AANDENKEN AAN MIJNEN DIERBAREN VADER,overleden 2 October 1879Rust, sluimer zacht! o stof van mijnen dierbren Doode!Stof van mijn allerbesten Vader, rust en sluimer zacht!Sinds vele jaren dekt U reeds de groene zode;Toch blijft gij steeds in liefde door uw eenig kind herdacht.Erkentlijk voor al ’t goede, blijf ik U herdenken:Want in den besten zin des woords, waart Gij een Vader mij.O Vader! hoe gevoel ’k de waarde van uw wenken,Uw wijze lessen; ’t Is of staat gij nog steeds aan mijn zij.—Rust van uw arbeid, Gij Die werktet al uw dagen,Zoolang als ’t dag was Dierbre. Ja de groote morgen slaat,Als met U al de Ontwaakten Sions wachters vragen:Wat ginder gloort van ver, is dat niet ’s Hemels dageraad?Of is dat licht voor U naar ’t Zenith reeds geklommen?Is lang, zeer lang misschien, voor U des Hemels heerlijkheid,—In ’t Paradijs, van Vader, Zoon en heil’ge Englendrommen,Der Heem’len heerlijkheid, U zoo betreurde, reeds bereid?En hebt gij Haar, die lang van af deez’ droevige aarde,Uw dierbre Vrouw, mijn lieve Moeder, treurend van ons ging,—Die onder ’t scheiden nog weemoedig op ons staarde—Haar aan de gindsche zijde ontmoet als blijde Hemelling?—Hoe smartlijk was het leed, dat bij uw dood mij griefde;Hoe treurig was het mij, uw laatsten levensdag en nacht;Uw laatste woorden, woorden, slechts van vrede en liefde:Ik hoor dat spreken nog, die dierbre stern, zoo goed, zoo zacht!Ik voel de polsslag nog allengskens zwakker tikken,Besluiteloos op ’t lest van al, of van niet, of van weer;Een eeuwigheid lag in die spannende oogenblikken,Tot eind’lijk voor altijd, eindlijk voor ’t laatst, voor nimmermeer.Met diepen weemoed bleef ’k op den Geliefde staren,Ik arme, Wien niets bleef dan slechts een zielloos overschot.En ’k bij het graf der Dierbre ’k al mijn kracht moest gâren,Om staande nog te blijven, in mijn zwaar te dragen lot.Mij is de weemoed zoet, waarmeê ’k aan U blijf denken,Nog over Uw gemis, zoo zeer, zoo eind’loos, diep bedroefd.Maar bij uw graf is ’t, of ik ’t voel, naar boven wenken,Waar beste Vader thans, altijd, voor eeuwig, Gij vertoeft!
Rust, sluimer zacht! o stof van mijnen dierbren Doode!Stof van mijn allerbesten Vader, rust en sluimer zacht!Sinds vele jaren dekt U reeds de groene zode;Toch blijft gij steeds in liefde door uw eenig kind herdacht.
Erkentlijk voor al ’t goede, blijf ik U herdenken:Want in den besten zin des woords, waart Gij een Vader mij.O Vader! hoe gevoel ’k de waarde van uw wenken,Uw wijze lessen; ’t Is of staat gij nog steeds aan mijn zij.—
Rust van uw arbeid, Gij Die werktet al uw dagen,Zoolang als ’t dag was Dierbre. Ja de groote morgen slaat,Als met U al de Ontwaakten Sions wachters vragen:Wat ginder gloort van ver, is dat niet ’s Hemels dageraad?
Of is dat licht voor U naar ’t Zenith reeds geklommen?Is lang, zeer lang misschien, voor U des Hemels heerlijkheid,—In ’t Paradijs, van Vader, Zoon en heil’ge Englendrommen,Der Heem’len heerlijkheid, U zoo betreurde, reeds bereid?
En hebt gij Haar, die lang van af deez’ droevige aarde,Uw dierbre Vrouw, mijn lieve Moeder, treurend van ons ging,—Die onder ’t scheiden nog weemoedig op ons staarde—Haar aan de gindsche zijde ontmoet als blijde Hemelling?—
Hoe smartlijk was het leed, dat bij uw dood mij griefde;Hoe treurig was het mij, uw laatsten levensdag en nacht;Uw laatste woorden, woorden, slechts van vrede en liefde:Ik hoor dat spreken nog, die dierbre stern, zoo goed, zoo zacht!
Ik voel de polsslag nog allengskens zwakker tikken,Besluiteloos op ’t lest van al, of van niet, of van weer;Een eeuwigheid lag in die spannende oogenblikken,Tot eind’lijk voor altijd, eindlijk voor ’t laatst, voor nimmermeer.
Met diepen weemoed bleef ’k op den Geliefde staren,Ik arme, Wien niets bleef dan slechts een zielloos overschot.En ’k bij het graf der Dierbre ’k al mijn kracht moest gâren,Om staande nog te blijven, in mijn zwaar te dragen lot.
Mij is de weemoed zoet, waarmeê ’k aan U blijf denken,Nog over Uw gemis, zoo zeer, zoo eind’loos, diep bedroefd.Maar bij uw graf is ’t, of ik ’t voel, naar boven wenken,Waar beste Vader thans, altijd, voor eeuwig, Gij vertoeft!