Chapter 6

ONTWAKING

Onder de zon wordt een wonderdroom,

Weidsch als een waaierboog.

Merkt ge onzen machtigen onderstroom?

Wij heffen de zee omhoog!

Zwaar rollen de golven, aan ruischingen groot,

Als de storm die te nacht in den horen stoot.

Al wat we zagen was eeuwig grijs.

Binnen gesloten schulp

Werden we en wiesen we op ééne wijs;

Ons rijk was de smalle stulp!

Wat dreef ons begeeren naar ruimer gewelf?

De groei onzer ziel, ons ontwaakte zelf!

Boven ons wijken de wolken weg,

Zeilen de zon voorbij.

Keert ons nog heden het oud beleg,

Toch worden we morgen vrij.

Toch zullen we morgen ontbonden staan

En ver boven 't kleine de vleug'len slaan!

HET IS MEI

O de zonne de zonne die danst op de wei

En de leeuw'rik die danst in de lucht,

En de perelaars breiden zoo breidelloos blij

Naar den hemel hun sneeuw-witte vlucht!

En het rozige schuim aan den appelaar ruischt

Of de zee door zijn juichende takkenschaar bruist;

En de zonne de zonne die danst op de wei ...

Het is Mei, het is purperen Mei!

O de zefir de zefir die zingt in het licht

En de bij zingt de bloei-hagen door;

Over stekel en naald, tusschen dorens en blad

Zoekt zij zoemend het goudgele spoor.

En het honingzwaar huis aan den stengel dat juicht

Van geluk als ze binnen zijn vensteren buigt,

Waar de blonde kaboutertjes oop'nen den rei

Van den Mei, van den purperen Mei!

O de beke de beke die huppelt voorbij,

Of 't een spelensreê makkertje waar',

Dat met grillige kransen van schaduw en licht

Heeft doorvlochten het goudelend haar!

En heur kirrelend lachje dat luidt er zoo zoet

Of een torteltje roept uit den perelenvloed

Met een perelenkeeltje, zoo zorgeloos vrij:

"Het is Mei, het is purperen Mei!"

O de zonne de zonne die danst in de wei

Op de maat van den lustigen wind,

Die de bloemekens zoent op de blozende wang

En den wolken den gordel ontbindt!

En geen boom in het veld waar geen vreugde-doen huist;

Slechts de knotwilg bolt grimmig zijn zwart-bruine vuist

Tegen 't twijgjen dat sprong uit zijn greep met een blij

"Het is Mei, het is purperen Mei!"

GRAUW WEDER

Zonne zonne, zet aan, zet op!

Steek toch die taaie slemp in tweeën!

Stoot uw goudzwaard de wolken in

Dat ze bloeden als roode zeeën!

Zend uw rankvoetige stralekens

Met de starren in 't glinsterhaar!

Laat ze kloppen en wederkloppen

Aan de weerbarstige winterknoppen,

Groot wond're wonderkens liggen daar

In vast versloten schalekens....

Zonne zonne, zet aan, zet op!

Dinder die wonderkens uit den dop!

Zonne zonne, waar zit ge toch!

Hadde ik uw gulden riddersporen,

'k Sprong de grauwe almachtigheid

Dwars door naar uw verstoken toren.

'k Luidde al lustig het belleken

Tegen de karmozijnen poort:

Ik zou klinken en wederklinken

Heel het hemeldom oprinkinken

Van Oost tot West en van Zuid tot Noord

In één hooveerdig relleken....

Zonne zonne, waar zit ge toch?

Zijn uw oogschellen geloken nog?

Zonne zonne, zet op, zet aan!

Word toch de wereld welgenegen!

Laat uw doorluchten levenslust

Over de aarde flikkervegen.

Tik met uw blinkende hamerkens

Hier en ginds en in al 't getij;

Laat ze springen en wederspringen

Op en neer, tot vermetel zingen

De lucht doortrilt als een sterk en blij

Gejoel van vrije kramerkens!

Zonne zonne, zet op, zet aan!

Zet ons midde' in de Meiebaan!

AVONDZWIJGEN

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn....

Komt het van 't zwijgen der wilde merels,

Of van de peinzende sterreperels,

Of doet het de stervende zonneschijn

Die zachtkens zachtkens de kim toespreidt

Zijn vlinderteêre doorzichtigheid?

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn....

Liggen de luide dingen versloten

Achter verzegelde zilveren sloten

Die over de verten genageld zijn?

't Is al zoo zwijgend omneêr gegaan

En weggeborgen en afgedaan.

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn,

Als had ze een heerlijk kind verloren

En roerloos zat in heur blauwen toren

Van eenzaamheid bij heur roode pijn

Die dieper dieper vervloeien ging

Tot zwaarmoeds-duist're herinnering.

Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn....

Worden de zonden zoo zwaar gewogen

Dat neêrwaarts neigen de trotsche bogen

In donker-purperen deemoedslijn

En wacht doodstil het ontroerd heelal

Of de genade ook komen zal?

WAT LOK JE

Wat lok je,

Wat mok je,

Wat glans en gok je,

Klein stommetje uit het oogeland!

Als 'n klokje,

'n Klein klokje,

'n Glinstervlokje,

'n Blauw blommetje van het hooge zand.

Wat vlei je,

Wat blij je,

Wat spelemei je;

Wat oogel je uit dat blond kozijn!

Als leien

Te vrijen

In rozeweien

Blauw vogeltjens met den zonneschijn.

Wat blink je,

Wat pink je,

Stout smeekelinkje;

Princesseke bedelt erbarmen maar.

Want 'n vinkje,

'n Klein vinkje,

'n Heel klein vinkje

Wil nestelen in mijn armenpaar.

BOETEGANG

Het belken klept de kerstenrij

Uit held're verten naderbij....

Aan 't altaar is 't zoo vroom en stil

Bij 't kindeke en de vrouwe zoet;

En 't kleen bescheiden keerske brandt

Zijn wond'ren, zacht-zachtblauwen gloed....

Aan 't altaar heerscht zoo hooge rust

Die 's werelds wee al overwaakt

En staeg de wonde voeten kust

Van Christus, nederig en naakt.

Daar ruischt een volte in de poort

Die aan Maria's ruste stoort....

Een weelderige kleurenvloed

Golft door Gods heilig bruidsvertrek

En purper en sameet beschaamt

Het kindeke in zijn poover dek.

't Is of het kleine keersken bangt,

Van schitteringen overblaakt,

Of armer aan het kruishout hangt

De Christus, nederig en naakt.

Gaat zoo de ootmoedigheid ten zoen

Om donk're zonden af te doen?

Zoekt zoo de ziel de ijle sfeer

Der godd'lijkheden, overberst

Van pronkselen en wereldpraal

Die loodzwaar op de vlerken perst?

Hij zwerft wel ver van 't vrome land

Die goudzwaar ter ontferming naakt!

Hoe luttel weegt de lendenband

Van Christus, nederig en naakt!...

DE MAAIERS

De maaiers komen in de blauwe kielen

Met de vroegzon vreugd'loos uit het heideland,

Met loome lijven en verslapen zielen,

Met de hooge zeisen aan den gordelband.

De gele haver zal geen avond vieren

Maar gesikkeld liggen in het late licht;

De moede maaiers als gedreven dieren

Gaan zich woordloos wijden aan hun zwaren plicht.

En ze maaiemeien en ze zwaaiezweien

Als witmolenwieken door het volle graan;

En het ritselruizelt aan hun struische zijên

Of windvlagen wiss'lings langs hen nederslaan.

Zoo vroeg in de koelte en in groeiende zoelte

Gaan ze felgebogen door den flikkerdag,

Tot de zeise zwijgt en het goudgewoel te

Verstarren ligt van zijn laatsten slag.

En de maaiers trekken in hun blauwe kielen

Met de avondstarre naar het heideland,

Met versloopte lijven en versloerde zielen,

Met de hooge zeisen aan den gordelband.

CANTECLEER

Bonte trompetter,

Bloeiender lust

Blinkende ketter,

Kort is uw rust.

Steekt g' in de luchtsmoor

Brandende taal,

Schemering vlucht voor

Uw hoornsignaal.

Relt ge de belle,

Wekkert een vlucht

Klinkende schellen

Wakker de lucht,

Woelt er een stoutvlerk,

Hemelgenoot,

Al het schoon goudwerk

Open en bloot.

Zilveren schalen

Storten in 't land;

't Regent koralen,

't Regent briljant.

Waar is de muiter,

Waar is de dief?

Vang je, hoogfluiter,

Gouden gerief?

Bonte trompetter,

Boven den tijd

Wekt uw geschetter

Werelden wijd!

Wekt ze, tot leven,

Zonnig en blond,

Boven den beven-

-Den horizont!

STORMLIEDEREN

I

Zie, de luchten waaien tot een duister ruim

En de wind wordt vrijheer van den vloed

En de bladers dansen op z'n dolle luim

De muziek der regens tegemoet.

Uit de zomerstilte barst het herfstjolijt:

Elke boom een feestzaal vol gedruisch,

Elke beek een doorgang vol bedrijvigheid,

Ieder dal een open lustig huis.

In z'n Oostersch tooisel trekt de laatste trein

Van genot en leven door den dag;

'k Zie de vlinders varen op het stormrefrein

Onder rijke overzeesche vlag.


Back to IndexNext