AAN ZEEIk heb de zee, de zee gezien!In hare stille heerlijkheid;En ’t stralend prachtig zonnebeeld,In gloed, in stille majesteit,—Als gouden ster, aan ’t blauw azuur;Als kroon des hemels en de lustDer schoone Zee,—die lachend haar,Als gezellinne wand’lend kust.—Ik heb de zee in rust gezien,Toen niet een enkel hulkje of boot,Of zeekasteel voer langs het vlak.—Geen blanke meeuw langs ’t water schoot—Geheel alleen van ’t dorre duin,Met hut noch woning in ’t gezicht,—Zag ik bij zwaar bewolkte lucht,De zee in doez’lig neev’lig licht.—Bij herfststorm zag ’k de hooge zee;November’s nacht viel haastig in,Toen ’t stormde uit het Noord-westen weg;Wijl ze in de hagelbui haar kracht,Beproefde op Friesland’s westerzoom;De bliksem ging de windbui voor;De donder rolde ’t zeevlak langs,Terwijl de storm het West schoot door.Hoog steig’rend als ’t verwilderd paard,Dat zijne woede macht’loos uit,Als ’t eind’lijk weer den teugel voelt,Zoo toen de Zee; waar ze eensklaps stuit,Voor gordingen aan ’s paalwerks voet;Waar zij met vreesselijk geweld,Als in een vlaag van razernij,Des zeedijks glooiïng opwaarts snelt;Wiens top zij soms bijna bestijgt;—Bij poozen ’t schuim er overslaat;Diep landwaarts in als voortgezweept,Totdat de vloed terug weer gaat,—Om met een aanloop straks, opnieuw,Met frissche benden, als versterkt,Zich kronkelend, ontzaglijk grootsch,In vorm en kracht, zich opwaarts werkt;Totdat zij met de kruin gelijkDes dijks, eens zelf naar binnen zag,Hoe vreedzaam stil in smaragdgroen,Daar wel een andre wereld lag.—Bewond’rend zag ik onder mij,Het eenig grootsche menschenwerk,Die reuzendijk, wiens kluitjes grond,Den woesten oceaan stelt perk.—Ik dacht: «dit is ’t getrouwe beeld,Van ’s menschen hart, op ’s levens zee:Vandaag het onbewolkt geluk,Vol kalmte, rust en stilte en vreê;Maar onverwacht, als uit den droom,—In ’t middernachtuur opgeschrikt,Als roerloos schip, bij wilden storm,Waar ’t havenlicht het nergens blikt.Maar dat niet door de zware lucht,Waarin de duistre sneeuwstorm woont;Maar dat niet door de dikke mist,Die langs het strand hangt, zich vertoont,—Wordt, als de nood op ’t hoogst dan is,—Hij, die het wolkenheer regeertAls de een’ge beste Loods begeerd:—Hij merkt weldra hoe ’t onweer keert;De mist tot zomerwolkjes wordt;Zich oplost dra des massa’s zwart;De laatste bui verdwijnt, vervliegt,Wier wolkenheer gedund, ontward,De winden breidelt, in hun vaart.—Een streelend koeltje plooit de zee;Alom keert als met tooverslag,Ook in het hart, en rust en vreê.
Ik heb de zee, de zee gezien!In hare stille heerlijkheid;En ’t stralend prachtig zonnebeeld,In gloed, in stille majesteit,—Als gouden ster, aan ’t blauw azuur;Als kroon des hemels en de lustDer schoone Zee,—die lachend haar,Als gezellinne wand’lend kust.—
Ik heb de zee in rust gezien,Toen niet een enkel hulkje of boot,Of zeekasteel voer langs het vlak.—Geen blanke meeuw langs ’t water schoot—Geheel alleen van ’t dorre duin,Met hut noch woning in ’t gezicht,—Zag ik bij zwaar bewolkte lucht,De zee in doez’lig neev’lig licht.—
Bij herfststorm zag ’k de hooge zee;November’s nacht viel haastig in,Toen ’t stormde uit het Noord-westen weg;Wijl ze in de hagelbui haar kracht,Beproefde op Friesland’s westerzoom;De bliksem ging de windbui voor;De donder rolde ’t zeevlak langs,Terwijl de storm het West schoot door.
Hoog steig’rend als ’t verwilderd paard,Dat zijne woede macht’loos uit,Als ’t eind’lijk weer den teugel voelt,Zoo toen de Zee; waar ze eensklaps stuit,Voor gordingen aan ’s paalwerks voet;Waar zij met vreesselijk geweld,Als in een vlaag van razernij,Des zeedijks glooiïng opwaarts snelt;Wiens top zij soms bijna bestijgt;—Bij poozen ’t schuim er overslaat;Diep landwaarts in als voortgezweept,Totdat de vloed terug weer gaat,—Om met een aanloop straks, opnieuw,Met frissche benden, als versterkt,Zich kronkelend, ontzaglijk grootsch,In vorm en kracht, zich opwaarts werkt;Totdat zij met de kruin gelijkDes dijks, eens zelf naar binnen zag,Hoe vreedzaam stil in smaragdgroen,Daar wel een andre wereld lag.—Bewond’rend zag ik onder mij,Het eenig grootsche menschenwerk,Die reuzendijk, wiens kluitjes grond,Den woesten oceaan stelt perk.—
Ik dacht: «dit is ’t getrouwe beeld,Van ’s menschen hart, op ’s levens zee:Vandaag het onbewolkt geluk,Vol kalmte, rust en stilte en vreê;Maar onverwacht, als uit den droom,—In ’t middernachtuur opgeschrikt,Als roerloos schip, bij wilden storm,Waar ’t havenlicht het nergens blikt.
Maar dat niet door de zware lucht,Waarin de duistre sneeuwstorm woont;Maar dat niet door de dikke mist,Die langs het strand hangt, zich vertoont,—Wordt, als de nood op ’t hoogst dan is,—Hij, die het wolkenheer regeertAls de een’ge beste Loods begeerd:—Hij merkt weldra hoe ’t onweer keert;De mist tot zomerwolkjes wordt;Zich oplost dra des massa’s zwart;De laatste bui verdwijnt, vervliegt,Wier wolkenheer gedund, ontward,De winden breidelt, in hun vaart.—Een streelend koeltje plooit de zee;Alom keert als met tooverslag,Ook in het hart, en rust en vreê.