DE PLOEGER

DE PLOEGERDe volle middagzon strooit goud,Van onbewolkten hemel af.—De ploeger drijft zijn tweespan ginds,Op ’t akkerveld, bijna in draf,Door ’t bouwland heen; met vaste handDe ploegschaar richtend, voor zich uit;Terwijl in rechte lijn zich steeds,Allengskens voor aan vore sluit.—Van ’t westen glijdt het zonnelicht,Langs hooge gouden wolkenkruin;Penseelt het bosch daar gindsch in geel,Den Ploeger in het teederst bruin.—En voorwaarts, voorwaarts, voorwaarts, gaat,Het van ’t begin tot ’s akkers end.Met onverdroten ijver voort,—Zoo vaak de ploeger keert of wendt.Opnieuw een vore bij het tal;Al weer een nieuwe, een nieuwe meer;Al hijgt het span, al gudst het zweet,Der rossen in de voren neer;Mengt zich bij dat van ’s ploegers hoofd;Hij weet het wel, hij weet het best,Hoe meer hij zweet, hoe meer hij slooft:Zijn gudzend zweet is ’s akkers mest.Hij smacht naar ’t doel, naar ’t eenig wit;Zijn oog blijft voorwaarst steeds gericht;Hij ziet niet om, naar ’t geen er reeds,Ver achterwaarts van hem, wel ligt.—Vol goeden moeds, steeds voorwaarts meer;Nog is het eind der dagtaak niet,Al wenkt er flauw en onbestemd,Ook de eindpaal in het ver verschiet.Zoo is des Christens levensreis,Die naar het hemelsch Eden leidt;Zwaar als des Ploegers looden gang;Maar als Een die de Rust verbeidt.—En duikt voor hem de laatste zon,Op de aard in ’t eind voor altijd neer,Hem rijst na welvolbrachte taak,De zon van ’t heerlijk Eden weer.

De volle middagzon strooit goud,Van onbewolkten hemel af.—De ploeger drijft zijn tweespan ginds,Op ’t akkerveld, bijna in draf,Door ’t bouwland heen; met vaste handDe ploegschaar richtend, voor zich uit;Terwijl in rechte lijn zich steeds,Allengskens voor aan vore sluit.—

Van ’t westen glijdt het zonnelicht,Langs hooge gouden wolkenkruin;Penseelt het bosch daar gindsch in geel,Den Ploeger in het teederst bruin.—En voorwaarts, voorwaarts, voorwaarts, gaat,Het van ’t begin tot ’s akkers end.Met onverdroten ijver voort,—Zoo vaak de ploeger keert of wendt.

Opnieuw een vore bij het tal;Al weer een nieuwe, een nieuwe meer;Al hijgt het span, al gudst het zweet,Der rossen in de voren neer;Mengt zich bij dat van ’s ploegers hoofd;Hij weet het wel, hij weet het best,Hoe meer hij zweet, hoe meer hij slooft:Zijn gudzend zweet is ’s akkers mest.

Hij smacht naar ’t doel, naar ’t eenig wit;Zijn oog blijft voorwaarst steeds gericht;Hij ziet niet om, naar ’t geen er reeds,Ver achterwaarts van hem, wel ligt.—Vol goeden moeds, steeds voorwaarts meer;Nog is het eind der dagtaak niet,Al wenkt er flauw en onbestemd,Ook de eindpaal in het ver verschiet.

Zoo is des Christens levensreis,Die naar het hemelsch Eden leidt;Zwaar als des Ploegers looden gang;Maar als Een die de Rust verbeidt.—En duikt voor hem de laatste zon,Op de aard in ’t eind voor altijd neer,Hem rijst na welvolbrachte taak,De zon van ’t heerlijk Eden weer.


Back to IndexNext