25 NOVEMBER 1892

25 NOVEMBER 1892Donkere Novemberdag,Vraag, al is het maar een lach,Van de steeds verscholen zon,Ot het op deez’ dag niet kon—Zeg: één Straaltje van uw glans,Voor den blijden dag van thans!Zephyr! jaag de wolken heen,Deez’ Novemberdag alleen.—Laat al de and’ren aan den mist,De Atmospheer worde opgefrischt!Vraag ’t zoo met een schelm’schen lach,Slechts voor dezen enk’len dag.Dan, van buiten zonneschijn!En van binnen moog’ het zijn!Want mijn een’ge Lieveling,—Die ik van Gods hand ontving—Zestien lente’s Bloem, verjaart—De Een’ge Bloem in mijnen gaard.—En Gij Vader, Die omhoog,Voor haar waaktet, sla Uw oog,Steeds met welgevallen neêr,Op mijn Dierb’re, en Gij vermeer’Hare jaren.—En zij leer’,U te kennen, tot Uwe eer!

Donkere Novemberdag,Vraag, al is het maar een lach,Van de steeds verscholen zon,Ot het op deez’ dag niet kon—Zeg: één Straaltje van uw glans,Voor den blijden dag van thans!

Zephyr! jaag de wolken heen,Deez’ Novemberdag alleen.—Laat al de and’ren aan den mist,De Atmospheer worde opgefrischt!Vraag ’t zoo met een schelm’schen lach,Slechts voor dezen enk’len dag.

Dan, van buiten zonneschijn!En van binnen moog’ het zijn!Want mijn een’ge Lieveling,—Die ik van Gods hand ontving—Zestien lente’s Bloem, verjaart—De Een’ge Bloem in mijnen gaard.—

En Gij Vader, Die omhoog,Voor haar waaktet, sla Uw oog,Steeds met welgevallen neêr,Op mijn Dierb’re, en Gij vermeer’Hare jaren.—En zij leer’,U te kennen, tot Uwe eer!


Back to IndexNext