ONTWAKING
Onder de zon wordt een wonderdroom,
Weidsch als een waaierboog.
Merkt ge onzen machtigen onderstroom?
Wij heffen de zee omhoog!
Zwaar rollen de golven, aan ruischingen groot,
Als de storm die te nacht in den horen stoot.
Al wat we zagen was eeuwig grijs.
Binnen gesloten schulp
Werden we en wiesen we op ééne wijs;
Ons rijk was de smalle stulp!
Wat dreef ons begeeren naar ruimer gewelf?
De groei onzer ziel, ons ontwaakte zelf!
Boven ons wijken de wolken weg,
Zeilen de zon voorbij.
Keert ons nog heden het oud beleg,
Toch worden we morgen vrij.
Toch zullen we morgen ontbonden staan
En ver boven 't kleine de vleug'len slaan!
HET IS MEI
O de zonne de zonne die danst op de wei
En de leeuw'rik die danst in de lucht,
En de perelaars breiden zoo breidelloos blij
Naar den hemel hun sneeuw-witte vlucht!
En het rozige schuim aan den appelaar ruischt
Of de zee door zijn juichende takkenschaar bruist;
En de zonne de zonne die danst op de wei ...
Het is Mei, het is purperen Mei!
O de zefir de zefir die zingt in het licht
En de bij zingt de bloei-hagen door;
Over stekel en naald, tusschen dorens en blad
Zoekt zij zoemend het goudgele spoor.
En het honingzwaar huis aan den stengel dat juicht
Van geluk als ze binnen zijn vensteren buigt,
Waar de blonde kaboutertjes oop'nen den rei
Van den Mei, van den purperen Mei!
O de beke de beke die huppelt voorbij,
Of 't een spelensreê makkertje waar',
Dat met grillige kransen van schaduw en licht
Heeft doorvlochten het goudelend haar!
En heur kirrelend lachje dat luidt er zoo zoet
Of een torteltje roept uit den perelenvloed
Met een perelenkeeltje, zoo zorgeloos vrij:
"Het is Mei, het is purperen Mei!"
O de zonne de zonne die danst in de wei
Op de maat van den lustigen wind,
Die de bloemekens zoent op de blozende wang
En den wolken den gordel ontbindt!
En geen boom in het veld waar geen vreugde-doen huist;
Slechts de knotwilg bolt grimmig zijn zwart-bruine vuist
Tegen 't twijgjen dat sprong uit zijn greep met een blij
"Het is Mei, het is purperen Mei!"
GRAUW WEDER
Zonne zonne, zet aan, zet op!
Steek toch die taaie slemp in tweeën!
Stoot uw goudzwaard de wolken in
Dat ze bloeden als roode zeeën!
Zend uw rankvoetige stralekens
Met de starren in 't glinsterhaar!
Laat ze kloppen en wederkloppen
Aan de weerbarstige winterknoppen,
Groot wond're wonderkens liggen daar
In vast versloten schalekens....
Zonne zonne, zet aan, zet op!
Dinder die wonderkens uit den dop!
Zonne zonne, waar zit ge toch!
Hadde ik uw gulden riddersporen,
'k Sprong de grauwe almachtigheid
Dwars door naar uw verstoken toren.
'k Luidde al lustig het belleken
Tegen de karmozijnen poort:
Ik zou klinken en wederklinken
Heel het hemeldom oprinkinken
Van Oost tot West en van Zuid tot Noord
In één hooveerdig relleken....
Zonne zonne, waar zit ge toch?
Zijn uw oogschellen geloken nog?
Zonne zonne, zet op, zet aan!
Word toch de wereld welgenegen!
Laat uw doorluchten levenslust
Over de aarde flikkervegen.
Tik met uw blinkende hamerkens
Hier en ginds en in al 't getij;
Laat ze springen en wederspringen
Op en neer, tot vermetel zingen
De lucht doortrilt als een sterk en blij
Gejoel van vrije kramerkens!
Zonne zonne, zet op, zet aan!
Zet ons midde' in de Meiebaan!
AVONDZWIJGEN
Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn....
Komt het van 't zwijgen der wilde merels,
Of van de peinzende sterreperels,
Of doet het de stervende zonneschijn
Die zachtkens zachtkens de kim toespreidt
Zijn vlinderteêre doorzichtigheid?
Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn....
Liggen de luide dingen versloten
Achter verzegelde zilveren sloten
Die over de verten genageld zijn?
't Is al zoo zwijgend omneêr gegaan
En weggeborgen en afgedaan.
Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn,
Als had ze een heerlijk kind verloren
En roerloos zat in heur blauwen toren
Van eenzaamheid bij heur roode pijn
Die dieper dieper vervloeien ging
Tot zwaarmoeds-duist're herinnering.
Ik weet niet wat de' avond zoo stil doet zijn....
Worden de zonden zoo zwaar gewogen
Dat neêrwaarts neigen de trotsche bogen
In donker-purperen deemoedslijn
En wacht doodstil het ontroerd heelal
Of de genade ook komen zal?
WAT LOK JE
Wat lok je,
Wat mok je,
Wat glans en gok je,
Klein stommetje uit het oogeland!
Als 'n klokje,
'n Klein klokje,
'n Glinstervlokje,
'n Blauw blommetje van het hooge zand.
Wat vlei je,
Wat blij je,
Wat spelemei je;
Wat oogel je uit dat blond kozijn!
Als leien
Te vrijen
In rozeweien
Blauw vogeltjens met den zonneschijn.
Wat blink je,
Wat pink je,
Stout smeekelinkje;
Princesseke bedelt erbarmen maar.
Want 'n vinkje,
'n Klein vinkje,
'n Heel klein vinkje
Wil nestelen in mijn armenpaar.
BOETEGANG
Het belken klept de kerstenrij
Uit held're verten naderbij....
Aan 't altaar is 't zoo vroom en stil
Bij 't kindeke en de vrouwe zoet;
En 't kleen bescheiden keerske brandt
Zijn wond'ren, zacht-zachtblauwen gloed....
Aan 't altaar heerscht zoo hooge rust
Die 's werelds wee al overwaakt
En staeg de wonde voeten kust
Van Christus, nederig en naakt.
Daar ruischt een volte in de poort
Die aan Maria's ruste stoort....
Een weelderige kleurenvloed
Golft door Gods heilig bruidsvertrek
En purper en sameet beschaamt
Het kindeke in zijn poover dek.
't Is of het kleine keersken bangt,
Van schitteringen overblaakt,
Of armer aan het kruishout hangt
De Christus, nederig en naakt.
Gaat zoo de ootmoedigheid ten zoen
Om donk're zonden af te doen?
Zoekt zoo de ziel de ijle sfeer
Der godd'lijkheden, overberst
Van pronkselen en wereldpraal
Die loodzwaar op de vlerken perst?
Hij zwerft wel ver van 't vrome land
Die goudzwaar ter ontferming naakt!
Hoe luttel weegt de lendenband
Van Christus, nederig en naakt!...
DE MAAIERS
De maaiers komen in de blauwe kielen
Met de vroegzon vreugd'loos uit het heideland,
Met loome lijven en verslapen zielen,
Met de hooge zeisen aan den gordelband.
De gele haver zal geen avond vieren
Maar gesikkeld liggen in het late licht;
De moede maaiers als gedreven dieren
Gaan zich woordloos wijden aan hun zwaren plicht.
En ze maaiemeien en ze zwaaiezweien
Als witmolenwieken door het volle graan;
En het ritselruizelt aan hun struische zijên
Of windvlagen wiss'lings langs hen nederslaan.
Zoo vroeg in de koelte en in groeiende zoelte
Gaan ze felgebogen door den flikkerdag,
Tot de zeise zwijgt en het goudgewoel te
Verstarren ligt van zijn laatsten slag.
En de maaiers trekken in hun blauwe kielen
Met de avondstarre naar het heideland,
Met versloopte lijven en versloerde zielen,
Met de hooge zeisen aan den gordelband.
CANTECLEER
Bonte trompetter,
Bloeiender lust
Blinkende ketter,
Kort is uw rust.
Steekt g' in de luchtsmoor
Brandende taal,
Schemering vlucht voor
Uw hoornsignaal.
Relt ge de belle,
Wekkert een vlucht
Klinkende schellen
Wakker de lucht,
Woelt er een stoutvlerk,
Hemelgenoot,
Al het schoon goudwerk
Open en bloot.
Zilveren schalen
Storten in 't land;
't Regent koralen,
't Regent briljant.
Waar is de muiter,
Waar is de dief?
Vang je, hoogfluiter,
Gouden gerief?
Bonte trompetter,
Boven den tijd
Wekt uw geschetter
Werelden wijd!
Wekt ze, tot leven,
Zonnig en blond,
Boven den beven-
-Den horizont!
STORMLIEDEREN
I
Zie, de luchten waaien tot een duister ruim
En de wind wordt vrijheer van den vloed
En de bladers dansen op z'n dolle luim
De muziek der regens tegemoet.
Uit de zomerstilte barst het herfstjolijt:
Elke boom een feestzaal vol gedruisch,
Elke beek een doorgang vol bedrijvigheid,
Ieder dal een open lustig huis.
In z'n Oostersch tooisel trekt de laatste trein
Van genot en leven door den dag;
'k Zie de vlinders varen op het stormrefrein
Onder rijke overzeesche vlag.