GELUK

GELUKDe knaap ziet hoe zijn vlieger,De lijn steeds strakker spant;—Voldaan, nu hij na ’t klimmen,Bereikt den hoogsten stand.De knaap tot man geworden,Op wetenschap belust,Vindt om zulks na te jagen,In ’t woelig hart geen rust.Hij wil het al doorgronden;Schrijdt voorwaarts, stap voor stap;Van oorzaak en gevolgen,Zich gevend rekenschap.’t Hoe en ’t waarom doorvorschend,Van werklijkheid en schijn;Waarom ’t dus, en niet anders.Naar zekre wet, kon zijn.Hij wil ’t geheim des levens,Ontsluiren voor zijn blik;In de eerste plaats ontledenZijn raadsel: ’t eigen ik.Hij peinst daartoe zijn dagen,Zijn stille nachten door,Of hij ten lange lesten,Daartoe toch vond het spoor.Of hem den steen der wijzen,Als zoo begeerd, gewerd!Hem van de donkre toekomst,Een straal blonk uit de vert’!En van den loop der dingen,Het onderling verband.En waar de groote Vadem,Die het Heelal omspant!Hij die der eeuwen wijsheid,Wat voor hem is geweest,De vruchten der gedachte,Toetst aan zijn eigen geest.Van af des menschdoms kindsheid,Der Denkers, tot nu toe,De stoutste Hypothesen,Volgt eind’lijk, peinzens moê:—Er zich ten laatst’ bij neêrlegt:Ik weet het niet; erkent.—Ter zij! Papyrusrollen,En mottig Perkament!Neen! niet als Diogenes,Tot eene ton het huis;Dat kan geluk niet heeten—Het leven zij geen kruis!—Hij heeft het niet gevonden,Wat tot geluk hij zocht:Ten koste van veel jarensBespiegeling, gekocht.—«’t Geluk bloeit slechts den Rijkdom!Is van zoo menig Leus!De macht, die aarde en volken,Beheerscht, zij mijne keus!»Wroet ’s aardrijks ingewanden,In ’t zweet zijns aanschijns door;Juicht bij zijn vondst, den goudklomp,Of tweeden Kohinoor!En hij aanbidt den Mammon,Al werd het hem tot straf.—’t Om meer, naar grooter schatten,Laat niet weer van hem af.Al werd hij ook een Croesus;—Nog geen bevrediging,In zijn gemoed, in ’t harte,Waarnaar zijn wenschen ging.Nu nog naar roem en eerzucht,’t Verlangen wordt gewekt;Naar naam en groote daden,Het streven uitgestrekt!Maar ach niets dan miskenning,Zelfs voor verdienste en deugd;Ontnuchterd door de ervaring,Niets wat meer boeit, verheugt.Ach ijdle klanken waren ’t,Ach bloemen, zonder geur,Die nauwelijks opengingen,Met ziekelijke kleur.Bij schatten geen voldoening,Waarvan de glans niet streelt;Bij grootheid, onverzadigd,Waar ’t hart niet mede in deelt!Was ’t zoo niet AlexanderDe Groote, als veldheer groot?’t Niet zoo den twaalfden Karel?Of eenen Czaar-Despoot?Of wel een Buonaparte?Of wien Historie meldt?Vertrapt tot stof; verheerlijkt,Of Moordenaar of Held!Heeft een dier veel benijden,Van duizenden misschien,’t Geluk, dat levensbloempje,In waarheid bloeien zien?Zou na iedre Victorie,Na iedre huldiging,Hun al, die eerbetuiging,Geschenen niet gering?’k Geloof dat het geluk slechts,Slechts in het kleine ligt;Waar ’t liefst zich naar wil keeren,Zij, ’t vriendlijk aangezicht.Hoe velen, rijken, grootenDer aarde, erkenden niet,Dat onbevredigd immer,Hun goud, hun scepter liet;Bleek uit de vijfde Karel,De Vorst, in wiens gebied,De Zon altijd bleef schijnen,—Te zwaar, zijn grootheid niet?Ach! blijft dan in dit leven,Geen waar geluk bereid,Dat boven ’t onvolmaakte,Zijn breede wieken spreidt?O, ’t is het hoogste streven,Het vurigste begeerd,Waarnaar door heel het leven,’t Hart zich steeds henen keert.Het kan niet anders wezen;’t Ligt in de harten zelf,Niet dan daar juist te vinden,Laag onder ’t stergewelf.Uit vrede in eigen boezem,—Daarbij tevredenheid,Gemoedsrust in zijn binnenst,—Wordt waar geluk bereid.Gelukkig! die als ’t Knaapje,Zijn vreugd bij weinig vindt;Aan eene alwijs Bestuurder,Zich overgeeft als kind.

De knaap ziet hoe zijn vlieger,De lijn steeds strakker spant;—Voldaan, nu hij na ’t klimmen,Bereikt den hoogsten stand.

De knaap tot man geworden,Op wetenschap belust,Vindt om zulks na te jagen,In ’t woelig hart geen rust.

Hij wil het al doorgronden;Schrijdt voorwaarts, stap voor stap;Van oorzaak en gevolgen,Zich gevend rekenschap.

’t Hoe en ’t waarom doorvorschend,Van werklijkheid en schijn;Waarom ’t dus, en niet anders.Naar zekre wet, kon zijn.

Hij wil ’t geheim des levens,Ontsluiren voor zijn blik;In de eerste plaats ontledenZijn raadsel: ’t eigen ik.

Hij peinst daartoe zijn dagen,Zijn stille nachten door,Of hij ten lange lesten,Daartoe toch vond het spoor.

Of hem den steen der wijzen,Als zoo begeerd, gewerd!Hem van de donkre toekomst,Een straal blonk uit de vert’!

En van den loop der dingen,Het onderling verband.En waar de groote Vadem,Die het Heelal omspant!

Hij die der eeuwen wijsheid,Wat voor hem is geweest,De vruchten der gedachte,Toetst aan zijn eigen geest.

Van af des menschdoms kindsheid,Der Denkers, tot nu toe,De stoutste Hypothesen,Volgt eind’lijk, peinzens moê:—

Er zich ten laatst’ bij neêrlegt:Ik weet het niet; erkent.—Ter zij! Papyrusrollen,En mottig Perkament!

Neen! niet als Diogenes,Tot eene ton het huis;Dat kan geluk niet heeten—Het leven zij geen kruis!—

Hij heeft het niet gevonden,Wat tot geluk hij zocht:Ten koste van veel jarensBespiegeling, gekocht.—

«’t Geluk bloeit slechts den Rijkdom!Is van zoo menig Leus!De macht, die aarde en volken,Beheerscht, zij mijne keus!»

Wroet ’s aardrijks ingewanden,In ’t zweet zijns aanschijns door;Juicht bij zijn vondst, den goudklomp,Of tweeden Kohinoor!

En hij aanbidt den Mammon,Al werd het hem tot straf.—’t Om meer, naar grooter schatten,Laat niet weer van hem af.

Al werd hij ook een Croesus;—Nog geen bevrediging,In zijn gemoed, in ’t harte,Waarnaar zijn wenschen ging.

Nu nog naar roem en eerzucht,’t Verlangen wordt gewekt;Naar naam en groote daden,Het streven uitgestrekt!

Maar ach niets dan miskenning,Zelfs voor verdienste en deugd;Ontnuchterd door de ervaring,Niets wat meer boeit, verheugt.

Ach ijdle klanken waren ’t,Ach bloemen, zonder geur,Die nauwelijks opengingen,Met ziekelijke kleur.

Bij schatten geen voldoening,Waarvan de glans niet streelt;Bij grootheid, onverzadigd,Waar ’t hart niet mede in deelt!

Was ’t zoo niet AlexanderDe Groote, als veldheer groot?’t Niet zoo den twaalfden Karel?Of eenen Czaar-Despoot?

Of wel een Buonaparte?Of wien Historie meldt?Vertrapt tot stof; verheerlijkt,Of Moordenaar of Held!

Heeft een dier veel benijden,Van duizenden misschien,’t Geluk, dat levensbloempje,In waarheid bloeien zien?

Zou na iedre Victorie,Na iedre huldiging,Hun al, die eerbetuiging,Geschenen niet gering?

’k Geloof dat het geluk slechts,Slechts in het kleine ligt;Waar ’t liefst zich naar wil keeren,Zij, ’t vriendlijk aangezicht.

Hoe velen, rijken, grootenDer aarde, erkenden niet,Dat onbevredigd immer,Hun goud, hun scepter liet;

Bleek uit de vijfde Karel,De Vorst, in wiens gebied,De Zon altijd bleef schijnen,—Te zwaar, zijn grootheid niet?

Ach! blijft dan in dit leven,Geen waar geluk bereid,Dat boven ’t onvolmaakte,Zijn breede wieken spreidt?

O, ’t is het hoogste streven,Het vurigste begeerd,Waarnaar door heel het leven,’t Hart zich steeds henen keert.

Het kan niet anders wezen;’t Ligt in de harten zelf,Niet dan daar juist te vinden,Laag onder ’t stergewelf.

Uit vrede in eigen boezem,—Daarbij tevredenheid,Gemoedsrust in zijn binnenst,—Wordt waar geluk bereid.

Gelukkig! die als ’t Knaapje,Zijn vreugd bij weinig vindt;Aan eene alwijs Bestuurder,Zich overgeeft als kind.


Back to IndexNext