DE VERDWAALDE TOURISTMensch, wien de zorg des levens kwelt,Kom maak u op, ga heen naar ’t veld!Langs dreef, langs dennebosch en wei!Op, op! door de ongerepte hei!—Bij de allereersten morgengloor,Nu de ongebaande vlakten door.En altijd verder, heiwaarts heen;Met kudde en scheper, slechts alleen.Den middag in het koele bosch,Gerust, gedroomd, op ’t donzige mos;En ’s avonds, nog een laatste tred,Naar ’t eerbiedwaardig Hunebed.En dan met opgewekten zin,De landelijke herberg in.—Een teuge biers, een land’lijk brood,Genuttigd, bij het avondrood,Dat glijdend over ’t hangend dak,Op ’t groene ruit der herberg brak.Dat als met goud de brink penseelt,Dat iedere eik met gloed bedeelt.En U, den matten wandelaar,Die onder ’t lindelommer daar,In ’t koepeltje van spar en riet,Op ’t voorplein zich ter neder liet,Beschijnt met rood fantastisch licht;—En dat zich verder noordwaarts richt,Eer ’t achter ’t denneboschje trok,—De groen met mos begroeide nok,Van ’t laatste schuurtje, naar dien kantVooruitgeschoven in het land,—Begroette met zijn laatsten lonk,Voor ’t in zijn gouden slaapsteê zonk.En nu te bed, nu wel gerust;In slaap, door ’t lindegroen gesust,Welks takken in de nacht’lijke aêm,Zacht ruischen om het vensterraam.—Met de eerste scheem’ring opgestaan!Zoodra de nieuwe dag zijn baan,Naar de Noord-oosterkimmen richt;En reeds bij ’t weiflend morgenlicht,Met lichte tasch en wandelstaf,Door ’t slapend dorp den landweg af;Zien, hoe de gouden dageraad,In rozegloed langs ’t Oosten staat;En hoe bij ’t eerste koeltje wind,De molen reeds zijn werk begint.—Hoe geurt de hei en dennennaald,En thans eens diep geademhaald!Wat onbeperkte horizon!Nu eerst voorgoed ’t verschiet begon,Nu ’t alles wijkt op de achtergrond,In ’t wazig licht der morgenstond;En boven zich, ’t eens opgemerkt,Hoe ’t zich tot wolkengroepen werkt.Hoe eensklaps ’s wand’laars oog ontwaart,Een statig wand’lend berggevaart,Dat als van de aarde losgeraakt,Een wandeltocht door de ether maakt.Dan met het stroompje weggedwaald,Terwijl het kabbelend verhaalt,Zoo onder ’t ruischen, allerlei:Van waar ’t ontsprong in bruine hei,In stille dalkom ginds naast de Eng,Met borrelenden waterspreng,Van onder knoest’gen eikenstam,’t Uit wort’lendoolhof zijp’len kwam;En zoo als klare frissche bron,Den langen tocht door ’t veld begon;Terwijl het West een wiegelied,Zong in het suizend oeverriet;Geluisterd, als het straks vertelt,Hoe bij de oase in ’t heideveld,—Waar eene hoeve uit groen verrijst,En ’t mulle zandspoor henenwijst,—Een klein en aardig kleuterpaar,Den eersten lentedag van ’t jaar,—Hun scheepjes drijven doen op ’t nat,Dat om de kiezelsteentjes spat.Gevolgd nu ’s beekjes kronkelpad;Gepoosd, waar ’t dreunend molenrad,Ons beekje eens aan den arbeid zet,Eer ’t weer ontslagen, onverlet,Door purp’ren heide en gouden brem,’t Klingklang der woll’ge kudde’s stem,Aan zijnen groenen frisschen boord,Als veldmuziek van ver reeds hoort.Nu uitgerust in haaz’laars schâuw,Waar nog de parelende dauw—Die op het Westewindje er danst,In heel de kleurengamma glanst.—Gelegerd op ’t veerkrachtig dons,Van ’t zachte mos; naar ’t bijgegonsGeluisterd, en den leeuwerik—Die op het eigen oogenblik,Al zingend opvaart naar omhoog,—Gevolgd, door ’t luchtruim met het oog.—Hoe schoon die slagschaduw langs ’t bosch!Hoe maakt die enkle spar zich los,Uit ’s woudzooms groen; hoe grootsch zijn lijn,In ’t volle goud van zonneschijn!—Al keuvelend van jong en oud,Sluipt eensklaps ’t beekje weg in ’t woud.En de Arme van zijn gids beroofd—Nog eer bij ’t werkelijk gelooft,Staart, als verweesd, langs bosch en grond,Daar hij noch pad noch richting vond.—Drie zijden ’t woud; een zwarte nacht,Heerscht onder Dennen ’s naaldenvracht,Vanwaar het zoo spookachtig ruischt,En ’t al zich als in doolhof kruist.Neen liever dan gezwind en vlug,Naaf de open Heide weer terug:Recht af naar ’t doel; het torendak,Dat glinstrend straks door de eiken brak,In ’t schittrend licht der middagzon.Laag aan den verren horizon.Toch zie! daar dringt in rechte lijn,Een Tra, bosch in; naar allen schijnEen weg, alsof die ’t woud doorsneed:Zoo koel, vol schaduw, luchtig, breed!Daar langs te wand’len, welk een lust!«Maar wie zegt mij» «wel! neem gerust,Het pad, dwars door het geurig woud,In plaats dat gij ’t door ’t heiveld houdt?«Daar is ’t zoo zonnig, hier zoo koel,En ’t brengt u even goed aan ’t doel.»—«Maar wat duidt mij de richting aan,Die ’k dwars door ’t woud heb in te slaan?Der boomen nameloos getal,Herhaalt slechts de echo, in geval,Ik pad en richting aan hen vraag;En wat ik smeek, of stiltjes klaag,Zij lisp’len, fluistren: «niet verstaan»En zien mij onverschillig aan.»«Hoor ginds de Koekkoek! is het niet?Alsof hij over mijn verdriet,Reeds gekscheert en hij mij beduidt:«Kom eindlijk eens tot uw besluit!Of wilt ge u hutten bouwen hier?’t Lijkt niet zoo kwaad: bosch en rivier,Heel zuiv’re lucht; een gratis bad,In ’t koele kristalheldre nat.Geen Kommavrees, volstrekt niet Vrind!Geen Bacil, die gij er ooit vindt;Ozon genoeg, van Den en Eik,En Berken onder uw bereik.»—«Kwakkak! komt uit de diepte; kwak!Hier zag men nimmer een Barak;Ontsmettingsoven kennen wij,—(Wij zijn in ’t heetste jaargetij,Hier immer en altijd geweest;En altijd door gaat pret en feest—)Zoo ’k zei: hier geen ontsmettingskuur,En geen gevaar van uwen Buur,—Dat die de ziektekiem of bron,Door ’t gootsteengat u brengen kon,Van de gevreesde Cholera.—Gij zijt hier in Utopia.—In heel de wereld is geen bad,Dat ooit die levengeest bevat,Die hier langs uwe voeten stroomt.—’t Natuurpark ginds, vol hoog geboomt’,Noodt u in ’t middagswandeluur,Na de volbrachte waterkuur,En bovendien, versta mij wel!Speelt morgens reeds de BadkapelU wakker in uw groen paleis,Zooals ’t behoort naar ’s modes eisch.—Ontelbre Musici van naam—Wier lof en roem vooruit, de Faam,Reeds had verkondigd, kwamen hier,Uit aller heeren landen schier.En plompt ge in ’t kille nat uw lijf,Dan heffen zij tot tijdverdrijf—Dat u in ’t bad, niet al te lang,—De tijd zou vallen, liedje en zang,Op wijsjes aan, zoo schoon en vlug,Dat gij wel nimmermeer terugZoudt willen, naar uw groote stad,Waar gij ’t naar ’t zin toch niet recht hadt.»«Gij waart hier dan in ’t Paradijs!Alleen dat gij tot elken prijs,Celibitair bleeft; want ik zeg,(Merk goed op, luister! overleg!):Waar gij thans zijt, is ’t vrij domein,Van ’t woudkoor; allen, groot en klein,Ook alles, wat in ’t water leeft,Den aad’laar, tot de kleinste kreeft,Behoort dit alles in ’t rondom,Als onbetwistbaar eigendom.Voor ’t leven echter afgestaan,Kan elk zijn vrije gang hier gaan.—En luidt het in ArtikelEen,Van onze grondwet: «Algemeen,Geldt dit voor elk Individu;Geen macht kan immer een van U,Ontzetten van zijn wettig recht,Dat hier voor elk is weggelegd;Maar vreemden dulden wij niet hier:Steeds uitgezonderd ieder Dier.»«Den mensch alleen gedoogt men niet;Omdat, waar hij zich nederliet,Al ’t wee, dat ooit op aarde kwam,In zijn gevolg, hij met zich nam.Het middel heiligt hem het doel:’t Is alsof hij zich in een poel,Van ongerechtigheden baadt.Hij volgt, als waar ’t naar ’s duivels raad,Steeds tot bereiking van zijn wit,—(Heeft zijn begeert’ hem dat of dit,Doen schijnen eene lieve wensch,)—Die drift.—’t Gedrocht, alias «mensch»,Heeft eigenmachtig reeds beslist;En met geraffineerde list,Of overmacht, gaat hij straks heen,En neemt wat hem begeerlijk scheen.Vertreedt er de eerste en hoogste wet,Door aller scheps’len Heer gezet;Door de eerste hunner zelf verkracht,Ten hoon en spot der hoogste Macht.—Niet dat hij niet gebruiken mag,Wat tot zijn nut hij vond, of zag—Hij moordt en hij verdelgt uit lust,Als ware hij zich onbewust,—Dat al wat leeft, er met een doelBestaat. Dat rondom een gevoel,Van vreugde, blijdschap, leed of smart,Geniet of lijdt, in ’t eigen hart.»«Zoo kwam onlangs een vreemde snaak,—Wij dachten, slechts tot zijn vermaak,—Een die Natuur genieten wil,—Behoedzaam, loerend, zwijgend, stil,Met haviksoogen, woest en leep—Nam soms een sprong, deed soms een greep»....«Wij wachten op dien avond lang;En ’t werd ons om het hart zoo bang;O menig zucht werd er geloosd,Om ’t lang wegblijvend kikkerkroost;Tot dat, na nameloos verdriet,Ik ’s anderen morgens, in ’t verschiet,Bij ’t eerste gloren van den dag,Ik uwer gruw’len werk reeds zag.Ik zag mijn kroost gevierendeeld....Ons vleesch had eens uw tong gestreeld...Met mijner kindren vleesch en bloed,Hadt kannibalen ge u gevoed.»—«Koekkoek!» ei hebben wij u hier?Wier maagschap zelfs ’t onschuldig dier—Het weêrloost schepsel niet ontziet,—Dat als ’t uw weg kruist, graag ontvliedt;Wier kleine duivels, reeds volleerd,In ’t kwaad, en steeds ongegêneerd,Zich oefenen in roof en moord,Zooals ik gister heb gehoord;Hoe zij onze ei’ren, niet alleenUithalen, maar het nest meteenVernielen, al is ’t nog zoo hoog,Of hoe verborgen voor het oog.Maar dit is ’t ergste er nog niet vanDat boevenrot! wanneer het danOns kleintjes opmerkt, die zoo verGekomen zijn, dat zij nu er,Uit de eitjes kwamen,—roepend: «wie!Van ons de stoutste thans is, dieZe uithalen durft, hij is een man!Die zoo iets koens volbrengen kan.»Eén maakt het rijke nestje buit,En moordt ons huis met kinderen uit.»«Wat zoudt gij zeggen menschenzoon!Wanneer men u ontrukte uw kroon:Uw kinderzegen, van uw hart,En u alleen liet met uw smart?»«En nog eene aanklacht heb ’k te doen:Ik vloog zoo even langs het groen,’k Zag op een bloem Vriendin «Kapel,»Zij vroeg mij toen: «heb ik het wel?Of weet ik niet het rechte er van?Waart gij niet met dien gindschen man,Straks in gesprek? ’t Is mij niet lief,Dat hij hier is. ’k Heb menig grief,Ja menig, tegen hem en zou,’t Hem zelf wel zeggen, maar ik wou,Dat gij het namens mij, maar deedt,Want gij zijt grooter, vlugger. Weet,Dat hij mij licht gevangen nam,En ’k had geen hoop, dat ik ’t ontkwam;Wat lot, door mijner vleug’len pracht,Wie weet, mij dan werd toegedacht!»«Vraag, hoe ’t zijn zou, dien deugniet thans,Hem, als het staal van pijl of lans,Door ’t eigen vleesch eens henenging,En met heel zijn familiekring,Gespietst, hij zich zag achter glas,Zooals mijn maagschap ’t sinds lang was.»Maar is ’t, dat ’k misschien mij vergis,Dat hij, die snoode, een ander is,—Koos hij zich hier een plek ter woon,Ter wille van het heerlijk schoon,Dat onze Schepper, groot en goed,—Ons schonk uit Zijnen overvloed—En laat hij ons met rust en vreê,—Wel hij geniet’ dan alles meê:De heerlijkheid van bloem en woud,—En maak’ zijn hart met ons vertrouwd.»«Kwakkak! ’k zeg nogmaals, «kom alleen!»Wij dulden hier niet meer dan één;Slechts als Celibitair, zijt gij,Ons welkom; vestig u dan vrij.»«Niet anders» roept een Vinkjes stem,«Ontvangt de vogelwereld hem.Want kwam hij slechts met ééne vrouw,Dan kwam te laat een vroeg berouw:Want ’k zag dit voorjaar op mijn tocht,In eene verre havenbocht,Aan de oevers van den Senegal,Een grooten Schoener aan den wal,Met iets vreemdsoortigs in zijn buik.Ik merkte door ’t geopend luik,Een schittering van kleurenpracht;Ik sloop onmerkbaar nader, zacht,Om te onderzoeken en ik zag....Wat vogellijkjesstapel lagDaar op een berg! en toen ik weêr,Mij zette in ’t ver Europa neêr,Zag ’k op de helft van ’s menschen kruin,Veel vlerkjes er, in goud, in bruin,In hemelblauw, in schittrend groen,Of in het prachtigst vermiljoen.—Soms een volledig vogellijk,Stond op een vrouwenhoofd te kijk,Van eene dwaze ijdeltuit:De slaafsche mode steeds ten buit.»—«Na gemeenschaplijk overleg,Van ons, blijve al wat vrouw is weg!Uit ons gebied het allereerst,Zoodat hier vrede en ruste heerscht.De vogeltjes met bonte veêr,Eenstemmig ’t gansche vogelheer,Is ’t, dat thans vol welsprekendheid,Op goede gronden zulks bepleit,Om slechts te gunnen aan één Man,Dat hij bij ons, zich vest’gen kan.En met den Kikvorsch en Kapel,Als uit één mond klinkt het: «’t is wel.»Waar ’t anders, zie! wij zagen reeds,Vooruit een toekomst, zoo vol leeds;«’t Momenti Mori», in ’t verschiet,Na enkel kommer en verdriet;Dan werd door de toegeeflijkheid,Ons zelf dat naam’loos wee bereid,Dat reeds aan de onzen is gebeurd,Waarover nog zoo menig treurt.»«’t Is goed gezegd, ’t is goed gedacht:Vermenigvuldigde ’t geslacht,Bij ons zich van één menschenpaar,Dan zoude licht een menschenschaar,Onze arme dierenwereld dra,—Roept heel het woudkoor, vroeg en spâ—Doodmart’len, pijnigen, alras,Totdat niets meer te dooden was.»«Maar wat geschuifel hoort men hier!Ja wel! daar is ’t bespraakste dier;»—«Gij kent van ouds mij wel, mij slang!Wees voor die menigte niet bang!Neem gij gerust een Eva mee;Eén mensch is niets; dus zij er twéé.—Ik weet een mooie Pommadam.Als ’k er meê bij uwe Eva kwam,Dan naamt ge ook weer een goede beet,En werktet voortaan u in ’t zweet.Gij deedt weêr op dezelfde wijs,Als bij mij eens in ’t Paradijs:Dus hebt gij in een Eva lust:Ik waag daaraan mijn levensrust.»«Hum! ’k hoor hier van het dierenrijk,Waar men in veel heeft groot gelijk;Men is hier ook bij lang niet bloô:Ik hoorde nooit de waarheid zoo,Op die manier, bepaald, beslist,Zooals ik ’t nimmer had gegist.Men maakte ’t zich niet nood’loos druk,Men hield er immer voet bij stuk,En ieder voorgedragen feit,Werd juist en duidelijk bepleit.—Op kansel, voor de balie, zag,Men zelden het zoo bij den dag,Ik vond het alles zoo gepast.Summa Summarum: ik, verrast.Heb een en ander aanstonds toen,Zelf genoteerd in ’t mollig groen.»—«Kwakkak!» ’t wordt koeler naar ik merk.Hoe is ’t! betrekt niet wat het zwerk?Mij dunkt, ’k word huiv’rig om het lijf;Ik ga wat naar mijn wachtend wijf;Ik voel wat in mijn heupgewricht;Is er ook Onweer in ’t gezicht?—Wij wonen bij dat groepje riet,Dat gij daar ginder wuiven ziet.Daar ligt een drijftil op den stroomVoor anker; en een’ holle boom,—Een Lijsterbes, met roode vrucht,Staat half, hangt half, er in de lucht.—Daar koos ik Domicielje en wij,Bevinden ons er vrij en blij.Kom, ’k moet nu gauw naar mijne vrouw,Want, wat zij wel niet zeggen zou,Als ’k voor het onweer niet tehuis,Was, bij haar, in de droge kluis;Ik vrees, ik heb mij al verpraat;Maar zeker vrind! maak daarop staat,Dat, is het Onweer gepasseerd—En heeft het geen van ons gedeerd—’k U weer gezelschap houden zal,Hier op des beekjes koele wal.’k Moet zien te komen onder dak,En nu vaarwel tot straks, «kwak, kwak!»Wel! wat een taal die Kikvorsch praatMij voor, waar het nu maar op staat!Die heeft een Eiland in bezit,Een koninkrijk, met dat en dit.’t Was beter, had hij mij gezegd:«’k Wijs voor het onweer U terecht.»«Koekkoek! wel Man zijt gij nog hier?Zwart is heel ’t West en Zuiden schier;Lood lijkt tot boven toe het zwerk;Ik zag het uit mijn hooge berk.En hoor maar eens! het dondert al;’t Wordt met U! Vrind een naar geval:Het weer lijkt dreigend; ’t wordt straks boos;Een ellenlange waterhoos,Daalt spiraalvormig naar den grond,En slingert vreeselijk in ’t rond.Ik wou, eer ’k in mijn nestje ging,U eenzame, arme zwerveling,Nog zeggen, wat ik straks vergat:Zijt gij het dralen nog niet zat?Hebt ge u geen kluisje nog gebouwd?Komaan! vlug dan maar meê in ’t woud.Hoor! hoe nu reeds de donder brult,De hagelstorm de lucht vervult!—Ziezoo! nu zijn wij onder dak,En volg mij: maar van tak tot tak»....«Koekkoek! waar dwaalt gij met mij heen,Hier in de wildernis alleen?»«Wel nu! merk op: waar ik thans sta;En huppel mij maar achterna,Van twijg, tot tak, van twijg tot tak,Voorzichtig! opdat er geen brak.Zie eerst goed voor u in het rond!Wel man! gij staat nog op den grond!Wat blikt gij hulp’loos, goede Vriend!Nu het geluk u niet meer dient!Gij staat met al uw wijsheid hier,Hulp’loozer als het nietigst dier.Gij weet niet eens of ge achteruit,Of voorwaarts moet; neem een besluit,Hier in der bosschen duisternis,Nu ’t vuur niet van den hemel is,En ver genoeg uw pad verlicht,Met bliksemstraal op bliksemschichtU hier, u daar, den donderslagSteeds roept, kom eindlijk voor den dag,En de echo van den storm u wenkt,Opdat aan uw vertrek gij denkt!»«Gij wilt toch eindelijk eens naar huis?Het schijnt of gij den weg naar thuis,Gansch bijster zijt, sinds langen tijd;Gij hebt nu zeker deerlijk spijt,Van al uw dwalen, ver van honk,Hoe heerlijk ’t u ook tegenblonk,Om een paar dagen, ’t allerlei,Het schoone in woud, in veld en hei,Te smaken flink op uw gemak.Uw lust daartoe kreeg thans een knak,Nu ’t water uit uw kleêren druipt,En als gejaagd, door ’t woud gij sluipt.«Hier is mijn nest: ik kruip er in;Dit weer is juist een goed begin,Voor eene stormige onweêrsnacht;Ik zit hier mollig, droog en zacht.—Was ’t nestje groot genoeg voor twee,Bepaald: ik nam u gaarne mee....Vaarwel! gij neemt uw richting nu,Vlak in den wind op; dat brengt u—Wanneer de kou der hagelvlaag,U ’t niet belet, misschien vandaag,Toch morgen, wis naar uwe stad,In onophoud’lijk waterbad,Wijl u de storm om de ooren blaast;Vaarwel van harte, voor het laatst!»«Wat heeft zoo’n Koekkoek het toch best,Gedoken in zijn heerlijk nest;En vierend zijne spotlust bot—In vergelijking met mijn lot!»«Een dagreis ik van huis, zie ’k thans,Hoe ik ’t verzin, maar geene kans,Om eenigzins vóór ’t nachtelijke uur,Mij uit dit zeer vreemde avontuurTe redden. In mijn hachlijk lot,Benijd ’k Robinson in zijn grot.Ik, die van Darling, Marahon,Den loop en bronnen zeggen kon,—Die onder ’s Keerkrings zonnegloedDen weg te weten meende, boet,Mijn wandellust, thans wel beschouwd,Als een verdwaalde in ’t inheemsch woud.»«Hoe ’k ook het keer, ’t is met dat al,Een vreemd en netelig geval.Ik ben hier eens en moet van hier.—Dat zelfgesprek met beekje en dier,Had alles weinig om het lijf;—Wáár is ’t, van koude word ik stijf.Vond ik maar ’s beekje’s zeek’re gids,Opnieuw weer; daarmede aan de spits,Was ’k wis, dat ik en weg en pad,Of richting zonder mis, weer had.»—«Maar hoor ik goed, is ’t niet gesuis?Of is het nog het windgebruisch?Het is des waters toon gelijk;De Nimfen uit het dropplenrijk,Na gemeenschapp’lijk overleg,Zijn, om te zoeken mij, op weg.En aan hun trouwe hand geleid,Wijkt reeds der bosschen donkerheid.Een golvend landschap maakt reeds plaats,Voor ’t duister woud; van ’t West weêrkaatst,Een zee van teeder avondlicht,Op ’t wolkgevaart’, dat zwart en dicht,Den hemel in het oost bedekt—Op eens wordt daar de pracht gewekt,De luister van den regenboog:Van de aarde laag, ten hemel hoog,Oprijzend, alsof door die poortVan licht, des Hemels luister gloort.Wijl zijwaarts aan den horizonHet avondgloeien van de zon,Op windvaan en op torendak,Mij ’t seinlicht tot mijn koers ontstak.
Mensch, wien de zorg des levens kwelt,Kom maak u op, ga heen naar ’t veld!Langs dreef, langs dennebosch en wei!Op, op! door de ongerepte hei!—Bij de allereersten morgengloor,Nu de ongebaande vlakten door.En altijd verder, heiwaarts heen;Met kudde en scheper, slechts alleen.Den middag in het koele bosch,Gerust, gedroomd, op ’t donzige mos;En ’s avonds, nog een laatste tred,Naar ’t eerbiedwaardig Hunebed.En dan met opgewekten zin,De landelijke herberg in.—Een teuge biers, een land’lijk brood,Genuttigd, bij het avondrood,Dat glijdend over ’t hangend dak,Op ’t groene ruit der herberg brak.Dat als met goud de brink penseelt,Dat iedere eik met gloed bedeelt.En U, den matten wandelaar,Die onder ’t lindelommer daar,In ’t koepeltje van spar en riet,Op ’t voorplein zich ter neder liet,Beschijnt met rood fantastisch licht;—En dat zich verder noordwaarts richt,Eer ’t achter ’t denneboschje trok,—De groen met mos begroeide nok,Van ’t laatste schuurtje, naar dien kantVooruitgeschoven in het land,—Begroette met zijn laatsten lonk,Voor ’t in zijn gouden slaapsteê zonk.
En nu te bed, nu wel gerust;In slaap, door ’t lindegroen gesust,Welks takken in de nacht’lijke aêm,Zacht ruischen om het vensterraam.—
Met de eerste scheem’ring opgestaan!Zoodra de nieuwe dag zijn baan,Naar de Noord-oosterkimmen richt;En reeds bij ’t weiflend morgenlicht,Met lichte tasch en wandelstaf,Door ’t slapend dorp den landweg af;Zien, hoe de gouden dageraad,In rozegloed langs ’t Oosten staat;En hoe bij ’t eerste koeltje wind,De molen reeds zijn werk begint.—Hoe geurt de hei en dennennaald,En thans eens diep geademhaald!Wat onbeperkte horizon!Nu eerst voorgoed ’t verschiet begon,Nu ’t alles wijkt op de achtergrond,In ’t wazig licht der morgenstond;En boven zich, ’t eens opgemerkt,Hoe ’t zich tot wolkengroepen werkt.Hoe eensklaps ’s wand’laars oog ontwaart,Een statig wand’lend berggevaart,Dat als van de aarde losgeraakt,Een wandeltocht door de ether maakt.Dan met het stroompje weggedwaald,Terwijl het kabbelend verhaalt,Zoo onder ’t ruischen, allerlei:Van waar ’t ontsprong in bruine hei,In stille dalkom ginds naast de Eng,Met borrelenden waterspreng,Van onder knoest’gen eikenstam,’t Uit wort’lendoolhof zijp’len kwam;En zoo als klare frissche bron,Den langen tocht door ’t veld begon;Terwijl het West een wiegelied,Zong in het suizend oeverriet;Geluisterd, als het straks vertelt,Hoe bij de oase in ’t heideveld,—Waar eene hoeve uit groen verrijst,En ’t mulle zandspoor henenwijst,—Een klein en aardig kleuterpaar,Den eersten lentedag van ’t jaar,—Hun scheepjes drijven doen op ’t nat,Dat om de kiezelsteentjes spat.
Gevolgd nu ’s beekjes kronkelpad;Gepoosd, waar ’t dreunend molenrad,Ons beekje eens aan den arbeid zet,Eer ’t weer ontslagen, onverlet,Door purp’ren heide en gouden brem,’t Klingklang der woll’ge kudde’s stem,Aan zijnen groenen frisschen boord,Als veldmuziek van ver reeds hoort.
Nu uitgerust in haaz’laars schâuw,Waar nog de parelende dauw—Die op het Westewindje er danst,In heel de kleurengamma glanst.—Gelegerd op ’t veerkrachtig dons,Van ’t zachte mos; naar ’t bijgegonsGeluisterd, en den leeuwerik—Die op het eigen oogenblik,Al zingend opvaart naar omhoog,—Gevolgd, door ’t luchtruim met het oog.—Hoe schoon die slagschaduw langs ’t bosch!Hoe maakt die enkle spar zich los,Uit ’s woudzooms groen; hoe grootsch zijn lijn,In ’t volle goud van zonneschijn!—Al keuvelend van jong en oud,Sluipt eensklaps ’t beekje weg in ’t woud.
En de Arme van zijn gids beroofd—Nog eer bij ’t werkelijk gelooft,Staart, als verweesd, langs bosch en grond,Daar hij noch pad noch richting vond.—Drie zijden ’t woud; een zwarte nacht,Heerscht onder Dennen ’s naaldenvracht,Vanwaar het zoo spookachtig ruischt,En ’t al zich als in doolhof kruist.Neen liever dan gezwind en vlug,Naaf de open Heide weer terug:Recht af naar ’t doel; het torendak,Dat glinstrend straks door de eiken brak,In ’t schittrend licht der middagzon.Laag aan den verren horizon.
Toch zie! daar dringt in rechte lijn,Een Tra, bosch in; naar allen schijnEen weg, alsof die ’t woud doorsneed:Zoo koel, vol schaduw, luchtig, breed!Daar langs te wand’len, welk een lust!«Maar wie zegt mij» «wel! neem gerust,Het pad, dwars door het geurig woud,In plaats dat gij ’t door ’t heiveld houdt?«Daar is ’t zoo zonnig, hier zoo koel,En ’t brengt u even goed aan ’t doel.»—«Maar wat duidt mij de richting aan,Die ’k dwars door ’t woud heb in te slaan?Der boomen nameloos getal,Herhaalt slechts de echo, in geval,Ik pad en richting aan hen vraag;En wat ik smeek, of stiltjes klaag,Zij lisp’len, fluistren: «niet verstaan»En zien mij onverschillig aan.»
«Hoor ginds de Koekkoek! is het niet?Alsof hij over mijn verdriet,Reeds gekscheert en hij mij beduidt:«Kom eindlijk eens tot uw besluit!Of wilt ge u hutten bouwen hier?’t Lijkt niet zoo kwaad: bosch en rivier,Heel zuiv’re lucht; een gratis bad,In ’t koele kristalheldre nat.Geen Kommavrees, volstrekt niet Vrind!Geen Bacil, die gij er ooit vindt;Ozon genoeg, van Den en Eik,En Berken onder uw bereik.»—
«Kwakkak! komt uit de diepte; kwak!Hier zag men nimmer een Barak;Ontsmettingsoven kennen wij,—(Wij zijn in ’t heetste jaargetij,Hier immer en altijd geweest;En altijd door gaat pret en feest—)Zoo ’k zei: hier geen ontsmettingskuur,En geen gevaar van uwen Buur,—Dat die de ziektekiem of bron,Door ’t gootsteengat u brengen kon,Van de gevreesde Cholera.—Gij zijt hier in Utopia.—In heel de wereld is geen bad,Dat ooit die levengeest bevat,Die hier langs uwe voeten stroomt.—’t Natuurpark ginds, vol hoog geboomt’,Noodt u in ’t middagswandeluur,Na de volbrachte waterkuur,En bovendien, versta mij wel!Speelt morgens reeds de BadkapelU wakker in uw groen paleis,Zooals ’t behoort naar ’s modes eisch.—Ontelbre Musici van naam—Wier lof en roem vooruit, de Faam,Reeds had verkondigd, kwamen hier,Uit aller heeren landen schier.En plompt ge in ’t kille nat uw lijf,Dan heffen zij tot tijdverdrijf—Dat u in ’t bad, niet al te lang,—De tijd zou vallen, liedje en zang,Op wijsjes aan, zoo schoon en vlug,Dat gij wel nimmermeer terugZoudt willen, naar uw groote stad,Waar gij ’t naar ’t zin toch niet recht hadt.»
«Gij waart hier dan in ’t Paradijs!Alleen dat gij tot elken prijs,Celibitair bleeft; want ik zeg,(Merk goed op, luister! overleg!):Waar gij thans zijt, is ’t vrij domein,Van ’t woudkoor; allen, groot en klein,Ook alles, wat in ’t water leeft,Den aad’laar, tot de kleinste kreeft,Behoort dit alles in ’t rondom,Als onbetwistbaar eigendom.Voor ’t leven echter afgestaan,Kan elk zijn vrije gang hier gaan.—En luidt het in ArtikelEen,Van onze grondwet: «Algemeen,Geldt dit voor elk Individu;Geen macht kan immer een van U,Ontzetten van zijn wettig recht,Dat hier voor elk is weggelegd;Maar vreemden dulden wij niet hier:Steeds uitgezonderd ieder Dier.»
«Den mensch alleen gedoogt men niet;Omdat, waar hij zich nederliet,Al ’t wee, dat ooit op aarde kwam,In zijn gevolg, hij met zich nam.Het middel heiligt hem het doel:’t Is alsof hij zich in een poel,Van ongerechtigheden baadt.Hij volgt, als waar ’t naar ’s duivels raad,Steeds tot bereiking van zijn wit,—(Heeft zijn begeert’ hem dat of dit,Doen schijnen eene lieve wensch,)—Die drift.—’t Gedrocht, alias «mensch»,Heeft eigenmachtig reeds beslist;En met geraffineerde list,Of overmacht, gaat hij straks heen,En neemt wat hem begeerlijk scheen.Vertreedt er de eerste en hoogste wet,Door aller scheps’len Heer gezet;Door de eerste hunner zelf verkracht,Ten hoon en spot der hoogste Macht.—Niet dat hij niet gebruiken mag,Wat tot zijn nut hij vond, of zag—Hij moordt en hij verdelgt uit lust,Als ware hij zich onbewust,—Dat al wat leeft, er met een doelBestaat. Dat rondom een gevoel,Van vreugde, blijdschap, leed of smart,Geniet of lijdt, in ’t eigen hart.»
«Zoo kwam onlangs een vreemde snaak,—Wij dachten, slechts tot zijn vermaak,—Een die Natuur genieten wil,—Behoedzaam, loerend, zwijgend, stil,Met haviksoogen, woest en leep—Nam soms een sprong, deed soms een greep»....
«Wij wachten op dien avond lang;En ’t werd ons om het hart zoo bang;O menig zucht werd er geloosd,Om ’t lang wegblijvend kikkerkroost;Tot dat, na nameloos verdriet,Ik ’s anderen morgens, in ’t verschiet,Bij ’t eerste gloren van den dag,Ik uwer gruw’len werk reeds zag.Ik zag mijn kroost gevierendeeld....Ons vleesch had eens uw tong gestreeld...Met mijner kindren vleesch en bloed,Hadt kannibalen ge u gevoed.»—«Koekkoek!» ei hebben wij u hier?Wier maagschap zelfs ’t onschuldig dier—Het weêrloost schepsel niet ontziet,—Dat als ’t uw weg kruist, graag ontvliedt;Wier kleine duivels, reeds volleerd,In ’t kwaad, en steeds ongegêneerd,Zich oefenen in roof en moord,Zooals ik gister heb gehoord;Hoe zij onze ei’ren, niet alleenUithalen, maar het nest meteenVernielen, al is ’t nog zoo hoog,Of hoe verborgen voor het oog.Maar dit is ’t ergste er nog niet vanDat boevenrot! wanneer het danOns kleintjes opmerkt, die zoo verGekomen zijn, dat zij nu er,Uit de eitjes kwamen,—roepend: «wie!Van ons de stoutste thans is, dieZe uithalen durft, hij is een man!Die zoo iets koens volbrengen kan.»Eén maakt het rijke nestje buit,En moordt ons huis met kinderen uit.»
«Wat zoudt gij zeggen menschenzoon!Wanneer men u ontrukte uw kroon:Uw kinderzegen, van uw hart,En u alleen liet met uw smart?»
«En nog eene aanklacht heb ’k te doen:Ik vloog zoo even langs het groen,’k Zag op een bloem Vriendin «Kapel,»Zij vroeg mij toen: «heb ik het wel?Of weet ik niet het rechte er van?Waart gij niet met dien gindschen man,Straks in gesprek? ’t Is mij niet lief,Dat hij hier is. ’k Heb menig grief,Ja menig, tegen hem en zou,’t Hem zelf wel zeggen, maar ik wou,Dat gij het namens mij, maar deedt,Want gij zijt grooter, vlugger. Weet,Dat hij mij licht gevangen nam,En ’k had geen hoop, dat ik ’t ontkwam;Wat lot, door mijner vleug’len pracht,Wie weet, mij dan werd toegedacht!»
«Vraag, hoe ’t zijn zou, dien deugniet thans,Hem, als het staal van pijl of lans,Door ’t eigen vleesch eens henenging,En met heel zijn familiekring,Gespietst, hij zich zag achter glas,Zooals mijn maagschap ’t sinds lang was.»
Maar is ’t, dat ’k misschien mij vergis,Dat hij, die snoode, een ander is,—Koos hij zich hier een plek ter woon,Ter wille van het heerlijk schoon,Dat onze Schepper, groot en goed,—Ons schonk uit Zijnen overvloed—En laat hij ons met rust en vreê,—Wel hij geniet’ dan alles meê:De heerlijkheid van bloem en woud,—En maak’ zijn hart met ons vertrouwd.»
«Kwakkak! ’k zeg nogmaals, «kom alleen!»Wij dulden hier niet meer dan één;Slechts als Celibitair, zijt gij,Ons welkom; vestig u dan vrij.»
«Niet anders» roept een Vinkjes stem,«Ontvangt de vogelwereld hem.Want kwam hij slechts met ééne vrouw,Dan kwam te laat een vroeg berouw:Want ’k zag dit voorjaar op mijn tocht,In eene verre havenbocht,Aan de oevers van den Senegal,Een grooten Schoener aan den wal,Met iets vreemdsoortigs in zijn buik.Ik merkte door ’t geopend luik,Een schittering van kleurenpracht;Ik sloop onmerkbaar nader, zacht,Om te onderzoeken en ik zag....Wat vogellijkjesstapel lagDaar op een berg! en toen ik weêr,Mij zette in ’t ver Europa neêr,Zag ’k op de helft van ’s menschen kruin,Veel vlerkjes er, in goud, in bruin,In hemelblauw, in schittrend groen,Of in het prachtigst vermiljoen.—Soms een volledig vogellijk,Stond op een vrouwenhoofd te kijk,Van eene dwaze ijdeltuit:De slaafsche mode steeds ten buit.»—
«Na gemeenschaplijk overleg,Van ons, blijve al wat vrouw is weg!Uit ons gebied het allereerst,Zoodat hier vrede en ruste heerscht.De vogeltjes met bonte veêr,Eenstemmig ’t gansche vogelheer,Is ’t, dat thans vol welsprekendheid,Op goede gronden zulks bepleit,Om slechts te gunnen aan één Man,Dat hij bij ons, zich vest’gen kan.
En met den Kikvorsch en Kapel,Als uit één mond klinkt het: «’t is wel.»Waar ’t anders, zie! wij zagen reeds,Vooruit een toekomst, zoo vol leeds;«’t Momenti Mori», in ’t verschiet,Na enkel kommer en verdriet;Dan werd door de toegeeflijkheid,Ons zelf dat naam’loos wee bereid,Dat reeds aan de onzen is gebeurd,Waarover nog zoo menig treurt.»
«’t Is goed gezegd, ’t is goed gedacht:Vermenigvuldigde ’t geslacht,Bij ons zich van één menschenpaar,Dan zoude licht een menschenschaar,Onze arme dierenwereld dra,—Roept heel het woudkoor, vroeg en spâ—Doodmart’len, pijnigen, alras,Totdat niets meer te dooden was.»
«Maar wat geschuifel hoort men hier!Ja wel! daar is ’t bespraakste dier;»—«Gij kent van ouds mij wel, mij slang!Wees voor die menigte niet bang!Neem gij gerust een Eva mee;Eén mensch is niets; dus zij er twéé.—Ik weet een mooie Pommadam.Als ’k er meê bij uwe Eva kwam,Dan naamt ge ook weer een goede beet,En werktet voortaan u in ’t zweet.Gij deedt weêr op dezelfde wijs,Als bij mij eens in ’t Paradijs:Dus hebt gij in een Eva lust:Ik waag daaraan mijn levensrust.»
«Hum! ’k hoor hier van het dierenrijk,Waar men in veel heeft groot gelijk;Men is hier ook bij lang niet bloô:Ik hoorde nooit de waarheid zoo,Op die manier, bepaald, beslist,Zooals ik ’t nimmer had gegist.Men maakte ’t zich niet nood’loos druk,Men hield er immer voet bij stuk,En ieder voorgedragen feit,Werd juist en duidelijk bepleit.—Op kansel, voor de balie, zag,Men zelden het zoo bij den dag,Ik vond het alles zoo gepast.Summa Summarum: ik, verrast.Heb een en ander aanstonds toen,Zelf genoteerd in ’t mollig groen.»—
«Kwakkak!» ’t wordt koeler naar ik merk.Hoe is ’t! betrekt niet wat het zwerk?Mij dunkt, ’k word huiv’rig om het lijf;Ik ga wat naar mijn wachtend wijf;Ik voel wat in mijn heupgewricht;Is er ook Onweer in ’t gezicht?—Wij wonen bij dat groepje riet,Dat gij daar ginder wuiven ziet.Daar ligt een drijftil op den stroomVoor anker; en een’ holle boom,—Een Lijsterbes, met roode vrucht,Staat half, hangt half, er in de lucht.—Daar koos ik Domicielje en wij,Bevinden ons er vrij en blij.Kom, ’k moet nu gauw naar mijne vrouw,Want, wat zij wel niet zeggen zou,Als ’k voor het onweer niet tehuis,Was, bij haar, in de droge kluis;Ik vrees, ik heb mij al verpraat;Maar zeker vrind! maak daarop staat,Dat, is het Onweer gepasseerd—En heeft het geen van ons gedeerd—’k U weer gezelschap houden zal,Hier op des beekjes koele wal.’k Moet zien te komen onder dak,En nu vaarwel tot straks, «kwak, kwak!»
Wel! wat een taal die Kikvorsch praatMij voor, waar het nu maar op staat!Die heeft een Eiland in bezit,Een koninkrijk, met dat en dit.’t Was beter, had hij mij gezegd:«’k Wijs voor het onweer U terecht.»
«Koekkoek! wel Man zijt gij nog hier?Zwart is heel ’t West en Zuiden schier;Lood lijkt tot boven toe het zwerk;Ik zag het uit mijn hooge berk.En hoor maar eens! het dondert al;’t Wordt met U! Vrind een naar geval:Het weer lijkt dreigend; ’t wordt straks boos;Een ellenlange waterhoos,Daalt spiraalvormig naar den grond,En slingert vreeselijk in ’t rond.Ik wou, eer ’k in mijn nestje ging,U eenzame, arme zwerveling,Nog zeggen, wat ik straks vergat:Zijt gij het dralen nog niet zat?Hebt ge u geen kluisje nog gebouwd?Komaan! vlug dan maar meê in ’t woud.Hoor! hoe nu reeds de donder brult,De hagelstorm de lucht vervult!—Ziezoo! nu zijn wij onder dak,En volg mij: maar van tak tot tak»....«Koekkoek! waar dwaalt gij met mij heen,Hier in de wildernis alleen?»
«Wel nu! merk op: waar ik thans sta;En huppel mij maar achterna,Van twijg, tot tak, van twijg tot tak,Voorzichtig! opdat er geen brak.Zie eerst goed voor u in het rond!Wel man! gij staat nog op den grond!Wat blikt gij hulp’loos, goede Vriend!Nu het geluk u niet meer dient!Gij staat met al uw wijsheid hier,Hulp’loozer als het nietigst dier.Gij weet niet eens of ge achteruit,Of voorwaarts moet; neem een besluit,Hier in der bosschen duisternis,Nu ’t vuur niet van den hemel is,En ver genoeg uw pad verlicht,Met bliksemstraal op bliksemschichtU hier, u daar, den donderslagSteeds roept, kom eindlijk voor den dag,En de echo van den storm u wenkt,Opdat aan uw vertrek gij denkt!»
«Gij wilt toch eindelijk eens naar huis?Het schijnt of gij den weg naar thuis,Gansch bijster zijt, sinds langen tijd;Gij hebt nu zeker deerlijk spijt,Van al uw dwalen, ver van honk,Hoe heerlijk ’t u ook tegenblonk,Om een paar dagen, ’t allerlei,Het schoone in woud, in veld en hei,Te smaken flink op uw gemak.Uw lust daartoe kreeg thans een knak,Nu ’t water uit uw kleêren druipt,En als gejaagd, door ’t woud gij sluipt.
«Hier is mijn nest: ik kruip er in;Dit weer is juist een goed begin,Voor eene stormige onweêrsnacht;Ik zit hier mollig, droog en zacht.—Was ’t nestje groot genoeg voor twee,Bepaald: ik nam u gaarne mee....Vaarwel! gij neemt uw richting nu,Vlak in den wind op; dat brengt u—Wanneer de kou der hagelvlaag,U ’t niet belet, misschien vandaag,Toch morgen, wis naar uwe stad,In onophoud’lijk waterbad,Wijl u de storm om de ooren blaast;Vaarwel van harte, voor het laatst!»
«Wat heeft zoo’n Koekkoek het toch best,Gedoken in zijn heerlijk nest;En vierend zijne spotlust bot—In vergelijking met mijn lot!»
«Een dagreis ik van huis, zie ’k thans,Hoe ik ’t verzin, maar geene kans,Om eenigzins vóór ’t nachtelijke uur,Mij uit dit zeer vreemde avontuurTe redden. In mijn hachlijk lot,Benijd ’k Robinson in zijn grot.Ik, die van Darling, Marahon,Den loop en bronnen zeggen kon,—Die onder ’s Keerkrings zonnegloedDen weg te weten meende, boet,Mijn wandellust, thans wel beschouwd,Als een verdwaalde in ’t inheemsch woud.»
«Hoe ’k ook het keer, ’t is met dat al,Een vreemd en netelig geval.Ik ben hier eens en moet van hier.—Dat zelfgesprek met beekje en dier,Had alles weinig om het lijf;—Wáár is ’t, van koude word ik stijf.Vond ik maar ’s beekje’s zeek’re gids,Opnieuw weer; daarmede aan de spits,Was ’k wis, dat ik en weg en pad,Of richting zonder mis, weer had.»—
«Maar hoor ik goed, is ’t niet gesuis?Of is het nog het windgebruisch?Het is des waters toon gelijk;De Nimfen uit het dropplenrijk,Na gemeenschapp’lijk overleg,Zijn, om te zoeken mij, op weg.En aan hun trouwe hand geleid,Wijkt reeds der bosschen donkerheid.Een golvend landschap maakt reeds plaats,Voor ’t duister woud; van ’t West weêrkaatst,Een zee van teeder avondlicht,Op ’t wolkgevaart’, dat zwart en dicht,Den hemel in het oost bedekt—Op eens wordt daar de pracht gewekt,De luister van den regenboog:Van de aarde laag, ten hemel hoog,Oprijzend, alsof door die poortVan licht, des Hemels luister gloort.Wijl zijwaarts aan den horizonHet avondgloeien van de zon,Op windvaan en op torendak,Mij ’t seinlicht tot mijn koers ontstak.