VERZEN VAN CAREL SCHARTEN

Schelle najaarskelken bloeien wild en bont

Aan de zwarte steilten van den dood,

Of de laatste leefkracht door hun koop'ren mond

Op uitdagend zingen henenvlood.

Dit is heerlijk einden, dit is nedergaan

Zonder ijd'le klacht en zonder spijt

Op de donkre hobo's van den nachtorkaan

Tot den diepsten burcht der eeuwigheid.

II

De stormbruid ruit de bladers op

Tegen het oude woudgezag:

Beter in één roes te vergaan

Dan te verdruilen dag aan dag.

Hoor je dat ruischen, breed en frisch?

Hoor je dat golven, zwaar en groot?

Dat is de opstandigheid die luid

Aan de verstarring weerstand bood.

Wie nu niet tot de daad ontwaakt

Moet tot de pit verschimmeld zijn.

Daar is geen lust, geen droefenis

Te machtig voor dit hoog gedein.

Daar is geen enk'le ziel te zacht,

Daar is geen enk'le borst te broos;

Daar is maar één meesleepend lied

Van stormgeluk, al eindeloos.

En wat nog nooit gevlogen heeft

Schiet slank en snel de wolken in;

En wat nog nooit bewogen heeft

Rukt van zijn vastgeroeste pin.

En uit de vlakte en den vloed

En over zee en bergbazalt

Borrelt en breekt de bende baan

Die duisternis en nevel spalt.

Waarheen dit luisterrijke spel,

Waarheen dit weergaloos gewiel?

Tot d'opperste vollustigheid,

Tot de bestemming van de ziel;

Tot stillen hermelijnen nacht,

Volmaakt van lijn en tinteling,

Waar alles alles is gevuld

Van glanzende verzadiging.

III

O groote ruischelaar,

Snelwiekig wonder;

Hoe wordt de kranke dag

Zevenmaal gezonder

Als g'uit de wolken scheert,

Als g'aan de vlakte veert,

Als ge de golven keert

Over en onder.

O groote ruischelaar,

Breedvlerkig wezen,

Nauw staat de hemel vol

Regen gerezen,

Of met een schuddering

Van uw gezwaaiden zwing

Zwiept gij de zonnesching

Over de vreezen.

Wolkenrot, wintergod,

Waar werpt g'uw anker?

Zeeën zijn veel te klein,

Bergen te wankel.

't Sterrenheir stilt u niet,

Nachtdonker drilt u niet,

Maanvreê vermildt u niet,

Bandlooze zwanker!

Doch zijn uw wegen ook

Wild, woest en woedig,

Ergens in 't ongezien

Wordt ge vroom en vroedig.

Splijt u een sterker wil,

Siddert uw albedil,

Staat gij gebogen stil,

Eindloos ootmoedig.

IV

Hoezee! daar jaagt het heksenspan

Der dolle regenbenden an!

Ze dragen sneeuwen hoozen,

Een rok van waterrozen,

Een schel blazoen, een felle speer,

Aan ied're steek een raveveer....

Ze blikken op noch omme,

Lijk een bezeten dromme

Ze suizen over struik en blom

En slaan de bange boomen krom....

Berg weg, berg weg uw leven!

Het is haar àl om 't even.

En wilt ge niet, al goed, al goed,

Ze rijde' u schaat'rend onder heur voet!

De vaart schiet zwarte vlerken aan,

Wil uit zijn donker bed vandaan

En heft zich boven 't gele riet

En huilt zijn eigen zegelied

En werpt zijn brosse schuimen

Lijk uitgewaaide pluimen

En steigert aan den steilen wal

En slaat terug in boozen val

En dindert op in stroomen

En kan niet hooger komen;

De rosse ruiters daav'ren rond

En springen in zijn zwarten mond

En dansen op zijn duister oog

En spannen hem een zilverboog

En roetsen voort en verder

Lijk kudden zonder herder....

De luchte leeft van perelsop,

Het klettert van heur speren op,

Ze klirren met heur sporen

Weerszijên van den toren

En steken hem in éénen klap

In grauw-geweven nonnekap.

En voort en voort geschuierd!

De molen moet gesluierd!

O zie dat kleene huisken staan!

Het krijgt een wollen buisken aan.

Hoor hoor dat druischen, drusten

Lijk opgebarsten fusten....

Hoessa! de appel ploft terneer:

Een bobbel bloed in 't regenmeer.

Hoessa! de peer scheurt van den tak:

Een klompe goud in 't parelvlak!

Hoessa! de noot is 't verste,

Zij tuimelt blankgebersten....

En immer immer holder aan;

Daar is geen tijd voor stille staan!

Ze donderen maar schots en schol

En plonderen de grachten vol,

Verdrinken kruid en zode

En rennen zich ten doode;

Ze zuigen in het taaie slik

En juichen er heur laatsten snik.

HET SMEULEND VUUR[*]

Ik min u, smeulend vuur,

ik min uw stille dichtheid,

waarin het sluim'rend licht leit

te wachten op zijn uur!

Ik min u in de morgen,

die in het Oosten staat

met aarzelend gelaat

en houdt haar gloed verborgen.

Ik min u in den avond,

die sterft in lang verbloeden,

met diepe en diep're gloeden

zijn duistren moorder lavend.

Ik min u in den zang,

die in zijn klare kracht

betóómt de zware pracht

van Hartstochts hoog verlang.

Ik min u in de kleuren,

beslagen van den gloed

die hen versmelten doet;

en 'k min u in de geuren,

die zweemen van een mond,

dat rood en vochtig ooft,

wanneer Zij om mijn hoofd

de schuchtere armen rondt....

Ik min u, smeulend vuur,

ik min uw donker branden,

dat achter bleeke wanden

waakt en wacht op zijn uur!

1910

[Voetnoot *: Voorzang tot den gelijknamigen cyclus.]

ZOMER-MORGEN IN DEN JARDIN DU

LUXEMBOURG (fragment)

"Hangt niet ons' Liefde door dien frisschen tuin?

Vonkelt zij niet in 't waai'rend water-waas,

dat sproeit het glanzend gras, en dóór dat gaas,

verstuivend in den wind, glijdt zij niet schuin

in ijle regenbogen en wuift op

en wiekt een lichtend-groene boomgrot binnen,

waar wazig-druiveblauwe duiven minnen?

Die rukken hunne snavels, dan vliegt op

't duikende duifje en klapwiekt blanker wiek

de doffer, 't klaar geblaârte slaand!... Zie, bloesems

vallen voor uwen voet! o, in ons' boezems

is 't schoon gebeure' een tint'lende muziek!

Ligt niet die Liefde als een zonne-damp

over 't smaragd gazon, waar zwart-fluweelen

merels de perels dauw het gras af stelen,

gloed en vocht vindend in dien weel'gen kamp?

Alle bosschages houden heerlijk wijd

hun blâren-volten in de lucht! beneden

ligt warmte-bevend om hun voet gegleden

een vloed van gloênde bloeme', o! teederheid!

En het geboomte steekt zijn kruinen in

elkanders kruin, dat duizend blaren strijken

elkaar, 'wijl op den wind de takken wijken

streelend dooreen in zwijmelende min ..."

1903

MEI-AVOND IN DEN JARDIN DU LUXEMBOURG

De meidoorns staan met hun beschroomde rood

zoo teeder

te blozen,

en d' avond, bleek van liefde en zedig bloot

koost weder

hun broze

en bruidelijke rood.

De mei-maand kwam, en alle kleuren minnen

den schemer

zoo zoel,

en uit der bloemen innig-teêrste binnen

daar zwemen

Zoo zwoel

de geuren tot de zinnen.

De rozen hangen open op de lucht,

aanhaal'ge

monden,

uit welker diepte 't zoet geheim verzucht

der zaal'ge

wonde

en zwijmelend genucht.

En gij, mijn Lief, gij glimlacht mij zoo lief

uw teêr-

-heid toe!

Maar onze erinn'ring krenkt die ééne grief

en zeer

en moe

laat ons die schaam'le dief.

Door dezen tuin van lust en schemer staren

den nacht

wij in

En in onze eenheid nochtans eenzaam, sparen

wij lach

en min

en garen ons den weemoed....

1904

DE REIS DOOR DEN NACHT

Ver was de reis door den nacht,

Den dicht-besneeuwden nacht,

De trein doortrok met donker gezang de winterlijke bergen

Nu, in den duisteren na-nacht,

Blind in de spelonk van het rijtuig,

Hooren we enkel het bellen-gerinkelvan 't neder-dravende span.

Gedoken in 't voort-ijlend hokje,

Zij, mijn Lief, en ik, en het kind,

Het in zoelen slaap verzonken kind in 'n witwollen doekje gewikkeld,

Hooren we enkel 't gerinkel der bellen

Over de ruischlooze wegen der nacht

In het zuidelijk bergland langs 't zuiver-wijd fluist'rende meer—

En het is als een heuglijke vlucht,


Back to IndexNext