En evenals deze leidsman der Hernhutters dringt mij de liefde van Christus, om 't heil in Christus aan de meest ellendigen te brengen. Maar dit geeft mij dan ook vrijmoedigheid om ootmoedig aan den Heere te vragen: „Heere, ach, kroon nu dit Uw werk, en geef mij terug aan den arbeid voor voogdij- en regeeringskinderen, voorontslagen gevangenen, zwervers en drankzuchtigen!”
Gij begrijpt levendig, lieve broeders en zusters, welk een harde zaak 't voor mij is, dat ik dezen arbeid nu niet kan beginnen, terwijl alle dingen gereed zijn. Des Heeren liefde schijnt ook voor mij zulk een harde liefde. Toch loof ik deze liefde. O, wat heeft zij mij goed gedaan! Ik zing zoo van hartemeêmet den dichter van den 119den psalm:
'k Sloeg, eer ik wierd verdrukt, het dwaalspoor in,Maar nu geleerd, houd ik Uw woord en wegen.
'k Sloeg, eer ik wierd verdrukt, het dwaalspoor in,Maar nu geleerd, houd ik Uw woord en wegen.
En bovendien, de Heere handelt met Zijn volk als de landman met zijn land. De boer ploegt en egt niet altijd door; maar als hij 't land alzoo bearbeid heeft, strooit hij zijn zaad uit, en geeft dan zijn land een lange wijle rust. Straks prijkt dit land met vruchtbaar graan. Dit is de vrucht van de harde liefde van den landman voor zijn land. Zoo doet de Heere ook met Zijn volk.
Zou ook ik daarop mogen hopen?
Zou ik mij nog eens in een algeheel herstel mogen verheugen?
De ziekte is zoo vreeselijk. Alleen 't enkele woord „kanker” doet den mensch sidderen.
Zal ik nog eens geheel van deze vreeselijke krankheid worden bevrijd, en geheel hersteld, mijn heerlijken arbeid mogen beginnen?
Lieve broeders en zusters: „De Heere heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is!”
Daarmede troost ik mij.
Daarop pleit ik voor des Heeren Aangezicht.
En o, laat ik 't u nog eens mogen zeggen, hoe goed 't mij is, in dit gedurig worstelen en smeeken voor den Troon der Genade.
Het behaagt den Heere, mij voortdurend een open toegang te schenken in 't gebed. Dit is reeds onuitsprekelijk heerlijk. Ik kan niet beschrijven, wat 't bidden dan is. Ik kan 't niet beter voorstellen dan als een korte wandeling in den hemel.
Biddend lig ik dan geknield voor Hem, Die ons gunt, Hem „Vader” te noemen.
Ik pleit dan op Zijn oneindige liefde, die Hij openbaarde in de overgave van Zijn Eeniggeboren Zoon. Als Middelaar heeft de Zone Gods niet alléén onze ongerechtigheden, maar ook onze krankheden op Zich genomen. Volkomen verlost Hij ons van al onze zonden en van al onze krankheden bij ons zalig sterven. Maar ook reeds in dit leven wil Hij den psalmtoon op onze lippen leggen: „Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne weldaden. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest.” Ik vraag dan van den Heere, dat Hij om Christus, Zijns lieven Zoons wil, ook mij, niet alleen vergeving der zonden en bekeering des harten, maar ook genezing des lichaams schenke.
En omdat ik weet, dat al des Heeren handelingen met mij door Zijn liefde worden bestuurd, kan ik er zoo van ganscher harte bijvoegen: „Maar, lieve Heere, zooals Gij doet, zóó is het goed; Gij geeft toch altijd het beste!”
Zoo sterk ik mij dan van dag tot dag, en ik heb 't o zoo goed. Neen, 't nieuwe jaar begint niet donker. De Heere is mijn licht en mijn heil; hoe zou 't dan donker kunnen zijn? Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten. In dit vertrouwen ga ik den nieuwen tijdkring weer in.
Morgenochtend hoop ik weer naar Heidelberg te vertrekken voor mijn derde kuur.
Mijn adres is dan in 't hôtelMetropol-Monopol. Men kan ook adresseeren aan 'tSamariterhaus.
Weest allen hartelijk gegroet en den Heere bevolen, en blijft in uwe gebeden gedenken
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 14 Januari 1914.
Geliefde gemeente!
Al was het donker, guur en somber; al kletterden de regens en als bruiste nu en dan de stormwind; we gingen aan den morgen van den 9en Januari met blijdschap naar 't station, om de groote reis naar Heidelberg weer te ondernemen; vol van dankbaarheid jegens den Heere, Die daartoe den weg geopend had; met stillen dank in 't hart.... ook aan broeders en zusters, die ons in staat wilden stellen, dat wij wederom konden gaan om de zoo noodige voortzetting der genezing te zoeken.
Voordat ik van huis ging, had ik mij in den Heere gesterkt door de aandachtige lezing van Ps. 23. Aan den Goeden Herder gaf ik de zorg van mijn huis over; in Zijne Hand stelde ik mijne vrouw en mijzelven, door de spoorwegrampen van de laatste tijden, in binnen- en buitenland, er opnieuw aan herinnerd, aan welke gevaren ook wij wederom onderworpen waren.
Als terugbevend voor de guurheid van het weder, doken wij als vanzelf in onze coupé weg. Nu eens pratend, dan weer lezend, dan weer sluimerend, en telkens ook de handen vouwend tot stil gebed, brachten wij den tijd door. En wij slaakten een zucht van verlichting, toen wij 's avonds uitstapten in de beroemde stad, waarvan de dichter zong:
Alt-Heidelberg, Du feine,Die Stadt, an Ehren reich,Am Neckar und am Rheine,Keine kommt Ihr gleich!
Alt-Heidelberg, Du feine,Die Stadt, an Ehren reich,Am Neckar und am Rheine,Keine kommt Ihr gleich!
Wat, vrij vertaald, wil zeggen: „Oud Heidelberg, gij, fraaie stad, gij stad, zoo rijk aan eer, zoo schoon gelegen aan de beide rivieren, den Heidelberg en den Rijn; er is geen stad, die bij U in schoonheid haalt!”
Voor mij en voor honderden met mij heeft deze stad echter hoogere beteekenis dan die van de schoonste der dochteren van Duitschland. Honderden, ja wellicht duizenden,—want de schaar groeit steeds aan,—hebben met mij in den grootsten nood, in de hoogste spanning van hun leven, hier nog een laatste redmiddel gezocht tegen doodelijke kwaal.
O, wanneer die weg naar hetSamariterhauseens spreken kon, wat zou hij hebben te openbaren! In 't oude Venetië was een brug, die men „de brug der zuchten” noemde. Staatsmisdadigers werden over die overdekte brug van 't ééne naar 't andere geleid; en wanneer zij die brug overgingen wisten zij, dat hun vonnis reeds geteekend lag, dat zij over die brug niet zouden terugkeeren, maar op geheimzinnige wijze uit den weg zouden worden geruimd. Geen wonder, dat de menschen, die over deze brug gingen, menigmaal zóó zwaar zuchtten, dat 't beneden op de straat gehoord werd.
Ook die weg naarSamariterhausmag wel de weg der zuchten worden genoemd; wie dat pad de eerste maal wandelt, zucht bij zichzelf: „ik ben in mijn eigen land en plaats door de geneesheeren geabandonneerd; wat zal hier de professor zeggen? Zal hij mij nog hoop geven?”
De beide professoren zijn hier wijze, voorzichtige, edele mannen. Zij benemen schier niemand de hoop geheel.Eudokia in Rotterdam heette eerst: „gasthuis voor ongeneeslijke zieken!” Toen dit gebouw in gebruik werd genomen, zeide Dr. van Staveren: „Dit opschrift deugt niet, het is in strijd met onze belijdenis; voor God, in wien wij gelooven, is geen ziekte ongeneeslijk!” Terstond is de naam toen ook veranderd in dien van: „Tehuis voor chronische lijders.”
Ditzelfde oordeelen ook deze professoren. Maar als wijze en voorzichtige mannen wekken zij ook geen ongegronde verwachtingen. Zij ondernemen den arbeid, en hebben somwijlen resultaten, waarover de geneeskundige wereld verbaasd staat.
Van deze uitkomsten hoort de lijder. Er komt hier hoop voor de hopeloozen. De weg der zuchten wordt dan voor velen, wanneer ook zij bij zichzelven goede uitkomsten zien, een pad van jubelende hope.
In hoopvolle stemming gingen ook wij Zaterdag 10 Januari 's morgens naar 'tSamariterhaus. Prof.Werneronderzocht mij wederom nauwkeurig. Hij was in de wolken over de resultaten van de radium-bestraling. Deze waren dan ook werkelijk bijzonder groot. In de tong had ook hij natuurlijk meerderen vooruitgang gewenscht. Ook zitten er nog twee harde kliertjes, één op de rechterkaak, de ander bij 't schouderblad.
Terstond werd in beraad met een inmiddels verschenen dokter een plan de campagne opgesteld. Ik moet elken dag weer worden ingespoten. In plaats van 20 minuten werd ik nu om den anderen dag 40 minuten met Röntgen-belichting bestraald. Bovendien zal ik, zoo de Heere wil, 15, 16, 21 en 22 Januari van twee uur tot zeven uur inwendig met radium worden bestraald. Ik moet op die dagen vijf uren achtereen een stuk radium met mijn hand tegen de tong houden.
't Is alles pijnlijk en moeilijk. Maar ik ben heel watsterker geworden, en de professor, die uiterst voorzichtig is, durft nu ook wat meer ondernemen.
Toch voel ik wel, dat 't me aanpakt. Maar eigenaardig, hoe moeilijker de weg is, hoe rijker de vertroosting wordt. Van nacht lag ik weer een heele poos met pijn wakker. Toen dacht ik: „nu is er toch Eén, Die met mij waakt in dezen stillen, maar moeilijken nacht, de Medelijdende Hoogepriester, Die ter rechterhand Gods is!” Het was mij, alsof Hij van den hemel op mij nederzag, als een moeder, die waakt bij haar lijdend kind. Ik dankte dan ook den Heere, dat Hij met mij waakte, en zeide: „Heere, Gij zendt mij deze pijnen voor mijn best, en ziet tegelijk met het innigste medelijden op mij neer! Gij neemt de pijnen niet weg, maar geeft mij de kracht om deze te dragen! Gij brengt mij door deze pijnen nader tot U als mijn Eénige toevlucht in den hoogsten nood! Gij kunt en wilt mij uit allen nood en dood verlossen!” En zie, eenige minuten later sliep ik zacht in en kreeg ik van mijn Heiland een geschenk, waarvan ik met Jeremia kan zeggen: „En de slaap was mij zoet!”
Zalige genieting!
Zondagmorgen ben ik naar de kapel van 't Diaconessenhuis geweest. Ik heb er een heerlijke zendingspreek gehoord. Bij leven en welzijn schrijf ik daarover de volgende week. Ik moet mij nu wat bekorten, omdat ik morgen vijf uur met radium moet zitten en mij niet te veel mag inspannen.
Ontvangt dus de hartelijke groeten van mijne vrouw en mij. Draagt ons gedurig op. Ge ziet, de Heere hoort het gebed. Hij gedenke ook u.
Weest allen dan den Heere bevolen door