Chapter 9

Botsaerde, sconinx clerc:Dat was hi, die hantwercBet conste dan iemen die daer was.Botsaert plach emmer dat hi lasDie lettren, die te hove quamen.Grimmgist, dat »damit vielleicht auf einen Bochard von Avesnes gezielt wird, der um 1218 starb”(182).'t Is waar, Bouchard van Avesnes wasclerc, en in zijne jeugd beroemd om zijne geleerdheid(183), en toch is 't niet mogelijk dat hij bedoeld kan zijn; want niemand zijner vrienden zelfs wist dat hij te Orleans tot den geestelijken stand was overgegaan; en toen dit omstreeks 1214 bekend werd, had hij te veel roem als wereldlijk ridder verworven, en bleek hijeen te groot zondaar, daar hij den geestelijken stand ontloopen was, om nog als een wijze en geleerde klerk te worden voorgesteld.Bij het vermelden van Bouchards naam mocht iemand wellicht eenige overeenkomst vermoeden tusschen zijne geschiedenis en enkele trekken uit het laatste gedeelte van denReinaert; maar bij eenige oplettendheid zal die overeenkomst in rook verdwijnen.Bouchard had den geestelijken stand verzaakt, en was met de vlaamsche gravendochter gehuwd. PausINNOCENTIUSIII leî hem tot boete op een pelgrimstocht naar Jerusalem te doen, en de gravin weêr aan hare bloedverwanten terug te geven. Bouchard volbracht het eerste deel van dat bevel; maar toen hij zijne vrouw en twee zonen terugzag, zegt men dat hij uitriep, zich liever in stukken te laten houwen dan het offer te volbrengen. Door den paus in den ban gedaan, kwam hij later in handen der wereldlijke macht, en werd in 1218 te Rupelmonde onthoofd.Ook Reinaert geeft althans voor »in vollen seende” gebannen te zijn, vs.2718(2738) omdat hij Isengrijn geholpen had in het vaarwel zeggen van den geestelijken stand, bij zijne vlucht uit het klooster: daarom is hij »in spaeus ban,” vs.2700(2720), en hij wil naar Rome en »over see” om aflaat. Ook het terugzien van zijne vrouw en twee zonen schijnt hem van het opgevattevoornemen af te brengen, en hij besluit 's konings wraak te trotseren.Moet men niet erkennen, dat de overeenkomst tusschen het gedicht en de geschiedenis van Bouchard van Avennes hoogst gering is, waar de schijn van overeenkomst alleen geboren wordt als men alle karakteristieke bijzonderheden over het hoofd ziet? Ik voor mij aarzel geen oogenblik, alle toespeling op Bouchard van Avennes als hersenschimmig terug te wijzen, en als het meest waarschijnlijk aan te nemen, dat de vlaamscheReinaerttusschen de jaren 1180 en 1190 is ontstaan, gedurende de regering van Filips van den Elzas, aan wiens tijd de geheele toon van het stuk over het algemeen herinnert.Wil men volstrekt in den kapellaan Botsaert een historischen naam zien, dan vraag ik, of het niet de bisschop van Kamerijk van dien naam kan wezen, die tot op het jaar 1133 den bisschoppelijken zetel bekleedde, en herhaaldelijk in de diplomata bijMIRÆUSvoorkomt?Thans moeten wij nog kortelijk onderzoeken, of uit het gedicht zelf geene aanwijzing te putten is, waar het werd geschreven.Grimmwas reeds getroffen door de »ganz flandrische färbung”(184)die er de eigenaardigheid van uitmaakt; op zijne vraag, of de mnl. dichter »die schon in seinem original vorfand, oder aus einheimischer tradition der thiersage hineinbrachte”? hebben, zoo ik hoop, de voorgaande bladzijden het antwoord gegeven.Maar in welk gedeelte van Vlaanderen ontstond dat uitstekend kunstwerk?Snellaertzegt: »Geheel het gedicht, zoowel het eerste als het tweede boek, moet in West-Vlaenderen zyn opgesteld”(185). Met betrekkingtot het gedeelte dat ons hier bezig houdt, haalt hij ten bewijze van den west-vlaamschen tongval aan de woordeneeke,wulf,ghi dinctenvroet(186). Maar is die uitspraak alleen aan West-Vlaanderen eigen? Mij dunkt, de oude schrijvers beantwoorden die vraag ontkennend. Er is echter meer. Zou een West-Vlaming het tooneel van zijn gedicht zoo bij voorkeur in Oost-Vlaanderen gelegd hebben? Zou hij met zulke voorliefde van het »soete lant van Waes” (vs.2263) gesproken hebben? Hulsterloo, Absdal, Besele(187)liggen alle in dit »oostende van Vlaendren;” Hyfte, »thans geen dorp meer maer een gehucht by Desteldonk en Loochristy,” dat met Gent genoemd wordt, pleit evenzeer voor Oost- en niet voor West-Vlaanderen, zoowel als de abdij van Elmare, waar de wolf monnik zou worden. Is dit alles niet veel eer geschikt om de stelling aannemelijk te maken, dat ons gedicht op dien bodem is ontstaan?Wie de schrijver was, zal wel immer een geheim voor ons blijven, tenzij eenmaal deMadocwerd terug gevonden, waaruit ons misschien eenig licht over zijn persoon mocht opgaan. Thans weten wij alleen, dat hijWILLEMheette, vroeger nog een gedicht had vervaardigd, wellicht »vele boeke,” en dat hij denReinaertop verzoek eener hoofsche vrouwe heeft gedicht.Het is te betreuren, dat er niet meer licht over zijne persoonlijkheid kan worden verspreid, daar hij zeker de voortreffelijkste dichter mag genoemd worden, die hetgraafschap Vlaanderen heeft opgeleverd; een dichter, begaafd met eene scheppende fantazie, en toegerust met een smaak zoo als maar zelden in de middeneeuwen, althans op het gebied van onze letterkunde, gevonden wordt.(1)Reinhart Fuchs, p. CL en CLXIII.(2)ZieROTHE,Les Romans du Renard examinés, analysés et comparés, pag. 62 suiv.(3)I Dl., bl. 185–189. Verg. ook III Dl., bl. 584.(4)Geschiedenis der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, bl. 143.(5)T. a. p.bl. 148–149.(6)Ik reken hier de uitgave vanSNELLAERTniet eens meê, die slechts een herdruk van dien vanWILLEMSis.(7)Denkmäler altniederl. Sprache und Litteratur, I, XXIX.(8)R. F., pag. CLIV.(9)Denkmäler, I, XLII in verband met XXXIV.(10)Over de uitlatingen zie men dekollatie bij onzen tekst.Grimmneemt er ook achter2470(2494) eene aan (R. F., p. CLIV en 281), en werkelijk vindt men in de omwerking vier regels meer; maar het is niet waarschijnlijk dat zij ook in het ouder gedicht gestaan hebben, waar aan den zin niets ontbreekt.(11)R. F., bl. CXLIX.(12)R. F., bl. CLIV.(13)R. F., bl. CLIV: „Die vocalverhältnisse, womit es kaum eine mnl. hs. genau nimmt, habe ich nach grammatik und reimen festgesetzt.”(14)Reinaert de Vos, Voorbericht, bl. VIII.(15)Voorbericht, bl. VII.(16)Tweede uitgave, Nabericht, bl. 353.(17)„De drukfouten en verbeteringen, door W. aangegeven, zyn, op de behoorlyke plaetsen, de eenen geweerd, de anderen tusschen de noten ingevoegd. Hier en daer heb ik gemeend voor W. te moeten handelen namelyk.... op de vs.1123,1965,3078.” Zoo leest ment. a. pl.(Ik bepaal mij tot den tekst van het oudste gedeelte.) Maar ookSNELLAERTschijnt niet zonder overhaasting te werk gegaan te zijn, want de verbetering op vs.2091doorWILLEMSzelf aangegeven, „bockine, leeshoekine, dat isbokjens, en vergelykMEYER'SLeven van Jesus, bl.336,” is vergeten op te nemen in de nieuwe uitgave. Zoo had ik gewild dat ook verbeterd waren de volgende stootende drukfouten:1187leiden(beiden),1377vermerrende,1449en allen,1965dine[n] oge, om van andere minder in het oog vallende niet te spreken. Stilzwijgend heeftSNELLAERTnog verbeterd2252biinhi,2548wancostinwanconst; maar ook861DarinDaer, hetgeen blijkbaarDathad moeten zijn.(18)Reinaert, Inleiding, bl. XXXI.(19)Rechts Alterthümer, bl. 14 vlgg. Zie ookNOORDEWIER,Nederd. Regtsoudheden, bl. 4–5.(20)Daaruit zou men mogen opmaken dat ook in de volgende plaatsen werkelijk een regel is uitgevallen:1075wale, (....),tale,wale;1085daghe,saghe, (....),maghe;1161Reinaert, (....),vaert,Reinaert;1861Bruneel, (....),butseel,Rosseel; en dat het niet zijn „blykbaer drieregelige rymen, dergelyke men by onze ouden op meer plaetsen ontmoet,” zoo alsWILLEMSaannam in het voorbericht op denReinaert, bl. IX en ikzelf ook vroeger beaamde,Mnl. Versbouw, bl. 170.(21)Slechts op één punt ben ik daarvan afgeweken, namelijk in plaats van het pleonastische aanwijzend voornaamwoorddieachter het zelfstandig naamwoord, heb ik naar den mnl. regel het persoonlijke voornaamwoord gesteld, b.v.107Tibert die [hi] wart gram;1079sine herte die [soe] es;1914,1964,2628(2652),2732(2772),2795(2815),2999(3019),3093(3113),3352(3372). Zoo heeft het hs. naar den regel:1246hi was gheraect;1644si riepen.(22)R. F., pag. CLV.(23)Waar geen letter voor de lezing staat komt zij zoowel in het Comburgsche hs. (C) of bijGRÄTER, als in de uitgaven vanGRIMMenWILLEMSvoor. Gr. beteekent de uitgave vanGRIMM, W. die vanWILLEMS. Waar des laatsten voorletter ontbreekt is de verbetering reeds door hem aangebracht.(24)Reinaert, Inleiding, bl. XXVI–XXVIII.(25)Zie hetfacsimile, datKAUSLERmet de wellevendste bereidwilligheid voor mij deed vervaardigen.(26)C. heeft, gelijk wij zagen:die vele bouke maecte; maarKAUSLERzegt,Altniederl. Denkm., Th. I, s. XLII: „Die Wortevele boukesind von einer spätern Hand an die Stelle eines ausgekratzten Wortes gesetzt, das, wie deutlich zu erkennen ist, kürzer war als die Interpolation, weshalb auch der Raum für diese nicht ganz reichen wollte.” Men ziet dit ook duidelijk in onsfacsimile. Ik geef daarom in mijn tekst de voorkeur aan de lezing van den omwerker, waarvoor ook andere redenen pleiten; zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 189. In plaats van hetdie Madock maectevan den omwerker, heb ik gestelddie den Madoc maecte, nadat ik naauwkeurig op het handschrift had uitgemeten dat het enkele woordMadocde plaats van het uitgewischte niet aanvulde, die juist wordt ingenomen door de woordendēMadoc, in het schrift van den codex.(27)Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik herroep de geheele redenering die ik vroeger op den tekst vanGRIMMenWILLEMSbouwde,Gesch. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 191; gelijk ik alles terug neem wat daar over dit onderwerp staat, voor zoover het in strijd is met de rezultaten van mijn vernieuwd, dieper onderzoek, die ik in deze inleiding heb neêrgelegd.(28)Evenzoo heeft men een dubbel beginFloris ende Blanc.vs. 1 en 28; maar de eerste 34 verzen van dat gedicht zijn waarschijnlijk het werk van een afschrijver.(29)R. F., pag. CVIII.(30)Verg.ROTHE,Les Romans du Renard, pag. 63.(31)Inleiding, bl. XLVI.(32)Uitgegeven onder den titel:Sendschreiben anKARL LACHMANN,ueber Reinhart Fuchs, Leipzig 1840.(33)Inleiding, bl. XXXV.(34)Inleiding, bl. XXXV.(35)Bl. XXXIV. Vergelijk ook zijn Voorbericht, bl. VIII.(36)R. F., pag. CLI.(37)Inleiding, bl. XXXI.(38)Zie zijneGeschiedenis der Letterkunde in het graefschap Vlaenderen, bl. 147.(39)Verg. mijneGesch. der Mnl. Dichtk., III Dl., bl. 358–359, in verband met bl. 361–363.(40)Grimmheeft uit de beteekenis van den naam Reinaert (Raginohard), het vermoeden afgeleid, „dass die thierfabel vom fuchs und wolf den Franken bereits im 4. 5. 6. jh. bekannt war” (R. F., pag. CCXLII). Komt dit vermoeden niet te goede, dat reeds in de Salische wet de vossennaam als scheldwoord vermeld staat? In den XXX titel (bijMERKEL, pag. 17),de conviciis, heet het: „Si quis alterumvulpeclamaverit, 120 dinarios, qui faciunt solidos 3, culpabilis iudicetur.”(41)Zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., II Dl., bl. 61.(42)R. F., pag. CXCV–CXCVI.(43)BijCHABAILLE,Supplément au Roman du Renart, pag. 1; zie ookROTHE,Les Romans du Renard, pag. 150.(44)Faurieltrekt ook uit de aangehaalde regels het natuurlijk besluit, dat „on traitait en prose des parties du cycle poétique de Renart.”Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 941. Verg. ookGRIMM,R. F., pag. CXXXVIII.(45)R. F., pag. CXXI.(46)Les Romans du Renard, pag. 109–110.(47)Later, pag. 268–269 heet het nog sterker: „Il n'est guère douteux qu'il n'y ait eu des branches perdues entièrement et dont l'existence ne nous est révélée que par les allusions qui se trouvent dans ce que nous connaissons; il n'est guère douteux non plus que plusieurs des branches, ou des parties de quelques unes des branches duRoman de Renartne soient que des reproductions, des réminiscences de compositions analogues antérieures, négligées et perdues dès qu'elles ont été remplacées par les versions plus récentes. Quoique nous soyons dans l'impossibilité de préciser exactement la date d'aucune des branches, quelques indices nous font cependant regarder les unes comme plus anciennes que les autres, et certesil y en a un bon nombre qui remontent au douzième siècle.”(48)Hist. Litt., tom. XXII, pag. 906–907.(49)Faurielzegt er van,Hist. Litt., tom. XXII, pag. 891, dat het bevat: „des recherches qui n'ont laissé à désirer que ce qu'il était impossible de découvrir,...... une sagacité de critique qu'il est plus facile d'admirer que d'égaler.”(50)Grimmvolgt eene andere verdeeling: bij hem is de 20ebranche de 16e. Ik zal in het vervolg steeds de indeeling vanMÉONenROTHEvolgen en de nummers vanGRIMMer tusschen haakjes bijvoegen.(51)R. F., pag. CVIII.(52)Sendschreiben anKARL LACHMANN, pag. 64.(53)Les Romans du Renard, pag. 61.(54)Hist. Litt., tom. XXII, pag. 905.(55)Les Romans du Renard, pag. 260: „Parmi ces morceaux quelques uns se composent distinctement de deux parties, ce qui peut faire supposer qu'ils n'ont pas été faits d'un seul jet ni par un seul auteur, qu'une partie a pu être écrite antérieurement à l'autre, et que le dernier auteur n'a fait qu'une continuation, ou bien qu'il s'est borné à lier ensemble deux compositions antérieures.” Verg. ookGRIMMSR. F., pag. CL,in fine.(56)Hist. Litt., tom. XXII, pag. 940.(57)L. l., pag. 903.(58)Grimm,R. F., pag. CIX.(59)Grimmstelt,R. F., pag. CXL, het oude fransche origineel „bald nach der mitte des 12 jh.,” maar ik ben overtuigd dat het veeleer ouder is, zoo als ons ook later nog zal blijken.Grimmzelf stelt het Mhd. gedicht elders,R. F., pag. CCLV, iets ouder en wel „in das zweite, oder doch dritte viertel des 12 jh.”(60)Les Romans du Renard, pag. 70.(61)R. F., pag. CLI: „Wenigstens hat keins der jetzt erhaltenen franz. gedichte ansprüche darauf zu machen sein original zu sein.” En pag. CLVI zegt hij: „Willamschöpfte..... eingeständig aus franz. quelle, die uns untergegangen ist, selbst aber in der nähe des flämischen dichters, vielleicht in franz. Flandern und Artois entsprungen sein könnte.”(62)Reinaert, Inleiding, bl. XLII.(63)R. F., pag. CXXXIX.(64)R. F., pag. CXXXIX.(65)R. F., pag. CXLV.(66)R. F., pag. CXXVII.(67)Les Romans du Renard, pag. 261, cf. 173suiv.(68)Hist. Litter. de la France, tom. XXII, pag. 917.(69)Een paar regels later heet het ook dat „Tardif les chadele.” Men ziet dat de vaandeldrager de aanvoerder is. Dit moge een nieuw bewijs zijn voor mijne stelling voorgedragenGuillaume d'Orange, tom. II, pag. 23, noot 4.(70)Grimmnoemde dit reeds: „nachahmung der todten henne,”R. F., pag. CXXVII.(71)Verg.ROTHE, pag. 183.(72)R. F., pag. CXXVIII. Verg. ook pag. CXXXVIII.(73)Les Romans du Renard, pag. 179–180. Verg. ook pag. 183.(74)L. c., pag. 184.(75)De grondfout vanROTHEbestaat daarin, dat hij geen onderscheid maakt tusschen de twee deelen der 20e(16e) branche; vandaar, dat hij tot een geheel verkeerd rezultaat kwam, omdat hij een verkeerden maatstaf aanlegde bij zijne redenering.(76)Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 926.(77)Ziehier een paar staaltjes, die later nog met een sterksprekend zullen vermeerderd worden.Pag. 898 zegt hij van onzen oudsten Reinaert: „Cette rédaction.... ne paroît être que du XIVesiècle.... et elle ne peut guère avoir été fondée que sur des traditions orales venues d'ailleurs.”Pag. 899 heet het van den oudsten mhd. tekst vanGLICHESÆRE, doorGRIMMin zijnSendschreiben anLACHMANNuitgegeven: „Si ce fragment appartient à l'ouvrage perdu deGLICHESÆRE, ou à quelque autre, c'est un point que l'éditeur laisse dans l'incertitude(!!). Il ne dit rien non plus de l'époque où l'on peut en supposer la rédaction(!!).”Wellicht was hij in de war gebracht door de noot op pag. 61 vanROTHESwerk, maar dat hij hetSendschreibenzelf gelezen had durf ik stellig ontkennen.Hij geeft dikwerfROTHESopmerkingen als zijne eigene beschouwingen. Zoo b.v. doet hij pag. 943 zien, dat het paard niet als handelende persoon in de gedichten over Renart voorkomt, omdat de andere dieren in den regel te paard rijden. Hetzelfde hadROTHEreeds gezegd, pag. 266.Over denCouronnementhandelende, doet hij pag. 936 zien, dat slechts eene verkeerde opvatting dit werk aanMARIE DE FRANCEtoeschrijft, maarROTHEhad dit reeds duidelijk gemaakt, pag. 348.Dat de graaf van Vlaanderen, ter eere van wien deCouronnementwerd geschreven,WILLEM VAN DAMPIERREis geweest, lijdt geen twijfel, en ook dit hadROTHEaangetoond vóórFAURIEL; maar als de laatste zegt, pag. 936, dat op het punt van zijn dood in een steekspel, de dichter „nous en apprend quelque chose de plus que l'histoire,” dan heeft hij zijn voorganger niet goed ingezien, die pag. 340 de plaatsen der historici aanhaalt, waar van zijn ongelukkigen dood in een tornooi wordt gewaagd. Hetzelfde had hij kunnen vinden inWARNKŒNIGSHist. de la Flandre, tom. I, pag. 252. En reeds de Vlaamsche Kronijk doorKAUSLERuitgegeven, zegt vs. 5845:Dese Willem was vul der edelheden,Ende bleeft antierende twapenspel;Maer harde curt het hem mesvel:Want te Trengis in den tornoyWaert doot ghedroomt die rudder moy,Dies menich adde zwaer verdriet,Dat hi dus vander weerelt sciet.(78)Les Romans du Renard, pag. 183.(79)Grimmzegt,R. F., pag. CXXVIII: „Diese ganze branche von dem gelben fuchs und der gestörten hochzeit scheint mir uralt.”(80)Les Romans du Renard, pag. 182, note.(81)R. F., pag. CXXI.Grimmsonderscheiding rust hoofdzakelijk op de opmerking, dat in het eerste gedeelte vos en wolf als oom en neef voorkomen: in het tweede heeten zij elkander „compère.” Ik voeg er bij, dat 353–4 Renart Isengrins hol niet kent, terwijl hij 241–336 herhaaldelijk des wolfs woning bezocht had.(82)ZieGRIMM,R. F., pag. CXXI.(83)Les Romans du Renard, pag. 297, note 1; cf. pag. 284, note 4.(84)Ook nog in eene jongere branche komt deze titel voor, vs. 13939.(85)ZieGRIMM,R. F., pag. CLVIII,in fine.(86)BijMÉONstaatli ors, dat klinkklare onzin is.(87)Les Romans du Renard, pag. 174–175.(88)R. F., pag. CXXVI.(89)In een enkel handschrift is ook de 19enog door eenige overgangsregels aan de 18everbonden, zieROTHE, pag. 285, note 1.(90)Reinaert, Inleiding, bl. XLII–XLIII.(91)De overeenkomst is niet geheel letterlijk, maar 't schijnt ontwijfelbaar dat de afschrijver hier knoeide, zoo als de rijmen en onze varianten uitwijzen.(92)Zoo b.v. ookGarin, II, pag. 26:Plévissez-moi, li Allemans Oris,Et vous Girarsetc.Pag. 69:Venez avant, li fis au duc Hervin,Tenez ma nièce.(93)Grimm,R. F., pag. CXLI.(94)Boven,bl. LIII–LXI.(95)Dezelfde eigenaardigheid treft men aan in de branches 20a-ben 21–22; niet in 19.Hetzelfde verschijnsel heeft ookALF. ROCHATopgemerkt in denPerchevalvanCHRESTIENS DE TROIES; zie zijn boek getiteld:Ueber einen bisher unbekannten Percheval li Galois, pag. 179.(96)Rothe,les Romans du Renard, zegt pag. 184: „Plusieurs considérations portent à faire regarder la vingtième branche comme la principale de toutes les rapsodies sur le sujet du Renard, comme le noyau du cycle, pour ainsi dire.”(97)Men lette op vers648, waar het heet:so men mi seide.(98)Wellicht is echter dit en het voorgaande vers een inschuifsel.(99)Les Romans du Renard, pag. 176.(100)R. F., pag. CLII.(101)L. l. Zie ookWILLEMS,Reinaert, bl. 90, in de noot op vs. 2247.(102)Zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I D., bl. 139.

Botsaerde, sconinx clerc:Dat was hi, die hantwercBet conste dan iemen die daer was.Botsaert plach emmer dat hi lasDie lettren, die te hove quamen.

Botsaerde, sconinx clerc:Dat was hi, die hantwercBet conste dan iemen die daer was.Botsaert plach emmer dat hi lasDie lettren, die te hove quamen.

Grimmgist, dat »damit vielleicht auf einen Bochard von Avesnes gezielt wird, der um 1218 starb”(182).

't Is waar, Bouchard van Avesnes wasclerc, en in zijne jeugd beroemd om zijne geleerdheid(183), en toch is 't niet mogelijk dat hij bedoeld kan zijn; want niemand zijner vrienden zelfs wist dat hij te Orleans tot den geestelijken stand was overgegaan; en toen dit omstreeks 1214 bekend werd, had hij te veel roem als wereldlijk ridder verworven, en bleek hijeen te groot zondaar, daar hij den geestelijken stand ontloopen was, om nog als een wijze en geleerde klerk te worden voorgesteld.

Bij het vermelden van Bouchards naam mocht iemand wellicht eenige overeenkomst vermoeden tusschen zijne geschiedenis en enkele trekken uit het laatste gedeelte van denReinaert; maar bij eenige oplettendheid zal die overeenkomst in rook verdwijnen.

Bouchard had den geestelijken stand verzaakt, en was met de vlaamsche gravendochter gehuwd. PausINNOCENTIUSIII leî hem tot boete op een pelgrimstocht naar Jerusalem te doen, en de gravin weêr aan hare bloedverwanten terug te geven. Bouchard volbracht het eerste deel van dat bevel; maar toen hij zijne vrouw en twee zonen terugzag, zegt men dat hij uitriep, zich liever in stukken te laten houwen dan het offer te volbrengen. Door den paus in den ban gedaan, kwam hij later in handen der wereldlijke macht, en werd in 1218 te Rupelmonde onthoofd.

Ook Reinaert geeft althans voor »in vollen seende” gebannen te zijn, vs.2718(2738) omdat hij Isengrijn geholpen had in het vaarwel zeggen van den geestelijken stand, bij zijne vlucht uit het klooster: daarom is hij »in spaeus ban,” vs.2700(2720), en hij wil naar Rome en »over see” om aflaat. Ook het terugzien van zijne vrouw en twee zonen schijnt hem van het opgevattevoornemen af te brengen, en hij besluit 's konings wraak te trotseren.

Moet men niet erkennen, dat de overeenkomst tusschen het gedicht en de geschiedenis van Bouchard van Avennes hoogst gering is, waar de schijn van overeenkomst alleen geboren wordt als men alle karakteristieke bijzonderheden over het hoofd ziet? Ik voor mij aarzel geen oogenblik, alle toespeling op Bouchard van Avennes als hersenschimmig terug te wijzen, en als het meest waarschijnlijk aan te nemen, dat de vlaamscheReinaerttusschen de jaren 1180 en 1190 is ontstaan, gedurende de regering van Filips van den Elzas, aan wiens tijd de geheele toon van het stuk over het algemeen herinnert.

Wil men volstrekt in den kapellaan Botsaert een historischen naam zien, dan vraag ik, of het niet de bisschop van Kamerijk van dien naam kan wezen, die tot op het jaar 1133 den bisschoppelijken zetel bekleedde, en herhaaldelijk in de diplomata bijMIRÆUSvoorkomt?

Thans moeten wij nog kortelijk onderzoeken, of uit het gedicht zelf geene aanwijzing te putten is, waar het werd geschreven.Grimmwas reeds getroffen door de »ganz flandrische färbung”(184)die er de eigenaardigheid van uitmaakt; op zijne vraag, of de mnl. dichter »die schon in seinem original vorfand, oder aus einheimischer tradition der thiersage hineinbrachte”? hebben, zoo ik hoop, de voorgaande bladzijden het antwoord gegeven.

Maar in welk gedeelte van Vlaanderen ontstond dat uitstekend kunstwerk?Snellaertzegt: »Geheel het gedicht, zoowel het eerste als het tweede boek, moet in West-Vlaenderen zyn opgesteld”(185). Met betrekkingtot het gedeelte dat ons hier bezig houdt, haalt hij ten bewijze van den west-vlaamschen tongval aan de woordeneeke,wulf,ghi dinctenvroet(186). Maar is die uitspraak alleen aan West-Vlaanderen eigen? Mij dunkt, de oude schrijvers beantwoorden die vraag ontkennend. Er is echter meer. Zou een West-Vlaming het tooneel van zijn gedicht zoo bij voorkeur in Oost-Vlaanderen gelegd hebben? Zou hij met zulke voorliefde van het »soete lant van Waes” (vs.2263) gesproken hebben? Hulsterloo, Absdal, Besele(187)liggen alle in dit »oostende van Vlaendren;” Hyfte, »thans geen dorp meer maer een gehucht by Desteldonk en Loochristy,” dat met Gent genoemd wordt, pleit evenzeer voor Oost- en niet voor West-Vlaanderen, zoowel als de abdij van Elmare, waar de wolf monnik zou worden. Is dit alles niet veel eer geschikt om de stelling aannemelijk te maken, dat ons gedicht op dien bodem is ontstaan?

Wie de schrijver was, zal wel immer een geheim voor ons blijven, tenzij eenmaal deMadocwerd terug gevonden, waaruit ons misschien eenig licht over zijn persoon mocht opgaan. Thans weten wij alleen, dat hijWILLEMheette, vroeger nog een gedicht had vervaardigd, wellicht »vele boeke,” en dat hij denReinaertop verzoek eener hoofsche vrouwe heeft gedicht.

Het is te betreuren, dat er niet meer licht over zijne persoonlijkheid kan worden verspreid, daar hij zeker de voortreffelijkste dichter mag genoemd worden, die hetgraafschap Vlaanderen heeft opgeleverd; een dichter, begaafd met eene scheppende fantazie, en toegerust met een smaak zoo als maar zelden in de middeneeuwen, althans op het gebied van onze letterkunde, gevonden wordt.

(1)Reinhart Fuchs, p. CL en CLXIII.

(2)ZieROTHE,Les Romans du Renard examinés, analysés et comparés, pag. 62 suiv.

(3)I Dl., bl. 185–189. Verg. ook III Dl., bl. 584.

(4)Geschiedenis der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, bl. 143.

(5)T. a. p.bl. 148–149.

(6)Ik reken hier de uitgave vanSNELLAERTniet eens meê, die slechts een herdruk van dien vanWILLEMSis.

(7)Denkmäler altniederl. Sprache und Litteratur, I, XXIX.

(8)R. F., pag. CLIV.

(9)Denkmäler, I, XLII in verband met XXXIV.

(10)Over de uitlatingen zie men dekollatie bij onzen tekst.Grimmneemt er ook achter2470(2494) eene aan (R. F., p. CLIV en 281), en werkelijk vindt men in de omwerking vier regels meer; maar het is niet waarschijnlijk dat zij ook in het ouder gedicht gestaan hebben, waar aan den zin niets ontbreekt.

(11)R. F., bl. CXLIX.

(12)R. F., bl. CLIV.

(13)R. F., bl. CLIV: „Die vocalverhältnisse, womit es kaum eine mnl. hs. genau nimmt, habe ich nach grammatik und reimen festgesetzt.”

(14)Reinaert de Vos, Voorbericht, bl. VIII.

(15)Voorbericht, bl. VII.

(16)Tweede uitgave, Nabericht, bl. 353.

(17)„De drukfouten en verbeteringen, door W. aangegeven, zyn, op de behoorlyke plaetsen, de eenen geweerd, de anderen tusschen de noten ingevoegd. Hier en daer heb ik gemeend voor W. te moeten handelen namelyk.... op de vs.1123,1965,3078.” Zoo leest ment. a. pl.(Ik bepaal mij tot den tekst van het oudste gedeelte.) Maar ookSNELLAERTschijnt niet zonder overhaasting te werk gegaan te zijn, want de verbetering op vs.2091doorWILLEMSzelf aangegeven, „bockine, leeshoekine, dat isbokjens, en vergelykMEYER'SLeven van Jesus, bl.336,” is vergeten op te nemen in de nieuwe uitgave. Zoo had ik gewild dat ook verbeterd waren de volgende stootende drukfouten:1187leiden(beiden),1377vermerrende,1449en allen,1965dine[n] oge, om van andere minder in het oog vallende niet te spreken. Stilzwijgend heeftSNELLAERTnog verbeterd2252biinhi,2548wancostinwanconst; maar ook861DarinDaer, hetgeen blijkbaarDathad moeten zijn.

(18)Reinaert, Inleiding, bl. XXXI.

(19)Rechts Alterthümer, bl. 14 vlgg. Zie ookNOORDEWIER,Nederd. Regtsoudheden, bl. 4–5.

(20)Daaruit zou men mogen opmaken dat ook in de volgende plaatsen werkelijk een regel is uitgevallen:1075wale, (....),tale,wale;1085daghe,saghe, (....),maghe;1161Reinaert, (....),vaert,Reinaert;1861Bruneel, (....),butseel,Rosseel; en dat het niet zijn „blykbaer drieregelige rymen, dergelyke men by onze ouden op meer plaetsen ontmoet,” zoo alsWILLEMSaannam in het voorbericht op denReinaert, bl. IX en ikzelf ook vroeger beaamde,Mnl. Versbouw, bl. 170.

(21)Slechts op één punt ben ik daarvan afgeweken, namelijk in plaats van het pleonastische aanwijzend voornaamwoorddieachter het zelfstandig naamwoord, heb ik naar den mnl. regel het persoonlijke voornaamwoord gesteld, b.v.107Tibert die [hi] wart gram;1079sine herte die [soe] es;1914,1964,2628(2652),2732(2772),2795(2815),2999(3019),3093(3113),3352(3372). Zoo heeft het hs. naar den regel:1246hi was gheraect;1644si riepen.

(22)R. F., pag. CLV.

(23)Waar geen letter voor de lezing staat komt zij zoowel in het Comburgsche hs. (C) of bijGRÄTER, als in de uitgaven vanGRIMMenWILLEMSvoor. Gr. beteekent de uitgave vanGRIMM, W. die vanWILLEMS. Waar des laatsten voorletter ontbreekt is de verbetering reeds door hem aangebracht.

(24)Reinaert, Inleiding, bl. XXVI–XXVIII.

(25)Zie hetfacsimile, datKAUSLERmet de wellevendste bereidwilligheid voor mij deed vervaardigen.

(26)C. heeft, gelijk wij zagen:die vele bouke maecte; maarKAUSLERzegt,Altniederl. Denkm., Th. I, s. XLII: „Die Wortevele boukesind von einer spätern Hand an die Stelle eines ausgekratzten Wortes gesetzt, das, wie deutlich zu erkennen ist, kürzer war als die Interpolation, weshalb auch der Raum für diese nicht ganz reichen wollte.” Men ziet dit ook duidelijk in onsfacsimile. Ik geef daarom in mijn tekst de voorkeur aan de lezing van den omwerker, waarvoor ook andere redenen pleiten; zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 189. In plaats van hetdie Madock maectevan den omwerker, heb ik gestelddie den Madoc maecte, nadat ik naauwkeurig op het handschrift had uitgemeten dat het enkele woordMadocde plaats van het uitgewischte niet aanvulde, die juist wordt ingenomen door de woordendēMadoc, in het schrift van den codex.

(27)Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik herroep de geheele redenering die ik vroeger op den tekst vanGRIMMenWILLEMSbouwde,Gesch. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 191; gelijk ik alles terug neem wat daar over dit onderwerp staat, voor zoover het in strijd is met de rezultaten van mijn vernieuwd, dieper onderzoek, die ik in deze inleiding heb neêrgelegd.

(28)Evenzoo heeft men een dubbel beginFloris ende Blanc.vs. 1 en 28; maar de eerste 34 verzen van dat gedicht zijn waarschijnlijk het werk van een afschrijver.

(29)R. F., pag. CVIII.

(30)Verg.ROTHE,Les Romans du Renard, pag. 63.

(31)Inleiding, bl. XLVI.

(32)Uitgegeven onder den titel:Sendschreiben anKARL LACHMANN,ueber Reinhart Fuchs, Leipzig 1840.

(33)Inleiding, bl. XXXV.

(34)Inleiding, bl. XXXV.

(35)Bl. XXXIV. Vergelijk ook zijn Voorbericht, bl. VIII.

(36)R. F., pag. CLI.

(37)Inleiding, bl. XXXI.

(38)Zie zijneGeschiedenis der Letterkunde in het graefschap Vlaenderen, bl. 147.

(39)Verg. mijneGesch. der Mnl. Dichtk., III Dl., bl. 358–359, in verband met bl. 361–363.

(40)Grimmheeft uit de beteekenis van den naam Reinaert (Raginohard), het vermoeden afgeleid, „dass die thierfabel vom fuchs und wolf den Franken bereits im 4. 5. 6. jh. bekannt war” (R. F., pag. CCXLII). Komt dit vermoeden niet te goede, dat reeds in de Salische wet de vossennaam als scheldwoord vermeld staat? In den XXX titel (bijMERKEL, pag. 17),de conviciis, heet het: „Si quis alterumvulpeclamaverit, 120 dinarios, qui faciunt solidos 3, culpabilis iudicetur.”

(41)Zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., II Dl., bl. 61.

(42)R. F., pag. CXCV–CXCVI.

(43)BijCHABAILLE,Supplément au Roman du Renart, pag. 1; zie ookROTHE,Les Romans du Renard, pag. 150.

(44)Faurieltrekt ook uit de aangehaalde regels het natuurlijk besluit, dat „on traitait en prose des parties du cycle poétique de Renart.”Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 941. Verg. ookGRIMM,R. F., pag. CXXXVIII.

(45)R. F., pag. CXXI.

(46)Les Romans du Renard, pag. 109–110.

(47)Later, pag. 268–269 heet het nog sterker: „Il n'est guère douteux qu'il n'y ait eu des branches perdues entièrement et dont l'existence ne nous est révélée que par les allusions qui se trouvent dans ce que nous connaissons; il n'est guère douteux non plus que plusieurs des branches, ou des parties de quelques unes des branches duRoman de Renartne soient que des reproductions, des réminiscences de compositions analogues antérieures, négligées et perdues dès qu'elles ont été remplacées par les versions plus récentes. Quoique nous soyons dans l'impossibilité de préciser exactement la date d'aucune des branches, quelques indices nous font cependant regarder les unes comme plus anciennes que les autres, et certesil y en a un bon nombre qui remontent au douzième siècle.”

(48)Hist. Litt., tom. XXII, pag. 906–907.

(49)Faurielzegt er van,Hist. Litt., tom. XXII, pag. 891, dat het bevat: „des recherches qui n'ont laissé à désirer que ce qu'il était impossible de découvrir,...... une sagacité de critique qu'il est plus facile d'admirer que d'égaler.”

(50)Grimmvolgt eene andere verdeeling: bij hem is de 20ebranche de 16e. Ik zal in het vervolg steeds de indeeling vanMÉONenROTHEvolgen en de nummers vanGRIMMer tusschen haakjes bijvoegen.

(51)R. F., pag. CVIII.

(52)Sendschreiben anKARL LACHMANN, pag. 64.

(53)Les Romans du Renard, pag. 61.

(54)Hist. Litt., tom. XXII, pag. 905.

(55)Les Romans du Renard, pag. 260: „Parmi ces morceaux quelques uns se composent distinctement de deux parties, ce qui peut faire supposer qu'ils n'ont pas été faits d'un seul jet ni par un seul auteur, qu'une partie a pu être écrite antérieurement à l'autre, et que le dernier auteur n'a fait qu'une continuation, ou bien qu'il s'est borné à lier ensemble deux compositions antérieures.” Verg. ookGRIMMSR. F., pag. CL,in fine.

(56)Hist. Litt., tom. XXII, pag. 940.

(57)L. l., pag. 903.

(58)Grimm,R. F., pag. CIX.

(59)Grimmstelt,R. F., pag. CXL, het oude fransche origineel „bald nach der mitte des 12 jh.,” maar ik ben overtuigd dat het veeleer ouder is, zoo als ons ook later nog zal blijken.Grimmzelf stelt het Mhd. gedicht elders,R. F., pag. CCLV, iets ouder en wel „in das zweite, oder doch dritte viertel des 12 jh.”

(60)Les Romans du Renard, pag. 70.

(61)R. F., pag. CLI: „Wenigstens hat keins der jetzt erhaltenen franz. gedichte ansprüche darauf zu machen sein original zu sein.” En pag. CLVI zegt hij: „Willamschöpfte..... eingeständig aus franz. quelle, die uns untergegangen ist, selbst aber in der nähe des flämischen dichters, vielleicht in franz. Flandern und Artois entsprungen sein könnte.”

(62)Reinaert, Inleiding, bl. XLII.

(63)R. F., pag. CXXXIX.

(64)R. F., pag. CXXXIX.

(65)R. F., pag. CXLV.

(66)R. F., pag. CXXVII.

(67)Les Romans du Renard, pag. 261, cf. 173suiv.

(68)Hist. Litter. de la France, tom. XXII, pag. 917.

(69)Een paar regels later heet het ook dat „Tardif les chadele.” Men ziet dat de vaandeldrager de aanvoerder is. Dit moge een nieuw bewijs zijn voor mijne stelling voorgedragenGuillaume d'Orange, tom. II, pag. 23, noot 4.

(70)Grimmnoemde dit reeds: „nachahmung der todten henne,”R. F., pag. CXXVII.

(71)Verg.ROTHE, pag. 183.

(72)R. F., pag. CXXVIII. Verg. ook pag. CXXXVIII.

(73)Les Romans du Renard, pag. 179–180. Verg. ook pag. 183.

(74)L. c., pag. 184.

(75)De grondfout vanROTHEbestaat daarin, dat hij geen onderscheid maakt tusschen de twee deelen der 20e(16e) branche; vandaar, dat hij tot een geheel verkeerd rezultaat kwam, omdat hij een verkeerden maatstaf aanlegde bij zijne redenering.

(76)Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 926.

(77)Ziehier een paar staaltjes, die later nog met een sterksprekend zullen vermeerderd worden.Pag. 898 zegt hij van onzen oudsten Reinaert: „Cette rédaction.... ne paroît être que du XIVesiècle.... et elle ne peut guère avoir été fondée que sur des traditions orales venues d'ailleurs.”Pag. 899 heet het van den oudsten mhd. tekst vanGLICHESÆRE, doorGRIMMin zijnSendschreiben anLACHMANNuitgegeven: „Si ce fragment appartient à l'ouvrage perdu deGLICHESÆRE, ou à quelque autre, c'est un point que l'éditeur laisse dans l'incertitude(!!). Il ne dit rien non plus de l'époque où l'on peut en supposer la rédaction(!!).”Wellicht was hij in de war gebracht door de noot op pag. 61 vanROTHESwerk, maar dat hij hetSendschreibenzelf gelezen had durf ik stellig ontkennen.Hij geeft dikwerfROTHESopmerkingen als zijne eigene beschouwingen. Zoo b.v. doet hij pag. 943 zien, dat het paard niet als handelende persoon in de gedichten over Renart voorkomt, omdat de andere dieren in den regel te paard rijden. Hetzelfde hadROTHEreeds gezegd, pag. 266.Over denCouronnementhandelende, doet hij pag. 936 zien, dat slechts eene verkeerde opvatting dit werk aanMARIE DE FRANCEtoeschrijft, maarROTHEhad dit reeds duidelijk gemaakt, pag. 348.Dat de graaf van Vlaanderen, ter eere van wien deCouronnementwerd geschreven,WILLEM VAN DAMPIERREis geweest, lijdt geen twijfel, en ook dit hadROTHEaangetoond vóórFAURIEL; maar als de laatste zegt, pag. 936, dat op het punt van zijn dood in een steekspel, de dichter „nous en apprend quelque chose de plus que l'histoire,” dan heeft hij zijn voorganger niet goed ingezien, die pag. 340 de plaatsen der historici aanhaalt, waar van zijn ongelukkigen dood in een tornooi wordt gewaagd. Hetzelfde had hij kunnen vinden inWARNKŒNIGSHist. de la Flandre, tom. I, pag. 252. En reeds de Vlaamsche Kronijk doorKAUSLERuitgegeven, zegt vs. 5845:Dese Willem was vul der edelheden,Ende bleeft antierende twapenspel;Maer harde curt het hem mesvel:Want te Trengis in den tornoyWaert doot ghedroomt die rudder moy,Dies menich adde zwaer verdriet,Dat hi dus vander weerelt sciet.

Pag. 898 zegt hij van onzen oudsten Reinaert: „Cette rédaction.... ne paroît être que du XIVesiècle.... et elle ne peut guère avoir été fondée que sur des traditions orales venues d'ailleurs.”

Pag. 899 heet het van den oudsten mhd. tekst vanGLICHESÆRE, doorGRIMMin zijnSendschreiben anLACHMANNuitgegeven: „Si ce fragment appartient à l'ouvrage perdu deGLICHESÆRE, ou à quelque autre, c'est un point que l'éditeur laisse dans l'incertitude(!!). Il ne dit rien non plus de l'époque où l'on peut en supposer la rédaction(!!).”

Wellicht was hij in de war gebracht door de noot op pag. 61 vanROTHESwerk, maar dat hij hetSendschreibenzelf gelezen had durf ik stellig ontkennen.

Hij geeft dikwerfROTHESopmerkingen als zijne eigene beschouwingen. Zoo b.v. doet hij pag. 943 zien, dat het paard niet als handelende persoon in de gedichten over Renart voorkomt, omdat de andere dieren in den regel te paard rijden. Hetzelfde hadROTHEreeds gezegd, pag. 266.

Over denCouronnementhandelende, doet hij pag. 936 zien, dat slechts eene verkeerde opvatting dit werk aanMARIE DE FRANCEtoeschrijft, maarROTHEhad dit reeds duidelijk gemaakt, pag. 348.

Dat de graaf van Vlaanderen, ter eere van wien deCouronnementwerd geschreven,WILLEM VAN DAMPIERREis geweest, lijdt geen twijfel, en ook dit hadROTHEaangetoond vóórFAURIEL; maar als de laatste zegt, pag. 936, dat op het punt van zijn dood in een steekspel, de dichter „nous en apprend quelque chose de plus que l'histoire,” dan heeft hij zijn voorganger niet goed ingezien, die pag. 340 de plaatsen der historici aanhaalt, waar van zijn ongelukkigen dood in een tornooi wordt gewaagd. Hetzelfde had hij kunnen vinden inWARNKŒNIGSHist. de la Flandre, tom. I, pag. 252. En reeds de Vlaamsche Kronijk doorKAUSLERuitgegeven, zegt vs. 5845:

Dese Willem was vul der edelheden,Ende bleeft antierende twapenspel;Maer harde curt het hem mesvel:Want te Trengis in den tornoyWaert doot ghedroomt die rudder moy,Dies menich adde zwaer verdriet,Dat hi dus vander weerelt sciet.

Dese Willem was vul der edelheden,Ende bleeft antierende twapenspel;Maer harde curt het hem mesvel:Want te Trengis in den tornoyWaert doot ghedroomt die rudder moy,Dies menich adde zwaer verdriet,Dat hi dus vander weerelt sciet.

(78)Les Romans du Renard, pag. 183.

(79)Grimmzegt,R. F., pag. CXXVIII: „Diese ganze branche von dem gelben fuchs und der gestörten hochzeit scheint mir uralt.”

(80)Les Romans du Renard, pag. 182, note.

(81)R. F., pag. CXXI.Grimmsonderscheiding rust hoofdzakelijk op de opmerking, dat in het eerste gedeelte vos en wolf als oom en neef voorkomen: in het tweede heeten zij elkander „compère.” Ik voeg er bij, dat 353–4 Renart Isengrins hol niet kent, terwijl hij 241–336 herhaaldelijk des wolfs woning bezocht had.

(82)ZieGRIMM,R. F., pag. CXXI.

(83)Les Romans du Renard, pag. 297, note 1; cf. pag. 284, note 4.

(84)Ook nog in eene jongere branche komt deze titel voor, vs. 13939.

(85)ZieGRIMM,R. F., pag. CLVIII,in fine.

(86)BijMÉONstaatli ors, dat klinkklare onzin is.

(87)Les Romans du Renard, pag. 174–175.

(88)R. F., pag. CXXVI.

(89)In een enkel handschrift is ook de 19enog door eenige overgangsregels aan de 18everbonden, zieROTHE, pag. 285, note 1.

(90)Reinaert, Inleiding, bl. XLII–XLIII.

(91)De overeenkomst is niet geheel letterlijk, maar 't schijnt ontwijfelbaar dat de afschrijver hier knoeide, zoo als de rijmen en onze varianten uitwijzen.

(92)Zoo b.v. ookGarin, II, pag. 26:Plévissez-moi, li Allemans Oris,Et vous Girarsetc.Pag. 69:Venez avant, li fis au duc Hervin,Tenez ma nièce.

Plévissez-moi, li Allemans Oris,Et vous Girarsetc.

Plévissez-moi, li Allemans Oris,Et vous Girarsetc.

Pag. 69:

Venez avant, li fis au duc Hervin,Tenez ma nièce.

Venez avant, li fis au duc Hervin,Tenez ma nièce.

(93)Grimm,R. F., pag. CXLI.

(94)Boven,bl. LIII–LXI.

(95)Dezelfde eigenaardigheid treft men aan in de branches 20a-ben 21–22; niet in 19.Hetzelfde verschijnsel heeft ookALF. ROCHATopgemerkt in denPerchevalvanCHRESTIENS DE TROIES; zie zijn boek getiteld:Ueber einen bisher unbekannten Percheval li Galois, pag. 179.

Hetzelfde verschijnsel heeft ookALF. ROCHATopgemerkt in denPerchevalvanCHRESTIENS DE TROIES; zie zijn boek getiteld:Ueber einen bisher unbekannten Percheval li Galois, pag. 179.

(96)Rothe,les Romans du Renard, zegt pag. 184: „Plusieurs considérations portent à faire regarder la vingtième branche comme la principale de toutes les rapsodies sur le sujet du Renard, comme le noyau du cycle, pour ainsi dire.”

(97)Men lette op vers648, waar het heet:so men mi seide.

(98)Wellicht is echter dit en het voorgaande vers een inschuifsel.

(99)Les Romans du Renard, pag. 176.

(100)R. F., pag. CLII.

(101)L. l. Zie ookWILLEMS,Reinaert, bl. 90, in de noot op vs. 2247.

(102)Zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I D., bl. 139.


Back to IndexNext