Ce dist l'estoire ès premiers vers.Weêrspreekt dit niet de meening dat er samenhang tusschen deze verschillende gedichten bestaat? Niet in 't minst; want er bestond al vroeg bij de dichters een streven om verschillende kleine overleveringen uit dezen cyclus tot een grooter geheel te verwerken. Dat dit in de fransche branches het geval was, voeldeROTHEreeds(55).Faurielis het met hem eens, als hij zegt(56): »Les trouvères combinèrent de la manière la plus arbitraire, dans plus d'une des grandes branches du roman, des fables composées séparément, et faites pour rester séparées.... Il y aurait, à cette occasion, une bonne étude à faire de la licence et du caprice de ceux qui ont essayé la fusion de plusieurs des fables de Renart en une seule composition; mais on sentira que c'est un point fort délicat et fort complexe, auquel nous ne pouvons nous arrêter.”Wellicht komen wij in den loop van ons onderzoek op dit laatste gezegde terug; zien wij eerst hoe met betrekking tot denReinhartookFAURIELaanneemt(57), dat de verschillende verhalen oorspronkelijk niet tot elkander behoorden, niet als eene ondeelbare eenheid zijn te beschouwen, niet vormen »une véritable unité qui tienne à un plan primitif, mais une sorte d'unité factice et cherchée après coup; c'est un ensemble résultant d'une simple juxtaposition de récits divers.”Of nuGLICHESÆREde verschillende takken heeft bijeengevoegd, dan of hij die reeds zoo in zijn voorbeeld verbonden aantrof, is niet uit te maken. In de omwerking van het duitsche gedicht heet het vs. 1788:HeinrichDer hât diu buoch zesamene geleitVon Isengrînes arbeit:daaruit zou men wellicht mogen opmaken, dat eerst de Duitscher de verschillende branches had te samen gevoegd; maar in den ouder codex leest men die plaats aldus:HeinrichEr hât daz buoch gedichtôtUmbe Isengrînes nôt;zoodat dit punt wel onbeslist zal moeten blijven.Zooveel is zeker, datHEINRICH DER GLICHESÆREomstreeks 1150 leefde(58), zoodat het fransche origineel waarnaar hij werkte, uiterlijk in de eerste helft der twaalfde eeuw valt; naar den geheelen toon te oordeelen moet het echter eer tot de laatste jaren der elfde dan tot de twaalfde eeuw gebracht worden, en kan zeker niet veel jonger zijn dan van omstreeks het jaar 1100(59).Sterk steken tegen het mhd. gedicht de fransche branche 20 (16) en de mnl.Reinaertaf, die jonger zijn, veel nader met elkander verwant, en niet slechts de wijze van behandeling en vele details onderling gemeen hebben, maar zelfs een aantal letterlijk gelijkluidende regels. Dat zij eene omwerking van het ouder fransche stuk, dat aan denReinhartten grondslag lag, vormen, valt terstond in het oog: dat het een uit het ander voortvloeide maakt reeds eene oppervlakkige beschouwing aannemelijk; maar welk van beiden is hier het oudste, waarnaar het andere werd bewerkt?Rotheschijnt tot eene ontleening van het vlaamsche uit het fransche gedicht over te hellen, hoewel hij zich daaromtrent niet duidelijk verklaart. Eerst zegt hij(60): »Les deux tiers de la vingtième branche.... contiennent en entier le récit des vingts-trois premiers chapitres du premier livre duReineke Fuchs[en dus ook van onzenReinaert].Pour le reste seulement, cette branche duRoman de Renartdiffère entièrement de la fin du premier livre deReineke.” En twee bladzijden verder laat hij hierop volgen: »Le poète flamand du douzième siècle.... a dû connaître les poëmes français et a pu en tirer partie.”Men ziet, dit is zeer onbepaald en leidt tot geen rezultaat.Grimmneemt aan, dat het fransche geene aanspraak kan maken het origineel van het vlaamsche stuk geweest te zijn(61).Willemsgaat veel verder. Hij beweert dat deestoire,l'escrit, dat het fransche stuk als zijn origineel aangeeft (vs. 6959, 10036, 10595), »geene andere dan onze vlaemsche Reinaert [is]. De vergelyking der twee texten laet deswege geen twyfel over(62).”Ten bewijze vestigt hij de aandacht op een aantal gelijkluidende regels.Dit toont intusschen wel aan, dat het eene voor een groot deel naar het andere vertaald is, maar er volgt nog niet noodzakelijk uit, dat het vlaamsche gedicht juist aan het fransche ten model verstrekte, en niet omgekeerd.MaarWILLEMSheeft een bewijs dat het pleit schijnt te voldingen. »Ja, wat meer is,” roept hij triomferend uit, »in vs. 10493 laet hy zelfs hetvlaemschewoordwillecomestaen, op dezelfde plaets waer hy het in denReinaertaentrof, vs.1073.... Kan er wel een sprekender bewys van navolging gevonden worden?”En werkelijk, als Tibert bij Reinaert komt om hem ten hove te dagen, heet het vs.1072:Tibert, helet vri,Neve, ghi sijt miwillecome!En daarvoor heeft het Fransch, vs. 10493:Tybert, fet li Renarz,villecome!Het vraagstuk schijnt vooral door dit laatste bewijs beslist! Maar hoe, zoo dit slechts schijn ware?Vooreerst staat het woordwillekomeook in denReinhart, vs. 1663:Er sprach: „Willekome, sippebluot!”waarin het wellicht reeds uit het fransche origineel overging; want zoo het woord al ontegenzeggelijk duitsch en vlaamsch is, het werd weldra ook in het Fransch opgenomen.Vooreerst in den in Vlaanderen geschrevenRenart Le Nouvel(MÉON, tom.IV), leest men:S'irai al apostole à Roume,1361Et as legas, kiwilecoume,Diront à moi.Convoitise vo fille ainsnée,1371Ki moult serawalecouméeAs cardounaus et au clergié.En flament haut le salua:3366„Goude jonkhiere, goudendast,”Tibiert li respont en soumat:„Goude kenapewilleconme!”In de 27e(22e) branche, waarmedeMÉONSderde deel aanvangt, leest men, vs. 20026:Ysengrins a le chief levé,Si a Renart aparcéu:„Willecome, bien veigne-tu,Renart, qar vos venez séoir!”Ja zelfs tot in Normandië was het woord doorgedrongen, daar men immers in deChroniques de NormandievanBENOIT(ed.FRANC. MICHEL, tom. II, pag. 112) leest, vs. 18608:Là vunt les lices desfermer,Si receivre, siwelcumier,waarMICHELhet ww. verklaart als »accueillir, souhaiter la bonne venue à quelqu'un.”Het is dus niet onmogelijk dat de schrijver der ons bekende branche 20 (16) dit woordt. a. pl.reeds in zijn voorbeeld vond, of anders het hier uit zichzelf invoerde, daar hij stellig een Vlaming was, gelijk men mag opmaken uit het vs. 11728 aangehaalde Arras, en uit de vlaamsche woorden die hij gebruikt.Het betoog vanWILLEMSkan dus voor ons geene bewijskracht hebben, en wij moeten trachten de zaak op nieuw te onderzoeken.Er is werkelijk een toetssteen, en wel een die zoo voor de hand ligt, dat het ons verwondert, hem nog ongebruikt te zien. Immers als men het vlaamsche gedicht en de fransche branche doorloopend vergelijkt met den mhd.Reinhart, die het oudere fransche origineel vertegenwoordigt, dan moet er wel licht opgaan; want het stuk dat in den regel nader aan het oorspronkelijke komt, in plaatsen waar het andere er van afwijkt, moet noodzakelijk de middenterm uitmaken.Zien wij dan tot welke uitkomsten zoodanige vergelijking leidt.In de beschrijving van den hofdag verschillen de drie stukken aanmerkelijk van elkander. De eigenaardige aanleiding tot dien hofdag vindt men alleen in het mhd. gedicht, en wordt evenmin in het fransche als vlaamsche stuk aangetroffen, zoodat dit waarschijnlijk een toevoegsel van denGLICHESÆREis, daar het toch niet aannemelijk schijnt dat dit in het oude fransche origineel zou hebben gestaan, alsGRIMMgist(63), dewijl er nergens in de jonger fransche branches eenige toespeling op voorkomt.Overigens staat toch ook zelfs hier de fransche branche nader aan het Mhd. dan onzeReinaert. In het Mhd. heet het, vs. 1366:Do suochte reht her Isengrîn,Eins vorsprechen er gerte,Der künic in eines gewerte:Daz muose Brûn der bere sîn.En Brûn doet dan ook de aanklacht namens zijn kliënt. Dat alles heeft in de beide andere stukken geen plaats, maar in het fransche mengt Bruns li Ors zich toch in het geding (9705), hetgeen wel een uitvloeisel van de vroegere voorstelling kon zijn. Buitendien vinden wij nog andere overeenkomst. In het Mhd. wendt zich Krimel, de das, in zijne verdediging van Reinhart tot Hersant, en zegt, vs. 1396:Ver Hersant, nu seget wieIuch iwer man bringt ze mære:Daz magiu wesen swære,nadat hij eerst heeft aangetoond dat Reinhart haar, die veel grooter is, onmogelijk tegen haren wil heeft kunnen verkrachten.In het Fransch zegt Grimbersli tessonsevenzoo, vs. 9761:N'i ot force fèteNe huis brisié, ne trive frète;en ook daar wendt hij zich vervolgens tot Hersent, vs. 9779:Haï! quel clamor et quel pletVos a hui vostres mari fetA tantes bestes regarder!......................Il ne vos crient ne ne resoigne.Als later de moord aan Coppe gepleegd, bekend raakt, wordt in het Mhd. des konings »zornege muot” (vs. 1474) uitdrukkelijk vermeld; hij sprak:„Sam mir mîn bart,Sô muoz der fuhs ReinhartGewislîchen rûmen diz lant,Odr er hât den tôt an der hant.”En hij gebaarde daarbij zoo woedend, dat de haas van schrik de koorts kreeg, vs. 1484:Vor vorhten bestuont in der rite.Ook in de fransche branche wordt 's konings woede geschilderd, vs. 10041:Et qant li rois vit Chantecler,Pitié li prist du bacheler,Un soupir a fait de parfont,Ne s'en tenist por l'or du mont.Par mautalent drece la teste,One n'i ot si hardie beste,Ors ne sangler qui péor n'aitQant lor sire sospire et brait.Tel péor ot Coarz li lièvresQue il en ot deus jors les fièvres,etc.Van dat alles vindt men nu in onzen vlaamschenReinaertniets.Als later Coppe begraven wordt, zegt het Mhd. vs. 1485:Der künec hiez singen gânHern Brûnen, sinen kapelân,Und ander sîne lêreknaben;Der tôte wart schiere begraben.hetgeen in het Fransch, vs. 10090 aldus luidt:„Sire Bruns, prenez une estole,Et vos, sire Bruians li tors,Commandez l'ame de cest cors;Là sus enmi cele costureMe fètes une sépoutureEntre ce plain et ce jardin,Si parleron d'autre Martin.”—„Sire, fait Bruns, vostre plaisir.”Atant va l'estole saisir,Et non mie tant solement,Mès li rois el commencement,Et tuit li autre dou concileOnt commenciée la vigile.Sire Tardis, li limaçons,Chanta por cele trois leçons,Et Rooniax chanta li vers,Et il et Brichemers, li cers,Et Bruns, li ors, dist l'oroison,Que Diex gart l'ame de prison.Qant la vegile fu chantée,Et ce vint a la matinée,Le cors portèrent enterrer,etc.Dit is blijkbaar eene uitbreiding van het Mhd. In denReinaertleest men alleen dat Nobel aan Cantecleer zegt, vs.431:[Wi] sullen onse vigilien singhen:Daerna sullen wise bringhen,Den lichame, ter eerden met ere...........................Dat hi gheboot was sciere ghedaen.Doe mochtemen horen aneslaenEnde beghinnen, harde ho,Dat Placebo Domino,Ende die verse, die daer toe horden.Ic seide ooc, in waren worden,Neware het ware ons te lanc,Wie daer der siele vers sanc,Ende wie die sielelesse las.Doe die vigilie ghehent was,Doe leidemen Coppen in dat graf,enz.Men heeft deze plaatsen maar te vergelijken, om zich te overtuigen dat de fransche branche onmogelijk naar denReinaertkan bewerkt zijn, daar in het laatstgenoemde stuk Bruun niet genoemd wordt als zanger van den lijkdienst. Daarentegen pleiten de kursief gedrukte regels veeleer voor de tegenovergestelde opvatting.In het Mhd. volgt dan het verhaal hoe de haas zich op het graf van Coppe te slapen legt en daar van zijne koorts genezen wordt, waaruit blijkt dat de verslagene eene heilige martelares was, hetgeen aanleiding geeft, dat allen op Reinhart woedend worden.Der hase leit sich ûf daz grap:1489.Ze kurzen wîlen er entswap,Als ich iu sagen muoz,Dô wart im des riten buoz.Der hase ûf erschrihteFürn künec gienger enrihte,Und sagt im vremdiu mære,Daz daz huon wæreHeilec vor gotes gesihte,etc.Hetzelfde verhaal vindt men in het Fransch terug, hoewel het daar niet op zijne juiste plaats staat, daar Bruin reeds vertrokken is..... mesire Coars, li lièvres,10149.Qui de péor trembloit les fièvres,Deus jors les avoit jà éues,Merci Dieu, or les a perduesSor la tombe dame Copée:Car qant ele fu enterrée,Onc ne se volt d'iloc partir,Ainçois dormir sor le martir.En dan wordt er nog bijgevoegd, dat ook Ysengrin zich op het graf legt, voorgevende kiespijn te hebben,waarvan hij ook beweert genezen te worden, hoewel niemand aan zijn zeggen geloof hecht.Dit laatste nu is stellig een inlapsel van den franschen trouvère, die Nobel voorstelt als den vos niet ongenegen, waarom Isengrim alle middelen te baat neemt om den koning tegen zijn vijand op te zetten; misschien is het zelfs alleen het werk van een afschrijver. Maar in allen gevalle kan het geheele mirakelverhaal hier niet uit denReinaertzijn overgenomen, omdat het daar in het geheel niet voorkomt.Het gezantschap van Bruun wijkt in de voorstelling van de beide jongere stukken nog al af van het Mhd.; maar ook hier hebben wij twee plaatsen die bewijzen, dat het Fransch onmogelijk naar het Vlaamsch kan vertaald zijn, wel omgekeerd.Als Bruun Reinaert uitnoodigt om met hem ten hove te gaan, zegt deze, in de fransche branche, dat hij vanzelf reeds op weg zou zijn, zoo hij niet eerst had willen eten, en wel (vs. 10204)D'un merveilleus mengier françois;want ten hove worden de rijke lieden goed ontvangen, en hun zet men een goed maal voor, maar den arme noodigt men niet ten disch.„Por tel afère con ge di,10231.Biau sire, avoie dès mardiMon lart et mes pois aünez;Dont je me sui desjéunez,Et s'ai bien mengié deus denréesDe novel miel en fresches rées.Die lofspraak op den honing, dien hij ook later, vs. 10252 noemt »cest bon miel frès et novel”, is hier geheel op hare plaats, en dient om den beer begeerig te maken naar die lekkernij.De Vlaming behandelt de zaak anders: hij laat Reinaert zeggen, dat hij naar het hof zou zijn gegaan indien hijniet zooveel van »ere vremder niewer spise” gegeten had, dat hij niet kon loopen; en toch was het maar eene onedele spijs, »cranke have,” want arme lieden moeten eten wat zij bij de hand hebben en niet wat zij zouden wenschen. Dien honing,„Die moetic eten dor den nootAls ic el niet mach ghewinnen.”Men ziet hierduidelijkhet plan van den vos om de spijs te smalen, ten einde den beer des te beter om den tuin te leiden. Vandaar dat Bruin dan ook antwoordt (vs.575):Helpe, lieve Vos Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?Daarbij steekt nu sterk af dat hij ter zelfder plaatse die verachtelijke spijs noemt (vs.568)Goedeversche honichraten.Men kan alleen begrijpen hoe deze in den samenhang niet passende uitdrukking in den vlaamschen tekst gekomen is, als men daarin eene ondoordachte vertaling ziet van het fransche »bon miel frès et novel.”Als verder Reinhart den beer in 't ongeluk gebracht heeft doetGLICHESÆREhem naar zijne burcht trekken: dáár voor de deur zittende ziet hij den mishandelden Brûn voorbijloopen, dien hij zijn bijtenden spot achterna zendt.Her Brûn vor zorne nicht ensprach1605.Wan daz ern übellich ane sach.Evenzoo heet het in het fransche gedicht van Renart, vs. 10402,Qant il oï Brun de loing plaindre,Si s'est mis parmi une adreceà Malpertuis sa forterece,Où il ne crient ost ne agait.Au trespasser que Bruns a faitLi a Renarz deus gaz lanciez.........................Li ors estoit si adolezQu'il ne li pot respondre mot,Fuiant s'en vet plus que le trot.In den vlaamschenReinaertnu raakt de beer in 't water, en aan den oever der rivier ontmoet hem de vos, die zich wilde gaan baden.Grimmmeent dat ook des beeren vlucht door de rivier in het verloren ouder fransche gedicht kan gestaan hebben(64); maar dit is onwaarschijnlijk, daar de nieuwere branche zich geheel aan het Mhd. houdt; en waar dit het geval is kan deze branche wederom onmogelijk naar denReinaertvertaald zijn, die zich zoo ver van het Mhd. verwijdert.Het gezantschap van Tibert zal ons geen punt van vergelijking opleveren, omdat in het Mhd., volgensGRIMMSopmerking »der ganze vortrag hier eine leidige zusammenziehung verräth, und bedeutende abweichung von der andern recension(65).”De biecht komt in het Mhd. niet voor. Maar als Reinaert zich opmaakt naar het hof, zegtGLICHESÆRE, vs. 1831:Ein criuze machter für sich,Er sprach: „Got bewar nu michVor bœsen lügenæren,Daz si mich nicht beswæren.En zoo ook in het Fransch, vs. 10866:Lors se coucha adenz à terre,Et trois foiz se rendi copables,Puis se seigna por les déables,Et por dant Noble, le lion,Moult fu en grant afflicion.En dit ontbreekt in het vlaamsche stuk.Als Reinaert ten hove is gekomen loopen de driestukken weder geheel uit een, zoodat hier de vergelijking ophoudt.Uit de overweging der plaatsen die wij tegen elkander hebben gehouden blijkt dunkt mij onwedersprekelijk, dat de fransche branche onmogelijk naar onzen vlaamschenReinaertkan zijn vertaald, zoo alsWILLEMSals bewezen aannam; want herhaaldelijk troffen wij in het Fransch plaatsen aan afwijkend van het vlaamsche gedicht maar gelijkluidend met het mhd. of ouder fransche stuk.Er is, dunkt mij, nog een ander bewijs voor den gedeeltelijken oorsprong van denReinaertuit het Fransch. Ik druk niet op de enkele fransche woorden, als morseel, museel, enz. die er in voorkomen, ik laat zelfs hier het woordmalebuiten rekening, dat vs.400en889in de overdrachtelijke beteekenis vanmaagofmuilwordt gebruikt, even als in het Fransch vs. 18004Et Tybert differma samale.Maar ik moet wijzen op eene uitdrukking, die alleen door vergelijking met het Fransch verstaanbaar wordt. Vs.130heet het:Hi (R) ne heeft ooc niemene so lief,Noden coninc, minen here,Hine wilde dat hi lijf ende ereVerlore, mocht hire ane winnen.Nu weet ik niet dat in eenig mnl. stuknowordt aangetroffen in de beteekenis vanzelfs,zelfs niet, die hier geëischt wordt. Alleen het franschenéiskan hier licht geven. B.v. vs. 10467 waar R. genoemd wordt:.... beste de put conroi,Néisà Dex ne porte foi.Of vs. 11529, waar R. alle dieren verschalkt:Renarz a bien chascun liéOu par la coue ou par le pié;Moult par a fet grant deablie:A chascun arbre le suen lie,Néisle roi lia par la coue (sic).Laten wij er nog bijvoegen, dat de behandeling in den vlaamschenReinaertveel voortreffelijker is dan in de fransche branche, zoowel wat de geheele opvatting betreft als de bijzonderheden in de enkele tafreeltjes. Is het nu te verwachten, dat de minder voortreffelijke redaktie eene navolging zou zijn van het betere? Het verschil is zoo groot, dat dit reeds genoegsaam zou zijn om de stelling vanWILLEMSals onaannemelijk, als onmogelijk te doen verwerpen.Maar volgt daaruit dat onze Reinaertnaar deze brancheis vertaald? De afwijkingen in beide teksten waren voorWILLEMSgeen hinderpaal om aan te nemen dat het eene naar het andere werd bewerkt, omdat er in beiden zoovele regels zijn, die blijkbaar letterlijk met elkander overeenkomen; maar het zou niet onmogelijk zijn dat deReinaerteene navolging ware van een ouder stuk dan de bekende fransche branche; aan een jonger valt wel niet te denken, daar er dan wel iets van ter onzer kennisse zou gekomen zijn.A priori is dit echter niet waarschijnlijk, daar men zou moeten aannemen dat er drie fransche redaktiën van hetzelfde verhaal zouden hebben bestaan: 1) de oudste, wier inhoud onsGLICHESÆREheeft bewaard, 2) de eerste omwerking, waaruit dan 3) de ons bekende, minder goede, branche en deReinaertzouden zijn voortgevloeid.Intusschen kan alleen eene nadere vergelijking der verschillende plaatsen van beide teksten tot eene bepaalde uitkomst leiden. Ten einde die zoo doeltreffend mogelijk te maken, moeten wij eerst iets naders trachten te weten van den franschen trouvère die de 20e(16e) branche bewerkte.IV.Zijn naam is ons niet bekend: wij weten echter zeer zeker dat hetPIERRE DE SAINT CLOUDniet geweest is, vooreerst omdat deze in den proloog genoemd wordt als juist dit onderwerp niet hebbende behandeld, terwijl het in de tweede plaats duidelijk blijkt uit een zeer in het oog loopend onderscheid. Onze dichter geeft zijnen dieren ridderlijke zeden enlaat zeb.v. altijd op paarden of muilezels rijden, hetgeen in de 11e(7e) branche die aanPIERREwordt toegeschreven, nimmer plaats grijpt.Zoo nu al 's dichters naam ons onbekend is, zijn geboorteland is niet twijfelachtig.Bovenwezen wij reeds op het vlaamsche woordvillecome; ik voeg er bij de uitdrukkingen:fère letvoorleed doen, vs. 10975;eschames, 10032, voorschamels, die alle naar Fransch-Vlaanderen verwijzen, zoo als wij later nog nader zullen bevestigd zien.Grimmschijnt niet ongeneigd, deze branche aan twee dichters toe te schrijven, althans hij zegt(66): »vielleicht schloss mit 11368 die ursprüngliche branche;.... nun folgen aber fortsetzungen.”Rothemaakt ter naauwernood, en ter loops(67), gewag van dit onderscheid, dat hij in den regel uit het oog verliest;FAURIELspreekt er in 't geheel niet van(68); maar het komt mij ook voor, dat men moet toegeven, dat werkelijk in de laatste helft een nieuw verhaal begint, en dat dit niet aan den dichter van het eerste deel der branche kan worden toegekend, hoewel de navolger waarschijnlijk niet veeljonger dan de eerste dichter moet gesteld worden, met wien hij hetzelfde vaderland gemeen heeft.Vooreerst zullen wij zien, dat de schrijver van den vlaamschenReinaertook dit gedeelte heeft gekend en gebruikt. Voorts treffen wij hier hetzelfde spraakgebruik, dezelfde zinswendingen aan als in het eerste gedeelte. Zoo wordt hier, vs. 11447, de uitdrukking gebruikt:Qu'iroie-ge fesant lonc coute?even als vroeger, vs. 10849:Que vos iroie-ge disant?vs. 11604 heet het:Puis parleron d'autre Bernart,waarvoor vs. 10096:Si parleron d'autre Martin.De taal in beide deelen is die van Fransch-Vlaanderen.Bovendien, vs. 11728 wordt Arras genoemd, hetgeen ons, in verband met de taal, wel recht schijnt te geven beide dichters in Artois te plaatsen.Maar uit die overeenkomst van taal- en spraakwendingen volgt nog in het geheel niet, dat beide stukken van dezelfde hand zijn; want het valt niet te ontkennen, dat er een merkbaar onderscheid in de behandeling van het eerste en laatste gedeelte is waar te nemen.Het geheele karakter, de toon, de wijze van voorstelling en zedeschildering van beide deelen verschilt daartoe te veel. Buitendien zijn er bij naauwkeuriger vergelijking nog enkele verschilpunten, die geen twijfel overlaten.En toch, zegt men wellicht, niet alleen in beide deelen rijden de dieren die tot de hofhouding behooren te paard, maar gelijk in het laatste gedeelte de dieren als ridderlijke strijders worden voorgesteld, zoo is dit ook reeds op het eind van de eerste helft der branche het geval. Immers, als de mannen des konings Reinaert najagen, heet het, vs. 11313:Li limaçons porte l'enseigne,Bien les conduit par la campaigne(69),even als wij in het laatste gedeelte vinden, vs. 11558:.... Dans Tardis li limaçonQui seut porter le gonfanon;en zoo ook nog vs. 11617. Daaruit blijkt immers, dat ook den schrijver van het eerste gedeelte dezelfde wijze van voorstelling niet vreemd is.De opmerking is juist; maar alleen in zooverre, als men metGRIMMaanneemt, dat de omwerking eerst met vs. 11368 aanvangt. Maar wanneer zij eens al bij vs. 11297 begon? of althans wanneer de regels 11297–11319 een inschuifsel waren, waarvan alleen moest blijven staan:Renarz regarde arère soiEt voit qu'il viegnent sans deloi.Ne set conseil que fère doieetc.?De eerste zestien regels toch, de opsomming der dieren bevattende, zijn eene bloote herhaling van de regels 10159–11070, waar grootendeels dezelfde personen worden opgenoemd: die herhaling kan onmogelijk van den eersten dichter afkomstig zijn, evenmin als de navolging van Chanteclers aanklacht op het einde van het gedicht(70).Neemt men nu eene interpolatie aan, dan loopt het verhaal geleidelijk af, en het eind komt dan overeen met het slot der 10ebranche, of der 26eb.v.; en voor die opvatting zou ook pleiten, dat nog vs. 11353 een van Reinaerts zonenRoviaxgenoemd wordt, even alsvs. 10251Rovel(in dativo), terwijl hij later, vs. 11729Rouselheet (in dat.).Neemt men niet eene interpolatie aan, maar schrijft men het geheele stuk, van vs. 11297 af, aan den navolger toe, dan ware er geen slot aan de oorspronkelijke branche.... Zou het dan zoo onmogelijk zijn, dat het oorspronkelijke slot hier was weggelaten, en bij het aanhechten van het tweede gedeelte door een ander vervangen? De vergelijking met den mnl.Reinaertschijnt dit vermoeden in de hand te werken; en niemand zal ontkennen, dat deze vergelijking zeer geschikt is om medetewerken ter verkrijging van een vasteren bodem voor de kritiek van de fransche branches, welke tot nochtoe grootendeels in de lucht zweefde.Is nu het karakteristieke onderscheid in beide deelen der branche niet te ontkennen, wij kunnen ook nog eenige andere bewijspunten aanvoeren.Alleen in het eerste gedeelte wordt de leeuw soms genoemdl'emperère, b.v. vs. 9693, 10059, 10081, 10137, 10663, 11021; nimmer in het laatste.Alleen in het eerste deel vindt men de uitdrukkingpor le cor bieu, b.v. vs. 9945, 10243, 10986, 11231, 11293, die ook in de 10e(6e) branche, vs. 4641, 4573, en eens in 23e(18e) branche, vs. 13240, terugkeert, maar nimmer in het laatste stuk der 20e(16e).In het eerste gedeelte wordt alleen teruggewezen op een ouder verhaal: nog vs. 10036 heet het:Si comme en escrit le trovon,en vs. 10595.Si com nos trovons en l'estoire.Later komt zoodanig beroep niet meer voor. Intusschen is dit deel toch waarschijnlijk ook eene omwerking van een ouder gedicht, waarop misschien wel eene toespeling voorkomt juist in de eerste helft van onze branche, vs. 10803–10817.Het is daarom niet twijfelachtig of het tweede gedeelte der 20e(16e) branche is een toevoegsel van een ander dichter, die intusschen ongeveer een tijdgenoot van den eersten zal geweest zijn.Op de 20ebranche volgt in alle handschriften eene andere, die ten onrechte in tweeën gesplitst is(71), en die wij 21–22 zullen noemen. Zij hangt blijkbaar met de voorgaande samen, gelijk ookGRIMMopmerkte(72); maar of dit ons recht geeft om daaruit te besluiten, dat beiden door denzelfden dichter, namelijk dien van 20a, zouden zijn bewerkt, blijft de vraag. Terwijl sommigen dit aannemen, heeftROTHEhet ontkend; maar op gronden die weêrlegbaar schijnen, en die wij eerst zullen onderzoeken, hetgeen ons noodzakelijk zal leiden tot eene beantwoording der vraag zelve.Ziehier zijn betoog. »Malgré les traits de ressemblance évidents et incontestables entre cette branche et la précédente, sans doute elles sont dues à divers auteurs(73).” Vestigt men zijne aandacht op de sterke bewoordingen van het eerste gedeelte dier uitspraak, dan zal men zeker wel sprekende bewijzen verwachten om het tweede gedeelte te rechtvaardigen. Die bewijzen nu komen hier op neêr: »Le caractère général y diffère; le récit est moins piquant, moins varié, plus plat ici que dans la vingtième branche.”Wat het laatste gedeelte dier bewijsvoering aangaat, zij rust geheel op subjektive beschouwing, en ik twijfel sterk of de zienswijs vanROTHEwel veel bijval zal vinden. Wat het verschillend karakter aangaat, hij heeft daarvoor hier slechts één bewijs aangehaald, dat echter zeer weinig afdoet.De vos, die zich door indompeling in eene kuip met geele verw onkenbaar gemaakt heeft, geeft zich voor een bretonschen jongleur uit: hij weet het speeltuig meester te worden, dat tot zijn beroep behoort, en dan heet het, vs. 12515:Moult s'esbaudist, moult se confortePor la viele qu'il enporte:......................Tant fist Renarz denz quinze disFu bien de la viele apris:Sages en fu et escolez.Dit geeftROTHEaanleiding om te zeggen(74): »Renartse divertitpendant quinze joursavec la viellequi lui a été donnée. Il y a en cela quelque chose de poétique, mais aussi d'assez contraire au naturel de Renart, tel qu'il est caractérisé par le reste.”Maar de geleerde schrijver heeft hier den tekst verkeerd opgevat. Er staat nietmoult s'esbaudistDEla viele, maarPORla viele; hetgeen eenvoudig beteekent, dat hij zich verheugde over het bezit van het speeltuig. Zoo hij er zich veertien dagen meê bezig hield, het was eenvoudig om het te leeren behandelen, ten einde later zijne rol te kunnen spelen. Men ziet dus datROTHESopvatting, die alleen op een misverstand berust, geen gewicht in de schaal van ons oordeel kan leggen.Pag. 262 heet het wederom: »Les branches 21 et 22 n'en forment guère qu'une; elles ont beaucoup de conformité de style et de caractère, mais sous ce rapport, elles diffèrent essentiellement de la branche 20.”Later, pag. 264–265 ontwikkelt hij zijn begrip omtrent het verschil van karakter. Ik moet duidelijkheidshalve de geheele plaats aanhalen.»Les dix-huit premières branches (suivant l'édition et l'arrangement de Méon) se maintiennent constamment sur le ton et dans le caractère de l'apologue, de la fable proprement dite; elles conservent à tous les animaux leur naturel, les font parler et agir selon leurs individualités, leur font seulement jouer des rôles et des personnages conformes à leurs qualités physiques, et pour les hommes qui figurent avec eux comme acteurs dans ces petits drames, ce ne sont guère que quelques prêtres, quelques vilains, familiers à la sphère d'idées des poètes populaires, et qui conviennent à la simplicité ou à la rudesse des positions dans lesquelles ils se trouvent avec les animaux, leurs interlocuteurs ou leurs vainqueurs. Le caractère de simplicité et de naturel de ces dix-huit branches nous dispose à les regarder aussi comme primitives, comme appartenant de préférence aux premiers siècles des compositions de cette espèce, aux siècles de simplicité dans les mœurs et dans les idées, aux temps où le sujetn'apas encore été épuisé, où les versificateurs et leur public n'ont pas encore été blasés sur les tours ingénieux de Renart et la naïveté de la fable.”Alvorens verder te gaan moeten wij opmerken, dat de stelling niet opgaat, daar b.v. de 234 eerste verzen der eerste branche blijkbaar tot de jongste stukken behooren, daar hier herhaaldelijk verklaringen en toepassingen voorkomen, om te doen zien, wie al zoo door Renart en Ysengrin bedoeld worden. In de 13e(9e) branche leest men, vs. 6910:
Ce dist l'estoire ès premiers vers.
Ce dist l'estoire ès premiers vers.
Weêrspreekt dit niet de meening dat er samenhang tusschen deze verschillende gedichten bestaat? Niet in 't minst; want er bestond al vroeg bij de dichters een streven om verschillende kleine overleveringen uit dezen cyclus tot een grooter geheel te verwerken. Dat dit in de fransche branches het geval was, voeldeROTHEreeds(55).Faurielis het met hem eens, als hij zegt(56): »Les trouvères combinèrent de la manière la plus arbitraire, dans plus d'une des grandes branches du roman, des fables composées séparément, et faites pour rester séparées.... Il y aurait, à cette occasion, une bonne étude à faire de la licence et du caprice de ceux qui ont essayé la fusion de plusieurs des fables de Renart en une seule composition; mais on sentira que c'est un point fort délicat et fort complexe, auquel nous ne pouvons nous arrêter.”
Wellicht komen wij in den loop van ons onderzoek op dit laatste gezegde terug; zien wij eerst hoe met betrekking tot denReinhartookFAURIELaanneemt(57), dat de verschillende verhalen oorspronkelijk niet tot elkander behoorden, niet als eene ondeelbare eenheid zijn te beschouwen, niet vormen »une véritable unité qui tienne à un plan primitif, mais une sorte d'unité factice et cherchée après coup; c'est un ensemble résultant d'une simple juxtaposition de récits divers.”
Of nuGLICHESÆREde verschillende takken heeft bijeengevoegd, dan of hij die reeds zoo in zijn voorbeeld verbonden aantrof, is niet uit te maken. In de omwerking van het duitsche gedicht heet het vs. 1788:
HeinrichDer hât diu buoch zesamene geleitVon Isengrînes arbeit:
HeinrichDer hât diu buoch zesamene geleitVon Isengrînes arbeit:
daaruit zou men wellicht mogen opmaken, dat eerst de Duitscher de verschillende branches had te samen gevoegd; maar in den ouder codex leest men die plaats aldus:
HeinrichEr hât daz buoch gedichtôtUmbe Isengrînes nôt;
HeinrichEr hât daz buoch gedichtôtUmbe Isengrînes nôt;
zoodat dit punt wel onbeslist zal moeten blijven.
Zooveel is zeker, datHEINRICH DER GLICHESÆREomstreeks 1150 leefde(58), zoodat het fransche origineel waarnaar hij werkte, uiterlijk in de eerste helft der twaalfde eeuw valt; naar den geheelen toon te oordeelen moet het echter eer tot de laatste jaren der elfde dan tot de twaalfde eeuw gebracht worden, en kan zeker niet veel jonger zijn dan van omstreeks het jaar 1100(59).
Sterk steken tegen het mhd. gedicht de fransche branche 20 (16) en de mnl.Reinaertaf, die jonger zijn, veel nader met elkander verwant, en niet slechts de wijze van behandeling en vele details onderling gemeen hebben, maar zelfs een aantal letterlijk gelijkluidende regels. Dat zij eene omwerking van het ouder fransche stuk, dat aan denReinhartten grondslag lag, vormen, valt terstond in het oog: dat het een uit het ander voortvloeide maakt reeds eene oppervlakkige beschouwing aannemelijk; maar welk van beiden is hier het oudste, waarnaar het andere werd bewerkt?
Rotheschijnt tot eene ontleening van het vlaamsche uit het fransche gedicht over te hellen, hoewel hij zich daaromtrent niet duidelijk verklaart. Eerst zegt hij(60): »Les deux tiers de la vingtième branche.... contiennent en entier le récit des vingts-trois premiers chapitres du premier livre duReineke Fuchs[en dus ook van onzenReinaert].Pour le reste seulement, cette branche duRoman de Renartdiffère entièrement de la fin du premier livre deReineke.” En twee bladzijden verder laat hij hierop volgen: »Le poète flamand du douzième siècle.... a dû connaître les poëmes français et a pu en tirer partie.”
Men ziet, dit is zeer onbepaald en leidt tot geen rezultaat.
Grimmneemt aan, dat het fransche geene aanspraak kan maken het origineel van het vlaamsche stuk geweest te zijn(61).Willemsgaat veel verder. Hij beweert dat deestoire,l'escrit, dat het fransche stuk als zijn origineel aangeeft (vs. 6959, 10036, 10595), »geene andere dan onze vlaemsche Reinaert [is]. De vergelyking der twee texten laet deswege geen twyfel over(62).”
Ten bewijze vestigt hij de aandacht op een aantal gelijkluidende regels.
Dit toont intusschen wel aan, dat het eene voor een groot deel naar het andere vertaald is, maar er volgt nog niet noodzakelijk uit, dat het vlaamsche gedicht juist aan het fransche ten model verstrekte, en niet omgekeerd.
MaarWILLEMSheeft een bewijs dat het pleit schijnt te voldingen. »Ja, wat meer is,” roept hij triomferend uit, »in vs. 10493 laet hy zelfs hetvlaemschewoordwillecomestaen, op dezelfde plaets waer hy het in denReinaertaentrof, vs.1073.... Kan er wel een sprekender bewys van navolging gevonden worden?”
En werkelijk, als Tibert bij Reinaert komt om hem ten hove te dagen, heet het vs.1072:
Tibert, helet vri,Neve, ghi sijt miwillecome!
Tibert, helet vri,Neve, ghi sijt miwillecome!
En daarvoor heeft het Fransch, vs. 10493:
Tybert, fet li Renarz,villecome!
Tybert, fet li Renarz,villecome!
Het vraagstuk schijnt vooral door dit laatste bewijs beslist! Maar hoe, zoo dit slechts schijn ware?
Vooreerst staat het woordwillekomeook in denReinhart, vs. 1663:
Er sprach: „Willekome, sippebluot!”
Er sprach: „Willekome, sippebluot!”
waarin het wellicht reeds uit het fransche origineel overging; want zoo het woord al ontegenzeggelijk duitsch en vlaamsch is, het werd weldra ook in het Fransch opgenomen.
Vooreerst in den in Vlaanderen geschrevenRenart Le Nouvel(MÉON, tom.IV), leest men:
S'irai al apostole à Roume,1361Et as legas, kiwilecoume,Diront à moi.Convoitise vo fille ainsnée,1371Ki moult serawalecouméeAs cardounaus et au clergié.En flament haut le salua:3366„Goude jonkhiere, goudendast,”Tibiert li respont en soumat:„Goude kenapewilleconme!”
S'irai al apostole à Roume,1361Et as legas, kiwilecoume,Diront à moi.Convoitise vo fille ainsnée,1371Ki moult serawalecouméeAs cardounaus et au clergié.En flament haut le salua:3366„Goude jonkhiere, goudendast,”Tibiert li respont en soumat:„Goude kenapewilleconme!”
In de 27e(22e) branche, waarmedeMÉONSderde deel aanvangt, leest men, vs. 20026:
Ysengrins a le chief levé,Si a Renart aparcéu:„Willecome, bien veigne-tu,Renart, qar vos venez séoir!”
Ysengrins a le chief levé,Si a Renart aparcéu:„Willecome, bien veigne-tu,Renart, qar vos venez séoir!”
Ja zelfs tot in Normandië was het woord doorgedrongen, daar men immers in deChroniques de NormandievanBENOIT(ed.FRANC. MICHEL, tom. II, pag. 112) leest, vs. 18608:
Là vunt les lices desfermer,Si receivre, siwelcumier,
Là vunt les lices desfermer,Si receivre, siwelcumier,
waarMICHELhet ww. verklaart als »accueillir, souhaiter la bonne venue à quelqu'un.”
Het is dus niet onmogelijk dat de schrijver der ons bekende branche 20 (16) dit woordt. a. pl.reeds in zijn voorbeeld vond, of anders het hier uit zichzelf invoerde, daar hij stellig een Vlaming was, gelijk men mag opmaken uit het vs. 11728 aangehaalde Arras, en uit de vlaamsche woorden die hij gebruikt.
Het betoog vanWILLEMSkan dus voor ons geene bewijskracht hebben, en wij moeten trachten de zaak op nieuw te onderzoeken.
Er is werkelijk een toetssteen, en wel een die zoo voor de hand ligt, dat het ons verwondert, hem nog ongebruikt te zien. Immers als men het vlaamsche gedicht en de fransche branche doorloopend vergelijkt met den mhd.Reinhart, die het oudere fransche origineel vertegenwoordigt, dan moet er wel licht opgaan; want het stuk dat in den regel nader aan het oorspronkelijke komt, in plaatsen waar het andere er van afwijkt, moet noodzakelijk de middenterm uitmaken.
Zien wij dan tot welke uitkomsten zoodanige vergelijking leidt.
In de beschrijving van den hofdag verschillen de drie stukken aanmerkelijk van elkander. De eigenaardige aanleiding tot dien hofdag vindt men alleen in het mhd. gedicht, en wordt evenmin in het fransche als vlaamsche stuk aangetroffen, zoodat dit waarschijnlijk een toevoegsel van denGLICHESÆREis, daar het toch niet aannemelijk schijnt dat dit in het oude fransche origineel zou hebben gestaan, alsGRIMMgist(63), dewijl er nergens in de jonger fransche branches eenige toespeling op voorkomt.
Overigens staat toch ook zelfs hier de fransche branche nader aan het Mhd. dan onzeReinaert. In het Mhd. heet het, vs. 1366:
Do suochte reht her Isengrîn,Eins vorsprechen er gerte,Der künic in eines gewerte:Daz muose Brûn der bere sîn.
Do suochte reht her Isengrîn,Eins vorsprechen er gerte,Der künic in eines gewerte:Daz muose Brûn der bere sîn.
En Brûn doet dan ook de aanklacht namens zijn kliënt. Dat alles heeft in de beide andere stukken geen plaats, maar in het fransche mengt Bruns li Ors zich toch in het geding (9705), hetgeen wel een uitvloeisel van de vroegere voorstelling kon zijn. Buitendien vinden wij nog andere overeenkomst. In het Mhd. wendt zich Krimel, de das, in zijne verdediging van Reinhart tot Hersant, en zegt, vs. 1396:
Ver Hersant, nu seget wieIuch iwer man bringt ze mære:Daz magiu wesen swære,
Ver Hersant, nu seget wieIuch iwer man bringt ze mære:Daz magiu wesen swære,
nadat hij eerst heeft aangetoond dat Reinhart haar, die veel grooter is, onmogelijk tegen haren wil heeft kunnen verkrachten.
In het Fransch zegt Grimbersli tessonsevenzoo, vs. 9761:
N'i ot force fèteNe huis brisié, ne trive frète;
N'i ot force fèteNe huis brisié, ne trive frète;
en ook daar wendt hij zich vervolgens tot Hersent, vs. 9779:
Haï! quel clamor et quel pletVos a hui vostres mari fetA tantes bestes regarder!......................Il ne vos crient ne ne resoigne.
Haï! quel clamor et quel pletVos a hui vostres mari fetA tantes bestes regarder!......................Il ne vos crient ne ne resoigne.
Als later de moord aan Coppe gepleegd, bekend raakt, wordt in het Mhd. des konings »zornege muot” (vs. 1474) uitdrukkelijk vermeld; hij sprak:
„Sam mir mîn bart,Sô muoz der fuhs ReinhartGewislîchen rûmen diz lant,Odr er hât den tôt an der hant.”
„Sam mir mîn bart,Sô muoz der fuhs ReinhartGewislîchen rûmen diz lant,Odr er hât den tôt an der hant.”
En hij gebaarde daarbij zoo woedend, dat de haas van schrik de koorts kreeg, vs. 1484:
Vor vorhten bestuont in der rite.
Vor vorhten bestuont in der rite.
Ook in de fransche branche wordt 's konings woede geschilderd, vs. 10041:
Et qant li rois vit Chantecler,Pitié li prist du bacheler,Un soupir a fait de parfont,Ne s'en tenist por l'or du mont.Par mautalent drece la teste,One n'i ot si hardie beste,Ors ne sangler qui péor n'aitQant lor sire sospire et brait.Tel péor ot Coarz li lièvresQue il en ot deus jors les fièvres,etc.
Et qant li rois vit Chantecler,Pitié li prist du bacheler,Un soupir a fait de parfont,Ne s'en tenist por l'or du mont.Par mautalent drece la teste,One n'i ot si hardie beste,Ors ne sangler qui péor n'aitQant lor sire sospire et brait.Tel péor ot Coarz li lièvresQue il en ot deus jors les fièvres,etc.
Van dat alles vindt men nu in onzen vlaamschenReinaertniets.
Als later Coppe begraven wordt, zegt het Mhd. vs. 1485:
Der künec hiez singen gânHern Brûnen, sinen kapelân,Und ander sîne lêreknaben;Der tôte wart schiere begraben.
Der künec hiez singen gânHern Brûnen, sinen kapelân,Und ander sîne lêreknaben;Der tôte wart schiere begraben.
hetgeen in het Fransch, vs. 10090 aldus luidt:
„Sire Bruns, prenez une estole,Et vos, sire Bruians li tors,Commandez l'ame de cest cors;Là sus enmi cele costureMe fètes une sépoutureEntre ce plain et ce jardin,Si parleron d'autre Martin.”—„Sire, fait Bruns, vostre plaisir.”Atant va l'estole saisir,Et non mie tant solement,Mès li rois el commencement,Et tuit li autre dou concileOnt commenciée la vigile.Sire Tardis, li limaçons,Chanta por cele trois leçons,Et Rooniax chanta li vers,Et il et Brichemers, li cers,Et Bruns, li ors, dist l'oroison,Que Diex gart l'ame de prison.Qant la vegile fu chantée,Et ce vint a la matinée,Le cors portèrent enterrer,etc.
„Sire Bruns, prenez une estole,Et vos, sire Bruians li tors,Commandez l'ame de cest cors;Là sus enmi cele costureMe fètes une sépoutureEntre ce plain et ce jardin,Si parleron d'autre Martin.”—„Sire, fait Bruns, vostre plaisir.”Atant va l'estole saisir,Et non mie tant solement,Mès li rois el commencement,Et tuit li autre dou concileOnt commenciée la vigile.Sire Tardis, li limaçons,Chanta por cele trois leçons,Et Rooniax chanta li vers,Et il et Brichemers, li cers,Et Bruns, li ors, dist l'oroison,Que Diex gart l'ame de prison.
Qant la vegile fu chantée,Et ce vint a la matinée,Le cors portèrent enterrer,etc.
Dit is blijkbaar eene uitbreiding van het Mhd. In denReinaertleest men alleen dat Nobel aan Cantecleer zegt, vs.431:
[Wi] sullen onse vigilien singhen:Daerna sullen wise bringhen,Den lichame, ter eerden met ere...........................Dat hi gheboot was sciere ghedaen.Doe mochtemen horen aneslaenEnde beghinnen, harde ho,Dat Placebo Domino,Ende die verse, die daer toe horden.Ic seide ooc, in waren worden,Neware het ware ons te lanc,Wie daer der siele vers sanc,Ende wie die sielelesse las.Doe die vigilie ghehent was,Doe leidemen Coppen in dat graf,enz.
[Wi] sullen onse vigilien singhen:Daerna sullen wise bringhen,Den lichame, ter eerden met ere...........................Dat hi gheboot was sciere ghedaen.Doe mochtemen horen aneslaenEnde beghinnen, harde ho,Dat Placebo Domino,Ende die verse, die daer toe horden.Ic seide ooc, in waren worden,Neware het ware ons te lanc,Wie daer der siele vers sanc,Ende wie die sielelesse las.Doe die vigilie ghehent was,Doe leidemen Coppen in dat graf,enz.
Men heeft deze plaatsen maar te vergelijken, om zich te overtuigen dat de fransche branche onmogelijk naar denReinaertkan bewerkt zijn, daar in het laatstgenoemde stuk Bruun niet genoemd wordt als zanger van den lijkdienst. Daarentegen pleiten de kursief gedrukte regels veeleer voor de tegenovergestelde opvatting.
In het Mhd. volgt dan het verhaal hoe de haas zich op het graf van Coppe te slapen legt en daar van zijne koorts genezen wordt, waaruit blijkt dat de verslagene eene heilige martelares was, hetgeen aanleiding geeft, dat allen op Reinhart woedend worden.
Der hase leit sich ûf daz grap:1489.Ze kurzen wîlen er entswap,Als ich iu sagen muoz,Dô wart im des riten buoz.Der hase ûf erschrihteFürn künec gienger enrihte,Und sagt im vremdiu mære,Daz daz huon wæreHeilec vor gotes gesihte,etc.
Der hase leit sich ûf daz grap:1489.Ze kurzen wîlen er entswap,Als ich iu sagen muoz,Dô wart im des riten buoz.Der hase ûf erschrihteFürn künec gienger enrihte,Und sagt im vremdiu mære,Daz daz huon wæreHeilec vor gotes gesihte,etc.
Hetzelfde verhaal vindt men in het Fransch terug, hoewel het daar niet op zijne juiste plaats staat, daar Bruin reeds vertrokken is.
.... mesire Coars, li lièvres,10149.Qui de péor trembloit les fièvres,Deus jors les avoit jà éues,Merci Dieu, or les a perduesSor la tombe dame Copée:Car qant ele fu enterrée,Onc ne se volt d'iloc partir,Ainçois dormir sor le martir.
.... mesire Coars, li lièvres,10149.Qui de péor trembloit les fièvres,Deus jors les avoit jà éues,Merci Dieu, or les a perduesSor la tombe dame Copée:Car qant ele fu enterrée,Onc ne se volt d'iloc partir,Ainçois dormir sor le martir.
En dan wordt er nog bijgevoegd, dat ook Ysengrin zich op het graf legt, voorgevende kiespijn te hebben,waarvan hij ook beweert genezen te worden, hoewel niemand aan zijn zeggen geloof hecht.
Dit laatste nu is stellig een inlapsel van den franschen trouvère, die Nobel voorstelt als den vos niet ongenegen, waarom Isengrim alle middelen te baat neemt om den koning tegen zijn vijand op te zetten; misschien is het zelfs alleen het werk van een afschrijver. Maar in allen gevalle kan het geheele mirakelverhaal hier niet uit denReinaertzijn overgenomen, omdat het daar in het geheel niet voorkomt.
Het gezantschap van Bruun wijkt in de voorstelling van de beide jongere stukken nog al af van het Mhd.; maar ook hier hebben wij twee plaatsen die bewijzen, dat het Fransch onmogelijk naar het Vlaamsch kan vertaald zijn, wel omgekeerd.
Als Bruun Reinaert uitnoodigt om met hem ten hove te gaan, zegt deze, in de fransche branche, dat hij vanzelf reeds op weg zou zijn, zoo hij niet eerst had willen eten, en wel (vs. 10204)
D'un merveilleus mengier françois;
D'un merveilleus mengier françois;
want ten hove worden de rijke lieden goed ontvangen, en hun zet men een goed maal voor, maar den arme noodigt men niet ten disch.
„Por tel afère con ge di,10231.Biau sire, avoie dès mardiMon lart et mes pois aünez;Dont je me sui desjéunez,Et s'ai bien mengié deus denréesDe novel miel en fresches rées.
„Por tel afère con ge di,10231.Biau sire, avoie dès mardiMon lart et mes pois aünez;Dont je me sui desjéunez,Et s'ai bien mengié deus denréesDe novel miel en fresches rées.
Die lofspraak op den honing, dien hij ook later, vs. 10252 noemt »cest bon miel frès et novel”, is hier geheel op hare plaats, en dient om den beer begeerig te maken naar die lekkernij.
De Vlaming behandelt de zaak anders: hij laat Reinaert zeggen, dat hij naar het hof zou zijn gegaan indien hijniet zooveel van »ere vremder niewer spise” gegeten had, dat hij niet kon loopen; en toch was het maar eene onedele spijs, »cranke have,” want arme lieden moeten eten wat zij bij de hand hebben en niet wat zij zouden wenschen. Dien honing,
„Die moetic eten dor den nootAls ic el niet mach ghewinnen.”
„Die moetic eten dor den nootAls ic el niet mach ghewinnen.”
Men ziet hierduidelijkhet plan van den vos om de spijs te smalen, ten einde den beer des te beter om den tuin te leiden. Vandaar dat Bruin dan ook antwoordt (vs.575):
Helpe, lieve Vos Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?
Helpe, lieve Vos Reinaert,Hebdi honich dus onwaert?
Daarbij steekt nu sterk af dat hij ter zelfder plaatse die verachtelijke spijs noemt (vs.568)
Goedeversche honichraten.
Goedeversche honichraten.
Men kan alleen begrijpen hoe deze in den samenhang niet passende uitdrukking in den vlaamschen tekst gekomen is, als men daarin eene ondoordachte vertaling ziet van het fransche »bon miel frès et novel.”
Als verder Reinhart den beer in 't ongeluk gebracht heeft doetGLICHESÆREhem naar zijne burcht trekken: dáár voor de deur zittende ziet hij den mishandelden Brûn voorbijloopen, dien hij zijn bijtenden spot achterna zendt.
Her Brûn vor zorne nicht ensprach1605.Wan daz ern übellich ane sach.
Her Brûn vor zorne nicht ensprach1605.Wan daz ern übellich ane sach.
Evenzoo heet het in het fransche gedicht van Renart, vs. 10402,
Qant il oï Brun de loing plaindre,Si s'est mis parmi une adreceà Malpertuis sa forterece,Où il ne crient ost ne agait.Au trespasser que Bruns a faitLi a Renarz deus gaz lanciez.........................Li ors estoit si adolezQu'il ne li pot respondre mot,Fuiant s'en vet plus que le trot.
Qant il oï Brun de loing plaindre,Si s'est mis parmi une adreceà Malpertuis sa forterece,Où il ne crient ost ne agait.Au trespasser que Bruns a faitLi a Renarz deus gaz lanciez.........................Li ors estoit si adolezQu'il ne li pot respondre mot,Fuiant s'en vet plus que le trot.
In den vlaamschenReinaertnu raakt de beer in 't water, en aan den oever der rivier ontmoet hem de vos, die zich wilde gaan baden.Grimmmeent dat ook des beeren vlucht door de rivier in het verloren ouder fransche gedicht kan gestaan hebben(64); maar dit is onwaarschijnlijk, daar de nieuwere branche zich geheel aan het Mhd. houdt; en waar dit het geval is kan deze branche wederom onmogelijk naar denReinaertvertaald zijn, die zich zoo ver van het Mhd. verwijdert.
Het gezantschap van Tibert zal ons geen punt van vergelijking opleveren, omdat in het Mhd., volgensGRIMMSopmerking »der ganze vortrag hier eine leidige zusammenziehung verräth, und bedeutende abweichung von der andern recension(65).”
De biecht komt in het Mhd. niet voor. Maar als Reinaert zich opmaakt naar het hof, zegtGLICHESÆRE, vs. 1831:
Ein criuze machter für sich,Er sprach: „Got bewar nu michVor bœsen lügenæren,Daz si mich nicht beswæren.
Ein criuze machter für sich,Er sprach: „Got bewar nu michVor bœsen lügenæren,Daz si mich nicht beswæren.
En zoo ook in het Fransch, vs. 10866:
Lors se coucha adenz à terre,Et trois foiz se rendi copables,Puis se seigna por les déables,Et por dant Noble, le lion,Moult fu en grant afflicion.
Lors se coucha adenz à terre,Et trois foiz se rendi copables,Puis se seigna por les déables,Et por dant Noble, le lion,Moult fu en grant afflicion.
En dit ontbreekt in het vlaamsche stuk.
Als Reinaert ten hove is gekomen loopen de driestukken weder geheel uit een, zoodat hier de vergelijking ophoudt.
Uit de overweging der plaatsen die wij tegen elkander hebben gehouden blijkt dunkt mij onwedersprekelijk, dat de fransche branche onmogelijk naar onzen vlaamschenReinaertkan zijn vertaald, zoo alsWILLEMSals bewezen aannam; want herhaaldelijk troffen wij in het Fransch plaatsen aan afwijkend van het vlaamsche gedicht maar gelijkluidend met het mhd. of ouder fransche stuk.
Er is, dunkt mij, nog een ander bewijs voor den gedeeltelijken oorsprong van denReinaertuit het Fransch. Ik druk niet op de enkele fransche woorden, als morseel, museel, enz. die er in voorkomen, ik laat zelfs hier het woordmalebuiten rekening, dat vs.400en889in de overdrachtelijke beteekenis vanmaagofmuilwordt gebruikt, even als in het Fransch vs. 18004
Et Tybert differma samale.
Et Tybert differma samale.
Maar ik moet wijzen op eene uitdrukking, die alleen door vergelijking met het Fransch verstaanbaar wordt. Vs.130heet het:
Hi (R) ne heeft ooc niemene so lief,Noden coninc, minen here,Hine wilde dat hi lijf ende ereVerlore, mocht hire ane winnen.
Hi (R) ne heeft ooc niemene so lief,Noden coninc, minen here,Hine wilde dat hi lijf ende ereVerlore, mocht hire ane winnen.
Nu weet ik niet dat in eenig mnl. stuknowordt aangetroffen in de beteekenis vanzelfs,zelfs niet, die hier geëischt wordt. Alleen het franschenéiskan hier licht geven. B.v. vs. 10467 waar R. genoemd wordt:
.... beste de put conroi,Néisà Dex ne porte foi.
.... beste de put conroi,Néisà Dex ne porte foi.
Of vs. 11529, waar R. alle dieren verschalkt:
Renarz a bien chascun liéOu par la coue ou par le pié;Moult par a fet grant deablie:A chascun arbre le suen lie,Néisle roi lia par la coue (sic).
Renarz a bien chascun liéOu par la coue ou par le pié;Moult par a fet grant deablie:A chascun arbre le suen lie,Néisle roi lia par la coue (sic).
Laten wij er nog bijvoegen, dat de behandeling in den vlaamschenReinaertveel voortreffelijker is dan in de fransche branche, zoowel wat de geheele opvatting betreft als de bijzonderheden in de enkele tafreeltjes. Is het nu te verwachten, dat de minder voortreffelijke redaktie eene navolging zou zijn van het betere? Het verschil is zoo groot, dat dit reeds genoegsaam zou zijn om de stelling vanWILLEMSals onaannemelijk, als onmogelijk te doen verwerpen.
Maar volgt daaruit dat onze Reinaertnaar deze brancheis vertaald? De afwijkingen in beide teksten waren voorWILLEMSgeen hinderpaal om aan te nemen dat het eene naar het andere werd bewerkt, omdat er in beiden zoovele regels zijn, die blijkbaar letterlijk met elkander overeenkomen; maar het zou niet onmogelijk zijn dat deReinaerteene navolging ware van een ouder stuk dan de bekende fransche branche; aan een jonger valt wel niet te denken, daar er dan wel iets van ter onzer kennisse zou gekomen zijn.
A priori is dit echter niet waarschijnlijk, daar men zou moeten aannemen dat er drie fransche redaktiën van hetzelfde verhaal zouden hebben bestaan: 1) de oudste, wier inhoud onsGLICHESÆREheeft bewaard, 2) de eerste omwerking, waaruit dan 3) de ons bekende, minder goede, branche en deReinaertzouden zijn voortgevloeid.
Intusschen kan alleen eene nadere vergelijking der verschillende plaatsen van beide teksten tot eene bepaalde uitkomst leiden. Ten einde die zoo doeltreffend mogelijk te maken, moeten wij eerst iets naders trachten te weten van den franschen trouvère die de 20e(16e) branche bewerkte.
Zijn naam is ons niet bekend: wij weten echter zeer zeker dat hetPIERRE DE SAINT CLOUDniet geweest is, vooreerst omdat deze in den proloog genoemd wordt als juist dit onderwerp niet hebbende behandeld, terwijl het in de tweede plaats duidelijk blijkt uit een zeer in het oog loopend onderscheid. Onze dichter geeft zijnen dieren ridderlijke zeden enlaat zeb.v. altijd op paarden of muilezels rijden, hetgeen in de 11e(7e) branche die aanPIERREwordt toegeschreven, nimmer plaats grijpt.
Zoo nu al 's dichters naam ons onbekend is, zijn geboorteland is niet twijfelachtig.Bovenwezen wij reeds op het vlaamsche woordvillecome; ik voeg er bij de uitdrukkingen:fère letvoorleed doen, vs. 10975;eschames, 10032, voorschamels, die alle naar Fransch-Vlaanderen verwijzen, zoo als wij later nog nader zullen bevestigd zien.
Grimmschijnt niet ongeneigd, deze branche aan twee dichters toe te schrijven, althans hij zegt(66): »vielleicht schloss mit 11368 die ursprüngliche branche;.... nun folgen aber fortsetzungen.”Rothemaakt ter naauwernood, en ter loops(67), gewag van dit onderscheid, dat hij in den regel uit het oog verliest;FAURIELspreekt er in 't geheel niet van(68); maar het komt mij ook voor, dat men moet toegeven, dat werkelijk in de laatste helft een nieuw verhaal begint, en dat dit niet aan den dichter van het eerste deel der branche kan worden toegekend, hoewel de navolger waarschijnlijk niet veeljonger dan de eerste dichter moet gesteld worden, met wien hij hetzelfde vaderland gemeen heeft.
Vooreerst zullen wij zien, dat de schrijver van den vlaamschenReinaertook dit gedeelte heeft gekend en gebruikt. Voorts treffen wij hier hetzelfde spraakgebruik, dezelfde zinswendingen aan als in het eerste gedeelte. Zoo wordt hier, vs. 11447, de uitdrukking gebruikt:
Qu'iroie-ge fesant lonc coute?
Qu'iroie-ge fesant lonc coute?
even als vroeger, vs. 10849:
Que vos iroie-ge disant?
Que vos iroie-ge disant?
vs. 11604 heet het:
Puis parleron d'autre Bernart,
Puis parleron d'autre Bernart,
waarvoor vs. 10096:
Si parleron d'autre Martin.
Si parleron d'autre Martin.
De taal in beide deelen is die van Fransch-Vlaanderen.
Bovendien, vs. 11728 wordt Arras genoemd, hetgeen ons, in verband met de taal, wel recht schijnt te geven beide dichters in Artois te plaatsen.
Maar uit die overeenkomst van taal- en spraakwendingen volgt nog in het geheel niet, dat beide stukken van dezelfde hand zijn; want het valt niet te ontkennen, dat er een merkbaar onderscheid in de behandeling van het eerste en laatste gedeelte is waar te nemen.
Het geheele karakter, de toon, de wijze van voorstelling en zedeschildering van beide deelen verschilt daartoe te veel. Buitendien zijn er bij naauwkeuriger vergelijking nog enkele verschilpunten, die geen twijfel overlaten.
En toch, zegt men wellicht, niet alleen in beide deelen rijden de dieren die tot de hofhouding behooren te paard, maar gelijk in het laatste gedeelte de dieren als ridderlijke strijders worden voorgesteld, zoo is dit ook reeds op het eind van de eerste helft der branche het geval. Immers, als de mannen des konings Reinaert najagen, heet het, vs. 11313:
Li limaçons porte l'enseigne,Bien les conduit par la campaigne(69),
Li limaçons porte l'enseigne,Bien les conduit par la campaigne(69),
even als wij in het laatste gedeelte vinden, vs. 11558:
.... Dans Tardis li limaçonQui seut porter le gonfanon;
.... Dans Tardis li limaçonQui seut porter le gonfanon;
en zoo ook nog vs. 11617. Daaruit blijkt immers, dat ook den schrijver van het eerste gedeelte dezelfde wijze van voorstelling niet vreemd is.
De opmerking is juist; maar alleen in zooverre, als men metGRIMMaanneemt, dat de omwerking eerst met vs. 11368 aanvangt. Maar wanneer zij eens al bij vs. 11297 begon? of althans wanneer de regels 11297–11319 een inschuifsel waren, waarvan alleen moest blijven staan:
Renarz regarde arère soiEt voit qu'il viegnent sans deloi.Ne set conseil que fère doieetc.?
Renarz regarde arère soiEt voit qu'il viegnent sans deloi.Ne set conseil que fère doieetc.?
De eerste zestien regels toch, de opsomming der dieren bevattende, zijn eene bloote herhaling van de regels 10159–11070, waar grootendeels dezelfde personen worden opgenoemd: die herhaling kan onmogelijk van den eersten dichter afkomstig zijn, evenmin als de navolging van Chanteclers aanklacht op het einde van het gedicht(70).
Neemt men nu eene interpolatie aan, dan loopt het verhaal geleidelijk af, en het eind komt dan overeen met het slot der 10ebranche, of der 26eb.v.; en voor die opvatting zou ook pleiten, dat nog vs. 11353 een van Reinaerts zonenRoviaxgenoemd wordt, even alsvs. 10251Rovel(in dativo), terwijl hij later, vs. 11729Rouselheet (in dat.).
Neemt men niet eene interpolatie aan, maar schrijft men het geheele stuk, van vs. 11297 af, aan den navolger toe, dan ware er geen slot aan de oorspronkelijke branche.... Zou het dan zoo onmogelijk zijn, dat het oorspronkelijke slot hier was weggelaten, en bij het aanhechten van het tweede gedeelte door een ander vervangen? De vergelijking met den mnl.Reinaertschijnt dit vermoeden in de hand te werken; en niemand zal ontkennen, dat deze vergelijking zeer geschikt is om medetewerken ter verkrijging van een vasteren bodem voor de kritiek van de fransche branches, welke tot nochtoe grootendeels in de lucht zweefde.
Is nu het karakteristieke onderscheid in beide deelen der branche niet te ontkennen, wij kunnen ook nog eenige andere bewijspunten aanvoeren.
Alleen in het eerste gedeelte wordt de leeuw soms genoemdl'emperère, b.v. vs. 9693, 10059, 10081, 10137, 10663, 11021; nimmer in het laatste.
Alleen in het eerste deel vindt men de uitdrukkingpor le cor bieu, b.v. vs. 9945, 10243, 10986, 11231, 11293, die ook in de 10e(6e) branche, vs. 4641, 4573, en eens in 23e(18e) branche, vs. 13240, terugkeert, maar nimmer in het laatste stuk der 20e(16e).
In het eerste gedeelte wordt alleen teruggewezen op een ouder verhaal: nog vs. 10036 heet het:
Si comme en escrit le trovon,
Si comme en escrit le trovon,
en vs. 10595.
Si com nos trovons en l'estoire.
Si com nos trovons en l'estoire.
Later komt zoodanig beroep niet meer voor. Intusschen is dit deel toch waarschijnlijk ook eene omwerking van een ouder gedicht, waarop misschien wel eene toespeling voorkomt juist in de eerste helft van onze branche, vs. 10803–10817.
Het is daarom niet twijfelachtig of het tweede gedeelte der 20e(16e) branche is een toevoegsel van een ander dichter, die intusschen ongeveer een tijdgenoot van den eersten zal geweest zijn.
Op de 20ebranche volgt in alle handschriften eene andere, die ten onrechte in tweeën gesplitst is(71), en die wij 21–22 zullen noemen. Zij hangt blijkbaar met de voorgaande samen, gelijk ookGRIMMopmerkte(72); maar of dit ons recht geeft om daaruit te besluiten, dat beiden door denzelfden dichter, namelijk dien van 20a, zouden zijn bewerkt, blijft de vraag. Terwijl sommigen dit aannemen, heeftROTHEhet ontkend; maar op gronden die weêrlegbaar schijnen, en die wij eerst zullen onderzoeken, hetgeen ons noodzakelijk zal leiden tot eene beantwoording der vraag zelve.
Ziehier zijn betoog. »Malgré les traits de ressemblance évidents et incontestables entre cette branche et la précédente, sans doute elles sont dues à divers auteurs(73).” Vestigt men zijne aandacht op de sterke bewoordingen van het eerste gedeelte dier uitspraak, dan zal men zeker wel sprekende bewijzen verwachten om het tweede gedeelte te rechtvaardigen. Die bewijzen nu komen hier op neêr: »Le caractère général y diffère; le récit est moins piquant, moins varié, plus plat ici que dans la vingtième branche.”
Wat het laatste gedeelte dier bewijsvoering aangaat, zij rust geheel op subjektive beschouwing, en ik twijfel sterk of de zienswijs vanROTHEwel veel bijval zal vinden. Wat het verschillend karakter aangaat, hij heeft daarvoor hier slechts één bewijs aangehaald, dat echter zeer weinig afdoet.
De vos, die zich door indompeling in eene kuip met geele verw onkenbaar gemaakt heeft, geeft zich voor een bretonschen jongleur uit: hij weet het speeltuig meester te worden, dat tot zijn beroep behoort, en dan heet het, vs. 12515:
Moult s'esbaudist, moult se confortePor la viele qu'il enporte:......................Tant fist Renarz denz quinze disFu bien de la viele apris:Sages en fu et escolez.
Moult s'esbaudist, moult se confortePor la viele qu'il enporte:......................Tant fist Renarz denz quinze disFu bien de la viele apris:Sages en fu et escolez.
Dit geeftROTHEaanleiding om te zeggen(74): »Renartse divertitpendant quinze joursavec la viellequi lui a été donnée. Il y a en cela quelque chose de poétique, mais aussi d'assez contraire au naturel de Renart, tel qu'il est caractérisé par le reste.”
Maar de geleerde schrijver heeft hier den tekst verkeerd opgevat. Er staat nietmoult s'esbaudistDEla viele, maarPORla viele; hetgeen eenvoudig beteekent, dat hij zich verheugde over het bezit van het speeltuig. Zoo hij er zich veertien dagen meê bezig hield, het was eenvoudig om het te leeren behandelen, ten einde later zijne rol te kunnen spelen. Men ziet dus datROTHESopvatting, die alleen op een misverstand berust, geen gewicht in de schaal van ons oordeel kan leggen.
Pag. 262 heet het wederom: »Les branches 21 et 22 n'en forment guère qu'une; elles ont beaucoup de conformité de style et de caractère, mais sous ce rapport, elles diffèrent essentiellement de la branche 20.”Later, pag. 264–265 ontwikkelt hij zijn begrip omtrent het verschil van karakter. Ik moet duidelijkheidshalve de geheele plaats aanhalen.
»Les dix-huit premières branches (suivant l'édition et l'arrangement de Méon) se maintiennent constamment sur le ton et dans le caractère de l'apologue, de la fable proprement dite; elles conservent à tous les animaux leur naturel, les font parler et agir selon leurs individualités, leur font seulement jouer des rôles et des personnages conformes à leurs qualités physiques, et pour les hommes qui figurent avec eux comme acteurs dans ces petits drames, ce ne sont guère que quelques prêtres, quelques vilains, familiers à la sphère d'idées des poètes populaires, et qui conviennent à la simplicité ou à la rudesse des positions dans lesquelles ils se trouvent avec les animaux, leurs interlocuteurs ou leurs vainqueurs. Le caractère de simplicité et de naturel de ces dix-huit branches nous dispose à les regarder aussi comme primitives, comme appartenant de préférence aux premiers siècles des compositions de cette espèce, aux siècles de simplicité dans les mœurs et dans les idées, aux temps où le sujetn'apas encore été épuisé, où les versificateurs et leur public n'ont pas encore été blasés sur les tours ingénieux de Renart et la naïveté de la fable.”
Alvorens verder te gaan moeten wij opmerken, dat de stelling niet opgaat, daar b.v. de 234 eerste verzen der eerste branche blijkbaar tot de jongste stukken behooren, daar hier herhaaldelijk verklaringen en toepassingen voorkomen, om te doen zien, wie al zoo door Renart en Ysengrin bedoeld worden. In de 13e(9e) branche leest men, vs. 6910: