DE HOOPWaartoe voor deze spanne tijd,—Al waar ’t ook tachtig volle jaren,—Geschraapt, gewoekerd, of benijdHen, die misschien iets beters varen:Al werd men rijk, ook naamloos groot,Toch de eind van alles is de dood.O als men vijftiger maar wordt,Dan is ’t of wordt men weer geboren;Dan, aan den boom der hoop verdort,Zoo menig knop; valt af, verloren!Er blijft een groenend takje slechts,Te aanschouwen meer, naar links en rechts.Dat takje groen, blijft wel is waar,Als ’t Eiloof, dat om de Eik zich hechtte;Maar kennelijk toch streeft het naarHet sap des booms, hoe schoon ’t ook vlechtteAan stam en tak; ’t geeft niets voor niets:Zelfs voor de hoop verlangt het iets.De zelfzucht ook en de eigenbaat,Ligt in dit beeld der Hoop verborgen.Het is niet anders, vroeg of laat,Blijft er niets meer dan leed en zorgen;Hoe men ’t ook wende of keeren mocht,Op ’s levens zwaren wandeltocht.—Zal als ’t hier afgestreden is,Een Ster, van achter wolken lichten?—Door ondoordringb’re duisternis,De blik vol hoop er heen zich richten,Dat vurig, sterk en lang verbeid,Het hopen wordt tot werk’lijkheid?Ja zeker, ’t kan niet anders zijn.Diep staat er in het hart geschreven:Een Eden, louter zonneschijn,Is hem, die hoopt, vertrouwt, gebleven.En door de poorten van de nacht,Rijst de eeuw’ge morgen onverwacht.
Waartoe voor deze spanne tijd,—Al waar ’t ook tachtig volle jaren,—Geschraapt, gewoekerd, of benijdHen, die misschien iets beters varen:Al werd men rijk, ook naamloos groot,Toch de eind van alles is de dood.
O als men vijftiger maar wordt,Dan is ’t of wordt men weer geboren;Dan, aan den boom der hoop verdort,Zoo menig knop; valt af, verloren!Er blijft een groenend takje slechts,Te aanschouwen meer, naar links en rechts.
Dat takje groen, blijft wel is waar,Als ’t Eiloof, dat om de Eik zich hechtte;Maar kennelijk toch streeft het naarHet sap des booms, hoe schoon ’t ook vlechtteAan stam en tak; ’t geeft niets voor niets:Zelfs voor de hoop verlangt het iets.
De zelfzucht ook en de eigenbaat,Ligt in dit beeld der Hoop verborgen.Het is niet anders, vroeg of laat,Blijft er niets meer dan leed en zorgen;Hoe men ’t ook wende of keeren mocht,Op ’s levens zwaren wandeltocht.—
Zal als ’t hier afgestreden is,Een Ster, van achter wolken lichten?—Door ondoordringb’re duisternis,De blik vol hoop er heen zich richten,Dat vurig, sterk en lang verbeid,Het hopen wordt tot werk’lijkheid?
Ja zeker, ’t kan niet anders zijn.Diep staat er in het hart geschreven:Een Eden, louter zonneschijn,Is hem, die hoopt, vertrouwt, gebleven.En door de poorten van de nacht,Rijst de eeuw’ge morgen onverwacht.