2282sconinx2284ende met sinen goude2291–3Ende liet in verholnen rade minenWive, miere vrouwe Harmelinen,Ende al van pointe te pointe seideW. las alleen den laatsten regel:Die hijt al v. p.Dat die verzen gebrekkig zijn springt in het oog, en zoo alsGrimmzegt (p. 280), »auch hier verrathen ungefüge worte und mangelhafter sinn den zusammenziehenden abschreiber.” Hij neemt aan, dat hier, even als in de omwerking, de das het verhaal eerst aan zijne eigene vrouw deed, die het wederom aan de vossin verried; hij stelt daarom als waarschijnlijk, dat die tirade aldus begon:Ende in verholnen radeSinen wive Slopecade.Daar intusschen vrouw Slupecade nergens in het oudere gedicht terugkeert, is het niet onmogelijk dat zij hier eerst door den omwerker zij ingevoegd, gelijk men ook uit vs.2296mag opmaken. Ik heb mij daarom bepaald tot die veranderingen die een verstaanbaren zin opleveren. Het enjambementminen.... wivekan geene zwarigheid maken, zie deinleiding § I. Misschien moet men ook lezen:Ende dien verholnen raet sinenminen wive, vrouwe Harmelinen,Wegens die konstruktie zie men412,1297,1316,1866,2655,2729,3186. De vergelijking van2325schijnt mede onze lezing te bevestigen.2302Ooc s. soet bi sulken l.Doch verg.Reineke2397. Moet men ook lezen:Ooc proefde soet bi lyctekinen?2303al, invoegsel van mij.2305stonden, l.stoet?2308Achter dit vers volgen in C. 30 regels die blijkbaar een inlapsel zijn. Het is de fabel die ook elders afzonderlijk voorkomt, b.v.Esopet, fab. XXV, bijClignettbl. 146. Het inlasschen van fabelen is geheel en al in strijd met den geest van het oude gedicht, en de gerekte vergelijking is in de omstandigheden waarin Reinaert zich bevindt geheel en al te onpas aangebracht. Deze wil ook in 't geheel niet werken op de »heren arme ende rike,” zoo als op het slot der interpolatie, maar alleen op het vorstelijk echtpaar. Dit reeds is genoegsaam om de inlassching uit te monsteren. Overigens loopt de zin veel geleidelijker door, als men die 30 verzen wegwerpt, gelijk ik heb gewaagd te doen. Dat de interpolatie intusschen oud is, leert de vergelijking met de lezing in denEsopet, terwijl ook de omwerker haar in zijn voorbeeld vond. Ik geef het uit den tekst weggeworpene hier naar de uitgave vanGrimm(GrW. 2305):Die pude wilen waren vriende ooc so beclaechden hem sidatsi waren sonder bedwanc:ende si maecten een ghemanc,ende so groot ghecrai up Gode,dat hi hem gave, bi sinen ghebodeenen coninc, diese dwonghe.Dies baden die oude entie jonghemet groten ghecraie, met groten ghelude.God ghehorede die pudetenen tide vanden jare,ende sende hem den coninc Odevare,diese verbeet ende verslantin allen landen, daer hise vant.Beide in water ende in velt,daer hise vant in sine ghewelt,hi dede hem emmer onghenade.Doe claechden si: het was te spade.Het was te spade, ic segghe u twi:Si die voren waren vri,sullen sonder wederkeersijn eighin bliven emmermeer,ende leven ewelike in varevanden coninc Odevare.Ghi heren, arme ende rike,ic vruchte ooc dies ghelike,dat nu van u soude ghevallen.Doe droeghic sorghe vor ons allen.Dus hebbic ghesorghet vor u:dies dancti mi lettel nu.Men lette nog op de herhaling in vs. 19, die geheel van de schrijfwijze van onzen dichter afwijkt, zoo ook vs. 2beclaechden hem si, dat niet overeenstemt metmerkedivs.2363(2387).2309Ic kenne; C.Brunen2312W.Dan2314C.Ic kennen so w. g.Grimmverbeterde:Ic kenne den coninc; maar ook hier wordt het imperf. geëischt.2320Noch theeren noch te vromen2321doghede, bij Gr.gedoghede, C.ende ghedoghede. Dit en het volg. vers in verkeerde volgorde.2322pijndicdoor W. uit de omwerking opgenomen. CGr.peinsdic2324Datso gescoort worde. De uitwerping vanDatsogebood de samenhang. Ingescoortis blijkbaar eeneckwalijk gelezen voort, zoo als meermalen. De invulling vanicgaf de omwerking aan de hand.2326enen dorper2331wel2336ghepeinse2337hoe ic dat2339die mijn vader hadde2341C.leide laghen; GrW.leide lage2342C.meneghe haghen; GrW.meneghe haghe2351W.enen st.2355C.yewer2357l. gheslopen?2358te sc., doch verg.2472.2359als ic hem2360W.Driven dat ic2361doeingevoegd door W.2363CGrW.sach ende merkedi2371mede gaen; Reineke 2265 heeft:lêt overgân2373mouden2374GrW.vroeden bouden, maar blijkbaar moet het hs. hebbenhouden. Verg.2344.2375meesterlike2383CGr.gheraecte doe; bij W.genaecte doe2386Aldaer vandic2389nie, dus C.; bij GrW.ie2391Ic en2392het tweedesonder, invoegsel van W.2400enen2416hem so quite2424m. coenen s.2426hulpen2427quame, dus C.; bij GrW.quam. Gr. veranderde hier, omdat in C. met dat vers eene nieuwe afdeeling begint, die echter blijkbaar met2421moet aanvangen, verg.Reinekevs. 2305.2431menechfoudeghe, doch verg.505,542,898.2434na hem redenuit de omwerking, in plaats van:hadden geleden2435daghen2436meneghen stonden2441C.Sheere, GrW.Sheren. Zie over de apocopeHuyd.opStoke, 2 D., bl. 150.2443catte2452danct2454hi soude2473leedden Reinaerde.Willemswerptteweg; doch verg.2673.2475wijsdemet C., GrW.wijste2477soudic u wisen2479uut2481C.Mine2483Allegader2485ghetrouwe, dus CGr. W. las willekeuriggehouwe.2488voor2489C.ghi mi2490C.Ende Bruun alle mine onsculde. GrW. lezen metReineke:Ende alle mine broke ende sculde; maar uit2493blijkt dat Bruun hier op zijne plaats is.2506C.argentieren; GrW.argertieren2512W.Ende dese v.2517belanct, doch zie de voorbeelden bijgebrachtHeim.bl. 369.2521Ne gh. u niet2524wancostbij W. is drukfout.2527Dat en d.2532die ere2533mijn2535eren2536groot2538wale jonne; maar dan behoorde het te zijnanne. Blijkbaar heeft de afschrijver den infinitivus verworpen om een schijnbaar zuiverder rijm te verkrijgen; doch zie Mnl. Vsb. bl. 113 en 168–9.2539trouwen2540vrouwen2550W.Hoe die coninc2552Reinaert spr.2561de waerheit2567no wijf2573GrW.die avonture.Diebracht Gr. in den tekst omdat men in C. gelezen hadhi avonture, waar echter welbizal staan, dat den natuurlijksten zin geeft.2574C.ghehidelt2575W.tes, CGr.es2577mijn2578weset, W.wetic, Gr.wetet, zoo als men meende in C. te lezen. Merkwaardig is de uitdrukkinggetrouwe wesen, voor het gewone ww.ghetrouwen, dat b.v.3365staat. Moet men ook lezen:Ne wilt ooc niemen so ghetrouwen? alsWal.8584? Verg. dan aldaar 2 D. bl. 207.2579W.sout laten2589in dene side; maar de beteek. zal toch wel zijn:aan kant,wegdoen. Zie daaroverWal.2 D. bl. 205.2592oocdoor mij ingevoegd uitReineke2468.2598Hoe dicken suldi2608CGr.wanen2617ja, ja2621die2633Dies maent hi u bi der trouwen(:vrouwen)2635De vijf tusschen teksthaken geplaatste verzen, gedeeltelijk uit de omwerking genomen, vervangen dit enkele, dat C. heeft:Ende die ic den coninc sculdich bem.Dat er hier iets ontbrak was duidelijk, en ook reeds doorGrimmaangewezen, bl. 283.2647ende menich coude2652die ries, doch zieGrimm, pag. CLX.2656was te voren eer2658last, dus W. naar de omwerking; CGr.past2660scone2662C.wee desen2663sone(Willems:tone),Rijn, waers te d.2665saken2671Ghene2672enen2680berke, C.burne, Gr.borne. De verbetering is vanWillems.2683ine2687ghi here waert2688het es also2689Willemswilde lezen:al eist mijn scame2693hem de provende niet ghenoegen2695Hi cl. van hongere ende k.; maar het rhythmus van het volgende vers leert datvan hongerehier niets dan een glosseem is.2697Doe hi kermede ende wart traech. Ik heb de voorkeur gegeven aan de lezing van de omwerking.2707eren.... vromen2712verwatenen; doch zie Mnl. Vsb., bl. 132–32718en20GrW.te banne2719sp. Reinaert nadat g. s.2721Reinaert lietic u2722Cuwaerde.... enen, dus CGr. bij W.een2726W.Daer gi2732jonne2733C.hi ende mi2735rede2739in sijn hof2743alleen bij W.coninghinnen2744Deze regel ontbreekt in het hs. en is van mijne vinding.Willemslaschte in:Die hi te recht wel mochte minnen, en in het volgende vers, achtermide woorden:sprac hi.2746L.met live?2755sinnen2757vele ghebeden vor hem2764waerven2770ghene2777W.Ende dan wille hi; CGr.Ende v. R. danen wille hi2780W.sonderliker, drukfout.2789alle2792Te Tic.2797tes coninx waert2798Tib. bleef sere2799Ende hi bleef2801sorgen so groot2803sine2804Die hi2809Reinaerde ie2810met groten gheninde2811voor2817Worden si2818verwoede2819dan men hem dede2821voerese, dus C. bij GrW.voerdese. CGrW.als2823binnen ere nacht2826De alinea begint eerst bij het volg. vers.2833Hadd.IIIIv. sc.2835salIIIIscoen2836coninghinnen2839IIII2840CGr.Helpt nu2843sine2848eren2852moetet2853des Gods2856Dinen2857Hets dijn n.2858wilre gherne mijn m.2859u wel ghem.2861Isengrijn dr.2863gheven twee soen2864u vaert mede2866dher2868beide sine2871W.hielt; C.leden2881Bachten van beide haren voeten2882wel soeten; doch verg.621,34132885lieve, invoegsel van W. uit de omw.2895al dat2900moete mi wr.2903neware, dus C.; bij GrW.te ware2911helpt.... ic2912vor de sonne2913sijn2917voeten2922vrouwen2923welis een invoegsel van mijne hand.2924Nu doet Reinaert g. u. cn.2926W.naesten, dat ik nimmer aantrof.2936wats dan2941daer af, invoegsel van mij.2942pen. daer af ontfaen2944hem wel2947W.geesterliker2949Jeghen bisscop ende jeghen den deken—CGr.dat ic u2954also2957beefde2958sine autare2964Reinaerts, CGr.sine2971tranen
2282sconinx
2284ende met sinen goude
2291–3Ende liet in verholnen rade minenWive, miere vrouwe Harmelinen,Ende al van pointe te pointe seideW. las alleen den laatsten regel:Die hijt al v. p.Dat die verzen gebrekkig zijn springt in het oog, en zoo alsGrimmzegt (p. 280), »auch hier verrathen ungefüge worte und mangelhafter sinn den zusammenziehenden abschreiber.” Hij neemt aan, dat hier, even als in de omwerking, de das het verhaal eerst aan zijne eigene vrouw deed, die het wederom aan de vossin verried; hij stelt daarom als waarschijnlijk, dat die tirade aldus begon:Ende in verholnen radeSinen wive Slopecade.Daar intusschen vrouw Slupecade nergens in het oudere gedicht terugkeert, is het niet onmogelijk dat zij hier eerst door den omwerker zij ingevoegd, gelijk men ook uit vs.2296mag opmaken. Ik heb mij daarom bepaald tot die veranderingen die een verstaanbaren zin opleveren. Het enjambementminen.... wivekan geene zwarigheid maken, zie deinleiding § I. Misschien moet men ook lezen:Ende dien verholnen raet sinenminen wive, vrouwe Harmelinen,Wegens die konstruktie zie men412,1297,1316,1866,2655,2729,3186. De vergelijking van2325schijnt mede onze lezing te bevestigen.
Ende liet in verholnen rade minenWive, miere vrouwe Harmelinen,Ende al van pointe te pointe seide
Ende liet in verholnen rade minenWive, miere vrouwe Harmelinen,Ende al van pointe te pointe seide
W. las alleen den laatsten regel:Die hijt al v. p.Dat die verzen gebrekkig zijn springt in het oog, en zoo alsGrimmzegt (p. 280), »auch hier verrathen ungefüge worte und mangelhafter sinn den zusammenziehenden abschreiber.” Hij neemt aan, dat hier, even als in de omwerking, de das het verhaal eerst aan zijne eigene vrouw deed, die het wederom aan de vossin verried; hij stelt daarom als waarschijnlijk, dat die tirade aldus begon:
Ende in verholnen radeSinen wive Slopecade.
Ende in verholnen radeSinen wive Slopecade.
Daar intusschen vrouw Slupecade nergens in het oudere gedicht terugkeert, is het niet onmogelijk dat zij hier eerst door den omwerker zij ingevoegd, gelijk men ook uit vs.2296mag opmaken. Ik heb mij daarom bepaald tot die veranderingen die een verstaanbaren zin opleveren. Het enjambementminen.... wivekan geene zwarigheid maken, zie deinleiding § I. Misschien moet men ook lezen:
Ende dien verholnen raet sinenminen wive, vrouwe Harmelinen,
Ende dien verholnen raet sinenminen wive, vrouwe Harmelinen,
Wegens die konstruktie zie men412,1297,1316,1866,2655,2729,3186. De vergelijking van2325schijnt mede onze lezing te bevestigen.
2302Ooc s. soet bi sulken l.Doch verg.Reineke2397. Moet men ook lezen:Ooc proefde soet bi lyctekinen?
2303al, invoegsel van mij.
2305stonden, l.stoet?
2308Achter dit vers volgen in C. 30 regels die blijkbaar een inlapsel zijn. Het is de fabel die ook elders afzonderlijk voorkomt, b.v.Esopet, fab. XXV, bijClignettbl. 146. Het inlasschen van fabelen is geheel en al in strijd met den geest van het oude gedicht, en de gerekte vergelijking is in de omstandigheden waarin Reinaert zich bevindt geheel en al te onpas aangebracht. Deze wil ook in 't geheel niet werken op de »heren arme ende rike,” zoo als op het slot der interpolatie, maar alleen op het vorstelijk echtpaar. Dit reeds is genoegsaam om de inlassching uit te monsteren. Overigens loopt de zin veel geleidelijker door, als men die 30 verzen wegwerpt, gelijk ik heb gewaagd te doen. Dat de interpolatie intusschen oud is, leert de vergelijking met de lezing in denEsopet, terwijl ook de omwerker haar in zijn voorbeeld vond. Ik geef het uit den tekst weggeworpene hier naar de uitgave vanGrimm(GrW. 2305):Die pude wilen waren vriende ooc so beclaechden hem sidatsi waren sonder bedwanc:ende si maecten een ghemanc,ende so groot ghecrai up Gode,dat hi hem gave, bi sinen ghebodeenen coninc, diese dwonghe.Dies baden die oude entie jonghemet groten ghecraie, met groten ghelude.God ghehorede die pudetenen tide vanden jare,ende sende hem den coninc Odevare,diese verbeet ende verslantin allen landen, daer hise vant.Beide in water ende in velt,daer hise vant in sine ghewelt,hi dede hem emmer onghenade.Doe claechden si: het was te spade.Het was te spade, ic segghe u twi:Si die voren waren vri,sullen sonder wederkeersijn eighin bliven emmermeer,ende leven ewelike in varevanden coninc Odevare.Ghi heren, arme ende rike,ic vruchte ooc dies ghelike,dat nu van u soude ghevallen.Doe droeghic sorghe vor ons allen.Dus hebbic ghesorghet vor u:dies dancti mi lettel nu.Men lette nog op de herhaling in vs. 19, die geheel van de schrijfwijze van onzen dichter afwijkt, zoo ook vs. 2beclaechden hem si, dat niet overeenstemt metmerkedivs.2363(2387).
Achter dit vers volgen in C. 30 regels die blijkbaar een inlapsel zijn. Het is de fabel die ook elders afzonderlijk voorkomt, b.v.Esopet, fab. XXV, bijClignettbl. 146. Het inlasschen van fabelen is geheel en al in strijd met den geest van het oude gedicht, en de gerekte vergelijking is in de omstandigheden waarin Reinaert zich bevindt geheel en al te onpas aangebracht. Deze wil ook in 't geheel niet werken op de »heren arme ende rike,” zoo als op het slot der interpolatie, maar alleen op het vorstelijk echtpaar. Dit reeds is genoegsaam om de inlassching uit te monsteren. Overigens loopt de zin veel geleidelijker door, als men die 30 verzen wegwerpt, gelijk ik heb gewaagd te doen. Dat de interpolatie intusschen oud is, leert de vergelijking met de lezing in denEsopet, terwijl ook de omwerker haar in zijn voorbeeld vond. Ik geef het uit den tekst weggeworpene hier naar de uitgave vanGrimm(GrW. 2305):
Die pude wilen waren vriende ooc so beclaechden hem sidatsi waren sonder bedwanc:ende si maecten een ghemanc,ende so groot ghecrai up Gode,dat hi hem gave, bi sinen ghebodeenen coninc, diese dwonghe.Dies baden die oude entie jonghemet groten ghecraie, met groten ghelude.God ghehorede die pudetenen tide vanden jare,ende sende hem den coninc Odevare,diese verbeet ende verslantin allen landen, daer hise vant.Beide in water ende in velt,daer hise vant in sine ghewelt,hi dede hem emmer onghenade.Doe claechden si: het was te spade.Het was te spade, ic segghe u twi:Si die voren waren vri,sullen sonder wederkeersijn eighin bliven emmermeer,ende leven ewelike in varevanden coninc Odevare.Ghi heren, arme ende rike,ic vruchte ooc dies ghelike,dat nu van u soude ghevallen.Doe droeghic sorghe vor ons allen.Dus hebbic ghesorghet vor u:dies dancti mi lettel nu.
Die pude wilen waren vriende ooc so beclaechden hem sidatsi waren sonder bedwanc:ende si maecten een ghemanc,ende so groot ghecrai up Gode,dat hi hem gave, bi sinen ghebodeenen coninc, diese dwonghe.Dies baden die oude entie jonghemet groten ghecraie, met groten ghelude.God ghehorede die pudetenen tide vanden jare,ende sende hem den coninc Odevare,diese verbeet ende verslantin allen landen, daer hise vant.Beide in water ende in velt,daer hise vant in sine ghewelt,hi dede hem emmer onghenade.Doe claechden si: het was te spade.Het was te spade, ic segghe u twi:Si die voren waren vri,sullen sonder wederkeersijn eighin bliven emmermeer,ende leven ewelike in varevanden coninc Odevare.Ghi heren, arme ende rike,ic vruchte ooc dies ghelike,dat nu van u soude ghevallen.Doe droeghic sorghe vor ons allen.Dus hebbic ghesorghet vor u:dies dancti mi lettel nu.
Men lette nog op de herhaling in vs. 19, die geheel van de schrijfwijze van onzen dichter afwijkt, zoo ook vs. 2beclaechden hem si, dat niet overeenstemt metmerkedivs.2363(2387).
2309Ic kenne; C.Brunen
2312W.Dan
2314C.Ic kennen so w. g.Grimmverbeterde:Ic kenne den coninc; maar ook hier wordt het imperf. geëischt.
2320Noch theeren noch te vromen
2321doghede, bij Gr.gedoghede, C.ende ghedoghede. Dit en het volg. vers in verkeerde volgorde.
2322pijndicdoor W. uit de omwerking opgenomen. CGr.peinsdic
2324Datso gescoort worde. De uitwerping vanDatsogebood de samenhang. Ingescoortis blijkbaar eeneckwalijk gelezen voort, zoo als meermalen. De invulling vanicgaf de omwerking aan de hand.
2326enen dorper
2331wel
2336ghepeinse
2337hoe ic dat
2339die mijn vader hadde
2341C.leide laghen; GrW.leide lage
2342C.meneghe haghen; GrW.meneghe haghe
2351W.enen st.
2355C.yewer
2357l. gheslopen?
2358te sc., doch verg.2472.
2359als ic hem
2360W.Driven dat ic
2361doeingevoegd door W.
2363CGrW.sach ende merkedi
2371mede gaen; Reineke 2265 heeft:lêt overgân
2373mouden
2374GrW.vroeden bouden, maar blijkbaar moet het hs. hebbenhouden. Verg.2344.
2375meesterlike
2383CGr.gheraecte doe; bij W.genaecte doe
2386Aldaer vandic
2389nie, dus C.; bij GrW.ie
2391Ic en
2392het tweedesonder, invoegsel van W.
2400enen
2416hem so quite
2424m. coenen s.
2426hulpen
2427quame, dus C.; bij GrW.quam. Gr. veranderde hier, omdat in C. met dat vers eene nieuwe afdeeling begint, die echter blijkbaar met2421moet aanvangen, verg.Reinekevs. 2305.
2431menechfoudeghe, doch verg.505,542,898.
2434na hem redenuit de omwerking, in plaats van:hadden geleden
2435daghen
2436meneghen stonden
2441C.Sheere, GrW.Sheren. Zie over de apocopeHuyd.opStoke, 2 D., bl. 150.
2443catte
2452danct
2454hi soude
2473leedden Reinaerde.Willemswerptteweg; doch verg.2673.
2475wijsdemet C., GrW.wijste
2477soudic u wisen
2479uut
2481C.Mine
2483Allegader
2485ghetrouwe, dus CGr. W. las willekeuriggehouwe.
2488voor
2489C.ghi mi
2490C.Ende Bruun alle mine onsculde. GrW. lezen metReineke:Ende alle mine broke ende sculde; maar uit2493blijkt dat Bruun hier op zijne plaats is.
2506C.argentieren; GrW.argertieren
2512W.Ende dese v.
2517belanct, doch zie de voorbeelden bijgebrachtHeim.bl. 369.
2521Ne gh. u niet
2524wancostbij W. is drukfout.
2527Dat en d.
2532die ere
2533mijn
2535eren
2536groot
2538wale jonne; maar dan behoorde het te zijnanne. Blijkbaar heeft de afschrijver den infinitivus verworpen om een schijnbaar zuiverder rijm te verkrijgen; doch zie Mnl. Vsb. bl. 113 en 168–9.
2539trouwen
2540vrouwen
2550W.Hoe die coninc
2552Reinaert spr.
2561de waerheit
2567no wijf
2573GrW.die avonture.Diebracht Gr. in den tekst omdat men in C. gelezen hadhi avonture, waar echter welbizal staan, dat den natuurlijksten zin geeft.
2574C.ghehidelt
2575W.tes, CGr.es
2577mijn
2578weset, W.wetic, Gr.wetet, zoo als men meende in C. te lezen. Merkwaardig is de uitdrukkinggetrouwe wesen, voor het gewone ww.ghetrouwen, dat b.v.3365staat. Moet men ook lezen:Ne wilt ooc niemen so ghetrouwen? alsWal.8584? Verg. dan aldaar 2 D. bl. 207.
2579W.sout laten
2589in dene side; maar de beteek. zal toch wel zijn:aan kant,wegdoen. Zie daaroverWal.2 D. bl. 205.
2592oocdoor mij ingevoegd uitReineke2468.
2598Hoe dicken suldi
2608CGr.wanen
2617ja, ja
2621die
2633Dies maent hi u bi der trouwen(:vrouwen)
2635De vijf tusschen teksthaken geplaatste verzen, gedeeltelijk uit de omwerking genomen, vervangen dit enkele, dat C. heeft:Ende die ic den coninc sculdich bem.Dat er hier iets ontbrak was duidelijk, en ook reeds doorGrimmaangewezen, bl. 283.
2647ende menich coude
2652die ries, doch zieGrimm, pag. CLX.
2656was te voren eer
2658last, dus W. naar de omwerking; CGr.past
2660scone
2662C.wee desen
2663sone(Willems:tone),Rijn, waers te d.
2665saken
2671Ghene
2672enen
2680berke, C.burne, Gr.borne. De verbetering is vanWillems.
2683ine
2687ghi here waert
2688het es also
2689Willemswilde lezen:al eist mijn scame
2693hem de provende niet ghenoegen
2695Hi cl. van hongere ende k.; maar het rhythmus van het volgende vers leert datvan hongerehier niets dan een glosseem is.
2697Doe hi kermede ende wart traech. Ik heb de voorkeur gegeven aan de lezing van de omwerking.
2707eren.... vromen
2712verwatenen; doch zie Mnl. Vsb., bl. 132–3
2718en20GrW.te banne
2719sp. Reinaert nadat g. s.
2721Reinaert lietic u
2722Cuwaerde.... enen, dus CGr. bij W.een
2726W.Daer gi
2732jonne
2733C.hi ende mi
2735rede
2739in sijn hof
2743alleen bij W.coninghinnen
2744Deze regel ontbreekt in het hs. en is van mijne vinding.Willemslaschte in:Die hi te recht wel mochte minnen, en in het volgende vers, achtermide woorden:sprac hi.
2746L.met live?
2755sinnen
2757vele ghebeden vor hem
2764waerven
2770ghene
2777W.Ende dan wille hi; CGr.Ende v. R. danen wille hi
2780W.sonderliker, drukfout.
2789alle
2792Te Tic.
2797tes coninx waert
2798Tib. bleef sere
2799Ende hi bleef
2801sorgen so groot
2803sine
2804Die hi
2809Reinaerde ie
2810met groten gheninde
2811voor
2817Worden si
2818verwoede
2819dan men hem dede
2821voerese, dus C. bij GrW.voerdese. CGrW.als
2823binnen ere nacht
2826De alinea begint eerst bij het volg. vers.
2833Hadd.IIIIv. sc.
2835salIIIIscoen
2836coninghinnen
2839IIII
2840CGr.Helpt nu
2843sine
2848eren
2852moetet
2853des Gods
2856Dinen
2857Hets dijn n.
2858wilre gherne mijn m.
2859u wel ghem.
2861Isengrijn dr.
2863gheven twee soen
2864u vaert mede
2866dher
2868beide sine
2871W.hielt; C.leden
2881Bachten van beide haren voeten
2882wel soeten; doch verg.621,3413
2885lieve, invoegsel van W. uit de omw.
2895al dat
2900moete mi wr.
2903neware, dus C.; bij GrW.te ware
2911helpt.... ic
2912vor de sonne
2913sijn
2917voeten
2922vrouwen
2923welis een invoegsel van mijne hand.
2924Nu doet Reinaert g. u. cn.
2926W.naesten, dat ik nimmer aantrof.
2936wats dan
2941daer af, invoegsel van mij.
2942pen. daer af ontfaen
2944hem wel
2947W.geesterliker
2949Jeghen bisscop ende jeghen den deken—CGr.dat ic u
2954also
2957beefde
2958sine autare
2964Reinaerts, CGr.sine
2971tranen