IX.

Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal,Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal(133).In de 11e(17e) branche bijMÉON, waarinPIERREals de schrijver genoemd staat, wordt vs. 4935–5492 juist verhaald, hoe de vos zich van den haan meester maakt....Het zou echter gevaarlijk zijn daaruit een besluit op te maken. Vooreerst heet daar de haan nimmerli gal, maar altijdli cos,le coc, b.v. vs. 5036, 5308, 5319, 5328, 5340, 5415 enz.; en zoo daar al gewaagd wordt, vs. 4988,De Chantecler qui cline l'ueil;zoo de vos den boer beduidt dat hij hem den haan overlevere, vs. 5311,Si le me baille par le col;toch vindt men daar het verhaal niet zoo als het volgens de toespeling in denAlexandermoet geluid hebben.Maar ook de 5e(3e) branche vanMÉONbehandelt hetzelfde onderwerp als de 11e, maar met belangrijke afwijkingen in de détails. Hier beduidt Reinaert aan Chantecler, die ook hier nimmerli gals, maarli cosheet, dat zij »cosin germain” zijn: hij weidt uit in den lof van Chanteclers vader, die kraaide zoo als nooit een haan gekraaid had, en die daarbij de beide oogen sloot. En dan volgt een tooneel, dat wij geheel moeten afschrijven om te doen zien, dat het werkelijk alle bijzonderheden bevat waarop deAlexanderzinspeelt:Dist Chanteclers: „Renart, cosin,1571.Volez me prendrepar engin.”—»Certes, ce dist Renars, non voil,Mès or chantez,si clingniez l'oil;D'une char somes et d'un sanc,Miex vodroie estre d'un pié mancQue vos mesface tant ne qant,Que tu es trop près mon parent.”Dist Chanteclers: „Pas ne te croi:Un poi detrai en sus de moi,1580.Et je dirai une chançon;N'aura voisin ci environQui bien n'entende mon fauset.”Lors s'en est souriz Renardet,Et dist Renars: „Chante, cousins:Je sauré bien se Chanteclins,Mes oncles, s'il vos fu noient.”Lors encommence hautement,Lors chanta Chanteclers un vers:L'un oil ot clos et lautre overs,1590.Car moult forment cremoit Renart;Sovent regarde cele part.Ce dist Renars: „Ce n'est noient.Chanteclins chantoit autrement,A un lonc tret, à eulz cligniez,C'on l'ooit d'outre les plessiez.”Chanteclers cuide que voir die:Lors commence sa melodie,Les eulz cligniezpar grant aïr.Lors ne volt plus Renart soffrir,1600.Par de desus un rouge cholLe prent Renart parmi le col.Vergelijkt men de lezingen van branche 11 en 5 met den mhd.Reinhart, vs. 11–176, dan ziet men terstond, dat de laatste branche zich het naast aan het oude gedicht houdt(134), waarop het zich dan ook beroept,Trover le poez en l'estoire,1384.evenzeer als branche 11, waar wij, vs. 4038, lezen:Que se li livres nos dit voirOù je trouve l'estoire escrite.Het schijnt dus, dat de toespeling uit denAlexanderniet op het gedicht vanPIERRE DE SAINT-CLOUDziet. Maar is werkelijk die 11ebranche van gemelden dichter? Het is waar, zijn naam wordt in 't begin en het slot genoemd, maar altijd in den derden persoon.Pierres qui de Saint-Clostfu nez,4851.S'est tant traveilliez et penezPar proière de ses amis,Que il nos a en rime misUne risée et un gabetDe Renart, qui tant set d'abet,Le puant nain, le descréu,Par qui out esté decéuTant baron que n'en sai le conte,Dès orcommenceraile conte:Se il est qui i voille entendre,Sachiez moult i porra aprendre,Si comje cuitet comje pens,Se à escouter met son sens.het slot luidt:Ici fait Pierres remanoirLe conte où sevolttraveillier,Et lesse Renart conseillier.Of in een ander handschrift:Chi fait Perrins remanoirLe livre de Renart pour voirDuquel s'est volus travillier:Ysengrin laist à conseillier (sic);Se par ce meschiet YsengrinLi blames en ert sus Perrin.Uit de laatste regels ziet men, dat de schrijver, d. i. hier de afschrijver, ook nog andere branches kende, waarin de wolf het kortste eind trok; maar dewijl zij niet in den anderen tekst voorkomen, laten wij dit buiten rekening. Wij mogen echter niet achterlaten op te merken, dat vanPIERREsteeds in den derden persoon, en in den verleden tijd gesproken wordt,fu nez,volt traveillier, terwijl terstond daarop de eerste persoon gebruikt wordt, hetgeen wel eene tegenstelling schijnt aan te duiden.Rothezegt(135): »D'abord, à la vérité, l'auteursemble parler dePIERRE DE SAINT-CLOUDà la troisième personne; mais le reste prouve assez que cette onzième branche estprécisément le poëmeentier et isoléde ce mêmePIERRE DE SAINT-CLOUD, fort souvent(?) mentionné ailleurs comme auteur principal ou unique du poëme de Renart.”Dat wij hier den inhoud vanPIERRESgedicht hebben, geef ik gereedelijk toe; maar dat wij het niet juist in eene omwerking bezitten, zou moetenbewezenworden. De geheele proloog toch schijnt ons juist het werk van dien omwerker, die van zichzelf in den eersten, van zijn voorganger in den derden persoon spreekt. De geheele toon der inleiding is die van een later jongleur of kopist, die wijst op het nut, dat men uit de geschiedenis kan trekken, hetgeen zeker geen oorspronkelijk gezichtspunt is. Zoo luidt ook de inleiding tot de 29ebranche (MÉON, III, pag. 82):Une estoire vueil commencier.Qui durement fet à prisier;Et grant bien i porriez aprendreSe il vos i plest à entendre.Or m'escotez sanz noise fère,Que nus contes ne porroit plèreA home qui est trop noisous,Mès de l'oïr soit covoitous:Celi qui oïr le vorra,Sachiez, grant profit i penra.En dit kan ook niet wel anders, nu wij weten datPIERRE DE SAINT-CLOUDzijn gedicht stellig eene geheele eeuw vroeger heeft geschreven danWILLEMShet stelde. Dat de 11ebranche een werk van de eerste helft der twaalfde eeuw zou zijn, kan niemand gelooven, en de vergelijking met br. 5 en het Mhd. leert duidelijk het tegendeel; terwijl wij daaruit ook ontwaren hoe overvrij de omwerker zijn origineel behandeld heeft. Waarschijnlijk heeftjuistle livre, dat in de slotvariant genoemd wordt, dat ook vs. 4938 voorkomt, het oorspronkelijke werk vanPIERREbevat, en daar zal het aventuur van den haan zeker zóó behandeld zijn, dat wij mogen aannemen dat de toespeling uit denAlexanderopPIERRESgedicht zag, waarin ook de haan met den ouder naam vanle galzal zijn genoemd.OfPIERREmeer deelen der Reinaertsage bewerkt heeft dan deze verlorene branche, is niet uitgemaakt. Men zou het evenwel mogen opmaken uit de inleiding tot de 20ebranche, waar gezegd wordt, dat Perroz, hetgeen dezelfde naam is met den verkleiningsuitgang,Son engin et s'artMist en vers fère de RenartEt d'Ysengrin,welke laatste in de besproken branche geene rol vervult.Misschien is die vermelding van Ysengrin slechts eene onnaauwkeurigheid, die haar aanwezen alleen verschuldigd is aan de behoefte om een rijmwoord te vinden. Hoe het ook zij, nergens vinden wij eenige andere branche uitdrukkelijk aanPIERRE DE SAINT-CLOUDtoegeschreven. In de plaats bijCHABAILLE(136)voorkomende, wordt geen bepaald werk genoemd.Le grand d'aussyenRAYNOUARDkennen hem ook nog, volgensGRIMM(137), de branches 1, 2, 3, 4 en 5 toe;FAURIELmeent dat hij buiten de 11ealleen nog de 1ebranche geschreven heeft(138). Van de eerste en de vijfde is het stellig te bewijzen datPIERREdie niet kan geschreven hebben. De 5eis misschien eene omwerking van zijnvroeger gedicht, gelijk wij reeds zagen. De eerste draagt alle blijken van jonger oorsprong in hare beide deelen. Buitendien is er eene plaats in br. 11, die geheel en al 1bweêrspreekt. Dáár zegt toch de koning dat Isengrim niet moet gelooven dat Reinaert zijne vrouw heeft beleedigd, vs. 5668:Que vos ice que ne savez,Fors seulement par oï dire,Li portez ne corroz ne ire.In branche 1zietjuist de wolf dat gebeuren, waarover hij zich in br. 11 beklaagt.De geheele redenering vanFAURIELberust op het niet goed begrijpen van de inleiding tot de eerste branche.Al wat wij dus vanPIERRE DE SAINT-CLOUDweten, is, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw, vóór 1150, schreef; en dat zijn werk voor ons is verloren gegaan. Maar dit is voor ons onderzoek reeds veel.Een schrijver die onmiddellijk op hem volgt, kan niet veel jonger zijn dan de helft dier zelfde eeuw, en zal omstreeks 1150 moeten geschreven hebben. Zien wij, of wij de 20ebranche zoo hoog kunnen opvoeren.Grimmzegt van al de fransche branches(139): »Sprache und ausdrucksweise tragen insgemein die färbung anderer franz. gedichte des 13 jh.” Intusschen leert de vergelijking met de werken vanCHRESTIEN DE TROIES, dat het niet onmogelijk is enkele branches tot de tweede helft der twaalfde eeuw, ja misschien nog wat vroeger, te brengen. Dit is het geval met de 20e, hetgeen door de volgende bijzonderheden wordt ondersteund.Als Renart aan 's konings hof komt, zegt hij tot Noble, vs. 10953:„Or ont tant fet li losengier,Qui de moi se volent vengier,Que vos m'avoz jugié à mort;Mès puis, sire, que rois s'amortA croire les mauvès larrons,Et il lesse les bons barons,Et gerpist le chief por la qeueLors vet la terre à male veue.”Buiten twijfel hebben wij hier eene toespeling op denGuillaume d'Orange. In de nog onuitgegeven branche, die tot titel heeftLi Moniages Guillaume, doet een ridder aan koning Lodewijk, die alle deugdelijke edellieden van zijn hof verwijderd had, het volgende verwijt, vs. 5159:„Rois, nus frans homs ne vos devroit amer,Ne hennor fère, ne homage porter,Quar les prodomes avez toz adosezEt fors de France et chaciez et gitez,Tolu lor terres et toz deshéritez:Foui s'en sont de la terre esgarez,Et lor enfant chétis et désertez;Cil vos séussent le bon conseil doner,Quar li preudome font lor seignor douter.Mès li glouton, li losengier prové,Li pautonnier, cil sont à vos remés,Por lor losange les tenez en chierté;Li losangier font les rois déclinerEt les hauz homes par lor bordes blasmer.Rois, tu les as montez et alevez,Or es por euls honiz et vergondez,Ne jà por euls ne seroiz amontez.Ne doit rois estre, ne corone porter,Qui à garçon fet son conseil privé,Mès les preudomes i doit-en apeler.”En wat later, vs. 5399, wordt den koning op nieuw toegevoegd:„Tu as la terre empirée formentDes gentix homes, des sages, des vaillanz,Qu'ensus de toi as chacié laidement:Désertez as les pères des enfanz.Par les frans homes est li sires poissanz:Tu n'en as nul de gentix ne de frans,Perduz les as tot par ton malvès sens,Dont tote France est tornée à torment.”Voorts wordt hem verweten, dat hij zich alleen omringt met„Les losangiers et les faus médisanz,Les traïteurs et les glouz malcuidanz,Ceus qui te servent de mençonges contant,Que entor toi as tenu longuement.Tu as doné t'onor et ton argent:Por lor conseil seras-tu recréant,Se Dex ne'l fet par son digne comment.Qui bordes croit et losangier soventAu chief de tor, par mon chief, s'en repent.”De vergelijking van de uitdrukkingen in denRenarden de aangehaalde regels uit denMoniagezullen wel geen twijfel overlaten, of er heeft in de branche van het dieren-epos eene toespeling op het heldendicht plaats. Zien wij, welke aanwijzing ons dit geeft aangaande den datum van denRenard.Van denMoniage Guillaumebestaan twee redaktiën, waarvan de oudste tusschen 1050 en 1150, waarschijnlijk nog vóór 1100 valt(140). De jongere is eerst na 1150 ontstaan, maar zeker niet lang; wij mogen stellen omstreeks 1160(141). De schrijver van de 20ebranche van denRenardhad stellig de jongste redaktie op het oog, zoo als de daaruit aangehaalde plaatsen leeren, daar deze veel nader bij den tekst van denRenardkomen dan het daarmeê overeenstemmende uit de oudstelezing(142). Buitendien is de omwerking geschreven in of omstreeks hetzelfde landschap, waar de dichter der 20ebranche leefde, zoo als de vergelijking van beider taal leert. Zoo vinden wij, om maar één voorbeeld te noemen, bij beiden dezelfde spreekwijs terug,Moniage, vs. 5672:D'autre Martin lor convendra chanter(143)enRenard, vs. 10096,Si parleron d'autre Martin.Veel jonger dan deze redaktie van denMoniage, schijnt zelfs het tweede gedeelte niet te zijn, als mede uit de taal kan worden opgemaakt. Ook hier sta één voorbeeld. In de dertiende eeuw was het woordgestein de beteekenis van familie, geslacht, reeds minder gebruikelijk(144), en toch vinden wij het nog aldus gebezigd,Renard, vs. 11781:Qui larron de pendre areste,Toz jors het mès lui et sa jeste.Ook in dit tweede deel der branche komt eene toespelingop dezelfdechanson de gestevoor, vs. 11751:Ainz que Tibaut soit crestiens,waarbij natuurlijk niet aan eene herinnering aan den historischen Thibaut van Champagne kan gedacht worden, die in 1253 stierf, en die in eene andere branche, vs. 16136, voorkomt(145).Blijkbaar is hier die Tiebaut d'Orange bedoeld, die als de hevigste tegenstander van Guillaume en van het Christendom bekend is uit de fransche gedichten, die tot de tiende eeuw opklimmen.Veel merkwaardiger nog is intusschen hetgeen Renard op het einde van br. 20azegt, als hij den koning toeroept, vs. 11267:Saluz te mande NoradinsPar moi qui sui bons pelerins,Si te criément li paien tuit,A pou que chascuns ne s'en fuit.Sultan Noureddin bloeide van1149–1171, en stierf in 1173(146). Mag men nu uit de aangehaalde verzen niet besluiten, dat het gedicht, dat eene satyrieke toespeling maakt op de reeks van verliezen die de Christenen in het Oosten leden bij en na den tweeden kruistocht, 1147–1149, kort daarna, althans vóór den derden tocht, 1189–1193, geschreven werd, toen Saladijns naam dien van Noureddin geheel in de schaduw stelde? Bij de groote vermaardheid die de ridderlijke Saladijn weldra in Europa verwierf, dien onze kronijkschrijvers den bijnaam geven van »domitor Orientis, ac nostrorum terror,”(147)is het ondenkbaar, dat men zijn naam niet in de plaats zou gesteld hebben van den minder vermaarden; en onmogelijk kan daarom onze 20ebranchena Saladijns optreden het licht hebben gezien. Het gedicht moet dus stellig tusschen 1150 en 1190 zijn tegenwoordige vorm hebben aangenomen. Maar zeer zeker valt het, ook om de boven opgegeven gronden, eer in de eerste dan in de laatste helft van dat tijdperk, waarschijnlijk vóór 1173, toen Noureddin stierf. Ja, als men de betrekking totPIERRE DE SAINT-CLOUDin het oog houdt, en het verband met denGuillaume d'Orange, dan zal het niet te gewaagd zijn de periode van wording nog nader te bepalen tusschen 1160 en 1170. En meent men den schrijver van 20bnog zekere tijdruimte te moeten gunnen voor de samenlijming der verschillende deelen van zijne redaktie, dan zal men ten minste niet later kunnen afdalen dan tot op omstreeks 1175 of 1180, toen de dood van Noureddin hier algemeen bekend moest zijn.Zoo meenen wij dan den bewerker van branche 20ain het derde, den schrijver van 20b, die de laatste hand aan het gedicht leî, in het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te moeten plaatsen. 't Is waar, de grond waarop dit oordeel steunt, bezit niet de onomstootbare hechtheid van het historisch bewijs, en is uit eene reeks van gevolgtrekkingen en veronderstellingen opgerezen; maar ik vertrouw, dat men daaraan eene hooge mate van waarschijnlijkheid niet zal ontzeggen; en ik aarzel niet de hoop te uiten, dat mijne uitkomsten, die bij eene bloote lezing van mijn betoog wellicht voor eene subjektive opvatting kunnen worden aangezien, bij eigen aanschouwing en naauwkeurige toetsing der bronnen ook door anderen niet zullen worden gewraakt.Zien wij thans, wat wij omtrent den ouderdom der vlaamsche navolging van het fransche gedicht kunnen vaststellen.IX.Als de fransche branche, die kennelijk den vlaamschenReinaerttot model diende, eerst omstreeks het jaar 1180 is ontstaan, dan kan de navolging natuurlijk niet »omtrent den jare 1170” zijn geschreven, zoo alsWILLEMSaannam(148), en ik vroeger op zijn voetspoor zocht te betoogen(149).Willemszelf had die stelling eigenlijk al moeten opgeven, daar zij in strijd is met eene andere gissing door hem geopperd, en die veel waarschijnlijkheid heeft. De dichter van denReinaerthad vroeger reeds denMadocgeschreven, enWILLEMSvraagt, of men daarbij »niet zou mogen denken aen de zonderlinge lotgevallen van Madoc, zoon van Owen Guynnedd, prins van Wallis, dieomtrent den jare 1170America ontdekte?” en wiens wonderlijk verhaal van eene andere wereld men wellicht voor droomerijen hield(150).Maar zoo wij al het jaar 1170 moeten opgeven, het blijft de vraag, of wij thans geene andere tijdsbepaling kunnen vaststellen?Serruremeent dat ons gedicht »tusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven” werd(151), maar geeft geene bepaalde reden op, waarom hij juist dit tijdperk aanneemt.Zoo ons ergens een licht kan opgaan omtrent den leeftijd van den vlaamschen dichter, dan moet het vooral zijn in de eigenaardige toevoegsels waarmede hij zijn origineel verrijkte. Toetsen wij daarom nogmaals de gronden die daaraan te ontleenen zijn.De namen van den deken Herman, die vs.2717(2737) voorkomt, of van meester Jufroet, vs.2937(2957), laat ik buiten rekening.Willemsziet in den laatsten »ongetwyfeldGodfredus Andegavensis, die in de eerste jaren der twaelfde eeuw leefde(152);” maar datongetwijfeldis toch wat sterk, daar de woorden die Jufroet worden toegeschreven, niet in de werken van den genoemden Godfridus worden aangetroffen(153). En wat den eersten betreft, zegtWILLEMSzelf(154)alleen maar dat »GRIMMvermoedtdat hierkan bedoeld zijnHerman, abt van St. Marten te Doornik, een beroemd schryver van den aenvang der twaelfde eeuw.” Hoe dit vermoeden »veel waerschynlykheid” kan hebben, »daer paus Innocentius II met dezen Herman meermaels in onderhandeling geweest is”(155), verklaar ik niet te begrijpen. Ik meen, dat het verstandiger isGRIMMSslotopmerking(156)in het oog te houden: »aber es kann viele geistliche und decane dieses namens gegeben haben;” te gereeder, daar het vreemd zou zijn, dat de dichter, die zich, volgensWILLEMS'eigen opmerking(157), steeds binnen de grenzen van Vlaanderen beweegt, hier zou gedacht hebben aan een Doorniksch prelaat.De toespeling op een valschen munter, Reinout de Vries, vs.2652(2672) is te onbepaald om er bij stil te staan(158), hetgeen te meer is te betreuren, omdat wij hier waarschijnlijk eene kostbare aanwijzing zouden mogen vermoeden.In navolging vanWILLEMS(159)heb ik(160)groot gewicht gelegd op de vermelding van Hulsterloo als gelegen in zoo groot eene wildernis, dat men in zes maanden er geen schepsel ontmoette, vs.2565(2589).Serruremeent, dat er dit in den tekst ook niet staat, maar alleen »dat erby Hulsterlooeen bosch was(161).” Intusschen staat er duidelijk, vs.2553(2578),Int oostende van Vlaendren staetEen bosch, ende heet Hulsterlo.....................Een borne, heet Kriekepit,Gaet suutwest niet verre dane;....................Dats een die meeste wildernesse,Die men hevet in enich rike.Ic segghe u ooc ghewaerlike,Dat somwilen es een half jaer,Dat toten borne comet daerNo weder man nochte wijf,No creature die hevet lijf.Wat beteekent dit nu? Er is een bosch dat Hulsterloo heet, d.i. hetHulster bosch; niet ver van daar staat eene bron: dat is de grootste wildernis, welke laatste woorden natuurlijk niet op de bron van toepassing zijn, maar op de streekniet verre dane. Met die opvatting strijdt ook niet, dat er later, vs.2644(2664), van dien Kriekepit gezegd wordt:Ne staet hi niet bi Hulsterlo,Up dien moer, in die woestine!Men ziet, hier is nog geene spraak van »een dorp,” waarvan ook in den giftbrief van Dirk van den Elzas van 1136 geen gewag gemaakt wordt, waar alleenstaat »illum locumqui dicitur Hulsterloe(162),” en in een document van 1139 wordt dit zelfs alleen genoemd »nonnulla terra in circuitu” van Saleghem(163). Eerst in een brief van paus Innocentius II van 1141 wordt gewaagd van de »curtes et villas.... Hulst et Hulsterloe(164).” Blijkbaar was dus omstreeks 1141 Hulsterloo bewoond, en in 1156 wordt er kerkelijke dienst gedaan en begraven(165). Daar het nu niemand zal invallen den Reinaert ouder dan 1140 te maken, daar hij minstens veertig jaren jonger is, blijkt het, dat de dichter, die van Hulsterloo spreekt als van een onbewoond, woest oord, hier geen toestand uit zijn eigen tijd heeft geschilderd. Waarschijnlijk maakte hij hier gebruik van eene bekende overlevering, die gewaagde van de woestenij van Hulsterloo ten tijde dat de valsche munter Reinout er huisde. Hoe lang kan zoodanige lokale overlevering, die minstens in het eerste kwart der twaalfde eeuw ontstaan schijnt(166), in levendig aandenken zijn gebleven? Dat is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar toch meen ik uit haar voortbestaan te mogen opmaken, dat de vlaamsche dichter niet zeer lang na de bekendwording van de fransche branche zijne navolging heeft vervaardigd.Tot dezelfde uitkomst schijnt men ook te geraken door de overweging, dieWILLEMShet eerst bekendmaakte(167), dat in denReinaertVermandois tot Vlaanderen gerekend wordt, hetgeen eene waarheid was van 1163 tot 1186, daar in dat tijdvak Filips van den Elsas gehuwd was met Isabella, erfdochter van Vermandois, waardoor dit laatste graafschap met Vlaanderen vereenigd werd tot op Isabella's dood.Serruremerkt daarbij op(168): »Indien die vereeniging der twee landen tot deze aenspeling (sic) aenleiding gaf, dan kon dit zoo wel by herinnering twintig of dertig jaren later, dan 1186 (tydstip der scheiding) geschieden.” Dit komt mij echter niet zeer waarschijnlijk voor. Ik geef toe, dat de herinnering aan het feit nog eenigen tijd kon voortduren; maar toch kon dit, dunkt mij, niet wel meer na den dood van Filips, die in 1191 voorviel, plaats grijpen; te minder, daar terstond daarop juist eene drieledige splitsing van Filips' nalatenschap plaats had(169); waarbij het zuidelijk gedeelte van het graafschap, Atrecht, enz., van het noordelijke afgescheurd werd.Die vermelding dus van het land van Vermandois als binnen de grenzen van Vlaanderen gelegen, schijnt recht te geven om het ontstaan van onzenReinaertniet na 1191 te stellen; zoodat wij, in verband met het tijdperk waarin de fransche 20ebranche in het licht verscheen, dat ontstaan tusschen de jaren 1180 en 1190 meenen te mogen stellen.Ik heb metWILLEMS(170)een bewijs voor de oudheidvan onzenReinaertmeenen te vinden in de omstandigheid, dat een priester er als wettig gehuwd in wordt voorgesteld, welk gebruik omstreeks de helft der twaalfde eeuw verboden werd.Serruremeent dat dit »geen stellig bewys” oplevert; »want,” zegt hij(171), »al is het waer, dat dit gebruik rond 1150 eindigde, dan bestaet er toch een fransche fabliau,Constant du Hamel, welk men aenENGUERRAND D'OISYtoeschryft, en in allen gevalle tot deXIIIeeeuw behoort, waerin insgelyks van het wyf eens priesters gewaegd wordt.”De juiste ouderdom van dat fablel had moeten worden betoogd; want eene eenvoudige verwijzing naarDINAUX'Trouvères Artésiensis niet voldoende.De eenige reden waaromDINAUXvermoedt dat het fablel vanConstant du HamelaanENGUERRAND D'OISYkon worden toegeschreven, is deze, dat hij overeenkomst van onderwerp, denkbeelden en stijl meent gevonden te hebben in dit gedicht en het aan gemelden trouvère toegekende stuk getiteld:Le meunier d'Arleux(172). Die meening wordt echter door niets gestaafd, en er bestaat geen reden, om het oordeel en de naauwkeurigheid vanDINAUXzonder nader bewijs te vertrouwen(173).Maar behoort dan werkelijk dat gedicht »in allen gevalle tot deXIIIeeeuw”? Hoe stellig die verzekering ook moge klinken, zij mist toch allen grond. Zoowel de inhoud als de stijl van het stuk(174)schijnt eer naar hetlaatste vierendeel der twaalfde eeuw te verwijzen. Als ik mij niet bedrieg, heeft het verschillende familietrekken gemeen met sommige branches van denRoman du Renard, vooral met br. 20a. De overeenkomst van taal b.v. springt vooral in het oog, en ik wijs hier slechts op de uitdrukking »por le cor bieu,” vs. 354, 860, 863, die wij ook in br. 20aaantroffen(175).Dat de schrijver met de dierensage bekend was, mag men opmaken uit de omstandigheid, dat hij aan een zijner personaadjes laat toevoegen, vs. 355:Tu sambles miex leu qu'autre beste,De bras, de jambes et de teste;hetgeen op eene merkwaardige wijze herinnert aan de plaats uitGUIBERT DE NOGENT, vroeger aangehaald(176).Voor die bekendheid pleit ook de naam van denvilainnaar wien het geheele fablel genoemd is,Constant, met den bijnaamdu Hamel.Constanttoch is de generieke naam voor de dorpers die eene rol in den franschenRenartspelen.In de 5e(3e) branche heet hijConstant des Noes, vs. 1274, en evenzoo in de 19e(15e), vs. 8623; en de persoon zoowel als zijn rijkdom schijnt algemeen bekend geweest te zijn, daar er in de 26e(20e) branche, vs. 15328 gesproken wordt vanUn vilainPlus que Constanz des Noes riches.In de 4e(2e) branche, vs. 1190, heet hij:Mesire Constans des Granges,Uns vavasors bien aaisiez.Ook in het fablelLa vache au prestre, bijMÉON,tom.III, Pag. 25, vs. 31, komt die naam voor(177).Meestal houdt men het er voor, dat de toenaam ontleend is aan den naam van het dorp waar die Constant leefde. Zoo denktGRIMMaan »les Noes,ein alter ort in Champagne”(178).Dinauxzoekt evenzoo in den naamdu Hameldien van »une ancienne commune sur les confins de l'Artois et du Cambrésis”(179).Hier is het tegendeel duidelijk te bewijzen, daar het vs. 497 heet:Tant qu'il entra enz oùhamel.Uit den samenhang blijkt duidelijk, dat hier niet gedacht kan worden aan een »village, hameau bâti au milieu des champs,” zoo alsROQUEFORThet woord vertaalde; maar wel aan eene »habitation, petite ferme, maison de campagne seule dans les champs”(180). Ik kies deze woorden, omdat het die zijn, waarmedeROQUEFORThet woordmesnilverklaart, en dat woord in de 5e(3e) branche gebezigd wordt ter nadere aanduiding van Constants vrouw, die aldaar heet, vs. 1621:La bone dame del mesnil.Wat nu den toenaamDes Noesaangaat, ook die behoeft niet noodzakelijk aan een plaatsnaam ontleend te zijn.NoesofnouevertaaltROQUEFORTdoor »eaux stagnantes, terrain bas et creux où l'eau séjourne; terresnouvellement mises en prés, pâturage ou prairie marécageuse.” Het komt dus geheel overeen met onsMaerlant(181), enConstantkan even goed naar het terrein dat hij bewoonde zijn genoemd, als naar zijne woning. En blijkbaar is er slechts één persoon gemeend, die beurtelings heetdes Noes (du Mesnil), des Grangesofdu Hamel, van welke namen de drie laatste in beteekenis niet veel verschillen.Men ziet daaruit, dat het fablel doorSERRUREals bewijs aangehaald, geschreven schijnt in den tijd waarin verschillende, en daaronder van de oudste, branches van denRenartvallen, hetgeen veeleer naar de laatste helft der twaalfde dan naar de dertiende eeuw verwijst.Ook het gedichtDu provoire qui menga les mores(LE GRAND D'AUSSY, tom. I, pag. 26*), waar in vs. 62 »la feme au prestre” voorkomt, is van geen jonger oorsprong, daar de dichter zelf verklaart dat hij het aan een voorganger,GUERINS, ontleent.Dit alles te samen trekkende, komt het ons nog altijd voor, dat de vlaamscheReinaerttot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet gebracht worden.Wij mogen intusschen geene vraag achterwege laten, wier beantwoording licht over ons onderwerp kan verspreiden.Reinaertvs.3347(3367) wordt gewaagd van

Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal,Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal(133).

Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal,Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal(133).

In de 11e(17e) branche bijMÉON, waarinPIERREals de schrijver genoemd staat, wordt vs. 4935–5492 juist verhaald, hoe de vos zich van den haan meester maakt....

Het zou echter gevaarlijk zijn daaruit een besluit op te maken. Vooreerst heet daar de haan nimmerli gal, maar altijdli cos,le coc, b.v. vs. 5036, 5308, 5319, 5328, 5340, 5415 enz.; en zoo daar al gewaagd wordt, vs. 4988,

De Chantecler qui cline l'ueil;

De Chantecler qui cline l'ueil;

zoo de vos den boer beduidt dat hij hem den haan overlevere, vs. 5311,

Si le me baille par le col;

Si le me baille par le col;

toch vindt men daar het verhaal niet zoo als het volgens de toespeling in denAlexandermoet geluid hebben.

Maar ook de 5e(3e) branche vanMÉONbehandelt hetzelfde onderwerp als de 11e, maar met belangrijke afwijkingen in de détails. Hier beduidt Reinaert aan Chantecler, die ook hier nimmerli gals, maarli cosheet, dat zij »cosin germain” zijn: hij weidt uit in den lof van Chanteclers vader, die kraaide zoo als nooit een haan gekraaid had, en die daarbij de beide oogen sloot. En dan volgt een tooneel, dat wij geheel moeten afschrijven om te doen zien, dat het werkelijk alle bijzonderheden bevat waarop deAlexanderzinspeelt:

Dist Chanteclers: „Renart, cosin,1571.Volez me prendrepar engin.”—»Certes, ce dist Renars, non voil,Mès or chantez,si clingniez l'oil;D'une char somes et d'un sanc,Miex vodroie estre d'un pié mancQue vos mesface tant ne qant,Que tu es trop près mon parent.”Dist Chanteclers: „Pas ne te croi:Un poi detrai en sus de moi,1580.Et je dirai une chançon;N'aura voisin ci environQui bien n'entende mon fauset.”Lors s'en est souriz Renardet,Et dist Renars: „Chante, cousins:Je sauré bien se Chanteclins,Mes oncles, s'il vos fu noient.”Lors encommence hautement,Lors chanta Chanteclers un vers:L'un oil ot clos et lautre overs,1590.Car moult forment cremoit Renart;Sovent regarde cele part.Ce dist Renars: „Ce n'est noient.Chanteclins chantoit autrement,A un lonc tret, à eulz cligniez,C'on l'ooit d'outre les plessiez.”Chanteclers cuide que voir die:Lors commence sa melodie,Les eulz cligniezpar grant aïr.Lors ne volt plus Renart soffrir,1600.Par de desus un rouge cholLe prent Renart parmi le col.

Dist Chanteclers: „Renart, cosin,1571.Volez me prendrepar engin.”—»Certes, ce dist Renars, non voil,Mès or chantez,si clingniez l'oil;D'une char somes et d'un sanc,Miex vodroie estre d'un pié mancQue vos mesface tant ne qant,Que tu es trop près mon parent.”Dist Chanteclers: „Pas ne te croi:Un poi detrai en sus de moi,1580.Et je dirai une chançon;N'aura voisin ci environQui bien n'entende mon fauset.”Lors s'en est souriz Renardet,Et dist Renars: „Chante, cousins:Je sauré bien se Chanteclins,Mes oncles, s'il vos fu noient.”Lors encommence hautement,Lors chanta Chanteclers un vers:L'un oil ot clos et lautre overs,1590.Car moult forment cremoit Renart;Sovent regarde cele part.Ce dist Renars: „Ce n'est noient.Chanteclins chantoit autrement,A un lonc tret, à eulz cligniez,C'on l'ooit d'outre les plessiez.”Chanteclers cuide que voir die:Lors commence sa melodie,Les eulz cligniezpar grant aïr.Lors ne volt plus Renart soffrir,1600.Par de desus un rouge cholLe prent Renart parmi le col.

Vergelijkt men de lezingen van branche 11 en 5 met den mhd.Reinhart, vs. 11–176, dan ziet men terstond, dat de laatste branche zich het naast aan het oude gedicht houdt(134), waarop het zich dan ook beroept,

Trover le poez en l'estoire,1384.

Trover le poez en l'estoire,1384.

evenzeer als branche 11, waar wij, vs. 4038, lezen:

Que se li livres nos dit voirOù je trouve l'estoire escrite.

Que se li livres nos dit voirOù je trouve l'estoire escrite.

Het schijnt dus, dat de toespeling uit denAlexanderniet op het gedicht vanPIERRE DE SAINT-CLOUDziet. Maar is werkelijk die 11ebranche van gemelden dichter? Het is waar, zijn naam wordt in 't begin en het slot genoemd, maar altijd in den derden persoon.

Pierres qui de Saint-Clostfu nez,4851.S'est tant traveilliez et penezPar proière de ses amis,Que il nos a en rime misUne risée et un gabetDe Renart, qui tant set d'abet,Le puant nain, le descréu,Par qui out esté decéuTant baron que n'en sai le conte,Dès orcommenceraile conte:Se il est qui i voille entendre,Sachiez moult i porra aprendre,Si comje cuitet comje pens,Se à escouter met son sens.

Pierres qui de Saint-Clostfu nez,4851.S'est tant traveilliez et penezPar proière de ses amis,Que il nos a en rime misUne risée et un gabetDe Renart, qui tant set d'abet,Le puant nain, le descréu,Par qui out esté decéuTant baron que n'en sai le conte,Dès orcommenceraile conte:Se il est qui i voille entendre,Sachiez moult i porra aprendre,Si comje cuitet comje pens,Se à escouter met son sens.

het slot luidt:

Ici fait Pierres remanoirLe conte où sevolttraveillier,Et lesse Renart conseillier.

Ici fait Pierres remanoirLe conte où sevolttraveillier,Et lesse Renart conseillier.

Of in een ander handschrift:

Chi fait Perrins remanoirLe livre de Renart pour voirDuquel s'est volus travillier:Ysengrin laist à conseillier (sic);Se par ce meschiet YsengrinLi blames en ert sus Perrin.

Chi fait Perrins remanoirLe livre de Renart pour voirDuquel s'est volus travillier:Ysengrin laist à conseillier (sic);Se par ce meschiet YsengrinLi blames en ert sus Perrin.

Uit de laatste regels ziet men, dat de schrijver, d. i. hier de afschrijver, ook nog andere branches kende, waarin de wolf het kortste eind trok; maar dewijl zij niet in den anderen tekst voorkomen, laten wij dit buiten rekening. Wij mogen echter niet achterlaten op te merken, dat vanPIERREsteeds in den derden persoon, en in den verleden tijd gesproken wordt,fu nez,volt traveillier, terwijl terstond daarop de eerste persoon gebruikt wordt, hetgeen wel eene tegenstelling schijnt aan te duiden.

Rothezegt(135): »D'abord, à la vérité, l'auteursemble parler dePIERRE DE SAINT-CLOUDà la troisième personne; mais le reste prouve assez que cette onzième branche estprécisément le poëmeentier et isoléde ce mêmePIERRE DE SAINT-CLOUD, fort souvent(?) mentionné ailleurs comme auteur principal ou unique du poëme de Renart.”

Dat wij hier den inhoud vanPIERRESgedicht hebben, geef ik gereedelijk toe; maar dat wij het niet juist in eene omwerking bezitten, zou moetenbewezenworden. De geheele proloog toch schijnt ons juist het werk van dien omwerker, die van zichzelf in den eersten, van zijn voorganger in den derden persoon spreekt. De geheele toon der inleiding is die van een later jongleur of kopist, die wijst op het nut, dat men uit de geschiedenis kan trekken, hetgeen zeker geen oorspronkelijk gezichtspunt is. Zoo luidt ook de inleiding tot de 29ebranche (MÉON, III, pag. 82):

Une estoire vueil commencier.Qui durement fet à prisier;Et grant bien i porriez aprendreSe il vos i plest à entendre.Or m'escotez sanz noise fère,Que nus contes ne porroit plèreA home qui est trop noisous,Mès de l'oïr soit covoitous:Celi qui oïr le vorra,Sachiez, grant profit i penra.

Une estoire vueil commencier.Qui durement fet à prisier;Et grant bien i porriez aprendreSe il vos i plest à entendre.Or m'escotez sanz noise fère,Que nus contes ne porroit plèreA home qui est trop noisous,Mès de l'oïr soit covoitous:Celi qui oïr le vorra,Sachiez, grant profit i penra.

En dit kan ook niet wel anders, nu wij weten datPIERRE DE SAINT-CLOUDzijn gedicht stellig eene geheele eeuw vroeger heeft geschreven danWILLEMShet stelde. Dat de 11ebranche een werk van de eerste helft der twaalfde eeuw zou zijn, kan niemand gelooven, en de vergelijking met br. 5 en het Mhd. leert duidelijk het tegendeel; terwijl wij daaruit ook ontwaren hoe overvrij de omwerker zijn origineel behandeld heeft. Waarschijnlijk heeftjuistle livre, dat in de slotvariant genoemd wordt, dat ook vs. 4938 voorkomt, het oorspronkelijke werk vanPIERREbevat, en daar zal het aventuur van den haan zeker zóó behandeld zijn, dat wij mogen aannemen dat de toespeling uit denAlexanderopPIERRESgedicht zag, waarin ook de haan met den ouder naam vanle galzal zijn genoemd.

OfPIERREmeer deelen der Reinaertsage bewerkt heeft dan deze verlorene branche, is niet uitgemaakt. Men zou het evenwel mogen opmaken uit de inleiding tot de 20ebranche, waar gezegd wordt, dat Perroz, hetgeen dezelfde naam is met den verkleiningsuitgang,

Son engin et s'artMist en vers fère de RenartEt d'Ysengrin,

Son engin et s'artMist en vers fère de RenartEt d'Ysengrin,

welke laatste in de besproken branche geene rol vervult.

Misschien is die vermelding van Ysengrin slechts eene onnaauwkeurigheid, die haar aanwezen alleen verschuldigd is aan de behoefte om een rijmwoord te vinden. Hoe het ook zij, nergens vinden wij eenige andere branche uitdrukkelijk aanPIERRE DE SAINT-CLOUDtoegeschreven. In de plaats bijCHABAILLE(136)voorkomende, wordt geen bepaald werk genoemd.Le grand d'aussyenRAYNOUARDkennen hem ook nog, volgensGRIMM(137), de branches 1, 2, 3, 4 en 5 toe;FAURIELmeent dat hij buiten de 11ealleen nog de 1ebranche geschreven heeft(138). Van de eerste en de vijfde is het stellig te bewijzen datPIERREdie niet kan geschreven hebben. De 5eis misschien eene omwerking van zijnvroeger gedicht, gelijk wij reeds zagen. De eerste draagt alle blijken van jonger oorsprong in hare beide deelen. Buitendien is er eene plaats in br. 11, die geheel en al 1bweêrspreekt. Dáár zegt toch de koning dat Isengrim niet moet gelooven dat Reinaert zijne vrouw heeft beleedigd, vs. 5668:

Que vos ice que ne savez,Fors seulement par oï dire,Li portez ne corroz ne ire.

Que vos ice que ne savez,Fors seulement par oï dire,Li portez ne corroz ne ire.

In branche 1zietjuist de wolf dat gebeuren, waarover hij zich in br. 11 beklaagt.

De geheele redenering vanFAURIELberust op het niet goed begrijpen van de inleiding tot de eerste branche.

Al wat wij dus vanPIERRE DE SAINT-CLOUDweten, is, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw, vóór 1150, schreef; en dat zijn werk voor ons is verloren gegaan. Maar dit is voor ons onderzoek reeds veel.

Een schrijver die onmiddellijk op hem volgt, kan niet veel jonger zijn dan de helft dier zelfde eeuw, en zal omstreeks 1150 moeten geschreven hebben. Zien wij, of wij de 20ebranche zoo hoog kunnen opvoeren.

Grimmzegt van al de fransche branches(139): »Sprache und ausdrucksweise tragen insgemein die färbung anderer franz. gedichte des 13 jh.” Intusschen leert de vergelijking met de werken vanCHRESTIEN DE TROIES, dat het niet onmogelijk is enkele branches tot de tweede helft der twaalfde eeuw, ja misschien nog wat vroeger, te brengen. Dit is het geval met de 20e, hetgeen door de volgende bijzonderheden wordt ondersteund.

Als Renart aan 's konings hof komt, zegt hij tot Noble, vs. 10953:

„Or ont tant fet li losengier,Qui de moi se volent vengier,Que vos m'avoz jugié à mort;Mès puis, sire, que rois s'amortA croire les mauvès larrons,Et il lesse les bons barons,Et gerpist le chief por la qeueLors vet la terre à male veue.”

„Or ont tant fet li losengier,Qui de moi se volent vengier,Que vos m'avoz jugié à mort;Mès puis, sire, que rois s'amortA croire les mauvès larrons,Et il lesse les bons barons,Et gerpist le chief por la qeueLors vet la terre à male veue.”

Buiten twijfel hebben wij hier eene toespeling op denGuillaume d'Orange. In de nog onuitgegeven branche, die tot titel heeftLi Moniages Guillaume, doet een ridder aan koning Lodewijk, die alle deugdelijke edellieden van zijn hof verwijderd had, het volgende verwijt, vs. 5159:

„Rois, nus frans homs ne vos devroit amer,Ne hennor fère, ne homage porter,Quar les prodomes avez toz adosezEt fors de France et chaciez et gitez,Tolu lor terres et toz deshéritez:Foui s'en sont de la terre esgarez,Et lor enfant chétis et désertez;Cil vos séussent le bon conseil doner,Quar li preudome font lor seignor douter.Mès li glouton, li losengier prové,Li pautonnier, cil sont à vos remés,Por lor losange les tenez en chierté;Li losangier font les rois déclinerEt les hauz homes par lor bordes blasmer.Rois, tu les as montez et alevez,Or es por euls honiz et vergondez,Ne jà por euls ne seroiz amontez.Ne doit rois estre, ne corone porter,Qui à garçon fet son conseil privé,Mès les preudomes i doit-en apeler.”

„Rois, nus frans homs ne vos devroit amer,Ne hennor fère, ne homage porter,Quar les prodomes avez toz adosezEt fors de France et chaciez et gitez,Tolu lor terres et toz deshéritez:Foui s'en sont de la terre esgarez,Et lor enfant chétis et désertez;Cil vos séussent le bon conseil doner,Quar li preudome font lor seignor douter.Mès li glouton, li losengier prové,Li pautonnier, cil sont à vos remés,Por lor losange les tenez en chierté;Li losangier font les rois déclinerEt les hauz homes par lor bordes blasmer.Rois, tu les as montez et alevez,Or es por euls honiz et vergondez,Ne jà por euls ne seroiz amontez.Ne doit rois estre, ne corone porter,Qui à garçon fet son conseil privé,Mès les preudomes i doit-en apeler.”

En wat later, vs. 5399, wordt den koning op nieuw toegevoegd:

„Tu as la terre empirée formentDes gentix homes, des sages, des vaillanz,Qu'ensus de toi as chacié laidement:Désertez as les pères des enfanz.Par les frans homes est li sires poissanz:Tu n'en as nul de gentix ne de frans,Perduz les as tot par ton malvès sens,Dont tote France est tornée à torment.”

„Tu as la terre empirée formentDes gentix homes, des sages, des vaillanz,Qu'ensus de toi as chacié laidement:Désertez as les pères des enfanz.Par les frans homes est li sires poissanz:Tu n'en as nul de gentix ne de frans,Perduz les as tot par ton malvès sens,Dont tote France est tornée à torment.”

Voorts wordt hem verweten, dat hij zich alleen omringt met

„Les losangiers et les faus médisanz,Les traïteurs et les glouz malcuidanz,Ceus qui te servent de mençonges contant,Que entor toi as tenu longuement.Tu as doné t'onor et ton argent:Por lor conseil seras-tu recréant,Se Dex ne'l fet par son digne comment.Qui bordes croit et losangier soventAu chief de tor, par mon chief, s'en repent.”

„Les losangiers et les faus médisanz,Les traïteurs et les glouz malcuidanz,Ceus qui te servent de mençonges contant,Que entor toi as tenu longuement.Tu as doné t'onor et ton argent:Por lor conseil seras-tu recréant,Se Dex ne'l fet par son digne comment.Qui bordes croit et losangier soventAu chief de tor, par mon chief, s'en repent.”

De vergelijking van de uitdrukkingen in denRenarden de aangehaalde regels uit denMoniagezullen wel geen twijfel overlaten, of er heeft in de branche van het dieren-epos eene toespeling op het heldendicht plaats. Zien wij, welke aanwijzing ons dit geeft aangaande den datum van denRenard.

Van denMoniage Guillaumebestaan twee redaktiën, waarvan de oudste tusschen 1050 en 1150, waarschijnlijk nog vóór 1100 valt(140). De jongere is eerst na 1150 ontstaan, maar zeker niet lang; wij mogen stellen omstreeks 1160(141). De schrijver van de 20ebranche van denRenardhad stellig de jongste redaktie op het oog, zoo als de daaruit aangehaalde plaatsen leeren, daar deze veel nader bij den tekst van denRenardkomen dan het daarmeê overeenstemmende uit de oudstelezing(142). Buitendien is de omwerking geschreven in of omstreeks hetzelfde landschap, waar de dichter der 20ebranche leefde, zoo als de vergelijking van beider taal leert. Zoo vinden wij, om maar één voorbeeld te noemen, bij beiden dezelfde spreekwijs terug,Moniage, vs. 5672:

D'autre Martin lor convendra chanter(143)

D'autre Martin lor convendra chanter(143)

enRenard, vs. 10096,

Si parleron d'autre Martin.

Si parleron d'autre Martin.

Veel jonger dan deze redaktie van denMoniage, schijnt zelfs het tweede gedeelte niet te zijn, als mede uit de taal kan worden opgemaakt. Ook hier sta één voorbeeld. In de dertiende eeuw was het woordgestein de beteekenis van familie, geslacht, reeds minder gebruikelijk(144), en toch vinden wij het nog aldus gebezigd,Renard, vs. 11781:

Qui larron de pendre areste,Toz jors het mès lui et sa jeste.

Qui larron de pendre areste,Toz jors het mès lui et sa jeste.

Ook in dit tweede deel der branche komt eene toespelingop dezelfdechanson de gestevoor, vs. 11751:

Ainz que Tibaut soit crestiens,

Ainz que Tibaut soit crestiens,

waarbij natuurlijk niet aan eene herinnering aan den historischen Thibaut van Champagne kan gedacht worden, die in 1253 stierf, en die in eene andere branche, vs. 16136, voorkomt(145).

Blijkbaar is hier die Tiebaut d'Orange bedoeld, die als de hevigste tegenstander van Guillaume en van het Christendom bekend is uit de fransche gedichten, die tot de tiende eeuw opklimmen.

Veel merkwaardiger nog is intusschen hetgeen Renard op het einde van br. 20azegt, als hij den koning toeroept, vs. 11267:

Saluz te mande NoradinsPar moi qui sui bons pelerins,Si te criément li paien tuit,A pou que chascuns ne s'en fuit.

Saluz te mande NoradinsPar moi qui sui bons pelerins,Si te criément li paien tuit,A pou que chascuns ne s'en fuit.

Sultan Noureddin bloeide van1149–1171, en stierf in 1173(146). Mag men nu uit de aangehaalde verzen niet besluiten, dat het gedicht, dat eene satyrieke toespeling maakt op de reeks van verliezen die de Christenen in het Oosten leden bij en na den tweeden kruistocht, 1147–1149, kort daarna, althans vóór den derden tocht, 1189–1193, geschreven werd, toen Saladijns naam dien van Noureddin geheel in de schaduw stelde? Bij de groote vermaardheid die de ridderlijke Saladijn weldra in Europa verwierf, dien onze kronijkschrijvers den bijnaam geven van »domitor Orientis, ac nostrorum terror,”(147)is het ondenkbaar, dat men zijn naam niet in de plaats zou gesteld hebben van den minder vermaarden; en onmogelijk kan daarom onze 20ebranchena Saladijns optreden het licht hebben gezien. Het gedicht moet dus stellig tusschen 1150 en 1190 zijn tegenwoordige vorm hebben aangenomen. Maar zeer zeker valt het, ook om de boven opgegeven gronden, eer in de eerste dan in de laatste helft van dat tijdperk, waarschijnlijk vóór 1173, toen Noureddin stierf. Ja, als men de betrekking totPIERRE DE SAINT-CLOUDin het oog houdt, en het verband met denGuillaume d'Orange, dan zal het niet te gewaagd zijn de periode van wording nog nader te bepalen tusschen 1160 en 1170. En meent men den schrijver van 20bnog zekere tijdruimte te moeten gunnen voor de samenlijming der verschillende deelen van zijne redaktie, dan zal men ten minste niet later kunnen afdalen dan tot op omstreeks 1175 of 1180, toen de dood van Noureddin hier algemeen bekend moest zijn.

Zoo meenen wij dan den bewerker van branche 20ain het derde, den schrijver van 20b, die de laatste hand aan het gedicht leî, in het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te moeten plaatsen. 't Is waar, de grond waarop dit oordeel steunt, bezit niet de onomstootbare hechtheid van het historisch bewijs, en is uit eene reeks van gevolgtrekkingen en veronderstellingen opgerezen; maar ik vertrouw, dat men daaraan eene hooge mate van waarschijnlijkheid niet zal ontzeggen; en ik aarzel niet de hoop te uiten, dat mijne uitkomsten, die bij eene bloote lezing van mijn betoog wellicht voor eene subjektive opvatting kunnen worden aangezien, bij eigen aanschouwing en naauwkeurige toetsing der bronnen ook door anderen niet zullen worden gewraakt.

Zien wij thans, wat wij omtrent den ouderdom der vlaamsche navolging van het fransche gedicht kunnen vaststellen.

Als de fransche branche, die kennelijk den vlaamschenReinaerttot model diende, eerst omstreeks het jaar 1180 is ontstaan, dan kan de navolging natuurlijk niet »omtrent den jare 1170” zijn geschreven, zoo alsWILLEMSaannam(148), en ik vroeger op zijn voetspoor zocht te betoogen(149).

Willemszelf had die stelling eigenlijk al moeten opgeven, daar zij in strijd is met eene andere gissing door hem geopperd, en die veel waarschijnlijkheid heeft. De dichter van denReinaerthad vroeger reeds denMadocgeschreven, enWILLEMSvraagt, of men daarbij »niet zou mogen denken aen de zonderlinge lotgevallen van Madoc, zoon van Owen Guynnedd, prins van Wallis, dieomtrent den jare 1170America ontdekte?” en wiens wonderlijk verhaal van eene andere wereld men wellicht voor droomerijen hield(150).

Maar zoo wij al het jaar 1170 moeten opgeven, het blijft de vraag, of wij thans geene andere tijdsbepaling kunnen vaststellen?

Serruremeent dat ons gedicht »tusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven” werd(151), maar geeft geene bepaalde reden op, waarom hij juist dit tijdperk aanneemt.

Zoo ons ergens een licht kan opgaan omtrent den leeftijd van den vlaamschen dichter, dan moet het vooral zijn in de eigenaardige toevoegsels waarmede hij zijn origineel verrijkte. Toetsen wij daarom nogmaals de gronden die daaraan te ontleenen zijn.

De namen van den deken Herman, die vs.2717(2737) voorkomt, of van meester Jufroet, vs.2937(2957), laat ik buiten rekening.Willemsziet in den laatsten »ongetwyfeldGodfredus Andegavensis, die in de eerste jaren der twaelfde eeuw leefde(152);” maar datongetwijfeldis toch wat sterk, daar de woorden die Jufroet worden toegeschreven, niet in de werken van den genoemden Godfridus worden aangetroffen(153). En wat den eersten betreft, zegtWILLEMSzelf(154)alleen maar dat »GRIMMvermoedtdat hierkan bedoeld zijnHerman, abt van St. Marten te Doornik, een beroemd schryver van den aenvang der twaelfde eeuw.” Hoe dit vermoeden »veel waerschynlykheid” kan hebben, »daer paus Innocentius II met dezen Herman meermaels in onderhandeling geweest is”(155), verklaar ik niet te begrijpen. Ik meen, dat het verstandiger isGRIMMSslotopmerking(156)in het oog te houden: »aber es kann viele geistliche und decane dieses namens gegeben haben;” te gereeder, daar het vreemd zou zijn, dat de dichter, die zich, volgensWILLEMS'eigen opmerking(157), steeds binnen de grenzen van Vlaanderen beweegt, hier zou gedacht hebben aan een Doorniksch prelaat.

De toespeling op een valschen munter, Reinout de Vries, vs.2652(2672) is te onbepaald om er bij stil te staan(158), hetgeen te meer is te betreuren, omdat wij hier waarschijnlijk eene kostbare aanwijzing zouden mogen vermoeden.

In navolging vanWILLEMS(159)heb ik(160)groot gewicht gelegd op de vermelding van Hulsterloo als gelegen in zoo groot eene wildernis, dat men in zes maanden er geen schepsel ontmoette, vs.2565(2589).Serruremeent, dat er dit in den tekst ook niet staat, maar alleen »dat erby Hulsterlooeen bosch was(161).” Intusschen staat er duidelijk, vs.2553(2578),

Int oostende van Vlaendren staetEen bosch, ende heet Hulsterlo.....................Een borne, heet Kriekepit,Gaet suutwest niet verre dane;....................Dats een die meeste wildernesse,Die men hevet in enich rike.Ic segghe u ooc ghewaerlike,Dat somwilen es een half jaer,Dat toten borne comet daerNo weder man nochte wijf,No creature die hevet lijf.

Int oostende van Vlaendren staetEen bosch, ende heet Hulsterlo.....................Een borne, heet Kriekepit,Gaet suutwest niet verre dane;....................Dats een die meeste wildernesse,Die men hevet in enich rike.Ic segghe u ooc ghewaerlike,Dat somwilen es een half jaer,Dat toten borne comet daerNo weder man nochte wijf,No creature die hevet lijf.

Wat beteekent dit nu? Er is een bosch dat Hulsterloo heet, d.i. hetHulster bosch; niet ver van daar staat eene bron: dat is de grootste wildernis, welke laatste woorden natuurlijk niet op de bron van toepassing zijn, maar op de streekniet verre dane. Met die opvatting strijdt ook niet, dat er later, vs.2644(2664), van dien Kriekepit gezegd wordt:

Ne staet hi niet bi Hulsterlo,Up dien moer, in die woestine!

Ne staet hi niet bi Hulsterlo,Up dien moer, in die woestine!

Men ziet, hier is nog geene spraak van »een dorp,” waarvan ook in den giftbrief van Dirk van den Elzas van 1136 geen gewag gemaakt wordt, waar alleenstaat »illum locumqui dicitur Hulsterloe(162),” en in een document van 1139 wordt dit zelfs alleen genoemd »nonnulla terra in circuitu” van Saleghem(163). Eerst in een brief van paus Innocentius II van 1141 wordt gewaagd van de »curtes et villas.... Hulst et Hulsterloe(164).” Blijkbaar was dus omstreeks 1141 Hulsterloo bewoond, en in 1156 wordt er kerkelijke dienst gedaan en begraven(165). Daar het nu niemand zal invallen den Reinaert ouder dan 1140 te maken, daar hij minstens veertig jaren jonger is, blijkt het, dat de dichter, die van Hulsterloo spreekt als van een onbewoond, woest oord, hier geen toestand uit zijn eigen tijd heeft geschilderd. Waarschijnlijk maakte hij hier gebruik van eene bekende overlevering, die gewaagde van de woestenij van Hulsterloo ten tijde dat de valsche munter Reinout er huisde. Hoe lang kan zoodanige lokale overlevering, die minstens in het eerste kwart der twaalfde eeuw ontstaan schijnt(166), in levendig aandenken zijn gebleven? Dat is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar toch meen ik uit haar voortbestaan te mogen opmaken, dat de vlaamsche dichter niet zeer lang na de bekendwording van de fransche branche zijne navolging heeft vervaardigd.

Tot dezelfde uitkomst schijnt men ook te geraken door de overweging, dieWILLEMShet eerst bekendmaakte(167), dat in denReinaertVermandois tot Vlaanderen gerekend wordt, hetgeen eene waarheid was van 1163 tot 1186, daar in dat tijdvak Filips van den Elsas gehuwd was met Isabella, erfdochter van Vermandois, waardoor dit laatste graafschap met Vlaanderen vereenigd werd tot op Isabella's dood.

Serruremerkt daarbij op(168): »Indien die vereeniging der twee landen tot deze aenspeling (sic) aenleiding gaf, dan kon dit zoo wel by herinnering twintig of dertig jaren later, dan 1186 (tydstip der scheiding) geschieden.” Dit komt mij echter niet zeer waarschijnlijk voor. Ik geef toe, dat de herinnering aan het feit nog eenigen tijd kon voortduren; maar toch kon dit, dunkt mij, niet wel meer na den dood van Filips, die in 1191 voorviel, plaats grijpen; te minder, daar terstond daarop juist eene drieledige splitsing van Filips' nalatenschap plaats had(169); waarbij het zuidelijk gedeelte van het graafschap, Atrecht, enz., van het noordelijke afgescheurd werd.

Die vermelding dus van het land van Vermandois als binnen de grenzen van Vlaanderen gelegen, schijnt recht te geven om het ontstaan van onzenReinaertniet na 1191 te stellen; zoodat wij, in verband met het tijdperk waarin de fransche 20ebranche in het licht verscheen, dat ontstaan tusschen de jaren 1180 en 1190 meenen te mogen stellen.

Ik heb metWILLEMS(170)een bewijs voor de oudheidvan onzenReinaertmeenen te vinden in de omstandigheid, dat een priester er als wettig gehuwd in wordt voorgesteld, welk gebruik omstreeks de helft der twaalfde eeuw verboden werd.Serruremeent dat dit »geen stellig bewys” oplevert; »want,” zegt hij(171), »al is het waer, dat dit gebruik rond 1150 eindigde, dan bestaet er toch een fransche fabliau,Constant du Hamel, welk men aenENGUERRAND D'OISYtoeschryft, en in allen gevalle tot deXIIIeeeuw behoort, waerin insgelyks van het wyf eens priesters gewaegd wordt.”

De juiste ouderdom van dat fablel had moeten worden betoogd; want eene eenvoudige verwijzing naarDINAUX'Trouvères Artésiensis niet voldoende.

De eenige reden waaromDINAUXvermoedt dat het fablel vanConstant du HamelaanENGUERRAND D'OISYkon worden toegeschreven, is deze, dat hij overeenkomst van onderwerp, denkbeelden en stijl meent gevonden te hebben in dit gedicht en het aan gemelden trouvère toegekende stuk getiteld:Le meunier d'Arleux(172). Die meening wordt echter door niets gestaafd, en er bestaat geen reden, om het oordeel en de naauwkeurigheid vanDINAUXzonder nader bewijs te vertrouwen(173).

Maar behoort dan werkelijk dat gedicht »in allen gevalle tot deXIIIeeeuw”? Hoe stellig die verzekering ook moge klinken, zij mist toch allen grond. Zoowel de inhoud als de stijl van het stuk(174)schijnt eer naar hetlaatste vierendeel der twaalfde eeuw te verwijzen. Als ik mij niet bedrieg, heeft het verschillende familietrekken gemeen met sommige branches van denRoman du Renard, vooral met br. 20a. De overeenkomst van taal b.v. springt vooral in het oog, en ik wijs hier slechts op de uitdrukking »por le cor bieu,” vs. 354, 860, 863, die wij ook in br. 20aaantroffen(175).

Dat de schrijver met de dierensage bekend was, mag men opmaken uit de omstandigheid, dat hij aan een zijner personaadjes laat toevoegen, vs. 355:

Tu sambles miex leu qu'autre beste,De bras, de jambes et de teste;

Tu sambles miex leu qu'autre beste,De bras, de jambes et de teste;

hetgeen op eene merkwaardige wijze herinnert aan de plaats uitGUIBERT DE NOGENT, vroeger aangehaald(176).

Voor die bekendheid pleit ook de naam van denvilainnaar wien het geheele fablel genoemd is,Constant, met den bijnaamdu Hamel.Constanttoch is de generieke naam voor de dorpers die eene rol in den franschenRenartspelen.

In de 5e(3e) branche heet hijConstant des Noes, vs. 1274, en evenzoo in de 19e(15e), vs. 8623; en de persoon zoowel als zijn rijkdom schijnt algemeen bekend geweest te zijn, daar er in de 26e(20e) branche, vs. 15328 gesproken wordt van

Un vilainPlus que Constanz des Noes riches.

Un vilainPlus que Constanz des Noes riches.

In de 4e(2e) branche, vs. 1190, heet hij:

Mesire Constans des Granges,Uns vavasors bien aaisiez.

Mesire Constans des Granges,Uns vavasors bien aaisiez.

Ook in het fablelLa vache au prestre, bijMÉON,tom.III, Pag. 25, vs. 31, komt die naam voor(177).

Meestal houdt men het er voor, dat de toenaam ontleend is aan den naam van het dorp waar die Constant leefde. Zoo denktGRIMMaan »les Noes,ein alter ort in Champagne”(178).Dinauxzoekt evenzoo in den naamdu Hameldien van »une ancienne commune sur les confins de l'Artois et du Cambrésis”(179).

Hier is het tegendeel duidelijk te bewijzen, daar het vs. 497 heet:

Tant qu'il entra enz oùhamel.

Tant qu'il entra enz oùhamel.

Uit den samenhang blijkt duidelijk, dat hier niet gedacht kan worden aan een »village, hameau bâti au milieu des champs,” zoo alsROQUEFORThet woord vertaalde; maar wel aan eene »habitation, petite ferme, maison de campagne seule dans les champs”(180). Ik kies deze woorden, omdat het die zijn, waarmedeROQUEFORThet woordmesnilverklaart, en dat woord in de 5e(3e) branche gebezigd wordt ter nadere aanduiding van Constants vrouw, die aldaar heet, vs. 1621:

La bone dame del mesnil.

La bone dame del mesnil.

Wat nu den toenaamDes Noesaangaat, ook die behoeft niet noodzakelijk aan een plaatsnaam ontleend te zijn.NoesofnouevertaaltROQUEFORTdoor »eaux stagnantes, terrain bas et creux où l'eau séjourne; terresnouvellement mises en prés, pâturage ou prairie marécageuse.” Het komt dus geheel overeen met onsMaerlant(181), enConstantkan even goed naar het terrein dat hij bewoonde zijn genoemd, als naar zijne woning. En blijkbaar is er slechts één persoon gemeend, die beurtelings heetdes Noes (du Mesnil), des Grangesofdu Hamel, van welke namen de drie laatste in beteekenis niet veel verschillen.

Men ziet daaruit, dat het fablel doorSERRUREals bewijs aangehaald, geschreven schijnt in den tijd waarin verschillende, en daaronder van de oudste, branches van denRenartvallen, hetgeen veeleer naar de laatste helft der twaalfde dan naar de dertiende eeuw verwijst.

Ook het gedichtDu provoire qui menga les mores(LE GRAND D'AUSSY, tom. I, pag. 26*), waar in vs. 62 »la feme au prestre” voorkomt, is van geen jonger oorsprong, daar de dichter zelf verklaart dat hij het aan een voorganger,GUERINS, ontleent.

Dit alles te samen trekkende, komt het ons nog altijd voor, dat de vlaamscheReinaerttot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet gebracht worden.

Wij mogen intusschen geene vraag achterwege laten, wier beantwoording licht over ons onderwerp kan verspreiden.

Reinaertvs.3347(3367) wordt gewaagd van


Back to IndexNext