Schelle najaarskelken bloeien wild en bont
Aan de zwarte steilten van den dood,
Of de laatste leefkracht door hun koop'ren mond
Op uitdagend zingen henenvlood.
Dit is heerlijk einden, dit is nedergaan
Zonder ijd'le klacht en zonder spijt
Op de donkre hobo's van den nachtorkaan
Tot den diepsten burcht der eeuwigheid.
II
De stormbruid ruit de bladers op
Tegen het oude woudgezag:
Beter in één roes te vergaan
Dan te verdruilen dag aan dag.
Hoor je dat ruischen, breed en frisch?
Hoor je dat golven, zwaar en groot?
Dat is de opstandigheid die luid
Aan de verstarring weerstand bood.
Wie nu niet tot de daad ontwaakt
Moet tot de pit verschimmeld zijn.
Daar is geen lust, geen droefenis
Te machtig voor dit hoog gedein.
Daar is geen enk'le ziel te zacht,
Daar is geen enk'le borst te broos;
Daar is maar één meesleepend lied
Van stormgeluk, al eindeloos.
En wat nog nooit gevlogen heeft
Schiet slank en snel de wolken in;
En wat nog nooit bewogen heeft
Rukt van zijn vastgeroeste pin.
En uit de vlakte en den vloed
En over zee en bergbazalt
Borrelt en breekt de bende baan
Die duisternis en nevel spalt.
Waarheen dit luisterrijke spel,
Waarheen dit weergaloos gewiel?
Tot d'opperste vollustigheid,
Tot de bestemming van de ziel;
Tot stillen hermelijnen nacht,
Volmaakt van lijn en tinteling,
Waar alles alles is gevuld
Van glanzende verzadiging.
III
O groote ruischelaar,
Snelwiekig wonder;
Hoe wordt de kranke dag
Zevenmaal gezonder
Als g'uit de wolken scheert,
Als g'aan de vlakte veert,
Als ge de golven keert
Over en onder.
O groote ruischelaar,
Breedvlerkig wezen,
Nauw staat de hemel vol
Regen gerezen,
Of met een schuddering
Van uw gezwaaiden zwing
Zwiept gij de zonnesching
Over de vreezen.
Wolkenrot, wintergod,
Waar werpt g'uw anker?
Zeeën zijn veel te klein,
Bergen te wankel.
't Sterrenheir stilt u niet,
Nachtdonker drilt u niet,
Maanvreê vermildt u niet,
Bandlooze zwanker!
Doch zijn uw wegen ook
Wild, woest en woedig,
Ergens in 't ongezien
Wordt ge vroom en vroedig.
Splijt u een sterker wil,
Siddert uw albedil,
Staat gij gebogen stil,
Eindloos ootmoedig.
IV
Hoezee! daar jaagt het heksenspan
Der dolle regenbenden an!
Ze dragen sneeuwen hoozen,
Een rok van waterrozen,
Een schel blazoen, een felle speer,
Aan ied're steek een raveveer....
Ze blikken op noch omme,
Lijk een bezeten dromme
Ze suizen over struik en blom
En slaan de bange boomen krom....
Berg weg, berg weg uw leven!
Het is haar àl om 't even.
En wilt ge niet, al goed, al goed,
Ze rijde' u schaat'rend onder heur voet!
De vaart schiet zwarte vlerken aan,
Wil uit zijn donker bed vandaan
En heft zich boven 't gele riet
En huilt zijn eigen zegelied
En werpt zijn brosse schuimen
Lijk uitgewaaide pluimen
En steigert aan den steilen wal
En slaat terug in boozen val
En dindert op in stroomen
En kan niet hooger komen;
De rosse ruiters daav'ren rond
En springen in zijn zwarten mond
En dansen op zijn duister oog
En spannen hem een zilverboog
En roetsen voort en verder
Lijk kudden zonder herder....
De luchte leeft van perelsop,
Het klettert van heur speren op,
Ze klirren met heur sporen
Weerszijên van den toren
En steken hem in éénen klap
In grauw-geweven nonnekap.
En voort en voort geschuierd!
De molen moet gesluierd!
O zie dat kleene huisken staan!
Het krijgt een wollen buisken aan.
Hoor hoor dat druischen, drusten
Lijk opgebarsten fusten....
Hoessa! de appel ploft terneer:
Een bobbel bloed in 't regenmeer.
Hoessa! de peer scheurt van den tak:
Een klompe goud in 't parelvlak!
Hoessa! de noot is 't verste,
Zij tuimelt blankgebersten....
En immer immer holder aan;
Daar is geen tijd voor stille staan!
Ze donderen maar schots en schol
En plonderen de grachten vol,
Verdrinken kruid en zode
En rennen zich ten doode;
Ze zuigen in het taaie slik
En juichen er heur laatsten snik.
HET SMEULEND VUUR[*]
Ik min u, smeulend vuur,
ik min uw stille dichtheid,
waarin het sluim'rend licht leit
te wachten op zijn uur!
Ik min u in de morgen,
die in het Oosten staat
met aarzelend gelaat
en houdt haar gloed verborgen.
Ik min u in den avond,
die sterft in lang verbloeden,
met diepe en diep're gloeden
zijn duistren moorder lavend.
Ik min u in den zang,
die in zijn klare kracht
betóómt de zware pracht
van Hartstochts hoog verlang.
Ik min u in de kleuren,
beslagen van den gloed
die hen versmelten doet;
en 'k min u in de geuren,
die zweemen van een mond,
dat rood en vochtig ooft,
wanneer Zij om mijn hoofd
de schuchtere armen rondt....
Ik min u, smeulend vuur,
ik min uw donker branden,
dat achter bleeke wanden
waakt en wacht op zijn uur!
1910
[Voetnoot *: Voorzang tot den gelijknamigen cyclus.]
ZOMER-MORGEN IN DEN JARDIN DU
LUXEMBOURG (fragment)
"Hangt niet ons' Liefde door dien frisschen tuin?
Vonkelt zij niet in 't waai'rend water-waas,
dat sproeit het glanzend gras, en dóór dat gaas,
verstuivend in den wind, glijdt zij niet schuin
in ijle regenbogen en wuift op
en wiekt een lichtend-groene boomgrot binnen,
waar wazig-druiveblauwe duiven minnen?
Die rukken hunne snavels, dan vliegt op
't duikende duifje en klapwiekt blanker wiek
de doffer, 't klaar geblaârte slaand!... Zie, bloesems
vallen voor uwen voet! o, in ons' boezems
is 't schoon gebeure' een tint'lende muziek!
Ligt niet die Liefde als een zonne-damp
over 't smaragd gazon, waar zwart-fluweelen
merels de perels dauw het gras af stelen,
gloed en vocht vindend in dien weel'gen kamp?
Alle bosschages houden heerlijk wijd
hun blâren-volten in de lucht! beneden
ligt warmte-bevend om hun voet gegleden
een vloed van gloênde bloeme', o! teederheid!
En het geboomte steekt zijn kruinen in
elkanders kruin, dat duizend blaren strijken
elkaar, 'wijl op den wind de takken wijken
streelend dooreen in zwijmelende min ..."
1903
MEI-AVOND IN DEN JARDIN DU LUXEMBOURG
De meidoorns staan met hun beschroomde rood
zoo teeder
te blozen,
en d' avond, bleek van liefde en zedig bloot
koost weder
hun broze
en bruidelijke rood.
De mei-maand kwam, en alle kleuren minnen
den schemer
zoo zoel,
en uit der bloemen innig-teêrste binnen
daar zwemen
Zoo zwoel
de geuren tot de zinnen.
De rozen hangen open op de lucht,
aanhaal'ge
monden,
uit welker diepte 't zoet geheim verzucht
der zaal'ge
wonde
en zwijmelend genucht.
En gij, mijn Lief, gij glimlacht mij zoo lief
uw teêr-
-heid toe!
Maar onze erinn'ring krenkt die ééne grief
en zeer
en moe
laat ons die schaam'le dief.
Door dezen tuin van lust en schemer staren
den nacht
wij in
En in onze eenheid nochtans eenzaam, sparen
wij lach
en min
en garen ons den weemoed....
1904
DE REIS DOOR DEN NACHT
Ver was de reis door den nacht,
Den dicht-besneeuwden nacht,
De trein doortrok met donker gezang de winterlijke bergen
Nu, in den duisteren na-nacht,
Blind in de spelonk van het rijtuig,
Hooren we enkel het bellen-gerinkelvan 't neder-dravende span.
Gedoken in 't voort-ijlend hokje,
Zij, mijn Lief, en ik, en het kind,
Het in zoelen slaap verzonken kind in 'n witwollen doekje gewikkeld,
Hooren we enkel 't gerinkel der bellen
Over de ruischlooze wegen der nacht
In het zuidelijk bergland langs 't zuiver-wijd fluist'rende meer—
En het is als een heuglijke vlucht,