Die zeer bijzondere eigenaardigheden, afwijkende van wat men in alle andere Mnl. geschriften aantreft, vindt men in het geheele gedicht, van het begin tot aan het einde terug; zoodat het wel ontwijfelbaar zijn zal, dat wij hier het werk van een en denzelfden kunstenaar voor ons hebben.Komen er nu oneffenheden, verschilpunten van anderen, ondergeschikten aard in voor, dan zal men wel gerechtigd zijn tot het besluit, dat de afschrijvers daarvan de schuld moeten dragen.Dat alles te veranderen bij gissing en op louter theoretische gronden, lag buiten de bevoegdheid der kritiek, zoolang geen ouder codex van het gedicht gevonden wordt, weshalve ik mij bepaal daarop alleen de aandacht te vestigen(21).Wie nu onze veranderingen desniettegenstaande nog te gewaagd vindt, wie de voorkeur geeft aan het slordige afschrift van een onnadenkenden kopist, legge deze uitgaaf ter zijde en keere des noods tot die vanGRÄTERterug.Vooral de verwerping van de fabel na2308(2304)dwong mij tot eene vernummering der verzen, zoodat de telling na vs.2274niet meer met die der vorige uitgaven overeenkomt. Bij het doorloopende onderscheid zal dit echter geen bezwaar van eenig belang opleveren. In mijne aanhalingen heb ik echter, tot gemakkelijker vergelijking, in den regel de cijfers der vorige uitgaven tusschen haakjes geplaatst.In de orthografie heb ik mij zoo na mogelijk aan den oud-vlaamschen schrijftrant gehouden tot zoover de duidelijkheid er niet onder leed. Terwijl inGRIMMSuitgave »das flämische anlautendehin huut, hete, hat, für uut, ete, at, umgekehrt aerde für haerde, gheoorsam für ghehoorsam, geflissentlich bewahrt” werden(22), heb ik, even alsWILLEMS, dit veranderd, omdat het dikwerf voor den hedendaagschen lezer moeyelijkheden oplevert in het recht verstaan van den tekst, gelijk ik bij ondervinding weet. Buitendien is dat toch een provincialisme dat uit de beschaafde schrijftaal moest worden verbannen.Maerghenvoormorghenheb ik behouden, maar nietouvooroe, in de woordendrouch,slouch, enz., noch ooklustvoorlist, daar de rijmen2602(2626) en2376(2400) juistlisthebben.Voorts heb ik er naar gestreefd de fouten van het handschrift met betrekking tot de enkele vokaalspelling en vooral de zwakke en sterke buigingen, naar den regel te herstellen. Orthografische veranderingen zijn in den regel niet aangewezen: al de overigen zijn zoo naauwkeurig mogelijk in de kollatie aan den voet der pagina opgenomen(23). Kortheidshalve heb ik daarbij slechtsin de allernoodzakelijkste gevallen van de reden der verandering rekenschap gegeven, in de overtuiging dat zij bij eenig nadenken vanzelf in het oog zal vallen.Zoo ik er naar gestreefd heb het rhythmus te zuiveren, ik heb in den regel de aansluitingen en samentrekkingen niet aangewezen, die bij het lezen moeten worden in acht genomen, daar dit in Mnl. stukken niet regelmatig is vol te houden. Ik vertrouw dat lezers die het gedicht werkelijk willen genieten, genoegsaam met de regels der Mnl. metriek zullen bekend zijn, om zoodanige aanwijzingen te kunnen ontberen.Thans, nu ik rekenschap van het doel en de wijze van behandeling dezer uitgave heb gegeven,kunnenwij overgaan tot de overweging van de nog niet genoegsaam opgehelderde vraagstukken over het ontstaan en den ouderdom van den Reinaert.II.Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzenReinaert, hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van den omwerker?Willemsbeweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de eerste regels van den proloog aldus aan:Willem, die Madock maecte,Daer hi dicke om waecteHem jamerde seer haerdeDat die geeste van ReinaerdeNiet te recht en is gescreven:Een deel is daer after gebleven:Daeromme dede hi die vite soekenEnde heeftse, uten walscen boekenIn duutse aldus begonnen.Dan gaat hij voort:Willemheeft niet den oudsten VlaamschenReinaertopgesteld; maar wat hij »in het oude gedicht niette recht gescrevenoordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik hetaldus begonnenvan dit laetste vers; doch om geheel deviteof levensbeschryving vanReinaertte doen kennen heeft hy datgene, hetwelkafter geblevenwas, door middel vanwalsche, dat is, doorfranscheboeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste boek.»De nedersaksische vertaling vanReinekeen de oude prosadrukken van Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs.41aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eersteReinaertbegon met vs.11.Nu keert hem daer toe mijn sin,enz.»Hoe men dit dan ook beschouwe,het aldus begonnenvan vs.9steekt altoos zeer sterk af tegen vs.40:Nu hoort hoe ic hier beginne;want, zie daer een dubbelbegin! Er is ook eene dubbele bedoeling.Willemverklaert zyne taek aentevangenom dat het hem zeer jammerdedat er nog zoo veel aen de historie vanReinaertontbrak; terwylde oorspronglyke dichter slechts daeromde avonturen van ReinaertMAEKTE, om dat zekere dame,die in groter hovescheden gerne hare saken keert,hem daer toe bad(vs.26–31). Deze beweegredenalleengaf hem de pen in de hand; anders had hystil gezwegen(vs.26).»Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de handschriften derBrabantsche Yeestenstaet er een van verschillenden inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum.»IndienWillemhet eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld, dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der vertaling vanHeinrich der Glichsenaere,Hersanten nietHersintofErswindeheeten; dan zou de naem van den hond,Cortois, in de fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt erRoonel,RooniaxofMoroutgenoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling van het onderwerp (vs.100,1461–1463enz.) niet zoo eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk in de franscheRenartseenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen straks zien, dat de trouveres geen ouderfranschgedicht kennen, dan dat vanPERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze bylagen bl. 302–341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene letterlyke vertaling vanonzen Reinaertis.»Beschouwt men daerentegenWillemvoor den hermaker en vervolger van het gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk] vindt men,voor eerst, eene omdichting van het eerste boek,.... en,ten andere, een vervolg van ditoorspronglyk gedeelte, meest uit fransche poëten of uit deFabulae extravagantessamengeraept”(24).Tegen die redenering is het een en ander in te brengen:Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus:Willemdie vele bouke maecte,Daer hi dicken omme waecte,Hem vernoyde so haerde,Dat die avonture van ReinaerdeIn Dietsche onghemaket bleven,DieWillemniethevet vulscreven,Dat hi die vijte van Reynaerde souckenEnde hise naden Walschen bouckenIn Dietsche dus hevet begonnen(25).Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts inGRÄTERSuitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is intusschen onverklaarbaar, datGRIMMniet de minste poging heeft gedaan om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den omwerker in de plaats stelde.Willemsschijnt zich hoofdzakelijk aan den tekst vanGRIMMgehouden te hebben zonder altijd veel acht te slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, metGRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in Nederland geheel onbekend raakte.Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen.De grootste zwarigheid levert zeker vs.6op; maar juist hier is het niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven.Nietis in tegenspraak met al het overige; maar datnietis juist bedorven. De varianten bijGRIMMdoen zien, dat soms derentniet goed te onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven. Zoo lasGRÄTER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs.993, voordat felle dier(:lier),dat felle diet;2372(2396)voerein plaats vanvoete. Bedenkt men daarbij dat denlichtelijk in sommige handschriften met dehkan verwisseld worden, dan zal het wel geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbehier, in steê van dat onbegrijpelijkeniet. En zoo kunnen wij, met geringe verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen:Willem, die den Madoc(26)maecte,Daer hi dicke omme waecte,Hem vernoyede so haerdeDat davonturen van ReinaerdeIn Dietsce onghemaket bleven,(Die hi hier hevet vulscreven),Dat hi die vite [dede] soeken,Ende hise na den walscen boekenIn Dietsce dus hevet begonnen.Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin heet het niet, dat de historie niette rechtis geschreven, of dat ereen deelvan is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert (verg. vs.31) waren in het geheel in het Dietschongemaakt: dit was hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het Dietsch overbracht.De tusschenzin van vs.6moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het geheele gedicht door voorkomen, zie bovenbl.XXIII. En juist daarin vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht treedt.Het eerste gedeelte vanWILLEMS'betoog vervalt door deze eenvoudige opmerking vanzelf(27).Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo alsWILLEMSzelf reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de eersteReinaertmet vs.11begon.Steekt nu werkelijk vs.9zoo sterk af bij vs.40,Nu hoort hoe ic hier beghinne?Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen uit eene dubbele bedoeling is te verklaren?Maar men lette wel op, dat als men met vs.11den ouden tekst laat aanvangen, men daar terstond leest:Nu keert hem daer toe mijn sin,Dat ic biddein dit begin, enz.zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naarJAN VAN HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de eerste regels zijn boek aanMARGARETAvan Engeland aanbiedt; dan heet het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs.69)En hadde gedaen van IngelantVrouwe Margriete, alsic thantInt beghinsprac overluut.En dan wederom in het slot der inleiding, vs.78:Nu helpe my God,ic saels beginnen(28).Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de ontleening?Grimmneemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als overtuigend bewijs aan(29), en ook wij behoeven er niet aan te twijfelen(30).Want niemand zal wel metWILLEMS'betuiging tevreden zijn: »De dichter van denReinaertschynt....eengrand clerc, zoowel in het Fransch als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy sommige namen, alsCortois,Malpertuis,MalcroisenPinte, uit eerstgenoemde tael ontleende”(31).Ja maar, zegt men wellicht metWILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet de wolvinHersanten niet, zoo als bij ons,Hersint!SedertWILLEMSschreef gelukte hetGRIMMeen groot fragment van den oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen(32), en daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem uitgegeven gedicht,Hersant, maar, even als in onzenReinaert,Hersint, zie b.v. vs.608,627,870,877, enz.—ergo.Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich begrijpen, als men weet, dat deReinaertniet in allen deele strikt vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging, gelijk wij nader zullen aantoonen.AlvorensWILLEMS'laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker kan zijn.Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde. Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke verandering, zoo alsWILLEMSzelf opmerkt(33). In den oudsten tekst namelijk verlaat Reinaert met dezijnen zijn kasteel, om zich in de wildernis te verbergen, vs.3311(3331):Si daden hem alle up die vaert:Ermeline ende here Reinaert,Ende hare jonghe welpkine,Dese anevaerden die woestine;welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen.Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger codex niet van eene omwerking wist.Willemsis natuurlijk van eene andere meening: hij stelt »dat de afschryver van het codex Comburgensis denouderentext vanReinaertkopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te leveren”(34).Den grond voor die meening geeft hij aldus aan(35):»De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds met vs. 3395 [ons3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe personnagie, met nameFirapeel, de luipaerd, die den koning tot het besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen:Daernasullen wi alle lopenNa Reinaerde, ende sulne vangen,Ende bi sine kele hangen;een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglykeReinaertmet vs.3394sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs.3395eene groote versierde voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint. Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd, noch passend.”Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs.3374(3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men eerst bij vs.3454(3474) bereikt heeft.Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij navolgde, verlaten had, en in den luipaard, »des coninx maech” een geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in denRenart Le Nouvel, inMÉONSvierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een epos.En wat de groote aanvangsletter bij vs.3375(3395) betreft, die kon misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten, ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in het origineel 't welkhij voor zich had voorkwam, zoo als wij later zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs.3454zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter. En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe alinea, gelijk eene welwillende mededeeling vanKAUSLERmij verzekert; zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in rook verdwijnt.Dat het gedicht met vs.3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zalGRIMMtoestemmen, die juist watWILLEMSals overgangsregels beschouwde, genoemd heeft »den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel”(36).Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, datWILLEMSop eene andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den omwerker zegt hij(37): »Hy noemt den leeuwLioen, in plaets vanNobel.”Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking de leeuw slechts één enkel maalLioenheet, vs. 3757:Ist dat ic coninc heet Lioen;maar integendeel vs. 3625 vanWILLEMS'uitgaaf, evenzeer genoemd wordtNobel die coninc. Maar juist in de verzen dieWILLEMSals overgangsinlapsel beschouwt lezen wij:Hi sprac: „Here, coninc lioen,vs.3378Dit biet u die coninc lioen.vs.3444Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen van den oudsten schrijver vloeiden?Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot twijfel; maar ziet, vs.1837lees ik dezelfde benaming:Vort sprac Reinaert: „Coninc lioen,Wien twifelt des, ghine moghet doen?Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen, gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het vijfde vers volgens de echte lezing.Ik vertrouw dat de heerC. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering, mijn stelsel niet meer zoo »onaennemelyk” zal vinden(38). Volgens hem pleit tegen mijne meening »dat het moeijelyk te veronderstellen is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen eigenen verzwegen zou hebben.” Ik antwoord:hoe moeyelijk ook te veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ookWILLEMheette, maar zich dan toch nooit denMadockon toeëigenen), zijn diefstal alleen bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nogongemaaktkon heeten, blootelijk te veranderen inniet te recht geschreven.Voorts zegtSERRURE, »dat het niet zeer waerschynlyk is dat de oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven hebben.”Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt verwezen naar de inleiding vanWILLEMS, bl.XXXVIII, die zich beroept op vs.444en2953–2969. In het eerste vers heette het dat men begon te zingenDat placebo Domino;en in de tweede plaats wordt eene spreuk van »meester Jufroet” aangehaald (dien men gewoonlijk voorGodfredus Andagavendishoudt), waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis verwerven.Met deaanwijzingder plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging vanWILLEMSgeleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien dat gevoelen te weêrspreken.Maar ook al aangenomen dat de schrijver van denReinaerteen geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde van eene vrouw schreef, dan dat de pastoorHEIN VAN AKENzich dit veroorloofde,die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald had(39)?Zoo het verder bijSERRUREheet: »zeker was zulk kundig en vernuftig dichter als de opsteller van het eerste boek desReinaerts, niet in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te berymen,” dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar ik noch bijSERRUREhet betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en onbeduidend is, tenzij men metWILLEMSmalschvs.19vertale doorweek! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van denFlorisstellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta vanSERRUREtegenspreekt.ZooWILLEMSen die hem volgen dien proloog met alle geweld den omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent dat hij »naden walscen boeken” gearbeid heeft. De waarheid heeft intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zooWILLEMal walsche bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding daartoe in den vreemde gevonden was.Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hijWILLEMgeheeten was, en vroeger reeds denMadocgeschreven had; 2) dat hij naar fransche geschreven bronnen (walsce boeken) gewerkt heeft.Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de fransche gedichten betreffende de dierensage.III.In Frankrijk is de Reinaertsage zeer oud(40). In deChanson des Lorrains, wier oudste branche omstreeks 1130 den vorm aannam waarin zij ons bekend is(41), heet het vanBERNARD DE NAISIL, die ingesloten was in een kasteel met onderaardsche sluipwegen, waaruit hij uitvallen deed (II. 53),Renart resenble qu'en la taisnière est mis,hetgeen wellicht op een oud gedicht ziet, dat de belegering van Reinaerts burcht behelsde; maar in allen gevalle door het gebruik van den eigennaam in stede van het appellativum bewijst dat de sage algemeenbekend was, zoo ook hier de dichter alleen een in zijn hol bestookten vos op het oog had.Grimmheeft eene plaats aangehaald vanGUIBERT DE NOGENT, die in 1124 stierf, waaruit blijkt, dat ten jare 1112 de verhalen van Reinaert en Isengrim zoo algemeen bekend waren te Laon in Noord-Frankrijk, dat men een mensch van een woest voorkomen, »propter lupinam speciem” Isengrim kon noemen, en de beteekenis daarvan algemeen begrepen worden(42). Daaruit volgt, dat de sage daar minstens een menschenleeftijd lang moest bekend zijn, en zeker reeds in het midden der elfde eeuw (1050) voorkwam.Of die oudste sporen der Reinaertsage in Frankrijk op eene poëtische of prozaïsche vorm terugwijzen, is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar wij weten dat beide vormen nevens elkander bestonden. Eene der tot ons gekomen fransche gedichten uit dezen cyclus(43)zegt onder anderen:Tout cil qui en content sans rimeNe sevent pas vers moi la dîme:Il le vous content à l'envers;waaruit blijkt, dat er werkelijk ook prozaïsche verhalen in omloop waren(44), die waarschijnlijk wel de oudste zijn, daar zij niet zijn opgeschreven, althans niet tot ons gekomen.Met de poëtische verhalen is dit anders, en wij bezitten eene reeks van gedichten die te samen meer dan30,000 verzen bevatten, alle takken (branches) van den grooten stam, maar door verschillende dichters, in verschillende tijden bewerkt.Dat die stukken gelijk wij ze bezitten in de uitgave vanMÉON, slechts omwerkingen zijn van oudere gedichten, is de meening van de voortreffelijkste geleerden die zich met dit onderwerp hebben bezig gehouden, hoewel hun oordeel eenigsins uiteenloopt over de tijdsbepaling van hunne tegenwoordige vorm. Zoo zegtGRIMM(45): »abgefasst sind die frühsten derselben [branches] wahrscheinlich von der zweiten hälfte des zwölften jahrhunderts an bis in die mitte des dreizehnten; allein in der gestalt, welche sie jetzt zeigen, mögen die altesten schon vielfach überarbeitet und verändert vorliegen, fast alle dem 13, einzelne sogar dem 14. jh. zufallen.”Ongeveer op dezelfde wijze oordeeltROTHE(46): »Bien qu'il soit impossible d'indiquer nettement l'origine des divers récits, et que, dans la forme où nous les connaissons aujourd'hui, une grande partie ne soit que des versions postérieures de compositions plus anciennes, selon toute apparence la plupart des morceaux qui composent pour nous aujourd'hui leRoman de Renartdatent du treizième siècle. Quelques uns pourraient bien être du douzième, d'autres semblent ne dater que du quatorzième. Tous appartiennent infailliblement et originairement au nord de la France, à la langue d'oïl, à la littérature romane-wallonne, celle des trouvères”(47).Faurielerkent ook in de bestaande branches omwerkingen van ouder stukken; hij laat zich niet uit over de tijdsbepaling, maar karakterizeert met een paar woorden den invloed dien de jonger trouvères op het ouder stuk hebben uitgeoefend(48), dat zij »reprirent pour ainsi dire en sous-œuvre, la remanièrent, la refirent, l'ornèrent, l'altérèrent dans tous les sens, suivant en cela leurs nouvelles idées et leurs nouvelles fantaisies. Ce travail, qui dura plus d'un siècle, eut pour fruit le Renart, dans l'état où il nous reste en français.” Dit had twee gevolgen: »l'un fut le remaniement, la reproduction sous une forme nouvelle, des fables dont se composait le Renart primitif; l'autre fut l'invention de beaucoup de nouvelles fables.”Zeer zeker is er geene enkele onder de 32 branches vanMÉON, die niet de merkbare sporen draagt van omwerking, blijkbaar in de uitvoerige schildering van bijzonderheden, in het talent van verhalen, welk alles herinnert aan het weelderige tijdperk waarinCHRESTIENS DE TROIESbloeide, en dat sterk afsteekt bij de drooger, eenvoudiger, minder kunstmatige manier van een vroeger tijdvak. Nu is het maar de vraag of het mogelijk is, van sommigen althans, den ouderdom met eenige juistheid aan te geven.Grimmzelfs is, gelijk wij zagen, slechts tot zeer algemeene rezultaten gekomen; en hoezeer ik de waarde van zijn uitstekend werk zoo hoog schat als iemand(49), geloof ik toch dat het plicht is te onderzoeken, of het niet mogelijk is tot een bepaalder slotsom te geraken, vooral daar deze vraag van het hoogste belang is voor de juiste beoordeeling van onzen Reinaert.Ons onderzoek eischt eenige uitvoerigheid, daar wij door een omweg slechts tot het beoogde doel kunnen geraken, waarbij wij tevens op onzen weg enkele andere zeer belangrijke waarheden zullen vinden.In de eerste plaats doet zich de vraag op, of er geen spoor meer overig is van een ouder, eenvoudiger, drooger redaktie van eenig stuk uit de verzameling vanMÉON? En het antwoord is: niet in het oorspronkelijke; maar er bestaat eene Middenhoogduitsche vertaling van een ouder stuk, welks inhoud en algemeene gang grootendeels overeenkomt met de twintigste branche vanMÉON(50), welke wederom in hare eerste helft zoo met onzen oudsten Reinaert overeenstemt, dat men tot de overtuiging gekomen is, dat het eene stuk uit het andere vertaald is.Zien wij welke uitkomsten de vergelijking dezer drie stukken geeft, nadat wij eerst eenige meer algemeene beschouwingen voorop gezet hebben.Het Mhd. gedicht dat wij bedoelen is deReinhartvanHeinrîch der Glichesære.Dat dit gedicht uit het Fransch vertaald is, heeftGRIMMbetoogd uit de onduitsche vormen van sommige eigennamen alsBirtîn,Hersant,Isengrîn,SchanteklêrenPinte; terwijlUebellochblijkbaar eene vertaling is vanMalpertuis. Ook het woordvillân, »hätte nicht leicht ein deutscher älterer dichter gebraucht(51).” Voorts haalt hij ook nog uit de oudste duitsche bewerking de woordencousenbordûzaan om zijn gevoelen te staven(52).Rotheerkent dan ook(53)dat de duitsche dichter »connaissantinfailliblementun poëme antérieur de Renart en français, et profitant de cette connaissance, a composé le premier un poëme de Reinhart dans l'ancienne langue allemande.”EnFAURIELgetuigt uitdrukkelijk(54): »Le Reinhart, tel qu'il nous reste, doit être considéré au fond et dans son ensemble comme l'imitation expresse d'un original français. Cet original sans doute n'existe plus; mais tels sont, ou pour mieux dire, tels durent être les rapports avec le Renart allemand, que celui-ci peut en représenter jusqu'à un certain point la substance et la suite.”Het duitsche gedicht bevat zeven verschillende verhalen, wier inhoud in de fransche branches wordt terug gevonden. Het laatste en uitvoerigste, vs. 1239–2248, komt overeen met onzen Reinaert en de 20e(16e) fransche branche.Nu is het opmerkelijk, dat onze Reinaert de zes eerste verhalen niet bevat, en dat de fransche branche vs. 9659 uitdrukkelijk aanvangt met de woorden:
Die zeer bijzondere eigenaardigheden, afwijkende van wat men in alle andere Mnl. geschriften aantreft, vindt men in het geheele gedicht, van het begin tot aan het einde terug; zoodat het wel ontwijfelbaar zijn zal, dat wij hier het werk van een en denzelfden kunstenaar voor ons hebben.
Komen er nu oneffenheden, verschilpunten van anderen, ondergeschikten aard in voor, dan zal men wel gerechtigd zijn tot het besluit, dat de afschrijvers daarvan de schuld moeten dragen.
Dat alles te veranderen bij gissing en op louter theoretische gronden, lag buiten de bevoegdheid der kritiek, zoolang geen ouder codex van het gedicht gevonden wordt, weshalve ik mij bepaal daarop alleen de aandacht te vestigen(21).
Wie nu onze veranderingen desniettegenstaande nog te gewaagd vindt, wie de voorkeur geeft aan het slordige afschrift van een onnadenkenden kopist, legge deze uitgaaf ter zijde en keere des noods tot die vanGRÄTERterug.
Vooral de verwerping van de fabel na2308(2304)dwong mij tot eene vernummering der verzen, zoodat de telling na vs.2274niet meer met die der vorige uitgaven overeenkomt. Bij het doorloopende onderscheid zal dit echter geen bezwaar van eenig belang opleveren. In mijne aanhalingen heb ik echter, tot gemakkelijker vergelijking, in den regel de cijfers der vorige uitgaven tusschen haakjes geplaatst.
In de orthografie heb ik mij zoo na mogelijk aan den oud-vlaamschen schrijftrant gehouden tot zoover de duidelijkheid er niet onder leed. Terwijl inGRIMMSuitgave »das flämische anlautendehin huut, hete, hat, für uut, ete, at, umgekehrt aerde für haerde, gheoorsam für ghehoorsam, geflissentlich bewahrt” werden(22), heb ik, even alsWILLEMS, dit veranderd, omdat het dikwerf voor den hedendaagschen lezer moeyelijkheden oplevert in het recht verstaan van den tekst, gelijk ik bij ondervinding weet. Buitendien is dat toch een provincialisme dat uit de beschaafde schrijftaal moest worden verbannen.
Maerghenvoormorghenheb ik behouden, maar nietouvooroe, in de woordendrouch,slouch, enz., noch ooklustvoorlist, daar de rijmen2602(2626) en2376(2400) juistlisthebben.
Voorts heb ik er naar gestreefd de fouten van het handschrift met betrekking tot de enkele vokaalspelling en vooral de zwakke en sterke buigingen, naar den regel te herstellen. Orthografische veranderingen zijn in den regel niet aangewezen: al de overigen zijn zoo naauwkeurig mogelijk in de kollatie aan den voet der pagina opgenomen(23). Kortheidshalve heb ik daarbij slechtsin de allernoodzakelijkste gevallen van de reden der verandering rekenschap gegeven, in de overtuiging dat zij bij eenig nadenken vanzelf in het oog zal vallen.
Zoo ik er naar gestreefd heb het rhythmus te zuiveren, ik heb in den regel de aansluitingen en samentrekkingen niet aangewezen, die bij het lezen moeten worden in acht genomen, daar dit in Mnl. stukken niet regelmatig is vol te houden. Ik vertrouw dat lezers die het gedicht werkelijk willen genieten, genoegsaam met de regels der Mnl. metriek zullen bekend zijn, om zoodanige aanwijzingen te kunnen ontberen.
Thans, nu ik rekenschap van het doel en de wijze van behandeling dezer uitgave heb gegeven,kunnenwij overgaan tot de overweging van de nog niet genoegsaam opgehelderde vraagstukken over het ontstaan en den ouderdom van den Reinaert.
Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzenReinaert, hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van den omwerker?
Willemsbeweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de eerste regels van den proloog aldus aan:
Willem, die Madock maecte,Daer hi dicke om waecteHem jamerde seer haerdeDat die geeste van ReinaerdeNiet te recht en is gescreven:Een deel is daer after gebleven:Daeromme dede hi die vite soekenEnde heeftse, uten walscen boekenIn duutse aldus begonnen.
Willem, die Madock maecte,Daer hi dicke om waecteHem jamerde seer haerdeDat die geeste van ReinaerdeNiet te recht en is gescreven:Een deel is daer after gebleven:Daeromme dede hi die vite soekenEnde heeftse, uten walscen boekenIn duutse aldus begonnen.
Dan gaat hij voort:Willemheeft niet den oudsten VlaamschenReinaertopgesteld; maar wat hij »in het oude gedicht niette recht gescrevenoordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik hetaldus begonnenvan dit laetste vers; doch om geheel deviteof levensbeschryving vanReinaertte doen kennen heeft hy datgene, hetwelkafter geblevenwas, door middel vanwalsche, dat is, doorfranscheboeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste boek.
»De nedersaksische vertaling vanReinekeen de oude prosadrukken van Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs.41aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eersteReinaertbegon met vs.11.
Nu keert hem daer toe mijn sin,enz.
Nu keert hem daer toe mijn sin,enz.
»Hoe men dit dan ook beschouwe,het aldus begonnenvan vs.9steekt altoos zeer sterk af tegen vs.40:
Nu hoort hoe ic hier beginne;
Nu hoort hoe ic hier beginne;
want, zie daer een dubbelbegin! Er is ook eene dubbele bedoeling.Willemverklaert zyne taek aentevangenom dat het hem zeer jammerdedat er nog zoo veel aen de historie vanReinaertontbrak; terwylde oorspronglyke dichter slechts daeromde avonturen van ReinaertMAEKTE, om dat zekere dame,die in groter hovescheden gerne hare saken keert,hem daer toe bad(vs.26–31). Deze beweegredenalleengaf hem de pen in de hand; anders had hystil gezwegen(vs.26).
»Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de handschriften derBrabantsche Yeestenstaet er een van verschillenden inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum.
»IndienWillemhet eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld, dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der vertaling vanHeinrich der Glichsenaere,Hersanten nietHersintofErswindeheeten; dan zou de naem van den hond,Cortois, in de fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt erRoonel,RooniaxofMoroutgenoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling van het onderwerp (vs.100,1461–1463enz.) niet zoo eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk in de franscheRenartseenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen straks zien, dat de trouveres geen ouderfranschgedicht kennen, dan dat vanPERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze bylagen bl. 302–341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene letterlyke vertaling vanonzen Reinaertis.
»Beschouwt men daerentegenWillemvoor den hermaker en vervolger van het gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk] vindt men,voor eerst, eene omdichting van het eerste boek,.... en,ten andere, een vervolg van ditoorspronglyk gedeelte, meest uit fransche poëten of uit deFabulae extravagantessamengeraept”(24).
Tegen die redenering is het een en ander in te brengen:
Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus:
Willemdie vele bouke maecte,Daer hi dicken omme waecte,Hem vernoyde so haerde,Dat die avonture van ReinaerdeIn Dietsche onghemaket bleven,DieWillemniethevet vulscreven,Dat hi die vijte van Reynaerde souckenEnde hise naden Walschen bouckenIn Dietsche dus hevet begonnen(25).
Willemdie vele bouke maecte,Daer hi dicken omme waecte,Hem vernoyde so haerde,Dat die avonture van ReinaerdeIn Dietsche onghemaket bleven,DieWillemniethevet vulscreven,Dat hi die vijte van Reynaerde souckenEnde hise naden Walschen bouckenIn Dietsche dus hevet begonnen(25).
Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts inGRÄTERSuitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is intusschen onverklaarbaar, datGRIMMniet de minste poging heeft gedaan om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den omwerker in de plaats stelde.Willemsschijnt zich hoofdzakelijk aan den tekst vanGRIMMgehouden te hebben zonder altijd veel acht te slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, metGRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in Nederland geheel onbekend raakte.
Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen.
De grootste zwarigheid levert zeker vs.6op; maar juist hier is het niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven.Nietis in tegenspraak met al het overige; maar datnietis juist bedorven. De varianten bijGRIMMdoen zien, dat soms derentniet goed te onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven. Zoo lasGRÄTER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs.993, voordat felle dier(:lier),dat felle diet;2372(2396)voerein plaats vanvoete. Bedenkt men daarbij dat denlichtelijk in sommige handschriften met dehkan verwisseld worden, dan zal het wel geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbehier, in steê van dat onbegrijpelijkeniet. En zoo kunnen wij, met geringe verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen:
Willem, die den Madoc(26)maecte,Daer hi dicke omme waecte,Hem vernoyede so haerdeDat davonturen van ReinaerdeIn Dietsce onghemaket bleven,(Die hi hier hevet vulscreven),Dat hi die vite [dede] soeken,Ende hise na den walscen boekenIn Dietsce dus hevet begonnen.
Willem, die den Madoc(26)maecte,Daer hi dicke omme waecte,Hem vernoyede so haerdeDat davonturen van ReinaerdeIn Dietsce onghemaket bleven,(Die hi hier hevet vulscreven),Dat hi die vite [dede] soeken,Ende hise na den walscen boekenIn Dietsce dus hevet begonnen.
Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin heet het niet, dat de historie niette rechtis geschreven, of dat ereen deelvan is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert (verg. vs.31) waren in het geheel in het Dietschongemaakt: dit was hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het Dietsch overbracht.
De tusschenzin van vs.6moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het geheele gedicht door voorkomen, zie bovenbl.XXIII. En juist daarin vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht treedt.
Het eerste gedeelte vanWILLEMS'betoog vervalt door deze eenvoudige opmerking vanzelf(27).
Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo alsWILLEMSzelf reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de eersteReinaertmet vs.11begon.
Steekt nu werkelijk vs.9zoo sterk af bij vs.40,
Nu hoort hoe ic hier beghinne?
Nu hoort hoe ic hier beghinne?
Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen uit eene dubbele bedoeling is te verklaren?
Maar men lette wel op, dat als men met vs.11den ouden tekst laat aanvangen, men daar terstond leest:
Nu keert hem daer toe mijn sin,Dat ic biddein dit begin, enz.
Nu keert hem daer toe mijn sin,Dat ic biddein dit begin, enz.
zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naarJAN VAN HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de eerste regels zijn boek aanMARGARETAvan Engeland aanbiedt; dan heet het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs.69)
En hadde gedaen van IngelantVrouwe Margriete, alsic thantInt beghinsprac overluut.
En hadde gedaen van IngelantVrouwe Margriete, alsic thantInt beghinsprac overluut.
En dan wederom in het slot der inleiding, vs.78:
Nu helpe my God,ic saels beginnen(28).
Nu helpe my God,ic saels beginnen(28).
Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de ontleening?Grimmneemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als overtuigend bewijs aan(29), en ook wij behoeven er niet aan te twijfelen(30).
Want niemand zal wel metWILLEMS'betuiging tevreden zijn: »De dichter van denReinaertschynt....eengrand clerc, zoowel in het Fransch als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy sommige namen, alsCortois,Malpertuis,MalcroisenPinte, uit eerstgenoemde tael ontleende”(31).
Ja maar, zegt men wellicht metWILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet de wolvinHersanten niet, zoo als bij ons,Hersint!
SedertWILLEMSschreef gelukte hetGRIMMeen groot fragment van den oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen(32), en daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem uitgegeven gedicht,Hersant, maar, even als in onzenReinaert,Hersint, zie b.v. vs.608,627,870,877, enz.—ergo.
Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich begrijpen, als men weet, dat deReinaertniet in allen deele strikt vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging, gelijk wij nader zullen aantoonen.
AlvorensWILLEMS'laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker kan zijn.
Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde. Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke verandering, zoo alsWILLEMSzelf opmerkt(33). In den oudsten tekst namelijk verlaat Reinaert met dezijnen zijn kasteel, om zich in de wildernis te verbergen, vs.3311(3331):
Si daden hem alle up die vaert:Ermeline ende here Reinaert,Ende hare jonghe welpkine,Dese anevaerden die woestine;
Si daden hem alle up die vaert:Ermeline ende here Reinaert,Ende hare jonghe welpkine,Dese anevaerden die woestine;
welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen.
Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger codex niet van eene omwerking wist.
Willemsis natuurlijk van eene andere meening: hij stelt »dat de afschryver van het codex Comburgensis denouderentext vanReinaertkopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te leveren”(34).
Den grond voor die meening geeft hij aldus aan(35):
»De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds met vs. 3395 [ons3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe personnagie, met nameFirapeel, de luipaerd, die den koning tot het besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen:
Daernasullen wi alle lopenNa Reinaerde, ende sulne vangen,Ende bi sine kele hangen;
Daernasullen wi alle lopenNa Reinaerde, ende sulne vangen,Ende bi sine kele hangen;
een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglykeReinaertmet vs.3394sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs.3395eene groote versierde voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint. Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd, noch passend.”
Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs.3374(3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men eerst bij vs.3454(3474) bereikt heeft.
Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij navolgde, verlaten had, en in den luipaard, »des coninx maech” een geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in denRenart Le Nouvel, inMÉONSvierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een epos.
En wat de groote aanvangsletter bij vs.3375(3395) betreft, die kon misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten, ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in het origineel 't welkhij voor zich had voorkwam, zoo als wij later zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs.3454zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter. En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe alinea, gelijk eene welwillende mededeeling vanKAUSLERmij verzekert; zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in rook verdwijnt.
Dat het gedicht met vs.3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zalGRIMMtoestemmen, die juist watWILLEMSals overgangsregels beschouwde, genoemd heeft »den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel”(36).
Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, datWILLEMSop eene andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den omwerker zegt hij(37): »Hy noemt den leeuwLioen, in plaets vanNobel.”
Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking de leeuw slechts één enkel maalLioenheet, vs. 3757:
Ist dat ic coninc heet Lioen;
Ist dat ic coninc heet Lioen;
maar integendeel vs. 3625 vanWILLEMS'uitgaaf, evenzeer genoemd wordtNobel die coninc. Maar juist in de verzen dieWILLEMSals overgangsinlapsel beschouwt lezen wij:
Hi sprac: „Here, coninc lioen,vs.3378Dit biet u die coninc lioen.vs.3444
Hi sprac: „Here, coninc lioen,vs.3378Dit biet u die coninc lioen.vs.3444
Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen van den oudsten schrijver vloeiden?
Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot twijfel; maar ziet, vs.1837lees ik dezelfde benaming:
Vort sprac Reinaert: „Coninc lioen,Wien twifelt des, ghine moghet doen?
Vort sprac Reinaert: „Coninc lioen,Wien twifelt des, ghine moghet doen?
Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen, gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het vijfde vers volgens de echte lezing.
Ik vertrouw dat de heerC. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering, mijn stelsel niet meer zoo »onaennemelyk” zal vinden(38). Volgens hem pleit tegen mijne meening »dat het moeijelyk te veronderstellen is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen eigenen verzwegen zou hebben.” Ik antwoord:hoe moeyelijk ook te veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ookWILLEMheette, maar zich dan toch nooit denMadockon toeëigenen), zijn diefstal alleen bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nogongemaaktkon heeten, blootelijk te veranderen inniet te recht geschreven.
Voorts zegtSERRURE, »dat het niet zeer waerschynlyk is dat de oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven hebben.”
Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt verwezen naar de inleiding vanWILLEMS, bl.XXXVIII, die zich beroept op vs.444en2953–2969. In het eerste vers heette het dat men begon te zingen
Dat placebo Domino;
Dat placebo Domino;
en in de tweede plaats wordt eene spreuk van »meester Jufroet” aangehaald (dien men gewoonlijk voorGodfredus Andagavendishoudt), waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis verwerven.
Met deaanwijzingder plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging vanWILLEMSgeleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien dat gevoelen te weêrspreken.
Maar ook al aangenomen dat de schrijver van denReinaerteen geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde van eene vrouw schreef, dan dat de pastoorHEIN VAN AKENzich dit veroorloofde,die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald had(39)?
Zoo het verder bijSERRUREheet: »zeker was zulk kundig en vernuftig dichter als de opsteller van het eerste boek desReinaerts, niet in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te berymen,” dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar ik noch bijSERRUREhet betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en onbeduidend is, tenzij men metWILLEMSmalschvs.19vertale doorweek! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van denFlorisstellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta vanSERRUREtegenspreekt.
ZooWILLEMSen die hem volgen dien proloog met alle geweld den omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent dat hij »naden walscen boeken” gearbeid heeft. De waarheid heeft intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zooWILLEMal walsche bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding daartoe in den vreemde gevonden was.
Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hijWILLEMgeheeten was, en vroeger reeds denMadocgeschreven had; 2) dat hij naar fransche geschreven bronnen (walsce boeken) gewerkt heeft.
Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de fransche gedichten betreffende de dierensage.
In Frankrijk is de Reinaertsage zeer oud(40). In deChanson des Lorrains, wier oudste branche omstreeks 1130 den vorm aannam waarin zij ons bekend is(41), heet het vanBERNARD DE NAISIL, die ingesloten was in een kasteel met onderaardsche sluipwegen, waaruit hij uitvallen deed (II. 53),
Renart resenble qu'en la taisnière est mis,
Renart resenble qu'en la taisnière est mis,
hetgeen wellicht op een oud gedicht ziet, dat de belegering van Reinaerts burcht behelsde; maar in allen gevalle door het gebruik van den eigennaam in stede van het appellativum bewijst dat de sage algemeenbekend was, zoo ook hier de dichter alleen een in zijn hol bestookten vos op het oog had.Grimmheeft eene plaats aangehaald vanGUIBERT DE NOGENT, die in 1124 stierf, waaruit blijkt, dat ten jare 1112 de verhalen van Reinaert en Isengrim zoo algemeen bekend waren te Laon in Noord-Frankrijk, dat men een mensch van een woest voorkomen, »propter lupinam speciem” Isengrim kon noemen, en de beteekenis daarvan algemeen begrepen worden(42). Daaruit volgt, dat de sage daar minstens een menschenleeftijd lang moest bekend zijn, en zeker reeds in het midden der elfde eeuw (1050) voorkwam.
Of die oudste sporen der Reinaertsage in Frankrijk op eene poëtische of prozaïsche vorm terugwijzen, is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar wij weten dat beide vormen nevens elkander bestonden. Eene der tot ons gekomen fransche gedichten uit dezen cyclus(43)zegt onder anderen:
Tout cil qui en content sans rimeNe sevent pas vers moi la dîme:Il le vous content à l'envers;
Tout cil qui en content sans rimeNe sevent pas vers moi la dîme:Il le vous content à l'envers;
waaruit blijkt, dat er werkelijk ook prozaïsche verhalen in omloop waren(44), die waarschijnlijk wel de oudste zijn, daar zij niet zijn opgeschreven, althans niet tot ons gekomen.
Met de poëtische verhalen is dit anders, en wij bezitten eene reeks van gedichten die te samen meer dan30,000 verzen bevatten, alle takken (branches) van den grooten stam, maar door verschillende dichters, in verschillende tijden bewerkt.
Dat die stukken gelijk wij ze bezitten in de uitgave vanMÉON, slechts omwerkingen zijn van oudere gedichten, is de meening van de voortreffelijkste geleerden die zich met dit onderwerp hebben bezig gehouden, hoewel hun oordeel eenigsins uiteenloopt over de tijdsbepaling van hunne tegenwoordige vorm. Zoo zegtGRIMM(45): »abgefasst sind die frühsten derselben [branches] wahrscheinlich von der zweiten hälfte des zwölften jahrhunderts an bis in die mitte des dreizehnten; allein in der gestalt, welche sie jetzt zeigen, mögen die altesten schon vielfach überarbeitet und verändert vorliegen, fast alle dem 13, einzelne sogar dem 14. jh. zufallen.”
Ongeveer op dezelfde wijze oordeeltROTHE(46): »Bien qu'il soit impossible d'indiquer nettement l'origine des divers récits, et que, dans la forme où nous les connaissons aujourd'hui, une grande partie ne soit que des versions postérieures de compositions plus anciennes, selon toute apparence la plupart des morceaux qui composent pour nous aujourd'hui leRoman de Renartdatent du treizième siècle. Quelques uns pourraient bien être du douzième, d'autres semblent ne dater que du quatorzième. Tous appartiennent infailliblement et originairement au nord de la France, à la langue d'oïl, à la littérature romane-wallonne, celle des trouvères”(47).
Faurielerkent ook in de bestaande branches omwerkingen van ouder stukken; hij laat zich niet uit over de tijdsbepaling, maar karakterizeert met een paar woorden den invloed dien de jonger trouvères op het ouder stuk hebben uitgeoefend(48), dat zij »reprirent pour ainsi dire en sous-œuvre, la remanièrent, la refirent, l'ornèrent, l'altérèrent dans tous les sens, suivant en cela leurs nouvelles idées et leurs nouvelles fantaisies. Ce travail, qui dura plus d'un siècle, eut pour fruit le Renart, dans l'état où il nous reste en français.” Dit had twee gevolgen: »l'un fut le remaniement, la reproduction sous une forme nouvelle, des fables dont se composait le Renart primitif; l'autre fut l'invention de beaucoup de nouvelles fables.”
Zeer zeker is er geene enkele onder de 32 branches vanMÉON, die niet de merkbare sporen draagt van omwerking, blijkbaar in de uitvoerige schildering van bijzonderheden, in het talent van verhalen, welk alles herinnert aan het weelderige tijdperk waarinCHRESTIENS DE TROIESbloeide, en dat sterk afsteekt bij de drooger, eenvoudiger, minder kunstmatige manier van een vroeger tijdvak. Nu is het maar de vraag of het mogelijk is, van sommigen althans, den ouderdom met eenige juistheid aan te geven.Grimmzelfs is, gelijk wij zagen, slechts tot zeer algemeene rezultaten gekomen; en hoezeer ik de waarde van zijn uitstekend werk zoo hoog schat als iemand(49), geloof ik toch dat het plicht is te onderzoeken, of het niet mogelijk is tot een bepaalder slotsom te geraken, vooral daar deze vraag van het hoogste belang is voor de juiste beoordeeling van onzen Reinaert.
Ons onderzoek eischt eenige uitvoerigheid, daar wij door een omweg slechts tot het beoogde doel kunnen geraken, waarbij wij tevens op onzen weg enkele andere zeer belangrijke waarheden zullen vinden.
In de eerste plaats doet zich de vraag op, of er geen spoor meer overig is van een ouder, eenvoudiger, drooger redaktie van eenig stuk uit de verzameling vanMÉON? En het antwoord is: niet in het oorspronkelijke; maar er bestaat eene Middenhoogduitsche vertaling van een ouder stuk, welks inhoud en algemeene gang grootendeels overeenkomt met de twintigste branche vanMÉON(50), welke wederom in hare eerste helft zoo met onzen oudsten Reinaert overeenstemt, dat men tot de overtuiging gekomen is, dat het eene stuk uit het andere vertaald is.
Zien wij welke uitkomsten de vergelijking dezer drie stukken geeft, nadat wij eerst eenige meer algemeene beschouwingen voorop gezet hebben.
Het Mhd. gedicht dat wij bedoelen is deReinhartvanHeinrîch der Glichesære.
Dat dit gedicht uit het Fransch vertaald is, heeftGRIMMbetoogd uit de onduitsche vormen van sommige eigennamen alsBirtîn,Hersant,Isengrîn,SchanteklêrenPinte; terwijlUebellochblijkbaar eene vertaling is vanMalpertuis. Ook het woordvillân, »hätte nicht leicht ein deutscher älterer dichter gebraucht(51).” Voorts haalt hij ook nog uit de oudste duitsche bewerking de woordencousenbordûzaan om zijn gevoelen te staven(52).
Rotheerkent dan ook(53)dat de duitsche dichter »connaissantinfailliblementun poëme antérieur de Renart en français, et profitant de cette connaissance, a composé le premier un poëme de Reinhart dans l'ancienne langue allemande.”
EnFAURIELgetuigt uitdrukkelijk(54): »Le Reinhart, tel qu'il nous reste, doit être considéré au fond et dans son ensemble comme l'imitation expresse d'un original français. Cet original sans doute n'existe plus; mais tels sont, ou pour mieux dire, tels durent être les rapports avec le Renart allemand, que celui-ci peut en représenter jusqu'à un certain point la substance et la suite.”
Het duitsche gedicht bevat zeven verschillende verhalen, wier inhoud in de fransche branches wordt terug gevonden. Het laatste en uitvoerigste, vs. 1239–2248, komt overeen met onzen Reinaert en de 20e(16e) fransche branche.
Nu is het opmerkelijk, dat onze Reinaert de zes eerste verhalen niet bevat, en dat de fransche branche vs. 9659 uitdrukkelijk aanvangt met de woorden: