VERZEN VAN MARGOT VOS

Spiegelt, wat elk beleeft, terug in 't Groote,

't Oneindig-diepe Al-wezen (achter 't schijnen

Van dit en dat en wéér wat, 't Uwe en 't mijne)

In 't Eeuwge Denken, waar, in durend stooten

Van Neen op Ja, van 't Kleine tegen 't Groote,

Onder steeds reddeloos geleden pijnen,

Waar zich vergaan in voelt het Teêre en Fijne,

Het Levensraadsel uit is opgeschoten?

Moet men getroost dus, weg van ál vergeefsche

Klachten om heel ons klein, persoonlijk Lijden,

't Al-eenig eeuwiglijk-bestaand goed-geefsche,

Het God-genoemd goed-nemende te al tijden

Machteloos eerend, verder in goed-leefsche

Koelheid het Goede doen, het Slechte mijden?

11. SHELLEY'S OORDEEL

Doch Shelley's stem zei, klinkend als het golven

Van wind door slank-getopte popel-takken:

"De aarde werd woonoord voor gespeende wolven,

"Die met hun jonge tanden alles pakken.

"Dra zullen dichters wonen in barakken,

"Waar, als zij daags hebben gespit, gedolven,

"Zij worden heengedreven door de kolven

"Van vunze Bolsjewistische Kozakken.

"'t Menschdom is als Natuur, waar allen strijden,

"Geroofd wordt eeuwig-door: 't gaat op en neder,

"Dees wint of die, maar 't is tot schâ voor beiden.

"O, vlieg, vriend, met mij mede, als lichte veder....

"Hierboven is het zalig, waar in wijden

"Kring alle blauwingen zich om ons breiden!"

12. SLOT

Toen lachte ik. "Meester, in die hooge streken,

"Waarheen mijn droomen ging in kinderjaren,

"Wanneer ik zat lange avonden te staren,

"Wijl alle sterren naar me, als oogen, keken....

"Voelikmij, die maar 'n aardling ben, een zware,

"Veel minder thuis dan Gij." Gelijk een bleeke

Straal van de maan, dien bladbeweeg kwam breken,

Was Shelley, als een waan, plots heengevaren....

"Illusie, gingt gij?" zei ik zacht. "Waar bleeft gij?

"Muziekvolle ademing uit beetre sferen,

"Die eenmaal 'n oogwenk hier op aard verkeeren

"Kwaamt, om te vlieden, óók te gauw toen ... streeft gij

"De oneindigheid der Ruimte dóór weer, om te ontmoeten

"'t Verbeelde Kernpunt van dees Chaos,datwij groeten ...?"

TER GEDACHTENIS AAN ALPHONS DIEPENBROCK

I

Ofschoon Gij ligt nu, wit als sneeuw, geloken

Die levende oogen, o, voor goed, en 't woord,

Het aardsche dat hier spreekt, niet wordt gehoord

Door wie als Gij, als élk eens, diep gedoken

In 't grondloos-Eéne-en-Eeuwige-ongebroken,

Leeft, maar met alles saam, onsterflijk voort ...

O, 'k roep U toe—Uw rust wordt niet gestoord—

En 'k roep dus, nógmaals, woorden wáár gesproken

Vóór 't Hooge en Onaanschouwbare Aangezicht

Van 't Eeuwge Zijn in 't allerdiepst des Levens:

Gij waart een Hooge, een Goede en Wijze tevens:

Diep in Uw Binnenst leefde Uw ziel in 't licht,

En wat in dat diepst Eigne zong als 't Levend-schoone

Schiept ge om in 't heerlijk-klagend juublen Uwer tonen.

II

't Allerdiepst Raadsel dezes Levens nam

Uw innigst In-zijn óp weer in zijn schoot,

Dat altijd, sinds het uit dat Eeuwge vloot,

Terug verlangde naar waar 't eens van kwam.

Wij andren dwalen verder, tot de vlam

Ook van òns Zijn vervaagt tot avondrood.

Wat is de mensch? Wat weenen we om zijn dood?

Want staan blijft steeds ons aller Moederstam,

De Menschheid, die staêg groeit en bloeit, en bladen

Na bladen vallen laat in 't kerkhof-zand,

Maar nieuwe komen weer aan allen kant.

De onpeilbre Kern des Zijns leeft, diep geladen,

En eindloos, door der eeuwigheden tal,

't Al-zijn zich wiegt zoo, stijgende na val.

III

Maar is er dan geen Troost? De Troost is deze:

Hij, die der Ruimte oneindigheid bespiedt,

Weet, dat heelallen daar vergaan en ziet

Een nieuw opvlamme' als men die taal kan lezen:

Maar éens komt toch 't ontzachlijk uur gerezen,

In der aeonen onbeperkt verschiet,

Dat alles saam vernevelt tot een Niet

En ná dien zal er

niets

meer,

niets

meer wezen....

Niets? Ja, toch Eén, het Eenge, wat bestaat,

Dat droomt, zichzelf genoeg en nooit vergaande,

Het Absolute, bóven Goed en Kwaad;

Diep in-zich weet het zich 't Alleen-Bestaande.

De wijsgeer noemde 't God, met kalme stem:

Wij voelen, weten, denken niets dan Hèm.

IV

Want uit Zijn Geest zijn we allen voortgekomen,

Glanzend of walmend voor een korten duur,

Als vonk of damp uit dat Ondoofbre Vuur,

Dat scheppend baart Zijn eigen Wezensdroomen.

Wij meenen dat wij zijn: wij voelen stroomen,

Door hersnen, aêren, als een levend vuur:

En tòch wij zijn slechts wanen van een uur,

En worden aan het eind weer opgenomen

In de eeuwig-ondoorgrondbre Bron des Zijns,

De Vlak-nabije en Onbereikbaar-verre,

Waar elk naar haakt in onbewust gepeins,

Wanneer hij ziet in mensche-ooge' of in sterren,

In stil vermoeden van iets Hoogs en Reins,

Van uit de schaûwen dezes aardschen Schijns.

V

Dit laatste woord, niet voor mijn binnenleven

Maar voor de wereld, jegens U van mij,

Op aarde hier. Want, wat ons nu nog schei,

't Gordijn des Levens, met een rustig beven

Zal

ik

ook eenmaal zien omhoog-geheven

En naar Uw beeltnis in der Eeuwgen rei

Staren, tot stil Uw wenk mij roept, waar zij,

Die 't diep-in meenden, eeuwig zullen leven.

Dan zal ons spreken zijn van 't stil-vermoede,

Dat woordloos door ons beiden werd gevoeld,

Het eindloos hoog-uit Klare, Zuivre en Goede,

Dat glanst, óók waar de wereld woedt en woelt....

Maar, mocht het eeuwig nacht zijn, waar Gij zijt,

Blijf, òns toch heilig, diep gebenedijd!

VI

Maar neen, mijn laatste woord mag zóó niet scheiden

Van U, die zwijgend ligt in stilte Uws hofs;

Eer dan iets koels hier, passen diep-geschreide

Tranen, ras wijkend voor iets stils en dofs,

Dat diep in 't hart met onweerbarstig lijden

Peinst, tot het òpvloeit in een zang des lofs;

Wij leven allen in den Droom der Tijden,

Dien 't Eeuwige ons boetseert uit schijn des stofs.

Wij zelf zijn droomen van een dag slechts, wetend

Zelfs niet het Diepere onzes eignen Zijns,

Zwevend op 't eeuwiglijk-onpeilbre, metend

Haarfijn àl lengten, breedten onzes schijns,

Maar voelen 't Eindelooze niet daarachter,

Dat zwoegend werken moet, in weene'? of lacht er?

VII

Alweêr een weifeling? Weg, weg ... wij voelen,

Omdat zij dieper dan ons denken gloeit

En, lichte bloem, omhoog naar 't zonlicht bloeit,

De zekerheid, (ondanks dien schijnbaar-koelen

Heelal-storm van ontstaan, die komt bespoelen

Ook 't aanzicht dezer aarde nooit vermoeid)

Dat, schoon de mensch zijn Aanzijn soms verfoeit,

Het Al-zijn schoon moet wezen van bedoelen.

Daarom zingt lof, al ziet gij schreiensrood

Om al de ellende dezer wereld tevens,

En laat ons kalm, in 't eind-uur onzes snevens

Omhoog zien, als we ons-zelf zien geestlijk bloot....

Hij maakt àl goed. De diepste Grond des Levens,

Voor wien wij schijnen zijn, is naamloos groot.

AAN DE ONBEKEND-BLIJVENDEN

God-dronkenen, die diep-in zingend leven

Altijd-maar-door, al zwijgt hun mond, die wonen

Sinds hun geboorte in 't onuitspreeklijk-schoone,

Waarin hun ziel stil droomt: hun zinnen streven

Naar altijd dieper-voelend schoon-ziend beven

Bij al wat aarde en hemelen hun toonen

Aan visioenen die hen heerlijk loonen

Voor àl des Levens pijnen, tot hun sneven.

O, mijne broeders al, gij, Onbekenden,

Die kwaamt en gingt, maar zonder ooit te spreken,

Daar gij verkoost met geen geluid te schenden

De heil'ge stilte van het diep-in leken

Der onder oogenrand gebleven tranen

Om mensch-verdwazing en der aarde wanen.

LENTELUST

Zoo in den zingenden hof

Met de merels en madelieven

Met het blijmoedige lof

En de harige honigdieven,

Zoo als een doeniet den dag

Uit den zondronken hemel te kijken,

Dwars door het feestlijk gevlag

Der bloeiende appelrijken,

Vind ik de zaligheid weer

Die de wereld verloren waande,

Ben ik bevrijd van begeer,

Houd ik den hemel staande

Op mijn gezuiverd bloed

Waarover de winden wimp'len,

Ben ik van blijdschap gevoed:

De simpelste onder de simp'len.

Boven mijn hoofd sluit de tijd

Zijn eeuwig-bloedende wonde,

Heft mij in 't zorgeloos krijt

Van de fluitende vagebonden,

Houdt mij van schoonheid omschuimd,

Van zil'vren zangen volzongen,

Stuwt de groot-golvige ruimt'

Aan 't klein eiland mijner longen.

Mijn wordt het gansch gewelf;

Daar is geen raadsel, geen wonder.

Ik ben de schepper zelf,

De wereld duikt in mij onder.

De dagen stijgen uit mij

Als hel-klapwiekende duiven,

De nachten komen in mij

Den zomersenen wierook wuiven.

Ik draag de wel en de wolk,

Ik draag de ster en de rozen,

Ik draag 't opstandig volk

Van winden en waterhoozen.

Aan mij de zachte borst

En de zwarte vlerken der eeuwen

Aan mij de levensdorst

En het eindloos stille sneeuwen.

Zoo is het evenwicht

Over mijn tweelingoogen,

Zoo is al last en licht

Even zwaar uitgewogen.

Zoo is er geest noch stof,

Wijsheid noch wereldweten,

Zoo in den zingenden hof

Ben ik van God vergeten.


Back to IndexNext