VII.

Sor un haut mont en un rochierFet li rois les forches drecierPor Renart pendre, le gorpil;zonder dat er gezegd wordt wie zich met de strafoefening belastte. Maar bij de tweede veroordeeling, in 20b, worden de dieren genoemd die zich van hem meester maakten, vs. 11605:Lors Isengrin en piez se drece,S'aert Renart par la chevesce;Dou poing li done tel bufet,Del cul li fait saillir un pet.Et Brun l'aert par le chaignon,Les denz li met dusqu'au braon;....................Tybert li chaz giete les denzEt les ongles, qu'il ot poignanz,Saisist Renart au peliçon,Bien li valut une friçon.En vs. 11705 wordt er zelfs bijgevoegd:Si anemiLa hart li ont ja el col mise.Eerst in 20bwordt van de nieuwe biecht gewaagd, die in denReinaertzoo breedvoerig wordt uitgewerkt; immers vs. 11716 eerst zegt Grimbert:Or vos déussiez confesser.Bovendien wordt eerst in dit tweede gedeelte de schat vermeld, waarvoor Renart werd losgekocht, dien onze vlaamsche dichter tot koning Hermelinx schat maakte, en waarvan hij op veel geschikter wijze wist partij te trekken.Reinaertvs.1851vlg. worden de dieren opgenoemd die bij des aangeklaagden komst ten hove hunne stem tegen hem verheffen: die plaats is ontleend aan 20a, vs. 10159 vlg. Maar onder de daar genoemde dieren komt ook voor, vs.1868:Dat foret, Clene-bejach.welk diertje niet in 20agenoemd wordt, maar in de navolging der eerste plaats, die op het einde van dat oudste deel is geïnterpoleerd, vs. 11297 vlg., waar wij ook vermeld vindenEt Petit-porchaz li Fuirons.Reinaerts zoon heet in het mnl. gedicht, vs.1419Rosseel: in 20aRouviel, maar eerst vs. 11729, dus in 20b,Rousel.Hieruit blijkt, dunkt mij, ontwijfelbaar, dat de samensmelting van 20aen -breeds had plaats gehad vóór dat onzeReinaertwerd geschreven, welks schrijver blijkbaar zoowel met het tweede als het eerste deel dier branche is bekend geweest.Zagen wij, dat ondanks het groote verschil 'twelk is waar te nemen in de laatste helft der beide gedichten, toch het fransche nog tusschen de beter uitgewerkte en levendiger gedachte tafreelen van het vlaamsche doorschemert, wij kunnen daarmede het pleit voldongen rekenen, en stellen, dat werkelijk het bewijs geleverd is, dat deReinaertnaar de ons bekende fransche branche 20, zoo al niet vertaald, dan toch nagevolgd is.De vlaamsche schrijver heeft dan tot grondslag van zijn werk de uitstekendste der fransche branches genomen,en hoewel hij dit stuk voor een groot deel op den voet volgde, moet men erkennen dat hij door zijne zelfstandige toevoegsels, door zijne eigenaardige wijzigingen, door de meesterlijke wendingen die hij er aan heeft gegeven, een kunstwerk heeft in het leven geroepen, dat zijn origineel bijna in ieder opzicht overtreft, het geheel in de schaduw stelt, en dat zoowel aanspraak heeft op den naam van zelfstandig, origineel gewrocht, als op dien van meesterlijk kunstprodukt.VII.Wij mogen intusschen onze vergelijking niet als afgedaan beschouwen voor dat wij ook de overige afwijkingen in beide gedichten kortelijk hebben beschouwd.Even als in het slot, is er ook verschil in het begin. De klacht van Isengrim is in beide gedichten dezelfde, maar daarop volgt bij den Vlaming terstond een toevoegsel, vs.16–97, waaruit blijkt, dat hij zeer vrij zal navolgen, en daarbij soms zijn eigen weg gaan. Dit gebeurt dan ook dadelijk.De klacht van Cortois, vs.97–106, komt niet in br. 20avoor: waarschijnlijk is zij echter ook geene uitvinding van den vlaamschen dichter, maar uit de volksoverlevering geput; ten minsteCHABAILLEheeft in zijnSupplémenteen klein gedicht uitgegeven, waarin eene worst voorkomt die aan Tibert op eene behendige wijze ontstolen wordt(107), gelijk ook hier, vs.107–125, blijkt, dat deze eigenlijk eerst in 't bezit dier worst was geweest. Voorts maakt eene worst, waarvan juist Tibertden vos berooft, het onderwerp uit van het grootste gedeelte der 6ebranche vanMÉON, vs. 2219 vlg.Merkwaardig is het, dat Tibert Reinaert verdedigt, vs.107–125. Dit heeft in de fransche branche geen plaats; maar het denkbeeld zelf om Reinaerts zaak door den kater te laten bepleiten, is in de fransche gedichten niet onbekend. In de 20ebranche zelve heet het iets later nadat men ontdekt heeft dat Coupée eene heilige was, vs. 10169:.... GrimbertQui por Renart parole et plaideEntre lui et Tybert le chat;en nog duidelijker in de »branche de Renart si come il fu mires,” waar Tibert Reinaert bepaaldelijk tegen zijne aanklagers verdedigt, vs. 17999–18080, hoewel op andere gronden dan in ons gedicht.Wij zagenboven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het verhaal van den hofdag, en de branche waarin Reinaert als geneesheer optreedt: door de merkwaardige overeenkomst die zich hier tusschen ons gedicht en die branche opdoet, vinden wij onze opmerking op nieuw gestaafd; maar juist hier betreuren wij het geene kritische uitgaaf der fransche branches te bezitten, niet bekend te zijn met alle grootere varianten, daar wij nu niet kunnen bepalen vanwaar onze vlaamsche dichter den eigenaardigen trek ontleende, die stellig niet van zijne vinding is. Dat hij dien uit de 26e(21e) branche nam is niet waarschijnlijk, daar deze alle kenmerken draagt van jonger te zijn: zoo er overneming plaats had, zou men eer tot het omgekeerde moeten besluiten.Pancers beschuldiging, vs.126–169, weet ik nergens aan vast te knoopen, wij schijnen hier eene toespeling op eene verlorene branche te hebben.Grimberts verdediging van zijn oom komt gedeeltelijk met br. 20aovereen, waar men echter de goed aangebrachte wending niet vindt, dat Grimbert, het veld der verdediging verlatende, zich plotselings ten aanval keert. Isengrim, zegt hij, heeft Reinaert veel kwaad gedaan: vooreerst heeft hij hem bedrogen, toen de vos de »pladisen” van de kar afwierp, waaraan de wolf zich verzadigde zonder voor zijn makker iets anders over te latensonder allene een pladisengraet,dien hijzelf niet mocht (vs.208–216).De das verdraait hier een geval, waarbij juist het tegendeel plaats had, en de wolf de bedrogene was. Tweemaal wordt dit feit in de fransche gedichten verteld, br. 2, vs. 749–916 en br. 10, vs. 3919 vlg. Waarschijnlijk had onze dichter de laatste branche op het oog, waar de visschen op de kar ook »pladisen” genoemd worden, vs. 3941:De poisson chargiez estoient,Si comme harenz et plaïz.Wij zullen later zien, dat onze dichter nog een ander feit uit dezelfde branche aanvoert, en wel op dezelfde verdraaide wijze. En het zal ons niet verwonderen dat hij er meê bekend was, daar zij, blijkens vs. 3827, te Arras of in Artois geschreven was.Het tweede beschuldigingspunt van Grimbert is, dat Isengrim den vos bedrogen had betrekkelijk »enen bake,” waarvan hij hem tot zijn deel alleenDie wisse daer die bake an hincovergelaten had (vs.217–225). Ook het aventuur waarop hier gedoeld wordt, komt in de fransche branche 18 voor, vs. 7698–7970. Maar noch in het Fransch noch in denReinardus, I, 186 sqq., waarmeê de fransche branche de grootste overeenkomst heeft, leest men hetgeen Grimbert er op laat volgen:Reinarde was lettel te bet,Dat hi den goeden bake ghewan,In sulker sorghe, dattene een manVinc, ende warp in sinen sac.Waarschijnlijk is dit echter slechts een toevoegsel van den loozen advokaat om zijn kliënt des te meer als eene gemartelde onschuld te doen voorkomen.Heeft onze Vlaming dit avontuur uit het Fransch of uit het Latijn? Ik zou eer meenen uit het Latijn, althans uit eene bron, die nader aan denReinardusstaat. In het Fransch worden wolf en vos als oom en neef voorgesteld, vs. 7713, 7731, 7763 enz., zonder dat er iets gezegd wordt of die bloedverwantschap echt of geveinsd zij. In denReinardusdaarentegen heet het I, vs. 11:Dicebat patruum falso Reinardus, ut illeTamquam cognato crederet usque suo.En juist deze plaats schijnt nu de vlaamsche dichter op het oog te hebben, als hij den vos later, in zijne biecht, ook dit feit laat verdraayen, vs.2101:Daer na quam ic ende Isengrijn;....................Hi rekende dat hi ware mijn oom,Ende began ene sibbe tellen.Ook betrekkelijk het tooneel waarin Cantecleer wraak eischt over zijne vermoorde dochter Coppe, hebben wij eenige opmerkingen mede te deelen.Ik zwijg er hier van, dat dit tooneel met veel meer talent is ingeleid dan in het Mhd. of Fransch het geval is: ik wijs slechts op twee afwijkingen van den tekst der 20ebranche.Vooreerst is het geheele tooneel iets vrijer bewerkt: de haan geeft eene schildering van zijn gelukkig huishouden, hoe hij met vijftien kinderen leefde, die door waakzame honden voor Reinaert beschermd werden. Inhet Fransch is het niet Chantecler, maar Pinte, die het weegeklag voor den koning aanheft, vs. 9989; een spoor daarvan vindt men nog in het vlaamsche gedicht, waar vs.320in C. gelezen wordt:Endeminen sustrendie hier staen,hetgeenGRIMMterecht veranderde inminen kindren. Eindelijk was de vos als pelgrim tot Cantecleer gekomen, en had hem misleid door hem een vredebrief des konings te toonen. Deze bijzonderheid ontbreekt in de fransche 20ebranche, maar is overigens in de sage niet onbekend.ReinardusIII, vs. 1181, tracht de vos den haan een stuk beukenschors in de handen te stoppen en dat voor een vredebrief te doen doorgaan; maar de list mislukt(108). In de 6efransche branche daarentegen, getiteld:Le desputement de la mesange avec Renart(MÉON, I, pag. 66), tracht Reinaert de mees te verlokken, wel niet door de aanbieding van den vredebrief, maar toch door zich te beroepen op den afgekondigden rijksvrede, vs. 1748:Si a danz Nobles li lionsNovelement la pès jurée,Se Diex plaist, qui aura durée.Par sa terre l'a fait jurer,Et a ses barons afier,Qu'ele ert gardée et maintenue.In den mhd.Reinhart, waar dezelfde gebeurtenis verhaald wordt, vs. 177–216, komt deze bijzonderheid niet voor.Dus ook hier schijnt ons gedicht nader aan den latijnschenRenardus, of misschien de vlaamsche overlevering te staan dan aan de fransche branches.Zagen wij hier een toevoegsel, er ontbreekt in dit avontuur in het Vlaamsch ook eene bijzonderheid. Zoowelin den mhd.Reinhart, dus in het oudere fransche gedicht, als in de 20ebranche bijMÉON, heeft er op het graf van Coppe een mirakel plaats, daar de haas, die zich op dat graf had neêrgevleid om te slapen, plotselings van zijne koorts genezen werd. Die trek is blijkbaar oud en echt(109), en er moet eene reden zijn waarom de mnl. dichter dien trek juist weglaat.Het kan onmogelijk zijn omdat hij niet met het heilige durfde spelen; want hij verhaalt wel Reinaerts biecht en aflaat, en de vigilie die voor Coppe zelve gezongen werd; er moet dus een dieper grond voor zijn.Wanneer men het vlaamsche gedicht ontstaan kon rekenen in de eerste jaren na den moord van den vlaamschen graafKAREL DEN GOEDE(1126), dan zou men kunnen meenen, dat de dichter het mirakel op Coppens graf had achterwege gelaten uit eerbiedige herinnering aan »der aermer vader”(110), die ook na zijn dood een martelaar werd genoemd, en op wiens graf terstond mirakelen plaats grepen(111). Maar wij zullen zien, dat de ouderdom des gedichts onmogelijk zoo hoog is op te voeren.Er moeten dus andere oorzaken aanwezig zijn, want de samenhang van den tekst verbiedt aan een hiaat in het handschrift te denken. En die oorzaak meen ik te mogen zoeken in het gezond verstand en den logischen zin van den vlaamschen dichter, die waarschijnlijk het mirakel wegliet omdat het in zijn voorbeeld te onpas was aangebracht en den geleidelijken gang van het verhaalstoorde. Eene vergelijking van het duitsche met het fransche gedicht zal ons doen zien, dat dit werkelijk het geval is.BijGLICHESÆREwordt de koning zoo vertoornd over de ondaad die Reinhart aan Schanteclêrs dochter gepleegd heeft, dat de haas van schrik de koorts kreeg,(Von vorhten bestuont in der rite.Vs. 1483)Als dan de doode begraven is, legt zich de haas op het graf te slapen en geneest terstond van zijne kwaal. Hij schrikt op, en gaat terstond den koning de »vremdiu mære” verkondigen, er bij voegende, vs. 1496:Daz daz huon wæreHeilec vor gotes gesihte.Nu ging er eene algemeene kreet aan het hof op, dat God een teeken gedaan had; en allen ontstaken in gramschap jegens den moordenaar, roepende, vs. 1508:„Reinhart soldez vermiten hân,Daz er âan alle missetâtDisen heiligen gemartirt hât.En nu eerst gebood de koning zijnen kappellaan Brûne naar Reinhart te gaan om hem voor het gerecht te dagen.Geheel anders is de toedracht der zaak inMÉONS20ebranche. Als Copée begraven is verzoeken al de aanwezige baronnen den koning wraak te nemen over„Cel gloton,Qui tantes guiles nos a fetesEt tantes pès nos a enfrètes.”(vs. 10134.)De koning zendt daarop Brun uit om den vos te dagen, en (vs. 10143)Atant se met en l'ambléureParmi le val d'une costure,Que il ne siet ne ne repose.En nu eerst volgt het verhaal van hetgeen op het graf van Copée gebeurde (vs. 10146):Lors avint à cort une chose:Endementiers que Bruns s'en vetRenart empira moult son plot:Quar mesire Coars li lièvres,Qui de péor trembloit les fièvres,(Deus jors les avoit ja éues,)maar er is vroeger niet gezegd waarom hij zoo bevreesd was, dat hij zich de koorts op den hals had gehaald;—Merci Dieu, or les a perduesSor la tombe dame Copée.Car qant ele fu enterrée,Onc ne se volt d'iloc partir,Ainçois dormi sor le martir.......................Qant à la cort vint la novele,A tiex i ot qu'ele fu bele;Mès à Grinbert fut-ele lède,Qui por Renart parole et plaideEntre lui et Tybert le chat.S'or ne set Renarz de barat,Mar est bailliz, s'il est tenuz,Qar Bruns li ors est jà venuzA Malpertuisetc.'t Behoeft geen betoog, dat hier dit geheele verhaal geene de minste beteekenis heeft. In 't Duitsch blijkt de hen juist eene heilige martelares te zijn door het mirakel dat op haar graf gebeurde, en dit geeft aanleiding tot het gezantschap aan Reinhart. In het Fransch daarentegen heet Copée reedsmartirvóór dat er iets op het graf had plaats gehad, en terwijl de bode reeds was uitgezonden, van wiens tocht het verhaal door deze episode, die hier een hors-d'œuvre is, ter kwader ure wordt afgebroken.De fransche omwerker heeft hier, zoo als in dergelijke gevallen zoo dikwerf plaats heeft(112), de feiten uitzijn origineel dooreen gehaspeld; en dus de logische orde, het zinverband en de geleidelijke voordracht des verhaals verbroken. Kan het ons verwonderen, dat de vlaamsche dichter, die blijkbaar steeds met bewustheid en takt te werk ging, dit hors-d'œuvre, waarvan hij de strekking niet kon bevroeden, uit zijne omwerking verwierp?Van den anderen kant zien wij hierin een nieuw bewijs, dat hij werkelijk de branche vanMÉONtot voorbeeld had en het oorspronkelijke ouder fransche gedicht niet gekend heeft.Ik heb boven (bl.LIX–LX) reeds gewezen op het onderscheid in de beide teksten in het verhaal hoe de beer van Lamfroits werf wegkomt; hoe kwam onze Vlaming aan het denkbeeld om Bruun te water te laten? Mij dunkt wij mogen hier vrijwerkende fantazie aannemen. Wij hebben hier in 't Vlaamsch nog eene andere bijzonderheid, die ook in de fransche 20ebranche niet wordt aangetroffen.Bruun, door angst gedreven, springt, vs.821,In enen trop van ouden wiven,waarvan hij er eenige, en daar onder »des papen wijf” in de rivier werpt. Nu hield de pastoor op met slaan, en beloofde zijnen parochianen jaar en dag aflaat als vrouw Julocke gered werd: de geheele gemeente ijlde ter hulp en zoo kreeg Bruun gelegenheid te ontkomen.Dit uitmuntend geschetste tooneel is den Vlaming geheel eigen; misschien heeft hem intusschen een soortgelijk, hoewel veel flaauwer geval, op het denkbeeld zijner schilderij gebracht. In de branche 21–22 is Isengrijn door Reinaert ook in eene hinderlaag gelokt. Een dorper, vs. 12339,Et ses parenz et ses cosins,zetten den wolf na, vs. 12345,A cuinnies et à maçues,waarop, vs. 12347,Entre la porte et le vileinFet Ysengrin un saut à plein:Si fort le hurte qu'il l'abatEn une fange trestot plat.....................Par les vileins s'en va fuiant,Et cil le vont après huiant.Le vilein trovent en la boëGrant et parfonde, si qu'il noë;Fors l'en ont tret a moult grant paine;en dit geeft Isengrim gelegenheid te ontkomen.Bij zoo oppervlakkige overeenkomst is het natuurlijk onmogelijk bepaald te zeggen, of er hier ontleening van het denkbeeld plaats had. Kon men aanwijzen, dat onzeWILLEMdeze branche gekend had, dan werd het reeds waarschijnlijk; maar daarvoor heb ik geen volstrekt afdoend bewijs.Reinaertvs.1290lezen wij, dat toen Reinaert het ongeval vernam, dat Tibert in zijne angst den priester had toegebracht,Hi loech, dat hem bachten scorde,Ende hem crakede die taverne.De platte uitdrukking moet herkomstig zijn uit het Fransch, waar soortgelijke zaken veelvuldig voorkomen(113).Willemszegt in de aanteekening op die plaats: »Taverne, kroeg; doch hier figuurlijkraeskamer.” Die verklaring is niet heel en al bevredigend, waarschijnlijk omdat de dichter een oneigenlijk woord gebruikte.Taverneis eene kroeg, dat is eene plaats, die voorjan en alle man open staat. Zoo gebruikt de dichter der branche 21–22 het woord. De wolvin verwijt aan Hermeline hare weinig ingetogen levenswijze, en zegt, vs. 12903:„Moult par estes de mavès estre:De poior ne poiez-vos estre,Qar plus estes pute que mocheQui en esté la gent entoche:Qui que viegne ne qui que aut,Vostre taverne ne li faut.”Kon deze plaats onzen Vlaming niet in het hoofd hebben gelegen, en hem verleid hebben hetzelfde woord, hoewel min eigenlijk voor een aangrenzend ligchaamsdeel te bezigen? Mij komt dit niet alleen niet onmogelijk, maar zelfs niet onwaarschijnlijk voor.In de biecht aan Grimbert vindt men mede in het Vlaamsch eenige toevoegsels. In de fransche branche bekent de vos dat hij des wolfs wijf geschonden heeft, voorts, vs. 10759:Ysengrin ai-je tant forfet,Que nel' puis nier à nul plet:Trois foiz l'ai fet metre en prison.”(1)Hij heeft hem in een wolfsval (lovière) gelokt, waar hij danig is afgerost.(2)Hij heeft hem in een »lardier”gebracht, waar drie baken lagen, waarvan hij hem zooveel deed eten dat hij er niet meer uit kon:N'en pot issir, tant fu ventrez,Par le pertuis où fu entrez.Verder, vs. 10777:(3)Gel' fis séoir en la geléeTant qu'il ot la qeue engelée;(4)Gel' fis peschier en la fontainePar nuit quant la lune estoit plaine:De l'ombre de la blanche imageCuida, por voir, ce fust fromage;(5)Et si refu par moi traïzDevant la charete as plaïz.................(6)Par fine force de baratLi fis-ge tant que il fu moines.Pais dist que il seroit chanoines:Qant on li vit la char mengier,Fox fu qui de lui fist berchier.Dan biecht hij het leed dat hij Tibert, het geheele geslacht van Pinte, en eindelijk den dieren die hem onder aanvoering van Isengrijn eens belegerden, had aangedaan.Zien wij nu hoe de Vlaming dit weêrgeeft: Reinaert zegt, dat hij jegens alle dieren misdaan heeft: in de eerste plaats jegens Bruun, Tibert en Cantecleer; zelfs de koning, zegt bij, vs.1477,Die coninc en es mi niet ontgaen:Ic hebbe hem toren ooc ghedaen,Ende mesprijs der coninghinne,hetgeen wel eene toespeling schijnt op hetgeen in branche 20beerst verhaald wordt.Vooral den wolf heeft hij misdaan: om hem beter te bedriegen had hij hem oom genoemd, en hem monnik doen worden »ter Elmare;” daar had hij hem aan de klokzelen gebonden, zoodat hij zooveel geraas maakte, dat men meende dat de duivel daar te werk ging, waarop alles te hoop liep en men den wolf bijna van het leven beroofde.Men ziet dat er hier uitbreiding van het fransche verhaal (no. 6) plaats heeft. De fransche branche schijnt te zinspelen op de gebeurtenis ongeveer zoo als zij in denReinardusverhaald wordt(114). Daar is van klokkengelui geene spraak: wel in de 9efransche brancheComme Renart fist Primaut prestre, die den vlaamschen dichter bekend schijnt geweest te zijn, doch waarschijnlijk in ouder vorm(115), want er bestaat afwijking in de détails(116), hoewel het niet onmogelijk is dat dit verschil voortvloeide uit eene bewuste verandering der overlevering door den vlaamschen dichter, die in dit geval eer een mondeling verhaal dan een afgewerkt geschreven gedicht moet gekend hebben. Ook de 10ebranche, die eigenlijk het tweede deel der 9eis, was hem bekend, althans haar inhoud.In zijne biecht voortgaande, betreurt Reinhart dat hij zijnen oom bij de kruinscheering met heet water bijna het geheele hoofd verbrand had, hetgeen herinnert aan de 3efransche branche:si comme Renart fist Ysengrin moine.Dan volgt de toespeling op de vischvangst op het ijs even als in het Fransch (no. 3), en dan in het breede het verhaal van hetgeen de 20ebranche slechts even aanstipt (no. 2). In de 9–10ebranche wordt dit geval ook in het breede verhaald, vs. 4333–4555, maar met afwijkende omstandigheden. Het Fransch maakt geen melding van het land van Vermendois(117)(Rein., vs.1514), noch van het kapoen dat de vos den priester ontsteelt. Het geheele geval heeft in 't Fransch zelfs niet bij een priester plaats. Nadat de wolf uit zijne gevangenis verlost is, beduidt de vos hem »d'aller prendre des oieschez un prêtre,” zoo alsROTHEzegt(118). Dit rust op een misverstand: de ganzen zijn onder de hoede van een man, die vs. 4630le pastorgenoemd wordt, welke uitdrukking waarschijnlijk aanleiding gaf tot de misvatting vanROTHE, die toch vs. 4606 had kunnen zien, dat er sprake was van »un païsan.” Zou de vlaamsche dichter ook door dezelfde vergissing op het denkbeeld van zijn priester gekomen zijn? In het Fransch eindigt de vos ook met eene gans te stelen en daarmeê huiswaarts te trekken.In de 18ebranche, vs. 9269 vlg., komt eene epizode voor, welke veel overeenkomst heeft met het mnl. verhaal.Daarna deelt de vlaamsche dichter nog een soortgelijk geval mede, dat ik mij echter niet herinner in eenige fransche branche gevonden te hebben; en eindelijk komt ook de verkrachting van Isengrijns wijf te berde.Uit dit alles blijkt vrij duidelijk, dat de Vlaming zijn origineel, dat hij ontegenzeggelijk voor zich had, niet angstvallig vertaalde, maar veeleer vrij navolgde, daarbij gebruik makende van zoodanige karakteristieke situatiën als hem, of uit de vlaamsche overlevering, of misschien ook uit andere fransche branches bekend waren. Onder de laatste mag men hoogstwaarschijnlijk rangschikken het origineel waarnaar de 26ebranche werd omgewerkt en de 9–10ebranche, hetzij dan in haartegenwoordige vorm, hetzij naar het ouder stuk dat daaraan ten grondslag lag(119).Zelfs in de afwijkingen vonden wij sprekende trekken die ons altijd weêr terugbrachten tot de 20ebranche, zoodat daardoor het vermoeden geheel en al wordt uit den weg geruimd, dat een ander, ons onbekend fransch stuk, het origineel zou zijn waarnaar onzeReinaertwerd bewerkt.En zoo vinden wij dan genoegsame reden om in denReinaert, ondanks het fransche schema dat er gedeeltelijk in gevolgd is, maar dat overal, zoowel in de eigenlijke navolging, als in de meer vrije deelen, door het vlaamsche gedicht verre overtroffen wordt,—een echt nationaal kunstprodukt te aanschouwen, waarop Vlaanderen ten eeuwigen dage roem mag dragen.Zien wij thans in hoeverre onze nieuwgewonnen rezultaten van invloed zijn op de vraag omtrent den ouderdom van het gedicht.VIII.Van wanneer dagteekent het origineel waarnaar onzeReinaertwerd bewerkt? Ziedaar de eerste vraag, die wij op te lossen hebben. Bleek de 20e(16e) branche eerst in de laatste helft der dertiende eeuw geschreven te zijn, of zelfs in de eerste der veertiende, dan zouden innerlijke bewijzen die aan het nederlandsche gedicht een stempel van hooger ouderdom schenen op te drukken, natuurlijk niets beteekenen. Die innerlijke bewijzen zijn gedeeltelijk aan het laatste, het oorspronkelijke gedeelte van denReinaertte ontleenen, en wij zullen er daarom veel gewicht aan mogen hechten, omdat zij, als onze beschouwing over den oorsprong des gedichts opgaat, noodwendig licht moeten werpen op den tijd der vervaardiging, daar zij niet meer, zoo alsGRIMMdacht(120), »schon inWILLEMSquelle gestanden haben, folglich nichts zur ermittlung seiner lebenszeit beitragen.”Zien wij dus eerst hoe oud het fransche voorbeeld, de 20ebranche vanMÉON, mag zijn.Gautier de coinsi, die eene verzameling van Maria-mirakelen schreef, en in 1236 stierf, getuigt herhaaldelijk hoe verbreid en bemind de Reinart-sage inFrankrijk was(121); ja hij maakt eene toespeling waaruit blijkt, dat hij onze branche 20 (16) gekend heeft.Plus volontiers oient un conte,Ou une trufe, c'on lor conte,Si con Tardius li limeçonsLut et chanta les trois leçonsSor la bière dame Coupée,Que Renarz avoit escoupée(122);nagenoeg letterlijk hetgeen wij in de 20ebranche, vs. 10103 lezen:Sire Tardis li limaçonsChanta por cele trois leçons,namelijk voor Copée, die begraven werd.Onze branche is dus blijkbaar vóór 1236 geschreven. Zien wij nu of wij haar ouderdom niet nader kunnen bepalen.De proloog van dat stuk luidt aldus:Perroz qui son engin et s'artMist en vers fère de RenartEt d'Ysengrin son chier conpère,Lessa le miex de sa matère,Quant il entr'oblia les plezEt le jugement qui fu fezEn la cort Noble, le lion,De la grant fornicationQue Renarz fist, qui toz max cove,Envers dame Hersent, la love.Uit die regels schijnt men te mogen opmaken, dat de dichter met geene andere branche bekend was dan die, welkePIERRE DE SAINT-CLOUDbewerkt had. Hij kan daarom niet veel jonger dan deze dichter zijn,hoewel men uit de eerste regels zou kunnen opmaken, datPIERREreeds gestorven was toen de 20ebranche in zijn trant werd omgewerkt.OmtrentPIERRE DE SAINT-CLOUDis weinig bekend.Grimmschrijft: »über seine lebensumstande fehlen genaue nachrichten, er wird in den beginn des 13 jh. gesetzt, und soll auch eine branche desRoman d'Alexandre, nemlich das testament, verfasst haben(123).”Willemszegt bepaalder dat hij »omtrent 1230 leefde(124).”Fauriel, de jongste schrijver over denRoman du Renart, in Frankrijk, laat zich daaromtrent aldus uit(125):»Il serait de la plus grande importance pour l'histoire de la fiction du Renart d'avoir quelques anciennes notions, mêmes vagues, sur le temps où vécutPIERRE DE SAINT-CLOUD; et l'on n'en a aucune. A s'en tenir la-dessus aux conjectures les plus vraisemblables et les mieux liées avec les textes qui paraissent se rapporter à sa vie et à sa renommée, on peut admettre qu'il naquit dans le cours de la seconde moitié du XIIesiècle, et se fit connaître par ses ouvrages vers les commencements du XIIIe. La première mention qui semble concerner, sinon sa personne, du moins le genre de poésie qu'il remit en vogue, est le témoignage fréquemment cité deGAUTIER DE COINSI, prieur de Victor-Sur-Aisne. Or, une telle mention, qui ne peut être antérieure à l'an 1233, ne nous apprend rien de précis relativement à la date des premières productions dePIERRE DE SAINT-CLOUDsur le sujet deRenart. Il n'est pas impossible qu'elles remontent jusqu'à la fin du XIIesiècle; mais elles ne sauraient remonter beaucoup au delà. Toujours est-il quePIERRE DE SAINT-CLOUDest le plus ancien des trouvères connus pour avoir travaillé au Renart français, celui que l'on en désigne généralement comme l'inventeur.”Wij hebben de geheele plaats uitgeschreven om te doen zien hoe nevelachtig het geheele vraagstuk, zelfs in Frankrijk, nog is; en toch komt het mij voor, dat er ten minste iets kan worden vastgesteld.Tusschen 1150 en 1160 zag deRoman du Rouhet licht, en daarin heet het:Alisandres fu rois poissans,Doze règnes prist en doze ans:Mult out terres, mult ot aveir,Et rois fu de mult grant poeir;Mez cil cunquest poi li valu,Enveminez fu, si moru.Dat die regels, in verband met hetgeen er op volgt, de Alexander-gedichten der fransche trouvères bedoelen, is blijkbaar en wordt ook algemeen aangenomen(126).Op het Latijnsche gedicht vanGAUTIER DE CHATILLONkunnen zij onmogelijk doelen, daar dit eerst na 1170 werd geschreven(127).Een der branches derchanson d'Alexandre, en wel zoo alsPARISzegt(128), »l'une des meilleures branches de tout le récit,” heeft tot titel:Signification de la mort d'Alexandre, waarvan de inhoud aldus door denzelfden geleerde wordt opgegeven(129):Elle raconte la trahison de Dimnuspater et Antipater, le couronnement du héros, le grand festin royal dans lequel Alexandre estempoisonné.” Dit komt, zoo als men ziet, ongeveer overeen met het tiende boek vanMAERLANTSAlexander(130).Nu moet het verwonderen, datPAULIN PARISook deze branche rangschikt onder de »continuations plus récentes d'un siècle ou d'un siècle et demi,” van het oorspronkelijke werk vanLAMBERT LI CORSenALEXANDRE DE PARIS, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw plaatst(131), zoodat deze branche eerst tusschen 1250 en 1300 zou zijn geschreven(132). Dit oordeel is vreemd, zeiden wij; want blijkbaar wordt deze branche, de eenige waarin de vergiftiging vanALEXANDERwordt verhaald, in de aangehaalde verzen van denRoman du Roubedoeld, en valt dus stellig vóór 1150.De schrijver nu dier branche wasPIERRE DE SAINT-CLOUD, die dus reeds in de eerste helft der twaalfde eeuw heeft geschreven, en derhalve niet veel later dan omstreeks het jaar 1100 kan geboren zijn.Had hij reeds vóór de branche van denAlexandereen gedeelte der Reinaertsage bewerkt? In denAlexanderimmers leest men:

Sor un haut mont en un rochierFet li rois les forches drecierPor Renart pendre, le gorpil;

Sor un haut mont en un rochierFet li rois les forches drecierPor Renart pendre, le gorpil;

zonder dat er gezegd wordt wie zich met de strafoefening belastte. Maar bij de tweede veroordeeling, in 20b, worden de dieren genoemd die zich van hem meester maakten, vs. 11605:

Lors Isengrin en piez se drece,S'aert Renart par la chevesce;Dou poing li done tel bufet,Del cul li fait saillir un pet.Et Brun l'aert par le chaignon,Les denz li met dusqu'au braon;....................Tybert li chaz giete les denzEt les ongles, qu'il ot poignanz,Saisist Renart au peliçon,Bien li valut une friçon.

Lors Isengrin en piez se drece,S'aert Renart par la chevesce;Dou poing li done tel bufet,Del cul li fait saillir un pet.Et Brun l'aert par le chaignon,Les denz li met dusqu'au braon;....................Tybert li chaz giete les denzEt les ongles, qu'il ot poignanz,Saisist Renart au peliçon,Bien li valut une friçon.

En vs. 11705 wordt er zelfs bijgevoegd:

Si anemiLa hart li ont ja el col mise.

Si anemiLa hart li ont ja el col mise.

Eerst in 20bwordt van de nieuwe biecht gewaagd, die in denReinaertzoo breedvoerig wordt uitgewerkt; immers vs. 11716 eerst zegt Grimbert:

Or vos déussiez confesser.

Or vos déussiez confesser.

Bovendien wordt eerst in dit tweede gedeelte de schat vermeld, waarvoor Renart werd losgekocht, dien onze vlaamsche dichter tot koning Hermelinx schat maakte, en waarvan hij op veel geschikter wijze wist partij te trekken.

Reinaertvs.1851vlg. worden de dieren opgenoemd die bij des aangeklaagden komst ten hove hunne stem tegen hem verheffen: die plaats is ontleend aan 20a, vs. 10159 vlg. Maar onder de daar genoemde dieren komt ook voor, vs.1868:

Dat foret, Clene-bejach.

Dat foret, Clene-bejach.

welk diertje niet in 20agenoemd wordt, maar in de navolging der eerste plaats, die op het einde van dat oudste deel is geïnterpoleerd, vs. 11297 vlg., waar wij ook vermeld vinden

Et Petit-porchaz li Fuirons.

Et Petit-porchaz li Fuirons.

Reinaerts zoon heet in het mnl. gedicht, vs.1419Rosseel: in 20aRouviel, maar eerst vs. 11729, dus in 20b,Rousel.

Hieruit blijkt, dunkt mij, ontwijfelbaar, dat de samensmelting van 20aen -breeds had plaats gehad vóór dat onzeReinaertwerd geschreven, welks schrijver blijkbaar zoowel met het tweede als het eerste deel dier branche is bekend geweest.

Zagen wij, dat ondanks het groote verschil 'twelk is waar te nemen in de laatste helft der beide gedichten, toch het fransche nog tusschen de beter uitgewerkte en levendiger gedachte tafreelen van het vlaamsche doorschemert, wij kunnen daarmede het pleit voldongen rekenen, en stellen, dat werkelijk het bewijs geleverd is, dat deReinaertnaar de ons bekende fransche branche 20, zoo al niet vertaald, dan toch nagevolgd is.

De vlaamsche schrijver heeft dan tot grondslag van zijn werk de uitstekendste der fransche branches genomen,en hoewel hij dit stuk voor een groot deel op den voet volgde, moet men erkennen dat hij door zijne zelfstandige toevoegsels, door zijne eigenaardige wijzigingen, door de meesterlijke wendingen die hij er aan heeft gegeven, een kunstwerk heeft in het leven geroepen, dat zijn origineel bijna in ieder opzicht overtreft, het geheel in de schaduw stelt, en dat zoowel aanspraak heeft op den naam van zelfstandig, origineel gewrocht, als op dien van meesterlijk kunstprodukt.

Wij mogen intusschen onze vergelijking niet als afgedaan beschouwen voor dat wij ook de overige afwijkingen in beide gedichten kortelijk hebben beschouwd.

Even als in het slot, is er ook verschil in het begin. De klacht van Isengrim is in beide gedichten dezelfde, maar daarop volgt bij den Vlaming terstond een toevoegsel, vs.16–97, waaruit blijkt, dat hij zeer vrij zal navolgen, en daarbij soms zijn eigen weg gaan. Dit gebeurt dan ook dadelijk.

De klacht van Cortois, vs.97–106, komt niet in br. 20avoor: waarschijnlijk is zij echter ook geene uitvinding van den vlaamschen dichter, maar uit de volksoverlevering geput; ten minsteCHABAILLEheeft in zijnSupplémenteen klein gedicht uitgegeven, waarin eene worst voorkomt die aan Tibert op eene behendige wijze ontstolen wordt(107), gelijk ook hier, vs.107–125, blijkt, dat deze eigenlijk eerst in 't bezit dier worst was geweest. Voorts maakt eene worst, waarvan juist Tibertden vos berooft, het onderwerp uit van het grootste gedeelte der 6ebranche vanMÉON, vs. 2219 vlg.

Merkwaardig is het, dat Tibert Reinaert verdedigt, vs.107–125. Dit heeft in de fransche branche geen plaats; maar het denkbeeld zelf om Reinaerts zaak door den kater te laten bepleiten, is in de fransche gedichten niet onbekend. In de 20ebranche zelve heet het iets later nadat men ontdekt heeft dat Coupée eene heilige was, vs. 10169:

.... GrimbertQui por Renart parole et plaideEntre lui et Tybert le chat;

.... GrimbertQui por Renart parole et plaideEntre lui et Tybert le chat;

en nog duidelijker in de »branche de Renart si come il fu mires,” waar Tibert Reinaert bepaaldelijk tegen zijne aanklagers verdedigt, vs. 17999–18080, hoewel op andere gronden dan in ons gedicht.

Wij zagenboven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het verhaal van den hofdag, en de branche waarin Reinaert als geneesheer optreedt: door de merkwaardige overeenkomst die zich hier tusschen ons gedicht en die branche opdoet, vinden wij onze opmerking op nieuw gestaafd; maar juist hier betreuren wij het geene kritische uitgaaf der fransche branches te bezitten, niet bekend te zijn met alle grootere varianten, daar wij nu niet kunnen bepalen vanwaar onze vlaamsche dichter den eigenaardigen trek ontleende, die stellig niet van zijne vinding is. Dat hij dien uit de 26e(21e) branche nam is niet waarschijnlijk, daar deze alle kenmerken draagt van jonger te zijn: zoo er overneming plaats had, zou men eer tot het omgekeerde moeten besluiten.

Pancers beschuldiging, vs.126–169, weet ik nergens aan vast te knoopen, wij schijnen hier eene toespeling op eene verlorene branche te hebben.

Grimberts verdediging van zijn oom komt gedeeltelijk met br. 20aovereen, waar men echter de goed aangebrachte wending niet vindt, dat Grimbert, het veld der verdediging verlatende, zich plotselings ten aanval keert. Isengrim, zegt hij, heeft Reinaert veel kwaad gedaan: vooreerst heeft hij hem bedrogen, toen de vos de »pladisen” van de kar afwierp, waaraan de wolf zich verzadigde zonder voor zijn makker iets anders over te laten

sonder allene een pladisengraet,

sonder allene een pladisengraet,

dien hijzelf niet mocht (vs.208–216).

De das verdraait hier een geval, waarbij juist het tegendeel plaats had, en de wolf de bedrogene was. Tweemaal wordt dit feit in de fransche gedichten verteld, br. 2, vs. 749–916 en br. 10, vs. 3919 vlg. Waarschijnlijk had onze dichter de laatste branche op het oog, waar de visschen op de kar ook »pladisen” genoemd worden, vs. 3941:

De poisson chargiez estoient,Si comme harenz et plaïz.

De poisson chargiez estoient,Si comme harenz et plaïz.

Wij zullen later zien, dat onze dichter nog een ander feit uit dezelfde branche aanvoert, en wel op dezelfde verdraaide wijze. En het zal ons niet verwonderen dat hij er meê bekend was, daar zij, blijkens vs. 3827, te Arras of in Artois geschreven was.

Het tweede beschuldigingspunt van Grimbert is, dat Isengrim den vos bedrogen had betrekkelijk »enen bake,” waarvan hij hem tot zijn deel alleen

Die wisse daer die bake an hinc

Die wisse daer die bake an hinc

overgelaten had (vs.217–225). Ook het aventuur waarop hier gedoeld wordt, komt in de fransche branche 18 voor, vs. 7698–7970. Maar noch in het Fransch noch in denReinardus, I, 186 sqq., waarmeê de fransche branche de grootste overeenkomst heeft, leest men hetgeen Grimbert er op laat volgen:

Reinarde was lettel te bet,Dat hi den goeden bake ghewan,In sulker sorghe, dattene een manVinc, ende warp in sinen sac.

Reinarde was lettel te bet,Dat hi den goeden bake ghewan,In sulker sorghe, dattene een manVinc, ende warp in sinen sac.

Waarschijnlijk is dit echter slechts een toevoegsel van den loozen advokaat om zijn kliënt des te meer als eene gemartelde onschuld te doen voorkomen.

Heeft onze Vlaming dit avontuur uit het Fransch of uit het Latijn? Ik zou eer meenen uit het Latijn, althans uit eene bron, die nader aan denReinardusstaat. In het Fransch worden wolf en vos als oom en neef voorgesteld, vs. 7713, 7731, 7763 enz., zonder dat er iets gezegd wordt of die bloedverwantschap echt of geveinsd zij. In denReinardusdaarentegen heet het I, vs. 11:

Dicebat patruum falso Reinardus, ut illeTamquam cognato crederet usque suo.

Dicebat patruum falso Reinardus, ut illeTamquam cognato crederet usque suo.

En juist deze plaats schijnt nu de vlaamsche dichter op het oog te hebben, als hij den vos later, in zijne biecht, ook dit feit laat verdraayen, vs.2101:

Daer na quam ic ende Isengrijn;....................Hi rekende dat hi ware mijn oom,Ende began ene sibbe tellen.

Daer na quam ic ende Isengrijn;....................Hi rekende dat hi ware mijn oom,Ende began ene sibbe tellen.

Ook betrekkelijk het tooneel waarin Cantecleer wraak eischt over zijne vermoorde dochter Coppe, hebben wij eenige opmerkingen mede te deelen.

Ik zwijg er hier van, dat dit tooneel met veel meer talent is ingeleid dan in het Mhd. of Fransch het geval is: ik wijs slechts op twee afwijkingen van den tekst der 20ebranche.

Vooreerst is het geheele tooneel iets vrijer bewerkt: de haan geeft eene schildering van zijn gelukkig huishouden, hoe hij met vijftien kinderen leefde, die door waakzame honden voor Reinaert beschermd werden. Inhet Fransch is het niet Chantecler, maar Pinte, die het weegeklag voor den koning aanheft, vs. 9989; een spoor daarvan vindt men nog in het vlaamsche gedicht, waar vs.320in C. gelezen wordt:

Endeminen sustrendie hier staen,

Endeminen sustrendie hier staen,

hetgeenGRIMMterecht veranderde inminen kindren. Eindelijk was de vos als pelgrim tot Cantecleer gekomen, en had hem misleid door hem een vredebrief des konings te toonen. Deze bijzonderheid ontbreekt in de fransche 20ebranche, maar is overigens in de sage niet onbekend.ReinardusIII, vs. 1181, tracht de vos den haan een stuk beukenschors in de handen te stoppen en dat voor een vredebrief te doen doorgaan; maar de list mislukt(108). In de 6efransche branche daarentegen, getiteld:Le desputement de la mesange avec Renart(MÉON, I, pag. 66), tracht Reinaert de mees te verlokken, wel niet door de aanbieding van den vredebrief, maar toch door zich te beroepen op den afgekondigden rijksvrede, vs. 1748:

Si a danz Nobles li lionsNovelement la pès jurée,Se Diex plaist, qui aura durée.Par sa terre l'a fait jurer,Et a ses barons afier,Qu'ele ert gardée et maintenue.

Si a danz Nobles li lionsNovelement la pès jurée,Se Diex plaist, qui aura durée.Par sa terre l'a fait jurer,Et a ses barons afier,Qu'ele ert gardée et maintenue.

In den mhd.Reinhart, waar dezelfde gebeurtenis verhaald wordt, vs. 177–216, komt deze bijzonderheid niet voor.

Dus ook hier schijnt ons gedicht nader aan den latijnschenRenardus, of misschien de vlaamsche overlevering te staan dan aan de fransche branches.

Zagen wij hier een toevoegsel, er ontbreekt in dit avontuur in het Vlaamsch ook eene bijzonderheid. Zoowelin den mhd.Reinhart, dus in het oudere fransche gedicht, als in de 20ebranche bijMÉON, heeft er op het graf van Coppe een mirakel plaats, daar de haas, die zich op dat graf had neêrgevleid om te slapen, plotselings van zijne koorts genezen werd. Die trek is blijkbaar oud en echt(109), en er moet eene reden zijn waarom de mnl. dichter dien trek juist weglaat.

Het kan onmogelijk zijn omdat hij niet met het heilige durfde spelen; want hij verhaalt wel Reinaerts biecht en aflaat, en de vigilie die voor Coppe zelve gezongen werd; er moet dus een dieper grond voor zijn.

Wanneer men het vlaamsche gedicht ontstaan kon rekenen in de eerste jaren na den moord van den vlaamschen graafKAREL DEN GOEDE(1126), dan zou men kunnen meenen, dat de dichter het mirakel op Coppens graf had achterwege gelaten uit eerbiedige herinnering aan »der aermer vader”(110), die ook na zijn dood een martelaar werd genoemd, en op wiens graf terstond mirakelen plaats grepen(111). Maar wij zullen zien, dat de ouderdom des gedichts onmogelijk zoo hoog is op te voeren.

Er moeten dus andere oorzaken aanwezig zijn, want de samenhang van den tekst verbiedt aan een hiaat in het handschrift te denken. En die oorzaak meen ik te mogen zoeken in het gezond verstand en den logischen zin van den vlaamschen dichter, die waarschijnlijk het mirakel wegliet omdat het in zijn voorbeeld te onpas was aangebracht en den geleidelijken gang van het verhaalstoorde. Eene vergelijking van het duitsche met het fransche gedicht zal ons doen zien, dat dit werkelijk het geval is.

BijGLICHESÆREwordt de koning zoo vertoornd over de ondaad die Reinhart aan Schanteclêrs dochter gepleegd heeft, dat de haas van schrik de koorts kreeg,

(Von vorhten bestuont in der rite.Vs. 1483)

(Von vorhten bestuont in der rite.Vs. 1483)

Als dan de doode begraven is, legt zich de haas op het graf te slapen en geneest terstond van zijne kwaal. Hij schrikt op, en gaat terstond den koning de »vremdiu mære” verkondigen, er bij voegende, vs. 1496:

Daz daz huon wæreHeilec vor gotes gesihte.

Daz daz huon wæreHeilec vor gotes gesihte.

Nu ging er eene algemeene kreet aan het hof op, dat God een teeken gedaan had; en allen ontstaken in gramschap jegens den moordenaar, roepende, vs. 1508:

„Reinhart soldez vermiten hân,Daz er âan alle missetâtDisen heiligen gemartirt hât.

„Reinhart soldez vermiten hân,Daz er âan alle missetâtDisen heiligen gemartirt hât.

En nu eerst gebood de koning zijnen kappellaan Brûne naar Reinhart te gaan om hem voor het gerecht te dagen.

Geheel anders is de toedracht der zaak inMÉONS20ebranche. Als Copée begraven is verzoeken al de aanwezige baronnen den koning wraak te nemen over

„Cel gloton,Qui tantes guiles nos a fetesEt tantes pès nos a enfrètes.”(vs. 10134.)

„Cel gloton,Qui tantes guiles nos a fetesEt tantes pès nos a enfrètes.”(vs. 10134.)

De koning zendt daarop Brun uit om den vos te dagen, en (vs. 10143)

Atant se met en l'ambléureParmi le val d'une costure,Que il ne siet ne ne repose.

Atant se met en l'ambléureParmi le val d'une costure,Que il ne siet ne ne repose.

En nu eerst volgt het verhaal van hetgeen op het graf van Copée gebeurde (vs. 10146):

Lors avint à cort une chose:Endementiers que Bruns s'en vetRenart empira moult son plot:Quar mesire Coars li lièvres,Qui de péor trembloit les fièvres,(Deus jors les avoit ja éues,)

Lors avint à cort une chose:Endementiers que Bruns s'en vetRenart empira moult son plot:Quar mesire Coars li lièvres,Qui de péor trembloit les fièvres,(Deus jors les avoit ja éues,)

maar er is vroeger niet gezegd waarom hij zoo bevreesd was, dat hij zich de koorts op den hals had gehaald;—

Merci Dieu, or les a perduesSor la tombe dame Copée.Car qant ele fu enterrée,Onc ne se volt d'iloc partir,Ainçois dormi sor le martir.......................Qant à la cort vint la novele,A tiex i ot qu'ele fu bele;Mès à Grinbert fut-ele lède,Qui por Renart parole et plaideEntre lui et Tybert le chat.S'or ne set Renarz de barat,Mar est bailliz, s'il est tenuz,Qar Bruns li ors est jà venuzA Malpertuisetc.

Merci Dieu, or les a perduesSor la tombe dame Copée.Car qant ele fu enterrée,Onc ne se volt d'iloc partir,Ainçois dormi sor le martir.......................Qant à la cort vint la novele,A tiex i ot qu'ele fu bele;Mès à Grinbert fut-ele lède,Qui por Renart parole et plaideEntre lui et Tybert le chat.S'or ne set Renarz de barat,Mar est bailliz, s'il est tenuz,Qar Bruns li ors est jà venuzA Malpertuisetc.

't Behoeft geen betoog, dat hier dit geheele verhaal geene de minste beteekenis heeft. In 't Duitsch blijkt de hen juist eene heilige martelares te zijn door het mirakel dat op haar graf gebeurde, en dit geeft aanleiding tot het gezantschap aan Reinhart. In het Fransch daarentegen heet Copée reedsmartirvóór dat er iets op het graf had plaats gehad, en terwijl de bode reeds was uitgezonden, van wiens tocht het verhaal door deze episode, die hier een hors-d'œuvre is, ter kwader ure wordt afgebroken.

De fransche omwerker heeft hier, zoo als in dergelijke gevallen zoo dikwerf plaats heeft(112), de feiten uitzijn origineel dooreen gehaspeld; en dus de logische orde, het zinverband en de geleidelijke voordracht des verhaals verbroken. Kan het ons verwonderen, dat de vlaamsche dichter, die blijkbaar steeds met bewustheid en takt te werk ging, dit hors-d'œuvre, waarvan hij de strekking niet kon bevroeden, uit zijne omwerking verwierp?

Van den anderen kant zien wij hierin een nieuw bewijs, dat hij werkelijk de branche vanMÉONtot voorbeeld had en het oorspronkelijke ouder fransche gedicht niet gekend heeft.

Ik heb boven (bl.LIX–LX) reeds gewezen op het onderscheid in de beide teksten in het verhaal hoe de beer van Lamfroits werf wegkomt; hoe kwam onze Vlaming aan het denkbeeld om Bruun te water te laten? Mij dunkt wij mogen hier vrijwerkende fantazie aannemen. Wij hebben hier in 't Vlaamsch nog eene andere bijzonderheid, die ook in de fransche 20ebranche niet wordt aangetroffen.

Bruun, door angst gedreven, springt, vs.821,

In enen trop van ouden wiven,

In enen trop van ouden wiven,

waarvan hij er eenige, en daar onder »des papen wijf” in de rivier werpt. Nu hield de pastoor op met slaan, en beloofde zijnen parochianen jaar en dag aflaat als vrouw Julocke gered werd: de geheele gemeente ijlde ter hulp en zoo kreeg Bruun gelegenheid te ontkomen.

Dit uitmuntend geschetste tooneel is den Vlaming geheel eigen; misschien heeft hem intusschen een soortgelijk, hoewel veel flaauwer geval, op het denkbeeld zijner schilderij gebracht. In de branche 21–22 is Isengrijn door Reinaert ook in eene hinderlaag gelokt. Een dorper, vs. 12339,

Et ses parenz et ses cosins,

Et ses parenz et ses cosins,

zetten den wolf na, vs. 12345,

A cuinnies et à maçues,

A cuinnies et à maçues,

waarop, vs. 12347,

Entre la porte et le vileinFet Ysengrin un saut à plein:Si fort le hurte qu'il l'abatEn une fange trestot plat.....................Par les vileins s'en va fuiant,Et cil le vont après huiant.Le vilein trovent en la boëGrant et parfonde, si qu'il noë;Fors l'en ont tret a moult grant paine;

Entre la porte et le vileinFet Ysengrin un saut à plein:Si fort le hurte qu'il l'abatEn une fange trestot plat.....................Par les vileins s'en va fuiant,Et cil le vont après huiant.Le vilein trovent en la boëGrant et parfonde, si qu'il noë;Fors l'en ont tret a moult grant paine;

en dit geeft Isengrim gelegenheid te ontkomen.

Bij zoo oppervlakkige overeenkomst is het natuurlijk onmogelijk bepaald te zeggen, of er hier ontleening van het denkbeeld plaats had. Kon men aanwijzen, dat onzeWILLEMdeze branche gekend had, dan werd het reeds waarschijnlijk; maar daarvoor heb ik geen volstrekt afdoend bewijs.

Reinaertvs.1290lezen wij, dat toen Reinaert het ongeval vernam, dat Tibert in zijne angst den priester had toegebracht,

Hi loech, dat hem bachten scorde,Ende hem crakede die taverne.

Hi loech, dat hem bachten scorde,Ende hem crakede die taverne.

De platte uitdrukking moet herkomstig zijn uit het Fransch, waar soortgelijke zaken veelvuldig voorkomen(113).

Willemszegt in de aanteekening op die plaats: »Taverne, kroeg; doch hier figuurlijkraeskamer.” Die verklaring is niet heel en al bevredigend, waarschijnlijk omdat de dichter een oneigenlijk woord gebruikte.Taverneis eene kroeg, dat is eene plaats, die voorjan en alle man open staat. Zoo gebruikt de dichter der branche 21–22 het woord. De wolvin verwijt aan Hermeline hare weinig ingetogen levenswijze, en zegt, vs. 12903:

„Moult par estes de mavès estre:De poior ne poiez-vos estre,Qar plus estes pute que mocheQui en esté la gent entoche:Qui que viegne ne qui que aut,Vostre taverne ne li faut.”

„Moult par estes de mavès estre:De poior ne poiez-vos estre,Qar plus estes pute que mocheQui en esté la gent entoche:Qui que viegne ne qui que aut,Vostre taverne ne li faut.”

Kon deze plaats onzen Vlaming niet in het hoofd hebben gelegen, en hem verleid hebben hetzelfde woord, hoewel min eigenlijk voor een aangrenzend ligchaamsdeel te bezigen? Mij komt dit niet alleen niet onmogelijk, maar zelfs niet onwaarschijnlijk voor.

In de biecht aan Grimbert vindt men mede in het Vlaamsch eenige toevoegsels. In de fransche branche bekent de vos dat hij des wolfs wijf geschonden heeft, voorts, vs. 10759:

Ysengrin ai-je tant forfet,Que nel' puis nier à nul plet:Trois foiz l'ai fet metre en prison.”

Ysengrin ai-je tant forfet,Que nel' puis nier à nul plet:Trois foiz l'ai fet metre en prison.”

(1)Hij heeft hem in een wolfsval (lovière) gelokt, waar hij danig is afgerost.

(2)Hij heeft hem in een »lardier”gebracht, waar drie baken lagen, waarvan hij hem zooveel deed eten dat hij er niet meer uit kon:

N'en pot issir, tant fu ventrez,Par le pertuis où fu entrez.

N'en pot issir, tant fu ventrez,Par le pertuis où fu entrez.

Verder, vs. 10777:

(3)Gel' fis séoir en la geléeTant qu'il ot la qeue engelée;(4)Gel' fis peschier en la fontainePar nuit quant la lune estoit plaine:De l'ombre de la blanche imageCuida, por voir, ce fust fromage;(5)Et si refu par moi traïzDevant la charete as plaïz.................(6)Par fine force de baratLi fis-ge tant que il fu moines.Pais dist que il seroit chanoines:Qant on li vit la char mengier,Fox fu qui de lui fist berchier.

(3)Gel' fis séoir en la geléeTant qu'il ot la qeue engelée;(4)Gel' fis peschier en la fontainePar nuit quant la lune estoit plaine:De l'ombre de la blanche imageCuida, por voir, ce fust fromage;(5)Et si refu par moi traïzDevant la charete as plaïz.................(6)Par fine force de baratLi fis-ge tant que il fu moines.Pais dist que il seroit chanoines:Qant on li vit la char mengier,Fox fu qui de lui fist berchier.

Dan biecht hij het leed dat hij Tibert, het geheele geslacht van Pinte, en eindelijk den dieren die hem onder aanvoering van Isengrijn eens belegerden, had aangedaan.

Zien wij nu hoe de Vlaming dit weêrgeeft: Reinaert zegt, dat hij jegens alle dieren misdaan heeft: in de eerste plaats jegens Bruun, Tibert en Cantecleer; zelfs de koning, zegt bij, vs.1477,

Die coninc en es mi niet ontgaen:Ic hebbe hem toren ooc ghedaen,Ende mesprijs der coninghinne,

Die coninc en es mi niet ontgaen:Ic hebbe hem toren ooc ghedaen,Ende mesprijs der coninghinne,

hetgeen wel eene toespeling schijnt op hetgeen in branche 20beerst verhaald wordt.

Vooral den wolf heeft hij misdaan: om hem beter te bedriegen had hij hem oom genoemd, en hem monnik doen worden »ter Elmare;” daar had hij hem aan de klokzelen gebonden, zoodat hij zooveel geraas maakte, dat men meende dat de duivel daar te werk ging, waarop alles te hoop liep en men den wolf bijna van het leven beroofde.

Men ziet dat er hier uitbreiding van het fransche verhaal (no. 6) plaats heeft. De fransche branche schijnt te zinspelen op de gebeurtenis ongeveer zoo als zij in denReinardusverhaald wordt(114). Daar is van klokkengelui geene spraak: wel in de 9efransche brancheComme Renart fist Primaut prestre, die den vlaamschen dichter bekend schijnt geweest te zijn, doch waarschijnlijk in ouder vorm(115), want er bestaat afwijking in de détails(116), hoewel het niet onmogelijk is dat dit verschil voortvloeide uit eene bewuste verandering der overlevering door den vlaamschen dichter, die in dit geval eer een mondeling verhaal dan een afgewerkt geschreven gedicht moet gekend hebben. Ook de 10ebranche, die eigenlijk het tweede deel der 9eis, was hem bekend, althans haar inhoud.

In zijne biecht voortgaande, betreurt Reinhart dat hij zijnen oom bij de kruinscheering met heet water bijna het geheele hoofd verbrand had, hetgeen herinnert aan de 3efransche branche:si comme Renart fist Ysengrin moine.

Dan volgt de toespeling op de vischvangst op het ijs even als in het Fransch (no. 3), en dan in het breede het verhaal van hetgeen de 20ebranche slechts even aanstipt (no. 2). In de 9–10ebranche wordt dit geval ook in het breede verhaald, vs. 4333–4555, maar met afwijkende omstandigheden. Het Fransch maakt geen melding van het land van Vermendois(117)(Rein., vs.1514), noch van het kapoen dat de vos den priester ontsteelt. Het geheele geval heeft in 't Fransch zelfs niet bij een priester plaats. Nadat de wolf uit zijne gevangenis verlost is, beduidt de vos hem »d'aller prendre des oieschez un prêtre,” zoo alsROTHEzegt(118). Dit rust op een misverstand: de ganzen zijn onder de hoede van een man, die vs. 4630le pastorgenoemd wordt, welke uitdrukking waarschijnlijk aanleiding gaf tot de misvatting vanROTHE, die toch vs. 4606 had kunnen zien, dat er sprake was van »un païsan.” Zou de vlaamsche dichter ook door dezelfde vergissing op het denkbeeld van zijn priester gekomen zijn? In het Fransch eindigt de vos ook met eene gans te stelen en daarmeê huiswaarts te trekken.

In de 18ebranche, vs. 9269 vlg., komt eene epizode voor, welke veel overeenkomst heeft met het mnl. verhaal.

Daarna deelt de vlaamsche dichter nog een soortgelijk geval mede, dat ik mij echter niet herinner in eenige fransche branche gevonden te hebben; en eindelijk komt ook de verkrachting van Isengrijns wijf te berde.

Uit dit alles blijkt vrij duidelijk, dat de Vlaming zijn origineel, dat hij ontegenzeggelijk voor zich had, niet angstvallig vertaalde, maar veeleer vrij navolgde, daarbij gebruik makende van zoodanige karakteristieke situatiën als hem, of uit de vlaamsche overlevering, of misschien ook uit andere fransche branches bekend waren. Onder de laatste mag men hoogstwaarschijnlijk rangschikken het origineel waarnaar de 26ebranche werd omgewerkt en de 9–10ebranche, hetzij dan in haartegenwoordige vorm, hetzij naar het ouder stuk dat daaraan ten grondslag lag(119).

Zelfs in de afwijkingen vonden wij sprekende trekken die ons altijd weêr terugbrachten tot de 20ebranche, zoodat daardoor het vermoeden geheel en al wordt uit den weg geruimd, dat een ander, ons onbekend fransch stuk, het origineel zou zijn waarnaar onzeReinaertwerd bewerkt.

En zoo vinden wij dan genoegsame reden om in denReinaert, ondanks het fransche schema dat er gedeeltelijk in gevolgd is, maar dat overal, zoowel in de eigenlijke navolging, als in de meer vrije deelen, door het vlaamsche gedicht verre overtroffen wordt,—een echt nationaal kunstprodukt te aanschouwen, waarop Vlaanderen ten eeuwigen dage roem mag dragen.

Zien wij thans in hoeverre onze nieuwgewonnen rezultaten van invloed zijn op de vraag omtrent den ouderdom van het gedicht.

Van wanneer dagteekent het origineel waarnaar onzeReinaertwerd bewerkt? Ziedaar de eerste vraag, die wij op te lossen hebben. Bleek de 20e(16e) branche eerst in de laatste helft der dertiende eeuw geschreven te zijn, of zelfs in de eerste der veertiende, dan zouden innerlijke bewijzen die aan het nederlandsche gedicht een stempel van hooger ouderdom schenen op te drukken, natuurlijk niets beteekenen. Die innerlijke bewijzen zijn gedeeltelijk aan het laatste, het oorspronkelijke gedeelte van denReinaertte ontleenen, en wij zullen er daarom veel gewicht aan mogen hechten, omdat zij, als onze beschouwing over den oorsprong des gedichts opgaat, noodwendig licht moeten werpen op den tijd der vervaardiging, daar zij niet meer, zoo alsGRIMMdacht(120), »schon inWILLEMSquelle gestanden haben, folglich nichts zur ermittlung seiner lebenszeit beitragen.”

Zien wij dus eerst hoe oud het fransche voorbeeld, de 20ebranche vanMÉON, mag zijn.

Gautier de coinsi, die eene verzameling van Maria-mirakelen schreef, en in 1236 stierf, getuigt herhaaldelijk hoe verbreid en bemind de Reinart-sage inFrankrijk was(121); ja hij maakt eene toespeling waaruit blijkt, dat hij onze branche 20 (16) gekend heeft.

Plus volontiers oient un conte,Ou une trufe, c'on lor conte,Si con Tardius li limeçonsLut et chanta les trois leçonsSor la bière dame Coupée,Que Renarz avoit escoupée(122);

Plus volontiers oient un conte,Ou une trufe, c'on lor conte,Si con Tardius li limeçonsLut et chanta les trois leçonsSor la bière dame Coupée,Que Renarz avoit escoupée(122);

nagenoeg letterlijk hetgeen wij in de 20ebranche, vs. 10103 lezen:

Sire Tardis li limaçonsChanta por cele trois leçons,

Sire Tardis li limaçonsChanta por cele trois leçons,

namelijk voor Copée, die begraven werd.

Onze branche is dus blijkbaar vóór 1236 geschreven. Zien wij nu of wij haar ouderdom niet nader kunnen bepalen.

De proloog van dat stuk luidt aldus:

Perroz qui son engin et s'artMist en vers fère de RenartEt d'Ysengrin son chier conpère,Lessa le miex de sa matère,Quant il entr'oblia les plezEt le jugement qui fu fezEn la cort Noble, le lion,De la grant fornicationQue Renarz fist, qui toz max cove,Envers dame Hersent, la love.

Perroz qui son engin et s'artMist en vers fère de RenartEt d'Ysengrin son chier conpère,Lessa le miex de sa matère,Quant il entr'oblia les plezEt le jugement qui fu fezEn la cort Noble, le lion,De la grant fornicationQue Renarz fist, qui toz max cove,Envers dame Hersent, la love.

Uit die regels schijnt men te mogen opmaken, dat de dichter met geene andere branche bekend was dan die, welkePIERRE DE SAINT-CLOUDbewerkt had. Hij kan daarom niet veel jonger dan deze dichter zijn,hoewel men uit de eerste regels zou kunnen opmaken, datPIERREreeds gestorven was toen de 20ebranche in zijn trant werd omgewerkt.

OmtrentPIERRE DE SAINT-CLOUDis weinig bekend.Grimmschrijft: »über seine lebensumstande fehlen genaue nachrichten, er wird in den beginn des 13 jh. gesetzt, und soll auch eine branche desRoman d'Alexandre, nemlich das testament, verfasst haben(123).”

Willemszegt bepaalder dat hij »omtrent 1230 leefde(124).”

Fauriel, de jongste schrijver over denRoman du Renart, in Frankrijk, laat zich daaromtrent aldus uit(125):

»Il serait de la plus grande importance pour l'histoire de la fiction du Renart d'avoir quelques anciennes notions, mêmes vagues, sur le temps où vécutPIERRE DE SAINT-CLOUD; et l'on n'en a aucune. A s'en tenir la-dessus aux conjectures les plus vraisemblables et les mieux liées avec les textes qui paraissent se rapporter à sa vie et à sa renommée, on peut admettre qu'il naquit dans le cours de la seconde moitié du XIIesiècle, et se fit connaître par ses ouvrages vers les commencements du XIIIe. La première mention qui semble concerner, sinon sa personne, du moins le genre de poésie qu'il remit en vogue, est le témoignage fréquemment cité deGAUTIER DE COINSI, prieur de Victor-Sur-Aisne. Or, une telle mention, qui ne peut être antérieure à l'an 1233, ne nous apprend rien de précis relativement à la date des premières productions dePIERRE DE SAINT-CLOUDsur le sujet deRenart. Il n'est pas impossible qu'elles remontent jusqu'à la fin du XIIesiècle; mais elles ne sauraient remonter beaucoup au delà. Toujours est-il quePIERRE DE SAINT-CLOUDest le plus ancien des trouvères connus pour avoir travaillé au Renart français, celui que l'on en désigne généralement comme l'inventeur.”

Wij hebben de geheele plaats uitgeschreven om te doen zien hoe nevelachtig het geheele vraagstuk, zelfs in Frankrijk, nog is; en toch komt het mij voor, dat er ten minste iets kan worden vastgesteld.

Tusschen 1150 en 1160 zag deRoman du Rouhet licht, en daarin heet het:

Alisandres fu rois poissans,Doze règnes prist en doze ans:Mult out terres, mult ot aveir,Et rois fu de mult grant poeir;Mez cil cunquest poi li valu,Enveminez fu, si moru.

Alisandres fu rois poissans,Doze règnes prist en doze ans:Mult out terres, mult ot aveir,Et rois fu de mult grant poeir;Mez cil cunquest poi li valu,Enveminez fu, si moru.

Dat die regels, in verband met hetgeen er op volgt, de Alexander-gedichten der fransche trouvères bedoelen, is blijkbaar en wordt ook algemeen aangenomen(126).

Op het Latijnsche gedicht vanGAUTIER DE CHATILLONkunnen zij onmogelijk doelen, daar dit eerst na 1170 werd geschreven(127).

Een der branches derchanson d'Alexandre, en wel zoo alsPARISzegt(128), »l'une des meilleures branches de tout le récit,” heeft tot titel:Signification de la mort d'Alexandre, waarvan de inhoud aldus door denzelfden geleerde wordt opgegeven(129):

Elle raconte la trahison de Dimnuspater et Antipater, le couronnement du héros, le grand festin royal dans lequel Alexandre estempoisonné.” Dit komt, zoo als men ziet, ongeveer overeen met het tiende boek vanMAERLANTSAlexander(130).

Nu moet het verwonderen, datPAULIN PARISook deze branche rangschikt onder de »continuations plus récentes d'un siècle ou d'un siècle et demi,” van het oorspronkelijke werk vanLAMBERT LI CORSenALEXANDRE DE PARIS, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw plaatst(131), zoodat deze branche eerst tusschen 1250 en 1300 zou zijn geschreven(132). Dit oordeel is vreemd, zeiden wij; want blijkbaar wordt deze branche, de eenige waarin de vergiftiging vanALEXANDERwordt verhaald, in de aangehaalde verzen van denRoman du Roubedoeld, en valt dus stellig vóór 1150.

De schrijver nu dier branche wasPIERRE DE SAINT-CLOUD, die dus reeds in de eerste helft der twaalfde eeuw heeft geschreven, en derhalve niet veel later dan omstreeks het jaar 1100 kan geboren zijn.

Had hij reeds vóór de branche van denAlexandereen gedeelte der Reinaertsage bewerkt? In denAlexanderimmers leest men:


Back to IndexNext