DE EENIGE ZOONZij hadden een huisje met eenigen grond;Hun eigendom lag daar zoo mooi afgerond;De weg, die door ’t dorp liep, ging gansch er langs heen;’t Zag netjes er uit steeds, al was het wat kleen.’t Verschilde van de andere huizen niet veel;Een dubbele boomrij van wilg en abeel,Beschermde bij wintertij, tegen ’t Noord-West,Den schoorsteen en ’t stroodak van ’t huisje opperbest.Geen sieraad of weelde werd er aan ontwaard,Want de eigenaars waren van deeg’lijken aard;En wat ze overhielden, werd stil opgetast,In plaats van verbruikt ooit, in lade of in kast.En niemand zou zeggen, als ’t huisje men zag,Dat bijna een schat zelfs, verborgen daar lag;Twee vensterkes klein maar, gordijntjes wat flets,Gaf ’t aanzien aan alles: «geheel ouderwetsch.»Eene eeuw wel ten achter, bij hunne overbuur;Wiens groote kozijnen in zijn gevelmuur,Pas groen opgeschilderd, in schittrende kleur,Wedijverden met het lichtbruin zijner deur.Maar ondanks ’t verguldsel van weelde en pracht,Werd zijn geld en goed toch als weinig geacht.En klopte de geldnood soms eens bij hem aan,Deed hem tot leenen naar buurman wel gaan.Zoo werd het ten leste, allengskens aan ’t end,Door ’t dorp en omstreken voorgoed ook bekend,Dat onze oude luidjes van ’t huisje, maar steeds,Voor den ouden dag goed gespaard hadden reeds.—Op ’t hun dierbaar klein stuk aarde,Waar zich rust met eenvoud paarde,Leefde ’t echtpaar met hun zoon,’t Eenigst kind, hun al, hun kroon;Naast hem, was hun beste gave,’t Kleine goedje, en hunne have.Anderhalve bunder grond,Lag om ’t boerderijtje in ’t rond:Akkerland en klaverweide,Zoowat om de helft van beide—En ’t met zorg bebouwde land,—Onder ’s bouwheers nijvre hand,—Bood hun nooddruft, meer dan noodig;’t Zuivel werd haast overbodig,Voor hun daag’lijks onderhoud,Aan de zorgen toevertrouwd,Van de huisvrouw, die de koeien,Tot een melkopbrengst deed groeien,Deed vermeerd’ren bij den dag,Waarvan men geen weêrga zag.En hun trots, hun een’ge jongen,Was reeds van ’t besef doordrongen:Wie volmaakt een akkerman,Zijn wil, en het worden kan,—Moet de spade en hark vroegtijdig,Reeds hanteeren, moet veelzijdig,Zich ontwikk’len, opdat hij,Eenmaal knap en handig zij.Daarom, uit de school gekomen,Fluks de hark ter hand genomen,Die hij op den akker ziet,Waar zijn Vâ haar blijven liet.En slaat straks diens arbeid gade,Hoe hij werkt, met schop en spade,Zonder dat hij ’t nog behoeft.—Somtijds zijne kracht beproefd,Bij den oogst, met zeis of sikkel,En het wordt hem dan ten prikkel,Als zijn vader zegt, «’t gaat goed,»—Dat hij ’t straks nog beter doet.Maar het knaapje wordt steeds ouder;En hij neemt van ’s vaders schouder,—Nu hij vijftien jaren telt,—Een deel arbeids. En in ’t veld,Van des daag’raads eerste glimmen,Tot des avonds gouden kimmen,Gunt hij zich slechts luttel rust:Want dat leven is zijn lust.Zijne wereld is zijne akker,Uit welks groen hem ’s morgens wakkerVink en Leeuwerikje zingt,Dat hem weer tot arbeid dringt.En tot nieuwen lust herboren.Ploegt of wiedt hij, zaait de voren,Of neemt voor den ouden man,’t Werk weg, wanneer hij ’t maar kan.Helpt soms de oude Vrouw bij ’t melken;Dreigt haar bloemtuin te verwelken,Merk! hoe hij het daad’lijk ziet,En ’t gebloemt’ met vocht begiet.—Is eenmaal weer de oogst geborgen,—Eischt het veld niet meer zijn zorgen,Dan bij stillen wintertijd,—Steeds met onverdroten vlijt,Altijd ijvrig, altijd kregel,—Dorscht hij ’t koren met den vlegel,’t Graan waartoe met eigen hand,Hij eens zaaide en had geplant.En betaalt aldus de rente,Reeds in zijne levenslente,Daar hij voor de kinderschuld,Zoo zijn ouderplicht vervult.—En bij ’t vlammen op het haardje,Zit hij bij het oudrenpaartje,’s Avonds vreedzaam bij het vuur.—Komt er soms een goede buur,Dan is alles in de nopjes:Moe neemt dan een viertal kopjes,Dito schoteltjes daarbij;Uit het kastje van ter zij.—Daag’lijks heeft zij drie slechts noodig,Dan is ’t vierde er overbodig:Twee voor ’t manvolk, één voor Moe:En kan zij metdriedan toe.—Zoo bij ’t kouten met de buren,In de winteravonduren,Wordt men eind’lijk uitgepraat,Nadat over vee en zaad,Men ten eind raakt, dat in landen,Waar de bergen, rooken, branden,Men van krijg, van oorlog, hoort.—Zachtkens drijft zoo ’t leven voort,Tot de vrees elk slaat om ’t harte,Door een zeek’re Buonaparte,Waarvoor heel Europa beeft,—Die naar niets dan krijgsroem streeft,Naar dat men alom vertelde;En eerlang trekt hij te velde,Naar ’t onmeet’lijk Rusland uit,Om weer meerder roem en buit.—En tot voêr voor zijn kanonnen,Is een loting hij begonnen:Zoodat ieder jongeling,—’t Zij hij rijk is of gering,—Zal een nummer moeten trekken.Wie te laag trekt, kan zich dekken,Door een duren remplaçant;En men hoort van allen kant,Dat zij, die eens heêngaan, allen,Nimmer wederkeeren; vallen,Door de scherpte van het zwaard:’t Is of de doodsengel waart,Door de wereld, op dit heden,Door gehucht, door dorp en steden,Is ’t of eene kreet van smart,Stijgt uit menig ouderhart.’t Is of weer uit Bethl’hems dreven,Rachel’s kreet wordt aangeheven,Die haar kinderen beweent;—Half de wereld schreit en steent:Ginds een oude grijze Vader,Met het Moedertje te gader;Weer een arme weduw’naarHier; een schaam’le weduw’ dáár;Om hun steun der oude dagen,Die hun ouderdom zou schragen,Hun ontrukt, en om misschien,Nimmer, nooit hen weêr te zien.’t Kind der hoop, het kind met zorgen,Opgevoed, zoo wel geborgen,Nog zoo hulpbehoevend, zwak,Onder ’t ouderlijke dak,Steeds bewaard, en steeds gekoesterd,Steeds door moederzorg gevoedsterd,Zij hunne een’ge hulp en heul,—Zal Europa’s menschenbeul,—Hen, de oogappels hunner Vaders,Zal hij ’t bloed uit hart en aders,Van het o zoo dierbaar kroost,In het barre en ijzig Oost:Of wel aan Itaalje’s kusten,—Tappen, als met duivels lusten?Of dat Spanje’s dor gebergt,’t Leven van die dierb’ren vergt?Hij, der oudren een’ge Voeder!Of der Zuster een’ge Broeder:Een’, des Grootvaârs naamgenoot,Van den stam de laatste loot,Een, van heel ’t geslacht de leste,Die van allen, hen nog restte:—Hij, in den familiekring,Der verwanten lieveling;De edelste van al zijn vrienden:En wie hunner, lof verdienden:Hij, in de allereerste plaats:De gevierdste zijner maats;Wiens verschijnen, alle schoonen,Blosjes toov’ren op de koonen.—’t Bulderen van het kanon,Van den beul Napoleon,Overstemde ’t schreien, snikken,In de laatste oogenblikken,Van zoo menig jongeling,Die voor altijd henen ging.—«Jongenlief,» sprak de oude Vader:«Denkt ge er wel aan dat de tijd komt nader,—Denkt ge er wel aan, want de tijd maakt spoed,—Wat wij voor een tijd nog jaren waanden,Krimpt allengskens in, tot weinig maanden—Dat gij jongenlief, ook loten moet?—«Vader ja! maar laat mij ook eens spreken:Mij is ’t of het hart mij haast gaat breken,»Zegt de Moeder, met een traan in ’t oog;«’k Heb van nacht veel moeten zien in droomen,’k Zag en hoorde breede waat’ren stroomen,—Overspand door eenen bruggenboog;—In de diepte hoorde ik ’t ijs in schotsen,Tegen bruggenpijlers bonzen, klotsen,’k Stond eensklaps verbijsterd in mijn droom.Op de brug zag ik toen der soldatenHelmen blinken, en ter neêr gelaten,Nu op eens, brug en ’t al in den stroom:Eene dikke rookwalm steeg ten hemel!Maar beneên in ’t water, wat gewemel,Welk een worst’ling eener menschenklomp,Waaruit hoofden, rompen, armen, voeten,Wriemelend te voorschijn kwamen wroeten;Of waar ’k man aan man, en romp aan romp—Half bedekt door ’t vriezend nat zag drijvenOp een ijsschol, waar het langer blijven,Ook de dood hen zeker heeft verwacht;Waar door zucht tot zelfbehoud gedreven,Door een duw van ’t glibbrig vlot deed sneven,Vriend den vriend, in ’s waters killen nacht.—Velen, daar, met uitgestoken armen,Riepen om een helper, om erbarmen....En eensklaps heb ’k toen een stem gehoord!’t Was een stem, die «Moeder! Moeder! Vader!Vader!» riep, ach kom toch nog wat nader!»...O met dolken werd mij ’t hart doorboord!O doorpriemd tot ontelbare wonden....Wat heb ik dien nacht niet ondervonden!O ’t was eene lange jammerkreet,Die steeds riep «o luister naar mijn klachten!Ziet gij niet van verre, hoe mijn krachten,Mij begeven, hoe mijn voet, mijn kleed,Vast vriest reeds aan de ijsschots, die als razend,Voortgejaagd door ’s stormwinds kracht, en blazendIn mijn mantel, des te sneller vliedt?Ziet gij niet hoe mijne kameraden,In de hooge golven ploffen, baden?Ziet zij duiken onder, ziet gij ’t niet?Zaagt gij ’t niet hoe de een na de ander, neder,Tuimelde in het nat, om nimmer weder,Naar omhoog te komen, nimmer, neen!En ik zelf voel van mijn schots me ook glijden!Vâ! Moê! wilt een laatsten blik mij wijden!’k Zie u immers door den nevel heen!Want ik zink, ik ben, ik ben verloren»....—’k Meende ’t duidelijk te kunnen hooren,Dat het was de zoo bekende stem,Die mij ’t eerste «Moeder! Goeden morgen!»Vroolijk toeriep die mijn werk, mijn zorgen,Deelde, waarlijk ’t was de stem van Hem!Van Hem, van mijn een’gen lieven Jongen.—O ik! ik ware op hem toegesprongen;Met mijn adem had ’k hem losgedooid;’k Had van de ijsschots met hem willen zinken;In denzelfden golf, met hem verdrinken;Mijn laatst’ kleedingstuk, om hem geplooid.—Maar eensklaps verborgen nevelwolken’t Al, ’k zag nog hoe trechtervorm’ge kolken,Hem van de ijsschots zogen, dat hij viel,....In de nevelmassa’s zag ’k, hoe zwaarden,Speren, dolken, door elkander waarden,Hoe hun scherpte sneed door mijne ziel.»....Alles ging geregeld steeds zijn ouden gang;Was ’t ook dat verbleekte merkbaar ’s Moeders wang;Was wat minder spraakzaam soms ook de oude man,Alsof een gedachte hij niet bannen kan,Die maar altoos, altoos, niet wil zijn geweerd;En opnieuw, voortdurend, immer wederkeert!Nu vooral, nu weer de tijd van loten komt,En hij op zijn vingers dikwijls samensomt,Uit zijn ganschen omtrek wie het zijn: hoeveel,Weder aan de loting dit jaar nemen deel.En dan is ’t, al krimpt hem ’t hart bijna ineen,Want met één jaar reeds moet ook zijn Een’ge heen;Nog ééns zaaien en dan nog éénmaal slechts de oogst,Binnenhalen; nog één winter op zijn hoogst;Tot den tijd des Leeuw’riks eersten jubelzang,Zoo kort kan het duren nog, ach! slechts zoo lang;Dan beslist ook voor hem, onzen jongen, ’t lot,Of naar Frankrijks keizers machtwoords wreed gebod,Hij wordt opgeroepen, tenzij met veel spoed,Have en land een plaatsvervanger stellen doet.Zeg! hoe wilt gij dan, gij man met uwe vrouw?Vraagt hij zich soms af, wat men dan wel doen zou,Als ongunstig ’t lot besliste voor den zoon.Zouden wij voor onzen een’gen, onzen kroon,Onzen laatsten penning offren niet, als ’t moet,Onzen steun des ouderdoms, voor eigen bloed?»«Stel uw bezwaren,Die er ooit waren,Vader ter zijde;Want wat ik lijde,Kan ’k niet beschrijven...Och laat mij blijven!—’k Wil voor u zwoegen,Spitten en ploegen,Mesten en zaaien,Graven en maaien,Harken en hooien,Snijden en rooien;Lasten wil ’k torschen;’t Koren zal ’k dorschen,’t Vee steeds verzorgen,Vroeg van den morgen,Tot aan den avond,Zweetend en dravend.’t Zal nooit te zwaar zijn,Als ’t slechts moog waar zijn,Moeder en Vader!Zegt het te gader,Zegt het mij beiden:Wij zullen ’t leiden,Zoo, dat het zij nu,Dat ik blijv’ bij U!»—Maar helaas! de Vader draalde,Dat hij zijnen een’gen zoon,Vrijkocht voor ’t geëischte loon.En de winzucht zegepraalde.Zwaarder wogen geld en goed,Dan het eenig Kind, zijn bloed.Nu men ook dat eenig Kind,Door het lot dienstplichtig vindt.—«Man! nu zie ik,In, wat mijn droom,Zeggen wou toen:Brug, ijs en stroom!O mijn lief Kind!Ach! het is waar,Gij moet dan heen,Dat is mij klaar.O gij mijn Zoon!’k Mis u weldra.—Waar’ het te doen,’k Vloog u dan na,Opdat ik dan,Daaglijks u zag,En met u trok,Van dag tot dag;Terwijl ik zou—Stondt gij op wacht,Trots koude en trots sneeuw,Trots zwarte nacht—U zijn tot hulp,U zij nabij;Stondt ge in ’t gelid—Stondt ge in de rij—Ik stond er naast:Bleef u gewijd:Kwam eerst, bleef laatst;Bleef heel den tijd,Opdat ik lang,Met u kon zijn.—O wat een smart!O wat een pijn!Als gij van hier,Zijt weggegaan;En ’k om ons heen,Moet gadeslaan,Dat ’k u niet zie;Dat gij er mist,Waar ik u steeds,Dagelijks wist:Daar in den hof,Ginds op het veld,Of in den tuin,Van waar ge meldt,Mij het «Mooiweer.»Of bij ’t ontbijt,«Koud is ’t nog» zegt.Of te etenstijd,Eensklaps vertelt:Dat de Ooievaar,Gij voor het eerst,Zaagt in dit jaar.Dat wellicht weer,Onze akker vlas,Naar ’t lijkt, geeft,Een goed gewas;Dat reeds de Jut,—Dat de Reinet,Pippeling, ook,—Goed knoppen zet.Roodbonte weer,Zooals ’k wel dacht,Een goed maal geeft,Gelijk zij placht.—Dat op de «Vier»,Klaver door ’t gras,Weêr genoeg staat,Zooals ’t steeds was.—Ach gij lief kind!Gaat dan niet weer,Zooals wij soms,Menige keer,’s Avonds na ’t werkGingen, langs ’t graan;—Zagen vol vreugd,’t Bloemtuintje eens aan:Naar ’t bloeiend bed,Van Duizendschoon,Naar ’t Goudsbloemperk,Ik met u Zoon,Och! och! zoo vaak,—Mijn Lieveling!—Niets blijft mij, danDe erinnering.»«Nu blijft er o Vader,—Nu ’k ’t al heb gehoord;Nu blijft er o Moeder,—Niets over: ’k moet voort!En waarom o Vader,Niet dadelijk, toen,Eensklaps toegeslagen?Waarom ’t niet te doen?—Nu gaat uwe jongen,Ja zeker hij gaat;Hij moet weg, voor altijd,Maak vast daarop staat.—Nu leg ik de spade,En vlegel ter neer;Die wissel ’k met ransel,En met het geweer.Mijn werk op den akker,De stilte van ’t huis,Verruil ’k voor kazerne,Kommando, gedruisch!»«Ja zoon! het breekt mij ’t hart;Uw Vader weent van smart:Heb met hem mededoogen:Heb ’t met zijn grijzend hoofd,Dra van zijn kind beroofd,—Den appel zijner oogen!—Uw lieve Moeder schreit,Staâg in haar eenzaamheid,De dagen door en nachten.Zij spreekt uw naam nog slechts,....Zij ziet naar links, noch rechts;Niets kan haar leed verzachten.»«Maar Vader! dat doet zeer,Dat gij zoo telkens weer,Nooit kondet toch besluiten,Ter wille van wat duiten,Om, toen het tijd nog was,Gij toch, met een woord, ras,Niet dacht mij vrij te koopen.Maar o! ’t is zoo te hopen,Dat u dit niet berouwt,En wee en smart u brouwt,Als eens na maanden, jaren,Gij van mijn wedervaren,Noch taal noch teeken hoort;Als ik in ’t verre oord,Dien, tot kanonnenvoeder.En Vader! lieve Moeder!Hoe zal ’t met u voortaan,O Moeder, Vader gaan?Als steeds, na vrees en hopen,Als jaren zijn verloopen,Gij wanhoopt, om mij weerTe zien, slechts éénen keer?«Ik mag er niet aan denken,Mijn allerliefste Zoon!Dat Moeder u moet missen,Mijn Kind, mijn Al, mijn Kroon!Geen slaap bevangt mijn leden;Geloof het van uw Moe,Dat sedert vele nachten,Geen oog sloot ze even toe.Ik voel, ik zal na dezen,U nimmer wederzien,Al kwaamt na vele jaren,Gij ook terug misschien.Men zal u ’t graf dan wijzen,Waar uwe Moeder rust,Van leed en zorg en kommer,En smart dan onbewust.En u er bij vertellen,Hoeveel zij om u leed,Dat niemand kan gevoelen,Die niet een Moeder heet!»«Vaarwel! al wat ’k liefhad, vaarwel wat ik minde!Vaarwel! veel geliefd huisje in schaduw der Linde;Vaarwel mijne bloemtuin, mijn Muurbloem, mijn Roos!Mijn Klokjes, mijn Lelies en mijne Tijloos!Mijn vroegrijpe Peervrucht, naar wier roode wangen,Als kind ik in Juli begon te verlangen;Vaarwel ook mijne akker, waar ’t zomerseizoen,Ik ploegde en ik spitte, waar ’k rustte in het groen;Vaarwel, mijne makkers, mijn vrienden, mijn buren!Vaarwel duizend malen, gelukkige urenDie ’k doorbracht, met allen in schuldloozen kout!Vaarwel lieve plekjes, zoo graag steeds aanschouwd!Mij dierbaar geworden in negentien jaren:Getuigen van ’t spelen, van mijn wedervaren!Getuigen van schuld’loos genieten en vreugd,Van ’t blijde verleden, de tijd mijner jeugd!O zal ’k u dan weerzien, ook eenmaal, of nimmer?O wat ’k moog vergeten, u nooit, neen o nimmer!Zal ’k toeven er in mijne erinnering nog,’t Blijft leven als droomen aan ’t vaderhuis toch.Wat zal van hen worden, van mijn lievelingen!Als Caro niet meer bij mij poogt op te springen,En hij nimmer weder zijns vriends handen lekt,Behagelijk weer aan mijn voeten zich strekt.En gij mijne vriendjes, mijn dierbaar paar duiven,Die op mijn geroep steeds door ’t luchtruim kwaamt stuiven,En op mijne schouders in eens nederzat,Fluks uit mijne handen de korretjes at,Hoe zonder u liev’lingen, zal ik het maken?Wie zal als ik weg ben, getrouw voor u waken?Hoe zal het u zijn toch, als gij mij niet meer,Na morgen vroeg weer ziet, nu nog slechts een keer!Wie zal voor u zorgen, als vader en moeder?Voor til of voor kooitje, voor drinken, voor voeder?De vriend uwer jonkheid is verre dan heen:Als weesjes blijft ge achter, als weesjes alleen!»«Wel jongen! wij zorgen,—Ik Vader en Moê,Van af, als gij morgenWeg zijt. En wat ’k doe,Dat doe ’k naar behooren:De vogels, den hond,—Dit zeg ’k u te voren,—Verzorg ik terstond,Alsof gij het zelf deedt,Met zaad en met brood,Zoo ge ook wel van zelf weet:Dus dat heeft geen nood.—En als gij na weken,Reeds weer bij ons zijt,Zult gij er van spreken:Van toen gij gingt henen,(’k Denk gij staat verrast,Ik zoude het meenen,—)Of ’k heb opgepast!Och wilt toch niet weenen:De tijd gaat zoo vlug,Gaat vliegend daarhenen:Dra zijt gij terug.»—«Uw Moê ziet thans u trekken van hier;Tot naar ’s werelds uiterste einden schier;U marcheeren, belast en bepakt,Uitgeput, moedeloos en verzwakt.Voorwaarts ’t gelaat, steeds onafgewend,Onder vreemden, wier taal gij niet kent,Met halve wilden opgemarcheerd,Geblakerd, verkleumd en uitgeteerd,Niet tegen vorst of hitte beschut,Onder ’t bereik van ’s vijands geschut,Enkel tot doel van het kanonnenvoêr,—Naar u gericht, als staande op den loer;Gij mijn Een’ge, die ’k op mijnen schoot,Koesterde, thans volwassen en groot,—Zie ik van mij voor altijd gescheurd,Meedoogenloos ter slachtbank gesleurd.—Tranen, heb ik mijn Liev’ling niet meer....Voor ’t laatst omhels mij, ach! misschien nooit weer!En nu mijn Dierbre, vaarwel, ga met God!Hij leide U, bestier verder uw lot!»«Hier Jongen, treed uw Vader,Nu om zijn handdruk nader:Hij wenscht u ’t beste en alles goeds,«Blijf opgeruimd en zijt goedsmoeds!»«O vader ’t is te hopen,Dat geen berouw ’t u baart,Daar uwe zilverlingen,Meer dan mij, u zijn waard.Vaarwel nu ook gij Vader!Gij sloegt het in den wind,Toen vriend en maag u zeiden:Doe ’t om uw eenig kind.—Gij hadt uw bundel schijven,Veel liever dan uw bloed,....Vaarwel dan mijnen Vader,De tijd is om, dat ’k moet.»—En thans gaat hij henen; pas schemert de morgen;Op ’t haantje des torens, blinkt de eerste uchtendgloor;In scheem’ring en nevel is ’t al nog verborgen,Wijl hij het ontwakende dorp stil stapt door.—Menig venster wordt geopend,Door een vriend of vriendin, hopend,Hem nog toe te kunnen knikken,Hem nog na te mogen blikken,Eer hij op zijn verd’ren koers,Wegduikt in het nevelfloers.—En steeds gaat hij verder, dan sneller, dan zachter;Keert eind’lijk voor ’t laatst, zich nog eenmaal naar achter,Groet over den gevel van zijn naasten buur,Des daks nok in ’t halflicht, zijns Ouderen schuur.«Vaarwel! Verleên ’s mijlpaal, vaarwel! allerlaatste;’k Vergeet nooit deez’ morgen, welks licht wederkaatste,Op ’t glas van het ouderlijk schuurtje mij toe!O wist gij hoe ’k lijde, o mijn Vâ, o mijn Moê!»Sprakeloos in tranen badend,Radeloos, de dood in ’t hart,Zit terneêrgehurkt een moeder,Als gebroken door de smart;—Bange klachten, diepe zuchten,Slaakt bij poozen slechts haar mond,Want er kliefde een zwaard haar ’t harte;Sloeg haar ziel de zwaarste wond:Ach! haar lieveling ging henen;Ach! haar een’gen lieveling,Die gescheurd van haar, voor immer,Thans voor altijd henenging.—«Is dit de weg naar Buitenpost,En zoo naar Groningen?»—«Kom binnen in mijn woning; enNeem plaats.»«’k Ben afgelost;Adjé! nu den soldatenrok!Marsch op naar de oude luidjes;Geen sabel meer: een wandelstok,De zak vol vreemde duitjes.»In ’t jaar van achttien honderd dertien,Sprak aldus eene snorrebaard,Tot zeker vrouwtje, bij haar huisje;Zij noodde hem toen bij haar haard.«Kom vreemde man» zei zij, «rust uit!Gij zult wel willen rusten;En misschien na een langen marsch,Wel ’t eene of andre lusten;Het is bij ons thans rustenstijd;En ’k ga mijn man nu wenken;Hij werkt daar ginder op het land,En ’k wil dan koffie schenken.»«Gij woont hier met uw drieën Vrouw?Gij met uw Zoon en met uw Man?Of Dochter naar ik gissen zou,Zooals ik half wel merken kan;Hoe of ik dat toch zoo maar weet,Of hoe ik die opmerking deed?—Daar een drietal schoteltjes staan klaar,Met kopjes op de tafel daar!»«Maar goede Vrouw, wat deert u toch?Zoo even was het anders nog,En thans zie ’k tranen in uw oog,Wat toch zoo zeer uw hart bewoog!—Ach goede Vriend! sinds jaar en dag,Als ’k der soldaten rok maar zag,Ben ’k niet meer die ik anders was,En pakt mij zoo iets vreemds alras.»«Dan Moeder, dan heb ik misschien,Zoo dadelijk al goed gezien:Gij hebt een Zoon, een eigen Kind,Dat verre zich van u, bevindt?»«’t Is vriend of gij er meer van weet:Dat ’k u dus nog eens welkom heet!»«Ik hoorde ginder aan den weg,Bij ’t huisje met zijn doornenheg:»«Die Krijgsman komt wis ver van hier,In uniform, versleten schier;Is ver gereisd, heeft veel doorleefd:Waarvan het al getuig’nis geeft.’t Is of hij ergens wezen moet;Heeft hij een brief, heeft hij een groet?»—Men vroeg mij: «moet gij denk’lijk ook;Dáár zijn, waar juist de schoorsteenrook,Zoo kronkelt uit de lage schouw,Van ’t gindsch vervallen oud gebouw?Want zie, daar woont een oudrenpaar,Welks een’ge Zoon, voor dag en jaar,Van hier optrok, als jong soldaat;Zijne ouders kregen ’t gauw te kwaad,Nu hij voor goed niet wederkwam.Hij, de Oude, werd allengskens stram,En mist hem in zijn boerderij;Hij kocht zijn Zoon bijtijds niet vrij,Ter wille van het lieve geld;Te zeer was hij daarop gesteld,Ofschoon hij het zoo ruimschoots heeft;—Zijn Vrouw, die als in droomen leeft,Spreekt anders niet meer dan «mijn Kind»,Komt men er, wis, dat men haar vindt,Alsof zij steeds haar Zoon verbeidt;De koffie houdt zij steeds bereid;Zijn schoteltje en zijn kopje zet,Ze op tafel klaar zooals zij het,Na zijn vertrek steeds daaglijks deed.—Zeg! hebt gij iets, o! ik, ik weet:Gij zijt er een welkome gast.—O! als gij hen met iets verrast,Al is het maar een enk’le groet,Vergeet het niet: ’t doet hun zoo goed!»—«Bedankt! dat gij den weg mij weest,Maar voor de inlichting wel het meest.»«Dus vreemde Man, dus weet gij wat?Hoe hij het heeft,mijn Zoon, mijn Schat?»«Och goede Moeder, vraagt ’t mij niet...—Een brief, dien hij mij achterliet,Vertelt hoe hij het zoo wat had:—Hoe gemarcheerd, van stad tot stad,Hij dacht, verlangde en ondervond,—En dezen brief uit Moskau zond,Met het verzoek, dat als hij niet,Weer thuiskwam, mij dien achterliet:Opdat ik u hem overgaf,Als ik eens mijnen wandelstaf,Naar deze streken zetten mocht,En u hier uit te vinden zocht.»«Ontvang dit schrijven dan o Vrouw:Dit schrijven dat uw Kind u zond.O! ik bewaarde het getrouw,En blij ben ’k dat ik u toch vond!»«Ach vriend, lees gij den brief maar voor;Uw komst bracht mij geheel van ’t spoor.»«Vader! Lieve moeder!Thans schrijft u uw kind:Dat, o lieve Ouders,—Ik reeds ondervind,Dat waar ’k al voor vreesde,In vervulling gaat.—Er is niet eens sprake,—Wie thans is soldaat,—Om te mogen hopen:—’t Ouderlijke huis,Weer vooreerst te aanschouwen;Want het krijgsgedruisch,Dreunt door alle landen;En van dag tot dag,Gaat het altijd verder;En wien ’k gister zag,Van mijn kameraden,Zie ’k vandaag niet meer.En wie ’k heden samen—Wand’len zie, nooit weer.Want naar alle streken,Is met hen ’t geval,IJlings te vertrekken,—Dat zij sedert al,Eensklaps andre koersen,Ingeslagen zijn,—Wijl zij ’t nauwelijks wisten:Of naar Weichsel, Rijn,Of naar ’t Spaansche land,Of Itaalje’s bergen;Weet ik naar wat kant?»—«’k Zag den grooten Keizer!Hem, Napoleon,Ons eenmaal passeeren:’k Tuurde wat ik kon;’k Zag dat klein persoontje,In de paleisdeur;—Door het luchtruim trilde:’t «Vive l’Empereur.»Maar ik dacht o Ouders!Aan u Bei, veel meer,Dan, dat ik ook juichte,Maar een enk’le keer;’t Heimwee perste tranen,Uit mijn droomrig oog,Van het grootst verlangen...—Ach de hoop bedroog,Mij zoo vele malen;Daar ’k zoo dikwijls dacht,Weer te keeren kunnen,Waar ik zoo naar smacht.Maar dat ligt in ’t verreNevelig verschiet;Toch, toch blijf ik hopen!In mijn stil verdriet.»«O vergeet mijn Vriendjes,Mijne Caro niet!Ook niet mijne Duifjes!Die ik achterliet,Als mijn lievelingen!—En in uwe zorg,Zoo heb aanbevolen;Uw woord is mij borg,Dat gij voor hen zorgen,Altijd zorgen zult;’k Weet dat ge uw beloften,Trouw steeds hebt vervuld.—En ontvang bij dezen,Ver van hier mijn groet,Met mijn beste wenschen,En blijv’ welgemoed!»—«Maar beste Man, waarom kwam hij,Met u niet hier, kwam hij niet vrij?»«Ach! ’t u te zeggen, valt mij zwaar,O Moeder, maar ’t is al te waar...Kort, nadat uwen Zoon mij gafDeez’ brief, vond hij mijn vriend, zijn graf,In Beresina’s killen vloed....Hij wuifde nog, ten laatsten groet...—«Waarom stierf uwe Moeder niet,Met u mijn Kind, toen in den vliet!Thans vat ik, wat mijn droom beduidt;Als wreede werk’lijkheid kwam ’t uit...O Lieveling! stierf ik nu maar,Mijn Eenige en was ik ook daar,Bij u, waar gij mijn Zoon nu zijt.Me ontrukt toch slechts voor korten tijd.Met alles, wat mij lief op aard,In ’t leven ’t dierbaarst en ’t meest waard,In mijnen ouderdom nog was.Uw Moeder volgt, ja volgt U ras!En vindt U, waar voor eeuwig vreê,Geen krijg meer is, noch smart, noch wee.»Ach, de Arme voelt, dat zij gaat sterven.—Om niet haar laatsten wensch te derven,Wijst zij naar ’t dierbaar Kopje heen,Naar ’t haar lief Schoteltje meteen;Wil er voor ’t laatst nog eens uit drinken,Eer ze in den doodslaap weg gaat zinken:Als laatste erinn’ring aan haar Zoon,—«Mijn Vriend» lispt zij: «dit zij uw loon!»Waar ik uitdronk zal ’t uwe wezen,....Mijn Kind dronk er steeds uit voor dezen.Het mocht niet weer. Nu vader oudEn grijs is, dat hij van u houd’,Als tweeden Zoon, na mijn verscheiden;Gij blijv’ zijn kind, Één word’ gij beiden.Hij deel’ zijn goederen u toe,Zooals ik met al ’t mijne u doe...»—Vijf dagen hierna—het was oogsttijd geworden;De stoppels bij de Oostersche droogte verdorden—Riep ’t klipklap der dorpsklok luide over het veld,«Dat men thans eene Arme ter aarde bestelt.»Een Vrouw die vergeefs haren Liev’ling verwachtte;Wier leed was berusting; die nimmer een klachteGeloosd heeft; die morde nooit tegen haar lot,Maar leefde en ontsliep in vertrouwen op God.—Een Tweetal deed de Baar geleide.Wel voelde de Oudste dubbel zwaar,—Van de rouwdragenden dier Beide,—Den looden gang achter de baar.De wroeging van het niet te kunnenHerstellen, snoert hem mond en keel;Dat hij zijne Een’ge niet wou gunnen,Een deel zijns schats, een luttel deel:Opdat hij steeds bij hem kon blijven;Dat enkel liefde tot zijn geld,Zijn Kind naar Rusland heen deed drijven.De ellende heeft hem neêrgeveld;’t Lijk zijner vrouw, die stierf door ’t lijden,Volgt hij thans ter begrafenis;En voelt, bij ’t naar het graf te schrijden,Zoo diep, zijn dubbel zwaar gemis.—
Zij hadden een huisje met eenigen grond;Hun eigendom lag daar zoo mooi afgerond;De weg, die door ’t dorp liep, ging gansch er langs heen;’t Zag netjes er uit steeds, al was het wat kleen.
’t Verschilde van de andere huizen niet veel;Een dubbele boomrij van wilg en abeel,Beschermde bij wintertij, tegen ’t Noord-West,Den schoorsteen en ’t stroodak van ’t huisje opperbest.
Geen sieraad of weelde werd er aan ontwaard,Want de eigenaars waren van deeg’lijken aard;En wat ze overhielden, werd stil opgetast,In plaats van verbruikt ooit, in lade of in kast.
En niemand zou zeggen, als ’t huisje men zag,Dat bijna een schat zelfs, verborgen daar lag;Twee vensterkes klein maar, gordijntjes wat flets,Gaf ’t aanzien aan alles: «geheel ouderwetsch.»
Eene eeuw wel ten achter, bij hunne overbuur;Wiens groote kozijnen in zijn gevelmuur,Pas groen opgeschilderd, in schittrende kleur,Wedijverden met het lichtbruin zijner deur.
Maar ondanks ’t verguldsel van weelde en pracht,Werd zijn geld en goed toch als weinig geacht.En klopte de geldnood soms eens bij hem aan,Deed hem tot leenen naar buurman wel gaan.
Zoo werd het ten leste, allengskens aan ’t end,Door ’t dorp en omstreken voorgoed ook bekend,Dat onze oude luidjes van ’t huisje, maar steeds,Voor den ouden dag goed gespaard hadden reeds.—
Op ’t hun dierbaar klein stuk aarde,Waar zich rust met eenvoud paarde,Leefde ’t echtpaar met hun zoon,’t Eenigst kind, hun al, hun kroon;Naast hem, was hun beste gave,’t Kleine goedje, en hunne have.Anderhalve bunder grond,Lag om ’t boerderijtje in ’t rond:Akkerland en klaverweide,Zoowat om de helft van beide—En ’t met zorg bebouwde land,—Onder ’s bouwheers nijvre hand,—Bood hun nooddruft, meer dan noodig;’t Zuivel werd haast overbodig,Voor hun daag’lijks onderhoud,Aan de zorgen toevertrouwd,Van de huisvrouw, die de koeien,Tot een melkopbrengst deed groeien,Deed vermeerd’ren bij den dag,Waarvan men geen weêrga zag.En hun trots, hun een’ge jongen,Was reeds van ’t besef doordrongen:Wie volmaakt een akkerman,Zijn wil, en het worden kan,—Moet de spade en hark vroegtijdig,Reeds hanteeren, moet veelzijdig,Zich ontwikk’len, opdat hij,Eenmaal knap en handig zij.Daarom, uit de school gekomen,Fluks de hark ter hand genomen,Die hij op den akker ziet,Waar zijn Vâ haar blijven liet.En slaat straks diens arbeid gade,Hoe hij werkt, met schop en spade,Zonder dat hij ’t nog behoeft.—Somtijds zijne kracht beproefd,Bij den oogst, met zeis of sikkel,En het wordt hem dan ten prikkel,Als zijn vader zegt, «’t gaat goed,»—Dat hij ’t straks nog beter doet.
Maar het knaapje wordt steeds ouder;En hij neemt van ’s vaders schouder,—Nu hij vijftien jaren telt,—Een deel arbeids. En in ’t veld,Van des daag’raads eerste glimmen,Tot des avonds gouden kimmen,Gunt hij zich slechts luttel rust:Want dat leven is zijn lust.Zijne wereld is zijne akker,Uit welks groen hem ’s morgens wakkerVink en Leeuwerikje zingt,Dat hem weer tot arbeid dringt.En tot nieuwen lust herboren.Ploegt of wiedt hij, zaait de voren,Of neemt voor den ouden man,’t Werk weg, wanneer hij ’t maar kan.Helpt soms de oude Vrouw bij ’t melken;Dreigt haar bloemtuin te verwelken,Merk! hoe hij het daad’lijk ziet,En ’t gebloemt’ met vocht begiet.—Is eenmaal weer de oogst geborgen,—Eischt het veld niet meer zijn zorgen,Dan bij stillen wintertijd,—Steeds met onverdroten vlijt,Altijd ijvrig, altijd kregel,—Dorscht hij ’t koren met den vlegel,’t Graan waartoe met eigen hand,Hij eens zaaide en had geplant.En betaalt aldus de rente,Reeds in zijne levenslente,Daar hij voor de kinderschuld,Zoo zijn ouderplicht vervult.—En bij ’t vlammen op het haardje,Zit hij bij het oudrenpaartje,’s Avonds vreedzaam bij het vuur.—Komt er soms een goede buur,Dan is alles in de nopjes:Moe neemt dan een viertal kopjes,Dito schoteltjes daarbij;Uit het kastje van ter zij.—Daag’lijks heeft zij drie slechts noodig,Dan is ’t vierde er overbodig:Twee voor ’t manvolk, één voor Moe:En kan zij metdriedan toe.—
Zoo bij ’t kouten met de buren,In de winteravonduren,Wordt men eind’lijk uitgepraat,Nadat over vee en zaad,Men ten eind raakt, dat in landen,Waar de bergen, rooken, branden,Men van krijg, van oorlog, hoort.—Zachtkens drijft zoo ’t leven voort,Tot de vrees elk slaat om ’t harte,Door een zeek’re Buonaparte,Waarvoor heel Europa beeft,—Die naar niets dan krijgsroem streeft,Naar dat men alom vertelde;En eerlang trekt hij te velde,Naar ’t onmeet’lijk Rusland uit,Om weer meerder roem en buit.—En tot voêr voor zijn kanonnen,Is een loting hij begonnen:Zoodat ieder jongeling,—’t Zij hij rijk is of gering,—Zal een nummer moeten trekken.Wie te laag trekt, kan zich dekken,Door een duren remplaçant;En men hoort van allen kant,Dat zij, die eens heêngaan, allen,Nimmer wederkeeren; vallen,Door de scherpte van het zwaard:’t Is of de doodsengel waart,Door de wereld, op dit heden,Door gehucht, door dorp en steden,Is ’t of eene kreet van smart,Stijgt uit menig ouderhart.’t Is of weer uit Bethl’hems dreven,Rachel’s kreet wordt aangeheven,Die haar kinderen beweent;—Half de wereld schreit en steent:Ginds een oude grijze Vader,Met het Moedertje te gader;Weer een arme weduw’naarHier; een schaam’le weduw’ dáár;Om hun steun der oude dagen,Die hun ouderdom zou schragen,Hun ontrukt, en om misschien,Nimmer, nooit hen weêr te zien.
’t Kind der hoop, het kind met zorgen,Opgevoed, zoo wel geborgen,Nog zoo hulpbehoevend, zwak,Onder ’t ouderlijke dak,Steeds bewaard, en steeds gekoesterd,Steeds door moederzorg gevoedsterd,Zij hunne een’ge hulp en heul,—Zal Europa’s menschenbeul,—Hen, de oogappels hunner Vaders,Zal hij ’t bloed uit hart en aders,Van het o zoo dierbaar kroost,In het barre en ijzig Oost:Of wel aan Itaalje’s kusten,—Tappen, als met duivels lusten?Of dat Spanje’s dor gebergt,’t Leven van die dierb’ren vergt?Hij, der oudren een’ge Voeder!Of der Zuster een’ge Broeder:Een’, des Grootvaârs naamgenoot,Van den stam de laatste loot,Een, van heel ’t geslacht de leste,Die van allen, hen nog restte:—Hij, in den familiekring,Der verwanten lieveling;De edelste van al zijn vrienden:En wie hunner, lof verdienden:Hij, in de allereerste plaats:De gevierdste zijner maats;Wiens verschijnen, alle schoonen,Blosjes toov’ren op de koonen.—’t Bulderen van het kanon,Van den beul Napoleon,Overstemde ’t schreien, snikken,In de laatste oogenblikken,Van zoo menig jongeling,Die voor altijd henen ging.—«Jongenlief,» sprak de oude Vader:«Denkt ge er wel aan dat de tijd komt nader,—Denkt ge er wel aan, want de tijd maakt spoed,—Wat wij voor een tijd nog jaren waanden,Krimpt allengskens in, tot weinig maanden—Dat gij jongenlief, ook loten moet?—«Vader ja! maar laat mij ook eens spreken:Mij is ’t of het hart mij haast gaat breken,»Zegt de Moeder, met een traan in ’t oog;«’k Heb van nacht veel moeten zien in droomen,’k Zag en hoorde breede waat’ren stroomen,—Overspand door eenen bruggenboog;—In de diepte hoorde ik ’t ijs in schotsen,Tegen bruggenpijlers bonzen, klotsen,’k Stond eensklaps verbijsterd in mijn droom.Op de brug zag ik toen der soldatenHelmen blinken, en ter neêr gelaten,Nu op eens, brug en ’t al in den stroom:Eene dikke rookwalm steeg ten hemel!Maar beneên in ’t water, wat gewemel,Welk een worst’ling eener menschenklomp,Waaruit hoofden, rompen, armen, voeten,Wriemelend te voorschijn kwamen wroeten;Of waar ’k man aan man, en romp aan romp—Half bedekt door ’t vriezend nat zag drijvenOp een ijsschol, waar het langer blijven,Ook de dood hen zeker heeft verwacht;Waar door zucht tot zelfbehoud gedreven,Door een duw van ’t glibbrig vlot deed sneven,Vriend den vriend, in ’s waters killen nacht.—Velen, daar, met uitgestoken armen,Riepen om een helper, om erbarmen....En eensklaps heb ’k toen een stem gehoord!’t Was een stem, die «Moeder! Moeder! Vader!Vader!» riep, ach kom toch nog wat nader!»...O met dolken werd mij ’t hart doorboord!O doorpriemd tot ontelbare wonden....Wat heb ik dien nacht niet ondervonden!O ’t was eene lange jammerkreet,Die steeds riep «o luister naar mijn klachten!Ziet gij niet van verre, hoe mijn krachten,Mij begeven, hoe mijn voet, mijn kleed,Vast vriest reeds aan de ijsschots, die als razend,Voortgejaagd door ’s stormwinds kracht, en blazendIn mijn mantel, des te sneller vliedt?Ziet gij niet hoe mijne kameraden,In de hooge golven ploffen, baden?Ziet zij duiken onder, ziet gij ’t niet?Zaagt gij ’t niet hoe de een na de ander, neder,Tuimelde in het nat, om nimmer weder,Naar omhoog te komen, nimmer, neen!En ik zelf voel van mijn schots me ook glijden!Vâ! Moê! wilt een laatsten blik mij wijden!’k Zie u immers door den nevel heen!Want ik zink, ik ben, ik ben verloren»....—’k Meende ’t duidelijk te kunnen hooren,Dat het was de zoo bekende stem,Die mij ’t eerste «Moeder! Goeden morgen!»Vroolijk toeriep die mijn werk, mijn zorgen,Deelde, waarlijk ’t was de stem van Hem!Van Hem, van mijn een’gen lieven Jongen.—O ik! ik ware op hem toegesprongen;Met mijn adem had ’k hem losgedooid;’k Had van de ijsschots met hem willen zinken;In denzelfden golf, met hem verdrinken;Mijn laatst’ kleedingstuk, om hem geplooid.—Maar eensklaps verborgen nevelwolken’t Al, ’k zag nog hoe trechtervorm’ge kolken,Hem van de ijsschots zogen, dat hij viel,....In de nevelmassa’s zag ’k, hoe zwaarden,Speren, dolken, door elkander waarden,Hoe hun scherpte sneed door mijne ziel.»....
Alles ging geregeld steeds zijn ouden gang;Was ’t ook dat verbleekte merkbaar ’s Moeders wang;Was wat minder spraakzaam soms ook de oude man,Alsof een gedachte hij niet bannen kan,Die maar altoos, altoos, niet wil zijn geweerd;En opnieuw, voortdurend, immer wederkeert!Nu vooral, nu weer de tijd van loten komt,En hij op zijn vingers dikwijls samensomt,Uit zijn ganschen omtrek wie het zijn: hoeveel,Weder aan de loting dit jaar nemen deel.En dan is ’t, al krimpt hem ’t hart bijna ineen,Want met één jaar reeds moet ook zijn Een’ge heen;Nog ééns zaaien en dan nog éénmaal slechts de oogst,Binnenhalen; nog één winter op zijn hoogst;Tot den tijd des Leeuw’riks eersten jubelzang,Zoo kort kan het duren nog, ach! slechts zoo lang;Dan beslist ook voor hem, onzen jongen, ’t lot,Of naar Frankrijks keizers machtwoords wreed gebod,Hij wordt opgeroepen, tenzij met veel spoed,Have en land een plaatsvervanger stellen doet.Zeg! hoe wilt gij dan, gij man met uwe vrouw?Vraagt hij zich soms af, wat men dan wel doen zou,Als ongunstig ’t lot besliste voor den zoon.Zouden wij voor onzen een’gen, onzen kroon,Onzen laatsten penning offren niet, als ’t moet,Onzen steun des ouderdoms, voor eigen bloed?»
«Stel uw bezwaren,Die er ooit waren,Vader ter zijde;Want wat ik lijde,Kan ’k niet beschrijven...Och laat mij blijven!—’k Wil voor u zwoegen,Spitten en ploegen,Mesten en zaaien,Graven en maaien,Harken en hooien,Snijden en rooien;Lasten wil ’k torschen;’t Koren zal ’k dorschen,’t Vee steeds verzorgen,Vroeg van den morgen,Tot aan den avond,Zweetend en dravend.’t Zal nooit te zwaar zijn,Als ’t slechts moog waar zijn,Moeder en Vader!Zegt het te gader,Zegt het mij beiden:Wij zullen ’t leiden,Zoo, dat het zij nu,Dat ik blijv’ bij U!»—
Maar helaas! de Vader draalde,Dat hij zijnen een’gen zoon,Vrijkocht voor ’t geëischte loon.En de winzucht zegepraalde.Zwaarder wogen geld en goed,Dan het eenig Kind, zijn bloed.Nu men ook dat eenig Kind,Door het lot dienstplichtig vindt.—
«Man! nu zie ik,In, wat mijn droom,Zeggen wou toen:Brug, ijs en stroom!O mijn lief Kind!Ach! het is waar,Gij moet dan heen,Dat is mij klaar.O gij mijn Zoon!’k Mis u weldra.—Waar’ het te doen,’k Vloog u dan na,Opdat ik dan,Daaglijks u zag,En met u trok,Van dag tot dag;Terwijl ik zou—Stondt gij op wacht,Trots koude en trots sneeuw,Trots zwarte nacht—U zijn tot hulp,U zij nabij;Stondt ge in ’t gelid—Stondt ge in de rij—Ik stond er naast:Bleef u gewijd:Kwam eerst, bleef laatst;Bleef heel den tijd,Opdat ik lang,Met u kon zijn.—O wat een smart!O wat een pijn!Als gij van hier,Zijt weggegaan;En ’k om ons heen,Moet gadeslaan,Dat ’k u niet zie;Dat gij er mist,Waar ik u steeds,Dagelijks wist:Daar in den hof,Ginds op het veld,Of in den tuin,Van waar ge meldt,Mij het «Mooiweer.»Of bij ’t ontbijt,«Koud is ’t nog» zegt.Of te etenstijd,Eensklaps vertelt:Dat de Ooievaar,Gij voor het eerst,Zaagt in dit jaar.Dat wellicht weer,Onze akker vlas,Naar ’t lijkt, geeft,Een goed gewas;Dat reeds de Jut,—Dat de Reinet,Pippeling, ook,—Goed knoppen zet.Roodbonte weer,Zooals ’k wel dacht,Een goed maal geeft,Gelijk zij placht.—Dat op de «Vier»,Klaver door ’t gras,Weêr genoeg staat,Zooals ’t steeds was.—Ach gij lief kind!Gaat dan niet weer,Zooals wij soms,Menige keer,’s Avonds na ’t werkGingen, langs ’t graan;—Zagen vol vreugd,’t Bloemtuintje eens aan:Naar ’t bloeiend bed,Van Duizendschoon,Naar ’t Goudsbloemperk,Ik met u Zoon,Och! och! zoo vaak,—Mijn Lieveling!—Niets blijft mij, danDe erinnering.»
«Nu blijft er o Vader,—Nu ’k ’t al heb gehoord;Nu blijft er o Moeder,—Niets over: ’k moet voort!En waarom o Vader,Niet dadelijk, toen,Eensklaps toegeslagen?Waarom ’t niet te doen?—Nu gaat uwe jongen,Ja zeker hij gaat;Hij moet weg, voor altijd,Maak vast daarop staat.—Nu leg ik de spade,En vlegel ter neer;Die wissel ’k met ransel,En met het geweer.Mijn werk op den akker,De stilte van ’t huis,Verruil ’k voor kazerne,Kommando, gedruisch!»
«Ja zoon! het breekt mij ’t hart;Uw Vader weent van smart:Heb met hem mededoogen:Heb ’t met zijn grijzend hoofd,Dra van zijn kind beroofd,—Den appel zijner oogen!—Uw lieve Moeder schreit,Staâg in haar eenzaamheid,De dagen door en nachten.Zij spreekt uw naam nog slechts,....Zij ziet naar links, noch rechts;Niets kan haar leed verzachten.»
«Maar Vader! dat doet zeer,Dat gij zoo telkens weer,Nooit kondet toch besluiten,Ter wille van wat duiten,Om, toen het tijd nog was,Gij toch, met een woord, ras,Niet dacht mij vrij te koopen.Maar o! ’t is zoo te hopen,Dat u dit niet berouwt,En wee en smart u brouwt,Als eens na maanden, jaren,Gij van mijn wedervaren,Noch taal noch teeken hoort;Als ik in ’t verre oord,Dien, tot kanonnenvoeder.En Vader! lieve Moeder!Hoe zal ’t met u voortaan,O Moeder, Vader gaan?Als steeds, na vrees en hopen,Als jaren zijn verloopen,Gij wanhoopt, om mij weerTe zien, slechts éénen keer?
«Ik mag er niet aan denken,Mijn allerliefste Zoon!Dat Moeder u moet missen,Mijn Kind, mijn Al, mijn Kroon!Geen slaap bevangt mijn leden;Geloof het van uw Moe,Dat sedert vele nachten,Geen oog sloot ze even toe.Ik voel, ik zal na dezen,U nimmer wederzien,Al kwaamt na vele jaren,Gij ook terug misschien.Men zal u ’t graf dan wijzen,Waar uwe Moeder rust,Van leed en zorg en kommer,En smart dan onbewust.En u er bij vertellen,Hoeveel zij om u leed,Dat niemand kan gevoelen,Die niet een Moeder heet!»
«Vaarwel! al wat ’k liefhad, vaarwel wat ik minde!Vaarwel! veel geliefd huisje in schaduw der Linde;Vaarwel mijne bloemtuin, mijn Muurbloem, mijn Roos!Mijn Klokjes, mijn Lelies en mijne Tijloos!Mijn vroegrijpe Peervrucht, naar wier roode wangen,Als kind ik in Juli begon te verlangen;Vaarwel ook mijne akker, waar ’t zomerseizoen,Ik ploegde en ik spitte, waar ’k rustte in het groen;Vaarwel, mijne makkers, mijn vrienden, mijn buren!Vaarwel duizend malen, gelukkige urenDie ’k doorbracht, met allen in schuldloozen kout!Vaarwel lieve plekjes, zoo graag steeds aanschouwd!Mij dierbaar geworden in negentien jaren:Getuigen van ’t spelen, van mijn wedervaren!Getuigen van schuld’loos genieten en vreugd,Van ’t blijde verleden, de tijd mijner jeugd!O zal ’k u dan weerzien, ook eenmaal, of nimmer?O wat ’k moog vergeten, u nooit, neen o nimmer!Zal ’k toeven er in mijne erinnering nog,’t Blijft leven als droomen aan ’t vaderhuis toch.Wat zal van hen worden, van mijn lievelingen!Als Caro niet meer bij mij poogt op te springen,En hij nimmer weder zijns vriends handen lekt,Behagelijk weer aan mijn voeten zich strekt.En gij mijne vriendjes, mijn dierbaar paar duiven,Die op mijn geroep steeds door ’t luchtruim kwaamt stuiven,En op mijne schouders in eens nederzat,Fluks uit mijne handen de korretjes at,Hoe zonder u liev’lingen, zal ik het maken?Wie zal als ik weg ben, getrouw voor u waken?Hoe zal het u zijn toch, als gij mij niet meer,Na morgen vroeg weer ziet, nu nog slechts een keer!Wie zal voor u zorgen, als vader en moeder?Voor til of voor kooitje, voor drinken, voor voeder?De vriend uwer jonkheid is verre dan heen:Als weesjes blijft ge achter, als weesjes alleen!»
«Wel jongen! wij zorgen,—Ik Vader en Moê,Van af, als gij morgenWeg zijt. En wat ’k doe,Dat doe ’k naar behooren:De vogels, den hond,—Dit zeg ’k u te voren,—Verzorg ik terstond,Alsof gij het zelf deedt,Met zaad en met brood,Zoo ge ook wel van zelf weet:Dus dat heeft geen nood.—En als gij na weken,Reeds weer bij ons zijt,Zult gij er van spreken:Van toen gij gingt henen,(’k Denk gij staat verrast,Ik zoude het meenen,—)Of ’k heb opgepast!Och wilt toch niet weenen:De tijd gaat zoo vlug,Gaat vliegend daarhenen:Dra zijt gij terug.»—
«Uw Moê ziet thans u trekken van hier;Tot naar ’s werelds uiterste einden schier;U marcheeren, belast en bepakt,Uitgeput, moedeloos en verzwakt.Voorwaarts ’t gelaat, steeds onafgewend,Onder vreemden, wier taal gij niet kent,Met halve wilden opgemarcheerd,Geblakerd, verkleumd en uitgeteerd,Niet tegen vorst of hitte beschut,Onder ’t bereik van ’s vijands geschut,Enkel tot doel van het kanonnenvoêr,—Naar u gericht, als staande op den loer;Gij mijn Een’ge, die ’k op mijnen schoot,Koesterde, thans volwassen en groot,—Zie ik van mij voor altijd gescheurd,Meedoogenloos ter slachtbank gesleurd.—Tranen, heb ik mijn Liev’ling niet meer....Voor ’t laatst omhels mij, ach! misschien nooit weer!En nu mijn Dierbre, vaarwel, ga met God!Hij leide U, bestier verder uw lot!»
«Hier Jongen, treed uw Vader,Nu om zijn handdruk nader:Hij wenscht u ’t beste en alles goeds,«Blijf opgeruimd en zijt goedsmoeds!»
«O vader ’t is te hopen,Dat geen berouw ’t u baart,Daar uwe zilverlingen,Meer dan mij, u zijn waard.Vaarwel nu ook gij Vader!Gij sloegt het in den wind,Toen vriend en maag u zeiden:Doe ’t om uw eenig kind.—Gij hadt uw bundel schijven,Veel liever dan uw bloed,....Vaarwel dan mijnen Vader,De tijd is om, dat ’k moet.»—
En thans gaat hij henen; pas schemert de morgen;Op ’t haantje des torens, blinkt de eerste uchtendgloor;In scheem’ring en nevel is ’t al nog verborgen,Wijl hij het ontwakende dorp stil stapt door.—Menig venster wordt geopend,Door een vriend of vriendin, hopend,Hem nog toe te kunnen knikken,Hem nog na te mogen blikken,Eer hij op zijn verd’ren koers,Wegduikt in het nevelfloers.—En steeds gaat hij verder, dan sneller, dan zachter;Keert eind’lijk voor ’t laatst, zich nog eenmaal naar achter,Groet over den gevel van zijn naasten buur,Des daks nok in ’t halflicht, zijns Ouderen schuur.«Vaarwel! Verleên ’s mijlpaal, vaarwel! allerlaatste;’k Vergeet nooit deez’ morgen, welks licht wederkaatste,Op ’t glas van het ouderlijk schuurtje mij toe!O wist gij hoe ’k lijde, o mijn Vâ, o mijn Moê!»
Sprakeloos in tranen badend,Radeloos, de dood in ’t hart,Zit terneêrgehurkt een moeder,Als gebroken door de smart;—Bange klachten, diepe zuchten,Slaakt bij poozen slechts haar mond,Want er kliefde een zwaard haar ’t harte;Sloeg haar ziel de zwaarste wond:Ach! haar lieveling ging henen;Ach! haar een’gen lieveling,Die gescheurd van haar, voor immer,Thans voor altijd henenging.—
«Is dit de weg naar Buitenpost,En zoo naar Groningen?»—«Kom binnen in mijn woning; enNeem plaats.»«’k Ben afgelost;Adjé! nu den soldatenrok!Marsch op naar de oude luidjes;Geen sabel meer: een wandelstok,De zak vol vreemde duitjes.»
In ’t jaar van achttien honderd dertien,Sprak aldus eene snorrebaard,Tot zeker vrouwtje, bij haar huisje;Zij noodde hem toen bij haar haard.
«Kom vreemde man» zei zij, «rust uit!Gij zult wel willen rusten;En misschien na een langen marsch,Wel ’t eene of andre lusten;Het is bij ons thans rustenstijd;En ’k ga mijn man nu wenken;Hij werkt daar ginder op het land,En ’k wil dan koffie schenken.»
«Gij woont hier met uw drieën Vrouw?Gij met uw Zoon en met uw Man?Of Dochter naar ik gissen zou,Zooals ik half wel merken kan;Hoe of ik dat toch zoo maar weet,Of hoe ik die opmerking deed?—Daar een drietal schoteltjes staan klaar,Met kopjes op de tafel daar!»
«Maar goede Vrouw, wat deert u toch?Zoo even was het anders nog,En thans zie ’k tranen in uw oog,Wat toch zoo zeer uw hart bewoog!—
Ach goede Vriend! sinds jaar en dag,Als ’k der soldaten rok maar zag,Ben ’k niet meer die ik anders was,En pakt mij zoo iets vreemds alras.»
«Dan Moeder, dan heb ik misschien,Zoo dadelijk al goed gezien:Gij hebt een Zoon, een eigen Kind,Dat verre zich van u, bevindt?»
«’t Is vriend of gij er meer van weet:Dat ’k u dus nog eens welkom heet!»
«Ik hoorde ginder aan den weg,Bij ’t huisje met zijn doornenheg:»«Die Krijgsman komt wis ver van hier,In uniform, versleten schier;Is ver gereisd, heeft veel doorleefd:Waarvan het al getuig’nis geeft.’t Is of hij ergens wezen moet;Heeft hij een brief, heeft hij een groet?»—Men vroeg mij: «moet gij denk’lijk ook;Dáár zijn, waar juist de schoorsteenrook,Zoo kronkelt uit de lage schouw,Van ’t gindsch vervallen oud gebouw?Want zie, daar woont een oudrenpaar,Welks een’ge Zoon, voor dag en jaar,Van hier optrok, als jong soldaat;Zijne ouders kregen ’t gauw te kwaad,Nu hij voor goed niet wederkwam.Hij, de Oude, werd allengskens stram,En mist hem in zijn boerderij;Hij kocht zijn Zoon bijtijds niet vrij,Ter wille van het lieve geld;Te zeer was hij daarop gesteld,Ofschoon hij het zoo ruimschoots heeft;—Zijn Vrouw, die als in droomen leeft,Spreekt anders niet meer dan «mijn Kind»,Komt men er, wis, dat men haar vindt,Alsof zij steeds haar Zoon verbeidt;De koffie houdt zij steeds bereid;Zijn schoteltje en zijn kopje zet,Ze op tafel klaar zooals zij het,Na zijn vertrek steeds daaglijks deed.—Zeg! hebt gij iets, o! ik, ik weet:Gij zijt er een welkome gast.—O! als gij hen met iets verrast,Al is het maar een enk’le groet,Vergeet het niet: ’t doet hun zoo goed!»—
«Bedankt! dat gij den weg mij weest,Maar voor de inlichting wel het meest.»
«Dus vreemde Man, dus weet gij wat?Hoe hij het heeft,mijn Zoon, mijn Schat?»«Och goede Moeder, vraagt ’t mij niet...—Een brief, dien hij mij achterliet,Vertelt hoe hij het zoo wat had:—Hoe gemarcheerd, van stad tot stad,Hij dacht, verlangde en ondervond,—En dezen brief uit Moskau zond,Met het verzoek, dat als hij niet,Weer thuiskwam, mij dien achterliet:Opdat ik u hem overgaf,Als ik eens mijnen wandelstaf,Naar deze streken zetten mocht,En u hier uit te vinden zocht.»
«Ontvang dit schrijven dan o Vrouw:Dit schrijven dat uw Kind u zond.O! ik bewaarde het getrouw,En blij ben ’k dat ik u toch vond!»«Ach vriend, lees gij den brief maar voor;Uw komst bracht mij geheel van ’t spoor.»
«Vader! Lieve moeder!Thans schrijft u uw kind:Dat, o lieve Ouders,—Ik reeds ondervind,Dat waar ’k al voor vreesde,In vervulling gaat.—Er is niet eens sprake,—Wie thans is soldaat,—Om te mogen hopen:—’t Ouderlijke huis,Weer vooreerst te aanschouwen;Want het krijgsgedruisch,Dreunt door alle landen;En van dag tot dag,Gaat het altijd verder;En wien ’k gister zag,Van mijn kameraden,Zie ’k vandaag niet meer.En wie ’k heden samen—Wand’len zie, nooit weer.Want naar alle streken,Is met hen ’t geval,IJlings te vertrekken,—Dat zij sedert al,Eensklaps andre koersen,Ingeslagen zijn,—Wijl zij ’t nauwelijks wisten:Of naar Weichsel, Rijn,Of naar ’t Spaansche land,Of Itaalje’s bergen;Weet ik naar wat kant?»—
«’k Zag den grooten Keizer!Hem, Napoleon,Ons eenmaal passeeren:’k Tuurde wat ik kon;’k Zag dat klein persoontje,In de paleisdeur;—Door het luchtruim trilde:’t «Vive l’Empereur.»Maar ik dacht o Ouders!Aan u Bei, veel meer,Dan, dat ik ook juichte,Maar een enk’le keer;’t Heimwee perste tranen,Uit mijn droomrig oog,Van het grootst verlangen...—Ach de hoop bedroog,Mij zoo vele malen;Daar ’k zoo dikwijls dacht,Weer te keeren kunnen,Waar ik zoo naar smacht.Maar dat ligt in ’t verreNevelig verschiet;Toch, toch blijf ik hopen!In mijn stil verdriet.»
«O vergeet mijn Vriendjes,Mijne Caro niet!Ook niet mijne Duifjes!Die ik achterliet,Als mijn lievelingen!—En in uwe zorg,Zoo heb aanbevolen;Uw woord is mij borg,Dat gij voor hen zorgen,Altijd zorgen zult;’k Weet dat ge uw beloften,Trouw steeds hebt vervuld.—En ontvang bij dezen,Ver van hier mijn groet,Met mijn beste wenschen,En blijv’ welgemoed!»—
«Maar beste Man, waarom kwam hij,Met u niet hier, kwam hij niet vrij?»
«Ach! ’t u te zeggen, valt mij zwaar,O Moeder, maar ’t is al te waar...Kort, nadat uwen Zoon mij gafDeez’ brief, vond hij mijn vriend, zijn graf,In Beresina’s killen vloed....Hij wuifde nog, ten laatsten groet...—
«Waarom stierf uwe Moeder niet,Met u mijn Kind, toen in den vliet!Thans vat ik, wat mijn droom beduidt;Als wreede werk’lijkheid kwam ’t uit...O Lieveling! stierf ik nu maar,Mijn Eenige en was ik ook daar,Bij u, waar gij mijn Zoon nu zijt.Me ontrukt toch slechts voor korten tijd.Met alles, wat mij lief op aard,In ’t leven ’t dierbaarst en ’t meest waard,In mijnen ouderdom nog was.Uw Moeder volgt, ja volgt U ras!En vindt U, waar voor eeuwig vreê,Geen krijg meer is, noch smart, noch wee.»
Ach, de Arme voelt, dat zij gaat sterven.—Om niet haar laatsten wensch te derven,Wijst zij naar ’t dierbaar Kopje heen,Naar ’t haar lief Schoteltje meteen;Wil er voor ’t laatst nog eens uit drinken,Eer ze in den doodslaap weg gaat zinken:Als laatste erinn’ring aan haar Zoon,—«Mijn Vriend» lispt zij: «dit zij uw loon!»Waar ik uitdronk zal ’t uwe wezen,....Mijn Kind dronk er steeds uit voor dezen.Het mocht niet weer. Nu vader oudEn grijs is, dat hij van u houd’,Als tweeden Zoon, na mijn verscheiden;Gij blijv’ zijn kind, Één word’ gij beiden.Hij deel’ zijn goederen u toe,Zooals ik met al ’t mijne u doe...»—
Vijf dagen hierna—het was oogsttijd geworden;De stoppels bij de Oostersche droogte verdorden—Riep ’t klipklap der dorpsklok luide over het veld,«Dat men thans eene Arme ter aarde bestelt.»Een Vrouw die vergeefs haren Liev’ling verwachtte;Wier leed was berusting; die nimmer een klachteGeloosd heeft; die morde nooit tegen haar lot,Maar leefde en ontsliep in vertrouwen op God.—
Een Tweetal deed de Baar geleide.Wel voelde de Oudste dubbel zwaar,—Van de rouwdragenden dier Beide,—Den looden gang achter de baar.De wroeging van het niet te kunnenHerstellen, snoert hem mond en keel;Dat hij zijne Een’ge niet wou gunnen,Een deel zijns schats, een luttel deel:Opdat hij steeds bij hem kon blijven;Dat enkel liefde tot zijn geld,Zijn Kind naar Rusland heen deed drijven.De ellende heeft hem neêrgeveld;’t Lijk zijner vrouw, die stierf door ’t lijden,Volgt hij thans ter begrafenis;En voelt, bij ’t naar het graf te schrijden,Zoo diep, zijn dubbel zwaar gemis.—