INLEIDING.

INLEIDING.I.Het is een verblijdend teeken, dat in de laatste jaren de belangstelling in het uitstekendste voortbrengsel der Middennederlandsche poëzie, den uitmuntendenReinaert, blijkbaar is toegenomen, en datWILLEMS'voorspelling zich heeft bevestigd, »dat de geleerde Vossenjacht nog niet geheel is ten einde geloopen.”De geschiedenis onzer letterkunde vooral moest er zich mede bezig houden, ten einde de vraag naar den oorsprong en den ouderdom van denReinaerten de omwerking, ware het mogelijk, duidelijk te beantwoorden. Want, zoo men het eens was over de uitstekende waarde van het gedicht, omtrent al het overige was er strijd; en toch is dit vraagstuk van het grootste belang voor de geheele geschiedenis onzer middeneeuwsche letterkunde.Grimmstelde den oudsten dichter omstreeks 1250, en de omwerking ongeveer honderd jaar later, in de tweede helft der veertiende eeuw(1).Willemsplaatste den eerste omstreeks 1170, en den tweede even vóór1270. Dit laatste gevoelen werd hier te lande, en ook elders(2), vrij algemeen omhelsd. Ikzelf heb in mijneGeschiedenis der Mnl. Dichtkunstvoor den oudsten dichter het jaar 1170 aangenomen, en den omwerker in de veertiende eeuw gesteld(3). De jongereSERRUREis daartegen opgekomen. Volgens zijne meening »werd het eerste boek desReinaertstusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven”(4), en aangaande den leeftijd van den omwerker en dichter van het tweede boek vindt hij de stelling vanWILLEMSde meest aannemelijke(5).Verschillende andere vraagstukken die daarmede innig samenhangen zijn nog duister of worden althans betwist.Nu is deReinaertin zoo vele opzichten een belangrijk verschijnsel in onze letterkundige wereld, dat ik het wel der moeite waard reken op nieuw en opzettelijk een kritisch onderzoek aangaande den oorsprong van dit dichtstuk te beproeven.Als ik mijzelven afvroeg, waarin eigenlijk de oorzaak van zulke uiteenloopende oordeelvellingen mocht gelegen zijn, kwam ik al spoedig tot de overtuiging, dat daartoe niet weinig bijdroeg, dat wij nog geene eigenlijke kritische uitgaaf van den geheelenReinaertbezitten; dat de eerste helft der omwerking in haren samenhang ons nog geheel onbekend is; en dat wij dus eigenlijk verstoken zijn van de bewijsstukken, waaruit het vonnis moet worden opgemaakt.Die stelling moge vreemd klinken, als men zich herinnert, dat de oudsteReinaertreeds driemaal isgedrukt(6), tweemaal kritisch behandeld, en dus, zoo alsKAUSLERzich uitdrukt(7), »durch die kritischen ausgaben.... vonGRIMMundWILLEMShinreichend bekannt” is.Een kort overzicht der vroegere uitgaven moge mijne stelling intusschen rechtvaardigen.De oudsteReinaertis ons slechts in één handschrift, het zoogenoemde Comburgsche, thans in de openbare boekerij te Stuttgardt, bewaard.Grimmachtte dien tekst »wahrscheinlich im beginn des 14 jh. geschrieben”(8); maar de nadere beschrijving van het geheele handschrift doorKAUSLERleert ons, dat het gedeelte dat denReinaertomvat, eerst omstreeks het jaar 1400 is te boek gesteld(9). Het afschrift is dus betrekkelijk zeer jong, en uit een tijd dat men zich niet bijzonder om diplomatische naauwkeurigheid bekommerde. Het is dan ook vol fouten, zoowel misstellingen en uitlatingen(10), als willekeurige veranderingen en invoegsels van den slordigen afschrijver, die zeer dikwerf het ouder handschrift dat hij naschreef niet goed las, en daardoor de ergerlijkste, meestzinstorende fouten in zijnen tekst bracht.DienReinaertlietGRÄTERvoor de eerste maal in 1812 afdrukken in het vijfde deel derBraga und Hermode, en wel, naarKAUSLERSwoorden, »unverändert und so weit diess bei einer mangelhaften Kenntniss derSprache unde Paläographie möglich war, ziemlich richtig.” Die gebrekkige palaeographische kennis wil eigenlijk zeggen, datGRÄTERter naauwernood zijn codex lezen kon, zoo als in het oog springen zal uit het volgend proefje van leesfouten, die ik niet alle op rekening van het handschrift durf stellen, hoewel dat zeer gebrekkig is.Vs.113wronghenevoorwroughene;115ghesaet-ghesciet;157l'pelen-spelen;176,543,767sullren-sulken;184hnighe-hinghe;198sonde-soude;201landen-tanden;202coude-conde;218ret-vet;237ghenimt-ghemint;269hinit,741hunt-huut;275cene-eene;290;961mi-nu (1041omgekeerd);292fée-sere;294Thinc-Ghinc;308drenen-dreven;309dronghen-droughen;414zIIIIer-zuver;947crIIIIe-crune;476bruue-brune;488houen-honen;494oni-om;671omiroet-onvroet;605ghenen-gheven;768enme-cume;802abscale-abstale;848onner-ouver;856vloutte-vloucte;993diet-dier;1007niene-menne;1023salue-salne;1073nene-neve;1081lijue-lijne;1091braet-vraet;1214vmdise-vindise;1220sander hu saense-sauder hu saeuse;1225,1234niet-met (1531omgekeerd);1344,1376waernen-waerven;1355wanc-wane;1419rollel-rossel;1589verbouden-verbonden;1625ghenouch-ghevouch;1747dien-die ic;2032ghenruch-ghenouch;2157vernaert-vervaert;2275vine-vive;2302(2298) oer-oec; [2328hodenare-hodevare];2372(2396) vore-vote;2573(2597) hi-bi;2591(2615) rijkelijn-rijkelijc;2607(2651) sat-scat;2633(2657) dier-dies;2734(2754) mitte-nutte;2764(2784) waernen-waerven;2798,2956vernaert-vervaert;2935(2955) spacus-spaeus;2947(2967) dine-dinc;3329(3349) cumen-rumen.Voorts wordt herhaaldelijk de kapitale L in het begin der regels als R gelezen; b.v.165RaettivoorLaetti;424Revic-Levic;721Riept-Liept;791Raghen-Laghen;793Rudmoer-Ludmoer;796Rudolf-Ludolf;815Ramfroit-Lamfroit;838Rieten-Lieten;863Rach-Lach;1299Raet-Laet;1367Raghen-Laghen;1387Rachterlike-Lachterlike.Deze misstellingen, waarvan sommigen misschien niet aan den eersten uitgever, maar reeds aan den schrijver van den codex te wijten zijn, werden in den druk vanGRIMMbijna alle verbeterd, en hij had zeer zeker recht van zijne uitgave met betrekking tot die van zijnen voorganger te zeggen: »die Comburger.... jetzt hoffentlich besser von mir herausgegebene hs.”(11). Maar wij weten(12)datGRÄTERStekstGRIMMtot legger diende, waarbij slechts nu en dan »eine nachvergleichung der hs.” plaats had. Dit bewijzen ook de aan den voet vanGRIMMSuitgave medegedeelde varianten, die blijkbaar die vanGRÄTERStekst zijn en niet direkt van het handschrift.Grimmsmeerdere kennis verbeterde, gelijk wij zagen, de meeste valsche lezingen; maar het zal ons niet verwonderendatzoo nu en dan iets aan zijne aandacht ontsnapte, waardoor enkele blijkbaar valsche lezingen in den tekst zijn blijven staan: zoo b.v. vs.94swighisvoorswighic;347Riepen-Liepen;804houtmakigge-houtmakerigge;1948voden-roden;2324(2350) ghescoort-ghestoort.HoezeerGRIMMvele fouten wegnam, komen er echter in zijnen tekst nog verscheiden voor, die, hoewel van eenen anderen aard, daar zij gewoonlijk het broddelwerk zijn van den slordigen schrijver van den codex, nietminder de lezing bemoeyelijken. Overigens bepaalde hij zich om de orthographie van het stuk te verbeteren(13), zonder den versbouw te herstellen.Twee jaren naGRIMMSuitgave zag, in 1836, die vanWILLEMShet licht. Zij was het gevolg van den aankoop door het Belgische staatsbestuur van een handschrift, dat de omwerking van het eerste boek, en het bijvoegsel dat men het tweede boek noemt, bevatte. Dat handschrift was »vry gebrekkig, en zeker niet beantwoordende aan den onmatig hoogen prys, waarvoor het was verkregen,” gelijkWILLEMSzelf getuigde(14).Hij begreep dat van dit nieuwe handschrift partij moest worden getrokken; maar in steê van de omwerking in haar geheel afzonderlijk in het licht te geven, kwam hij op het zonderlinge denkbeeld om een geheel samen te stellen uit twee zeer ongelijksoortige deelen: het eerste boek was een herdruk van den ouden tekst, met varianten uit den jongeren; het tweede boek, dat zich hieraan moest aansluiten, gaf den tekst van den, volgens den uitgever zelf, honderd jaar jonger navolger. Ziehier hoe hij daaromtrent rekenschap geeft:»Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede, ben ik dus te rade geworden het byGRIMMafgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende, als grondtext te volgen, plaetsende de varianten van het handschrift onder dien text. Doch de aldus opgeteekendevariae lectioneswaren zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb verplicht gezien, wilde ik geenen dubbelen text in zyn geheel leveren, daerin besnoeiïngen te maken, hierin bestaende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en vanwoordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts alsvarianteheb laten gelden wat werkelijkveranderingwas, of wat my toescheen van de kennis onzer oude tael eenige oplettendheid te verdienen.»Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waervan het eerste den oudenReinaertder twaelfde eeuw uitmaekt, en het tweede het vervolg bevat, in de dertiende eeuw geschreven.”Zoo ontstond eigenlijk een monster in den trant vanBARNUMSSyrene; en de aesthetica, de geschiedenis der letterkunde, de taalstudie, alles eischt dat wij thans dien onnatuurlijken band ontknoopen, en thans werkelijk »eenen dubbelen text in zyn geheel leveren.”Omtrent zijne wijze van tekstbehandeling zeîWILLEMS: »De oude prosavertaling, de fragmenten inGRÄTERSOdina und Teutona, en inGRIMMSReinhart Fuchsmedegedeeld, midsgaders de Saksische vertaling (Reineke), stelden my in staet, althans ten deele, om de boven vermelde gapingen van het handschrift aan te vullen, om de vergissingen en miszettingen des afschryvers te herstellen, om de schryfwyze meer regelmatig voor te dragen, met één woord, om eenen meer critisch behandelden text aen het publiek te leveren.”Gelijk uit den samenhang blijkt, ziet dit alles hoofdzakelijk op het tweede boek. Maar ook betrekkelijk het oudste deel heeftWILLEMSzich niet geheel aan den tekst vanGRIMMgehouden. Vooral in de spelling heeft hij zich zekere vrijheid veroorloofd en haar meer regelmatig gemaakt, terwijl hij de ontbrekende of overtollige adspiratie in de vlaamsche uitspraak herleid heeft tot het gewone spraakgebruik. Enkele malen heeftWILLEMSook meer eigenlijke wijzigingen inGRIMMStekst aangebracht: zelden is hij hierin gelukkig geweest, en zoowel in dit opzicht als in de tekstverklaring, zietmen de duidelijkste sporen van de overhaasting, waarmede die uitgave tot stand kwam. En geen wonder: in de maand Mei ontvingWILLEMSden last om »er eene uitgave van voor te bereiden;” hij zette zich »met iever aen het werk”(15)—en het voorbericht, geschreven toen de geheele tekst was afgedrukt, is gedagteekend den 20 Augustus!Dat er tot eigenlijke tekstkritiek, die zich iets meer ten doel stelt dan de verbetering der bloote schrijffouten van het hs., in deze uitgave geene poging werd gedaan, zal menWILLEMSallerminst tot een verwijt mogen maken: men herinnere zich slechts, dat het werk in de eerste helft van het jaar 1836 voltooid werd, en men verlieze niet uit het oog, dat men toen gewoonlijk aan diplomatischen afdruk der handschriften de voorkeur gaf, zoodatWILLEMSwerkelijk meer geleverd heeft dan men van het standpunt der toenmalige—ik zeg niet wetenschap, maar—beoefenaars van het vak kon verwachten.HadWILLEMShet geluk gehad den tijd te beleven dat eene tweede uitgave van zijn werk noodzakelijk werd, hij zou zeker niet berust hebben in zijn vroegeren arbeid. Ik kan daarom ook geen vrede hebben met den onveranderden herdruk doorSNELLAERTin 1850 in het licht gegeven.Hij ging uit van het beginsel: »Eene tweede uitgaef van deze uitmuntende bewerking is toch niet te veel”(16). Zoo nu ontegenzeggelijk de uitgave van 1836 een werk was »waer de roem van [onzen] overleden vriend zoo innig mede verbonden is,” ik kan daarom nog niet toestemmen, datSNELLAERT»aen de nagedachtenisvan den vriend verschuldigd” was in 1850 een werk letterlijk te herhalen, waarin de voortschrijdende wetenschap van lieverlede leemten en gebreken moest doen vinden.Willemszocht naar waarheid en billijkte geen stilstand: hijzelf zou zeker geen onveranderden herdruk hebben goedgekeurd na een tijdsverloop van veertien jaren, en daarom kan ik mij niet vereenigen met de stelling van onzen vriendSNELLAERT, wiens hart hier zijn hoofd heeft verschalkt.Buitendien begrijp ik ook niet hoe de nieuwe uitgever, »zonder gevaer te loopen van een zoo gunstig beoordeeld werk een wangedrocht te maken, onmogelyk een anderen text geven kon(17).”Ik heb integendeel beproefd een »anderen tekst” te leveren, en ik hoop toch geen »wangedrocht”; evenmin als ik geloof mij aan de letterkundige nagedachtenis van den voortreffelijken Vlaming te hebben vergrepen.Dat ik eene nieuwe uitgave noodzakelijk rekende op den tegenwoordigen trap der wetenschap, vindt, naar ik vertrouw, zijne rechtvaardiging in het voorafgaande overzicht; thans een enkel woord over de wijze waarop ik mij van mijne taak meende te moeten kwijten.In de eerste plaats scheiding der ongelijksoortige deelen, door eene afzonderlijke uitgave der beide teksten. Dit is een eerste vereischte; want eerst als men de omwerking in haar geheel voor oogen heeft zal eene werkelijke vergelijking mogelijk worden, en de tijdsbepaling van het ontstaan van het tweede stuk naauwkeurig kunnen worden afgebakend.Ik vervul thans het eerste gedeelte mijner taak; ik geef in de eerste plaats een nieuwen druk van het ouder, oorspronkelijke stuk, omdat dit, wegens de meerder aesthetische waarde, de meeste belangstelling verdient en zal opwekken. Ik waag het eene nieuwe uitgave te leveren, omdat de bekende teksten tot een wetenschappelijk onderzoek onvoldoende zijn, daar zij niet zelden berusten in eene lezing die onverstaanbaar is, en geen zin hoegenaamd oplevert. Ik streefde er daarom naar een kritisch verbeterden, lees- en verstaanbaren tekst tot stand te brengen.Ik heb daartoe naauwkeurig de varianten inGRIMMSuitgave vergeleken, en waar het mij noodig scheen, mij vergewist van de lezing van het Comburger handschrift door bemiddeling vanKAUSLERSonuitputtelijke bereidvaardigheid. Niet zelden stelde mij dat in staat de echte lezing te herstellen.Eene doorloopende vergelijking van mijn tekst met de kollatie aan den voet, zal doen zien, dat er vrij wat kaf van het koren te scheiden viel. Hier mogen een paar der treffendste voorbeelden daaromtrent allen twijfel wegnemen.Behalve op de eerste verzen van den proloog, wier oorspronkelijke lezing eene geheele verandering moet brengen in het vraagstuk over het ontstaan des gedichts, en die ik iets later naar de oorspronkelijke lezing zal aangeven, wijs ik op de volgende plaatsen:Als de beer Reinaert komt indagen, zegt deze hem, dat hij »den buuc so gheladen” heeft (556) met honing, dat hij kan staan noch gaan. Dan volgt later bijGRIMMenWILLEMS,568:versscer honichratenHebbiccommerharde groot,datWILLEMSverklaarde: »ik heb grooten kommer wegens.... versche honigraten.” Intusschen is kommergebrek, waarvan hier natuurlijk geen sprake kan zijn. Maar ziet, in de kollatie bijGRIMMstaat voor hetcommervan den tekst:coiiiier, en dat is blijkbaarcouuer,couver,coever, daar in den codex steeds onze tweeklankoedoorouwordt uitgedrukt.Coevernu is een bekend woord, datovervloedbeteekent.Als de kater in den strik van Martinet gevangen is, heet het1208:Tibert moeste roepen doeEndewronghedehem selven dor den noot:Hi makede een gheroep so groot,Dat Reinaert hoorde up der straten.DitwronghedeverklaartGRIMM, p. 274, door »drehen, schnüren,” enWILLEMSmet »verwrong.” Maarwronghedeveronderstelt een ww.wronghen, dat niet bestaat; aanwringenvalt niet te denken, hoewel de overeenkomst van klank de vorige uitgevers schijnt misleid te hebben. Buitendien blijkt uit het voorgaande zoowel als het volgende vers, dat er een woord moet staan, datzich verraden, of iets dergelijks beduidt. Eene kleine verandering geeft dit: men leze slechtswroughede,wroeghede.Vs.1222leestGRIMM:Tibert, ghi singhetni lanc so bet,hetgeen hij noemde, p. 274, »eine verderbte stelle, der ich keine hülfe weiss.”Willemsveranderdeje lanc so bet; maar eenvoudiger is te lezenin lanc so bet, dat het hs. wel zal hebben, en de goede oude uitdrukking is.Vs.1306leestWILLEMSmetGRIMM:Doehiefseneop met haerre cracht.De variant bijGRIMMgeefthieffene, dat de ware lezing is, mits men voorDoelezeSoe. Dat de kapitaleDenSlicht te verwisselen waren leert het facsimile.Vs.1988gebiedt de wolf zijne vrouw Reinaert niet te laten ontvluchten:No dor goet, no dor miede,No dornijt, no dor noot.Uitnijdkon zij hem onmogelijk laten ontsnappen: dit is onzin; en buitendien weet men, dat Hersinde den vos alles behalvenijdtoedroeg. De variant bijGRIMMheeft:no dor met, hetgeen blijkbaar verkeerd gelezen is voorniet, d.i.welwillendheid,genegenheid, hetgeen alleen een gezonden zin geeft.Vs.1947bij Gr. en W.Ghi sult dodenReinaert, uwen neve, den fellenvoden.Willemsverklaarde: »voden; nog overig inhondsvot, een obsceen woord, door velen gebezigd, maar door weinigen verstaan.”Grimmleerde, p. 278: »vode, lump, lumpenkerl.Kilianschreibtvodde,Maerl.3, 418 stehtvuden. Der acc. unserer stelle, wenn es ein subst. ist, fordertevode, es scheint also adj.”In de plaats dieGRIMMuitMAERLANTaanhaalt, schuilt eene drukfout, daar men blijkbaar voorvudenhet bekenderudenmoet lezen: dezelfde letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waarrastenmoet gelezen worden voorvasten.Men heeft nu waarschijnlijk reeds ontwaard, dat ook in de aangehaalde plaats uit denReinaertdezelfdeverwisseling is ingeslopen, en dat het onbekendevodenmoet plaats maken voor het hier zeer gewone:den fellen roden.Vs.2094leestGRIMM:Ende verbeethanenende hoender,hetgeenWILLEMSwillekeurig veranderde in:Ende verbeetvogelende hoener,niet bedenkende, dat het den vos moeyelijk moest vallenvogelente bespringen. De variant bijGRIMMgeeft de juiste lezing aan:haenden, d. i.eenden, zoo als onsMAERLANTSNaturen Bloemeleert.Vs.3114(3134) leest men bij GrW.:Die welpkine liepenten brase,hetgeenGRIMM(p. 285) verklaart: »Zur mahlzeit, zum schmause:braesepulae,brassenepulari.” Intusschen is het »vermuthete”braesnergens aan te wijzen.Willemszegt: »Brase, bras; om te brassen.”Grimmsvariant geeftten base, dat hij terecht verwierp. Hoe eenvoudig is het intusschen om aan te nemen, dat dit kwalijk gelezen is voorten hase, d. i. met de Vlaamsche adspiratieten ase, dat ook de omwerking heeft. Dehenbworden ook elders verwisseld, b.v.2572(2597) waar uit het hs. gelezen werdhi avonture, hetgeen blijkbaar isbi avonture, en niet, zoo als in de andere uitgaven staat,die avonture.Enkele andere plaatsen moesten worden terecht gebracht, waarin meer dan eene verkeerde lezing van een ouden of nieuwen afschrijver stak. Zoo waren de volgende onverstaanbaar.Tibert, de kater, den vos ten hove willende verdedigen tegen de aanklacht van den hond Cortois, zegt ten slotte van zijn pleidooi,124:Hets recht dat omberet siDie claghe die Cortois doet.Daartegen verzet zich Pancer, de bever,126:Dinct u goet,Tibert, dat men die claghe ombere?Reinaert es een recht mordenere,enz.En als hij dit metterdaad wil bewijzen, vervolgt hij,135:Wat sechdivan ere laghe?En dedi ghistrenenz.GrimmnochWILLEMSgeven hier eenige verklaring, die echter bij die plaats wel noodig kon schijnen. Wat beteekent toch die vraag? Er is immers van eenelaghe(hinderlaag) niet gesproken! De omwerker heeft, volgensWILLEMS'variant,van eenre sagen, hetgeen evenmin een gezonden zin oplevert. Is het nu te stout hier, tegen de handschriften aan, te verbeteren:Wat sechdi vanomberen claghe?Dan loopt immers de zin zoo natuurlijk mogelijk af.Als de koning Reinaert voor de tweede maal door Tibert doet indagen zegt bij onder anderen,1022:En comt hi niet, hets hem quaet,Men salnedrie werven daghen,Te lachtre allen sinen maghen.Deze lezing is echter blijkbaar valsch, daar het onmogelijk Reinaerts magen tot schande kon strekken, dat hij naar wettig gebruik driemaal gedaagd werd. Buitendien zeî toch de koning, dat het reeds slecht met hem af zou loopen, als hij op deze tweede indaging niet ten hove verscheen. Bedenkt men dat Tibert later tot den beklaagde zegt,1070:Die coninc dreicht u an u levenNe comdi te hove niet met mi,dan kan het niet missen, of de natuurlijkste verbetering is deze:Men salnehanghen sonder daghen,gelijk de koning ook in het fransche gedicht zegt, 10447:Dites moi le rox deputaireQu'il me viengne en ma cort droit faireEn la présence de ma gent;Si n'i aport or ne argent,Ne parole por soi deffendre,Mès la hart à sa gole pendre.Blijkbaar bedorven is ook de volgende plaats, die intusschen aldus in het handschrift gelezen wordt. Als Reinaert gebiecht heeft geeft Grimbert hem de absolutie, en daarna,1683:Riet hi hem goet te wesene,..........................Ende dat hi vort alle sine dagheBehendelikesoude gheneren.Maar Reinaert had zijn geheele leven niets anders gedaan dan zichbehendelikete genéren. Wie ziet niet dat hier moet gelezen wordenbescedelike, dat in het schrift des tijds bij vluchtige inzage van een slordig geschreven codex lichtelijk metbehendelikekon verwisseld worden, bij de overeenkomst der lettersscenh.Vs.1692leest men:Nu moet hi pleghen siere selen,datWILLEMSvertaalt: »Ziedaer, hoe hy zyne ziel moet verplegen.” De lezing is doorGRIMMin den tekst gebracht, daar C. heeft:Nu moet hi siere sielen pleghen,hetgeenGRIMMverwierp omdatpleghenniet rijmde opstelen. Beter ware echter het slechte rijmwoord dan het ondietsche woordselen. De afschrijver had hier denkelijk vs.428in het hoofd:God moet haerre siele pleghen,met het rijmwoordversleghen. Dat692alleen hetrijmwoord te veranderen was, leert de vergelijking met381:Ic moet miere sieletelen,welktelenofghetelenook nog2333(2359) voorkomt. Men leze dus1692:Nu moet hi siere siele telen.Deze sprekende voorbeelden mogen volstaan om te doen zien hoezeer onzeReinaerteene kritische behandeling noodig had om daarvan een verstaanbaren tekst te leveren.Behalve soortgelijke verbeteringen heb ik mij dikwerf omzettingen van woorden veroorloofd of vervanging van den eigennaam door een voornaamwoord, waar de versbouw dat noodig maakte. Ik ben overtuigd dat een ouder handschrift die veranderingen in den regel zou schragen; maar ook zonder dien steun ben ik daarin niet angstvallig geweest, daar ik nimmer zal kunnen gelooven, dat een zoo uitstekend dichter als de auteur van denReinaertwas, niet zou voldaan hebben aan de eischen van welluidendheid en verzifikatie.Eindelijk heb ik het gewaagd met behulp van den omwerker enkele gapingen aan te vullen, die het recht verstand in den weg stonden, b.v. achter vs.2276, en2634(bij GrW. 2658); terwijl ik er zelfs niet tegen opzag om de 30 verzen na2308(bij GrW. 2304) uit den tekst te werpen, daar zij blijkbaar den samenhang stooren en geheel en al buiten den geest van het oorspronkelijke gedicht vallen, dat even vrij van eigenlijke fabelen is als het vervolg er mede is opgevuld.Men zal dit waarschijnlijk te gewaagd vinden; sommigen het een onverdedigbaar vergrijp tegen de overlevering der handschriften noemen. Ik mocht mij door dit vooruitzicht niet laten weêrhouden alles aan te wenden om het meesterstuk onzer middeneeuwsche poëziezooveel mogelijkin zijne oorspronkelijke reinheid te herstellen. Ik zegzooveel mogelijk, want ontegenzeggelijk heeft de tekst door eigendunkelijke veranderingen der afschrijvers geleden, die jonger vormen of uitdrukkingen stelden in de plaats van wat hun verouderd of onverstaanbaar voorkwam. Ik zal slechts een paar voorbeelden aanhalen. Blijkbaar is niet zelden het meervoudige pronomenghi,u, in de plaats getreden van het enkelvoudigedu,di, zoo als schijnt te blijken uit2856–7(2876–7).Willemsnoemt(18)»het woordbedi, door den auteur van het eerste boekzoo gaernegebezigd;” nu komt dat woord in onzen tekst slechts vijf maal voor: twee maal in den zin vandoordien,daarom(2892,2975), driemaal in de beteekenis vanwant(2331,3110,3162). Overal elders leest men daarvoor:dor dat(111,216,884). Dit bracht mij zelfs eerst op de gedachte of het tweede gedeelte van ons gedicht ook van een andere hand kon zijn dan het eerste, te meer daar er na vs.2170, dus juist in dat gedeelte dat, gelijk wij zien zullen, het meest van het Fransch afwijkt, ook nog andere woorden voorkomen, die niet in de eerste 2000 verzen gevonden worden, alsaltoos,als ende als,bedraghen,beghaen,bliken,erre,iet,indien,claren,woutenz. Maar een zeer omstandig onderzoek heeft mij van het tegendeel overtuigd.Immers het geheele stuk door vind ik de tusschenzinnen op dezelfde wijze aangebracht, vs.6,103,138,193,447,453,611,914–5,1404,1440,1470,1593,2162,3161–2,3177,3425.Evenzoo is het met de allitererende formulen;13,33,dorpren ende doren,66dor edelheit ende dorere,668onteert ende ontervet,1284scade ende scande,1563leet ofte lief,1606stene ende struke,1685vasten ende vieren,1970nichten ende neven,1989no dor niede no dor noot,2073vrient no viant,2094haenden ende hoener,2150lief no leet,2238hout van herten,2346droghe ende diep,2855struke ende stene.Op dezelfde wijze vindt men het geheele gedicht door tautologische uitdrukkingen waaropGRIMMde aandacht gevestigd heeft(19)alsstal ende nam,pine ende onghemac,hermite oft clusenare,bejach no ghewin,owi ende wee,diefte ende roof, enz. enz., b.v.42,97,103,106,230,264–5,268,276,306,308,326,333,350,358,405,435,484,485,516–7,531,597,613,666,690,693,701,743,770,933,1046,1108,1174,1182,1426,1438,1449,1532–3,1591,1597,1678,1691,1787,1816,1842,1878,1894–5,1988,2041,2043,2054,2064,2075,2086,2093,2097,2114,2118,2120,2173,2191,2251,2272–3,2308,2309,2315,2336,2342,2362,2462,2485,2496,2507,2512,2588,2697,2860,2894–5,3000,3045–6,3071,3079,3205,3345,3366,3420.Voorts enjambeert de zin over den rijmregel het geheele gedicht door, b.v.229,359,985,1315,1361,1578,1731,2250,2339,2360,2439,3243,3244,3327,3332,3435.In beide deelen vindt men onzuivere rijmen, b.v.105man,nam,gram,began,451graf,was,795swinghen,vingheren,2101Isengrijn,rijm,2113doe,vro,2129Hersinde,kindren,3359trac,dat(?),3431verbijt,dit,2851omberen,varen,2913snoeren,te voren, en misschien3027voeten,grote.Van het begin tot aan het eind ontwaart men een streven om denzelfden rijmklank te vermenigvuldigen: vooreerst in de veelvuldige opvolging van vier zuivere rijmwoorden, b.v.139ghedede,vrede,ghelede,crede;261an,can,man,ban;267ware,clusenare,hare,jare;367niemare,ware,clusenare,twaren;459boecstave,grave,begraven,scraven;945prihore,ore,bescoren,verloren;1233ghestaen,ghevaen,wane,hane;1307waert,Reinaert,waert,vervaert;1333rade,dade,daet,raet;1501begheven,leven,gheven,leven;1737ghelaet,vraet,gaet,quaet;2065man,an,dan,man;2295vrouwe,trouwe,soude,woude;2299waer,haer,vare,openbare;2725vaert,claert,Reinaert,waert;2761lede,vrede,crede,mede.(20)Voorts springt dit nog veel duidelijker in het oog als men de bloote assonnance in rekening brengt, die ontelbare malen, het geheele gedicht door, meer dan twee regels verbindt. Wij zullen slechts enkele voorbeelden bijbrengen, omdat het ons aan plaats ontbreekt de grootste helft van het gedicht hier af te schrijven.Vs.21weten,heten,leven,begeven;101man,nam,gram,began;155begeven,gheheven,spele,vele;699dat,sat,sal,al;711ghevaen,staen,haest,naest;3315ram,quam,middach,ghesach;3401pine,Beline,gheliet,verriet;3433mesdaet,quaet,maghen,bejaghen.Zoo worden ook meer dan vier verzen gebonden. B.v. zes:901verslaghen,ghedraghen,ghevaren,daren,daghe,claghe,1275vader,gader,jare,ware,scame,name; zoo ook1331,1693,1767,2215,2323,2867,2915,3307,3377. Acht, b.v.291gaende,slaende,bare,mare,Cantaert,waert,hane,wane;395saghe,haghe,ondergaen,saen,ghetale,male,nakede,smakede; zoo ook1239,1749,2621,3229,3291.En zelfstien: b.v.447lanc,sanc,las,was,graf,was,gras,was,sach,lach;1091vraet,ghelaet,overstaerc,maerc,bestaen,waen,dagheraet,raet,ghedaen,gaen;1451Reinaert,herwaert,gheraden,ghenaden,mesdaet,verstaet,mater,cater,mesdaen,dwaen.Reeds het veelvuldige van dit opmerkelijk verschijnsel loont, dat het niet een bloot spel van het toeval kan zijn; en wij zien dat ook nog nader, als wij opmerken hoe de dichter er naar streefde weêr op denzelfden rijmklank terug te komen, ook als hij dien voor 't oogenblik had moeten opgeven. Dikwerf keert na twee regels dezelfde assonnance terug:127ombere,mordenere(dief,lief),here,ere;187angaen,ontfaen, (gherne,wernen),mesdaen,staen;Isengrijn,pijn(ghevoech,onghevoech),wijf,lijf; enz. enz.Nog een paar voorbeelden op ietwat grooter schaal:1407wijf,lijf,ontgaen,gaen,hermeline,mine,nu,u,Reinaerdine,gaerdeline,al,sal,dief,lief;3097hermeline,pine,gram,vernam,vlien,ghescien,ondergaen,saen,mordadelike,ghenadelike,sidi,mi;539Reinaert,waert,haghedochte,ghedochte,raet,vraet,driven,bliven,lanc,danc,vrient,gedient,ganc,lanc,bestaen,ghegaen,gheraden,gheladen,wise,spise,gaen,ghestaen,sat,wat,have,grave,weten,eten,aten,honichraten.

Het is een verblijdend teeken, dat in de laatste jaren de belangstelling in het uitstekendste voortbrengsel der Middennederlandsche poëzie, den uitmuntendenReinaert, blijkbaar is toegenomen, en datWILLEMS'voorspelling zich heeft bevestigd, »dat de geleerde Vossenjacht nog niet geheel is ten einde geloopen.”

De geschiedenis onzer letterkunde vooral moest er zich mede bezig houden, ten einde de vraag naar den oorsprong en den ouderdom van denReinaerten de omwerking, ware het mogelijk, duidelijk te beantwoorden. Want, zoo men het eens was over de uitstekende waarde van het gedicht, omtrent al het overige was er strijd; en toch is dit vraagstuk van het grootste belang voor de geheele geschiedenis onzer middeneeuwsche letterkunde.

Grimmstelde den oudsten dichter omstreeks 1250, en de omwerking ongeveer honderd jaar later, in de tweede helft der veertiende eeuw(1).Willemsplaatste den eerste omstreeks 1170, en den tweede even vóór1270. Dit laatste gevoelen werd hier te lande, en ook elders(2), vrij algemeen omhelsd. Ikzelf heb in mijneGeschiedenis der Mnl. Dichtkunstvoor den oudsten dichter het jaar 1170 aangenomen, en den omwerker in de veertiende eeuw gesteld(3). De jongereSERRUREis daartegen opgekomen. Volgens zijne meening »werd het eerste boek desReinaertstusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven”(4), en aangaande den leeftijd van den omwerker en dichter van het tweede boek vindt hij de stelling vanWILLEMSde meest aannemelijke(5).

Verschillende andere vraagstukken die daarmede innig samenhangen zijn nog duister of worden althans betwist.

Nu is deReinaertin zoo vele opzichten een belangrijk verschijnsel in onze letterkundige wereld, dat ik het wel der moeite waard reken op nieuw en opzettelijk een kritisch onderzoek aangaande den oorsprong van dit dichtstuk te beproeven.

Als ik mijzelven afvroeg, waarin eigenlijk de oorzaak van zulke uiteenloopende oordeelvellingen mocht gelegen zijn, kwam ik al spoedig tot de overtuiging, dat daartoe niet weinig bijdroeg, dat wij nog geene eigenlijke kritische uitgaaf van den geheelenReinaertbezitten; dat de eerste helft der omwerking in haren samenhang ons nog geheel onbekend is; en dat wij dus eigenlijk verstoken zijn van de bewijsstukken, waaruit het vonnis moet worden opgemaakt.

Die stelling moge vreemd klinken, als men zich herinnert, dat de oudsteReinaertreeds driemaal isgedrukt(6), tweemaal kritisch behandeld, en dus, zoo alsKAUSLERzich uitdrukt(7), »durch die kritischen ausgaben.... vonGRIMMundWILLEMShinreichend bekannt” is.

Een kort overzicht der vroegere uitgaven moge mijne stelling intusschen rechtvaardigen.

De oudsteReinaertis ons slechts in één handschrift, het zoogenoemde Comburgsche, thans in de openbare boekerij te Stuttgardt, bewaard.Grimmachtte dien tekst »wahrscheinlich im beginn des 14 jh. geschrieben”(8); maar de nadere beschrijving van het geheele handschrift doorKAUSLERleert ons, dat het gedeelte dat denReinaertomvat, eerst omstreeks het jaar 1400 is te boek gesteld(9). Het afschrift is dus betrekkelijk zeer jong, en uit een tijd dat men zich niet bijzonder om diplomatische naauwkeurigheid bekommerde. Het is dan ook vol fouten, zoowel misstellingen en uitlatingen(10), als willekeurige veranderingen en invoegsels van den slordigen afschrijver, die zeer dikwerf het ouder handschrift dat hij naschreef niet goed las, en daardoor de ergerlijkste, meestzinstorende fouten in zijnen tekst bracht.

DienReinaertlietGRÄTERvoor de eerste maal in 1812 afdrukken in het vijfde deel derBraga und Hermode, en wel, naarKAUSLERSwoorden, »unverändert und so weit diess bei einer mangelhaften Kenntniss derSprache unde Paläographie möglich war, ziemlich richtig.” Die gebrekkige palaeographische kennis wil eigenlijk zeggen, datGRÄTERter naauwernood zijn codex lezen kon, zoo als in het oog springen zal uit het volgend proefje van leesfouten, die ik niet alle op rekening van het handschrift durf stellen, hoewel dat zeer gebrekkig is.

Vs.113wronghenevoorwroughene;115ghesaet-ghesciet;157l'pelen-spelen;176,543,767sullren-sulken;184hnighe-hinghe;198sonde-soude;201landen-tanden;202coude-conde;218ret-vet;237ghenimt-ghemint;269hinit,741hunt-huut;275cene-eene;290;961mi-nu (1041omgekeerd);292fée-sere;294Thinc-Ghinc;308drenen-dreven;309dronghen-droughen;414zIIIIer-zuver;947crIIIIe-crune;476bruue-brune;488houen-honen;494oni-om;671omiroet-onvroet;605ghenen-gheven;768enme-cume;802abscale-abstale;848onner-ouver;856vloutte-vloucte;993diet-dier;1007niene-menne;1023salue-salne;1073nene-neve;1081lijue-lijne;1091braet-vraet;1214vmdise-vindise;1220sander hu saense-sauder hu saeuse;1225,1234niet-met (1531omgekeerd);1344,1376waernen-waerven;1355wanc-wane;1419rollel-rossel;1589verbouden-verbonden;1625ghenouch-ghevouch;1747dien-die ic;2032ghenruch-ghenouch;2157vernaert-vervaert;2275vine-vive;2302(2298) oer-oec; [2328hodenare-hodevare];2372(2396) vore-vote;2573(2597) hi-bi;2591(2615) rijkelijn-rijkelijc;2607(2651) sat-scat;2633(2657) dier-dies;2734(2754) mitte-nutte;2764(2784) waernen-waerven;2798,2956vernaert-vervaert;2935(2955) spacus-spaeus;2947(2967) dine-dinc;3329(3349) cumen-rumen.

Voorts wordt herhaaldelijk de kapitale L in het begin der regels als R gelezen; b.v.165RaettivoorLaetti;424Revic-Levic;721Riept-Liept;791Raghen-Laghen;793Rudmoer-Ludmoer;796Rudolf-Ludolf;815Ramfroit-Lamfroit;838Rieten-Lieten;863Rach-Lach;1299Raet-Laet;1367Raghen-Laghen;1387Rachterlike-Lachterlike.

Deze misstellingen, waarvan sommigen misschien niet aan den eersten uitgever, maar reeds aan den schrijver van den codex te wijten zijn, werden in den druk vanGRIMMbijna alle verbeterd, en hij had zeer zeker recht van zijne uitgave met betrekking tot die van zijnen voorganger te zeggen: »die Comburger.... jetzt hoffentlich besser von mir herausgegebene hs.”(11). Maar wij weten(12)datGRÄTERStekstGRIMMtot legger diende, waarbij slechts nu en dan »eine nachvergleichung der hs.” plaats had. Dit bewijzen ook de aan den voet vanGRIMMSuitgave medegedeelde varianten, die blijkbaar die vanGRÄTERStekst zijn en niet direkt van het handschrift.

Grimmsmeerdere kennis verbeterde, gelijk wij zagen, de meeste valsche lezingen; maar het zal ons niet verwonderendatzoo nu en dan iets aan zijne aandacht ontsnapte, waardoor enkele blijkbaar valsche lezingen in den tekst zijn blijven staan: zoo b.v. vs.94swighisvoorswighic;347Riepen-Liepen;804houtmakigge-houtmakerigge;1948voden-roden;2324(2350) ghescoort-ghestoort.

HoezeerGRIMMvele fouten wegnam, komen er echter in zijnen tekst nog verscheiden voor, die, hoewel van eenen anderen aard, daar zij gewoonlijk het broddelwerk zijn van den slordigen schrijver van den codex, nietminder de lezing bemoeyelijken. Overigens bepaalde hij zich om de orthographie van het stuk te verbeteren(13), zonder den versbouw te herstellen.

Twee jaren naGRIMMSuitgave zag, in 1836, die vanWILLEMShet licht. Zij was het gevolg van den aankoop door het Belgische staatsbestuur van een handschrift, dat de omwerking van het eerste boek, en het bijvoegsel dat men het tweede boek noemt, bevatte. Dat handschrift was »vry gebrekkig, en zeker niet beantwoordende aan den onmatig hoogen prys, waarvoor het was verkregen,” gelijkWILLEMSzelf getuigde(14).

Hij begreep dat van dit nieuwe handschrift partij moest worden getrokken; maar in steê van de omwerking in haar geheel afzonderlijk in het licht te geven, kwam hij op het zonderlinge denkbeeld om een geheel samen te stellen uit twee zeer ongelijksoortige deelen: het eerste boek was een herdruk van den ouden tekst, met varianten uit den jongeren; het tweede boek, dat zich hieraan moest aansluiten, gaf den tekst van den, volgens den uitgever zelf, honderd jaar jonger navolger. Ziehier hoe hij daaromtrent rekenschap geeft:

»Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede, ben ik dus te rade geworden het byGRIMMafgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende, als grondtext te volgen, plaetsende de varianten van het handschrift onder dien text. Doch de aldus opgeteekendevariae lectioneswaren zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb verplicht gezien, wilde ik geenen dubbelen text in zyn geheel leveren, daerin besnoeiïngen te maken, hierin bestaende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en vanwoordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts alsvarianteheb laten gelden wat werkelijkveranderingwas, of wat my toescheen van de kennis onzer oude tael eenige oplettendheid te verdienen.

»Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waervan het eerste den oudenReinaertder twaelfde eeuw uitmaekt, en het tweede het vervolg bevat, in de dertiende eeuw geschreven.”

Zoo ontstond eigenlijk een monster in den trant vanBARNUMSSyrene; en de aesthetica, de geschiedenis der letterkunde, de taalstudie, alles eischt dat wij thans dien onnatuurlijken band ontknoopen, en thans werkelijk »eenen dubbelen text in zyn geheel leveren.”

Omtrent zijne wijze van tekstbehandeling zeîWILLEMS: »De oude prosavertaling, de fragmenten inGRÄTERSOdina und Teutona, en inGRIMMSReinhart Fuchsmedegedeeld, midsgaders de Saksische vertaling (Reineke), stelden my in staet, althans ten deele, om de boven vermelde gapingen van het handschrift aan te vullen, om de vergissingen en miszettingen des afschryvers te herstellen, om de schryfwyze meer regelmatig voor te dragen, met één woord, om eenen meer critisch behandelden text aen het publiek te leveren.”

Gelijk uit den samenhang blijkt, ziet dit alles hoofdzakelijk op het tweede boek. Maar ook betrekkelijk het oudste deel heeftWILLEMSzich niet geheel aan den tekst vanGRIMMgehouden. Vooral in de spelling heeft hij zich zekere vrijheid veroorloofd en haar meer regelmatig gemaakt, terwijl hij de ontbrekende of overtollige adspiratie in de vlaamsche uitspraak herleid heeft tot het gewone spraakgebruik. Enkele malen heeftWILLEMSook meer eigenlijke wijzigingen inGRIMMStekst aangebracht: zelden is hij hierin gelukkig geweest, en zoowel in dit opzicht als in de tekstverklaring, zietmen de duidelijkste sporen van de overhaasting, waarmede die uitgave tot stand kwam. En geen wonder: in de maand Mei ontvingWILLEMSden last om »er eene uitgave van voor te bereiden;” hij zette zich »met iever aen het werk”(15)—en het voorbericht, geschreven toen de geheele tekst was afgedrukt, is gedagteekend den 20 Augustus!

Dat er tot eigenlijke tekstkritiek, die zich iets meer ten doel stelt dan de verbetering der bloote schrijffouten van het hs., in deze uitgave geene poging werd gedaan, zal menWILLEMSallerminst tot een verwijt mogen maken: men herinnere zich slechts, dat het werk in de eerste helft van het jaar 1836 voltooid werd, en men verlieze niet uit het oog, dat men toen gewoonlijk aan diplomatischen afdruk der handschriften de voorkeur gaf, zoodatWILLEMSwerkelijk meer geleverd heeft dan men van het standpunt der toenmalige—ik zeg niet wetenschap, maar—beoefenaars van het vak kon verwachten.

HadWILLEMShet geluk gehad den tijd te beleven dat eene tweede uitgave van zijn werk noodzakelijk werd, hij zou zeker niet berust hebben in zijn vroegeren arbeid. Ik kan daarom ook geen vrede hebben met den onveranderden herdruk doorSNELLAERTin 1850 in het licht gegeven.

Hij ging uit van het beginsel: »Eene tweede uitgaef van deze uitmuntende bewerking is toch niet te veel”(16). Zoo nu ontegenzeggelijk de uitgave van 1836 een werk was »waer de roem van [onzen] overleden vriend zoo innig mede verbonden is,” ik kan daarom nog niet toestemmen, datSNELLAERT»aen de nagedachtenisvan den vriend verschuldigd” was in 1850 een werk letterlijk te herhalen, waarin de voortschrijdende wetenschap van lieverlede leemten en gebreken moest doen vinden.Willemszocht naar waarheid en billijkte geen stilstand: hijzelf zou zeker geen onveranderden herdruk hebben goedgekeurd na een tijdsverloop van veertien jaren, en daarom kan ik mij niet vereenigen met de stelling van onzen vriendSNELLAERT, wiens hart hier zijn hoofd heeft verschalkt.

Buitendien begrijp ik ook niet hoe de nieuwe uitgever, »zonder gevaer te loopen van een zoo gunstig beoordeeld werk een wangedrocht te maken, onmogelyk een anderen text geven kon(17).”

Ik heb integendeel beproefd een »anderen tekst” te leveren, en ik hoop toch geen »wangedrocht”; evenmin als ik geloof mij aan de letterkundige nagedachtenis van den voortreffelijken Vlaming te hebben vergrepen.

Dat ik eene nieuwe uitgave noodzakelijk rekende op den tegenwoordigen trap der wetenschap, vindt, naar ik vertrouw, zijne rechtvaardiging in het voorafgaande overzicht; thans een enkel woord over de wijze waarop ik mij van mijne taak meende te moeten kwijten.

In de eerste plaats scheiding der ongelijksoortige deelen, door eene afzonderlijke uitgave der beide teksten. Dit is een eerste vereischte; want eerst als men de omwerking in haar geheel voor oogen heeft zal eene werkelijke vergelijking mogelijk worden, en de tijdsbepaling van het ontstaan van het tweede stuk naauwkeurig kunnen worden afgebakend.

Ik vervul thans het eerste gedeelte mijner taak; ik geef in de eerste plaats een nieuwen druk van het ouder, oorspronkelijke stuk, omdat dit, wegens de meerder aesthetische waarde, de meeste belangstelling verdient en zal opwekken. Ik waag het eene nieuwe uitgave te leveren, omdat de bekende teksten tot een wetenschappelijk onderzoek onvoldoende zijn, daar zij niet zelden berusten in eene lezing die onverstaanbaar is, en geen zin hoegenaamd oplevert. Ik streefde er daarom naar een kritisch verbeterden, lees- en verstaanbaren tekst tot stand te brengen.

Ik heb daartoe naauwkeurig de varianten inGRIMMSuitgave vergeleken, en waar het mij noodig scheen, mij vergewist van de lezing van het Comburger handschrift door bemiddeling vanKAUSLERSonuitputtelijke bereidvaardigheid. Niet zelden stelde mij dat in staat de echte lezing te herstellen.

Eene doorloopende vergelijking van mijn tekst met de kollatie aan den voet, zal doen zien, dat er vrij wat kaf van het koren te scheiden viel. Hier mogen een paar der treffendste voorbeelden daaromtrent allen twijfel wegnemen.

Behalve op de eerste verzen van den proloog, wier oorspronkelijke lezing eene geheele verandering moet brengen in het vraagstuk over het ontstaan des gedichts, en die ik iets later naar de oorspronkelijke lezing zal aangeven, wijs ik op de volgende plaatsen:

Als de beer Reinaert komt indagen, zegt deze hem, dat hij »den buuc so gheladen” heeft (556) met honing, dat hij kan staan noch gaan. Dan volgt later bijGRIMMenWILLEMS,568:

versscer honichratenHebbiccommerharde groot,

versscer honichratenHebbiccommerharde groot,

datWILLEMSverklaarde: »ik heb grooten kommer wegens.... versche honigraten.” Intusschen is kommergebrek, waarvan hier natuurlijk geen sprake kan zijn. Maar ziet, in de kollatie bijGRIMMstaat voor hetcommervan den tekst:coiiiier, en dat is blijkbaarcouuer,couver,coever, daar in den codex steeds onze tweeklankoedoorouwordt uitgedrukt.Coevernu is een bekend woord, datovervloedbeteekent.

Als de kater in den strik van Martinet gevangen is, heet het1208:

Tibert moeste roepen doeEndewronghedehem selven dor den noot:Hi makede een gheroep so groot,Dat Reinaert hoorde up der straten.

Tibert moeste roepen doeEndewronghedehem selven dor den noot:Hi makede een gheroep so groot,Dat Reinaert hoorde up der straten.

DitwronghedeverklaartGRIMM, p. 274, door »drehen, schnüren,” enWILLEMSmet »verwrong.” Maarwronghedeveronderstelt een ww.wronghen, dat niet bestaat; aanwringenvalt niet te denken, hoewel de overeenkomst van klank de vorige uitgevers schijnt misleid te hebben. Buitendien blijkt uit het voorgaande zoowel als het volgende vers, dat er een woord moet staan, datzich verraden, of iets dergelijks beduidt. Eene kleine verandering geeft dit: men leze slechtswroughede,wroeghede.

Vs.1222leestGRIMM:

Tibert, ghi singhetni lanc so bet,

Tibert, ghi singhetni lanc so bet,

hetgeen hij noemde, p. 274, »eine verderbte stelle, der ich keine hülfe weiss.”

Willemsveranderdeje lanc so bet; maar eenvoudiger is te lezenin lanc so bet, dat het hs. wel zal hebben, en de goede oude uitdrukking is.

Vs.1306leestWILLEMSmetGRIMM:

Doehiefseneop met haerre cracht.

Doehiefseneop met haerre cracht.

De variant bijGRIMMgeefthieffene, dat de ware lezing is, mits men voorDoelezeSoe. Dat de kapitaleDenSlicht te verwisselen waren leert het facsimile.

Vs.1988gebiedt de wolf zijne vrouw Reinaert niet te laten ontvluchten:

No dor goet, no dor miede,No dornijt, no dor noot.

No dor goet, no dor miede,No dornijt, no dor noot.

Uitnijdkon zij hem onmogelijk laten ontsnappen: dit is onzin; en buitendien weet men, dat Hersinde den vos alles behalvenijdtoedroeg. De variant bijGRIMMheeft:no dor met, hetgeen blijkbaar verkeerd gelezen is voorniet, d.i.welwillendheid,genegenheid, hetgeen alleen een gezonden zin geeft.

Vs.1947bij Gr. en W.

Ghi sult dodenReinaert, uwen neve, den fellenvoden.

Ghi sult dodenReinaert, uwen neve, den fellenvoden.

Willemsverklaarde: »voden; nog overig inhondsvot, een obsceen woord, door velen gebezigd, maar door weinigen verstaan.”Grimmleerde, p. 278: »vode, lump, lumpenkerl.Kilianschreibtvodde,Maerl.3, 418 stehtvuden. Der acc. unserer stelle, wenn es ein subst. ist, fordertevode, es scheint also adj.”

In de plaats dieGRIMMuitMAERLANTaanhaalt, schuilt eene drukfout, daar men blijkbaar voorvudenhet bekenderudenmoet lezen: dezelfde letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waarrastenmoet gelezen worden voorvasten.

Men heeft nu waarschijnlijk reeds ontwaard, dat ook in de aangehaalde plaats uit denReinaertdezelfdeverwisseling is ingeslopen, en dat het onbekendevodenmoet plaats maken voor het hier zeer gewone:den fellen roden.

Vs.2094leestGRIMM:

Ende verbeethanenende hoender,

Ende verbeethanenende hoender,

hetgeenWILLEMSwillekeurig veranderde in:

Ende verbeetvogelende hoener,

Ende verbeetvogelende hoener,

niet bedenkende, dat het den vos moeyelijk moest vallenvogelente bespringen. De variant bijGRIMMgeeft de juiste lezing aan:haenden, d. i.eenden, zoo als onsMAERLANTSNaturen Bloemeleert.

Vs.3114(3134) leest men bij GrW.:

Die welpkine liepenten brase,

Die welpkine liepenten brase,

hetgeenGRIMM(p. 285) verklaart: »Zur mahlzeit, zum schmause:braesepulae,brassenepulari.” Intusschen is het »vermuthete”braesnergens aan te wijzen.Willemszegt: »Brase, bras; om te brassen.”Grimmsvariant geeftten base, dat hij terecht verwierp. Hoe eenvoudig is het intusschen om aan te nemen, dat dit kwalijk gelezen is voorten hase, d. i. met de Vlaamsche adspiratieten ase, dat ook de omwerking heeft. Dehenbworden ook elders verwisseld, b.v.2572(2597) waar uit het hs. gelezen werdhi avonture, hetgeen blijkbaar isbi avonture, en niet, zoo als in de andere uitgaven staat,die avonture.

Enkele andere plaatsen moesten worden terecht gebracht, waarin meer dan eene verkeerde lezing van een ouden of nieuwen afschrijver stak. Zoo waren de volgende onverstaanbaar.

Tibert, de kater, den vos ten hove willende verdedigen tegen de aanklacht van den hond Cortois, zegt ten slotte van zijn pleidooi,124:

Hets recht dat omberet siDie claghe die Cortois doet.

Hets recht dat omberet siDie claghe die Cortois doet.

Daartegen verzet zich Pancer, de bever,126:

Dinct u goet,Tibert, dat men die claghe ombere?Reinaert es een recht mordenere,enz.

Dinct u goet,Tibert, dat men die claghe ombere?Reinaert es een recht mordenere,enz.

En als hij dit metterdaad wil bewijzen, vervolgt hij,135:

Wat sechdivan ere laghe?En dedi ghistrenenz.

Wat sechdivan ere laghe?En dedi ghistrenenz.

GrimmnochWILLEMSgeven hier eenige verklaring, die echter bij die plaats wel noodig kon schijnen. Wat beteekent toch die vraag? Er is immers van eenelaghe(hinderlaag) niet gesproken! De omwerker heeft, volgensWILLEMS'variant,van eenre sagen, hetgeen evenmin een gezonden zin oplevert. Is het nu te stout hier, tegen de handschriften aan, te verbeteren:

Wat sechdi vanomberen claghe?

Wat sechdi vanomberen claghe?

Dan loopt immers de zin zoo natuurlijk mogelijk af.

Als de koning Reinaert voor de tweede maal door Tibert doet indagen zegt bij onder anderen,1022:

En comt hi niet, hets hem quaet,Men salnedrie werven daghen,Te lachtre allen sinen maghen.

En comt hi niet, hets hem quaet,Men salnedrie werven daghen,Te lachtre allen sinen maghen.

Deze lezing is echter blijkbaar valsch, daar het onmogelijk Reinaerts magen tot schande kon strekken, dat hij naar wettig gebruik driemaal gedaagd werd. Buitendien zeî toch de koning, dat het reeds slecht met hem af zou loopen, als hij op deze tweede indaging niet ten hove verscheen. Bedenkt men dat Tibert later tot den beklaagde zegt,1070:

Die coninc dreicht u an u levenNe comdi te hove niet met mi,

Die coninc dreicht u an u levenNe comdi te hove niet met mi,

dan kan het niet missen, of de natuurlijkste verbetering is deze:

Men salnehanghen sonder daghen,

Men salnehanghen sonder daghen,

gelijk de koning ook in het fransche gedicht zegt, 10447:

Dites moi le rox deputaireQu'il me viengne en ma cort droit faireEn la présence de ma gent;Si n'i aport or ne argent,Ne parole por soi deffendre,Mès la hart à sa gole pendre.

Dites moi le rox deputaireQu'il me viengne en ma cort droit faireEn la présence de ma gent;Si n'i aport or ne argent,Ne parole por soi deffendre,Mès la hart à sa gole pendre.

Blijkbaar bedorven is ook de volgende plaats, die intusschen aldus in het handschrift gelezen wordt. Als Reinaert gebiecht heeft geeft Grimbert hem de absolutie, en daarna,1683:

Riet hi hem goet te wesene,..........................Ende dat hi vort alle sine dagheBehendelikesoude gheneren.

Riet hi hem goet te wesene,..........................Ende dat hi vort alle sine dagheBehendelikesoude gheneren.

Maar Reinaert had zijn geheele leven niets anders gedaan dan zichbehendelikete genéren. Wie ziet niet dat hier moet gelezen wordenbescedelike, dat in het schrift des tijds bij vluchtige inzage van een slordig geschreven codex lichtelijk metbehendelikekon verwisseld worden, bij de overeenkomst der lettersscenh.

Vs.1692leest men:

Nu moet hi pleghen siere selen,

Nu moet hi pleghen siere selen,

datWILLEMSvertaalt: »Ziedaer, hoe hy zyne ziel moet verplegen.” De lezing is doorGRIMMin den tekst gebracht, daar C. heeft:

Nu moet hi siere sielen pleghen,

Nu moet hi siere sielen pleghen,

hetgeenGRIMMverwierp omdatpleghenniet rijmde opstelen. Beter ware echter het slechte rijmwoord dan het ondietsche woordselen. De afschrijver had hier denkelijk vs.428in het hoofd:

God moet haerre siele pleghen,

God moet haerre siele pleghen,

met het rijmwoordversleghen. Dat692alleen hetrijmwoord te veranderen was, leert de vergelijking met381:

Ic moet miere sieletelen,

Ic moet miere sieletelen,

welktelenofghetelenook nog2333(2359) voorkomt. Men leze dus1692:

Nu moet hi siere siele telen.

Nu moet hi siere siele telen.

Deze sprekende voorbeelden mogen volstaan om te doen zien hoezeer onzeReinaerteene kritische behandeling noodig had om daarvan een verstaanbaren tekst te leveren.

Behalve soortgelijke verbeteringen heb ik mij dikwerf omzettingen van woorden veroorloofd of vervanging van den eigennaam door een voornaamwoord, waar de versbouw dat noodig maakte. Ik ben overtuigd dat een ouder handschrift die veranderingen in den regel zou schragen; maar ook zonder dien steun ben ik daarin niet angstvallig geweest, daar ik nimmer zal kunnen gelooven, dat een zoo uitstekend dichter als de auteur van denReinaertwas, niet zou voldaan hebben aan de eischen van welluidendheid en verzifikatie.

Eindelijk heb ik het gewaagd met behulp van den omwerker enkele gapingen aan te vullen, die het recht verstand in den weg stonden, b.v. achter vs.2276, en2634(bij GrW. 2658); terwijl ik er zelfs niet tegen opzag om de 30 verzen na2308(bij GrW. 2304) uit den tekst te werpen, daar zij blijkbaar den samenhang stooren en geheel en al buiten den geest van het oorspronkelijke gedicht vallen, dat even vrij van eigenlijke fabelen is als het vervolg er mede is opgevuld.

Men zal dit waarschijnlijk te gewaagd vinden; sommigen het een onverdedigbaar vergrijp tegen de overlevering der handschriften noemen. Ik mocht mij door dit vooruitzicht niet laten weêrhouden alles aan te wenden om het meesterstuk onzer middeneeuwsche poëziezooveel mogelijkin zijne oorspronkelijke reinheid te herstellen. Ik zegzooveel mogelijk, want ontegenzeggelijk heeft de tekst door eigendunkelijke veranderingen der afschrijvers geleden, die jonger vormen of uitdrukkingen stelden in de plaats van wat hun verouderd of onverstaanbaar voorkwam. Ik zal slechts een paar voorbeelden aanhalen. Blijkbaar is niet zelden het meervoudige pronomenghi,u, in de plaats getreden van het enkelvoudigedu,di, zoo als schijnt te blijken uit2856–7(2876–7).Willemsnoemt(18)»het woordbedi, door den auteur van het eerste boekzoo gaernegebezigd;” nu komt dat woord in onzen tekst slechts vijf maal voor: twee maal in den zin vandoordien,daarom(2892,2975), driemaal in de beteekenis vanwant(2331,3110,3162). Overal elders leest men daarvoor:dor dat(111,216,884). Dit bracht mij zelfs eerst op de gedachte of het tweede gedeelte van ons gedicht ook van een andere hand kon zijn dan het eerste, te meer daar er na vs.2170, dus juist in dat gedeelte dat, gelijk wij zien zullen, het meest van het Fransch afwijkt, ook nog andere woorden voorkomen, die niet in de eerste 2000 verzen gevonden worden, alsaltoos,als ende als,bedraghen,beghaen,bliken,erre,iet,indien,claren,woutenz. Maar een zeer omstandig onderzoek heeft mij van het tegendeel overtuigd.

Immers het geheele stuk door vind ik de tusschenzinnen op dezelfde wijze aangebracht, vs.6,103,138,193,447,453,611,914–5,1404,1440,1470,1593,2162,3161–2,3177,3425.

Evenzoo is het met de allitererende formulen;13,33,dorpren ende doren,66dor edelheit ende dorere,668onteert ende ontervet,1284scade ende scande,1563leet ofte lief,1606stene ende struke,1685vasten ende vieren,1970nichten ende neven,1989no dor niede no dor noot,2073vrient no viant,2094haenden ende hoener,2150lief no leet,2238hout van herten,2346droghe ende diep,2855struke ende stene.

Op dezelfde wijze vindt men het geheele gedicht door tautologische uitdrukkingen waaropGRIMMde aandacht gevestigd heeft(19)alsstal ende nam,pine ende onghemac,hermite oft clusenare,bejach no ghewin,owi ende wee,diefte ende roof, enz. enz., b.v.42,97,103,106,230,264–5,268,276,306,308,326,333,350,358,405,435,484,485,516–7,531,597,613,666,690,693,701,743,770,933,1046,1108,1174,1182,1426,1438,1449,1532–3,1591,1597,1678,1691,1787,1816,1842,1878,1894–5,1988,2041,2043,2054,2064,2075,2086,2093,2097,2114,2118,2120,2173,2191,2251,2272–3,2308,2309,2315,2336,2342,2362,2462,2485,2496,2507,2512,2588,2697,2860,2894–5,3000,3045–6,3071,3079,3205,3345,3366,3420.

Voorts enjambeert de zin over den rijmregel het geheele gedicht door, b.v.229,359,985,1315,1361,1578,1731,2250,2339,2360,2439,3243,3244,3327,3332,3435.

In beide deelen vindt men onzuivere rijmen, b.v.105man,nam,gram,began,451graf,was,795swinghen,vingheren,2101Isengrijn,rijm,2113doe,vro,2129Hersinde,kindren,3359trac,dat(?),3431verbijt,dit,2851omberen,varen,2913snoeren,te voren, en misschien3027voeten,grote.

Van het begin tot aan het eind ontwaart men een streven om denzelfden rijmklank te vermenigvuldigen: vooreerst in de veelvuldige opvolging van vier zuivere rijmwoorden, b.v.139ghedede,vrede,ghelede,crede;261an,can,man,ban;267ware,clusenare,hare,jare;367niemare,ware,clusenare,twaren;459boecstave,grave,begraven,scraven;945prihore,ore,bescoren,verloren;1233ghestaen,ghevaen,wane,hane;1307waert,Reinaert,waert,vervaert;1333rade,dade,daet,raet;1501begheven,leven,gheven,leven;1737ghelaet,vraet,gaet,quaet;2065man,an,dan,man;2295vrouwe,trouwe,soude,woude;2299waer,haer,vare,openbare;2725vaert,claert,Reinaert,waert;2761lede,vrede,crede,mede.(20)

Voorts springt dit nog veel duidelijker in het oog als men de bloote assonnance in rekening brengt, die ontelbare malen, het geheele gedicht door, meer dan twee regels verbindt. Wij zullen slechts enkele voorbeelden bijbrengen, omdat het ons aan plaats ontbreekt de grootste helft van het gedicht hier af te schrijven.

Vs.21weten,heten,leven,begeven;101man,nam,gram,began;155begeven,gheheven,spele,vele;699dat,sat,sal,al;711ghevaen,staen,haest,naest;3315ram,quam,middach,ghesach;3401pine,Beline,gheliet,verriet;3433mesdaet,quaet,maghen,bejaghen.

Zoo worden ook meer dan vier verzen gebonden. B.v. zes:901verslaghen,ghedraghen,ghevaren,daren,daghe,claghe,1275vader,gader,jare,ware,scame,name; zoo ook1331,1693,1767,2215,2323,2867,2915,3307,3377. Acht, b.v.291gaende,slaende,bare,mare,Cantaert,waert,hane,wane;395saghe,haghe,ondergaen,saen,ghetale,male,nakede,smakede; zoo ook1239,1749,2621,3229,3291.

En zelfstien: b.v.447lanc,sanc,las,was,graf,was,gras,was,sach,lach;1091vraet,ghelaet,overstaerc,maerc,bestaen,waen,dagheraet,raet,ghedaen,gaen;1451Reinaert,herwaert,gheraden,ghenaden,mesdaet,verstaet,mater,cater,mesdaen,dwaen.

Reeds het veelvuldige van dit opmerkelijk verschijnsel loont, dat het niet een bloot spel van het toeval kan zijn; en wij zien dat ook nog nader, als wij opmerken hoe de dichter er naar streefde weêr op denzelfden rijmklank terug te komen, ook als hij dien voor 't oogenblik had moeten opgeven. Dikwerf keert na twee regels dezelfde assonnance terug:127ombere,mordenere(dief,lief),here,ere;187angaen,ontfaen, (gherne,wernen),mesdaen,staen;Isengrijn,pijn(ghevoech,onghevoech),wijf,lijf; enz. enz.

Nog een paar voorbeelden op ietwat grooter schaal:1407wijf,lijf,ontgaen,gaen,hermeline,mine,nu,u,Reinaerdine,gaerdeline,al,sal,dief,lief;3097hermeline,pine,gram,vernam,vlien,ghescien,ondergaen,saen,mordadelike,ghenadelike,sidi,mi;539Reinaert,waert,haghedochte,ghedochte,raet,vraet,driven,bliven,lanc,danc,vrient,gedient,ganc,lanc,bestaen,ghegaen,gheraden,gheladen,wise,spise,gaen,ghestaen,sat,wat,have,grave,weten,eten,aten,honichraten.


Back to IndexNext