TroostIn ’t woelen op des levens baren,Blijft het onrustig harte steeds,Doorkliefd van smart, geprangd door leeds,In ’t ronde naar een rustplaats staren:Een ankergrond «de Hoop» genoemd,Uit ’s levens branding opgedoemd.Het schip kan aan de verste kusten,Tot hulp’loos wrak verslagen zijn.Verloren wis naar allen schijn—Twee woorden, die een angstkreet susten,Daar ’t luide klinkt: de reddingsboot!De hoop herleefde uit bangen nood.’t Is waar: het leven met zijn hopen,Houdt niet wat het verwachten deed;Stelt reeds te leur van af de meet,Wil spoedig ’t hart tot twijf’len nopen:Wat bloemknop der herinnering,Die nimmer, nimmer openging.Neen! Schillers vriendschapsidealen,Gaan even goed als ’t andre heen;Zij laten ’t hopend harte alleen:Er blijft slechts eenzaam dolen, dwalen:Alleen gestâge bezigheid,Iets wat het nog iets zoets bereidt.En de terugblik naar de jaren,Die henengingen, ongemerkt,—Alsof zij nimmer, nimmer waren—Wat hebben zij aan vreugd gewerkt?Ach ’t zoete dier herinnering,Wordt eindlijk luttel, zoo gering!’t Wordt in het hart, als in die dagen,Die ons November ruimschoots geeft;Als nauwelijks Natuur meer leeft;En naar ’t bestaan der Zon we eens vragen,Daar achter de ondoordringbre mist,Men nauw er zich van vergewist.Wat blijft er dan nog van al ’t woelen,Wat geeft dan nog bevrediging,Den afgematten sterveling?Waarin zich nog verheugd te voelen,Waarin, waarom te zijn verblijd,Als alles wegzinkt, met den tijd!Blijft er voor ’t leven dan niets over,Dat er ten laatste aan hangen doet?Blijft er dan maar geen levensmoed?Den laatsten wensch maar onder ’t loover,Des kerkhofs donkren olmenkring?Waarmeê de laatste hoop verging?Blijft er niets over dan, na ’t sloven,Van af de wieg tot aan het graf?Van wat gezaaid werd, niets dan kaf?Geen hoop op oogst? geen gouden schoven?—Er ligt bewaard, er ligt bereid;Een wissel toch op de eeuwigheid.
In ’t woelen op des levens baren,Blijft het onrustig harte steeds,Doorkliefd van smart, geprangd door leeds,In ’t ronde naar een rustplaats staren:Een ankergrond «de Hoop» genoemd,Uit ’s levens branding opgedoemd.
Het schip kan aan de verste kusten,Tot hulp’loos wrak verslagen zijn.Verloren wis naar allen schijn—Twee woorden, die een angstkreet susten,Daar ’t luide klinkt: de reddingsboot!De hoop herleefde uit bangen nood.
’t Is waar: het leven met zijn hopen,Houdt niet wat het verwachten deed;Stelt reeds te leur van af de meet,Wil spoedig ’t hart tot twijf’len nopen:Wat bloemknop der herinnering,Die nimmer, nimmer openging.
Neen! Schillers vriendschapsidealen,Gaan even goed als ’t andre heen;Zij laten ’t hopend harte alleen:Er blijft slechts eenzaam dolen, dwalen:Alleen gestâge bezigheid,Iets wat het nog iets zoets bereidt.
En de terugblik naar de jaren,Die henengingen, ongemerkt,—Alsof zij nimmer, nimmer waren—Wat hebben zij aan vreugd gewerkt?Ach ’t zoete dier herinnering,Wordt eindlijk luttel, zoo gering!
’t Wordt in het hart, als in die dagen,Die ons November ruimschoots geeft;Als nauwelijks Natuur meer leeft;En naar ’t bestaan der Zon we eens vragen,Daar achter de ondoordringbre mist,Men nauw er zich van vergewist.
Wat blijft er dan nog van al ’t woelen,Wat geeft dan nog bevrediging,Den afgematten sterveling?Waarin zich nog verheugd te voelen,Waarin, waarom te zijn verblijd,Als alles wegzinkt, met den tijd!
Blijft er voor ’t leven dan niets over,Dat er ten laatste aan hangen doet?Blijft er dan maar geen levensmoed?Den laatsten wensch maar onder ’t loover,Des kerkhofs donkren olmenkring?Waarmeê de laatste hoop verging?
Blijft er niets over dan, na ’t sloven,Van af de wieg tot aan het graf?Van wat gezaaid werd, niets dan kaf?Geen hoop op oogst? geen gouden schoven?—Er ligt bewaard, er ligt bereid;Een wissel toch op de eeuwigheid.