AANDENKEN AAN MIJNE DIERBARE MOEDER,overleden 28 Januari 1849Ik heb een klein, mij dierbaar plekje grond op aarde.Mijn diep betreurde Vader heeft het dikwerf mij gezegd;Zoon! sprak hij dan: «houd steeds dat graf in hooge waarde:’t Is daar dat ik uw beste Moeder heb ter rust gelegd.»«Gij hebt Haar niet gekend, want nog geen tweetal jaren,Hadt gij bereikt, mijn Kind, toen zij reeds van ons scheiden ging;’k Bleef op haar leêge plaats, met droeve erinn’ring staren,Alleen met U, een hulploos weesje, als teed’re zuigeling.»«Is ’t niet? hoe gaarne zoudt gij hare lieve trekken,Aanschouwen mogen, ja! al was het slechts een enklen keer.Maar ach de erinnering kan u niets doen ontdekken,Hoeveel daarop gepeinsd, daarover nagedacht, hoe zeer.»Maar dierbre Moeder, ik, ik kan gelooven, weten,Dat ik heb aanschouwd eenmaal, van aangezicht tot aangezicht,U zoo vereerde Vrouw, die Moeder ik mocht heeten,Die mij heeft toegelacht, mij hulpeloos, mij teeder wicht.Wier Eng’lenlach vol zoets ik weder tegenlachte,Waar de eerste lach van mij, haar allergrootste vreugde was;Wier zoete kus mij bij ’t ontwaken ’s morgens wachtte,En die in ’t wel van haar zoo dierbaar kind, haar ganschen hemel las.O Moeder! ik kan niet de moeite en duizend zorgen,Die goddelijke liefde van uw hart, die moedermin,Vergelden ooit, die, van af de avond, tot den morgen,Tot de avond van den morgen, van het eind tot het begin.—Moog in ’t gewest der Zaligen, gij Moeder dragen,De kroon van reine levenswandel, moederliefde en deugd!Daar Dierb’re! vroeg voor u reeds de eeuw’ge dag mocht dagen,Ben ’k onder tranen om uw welzijn steeds verheugd.’k Vertrouw, Gij werd met Hem, uw besten Man vereenigd.—Mijn diep betreurde Vader liet mij eindlijk hier alleen.Uw beider heug’lijk lot, is ’t wat mijn smart hier lenigt:Gescheiden voor een tijd, zijt gij voor de eeuwigheid thans Één.—En eenmaal zal de dag voor mij wellicht ook gloren,Dat ’k U mijn Moeder dan van aangezicht tot aangezicht,Gestaâg aanschouwen mag; uw lieve stem zal hooren,Waarvoor dan ’t lang gedragen leed, van lang verwachten, zwicht.—Zacht ruste uw dierbaar stof hier in den schoot der aarde!Uw graf blijft heilig mij, als een’ge erinnering,Wat Moeder ’k van U heb, welk graf mij die bewaarde.En enkel op deze aarde alleen mij niet verloren ging.
Ik heb een klein, mij dierbaar plekje grond op aarde.Mijn diep betreurde Vader heeft het dikwerf mij gezegd;Zoon! sprak hij dan: «houd steeds dat graf in hooge waarde:’t Is daar dat ik uw beste Moeder heb ter rust gelegd.»
«Gij hebt Haar niet gekend, want nog geen tweetal jaren,Hadt gij bereikt, mijn Kind, toen zij reeds van ons scheiden ging;’k Bleef op haar leêge plaats, met droeve erinn’ring staren,Alleen met U, een hulploos weesje, als teed’re zuigeling.»
«Is ’t niet? hoe gaarne zoudt gij hare lieve trekken,Aanschouwen mogen, ja! al was het slechts een enklen keer.Maar ach de erinnering kan u niets doen ontdekken,Hoeveel daarop gepeinsd, daarover nagedacht, hoe zeer.»
Maar dierbre Moeder, ik, ik kan gelooven, weten,Dat ik heb aanschouwd eenmaal, van aangezicht tot aangezicht,U zoo vereerde Vrouw, die Moeder ik mocht heeten,Die mij heeft toegelacht, mij hulpeloos, mij teeder wicht.
Wier Eng’lenlach vol zoets ik weder tegenlachte,Waar de eerste lach van mij, haar allergrootste vreugde was;Wier zoete kus mij bij ’t ontwaken ’s morgens wachtte,En die in ’t wel van haar zoo dierbaar kind, haar ganschen hemel las.
O Moeder! ik kan niet de moeite en duizend zorgen,Die goddelijke liefde van uw hart, die moedermin,Vergelden ooit, die, van af de avond, tot den morgen,Tot de avond van den morgen, van het eind tot het begin.—
Moog in ’t gewest der Zaligen, gij Moeder dragen,De kroon van reine levenswandel, moederliefde en deugd!Daar Dierb’re! vroeg voor u reeds de eeuw’ge dag mocht dagen,Ben ’k onder tranen om uw welzijn steeds verheugd.
’k Vertrouw, Gij werd met Hem, uw besten Man vereenigd.—Mijn diep betreurde Vader liet mij eindlijk hier alleen.Uw beider heug’lijk lot, is ’t wat mijn smart hier lenigt:Gescheiden voor een tijd, zijt gij voor de eeuwigheid thans Één.—
En eenmaal zal de dag voor mij wellicht ook gloren,Dat ’k U mijn Moeder dan van aangezicht tot aangezicht,Gestaâg aanschouwen mag; uw lieve stem zal hooren,Waarvoor dan ’t lang gedragen leed, van lang verwachten, zwicht.—
Zacht ruste uw dierbaar stof hier in den schoot der aarde!Uw graf blijft heilig mij, als een’ge erinnering,Wat Moeder ’k van U heb, welk graf mij die bewaarde.En enkel op deze aarde alleen mij niet verloren ging.