De Echo der Heide’k Zag bij Lente- en Zomerpracht u Heide!’t Zachte waas der Poëzie verspreidde,Over u zich, toen bij Leeuwriks zangen,Ge iets van eene feestzaal scheent te erlangen;En verheerlijkend, u schoone Heide, trotsUwe stilte en eenzaamheid, gij bloemtuin Gods!Wel een bloemtuin! maar den Heibewoner,Is ’t prozaisch grasveld toch veel schooner:Want de phantasiën van den Dichter,Maakten om ’t bestaan den strijd niet lichterHem, die daarom ’t nooit werd eenen zoeten klank:’t Schoon der Poëzie, zelfs tegen wil en dank.—Bij al die heerlijkheid en pracht,Blijft ’s Leeuw’riks juichend, jublend lied,Den arme op ’t dorre heiveld niet,—Dan eene kreet van smart:een klacht,Als hij zijn niet menschwaardig lot,Eens overdenkt, eens wel beschouwt:Hoe zelfs zijn woning ’t midden houdt,—Deels op—en deels in de aard gebouwd,Dus, van half hut en van half grot.Tot muren zelfs de moeder aard,Gevraagd, om hare steun en hulp,Omdat geen steenen tot de stulp,Men had, dan tot een kleinen haard.Daarop kwam nog het zwaarste eerst aan:Nu gaf een enkle menschenvrindWat riet; een buur, hem welgezind,Wat boompjes, tot het dakgebindt:—Eensklaps voltooid, zag men het staan.—Een vos graaft misschien niet zijn hol,In een paar dagen korten tijd:(Juist zoolang aan dit werk gewijd)—En houdt het hoofd ook nimmer vol,Met wat de bange toekomst geeft.Hij de Arme spant zijn krachten in:Hij spit en graaft van af ’t begin,Op hoop van eindelijk gewin,Recht uit naar ’t doel, waarvoor hij leeft.Ach de Arme, die de onvruchtbre Hei,Bewerkt, allengskens iets ontgint—Het al te goed toch ondervindt,Dat Heide blijft de dorste wei.’t Onsamenhangend korr’lig zand,Spot met des armen zwakke kracht.—Hij die zoo rijk alreê zich dacht,Met wat zoo blij hem tegenlacht:Een eigen haard op eigen land!Veel wat zoo’n Nijvre hier ontbrak,Blijft gelden bij hem toch nog ligt,Als in zijn schaal het zwaar gewicht,Van eigen haard, van eigen dak,Van eigen grondbezit, hij legt.—Help Rijkdom, die te helpen weet;Hij wint den strijd niet, hoe hij zweet;Help tot het eind, van af de meet,Zijn slaven, zwoegen, loont zoo slecht!
’k Zag bij Lente- en Zomerpracht u Heide!’t Zachte waas der Poëzie verspreidde,Over u zich, toen bij Leeuwriks zangen,Ge iets van eene feestzaal scheent te erlangen;En verheerlijkend, u schoone Heide, trotsUwe stilte en eenzaamheid, gij bloemtuin Gods!
Wel een bloemtuin! maar den Heibewoner,Is ’t prozaisch grasveld toch veel schooner:Want de phantasiën van den Dichter,Maakten om ’t bestaan den strijd niet lichterHem, die daarom ’t nooit werd eenen zoeten klank:’t Schoon der Poëzie, zelfs tegen wil en dank.—
Bij al die heerlijkheid en pracht,Blijft ’s Leeuw’riks juichend, jublend lied,Den arme op ’t dorre heiveld niet,—Dan eene kreet van smart:een klacht,Als hij zijn niet menschwaardig lot,Eens overdenkt, eens wel beschouwt:Hoe zelfs zijn woning ’t midden houdt,—Deels op—en deels in de aard gebouwd,Dus, van half hut en van half grot.
Tot muren zelfs de moeder aard,Gevraagd, om hare steun en hulp,Omdat geen steenen tot de stulp,Men had, dan tot een kleinen haard.Daarop kwam nog het zwaarste eerst aan:Nu gaf een enkle menschenvrindWat riet; een buur, hem welgezind,Wat boompjes, tot het dakgebindt:—Eensklaps voltooid, zag men het staan.—
Een vos graaft misschien niet zijn hol,In een paar dagen korten tijd:(Juist zoolang aan dit werk gewijd)—En houdt het hoofd ook nimmer vol,Met wat de bange toekomst geeft.Hij de Arme spant zijn krachten in:Hij spit en graaft van af ’t begin,Op hoop van eindelijk gewin,Recht uit naar ’t doel, waarvoor hij leeft.
Ach de Arme, die de onvruchtbre Hei,Bewerkt, allengskens iets ontgint—Het al te goed toch ondervindt,Dat Heide blijft de dorste wei.’t Onsamenhangend korr’lig zand,Spot met des armen zwakke kracht.—Hij die zoo rijk alreê zich dacht,Met wat zoo blij hem tegenlacht:Een eigen haard op eigen land!
Veel wat zoo’n Nijvre hier ontbrak,Blijft gelden bij hem toch nog ligt,Als in zijn schaal het zwaar gewicht,Van eigen haard, van eigen dak,Van eigen grondbezit, hij legt.—Help Rijkdom, die te helpen weet;Hij wint den strijd niet, hoe hij zweet;Help tot het eind, van af de meet,Zijn slaven, zwoegen, loont zoo slecht!