SCHIPBREUK

SCHIPBREUKHoor! hoe de stormwind raast, naar ’t strand!Wat tafereel, wat grootsche luister!Hoor de afgrond dondert, kookt en brandt,Dat is de zee, vrij van haar kluister!Ziet, toe! hoe hoog de breede golven,Hier steigeren, dáár ploffen neêr;En onder vlokkig schuim bedolven,Weer rijzen, licht als eene veer.—Tot eene reuzengolf zich vormend,Komt zij van ginder aangesneld;Eensklaps het hooge duin bestormend,Met ongeëvenaard geweld.De branding loeit; in breede vlokken,Vliegt landwaarts heen, het kokend schuim;Het is of de ingewanden schokken,Van ’t aardrijk in zijn diepste ruim.Steeds sneller jaagt het zwarte westen,Zijn benden wolken naar het oost;’t Is of ’t heelal dreunt op zijn vesten,Natuur haar laatsten angstkreet loost.Het is een bulderen, een loeien:Bazuinen dreunen; uit het diepDes afgronds, schijnt het aan te groeien,Waarin die stem, tot nog toe, sliep.’t Gaat over in een daav’ren, huilen!Het is niet meer de storm; de orkaanVoert thans uit zeevlak’s diepste kuilen,Tot ’s hemelsboog, de wat’ren aan.—Ten spel der golven,Danst woest en wild—Dan eens bedolven,Dan opgetild,In- en op ’t koken—’t Schip, in ’t verschiet;Masten gebroken,Als teeder riet;’t Schip haast op zij;’t Kent’ren nabij;’t Volk handenwringend,Elkaar omringend—Wijl ied’re zee,Van hen, één meê,Sleurt in de baren—Buiten de paren,—Die ginds omhoog,Vast in de stengen,’t Doodsuur verlengen,Of ’t hun nog moog’,Eind’lijk gelukken,Dat ’s orkaans nukken,Eind’lijk ten lest’,Uitgeput raken;En hun nog rest,’t Strand te genaken.—En eensklaps splijt een straal de wolken;De bliksem licht het zeevlak rond.De donder antwoordt langs de kolken,Der wilde wolkenzee, terstond:Nu is ’t alsof de laatste keten,Die lucht en zee nog hield in toom,Als spinrag wordt vaneengereten:De zee rijst op tot ’s wolkens zoom.Zij komt, zij komt, zij ploft naar onder,Raast, loeit en schatert, davert, brult;Haar begeleiding is de donder,Die ’t wolkenheer gestaâg vervult;En ginder: hoogten, duinen, dijken,Paleizen, stulpen, bosch en veld,—Als op een tooverwoord,—zij wijken,Meteen voor stormwinds woest geweld.En bleek als schimmen,Staan langs de reê,—Starend in zee,Dalen en klimmen,Af- en op ’t duin,Angstige groepen;Wuiven en roepen,Of men de zeilen,—Waar ’t maar een stip,—Misschien kon peilen:’t Bekende schip,—Dat men uit duizend—Herkennen kon,Als ’t ginder kruisend,De oop’ne zee won.Immers, zoo even,Hoorde men luid,—Ginder in ’t zuid,Voelend het beven,Onder zich, klaar:—’t Noodschot vandaar.Weenende vrouwen,—De angst in het hart,Staam’lend verward,Handen gevouwen,Tranen in ’t oog,Blikkend’ omhoog—Kind’ren, die weenen,Smart op ’t gelaat—Turen daarhenen,Waar de wind staat.Verweerde mannen—’t Gelaat doorgroefd,Staan, diep bedroefd,Zich in te spannen,Spraakloos, of ook—Door ’s brandings rook,Zij in hun pogen,Toch eindlijk mogen,Zien, naar hetgeen,Hen geldt alleen!—Onafgebroken,Blijft dondren, koken,—De Oceaan,—Niet te weerstaan;Van eengereten,Schijnt ginds de zee,Als ’t ware in twee.—....Ach! welke kreten,Ginds uit die schaar!Maar al te waar,’t Schip is bezweken....Golven reeds breken,Op deze plek,—Tegen ’t verdek.—Dra is ’t verdwenen,Alles is henen.—.....Is het misschien?Neen, «ik kon ’t zien,Dat zij het waren»....’t Bloed stolt in de âren....Want zelfs de naam,Leest men te saâm,Van ’t schip, welks stukken—’t Verongelukken,Van man en van kind,—Bevestigd men vindt.—Waarom te malen,Weemoed en smart,In aller hart?Waarom ’t herhalen,’t Naamlooze wee,Van ’t kind der zee?

Hoor! hoe de stormwind raast, naar ’t strand!Wat tafereel, wat grootsche luister!Hoor de afgrond dondert, kookt en brandt,Dat is de zee, vrij van haar kluister!

Ziet, toe! hoe hoog de breede golven,Hier steigeren, dáár ploffen neêr;En onder vlokkig schuim bedolven,Weer rijzen, licht als eene veer.—Tot eene reuzengolf zich vormend,Komt zij van ginder aangesneld;Eensklaps het hooge duin bestormend,Met ongeëvenaard geweld.

De branding loeit; in breede vlokken,Vliegt landwaarts heen, het kokend schuim;Het is of de ingewanden schokken,Van ’t aardrijk in zijn diepste ruim.

Steeds sneller jaagt het zwarte westen,Zijn benden wolken naar het oost;’t Is of ’t heelal dreunt op zijn vesten,Natuur haar laatsten angstkreet loost.Het is een bulderen, een loeien:Bazuinen dreunen; uit het diepDes afgronds, schijnt het aan te groeien,Waarin die stem, tot nog toe, sliep.’t Gaat over in een daav’ren, huilen!Het is niet meer de storm; de orkaanVoert thans uit zeevlak’s diepste kuilen,Tot ’s hemelsboog, de wat’ren aan.—

Ten spel der golven,Danst woest en wild—Dan eens bedolven,Dan opgetild,In- en op ’t koken—’t Schip, in ’t verschiet;Masten gebroken,Als teeder riet;’t Schip haast op zij;’t Kent’ren nabij;’t Volk handenwringend,Elkaar omringend—Wijl ied’re zee,Van hen, één meê,Sleurt in de baren—Buiten de paren,—Die ginds omhoog,Vast in de stengen,’t Doodsuur verlengen,Of ’t hun nog moog’,Eind’lijk gelukken,Dat ’s orkaans nukken,Eind’lijk ten lest’,Uitgeput raken;En hun nog rest,’t Strand te genaken.—

En eensklaps splijt een straal de wolken;De bliksem licht het zeevlak rond.De donder antwoordt langs de kolken,Der wilde wolkenzee, terstond:Nu is ’t alsof de laatste keten,Die lucht en zee nog hield in toom,Als spinrag wordt vaneengereten:De zee rijst op tot ’s wolkens zoom.Zij komt, zij komt, zij ploft naar onder,Raast, loeit en schatert, davert, brult;Haar begeleiding is de donder,Die ’t wolkenheer gestaâg vervult;En ginder: hoogten, duinen, dijken,Paleizen, stulpen, bosch en veld,—Als op een tooverwoord,—zij wijken,Meteen voor stormwinds woest geweld.

En bleek als schimmen,Staan langs de reê,—Starend in zee,Dalen en klimmen,Af- en op ’t duin,Angstige groepen;Wuiven en roepen,Of men de zeilen,—Waar ’t maar een stip,—Misschien kon peilen:’t Bekende schip,—Dat men uit duizend—Herkennen kon,Als ’t ginder kruisend,De oop’ne zee won.Immers, zoo even,Hoorde men luid,—Ginder in ’t zuid,Voelend het beven,Onder zich, klaar:—’t Noodschot vandaar.

Weenende vrouwen,—De angst in het hart,Staam’lend verward,Handen gevouwen,Tranen in ’t oog,Blikkend’ omhoog—Kind’ren, die weenen,Smart op ’t gelaat—Turen daarhenen,Waar de wind staat.Verweerde mannen—’t Gelaat doorgroefd,Staan, diep bedroefd,Zich in te spannen,Spraakloos, of ook—Door ’s brandings rook,Zij in hun pogen,Toch eindlijk mogen,Zien, naar hetgeen,Hen geldt alleen!—

Onafgebroken,Blijft dondren, koken,—De Oceaan,—Niet te weerstaan;Van eengereten,Schijnt ginds de zee,Als ’t ware in twee.—....Ach! welke kreten,Ginds uit die schaar!Maar al te waar,’t Schip is bezweken....Golven reeds breken,Op deze plek,—Tegen ’t verdek.—Dra is ’t verdwenen,Alles is henen.—.....Is het misschien?Neen, «ik kon ’t zien,Dat zij het waren»....’t Bloed stolt in de âren....Want zelfs de naam,Leest men te saâm,Van ’t schip, welks stukken—’t Verongelukken,Van man en van kind,—Bevestigd men vindt.—

Waarom te malen,Weemoed en smart,In aller hart?Waarom ’t herhalen,’t Naamlooze wee,Van ’t kind der zee?


Back to IndexNext