Januari

JanuariEerstgeborene der Twaalve,Die in killen winternacht,Bij aanhoudend vlokkendwarr’len,In de smettelooste pracht,Van het zachte dons van boven,Koesterend u wollig warm,Aan Natuur, die thans vol blijdschap,Sust u, als in moeders arm.Hoor! de hooggetakte abeelen,Zingen met het dennenbosch,—Dat zij ’t al er mee vervulden,—Luide, luide er nu op los;Want het rijk is aan de winden,Om den tijd van ’t nieuwe jaar;Daarom ’t wiegelied gezongen,Luide, luide met elkaar!In de wouden, langs de velden,Zoolang tot het kleine schaap,—Dat zooeven werd geboren,Valt in de eerste zoete slaap;Laat hen dan het rustend wiegje,Met des sneeuwvals trouwe hulp,Dicht, zorgvuldig het omhullen,Tot een warm gevoerde schulp.En als straks de wolken breken,Leg’ met hen heel ’t windenheer,—Dat de jonggeboorne ontwakeNiet te vroeg, zich weer ter neêr.En wanneer hij wakker worde,In het jonge morgenuur,Zij eene eerste lieve groete,Van de frissche woudnatuur,Met het helderst zonnelachje,Dat het nieuwe jaar maar heeft;Wijl des winters een’ge Zanger,Luid zijn wiegezangen geeft,In ’t ontbladerd bosch ten beste:’t Winterkoninkje er alleen,Hij, de kleinste in ’t koor der zangers,Ach zoo lief, zoo teer, zoo kleên.—En heeft de aarde thans geen bloemen,Zoo vol aangename geur,Toch wil Winter bloemen geven,Schildert der juweelen kleur,Op zoo meen’ge vensterruiten.En het zonlicht roert hen aan,Met zijn gouden tooverroede,Langs zijn heele zuiderbaan,Dat zij schitteren en lonken,Op de ruiten overal,Grillig schoon in bloem en blaad’ren,In het prachtig zevental.En op eenmaal: luid en luiderRoept het blij, van hier en daar:«Heil en zegen, duizendmalen,In het nieuw geboren Jaar!»Jaarkrings Eerst’ling, U mijn groete!U mijn heilwensch! meerder lief,Krijg ’k u, als gij werk’lijk bloemen,Schenkt in de eerste Madelief!

Eerstgeborene der Twaalve,Die in killen winternacht,Bij aanhoudend vlokkendwarr’len,In de smettelooste pracht,Van het zachte dons van boven,Koesterend u wollig warm,Aan Natuur, die thans vol blijdschap,Sust u, als in moeders arm.Hoor! de hooggetakte abeelen,Zingen met het dennenbosch,—Dat zij ’t al er mee vervulden,—Luide, luide er nu op los;Want het rijk is aan de winden,Om den tijd van ’t nieuwe jaar;Daarom ’t wiegelied gezongen,Luide, luide met elkaar!In de wouden, langs de velden,Zoolang tot het kleine schaap,—Dat zooeven werd geboren,Valt in de eerste zoete slaap;Laat hen dan het rustend wiegje,Met des sneeuwvals trouwe hulp,Dicht, zorgvuldig het omhullen,Tot een warm gevoerde schulp.

En als straks de wolken breken,Leg’ met hen heel ’t windenheer,—Dat de jonggeboorne ontwakeNiet te vroeg, zich weer ter neêr.En wanneer hij wakker worde,In het jonge morgenuur,Zij eene eerste lieve groete,Van de frissche woudnatuur,Met het helderst zonnelachje,Dat het nieuwe jaar maar heeft;Wijl des winters een’ge Zanger,Luid zijn wiegezangen geeft,In ’t ontbladerd bosch ten beste:’t Winterkoninkje er alleen,Hij, de kleinste in ’t koor der zangers,Ach zoo lief, zoo teer, zoo kleên.—

En heeft de aarde thans geen bloemen,Zoo vol aangename geur,Toch wil Winter bloemen geven,Schildert der juweelen kleur,Op zoo meen’ge vensterruiten.En het zonlicht roert hen aan,Met zijn gouden tooverroede,Langs zijn heele zuiderbaan,Dat zij schitteren en lonken,Op de ruiten overal,Grillig schoon in bloem en blaad’ren,In het prachtig zevental.

En op eenmaal: luid en luiderRoept het blij, van hier en daar:«Heil en zegen, duizendmalen,In het nieuw geboren Jaar!»

Jaarkrings Eerst’ling, U mijn groete!U mijn heilwensch! meerder lief,Krijg ’k u, als gij werk’lijk bloemen,Schenkt in de eerste Madelief!


Back to IndexNext