Se il fust pris devant HalapeNe fust-il pas si adolez,hetgeen herinnert aanRenart Le Nouvel, vs. 2884:Ne cuit mie jusqu'en HalapeAit nul home qui le vousist.Zoowel het eene als het andere gedicht schijnt eerst in het laatst der dertiende eeuw zijn tegenwoordige vorm erlangd te hebben.—Over de karakteristiek handelen wij weldra.»Dans les branches 21, 22 .... les animaux acteurs agissent et parlent encore en grande partie selon leur naturel, mais ces branches ne portent plus tout-à-fait l'empreinte de la fable; ce sont plutôt des récits, des contes versifiés où les animaux des autres branches sont encore en scène, mais où le tout prend un cachet tant soit peu différent.»Les branches 19, 20 ...., assez longues, renferment, à la vérité, des parties qui tiennent à la simple fable, et qui sont teintes d'une couleur analogue à celle qui est commune aux premières branches; mais du reste elles sont remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité, et retracent les mœurs, les usages et le langage de la chevalerie. Les animaux s'y rassemblent à la cour du roi Noble le lion, tiennent conseil, se divertissent, font le siége du château-fort de Maupertuis, montent constamment à cheval, s'arment à l'instar des chevaliers, parlent tous le même langage, agissent de la même manière, s'agitent, se battent et triomphent sans aucun égard à leur grandeur, à leurs forces, à leur naturel, à leurs qualités morales et physiques. Ces branches ne laissent pas d'être curieuses, poétiques, spirituelles et plaisantes en maint et maint endroit; mais elles ne ressemblent plus aux premières, elles forment des poëmes d'un autre style, on dirait presque d'un genre différent.”Ik heb bij herhaling de fransche branches gelezen enherlezen alvorens ik met het boek van R. bekend werd, en ik moet zeggen, dat ik niet tot hetzelfde rezultaat als de deensche geleerde ben gekomen; en wie zich de moeite wil getroosten de drie eerste deelen vanMÉONte doorbladeren, zal lichtelijk ontwaren, datROTHEter gunste van een systeem een willekeurig onderscheid heeft aangenomen. Wij zagen reeds dat de achttien eerste branches vanMÉONniet alle tot de oudsten behooren; het behoeft ook slechts eene oppervlakkige inzage opdat men zich overtuige, dat zij zich niet onderscheiden door die »naïveté de la fable,” maar evenzeer als de volgenden behooren tot de »récits ou contes versifiés.”Ik verwijs b.v. naar de tweede branche, waarin Renart de aal van zekere kooplui steelt; naar de tiende, waarin de vos en de wolf een priester bedriegen; naar de elfde, die vanPIERRE DE SAINT-CLOUDheet te zijn, en die men gewoonlijk voor de oudste houdt, waarin breedvoerig geschilderd wordt hoe Renart met een boer solt en hem behendig in het water smijt; enz., enz.Of die achttien eerste stukken ook wel minder zijn »remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité”?Vooreerst rijden ook hier de dieren te paard. In de eerste branche b.v. heet het vs. 568 van Renart:Ainz ne fina d'esperoner.In de tweede, vs. 893:Car il (R.) a trop ignel cheval.In de 13e(9), vs. 6541:Onques ne fa ses frains tenuz.In de branche aanPIERRE DE SAINT-CLOUDtoegeschreven zegt de vos tot Nobel, vs. 5618:Miex amez la grant baronieDe vostre cort avecques vos,Si con est sire Bruns li ors....N'avez cure de povre gent.Op het slot der eerste branche lezen wij, vs. 736:A la cort Noble le lionTient-on les plès et les oiancesDe mortiez guerres et de tences,Là nos irons de lui clamer.Vs. 516 spreekt Hersent er van zich aan een Godsoordeel te onderwerpen:.... S'om me laissoit esconduirePar sairement et par joïse,Je'l feroie par del deviseC'om me féist ardoir ou pendreSe ne m'en poïsse desfendre.Uit dit alles zal men gereedelijk ontwaren, dat de onderscheiding doorROTHEgemaakt, niet opgaat; en dat de meeste branches in karakter niet veel verschillen(75). Dit kon ook niet wel, omdat zelfs niet de oudste de oorspronkelijke vorm teruggeeft. Even als onze 20e(16e) branche zich op een boek beroept, doen het ook anderen, b.v. die vanPIERRE DE SAINT-CLOUDheet te zijn, vs. 4938:Que se li livres nos dit voirOù je trouve l'estoire escrite;vs. 5753:Que se l'estoire ne nos ment.Zoo ook de 5e(3e) branche, die een verhaal bevat dat ook in het stuk vanPIERREvoorkomt, maar een ouder aanzien heeft, heet het vs. 1384:Trover le poez en l'estoire.Nu hebben de omwerkers de zeden, denkbeelden en het spraakgebruik van hunnen tijd in hun verhaal gebracht, de een op deze, de andere op gene wijze, naarmate zij zich meer of minder streng aan hun origineel hielden. Zoo zagen wij in de 11ebranche b.v. met een enkelen trek de koninklijke hofhouding aanduiden, terwijl de schrijver zich onthoudt van zijne dierhelden te paard te laten rijden.Het verst in ridderlijke zedeschildering gaat het laatste gedeelte der 20e(16e) branche, en ook de 19ewaar de dieren gewapend met lans en speer Reinaerts burcht belegeren; en alleen betrekkelijk deze gaat de onderscheiding vanROTHEop.Uit dit alles volgt nu, zoo ik hoop, klaarblijkelijk, dat het karakteristieke onderscheid tusschen de branches 1–7, 21–22 en 20aniet bestaat in dien zin waarinROTHEhet opvatte, en die hem aanleiding gaf de branches 20 en 21–22 aan verschillende dichters toe te schrijven. Wij zullen dan ook later zien, dat de 20ebranche, die volgensROTHEtot de jongste bewerkingen moest behooren, gedeeltelijk althans, waarschijnlijk tot de oudste moet gerekend worden.Keeren wij thans tot de branche 21–22 meer bepaald terug.Faurielwas daaromtrent van een andere meening danROTHE. Hij noemt de beide branches(76): »Renart teint en jaune et Renart jongleur .... deux productions remarquables à plus d'un titre, et surtout pour êtreindubitablement du même trouvère à qui l'on doit la fable du Plaid(20).”Hoe verdienstelijk deze schrijver in vele opzichten is, hij heeft in zijn artikel over denRoman du Renardte veel misslagen begaan om hem op zijn woordte gelooven(77); wij moeten daarom een eigen onderzoek instellen.In deze branche nu wordt hoofdzakelijk verhaald, hoe Reinaerts vrouw op het eerste gerucht van zijnen dood zich terstond een nieuwen echtgenoot gekozen had, die echter door Reinaert in zijne bruiloftsvreugde wordt gestoord.Nu zegt reeds in de voorgaande, 20ebranche, vs. 11745 vlg., de vos tot den das:.... Se ma fame se marie,Tolez li quanque je li lès,Et si tenez ma terre en pès,Qar moult m'aura tost obliéPuis que me saura devié;Ainz que Tibaut soit crestiensEn metra un en ses liens:Qar qant li hons gist en la bière,Sa fame esgarde par derièreS'ele voit home à son plaisir;Ne puet pas son voloir taisir,Con plus se pasme et vet tremblant,Qu'il ne li face aucun semblant.Tot autretel fera la moie,Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie.Die soort van voorspelling wordt nu in de volgende branche vervuld. Ook in deze komen herinneringen voor aan het voorgaande stuk, b.v. vs. 12165–8, waar gewezen wordt op het gebeurde op het laatst der 20ebranche, vs. 11531, 11957. En nog duidelijker heet het vs. 12679:A une liue d'iloc ot,Si que Renarz moult bien le sot,Une tombe d'une martire,Dont vos m'avez bien oï dire,De Coupée qui là gisoit:Tretoz li mondes le disoitQu'ele fesoit apertementVertuz à toz conmunalment.Nus hons n'i vient, tant soit enfers,Ou soit moignes, on lais ou clers,De tot le mal que il éust,Que meintenant gariz ne fust.Dit ziet op het vroeger verhaalde geval, vs. 10147, waar men ontdekt dat Coupée, de door Renart vermoorde hen, eene heilige martelares was, op wier graf de haas door een mirakel van zijne koorts genezen wordt.Opmerkelijk is het, dat hier vs. 12682 de dichter uitdrukkelijk zegt:Dont vos m'avez bien oï dire,zoodat wij hier meer hebben dan eene bloote toespeling, ja de zeer stellige verklaring dat beide branches van één en denzelfden dichter zijn.Rothewil dit echter niet aannemen, en om zijne opvatting te redden neemt hij zijne toevlucht tot de volgende gissing: »Si l'on osait regarder la vingtième branche, telle que nous la connaissons aujourd'hui, comme un remaniement plus récent et plus spirituel d'un original antérieur, on pourrait supposer, que les branches vingt-et-une et vingt-deux ont eu une conformité et une liaison plus complètes avec cet ancien original de la vingtième(78).”Het valt intusschen in het oog, dat dit niets anders is dan eene hypothese, die alleen gerechtvaardigd wordt doorROTHESonkritische beschouwing der 20ebranche, waarin hij geene twee verschillende handen opmerkte.De geleerde Deen gaat daarbij ook nog van eene andere verkeerde stelling uit. Hij schijnt aan te nemen dat wij de 21–22ebranche in hare oorspronkelijke, onomgewerkte vorm bezitten, en dit kan toch niet in het algemeen als waar aangenomen worden.Er komen toespelingen in voor op het tweede gedeelteder 20ebranche, in welk deel ook de aangehaalde woorden van Renart voorkomen, die ons op de 21–22emoeten voorbereiden, zoodat de aanknoopingspunten blijkbaar eerst later in dit verhaal zijn gebracht, dat overigens eene overoude overlevering schijnt te bevatten(79).Dit alles schijnt echter juist de stelling van één en denzelfden dichter niet waarschijnlijker te maken; maar van den anderen kant pleit voor de identiteit des dichters de vermelding van de kanonisatie van Coppe in het eerste gedeelte der 20ebranche, en wel te midden van het verhaal, en onder nadrukkelijke verklaringDontVOS M'avez bien oï dire.Rotheis ook op dien regel gestuit. »Le vos m'avez bien oï dire”, zegt hij(80), »semblerait à la vérité signaler le même auteur pour les deux branches; mais d'autres considérations ne permettent pas de la supposer.”Die andere »considérations” meenen wij genoegsaam weêrlegd te hebben, zoodatROTHESeenige grond vervalt; want niemand zal wel eenig gewicht hechten aan hetgeen hij er op laat volgen: »Du reste l'auteur de la 22ebranchea puchanter cela ailleurs, et non pas dans la 20ebranche précisément.”Het verwondert ons, dat hij niet eenen anderen uitweg heeft voorgeslagen, die trouwens ten gevolge van onze andere opmerkingen ook bij ons kan opkomen.Daar er blijkbaar een streven zichtbaar is om de 20een 21–22ebranche aan elkander te rijgen; zou het niet onmogelijk zijn, dat de schrijver van het tweede gedeelte der 20ebranche, aan wien deze aaneenhechting wel mag worden toegeschreven, hier eene kleine veranderingin den tekst had gebracht, daar er oorspronkelijk wel kon gestaan hebben:Dont vos avez bien oï dire,zoo als men in verschillende andere gedichten aantreft.En toch durf ik deze tekstverandering niet als een bewezen feit aannemen, daar geen enkel handschrift eene andere lezing schijnt aan te bieden dan die welkeMÉONgevolgd is. Wij hebben dan hier niets anders dan eene waarschijnlijke konjektuur.Men mag echter misschien nog verder gaan, en veronderstellen, dat de naam van Coupée hier slechts is ingevoegd om de aanknooping in de hand te werken, terwijl er vroeger alleen van een martelaar, een heilige in 't algemeen in het ouder gedicht sprake was.De omstandigheid dat Reinaerts vrouw hem voor dood hield, verbiedt ons bepaaldelijk deze branche aan 20avast te knoopen, waar Reinaert juist bij zijne echtgenoot en kinderen gelukkig was aangekomen: om de aansluiting mogelijk te maken, was de invoering der branche 20bnoodzakelijk.Dat in alle handschriften de branches 20, 21–22 terstond achter elkander volgen, bewijst niets, daar alle codices jong zijn, en uit een tijd, dat de inorganische vereeniging reeds lang had plaats gegrepen.Opmerkelijk is het ook, dat terwijl in de 20ebranche tweemaal eene onloochenbare toespeling voorkomt op deChanson de Guillaume au cort nez, dit gedicht juist in de 21–22ebranche niet vermeld wordt, waar van deChansons de gestealleen genoemd worden, vs. 12623:Chanson d'Ogier,Et de Rolant et d'Olivier,Et de Charlon le ber chanu,waarbij men wel mag opmerken dat, zoo de schrijverdezer branche ook de auteur der voorgaande was, hij zeker ook hier in de eerste plaats het gedicht zou vermeld hebben dat hem zoo gedurig voor den geest had gezweefd, toen hij de 20ebranche schreef.Nu is er wel overeenkomst in taal en spraakwendingen, maar daaruit blijkt toch maar alleen, dat de schrijver in Fransch-Vlaanderen t'huis behoorde, hetgeen ons niet zal verwonderen als wij de omwerking of althans de aanhechting der 21–22ebranche aan den schrijver van 20bmogen toeschrijven.Een paar voorbeelden mogen het taaleigen bewijzen.Renart doet zich voor als een vreemde jongleur, die het Fransch râbraakt, en gebruikt daarbij soms vlaamsche woorden. Vs. 12106:Ez-vos Renart qui le salue:„Godehelpe!fet-il, bel sire.”Vs. 12153 vraagt hem Ysengrin:Et sez-tu le lai Dam Iset?”—„Ja, Ja, dist-il, godistonet(?),Je fot saver, dist-il, trestouz.Opmerkelijker is eene andere uitdrukking. Vs. 12858 verwijt Hersant aan de vossin:Mespris avez en tel manièreQu'en vos en tient à chamberière,Qui conmunaus est à garçons:Trestuitli entrent ès arçons.Dezelfde zeldzame overdrachtelijke spreekwijs vindt men ook terug, br. 20a, vs. 9734, waar aan Hersant verweten wordt:Que dans Renars, cis fox garçonsVosentraonquesès arçons.Is dit echter genoegsaam om beide branches aan denzelfden dichter toe te kennen, of moet men hier aan overneming denken?Ik heb die uitdrukking nog maar in ééne andere branche terug gevonden, die tot de 20ein zeer naauwe betrekking staat, waarom wij er hier een woord van moeten zeggen. Het is namelijk de eerste.Die eerste branche is uit twee, misschien drie, zeer verschillende stukken samengeflanst, gelijkGRIMMreeds heeft aangetoond(81). Het eerste loopt van vs. 1 tot 233 of 335, na welk laatste vers een nieuw verhaal begint, dat tot aan het einde doorloopt.De inhoud dier branche 1bhangt ten naauwste samen met de 20e. Dáár toch wordt het feit, de misdaad, verhaald, waarover Isengrim zich in de 20eten hove komt beklagen. Buitendien, in de laatste regels van 1bgeeft Hersent aan Isengrim den raad zich ten hove des konings te beklagen over den hoon hem door Reinaert aangedaan.De laatste regels komen echter niet in alle handschriften voor. Br. 1bvindt men niet in alle codices: slechts in de 1e, 2een 6ebijROTHEgeanalyzeerd, en ook in het vatikaansche handschrift. In het laatste nu ontbreken juist de 32 laatste verzen, waarin de overgang tot de 20ebranche wordt voorbereid(82), en ik weet niet of zij wel inROTHEShss. 2 en 6 gevonden worden, daar hij slechts gewaagt van »à peu près la dernière moitié de la branche première”(83).Daar nu slechts één enkel handschrift die voorbereidingswoordenschijnen te bevatten, behoeft men er niet veel gewicht aan te hechten. Branche 1bkan echter niet als een op zichzelf staand gedicht worden beschouwd.Verschillende uitdrukkingen wijzen op een naauwer verwantschap tusschen dit stuk en 20a.De dieren rijden hier als dáár te paard. Wij vinden hier voorbereiding tot hetgeen later in 20avolgt. Vs. 513 zegt Hersent tot haar echtgenoot:„Sire, fait-ele, vos diroizCorociez estes, n'est pas droizQue vos mostrez ici vostre ire;Que s'om me laissait esconduirePar sairement et par joïse,Je'l feroie par tel devise,C'om me féist ardoir ou pendreSe ne m'en poïsse desfendre.”Dit hangt samen met br. 20a, vs. 9790, waar Hersent zegt:„J'amasse miex assez la pèsEntre mon seignor et Renart,Voir qui en moi n'ot onques part,En tel manière n'en tel guise,Si que j'en feroie une juise,Ou de froide ève ou de fer chant.Mès mon escondire que vaut!”etc.Ten einde ons betoog zoo eenvoudig mogelijk te maken, moeten wij hier reeds wijzen op den aard van den samenhang. Br. 1bis blijkbaaraprès coupgemaakt, door een schrijver die meer in het breede wilde verhalen wat in de 20ebranche als voorafgegane gebeurtenis en hoofdoorzaak van de veete tusschen Renart en Ysengrin, slechts wordt aangestipt. Dat dit door den schrijver van 20azelf zou geschied zijn, is a priori reeds onwaarschijnlijk. Vooreerst, omdat hij daardoor de kunsteenheid van zijn eerste werk zou hebbenopgeheven; ten anderen omdat hij dan later in de 20ebranche den aanhefsregelCe dist l'estoireès premiers vers,wel zou hebben veranderd; eindelijk omdat de schrijver van 1book branche 19 voor zich had, die zeer zeker niet door den dichter van 20ais bearbeid.Vs. 636 toch zegt Renart tot den wolf:Ne forfis rien à vostre fame,Et por moi et por lui desfandreTot par là où le vodrez prendre,Un sairement vos aramisAu los de voz meillors amis.Men ziet duidelijk, dat dit eene toespeling is op de eedsaflegging die in de 19ebranche omstandig verhaald wordt.Met die 19eheeft ook 1bnog dat gemeen, dat in beiden Ysengrinconestablegenoemd wordt(84), b.v. vs. 352 en 8255, 8363, 8521.De branche 1bkan dus niet van den dichter van 20azijn. Treffen wij dus bij beiden dezelfde opmerkelijke uitdrukkingen, dan kan er alleen aan overneming gedacht worden. Zoo geschiedt dit vs. 504, waar wij lezen:.... Renars cix rous, cix puanz,Cix viz lechierres, cix garçons,Vosmonta onques ès arçons.Hieruit volgt dan ook, dat het gebruik dier uitdrukking in 21–22 nog niet noodzakelijk bewijst dat deze branche door den dichter van 20amoet zijn bewerkt.Br. 1bschijnt nog eene uitdrukking met 20agemeen te hebben. Vs. 632 zweert Renart dat hij des wolfs vrouw niet heeft geschoffeerd:Par Dieu, beau sire, ne'l créez,Que nules riens i aie faites,Ne dras levez, ne braies traites;Ains par cest cors ne par ceste ame!Ne forfis rien à vostre fame.”In welke houding gij mij ook gezien hebt, dat wat gij vermoedt, heeft geen plaats kunnen hebben; want zie maar, ik heb bij haar geendras levez, noch bij mij zelfbraie traite.In de 20ebranche zegt de vos, vs. 10997, tot zijne verdediging:„Et puis qu'in'i ot braies traites,Ne huis brisiez, ne portes fraites,S'ele m'a chier, et ele m'aime,Cix faus jalous de coi se claime?”Hier is intusschen de uitdrukkingtraire braiesniet op hare plaats; zij is hier blijkbaar den afschrijver uit de pen geschoten, wien zij uit de eerste branche, die vooraan in het manuscript stond, in het hoofd lag. Waarschijnlijk moet hier gelezen worden:Et puis que n'i otforce fète,Ne huis brisiez, ne porte frète,even als op eene andere plaats, vs. 9761, de das zegt:„Et puis qu'il n'i ot force fète,Ne huis brisié, ne trive frète,Se Renars le fist par amors,N'i afiert ire ne clamors.Dat echter de eene uitdrukking de andere heeft in 't leven geroepen, is meer dan waarschijnlijk.Nog eene bijzonderheid mag ons niet ontgaan. Reinaert had, gelijk wij van elders weten, meer dan één kasteel, even als elke goede vos meer dan één hol heeft. BehalveMalpertuis, wordt ook nogMalcruesgenoemd. Zoo b.v. in de 19ebranche, vs. 5972:Et il se r'est enMalcruesmis,en vs. 8932:Droit àMalcruesson repère,zoo als een der codices leest(85), maar waarvoor de uitgave vanMÉONterecht leestMalpertuis, zoo als de rhythmus leert.Die zelden voorkomende naam hoort waarschijnlijk ook in branche 20a(16) t'huis; immers vs. 10803 zegt de vos in zijne biecht, van eene vorige belegering van zijne burcht sprekende,Qant li ost(86)fu devantmon crues,........................Tuit furent batu et ploié.Moest men daar in steê van het meer algemeene gezegde niet den eigennaam van Reinaerts burcht verwachten, en lezen:devant Malcrues?Opmerkelijk is het, dat dezelfde schrijffout, natuurlijk van denzelfden afschrijver, ook in branche 1b, vs. 568 voorkomt, waar het heet:Ainz ne fina d'esperonerJusqu'a l'entréed'un mal crues,waar blijkbaarde Malcruesmoet gelezen worden, daar weinige verzen later, vs. 577, juist van die plaats gezegd wordt:Li chastiaus estoit auques fort.Daar nu dezelfde naam ook in de 19ebranche voorkomt, behoeft het geen betoog, dat zij in de 1eer niet toe kan leiden om deze aan den dichter der 20etoe te schrijven.De einduitkomst van dit onderzoek moet, dunkt mij, zijn, dat branche 20aeenmaal op zichzelf stond, endat daaraaniets laterdoor den schrijver van 20book de branche 21–22 werd toegevoegd. Waarschijnlijk heeft wederom een jonger schrijver uit dezelfde landstreek er ook de 19ebranche bijgedicht.ZoowelROTHE(87), alsGRIMM(88)hebben reeds opgemerkt, dat het begin der 20e(16e) branche zich aan de vorige aansluit, waarin verhaald wordt, hoe Renart zich onttrok aan het afleggen van een zuiveringseed op het lijk van een martelaar, omdat hij ontdekt had, dat men hem in eene hinderlaag wilde lokken. De fransche branche 20 zegt, vs. 9689:Quant li saint furent aporté,Il se retraist mout tost arière,Si se féri en sa taisnière.En evenzoo in den mnl.Reinaert, vs.82:Also saenAlse die heleghe waren brocht,Was hi andersins bedocht,Ende ontfoer in sine veste.Zoo er al samenhang is, beide genoemde geleerden zijn het eens, dat evenwel die twee branches van verschillende dichters zijn. Ook wij nemen die stelling aan, hoewel zij ons bijROTHEvreemd klinkt om de opvallende overeenkomst in karakter met branche 20b, die hij niet van 20ascheidt.Dat de 19ebranche reeds op de 20evoorbereidt, bewijst slechts dat men er naar streefde om ze beiden aan een te rijgen. Daarom zegt Grimbert in het slot tot den wolf, vs. 9635:„.... por Renart..........Alez à cort, ne fètes noise:De rien i a de mesprison,Là vos en fera-il reson.”Dist Ysengrins: „Je m'i acort:Quel part que la parole tort,Ouen en Mai ferai mon claim:A mon seignor, que je moult aim,Me clamerai del traïteur”etc.Maar dit geeft ons nog geen recht beide branches aan denzelfden schrijver toe te kennen; zelfs niet als wij weten, dat zij ook een Vlaming tot auteur heeft, zoo als ons uit zijne taal kan blijken.Immers vs. 9202 zegt hij:Anuit aurez moult bon herbert,wat niets anders is dan eene gewijzigde uitspraak vanherberc, onsherberg, en dus verschilt van het gewonehéberge.Vs. 9147 leest men nog bepaalder:Grimbert respont: „Ja, ja.”De schrijver kende de geheele 20ebranche, zoowel het oorspronkelijke deel als het toevoegsel.Uit het eerste nam hij, vs. 9267, de namenGoubert(br. 20a, vs. 10371), en vs. 9261,dame Poufile(br. 20a, vs. 10378).Uit het tweede den banierdrager, daar hij, vs. 9045, schrijft:Cel jor porta le confanonLi putoiz qui Foinez ot non.In de 20ebranche isli limaçonsde banierdrager, vs. 11313, 11558, 11617; maar juist uit de bijvoegingcel jorblijkt, dat de schrijver zich van de afwijking bewust was, en dus 20bkende.In br. 20bzien wij de dieren, als ware ridders, met lans en speer tegen Reinaerts burcht optrekken. In dit opzicht gaat de schrijver van br. 19 nog verder, daar hij zelfs van een hond, die niet tot de edeler dieren derhofhouding behoort, en die Reinaert najaagt, zegt, vs. 9481:Primes i cort, ainz que li autre,Lance levée sor le fautre,Rooniax li chiens.Dat dit alles ontleend is, blijkt nog uit kleinigheden. Zoo b.v. noemt de schrijver van branche 19 zelden de namen der edeler dieren: in den regel heet bij hem de koning slechtsli lions, vs. 8346, 8383, 8476, 8876, 8907, 9021; de beer,li ors, vs. 8745, 8774, enz.Eenmaal bestond er zeer zeker een streven om de branches 19, 20, 21–22 met elkander in verband te brengen(89): door wien, en wanneer is nu die vereenigingsband om deze gedichten geslagen?Mij dunkt dit heeft ongeveer in de tweede helft der dertiende eeuw moeten plaats hebben, toen wellicht de branches 1b, 19, 20, 21–22 als een zeker geheel werden aangemerkt.In de veertiende eeuw schijnt deze band weêr te zijn verbroken, daar men bij de bijeenzameling van meerdere branches eene andere rangregeling moest aannemen om de gebeurtenissen elkander zoo regelmatig mogelijk te laten opvolgen.Zoo werd b.v. de eerste branche in het handschrift, datMÉONtot grondslag van zijne uitgave legde, geheel vooraan geplaatst, en dit hs. is het eenige waarin branche 19 onmiddellijk aan de 20evoorafgaat, terwijl zij in al de anderen verre daarvan verwijderd staat.Die vereeniging had echter eerst plaats nadat reeds 20aenbwaren tesamengesmolten, en wellicht ook 21–22 daaraan toegevoegd, maar nog niet de 19e; wanthet is opmerkelijk, dat de schrijver van onzenReinaertde personagie van Roonel den hond, die toch in de 20ebranche voorkomt, in 't geheel niet noemt, waaruit men zou mogen opmaken, dat hij het verhaal, waarin deze eene hoofdrol speelt, niet gekend heeft.V.Nu wij ons eenigsins hebben bekend gemaakt met de fransche branche, die wij als de mogelijke bron van onzenReinaertaanzien, kunnen wij er toe overgaan om door eene nadere vergelijking de waarheid van ons beweren te staven.Wij zullen punten van overeenkomst aantreffen die treffend zijn, maar ook zeer merkwaardige afwijkingen. Om dus de verhouding van ons gedicht tot het fransche aan te wijzen, om eenig meerder licht te verspreiden over het ontstaan van denReinaert, en een duidelijker inzicht te verkrijgen in zijne kunstwaarde, moeten wij zoowel de overeenstemming als de afwijking in bijzonderheden nagaan.Willemsheeft reeds de rangnummers van vele overeenkomstige verzen van beide teksten naast elkander geplaatst(90), maar om de letterlijke overeenkomst recht duidelijk in het oog te doen vallen, om allen mogelijken twijfel weg te nemen, moeten wij de voornaamste letterlijk eensluidende plaatsen nevens elkander den lezer voor oogen stellen.Na eene inleiding van weinige verzen begint het fransche gedicht aldus, vs. 9659:Ce dist l'estoire ès premiers vers,Que jà estoit passez yvers,Et l'aube-espine florisoit,Et que la rose espanisoit,Et pres fu de l'Acension,Que sire Noble, le lyon,Toutes les bestes fist venirEn son palès por cort tenir.Onques n'i ot beste tant ose,Qui se tardast por nule chose,Qu'ele n'i viengne hastivement,Fors dans Renars tant solement.Le mal baron, le sodoiant,Que tuit li autre vont huiant,Et encusant devant le roi,Par son engin, par son desroi.Evenzoo vangt, na eene inleiding, onzeReinaertaan, vs.41:Het was in enen Sinxendaghe,Dat beide bosch ende hagheMet groenen loveren waren bevaen.Nobel, die coninc, hadde ghedaenSijn hof craieren over al,Dat hi waende, hadde hijs gheval,Houden te wel groten love.Doe quamen tes coninx hoveAlle die diere, groot ende clene,Sonder vos Reinaert allene:Hi hadde te hove so vele mesdaen,Dat hire niet ne dorste gaen.....................Doe al dat hof versamet wasWas daer niemen..........Hine hadde te claghene over ReinaerdeDen fellen, metten roden baerde.Et conpissa toz mes loviax.9685.Ende mine kindre so mesvoert,Rein.74.Dat hise besekede.Renarz prist jor de l'escondire9687.Qu'il n'avoit pas fait l'avoutire.Quant li saint furent apporté,Ne sai qui li ot enorté,Il se retraist mout tost arière,Si se féri en sa taisnière.Het was sint so verre comen,Rein.79.Datter een dach af was ghenomen,Ende Reinaert soude hebben ghedaenSine onsculde: ende also saenAlse die heleghe waren brocht,Was hi andersins bedocht,Ende ontvoer in sine veste.Quant la vegile fu chantée10109.Le cors portèrent enterrer;Mès ainçois le firent serrerEn un moult bel vessel de plon,Ains plus riches ne vit nus hon;Puis l'enfoïrent soz un arbre,Et par desus mistrent un marbre,S'i ont escrit le non la dame.Doe die vigilie ghehent was,Rein.450.Doe leidemen Coppen in dat graf,Dat bi engiene ghemaket was,(Onder die linde, in een gras,)Van maerberstene, die slecht was:Die letteren, die men daer ane sach,Ane den sarc, die daer up lach,Deden ane tgraf bekinnen,Wie daer lach begraven binnen(91)S'estoit devant la barbaquane.10179.Doe ghinc hi vor die barbecaneRein.522.Sitten over sinen staert.Je sui Brun, mesagier le roi.10190.Ic bem Brune, des coninx bode.Rein.525.Renarz qui tot le mont engane,10180.Por reposer s'est tret arièreEnmi le fonz de sa tesnière.....................Renarz set bien ce est li ors,Reconnéu l'avoit au cors (sic):Lors se commence à porpenserConment son cors porra tenser:En grant paine est d'estudierConment le puisse conchier.Bi der tale, die Brune heeft begonnen,Rein.538.Bekenden altehant Reinaert,Ende tart bet te dalewaert,In sine donkerste haghedochte:Menichfout was sijn ghedochte,Hoe hi vonde sulken raet,Dat hi Brune, den fellen vraet,Te scerne mede mochte driven,Ende selve bi siere ere bliven.Brun, fet Renarz, biax doz amiz,10199.En moult grant paine vos a misQui çà vos a fet avaler!Ge m' en devoie là aler....Here Bruun, wel soete vrient,Rein.549.Hi hevet u qualike ghedient,Die u beriet desen ganc,Ende u desen berch lancOver te lopene dede bestaen;Ic soude te hove sijn ghegaen....Nomine Pastre, Christum file!10237.In denReinaertkomt deze uitroep niet hier voor, maar wordt later, vs.1824, den vos in den mond gelegd:
Se il fust pris devant HalapeNe fust-il pas si adolez,
Se il fust pris devant HalapeNe fust-il pas si adolez,
hetgeen herinnert aanRenart Le Nouvel, vs. 2884:
Ne cuit mie jusqu'en HalapeAit nul home qui le vousist.
Ne cuit mie jusqu'en HalapeAit nul home qui le vousist.
Zoowel het eene als het andere gedicht schijnt eerst in het laatst der dertiende eeuw zijn tegenwoordige vorm erlangd te hebben.—Over de karakteristiek handelen wij weldra.
»Dans les branches 21, 22 .... les animaux acteurs agissent et parlent encore en grande partie selon leur naturel, mais ces branches ne portent plus tout-à-fait l'empreinte de la fable; ce sont plutôt des récits, des contes versifiés où les animaux des autres branches sont encore en scène, mais où le tout prend un cachet tant soit peu différent.
»Les branches 19, 20 ...., assez longues, renferment, à la vérité, des parties qui tiennent à la simple fable, et qui sont teintes d'une couleur analogue à celle qui est commune aux premières branches; mais du reste elles sont remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité, et retracent les mœurs, les usages et le langage de la chevalerie. Les animaux s'y rassemblent à la cour du roi Noble le lion, tiennent conseil, se divertissent, font le siége du château-fort de Maupertuis, montent constamment à cheval, s'arment à l'instar des chevaliers, parlent tous le même langage, agissent de la même manière, s'agitent, se battent et triomphent sans aucun égard à leur grandeur, à leurs forces, à leur naturel, à leurs qualités morales et physiques. Ces branches ne laissent pas d'être curieuses, poétiques, spirituelles et plaisantes en maint et maint endroit; mais elles ne ressemblent plus aux premières, elles forment des poëmes d'un autre style, on dirait presque d'un genre différent.”
Ik heb bij herhaling de fransche branches gelezen enherlezen alvorens ik met het boek van R. bekend werd, en ik moet zeggen, dat ik niet tot hetzelfde rezultaat als de deensche geleerde ben gekomen; en wie zich de moeite wil getroosten de drie eerste deelen vanMÉONte doorbladeren, zal lichtelijk ontwaren, datROTHEter gunste van een systeem een willekeurig onderscheid heeft aangenomen. Wij zagen reeds dat de achttien eerste branches vanMÉONniet alle tot de oudsten behooren; het behoeft ook slechts eene oppervlakkige inzage opdat men zich overtuige, dat zij zich niet onderscheiden door die »naïveté de la fable,” maar evenzeer als de volgenden behooren tot de »récits ou contes versifiés.”
Ik verwijs b.v. naar de tweede branche, waarin Renart de aal van zekere kooplui steelt; naar de tiende, waarin de vos en de wolf een priester bedriegen; naar de elfde, die vanPIERRE DE SAINT-CLOUDheet te zijn, en die men gewoonlijk voor de oudste houdt, waarin breedvoerig geschilderd wordt hoe Renart met een boer solt en hem behendig in het water smijt; enz., enz.
Of die achttien eerste stukken ook wel minder zijn »remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité”?
Vooreerst rijden ook hier de dieren te paard. In de eerste branche b.v. heet het vs. 568 van Renart:
Ainz ne fina d'esperoner.
Ainz ne fina d'esperoner.
In de tweede, vs. 893:
Car il (R.) a trop ignel cheval.
Car il (R.) a trop ignel cheval.
In de 13e(9), vs. 6541:
Onques ne fa ses frains tenuz.
Onques ne fa ses frains tenuz.
In de branche aanPIERRE DE SAINT-CLOUDtoegeschreven zegt de vos tot Nobel, vs. 5618:
Miex amez la grant baronieDe vostre cort avecques vos,Si con est sire Bruns li ors....N'avez cure de povre gent.
Miex amez la grant baronieDe vostre cort avecques vos,Si con est sire Bruns li ors....N'avez cure de povre gent.
Op het slot der eerste branche lezen wij, vs. 736:
A la cort Noble le lionTient-on les plès et les oiancesDe mortiez guerres et de tences,Là nos irons de lui clamer.
A la cort Noble le lionTient-on les plès et les oiancesDe mortiez guerres et de tences,Là nos irons de lui clamer.
Vs. 516 spreekt Hersent er van zich aan een Godsoordeel te onderwerpen:
.... S'om me laissoit esconduirePar sairement et par joïse,Je'l feroie par del deviseC'om me féist ardoir ou pendreSe ne m'en poïsse desfendre.
.... S'om me laissoit esconduirePar sairement et par joïse,Je'l feroie par del deviseC'om me féist ardoir ou pendreSe ne m'en poïsse desfendre.
Uit dit alles zal men gereedelijk ontwaren, dat de onderscheiding doorROTHEgemaakt, niet opgaat; en dat de meeste branches in karakter niet veel verschillen(75). Dit kon ook niet wel, omdat zelfs niet de oudste de oorspronkelijke vorm teruggeeft. Even als onze 20e(16e) branche zich op een boek beroept, doen het ook anderen, b.v. die vanPIERRE DE SAINT-CLOUDheet te zijn, vs. 4938:
Que se li livres nos dit voirOù je trouve l'estoire escrite;
Que se li livres nos dit voirOù je trouve l'estoire escrite;
vs. 5753:
Que se l'estoire ne nos ment.
Que se l'estoire ne nos ment.
Zoo ook de 5e(3e) branche, die een verhaal bevat dat ook in het stuk vanPIERREvoorkomt, maar een ouder aanzien heeft, heet het vs. 1384:
Trover le poez en l'estoire.
Trover le poez en l'estoire.
Nu hebben de omwerkers de zeden, denkbeelden en het spraakgebruik van hunnen tijd in hun verhaal gebracht, de een op deze, de andere op gene wijze, naarmate zij zich meer of minder streng aan hun origineel hielden. Zoo zagen wij in de 11ebranche b.v. met een enkelen trek de koninklijke hofhouding aanduiden, terwijl de schrijver zich onthoudt van zijne dierhelden te paard te laten rijden.
Het verst in ridderlijke zedeschildering gaat het laatste gedeelte der 20e(16e) branche, en ook de 19ewaar de dieren gewapend met lans en speer Reinaerts burcht belegeren; en alleen betrekkelijk deze gaat de onderscheiding vanROTHEop.
Uit dit alles volgt nu, zoo ik hoop, klaarblijkelijk, dat het karakteristieke onderscheid tusschen de branches 1–7, 21–22 en 20aniet bestaat in dien zin waarinROTHEhet opvatte, en die hem aanleiding gaf de branches 20 en 21–22 aan verschillende dichters toe te schrijven. Wij zullen dan ook later zien, dat de 20ebranche, die volgensROTHEtot de jongste bewerkingen moest behooren, gedeeltelijk althans, waarschijnlijk tot de oudste moet gerekend worden.
Keeren wij thans tot de branche 21–22 meer bepaald terug.
Faurielwas daaromtrent van een andere meening danROTHE. Hij noemt de beide branches(76): »Renart teint en jaune et Renart jongleur .... deux productions remarquables à plus d'un titre, et surtout pour êtreindubitablement du même trouvère à qui l'on doit la fable du Plaid(20).”
Hoe verdienstelijk deze schrijver in vele opzichten is, hij heeft in zijn artikel over denRoman du Renardte veel misslagen begaan om hem op zijn woordte gelooven(77); wij moeten daarom een eigen onderzoek instellen.
In deze branche nu wordt hoofdzakelijk verhaald, hoe Reinaerts vrouw op het eerste gerucht van zijnen dood zich terstond een nieuwen echtgenoot gekozen had, die echter door Reinaert in zijne bruiloftsvreugde wordt gestoord.
Nu zegt reeds in de voorgaande, 20ebranche, vs. 11745 vlg., de vos tot den das:
.... Se ma fame se marie,Tolez li quanque je li lès,Et si tenez ma terre en pès,Qar moult m'aura tost obliéPuis que me saura devié;Ainz que Tibaut soit crestiensEn metra un en ses liens:Qar qant li hons gist en la bière,Sa fame esgarde par derièreS'ele voit home à son plaisir;Ne puet pas son voloir taisir,Con plus se pasme et vet tremblant,Qu'il ne li face aucun semblant.Tot autretel fera la moie,Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie.
.... Se ma fame se marie,Tolez li quanque je li lès,Et si tenez ma terre en pès,Qar moult m'aura tost obliéPuis que me saura devié;Ainz que Tibaut soit crestiensEn metra un en ses liens:Qar qant li hons gist en la bière,Sa fame esgarde par derièreS'ele voit home à son plaisir;Ne puet pas son voloir taisir,Con plus se pasme et vet tremblant,Qu'il ne li face aucun semblant.Tot autretel fera la moie,Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie.
Die soort van voorspelling wordt nu in de volgende branche vervuld. Ook in deze komen herinneringen voor aan het voorgaande stuk, b.v. vs. 12165–8, waar gewezen wordt op het gebeurde op het laatst der 20ebranche, vs. 11531, 11957. En nog duidelijker heet het vs. 12679:
A une liue d'iloc ot,Si que Renarz moult bien le sot,Une tombe d'une martire,Dont vos m'avez bien oï dire,De Coupée qui là gisoit:Tretoz li mondes le disoitQu'ele fesoit apertementVertuz à toz conmunalment.Nus hons n'i vient, tant soit enfers,Ou soit moignes, on lais ou clers,De tot le mal que il éust,Que meintenant gariz ne fust.
A une liue d'iloc ot,Si que Renarz moult bien le sot,Une tombe d'une martire,Dont vos m'avez bien oï dire,De Coupée qui là gisoit:Tretoz li mondes le disoitQu'ele fesoit apertementVertuz à toz conmunalment.Nus hons n'i vient, tant soit enfers,Ou soit moignes, on lais ou clers,De tot le mal que il éust,Que meintenant gariz ne fust.
Dit ziet op het vroeger verhaalde geval, vs. 10147, waar men ontdekt dat Coupée, de door Renart vermoorde hen, eene heilige martelares was, op wier graf de haas door een mirakel van zijne koorts genezen wordt.
Opmerkelijk is het, dat hier vs. 12682 de dichter uitdrukkelijk zegt:
Dont vos m'avez bien oï dire,
Dont vos m'avez bien oï dire,
zoodat wij hier meer hebben dan eene bloote toespeling, ja de zeer stellige verklaring dat beide branches van één en denzelfden dichter zijn.Rothewil dit echter niet aannemen, en om zijne opvatting te redden neemt hij zijne toevlucht tot de volgende gissing: »Si l'on osait regarder la vingtième branche, telle que nous la connaissons aujourd'hui, comme un remaniement plus récent et plus spirituel d'un original antérieur, on pourrait supposer, que les branches vingt-et-une et vingt-deux ont eu une conformité et une liaison plus complètes avec cet ancien original de la vingtième(78).”
Het valt intusschen in het oog, dat dit niets anders is dan eene hypothese, die alleen gerechtvaardigd wordt doorROTHESonkritische beschouwing der 20ebranche, waarin hij geene twee verschillende handen opmerkte.
De geleerde Deen gaat daarbij ook nog van eene andere verkeerde stelling uit. Hij schijnt aan te nemen dat wij de 21–22ebranche in hare oorspronkelijke, onomgewerkte vorm bezitten, en dit kan toch niet in het algemeen als waar aangenomen worden.
Er komen toespelingen in voor op het tweede gedeelteder 20ebranche, in welk deel ook de aangehaalde woorden van Renart voorkomen, die ons op de 21–22emoeten voorbereiden, zoodat de aanknoopingspunten blijkbaar eerst later in dit verhaal zijn gebracht, dat overigens eene overoude overlevering schijnt te bevatten(79).
Dit alles schijnt echter juist de stelling van één en denzelfden dichter niet waarschijnlijker te maken; maar van den anderen kant pleit voor de identiteit des dichters de vermelding van de kanonisatie van Coppe in het eerste gedeelte der 20ebranche, en wel te midden van het verhaal, en onder nadrukkelijke verklaring
DontVOS M'avez bien oï dire.
DontVOS M'avez bien oï dire.
Rotheis ook op dien regel gestuit. »Le vos m'avez bien oï dire”, zegt hij(80), »semblerait à la vérité signaler le même auteur pour les deux branches; mais d'autres considérations ne permettent pas de la supposer.”
Die andere »considérations” meenen wij genoegsaam weêrlegd te hebben, zoodatROTHESeenige grond vervalt; want niemand zal wel eenig gewicht hechten aan hetgeen hij er op laat volgen: »Du reste l'auteur de la 22ebranchea puchanter cela ailleurs, et non pas dans la 20ebranche précisément.”
Het verwondert ons, dat hij niet eenen anderen uitweg heeft voorgeslagen, die trouwens ten gevolge van onze andere opmerkingen ook bij ons kan opkomen.
Daar er blijkbaar een streven zichtbaar is om de 20een 21–22ebranche aan elkander te rijgen; zou het niet onmogelijk zijn, dat de schrijver van het tweede gedeelte der 20ebranche, aan wien deze aaneenhechting wel mag worden toegeschreven, hier eene kleine veranderingin den tekst had gebracht, daar er oorspronkelijk wel kon gestaan hebben:
Dont vos avez bien oï dire,
Dont vos avez bien oï dire,
zoo als men in verschillende andere gedichten aantreft.
En toch durf ik deze tekstverandering niet als een bewezen feit aannemen, daar geen enkel handschrift eene andere lezing schijnt aan te bieden dan die welkeMÉONgevolgd is. Wij hebben dan hier niets anders dan eene waarschijnlijke konjektuur.
Men mag echter misschien nog verder gaan, en veronderstellen, dat de naam van Coupée hier slechts is ingevoegd om de aanknooping in de hand te werken, terwijl er vroeger alleen van een martelaar, een heilige in 't algemeen in het ouder gedicht sprake was.
De omstandigheid dat Reinaerts vrouw hem voor dood hield, verbiedt ons bepaaldelijk deze branche aan 20avast te knoopen, waar Reinaert juist bij zijne echtgenoot en kinderen gelukkig was aangekomen: om de aansluiting mogelijk te maken, was de invoering der branche 20bnoodzakelijk.
Dat in alle handschriften de branches 20, 21–22 terstond achter elkander volgen, bewijst niets, daar alle codices jong zijn, en uit een tijd, dat de inorganische vereeniging reeds lang had plaats gegrepen.
Opmerkelijk is het ook, dat terwijl in de 20ebranche tweemaal eene onloochenbare toespeling voorkomt op deChanson de Guillaume au cort nez, dit gedicht juist in de 21–22ebranche niet vermeld wordt, waar van deChansons de gestealleen genoemd worden, vs. 12623:
Chanson d'Ogier,Et de Rolant et d'Olivier,Et de Charlon le ber chanu,
Chanson d'Ogier,Et de Rolant et d'Olivier,Et de Charlon le ber chanu,
waarbij men wel mag opmerken dat, zoo de schrijverdezer branche ook de auteur der voorgaande was, hij zeker ook hier in de eerste plaats het gedicht zou vermeld hebben dat hem zoo gedurig voor den geest had gezweefd, toen hij de 20ebranche schreef.
Nu is er wel overeenkomst in taal en spraakwendingen, maar daaruit blijkt toch maar alleen, dat de schrijver in Fransch-Vlaanderen t'huis behoorde, hetgeen ons niet zal verwonderen als wij de omwerking of althans de aanhechting der 21–22ebranche aan den schrijver van 20bmogen toeschrijven.
Een paar voorbeelden mogen het taaleigen bewijzen.
Renart doet zich voor als een vreemde jongleur, die het Fransch râbraakt, en gebruikt daarbij soms vlaamsche woorden. Vs. 12106:
Ez-vos Renart qui le salue:„Godehelpe!fet-il, bel sire.”
Ez-vos Renart qui le salue:„Godehelpe!fet-il, bel sire.”
Vs. 12153 vraagt hem Ysengrin:
Et sez-tu le lai Dam Iset?”—„Ja, Ja, dist-il, godistonet(?),Je fot saver, dist-il, trestouz.
Et sez-tu le lai Dam Iset?”—„Ja, Ja, dist-il, godistonet(?),Je fot saver, dist-il, trestouz.
Opmerkelijker is eene andere uitdrukking. Vs. 12858 verwijt Hersant aan de vossin:
Mespris avez en tel manièreQu'en vos en tient à chamberière,Qui conmunaus est à garçons:Trestuitli entrent ès arçons.
Mespris avez en tel manièreQu'en vos en tient à chamberière,Qui conmunaus est à garçons:Trestuitli entrent ès arçons.
Dezelfde zeldzame overdrachtelijke spreekwijs vindt men ook terug, br. 20a, vs. 9734, waar aan Hersant verweten wordt:
Que dans Renars, cis fox garçonsVosentraonquesès arçons.
Que dans Renars, cis fox garçonsVosentraonquesès arçons.
Is dit echter genoegsaam om beide branches aan denzelfden dichter toe te kennen, of moet men hier aan overneming denken?
Ik heb die uitdrukking nog maar in ééne andere branche terug gevonden, die tot de 20ein zeer naauwe betrekking staat, waarom wij er hier een woord van moeten zeggen. Het is namelijk de eerste.
Die eerste branche is uit twee, misschien drie, zeer verschillende stukken samengeflanst, gelijkGRIMMreeds heeft aangetoond(81). Het eerste loopt van vs. 1 tot 233 of 335, na welk laatste vers een nieuw verhaal begint, dat tot aan het einde doorloopt.
De inhoud dier branche 1bhangt ten naauwste samen met de 20e. Dáár toch wordt het feit, de misdaad, verhaald, waarover Isengrim zich in de 20eten hove komt beklagen. Buitendien, in de laatste regels van 1bgeeft Hersent aan Isengrim den raad zich ten hove des konings te beklagen over den hoon hem door Reinaert aangedaan.
De laatste regels komen echter niet in alle handschriften voor. Br. 1bvindt men niet in alle codices: slechts in de 1e, 2een 6ebijROTHEgeanalyzeerd, en ook in het vatikaansche handschrift. In het laatste nu ontbreken juist de 32 laatste verzen, waarin de overgang tot de 20ebranche wordt voorbereid(82), en ik weet niet of zij wel inROTHEShss. 2 en 6 gevonden worden, daar hij slechts gewaagt van »à peu près la dernière moitié de la branche première”(83).
Daar nu slechts één enkel handschrift die voorbereidingswoordenschijnen te bevatten, behoeft men er niet veel gewicht aan te hechten. Branche 1bkan echter niet als een op zichzelf staand gedicht worden beschouwd.
Verschillende uitdrukkingen wijzen op een naauwer verwantschap tusschen dit stuk en 20a.
De dieren rijden hier als dáár te paard. Wij vinden hier voorbereiding tot hetgeen later in 20avolgt. Vs. 513 zegt Hersent tot haar echtgenoot:
„Sire, fait-ele, vos diroizCorociez estes, n'est pas droizQue vos mostrez ici vostre ire;Que s'om me laissait esconduirePar sairement et par joïse,Je'l feroie par tel devise,C'om me féist ardoir ou pendreSe ne m'en poïsse desfendre.”
„Sire, fait-ele, vos diroizCorociez estes, n'est pas droizQue vos mostrez ici vostre ire;Que s'om me laissait esconduirePar sairement et par joïse,Je'l feroie par tel devise,C'om me féist ardoir ou pendreSe ne m'en poïsse desfendre.”
Dit hangt samen met br. 20a, vs. 9790, waar Hersent zegt:
„J'amasse miex assez la pèsEntre mon seignor et Renart,Voir qui en moi n'ot onques part,En tel manière n'en tel guise,Si que j'en feroie une juise,Ou de froide ève ou de fer chant.Mès mon escondire que vaut!”etc.
„J'amasse miex assez la pèsEntre mon seignor et Renart,Voir qui en moi n'ot onques part,En tel manière n'en tel guise,Si que j'en feroie une juise,Ou de froide ève ou de fer chant.Mès mon escondire que vaut!”etc.
Ten einde ons betoog zoo eenvoudig mogelijk te maken, moeten wij hier reeds wijzen op den aard van den samenhang. Br. 1bis blijkbaaraprès coupgemaakt, door een schrijver die meer in het breede wilde verhalen wat in de 20ebranche als voorafgegane gebeurtenis en hoofdoorzaak van de veete tusschen Renart en Ysengrin, slechts wordt aangestipt. Dat dit door den schrijver van 20azelf zou geschied zijn, is a priori reeds onwaarschijnlijk. Vooreerst, omdat hij daardoor de kunsteenheid van zijn eerste werk zou hebbenopgeheven; ten anderen omdat hij dan later in de 20ebranche den aanhefsregel
Ce dist l'estoireès premiers vers,
Ce dist l'estoireès premiers vers,
wel zou hebben veranderd; eindelijk omdat de schrijver van 1book branche 19 voor zich had, die zeer zeker niet door den dichter van 20ais bearbeid.
Vs. 636 toch zegt Renart tot den wolf:
Ne forfis rien à vostre fame,Et por moi et por lui desfandreTot par là où le vodrez prendre,Un sairement vos aramisAu los de voz meillors amis.
Ne forfis rien à vostre fame,Et por moi et por lui desfandreTot par là où le vodrez prendre,Un sairement vos aramisAu los de voz meillors amis.
Men ziet duidelijk, dat dit eene toespeling is op de eedsaflegging die in de 19ebranche omstandig verhaald wordt.
Met die 19eheeft ook 1bnog dat gemeen, dat in beiden Ysengrinconestablegenoemd wordt(84), b.v. vs. 352 en 8255, 8363, 8521.
De branche 1bkan dus niet van den dichter van 20azijn. Treffen wij dus bij beiden dezelfde opmerkelijke uitdrukkingen, dan kan er alleen aan overneming gedacht worden. Zoo geschiedt dit vs. 504, waar wij lezen:
.... Renars cix rous, cix puanz,Cix viz lechierres, cix garçons,Vosmonta onques ès arçons.
.... Renars cix rous, cix puanz,Cix viz lechierres, cix garçons,Vosmonta onques ès arçons.
Hieruit volgt dan ook, dat het gebruik dier uitdrukking in 21–22 nog niet noodzakelijk bewijst dat deze branche door den dichter van 20amoet zijn bewerkt.
Br. 1bschijnt nog eene uitdrukking met 20agemeen te hebben. Vs. 632 zweert Renart dat hij des wolfs vrouw niet heeft geschoffeerd:
Par Dieu, beau sire, ne'l créez,Que nules riens i aie faites,Ne dras levez, ne braies traites;Ains par cest cors ne par ceste ame!Ne forfis rien à vostre fame.”
Par Dieu, beau sire, ne'l créez,Que nules riens i aie faites,Ne dras levez, ne braies traites;Ains par cest cors ne par ceste ame!Ne forfis rien à vostre fame.”
In welke houding gij mij ook gezien hebt, dat wat gij vermoedt, heeft geen plaats kunnen hebben; want zie maar, ik heb bij haar geendras levez, noch bij mij zelfbraie traite.
In de 20ebranche zegt de vos, vs. 10997, tot zijne verdediging:
„Et puis qu'in'i ot braies traites,Ne huis brisiez, ne portes fraites,S'ele m'a chier, et ele m'aime,Cix faus jalous de coi se claime?”
„Et puis qu'in'i ot braies traites,Ne huis brisiez, ne portes fraites,S'ele m'a chier, et ele m'aime,Cix faus jalous de coi se claime?”
Hier is intusschen de uitdrukkingtraire braiesniet op hare plaats; zij is hier blijkbaar den afschrijver uit de pen geschoten, wien zij uit de eerste branche, die vooraan in het manuscript stond, in het hoofd lag. Waarschijnlijk moet hier gelezen worden:
Et puis que n'i otforce fète,Ne huis brisiez, ne porte frète,
Et puis que n'i otforce fète,Ne huis brisiez, ne porte frète,
even als op eene andere plaats, vs. 9761, de das zegt:
„Et puis qu'il n'i ot force fète,Ne huis brisié, ne trive frète,Se Renars le fist par amors,N'i afiert ire ne clamors.
„Et puis qu'il n'i ot force fète,Ne huis brisié, ne trive frète,Se Renars le fist par amors,N'i afiert ire ne clamors.
Dat echter de eene uitdrukking de andere heeft in 't leven geroepen, is meer dan waarschijnlijk.
Nog eene bijzonderheid mag ons niet ontgaan. Reinaert had, gelijk wij van elders weten, meer dan één kasteel, even als elke goede vos meer dan één hol heeft. BehalveMalpertuis, wordt ook nogMalcruesgenoemd. Zoo b.v. in de 19ebranche, vs. 5972:
Et il se r'est enMalcruesmis,
Et il se r'est enMalcruesmis,
en vs. 8932:
Droit àMalcruesson repère,
Droit àMalcruesson repère,
zoo als een der codices leest(85), maar waarvoor de uitgave vanMÉONterecht leestMalpertuis, zoo als de rhythmus leert.
Die zelden voorkomende naam hoort waarschijnlijk ook in branche 20a(16) t'huis; immers vs. 10803 zegt de vos in zijne biecht, van eene vorige belegering van zijne burcht sprekende,
Qant li ost(86)fu devantmon crues,........................Tuit furent batu et ploié.
Qant li ost(86)fu devantmon crues,........................Tuit furent batu et ploié.
Moest men daar in steê van het meer algemeene gezegde niet den eigennaam van Reinaerts burcht verwachten, en lezen:devant Malcrues?
Opmerkelijk is het, dat dezelfde schrijffout, natuurlijk van denzelfden afschrijver, ook in branche 1b, vs. 568 voorkomt, waar het heet:
Ainz ne fina d'esperonerJusqu'a l'entréed'un mal crues,
Ainz ne fina d'esperonerJusqu'a l'entréed'un mal crues,
waar blijkbaarde Malcruesmoet gelezen worden, daar weinige verzen later, vs. 577, juist van die plaats gezegd wordt:
Li chastiaus estoit auques fort.
Li chastiaus estoit auques fort.
Daar nu dezelfde naam ook in de 19ebranche voorkomt, behoeft het geen betoog, dat zij in de 1eer niet toe kan leiden om deze aan den dichter der 20etoe te schrijven.
De einduitkomst van dit onderzoek moet, dunkt mij, zijn, dat branche 20aeenmaal op zichzelf stond, endat daaraaniets laterdoor den schrijver van 20book de branche 21–22 werd toegevoegd. Waarschijnlijk heeft wederom een jonger schrijver uit dezelfde landstreek er ook de 19ebranche bijgedicht.
ZoowelROTHE(87), alsGRIMM(88)hebben reeds opgemerkt, dat het begin der 20e(16e) branche zich aan de vorige aansluit, waarin verhaald wordt, hoe Renart zich onttrok aan het afleggen van een zuiveringseed op het lijk van een martelaar, omdat hij ontdekt had, dat men hem in eene hinderlaag wilde lokken. De fransche branche 20 zegt, vs. 9689:
Quant li saint furent aporté,Il se retraist mout tost arière,Si se féri en sa taisnière.
Quant li saint furent aporté,Il se retraist mout tost arière,Si se féri en sa taisnière.
En evenzoo in den mnl.Reinaert, vs.82:
Also saenAlse die heleghe waren brocht,Was hi andersins bedocht,Ende ontfoer in sine veste.
Also saenAlse die heleghe waren brocht,Was hi andersins bedocht,Ende ontfoer in sine veste.
Zoo er al samenhang is, beide genoemde geleerden zijn het eens, dat evenwel die twee branches van verschillende dichters zijn. Ook wij nemen die stelling aan, hoewel zij ons bijROTHEvreemd klinkt om de opvallende overeenkomst in karakter met branche 20b, die hij niet van 20ascheidt.
Dat de 19ebranche reeds op de 20evoorbereidt, bewijst slechts dat men er naar streefde om ze beiden aan een te rijgen. Daarom zegt Grimbert in het slot tot den wolf, vs. 9635:
„.... por Renart..........Alez à cort, ne fètes noise:De rien i a de mesprison,Là vos en fera-il reson.”Dist Ysengrins: „Je m'i acort:Quel part que la parole tort,Ouen en Mai ferai mon claim:A mon seignor, que je moult aim,Me clamerai del traïteur”etc.
„.... por Renart..........Alez à cort, ne fètes noise:De rien i a de mesprison,Là vos en fera-il reson.”Dist Ysengrins: „Je m'i acort:Quel part que la parole tort,Ouen en Mai ferai mon claim:A mon seignor, que je moult aim,Me clamerai del traïteur”etc.
Maar dit geeft ons nog geen recht beide branches aan denzelfden schrijver toe te kennen; zelfs niet als wij weten, dat zij ook een Vlaming tot auteur heeft, zoo als ons uit zijne taal kan blijken.
Immers vs. 9202 zegt hij:
Anuit aurez moult bon herbert,
Anuit aurez moult bon herbert,
wat niets anders is dan eene gewijzigde uitspraak vanherberc, onsherberg, en dus verschilt van het gewonehéberge.
Vs. 9147 leest men nog bepaalder:
Grimbert respont: „Ja, ja.”
Grimbert respont: „Ja, ja.”
De schrijver kende de geheele 20ebranche, zoowel het oorspronkelijke deel als het toevoegsel.
Uit het eerste nam hij, vs. 9267, de namenGoubert(br. 20a, vs. 10371), en vs. 9261,dame Poufile(br. 20a, vs. 10378).
Uit het tweede den banierdrager, daar hij, vs. 9045, schrijft:
Cel jor porta le confanonLi putoiz qui Foinez ot non.
Cel jor porta le confanonLi putoiz qui Foinez ot non.
In de 20ebranche isli limaçonsde banierdrager, vs. 11313, 11558, 11617; maar juist uit de bijvoegingcel jorblijkt, dat de schrijver zich van de afwijking bewust was, en dus 20bkende.
In br. 20bzien wij de dieren, als ware ridders, met lans en speer tegen Reinaerts burcht optrekken. In dit opzicht gaat de schrijver van br. 19 nog verder, daar hij zelfs van een hond, die niet tot de edeler dieren derhofhouding behoort, en die Reinaert najaagt, zegt, vs. 9481:
Primes i cort, ainz que li autre,Lance levée sor le fautre,Rooniax li chiens.
Primes i cort, ainz que li autre,Lance levée sor le fautre,Rooniax li chiens.
Dat dit alles ontleend is, blijkt nog uit kleinigheden. Zoo b.v. noemt de schrijver van branche 19 zelden de namen der edeler dieren: in den regel heet bij hem de koning slechtsli lions, vs. 8346, 8383, 8476, 8876, 8907, 9021; de beer,li ors, vs. 8745, 8774, enz.
Eenmaal bestond er zeer zeker een streven om de branches 19, 20, 21–22 met elkander in verband te brengen(89): door wien, en wanneer is nu die vereenigingsband om deze gedichten geslagen?
Mij dunkt dit heeft ongeveer in de tweede helft der dertiende eeuw moeten plaats hebben, toen wellicht de branches 1b, 19, 20, 21–22 als een zeker geheel werden aangemerkt.
In de veertiende eeuw schijnt deze band weêr te zijn verbroken, daar men bij de bijeenzameling van meerdere branches eene andere rangregeling moest aannemen om de gebeurtenissen elkander zoo regelmatig mogelijk te laten opvolgen.
Zoo werd b.v. de eerste branche in het handschrift, datMÉONtot grondslag van zijne uitgave legde, geheel vooraan geplaatst, en dit hs. is het eenige waarin branche 19 onmiddellijk aan de 20evoorafgaat, terwijl zij in al de anderen verre daarvan verwijderd staat.
Die vereeniging had echter eerst plaats nadat reeds 20aenbwaren tesamengesmolten, en wellicht ook 21–22 daaraan toegevoegd, maar nog niet de 19e; wanthet is opmerkelijk, dat de schrijver van onzenReinaertde personagie van Roonel den hond, die toch in de 20ebranche voorkomt, in 't geheel niet noemt, waaruit men zou mogen opmaken, dat hij het verhaal, waarin deze eene hoofdrol speelt, niet gekend heeft.
Nu wij ons eenigsins hebben bekend gemaakt met de fransche branche, die wij als de mogelijke bron van onzenReinaertaanzien, kunnen wij er toe overgaan om door eene nadere vergelijking de waarheid van ons beweren te staven.
Wij zullen punten van overeenkomst aantreffen die treffend zijn, maar ook zeer merkwaardige afwijkingen. Om dus de verhouding van ons gedicht tot het fransche aan te wijzen, om eenig meerder licht te verspreiden over het ontstaan van denReinaert, en een duidelijker inzicht te verkrijgen in zijne kunstwaarde, moeten wij zoowel de overeenstemming als de afwijking in bijzonderheden nagaan.
Willemsheeft reeds de rangnummers van vele overeenkomstige verzen van beide teksten naast elkander geplaatst(90), maar om de letterlijke overeenkomst recht duidelijk in het oog te doen vallen, om allen mogelijken twijfel weg te nemen, moeten wij de voornaamste letterlijk eensluidende plaatsen nevens elkander den lezer voor oogen stellen.
Na eene inleiding van weinige verzen begint het fransche gedicht aldus, vs. 9659:
Ce dist l'estoire ès premiers vers,Que jà estoit passez yvers,Et l'aube-espine florisoit,Et que la rose espanisoit,Et pres fu de l'Acension,Que sire Noble, le lyon,Toutes les bestes fist venirEn son palès por cort tenir.Onques n'i ot beste tant ose,Qui se tardast por nule chose,Qu'ele n'i viengne hastivement,Fors dans Renars tant solement.Le mal baron, le sodoiant,Que tuit li autre vont huiant,Et encusant devant le roi,Par son engin, par son desroi.
Ce dist l'estoire ès premiers vers,Que jà estoit passez yvers,Et l'aube-espine florisoit,Et que la rose espanisoit,Et pres fu de l'Acension,Que sire Noble, le lyon,Toutes les bestes fist venirEn son palès por cort tenir.Onques n'i ot beste tant ose,Qui se tardast por nule chose,Qu'ele n'i viengne hastivement,Fors dans Renars tant solement.Le mal baron, le sodoiant,Que tuit li autre vont huiant,Et encusant devant le roi,Par son engin, par son desroi.
Evenzoo vangt, na eene inleiding, onzeReinaertaan, vs.41:
Het was in enen Sinxendaghe,Dat beide bosch ende hagheMet groenen loveren waren bevaen.Nobel, die coninc, hadde ghedaenSijn hof craieren over al,Dat hi waende, hadde hijs gheval,Houden te wel groten love.Doe quamen tes coninx hoveAlle die diere, groot ende clene,Sonder vos Reinaert allene:Hi hadde te hove so vele mesdaen,Dat hire niet ne dorste gaen.....................Doe al dat hof versamet wasWas daer niemen..........Hine hadde te claghene over ReinaerdeDen fellen, metten roden baerde.Et conpissa toz mes loviax.9685.Ende mine kindre so mesvoert,Rein.74.Dat hise besekede.Renarz prist jor de l'escondire9687.Qu'il n'avoit pas fait l'avoutire.Quant li saint furent apporté,Ne sai qui li ot enorté,Il se retraist mout tost arière,Si se féri en sa taisnière.Het was sint so verre comen,Rein.79.Datter een dach af was ghenomen,Ende Reinaert soude hebben ghedaenSine onsculde: ende also saenAlse die heleghe waren brocht,Was hi andersins bedocht,Ende ontvoer in sine veste.Quant la vegile fu chantée10109.Le cors portèrent enterrer;Mès ainçois le firent serrerEn un moult bel vessel de plon,Ains plus riches ne vit nus hon;Puis l'enfoïrent soz un arbre,Et par desus mistrent un marbre,S'i ont escrit le non la dame.Doe die vigilie ghehent was,Rein.450.Doe leidemen Coppen in dat graf,Dat bi engiene ghemaket was,(Onder die linde, in een gras,)Van maerberstene, die slecht was:Die letteren, die men daer ane sach,Ane den sarc, die daer up lach,Deden ane tgraf bekinnen,Wie daer lach begraven binnen(91)S'estoit devant la barbaquane.10179.Doe ghinc hi vor die barbecaneRein.522.Sitten over sinen staert.Je sui Brun, mesagier le roi.10190.Ic bem Brune, des coninx bode.Rein.525.Renarz qui tot le mont engane,10180.Por reposer s'est tret arièreEnmi le fonz de sa tesnière.....................Renarz set bien ce est li ors,Reconnéu l'avoit au cors (sic):Lors se commence à porpenserConment son cors porra tenser:En grant paine est d'estudierConment le puisse conchier.Bi der tale, die Brune heeft begonnen,Rein.538.Bekenden altehant Reinaert,Ende tart bet te dalewaert,In sine donkerste haghedochte:Menichfout was sijn ghedochte,Hoe hi vonde sulken raet,Dat hi Brune, den fellen vraet,Te scerne mede mochte driven,Ende selve bi siere ere bliven.Brun, fet Renarz, biax doz amiz,10199.En moult grant paine vos a misQui çà vos a fet avaler!Ge m' en devoie là aler....Here Bruun, wel soete vrient,Rein.549.Hi hevet u qualike ghedient,Die u beriet desen ganc,Ende u desen berch lancOver te lopene dede bestaen;Ic soude te hove sijn ghegaen....Nomine Pastre, Christum file!10237.
Het was in enen Sinxendaghe,Dat beide bosch ende hagheMet groenen loveren waren bevaen.Nobel, die coninc, hadde ghedaenSijn hof craieren over al,Dat hi waende, hadde hijs gheval,Houden te wel groten love.Doe quamen tes coninx hoveAlle die diere, groot ende clene,Sonder vos Reinaert allene:Hi hadde te hove so vele mesdaen,Dat hire niet ne dorste gaen.....................Doe al dat hof versamet wasWas daer niemen..........Hine hadde te claghene over ReinaerdeDen fellen, metten roden baerde.
Et conpissa toz mes loviax.9685.Ende mine kindre so mesvoert,Rein.74.Dat hise besekede.
Renarz prist jor de l'escondire9687.Qu'il n'avoit pas fait l'avoutire.Quant li saint furent apporté,Ne sai qui li ot enorté,Il se retraist mout tost arière,Si se féri en sa taisnière.Het was sint so verre comen,Rein.79.Datter een dach af was ghenomen,Ende Reinaert soude hebben ghedaenSine onsculde: ende also saenAlse die heleghe waren brocht,Was hi andersins bedocht,Ende ontvoer in sine veste.
Quant la vegile fu chantée10109.Le cors portèrent enterrer;Mès ainçois le firent serrerEn un moult bel vessel de plon,Ains plus riches ne vit nus hon;Puis l'enfoïrent soz un arbre,Et par desus mistrent un marbre,S'i ont escrit le non la dame.Doe die vigilie ghehent was,Rein.450.Doe leidemen Coppen in dat graf,Dat bi engiene ghemaket was,(Onder die linde, in een gras,)Van maerberstene, die slecht was:Die letteren, die men daer ane sach,Ane den sarc, die daer up lach,Deden ane tgraf bekinnen,Wie daer lach begraven binnen(91)
S'estoit devant la barbaquane.10179.Doe ghinc hi vor die barbecaneRein.522.Sitten over sinen staert.
Je sui Brun, mesagier le roi.10190.Ic bem Brune, des coninx bode.Rein.525.
Renarz qui tot le mont engane,10180.Por reposer s'est tret arièreEnmi le fonz de sa tesnière.....................Renarz set bien ce est li ors,Reconnéu l'avoit au cors (sic):Lors se commence à porpenserConment son cors porra tenser:En grant paine est d'estudierConment le puisse conchier.Bi der tale, die Brune heeft begonnen,Rein.538.Bekenden altehant Reinaert,Ende tart bet te dalewaert,In sine donkerste haghedochte:Menichfout was sijn ghedochte,Hoe hi vonde sulken raet,Dat hi Brune, den fellen vraet,Te scerne mede mochte driven,Ende selve bi siere ere bliven.
Brun, fet Renarz, biax doz amiz,10199.En moult grant paine vos a misQui çà vos a fet avaler!Ge m' en devoie là aler....Here Bruun, wel soete vrient,Rein.549.Hi hevet u qualike ghedient,Die u beriet desen ganc,Ende u desen berch lancOver te lopene dede bestaen;Ic soude te hove sijn ghegaen....
Nomine Pastre, Christum file!10237.
In denReinaertkomt deze uitroep niet hier voor, maar wordt later, vs.1824, den vos in den mond gelegd: